[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-administrative-law-nl-2023":3},{"detail":4,"years":183},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":181,"page":14,"limit":182},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},97,"administrative-law-nl","Administrative Law","NL","2026-07-08T16:56:40.686Z",2023,[13,15,17,19,21,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":14},1,{"month":16,"count":16},2,{"month":18,"count":14},3,{"month":20,"count":18},4,{"month":22,"count":23},5,0,{"month":25,"count":16},6,{"month":27,"count":16},7,{"month":29,"count":23},8,{"month":31,"count":23},9,{"month":33,"count":14},10,{"month":35,"count":23},11,{"month":37,"count":18},12,[39,52,61,71,80,89,98,108,118,127,136,145,154,163,172],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":50,"updatedAt":51},"516","ECLI:NL:RBDHA:2023:20227","ecli-nl-rbdha-2023-20227","",58,"2023-12-20T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: SGR 23\u002F7026 en SGR 23\u002F3114\n\nuitspraak van de voorzieningenrechter van 20 december 2023 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen\n [eiser 1] , te [woonplaats] , en [eiser 2] B.V., te [vestigings] , eisers\n\n(gemachtigde: mr. F. Smitshoek),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn, het college\n\n(gemachtigde: B. van den Berg).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: Boomkwekerij [derde-partij] B.V., te [vestigingsplaats] , belanghebbende\n\n(gemachtigde: mr. C.A. Blankenstein).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van eisers tegen het besluit van het college van 27 oktober 2022 waarbij eisers is gelast binnen zes maanden de splitsing van de woonboerderij op het perceel [adres] te [plaats] in vier wooneenheden ongedaan te maken.\n\nMet het besluit van 28 maart 2023 heeft het college het bezwaar van eiseres [eiser 1] niet-ontvankelijk verklaard.\n\nMet het besluit van 18 oktober 2023 heeft het college geweigerd de begunstigingstermijn te verlengen.\n\nHet college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Belanghebbende heeft ook schriftelijk gereageerd.\n\nDe voorzieningenrechter heeft het verzoek op 12 december 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres [eiser 1] , [naam] , de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van het college.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n2. Belanghebbende heeft het college verzocht handhavend op te treden tegen de situatie ter plaatse. Op 24 augustus 2022 heeft een toezichthouder van de gemeente geconstateerd dat in de woonboerderij op het perceel [adres] te [plaats] (het perceel) vier wooneenheden zijn gerealiseerd met eigen ingangen en voorzieningen.\n\nOp 29 september 2022 heeft het college eiseres [eiser 1] ( [eiser 1] ) meegedeeld dat het voornemen bestaat om handhavend op te treden tegen de situatie in de woonboerderij op dit perceel.\n\nOp 12 oktober 2022 heeft [eiser 1] hiertegen een zienswijze ingediend.\n\nBij besluit van 27 oktober 2022 (verzonden op 31 oktober 2022) heeft het college [eiser 1] gelast de overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, en 2.3a, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) binnen zes maanden na dagtekening van het besluit de splitsing van de woonboerderij op het perceel in vier wooneenheden ongedaan te maken, zodat er weer sprake is van één woning, onder verbeurte van een dwangsom van\n\n€ 10.000,- eenmalig en ineens.\n\nOp 20 december 2022 hebben eisers hiertegen bezwaar gemaakt.\n\nMet het besluit van 28 maart 2023 heeft het college, onder verwijzing naar het advies van de Commissie bezwaarschriften van 23 januari 2023, het bezwaar van [eiser 1] niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.\n\nEisers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld (zaaknr. SGR 23\u002F3114).\n\nHet college heeft op verzoek van [eiser 1] op 28 april 2023 een besluit genomen om de begunstigingstermijn te verlengen tot en met 27 oktober 2023 vanwege schaarste aan woonruimte in Nederland en de nijpende situatie van de bewoners die er al geruime tijd wonen.\n\nMet de brief van 10 oktober 2023 hebben eisers het college verzocht om de begunstigingstermijn verder te verlengen.\n\nMet het bestreden besluit van 18 oktober 2023 heeft het college geweigerd de begunstigingstermijn verder te verlengen. Hierin is overwogen dat inmiddels bijna een jaar is verstreken na oplegging van de last. Het college acht deze termijn ruimschoots voldoende om de overtredingen te beëindigen. Een lopende beroepsprocedure is in beginsel geen reden om een begunstigingstermijn te verlengen, te meer nu het bezwaar van [eiser 1] tegen de opgelegde last niet-ontvankelijk is verklaard. Uit het verzoek van 10 oktober 2023 blijkt niet dat niet binnen de gestelde begunstigingstermijn kan worden voldaan aan de last. Niet inzichtelijk is gemaakt welke stappen er reeds zijn genomen om de bewoners elders te huisvesten, aldus het college.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n3. De voorzieningenrechter stelt vast dat het verzoek om voorlopige voorziening zich richt op beide besluiten van 28 maart 2023 en 18 oktober 2023.\n\n4. Nu het verzoek om voorlopige voorziening zich mede richt tegen het besluit van het college van 18 oktober 2023, ziet de voorzieningenrechter zich gesteld voor de vraag of met betrekking tot dat besluit is voldaan aan het connexiteitsvereiste als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb.\n\n5. De voorzieningenrechter stelt vast dat eisers geen bezwaar hebben gemaakt tegen dit besluit, omdat zij er vanuit gaan dat dit een besluit is in de zin van artikel 6:19 van de Awb. Het bestreden besluit van 18 oktober 2023 betreft de weigering van het college om de in het besluit van 28 april 2023 gewijzigde begunstigingstermijn verder te verlengen. Het besluit van 28 april 2023 houdt een wijziging in van de oorspronkelijke begunstigingstermijn als opgenomen in de bij het besluit van 27 oktober 2022 opgelegde last onder dwangsom, die bij het bestreden besluit van 28 maart 2023 vanwege niet-ontvankelijkheid van het bezwaar in stand is gelaten. Het besluit van 18 oktober 2023 is derhalve een besluit als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb. Dit betekent dat het beroep tegen het besluit van 28 maart 2023 mede betrekking heeft op het besluit van het college van 18 oktober 2023, zodat aan het connexiteitsvereiste is voldaan.\n\n6. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van eisers tegen beide bestreden besluiten van 28 maart 2023 en\n\n18 oktober 2023. Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Hij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.\n\nDerde belanghebbende\n\n7. De voorzieningenrechter volgt eisers niet in hun kennelijke stelling dat Boomkwekerij [derde-partij] B.V geen belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb. Zij is immers gevestigd op het naastgelegen perceel en heeft het verzoek om handhaving gedaan dat heeft geleid tot de opgelegde last onder dwangsom. De -overigens door belanghebbende betwiste- stellingen van eisers dat er vanwege de afstand en milieuregels geen gevaar is voor gezondheidsschade van de bewoners van de woonboerderij door het gebruik van gewasbestrijdingsmiddelen door belanghebbende ziet op de inhoudelijke beoordeling en is niet relevant voor de beoordeling van de vraag of zij belanghebbende is in de zin van genoemd artikel.\n\nHet besluit van 28 maart 2023\n\n8. Eisers voeren aan dat het bezwaar van [eiser 1] ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, omdat de termijnoverschrijding in dit geval verschoonbaar is. Zij stellen dat [eiser 1] pas op 12 december 2022 bekend is geworden met het besluit van 27 oktober 2022, omdat zij op die dag pas is teruggekeerd van een langdurig verblijf in het buitenland, waar zij voor haar werk verbleef. In het als bezwaarschrift bedoelde e-mailbericht van 20 december 2022 is daarom abusievelijk vermeld dat zij op 10 november 2022 met het besluit van 27 oktober 2022 bekend is geworden. Aangezien geen sprake is van een kennelijk niet-ontvankelijk bezwaar had het college volgens eisers niet van de hoorplicht mogen afzien.\n\nHet college heeft in het besluit van 28 maart 2023, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 14 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2470), overwogen dat verblijf in het buitenland geen verschoonbare reden is voor termijnoverschrijding.\n\n9. De voorzieningenrechter stelt vast dat het besluit van het college van 27 oktober 2022 op 31 oktober 2022 is verstuurd. Niet in geschil is dat [eiser 1] buiten de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn van zes weken een bezwaarschrift heeft ingediend.\n\n10. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkheid achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.\n\n11. Op grond van vaste rechtspraak van de Afdelingbehoort het tot de eigen verantwoordelijkheid van de indiener van een bezwaarschrift om er zorg voor te dragen dat ook in geval van afwezigheid of ziekte wordt voldaan aan de wettelijke vereisten verbonden aan het maken van bezwaar, door bijvoorbeeld een derde in te schakelen. Wegens het dwingende karakter van de bezwaartermijn kan daarop slechts in zeer uitzonderlijke gevallen, waarin aannemelijk wordt gemaakt dat er geen mogelijkheid was om zorg te dragen voor inschakeling van een derde, een uitzondering worden aanvaard, aldus de Afdeling.\n\n12. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet gebleken dat er in dit geval sprake was van een dergelijk uitzonderlijk geval. Daarnaast is uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken -anders dan eisers stellen- niet aannemelijk geworden dat [eiser 1] gedurende de gehele bezwaartermijn in het buitenland verbleef. Dat kan niet worden afgeleid uit de overgelegde verklaring van de opdrachtgever [bedrijfsnaam] B.V. en evenmin uit de eigen schriftelijke verklaring van [eiser 1] . Zij heeft ter zitting ook aangegeven dat zij tussen de ritten door wel een enkele keer thuis is geweest. De door [eiser 1] genoemde omstandigheden dat het een stressvolle periode voor haar was, dat zij vanwege de drukte maar heel kort thuis was en snel weer weg moest en dat zij belangrijk werk deed ten behoeve van het Rode Kruis, zijn onvoldoende zwaarwegend om aan te nemen dat zij niet in staat was om zicht te (laten) houden op post van het college, temeer nu zij op de hoogte was van het voornemen van het college om onderhavige last onder dwangsom op te leggen. Dat zij tijdens de bezwaartermijn via Whatsapp contact had met de wethouder en deze geen melding zou hebben gemaakt van het besluit van 27 oktober 2022 doet daar niet aan af.\n\nHieruit volgt dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is en dat het college het bezwaar van [eiser 1] terecht kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard.\n\n13. De uitspraken waarnaar eisers in dit verband hebben verwezen, te weten de uitspraken van de Afdeling van 18 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:786) en van 26 april 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1239) en van de rechtbank Limburg van 23 maart 2022 (ECLI:NL:RBLIM:2022:2220), hebben geen betrekking op identieke situaties en\n\nkunnen de voorzieningenrechter daarom niet tot een ander oordeel leiden. Van belang daarbij is nog dat in dit geval wel sprake is van een derde-belanghebbende.\n\nOok het door eisers genoemde wetsvoorstel Wet versterking waarborgfunctie Awb leidt niet tot een ander oordeel. Nog daargelaten dat dat wetsvoorstel nog niet is aangenomen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de persoonlijke omstandigheden van [eiser 1] in dit geval onvoldoende zwaarwegend zijn om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. De voorzieningenrechter verwijst naar hetgeen hiervoor is overwogen.\n\n14. De voorzieningenrechter volgt eisers verder niet in de stelling dat het college eisers had moeten horen alvorens op het bezwaar te beslissen. Eisers hadden de redenen voor de termijnoverschrijding reeds aangegeven in het bezwaarschrift en de Commissie bezwaarschriften heeft in haar advies met die omstandigheden rekening gehouden.\n\n15. Dit betekent dat het beroep tegen het besluit van 28 maart 2023 ongegrond is en het daartegen gerichte verzoek om voorlopige voorziening zal worden afgewezen.\n\nHet besluit van 18 oktober 2023\n\n16. De voorzieningenrechter zal vervolgens de rechtmatigheid van het besluit van\n\n18 oktober 2023 beoordelen.\n\n17. Eisers voeren hiertegen aan dat het lopende beroep voor het college reden had moeten zijn om de begunstigingstermijn te verlengen tot de uitspraak op dat beroep dan wel om tot dat moment af te zien van handhavingsacties, omdat de gevolgen van handhavend optreden onomkeerbaar en prematuur zijn.\n\nDaarnaast voeren zij onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1694) aan dat handhaving daarom in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Verder moet handhavend optreden volgens eisers worden opgeschort, omdat sprake is van bijzondere omstandigheden, omdat diverse bewoners al geruime tijd ter plaatse woonachtig zijn en op (korte) termijn geen (betaalbare) vervangende woonruimte kunnen vinden. Eisers achten handhavend optreden daarom onevenredig.\n\n18. Aangezien dit besluit uitsluitend betrekking heeft op de begunstigingstermijn, kan hetgeen eisers hebben aangevoerd over de rechtmatigheid van het handhavend optreden in het kader van de beoordeling van het besluit van 18 oktober 2023 niet meer aan de orde komen.\n\n19. De voorzieningenrechter stelt voorop dat een begunstigingstermijn ertoe strekt de overtreder de gelegenheid te bieden de overtreding te beëindigen zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. Als uitgangspunt geldt dat de begunstigingstermijn niet wezenlijk langer mag worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen.Bij het bepalen van de lengte van de begunstigingstermijn komt het bestuursorgaan enige vrijheid toe.De begunstigingstermijn strekt er niet toe eisers in de gelegenheid te stellen de uitkomst van een door hen ingesteld beroep af te wachten.\n\n20. De voorzieningenrechter stelt vast dat de met het besluit van 27 oktober 2022 gestelde begunstigingstermijn als gevolg van de tegen dit besluit gevoerde procedures is verlengd tot en met 27 oktober 2023. Dat betekent dat eisers inmiddels een jaar de gelegenheid hebben gehad om te voldoen aan de hen opgelegde last onder dwangsom. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet aannemelijk geworden dat deze termijn te kort was om aan de last te voldoen. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat gesteld noch gebleken is dat de bewoners (tevergeefs) op zoek zijn geweest naar alternatieve -eventueel tijdelijke- woonruimte. Eisers worden dan ook niet gevolgd in hun stelling dat de bewoners geen geschikte woonruimte kunnen vinden. Eisers hebben verder niet gesteld, althans niet onderbouwd, dat er sprake zal zijn van een noodsituatie voor de bewoners als de last wordt geeffectueerd. Daarnaast kan de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019 eisers niet baten, nu die betrekking heeft op het vertrouwensbeginsel, waarop eisers geen beroep hebben gedaan.\n\n21. Gelet hierop heeft het college met het bestreden besluit van 18 oktober 2023 op goede gronden verdere verlenging van de begunstigingstermijn kunnen weigeren, zodat het daartegen ingestelde beroep eveneens ongegrond is en het daartegen gerichte verzoek om voorlopige voorziening eveneens zal worden afgewezen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n22. Het beroep tegen de bestreden besluiten van 28 maart 2023 en het besluit van\n\n18 oktober 2023 is ongegrond. Dat betekent dat de bestreden besluiten standhouden. Gelet hierop is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n- verklaart het beroep tegen het besluit van 28 maart 2023 ongegrond;\n\n- verklaart het beroep tegen het besluit van 18 oktober 2023 ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 december 2023.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 december 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2918) en van 26 juli 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:2860)\n\nZie onder meer de uitspraak van 27 mei 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI4943 en van\n\n14 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2470\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 11 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1791\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2147\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2797","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:20227","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:34.293Z",{"id":53,"ecli":54,"slug":55,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":56,"fullText":57,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":58,"sourceTimestamp":59,"parsedAt":50,"updatedAt":60},"1481","ECLI:NL:RBDHA:2023:20126","ecli-nl-rbdha-2023-20126","2023-12-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SGR 23\u002F428\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 december 2023 in de zaak tussen\n \n [eiseres], uit [woonplaats], eiseres\n\nen\n\nde staatssecretaris voor Cultuur en Media, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. R.J. Oskam & L. van Eindhoven).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van het Woo-verzoek van eiseres.\n\n1.1.. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 19 juli 2022 gedeeltelijk afgewezen. Met het bestreden besluit van 2 december 2022 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.\n\n1.2.. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep op 14 november 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n2. Eiseres heeft op 6 juni 2022 een Woo-verzoek aan verweerder gedaan. Met dit verzoek heeft zij onder andere gevraagd om een lijst, waarop van ieder jaar sinds de inwerkingtreding van de Cultuurgoedregeling uit artikel 67, derde lid, van de Successiewet 1956 en 1997, de door de Staat verworven voorwerpen zijn vermeld met het betreffende inventarisnummer van de Rijkscollectie en vermelding van het museum of de instelling waaraan het betreffende voorwerp in bruikleen is gegeven.\n\n2.1.. Verweerder heeft het verzoek voor zover het ziet op het bovenstaande afgewezen omdat de geheimhoudingsplicht uit artikel 67 Awrin de weg staat aan een verzoek op grond van artikel 4.1. en 5.7. Woo. Het bezwaar van eiseres tegen dit besluit is niet-ontvankelijk verklaard nu artikel 67 Awr van toepassing is en artikel 8.8 van de Woo toepassing van artikel 4.1 van de Woo (openbaarmaking op verzoek) uitsluit. Ook voor toepassing van artikel 5.7 van de Woo (toegang tot niet-openbare informatie ten behoeve van onderzoek) is om die reden geen ruimte. Dit leidt ertoe dat de weigering om de verzochte documenten te verstrekken niet een voor bezwaar of beroep vatbaar besluit oplevert .\n\nWat vindt eiseres in beroep?\n\n3. Volgens eiseres gaat de geheimhoudingsplicht van artikel 67 Awr niet zover dat het ministerie van OCWde cultuurgoederen die de Staat heeft verworven via de Cultuurgoedregelingniet bekend zou mogen maken. De minister van OCW is namelijk niet als zodanig betrokken bij enige werkzaamheid bij de uitvoering van de belastingwet. Hij is dan ook niet tot geheimhouding gehouden. Daarbij komt dat het hier niet gaat om het heffen of invorderen van enige belasting maar om het vrijwillig gebruik maken van een belastingfaciliteit op verzoek van een belastingplichtige. De erfbelasting is kwijtgescholden. Na de kwijtschelding is geen sprake meer van uitvoering van de belastingwet. De geheimhoudingsplicht van artikel 67 Awr eindigt naar de mening van eiseres dan ook bij de kwijtschelding van de erfbelasting. Als laatste wil eiseres nog wijzen op het belang van de kenbaarheid van de besteding van publieke middelen en de publieke toegankelijkheid van overheidsinformatie. De verworven cultuurgoederen zijn verkregen met het inkomen uit belastingen of te wel uit publieke middelen. Als informatie over deze bestedingen niet openbaar gemaakt wordt staat dat in de weg aan een deugdelijke democratische controle van de toepassing van de Cultuurgoedregeling.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\nIs artikel 67 Awr van toepassing?\n\n4. Zoals de hoogste bestuursrechtereerder heeft geoordeeld, is artikel 67, eerste lid, van de Awr een bijzondere openbaarmakingsregeling met een uitputtend karakter die prevaleert boven de Wob. Voor de Woo is dit inmiddels ook vastgelegd in artikel 8.8 Woo. Om vast te stellen of de documenten onder de geheimhoudingsplicht van artikel 67, eerste lid, van de Awr vallen, dient beoordeeld te worden of aangetroffen documenten betrekking hebben op hetgeen uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van de belastingwet over de persoon of zaken van een ander blijkt of wordt medegedeeld. Artikel 67 Awr kent een zeer verstrekkende geheimhoudingsplicht.\n\n4.1.. \n\nDe rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat de fiscale geheimhoudingsplicht in dit geval geldt ten opzichte van een ieder die uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van de belastingwet over de persoon of zaken van een ander iets blijkt of wordt medegedeeld en niet enkel voor de uitvoerende instanties die primair belast zijn met de heffing en invordering van belastingen. De stelling van eiseres dat er bij overdracht van een cultuurgoed aan de Staat geen sprake is van belastingheffing en de geheimhoudingsplicht zou eindigen op het moment dat de erfbelasting wordt kwijtgescholden, laat onverlet dat de informatie in de verzochte documenten verkregen is in verband met de uitvoering van de belastingwet. Er is in dit geval sprake van ‘gegevens in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van de belastingwet’ in de zin van artikel 67 van de Awr. Hiertoe overweegt de rechtbank dat verweerder heeft toegelicht op welke wijze hij betrokken is bij de uitvoering van de Cultuurgoedregeling. Deze Cultuurgoedregeling staat in de successiewet 1956, dit is een belastingwet. De cultuurgoedregeling is tot stand gekomen in overleg met de toenmalige staatssecretaris van OCW. De verdere betrokkenheid van verweerder blijkt ook duidelijk uit artikel 13 van het uitvoeringsbesluit Successiewet 1956. Het gaat dan met name om de samenstelling van de commissie, de kosten die de commissie maakt en bijvoorbeeld ook de raadgevende rol die de algemeen directeur van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed heeft. Verweerder is dan ook betrokken bij de uitvoering van de belastingwet.\n\nUit artikel 15 van het uitvoeringsbesluit blijkt vervolgens ook duidelijk dat de kwijtschelding van de erfbelasting onlosmakelijk verbonden is met de overdracht van het cultuurgoed en de opname in de rijkscollectie. Deze rijkscollectie wordt door verweerder beheerd. De herkomst van het staatseigendom is gelet op het bovenstaande gelegen in het gebruik maken van de cultuurgoedregeling en moet daarmee gezien worden als informatie “over de persoon of zaken van een ander”. Het staatseigendom kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet losgezien worden van de Cultuurgoedregeling.\n\n4.2.. Gelet op het bovenstaande gaat het hier om gegevens die onder artikel 67 van de Awr vallen. Door de hoogste bestuursrechteris eerder bepaald dat de beslissing om een verzoek om informatie op grond van de Awr af te wijzen geen voor bezwaar en beroep vatbaar besluit is. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres op dit punt dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.\n\n4.3.. De rechtbank merkt nog wel op dat verweerder op zitting heeft aangegeven dat ook hij het belangrijk vindt dat de informatie waar eiseres om vraagt in enige vorm openbaar wordt. Aangegeven is dat wordt onderzocht of er tot een (wettelijke) regeling kan worden gekomen. Voor nu maakt dit de zaak echter niet anders omdat op dit moment artikel 67 Awr nog in de weg staat aan openbaarmaking van de gegevens.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H.T. van Bruggen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 december 2023.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Wet open overheid.\n\n Algemene wet inzake rijksbelastingen.\n\n artikel 1:3, 7:1 en 8:1 Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.\n\n artikel 67, derde lid, van de Successiewet 1956.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 16 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3317.\n\n Wet openbaarheid bestuur.\n\n zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3318.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:20126","2023-12-19T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:23.113Z",{"id":62,"ecli":63,"slug":64,"caseNumber":43,"courtId":65,"decisionDate":66,"fullText":67,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":68,"sourceTimestamp":69,"parsedAt":50,"updatedAt":70},"538","ECLI:NL:RBGEL:2023:6588","ecli-nl-rbgel-2023-6588",60,"2023-12-05T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 21\u002F5584\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van\n\nin de zaak tussen\n \n [eisers] , uit [woonplaats] , en\n\n [eisers] ,uit [woonplaats] ,\n\nsamen: eisers\n\n(gemachtigden: R. Smit, mr. E.L.C. Soors d'Ancona en H.B.M. van Rooijen),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente [woonplaats]\n\n(gemachtigde: mr. J van Dodewaard en A. Millerson).\n\nAls derde-partij nemen aan de zaak deel: [derde-partij] en [derde-partij], beiden uit [woonplaats] , eigenaren van Landgoed Pijnenburg.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun verzoeken om handhavend op te treden tegen de afsluiting van twee paden die zijn gelegen op Landgoed Pijnenburg in de gemeente [woonplaats] .\n\n1.1.. Met het bestreden besluit van 10 juni 2021 op het bezwaar van eisers is het college bij dat besluit gebleven.\n\n1.2.. Eisers zijn bij de rechtbank Midden-Nederland in beroep gegaan tegen het bestreden besluit. De rechtbank Midden-Nederland heeft het beroep voor de behandeling doorverwezen naar deze rechtbank.\n\n1.3.. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De eigenaren van Landgoed Pijnenburg hebben ook schriftelijk gereageerd.\n\n1.4.. \n\nDe rechtbank heeft het beroep op 31 oktober 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van eisers, de gemachtigden van het college en\n\n [derde-partij] , voornoemd, bijgestaan door [naam] , rentmeester.\n\nTotstandkoming van het bestreden besluit\n\n2. Op Landgoed Pijnenburg bevindt zich een aantal paden. De eigenaren van het landgoed hebben in 2019 twee paden afgesloten voor fietsverkeer door middel van hekwerken. Fietsers kunnen daardoor geen gebruik meer maken van deze paden.\n\n2.1.. \n\nEén pad wordt hierna aangeduid als ‘Buurtlaan\u002FEmilialaan’. Dit betreft een pad dat aansluit op de Wieksloterweg te Soest . Het pad komt aan de andere kant van het landgoed uit op de 300 Roedenlaan. Het andere pad wordt hierna aangeduid als ‘Stulpselaan’.\n\nDit pad is ten westen van de Buurtlaan\u002FEmilialaan gelegen. Het pad begint tegenover restaurant ’t Spiehuis. Aan de andere zijde van het landgoed komt dit pad ook uit op de 300 Roedenlaan.\n\n3. Eisers willen graag dat fietsers van deze twee paden gebruik kunnen (blijven) maken en hebben het college daarom verzocht handhavend op te treden tegen de afsluiting daarvan.\n\n4. Het college heeft besloten niet over te gaan tot handhaving. Het college legt daaraan ten grondslag dat beide paden geen openbare wegen in de zin van de Wegenwet zijn, zodat het college in dit geval niet bevoegd is handhavend op te treden.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n5. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de verzoeken van eisers om handhavend op te treden tegen de afsluiting van de twee paden gelegen op Landgoed Pijnenburg. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.\n\n6. Het beroep is gegrond voor zover het op de afsluiting van het pad Stulpselaan betrekking heeft. Het college heeft zich onterecht niet bevoegd geacht om daartegen handhavend op te treden. Ten aanzien van het pad Buurtlaan\u002FEmilialaan heeft het college zich wel terecht op het standpunt gesteld dat zij niet handhavend kan optreden tegen de afsluiting van dat pad. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n [partij] is geen afzonderlijke partij\n\n7. Het beroep is mede ingediend namens het [partij] . Op de zitting is door de gemachtigde van de [eisers] toegelicht dat het [partij] een onderdeel is van de [eisers] . Daarom wordt het [partij] door de rechtbank niet afzonderlijk als eiser aangemerkt.\n\nBeoordelingskader\n\n8. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nIn de Verordening fysieke leefomgeving Baarn (Verordening) staat dat het verboden is de weg of een gedeelte van de weg anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. Met wegen worden in de Verordening bedoeld alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten.\n\n8.1.. In de Wegenwet is geregeld wanneer een weg openbaar is. Die wet is ook van toepassing op voetpaden en rijwielpaden.\n\n8.1.1.. Een weg is openbaar wanneer die weg dertig achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk is geweest.\n\n8.1.2.. Een weg is ook openbaar als die tien jaar voor een ieder toegankelijk is geweest en de weg in die periode is onderhouden door het Rijk, een provincie, een gemeente of een waterschap.\n\n8.1.3.. Verder is een weg openbaar als de rechthebbende daaraan de bestemming van openbare weg heeft gegeven.\n\n8.1.4.. In de situaties die zijn genoemd in 8.1.1. en 8.1.2. wordt een weg toch niet openbaar wanneer de rechthebbende op de weg in de periode van dertig of tien jaar heeft aangegeven dat de weg slechts ‘ter bede’, dat wil zeggen met zijn toestemming, toegankelijk is. Een eigenaar kan dat doen door het plaatsen van een bordje met opschrift “eigen weg”, “private weg” of een soortgelijke aanduiding.\n\n8.1.5.. In de Wegenwet is verder geregeld dat een gemeente een wegenlegger heeft waarop is aangegeven bij wie een weg in onderhoud is. Als een weg op de wegenlegger staat wordt de weg aangemerkt als openbaar, tenzij wordt bewezen dat de weg na plaatsing daarvan op de legger heeft opgehouden openbaar te zijn.\n\n9. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) – de hoogste bestuursrechter in dit soort zaken – volgt dat degene die zich op de openbaarheid van een weg beroept, die openbaarheid aannemelijk dient te maken.Hij of zij moet dan niet alleen aannemelijk maken dat het feitelijk mogelijk was om de weg te betreden en dat dit ook is gebeurd, maar ook dat dit niet tegen de kenbaar gemaakte wil van de rechthebbende was.\n\n9.1.. Uit de rechtspraak van de Afdeling volgt ook dat vanwege het algemeen belang dat gediend is met handhaving, het bestuursorgaan dat bevoegd is om in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moet maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevraagd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien een concreet zicht op legalisatie bestaat of als handhavend optreden zo onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.\n\n10. Het bevoegd gezag, in dit geval het college, is alleen bevoegd om handhavend op te treden tegen de afsluiting van een weg, als die weg openbaar is in de zin van de Wegenwet. Als een weg openbaar is, heeft de eigenaar\u002Frechthebbende op die weg het openbaar verkeer op die weg te dulden.\n\nZijn de paden openbaar in de zin van de Wegenwet?\n\n11. Op de zitting is de wegenlegger van de gemeente Baarn getoond. Vaststaat dat beide paden niet op de wegenlegger staan, zodat de paden niet op grond daarvan als openbaar kunnen worden aangemerkt.\n\n11.1.. Hierna zal de rechtbank van elk pad afzonderlijk bespreken of eisers erin zijn geslaagd aannemelijk te maken dat het betreffende pad openbaar is.\n\nHet pad Buurtlaan\u002FEmilialaan\n\n12. Eisers stellen dat het pad Buurtlaan\u002FEmilialaan een openbare weg is, omdat het pad reeds lange tijd in gebruik is door fietsers en daarmee een functie voor velen vervult. Het openbaar karakter blijkt volgens eisers uit een vergunning aan de [vereniging] uit 1986, verschillende kaarten, de verschillende jaarverslagen van die [vereniging] en verklaringen van gebruikers.\n\nVerder blijkt volgens eisers uit diverse stukken dat het pad van overheidswege werd onderhouden.\n\nRekenend vanaf het ontstaan van het pad in 1986\u002F1987 tot aan het moment dat er in 2004 borden “eigen weg” zijn geplaatst is de fietsroute Buurtlaan\u002FEmilialaan volgens eisers tenminste 17 jaren voor een ieder toegankelijk geweest en ruim langer dan 10 jaren onderhouden geweest.\n\n12.1.. De eigenaren van Landgoed Pijnenburg stellen zich – kort gezegd – op het standpunt dat de borden “eigen weg” al lange tijd geleden bij dit pad zijn geplaatst, waardoor het pad niet openbaar is geworden. Dat fietsers de borden niet hebben gezien of negeren, maakt dat niet anders.\n\n12.2.. Het college ziet in de stukken die eisers hebben overgelegd geen overtuigend bewijs dat de borden “eigen weg” pas in 2004 op het landgoed zouden zijn geplaatst. Het college kent een zwaarder gewicht toe aan de (eigen) verklaringen van de eigenaren van het landgoed en de rentmeester van het landgoed. Het college ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de stelling dat de borden “eigen weg” al zeer langdurig op het landgoed en ook op de betreffende fietsroutes aanwezig zijn. Daarmee is door de landgoedeigenaren lopende de termijn van 10 of 30 jaar kenbaar gemaakt dat de weg slechts met toestemming toegankelijk was en is het pad daarmee niet aan te merken als openbare weg in de zin van de Wegenwet.\n\nGeldt een termijn van 10 jaar of van 30 jaar?12.3.. De rechtbank overweegt dat uit het dossier en dat wat op de zitting is besproken niet blijkt dat het pad Buurtlaan\u002FEmilialaan enige tijd van overheidswege is onderhouden. In de door eisers overgelegde stukken komt naar voren dat er subsidie zou zijn verleend voor de aanleg van het pad. De eigenaren van het landgoed bestrijden dat deze stukken op het pad Buurtlaan\u002FEmilialaan betrekking hebben, maar de rechtbank kan in het midden laten of dat juist is. Ook als wordt aangenomen dat subsidie is verleend voor onderhoud van het pad Buurtlaan\u002FEmilialaan, volgt daaruit namelijk niet dat sprake is van onderhoud van overheidswege. De rechtbank is daarom van oordeel dat het pad Buurtlaan\u002FEmilialaan slechts openbaar kan zijn als het pad gedurende 30 jaar voor een ieder toegankelijk is geweest.\n\nIs het pad Buurtlaan\u002FEmilialaan 30 jaar lang voor een ieder toegankelijk geweest?12.4.. \n\nDe rechtbank stelt vast dat het pad Buurtlaan\u002FEmilialaan in 2006 deels is omgelegd als gevolg van de bouw van een woning nabij het pad. Dit omgelegde deel van het pad kan nog niet openbaar zijn geworden. Er waren vanaf de aanleg van deze omlegging in 2006 tot aan het moment van afsluiting immers nog geen 30 jaren verstreken.\n\nUit de stukken en dat wat op de zitting is besproken, is aannemelijk dat het overige gedeelte van het pad Buurtlaan\u002FEmilialaan niet eerder dan in 1987 in gebruik is genomen. Dit leidt de rechtbank af uit een brief van de provincie Utrecht (uit 1986) en een brief van het ministerie van Landbouw en Visserij (uit 1987) waarin wordt gesproken over de plannen voor de aanleg van dit pad en de subsidie voor die aanleg. Eisers hebben weliswaar gesteld dat deze route al vóór 1987 in gebruik was, maar zij hebben deze stelling niet met stukken of andere bewijsmiddelen aannemelijk gemaakt.\n\nNiet in geschil is dat op dit pad uiterlijk in 2004 borden “eigen weg” zijn geplaatst. De periode tussen de aanleg van dit deel van het pad in 1987 en de plaatsing van de borden eigen weg bedraagt dan ook minder dan 30 jaar. De rechtbank is daarom van oordeel dat het pad Buurtlaan\u002FEmilialaan geen openbare weg is.\n\n12.5.. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college zich voor wat betreft het pad Buurtlaan\u002FEmilialaan terecht op het standpunt stelt dat dat pad niet openbaar is en dat zij daarom niet bevoegd is om handhavend op te treden tegen het afsluiten van de toegang tot dat pad. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nHet pad Stulpselaan\n\n13. Eisers stellen dat het pad Stulpselaan openbaar is, omdat het pad reeds lange tijd in gebruik is door fietsers en daarmee een functie voor velen vervult. Het openbaar karakter van dit pad blijkt volgens eisers uit de verschillende kaarten met fietsroutes, een krantenartikel uit het Algemeen Handelsblad van 26 juli 1927, het jaarverslag van 1927 van de [vereniging] en een artikel uit het tijdschrift De Kampioen van 23 december 1939. Hieruit kan de conclusie worden getrokken dat het pad in ieder geval al sinds eind jaren ’20 door fietsers gebruikt is geweest als doorgaande route en ook als zodanig op fietskaarten is aangegeven.