[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-administrative-law-nl-2026":3},{"detail":4,"years":202},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":41,"total":200,"page":14,"limit":201},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},97,"administrative-law-nl","Administrative Law","NL","2026-07-08T16:56:40.686Z",2026,[13,15,18,21,23,26,29,32,35,36,38,39],{"month":14,"count":14},1,{"month":16,"count":17},2,11,{"month":19,"count":20},3,16,{"month":22,"count":19},4,{"month":24,"count":25},5,9,{"month":27,"count":28},6,44,{"month":30,"count":31},7,18,{"month":33,"count":34},8,0,{"month":25,"count":34},{"month":37,"count":34},10,{"month":17,"count":34},{"month":40,"count":34},12,[42,55,62,72,80,87,95,102,109,116,123,131,140,147,154,162,170,177,184,193],{"id":43,"ecli":44,"slug":45,"caseNumber":46,"courtId":47,"decisionDate":48,"fullText":49,"summary":46,"language":50,"source":51,"sourceUrl":52,"sourceTimestamp":48,"parsedAt":53,"updatedAt":54},"614","ECLI:NL:RBDHA:2026:18758","ecli-nl-rbdha-2026-18758","",65,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.63151\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], verzoeker\n\nV-nummer: [nummer], (gemachtigde: mr. E. Ebes),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om de minister te veroordelen in de vergoeding van de proceskosten.\n\n1.1.. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen de kennelijk ongegrondverklaring van zijn asielaanvraag. De minister heeft dit besluit op 9 juni 2026 ingetrokken. Verzoeker heeft daarop het beroep ingetrokken en daarbij gevraagd om de minister te veroordelen in de vergoeding van de proceskosten.\n\n3. De minister heeft het besluit na het indienen van het beroep ingetrokken. Hieraan\n\nlegt de minister ten grondslag dat vanaf 23 maart 2026 voor Iran een besluit- en vertrekmoratorium voor de duur van zes maanden van kracht is. Op dit moment is onzeker hoe de situatie in Iran zich gaat ontwikkelen en welke gevolgen dat heeft voor de beoordeling van verzoeken om internationale bescherming. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank sprake is van (een situatie die is gelijk te stellen met) tegemoetkomen als bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht. De minister dient daarom de proceskosten van verzoeker te betalen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n4. Het verzoek wordt toegewezen. De minister moet de door verzoeker gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van\n\n€ 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars rechter, in aanwezigheid van A.W. Landman, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDeze uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.\n\nArtikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Artikel 8:75 en 8:75a van de Awb, nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht.\n\n Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18758","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:39.363Z",{"id":56,"ecli":57,"slug":58,"caseNumber":46,"courtId":47,"decisionDate":48,"fullText":59,"summary":46,"language":50,"source":51,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":48,"parsedAt":53,"updatedAt":61},"610","ECLI:NL:RBDHA:2026:18753","ecli-nl-rbdha-2026-18753","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.457\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], opposante, V-nummer: [nummer], (gemachtigde:mr. E.R. Hagenaars),\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank van 18 februari 2026 in het geding tussen\n\nopposante\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. Deze uitspraak op het verzet van opposante gaat over de uitspraak van de rechtbank van 18 februari 2026 waarin de rechtbank het beroep van opposante tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond heeft verklaard.\n\n1.1.. De rechtbank heeft het verzet op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: T.C. Vosman namens de minister, opposante en gemachtigde zijn niet verschenen.Beoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 18 februari 2026 terecht is geoordeeld dat de opgelegde beslistermijn van acht weken buiten redelijke twijfel terecht is vastgesteld. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.\n\n3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nHet beroep van opposante\n\n4. In de uitspraak van 23 september 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, het beroep van opposante tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond verklaard. De rechtbank heeft de minister opgelegd om binnen twee weken na de uitspraak een besluit te nemen op de aanvraag.\n\n5. Op 5 januari 2026 heeft eiser een opvolgend beroep niet tijdig beslissen ingediend. In de uitspraak van 18 februari 2026 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, het beroep van opposante gegrond verklaard.\n\nDe uitspraak van 18 februari 2026\n\n6. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat is toegestaan wanneer het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk gegrond verklaard. De reden hiervoor is dat de rechtbank heeft vastgesteld dat de beslistermijn is verstreken. De minister dient binnen acht weken na de dag van de uitspraak alsnog een besluit nemen op de aanvraag.\n\n7. De rechtbank heeft bij het bepalen van de beslistermijn aansluiting gezocht bij het Arnhemse sporenmodel, dat door de Afdelingals een redelijk uitgangspunt wordt beschouwd.