Skip to main content

ECLI:NL:RBZWB:2026:6097

Instanță

Middelburg

Data

4 May 2026

Limba

nl

Rezumatul Cauzei

Problema Juridică

Strafrecht

Hotărâre / Soluție

Uitspraak

Middelburg

Procedure: UitspraakDomain: StrafrechtType: uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats Middelburg

parketnummer : 02-279343-25

raadkamernummer : 26-002095

beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verzoeker],

geboren op [geboortedag] 2002 te [plaats],

woonplaats kiezend op het kantoor van mr. A.M.J. Joris, advocaat te Breda (Ginnekenweg 88, 4818 JH Breda),

hierna te noemen: de verzoeker.

1. De procedure

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:

 het op 23 januari 2026 bij de griffie ingediende verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 van het Wetboek van strafvordering(Sv) ten laste van de Staat voor een bedrag van:

€ 2.174,66, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand;

€ 420,00 als forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 825,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;

het sepot van 21 oktober 2025;

de schriftelijke reactie van de officier van justitie;

de overige stukken in het raadkamerdossier.

Op 20 april 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. M. Nieuwenhuis en mr. A.J.C.M. de Graaff, als gemachtigd advocaat van verzoeker gehoord.

Verzoeker is behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.

De raadsman heeft desgevraagd ter terechtzitting een toelichting gegeven met betrekking tot de tijdigheid van het verzoek. Het sepot dateert van 21 oktober 2025. Het verzoekschrift is ontvangen op 23 januari 2026. De raadsman stelt zich op het standpunt dat de termijn van 3 maanden voor het indienen van een verzoekschrift aanvangt op het moment dat verzoeker kennis heeft genomen van het sepot. Verzoeker heeft het sepot via de post ontvangen en daar zijn 1 à 2 werkdagen mee gemoeid geweest. Op zijn vroegst heeft verzoeker op 23 oktober 2025 kennisgenomen van het sepot, wat maakt dat het verzoek tijdig is ingediend.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de zaak is beëindigd op 21 oktober 2025. Dat is de aanmaakdatum van de beslissing en deze wordt doorgaans op dezelfde dag of de dag daarna verzonden. Het verzoekschrift is te laat ingediend. De officier van justitie verzoekt het verzoekschrift niet-ontvankelijk te verklaren.

2. De beoordeling

De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen omdat de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank zou worden vervolgd.

Met betrekking tot de tijdigheid van het verzoek overweegt de rechtbank als volgt.

Een redelijke wetstoepassing brengt mee dat de termijn waarbinnen het verzoek dient te worden ingediend niet eerder aanvangt dan de dag volgend op die waarop verzoeker met een sepotbeslissing bekend is geworden, dan wel redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de gewezen verdachte daarvan op de hoogte is gekomen.

De sepotbeslissing dateert van 21 oktober 2025. Gelet op het tijdsverloop dat doorgaans gemoeid is met het verzenden van poststukken is de rechtbank van oordeel dat het aannemelijk is dat verzoeker niet eerder dan 23 oktober 2025 kennis heeft kunnen nemen van het sepot. Verzoeker heeft het verzoekschrift daarom tijdig, binnen 3 maanden, ingediend, zodat hij ontvangen kan worden in zijn verzoekschrift.

Op grond van artikel 530 Sv wordt aan een gewezen verdachte een vergoeding toegekend van de reis- en verblijfskosten die voor het onderzoek en de behandeling van de zaak zijn gemaakt. Er kan ook een vergoeding worden toegekend voor de schade die hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling van de zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden. Tot slot kan ook een vergoeding voor de kosten van een raadsman worden toegekend, tenzij de raadsman was toegevoegd.

Artikel 534 lid 1 Sv bepaalt dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaatsheeft, als en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter gronden van billijkheid aanwezig zijn. Bij deze beoordeling worden alle omstandigheden in aanmerking genomen.

De rechtbank is van oordeel dat het verzochte bedrag aan kosten van rechtsbijstand van

€ 2.174,66in voldoende mate is onderbouwd en komt de rechtbank billijk voor. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen.

Voor de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer wordt het forfaitaire bedrag van € 825,00toegekend.

3. De beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv toe tot een bedrag van

€ 2.999,66, bestaande uit:

  • € 2.174,66 aan kosten van rechtsbijstand;

en

  • € 825,00 de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;

bepaalt dat een bedrag van € 2.999,66, zal worden overgemaakt op bankrekeningnummer NL 26 ABNA 0147 8583 56, t.n.v. Stichting Derdengelden Joris & De Graaff Strafrechtadvocaten, o.v.v. Schadevergoeding DOUMA.

Deze beslissing is op 4 mei 2026 genomen door mr. L.W. Louwerse rechter, in tegenwoordigheid van I.L. Bruijnooge, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 4 mei 2026.

INFORMATIE RECHTSMIDDEL

Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.

Mai Multe Decizii