\n\n13.1.. De eigenaren van Landgoed Pijnenburg stellen zich op het standpunt dat de borden “eigen weg” al lange tijd geleden bij het pad Stulpselaan zijn geplaatst, waardoor ook dit pad niet openbaar is geworden. Zij hebben een e-mail van de huidige rentmeester overgelegd van april 2021, waarin staat dat de borden meer dan 30 jaar aanwezig zijn. In die e-mail staat verder dat de huidige rentmeester vanaf 1991 bij het beheer van het landgoed is betrokken en dat de borden door zijn voorganger zijn geplaatst. Verder hebben de eigenaren van het landgoed een verklaring overgelegd van 22 februari 2022 van [naam] , BOA en zoon van de voormalige jachtopziener van het landgoed. Deze verklaart dat hij vanaf zijn geboortejaar (1968) tot 1995 op het landgoed heeft gewoond en dat hij als kind de borden “eigen weg” elk jaar moest poetsen van zijn vader.\n\n13.2.. \n\nOok voor het pad Stulpselaan stelt het college zich op het standpunt dat een zwaarder gewicht moet worden toegekend aan de (eigen) verklaringen van de eigenaren van het landgoed en de rentmeester van het landgoed. Het college ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de stelling dat de borden “eigen weg” al zeer langdurig op het landgoed en ook op de betreffende fietsroutes aanwezig zijn. Daardoor is het pad volgens het college niet openbaar geworden.\n\nGeldt een termijn van 10 jaar of van 30 jaar?13.3.. De rechtbank overweegt dat uit het dossier en dat wat op de zitting is besproken niet blijkt dat het pad Stulpselaan enige tijd van overheidswege is onderhouden. De rechtbank is van oordeel dat het pad Stulpselaan slechts openbaar kan zijn, als het pad gedurende 30 jaar voor een ieder toegankelijk is geweest.\n\nIs het pad Stulpselaan gedurende 30 jaar voor een ieder toegankelijk geweest?13.4.. Eisers hebben een kaartje overlegd dat dateert uit 1927 en waarop het pad Stulpselaan is te zien. Daaruit blijkt weliswaar dat het pad destijds al bestond, maar daarmee is nog niet aannemelijk gemaakt dat het pad op dat moment ook voor een ieder toegankelijk is geweest. Eisers hebben wel aannemelijk gemaakt dat het pad Stulpselaan in ieder geval al sinds 1939 voor een ieder toegankelijk is geweest als fietspad. De uitgave van de Kampioen van 23 december 1939 die door eisers is overlegd, maakt dit voldoende aannemelijk. Hierin wordt het pad Stulpselaan genoemd als onderdeel van een fietsroute.\n\n13.5.. \n\nEisers stellen dat de borden “eigen weg” op dit pad pas in 2004 zijn geplaatst. De rechtbank volgt hen daarin niet. Uit de verklaringen die de eigenaren van het landgoed hebben overgelegd komt naar voren dat de borden met opschrift “eigen weg” al geplaatst zouden zijn door de vorige rentmeester. De vorige rentmeester heeft tot en met 1991 gewerkt op het landgoed. Daarnaast is er de verklaring van de zoon van de voormalige jachtopziener, geboren in 1968, die stelt dat hij als kind de borden “eigen weg” elk jaar moest poetsen. Ook bevindt zich in het dossier een brief van de eigenaren van het landgoed aan het college van 5 december 2005 waarin hij het volgende schrijft: “In uw brief stelt u dat u geconstateerd heeft dat er onlangs borden met opschrift \"eigen weg\" langs de Wieksloterweg tussen de Biltseweg en de Pijnerburgergrift geplaatst zijn. Deze borden staan al tenminste 29 jaar bij de toegangen van het landgoed.”Gelet op deze verklaringen is het naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat de borden “eigen weg” eerder dan in 2004, maar niet eerder dan in de jaren ’70 bij het pad Stulpselaan zijn geplaatst.\n\nAangezien de rechtbank er van uitgaat dat het pad Stulpselaan in ieder geval voor een ieder toegankelijk was vanaf 1939 en de borden met opschrift “eigen weg” op z’n vroegst zijn geplaatst in de zeventigerjaren van de vorige eeuw, kan worden aangenomen dat het pad een periode van meer dan 30 jaar voor fietsverkeer toegankelijk is geweest. De plaatsing van de borden met opschrift “eigen weg” na het verstrijken van die termijn van 30 jaar kon niet meer voorkomen dat het pad Stulpselaan openbaar is geworden.\n\n13.6.. Ten overvloede, maar ter voorlichting van partijen wijst de rechtbank er op dat ook als voorafgaand aan de afsluiting voorwaarden waren gesteld aan de toegankelijkheid van de paden, dat niet van invloed is op de vraag of die paden openbaar zijn.\n\n13.7.. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college zich voor wat betreft het pad Stulpselaan ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat dit pad niet openbaar is en dat zij daarom niet bevoegd is om handhavend op te treden tegen het afsluiten van de toegang tot dat pad. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n14. Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren. Het college hoeft ten aanzien van de afsluiting van de Emilialaan\u002FBuurtlaan geen nieuw besluit te nemen. Het bestreden besluit zal worden vernietigd voor zover dat ziet op de afsluiting van het pad Stulpselaan. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien. Het college zal met inachtneming van wat onder 9.1 is overwogen, opnieuw moeten beoordelen of zij handhavend moet optreden tegen de afsluiting van het pad Stulpselaan. Het college zal daartoe een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen. Zij krijgt hiervoor zes weken de tijd na de datum van verzending van deze uitspraak.\n\n14.1.. Nu de rechtbank het beroep gegrond zal verklaren, moet het college aan eisers het door hun betaalde griffierecht van € 360 vergoeden. Er is niet gebleken dat eisers proceskosten hebben gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit, voor zover dat betrekking heeft op de afwijzing van het verzoek om handhavend op te treden tegen de afsluiting van het pad Stulpselaan;\n\ndraagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eisers ten aanzien van het pad Stulpselaan met inachtneming van deze uitspraak;\n\ndraagt het college op het betaalde griffierecht van € 360 aan eisers te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van mr. H.G. Vruwink-Eertink, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op:\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBijlage\n\nWegenwet\n\nArtikel 1\n\n1. Deze wet is uitsluitend van toepassing op openbare wegen.\n\n2. Onder wegen worden in deze wet mede verstaan:\n\nI. voetpaden, rijwielpaden, jaagpaden, dreven, molenwegen, kerkwegen en andere verkeersbanen voor beperkt gebruik.\n\nArtikel 4\n\n1. Een weg is openbaar:\n\nI. wanneer hij, na het tijdstip van dertig jaren vóór het in werking treden van deze wet, gedurende dertig achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk is geweest;\n\nII. wanneer hij, na het tijdstip van tien jaren vóór het in werking treden van deze wet, gedurende tien achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk is geweest en tevens gedurende dien tijd is onderhouden door het Rijk, eene provincie, eene gemeente of een waterschap;\n\nIII. wanneer de rechthebbende daaraan de bestemming van openbaren weg heeft gegeven.\n\n2. Het onder I en II bepaalde lijdt uitzondering wanneer, loopende den termijn van dertig of van tien jaren, gedurende een tijdvak van ten minste een jaar duidelijk ter plaatse is kenbaar gemaakt, dat de weg slechts ter bede voor een ieder toegankelijk is.\n\n3. Dit kenbaar maken kan geschieden door het stellen van opschriften als: eigen weg, particuliere weg, private weg en soortgelijke, of door andere kenteekenen.\n\nArtikel 14\n\n1. Behoudens de beperkingen in het gebruik, als bedoeld in artikel 6 en behoudens het bepaalde bij het volgend lid, hebben de rechthebbende op en de onderhoudplichtige van een weg alle verkeer over den weg te dulden.\n\nArtikel 49\n\nEen weg, welke op den legger voorkomt, wordt aangemerkt als te zijn openbaar onder geen andere dan de uit den legger blijkende beperkingen in het gebruik, tenzij bewezen mocht worden dat na de vaststelling van den legger of na de wijziging, waarbij de weg op den legger is gebracht, de weg heeft opgehouden openbaar te zijn.\n\nVerordening Fysieke Leefomgeving [woonplaats]\n\nArtikel 1:1\n\nIn deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:\n\nweg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994.\n\nArtikel 2:1\n\n1. Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik:\n\na. schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg.\n\nWegenverkeerswet\n\nArtikel 1\n\n1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders blijkt, verstaan onder:\n\nb. wegen: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten.\n\nOp grond van artikel 46b van de Wet op de rechterlijke organisatie.\n\n Zie bijvoorbeeld ABRvS 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:129, ABRvS 9 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3727 en ABRvS 27 november 2013, ELCI:NL:RVS:2013:2109.\n\n Vergelijk de uitspraak van Afdeling van 3 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7552, onder 4.2.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2023:6588","2023-12-04T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:35.717Z",{"id":72,"ecli":73,"slug":74,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":75,"fullText":76,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":77,"sourceTimestamp":78,"parsedAt":50,"updatedAt":79},"514","ECLI:NL:RBDHA:2023:18213","ecli-nl-rbdha-2023-18213","2023-10-26T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SGR 21\u002F6094uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 oktober 2023 in de zaak tussen\n\n [eiser 1],\n\n [eisers 1],\n\n [eisers 2],\n\n [eiser 2],\n\n [eiser 3],\n\n [eiser 4],\n\n [eiser 5],\n\n [eiser 6],\n\n [eiser 7]\n\nte [woonplaats], eisers\n\n(gemachtigde: mr. R.B. van Heijningen),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. P. Yildirim).\n\nAls derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij], te [woonplaats], vergunninghouder\n\n(gemachtigde: mr. F. van der Heijden).\n\nInleiding\n\n1. Verweerder heeft bij besluit van 10 september 2020 (het primaire besluit) een omgevingsvergunning verleend voor het transformeren van een kantoorgebouw aan de [adres 1] in [plaats] naar twaalf short stay appartementen voor een periode van tien jaar. Het daartegen door eisers gemaakte bezwaar is bij het besluit van 2 augustus 2021 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen het bestreden besluit.\n\n2. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Vergunninghouder heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Eisers hebben nadere stukken ingediend.\n\n3. De rechtbank heeft het beroep op 31 augustus 2023 op zitting behandeld. Hieraan\n\nhebben deelgenomen: [eiser 1] en [namen], bijgestaan door hun\n\ngemachtigde, de gemachtigde van verweerder, en vergunninghouder, bijgestaan door zijn gemachtigde.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten onrechte de omgevingsvergunning heeft verleend. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n5. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.\n\n5.1.. Vergunninghouder heeft op 4 juni 2020 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het transformeren van een kantoorgebouw aan de [adres 1] in [plaats] naar twaalf short stay appartementen. De aanvraag heeft betrekking op de activiteit ‘bouwen’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).\n\n5.2.. In het primaire besluit heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning verleend.\n\n5.3.. In het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder stelt zich - conform het advies van de bezwaarschriftencommissie - op het standpunt dat de functiewijziging van kantoor naar short stay appartementen niet in strijd is met de bestemming ‘Gemengd’ op grond van de beheersverordening ‘Willemspark e.o.’ (beheersverordening). De bezwaarschriftencommissie adviseerde echter de omgevingsvergunning in heroverweging te weigeren, omdat in het primaire besluit ten onrechte is overwogen dat het bouwplan voldoet aan de parkeereis. Vergunninghouder is in de gelegenheid gesteld om dit gebrek te herstellen, maar is daarin niet binnen de gestelde termijn geslaagd. Verweerder concludeert op basis van nieuwe informatie van vergunninghouder, die is ontvangen ná het advies van de bezwaarschriftencommissie, dat alsnog wordt voldaan aan de parkeereis. Verweerder wijkt daarom op dit punt af van het advies van de bezwaarschriftencommissie.\n\n6. Eisers betogen op hierna te noemen gronden dat de omgevingsvergunning niet verleend had mogen worden.\n\nOntvankelijkheid beroep\n\n7.1.. Vergunninghouder betoogt dat het beroep van eisers niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de gemachtigde van eisers het beroepschrift op 13 september 2021 niet met het inlogmiddel advocatenpas heeft ingediend maar met DigiD.\n\n7.2.. Op grond van artikel 2:15, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 8:40a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een bericht elektronisch naar de bestuursrechter worden verzonden voor zover de bestuursrechter kenbaar heeft gemaakt dat deze weg is geopend. De bestuursrechter kan nadere eisen stellen aan het gebruik van de elektronische weg.\n\n7.3.. Op grond van het tweede en derde lid van artikel 2:15 van de Awb kan de bestuursrechter elektronisch verschafte gegevens en bescheiden weigeren voor zover de aanvaarding daarvan tot een onevenredige belasting voor de bestuursrechter zou leiden. De bestuursrechter kan een elektronisch verzonden bericht ook weigeren voor zover de betrouwbaarheid of vertrouwelijkheid van dit bericht onvoldoende is gewaarborgd, gelet op de aard en de inhoud van het bericht en het doel waarvoor het wordt gebruikt.\n\n7.4.. Op grond van artikel 1.8, eerste lid, van het (op het moment van indiening van het beroepschrift geldende) Procesreglement bestuursrecht rechtbanken 2021 (Procesreglement) maakt dit reglement onderscheid tussen digitaal procederen en andere vormen van elektronisch berichtenverkeer met en van de bestuursrechter. Van digitaal procederen in deze zin is in de onderhavige procedure geen sprake.7.5.. Op grond van artikel 1.8, vierde lid, van het Procesreglement neemt de bestuursrechter een elektronisch ingediend beroepschrift dat niet is ingediend door middel van digitaal procederen uitsluitend in behandeling, indien het is ingediend via een daarvoor door de bestuursrechter opengesteld systeem dat wordt vermeld in de bijlage bij dit reglement met toepassing van de bepalingen vermeld in de bijlage.\n\n7.6.. Op grond van artikel 1 van bijlage 1 bij het Procesreglement heeft de bestuursrechter, voor het anders dan met digitaal procederen elektronisch indienen van beroepschriften en berichten, zoals bedoeld in artikel 1.8. vierde lid, van het reglement formulieren voor het instellen van (hoger) beroep beschikbaar gesteld op de digitale loketten www.rechtspraak.nl. Voor advocaten is alleen het inlogmiddel Advocatenpas toegelaten. Voor natuurlijke personen alleen DigiD.\n\n7.7.. Op het pro forma beroepschrift staat een stempel dat het is ontvangen op 13 september 2021 om 23:44 uur. Het beroepschrift is daarom tijdig ingediend. De gemachtigde van eisers heeft ter zitting toegelicht dat het inlogmiddel Advocatenpas niet werkte en dat hij, gelet op de naderende deadline, het beroepschrift daarom met behulp van DigiD heeft ingediend. Daarbij heeft hij vermeld dat hij namens anderen beroep heeft ingesteld. Uit het pro forma beroepschrift blijkt dat hij als advocaat namens negen personen beroep heeft ingesteld.\n\n7.8.. \n\nDe rechtbank overweegt allereerst dat, anders dan vergunninghouder kennelijk meent, de bestuursrechter niet gehouden is om een beroep niet-ontvankelijk te verklaren als niet wordt voldaan aan de vereisten bij of krachtens artikel 2:15, eerste lid, van de Awb. Daarbij wijst de rechtbank in de eerste plaats op de formulering van artikel 6:6 van de Awb, dat bepaalt dat het beroep niet-ontvankelijk kanworden verklaard indien aan enig bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep niet is voldaan. Daarnaast merkt de rechtbank op dat in de memorie van toelichting bij artikel 2:15 van de Awb is overwogen:\n\n“Indien een bericht langs elektronische weg aan een bestuursorgaan wordt toegezonden, terwijl het bestuursorgaan niet heeft kenbaar gemaakt dat deze weg is geopend voor dit soort berichten en deze weg inderdaad ook niet is opengesteld, dan kan het bestuursorgaan op die grond weigeren het bericht te aanvaarden. Het staat het bestuursorgaan echter ook onder die omstandigheid vrij het bericht te accepteren.”\n\n7.9.. Naar het oordeel van de rechtbank is niet-ontvankelijkheid van het beroep een te vergaande consequentie van het verzuim om het inlogmiddel Advocatenpas te gebruiken. De rechtbank betrekt daarbij dat deze regeling niet strekt tot bescherming van de belangen van verweerder en vergunninghouder, maar (mede gelet op de weigeringsgronden van artikel 2:15, tweede en derde lid, van de Awb) ziet op een betrouwbare en efficiënte wijze van elektronisch verkeer tussen de rechtbank en partijen. Verweerder en vergunninghouder zijn door de handelwijze van de gemachtigde van eisers ook niet benadeeld in hun procespositie.\n\n7.10.. Anders dan vergunninghouder ter discussie heeft gesteld, hebben bovendien alle eisers het bezwaarschrift, ingediend door eiser [eiser 1], ondertekend. Ook op dat punt ziet de rechtbank dus geen aanleiding om het beroep niet-ontvankelijk te achten. De rechtbank zal het beroep daarom inhoudelijk bespreken.\n\nStrijd met de bestemming in de beheersverordening?\n\n8.1.. Eisers stellen dat de short stay appartementen niet een hotelfunctie hebben, omdat geen sprake is van (volledige of gedeeltelijke) verzorging. Het bouwplan maakt feitelijk kamergewijze verhuur van tijdelijke aard mogelijk, zodat de functie ‘wonen’ aan de orde is. Verweerder heeft dit niet onderkend. Het gemeentelijk beleid is gericht op het vergroten van de woningvoorraad en het tegengaan van kamerbewoning. Voor de wijken Archipel en Willemspark geldt een verbod voor kamerverhuur en splitsing van woningen. Voor verhuur voor tijdelijk verblijf is een onttrekkingsvergunning vereist. Dat verweerder zelf uitgaat van strijd met de beheersverordening blijkt uit het feit dat in de bekendmaking van het besluit in het Gemeenteblad van 27 juli 2020 “Categorie: Ontheffing kruimel” staat. Uitgaande van strijd met de beheersverordening moet verweerder motiveren waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening en alle belangen afwegen. Het tijdelijk verblijf van twaalf huishoudens zal een nadelig effect hebben op de leefbaarheid in de wijk en voor (onder meer geluids-)overlast voor omwonenden en meer verkeersbewegingen zorgen.\n\n8.2.. Verweerder acht short stay appartementen in overeenstemming met een hotelfunctie omdat bij beiden sprake is van ‘logies’. In de aanvraag is ‘logiesfunctie’ vermeld. Verweerder definieert ‘logies’ als het bieden van recreatief verblijf of tijdelijk onderdak aan personen die elders hun hoofdverblijf hebben. De bezwaarschriftencommissie verwijst voor het oordeel dat de logiesfunctie een vorm van de hotelfunctie is naar de omgevingsvergunning voor de Lekstraat 85. Verweerder wijst erop dat het gaat om een gebonden beschikking. Omdat short stay appartementen een hotelfunctie hebben, wordt het bouwplan voor wat betreft de wijziging van de functie akkoord bevonden. Verweerder stelt dat van gedeeltelijke verzorging sprake is, omdat de in de tekeningen aangegeven werkkast, stookruimte en tochthal gezamenlijke ruimtes zijn ten behoeve van het onderhoud en verzorging van de appartementen. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd toegelicht dat short stay in dit geval inhoudt dat sprake is van een tijdelijk verblijf van maximaal vier maanden.\n\n8.3.. Vergunninghouder heeft bij brief van 8 september 2020 toegelicht dat de verzorging bestaat uit stoffering en meubilering van de appartementen, een wasmachine en droger in een algemene ruimte, herstel en\u002Fof vervanging van schade aan verlichting en\u002Fof meubilering, huisregels met betrekking tot geluid, afval en onderhoud en controles met betrekking tot naleving daarvan, in- en uitchecken op afspraak, schoonmaken van de algemene ruimtes en de ramen en huurcontracten.\n\n8.4.. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo is het (voor zover hier relevant) verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.\n\n8.5.. Op grond van artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo kan de omgevingsvergunning worden verleend indien (voor zover hier relevant) de activiteit niet in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of regels die zijn gesteld op grond van artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening.\n\n8.6.. Op grond van de beheersverordening geldt ter plaatse van het bouwplan de bestemming ‘Gemengd’. Op grond van artikel 5.1 van de planregels zijn de voor ‘Gemengd’ aangewezen gronden bestemd voor onder meer ‘wonen’ (onder a) en ‘hotel’ (onder f).\n\n8.7.. Op grond van artikel 1.58 van de planregels wordt hotel en\u002Fof pension als volgt gedefinieerd:\n\n“Elk gebouw dan wel een gedeelte van een gebouw, alsmede de daarbij behorende voorzieningen zoals terrassen, tuinen, zwembaden, tennisbanen, erven of terreinen of gedeelten daarvan, waar de bedrijfsvoering hoofdzakelijk is gericht op het bedrijfsmatig verlenen van tijdelijke huisvesting met gehele of gedeeltelijke verzorging.”\n\n8.8.. Uit deze definitie blijkt dat naast het bedrijfsmatig verlenen van tijdelijke huisvesting een vorm van verzorging nodig is. De rechtbank overweegt dat het begrip (gehele of gedeeltelijke) verzorging niet wordt gedefinieerd in de planregels. De rechtbank sluit daarom aan bij de betekenis die in het normale spraakgebruik aan dit begrip wordt gegeven. Het \"Van Dale’s Groot Woordenboek van de Nederlandse Taal\" definieert verzorging als: “(1) het voorzien in het welzijn van personen en (huis)dieren, (2) het in goede staat houden van iets, (3) het zorg dragen voor de uitvoering van een taak of opdracht”. Nu het begrip verzorging in relatie staat tot de hotelfunctie, is naar het oordeel van de rechtbank hier de eerste definitie relevant. Voor de vraag of de short stay appartementen onder het begrip hotel of pension zijn te scharen, is dus van belang of daar een vorm van verzorging bij wordt aangeboden die ziet op het welzijn van personen.\n\n8.9.. De rechtbank is van oordeel dat de toelichting van verweerder en vergunninghouder dat bij de short stay appartementen sprake is van gedeeltelijke verzorging, niet toereikend is om van een hotelfunctie te spreken. Het project behelst twaalf volledig zelfstandige appartementen met eigen voorzieningen. In de appartementen is ook een keukenvoorziening aanwezig, zodat bewoners zelfstandig kunnen voorzien in ontbijt, lunch en diner en daarvoor niet afhankelijk zijn van verzorging door de verhuurder. Er is dus uitsluitend sprake van logies, niet van logies met ontbijt, half- of volpension. Ter zitting heeft vergunninghouder toegelicht dat de bewoners gebruik kunnen maken van een broodservice. Deze voorziening is echter optioneel en geen standaard onderdeel van de bedrijfsvoering. Bovendien kunnen die broodjes niet genuttigd worden in een gemeenschappelijke ruimte, zoals gebruikelijk in hotels en pensions. Ook de andere door verweerder en vergunninghouder genoemde voorzieningen kunnen niet worden aangemerkt als een vorm van verzorging die ziet op het welzijn van personen die kenmerkend is voor een hotelfunctie. Het bouwplan is daarom niet in overeenstemming met de bestemming ‘Gemengd’ van de beheersverordening.\n\n8.10.. De beroepsgrond slaagt.\n\n8.11.. Met het oog op efficiënte geschilbeslechting zal de rechtbank de beroepsgronden met betrekking tot het parkeren nog bespreken. De beroepsgronden die zien op de goede procesorde in bezwaar en de bezwaartermijn laat de rechtbank onbesproken, nu verweerder opnieuw op het bezwaar zal moeten beslissen en eisers daarom geen belang meer hebben bij een oordeel daarover.\n\nAutoparkeren\n\n9. Ten aanzien van autoparkeren is het bestemmingsplan “Parapluherziening (fiets)parkeren” van toepassing. De parkeernormen zijn vastgelegd in de Nota Parkeernormen Den Haag van 10 november 2011 (RIS 181571), aangevuld bij raadsbesluit van 3 maart 2016 (RIS 291425) (hierna: Nota Parkeernormen Den Haag).\n\na. a) berekening parkeerbehoefte\n\n9.1.. Eisers stellen dat de parkeerbehoefte niet juist is berekend. In de huidige situatie is sprake van leegstaande kantoren en in de beoogde situatie worden 12 appartementen bewoond. De toename van het aantal parkeerplaatsen kan daarom niet slechts 6 zijn. Verweerder heeft in dit verband niet inzichtelijk gemaakt hoe hij heeft berekend dat in de oude situatie de parkeerbehoefte 3,89 parkeerplaatsen bedraagt. Daar komt bij dat verweerder geen rekening heeft gehouden met de toename van de parkeerbehoefte in de openbare ruimte met 13 parkeerplaatsen als gevolg van het verlenen van een omgevingsvergunning voor het realiseren van 26 short stay appartementen in de directe omgeving van het pand aan de [adres 3].\n\n9.2.. De rechtbank overweegt dat bij de beoordeling of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid, alleen rekening behoort te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan.Een eventueel bestaand tekort kan als regel buiten beschouwing worden gelaten. Dit houdt in dat slechts rekening dient te worden gehouden met de toename van parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan ten opzichte van de al bestaande parkeerbehoefte vanwege het te verbouwen pand. Het bovenstaande betekent dat verweerder een mogelijk bestaand parkeertekort als gevolg van de omgevingsvergunning voor het realiseren van 26 short stay appartementen aan de [adres 3] niet behoefde te betrekken bij het berekenen van de parkeerbehoefte voor het onderhavige bouwplan.\n\n9.3.. Verweerder berekent de oude en de nieuwe parkeerbehoefte als volgt. De parkeerbehoefte van de bestaande functie bedraagt op het maatgevend moment overdag 3,89 parkeerplaatsen. Door de functiewijziging is sprake van verschuiving van het maatgevend moment van 100% aanwezigheid van het overdag parkeren naar 5% aanwezigheid van het avond-nacht parkeren. Daarom bedraagt de parkeerbehoefte van de bestaande functie op het nieuwe maatgevende moment (5% x 3,89 =) 0,19 parkeerplaatsen. Bij de berekening van de parkeerbehoefte in de nieuwe situatie is verweerder op grond van de Nota Parkeernormen Den Haag uitgegaan van een parkeernorm van 0,5 parkeerplaats per appartement. Deze norm geldt voor woningen (per woning) en voor hotels (per kamer). Omdat het om 12 appartementen gaat, is de nieuwe parkeerbehoefte 6 parkeerplaatsen. Na saldering bedraagt de parkeerbehoefte (6 – 0,19 =) 5,81 parkeerplaatsen. De parkeereis bedraagt daarom 6 parkeerplaatsen.\n\n9.4.. Gelet op het voorgaande is verweerder terecht uitgegaan van een toename van de parkeerbehoefte met 6 parkeerplaatsen als gevolg van de realisering van het bouwplan. Verweerder heeft de berekening van de parkeerbehoefte (zowel in de oude als de nieuwe situatie) bovendien inzichtelijk gemaakt in een spreadsheet, die als bijlage bij de pleitnota in bezwaar is gevoegd. Het betoog van eisers slaagt daarom niet.\n\nb) parkeerdruk\n\n9.5.. Op 5 november 2019 is door de afdeling Mobiliteit van de Dienst Stedelijke Ontwikkeling berekend dat de parkeerdruk in de omgeving 84% bedraagt. Daarom mag op grond van de Nota Parkeernormen Den Haag de openbare straat niet worden gebruikt om de parkeerbehoefte te faciliteren. De parkeerbehoefte moet worden opgelost door de aanleg van parkeerplaatsen op eigen terrein of het gebruik van een private garage of privaat parkeerterrein binnen loopafstand.Dit heeft eiser gedaan door één parkeerplek te realiseren op eigen terrein, vier parkeerplaatsen te huren op het naburige perceel [adres 2] en één parkeerplaats te huren aan [straatnaam]. De rechtbank zal hierna beoordelen of deze parkeeroplossing volstaat.\n\nc) [adres 2]\n\n9.6.. Eisers stellen dat het huren van vier parkeerplaatsen op het perceel [adres 2] niet mede ten grondslag kan liggen aan het voldoen aan de parkeereis. De vier parkeerplaatsen worden gebruikt ten behoeve van de zalenverhuur in [adres 2]. Indien zij worden gebruikt ten behoeve van de short stay appartementen, zullen de bezoekers van de [adres 2] uitwijken naar de openbare ruimte om te parkeren. Bovendien zijn de verhuurder en vergunninghouder met elkaar te vereenzelvigen, omdat zij gezamenlijk eigenaar zijn van het pand [adres 2]. De huurprijs bedraagt slechts 35 euro per parkeerplaats per maand. De huurovereenkomst garandeert daarom niet dat aan de parkeereis zal blijven worden voldaan. Het feit dat de parkeerplaatsen worden voorzien van parkeerbeugels biedt ook geen garantie, omdat vergunninghouder zeggenschap heeft over het feitelijk gebruik van de beugels.\n\n9.7.. De rechtbank overweegt dat in de huurovereenkomst is bepaald dat deze niet tussentijds opzegbaar is. Daarnaast zullen parkeerbeugels op de parkeerplaatsen worden geplaatst, waardoor derden geen gebruik daarvan kunnen maken. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate gegarandeerd dat de parkeerplaatsen uitsluitend door de bewoners van de short stay appartementen zullen worden gebruikt.\n\n9.8.. De rechtbank is verder van oordeel dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat het vervallen van de parkeerplaatsen ten behoeve van de [adres 2] tot gevolg zal hebben dat de bezoekers van de [adres 2] zullen gaan parkeren in de openbare ruimte. Ter zitting heeft vergunninghouder weliswaar toegelicht dat hij op 21 oktober 2021, na het bestreden besluit, een overeenkomst heeft gesloten met de exploitant van [adres 2] ten behoeve van het gebruik van de parkeerplaatsen door bezoekers van [adres 2]. De overeenkomst met de exploitant is echter tussentijds opzegbaar en de parkeerplaatsen moeten beschikbaar zijn zodra vergunninghouder het bouwplan gaat realiseren. Het betoog van eisers slaagt niet.\n\nd) Bonistraat\n\n9.9.. Eisers stellen dat de gehuurde parkeerplaats in [straatnaam] niet mede ten grondslag kan liggen aan het voldoen aan de parkeereis. [straatnaam] is 350 meter gelegen van de short stay appartementen, zodat bewoners dichterbij de appartementen in de openbare ruimte zullen parkeren.\n\n9.10.. De rechtbank overweegt dat op grond van de Nota Parkeernormen Den Haag de loopafstand van de short stay appartementen tot de parkeerplaats in [straatnaam] maximaal 500 meter mag zijn.Nu [straatnaam] op 350 meter afstand is gelegen, wordt aan deze eis voldaan. Het betoog slaagt niet.\n\ne) eigen terrein\n\n9.11.. Eisers stellen dat het realiseren van een parkeerplaats op eigen terrein ([adres 1]) een evidente privaatrechtelijke belemmering oplevert. Op de betreffende strook rust een recht van overpad en uitoefening van dit recht wordt belemmerd indien er een auto wordt geparkeerd.\n\n9.12.. Op grond van artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.\n\n9.13.. De rechtbank overweegt dat het door eisers aangevoerde recht van overpad geldt voor de bewoners van de percelen in de Javastraat met de kadastrale nummers 1666, 1667 en 1669. Eisers zijn geen bewoners van de betreffende percelen, zodat de rechtbank van oordeel is dat artikel 8:69a van de Awb in de weg staat aan de behandeling van deze beroepsgrond.\n\nFietsparkeren\n\n10. Eisers stellen dat verweerder ten onrechte niet heeft getoetst aan de fietsparkeernormen als bedoeld in de beleidsregel Fietsparkeernormen Den Haag 2016 (RIS 294386) (beleidsregel Fietsparkeernormen). In het bouwplan wordt niet voorzien in een toereikende fietsenstalling.\n\n10.1.. Op grond van artikel 5.1 van het bestemmingsplan “Parapluherziening (fiets)parkeren” dient verweerder te beoordelen of sprake is van voldoende fietsgelegenheid op basis van de fietsparkeernormen, fietsparkeereisen en berekeningsmethode zoals opgenomen in de beleidsregel Fietsparkeernormen.10.2.. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat voor de fietsparkeernorm ten behoeve van de short stay appartementen aansluiting is gezocht bij de norm voor de functie wonen.\n\n10.3.. De rechtbank overweegt dat in de beleidsregel Fietsparkeernormen voor de norm voor de functie wonen wordt verwezen naar artikel 4.31 van het Bouwbesluit 2012.Op grond van dit artikel moet een woning worden voorzien van een fietsenberging. In het bestreden besluit wordt niet gemotiveerd hoe aan deze eis wordt voldaan. Uit de stukken blijkt niet dat voorzien is in een berging voor fietsen. Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de fietsparkeerbehoefte onder de vrijstellingsgrens van tien fietsparkeerplekken valt. Verweerder heeft echter niet toegelicht wat de berekende fietsparkeerbehoefte is, zodat niet kan worden beoordeeld of dit standpunt juist is. Het bestreden besluit is in zoverre onvoldoende gemotiveerd. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n11. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit is onvoldoende gemotiveerd en daarom in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb genomen. De rechtbank zal het besluit vernietigen. Verweerder zal een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.\n\n12. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.674,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 837 en wegingsfactor 1). De rechtbank bepaalt verder dat verweerder aan eisers het door hun betaalde griffierecht vergoedt.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit;\n\n- gelast verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;\n\n- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.674,-;\n\n- draagt verweerder op het door eisers betaalde griffierecht van € 181,- aan hun te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, rechter, in aanwezigheid van mr. H.B. Brandwijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2023.\n\ngriffier rechter\n\nde griffier is verhinderd te tekenen\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.\n\n Memorie van toelichting bij de Wet elektronisch bestuurlijk verkeer, Kamerstukken II2001-2002, 28 483, nr. 3, p. 39.\n\n ABRvS 21 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:865.\n\n Nota Parkeernormen Den Haag, p. 32-33.\n\n Nota Parkeernormen Den Haag, p. 33.\n\n Beleidsregel Fietsparkeernormen, p. 7-8.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:18213","2023-11-27T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:34.213Z",{"id":81,"ecli":82,"slug":83,"caseNumber":43,"courtId":65,"decisionDate":84,"fullText":85,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":86,"sourceTimestamp":87,"parsedAt":50,"updatedAt":88},"545","ECLI:NL:RBGEL:2023:4236","ecli-nl-rbgel-2023-4236","2023-07-25T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 19\u002F2059\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juli 2023\n\nin de zaak tussen\n \n [Eiser A] , uit [plaats B] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. B. Oudenaarden)\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente [plaats D], (het college)\n\n(gemachtigde: mr. L.J. Gerritsen).\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag van eiser om een tegemoetkoming in planschade.\n\nHet college heeft deze aanvraag met het besluit van 8 maart 2016 afgewezen. Met het bestreden besluit van 5 maart 2019 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.\n\nHet college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 26 mei 2021 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en namens het college mr. G. Sterenborg.\n\nBij beslissing van 30 juni 2021 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (hierna: de STAB) als deskundige benoemd.\n\nDe STAB heeft vervolgens een deskundigenbericht uitgebracht, neergelegd in het verslag van 1 september 2022 (hierna: het deskundigenbericht). Partijen hebben op de concept-versie daarvan gereageerd.\n\nPartijen zijn door de rechtbank in de gelegenheid gesteld op het definitieve deskundigenbericht te reageren. Het college heeft op 13 oktober 2022 een nadere reactie gegeven en eiser op 14 oktober 2022.\n\nOp verzoek van het college heeft de rechtbank het beroep op 13 juli 2023 nogmaals op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en namens het college mr. G. Sterenborg, gemachtigde mr. L.J. Gerritsen en mr. J.H.J. van Erk (SAOZ). Op de zitting zijn ook mr. G.A. Keus (STAB) en drs. J.Z. van ’t Hul (taxateur) als deskundigen gehoord.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n1. Eiser is sinds 2 januari 2012 volledig eigenaar van de percelen aan [het adres C] te [plaats D] . Hij heeft het college op 31 december 2014 verzocht om een tegemoetkoming in de directe planschade die hij stelt te lijden als gevolg van het bestemmingsplan “Groot Sypel” (hierna: het nieuwe bestemmingsplan) dat op 18 april 2013 is vastgesteld en op 13 juni 2013 in werking is getreden. In het verzoek heeft eiser aangegeven dat onder het oude bestemmingsplan de ruime bedrijfsbestemming “Industrie” gold. In het nieuwe bestemmingsplan is een bedrijfsbestemming aan de gronden toegekend die de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden aanzienlijk beperkt. Alleen de bestaande functies (waaronder een bouwmarkt en een tankstation) zijn als zodanig bestemd, de verkoop van LPG is geheel wegbestemd en enige uitbreiding van het bebouwingsoppervlak is niet meer mogelijk. Eiser verwijst in de aanvraag naar taxaties die in zijn opdracht door Troostwijk Taxatie b.v. (hierna Troostwijk) en door Brandt Bedrijfshuisvesting (hierna Brandt) zijn verricht. Bij deze taxaties is de waardevermindering van een tankstation als gevolg van het wegbestemmen van de LPG-verkoop niet meegenomen. Troostwijk taxeert de waardevermindering op € 400.000 en Brandt op € 422.500. In de aanvraag gaat eiser uit van een schadebedrag van € 411.250 voor het bedrijfsonroerend goed (exclusief tankstation).