\n\nGronden verzet\n\n8. Opposante stelt dat verweerder, gelet op de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 september 2025, reeds binnen twee weken een besluit had moeten nemen, maar dit heeft nagelaten. De in de uitspraak van 18 februari 2026 gestelde termijn van acht weken is volgens opposante daarom te ruim en in strijd met het doel van de procedure, namelijk het via een financiële prikkel afdwingen van tijdige besluitvorming. Opposante verzoekt om verkorting van deze beslistermijn.\n\nBeoordeling verzet\n\n9. De verzetsmogelijkheid strekt er uitsluitend toe te beoordelen of de bestuursrechter terecht tot een vereenvoudigde behandeling is overgegaan. Daarbij staat alleen ter beoordeling of de eerdere uitspraak kennelijk juist was. De verzetsrechter beoordeelt dus niet opnieuw de zaak in volle omgang, maar uitsluitend of redelijkerwijs geen twijfel kon bestaan over de uitkomst van de eerdere beslissing.\n\n10. In hetgeen opposante heeft aangevoerd ziet de verzetsrechter geen aanleiding om te twijfelen over de kennelijke uitkomst. Dat in een eerdere uitspraak een beslistermijn van twee weken is opgelegd doet hier niet aan af.\n\nConclusie en gevolgen\n\n11. Het verzet is ongegrond.\n\n12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het verzet ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van\n\nA.W. Landman, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\n12.1.\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n NL25.605.\n\n Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:2337 en ECLI:NL:RBDHA:2023:3590.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18753","2026-07-13T00:28:39.170Z",{"id":63,"ecli":64,"slug":65,"caseNumber":46,"courtId":66,"decisionDate":67,"fullText":68,"summary":46,"language":50,"source":51,"sourceUrl":69,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":53,"updatedAt":71},"763","ECLI:NL:CBB:2026:314","ecli-nl-cbb-2026-314",58,"2026-07-07T00:00:00.000Z","uitspraak\n\nCOLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN\n\nzaaknummer: 24\u002F426\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 7 juli 2026 op het hoger beroep van:\n [naam 1] B.V., te [vestigingsplaats]\n\n(gemachtigde: [naam 2] )\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 april 2024, kenmerk 23\u002F4659, in het geding tussen\n\n [naam 1]\n\nen\n\nde minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sportvoorheen: de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport\n\n(gemachtigde: mr. D.W. Gerritsen)\n\nProcesverloop in hoger beroep\n\n [naam 1] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 april 2024 (ECLI:NL:RBROT:2024:2908).\n\nDe minister heeft een verweerschrift ingediend.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen de gemachtigden van partijen.\n\nInleiding\n\n1.1. In het kader van het festival Dutch Valley 2022 is [naam 1] door de festivalorganisator ingehuurd om diverse biertappunten te verzorgen, waaronder een biertappunt in de zogenoemde Hip Hop tent. [naam 1] beschikte over de ontheffing voor het schenken van zwak-alcoholhoudende drank, als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Alcoholwet (ontheffing). Die ontheffing gold voor het gehele festivalterrein voor in totaal vijftien biertappunten, waaronder dus een in de Hip Hop tent. De organisator van het festival beschikte over de evenementenvergunning. De organisator verkocht festivalmunten waarmee bezoekers hun consumpties in de Hip Hop tent betaalden. Op het gehele festivalterrein gold een door de festivalorganisator ingesteld en aangeduid rookverbod.\n\n1.2. Op 14 augustus 2022 hebben twee toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit de Hip Hop tent geïnspecteerd op naleving van de Tabaks- en rookwarenwet (Trw), waaronder het handhaven van het rookverbod. In het van die inspectie door een van hen opgemaakte rapport van bevindingen van 9 december 2022, beschrijft de inspecteur dat hij heeft gezien dat meerdere mensen sigaretten en e-sigaretten (vapes) rookten, dat zij niet op het rookverbod werden aangesproken en dat er sigarettenpeuken op de grond lagen.\n\n2 De minister heeft [naam 1] met een besluit van 17 januari 2023 (boetebesluit) een boete van € 600,- opgelegd, omdat [naam 1] op 14 augustus 2022 in de Hip Hop tent het rookverbod niet heeft gehandhaafd, waartoe zij op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder e, van de Trw verplicht was. Met het besluit op bezwaar van 26 mei 2023 (bestreden besluit) is het bezwaar van [naam 1] ongegrond verklaard en de boete in stand gelaten.\n\nUitspraak van de rechtbank\n\n3 De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister [naam 1] terecht als overtreder van de in het bestreden besluit vermelde overtreding heeft aangemerkt en de boete van € 600,- heeft mogen opleggen. De rechtbank heeft het beroep van [naam 1] tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.\n\nStandpunten van partijen\n\n4.1. Zoals op zitting is besproken handhaaft [naam 1] alleen de hoger beroepsgrond dat zij geen overtreder is. Zij erkent dat het rookverbod in de Hip Hop tent niet werd gehandhaafd, maar betoogt dat de organisator van het festival dat had moeten doen. Die heeft het rookverbod ingesteld en aangeduid op het festivalterrein en had het moeten handhaven. Dit volgt uit de afspraken tussen [naam 1] en de festivalorganisator. [naam 1] is van mening dat zij alleen leverancier is van de biertappunten en het barpersoneel en stelt dat zij verder geen zeggenschap had.