\n\n2. Het college heeft advies gevraagd aan de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: SAOZ). In het planschadeadvies van december 2015 heeft de SAOZ een vergelijking gemaakt tussen de planologische mogelijkheden van het oude en het nieuwe bestemmingsplan. Uit deze vergelijking heeft de SAOZ de conclusie getrokken dat het nieuwe bestemmingsplan niet heeft geleid tot een nadeligere positie voor eiser.\n\nDe SAOZ stelt dat er enerzijds sprake is van een beperking in de bebouwingsmogelijkheden en anderzijds van een verruiming van de gebruiksmogelijkheden omdat het gebruik dat werd gedoogd, nu positief is bestemd. De beperking wordt aangemerkt als een planologisch nadeel. Het feit dat de bestaande detailhandel onder het oude regime werd gedoogd en op grond van het nieuwe regime positief is bestemd, kan volgens de SAOZ als een planologisch voordeel worden beschouwd. Naar het oordeel van de SAOZ laat de nieuwe bedrijfsbestemming daarnaast niet alleen de bestaande functies toe, maar ook de functies die in artikel 3.1, onder a, van het nieuwe bestemmingsplan zijn vermeld.\n\nOm na te gaan of het nieuwe bestemmingsplan per saldo heeft geleid tot een waardevermindering, heeft de SAOZ aan VTA Vastgoed Taxatie Advies (hierna: VTA) opdracht gegeven met inachtname van de planvergelijking een taxatie te verrichten. In de taxatie staat dat als gevolg van het bestemmingsplan “Groot Sypel” de waarde van de percelen met € 100.000,- is toegenomen. Volgens VTA blijkt uit de berekening dat eventuele uitbreidingen, dan wel sloop en nieuwbouw geen meerwaarde opleveren vanwege de hoge bouw-\u002Finvesteringskosten die daar mee gemoeid zijn. In feite ontlenen de percelen hun hoogste waarde aan de bestaande feitelijk aanwezige opstallen en het bestaande feitelijke gebruik.\n\nHet college heeft dit advies aan het primaire besluit ten grondslag gelegd.\n\n3. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.\n\nHet college heeft in het bestreden besluit het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Voor de motivering van het besluit is verwezen naar de nadere adviezen van de SAOZ van 23 mei 2018 (met bijbehorend taxatierapport) en 9 oktober 2018, met het advies van de bezwaarschriftencommissie en de nadere taxatie in opdracht van de SAOZ van 26 februari 2019.\n\nHeropeningsbeslissing\n\n4. De rechtbank heeft in de heropeningsbeslissing het volgende overwogen met betrekking tot de planvergelijking in de SAOZ-adviezen.\n\n“Uitleg nieuwe bestemmingsplan2.1.. Artikel 3.1 van het nieuwe bestemmingsplan “Groot Sypel” luidt als volgt:\n\nDe voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor:\n\nbedrijven zoals die zijn opgenomen in bijlage 1 'Staat van Bedrijfsactiviteiten - functiemenging', met dien verstande dat de bedrijven uit categorie B en C niet aanpandig worden uitgevoerd aan gevoelige functies;\n\nde verkoop van motorbrandstoffen, lpg daaronder niet begrepen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg';\n\ntankshop ter plaatse van de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg', met dien verstande dat het verkoopvloeroppervlak niet meer mag bedragen dan 50 m2, met dien verstande dat:\n\n1. voor het perceel Hoofdweg 4 een maximum verkoopvloeroppervlak geldt van 110 m2;\n\n2. voor het perceel Verkeersweg 3 geldt dat het maximum verkoopvloeroppervlak van de tankshop tezamen met de broodjeszaak (onder i.) niet meer bedraagt dan 50 m2;\n\nuitsluitend een wasstraat, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - 1';\n\nuitsluitend een werkplaats, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - 2';\n\nuitsluitend een bouwmarkt, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van detailhandel - 1';\n\nuitsluitend bloemenwinkel [sic], ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van detailhandel - 2';\n\nhoreca in de categorie 1a zoals opgenomen in bijlage 2 'Staat van horeca-activiteiten', uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van horeca - 1 en met een maximum verkoopvloeroppervlak van 180 m2;\n\nbroodjeszaak, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van horeca - 2', met dien verstande dat het maximum verkoopvloeroppervlak van de broodjeszaak tezamen met de tankshop (onder c2) niet meer bedraagt dan 50 m2;\n\n(…)\n\n2.2.. Eiser stelt dat in het nieuwe bestemmingsplan met het gebruik van de term “uitsluitend een wasstraat\u002Fwerkplaats\u002Fbouwmarkt\u002Fbloemenwinkel, ter plaatse van (…)” in artikel 3.1, leden d, e, f en g, van de planregels enkel de genoemde functies zijn toegestaan, met uitsluiting van het in artikel 3.1, lid a, toegestane gebruik voor bedrijvigheid. Daarmee is volgens eiser sprake van een aanzienlijke beperking van de aanwendingsmogelijkheden, waar verweerder in het bestreden besluit geen rekening mee heeft gehouden.\n\n2.3.. \n\nIn het verweerschrift verwijst verweerder naar het uitgebrachte SAOZ-advies van 20 juli 2020. In dit advies verwijst SAOZ naar haar eerdere adviezen uit 2015 en 2018.\n\nIn deze adviezen geeft SAOZ aan dat het evident is dat het niet de bedoeling is dat enkel de genoemde functie, en geen normale bedrijvigheid is toegestaan. Het gaat om het verankeren van feitelijk bestaand gebruik, naast de normale toegestane bedrijvigheid. De toelichting onderschrijft deze uitleg, omdat daaruit blijkt dat bestaande detailhandelsfuncties wel zijn toegestaan, maar nieuwe detailhandelsfuncties niet.\n\nBeoordeling rechtbank2.4.. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), zoals de uitspraak van 23 oktober 2019, (ECLI:NL:RVS:2019:3579, rechtsoverweging 15), volgt dat planregels omwille van de rechtszekerheid letterlijk dienen te worden uitgelegd. De niet bindende toelichting bij het bestemmingsplan heeft in zoverre betekenis dat deze over de bedoeling van de planwetgever meer inzicht kan geven indien de bestemming en de bijbehorende voorschriften waaraan moet worden getoetst, op zichzelf noch in samenhang duidelijk zijn.\n\n2.5.. De rechtbank is van oordeel dat bij een letterlijke lezing, gelet op de plaats van het woord ‘uitsluitend’ bij de leden d tot en met g, deze leden niet anders kunnen worden gelezen als dat ter plaatse van deze aanduiding enkel en alleen de genoemde functie is toegestaan. Door de plaatsing van het woord ‘uitsluitend’ voorafgaand aan het specifiek beoogde gebruik vindt er een uitsluiting plaats van overig gebruik binnen de desbetreffende aanduiding, waarmee ook het gebruik ten dienste van bedrijven zoals bedoeld in artikel 3.1, lid a, van de planregels niet is toegestaan. De rechtbank vindt steun voor deze opvatting in het feit dat de planwetgever bij andere leden, bijvoorbeeld c, en i, niet het woord ‘uitsluitend’ heeft opgenomen.\n\n2.6.. De rechtbank maakt uit het verweer van verweerder op dat het de bedoeling van de planwetgever is om de locatie waarin het van het in artikel 3.1, lid a, afwijkende gebruik te specificeren, zodat dit gebruik niet binnen het gehele perceel kan plaatsvinden maar enkel binnen de specifieke aanduidingen. In dat geval had het op de weg van de planwetgever gelegen om een gelijksoortige redactie als in de leden b en h te hanteren, waar het woord uitsluitend van toepassing wordt verklaard op de desbetreffende aanduiding. Zie in dit verband ook de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:607, r.o. 3.2.).\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is de planvergelijking op dit punt gebrekkig.\n\nDetailhandelsgebruik in relatie tot het oude bestemmingsplan2.7.. Artikel 23 van het oude bestemmingsplan “Wijziging voorschriften detailhandel Industrieterrein” (hierna: wijziging) luidt als volgt:\n\nDetailhandel op industrieterreinen is verboden, met dien verstande, dat dit verbod niet van toepassing is op de verkoop als ondergeschikte nevenactiviteit vanuit een bedrijf van in dat bedrijf vervaardigde goederen, met uitzondering van detailhandel in de sectoren textiel, schoeisel en lederwaren, voedings- en genotmiddelen en huishoudelijke artikelen.\n\nArtikel 34a van de wijziging luidt als volgt:\n\n1. Het is verboden om gronden en opstallen te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken op een wijze of voor doeleinden, welke strijdig zijn met de uit het bestemmingsplan voortvloeiende bestemming van die gronden en opstallen.\n\n2. Het bepaalde in lid 1 is niet van toepassing op het gebruik dat bestond ten tijde van het van kracht worden van dit artikel, zolang in de aard van het gebruik geen wijziging wordt gebracht. Onder wijziging in de aard van het gebruik wordt in het kader van de uitoefening van detailhandel ook nadrukkelijk begrepen het wijziging brengen in de categorie van de te verkopen goederen.\n\n3. (…)\n\n2.8.. Eiser stelt dat op basis van de oude uitbreidingsplannen “Harderwyk 54” en Harderwyk 55” binnen de bestemming “Industrie” ook detailhandel was toegestaan. Dit blijkt ook uit het feit dat in februari 1985 de wijziging is vastgesteld, waarin artikel 23 van de uitbreidingsplannen is gewijzigd, waardoor detailhandel niet meer is toegestaan. In artikel 34a van de wijziging werd bestaande detailhandel op het moment van kracht worden van het artikel gelegaliseerd.\n\n2.9.. Eiser stelt dat het perceel op het moment van inwerkingtreding gebruikt werd voor detailhandel (bloemenwinkel, bouwmarkt, verkoop motorbrandstoffen, wasstraat en tankshop). Eiser heeft per brief van 26 september 2018 informatie aangeleverd waaruit volgens hem blijkt dat op de peildatum zoals genoemd in artikel 34a van de wijziging het perceel in gebruik was als bouwmarkt. De bezwaarschriftencommissie heeft deze informatie volgens eiser niet betrokken in haar advies. Bij het beroepschrift heeft eiser nieuwe informatie gevoegd waaruit volgens hem blijkt dat het gebruik als bouwmarkt onder de werking van artikel 34a van de wijziging valt.\n\n2.10.. Verweerder geeft met het SAOZ advies dat als bijlage bij het verweerschrift is gevoegd aan, dat detailhandel binnen de bestemming “Industrie” in het uitbreidingsplan in onderdelen “Harderwijk 55” niet was toegestaan. Verweerder onderbouwt dit standpunt met verwijzing naar uitspraken van de toenmalige Afdeling rechtspraak Raad van State waarin dit is uitgesproken. Het gebruik als bloemenshop is volgens verweerder wel toegestaan op grond van artikel 34a, lid 2, van de wijziging. Het gebruik als bouwmarkt, tankshop\u002Fbroodjeszaak en wasstraat valt volgens verweerder niet onder toegestaan gebruik op grond van artikel 34a, lid 2. Verweerder stelt dat met de door eiser aangeleverde informatie voor wat betreft het gebruik als bouwmarkt wellicht is aangetoond dat er detailhandel plaatsvond, maar stelt dat deze detailhandel ondergeschikt was aan de groothandelsactiviteiten op het perceel.\n\nBeoordeling rechtbank2.11.. \n\nIn het kader van de beslissing op een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade wordt onderzocht of de aanvrager als gevolg van een wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en schade lijdt of zal lijden. Hiertoe wordt een vergelijking gemaakt tussen het planologische regime na de inwerkingtreding van de wijziging, waarvan wordt gesteld dat deze schade heeft veroorzaakt, en het onmiddellijk daaraan voorafgaande planologisch regime. In die vergelijking neemt het bij een bestemmingsplan behorende overgangsrecht een speciale plaats in. Dit overgangsrecht strekt tot bescherming van een op grond van het oude planologische regime bestaande situatie die afwijkt van de nieuwe bestemmingsregeling voor de desbetreffende gronden. Dat die situatie niet past binnen de nieuwe bestemmingsregeling, betekent dat wordt beoogd om aan deze situatie een einde te maken binnen de planperiode, zoals de Afdeling onder meer bij uitspraak van 12 februari 1997 (AB 1997, 232) heeft overwogen. Die situatie mag dan voorlopig blijven bestaan. De bescherming van een overgangsregeling reikt echter minder ver dan de mogelijkheden die een positieve bestemming geeft.\n\nIn voormelde uitspraak van 12 februari 1997 heeft de Afdeling voorts overwogen dat de overgangsbepalingen bij een bestemmingsplan van een andere orde zijn dan de bestemmingsvoorschriften en dat het niet is toegestaan om een vergelijking te maken tussen de mogelijkheden ingevolge de overgangsbepalingen van het oude planologische regime en de mogelijkheden ingevolge de bestemmingsvoorschriften van het nieuwe planologische regime. De mogelijkheden ingevolge de overgangsbepalingen van het oude regime worden niet betrokken bij het antwoord op de vraag of het nieuwe regime een planologische verslechtering voor de aanvrager betekent. Hetzelfde geldt, in beginsel, voor de schadetaxatie, omdat deze plaatsvindt op basis van de planvergelijking. Uit de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:856 volgt dat deze hoofdregel bij de beoordeling van vermogensschade, als in dit geval, onverkort van toepassing is.\n\n2.12.. Naar het oordeel van de rechtbank moet artikel 34a van de wijziging als overgangsrecht worden aangemerkt, nu het gaat om een uitsterfregeling, aangezien in de aard van het gebruik geen wijziging mag worden aangebracht. Hoewel verweerder op zitting heeft aangegeven dat deze bepaling niet als overgangsrecht moet worden gezien, neemt verweerder daarmee een ander standpunt in dan waar in het bestreden besluit vanuit wordt gegaan. Zo wordt artikel 34a van de wijziging in het besluit zelf, maar ook in het onderliggende SAOZ-advies van mei 2018 specifiek aangemerkt als overgangsrecht. Omdat het artikel moet worden aangemerkt als overgangsrechtelijke bepaling moet het bij de planvergelijking buiten de vergelijking worden gehouden.\n\n2.13.. De rechtbank is gezien het bovenstaande van oordeel dat bij een maximale planologische invulling het gebruik voor detailhandel, anders dan ondergeschikte detailhandel, op grond van het gebruiksverbod in artikel 23 van de wijziging verboden is.\n\n2.14.. Nu er naar het oordeel van de rechtbank in dit geval geen reden is om een uitzondering te maken op de hoofdregel zoals genoemd in overweging 2.12, volgt dat de detailhandelsfuncties, zelfs al zouden zij onder het overgangsrecht van artikel 34a van de wijziging zijn toegestaan, niet als maximale planologische mogelijkheden onder de oude planologie mochten worden meegenomen bij de planvergelijking. Nu verweerder de bloemenshop als passend onder het overgangsrecht van artikel 34a heeft meegenomen in de planvergelijking, is de planvergelijking op dit punt gebrekkig.”\n\nConclusie planvergelijking\n\n5. De rechtbank ziet geen aanleiding om op deze overwegingen terug te komen. Dit betekent dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt.\n\nInschakeling STAB\n\n6. De rechtbank heeft, om een finaal oordeel over dit geschil te geven, de STAB als deskundige benoemd en haar in overleg met partijen de volgende vragen voorgelegd:\n\n1. Heeft de inwerkingtreding van het bestemmingsplan “Groot Sypel”, rekening houdend met de conclusies in de heropeningsbeslissing van 30 juni 2021 van de rechtbank, geleid tot een planologische verslechtering ten opzichte van het voorgaande planologische regime voor de onroerende zaak van eiser?\n\n2. Zo ja, heeft deze planologische verslechtering op de waardepeildatum geleid tot een waardevermindering van de onroerende zaak?\n\n3. Zo ja, komt deze waardevermindering voor vergoeding in aanmerking?\n\n4. In hoeverre is er met de inwerkingtreding van het bestemmingsplan “Groot-Sypel -\n\nVerkeersweg 3” sprake van compensatie in natura?\n\nSTAB-advies\n\n7. De STAB heeft een vergelijking gemaakt tussen de maximale gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van het oude planologische regime (het “Uitbreidingsplan in onderdelen van de gemeente Harderwijk 54” in combinatie met het “Uitbreidingsplan in onderdelen van de gemeente Harderwijk 55” ,de “Herziening van het uitbreidingsplan in onderdelen van de gronden ten oosten van de Verkeersweg” en de herziening “Wijziging voorschriften detailhandel Industrieterrein”) en de maximale gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van het nieuwe bestemmingsplan “Groot Sypel”.\n\nPlanvergelijking7.1.. \n\nDe STAB concludeert dat het nieuwe planologische regime ten opzichte van de oude situatie enerzijds heeft geleid tot een planologisch voordeel, nu de gronden in het geheel voor detailhandel mogen worden gebruikt. Daarentegen is er ook planologisch nadeel ontstaan omdat er voorheen een zeer ruime bedrijfsbestemming bestond die nu is ingeperkt tot detailhandel waarbij slechts specifiek benoemde detailhandel op specifiek aangeduide locaties is toegestaan. Dit is ten opzichte van de oude planologische situatie een forse beperking van de gebruiksmogelijkheden. Daar komt bij dat de genoemde detailhandel alleen ter plaatse van het bouwvlak is toegestaan en niet buiten dit bouwvlak.\n\nOok is sprake van een beperking van de bouwmogelijkheden omdat de toegelaten oppervlakte aan bebouwing is verkleind van circa 5.500 m² naar circa 3.027,5 m² en de bouwhoogte is verlaagd van 15 meter naar 10 meter. Hierdoor is een bouwvolume van maximaal 29.925 m³ mogelijk terwijl voorheen naar schatting een bouwvolume van maximaal circa 82.500 m³ mogelijk was. Bovendien is in de nieuwe situatie de realisatie van een bedrijfswoning niet meer mogelijk. Deze wijziging heeft volgens de STAB voor eiser per saldo geleid tot een planologische verslechtering.\n\nDe planvergelijking is in het advies als volgt weergegeven:\n\n7.2.. Taxateur drs. J.Z. van 't Hul MRICS RT— CIS HypZert (MLV) van Cushman en Wakefield (hierna: de taxateur) heeft de onroerende zaak aan de Verkeersweg 3 te [plaats D] aan de hand van deze planvergelijking in de oude planologische situatie getaxeerd op € 1.360.000 en in de nieuwe planologische situatie op € 960.000. Uit de taxaties blijkt dat de inwerkingtreding van het bestemmingsplan “Groot Sypel” voor eiser heeft geleid tot planschade in de vorm van een waardevermindering van de onroerende zaak aan de Verkeersweg 3 te [plaats D] ter hoogte van € 400.000.\n\nActieve en passieve risicoaanvaarding7.3.. De STAB concludeert dat er geen sprake is van actieve risicoaanvaarding. Voor wat betreft passieve risicoaanvaarding overweegt de STAB dat eiser in verband met het voorontwerp-bestemmingsplan tussen 11 oktober 2012 en 20 december 2012 kennis kon hebben van het vervallen van de gebruiks- en bouwmogelijkheden en een bouwvergunning had kunnen aanvragen om de maximale bouwmogelijkheden te realiseren. Deze periode van 2 maanden is volgens de STAB, gelet op de bestaande bebouwings- en verhuursituatie en de voorbereidingstijd die nodig is, te kort om bijvoorbeeld een omgevingsvergunning voor bouwen aan te vragen of een nieuwe huurder te zoeken, zodat aan eiser geen passieve risicoaanvaarding kan worden tegengeworpen.\n\nNormaal maatschappelijk risico7.4.. De STAB gaat in het advies uit van een aftrek van 2 % wegens normaal maatschappelijk risico. Omdat de oude waarde op € 1.360.000 is getaxeerd, bedraagt de aftrek € 27.200 (2 % van € 1.360.000). Rekening houdend met deze vermindering, bedraagt het bedrag dat voor tegemoetkoming in planschade in aanmerking komt € 372.800.\n\nCompensatie in natura in verband met bestemmingsplan Groot-Sypel -Verkeersweg 37.5.. \n\nNaar aanleiding van het advies van de SAOZ heeft de gemeenteraad van Harderwijk op 23 november 2017 het bestemmingsplan “Groot-Sypel -Verkeersweg 3” vastgesteld. Het bestemmingsplan is op 18 januari 2018 in werking getreden.\n\nIn dit bestemmingsplan is de formulering van de regels voor de bestemming “Bedrijf” gewijzigd. Deze wijziging houdt in dat ter plaatse van de aanduidingen voor de wasstraat, werkplaats, bouwmarkt, bloemenwinkel en de broodjeszaak niet meer uitsluitend deze functies zijn toegestaan, maar deze functies én de bedrijven die zijn opgenomen in de 'Staat van Bedrijfsactiviteiten - functiemenging' van het bestemmingsplan “Groot Sypel”.\n\nDaarnaast is voor wat betreft de bouwmogelijkheden het bouwvlak aan de noordzijde vergroot en is het maximum bebouwingspercentage komen te vervallen.\n\nDe STAB is naar aanleiding van vraag 4 van de rechtbank ingegaan op dit bestemmingsplan en geeft aan dat door de gebruikswijziging het aantal toegelaten bedrijven op het perceel aanzienlijk is uitgebreid in vergelijking met de gebruiksmogelijkheden die het bestemmingsplan “Groot Sypel” bood. Ook de bouwmogelijkheden zijn uitgebreid tot een oppervlakte en bouwvolume van ongeveer 5.000 m² en 50.000 m³.\n\nDit ziet er in tabelvorm als volgt uit:\n\nVolgens de STAB hebben de verruiming van de gebruiksmogelijkheden en de vergroting van de bebouwingsmogelijkheden voor eiser geleid tot een planologische verbetering.\n\n7.6.. De taxateur heeft met inachtneming van deze planvergelijking een nieuwe taxatie verricht. Hij heeft de onroerende zaak in de oude planologische situatie direct vóór de peildatum van 18 januari 2018 getaxeerd op € 1.170.000. Hij heeft deze onroerende zaak in de nieuwe planologische situatie per peildatum van 18 januari 2018 getaxeerd op € 1.370.000. Uit de taxaties blijkt dat de inwerkingtreding van het bestemmingsplan “Groot-Sypel - Verkeersweg 3” voor eiser heeft geleid tot een waardevermeerdering van de onroerende zaak aan de Verkeersweg 3 te [plaats D] ter hoogte van € 200.000. Door deze compensatie in natura resteert een bedrag van € 172.800 (€ 372.800 - € 200.000) aan tegemoetkoming in planschade.\n\nPlanvergelijking (bebouwingspercentage)\n\n8. Het college is het niet eens met de planvergelijking en betoogt dat de STAB de bouwmogelijkheden in het nieuwe bestemmingsplan “Groot Sypel” heeft onderschat. Volgens het college geldt het maximale bebouwingspercentage van 75% op grond van de definitie van “bebouwingspercentage” in artikel 1.10 van de planregels niet voor het bouwvlak, maar voor het bouwperceel. Het nieuwe bestemmingsplan staat daarom een grotere oppervlakte aan gebouwen toe dan waar de STAB van is uitgegaan.\n\n8.1.. \n\nIn artikel 3.2, onder a van de planregels staat het volgende:\n\n“Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:\n\n1. gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;\n\n2. ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' bedraagt het bebouwingspercentage niet meer dan het aangegeven percentage;”\n\nIn artikel 1.10 is “bebouwingpercentage” als volgt gedefinieerd:\n\n“het in de regels aangegeven percentage dat de grootte aangeeft van het deel van het bouwperceel dat ten hoogste mag worden bebouwd.”\n\nIn artikel 1.24 is “bouwperceel” als volgt gedefinieerd:\n\n“een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.”\n\n8.2.. \n\nUit de bouwregel volgt dat ter plaatse van het aanduidingsvlak het bebouwingspercentage niet meer bedraagt dan het aangegeven percentage. In dit geval is dat 50 en 75 %. Deze bouwregel kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gelezen dan dat het bebouwingspercentage is gekoppeld aan het aanduidingsvlak op de plankaart, en niet aan het (gehele) bouwperceel. De definitie van “bebouwingspercentage” is hiermee niet in tegenspraak, nu uit deze definitie volgt dat het bebouwingspercentage ook kan zijn gekoppeld aan een deel van het bouwperceel. Een deel van een bouwperceel kan ook een specifiek aanduidingsvlak zijn.\n\nDe rechtbank ziet op dit punt geen aanleiding om het deskundigenadvies niet te volgen.\n\nTaxatie onder het oude planologische regime\n\n9. Het college stelt zich, onder verwijzing naar een reactie van de SAOZ van 13 oktober 2022, op het standpunt dat de waarde van het perceel onder het oude bestemmingsplan door de taxateur te laag is getaxeerd. De SAOZ geeft aan dat een marktwaarde van € 44 per m² te hoog is. Volgens de SAOZ zijn drie van de zes gehanteerde vergelijkingsobjecten (Handelsweg 4, Van Leeuwenhoekstraat 10 en Drielandendreef 34) onvoldoende representatief. Als deze objecten buiten beschouwing worden gelaten, moet worden geconcludeerd dat de representatieve huur van algemene bedrijfsruimte per m² gelegen moet zijn in een maximale bandbreedte van € 37 tot € 43 per m². De SAOZ geeft daarnaast aan dat een grote vloeroppervlakte resulteert in een lagere huurprijs per m², wat ook uit de tabel kan worden herleid. Volgens de SAOZ moet dat er toe leiden dat een representatieve huurprijs per m² meer in de orde van € 37 tot maximaal € 40 per m² moet worden vastgesteld.\n\nDe SAOZ geeft daarnaast aan dat het aanvangsrendement onjuist is. Het is gebruikelijk om voor een algemene bedrijfsruimte als de Verkeersweg 3 een aanvangsrendement te hanteren dat ten minste 2% hoger ligt dan het aanvangsrendement van een detailhandelsfunctie.\n\n9.1.. Zoals de Afdeling in overweging 8.11 van de overzichtsuitspraak heeft overwogen kan de bestuursrechter een taxatie slechts terughoudend toetsen.Daarbij is van belang dat de waardering van onroerende zaken niet slechts door het toepassen van een taxatiemethode plaatsvindt, maar daarbij ook de kennis, ervaring en intuïtie van de desbetreffende deskundige een rol spelen. De maatstaf bij de te verrichten toetsing is niet de eigen waardering door de rechter van de nadelen van de planologische wijziging, maar de vraag of grond bestaat voor het oordeel dat het bestuursorgaan, gelet op de motivering van het advies van de door het bestuursorgaan ingeschakelde deskundige, zich bij de besluitvorming niet in redelijkheid op dat deskundigenoordeel heeft kunnen baseren. Dit laat onverlet dat de besluitvorming dient te voldoen aan de eisen die het recht aan de zorgvuldigheid en de motivering stelt en dat de rechter de besluitvorming daaraan dient te toetsen.\n\n9.2.. \n\nNaar het oordeel van de rechtbank heeft de taxateur op zorgvuldige wijze verslag gedaan van zijn taxatie. In het taxatierapport heeft de taxateur inzichtelijk gemaakt welke factoren hij bij zijn taxatie heeft betrokken, welke referentieobjecten hij heeft gehanteerd en op welke punten deze referentieobjecten beter of minder zijn dan het perceel Verkeersweg 3. Dat drie van de zes opgevoerde referentieobjecten zich volgens het college niet goed laten vergelijken en dat is uitgegaan van een te laag aanvangsrendement, daargelaten of dit klopt, brengt op zichzelf niet met zich dat de taxatie op basis van verkeerde uitgangspunten heeft plaatsgevonden. Zoals hierboven is overwogen, spelen kennis, ervaring en intuïtie bij taxatie een rol, en er zijn in de taxatie meer factoren en vergelijkingsobjecten meegenomen dan waar het college gronden tegen heeft aangevoerd.\n\nDe rechtbank ziet in hetgeen het college naar voren heeft gebracht over het taxatierapport daarom geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het rapport zodanige gebreken bevat, dat het niet kan worden gevolgd.\n\nActieve risicoaanvaarding\n\n10. Het college stelt zich op het standpunt dat er sprake is van actieve risicoaanvaarding. Volgens het college volgt uit de ontwerp-structuurvisie Groot Sypel, die vanaf 25 augustus 2021 gedurende 6 weken ter inzage heeft gelegen, dat een redelijk denkend en handelend koper\u002Feigenaar er op basis van deze structuurvisie rekening mee had moeten houden dat de planologische mogelijkheden zouden worden beperkt tot de bestaande situatie en dat uitbreidingsmogelijkheden zouden komen te vervallen. Het was volgens het college gelet op de passages op pagina 23, 31 en 33 van de structuurvisie duidelijk dat de huidige functies volgens het gemeentebestuur niet wenselijk waren en dat op termijn ingezet zou worden op een herontwikkeling tot woningbouw.\n\n10.1.. In artikel 6.3, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) is bepaald dat burgemeester en wethouders bij hun beslissing op de aanvraag met betrekking tot de voor tegemoetkoming in aanmerking komende schade in ieder geval de voorzienbaarheid van de schadeoorzaak betrekken.\n\n10.2.. \n\nDe voorzienbaarheid van een planologische wijziging moet beoordeeld worden aan de hand van het antwoord op de vraag of ten tijde van de investeringsbeslissing, bijvoorbeeld op het moment van de aankoop van de onroerende zaak, voor een redelijk denkend en handelend koper, aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatse in ongunstige zin zou veranderen. Daarbij moet rekening worden gehouden met concrete beleidsvoornemens die openbaar zijn gemaakt. Voor voorzienbaarheid is niet vereist dat een dergelijk beleidsvoornemen een formele status heeft.\n\nIndien de planschade voorzienbaar is, blijft deze voor rekening van de koper, omdat hij in dat geval wordt geacht de mogelijkheid van verwezenlijking van de negatieve ontwikkeling op het moment van de aankoop van de onroerende zaak te hebben aanvaard.\n\n10.3.. \n\nIn de kennisgeving wordt anders dan het college aangeeft niet gesproken over een ontwerp-structuurvisie, maar over een concept-structuurvisie. Ook op het voorblad staat “Concept gebiedsgerichte structuurvisie Groot Sypel”. Een concept-structuurvisie kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als een concreet beleidsvoornemen. In de conceptfase van een structuurvisie zal een redelijk denkend en handelend koper rekening houden met de mogelijkheid dat die structuurvisie gewijzigd wordt vastgesteld.\n\nDe structuurvisie is pas vastgesteld op 2 februari 2012. Dit is na de (volledige) verkrijging van het eigendom door eiser, zodat actieve risicoaanvaarding niet aan eiser kan worden tegengeworpen. De rechtbank is het daarnaast met de STAB eens dat de structuurvisie ziet op de herontwikkeling naar woningbouw en dat hieruit niet volgt dat bestaande onbenutte bouw- en gebruiksmogelijkheden zullen worden wegbestemd, zodat ook daarom aan eiser geen actieve risicoaanvaarding kan worden tegengeworpen.\n\nDe rechtbank ziet op dit punt geen aanleiding om het deskundigenadvies niet te volgen.\n\nPassieve risicoaanvaarding\n\n11. Het college stelt zich ook op het standpunt dat er sprake is van passieve risicoaanvaarding. Volgens het college had eiser vanaf 25 augustus 2011 tot 20 december 2012 de mogelijkheid om de planologische mogelijkheden te benutten door bijvoorbeeld het indienen van een bouwaanvraag. Deze periode is nog langer voor de gebruiksmogelijkheden omdat de aanhoudingsplicht als gevolg van het ontwerp-bestemmingsplan niet aan gebruikswijzigingen in de weg staat. Eiser kon daarom tot juni 2013 gebruikswijzigingen doorvoeren. Het college verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 9 februari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:409) en heeft op de zitting ook nog verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 24 juli 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2541).\n\n11.1.. \n\nVoor de beantwoording van de vraag of de aanvrager het risico dat de onder het oude planologische regime bestaande bouw- of gebruiksmogelijkheden op diens perceel zouden vervallen passief heeft aanvaard, is van belang of de voortekenen van de nadelige planologische wijziging reeds enige tijd zichtbaar waren.\n\nVoor de bevestigende beantwoording van de vraag of de aanvrager het risico dat de onder het oude planologische regime bestaande bouw- of gebruiksmogelijkheden van zijn onroerende zaak zouden vervallen passief heeft aanvaard, is voldoende dat, bezien vanuit de positie van een redelijk denkende en handelende eigenaar, aanleiding bestond rekening te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatse zou gaan veranderen in een voor hem ongunstige zin. Daarbij dient rekening te worden gehouden met concrete beleidsvoornemens die openbaar zijn gemaakt. Voor voorzienbaarheid is niet vereist dat een dergelijk beleidsvoornemen een formele status heeft.\n\nIndien wordt geoordeeld dat de nadelige planologische wijziging voorzienbaar was, dient vervolgens de vraag beantwoord te worden of onder het oude planologische regime concrete pogingen tot realisering van de bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden zijn ondernomen. Het risico op verwezenlijking van planologisch nadeel wordt geacht passief te zijn aanvaard als er voorzienbaarheid is en indien geen concrete pogingen zijn gedaan tot realisering van de bouw- en gebruiksmogelijkheden die onder het nieuwe planologische regime zijn komen te vervallen, terwijl dit van een redelijk denkende en handelende eigenaar, vanaf de peildatum voor voorzienbaarheid, kon worden verlangd.\n\n11.2.. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen is de (concept)structuurvisie geen concreet beleidsvoornemen op grond waarvan voor eiser aanleiding bestond rekening te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatse zou gaan veranderen in een voor hem ongunstige zin, zodat voor risicoaanvaarding niet moet worden uitgegaan van de datum van 25 augustus 2012 (concept-structuurvisie) of 2 februari 2012 (vastgestelde structuurvisie), maar van de datum van het voorontwerp-bestemmingsplan.\n\n11.3.. \n\nDe rechtbank is van oordeel dat er geen knip kan worden gemaakt tussen de bouw- en de gebruiksmogelijkheden. De benutting van de maximale bouwmogelijkheden hangt onlosmakelijk samen met de gebruiksmogelijkheden in het nieuwe bestemmingsplan, aangezien de aanvraag op grond van artikel 3.3, eerste lid, van de Wabo moet worden aangehouden als het aangevraagde bouwwerk in strijd is met het nieuwe bestemmingsplan. Het is ook vaste jurisprudentie dat van een redelijk denkende en handelende eigenaar niet kan worden verwacht een bouwplan op te stellen en in te dienen, wetende dat een besluit op een aanvraag om bouwvergunning moet worden aangehouden en dat er een grote kans bestaat op voortzetting van de voorbereidingsbescherming.De door het college aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 9 februari 2022 maakt het voorgaande niet anders, want in die zaak waren enkel de gebruiksmogelijkheden verslechterd, en niet de bouwmogelijkheden.\n\nDe rechtbank ziet daarom geen aanleiding om voor passieve risicoaanvaarding een langere termijn aan te houden dan de door de STAB gehanteerde termijn van 2,5 maanden tussen het voorontwerp-bestemmingsplan en het ontwerp-bestemmingsplan.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is deze periode van 2,5 maanden te kort om concrete pogingen te ondernemen tot verwezenlijking van de planologische bouw- en gebruiksmogelijkheden. Aan eiser kan daarom niet worden tegengeworpen dat hij geen aanvraag heeft ingediend om de bouw- en gebruiksmogelijkheden nog maximaal te benutten. Daar komt bij dat op dat moment sprake was van een bestaand huurcontract.\n\nIn de door het college aangehaalde uitspraken van de Afdeling van 9 februari 2022 en 24 juli 2019 was sprake van een veel langere periode waarin de aanvrager concrete benuttingspogingen kon ondernemen, namelijk respectievelijk één jaar en één jaar en vier maanden. Deze uitspraken zijn daarom niet vergelijkbaar.\n\nDe rechtbank ziet op dit punt geen aanleiding om het deskundigenadvies niet te volgen.\n\nCompensatie in natura\n\n12. Het college stelt dat de STAB een onjuiste systematiek heeft gehanteerd. Volgens het college dient bij de vraag of er sprake is van compensatie in natura primair beoordeeld te worden of de bouw- en gebruiksmogelijkheden met de vaststelling van het bestemmingsplan “Groot Sypel – Verkeersweg 3” weer zijn terugbestemd. Is dat het geval dan is de schade in natura gecompenseerd en is het niet nodig om de waarde van het perceel opnieuw te taxeren. Het college stelt dat de door de STAB gehanteerde systematiek ertoe leidt dat, ondanks dat eerder vervallen mogelijkheden volledig zijn terugbestemd, toch planschade als gevolg van het eerder vervallen van deze mogelijkheden overblijft. Volgens het college is met het bestemmingsplan “Groot Sypel – Verkeersweg 3” sprake van een volledige compensatie in natura.\n\n12.1.. \n\nIn het rapport van de STAB is ingegaan op het bestemmingsplan “Groot Sypel – Verkeersweg 3”. De STAB heeft overwogen dat met dit bestemmingsplan niet alle vervallen bouw- en gebruiksmogelijkheden zijn hersteld, zodat er nog steeds sprake is van planologisch nadeel. Van volledige compensatie in natura is daarom – anders dan het college betoogt – geen sprake. De rechtbank ziet daarnaast geen aanleiding voor het oordeel dat de STAB in het rapport van een verkeerde systematiek is uitgegaan.\n\nDe rechtbank ziet op dit punt geen aanleiding om het deskundigenadvies niet te volgen.\n\n13. Het standpunt van eiser dat de compensatie in natura geen onderdeel uitmaakt van de omvang van het geschil volgt de rechtbank niet. Door het bestemmingsplan “Groot Sypel – Verkeersweg 3” buiten beschouwing te laten zou eiser immers twee maal worden gecompenseerd voor zijn planologisch nadeel.\n\nConclusie en gevolgen\n\n14. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.\n\nOver finale geschilbeslechting overweegt de rechtbank als volgt. Het college heeft in zijn reactie en op de zitting aangegeven de schade (nogmaals) in natura te willen compenseren.\n\nCompensatie in natura is in beginsel niet onredelijk. Het bestuursorgaan mag bij het tegemoetkomen in de schade uitgaan van de wijze van compenseren die de laagste kosten met zich brengt. De vergoeding moet namelijk in dit geval uit schaarse publieke middelen worden bekostigd.In zijn reactie en op de zitting heeft het college echter niet concreet gemaakt waaruit de compensatie dan zou bestaan. De enkele verwijzing naar een kruimelgevallenafwijking die zou zijn verleend, maar niet is overgelegd, is onvoldoende omdat onduidelijk is of, en zo ja in hoeverre, de waarde van het perceel als gevolg van deze kruimelgevallenafwijking zal toenemen.\n\nOmdat het college de (tweede) compensatie in natura naar het oordeel van de rechtbank niet concreet heeft gemaakt en hij al een eerdere poging heeft gedaan om tot compensatie in natura over te gaan, wat gedeeltelijk is gelukt, ziet de rechtbank geen aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen om het gebrek te herstellen door een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.\n\nDe rechtbank neemt daarom met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zelf een beslissing door te bepalen dat aan eiser een tegemoetkoming in planschade van € 172.800 wordt toegekend, te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarbij weegt de rechtbank ook mee dat deze planschadeprocedure al geruime tijd duurt; het schadeveroorzakende plan dateert uit 2013.\n\nProceskosten en griffierecht14.1.. \n\nOmdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De proceskosten stelt de rechtbank voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 4.394,25 (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor de schriftelijke zienswijze na verslag deskundigenonderzoek en 1 punt voor de nadere zitting, met een waarde per punt van € 837). Voor de vaststelling van de wegingsfactor merkt de rechtbank het gewicht van de zaak, gelet op de complexiteit daarvan, als ‘zwaar’ aan.\n\nDe deskundigenkosten voor de taxaties die voorafgaand aan de aanvraag zijn verricht komen niet voor vergoeding in aanmerking. Uit jurisprudentie van de Afdeling volgt namelijk dat onder redelijkerwijs gemaakte kosten als bedoeld in artikel 6.5, onder a, van de Wro geen kosten vallen die een aanvrager maakt vóór het indienen van de aanvraag.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het besluit van 5 maart 2019;\n\n- bepaalt dat het college aan eiser als tegemoetkoming in planschade een bedrag van € 172.800, te vermeerderen met de wettelijke rente, betaalt;\n\n- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- bepaalt dat het college het griffierecht van € 174,- aan eiser moet vergoeden;\n\n- veroordeelt het college tot betaling van € 4.394,25 aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mengerink, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2023\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582.\n\n Zie overweging 5.23 en 5.24 van de overzichtsuitspraak.\n\n Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:282, r.o. 11.1.\n\nZie overwegingen 5.32 – 5.34 uit de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582.\n\n Zie overweging 5.37 uit de overzichtsuitspraak\n\n Zie overweging 7.1 de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:615).\n\n Zie overweging 2.8.1 uit de uitspraak van 11 juli 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX1032).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2023:4236","2023-07-24T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:36.045Z",{"id":90,"ecli":91,"slug":92,"caseNumber":43,"courtId":93,"decisionDate":94,"fullText":95,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":96,"sourceTimestamp":84,"parsedAt":50,"updatedAt":97},"337","ECLI:NL:RBAMS:2023:4789","ecli-nl-rbams-2023-4789",56,"2023-07-21T00:00:00.000Z","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AMS 23\u002F1181\n uitspraak van de meervoudige kamer van 21 juli 2023 in de zaak tussen\n de besloten vennootschap Fastned B.V. (Fastned), uit Amsterdam, eiseres\n\n(gemachtigden: mr. L.P.W. Mensink en mr. I.A. Siskina),\n\nen\n\nde minister van Infrastructuur en Waterstaat (de minister), verweerder\n\n(gemachtigden: mr. M.R. Botman en mr. A.D. Röell).\n\nTevens neemt aan de zaak deel: de besloten vennootschap Shell Nederland Verkoopmaatschappij B.V. (Shell), uit Rotterdam, belanghebbende\n\n(gemachtigde: mr. T.J.J. Slegers).\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van Fastned tegen de aan haar verleende vergunningop verzorgingsplaats Haarrijn.\n\nDe minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Shell heeft ook schriftelijk gereageerd.\n\nOok Shell heeft beroep ingesteld tegen deze Wbr-vergunning. Het beroep van Shell is geregistreerd onder zaaknummer AMS 23\u002F2506.\n\nDe rechtbank heeft beide beroepen op 14 juni 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van Fastned, vergezeld door mr. C.S. Schekkerman, de gemachtigden van de minister, bijgestaan door mr. M.D. van Gils, mr. K.E. Masmeijer-Haan en vergezeld door [naam 1] , [naam 2] en de gemachtigde van Shell, vergezeld door [naam 3] , mr. M.J.G. Goossens en mr. L. Yuen.\n\nDe rechtbank heeft de zaak AMS 23\u002F2506 op de zitting geschorst, omdat de minister heeft aangekondigd een gewijzigd besluit te nemen voor wat betreft het aspect verkeersveiligheid.\n\nTotstandkoming van het bestreden besluit\n\nFastned heeft op 23 december 2011 een Wbr-vergunning aangevraagd voor het realiseren van een energielaadpunt als basisvoorziening op verzorgingsplaats Haarrijn naast de rijksweg A2 in de gemeente Stichtse Vecht. Op 19 april 2021 heeft Fastned deze aanvraag aangevuld.\n\nOp verzorgingsplaats Haarrijn is al een vergunde en gerealiseerde basisvoorziening van Mister Green Fast Charging Network B.V. (Fast Charging Network) aanwezig en een vergunde en gerealiseerde aanvullende voorziening van Shell voor elektrisch snelladen. Ook heeft Fastned een vergunning voor een (nog niet gerealiseerde) aanvullende voorziening voor elektrisch snelladen. Deze is voorzien naast de basisvoorziening van Fast Charging Network.\n\n3. De minister heeft de vergunning voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De ontwerpvergunning voor een energielaadpunt met zestien laadplekken heeft van 16 juni 2022 tot en met 27 juli 2022 ter inzage gelegen. Shell heeft tegen de ontwerpvergunning een zienswijze ingediend.\n\n4. Met het bestreden besluit van 14 februari 2023 heeft de minister de vergunning aan Fastned verleend. Ten opzichte van de ontwerpvergunning heeft de minister een wijziging aangebracht. In plaats van een looptijd van 15 jaar is aan de vergunning een looptijd van 5,5 jaar verbonden. Op 23 december 2022 heeft de minister namelijk de Tijdelijke beleidsregel gepubliceerd. In deze Tijdelijke beleidsregel heeft de minister aanvullende regels gesteld over de geldigheidsduur van Wbr-vergunningen en heeft hij een vergunningenstop opgenomen. Op grond van de Tijdelijke beleidsregel moet de minister bij de vergunningverlening aan Fastned rekening houden met de looptijd van de aan Fast Charging Network verleende vergunning voor een basisvoorziening. Deze vergunning loopt op 24 september 2028 af. Om die reden is de vergunning aan Fastned door de minister ook tot 24 september 2028 verleend.\n\n5. Het beroep van Fastned tegen het bestreden besluit richt zich uitsluitend tegen de looptijd van de vergunning.\n\nJuridisch kader\n\n6. Artikel 3, eerste lid, van de Wbr bepaalt, voor zover hier relevant, dat een vergunning slechts kan worden geweigerd, gewijzigd of ingetrokken ter bescherming van waterstaatswerken en ter verzekering van het doelmatig en veilig gebruik van die werken, met inbegrip van het belang van verruiming of wijziging anderszins van die werken. Een aanvraag tot wijziging van een Wbr-vergunning moet, kort gezegd, worden beoordeeld op veiligheid en doelmatigheid.\n\n7. Het toetsingskader voor aanvragen om een vergunning voor het aanbieden van voorzieningen op een verzorgingsplaats langs rijkswegen, als bedoeld in artikel 3 van de Wbr, is het beleid, zoals neergelegd in de Kennisgeving Voorzieningen op verzorgingsplaatsen langs rijkswegen (de Kennisgeving). De Kennisgeving is in 2004 vastgesteld en in 2011, 2013, 2017, 2021 en 2022 gewijzigd. Daarnaast is in aanvulling op de Kennisgeving op 23 december 2022 de Tijdelijke beleidsregel gepubliceerd in de Staatscourant.\n\n8. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Tijdelijke beleidsregel wordt een vergunning slechts verleend of gewijzigd met een geldigheidsduur die in ieder geval is beperkt (a) tot de dag waarop de geldigheidsduur eindigt van een voor inwerkingtreding van deze beleidsregel verleende vergunning voor een basisvoorziening energielaadpunt op de betreffende verzorgingsplaats, of (b) als voor de betreffende verzorgingsplaats geen vergunning als bedoeld in onderdeel a, is verleend, tot de dag waarop de geldigheidsduur eindigt van de voor inwerkingtreding van deze beleidsregel gesloten huurovereenkomst van een locatie voor een motorbrandstoffenverkooppunt als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet tot veiling van bepaalde verkooppunten van motorbrandstoffen op deze verzorgingsplaats.\n\n9. Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Tijdelijke beleidsregel wordt geen vergunning verleend, indien toepassing van het eerste lid zou leiden tot een geldigheidsduur van minder dan vijf jaar.\n\n10. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Tijdelijke beleidsregel treedt de beleidsregel in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en dus op 24 december 2022.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n11. De rechtbank beoordeelt in dit beroep of de minister in redelijkheid heeft kunnen besluiten de Wbr-vergunning met een geldigheidsduur tot 24 september 2028 aan Fastned te verlenen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van Fastned.\n\n12. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nIs de Tijdelijke beleidsregel een beleidsregel?\n\n13. Alvorens de rechtbank overgaat tot een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden, geeft zij eerst een oordeel over het karakter van de Tijdelijke beleidsregel. Shell stelt zich namelijk op het standpunt dat de Tijdelijke beleidsregel geen beleidsregel is, maar een concretiserend besluit van algemene strekking, waartegen zelfstandig rechtsmiddelen (hadden) kunnen worden aangewend en daarom in deze procedure niet meer ter discussie kan worden gesteld.\n\n14. Een beleidsregel wordt in artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedefinieerd als een 'bij besluit vastgestelde algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan’.\n\n15. De rechtbank is van oordeel dat de Tijdelijke beleidsregel een beleidsregel is. De rechtbank is met de minister van oordeel dat de Tijdelijke beleidsregel algemene regels geeft die van toepassing zijn bij de beoordeling van iedere aanvraag om een vergunning voor het realiseren en behouden van elektrische laadpunten op verzorgingsplaatsen langs rijkswegen. De Tijdelijke beleidsregel bevat een uitleg van de toepassing van de bevoegdheden van de minister neergelegd in artikel 2 en artikel 3 van de Wbr en geeft regels voor de afweging van belangen door de minister bij het gebruik van die bevoegdheden. Het gaat dus niet om een besluit dat een algemeen verbindend voorschrift nader naar tijd, plaats, of ruimte bepaalt, zonder in een zelfstandige normstelling te voorzien. Van een concretiserend besluit van algemene strekking is daarom geen sprake.\n\nMoet de Tijdelijke beleidsregel buiten toepassing worden gelaten?\n\n16. Fastned voert aan dat toepassing van de Tijdelijke beleidsregel in strijd is met de doelstellingen van de nieuwe beleidsvisie van de minister, het verzekeren van het veilig en doelmatig gebruik van de verzorgingsplaatsen en met het faciliteren van de energietransitie. Verder pakt de toepassing van de Tijdelijke beleidsregel onnodig onevenredig uit voor Fastned, gelet op de met het bestreden besluit te dienen doelen. De minister had daarom moeten afzien van toepassing van de Tijdelijke beleidsregel op grond van artikel 3:4 van de Awb.\n\n17. Uit de rechtspraakvolgt dat als de (on)evenredigheid van een besluit in geschil is en dat besluit (mede) berust op een beleidsregel, de bestuursrechter al dan niet uitdrukkelijk ook de evenredigheid van de beleidsregel toetst. Als de beleidsregel zelf niet onrechtmatig is, toetst de bestuursrechter het besluit aan de norm van artikel 4:84 van de Awb. Daarbij gelden dezelfde maatstaven als bij de toetsing van het besluit aan de norm van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Ook de al in de beleidsregel verdisconteerde omstandigheden kunnen ‘bijzondere omstandigheden’ zijn.\n\n18. Uit de toelichting bij de Tijdelijke beleidsregel en de aanvullende toelichting van de minister in het verweerschrift en op de zitting, volgt dat de minister streeft naar een emissieloos wagenpark in 2050. Onderdeel hiervan is de herordening van het aanbod van laadpunten op verzorgingsplaatsen. Gezien de omvang van de opgave en het belang van een efficiënte ruimtelijke inrichting van verzorgingsplaatsen is een duidelijkere (regie)rol van de overheid nodig. Omdat veel vergunningen voor basisvoorzieningen energielaadpunten in 2028 aflopen - en dus opnieuw kunnen worden verdeeld - is dit een belangrijk moment voor de inwerkingtreding van nieuw beleid op verzorgingsplaatsen. Uitgangspunt van de herordening is de ontwikkeling van concurrentie tussen verzorgingsplaatsen in plaats van de huidige (juridische) strijd om laadvoorzieningen op verzorgingsplaatsen. Om dit te bereiken zal per verzorgingsplaats één kavel snelladen komen. De uitgifte van dat kavel snelladen zal aan één onderneming per verzorgingsplaats worden gegeven. Daarnaast zal een gebiedscriterium worden geïntroduceerd, wat inhoudt dat dezelfde onderneming niet gelijktijdig op twee achtereenvolgende verzorgingsplaatsen kavels snelladen kan exploiteren. De beperking van de looptijd in de Tijdelijke beleidsregel is volgens de minister in het belang van het veilig en doelmatig gebruik van de wegen waar de verzorgingsplaatsen toe behoren. Het nieuwe beleid beoogt immers (onder meer) de beschikbaarheid van voorzieningen voor snelladen te verzekeren. De vraag daarnaar zal in de loop van de energietransitie aanzienlijk toenemen. Juist door de beschikbaarheid van deze voorzieningen dienen de verzorgingsplaatsen het veilig en doelmatig gebruik van het hoofdwegennet. Er is voor gekozen om de Tijdelijke beleidsregel direct in te laten gaan, zodat wordt voorkomen dat er ineens nog een groot aantal aanvragen voor laadvoorzieningen worden ingediend. Onderkend is dat het tijdelijk beperken van de looptijd van vergunningen nadelige gevolgen heeft voor initiatiefnemers, omdat deze daarmee worden beperkt in de tijd waarbinnen investeringen in de laadinfrastructuur terugverdiend kunnen worden. Een minder beperkende mogelijkheid, zoals een langere looptijd, is echter geen geschikt alternatief omdat daarmee de verwezenlijking van het kabinetsvoornemen en het behalen van zwaarwegende publieke doelen alsnog vertraagd wordt. Deze nadelige gevolgen wegen volgens de minister niet op tegen het belang van een spoedige invoering van de nieuwe uitgiftesystematiek. Met deze toelichting acht de rechtbank, alles overziend, de Tijdelijke beleidsregel niet kennelijk onredelijk en ook niet in strijd met de doelstellingen van de nieuwe beleidsvisie.\n\nMoest de minister in dit geval afwijken van het beleid op grond van artikel 4:84 Awb?\n\n19. Volgens Fastned dient zij met het realiseren van haar laadpalen juist het doel van de minister, namelijk voldoende beschikbaarheid van voorzieningen voor snelladen en is het toepassen van de verkorte looptijd uit de beleidsregel daarom niet geschikt om het doel te bereiken. De minister had daarom moeten afzien van toepassing van de Tijdelijke beleidsregel op grond van artikel 4:84 van de Awb. De minister stelt zich daarentegen op het standpunt dat niet moet worden gekeken naar realisatie van energielaadpunten op korte termijn, maar naar oplossingen voor de langere termijn. Het uitgangspunt is dat er per verzorgingsplaats één kavel energieladen komt, met één aanbieder en dat het gebiedscriterium wordt ingevoerd. Het verkorten van de looptijd van nieuwe vergunningen is volgens de minister geschikt om het doel, namelijk het op lange termijn kunnen verzekeren van beschikbaarheid van voorzieningen snelladen, te bereiken. De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat het verkorten van de looptijd een geschikt middel is om dit doel te bereiken.\n\n20. Volgens Fastned is het verkorten van de looptijd in haar geval ook niet noodzakelijk. Er is namelijk slechts één ander soortgelijk geval, op verzorgingsplaats De Abt. Daarvoor was ook al een ontwerpvergunning ter inzage gelegd, maar is de looptijd in de definitieve vergunning verkort. Verder is het verkorten van de looptijd volgens Fastned niet noodzakelijk, omdat Fastned op verzorgingsplaats Haarrijn een vergunning heeft voor een aanvullende voorziening snelladen met een looptijd tot 2036. De minister stelt zich op het standpunt dat iedere verzorgingsplaats van belang is waarbij zo snel mogelijk uitgifte volgens de nieuwe verdelingssystematiek kan plaatsvinden. Ook staat de aan Fastned verleende vergunning voor een aanvullende voorziening snelladen niet in de weg aan het overgaan op de nieuwe verdelingssystematiek. De rechtbank volgt dit standpunt van de minister en oordeelt dat het verkorten van de looptijd in het geval van Fastned eveneens voldoet aan de eis van noodzakelijkheid.\n\n21. Fastned voert verder aan dat het beperken van de looptijd niet evenwichtig is. Volgens Fastned is de beslistermijn door de minister al lang overschreden en heeft zij op verzorgingsplaats Haarrijn al veel investeringen gedaan. Dat de wettelijke beslistermijn is overschreden acht de rechtbank geen relevante factor en is overigens grotendeels gelegen in de omstandigheid dat Fastned de aanvraag uit 2011 niet eerder heeft aangevuld. Daarbij heeft Fastned de gestelde financiële investeringen op Haarrijn niet met stukken onderbouwd en overigens niet aannemelijk gemaakt dat binnen de looptijd van de vergunning de gestelde investeringen niet kunnen worden terugverdiend. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat Fastned een vergunning heeft gekregen voor 16 energielaadpunten maar niet gehouden is alle 16 energielaadpunten te realiseren. Bovendien is het de eigen keuze van Fastned als onderneming geweest om voorafgaand aan de onherroepelijkheid van de Wbr-vergunning investeringen te doen. Naar het oordeel van de rechtbank is toepassing van de verkorte looptijd ook niet onevenwichtig.\n\n22. Gelet op het voorgaande is er geen sprake van bijzondere omstandigheden die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Er was daarom geen reden voor de minister om toepassing te geven aan artikel 4:84 van de Awb.\n\nArtikel 33, vijfde lid, van de Dienstenwet\n\n23. Fastned voert verder aan dat de vergunning in strijd met artikel 33, vijfde lid, van de Dienstenwet is verleend voor de duur van 5,5 jaar. Zij wijst op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 21 juli 2021.\n\n24. De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van strijd met artikel 33, vijfde lid, van de Dienstenwet. Uit de door Fastned genoemde uitspraak volgt weliswaar dat de minister er rekening mee moet houden dat aan vergunninghouders voldoende tijd wordt geboden om de door hen noodzakelijk gemaakte investeringen en de investeringen die zij lopende de geldigheidsduur van de vergunning redelijkerwijs moeten maken, te kunnen afschrijven, maar deze termijn hoeft niet per afzonderlijke vergunning of vergunninghouder te worden bepaald. Wel kan volgens de uitspraak per branche, met inachtneming van de tijd waarin de noodzakelijke investeringen van de standplaatshouders binnen die branche gemiddeld genomen worden terugverdiend, worden vastgesteld binnen welke termijn de hiervoor bedoelde afschrijvingen redelijkerwijs kunnen worden gedaan. In de Tijdelijke beleidsregel heeft de minister dit gedaan door een zogenoemde ‘kap’ te zetten op vijf jaar en in de toelichting bij de Tijdelijke beleidsregel heeft hij deze kap gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nEx tunc of ex nunc\n\n25. Fastned voert nog aan dat de minister het recht had moeten toepassen zoals dat gold ten tijde van de laatste dag waarop de aanvraag was ingediend. HHet toepassen van de Tijdelijke beleidsregel is namelijk in strijd met de systematiek van de verdeling van schaarse vergunningen. Fastned beroept zich op een uitspraak van de Afdeling van 6 juni 2012.Volgens Fastned volgt uit deze uitspraak dat als de beoordeling van aanvragen om schaarse vergunningen via een zogenoemd tendersysteem verloopt, als uitgangspunt geldt dat het beleid dient te worden toegepast zoals dat gold op de laatste dag waarop de aanvragen konden worden ingediend. Een bestuursorgaan mag het beleid dan niet hangende de besluitvormingsprocedure ten nadele van een of meer aanvragers wijzigen.\n\n26. De rechtbank oordeelt dat de vergelijking met de door Fastned genoemde uitspraak niet opgaat. Anders dan in die uitspraak, ziet de beleidswijziging in dit geval niet direct op de methode aan de hand waarvan wordt bepaald aan wie de vergunningen worden verleend, maar slechts op de duur van de vergunning. Kortom, de duur van de vergunning heeft geen betrekking op de verdeelprocedure als zodanig. Deze beroepsgrond slaagt daarom evenmin.\n\n27. Volgens Fastned is het toepassen van de verkorte looptijd in haar geval ook in strijd met de rechtszekerheid. Als sprake is van rechtmatig gevoerd beleid dat wordt gewijzigd, dan moet die wijziging wel tijdig bekend worden gemaakt en mag niet zonder meer een kortere looptijd worden toegepast op lopende aanvragen. Fastned wijst op een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 3 september 2019. Uit de rechtspraak volgt verder dat op het uitgangspunt dat het gewijzigde recht moet worden toegepast bij beslissingen op een vergunningsaanvraag een uitzondering bestaat, als ten tijde van het indienen van de aanvraag een rechtstreekse aanspraak bestond op het verkrijgen van de vergunning. Fastned wijst op een uitspraak van de Afdeling van 15 december 2021.\n\n28. Als hoofdregel geldt dat het bestuursorgaan rekening moet houden met het recht zoals dit geldt ten tijde van het nemen van het besluit (op bezwaar). Dit geldt ook voor beleidsregels.In bijzondere gevallen kan van dit uitgangspunt worden afgeweken. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is de rechtbank echter niet gebleken. Anders dan in de door Fastned genoemde uitspraak van de Afdeling is geen sprake van een gebonden beschikking of bijzonder peilmoment. Ook gaat de vergelijking met de uitspraak van het CBb over subsidies niet op. Anders dan in die uitspraak, zijn alle aanvragers hetzelfde beoordeeld en is de looptijd van de vergunning geen onderdeel van de selectieprocedure. Dat de uiteindelijke vergunning ten nadele afwijkt van de ontwerpvergunning is evenmin een bijzondere omstandigheid waardoor van de hoofdregel moet worden afgeweken. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nVertrouwensbeginsel\n\n29. Fastned voert tot slot aan dat de minister heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel. Fastned heeft sinds de verdelingsprocedure uit 2012 altijd vergunningen voor energielaadpunten als basisvoorziening gekregen met een looptijd van vijftien jaar. Daaraan mocht Fastned het vertrouwen ontlenen dat zij ook voor de verzorgingsplaats Haarrijn een vergunning met een looptijd van vijftien jaar zou krijgen.\n\n30. De rechtbank oordeelt dat van strijd met het vertrouwensbeginsel geen sprake is. Er zijn door de minister geen toezeggingen gedaan over de looptijd van deze vergunning. Fastned kon er redelijkerwijs ook niet van uitgaan dat het beleid in meer dan tien jaar tijd niet zou wijzigen. Voor zover Fastned erop heeft gewezen dat de aanvraag vooral lang heeft stilgelegen omdat er (aan haar zijde) onduidelijkheid was over toepassing van de Kennisgeving 2017, levert dat naar het oordeel van de rechtbank ook geen rechtens te honoreren beroep op het vertrouwensbeginsel op. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n31. De minister heeft aan Fastned in redelijkheid een Wbr-vergunning kunnen verlenen met een looptijd tot 24 september 2028.\n\n32. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat Fastned geen gelijk krijgt. Fastned krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.Beslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. C.A.E. Wijnker, voorzitter, en mr. C.F. de Lemos Benvindo en mr. J.F. Kuiken, leden, in aanwezigheid van mr. I.N. van Soest, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2023.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Dit betekent dat in het hogerberoepschrift de gronden van hoger beroep kenbaar moeten worden gemaakt. Na de genoemde termijn van zes weken kunnen geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. Indien binnen de beroepstermijn geen gronden zijn ingediend, wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Op grond van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (Wbr).\n\n Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 16 december 2022, tot vaststelling van een tijdelijke beleidsregel inzake de toepassing van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken op elektrische laadpunten op verzorgingsplaatsen, Stcrt, 23 december 2022, nr. 32554.\n\n Zie de Kamerbrief van 23 december 2022 met daarbij een beleidsvisie over de verzorgingsplaatsen van de toekomst, Kamerstukken II 2022\u002F23, 31 305, nr 376.\n\n ECLI:NL:RVS:2022:285.\n\n ECLI:NL:RVS:2021:1588.\n\n ECLI:NL:RVS:2012:BW7592.\n\n ECLI:NL:CBB:2019:378.\n\n ECLI:NL:RVS:2021:2835.\n\n ECLI:NL:RVS:2019:433.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2023:4789","2026-07-13T00:28:25.071Z",{"id":99,"ecli":100,"slug":101,"caseNumber":43,"courtId":102,"decisionDate":103,"fullText":104,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":105,"sourceTimestamp":106,"parsedAt":50,"updatedAt":107},"567","ECLI:NL:RBOBR:2023:3092","ecli-nl-rbobr-2023-3092",72,"2023-06-26T00:00:00.000Z","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nZittingsplaats 's-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SHE 22\u002F33\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2023 in de zaak tussen\n \n [eiseres] , uit [vestigingsplaats] , [eiseres]\n\n(gemachtigden: mr. D.S.P. Roelands-Fransen en mr. J. Zweers),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven\n\n(gemachtigde: mr. M.L.M. Lammerschop).\n\nInleiding\n\n1.1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van [eiseres] tegen de weigering van een omgevingsvergunning voor het plaatsen van reclameobjecten aan de [adres] in [plaats] .\n\n1.2. Het college heeft de aanvraag voor de vergunning met het besluit van 15 juni 2021 afgewezen. Met het bestreden besluit van 26 november 2021 op het bezwaar van [eiseres] is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.\n\n1.3. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.4. De rechtbank heeft het beroep op 20 maart 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van [eiseres] en de gemachtigde van het college.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2.1. De rechtbank beoordeelt of het college de weigering van een omgevingsvergunning voor reclameobjecten in stand heeft kunnen gelaten. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van [eiseres] .\n\n2.2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.\n\n3. De rechtbank gaat uit van het volgende.\n\n [eiseres] huurt het pand aan de [adres] te [plaats] (het perceel) en gebruikt dit sinds 1 april 2021 voor bedrijfsactiviteiten.\n\nOp deze locatie heeft bestemmingsplan “Bedrijventerrein Kapelbeemd Acht 2007” betrekking (het bestemmingsplan 2007). Dit bestemmingsplan gold ten tijde van het bestreden besluit. Op 4 april 2022 is bestemmingsplan “Kapelbeemd – GDC – Zuid 2021” vastgesteld (het bestemmingsplan 2021). Het bestemmingsplan 2021 is na het bestreden besluit in werking getreden.\n\nIn het bestemmingsplan 2007 rust op het perceel de bestemming ‘Bedrijfsdoeleinden I’. Artikel 3 van dit bestemmingsplan bepaalt dat het perceel bestemd is voor bedrijven behorende tot de categorieën 3 en 4 zoals genoemd in de \"lijst van Bedrijfsactiviteiten.\"Niet in geschil is dat de bedrijfsactiviteiten van [eiseres] op deze locatie onder een lagere milieucategorie vallen dan daar is voorgeschreven.\n\nTussen partijen is niet in geschil dat de bedrijfsactiviteiten van [eiseres] in strijd zijn met artikel 3 van het bestemmingsplan 2007. Het college wenst geen strijdig gebruik toe te staan voor het door [eiseres] aangevraagde gebruik en heeft de aanvraag daarom afgewezen.\n\nHad het college artikel 3 van het bestemmingsplan 2007 buiten toepassing moeten laten?\n\n4.1. \n [eiseres] stelt dat het college artikel 3 van het bestemmingsplan 2007 bij de beoordeling van de aanvraag buiten toepassing had moeten laten. Daartoe voert [eiseres] als eerste aan dat deze planregel evident in strijd is met artikel 3.1, eerste lid, van de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro). Verder vindt [eiseres] de planregel evident in strijd met de Richtlijn 2016\u002F123\u002FEG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (de Dienstenrichtlijn).\n\n4.2. Het college stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van evidente strijd met hogere regelgeving. Naast dat het college betwist dat er enige strijd is met de genoemde rechtsnormen, betoogt het college dat er in elk geval geen sprake kan zijn van evidente strijd. Dit zou namelijk betekenen dat de rechtbank zonder nader onderzoek moet kunnen vaststellen dat een dergelijke strijd zich voordoet. Volgens het college is dit niet het geval en hoeft hij artikel 3 van het bestemmingsplan 2007 daarom niet buiten toepassing te laten.\n\n4.3. Volgens een vaste lijn in de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), strekt de mogelijkheid om in een procedure die is gericht tegen een besluit omtrent de verlening van een omgevingsvergunning de gelding van de toepasselijke bestemmingsplanregeling aan de orde te stellen, niet zover dat deze regeling aan dezelfde toetsingsmaatstaf wordt onderworpen als de toetsingsmaatstaf die wordt gehanteerd in het kader van de beoordeling van beroepen tegen een vastgesteld bestemmingsplan. Als in een procedure over een vergunning wordt aangevoerd dat de bestemmingsregeling in strijd is met een hogere regeling, de algemene rechtsbeginselen of de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, dient de bestemmingsregeling slechts onverbindend te worden geacht of buiten toepassing te worden gelaten indien die strijd evident is. Bij strijd met hogere regelgeving is voor evidentie onder meer vereist dat die regeling zo concreet is dat deze zich voor toetsing daaraan bij wijze van exceptie leent.De rechtbank dient dan zonder nader onderzoek in te stellen te kunnen vaststellen dat een planregel in strijd is met een hogere rechtsnorm.\n\n5.1. Ten aanzien van evidente strijd met artikel 3.1, eerste lid, van de Wro stelt [eiseres] , samengevat, dat de planregel niet noodzakelijk is ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, althans dat een dergelijke noodzaak niet afdoende in het bestemmingsplan is onderbouwd. Het is volgens [eiseres] niet begrijpelijk waarom een goede ruimtelijke ordening zich verzet tegen het vestigen van bedrijven met een minder zware milieucategorie op het betreffende perceel.\n\n5.2. Het college voert aan dat een zonering op het bedrijventerrein, zoals volgt uit het bestemmingsplan 2007 en de toepasselijke planregels, wel degelijk bijdraagt aan een goede ruimtelijke ordening. Dit maakt een efficiënt ruimtegebruik mogelijk en zorgt voor de nodige afstand tussen bedrijven in zwaardere milieucategorieën enerzijds en woningen en andere gevoelige bebouwing anderzijds. Door percelen alleen te laten gebruiken door bedrijven uit categorie 3 en 4 wordt geborgd dat voor deze bedrijven voldoende vestigingsmogelijkheden beschikbaar blijven.\n\n5.3. De rechtbank komt tot het oordeel dat artikel 3 van het bestemmingsplan 2007 niet evident in strijd is met artikel 3.1, eerste lid, van de Wro. Uit dit artikel 3, in samenhang gelezen met paragraaf 3.2 Bedrijvigheiduit de toelichting op het bestemmingsplan, valt naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk af te leiden wat de ratio achter de beperking in de planregel is en hoe de gemeente Eindhoven daarmee een goede ruimtelijke ordening nastreeft. Voor de stelling dat deze planregel niet, of kenbaar ontoereikend, is gemotiveerd, ziet de rechtbank geen grond. Hierdoor kan geen sprake zijn van evidente strijd met artikel 3.1, eerste lid, van de Wro en zal de rechtbank de overige argumenten hierover onbesproken laten.\n\n6.1. \n [eiseres] stelt dat sprake is van evidente strijd met de Dienstenrichtlijn. Volgens [eiseres] is geheel niet gemotiveerd waarom artikel 3 van het bestemmingsplan 2007 voldoet aan de vereisten in artikel 15, derde lid van de Dienstenrichtlijn, in het bijzonder het vereiste van noodzakelijkheid en evenredigheid.\n\n6.2. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 19 februari 2020,ligt het in een gerechtelijke procedure als deze op de weg van degene die een beroep doet op de Dienstenrichtlijn om te beargumenteren dat sprake is van een eis die een beperking oplevert. Het ligt op de weg van het college om bij de beslissing over het verlenen van een omgevingsvergunning te onderbouwen dat die eis in overeenstemming is met de Dienstenrichtlijn. Het is dus aan het college om te onderbouwen waarom de in het plan neergelegde beperkingen gerechtvaardigd zijn in het licht van de daaraan in de Dienstenrichtlijn gestelde eisen. Daarbij kan het college verwijzen naar de toelichting bij een bestemmingsplan, maar kan het ook, als een dergelijke toelichting ontbreekt, een nadere onderbouwing geven voor de in de planregels opgenomen beperking.\n\n6.3. Voor zover al zou moeten worden aangenomen dat artikel 3 van het bestemmingsplan 2007, vanwege de beperking die daaruit voor [eiseres] voortvloeit, heeft te gelden als een eis in de zin van de Dienstrichtlijn, is de rechtbank van oordeel dat het college de beperkende planregel wel heeft toegelicht en de beperking heeft gemotiveerd in de toelichting op het bestemmingsplan. Het college heeft in het bestreden besluit en tijdens de beroepsprocedure nog een nadere toelichting gegeven. Het college is daarbij ook ingegaan op de noodzakelijkheid en evenredigheid van de beperkende planregel.6.4. Wat betreft de voorwaarde van noodzakelijkheid gaat het om de vraag of de eis gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang. Uit artikel 4, aanhef en onder 8, van de Dienstenrichtlijn volgt dat hiervan sprake kan zijn als een eis wordt gesteld met het oog op de bescherming van het milieu en het stedelijk milieu. Uit overweging 40 van de preambule blijkt dat hier ook stedelijke en rurale ruimtelijke ordening onder valt.De toelichting van het college is al samengevat onder 5.2 weergegeven en naar het oordeel van de rechtbank volstaat deze toelichting om de noodzakelijkheid van de beperking te rechtvaardigen.\n\n6.5. Wat betreft de voorwaarde van evenredigheid gaat het erom dat de eis niet verder mag gaan dan nodig is om het nagestreefde doel te bereiken en dat het doel niet met andere, minder beperkende maatregelen kan worden bereikt. Het college streeft een bepaalde verdeling van bedrijven over een bedrijventerrein na. Dit is vastgelegd in het bestemmingsplan door met zones gebaseerd op milieucategorieën te werken. De rechtbank ziet niet waarom deze zonering verder zou gaan dan hier nodig is, of hoe de gewenste verdeling met minder beperkende maatregelen kan worden bereikt.\n\n6.6. Gelet op voorgaande overwegingen ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de beperking dat bedrijven zich op Bedrijventerrein Kapelbeemd Acht slechts op percelen mogen vestigen met de juiste milieucategorie, ook om vestigingsmogelijkheden voor bedrijven in een zwaardere milieucategorie te behouden, evident niet gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang. Dat betekent dat alleen al daarom geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat deze planregeling evident in strijd is met de Dienstenrichtlijn. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nHad het college de omgevingsvergunning moeten verlenen omdat er geen sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening?\n\n7.1. \n [eiseres] stelt dat zijn bedrijfsactiviteiten op deze locatie niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. [eiseres] meent dat, anders dan wat het college hierover stelt, uit de Bedrijventerreinnota Eindhoven, Brainport, november 2015 (de Bedrijventerreinnota) volgt dat de activiteiten van [eiseres] wel goed passen op Bedrijventerrein Kapelbeemd Acht. Volgens [eiseres] volgt uit de typering als modern gemengd bedrijventerreinen het gegeven dat er op deze locatie ruimte is voorverkleuring(een toename van andere -stedelijke- functies) dat het college niet afdoende heeft gemotiveerd waarom sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening. Daarom heeft het college de omgevingsvergunning niet mogen weigeren.\n\n7.2. Het college betoogt dat de bedrijfsactiviteiten van [eiseres] wel degelijk in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Volgens het college is het van belang om ruimte beschikbaar te houden voor bedrijven behorende tot de categorieën 3 en 4 en zou een vergunningverlening aan [eiseres] hier afbreuk aan doen. Daarnaast handhaaft het college het standpunt dat het toestaan van [eiseres] op deze locatie voor beperkingen kan zorgen ten aanzien van andere bedrijven die wel tot een zwaardere milieucategorie behoren. Tot slot weerspreekt het college dat uit de Bedrijventerreinnota volgt dat de bedrijfsactiviteiten van [eiseres] wel goed passen op Kapelbeemd Acht.