\n\n4.2. De minister heeft verzocht om de uitspraak van de rechtbank te bevestigen.\n\nWettelijk kader\n\n5 Het van toepassing zijnde wettelijke kader is vermeld in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nBeoordeling van het hoger beroep\n\n6.1. Het College komt tot het oordeel dat de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten en licht dit hieronder toe.\n\n6.2. De boete is aan [naam 1] opgelegd, omdat zij in de hoedanigheid van exploitant van een horeca-inrichting gehouden was tot het handhaven van het rookverbod en zij dit heeft nagelaten. Dat deze verplichting op de exploitant van de horeca-inrichting rust, volgt uit artikel 10, eerste lid, aanhef en onder e, van de Trw. Tussen partijen is niet in geschil dat het festivalterrein een horeca-inrichting is. Ook staat niet ter discussie dat de Hip Hop tent een lokaliteit is van die inrichting waarin het horecabedrijf werd uitgeoefend. Vaststaat ook dat het rookverbod op 14 augustus 2022 niet werd gehandhaafd in de Hip Hop tent.\n\n6.3. De vraag die in hoger beroep centraal staat, is of [naam 1] de exploitant van de horeca-inrichting is. Volgens [naam 1] blijkt uit de onderlinge afspraken dat de festivalorganisator de exploitant van de horeca-inrichting is. Met de rechtbank is het College van oordeel dat [naam 1] de exploitant van de horeca-inrichting is en dat zij het rookverbod had moeten handhaven. Hiertoe overweegt het College als volgt. Vaststaat dat [naam 1] de aanvrager en houder is van de ontheffing. Deze ontheffing gold voor het hele festivalterrein, waaronder ook het tappunt in de Hip Hop tent. Zonder deze ontheffing is het niet mogelijk om de horeca-inrichting te exploiteren. [naam 1] verkocht in de Hip Hop tent tegen betaling drankjes, waaronder bier, voor consumptie ter plaatse. Dat de organisator van het festival haar niet betaalde per consumptie, maar voor de dienst als geheel en dat bezoekers hun consumpties betaalden met festivalmunten maakt, anders dan [naam 1] betoogt, niet dat zij slechts leverancier van de bar en het barpersoneel was. Ook de afspraak dat de festivalorganisator beveiligers zou inhuren die op het festivalterrein, waaronder de Hip Hop tent, het rookverbod zouden handhaven, maakt niet dat [naam 1] niet de exploitant is van de Hip Hop tent. De hoedanigheid van exploitant van de Hip Hop tent verschuift niet van [naam 1] naar de festivalorganisator omdat zij een afspraak over het handhaven van het rookverbod in de Hip Hop tent hebben gemaakt. Deze afspraak, en de gestelde omstandigheid dat [naam 1] geen zeggenschap had over de beveiligers, ontslaan haar niet van de op haar als exploitant rustende verplichting om ervoor te zorgen dat in de Hip Hop tent het rookverbod wordt gehandhaafd.\n\n6.4. Uit het vorenstaande volgt dat [naam 1] als exploitant van de Hip Hop tent wettelijk verplicht was om daar het rookverbod te handhaven. Dat [naam 1] met de organisator is overeengekomen dat die het rookverbod in de Hip Hop tent zou handhaven, wat ook blijkt uit de omstandigheid dat zij de opgelegde boete aan hem heeft doorbelast, heeft niet tot het resultaat geleid dat het rookverbod in de Hip Hop tent daadwerkelijk werd gehandhaafd. Dat komt voor rekening en risico van [naam 1] op wie de wettelijke verplichting tot het handhaven van het rookverbod in de Hip Hop tent rustte. Zij is in het bestreden besluit terecht als overtreder aangemerkt en de minister was daarom bevoegd om haar een boete op te leggen.\n\n6.5. Dat de minister naar eigen zeggen ook de organisator van het festival had kunnen beboeten voor het niet handhaven van het rookverbod op het festivalterrein maakt niet dat [naam 1] met betrekking tot de Hip Hop tent geen overtreder is van de verplichting om daar het rookverbod te handhaven. De organisator en [naam 1] hebben beiden een eigen verantwoordelijkheid bij het handhaven van het rookverbod.\n\n6.6. De situatie dat de organisator van het festival over de ontheffing beschikt en de exploitant is van het festivalterrein als horeca-inrichting, doet zich hier niet voor. Dat was wel het geval in de zaak die tot de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 juni 2020 (ECLI:NL:RBROT:2020:5336) heeft geleid, waarnaar [naam 1] ter ondersteuning van haar standpunt verwijst. Aan die uitspraak komt daarom niet de betekenis toe die [naam 1] daar in dit geding aan toegekend wil zien.\n\nSlotsom\n\n7 Het hoger beroep slaagt niet. Het College zal de uitspraak van de rechtbank bevestigen.\n\n8 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.\n\nBeslissing\n\nHet College bevestigt de uitspraak van de rechtbank.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Smorenburg, mr. A. van Gijzen en mr. C. de Kruif, in aanwezigheid van mr. J.W.E. Pinckaers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.\n\nw.g. M.M. Smorenburg w.g. J.W.E. Pinckaers\n\nBIJLAGE WETTELIJK KADER\n\nTabaks- en rookwarenwet\n\nArtikel 1\n\nIn deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: [..]\n\nhoreca-inrichting: a. inrichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Alcoholwet; [..]\n\nArtikel 10 1 In de navolgende gevallen is de navolgende persoon of het navolgende orgaan verplicht tot het instellen, aanduiden en handhaven van een rookverbod: [..] e. in een horeca-inrichting: de exploitant van die horeca-inrichting; [..]