\n\n7.3. Uit artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo volgt dat een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan alleen kan worden verleend als de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht.\n\n7.4. De rechtbank is van oordeel dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen toepassing te geven aan de mogelijkheid tot een buitenplanse afwijking op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo, in samenhang met artikel 4, derde, vierde en negende lid van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht. Ten eerste acht de rechtbank het beleid van het college gericht op zonering binnen het bedrijventerrein Kapelbeemd Acht niet onredelijk. Het college mag belang hechten aan een efficiënte indeling van het bedrijventerrein, waarbij zowel aandacht is voor afstand tot gevoelige objecten als voor voldoende ruimte voor bedrijven uit milieucategorieën 3 en 4. De rechtbank kan hierbij volgen dat aan het belang van de aanvraag van [eiseres] minder gewicht wordt toegekend. Anders dan [eiseres] ziet de rechtbank ook geen aanleiding voor het standpunt dat dit beleid niet overeenkomt met het gestelde in de Bedrijventerreinnota. Zo volgt uit de classificatie modern gemengden de mogelijkheden totverkleuringniet dat de gehanteerde zonering niet in redelijkheid kan worden nagestreefd. Uit de passages over zware bedrijvigheid en conserverend beleidvolgt volgens de rechtbank niet dat er geen mogelijkheden zijn voor nieuwe bedrijven uit milieucategorieën 3 en 4 om zich te vestigen op Bedrijventerrein Kapelbeemd Acht. Er wordt juist met nadruk aandacht gevraagd voor dergelijke bedrijven en het college wordt opgeroepen hier actief beleid op te voeren. De rechtbank ziet in de Bedrijventerreinnota daarom eerder een onderschrijving van het beleid van het college op bedrijventerrein Kapelbeemd Acht, dan van strijd hiermee. De beroepsgrond slaagt niet.\n\n7.5. \n [eiseres] voert in dit kader verder aan dat het college het (ontwerp) bestemmingsplan 2021 ten onrechte als toetsingskader heeft gebruikt voor de goede ruimtelijke ordening. De rechtbank kan het verweer van het college op dit punt volgen dat het (ontwerp) bestemmingsplan 2021 niet als toetsingskader is gehanteerd maar is meegenomen bij de belangenafweging over een goede ruimtelijke ordening en het eventueel toestaan van verkleuring. De rechtbank is van oordeel dat het college dit in redelijkheid op deze wijze heeft mogen meewegen, omdat het (ontwerp) bestemmingsplan 2021 een indicatie geeft welke plannen de gemeente in de nabije toekomst met het bedrijventerrein heeft. De beroepsgrond slaagt niet.\n\n7.6. Ter zitting bleken [eiseres] en het college van opvatting te verschillen tot welke milieucategorie de drukkerij behoorde die voorheen op het perceel gevestigd was. Naar het oordeel van de rechtbank kan de uitkomst hiervan niet tot een ander resultaat leiden. De kwestie heeft namelijk geen relevante invloed op de vraag of hier sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. [eiseres] krijgt daarom het griffierecht niet terug. [eiseres] krijgt ook geen vergoeding van de proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. W.S. Badri, rechter, in aanwezigheid van mr. A.G.M. Willems, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2023.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving\n\nWet ruimtelijke ordening\n\nArtikel 3.1\n\n1. De gemeenteraad stelt voor het gehele grondgebied van de gemeente een of meer\n\nBestemmingsplannen vast, waarbij ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening de bestemming van de in het plan begrepen grond wordt aangewezen en met het oog op die bestemming regels worden gegeven. Deze regels betreffen in elk geval regels omtrent het gebruik van de grond en van de zich daar bevindende bouwwerken. Deze regels kunnen tevens strekken ten behoeve van de uitvoerbaarheid van in het plan opgenomen bestemmingen, met dien verstande dat deze regels ten aanzien van woningbouwcategorieën uitsluitend betrekking hebben op percentages gerelateerd aan het plangebied.\n\n[…]\n\nBestemmingsplan “Bedrijventerrein Kapelbeemd Acht 2007”\n\nArtikel 3 Bedrijfsdoeleinden I\n\n3.1. Bestemmingsomschrijving\n\nDe op de plankaart voor bedrijfsdoeleinden I aangewezen gronden zijn bestemd voor:\n\na. bedrijven behorende tot de categorieën 3 en 4 zoals genoemd in de \"lijst van\n\nbedrijfsactiviteiten\" met uitzondering van geluidszoneringsplichtige inrichtingen en met\n\ninbegrip van risicovolle inrichtingen, uitsluitend voorzover bestaand;\n\nb. bedrijven behorende tot de categorieën 1, 2 en 5, uitsluitend voorzover bestaand;\n\nc. kantooractiviteiten voorzover ondergeschikt aan de bedrijven vermeld onder a en b;\n\nd. productiegebonden detailhandel deel uitmakende van bedrijven vermeld onder a en b,, met uitzondering van detailhandel in voedings – en genotmiddelen;\n\nmet de daarbijbehorende:\n\ne. tuinen, erven en terreinen;\n\nf. parkeervoorzieningen;\n\ng. groenvoorzieningen;\n\nh. wegen, straten en paden;\n\ni. water;\n\nj. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;\n\nk. voorzieningen van openbaar nut.\n\n[…]\n\n3.4. Gebruiksvoorschriften\n\n3.4.1.. \n\nGebruiksverbod\n\nHet is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met deze bestemming.3.4.2.. \n\nStrijdig gebruik\n\nTot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals vermeld in lid 3.4.1 wordt in ieder geval gerekend:\n\na. het gebruik van bedrijfsgebouwen voor bewoning;\n\nb. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel, anders dan\n\nvermeld in lid 3.1 sub d;\n\nc. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting.3.4.3.. \n\nVrijstellingsbevoegdheid\n\nBurgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het bepaalde in lid 3.4.1, en:\n\na. tevens bedrijven toestaan, die niet voorkomen in de \"lijst van bedrijfsactiviteiten\" of op\n\ngrond van deze lijst jo. deze voorschriften niet zijn toegestaan doch die naar de aard en de\n\ninvloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met bedrijven die zijn genoemd in \"lijst van\n\nbedrijfsactiviteiten\" onder de categorieën 3 en 4;\n\nb. risicovolle inrichtingen toestaan, mits de PR10 contour van die inrichting valt binnen\n\nde eigen perceelsgrens.3.4.4.. \n\nVrijstelling voor meest doelmatig gebruik\n\nBurgemeester en wethouders verlenen vrijstelling van het bepaalde in lid 3.4.1 indien strikte\n\ntoepassing daarvan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, welke\n\nbeperking niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.\n\n3.5. Procedurebepaling\n\nBij het nemen van een beslissing omtrent vrijstelling als vermeld in lid 3.4.3 nemen burgemeester en wethouders de volgende regels in acht:\n\na. het ontwerp-besluit ligt, met bijbehorende stukken, gedurende twee weken ter inzage;\n\nb. van de ter inzage legging wordt tevoren in één of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen,\n\nof op een andere geschikte wijze kennisgegeven;\n\nc. de kennisgeving houdt mededeling in van de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen;\n\nd. gedurende de onder a genoemde termijn kunnen belanghebbenden bij het college van\n\nburgemeester en wethouders zienswijzen indienen tegen het ontwerp-besluit.\n\n3.6. Strafbepaling\n\nOvertreding van het bepaalde in lid 3.4.1 wordt aangemerkt als een strafbaar feit in de zin van artikel 1a, onder 2 van de Wet op de economische delicten.\n\nToelichting op bestemmingsplan “Bedrijventerrein Kapelbeemd Acht 2007”\n\nBestemming “Bedrijfsdoeleinden I ” (artikel 3)\n\nDeze bestemming is toegekend aan de gronden in het plangebied waar bedrijven zijn toegestaan in de milieucategorie 3 en 4 als bedoeld in de bij deze voorschriften behorende “Lijst van bedrijfsactiviteiten”. Deze lijst is gebaseerd op de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering”. Bedrijven in de overige categorieën zijn alleen toegestaan voorzover het gaat om bestaande bedrijven. Er kan vrijstelling worden verleend ten behoeve van bedrijven die niet voorkomen op de “Lijst van bedrijfsactiviteiten” doch die naar de aard en de invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met bedrijven die wel zijn genoemd. Bedrijven die ingevolge de Wet geluidhinder geluidszoneringsplichtig zijn, zijn uitgesloten. Ten aanzien van risicovolle bedrijven geldt dat bestaande risicovolle bedrijven zijn toegestaan, nieuwe risicovolle bedrijven zijn middels vrijstelling toegelaten.\n\n Zie bijvoorbeeld de Afdeling, 24 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2440.\n\n ECLI:NL:RVS:2020:520\n\n Zie bijvoorbeeld de Afdeling, 15 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1020, onder 11.6.\n\n p. 28, p. 36 en p. 44-45 van de Bedrijventerreinnota.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2023:3092","2023-06-23T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:37.080Z",{"id":109,"ecli":110,"slug":111,"caseNumber":43,"courtId":112,"decisionDate":113,"fullText":114,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":115,"sourceTimestamp":116,"parsedAt":50,"updatedAt":117},"539","ECLI:NL:RBMNE:2023:2552","ecli-nl-rbmne-2023-2552",63,"2023-06-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: UTR 21\u002F3971\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juni 2023 in de zaak tussen\n \n [eiseres] B.V., uit [vestigingsplaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. T.A.M. van Oosterhout),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. B. Eising)\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: [A] h.o.d.n. [derde-partij]\n\n(gemachtigde: mr. S.H. van den Ende).\n\nPartijen worden hierna aangeduid als: de [eiseres] , het college en [derde-partij] .\n\nInleiding\n\n1. Deze zaak gaat over de afwijzing van het verzoek van de [eiseres] om handhavend op te treden tegen de vergunningvoorwaarden bij de omgevingsvergunning die aan [derde-partij] is verleend.\n\n2. De [eiseres] is gevestigd op het perceel [adres 1] in [vestigingsplaats] . [derde-partij] exploiteert in het pand op het perceel [adres 2] het [derde-partij] . In 2015 is aan [derde-partij] een omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen van een sporthal en fysiotherapiepraktijk en het realiseren van een bovenwoning met dakterras op dit perceel. De [eiseres] is opgekomen tegen de omgevingsvergunning omdat zij zorgen heeft over de parkeersituatie. De twee percelen hebben allebei een onbebouwd gedeelte. Op het onbebouwde deel van het perceel van de [eiseres] wordt geparkeerd door medewerkers en patiënten. Dit deel van het perceel grens aan het onbebouwde deel van het perceel van [derde-partij] , dat ook voor parkeren wordt gebruikt. Dat betekent dat zowel op het perceel van de [eiseres] als op het perceel van [derde-partij] parkeerplaatsen zijn. Om die parkeerplaatsen (aan beide kanten) te bereiken moet een auto over de middenstrook rijden. In het midden van die middenstrook bevindt zich de perceelsgrens. Het college heeft aan de omgevingsvergunning twee voorwaarden verbonden met betrekking tot het parkeren. Met de uitspraak van 30 maart 2020 heeft deze rechtbank uitspraak gedaan op het beroep van de [eiseres] tegen deze omgevingsvergunning.\n\n3. De [eiseres] heeft het college op 8 september 2020 verzocht om handhavend op te treden tegen [derde-partij] vanwege overtreding van de vergunningvoorwaarden. Het college heeft dit verzoek beoordeeld en is tot de conclusie gekomen dat geen sprake is van een overtreding van de vergunningvoorwaarden. De afwijzing van het handhavingsverzoek is met de beslissing op bezwaar van 13 augustus 2021 in stand gebleven. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van de [eiseres] tegen deze beslissing op bezwaar (hierna: het bestreden besluit).\n\n4. Voordat de rechtbank het beroep inhoudelijk zal beoordelen, zal zij het procesverloop in beroep schetsen, wat uitgebreider ingaan op de voorgeschiedenis en de vorige uitspraak van de rechtbank.\n\nProcesverloop in beroep\n\n5. De [eiseres] heeft op 21 september 2021 beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 13 augustus 2021 en op 1 november 2021 de gronden ingediend. [derde-partij] heeft een korte schriftelijke reactie gegeven op het beroepschrift. De [eiseres] heeft nog een nader stuk met daarbij opnames van een rijproef toegestuurd.\n\n6. De rechtbank heeft het beroep op 22 november 2022 op zitting behandeld. Namens de [eiseres] zijn [B] en [C] verschenen, bijgestaan door gemachtigde mr. T.A.M. van Oosterhout. De gemachtigde van het college is verschenen. Namens [derde-partij] heeft [A] deelgenomen aan de zitting, bijgestaan door mr. S.H. van den Ende.\n\n7. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen te onderzoeken of hun conflict door middel van mediaton kan worden opgelost. Er heeft een verkennend gesprek met een mediator plaatsgevonden, maar de mediator heeft daaruit geconcludeerd dat een mediationgesprek onvoldoende perspectief biedt om tot een gezamenlijke oplossing te komen. De mediator heeft opgemerkt dat wellicht een gesprek met de gemeente nog openingen kan bieden. [derde-partij] heeft aan de [eiseres] kenbaar gemaakt dit niet op voorhand af te wijzen, maar hier pas voor open te staan nadat uitspraak is gedaan op dit beroep.\n\n8. Met toestemming van partijen is geen nadere zitting gehouden. De rechtbank heeft het onderzoek op 20 april 2023 gesloten.\n\nEerdere procedures\n\n9. Partijen zijn al lang in conflict met elkaar over de parkeersituatie op de percelen. Het is begonnen in 2015 toen aan [derde-partij] een omgevingsvergunning is verleend voor het verbouwen van een sporthal en fysiotherapiepraktijk en het realiseren van een bovenwoning met dakterras op het perceel [adres 2] . Voor die tijd was dit perceel niet in gebruik waardoor de beschikbare ruimte ook gebruikt kon worden door de [eiseres] . Tegen de verleende omgevingsvergunning heeft de [eiseres] bezwaar en beroep ingesteld. Met de uitspraak van 6 maart 2018 vernietigde deze rechtbank de beslissing op bezwaar, waarmee de omgevingsvergunning in stand was gebleven, en kreeg het college de opdracht opnieuw op het bezwaar te beslissen.\n\n10. Met een nieuwe beslissing op bezwaar handhaafde het college de omgevingsvergunning, onder aanvulling van de motivering en met toevoeging van twee aanvullende voorwaarden. Het daartegen ingediende beroep van de [eiseres] is met de uitspraak van 6 maart 2020 gegrond verklaard, omdat deze rechtbank vond dat een deel van voorwaarde 2 vaag was geformuleerd en daardoor rechtsonzeker was. De rechtbank heeft zelf in de zaak voorzien en voorwaarde 2 gelet op het belang dat het college voor ogen stond bij het opleggen van deze voorwaarde gewijzigd vastgesteld. Voorwaarde 1 is ongewijzigd in stand gebleven. Verder oordeelde de rechtbank dat het college de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n11. De rechtbank beoordeelt in deze zaak of het college het handhavingsverzoek van de [eiseres] terecht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van de [eiseres] . De rechtbank zal eerst de formele beroepsgrond beoordelen en daarna de inhoudelijke beroepsgronden.\n\nHeeft het college op alle bezwaargronden beslist?\n\n12. De [eiseres] voert aan dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd, omdat het college niet op alle bezwaargronden is ingegaan. Zo is het college niet ingegaan op de bezwaargrond dat het handhavingsverzoek niet alleen zag op een overtreding van de vergunningvoorschriften, maar ook een overtreding van het bestemmingsplan. Ook is het college niet ingegaan de bevindingen van de rijproef dat de middenstrook tussen de parkeerplaatsen op beide percelen vrij moet worden gehouden en de paaltjes en belijning dus strak tegen de parkeervakken geplaatst moeten worden om zonder problemen te kunnen in- en uitparkeren.\n\n13. De rechtbank stelt vast dat de bezwaren in het bestreden besluit samengevat staan weergegeven. Bij de beoordeling staat vermeld dat geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat het plaatsen van paaltjes bij de parkeerplaatsen door [derde-partij] tot gevolg heeft dat de [eiseres] niet overeenkomstig de in het bestemmingsplan opgenomen (maatschappelijke) bestemming kan worden gebruikt. Omdat op deze bezwaargrond is ingegaan, bestaat geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Dat verder niet op alle bezwaren afzonderlijk is ingegaan, geeft de rechtbank ook geen reden om te oordelen dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Het is de rechtbank niet gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de heroverweging zijn betrokken.\n\nHandhavingsverzoek\n\n14. De [eiseres] heeft verzocht om handhavend op te treden tegen het overtreding van de vergunningvoorwaarde 1, omdat [derde-partij] belemmert dat de parkeerplaatsen van de [eiseres] goed bereikbaar zijn en gebruikt kunnen worden. [derde-partij] heeft paaltjes geplaatst voor de parkeerplaatsen op zijn perceel, terwijl volgens de [eiseres] de middenstrook volledig vrij moet blijven. Ook vindt de [eiseres] dat het college erop moet toezien dat zij op juiste wijze invulling kan geven aan de bestemming die op het perceel rust.\n\nVergunningvoorwaarden\n\n15. Vergunningvoorwaarde 1 bepaalt dat vergunninghouder verplicht is om de negen parkeerplaatsen die zijn vereist om aan de parkeerbehoefte te voldoen, uiterlijk binnen drie maanden na dagtekening van dit besluit te hebben gerealiseerd. Tevens is hij verplicht om de negen parkeerplaatsen vervolgens beschikbaar, bruikbaar en bereikbaar te houden ten behoeve van het gebruik van het pand aan de [adres 2] . Het is vergunninghouder toegestaan om deze parkeerplaatsen op eigen terrein beschikbaar te houden met behulp van een verwijderbare ketting of opklapbaar hekje per parkeerplek met inachtneming van het in voorwaarde 2 gestelde.\n\n16. Vergunningvoorwaarde 2, zoals door de rechtbank vastgesteld, luidt als volgt: Het plaatsen van een hekwerk of andersoortige erfafscheiding door [derde-partij] op de perceelsgrens wordt niet toegestaan.\n\nMiddenstrook\n\n17. De [eiseres] betoogt dat [derde-partij] de vergunningvoorwaarden heeft overtreden. Door het plaatsen van paaltjes en het aanbrengen van belijning zijn hun eigen parkeerplaatsen praktisch onbereikbaar en ontoegankelijk. De [eiseres] wijst erop dat de middenstrook tussen de parkeerplaatsen op beide percelen vrij moet worden gehouden om zonder problemen te kunnen in- en uitparkeren. Dit blijkt klip en klaar uit de rijproef die heeft plaatsgevonden. Volgens de [eiseres] heeft de rechtbank in de vorige procedure de uitdrukkelijke aanwijzing gegeven dat het vrijhouden van de middenstrook de enige oplossing is van het conflict. Het college is hiervan ook op de hoogte.\n\n18. Naar aanleiding van het handhavingsverzoek heeft een inspecteur van het college in september 2020 twee controles op het perceel uitgevoerd. Daarbij zijn foto’s gemaakt van de situatie ter plaatse. Op de foto’s is te zien dat een erfafscheiding is geplaatst die bestaat uit losstaande paaltjes die door middel van een koord met elkaar verbonden zijn. Het college is van mening dat deze erfafscheiding, die niet op de perceelsgrens is geplaatst, niet in strijd is met de vergunningvoorschriften. In vergunningvoorwaarde 2 is geen specifieke afstand opgenomen waarbinnen het [derde-partij] niet is toegestaan de erfafscheiding te plaatsen.\n\n19. Het college heeft alleen bij een overtreding van een wettelijk voorschrift de bevoegdheid om handhavend op te treden. De rechtbank moet de vraag beantwoorden of het niet volledig vrijhouden van de middenstrook tussen de haakse parkeerplaatsen op beide percelen strijd oplevert met de vergunningvoorwaarden. De rechtbank oordeelt dat dit niet het geval is. Daartoe overweegt zij dat in de vergunningvoorwaarden niet expliciet is bepaald dat de middenstrook volledig vrij gehouden moet worden. Dat volgens de [eiseres] in de vorige procedure door de rechtbank het advies is gegeven om de middenstrook vrij te houden, laat onverlet dat bij de vraag of sprake is van een overtreding gekeken moet worden naar de vergunningvoorwaarden. De [eiseres] is niet in hoger beroep gegaan tegen de eerdere uitspraak van de rechtbank, waardoor de omgevingsvergunning met de voorwaarde 1 en de (gewijzigde) voorwaarde 2 in rechte is vast komen te staan en als uitgangspunt geldt in deze handhavingszaak. De inhoud van de vergunningvoorwaarden kan niet meer in deze procedure aan de orde gesteld worden.\n\n20. Op grond van vergunningvoorwaarde 1 mag [derde-partij] de parkeerplaatsen op het eigen perceel beschikbaar houden met behulp van een verwijderbare ketting als voorwaarde 2 in acht wordt genomen. De vergunningvoorwaarden 1 en 2 moeten in samenhang gelezen worden. Vergunningvoorwaarde 2 staat het niet toe dat een erfafscheiding op de perceelsgrens wordt geplaatst. In het bestreden besluit is uiteengezet dat [derde-partij] de paaltjes niet op de perceelsgrens heeft geplaatst, maar op enige afstand. De [eiseres] heeft gesteld dat belijning niet overeenkomst met de perceelsgrens, maar dat deze grens vóór de belijning ligt. Op basis hiervan kan vastgesteld worden dat de paaltjes met koorden niet op de perceelsgrens staan. Verder is van belang dat de paaltjes geen permanent karakter hebben en eenvoudig te verplaatsen zijn. Op basis van de dossierstukken en wat op zitting is besproken kan de rechtbank niet vaststellen dat met het plaatsen van de paaltjes sprake is van een overtreding van de vergunningvoorwaarden. Het beschikbaar, bruikbaar en bereikbaar houden van parkeerplaatsen, zoals in voorwaarde 1 staat, heeft betrekking op de parkeerplaatsen van [derde-partij] . De handelwijze van [derde-partij] maakt niet dat hier niet aan voldaan wordt. De rechtbank ziet ook het belang van een goede bereikbaarheid van de parkeerplaatsen van de [eiseres] , maar dat kan geen reden zijn om te oordelen dat [derde-partij] de vergunningvoorwaarden heeft overtreden.\n\nReclamebord\n\n21. De [eiseres] brengt ook naar voren dat het bij de toegang van de inrit geplaatste reclamebord een onnodige belemmering vormt. Het reclamebord staat op het perceel van [derde-partij] . De rechtbank is het met het college eens dat dit bord niet tot gevolg heeft dat de parkeerplaatsen van [derde-partij] niet beschikbaar, bruikbaar en bereikbaar zijn. Naar het oordeel van de rechtbank levert het reclamebord geen strijd met de vergunningvoorwaarden op.\n\nBestemmingsplan\n\n22. Volgens de [eiseres] wordt een inbreuk gemaakt op het bestemmingsplan. Omdat [derde-partij] het goed in-en uitrijden belemmert komt de spoedeisende zorg in gevaar.\n\n23. Het perceel van de [eiseres] heeft in het geldende bestemmingsplan de bestemming “Maatschappelijk”. Op deze bestemming en de bestemming “Sport” zoals dat op het perceel van [derde-partij] geldt, zijn ook parkeervoorzieningen toegestaan. Dat de huidige parkeersituatie door de [eiseres] als een probleem wordt ervaren, betekent niet dat dat perceel niet meer voor de maatschappelijke bestemming gebruikt kan worden. Van een overtreding van het bestemmingsplan door [derde-partij] is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.\n\nAlternatieven\n\n24. De [eiseres] wijst erop dat er alternatieven voorhanden zijn waardoor alle parkeerplaatsen toegankelijk zijn, zoals het plaatsen van beugels of boorden voor de parkeerplaatsen van [derde-partij] . De rechtbank overweegt dat dit geen rol kan spelen bij de vraag die in deze zaak ter beoordeling voorligt. Dat laat onverlet dat een aanpassing van de huidige parkeersituatie een oplossing kan bieden voor de door de [eiseres] ervaren problemen. De rechtbank merkt in dit verband op dat zowel de [eiseres] als [derde-partij] kunnen onderzoeken wat zij zelf kunnen doen om tot een oplossing te komen. Zij zijn immers als eigenaren van de percelen gelijkwaardige partijen van elkaar.\n\nCollege is niet vooringenomen\n\n25. De [eiseres] meent dat het college vooringenomen is geweest, omdat bij de besluitvorming geen rekening is gehouden met de belangen van de [eiseres] . De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om te oordelen dat het college vooringenomen is geweest is bij de beoordeling van het handhavingsverzoek. Naar aanleiding van dit verzoek hebben controles plaatsgevonden en op basis daarvan is het handhavingsverzoek beoordeeld. De besluitvorming geeft ook geen blijk van vooringenomenheid.\n\nConclusie en gevolgen\n\n26. De conclusie van de rechtbank is dat het college terecht heeft geconstateerd dat geen sprake is van een overtreding en dat hij daarom niet bevoegd is om handhavend op te treden. Het handhavingsverzoek is terecht afgewezen.\n\n27. Het beroep is ongegrond. De [eiseres] krijgt geen gelijk. Dit betekent dat de afwijzing van het handhavingsverzoek in stand blijft.\n\n28. De [eiseres] krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es-de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. S.C.J. van der Hoorn, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2023.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n ECLI:NL:RBMNE:2020:1260.\n\n ECLI:NL:RBMNE:2018:900.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2023:2552","2023-05-30T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:35.774Z",{"id":119,"ecli":120,"slug":121,"caseNumber":43,"courtId":93,"decisionDate":122,"fullText":123,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":124,"sourceTimestamp":125,"parsedAt":50,"updatedAt":126},"511","ECLI:NL:RBAMS:2023:3008","ecli-nl-rbams-2023-3008","2023-04-19T00:00:00.000Z","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: AMS 23\u002F1268 (voorlopige voorziening) en AMS 23\u002F914 (beroep)\n\nuitspraak van de voorzieningenrechter van 19 april 2023 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen\n [eiseres] , uit Amsterdam, eiseres en verzoekster, hierna: eiseres,\n\n(gemachtigde: mr. J. de Vet),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam(het college)\n\n(gemachtigde: mr. D. de Vries).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de voorlopige voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van eiseres tegen het besluit waarmee haar bewonersvergunning om te parkeren op de openbare weg heeft ingetrokken. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van eiseres daartegen. Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\n1.1.. Met het besluit van 17 mei 2022 heeft het college de bewonersvergunning voor het kenteken [kenteken] van eiseres ingetrokken per 1 mei 2023.\n\n1.2.. Met het bestreden besluit van 5 januari 2023 op het bezwaar van eiseres is het college bij dat besluit gebleven.\n\n1.3.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 24 maart 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n2. Op 24 april 2020 heeft eiseres een aanvraag gedaan voor een parkeervergunning voor bewoners. Zij heeft bij haar aanvraag aangegeven dat zij een eigen stallingsplaats heeft, maar angst heeft om daar te parkeren. Eiseres heeft ook een verklaring van haar huisarts overgelegd. Vervolgens is met een besluit van 24 juni 2020 een parkeervergunning aan eiseres verleend. Deze vergunning werd door het college steeds stilzwijgend met zes maanden verlengd.\n\n3. Het college heeft de parkeervergunning van eiseres ingetrokken, omdat uit een controle is gebleken dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden voor een bewonersvergunning zoals neergelegd in de Parkeerverordening 2013 (Parkeerverordening). Op grond van de Parkeerverordening kan een bewonersvergunning worden verleend aan de bewoner van een adres die niet beschikt of kan beschikken over een stallingsplaats. Volgens de beschikbare informatie van het college kan eiseres gebruik maken van een eigen parkeergelegenheid. Eiseres heeft niet aangetoond dat zij hiervan geen gebruik kan maken. Daarom is besloten om de parkeervergunning per 1 mei 2023 in te trekken. Volgens het college leidt de toepassing van de Parkeerverordening in het geval van eiseres niet tot bijzondere hardheid, zodat er geen aanleiding is om ten gunste van eiseres een uitzondering te maken op de regels.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n4. De voorzieningenrechter verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n5.1.. Eiseres heeft aangevoerd dat de vergunning in redelijkheid niet kon worden ingetrokken. Eiseres meent dat haar op grond van haar medische situatie een parkeervergunning is verleend en doet een beroep op het vertrouwensbeginsel. Op grond van de eerder aan haar verleende vergunning mag eiseres het vertrouwen ontlenen dat haar medische situatie voldoende grond is om aan haar met toepassing van de hardheidsclausule een parkeervergunning te verlenen.\n\n5.2.. De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat eiseres erkent dat zij kan beschikken over een eigen stallingsplaats. Eiseres voldoet om die reden niet aan de in de Parkeerverordening neergelegde voorwaarden om in aanmerking te komen voor een parkeervergunning. Eiseres betoogt dat zij feitelijk geen gebruik kan maken van de bij haar woning horende parkeergarage omdat zij een grote angst heeft om alleen in een parkeergarage te verblijven. Eiseres heeft haar beroep op medische omstandigheden onderbouwd met een behandelplan van 10 maart 2023 van Psycholoog Nederland en een verklaring van haar huisarts, [naam] . De huisarts heeft verklaard dat eiseres is doorverwezen voor een vermoeden van een angst- en paniekstoornis en dat zij angstig is in parkeergarages. Uit het behandelplan blijkt dat een traject is opgestart om eiseres te helpen haar angsten te overwinnen. Deze stukken brengen de voorzieningenrechter niet tot een ander oordeel. Gelet op de schaarste aan parkeerruimte in de openbare ruimte, moet bij de beoordeling van de vraag of eiseres over een stallingsplaats beschikt of kan beschikken, uitgegaan worden van een ruime interpretatie. Bij deze beoordeling komt de omstandigheid dat er voor eiseres mogelijk medische belemmeringen zijn om in de parkeergarage te parkeren in beginsel voor haar risico. Het college was daarom – gelet op artikel 37, eerste lid, aanhef en onder c, van de Parkeerverordening – gehouden de verleende parkeervergunning in te trekken.\n\n5.3.. Ten aanzien van het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel, overweegt de voorzieningenrechter dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel nodig is dat aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend.De voorzieningenrechter is van oordeel dat eiseres er op basis van opeenvolgende, stilzwijgende, verlengingen niet op mocht vertrouwen dat zij ook in de toekomst steeds over de bewonersvergunning kon blijven beschikken. Het college heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de vergunning destijds ten onrechte is verleend en heeft toegelicht dat, als aan eiseres met toepassing van de hardheidsclausule een bewonersvergunning was verleend, dit uit de motivering van het besluit van 24 juni 2020 zou blijken. De voorzieningenrechter is met het college eens dat uit het toekenningsbesluit niet kan worden opgemaakt dat het college de hardheidsclausule heeft toegepast. Daarbij strekt het vertrouwensbeginsel niet zo ver dat een bestuursorgaan gehouden is fouten in zijn besluitvorming te laten voortduren. Voor zover de brief van 24 juni 2020, waarbij de bewonersvergunning aan eiseres is verleend, al zou moeten worden aangemerkt als een concrete toezegging dat zij in aanmerking komt voor een bewonersvergunning en deze toezegging is gedaan door een bevoegd persoon, had deze toezegging slechts een beperkte geldigheidsduur, te weten voor de duur van vier maanden, zoals is vermeld in deze brief.Gelet op het voorgaande, volgt de voorzieningenrechter eiseres evenmin in haar betoog dat sprake is van strijd met de rechtszekerheid omdat het college terugkomt op haar eerdere beslissing tot toepassing van de hardheidsclausule.\n\n6. De voorzieningenrechter begrijpt verder uit het betoog van eiseres dat zij een beroep doet op de hardheidsclausule, als bedoeld in artikel 40 van de Parkeerverordening. Bij de toepassing van de hardheidsclausule komt het college beoordelings- en beleidsvrijheid toe. De voorzieningenrechter dient dit daarom terughoudend te toetsen. Het college heeft in het bestreden besluit gemotiveerd de hardheidsclausule slechts in uitzonderlijke gevallen wordt toegepast. Ter zitting heeft de gemachtigde van het college in dit verband aangevoerd dat het moet gaan om schrijnende gevallen, zoals bijvoorbeeld gevallen waarbij betrokkenen levensbedreigend ziek zijn. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college zich op het standpunt mogen stellen dat van een dergelijk schrijnende situatie in het geval van eiseres geen sprake is.\n\n7. Op zitting heeft eiseres naar voren gebracht dat het behandeltraject medio april 2023 zal aanvangen en dat eiseres naar verwachting 12 sessies met een psycholoog nodig heeft. De behandeling zal in totaal ongeveer drie maanden duren. Het college heeft hierop op zitting verklaard geen bezwaar te hebben tegen het verlengen van de vergunning voor de duur van zes maanden, zodat eiseres dit traject kan doorlopen. Op het betoog van de gemachtigde van eiseres dat eiseres het traject in alle tijd en rust moet kunnen doorlopen, heeft het college verklaard ook bereid te zijn om de bewonersvergunning voor de duur van één jaar te verlengen, maar dat een langere termijn niet geboden zal worden.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het voorgaande leidt de voorzieningenrechter tot de slotsom dat het beroep ongegrond is. Dit betekent dat eiseres niet in het gelijk wordt gesteld. De voorzieningenrechter ziet echter gelet op de verklaring van het college zoals weergegeven in rechtsoverweging 7, wel aanleiding om op grond van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb te bepalen dat eiseres moet worden behandeld als ware zij in het bezit van de bewonersparkeervergunning.\n\n9. Omdat de voorzieningenrechter al heeft beslist op het beroep, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.\n\n10. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiseres het griffierecht niet terug. Eiseres krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten, omdat niet is gebleken van een aan het college te wijten onrechtmatigheid.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\nIn de zaak met procedurenummer AMS 23\u002F914:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat het college eiseres vanaf 1 mei 2023 tot 1 mei 2024 behandelt als ware zij in het bezit van een bewonersvergunning voor het kenteken [kenteken] .\n\nIn de zaak met procedurenummer AMS 23\u002F1268:\n\n- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.D. Pielaat, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 april 2023.\n\nde griffier is verhinderd deze uitspraak\n\nte ondertekenen\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2601.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 juli 2016,\n\nECLI:NL:RVS:2016:1960.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2023:3008","2023-05-10T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:34.102Z",{"id":128,"ecli":129,"slug":130,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":131,"fullText":132,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":133,"sourceTimestamp":134,"parsedAt":50,"updatedAt":135},"512","ECLI:NL:RBDHA:2023:5406","ecli-nl-rbdha-2023-5406","2023-04-13T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SGR 22\u002F2775\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 april 2023 in de zaak tussen\n [eiseres], uit [woonplaats], eiseres\n\nen\n\nDe Minister van Justitie en Veiligheid, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. D.E.S. Tomeij).\n\nProcesverloop\n\nMet het besluit van 12 november 2021 heeft verweerder het verzoek van eiseres om als tolk te worden ingeschreven in het Register beëdigde tolken en vertalers afgewezen.\n\nEiseres heeft bezwaar ingediend tegen dit besluit.\n\nMet het besluit van 18 maart 2022 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.\n\nEiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nVerweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 15 maart 2023 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van verweerder.\n\nOverwegingen\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n1. Eiseres heeft een verzoek tot inschrijving in het Register beëdigde tolken en vertalers (Rbtv) als tolk op B2-niveau Nederlands-Swahili en Nederlands-Kinyarwanda gedaan. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen omdat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden uit het Besluit.Zij is niet in het bezit van een getuigschrift waaruit blijkt dat zij met succes het examen heeft afgelegd ter afsluiting van een opleiding tot tolk. Ook heeft zij niet anderszins aannemelijk gemaakt dat inschrijving gerechtvaardigd is. Verweerder heeft overwogen dat eiseres onder andere niet aan de volgende (cumulatieve) eisen voldoet:\n\nTaalvaardigheid van het Swahili en het Kiryawanda op B2-niveau van het Europees Referentie Kader (ERK), Tolkvaardigheid en tolkattitude en Kennis van de cultuur van het land of gebied van de bron- en doeltaal.\n\nWat vindt eiseres?\n\n2. Eiseres stelt zich op het standpunt dat haar verzoek onterecht is afgewezen. Zij werkt al 18 jaar als tolk en vertaler voor verschillende instanties, waaronder de IND, politie en justitie en verschillende artsen en psychologen. Zij is geboren in Burundi, de hoofdtalen van dit land zijn Kinyarwanda, Swahili en Kirundi. Zij is opgegroeid met deze talen en spreekt die vloeiend. Eiseres voldoet dan ook wel aan de inschrijvingsvoorwaarden.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\n3. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres niet beschikt over een diploma van een tolkopleiding op minimaal bachelor niveau voor de gevraagde talencombinaties, zodat zij niet op grond van artikel 8, eerste lid, onder a, van het Besluit btv als tolk in het Rbtv kan worden ingeschreven.\n\nTaalvaardigheid in Swahili en Kiryanwanda op B2 niveau\n\n4. Eiseres kan alleen worden ingeschreven als tolk door op een andere manier aan te tonen dat zij voldoet aan de wettelijke competenties.Deze mogelijkheid is voor wat betreft niveau B2 uitgewerkt in artikel 4 van het Besluit inschrijving Rbtv. In dit artikel worden twee situaties genoemd waarin eiseres toch in aanmerking kan komen voor inschrijving in het Rbtv. De eerste situatie is dat eiseres kan aantonen te beschikken over een getuigschrift waaruit blijkt dat zij in de betreffende talencombinatie een tolktoets op B2-niveau, die voldoet aan het Kader voor tolktoetsen, met goed gevolg heeft afgelegd. Eiseres beschikt niet over het hier bedoelde getuigschrift. Zij kan dan ook niet op deze grond worden ingeschreven in het Rbtv.\n\n5. De tweede situatie is dat eiseres moet kunnen aantonen te voldoen aan de vijf cumulatieve voorwaarden genoemd in het Besluit inschrijving Rbtv.De rechtbank moet in dit het geval van eiseres beoordelen of de minister terecht heeft geoordeeld dat eiseres niet voldoet aan drie van die voorwaarden. Het gaat dan specifiek om de beheersing van de doeltalen, kennis van de cultuur van het land of gebied van de bron- en doeltaal en tolkvaardigheid en attitude.\n\n5.1.. Als eerste zal de rechtbank kijken naar de beheersing van de doeltalen, Swahili en Kinyarwanda. De rechtbank is het met verweerder eens dat onvoldoende, met objectieve stukken, kan worden aangetoond dat eiseres de talen op B2 niveau beheerst. In het Beoordelingskader tolk B2 is uitgewerkt hoe de beheersing van de doeltaal kan worden aangetoond. Dit kan allereerst als eiseres een diploma van een afgeronde opleiding waarin de vreemde taal de onderwijs taal was kan laten zien. Eiseres heeft meerdere diploma’s van in Burundi gevolgde en afgeronde opleidingen overhandigd. Hieruit blijkt echter niet in welke taal deze opleidingen zijn gevolgd. Zij heeft wel, ter onderbouwing, een verklaring van de ambassade van Burundi overhandigd. Uit deze verklaring blijkt dat de opleidingen in het Frans en Kirundi zijn gegeven. Eiseres heeft dus geen opleiding afgerond waarbij het onderwijs in het Kinyarwanda of het Swahili is gegeven.\n\n5.2.. De andere mogelijkheid die het uit het Beoordelingskader volgt is de situatie waarin tolkervaring is opgedaan over een aaneengesloten periode van 5 jaren in de tien jaar voorafgaand aan het verzoek. Deze tolkervaring moet minstens een omvang van 1.000 uren evenredig verdeeld over die vijf jaar hebben. Eiseres heeft meerdere overzichten van haar werkzaamheden als tolk (Nederlands-Kiryanwanda) voor Global Talk BV overlegd. Hieruit blijkt dat zij in de periode tussen 2016 en 2022 111:58 uur en 203:17 uur in het Kinyarwanda en 87,4 uur in het Swahili heeft getolkt. Daarnaast heeft zij bij Elicio een tolktoets afgenomen en een collega getoetst op de taalvaardigheid van Frans en Kinyarwanda. Eiseres heeft ook nog een GAAS overzicht overlegd met haar werkzaamheden over de afgelopen jaren. Dit overzicht is echter ongespecificeerd, er blijkt niet uit in welke taal de werkzaamheden zijn uitgevoerd. Eiseres kan dan ook niet met objectieve stukken aantonen dat zij minimaal 5 jaar relevante tolkwerkzaamheden heeft verricht in het Kinyarwanda of het Swahili. Naar het oordeel van de rechtbank kon verweerder haar verzoek tot inschrijving dan ook afwijzen.\n\n5.3.. De rechtbank wil eiseres er nog wel op wijzen dat verweerder op zitting heeft aangegeven dat zij nog een tolkvaardigheidstoets kan doen. Op dat moment is zij waarschijnlijk een stap dichter bij inschrijving in het register.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is ongegrond.\n\n7. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H.T. van Bruggen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 april 2023.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 4 en 8 van het Besluit inschrijving Register beëdigde tolken en vertalers (Besluit inschrijving Rbtv).\n\nartikel 8, eerste lid, onder b, van het Besluit inschrijving Rbtv.\n\n Artikel 4, aanhef en tweede lid, van het Besluit inschrijving Rbtv.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:5406","2023-04-17T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:34.139Z",{"id":137,"ecli":138,"slug":139,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":140,"fullText":141,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":142,"sourceTimestamp":143,"parsedAt":50,"updatedAt":144},"1477","ECLI:NL:RBDHA:2023:6823","ecli-nl-rbdha-2023-6823","2023-04-11T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SGR 21\u002F2507\n uitspraak van de meervoudige kamer van 11 april 2023 in de zaak tussen\n [eiser], uit [woonplaats], eiser\n\n(gemachtigde: mr. I.C. van Krimpen),\n\nen\n\nde minister van Justitie en Veiligheid, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. J.V. van Vegten en Y. Aitdaoud).\n\nProcesverloop\n\nIn het besluit van 19 februari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een meldplicht opgelegd voor de duur van zes maanden.\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nEiser heeft nadere stukken ingediend.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 24 november 2021 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens verweerder zijn mr. [naam 1] en mr. [naam 2] verschenen.\n\nDe rechtbank heeft het onderzoek op 7 december 2021 heropend.\n\nPartijen hebben nadere stukken ingediend.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 26 januari 2023 op zitting behandeld met een andere samenstelling van de meervoudige kamer. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden zoals hierboven vermeld.\n\nOverwegingen\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n1. Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding (Twbmt) kan de minister, indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid, aan een persoon die op grond van zijn gedragingen in verband kan worden gebracht met terroristische activiteiten of de ondersteuning daarvan, een maatregel opleggen, strekkende tot beperking van de vrijheid van beweging.\n\nIn artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a, van de Twbmt is bepaald dat een dergelijke maatregel kan bestaan uit een meldplicht.\n\n2. Verweerder heeft van deze bevoegdheid gebruik gemaakt en aan eiser een meldplicht opgelegd voor de duur van zes maanden. Eiser dient zich vanaf 22 februari 2021 tweemaal per week te melden op maandag en donderdag om 10:00 uur op het bureau van politie aan de Hoefkade in Den Haag. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser strafrechtelijk is veroordeeld voor het begaan van een terroristische misdrijf en daarnaast een actuele dreiging vormt voor de nationale veiligheid. Verweerder heeft zich gebaseerd op een bestuurlijke rapportage van de politieeenheid Den Haag van\n\n14 januari 2021. Uit deze rapportage blijkt volgens verweerder dat er concrete aanwijzingen zijn dat eiser op grond van zijn gedragingen (nog steeds) in verband kan worden gebracht met terroristische activiteiten dan wel de ondersteuning daarvan.\n\nWat vindt eiser?\n\n3. Eiser vindt dat verweerder de bestuurlijke rapportage ten onrechte geheim houdt. Hij wordt daardoor niet in de gelegenheid gesteld kennis te nemen van de aan het bestreden besluit onderliggende stukken. Hij kan daardoor onder meer niet nagaan of de bestuurlijke rapportage (mede) is gebaseerd op van de NCTV– en daarmee van verweerder – verkregen informatie. Indien dat het geval is, kan de bestuurlijke rapportage niet als deskundigenrapport worden aangemerkt. Door de geheimhouding is het voor eiser onmogelijk om zich te verweren en brengt dit eiser in een onevenredig nadelige positie. Eiser betwist verder dat het geheimhouden van de rapportage in het belang is van het voorkomen en opsporen van strafbare feiten. De feiten waarop het besluit voornamelijk is gebaseerd dateren namelijk van voor 2016. Ook wijst eiser erop dat persoonlijke informatie kan worden weggelakt.\n\nEiser betoogt verder dat verweerder ten onrechte feiten of gedragingen van voor 2017 aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd. De Twbmt is op 1 maart 2017 in werking getreden en bevat geen bepaling die het mogelijk maakt de wet met terugwerkende kracht toe te passen. Het bestreden besluit is dan ook in strijd met het legaliteitsbeginsel en\u002Fof artikel 7 van het EVRM. Eiser stelt daarbij dat de in het besluit genoemde feiten en gedragingen die van na maart 2017 dateren onvoldoende grondslag bieden om eiser in verband te kunnen brengen met terroristische activiteiten of de ondersteuning daarvan.\n\nOok als de feiten en gedragingen van voor 2017 wel mogen worden meegewogen, had verweerder de meldplicht niet mogen opleggen. Eiser stelt dat uit deze feiten en gedragingen, als deze al juist zijn, niet kan worden afgeleid dat hij een risico vormt voor de nationale veiligheid en dat de meldplicht noodzakelijk is ter bescherming daarvan.\n\nVolgens eiser handelt verweerder in strijd met het una via principe door hem een maatregel op te leggen op basis van dezelfde informatie die in de strafzaak beschikbaar was. Onder verwijzing naar de evaluatie van de Twbmtstelt eiser dat de maatregel niet is bedoeld als vervanging van bijzondere voorwaarden die opgelegd kunnen worden in het kader van het strafrecht. De visie van eiser is uitvoerig aan bod gekomen in de strafzaak en heeft niet geleid tot het opleggen van voorwaarden, zoals een meldplicht. Hij stelt verder dat er ook sprake is van detournement de pouvoir, omdat de meldplicht niet is opgelegd met het doel waarvoor het is bedoeld, namelijk de bescherming van de nationale veiligheid, maar als oneigenlijk verplichtend kader voor resocialisatie en re-integratie. Verweerder overweegt dat hij de meldplicht oplegt als middel om contact met eiser te kunnen opbouwen en zo verder inzicht te kunnen krijgen in zijn gedachtengoed. Maar uit diezelfde evaluatie blijkt dat dit in de praktijk niet werkt. Ook dit maakt dat de meldplicht niet noodzakelijk is voor de nationale veiligheid. Daardoor is de meldplicht ook disproportioneel. Eiser wordt gedwongen zich bij het politiebureau te melden, terwijl dit geen enkele toegevoegde waarde heeft. Er is daarom sprake van schending van het recht om vrij te bewegenen de artikelen 9 en 10 van het EVRM.\n\nProcesverloop\n\n4. Bij brief van 30 november 2021 heeft de gemachtigde van verweerder de rechtbank medegedeeld dat, anders dan ter zitting van 24 november 2021 is gesteld, informatie uit openbare bronnen in de jaren 2019 en daarvoor is gedeeld met de politie en andere ketenpartners in het kader van de analysetaak van de NCTV. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder contact gelegd met de politie om na te gaan of door de politie informatie is gebruikt die enkel afkomstig is van de NCTV vanuit de analysetaak ter onderbouwing van de meldplicht in deze zaak. In afwachting van deze informatie heeft de rechtbank besloten het onderzoek te heropenen.\n\n5. Verweerder heeft op 16 december 2021 medegedeeld dat de politie heeft laten weten dat alle informatie waarop de bestuurlijke rapportage is gebaseerd afkomstig is van verbalisanten die de informatie hebben vastgelegd in het politiesysteem (BVH). Er is geen informatie van de NCTV bij de bestuurlijke rapportage betrokken. In reactie daarop heeft eiser gesteld dat dit niet is na te gaan zonder inzage in de achterliggende stukken van de bestuurlijke rapportage. Zo is niet duidelijk welke informatie aan de rapportage ten grondslag is gelegd en of via het Veiligheidshuis informatie is gewisseld en op basis waarvan de politie de rapportage heeft opgesteld.\n\n6. De rechtbank heeft verweerder verzocht om de rechtbank inzage te geven in de achterliggende stukken van de rapportage. Verweerder heeft deze, met toepassing van artikel 8:29 van de Awb, overgelegd. Eiser heeft de rechtbank toestemming gegeven van deze stukken kennis te nemen.\n\n7. Eiser heeft zich daarna op het standpunt gesteld dat de rechtbank de geheimhoudingsbeslissing onvoldoende heeft gemotiveerd en heeft verzocht om heroverweging van deze beslissing. Zij heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 juli 2022.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\nDe geheime stukken\n\n8. De geheimhoudingsrechter heeft in deze zaak twee geheimhoudingsbeslissingen genomen. Eén ten behoeve van de bestuurlijke rapportage en één ten behoeve van de daarbij behorende achterliggende stukken. De rechtbank is in deze beslissingen van oordeel dat verweerder het beroep op artikel 8:29 van de Awb, gelet op het opsporingsbelang, voldoende heeft gemotiveerd.De geheimhoudingsbeslissingen zijn tussenbeslissingen, waarvan niet licht kan worden teruggekomen. In de door eiser genoemde uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 13 juli 2022 ziet de rechtbank daartoe ook geen aanleiding. In die zaak ging het om een verzoek om inzage in bestuurlijke rapportages op grond van de Wet politiegegevens (Wpg). De hoogste bestuursrechter heeft daarin geoordeeld dat de weigering om inzage te geven onvoldoende was gemotiveerd. In de hier voorliggende zaak gaat het echter niet om een verzoek om inzage op grond van de Wpg, maar om het opleggen van een meldplicht op grond van de Twbmt. De bestuurlijke rapportage en de achterliggende stukken zijn daarbij onder geheimhouding verstrekt als op de zaak betrekking hebbende stukken. Het door de hoogste bestuursrechter in genoemde zaak geconstateerde motiveringsgebrek ziet niet op de geheimhouding als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb.\n\n9. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en dat eiser door de geheimhouding van de stukken in zijn verdediging wordt geschaad. Het is vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechterdat de beperking ingevolge het eerste lid van artikel 8:29 van de Awb van het beginsel van openbaarheid en ‘equality of arms’ met zodanige waarborgen is omkleed dat het recht op een eerlijke procesvoering daardoor niet in zijn essentie wordt beperkt. De geheimhoudingsrechter heeft de verzoeken van verweerder om de bestuurlijke rapportage en de daarbij behorende achterliggende stukken geheim te houden ingewilligd, omdat gewichtige redenen zich tegen openbaarmaking verzetten. De gemachtigde van eiser heeft toestemming aan de rechtbank verleend om mede op grond van de geheime stukken uitspraak te doen. De rechtbank heeft daarop kennisgenomen van de geheime stukken.\n\n10. Wellicht ten overvloede wijst de rechtbank er nog op dat eiser de geheimhoudingsbeslissingen kan aanvechten bij het hoger beroep tegen deze einduitspraak.\n\nDe bestuurlijke rapportage\n\n11. De rechtbank stelt vast dat de bestuurlijke rapportage kan worden aangemerkt als een deskundigenbericht. Volgens vaste rechtspraakmag een bestuursorgaan op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten.\n\n12. De rechtbank stelt vast dat de weergave van de bestuurlijke rapportage in het bestreden besluit juist is. De bestuurlijke rapportage is voorts inzichtelijk en concludent. Wat betreft de rol van de NCTV bij de totstandkoming van de rapportage overweegt de rechtbank dat haar, na inzage in de geheime stukken, niet is gebleken dat de informatie in de bestuurlijke rapportage en de achterliggende stukken afkomstig is van de NCTV. Evenmin is gebleken dat het onderzoek van de politie op aandragen van de NCTV is gestart, bijvoorbeeld door bespreking in het Veiligheidshuis. In hetgeen eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van de bestuurlijke rapportage. Het kritische artikel in de NRCover de NCTV en een rapport van de WODCis onvoldoende om in dit geval tot een ander oordeel te komen. Verweerder heeft de bestuurlijke rapportage dan ook aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen.\n\nMocht verweerder aan eiser een meldplicht opleggen?\n\n13. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser op grond van zijn gedragingen in verband kan worden gebracht met terroristische activiteiten of de ondersteuning daarvan. Daarbij heeft verweerder allereerst betrokken dat eiser in 2015 is veroordeeld voor het begaan van terroristische misdrijven. Met het arrest van de Hoge Raad van 24 maart 2020 is dit vonnis onherroepelijk geworden. Eiser heeft voor deze strafbare feiten van 2 februari 2020 tot en met 28 september 2020 een gevangenisstraf ondergaan. Verder heeft verweerder gedragingen en uitlatingen van eiser ten tijde van de strafrechtelijke procedures en tijdens en na zijn detentie, bij de beoordeling betrokken. Zo heeft eiser verklaard dat hij nooit enig vertrouwen heeft gehad in de rechtspraak of rechters en dat hij vol woede zit richting politie en de overheid. Al zijn problemen zouden door politie en justitie zijn veroorzaakt. Tijdens zijn gevangenisstraf heeft eiser hulp, zoals agressietraining of psychologische hulp, geweigerd en wenste hij niet mee te werken aan afspraken met de reclassering of politie. Sinds zijn vrijlating mijdt eiser contact met de overheid en werkt hij niet tot nauwelijks mee aan de interventies die de gemeente Den Haag en het LSEbieden. Tijdens de spaarzame contactmomenten die er wel waren, heeft eiser zijn ongenoegen, boosheid en aversie tegen het ‘systeem’ geuit. Eiser heeft geen vertrouwen in het Nederlandse rechtssysteem en acht de Nederlandse wetten en sociale normen niet op hem van toepassing. Voor hem is er maar één rechter en dat is zijn Schepper. Eiser wantrouwt anderen van buiten zijn eigen (extremistische) netwerk, vooral professionals uit de publieke sector. Hij heeft een voorkeur voor het omgaan met ideologische verwanten en wenst geen relaties te hebben met mensen die buiten deze voorkeursgroep vallen.\n\n14. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder uit deze en andere concrete gedragingen, die in het bestreden besluit naar voren komen, en waarvan de juiste weergave door de informatie in de geheime stukken wordt ondersteund, mogen afleiden dat eiser zijn jihadistische gedachtegoed blijft uitdragen, hij aanzien en podium zou kunnen verwerven binnen het jihadistische netwerk in Nederland en dat hij zich laat beïnvloeden door aanhangers van het jihadistische gedachtegoed in Nederland. Verweerder heeft eiser dan ook in verband mogen brengen met terroristische activiteiten of de ondersteuning daarvan en het aannemelijk mogen achten dat eiser nog steeds een gevaar voor de nationale veiligheid vormt.\n\n15. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat het besluit in strijd is met het legaliteitsbeginsel als bedoeld in artikel 7 van het EVRM. Uit de wetsgeschiedenis van de Twbmtblijkt dat de maatregelen van de Twbmt de nationale veiligheid beogen te beschermen en moeten worden onderscheiden van de inzet van strafvorderlijke bevoegdheden, die als doel hebben de opsporing, vervolging en berechting van een strafbaar feit. Ook uit de rechtspraak blijkt dat de maatregelen op grond van de Twbmt niet kunnen worden gezien als een criminal charge, maar als preventieve bestuurlijke maatregelen.Dit betekent dat een beroep op artikel 7 van het EVRM niet kan slagen. Ook anderszins ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat informatie die dateert van voor de inwerkingtreding van de wet niet bij de besluitvorming mag worden betrokken. Dit blijkt namelijk noch uit de wettekst zelf noch uit de Memorie van Toelichting. Wel blijkt daaruit dat de informatie actueel moet zijn. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank, gelet op het samenstel van de betrokken gedragingen, sprake. De verwijzing van eiser naar de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 17 april 2019slaagt niet, omdat deze uitspraak is gebaseerd op een andere wet met een ander doel, een andere wetsgeschiedenis en, in vergelijking met de Twbmt, zeer verstrekkende gevolgen. Uit het voorgaande volgt dat verweerder ook de gedragingen van eiser van vóór 2017 bij de besluitvorming heeft mogen betrekken.\n\n16. Eiser heeft de in het bestreden besluit opgenomen gedragingen betwist en er deels een andere uitleg aan gegeven. Hierin ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van de conclusie van verweerder. Nergens blijkt uit dat eiser afstand heeft genomen van het jihadistische gedachtegoed. De verwijzing naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 oktober 2021maakt dat niet anders. Het enkele gegeven dat in die uitspraak staat vermeld dat eiser inmiddels wel begeleiding accepteert en dat zijn begeleider bij Coach’EmUp heeft verklaard dat er van eiser geen dreigende houding uitgaat, acht de rechtbank onvoldoende. In de uitspraak staat immers ook vermeld dat diezelfde begeleider heeft verklaard dat eiser star is in zijn opvattingen. Ten aanzien van de verklaring van Coach’EmUp die eiser op 25 januari 2023 heeft overgelegd, wordt overwogen dat deze verklaring niet is gedateerd. Bovendien biedt de verklaring onvoldoende inzicht in de instelling en het gedachtegoed van eiser ten aanzien van de periode tot en met het verstrijken van de opgelegde meldplicht.\n\n17. Ten aanzien van het betoog dat het bestreden besluit in strijd is met het ‘una via’-beginsel overweegt de rechtbank dat het bij de meldplicht gaat om een preventieve bestuurlijke maatregel die te onderscheiden is van het strafrecht, omdat het een ander doel dient. De maatregel dient ter bescherming van de nationale veiligheid tegen gevaar dat met het strafrecht niet kan worden weggenomen. Daarvoor is niet vereist dat er een aanwijzing of verdenking van een strafbaar feit is. De maatregel heeft een ander karakter en is daarmee te onderscheiden van het strafrecht.Dat eiser de meldplicht als een straf ervaart, doet daar niet aan af.\n\n18. Verweerder heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat het doel van de maatregelen van de Twbmt is gelegen in de bescherming van de nationale veiligheid en niet zozeer in deradicalisering of het opbouwen van een band. De meldplicht is er voor bedoeld om zicht te krijgen en te houden op betrokkene.Dat de meldplicht mede kan worden aangegrepen om in contact met betrokkene te komen en in dit contact kan worden geprobeerd deradicalisering te bevorderen, is daarvan een afgeleide. Dat uit de evaluatie van de Twbmt door de WODC zou blijken dat de meldplicht niet leidt tot deradicalisering, het opbouwen van een band en het inschatten van risico’s, wat daar ook van zij, maakt dan ook niet dat het opleggen van de meldplicht niet noodzakelijk kan worden geacht in het belang van de bescherming van de nationale veiligheid. De rechtbank vindt hiervoor ook steun in de Memorie van Toelichting waar ook is vermeld dat er een zekere preventieve werking uitgaat van de wetenschap voor betrokkene dat hij in de gaten wordt gehouden. Daardoor zal de betrokkene voor derden minder bruikbaar en interessant worden voor de inzet bij mogelijke terroristische activiteiten of ondersteuning daarvan.\n\n19. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de meldplicht evenmin onevenredig. De meldplicht bij de politie voor tweemaal per week gedurende zes maanden is beperkt in duur en in omvang. De omstandigheid dat eiser het melden bij de politie als belastend en als een verstoring van zijn werkindeling heeft ervaren en dat hij een slechte relatie met de agenten van het bureau Hoefkade onderhoudt, maakt dat niet anders. Van andere omstandigheden op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat de maatregel onevenredig is, is niet gebleken.\n\n20. Naar het oordeel van de rechtbank is de opgelegde meldplicht ook niet in strijd met artikel 9 en 10 van het EVRM. In deze artikelen wordt het recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst en het recht op vrijheid van meningsuiting gewaarborgd. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat niet valt in te zien dat deze rechten door de meldplicht worden beperkt. Zo heeft eiser niet gemotiveerd waarom hij door de meldplicht zijn geloof niet meer zou kunnen belijden of zijn mening niet meer zou kunnen uiten. Verweerder heeft er daarbij terecht op gewezen dat verweerder met het opleggen van een meldplicht aan eiser ook hoopt inzicht te krijgen in zijn gedachtengoed. Niet om deze te beperken, maar om een beeld te krijgen of en in welke mate de nationale veiligheid in gevaar is. Eiser wordt wel beperkt in zijn recht op bewegingsvrijheid als bedoeld in artikel 2 van het VP EVRM.Een dergelijke inbreuk moet bij wet zijn voorzien, een legitiem doel hebben, noodzakelijk en proportioneel zijn. Naar het oordeel van de rechtbank wordt hieraan voldaan. De inmenging is bij wet geregeld, namelijk de Twbmt en dient, zoals hiervoor al is overwogen, het legitieme doel van de nationale veiligheid. Daarnaast wordt de maatregel niet disproportioneel geacht. Ook blijkt uit hetgeen hiervoor is overwogen dat de opgelegde maatregel noodzakelijk is, nu de beperking wordt opgelegd in het belang van de bescherming van de nationale veiligheid. Verweerder heeft er daarbij terecht op gewezen dat de maatregel is gericht op het voorkomen van terroristische activiteiten en\u002Fof de ondersteuning daarvan. Verweerder heeft daarbij het belang van de nationale veiligheid zwaarder mogen laten wegen dan het belang van eiser om zich vrijelijk te kunnen verplaatsen. Verweerder heeft dan ook aan eiser een meldplicht mogen opleggen.\n\nConclusie\n\n21. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, voorzitter, en mr. R.H. Smits en mr. M.D. Gunster, leden, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 april 2023.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.\n\n Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid.\n\n Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.\n\n B. van Gestel, Evaluatie Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding, WODC Cahier 2020-2.\n\n Artikel 2 van het Vierde Protocol van het EVRM.\n\n Algemene wet bestuursrecht.\n\n ECLI:NL:RVS:2022:2007.\n\n Vergelijk ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:313, ro. 6.1.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:867.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1319.\n\n Artikel van de NRC van 9 april 2021, “Onmin en uitglijders bij de club die het land moet beschermen”, van A. Kouwenhoven, E. Rosenberg en R. van der Poel.\n\n Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum; B. van Gestel e.a., Bestuurlijke vrijheidsbeperking van jihadisten, WODC Cahiers 2019-4, p.9.\n\n Landelijk steunpunt Extremisme.\n\n Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 2015-2016, nr. 3, Hoofdstuk 4.\n\n ECLI:NL:RVS:2022:313, ECLI:NL:RVS:2018:1763, ECLI:NL:RBROT:2017:5500 en ECLI:NL:RBAMS:2018:7202.\n\n ECLI:NL:RVS:2019:990.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2021:11631.\n\n Zie ook MvT, Kamerstukken II 2015-2016, nr. 3, Hoofdstuk 2.6.\n\n MvT, Kamerstukken II 2015-2016, nr. 3, Hoofdstuk 2.3.\n\n Vierde Protocol bij het EVRM.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:6823","2023-05-11T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:22.906Z",{"id":146,"ecli":147,"slug":148,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":149,"fullText":150,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":151,"sourceTimestamp":152,"parsedAt":50,"updatedAt":153},"513","ECLI:NL:RBDHA:2023:3864","ecli-nl-rbdha-2023-3864","2023-03-22T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SGR 22\u002F1617\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 maart 2023 in de zaak tussen\n [eiser], uit [woonplaats], eiser\n\n(gemachtigde: mr. L. Nix),\n\nen\n\nde minister van Justitie en Veiligheid, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. D.E.S. Tomeij).\n\nProcesverloop\n\nBij besluiten van 28 januari 2022 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de verzoeken van eiser om inschrijving als vertaler en tolk afgewezen. Verweerder heeft het bezwaarschrift van eiser tegen deze besluiten op zijn verzoek doorgestuurd naar de rechtbank als rechtstreeks beroep.\n\nEiser heeft de rechtbank op een later moment gevraagd het beroep alsnog door te sturen als bezwaar naar verweerder. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 22 februari 2023 op zitting behandeld.\n\nEiser was aanwezig met zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n1. De inschrijvingen van eiser als vertaler en tolk Nederlands -> Arabisch (Standaard) en Arabisch (Standaard) -> Nederlands in het Register beëdigde tolken en vertalers (het Rbtv) zijn respectievelijk verlopen en doorgehaald. Eiser heeft verzocht om een hernieuwde inschrijving als vertaler en tolk. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiser volgens hem niet objectief heeft aangetoond aan alle voorwaarden te voldoen. Eiser is het hier niet mee eens.\n\nWat zijn de regels?\n\n2. De relevante regels staan in de bijlage. De bijlage hoort bij de uitspraak.\n\nWat vindt eiser in beroep?\n\n3. Eiser voert aan dat verweerder een te beperkte uitleg geeft aan het begrip “objectief” en ten onrechte voorbij gaat aan zijn ervaring. Hij heeft 15 jaar lang cursus gegeven, heeft meegewerkt en meegeschreven aan de regelgeving en vele opdrachten gedaan. Het oordeel dat hij niet zou hebben aangetoond te beschikken over taalvaardigheid van het Nederlands en het Arabisch op C1-niveau is, gelet op de stukken die hij heeft overgelegd, onbegrijpelijk. Zonder deze competenties had hij de opdrachten, waarover hij informatie heeft overgelegd, niet kunnen vervullen. Verder ontbreekt weliswaar het certificaat van het door hem afgelegde (her-)examen voor beëdiging als tolk\u002Fvertaler in de Arabische taal, maar de verklaring van de vakgroep Arabische en Islamitische Studiën zou voldoende informatie moeten opleveren over het afgelegde examen. Daarom staat vast dat hij in 1984 voldeed aan alle voorwaarden voor beëdiging als tolk\u002Fvertaler. Hij heeft dan ook voldaan aan het criterium dat hij anderszins kan aantonen te voldoen aan de wettelijke competenties.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\nDe inschrijving als vertaler\n\n4. Eiser beschikt niet over een diploma van een vertaalopleiding op minimaal bachelor niveau. Verweerder heeft daarom beoordeeld of eiser kan worden ingeschreven op grond van een aantal andere voorwaarden, waaronder taalvaardigheid van de brontaal en doeltaal op ten minste C1-niveau, ten minste 420 uur scholing om vertaalvaardigheid en -attitude te ontwikkelen en ten minste vijf jaar werkervaring als beroepsvertaler in de betreffende vertaalrichting direct voorafgaand aan het verzoek tot inschrijving in het Rbtv, waarvan ten minste één jaar na afronding van de scholing.\n\n5. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het uitgangspunt is dat de taalbeheersing op het gewenste niveau door objectieve stukken moet worden aangetoond. Dit betekent dat de taalvaardigheid moet zijn getoetst op het vereiste niveau en dat die toetsing van de taalvaardigheid voor het aantonen van het gevraagde niveau door aangewezen deskundigen wordt verzorgd. De rechtbank vindt het niet onredelijk dat verweerder hieraan vasthoudt, ook al heeft eiser al eerder in het register ingeschreven gestaan. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser eerder was ingeschreven op basis van de ingetrokken Wet beëdigde tolken en vertalers van 1878 en een inmiddels vervallen overgangsregeling, waarvoor eiser destijds niet objectief heeft hoeven aantonen dat hij over de vereiste competenties voor inschrijving beschikt.\n\n6. Verweerder heeft terecht gesteld dat eiser niet objectief heeft aangetoond aan de vereiste voorwaarden te voldoen. Dat eiser 15 jaar lang cursus heeft gegeven, heeft meegewerkt en meegeschreven aan de regelgeving en vele opdrachten heeft gedaan, heeft verweerder onvoldoende objectief mogen vinden. De verklaring van de Universiteit van Amsterdam van 22 mei 1984 die eiser heeft overgelegd, waaruit blijkt wat zijn resultaten waren van een examen voor beëdiging als vertaler in 1982 en een herexamen in 1984, leidt niet tot de conclusie dat hij voldoet aan de voorwaarden van beheersing van de brontaal en de doeltaal op C1-niveau. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat hij met deze verklaring niet kan vaststellen dat het afgelegde examen voldoet aan de eisen die hij daaraan stelt voor wat betreft vertaaltoetsen en taalvaardigheidstoetsen. Eiser heeft ook niet met stukken onderbouwd dat hij voldoet aan de voorwaarde van 420 uur scholing in vertaalvaardigheid en vertaalattitude en aan de voorwaarde van ervaring als beroepsvertaler.\n\nDe inschrijving als tolk\n\n7. Eiser beschikt niet over een tolkopleiding op minimaal bachelor niveau. Verweerder heeft daarom beoordeeld of eiser kan worden ingeschreven op grond van een aantal andere voorwaarden, waaronder taalvaardigheid van de brontaal en doeltaal op ten minste C1-niveau en tolkvaardigheid en -attitude.\n\n8. Verweerder heeft terecht gesteld dat eiser niet objectief heeft aangetoond aan de vereiste voorwaarden te voldoen. Dat eiser 15 jaar lang cursus heeft gegeven, heeft meegewerkt en meegeschreven aan de regelgeving en vele opdrachten heeft gedaan, heeft verweerder, zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, onvoldoende objectief mogen vinden. De rechtbank volgt de stelling van verweerder dat eiser niet met objectieve stukken de taalvaardigheid in het Arabisch (Standaard) en het Nederlands op C1-niveau heeft aangetoond. Met de verklaring van de Universiteit van Amsterdam van 22 mei 1984 over het door eiser afgelegde examen kan hij niet aantonen dat hij het Nederlands beheerst op C1-niveau. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat het afgelegde examen niet gelijkgesteld kan worden met een tolkexamen, nu niet gebleken is dat de specifieke tolkvaardigheden en tolktechnieken getoetst zijn en deze voldoen aan de door verweerder vastgestelde kaders. Daarnaast heeft eiser ook niet aangetoond over de vereiste tolkvaardigheid en tolkattitude te beschikken.\n\nWat is de conclusie van deze uitspraak?\n\n9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzingen van de inschrijvingen in het Rbtv als tolk en vertaler in stand blijven. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. M. de Graaf, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2023.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met de uitspraak op het beroep, dan kunt u een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. U moet dit hoger beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.\n\nBijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving\n\nWet beëdigde tolken en vertalers\n\nArtikel 2\n\nEr is een register voor beëdigde tolken en vertalers. Het register bevat ten aanzien van iedere ingeschreven tolk of vertaler in elk geval de volgende gegevens:\n\na.de personalia;\n\nb.de aanduiding of betrokkene tolk of vertaler is;\n\nc.de bron- of doeltaal dan wel bron- of doeltalen waarin de tolk of vertaler zijn werkzaamheden verricht; en\n\nd.de overige specifieke bekwaamheden waarvan de tolk of vertaler vermelding in het register wenselijk acht.\n\n2 Onze Minister is verwerkingsverantwoordelijk voor het register. Onze Minister kan een verwerker aanwijzen.\n\n[…].\n\nArtikel 3\n\nOm voor inschrijving in het register in aanmerking te komen dient de tolk dan wel de vertaler te voldoen aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen eisen ten aanzien van de volgende competenties:\n\n–attitude van een tolk voor de tolk;\n\n–attitude van een vertaler voor de vertaler;\n\n–integriteit;\n\n–taalvaardigheid in de brontaal;\n\n–taalvaardigheid in de doeltaal;\n\n–kennis van de cultuur van het land of gebied van de brontaal;\n\n–kennis van de cultuur van het land of gebied van de doeltaal;\n\n–tolkvaardigheid voor de tolk;\n\n–vertaalvaardigheid voor de vertaler.\n\nArtikel 5\n\nDe aanvraag tot inschrijving wordt afgewezen indien:\n\na.de aanvrager niet voldoet aan de in artikel 3 bedoelde eisen;\n\n[…].\n\nBesluit beëdigde tolken en vertalers\n\nArtikel 8\n\n1. Een tolk of vertaler wordt in het register ingeschreven, indien hij voldoet aan een of meer van de volgende eisen:\n\na. hij beschikt over een of meer van de volgende getuigschriften waaruit blijkt dat hij met goed gevolg het examen heeft afgelegd ter afsluiting van een opleiding tot tolk of vertaler als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek:\n\n1°.een getuigschrift waaruit blijkt dat het recht is verkregen om de titel baccalaureus te voeren;\n\n2°.een getuigschrift waaruit blijkt dat de graad Bachelor is verleend; of\n\n3°.een getuigschrift waaruit blijkt dat de graad Master is verleend;\n\nb. hij anderszins kan aantonen te voldoen aan de wettelijke competenties, waaronder taalvaardigheid in bron- en doeltaal op niveau C1 van het Europees Referentiekader voor Talen.