\n\nAlcoholwet\n\nArtikel 1\n\n1 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder: [..] – lokaliteit: een besloten ruimte, onderdeel uitmakend van een inrichting;\n\n– horecalokaliteit: een van een afsluitbare toegang voorziene lokaliteit, onderdeel uitmakend van een inrichting waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, in ieder geval bestemd voor het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse; [..]\n\n– inrichting: de lokaliteiten waarin het slijtersbedrijf of het horecabedrijf wordt uitgeoefend, met de daarbij behorende terrassen voor zover die terrassen in ieder geval bestemd zijn voor het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse, welke lokaliteiten al dan niet onderdeel uitmaken van een andere besloten ruimte;\n\n[..]","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2026:314","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:46.997Z",{"id":73,"ecli":74,"slug":75,"caseNumber":46,"courtId":66,"decisionDate":67,"fullText":76,"summary":46,"language":50,"source":51,"sourceUrl":77,"sourceTimestamp":78,"parsedAt":53,"updatedAt":79},"1230","ECLI:NL:CBB:2026:319","ecli-nl-cbb-2026-319","uitspraak\n\nCOLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN\n\nzaaknummer: 25\u002F30\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [naam 1], handelend onder de naam [naam 2], te [woonplaats] (onderneming)\n\nen\n\nde minister van Economische Zaken en Klimaat\n\n(gemachtigde: mr. M.J.H. van der Burgt)\n\nProcesverloop\n\nMet het besluit van 20 april 2023 (verleningsbesluit) heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor een tegemoetkoming op grond van de Regeling tegemoetkoming energiekosten (TEK) ingewilligd, en een voorschot verleend van € 7.318,44.\n\nMet het besluit van 2 september 2024 (vaststellingsbesluit) heeft de minister de tegemoetkoming van de onderneming vastgesteld op € 414,54 en het te veel betaalde voorschot van € 6.903,90 teruggevorderd.\n\nMet het besluit van 2 december 2024 (bestreden besluit) heeft de minister het daartegen door de onderneming gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.\n\nDe onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe minister heeft een verweerschrift ingediend.\n\nDe zitting was op 21 mei 2026. Aan de zitting heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen.\n\nOverwegingen\n\n1 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.\n\nInleiding2.1. De onderneming heeft op grond van de TEK een tegemoetkoming aangevraagd voor haar energiekosten. De TEK is in het leven geroepen in verband met de sterk gestegen energieprijzen als gevolg van de oorlog in Oekraïne. Met de TEK nam de overheid tijdelijk een deel van de gestegen energiekosten over van ondernemers uit het midden- en kleinbedrijf (mkb) waarbij de energiekosten een relatief groot deel uitmaken van de totale kosten. De TEK gold voor een periode van 14 maanden (van 1 november 2022 tot 31 december 2023).2.2. \n\nIn deze zaak moet het College beoordelen of de minister de tegemoetkoming van de onderneming mocht vaststellen op € 414,54 en het te veel betaalde voorschot mocht terugvorderen. In het verleningsbesluit heeft de minister bij de berekening van de maximale hoogte van de tegemoetkoming gebruikgemaakt van de gemiddelde energieprijzen in het laatste kwartaal van 2022. Bij de vaststelling is hij uitgegaan van de gemiddelde energieprijzen in 2023 (modelprijs 2023). In dat jaar bleken de energieprijzen te zijn gedaald, waardoor veel ondernemers niet de hoge energiekosten hoefden te betalen die bij de totstandkoming van de TEK waren voorzien. Voor veel ondernemers, waaronder de onderneming, is het gevolg daarvan dat zij een te hoog voorschot hebben ontvangen en dat voorschot naar aanleiding van de lagere vaststelling (gedeeltelijk) moeten terugbetalen.\n\nStandpunt van de onderneming\n\n3 De onderneming is het er niet mee eens dat de minister vrijwel het hele voorschot van haar heeft teruggevorderd. Hierdoor komt de onderneming in ernstige financiële problemen. Zij doet ook een beroep op het vertrouwensbeginsel. De onderneming voert aan dat zij erop mocht vertrouwen dat de subsidie zou worden vastgesteld op een bedrag, gelijk aan het aan haar toegekende voorschot van € 7.318,44. Zij heeft haar bedrijfsvoering en financiële planning daarop afgestemd. Ook voert zij aan dat het evenredigheidsbeginsel is geschonden, omdat de plotselinge terugvordering grote consequenties heeft voor de onderneming en deze onder grote druk zet. Daarnaast voert zij aan dat er sprake is van een onrechtmatige overheidsdaad doordat de minister de tegemoetkoming onjuist en misleidend heeft berekend, zodat ondernemers onverwacht grote bedragen moeten terugbetalen.\n\nStandpunt van de minister\n\n4 De minister stelt zich op het standpunt dat hij de tegemoetkoming juist heeft vastgesteld. De keuze om bij de vaststelling van de tegemoetkoming gebruik te maken van de modelprijs 2023 is op zichzelf niet onevenredig. Verder is het enkele feit dat de onderneming financieel nadeel ondervindt door het vaststellingsbesluit, onvoldoende voor de conclusie dat het besluit onevenwichtig is. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de minister moest afzien van de vaststelling en terugvordering, is de minister niet gebleken. Er is geen sprake van strijd met het evenredigheidsbeginsel. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt ook niet. De minister heeft de onderneming al in het verleningsbesluit gewezen op de mogelijkheid dat de tegemoetkoming lager kan uitvallen, afhankelijk van de ontwikkeling van de energieprijzen in 2023. Ook heeft de minister geen toezegging of andere uitlating gedaan of gedraging verricht op basis waarvan de onderneming mocht aannemen dat haar tegemoetkoming zou worden vastgesteld op het verleende voorschot of meer. Tot slot is er geen sprake van een onrechtmatige overheidsdaad, omdat er geen sprake is van een onrechtmatig besluit.\n\nOordeel van het College\n\nDe grondslag voor de vaststelling\n\n5.1. Uit de tekst van het bestreden besluit blijkt dat de minister de vaststelling heeft gebaseerd op artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hij is er daarbij van uitgegaan dat de subsidie in dit geval ‘lager wordt vastgesteld’ als bedoeld in dat artikel, omdat het bedrag genoemd in het vaststellingsbesluit lager is dan het bedrag genoemd in het verleningsbesluit. Zoals het College echter recent heeft geoordeeld, is die grondslag voor de vaststelling in dit soort situaties niet juist (zie de uitspraken van 4 november 2025, ECLI:NL:CBB:2025:589 en ECLI:NL:CBB:2025:590; en de uitspraken van 17 maart 2026, ECLI:NL:CBB:2026:113 en ECLI:NL:CBB:2026:120). In het verweerschrift heeft de minister bevestigd dat de subsidievaststelling in het bestreden besluit ten onrechte is gebaseerd op artikel 4:46, tweede lid, van de Awb. Hij bevestigt het oordeel van het College uit voornoemde uitspraken dat het in deze zaak gaat om een vaststelling conform verlening, als bedoeld in artikel 4:46, eerste lid, van de Awb. Dat het vaststellingsbedrag lager is dan het verleningsbedrag is niet het gevolg van een handelen of nalaten van de onderneming, maar het gevolg van de daling van de energieprijzen.\n\n5.2. \n\nEen besluit tot verlening van subsidie bevat ofwel het bedrag van de subsidie ofwel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald (artikel 4:31, eerste lid, van de Awb). Als het besluit het bedrag van de subsidie niet vermeldt, dan moet dat besluit vermelden op welk bedrag de subsidie maximaal kan worden vastgesteld (artikel 4:31, tweede lid, van de Awb). In het verleningsbesluit van de onderneming is sprake van deze tweede situatie. Daarin staat immers:\n\n“Het subsidiebedrag dat u maximaal kunt krijgen bedraagt € 20.909,82. Hiervan ontvangt u een voorschot van 35%.”\n\nIn het verleningsbesluit staat daarnaast de volgende passage:\n\n“Het definitieve subsidiebedrag kan lager uitvallen, afhankelijk van de ontwikkeling van de energieprijzen in 2023. De energieprijzen waarmee ik de hoogte van uw subsidie definitief vaststel worden begin 2024 bekendgemaakt.”\n\nHet verleningsbesluit bevat vervolgens de berekeningswijze en noemt de bedragen en eenheden waarmee de maximale subsidie is berekend. Uit de bedragen waarmee is gerekend, blijkt dat dit de maximale referentieprijzen zijn die in artikel 3, tweede lid, van de TEK zijn genoemd. Het College stelt daarom vast dat het verleningsbesluit een besluit is, als bedoeld in artikel 4:31, tweede lid, van de Awb. Vanwege de in 2023 fors gedaalde energieprijzen wijkt de vastgestelde tegemoetkoming aanzienlijk af van deze maxima. In het vaststellingsbesluit is gerekend met de veel lagere referentieprijzen die in februari 2024 door het CBS zijn vastgesteld. Dat leidt (uiteraard) tot een lagere tegemoetkoming. De berekeningswijze die de minister heeft gehanteerd bij de vaststelling is echter identiek aan die van de verlening. Er is daarom sprake van een vaststelling conform verlening in de zin van artikel 4:46, eerste lid, van de Awb en niet van een lagere vaststelling in de zin van artikel 4:46, tweede lid, van de Awb.\n\n5.3. Omdat de minister een onjuiste bevoegdheidsgrondslag heeft gehanteerd in het bestreden besluit, zal het College het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Hierna zal het College beoordelen of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. Dat kan het geval zijn als de minister de tegemoetkoming op de juiste wijze heeft berekend en er geen andere redenen zijn om van de vastgestelde tegemoetkoming af te wijken.\n\nDe berekening van de vastgestelde tegemoetkoming\n\n6.1. De berekeningswijze van de hoogte van de tegemoetkoming volgt uit de artikelen 3, 6 en 7 van de TEK. Het College stelt vast dat de minister deze berekeningswijze zowel bij de verlening als bij de vaststelling heeft gebruikt. Daarbij is bij de vaststelling niet (zoals bij de verlening) uitgegaan van de maximale vergoeding per eenheid energie, maar van de referentieprijs 2023, zoals voorgeschreven in artikel 7 van de TEK. Dat de vaststelling lager uitvalt dan het maximale bedrag dat in de verlening was vermeld, is rechtstreeks terug te voeren op de in 2023 fors gedaalde energieprijzen. Daardoor vallen de referentieprijzen 2023 waarmee bij de vaststelling wordt gerekend, veel lager uit.\n\n6.2. In zijn uitspraak van 13 januari 2026 (ECLI:NL:CBB:2026:3, vanaf 6.1) heeft het College het gebruik van de referentieprijzen van 2023 geaccepteerd. Het is de minister niet toegestaan te rekenen met andere prijzen dan de referentieprijzen van 2023. Wanneer met die bedragen wordt gerekend, is de uitkomst inderdaad een te ontvangen tegemoetkoming van € 414,54. Het College oordeelt dat de berekening van de vastgestelde tegemoetkoming correct is.\n\nToetsing aan het evenredigheidsbeginsel\n\n7.1. De onderneming heeft een beroep gedaan op het evenredigheidsbeginsel door te stellen dat de vaststelling en de daaraan gekoppelde terugvordering ervoor zorgt dat de onderneming onvoldoende wordt gecompenseerd voor de hoge energieprijzen. Het College merkt voor de volledigheid op dat het de keuze in de TEK om referentieprijzen over 2023 te hanteren in de onder 6.2 genoemde uitspraak van 13 januari 2026 al (exceptief) heeft getoetst en die keuze heeft geaccepteerd. De onderneming heeft geen argumenten aangevoerd die dat oordeel anders maken.\n\n7.2. Zoals het College onder 5.2 heeft geoordeeld, had de minister de vaststelling moeten baseren op artikel 4:46, eerste lid, van de Awb. Dat is een gebonden bevoegdheid. In zijn uitspraak van 26 maart 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:190) heeft het College uitgelegd hoe de (rechtstreekse) toetsing aan het evenredigheidsbeginsel van een gebonden besluit moet plaatsvinden. De vraag die daarbij moet worden beantwoord, is of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat het bestreden besluit in de gegeven omstandigheden zozeer onevenwichtig is dat sprake is van onevenredig nadeel. De onderneming heeft aangevoerd dat de plotselinge terugvordering ernstige financiële consequenties heeft en de onderneming onder grote druk zet. Het College oordeelt dat zij deze omstandigheden alleen heeft gesteld en niet met stukken heeft onderbouwd.\n\n7.3. De bevoegdheid om onverschuldigd betaalde voorschotten terug te vorderen, is een discretionaire bevoegdheid. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 2 februari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:285) uitgelegd hoe de (rechtstreekse) toetsing aan het evenredigheidsbeginsel van besluiten gebaseerd op een discretionaire bevoegdheid moet plaatsvinden. De vraag die daarbij moet worden beantwoord, is of het bestreden besluit geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is.\n\n7.4. Over de geschiktheid en noodzakelijkheid van de terugvordering van een subsidie(voorschot) heeft het College, in zaken over andere subsidieregelingen, al geoordeeld dat als een subsidie(voorschot) ten onrechte is betaald, terugvordering een geschikt en noodzakelijk middel is om ervoor te zorgen dat het beschikbaar gestelde geld terechtkomt bij de ondernemingen waarvoor de subsidieregeling is bedoeld (zie onder meer de uitspraak van 28 maart 2023, ECLI:NL:CBB:2023:156). Met betrekking tot de evenwichtigheid van de terugvordering oordeelt het College dat er weliswaar een groot bedrag wordt teruggevorderd, maar de onderneming dat bedrag niet nodig heeft gehad waar het voor bedoeld was, namelijk om de kosten voor gas en elektriciteit te dragen. De onderneming heeft bovendien geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de continuïteit van haar bedrijf in gevaar is en niet is gebleken dat zij niet kan voldoen aan de met de minister overeengekomen betalingsregeling. De terugvordering van het voorschot is daarom niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel.\n\nBeroep op het vertrouwensbeginsel\n\n8 Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt ook niet. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel moet de onderneming in ieder geval aannemelijk maken dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de onderneming in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Daar is in dit geval geen sprake van. Het College volgt de minister in zijn standpunt dat geen toezegging of andere uitlating is gedaan of gedraging is verricht op basis waarvan de onderneming mocht aannemen dat haar subsidie zou worden vastgesteld op het verleende voorschot of meer. De minister heeft er terecht op gewezen dat in het verleningsbesluit staat vermeld dat het subsidiebedrag lager kan uitvallen door de ontwikkeling van de energieprijzen.\n\n9 Uit het voorgaande (onder 5-8) volgt dat geen sprake is van een onrechtmatig besluit en dus ook niet van een onrechtmatige overheidsdaad. De overige beroepsgronden behoeven daarom geen nadere bespreking.\n\nConclusie\n\n10 Het beroep is gegrond, omdat de minister de vaststellingsbevoegdheid in het bestreden besluit ten onrechte heeft gebaseerd op artikel 4:46, tweede lid, van de Awb. Het College zal het bestreden besluit daarom vernietigen. Het College ziet echter aanleiding om op grond van artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten, omdat de minister de vaststelling op de juiste wijze heeft berekend en geen sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.\n\n11 Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.\n\nBeslissing\n\nHet College:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit;\n\nbepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;\n\ndraagt de minister op om het door de onderneming betaalde griffierecht van € 194,- te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Jacobs, in aanwezigheid van mr. L. ten Hove, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.\n\nw.g. M.J. Jacobs w.g. L. ten Hove\n\nBijlage\n\nAlgemene wet bestuursrecht (Awb)\n\nArtikel 4:31\n\n1. De beschikking tot subsidieverlening vermeldt het bedrag van de subsidie, dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald.\n\n2. Indien de beschikking tot subsidieverlening het bedrag van de subsidie niet vermeldt, vermeldt zij het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.\n\nArtikel 4:46, eerste en tweede lid\n\n1. Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, stelt het bestuursorgaan de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast.\n\n2. De subsidie kan lager worden vastgesteld indien:\n\na. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden;\n\nb. de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;\n\nc. de subsidie-ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid, of\n\nd. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidie-ontvanger dit wist of behoorde te weten.\n\nRegeling tegemoetkoming energiekosten (TEK)\n\nArtikel 3\n\n1. Onverminderd het derde lid bedraagt de leveringsprijs, die een mkb-onderneming zelf dient te dragen, voor elektriciteit € 0,35 per kWh en voor gas € 1,19 per m3.\n\n2. De referentieprijs 2022 bedraagt voor elektriciteit € 0,59 per kWh en voor gas € 2,41 per m3.\n\n3. De referentieprijs 2023 voor elektriciteit en gas bedraagt, voor zover het in deze regeling gebruikt wordt, nooit meer dan € 0,95 per kWh geleverde elektriciteit respectievelijk € 3,19 per m3 geleverd gas.\n\n4. Voor de berekening van het voorschot, bedoeld in artikel 11, wordt voor elektriciteit een prijs gehanteerd van € 0,60 per kWh en voor gas € 2,00 per m3.\n\n5. De prijzen, bedoeld in het eerste en vierde lid, alsmede de maximum prijzen, bedoeld in het derde lid, zijn inclusief energiebelasting en opslag duurzame energie en exclusief omzetbelasting.\n\nArtikel 6\n\nDe subsidie voor een mkb-onderneming of een groep bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten met een maximum van € 160.000.\n\nArtikel 7, eerste en tweede lid\n\n1. Voor subsidie komen in aanmerking de kosten voor de levering van elektriciteit of gas, die voortkomen uit een zakelijke energieleveringsovereenkomst met een leverancier, en voor zover deze bestaan uit:\n\na. het verschil van de referentieprijs 2023 voor elektriciteit en de leveringsprijs voor elektriciteit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, vermenigvuldigd met het verschil van de standaardjaarafname en de standaardjaarinvoeding; of\n\nb. het verschil van de referentieprijs 2023 voor gas en de leveringsprijs voor gas, bedoeld in artikel 3, eerste lid, vermenigvuldigd met het standaardjaarverbruik.\n\n2. In aanvulling op het eerste lid, komen de in dat lid bedoelde kosten voor subsidie in aanmerking voor zover die gaan over de periode vanaf 1 november 2022 tot en met 31 december 2023. De kosten, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, worden vermenigvuldigd met 14\u002F12.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2026:319","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:11.197Z",{"id":81,"ecli":82,"slug":83,"caseNumber":46,"courtId":66,"decisionDate":67,"fullText":84,"summary":46,"language":50,"source":51,"sourceUrl":85,"sourceTimestamp":78,"parsedAt":53,"updatedAt":86},"1232","ECLI:NL:CBB:2026:318","ecli-nl-cbb-2026-318","uitspraak\n\nCOLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN\n\nzaaknummer: 25\u002F118\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [naam] B.V., te [woonplaats] (vennootschap)\n\nen\n\nde minister van Economische Zaken en Klimaat\n\n(gemachtigde: mr. M.J.H. van der Burgt)\n\nProcesverloop\n\nMet het besluit van 2 november 2023 (verleningsbesluit) heeft de minister de aanvraag van de vennootschap voor een tegemoetkoming op grond van de Regeling tegemoetkoming energiekosten (TEK) ingewilligd, en een tegemoetkoming van maximaal € 12.767,65 verleend.\n\nMet het besluit van 30 mei 2024 (vaststellingsbesluit) heeft de minister de tegemoetkoming van de vennootschap vastgesteld op € 18,06 en het te veel betaalde voorschot van € 4.450,62 teruggevorderd.\n\nMet het besluit van 2 januari 2025 (bestreden besluit) heeft de minister het daartegen door de vennootschap gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.\n\nDe vennootschap heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe minister heeft een verweerschrift ingediend.\n\nDe zitting was op 21 mei 2026. Aan de zitting heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen.\n\nOverwegingen\n\n1 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.\n\nInleiding2.1. De vennootschap heeft op grond van de TEK een tegemoetkoming aangevraagd voor haar energiekosten. De TEK is in het leven geroepen in verband met de sterk gestegen energieprijzen als gevolg van de oorlog in Oekraïne. Met de TEK nam de overheid tijdelijk een deel van de gestegen energiekosten over van ondernemers uit het midden- en kleinbedrijf (mkb) waarbij de energiekosten een relatief groot deel uitmaken van de totale kosten. De TEK gold voor een periode van 14 maanden (van 1 november 2022 tot 31 december 2023).2.2. \n\nIn deze zaak moet het College beoordelen of de minister de tegemoetkoming van de vennootschap mocht vaststellen op € 18,06 en het te veel betaalde voorschot mocht terugvorderen. In het verleningsbesluit heeft de minister bij de berekening van de maximale hoogte van de tegemoetkoming gebruikgemaakt van de gemiddelde energieprijzen in het laatste kwartaal van 2022. Bij de vaststelling is hij uitgegaan van de gemiddelde energieprijzen in 2023 (modelprijs 2023). In dat jaar bleken de energieprijzen te zijn gedaald, waardoor veel ondernemers niet de hoge energiekosten hoefden te betalen die bij de totstandkoming van de TEK waren voorzien. Voor veel ondernemers, waaronder de vennootschap, is het gevolg daarvan dat zij een te hoog voorschot hebben ontvangen en dat voorschot naar aanleiding van de lagere vaststelling (gedeeltelijk) moeten terugbetalen.