\n\n[…].\n\nBesluit inschrijving Rbtv\n\nArtikel 3\n\nIndien een tolk niet beschikt over een diploma van een tolkopleiding op minimaal bachelorniveau, kan hij worden ingeschreven in het Rbtv op C1-niveau, als de tolk aantoont te beschikken over:\n\n1. a. integriteit;\n\nb. een getuigschrift waaruit blijkt dat de tolk in de betreffende talencombinatie een tolktoets op C1-niveau van het ERK met goed gevolg heeft afgelegd die voldoet aan het Kader voor tolktoetsen; of\n\n2. a. integriteit;\n\nb. taalvaardigheid van de brontaal op ten minste C1-niveau van het ERK;\n\nc. taalvaardigheid van de doeltaal op ten minste C1-niveau van het ERK;\n\nd. kennis van de cultuur van het land of gebied van de bron- en doeltaal;\n\ne. tolkvaardigheid en -attitude.\n\nArtikel 5\n\nIndien een vertaler niet beschikt over een diploma van een vertaalopleiding op minimaal bachelor niveau in de betreffende vertaalrichting, kan hij worden ingeschreven in het Rbtv op C1-niveau, als de vertaler aantoont te beschikken over:\n\n1. a. integriteit;\n\nb. een getuigschrift waaruit blijkt dat de vertaler in de betreffende vertaalrichting een vertaalvaardigheidstoets op C1-niveau van het ERK met goed gevolg heeft afgelegd die voldoet aan het Kader voor integrale taalgebonden vertaalvaardigheidstoetsen; of:\n\n2. a. integriteit;\n\nb. taalvaardigheid van de brontaal op ten minste C1-niveau van het ERK;\n\nc. taalvaardigheid van de doeltaal op ten minste C1-niveau van het ERK;\n\nd. kennis van de cultuur van het land of gebied van de bron- en doeltaal;\n\ne. ten minste 420 uur scholing om vertaalvaardigheid en -attitude op ten minste de onderdelen tekst en tekstbegrip, tekst en cultuur, technische aspecten van het vertalen en vertaalhouding te ontwikkelen;\n\nf. ten minste vijf jaar werkervaring als beroepsvertaler in de betreffende vertaalrichting direct voorafgaand aan het verzoek tot inschrijving in het Rbtv, waarvan ten minste één jaar na afronding van de scholing als bedoeld in artikel 5, tweede lid onder e.\n\n Artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit beëdigde tolken en vertalers.\n\n Artikel 5, tweede lid, van het Besluit inschrijving Rbtv.\n\n Van artikel 37 van de Wet beëdigde tolken en vertalers.\n\n Artikel 3, tweede lid, van het Besluit inschrijving Rbtv.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:3864","2023-03-23T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:34.175Z",{"id":155,"ecli":156,"slug":157,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":158,"fullText":159,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":160,"sourceTimestamp":161,"parsedAt":50,"updatedAt":162},"506","ECLI:NL:RBDHA:2023:3440","ecli-nl-rbdha-2023-3440","2023-02-17T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: SGR 21\u002F5545, SGR 21\u002F5945, SGR 21\u002F5946, SGR 21\u002F5947, SGR 21\u002F5948, SGR 21\u002F5949 en SGR 21\u002F5993uitspraak van de meervoudige kamer van 17 februari 2023 in de zaken tussen\n\n [eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 3] , [eiser 4] , [eiser 5] , [eiser 6] ,uit [woonplaats 1] , eisers I\n\n(gemachtigde: mr. G.G. Kranendonk),\n\n [eiser 7] en [eiser 8] , uit [woonplaats 1] , eisers II\n\n(gemachtigde: mr. J. Zwiers),\n\nDhr. [eiser 9] en mevr. [eiseres 1] , uit [woonplaats 1] , eisers III\n\n(gemachtigde: mr. J. Zwiers),\n\n [eiser 10] en [eiser 11] , uit [woonplaats 1] , eisers IV\n\n(gemachtigde: mr. T. de Beet),\n\nDhr. [eiser 12] en mevr. [eiseres 2] , uit [woonplaats 1] , eisers V\n\n(gemachtigde: mr. G.J. Hingstman),\n\n [eiser 13] en [eiser 14] , uit [woonplaats 1] , eisers VI\n\n(gemachtigde: mr. G.J. Hingstman),\n\n [eiser 15] , uit [woonplaats 2] , eiser VII\n\n(gemachtigde: mr. J. Zwiers),\n\ngezamenlijk aangeduid als eisers\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Westland, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. E.C.M. Schippers).\n\nAls derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de provincie Zuid-Holland(vergunninghoudster), te Den Haag\n\n(gemachtigde: mr. E.C.M. Schippers).\n\nInleiding\n\n1. Deze zaak gaat over de omgevingsvergunning die door verweerder aan vergunninghoudster is verleend voor het aanpassen van de N211. De N211 wordt aangepast om de bereikbaarheid van de zuidzijde van de Haagse regio en de gemeente Westland met haar agro-logistieke bedrijventerreinen te verbeteren. Het projectgebied loopt vanaf de rijksweg A4 tot voorbij de kruising N211 – N222\u002FWateringveldseweg. Er zijn onderzoeken verricht naar diverse varianten voor het aanpassen van de N211. Er is gekozen voor de Wippoldervariant.\n\n2. Deze uitspraak is het vervolg op de tussenuitspraak van 11 juli 2022. In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen twaalf weken na verzending van de tussenuitspraak het geconstateerde motiveringsgebrek te herstellen, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen. Voor de besluitvorming die heeft plaatsgevonden en het procesverloop tot aan de zitting van 12 april 2022, verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak.\n\n3. Verweerder heeft gebruik gemaakt van de door de rechtbank geboden herstelmogelijkheid en heeft op 3 oktober 2022 een aanvullende motivering ingediend.\n\n4. Eisers V en VI hebben op 4 november 2022 gereageerd op de aanvullende motivering. Eisers I, II, III en VII hebben op 7 november 2022 een reactie ingediend en ten slotte hebben eisers IV op 8 november 2022 gereageerd.\n\n5. De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n6. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5704) en 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4694).\n\n7. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder niet heeft kunnen volstaan met een verwijzing naar het provinciale toetsingskader ter motivering van het standpunt dat een gecumuleerde geluidbelasting van 60 dB aanvaardbaar is. Verweerder had bevestigd dat dit provinciale toetsingskader niet is neergelegd in een beleidsregel als bedoeld in artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder had evenmin gemotiveerd waarom in dit concrete geval een waarde van 60 dB aanvaardbaar is. De rechtbank is daarom tot de conclusie gekomen dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en dit in zoverre moet worden vernietigd. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld dit gebrek te herstellen. Dat kan door een nadere motivering te geven op basis waarvan verweerder een waarde van 60 dB gecumuleerde geluidbelasting aanvaardbaar acht.\n\nDe nadere motivering\n\n8. Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft verweerder nader gemotiveerd om welke redenen een gecumuleerde geluidbelasting van 60 dB aanvaardbaar is. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2015 (met kenmerk ECLI:NL:RVS:2015:1988) motiveert verweerder dat het provinciale toetsingskader en de gecumuleerde geluidbelasting van 60 dB zijn ontleend aan de Wet geluidhinder en het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012. In artikel 83 in samenhang artikel 100a van de Wet geluidhinder is neergelegd dat de maximaal te verlenen hogere waarde voor wegverkeer 58 dB bedraagt. Om de gecumuleerde geluidbelasting met deze maximale waarde te kunnen vergelijken moet rekening worden gehouden met de aftrek van 2 dB, als bedoeld in artikel 110g Wet Geluidhinder in samenhang bezien met artikel 3.4 van het Reken en meetvoorschrift geluid 2012. Dat komt volgens verweerder neer op een maximale waarde van 60 dB. Deze maximale waarde van 60 dB wordt dus in de Wet geluidhinder aanvaardbaar geacht voor de geluidbelasting van één enkele weg. Het provinciale toetsingskader past de waarde van 60 dB cumulatief toe, voor alle relevante wegen in het gebied. Daarmee is het provinciale toetsingskader strenger dan de Wet geluidhinder. Om die reden vindt verweerder het hanteren van een gecumuleerde geluidbelasting van 60 dB aanvaardbaar. Naast deze motivering waarom 60 dB in zijn algemeenheid een aanvaardbare gecumuleerde geluidbelasting is, heeft verweerder eveneens onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 21 september 2022 (met kenmerk ECLI:NL:RVS:2022:2754) te kennen gegeven dat een maximale gecumuleerde geluidbelasting van 60 dB door de Afdeling niet onredelijk wordt bevonden voor dit specifieke gebied.\n\nReactie eisers\n\n9. Eisers hebben in reactie op de herstelpoging van verweerder een notitie ingebracht van de Nederlandse Stichting Geluidhinder (NSG) van 3 november 2022, opgesteld door E. Roelofsen (de notitie). In de notitie staat – voor zover hier relevant – dat verweerder ten onrechte heeft verwezen naar de Wet Geluidhinder nu ten tijde van de totstandkoming van deze wet minder inzicht bestond in de effecten op de gezondheid vanwege geluid. Uit het rapport “Environmental noise guidelines for the European Region” van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) uit 2018 (het WHO-rapport) en het rapport “Motie Schonis en de WHO-richtlijnen voor omgevingsgeluid” van het RIVM (het RIVM-rapport) uit 2020 staat dat al bij 53 dB geluid vanwege wegverkeer sprake is van 10% ernstige geluidhinder. Juist omdat het gebied wat betreft geluid al overbelast is, ligt het op de weg van verweerder om het geluid niet toe te laten nemen.\n\n9.1.. Eisers I wijzen er in aanvulling op de notitie op dat artikel 8 van het Europees Verdrag van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) wordt geschonden. Voorts verwijzen eisers I naar artikelen 191 tot en met 193 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU). Op basis van dit verdrag is het Zero Pollution Action Plan (het actieplan) opgesteld waarin staat dat chronische hinder door verkeerslawaai met 30% verminderd moet worden in 2030. Eisers I stellen dat deze bepalingen van het VWEU en het actieplan bindende voorschriften zijn die als gevolg van de vergunningverlening worden geschonden. Verder wordt ten onrechte rekening gehouden met de aftrek van 2 dB. Deze aftrek is gebaseerd op de veronderstelde vermindering van de geluidbelasting in de toekomst.\n\n9.2.. Eisers IV brengen naast de notitie naar voren dat het argument dat de verbreding van de N211 van groot economisch belang is, geen rechtvaardiging kan zijn om te gaan bezuinigen op maatregelen om geluidsoverlast tegen te gaan. Verweerder gaat eraan voorbij dat in dit concrete geval voor eisers IV geen geluidsluwe zone aan ten minste één zijde van hun woning overblijft, terwijl in de rechtspraak van de Afdeling geaccepteerd is dat dit meegenomen dient te worden in een afweging omtrent een concreet geval.\n\nHet oordeel van de rechtbank over de aanvullende motivering\n\n10. De rechtbank overweegt dat verweerder in overeenstemming met de opdracht in de tussenuitspraak aan de hand van de Wet geluidhinder en het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 heeft gemotiveerd waarom een geluidbelasting van 60 dB aanvaardbaar is. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee het geconstateerde motiveringsgebrek heeft hersteld. De rechtbank ziet in hetgeen eisers hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat een gecumuleerde geluidbelasting van 60 dB aanvaardbaar is. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.\n\n10.1.. Het in de notitie ingenomen standpunt dat de Wet Geluidhinder zich naar huidige maatstaven niet verdraagt met het WHO-rapport en RIVM-rapport leidt niet tot de conclusie dat verweerder om die reden niet heeft kunnen refereren aan de Wet Geluidhinder. Onder verwijzing naar overweging 35.1 van de uitspraak van de Afdeling van 30 december 2020 (met kenmerk ECLI:NL:RVS:2020:3147), overweegt de rechtbank dat de aanbevelingen van de WHO algemeen van aard zijn en dat gelet daarop het daarin aanbevolen maximum van 53 dB Lden geen dwingende status heeft. Dit geldt ook voor de aanbevelingen neergelegd in het RIVM-rapport (zie hiervoor de uitspraak van 21 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3917). Er is daarom geen aanleiding om te oordelen dat verweerder de door de WHO of het RIVM aanbevolen maximale geluidsbelasting had moeten hanteren. Voorts gaat de rechtbank niet mee in de redenering die in de notitie is neergelegd, dat vanwege de reeds bestaande geluidhinder een maximumwaarde van 60 dB niet aanvaardbaar is. Daartoe verwijst de rechtbank met verweerder naar de in 8 genoemde uitspraak van 21 september 2022 waarin de Afdeling een maximale geluidbelasting van 60 dB voor dit gebied aanvaardbaar heeft geacht. De notitie van de NSG leidt gelet op het voorgaande niet tot de conclusie dat een gecumuleerd geluidsniveau van 60 dB onaanvaardbaar moet worden geacht.\n\n10.2.. \n\nHet betoog van eisers I dat sprake is van een schending van artikel 8 EVRM treft geen doel. Volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de mens (het EHRM) kent het EVRM geen uitdrukkelijk recht toe op een schone en stille omgeving. Toch kan artikel 8 in het geding zijn indien de overlast zo is dat die de betrokkene in ernstige mate in zijn gezondheid treft of hem belet in zijn woongenot en zijn privé- of gezinsleven. De rechtbank verwijst naar het arrest van het EHRM van 13 juli 2017, Jugheli tegen Georgië, ECLI:CE:ECHR:2017:0713JUD003834205, punt 62 en de daar aangehaalde rechtspraak.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat zich hinder voordoet die hen in ernstige mate in hun gezondheid treft of hen belet in hun woongenot en privé- of gezinsleven. De verwijzing naar het WHO-rapport en het RIVM-rapport is hiervoor onvoldoende. In deze rapporten gaat het immers enkel om aanbevelingen, zoals onder 10.1 is vastgesteld. Hun betoog dat een geluidsniveau van 60 dB strijd oplevert met de artikelen 191 tot en met 193 van het VWEU treft evenmin doel. Daartoe overweegt de rechtbank dat aan deze bepalingen geen rechtstreekse werking toekomt vanwege de algemeen omschreven doelstellingen in de artikelen 191, 192 en 193 het VWEU en omdat deze bepalingen zich richten tot de lidstaten en de Unie. Het betoog dat in het actieplan de algemeen geschreven doelstelling is neergelegd dat chronische hinder door verkeerslawaai met 30% verminderd moet worden in 2030 betreft eveneens een algemeen omschreven doelstelling en leidt niet tot de conclusie dat een geluidsniveau van 60 dB als onaanvaardbaar moet worden aangemerkt. Tot slot gaat de rechtbank niet mee in de stelling dat verweerder de aftrek van 2 dB als bedoeld in artikel 110g Wet Geluidhinder in samenhang bezien met artikel 3.4 van het Reken en meetvoorschrift geluid 2012 buiten toepassing had moeten laten. Dat er een onzekerheid is gelegen in veronderstelling dat in de toekomst de geluidbelasting zal verminderen, betekent niet dat daarom de Wet Geluidhinder buiten toepassing moet worden gelaten.\n\n10.3.. De gronden die eisers IV hebben ingebracht – naast de notitie - zullen verder onbesproken blijven. Daartoe overweegt de rechtbank dat het geding zoals dat na de tussenuitspraak wordt gevoerd, in beginsel beperkt blijft tot de beroepsgronden zoals die zijn ingediend ten tijde van de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2013 (met kenmerk ECLI:NL:RVS:2013:CA2877). De gronden van eisers IV hebben geen betrekking op de vraag of een maximale geluidsbelasting van 60 dB aanvaardbaar is, maar gaan over de te nemen maatregelen en de vraag of het niet hebben van een geluidsluwe zone aan een zijde van de woning al dan niet van invloed is op de vast te stellen maximale geluidswaarde.\n\nConclusie\n\n11. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. Omdat verweerder in zijn reactie op de tussenuitspraak het gebrek heeft hersteld, zal de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand laten.\n\n12. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, moet verweerder het door eisers betaalde griffierecht vergoeden.\n\n13. Omdat de beroepen gegrond zijn, krijgen eisers een vergoeding van de proceskosten die zij hebben gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2,5 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus). De waarde per punt bedraagt € 837,- en de wegingsfactor is 1, waardoor € 2.092,50 wordt toegekend. Voor zover rechtsbijstand is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband voor meerdere zaken, merkt de rechtbank dit aan als één zaak op grond van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart de beroepen gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit;\n\nbepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;\n\nbepaalt dat verweerder het door eisers I, II, III, IV, V, VI en VII betaalde griffierecht van € 181,- aan hen vergoedt;\n\nveroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers I tot een bedrag van € 2.092,50;\n\nveroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers II, III en VII tot een bedrag van € 2.092,50, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;\n\nveroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers IV tot een bedrag van € 2.092,50;\n\nveroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers V en VI tot een bedrag van € 2.092,50; met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, voorzitter, mr. J. Schaaf en\n\nmr. M. Tjepkema, leden, in aanwezigheid van mr. E.L. Denters, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2023.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:3440","2023-03-16T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:33.917Z",{"id":164,"ecli":165,"slug":166,"caseNumber":43,"courtId":112,"decisionDate":167,"fullText":168,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":169,"sourceTimestamp":170,"parsedAt":50,"updatedAt":171},"543","ECLI:NL:RBMNE:2023:378","ecli-nl-rbmne-2023-378","2023-02-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: UTR 21\u002F2397\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 februari 2023 in de zaak tussen\n\n [eiseres 1] BVen [eiseres 2] BV, te [vestigingsplaats] , eiseres\n\n(gemachtigden: mr. M. Gideonse en mr. M.A.M. Wagemakers)\n\nen\n\nde burgemeester van Utrecht,\n\n(gemachtigden: mr. J. Aznag en M.G. van de Vuurst).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 16 juni 2020 (het primaire besluit) heeft de burgemeester op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) de aanvraag voor het verlengen van de aanwezigheidsvergunningen voor eisers geweigerd en de exploitatievergunningen voor deze ondernemingen ingetrokken.\n\nHet verzoek om een voorlopige voorziening dat eisers hebben ingediend naar aanleiding van dit besluit is bij uitspraak van 30 juli 2020 afgewezen.\n\nBij besluit van 16 april 2021 (het bestreden besluit) heeft de burgemeester het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe burgemeester heeft een verweerschrift ingediend. Eisers hebben op dit verweerschrift gereageerd.\n\nHet onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2022. Hieraan hebben deelgenomen: [A] , de gemachtigden van eisers en de gemachtigden van de burgemeester.\n\nNa de zitting is het onderzoek geschorst en zijn partijen in de gelegenheid gesteld tot het geven van een nadere reactie op het verweerschrift en op vragen van de rechtbank. Het onderzoek op de zitting is vervolgd op de zitting van 5 juli 2022. Hieraan hebben dezelfde personen deelgenomen als tijdens de eerste zitting\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nInleiding\n\n1. [onderneming 1] BV is sinds 17 april 2001 bestuurder en enig aandeelhouder van [eiseres 1] BV en sinds 22 augustus 2007 bestuurder en enig aandeelhouder van [eiseres 2] BV. [A] is voor zijn ondernemingen al 40 jaar actief in de kansspelbranche. Sinds de regulering van de kansspelen heeft hij een aanwezigheids- en exploitatievergunning voor [eiseres 1] BV en [eiseres 2] BV gekregen. Elk jaar verzoeken eisers om verlenging van die vergunningen. Op 29 april 2019 heeft [A] namens eisers een aanvraag ingediend voor verlenging van die aanwezigheidsvergunningen.\n\n2. Op 2 oktober 2020 heeft [onderneming 1] BV alle aandelen in [eiseres 2] BV en [eiseres 1] BV overgedragen aan [onderneming 2] BV die wordt bestuurd door [A] .\n\n3. De burgemeester heeft het Landelijk Bureau Bibob (LBB) verzocht om advies uit te brengen over de eerder ingediende aanvraag voor verlenging van de aanwezigheidsvergunningen.\n\n4. Het LBB heeft op 31 oktober 2019 en aanvullend op 21 januari 2020 en 28 februari 2020 adviezen opgesteld. Het LBB heeft vastgesteld dat sprake is van een ernstig vermoeden dat [onderneming 1] BV niet of gedeeltelijk niet heeft voldaan aan:\n\nde administratie- en bewaarplicht op grond van artikel 52, eerste en vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) over meerdere jaren, en\n\nde loonbelastingverplichting voor de tijdvakken in de jaren 2009 tot en met 2013 door aan een werknemer een netto lijfrentepremie te vergoeden.\n\nHet LBB concludeert ook dat er een ernstig vermoeden bestaat dat door [A] namens eisers ter verkrijging van de vergunningen valsheid in geschrifte is gepleegd door op het Bibob-aanvraagformulier te verzwijgen dat aan [onderneming 1] BV vergrijpboetes zijn opgelegd. Genoemde strafbare feiten staan volgens LBB in relatie tot eisers. Het LBB concludeert gelet hierop dat er ernstig gevaar bestaat dat de vergunningen mede zullen worden gebruikt voor het plegen van strafbare feiten.\n\nDe burgemeester heeft op basis van de Bibob-adviezen de aanwezigheidsvergunningen geweigerd en de exploitatievergunningen ingetrokken, omdat er volgens de burgemeester een ernstig gevaar bestaat dat de vergunningen mede gebruikt zullen worden om strafbare feiten te plegen en omdat feiten en omstandigheden erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging van de vergunningen een strafbaar feit is gepleegd. In het bestreden besluit heeft de burgemeester zijn standpunt gehandhaafd.\n\n5. De relevante wetgeving is opgenomen in een bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.\n\n6. De burgemeester kan een vergunning weigeren als er een ernstig gevaar bestaat dat de vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen.Bij de beoordeling of zich een ernstig gevaar voordoet, worden feiten en omstandigheden betrokken die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven. In het geval van een vermoeden wordt de ernst van het gevaar mede vastgesteld op grond van de ernst van het vermoeden, de aard van de relatie en het aantal van de gepleegde strafbare feiten.\n\nIs er een zakelijk samenwerkingsverband?\n\n7. Eisers voeren ten eerste aan dat na de aandelenoverdracht op 2 oktober 2020 de verwijten die [onderneming 1] BV en [A] betreffen niet langer aan hen kunnen worden toegerekend. De banden tussen eisers en [onderneming 1] BV en [A] zijn inmiddels doorgesneden en alle aandelen zijn overgedragen aan [onderneming 2] BV. Deze BV wordt bestuurd door [A] . De beslissing tot bedrijfsoverdracht is volgens eisers in zoverre goed geweest dat de Kansspel Autoriteit (KSA) overtuigd is van de ontkoppeling en ook meent dat de door het LBB beschreven strafbare feiten niet zo ernstig zijn dat dit een ernstig gevaar in de zin van de Wet Bibob oplevert. De KSA heeft dan ook bij besluit van 20 mei 2021 een exploitatievergunning voor 10 jaar verleend. De KSA heeft zich gebaseerd op hetzelfde Bibob-advies als de burgemeester. Het vermeende ernstige gevaar dat de burgemeester aan het besluit ten grondslag legt, kan volgens eisers niet worden aangenomen vanwege de ontkoppeling van eisers van [onderneming 1] BV en [A] . Er zijn namelijk geen aanwijzingen dat deze laatsten zich nog met de bedrijfsvoering van eisers zullen bemoeien.\n\n8. De burgemeester blijft bij het standpunt dat nog steeds sprake is van een zakelijk samenwerkingsverband tussen [onderneming 2] BV en [A] met [onderneming 1] BV en [A] . Zij wijst er onder meer op dat [A] (de enige aandeelhouder en bestuurder van [onderneming 2] BV) voorheen werkzaam is geweest bij eisers, daar een medebepalende rol heeft vervuld en de zoon is van de enige aandeelhouder en bestuurder van [onderneming 1] BV. In de akten is een putoptie opgenomen dat [onderneming 2] BV het recht geeft aandelen terug te verkopen aan [onderneming 1] BV als de vereiste vergunningen niet worden verkregen. Ook is een fiscale glijclausule opgenomen dat, als de Belastingdienst of de rechter in belastingzaken de transactie onvoldoende zakelijk acht tussen koper en verkoper, een vervangende bepaling wordt overeengekomen die wel zakelijk wordt geacht door de Belastingdienst respectievelijk de rechter. De burgemeester wijst er ook op dat [onderneming 1] BV nog steeds eigenaar is van het pand aan de [adres] waar [eiseres 2] BV is gevestigd.\n\n9. De rechtbank overweegt dat er zowel ten tijde van de aanvraag om verlenging van de vergunningen als ten tijde van het uitbrengen van het Bibob-advies een zakelijk samenwerkingsverband bestond tussen eisers en [onderneming 1] BV en [A] . Naar het oordeel van de rechtbank kan dat samenwerkingsverband, dat pas daarna is verbroken, nog steeds een rol spelen bij de beoordeling of er een ernstig gevaar bestaat zoals is bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob. Anders dan eisers kennelijk menen, betekent de aandelenoverdracht aan [onderneming 2] BV niet dat de door [onderneming 1] BV en [A] (vermoedelijk) begane strafbare feiten niet langer toegeschreven kunnen worden aan eisers of aan [onderneming 2] BV. Een betrokkene staat immers ook in relatie tot strafbare feiten als een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat of heeft gestaan.Hiervan is in dit geval sprake. [A] is de enige aandeelhouder en bestuurder van [onderneming 2] BV die de aandelen heeft overgenomen. Verweerder wijst er terecht op dat hij voorheen werkzaam is geweest bij eisers, daar een medebepalende rol heeft vervuld en de zoon is van de enige aandeelhouder en bestuurder van [onderneming 1] BV. Ook vindt de rechtbank van belang dat [A] nog steeds eigenaar is van het bedrijfspand aan de [adres] . Dit toont aan dat [A] nog steeds betrokken is bij eisers en dat de door hem en [onderneming 1] BV (vermoedelijk) gepleegde feiten nog steeds relevant zijn. Deze gepleegde strafbare feiten konden daarom ook na de aandelenoverdracht worden betrokken bij de besluitvorming. De burgemeester heeft dit in lijn met vaste rechtspraakvoldoende gemotiveerd. De beroepsgrond van eisers slaagt daarom niet.\n\nHeeft de burgmeester de vergunningen mogen weigeren vanwege een ernstig gevaar op strafbare feiten?\n\n10. Bij de toepassing van de zogenaamde b-grondmoet worden beoordeeld of ernstig gevaar bestaat dat de vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. De weigering dan wel intrekking vindt slechts plaats als deze evenredig is met de mate van het gevaar en de ernst van de strafbare feiten.Als er geen sprake is van ernstig gevaar maar van een mindere mate van gevaar kan de burgemeester aan de vergunningen voorschriften verbinden.\n\nSamenhangcriterium\n\n11. Volgens de Wet Bibob mogen voor de beoordeling van het ernstige gevaar alleen strafbare feiten worden meegenomen die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven.Dit wordt ook wel het samenhangcriterium genoemd. Voldoende samenhang kan onder meer worden aangenomen als de vergunning het plegen van de strafbare feiten kan faciliteren.\n\n12. Eisers stellen zich op het standpunt dat geen sprake is van samenhang van de geconstateerde, gestelde, strafbare feiten, en de activiteiten van de ondernemingen, namelijk de aanwezigheid van en exploitatie van kansspelautomaten. De burgemeester stelt zich op het standpunt dat wel sprake is van samenhang zoals de Wet Bibob dat verlangt.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat er voldoende overeenkomst bestaat tussen de activiteiten waarbij de strafbare feiten gepleegd zijn en de activiteiten waarvoor de vergunning is aangevraagd om te voldoen aan het samenhangcriterium. De strafbare feiten zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen met de activiteiten waarvoor de vergunning is aangevraagd, namelijk het exploiteren van een speelautomatenhal. Ook voor de gestelde valsheid in geschrifte is de rechtbank van oordeel dat er voldaan is aan het samenhangcriterium. Een fraudedelict als valsheid in geschrifte kan immers gepleegd worden bij het exploiteren van een speelautomatenhal en de (fiscale) verantwoording daarvan. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nEvenredigheid en proportionaliteit.\n\n14. Volgens eisers is het bestreden besluit niet evenredig. Zij voeren aan dat de verwijten niet zó ernstig zijn dat zij aan vergunningverlening in de weg moeten staan en dat de verwijten hen ook niet langer kunnen worden toegerekend. De verwijten zien op [onderneming 1] BV en [A] , maar de banden met [onderneming 1] BV en [A] zijn doorgesneden en alle aandelen zijn overgedragen aan [onderneming 2] BV. De KSA heeft in deze omstandigheid aanleiding gezien om de door het LBB beschreven strafbare feiten niet dusdanig ernstig in te schatten dat dit een ernstig gevaar in de zin van de Wet Bibob oplevert. De KSA heeft dan ook bij besluit van 20 mei 2021 een exploitatievergunning voor 10 jaar verleend. Het zou in het geval van eisers proportioneel zijn als net zoals de KSA heeft gedaan een vergunning met daaraan verbonden voorschriften wordt verleend.\n\n15. De burgemeester stelt zich op het standpunt dat de feiten wel ernstig genoeg zijn en aan eisers kunnen worden toegerekend. Op basis van alle feiten en omstandigheden en de Bibob-adviezen heeft zij een belangenafweging gemaakt. De burgemeester heeft er groot belang bij om bedrijven waarbij sprake is van een risico op misbruik en die niet compliant zijn geen vergunning te verlenen. Er bestaat in dit geval een groot risico dat de vergunning wordt misbruikt op een manier als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob. Het verbinden van voorschriften vindt de burgemeester onvoldoende om het ernstige gevaar weg te of te beperken.\n\n16. De rechtbank overweegt dat de burgemeester een vergunning op de b-grond alleen mag weigeren als die weigering evenredig is met de mate van het gevaar en de ernst van de strafbare feiten.De weigering moet dus proportioneel zijn en de burgemeester moet ook een belangenafweging maken.\n\n17. De rechtbank stelt daarbij voorop dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 3 van de Wet Bibobblijkt dat met dit artikel is beoogd te voorkomen dat de overheid door middel van bestuurlijke besluitvorming, zoals vergunningverlening, ongewild criminele activiteiten faciliteert. Daarbij moet echter in aanmerking worden genomen dat de Wet Bibob geen punitief instrumentarium kent, maar dat de wet er slechts op is gericht te voorkomen dat het plegen van strafbare feiten door een bestuursorgaan wordt gefaciliteerd. Uit de Memorie van Toelichting volgt verder dat ervan wordt uitgegaan dat naarmate het aantal in het verleden gepleegde of vermoedelijk gepleegde strafbare feiten groter is, het gevaar dat ook in de toekomst strafbare feiten worden gepleegd ook groter is.\n\n18. De rechtbank is het met eisers eens dat de burgemeester onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het besluit evenredig is en waarom de belangenafweging in het nadeel van hen uitvalt. De rechtbank overweegt dat de strafbare feiten die aan eisers worden tegengeworpen zien op het niet voldoen aan de fiscale administratie- en bewaarplicht en het niet afdragen van loonbelasting over meerdere jaren. Met betrekking tot de loonbelasting overweegt de rechtbank dat eisers op zitting voldoende hebben uitgelegd dat dit een incidentele kwestie is geweest en betrekking had op een lijfrenteaanspraak van één medewerker. De rechtbank neemt verder in aanmerking dat de Belastingdienst, gelet op de overname van de onderneming en met [onderneming 2] BV gemaakte afspraken, voornemens is om opgelegde boetes voor het niet nakomen van de administratie- en bewaarplicht in te trekken. Daarmee blijft de constatering dat de administratie- en bewaarplicht in het verleden niet is nagekomen wel staan. Met betrekking tot de valsheid in geschrifte overweegt de rechtbank dat het tegenwerpen van een enkele foutieve invulling van het Bibob formulier niet evenredig is. Niet valt vast te stellen dat [A] het formulier opzettelijk foutief heeft ingevuld. De rechtbank weegt bij dat oordeel mee dat de vraagstelling op het formulier zo geformuleerd is dat hij daardoor makkelijk op het verkeerde been gezet kon worden. De vraag die [A] niet juist heeft beantwoord luidt: “Is in de afgelopen vijf jaar een door bestuurders, aandeelhouders of vennoten geëxploiteerde onderneming of pand op last van de burgemeester gesloten en\u002Fof is er een bestuurlijke boete, dwangsom of vergrijpboete opgelegd?” Deze vraag vraagt niet alleen naar bestuurlijke handhavingsmaatregelen en boetes maar ook, volgens de formulering, naar een fiscale vergrijpboete. Gelet op de verschillende types van maatregelen en boeten kan er op zijn minst aan getwijfeld worden dat [A] informatie opzettelijk heeft verzwegen is. Deze beroepsgrond van eisers slaagt dan ook.\n\nVergunning met voorschriften\n\n19. De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester ook onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het geen optie is om aan eisers een vergunning onder voorwaarden te verlenen. In dat verband is van belang dat eisers in reactie op het verweerschrift van 28 december 2020 van de burgemeester in de bezwaarprocedure twee brieven van de registeraccountants [B] en [C] hebben overgelegd waarin onder meer wordt uitgelegd dat de jaarrekeningen van eisers voldoen aan de daarvoor geldende wet- en regelgeving en zijn geaccepteerd door de Belastingdienst. Ook is toegelicht dat de overeengekomen putoptie en fiscale glijclausule geheel volgens de regels zijn. De accountant [C] heeft daarnaast de overdracht van de aandelen van eisers tegen een waarde van € 1,-- verdedigbaar geacht. In het eerder genoemde verweerschrift heeft de burgemeester uitgelegd waarom zij de administratie niet op orde vindt en waarom zij op die grond geen reden zien om een vergunning onder voorwaarden te verlenen. Eisers hebben het standpunt van de burgemeester met de verklaringen van de accountants gemotiveerd betwist waarop door de burgemeester geen reactie meer is gegeven. De rechtbank heeft geen aanleiding te veronderstellen dat de inhoud van de brieven van de accountants niet juist zouden zijn. De rechtbank ziet dan ook geen reden om te oordelen dat de overdracht van de onderneming aan [onderneming 2] BV in strijd met fiscale of andere regels zou zijn. De rechtbank betrekt verder dat de KSA op basis van dezelfde Bibob-adviezen als die de burgemeester aan het besluit ten grondslag heeft gelegd, heeft besloten aan eisers een exploitatievergunning voor 10 jaar te verlenen. Hoewel de burgemeester een eigen bevoegdheid heeft om een inschatting te maken, is de rechtbank van oordeel dat de burgemeester zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven dat de KSA op basis van hetzelfde Bibob advies wel een vergunning heeft verleend.\n\n19. De stelling van de burgemeester dat ernstig gevaar bestaat dat de vergunningen mede zullen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen, is, gelet hierop, naar het oordeel van de rechtbank ontoereikend gemotiveerd. Het bestreden besluit heeft onmiskenbaar nadelige gevolgen voor eisers, omdat de inrichting voor hun voortbestaan afhankelijk is van de gevraagde en ingetrokken vergunningen. Tegen deze achtergrond bezien is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van proportionaliteit tussen de algemene belangen die gediend zijn met het besluit van de burgemeester en de nadelige gevolgen daarvan voor eisers. Het bestreden besluit is in die zin niet evenredig. Het beroep van eisers slaagt dan ook.\n\nIs er sprake van (schijn van) vooringenomenheid?\n\n21. Eisers hebben aangevoerd dat de burgemeester het beginsel van hoor en wederhoor, heeft geschonden en het bestreden besluit met (tenminste de schijn van) vooringenomenheid heeft genomen. Eisers hebben voor deze stellingen verschillende argumenten naar voren gebracht. De volgende feiten zijn bij deze beoordeling van belang.\n\n22. Op 5 januari 2021 heeft een hoorzitting plaatsgevonden bij de bezwaarschriftencommissie. Na de hoorzitting heeft de burgemeester de gelegenheid gekregen om nader te reageren op stukken die namens eisers op 31 december 2020 waren overgelegd. De burgemeester heeft vervolgens op 15 februari 2021 een tweede verweerschrift ingediend. Dit tweede verweerschrift is niet aan eisers gezonden.\n\n23. In tweede verweerschrift komen de volgende passages voor:\n\n“Daarmee hebben belanghebbende en zijn advocaat onware informatie verstrekt over de status van de brief van de belastingdienst.”\n\n“Deze conclusie is, zoals hierna wordt toegelicht, bezijden de waarheid.”\n\n“De burgemeester concludeert dat er sprake is van een poging om door het -bewust- verstrekken van onjuiste informatie de besluitvorming te beïnvloeden. De burgemeester rekent dit belanghebbende en zijn advocaat aan en neemt hen dit kwalijk.”\n\n“De burgemeester is van mening dat het daarmee geconstateerde gevaar nog altijd aanwezig is nu belanghebbende zich tijdens de bezwaarprocedure permitteert, om met het kennelijke doel de besluitvorming te beïnvloeden, informatie te verstrekken die een onjuist en onwaar beeld oplevert omtrent bevindingen van de fiscus ten aanzien van belanghebbende. In het licht van deze constateringen heeft de burgemeester er geen enkel vertrouwen meer in dat de vergunningen, indien verleend, zouden worden gebruikt die in overeenstemming met wet- en regelgeving.”\n\n24. Het bestreden besluit is mede op dit verweerschrift gebaseerd. De burgemeester heeft in dat besluit overwogen: “Ik onderschrijf de overwegingen die in deze verweerschriften zijn genoemd. Deze worden bij deze beslissing op bezwaar als herhaald en ingelast beschouwd en maken onderdeel uit van deze beslissing.”\n\nHoor en wederhoor\n\n25. De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester in strijd met artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft gehandeld door het tweede verweerschrift niet aan eisers te zenden en hen de gelegenheid te geven om daarop te reageren. In het tweede verweerschrift verwijt de burgemeester eisers een poging de besluitvorming te beïnvloeden door het bewust verstrekken van onjuiste informatie en rekent zij dit eisers en hun advocaat aan. Dit verwijt heeft blijkens de tekst van het verweerschrift als gevolg dat de burgemeester er geen enkel vertrouwen meer in heeft dat de vergunningen, indien verleend, zouden worden gebruikt in overeenstemming met wet- en regelgeving. Alleen al dit standpunt van de burgemeester brengt mee dat er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden die na de hoorzitting bij haar bekend zijn geworden en die voor de heroverweging in bezwaar van aanmerkelijk belang zijn. De rechtbank volgt dus niet het standpunt van de burgemeester dat het tweede verweerschrift niet doorgezonden had moeten worden en eisers niet om een nadere reactie had moeten worden gevraagd. Ook de omstandigheid dat eisers wisten dat er een nadere reactie zou komen en dat zij niet zelf gevraagd hebben om een termijn om te reageren, brengt niet mee dat de burgemeester het tweede verweerschrift niet ten minste had moeten door zenden. De burgemeester heeft door haar handelswijze daarom ook het beginsel van hoor en wederhoor geschonden.\n\nVooringenomenheid\n\n26. Artikel 2:4 van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan zijn taak vervult zonder vooringenomenheid. Daaronder moet ook worden verstaan dat het bestuursorgaan zijn taak vervult zonder de schijn van vooringenomenheid.\n\n27. Voor de beoordeling van deze beroepsgrond is het van belang om stil te staan bij de achtergrond van het verwijt dat de burgemeester eisers en hun advocaat heeft gemaakt.\n\n28. Eisers hebben op 31 december 2020 een brief overgelegd van een advocaat-belastingkundige die namens hen in overleg is met de Belastingdienst. Die brief betreft een brief van de Belastingdienst over een mogelijk fiscaal compromis, waarin deze advocaat zichtbaar tekstsuggesties heeft aangebracht. In de brief van 31 december 2020 is onder andere het volgende citaat uit de brief van de Belastingdienst opgenomen: “Hiermee wordt een streep gezet onder het verleden”. Aan die brief hebben eisers de conclusie verbonden dat de Belastingdienst hiermee te kennen geeft dat het -bij nader inzien- niet heeft geschort aan de administratie- en bewaarplicht.\n\n29. Deze brief is tijdens de hoorzitting op 5 januari 2021 besproken en daar is aan de orde gekomen dat het citaat niet volledig was, omdat ‘ingaande 1 januari 2021’ niet was vermeld. Eisers hebben vervolgens in een e-mailbericht van dezelfde dag bevestigd dat dat deel inderdaad is weggevallen in het citaat en hebben excuses gemaakt voor de kennelijke verschrijving. Daaraan is toegevoegd dat de besprekingen met de Belastingdienst nog gaande zijn. Op 19 januari 2021 overlegden eisers aan de burgemeester de originele brief van de Belastingdienst met het compromisvoorstel en een brief van 15 januari 2021 van de advocaat-belastingkundige van eisers, waarin staat: “Grotendeels kon men wel akkoord gaan met de voorgestelde aanpassingen. Wat betreft de boekenonderzoeken uit het verleden berichtte hij mij dat de Belastingdienst de bevindingen niet in aanmerking zou nemen, ook over het verleden dus niet per ingang van 1 januari 2021. Hij verwacht dat hij mij volgende week een nieuwe tekst van het compromis kan toezenden.” Eisers hebben verder een e-mailbericht van 29 maart 2021 overgelegd met daarin informatie over de stand van zaken rond het compromis.\n\n30. Ten tijde van het tweede verweerschrift was de correspondentie die hiervoor is genoemd, met uitzondering van het e-mailbericht van 29 maart 2021, bekend. Deze e-mail was bij de burgemeester wel bekend op het moment dat het bestreden besluit werd genomen.\n\n31. De burgemeester heeft in haar brief van 8 juni 2022 aan de rechtbank geschreven: “De burgemeester staat nog steeds achter de feitelijke constateringen in het verweerschrift, maar erkent dat de daaraan verbonden conclusies en persoonlijke verwijten aan het adres van gemachtigde te ver strekken.” en “De burgemeester begrijpt dan ook dat voornoemde beschuldigingen aan het adres van de persoon van gemachtigde een ernstige beschuldiging betreft en trekt deze conclusie die aan de genoemde feitelijke constateringen zijn gelegd in.”\n\n32. De rechtbank is van oordeel dat de feiten en omstandigheden die onder 28 en 29 zijn genoemd redelijkerwijs niet tot de kwalificatie en conclusie kunnen leiden zoals in het tweede verweerschrift van de burgemeester is opgenomen. De rechtbank kan niet anders concluderen dan dat eisers op het punt van de gesprekken met de Belastingdienst telkens openheid van zaken hebben gegeven. De enkele omstandigheid dat in de brief van 31 december 2020 ‘ingaande 1 januari 2021’ niet in het citaat is opgenomen, terwijl de zichtbaar geamendeerde brief is meegezonden, is daarom zeker onvoldoende om te spreken van het bewust verstrekken van onjuiste informatie. Datzelfde geldt voor de conclusie die eisers hebben opgenomen in de brief van 31 december 2020. Ook al zou die conclusie te verstrekkend zijn, dan kan uit de proceshouding van eisers, en hun advocaat, niet de conclusie worden getrokken dat “belanghebbende (het) zich tijdens de bezwaarprocedure permitteert met het kennelijke doel de besluitvorming te beïnvloeden, informatie te verstrekken die een onjuist en onwaar beeld oplevert omtrent bevindingen van de fiscus ten aanzien van belanghebbende.”\n\n33. De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester met het tweede verweerschrift en het niet doorzenden daarvan de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt.\n\n34. Uit het voorgaande volgt dat het procesgedrag van eisers geen enkele objectieve grond vormt voor de kwalificatie van de burgemeester van dat procesgedrag en daarmee evenmin van de conclusie die daaraan is verbonden. Over de kwalificatie van het procesgedrag en de daaruit getrokken conclusie, heeft de burgemeester geen wederhoor toegepast. Die kwalificatie van het procesgedrag en de daaruit getrokken conclusie zijn één op één aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Daarnaast heeft de burgemeester het tweede verweerschrift pas bij het verweerschrift in beroep op 31 maart 2022 overgelegd, en niet tegelijk met de gedingstukken, en hebben eisers pas kort voor de eerste zitting kennis kunnen nemen van de inhoud van dat stuk. Deze omstandigheden leiden er toe dat de rechtbank van oordeel is dat sprake is van een schijn van vooringenomenheid en dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 2:4, eerste lid, van de Awb.\n\n35. De brief van de burgemeester van 8 juni 2022 neemt die schijn niet weg.\n\n36. Eisers hebben nog andere argumenten aangevoerd om de schijn van partijdigheid te onderbouwen. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om die te bespreken.\n\nConclusie en gevolgen\n\n37. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de weigering van de aangevraagde aanwezigheidsvergunningen en het intrekken van een de exploitatievergunning berust op een ontoereikende motivering en in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 2:4, 3:2, 7:9 en 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank ziet geen aanleiding een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding zelf in de zaak te voorzien. De burgemeester zal worden opgedragen om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen. Daarbij dient de burgemeester er zorg voor te dragen dat beslist wordt op een wijze die op geen enkele wijze een schijn van vooringenomenheid oproept. De burgemeester zal verder bij het nemen van het nieuwe besluit de mogelijkheid moeten bezien van het verbinden van voorschriften aan een te verlenen vergunning. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak.\n\n38. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat de burgemeester aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.\n\n39. De rechtbank veroordeelt de burgemeester in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.511,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor repliek (reactie op verweerschrift) en 1,5 punten voor het verschijnen op de twee zittingen, met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit;\n\ndraagt de burgemeester op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;\n\ndraagt de burgemeester op het betaalde griffierecht van € 360,- aan eisers te vergoeden;\n\nveroordeelt de burgemeester in de proceskosten van eisers tot een bedrag van\n\n€ 2.511,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, voorzitter, en mr. B. Fijnheer en mr. H.H.L. Krans, leden, in aanwezigheid van mr. M. Landwaart-Ekkelenkamp, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2023.\n\nDe griffier is verhinderd deze\n\nuitspraak te ondertekenen.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\nBIJLAGE\n Algemene wet bestuursrecht Artikel 2:4\n\n1 Het bestuursorgaan vervult zijn taak zonder vooringenomenheid. (…).\n\nArtikel 7:9 Wanneer na het horen aan het bestuursorgaan feiten of omstandigheden bekend worden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, wordt dit aan belanghebbenden meegedeeld en worden zij in de gelegenheid gesteld daarover te worden gehoord.\n Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur\n\nArtikel 3\n\n1. Voorzover bestuursorganen bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, kunnen zij weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:\n\na. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of\n\nb. strafbare feiten te plegen.\n\n2. Voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, betreft, wordt de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:\n\na. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,\n\nb. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,\n\nc. de aard van de relatie en\n\nd. de grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen.\n\n3. Voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, betreft, wordt de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:\n\na. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven,\n\nb. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,\n\nc. de aard van de relatie en\n\nd. het aantal van de gepleegde strafbare feiten.\n\n4. De betrokkene staat in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid, indien:\n\na. hij deze strafbare feiten zelf heeft begaan,\n\nb. hij direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over of vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan een rechtspersoon in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht die deze strafbare feiten heeft begaan, of\n\nc. een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over, vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan betrokkene, of in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat of heeft gestaan.\n\n5. De weigering dan wel intrekking, bedoeld in het eerste lid, vindt slechts plaats indien deze evenredig is met:\n\na. de mate van het gevaar en\n\nb. voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft, de ernst van de strafbare feiten.\n\n6. Eenzelfde bevoegdheid tot weigering dan wel intrekking als bedoeld in het eerste lid hebben bestuursorganen, indien feiten en omstandigheden erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging of behoud van de aangevraagde dan wel gegeven beschikking een strafbaar feit is gepleegd. De weigering dan wel intrekking vindt slechts plaats, indien deze tenminste evenredig is met, ingeval van vermoedens, de ernst daarvan en met de ernst van het strafbare feit.\n\n7. Voorzover blijkt dat geen sprake is van ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, kan het bestuursorgaan bij mindere mate van gevaar aan de beschikking voorschriften verbinden. Deze voorschriften zijn gericht op het wegnemen of beperken van dergelijk gevaar. Het bestuursorgaan heeft eenzelfde bevoegdheid indien sprake is van een ernstig gevaar waarbij de ernst van de strafbare feiten weigering of intrekking van de beschikking niet rechtvaardigt. Het bestuursorgaan kan een op grond van deze bepaling gegeven voorschrift wijzigen. Indien niet wordt voldaan aan een op grond van deze bepaling gegeven voorschrift, kan het bestuursorgaan de beschikking intrekken.\n\n8. In dit artikel wordt mede verstaan onder strafbaar feit een overtreding waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd.\n\nBeleidsregel toepassing Wet Bibob 2018 gemeente Utrecht\n\nArtikel 4.2 Gevolgen van een Bibob-onderzoek bij beschikkingen\n\n1. Het bestuursorgaan zal in beginsel overgaan tot weigering van een aanvraag om (wijziging van) een beschikking of tot intrekking van een reeds verleende beschikking, indien uit het eigen onderzoek of uit advies van het LBB blijkt dat er sprake is van een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet Bibob, dan wel een situatie zich voordoet als bedoeld in artikel 3, zesde lid van de Wet Bibob.\n\n2. Het bestuursorgaan zal bij een mindere mate van gevaar als bedoeld in artikel 3, zevende lid van de Wet Bibob in beginsel voorschriften aan een beschikking verbinden. Deze voorschriften zijn gericht op het wegnemen of beperken van dergelijk gevaar.\n\n Artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Bibob.\n\n Artikel 3, derde lid, van de Wet Bibob.\n\n Artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet Bibob.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 maart 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1028) en van 4 september 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:3050).\n\n Artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Bibob.\n\n Artikel 3, vijfde lid, van de Wet Bibob.\n\n Artikel 3, zevende lid, van de Wet Bibob.\n\n Artikel 3, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet Bibob.\n\n Artikel 3, vijfde lid, van de Wet Bibob.\n\n Kamerstukken II 1999\u002F2000, 26 883, nr. 3, p. 2.\n\n Memorie van Toelichting, Kamerstuk II, 1999\u002F2000, 26 883, nr. 3, artikelsgewijze toelichting.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2023:378","2023-02-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:35.963Z",{"id":173,"ecli":174,"slug":175,"caseNumber":43,"courtId":102,"decisionDate":176,"fullText":177,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":178,"sourceTimestamp":179,"parsedAt":50,"updatedAt":180},"507","ECLI:NL:RBOBR:2023:332","ecli-nl-rbobr-2023-332","2023-01-23T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats ‘s-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SHE 21\u002F1400, SHE 21\u002F1401, SHE 21\u002F1402, SHE 21\u002F1403\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2023 in de zaak tussen\n \n [naam] ,\n\n [naam] ,\n\n [naam] ,\n\n [naam], uit [woonplaats] , eisers\n\n(gemachtigde: mr. S.G.H. van de Kamp en mr. M.A. Prins),\n\nen\n\nde burgemeester van de gemeente Oss, de burgemeester,\n\n(gemachtigde: mr. F.A. Pommer).\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen het de besluiten van de burgemeester om sluiting van de woning, de schuur en het bosperceel aan [adres] te bevelen voor een duur van zes maanden.\n\nMet het bestreden besluit van 28 april 2021 op de bezwaren van eisers is de burgemeester bij dat besluit gebleven.\n\nDe burgemeester heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen op 12 december 2022 gelijktijdig op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] en [naam] , de gemachtigden van eisers, met mr. S.A.C. de Ridder als waarnemer van S.G.H. van de Kamp, en de gemachtigde van de burgemeester.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n1. In een bestuurlijke rapportage is vermeld dat op 13 november 2019 een politieonderzoek heeft plaatsgevonden op en rond het perceel [adres] (het perceel). Dit perceel is een woonwagenstandplaats, die wordt gehuurd door [naam] en [naam] . Hun kinderen [naam] en [naam] zijn geboren in 2003, respectievelijk 1997. Eisers woonden op dit perceel in een woonwagen. Op het perceel staat ook een schuur en achter de schuur ligt een bosperceel.\n\n2. In de bestuurlijke rapportage van 9 december 2019 is vermeld dat in de woonwagen en de daarachter gelegen schuur het volgende is aangetroffen;\n\nAmfetamine, +\u002F- 150 gram, in het keukenkastje;\n\nDeense kronen en Euro’s, totaal een waarde van € 256.650, -, verborgen in ruimte slaapkamer kast vloer;\n\nBankbiljetten en muntgeld, € 6244,-, op verschillende plekken in woning;\n\nMunitie en hulzen, 8 + 4 (divers kaliber, in de schuur);\n\nOnderdelen van (vuur)wapens, meerderen, in de schuur.\n\n3. Op grond van deze informatie heeft de burgemeester aan eisers op 13 januari 2020 het voornemen bekend gemaakt om ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, het perceel te sluiten voor de duur van twaalf maanden. Op 7 februari 2020, later bevestigd in een aanvullende rapportage van 24 februari 2020, maakte de politie aan de burgemeester bekend dat sprake was geweest van een vals-positieve test van amfetamine. De stof bleek geen amfetamine of enig andere hard- of softdrugs te zijn. Aan het voornemen van 13 januari 2020 heeft de burgemeester geen vervolg gegeven.\n\n4. Op 26 februari 2020 volgt een bestuurlijke rapportage over het op 13 november 2019 verrichte onderzoek en wat daarbij in de schuur en op\u002Fin het daarachter gelegen bosperceel is aangetroffen. Hierover is het volgende vermeld:\n\n“Aan onder andere de achterzijde van de schuur op het perceel waren camera’s gemonteerd die gericht waren op het bosperceel grenzend aan de achterzijde van het perceel. Deze camera’s konden in de schuur worden uitgelezen op een daarop aangesloten en werkend beeldscherm. Tijdens het onderzoek op 13 november 2019 werden op\u002Fin het betreffende bosperceel, waarop de camera’s gericht waren, drie ondergrondse bergruimtes, een ingegraven vat en andere zaken met inhoud aangetroffen. Het ging om de volgende inhoud: in de ondergrondse ruimten werd een groot aantal kunststofvaten en kartonnen dozen aangetroffen met daarin een groot aantal vuurwapens en onderdelen hiervan, alsook verdovende middelen. De verdovende middelen zijn voor nader onderzoek in beslag genomen. Uit het onderzoek is in iedere geval een positief indicatieve test gebleken van de volgende (hard)drugs c.q. stoffen:\n\n- 110 kilo MDMA-pillen (lijst 1 Opiumwet)\n\n- 193 MDMA-kristallen (lijst T Opiumwet)\n\n- 49 kilo Amfetamine (lijst T Opiumwet)\n\n- 222 liter Amfetamine olie (lijst 1 Opiumwet)\n\n- 3,4 kilo Methamfetamine (kristallen) (lijst 1 Opiumwet)\n\n- 1,5 kilo Ketamine (lijst T Opiumwet)\n\n- 0,3 kilo Cocaïne (lijst 1 Opiumwet)\n\n- 0,5 kilo Heroïne (lijst 1 Opiumwet)\n\n- 156,7 plakken Cannabis (hashish) (lijst 2 Opiumwet).”\n\nen:\n\n“Op basis van onderzoeksbevindingen (opgenomen gesprekken) kan worden gesteld dat de schuur achter de woning van deze locatie, in de periode maart 2018 tot en met november 2019 vrijwel dagelijks werd gebruikt als overleglocatie \u002F handelsplaats voor een crimineel samenwerkingsverband (CSV), waar ook vrijwel dagelijks bezoekers werden ontvangen. Dit CSV bestaat naast [naam] en [naam] uit tientallen personen, waaronder familieleden. Leden van het CSV en hun contacten konden ook buiten aanwezigheid van [naam] en [naam] gebruik maken van de schuur. Deze schuur was ingericht als vergaderruimte en werd door een deelnemer van het CSV zijn ‘kantoor’ genoemd. Ook op basis van onderzoeksbevindingen kan worden gesteld dat vanuit de schuur doorlopend drugstransacties besproken werden, voorbereid en uitgevoerd. Er werd vrijuit gesproken over onder andere:\n\n• het produceren van verdovende middelen (synthetische drugs) en het verhandelen van producten (precursoren) bestemd voor de productie van synthetische drugs.\n\n• het importeren van containers met verdovende middelen met diverse soorten dekladingen.\n\n• het uithalen van containers met daarin verdovende middelen.\n\n• het wegnemen van containers met vermoedelijk verdovende middelen.\n\n• het maken van afspraken met buitenlandse personen afkomstig uit onder andere Bulgarije, Zuid-Amerika en België.\n\n• het handelen in (vuur)wapens.\n\nOok in de woning aan de [adres] kwamen leden van het crimineel samenwerkingsverband samen en werd veelvuldig gesproken over deze onderwerpen. Gesprekken in de schuur werden in de woning voortgezet, met name door familieleden die deel uit maken van het CSV”.\n\n5. Naar aanleiding van bovengenoemde bevindingen heeft de burgemeester op\n\n10 maart 2020 aan eisers een nieuw voornemen kenbaar gemaakt tot sluiting van de woning, de schuur en het bosperceel, voor de duur van twaalf maanden. In het voornemen heeft de burgemeester eisers in de gelegenheid gesteld om op het voornemen hun zienswijze kenbaar te maken. Eisers hebben op 24 maart 2020 hun zienswijzen kenbaar gemaakt.\n\n7. Daarop heeft de burgemeester bij de primaire besluiten van 28 april 2020 de voorgenomen sluiting gehandhaafd, maar volstaan met een sluitingsduur van zes maanden in plaats van twaalf. Bij het bestreden besluit is de burgemeester bij die besluiten gebleven.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n8. De rechtbank beoordeelt of de burgemeester de woning, de schuur en het bosperceel heeft mogen sluiten voor de duur van zes maanden. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.\n\n9. Het beroep is ongegrond.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesbelang\n\n10. De rechtbank moet ambtshalve de vraag beantwoorden of eisers nog procesbelang hebben bij de door hen ingestelde beroepen. De sluiting van het perceel is inmiddels beëindigd en ligt dan ook in het verleden. Dat brengt de vraag met zich wat eisers feitelijk nog kunnen bereiken met deze beroepsprocedures.\n\n11. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) kan belang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep bestaan indien wordt gesteld dat schade is geleden ten gevolge van bestuurlijke besluitvorming. Vereist wordt dat tot op zekere hoogte aannemelijk is gemaakt dat deze schade daadwerkelijk is geleden als gevolg van het bestreden besluit.Desgevraagd hebben eisers gesteld dat zij als gevolg van het bestreden besluit schade hebben omdat zij de huur moesten doorbetalen, terwijl zij geen gebruik konden maken van de woning en omdat het bestuursrechtelijke bestreden besluit mogelijk doorwerking heeft in een civiele procedure. Met inachtneming van de vaste rechtspraak oordeelt de rechtbank dat eisers met deze stellingen tot op zekere hoogte aannemelijk hebben gemaakt dat zij schade hebben geleden als gevolg van het bestreden besluit en dat zij daarom een belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van hun beroep.\n\nBeoordelingskader\n\n12. De rechtbank beoordeelt de beroepen volgens het beoordelingskader dat de Afdeling uiteen heeft gezet in haar uitspraak van 28 augustus 2019, in de uitspraken van de Afdeling over de evenredigheid van 2 februari 2022en in de uitspraken van de Afdeling van 6 juli 2022.\n\nBevoegdheid\n\n13. Desgevraagd hebben eisers op de zitting bevestigd dat zij de bevindingen, die zijn vermeld in bestuurlijke rapportage over wat en hoeveel in de woning, in de schuur en op het bosperceel is aangetroffen, niet bestrijden. De rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van die bevindingen.\n\n14. Eisers betogen dat de burgemeester niet bevoegd was om de woning te sluiten omdat de ruimtelijke en functionele samenhang met het bosperceel en de schuur ontbrak. Daarbij wijzen zij op de feitelijke situatie, dat de woning en de schuur losstaande bouwwerken zijn, dat de schuur vrij toegankelijk is via een brede oprit en geen rechtstreekse toegang heeft vanuit de woning en dat het bosperceel van de standplaats met de woning en schuur wordt gescheiden door een stenen muur zonder doorgang. Daarnaast stellen eisers dat de kadastrale gegevens niet alleszeggend zijn en dat zij het bosperceel niet huurden van de gemeente. Tijdens de zitting hebben eisers aangegeven dat zij niet langer het standpunt innemen dat er op de schuur geen camera’s waren gericht op het bosperceel.\n\n15. De burgemeester heeft in het verweerschrift onder verwijzing naar een drietal uitspraken van de Afdelingals volgt gereageerd op de beroepsgrond van eisers:\n\n“Uit al deze uitspraken volgt dat om te kunnen spreken van een ‘samenhangend geheel’\n\ner in de eerste plaats sprake moet zijn van ruimtelijke samenhang en daarnaast van\n\nfunctionele samenhang. Anders dan eisers beweren in hun (aanvullend) beroepschrift is\n\nde burgemeester niet alleen uitgegaan van de kadastrale eenheid. Dit laatst, ruimtelijke\n\nelement is slechts één van de (vele) factoren waarop de burgemeester baseert dat de\n\nwoning, schuur en het achterliggende bosperceel een samenhangend geheel zijn. De\n\nruimtelijke samenhang bestaat hieruit dat:\n\nde woning en de schuur op hetzelfde, als één geheel verhuurde kadastrale perceel gelegen zijn;\n\nhet perceel als één geheel is omsloten en als één geheel toegankelijk is via dezelfde toegang vanaf de openbare weg. De schuur is alleen via een smalle toegang die loopt langs de woonwagen te bereiken (zie ook de foto’s in de bestuurlijke rapportage van 26 februari 2020). Dat geldt ook voor het achter de schuur gelegen bosperceel;\n\nde schuur en woonwagen worden door dezelfde personen gehuurd en gebruikt, te weten [naam] en [naam] , alsmede hun kinderen;\n\nde schuur en woonwagen liggen praktisch tegen elkaar aan, daarmee in elkaars fysieke nabijheid. Tussen de schuur en de woonwagen is nauwelijks fysieke ruimte aanwezig, waardoor buiten het zicht vanuit de woning de schuur kan worden bereikt.\n\nIn het kader van de ruimtelijke samenhang mag ook het sluitingsdoel worden betrokken.\n\nEen gedeeltelijke sluiting — van bijvoorbeeld alleen de schuur of, zoals eisers lijken voor\n\nte staan, alleen het bosperceel zal ertoe leiden dat niet goed controleerbaar is wat er\n\ntijdens de sluiting op de rest van het perceel gebeurt. Een persoon zou geheel aan het\n\nzicht vanaf de openbare weg onttrokken, vanuit de woning de schuur of het daarachter\n\ngelegen bosperceel alsnog kunnen betreden. Dit zou afbreuk doen aan het doel van de\n\nsluiting, te weten het beëindigen van de overtreding en voorkoming van het herhaling en\n\nhet afgeven van een signaal dat het overtreden van de Opiumwet wordt gehandhaafd.\n\nDat er een afscheiding zou bestaan — hetgeen niet zo is — of zou zijn te maken tussen de\n\nwoning, de schuur en het bosperceel, laat daarmee onverlet dat het sluitingsdoel zich\n\nalsdan nog steeds verzet tegen het buiten de sluiting houden van delen van het\n\nsamenhangende geheel. Zie in dit verband ook de volgende overweging van de Afdeling\n\nin een uitspraak van 6 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2401:\n\n‘Hieruit blijkt onder meer dat de loods direct achter de woning ligt, dat tussen de woning en de loods een tuin ligt die is omheind en dat een uitgang van de loods uitkomt in de tuin. Dit betekent dat de loods, vanaf de openbare weg bezien, ongezien kan worden binnengetreden via de woning en de tuin. Indien de woning niet zou zijn gesloten dan was de bereikbaarheid van de loods gelet hierop vele malen gemakkelijker geweest. Dat [appellante] derden de toegang tot haar terrein had kunnen ontzeggen en bovendien het toegangshek had kunnen sluiten, geeft geen grond voor een ander oordeel. De burgemeester stelt in dit verband terecht dat de productie van amfetamine zich afspeelt in een criminele omgeving en hij heeft aannemelijk mogen achten dat [appellante], al dan niet met geweld, in dat geval gedwongen zou kunnen worden toegang te verlenen tot het terrein en de loods. Voorts heeft de burgemeester erop gewezen dat sluiting van de woning en het terrein nodig was om de loods achter de woning zichtbaar te onttrekken aan het illegale circuit, waardoor de bekendheid van de drugslaboratoria definitief kon worden beëindigd.’\n\nIn verband met de functionele samenhang tussen de woning, de schuur en het\n\nbosperceel, wijs ik namens de burgemeester op de volgende elementen waarop deze\n\nfunctionele samenhang met name is gestoeld:\n\n- in de schuur zijn munitie en huizen, alsmede onderdelen voor (vuur)wapens\n\naangetroffen, daaronder begrepen een onderdeel van een machinegeweer. Deze\n\nvoorwerpen werden ook aangetroffen in\u002Fop het bosperceel, tezamen met grote\n\nhoeveelheden harddrugs. De wapens, wapenonderdelen en munitie zijn — zeker\n\nin de gegeven context — aan te merken als drugs gerelateerd;\n\n- uit tapgesprekken is gebleken dat de schuur vrijwel dagelijks werd gebruikt als\n\noverleglocatie\u002Fhandelsplaats voor een CSV. In de schuur werden blijkens tapgesprekken doorlopend drugstransacties besproken (zie de bestuurlijke\n\nrapportage van 26 februari 2020);\n\n- uit een proces-verbaal van 21 februari 2019 en strafvonnis van 6 september\n\n2021 blijkt ook dat vermoedelijk MDMA is geleverd in de schuur. Ook is een\n\ntapgesprek in de schuur waargenomen waarin is gesproken over Barcelonapillen.\n\nHet betreft vermoedelijk de voorraad MDMA-pillen met daarop een logo\n\nvan FC Barcelona die in de ondergrondse ruimten in\u002Fop het bosperceel werden\n\naangetroffen;\n\n- blijkens tapgesprekken werden diverse gesprekken over — kort gezegd —\n\ndrugshandel in de schuur werden voortgezet in de woning op hetzelfde perceel\n\nen werd de woning ook bezocht door leden van het CSV;\n\n- in de woning zijn daarnaast grote contante geldbedragen aangetroffen,\n\nwaaronder in totaal € 256.650,- aan o.a. Deense Kronen. Het geld lag verstopt\n\nin de ouderlijke slaapkamer, in een kast onder de vloer. Het geld was in\n\ncoupures van bankbiljetten verpakt in plastic pakketjes;\n\n- door de strafrechter is bovendien bewezen bevonden (zie eerder genoemd\n\nvonnis van 6 september 2021) dat het in de woning aangetroffen geldbedrag —\n\nkort gezegd — een gedeelte van de ‘kas’ van het CSV betrof, in verband met de\n\no.a. op het perceel plaatsvindende illegale activiteiten.”\n\n16. De rechtbank onderschrijft het standpunt van de burgemeester bij het aannemen van ruimtelijke en functionele samenhang tussen het bosperceel, de schuur en de woning en de elementen die daarbij relevant zijn. De burgemeester heeft op goede gronden verwezen naar de rechtspraak van de Afdeling. Uit die rechtspraak volgt ook dat een bestuursorgaan, onverminderd zijn eigen verantwoordelijkheid om een besluit zorgvuldig voor te bereiden, in beginsel mag afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekende bestuurlijke rapportage, voor zover deze bevindingen eigen waarnemingen van de opsteller van de rapportage weergeven. Als die bevindingen worden betwist, dan zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zulke twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.\n\n18. Omdat eisers de bevindingen in de beschikbare bestuurlijke rapportages niet betwisten oordeelt de rechtbank dat kan worden uitgegaan van de juistheid daarvan, waaronder hetgeen als volgt in de aanvullende bestuurlijke rapportage van 22 juni 2020 is vermeld:\n\n“Relatie bos (terrein) en [adres]\n\nUit het strafrechtelijk\u002Fforensisch onderzoek is gebleken dat er meerdere (4x) camera’s waren aangebracht aan, onder andere, de achterzijde van de schuur, behorende bij perceel [adres] . De camera’s waren gericht op het bos (terrein) direct grenzend aan de achterzijde van de schuur en gaven vanuit een aangesloten en werkend beeldscherm, geplaatst in de betreffende schuur perceel [adres] , beelden van de plekken al waar de aangetroffen ondergrondse ruimten en het vat werden aangetroffen in het bos (terrein).\n\nVerondersteld wordt dat de camera’s aan de achterzijde van de schuur, gericht op het bos (terrein) bedoeld waren voor het zicht op de ondergrondse ruimten en het ingegraven vat waarin de inbeslaggenomen goederen werden aangetroffen. Uit onderzoek is gebleken dat er een directe relatie bestaat tussen deelnemers aan het CSV dat criminele activiteiten ontplooide vanuit de schuur aan de [adres] en de inbeslaggenomen goederen in het bosperceel (zie sporenonderzoek\u002FDNA hits).”\n\n19. De rechtbank concludeert dat de burgemeester terecht een ruimtelijke en functionele samenhang tussen de woning, de schuur en het bosperceel heeft aangenomen en bevoegd was tot sluiting van zowel het bosperceel, de schuur als de woning.\n\nEvenredigheid\n\n20. Eisers stellen dat de sluiting onevenredig is, omdat de burgemeester het tijdsverloop en de verwijtbaarheid van de bewoners onvoldoende heeft betrokken in de besluitvorming. Volgens eisers heeft de burgemeester ten onrechte ook niet meegewogen dat de gemeente als verhuurder van de woning belang heeft bij de sluiting omdat direct een procedure tot ontruiming is gestart nadat van rechtswege de ontbindingsbevoegdheid was ingeroepen.\n\n21. De rechtbank oordeelt dat de burgemeester het tijdsverloop voldoende heeft betrokken in de besluitvorming. In het primaire besluit is immers overwogen dat vanwege het tijdsverloop en omdat de omstandigheden als gevolg van het coronavirus het vinden van een vervangende woonruimte lange termijn bemoeilijken, de sluitingsduur wordt verkorten van de voorgenomen twaalf naar zes maanden. De rechtbank ziet geen aanleiding dat de sluitingsduur vanwege het tijdsverloop nog verder moet worden verkort. De burgemeester heeft terecht gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 8 december 2021,waaruit volgt dat pas na het verstrijken van één jaar sinds de datum dat de sluiting volgens het besluit zou moeten ingegaan, de burgemeester de noodzaak tot sluiting opnieuw moet beoordelen. In dit geval is die periode van één jaar echter nog niet verstreken.\n\n23. De rechtbank oordeelt dat de burgemeester zich er voldoende zorgvuldig en inzichtelijk van heeft vergewist dat de duur van de sluiting evenwichtig is en daarbij heeft kunnen betrekken dat [naam] en [naam] , gelet op de niet bestreden feiten en omstandigheden, een zeer ernstig verwijt treft. Aan de omstandigheid dat voor hun kinderen [naam] en [naam] mogelijk een verminderde mate van verwijtbaarheid geldt, kan niet de door eisers gewenste betekenis worden toegekend. Uit rechtspraak van de Afdelingvolgt immers dat ouders in beginsel verantwoordelijk zijn voor het vinden van vervangende woonruimte voor de kinderen. De burgemeester heeft hulp aangeboden, indien eisers daarin niet zouden kunnen slagen.\n\n24. Aan het door eisers gestelde belang van de gemeente als verhuurder van de woning kan bij de beoordeling van de evenwichtigheid van de sluiting evenmin relevante betekenis worden toegekend. Daarbij overweegt de rechtbank dat de ontbinding van de huurovereenkomst niet zozeer een gevolg is van de woningsluiting, maar van het feit dat gelet op de beschikbare gegevens sprake is van zeer ernstige activiteiten.\n\n25. De rechtbank concludeert dat de burgemeester bevoegd was om te sluiten voor een periode van zes maanden. De voor eisers nadelige gevolgen van de sluiting zijn niet onevenredig in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen en algemene belang. De burgemeester heeft met in achtneming van de rechtspraak van de Afdeling alle relevante omstandigheden en belangen betrokken bij de besluitvorming.\n\nConclusie en gevolgen\n\n26. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de burgemeester sluiting van de woning, de schuur en het bosperceel heeft mogen bevelen voor een duur van zes maanden. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. H.M.H. de Koning, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. V.A.C.M. Vonk, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 23 januari 2023.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Uitspraken van 1 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1520, en van 25 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2526.\n\n ECLI:NL:RVS:2019:2912.\n\n ECLI:NL:RVS:2022:285 en 335.\n\n Zie onder meer ECLI:NL:RVS:2022:1910, 1911, 1913 en 1916.\n\n De uitspraak van 7 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2401, de uitspraak van 14 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2456 en de uitspraak van 11 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1193.\n\n Zie onder andere de uitspraak van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1916, r.o. 5.3.\n\n ECLI:NL:RVS:2021:2756.\n\n Zie bijvoorbeeld de overzichtsuitspraak van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2023:332","2023-01-20T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:33.954Z",15,20,[184,185,186,11,187],2026,2025,2024,2022]