\n\nStandpunt van de vennootschap\n\n3 De vennootschap is het er niet mee eens dat de minister vrijwel het hele voorschot van haar heeft teruggevorderd. Zij stelt dat de aanvraag door een tussenpersoon is gedaan en dat de vennootschap geen financieel voordeel heeft gehad omdat de voorschotten niet door haar zijn gehouden of gebruikt. Bovendien zijn haar energiekosten niet gedaald en is zij hoge energiekosten blijven betalen, ondanks de omstandigheid dat de onderneming niet volledig operationeel was vanwege ernstige gezondheidsproblemen van de directeur-eigenaar. De directeur-eigenaar van de vennootschap is lange tijd niet in staat geweest om actief te zijn binnen het bedrijf en heeft op 9 januari 2025 een hartoperatie ondergaan. Hierdoor is het niet mogelijk voor de vennootschap om het ontvangen voorschot volledig terug te betalen.\n\nStandpunt van de minister\n\n4 De minister stelt zich op het standpunt dat hij de tegemoetkoming juist heeft vastgesteld. De keuze om bij de vaststelling van de tegemoetkoming gebruik te maken van de modelprijs 2023 is op zichzelf niet onevenredig. Verder is het enkele feit dat de vennootschap financieel nadeel ondervindt door het vaststellingsbesluit, onvoldoende voor de conclusie dat het besluit onevenwichtig is. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de minister moest afzien van de vaststelling en terugvordering, is de minister niet gebleken. Er is geen sprake van strijd met het evenredigheidsbeginsel. De minister heeft de vennootschap al in het verleningsbesluit gewezen op de mogelijkheid dat het subsidiebedrag lager kan uitvallen, afhankelijk van de ontwikkeling van de energieprijzen in 2023. Dat de vennootschap voor het indienen van de aanvraag een derde heeft ingeschakeld is geen bijzondere omstandigheid op basis waarvan zou moeten worden afgeweken van de bepalingen uit de TEK. De vennootschap heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de continuïteit van de onderneming in gevaar is of dat de vennootschap het met de minister overeengekomen bedrag niet zou kunnen terugbetalen. Dat de directeur-eigenaar van de vennootschap op leeftijd is en gezondheidsproblemen heeft, maakt ook niet dat de terugvordering van het onverschuldigd betaalde voorschot onevenwichtig is. Bovendien heeft de minister de mogelijkheid geboden om ruime terugbetalingsregelingen te treffen en is zij altijd in contact gebleven met de aanvragers over de ontwikkelingen.\n\nOordeel van het College\n\nDe grondslag voor de vaststelling\n\n5.1. Uit het verweerschrift blijkt dat de minister de vaststelling heeft gebaseerd op artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hij is er daarbij van uitgegaan dat de subsidie in dit geval ‘lager wordt vastgesteld’ als bedoeld in dat artikel, omdat het bedrag genoemd in het vaststellingsbesluit lager is dan het bedrag genoemd in het verleningsbesluit. Zoals het College echter recent heeft geoordeeld, is die grondslag voor de vaststelling in dit soort situaties niet juist (zie de uitspraken van 4 november 2025, ECLI:NL:CBB:2025:589 en ECLI:NL:CBB:2025:590; en de uitspraken van 17 maart 2026, ECLI:NL:CBB:2026:113 en ECLI:NL:CBB:2026:120). In het verweerschrift heeft de minister ook bevestigd dat de subsidievaststelling in het bestreden besluit ten onrechte is gebaseerd op artikel 4:46, tweede lid, van de Awb. Hij bevestigt het oordeel van het College uit voornoemde uitspraken dat het in deze zaak gaat om een vaststelling conform verlening, als bedoeld in artikel 4:46, eerste lid, van de Awb. Dat het vaststellingsbedrag lager is dan het verleningsbedrag is niet het gevolg van een handelen of nalaten van de vennootschap, maar het gevolg van de daling van de energieprijzen.\n\n5.2. \n\nEen besluit tot verlening van subsidie bevat ofwel het bedrag van de subsidie ofwel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald (artikel 4:31, eerste lid, van de Awb). Als het besluit het bedrag van de subsidie niet vermeldt, dan moet dat besluit vermelden op welk bedrag de subsidie maximaal kan worden vastgesteld (artikel 4:31, tweede lid, van de Awb). In het verleningsbesluit van de vennootschap is sprake van deze tweede situatie. Daarin staat immers:\n\n“Het subsidiebedrag dat u maximaal kunt krijgen bedraagt € 12.767,65. Als uw\n\nsubsidiabele kosten hoger zijn dan € 160.000, dan is uw subsidiebedrag\n\nbegrensd op € 160.000.\n\nU ontvangt een voorschot van 35% van de subsidie vóór begrenzing op het\n\nmaximale subsidiebedrag van € 160.000. Het voorschot zelf is ook begrensd\n\nop € 160.000.\n\nHet definitieve subsidiebedrag kan lager uitvallen, afhankelijk van de ontwikkeling van de energieprijzen in 2023. De energieprijzen waarmee ik de hoogte van uw subsidie definitief vaststel worden begin 2024 bekendgemaakt.”\n\nHet verleningsbesluit bevat vervolgens de berekeningswijze en noemt de bedragen en eenheden waarmee de maximale subsidie is berekend. Uit de bedragen waarmee is gerekend, blijkt dat dit de maximale referentieprijzen zijn die in artikel 3, tweede lid, van de TEK zijn genoemd. Het College stelt daarom vast dat het verleningsbesluit een besluit is, als bedoeld in artikel 4:31, tweede lid, van de Awb. Vanwege de in 2023 fors gedaalde energieprijzen wijkt de vastgestelde tegemoetkoming aanzienlijk af van deze maxima. In het vaststellingsbesluit is gerekend met de veel lagere referentieprijzen die in februari 2024 door het CBS zijn vastgesteld. Dat leidt (uiteraard) tot een lagere tegemoetkoming. De berekeningswijze die de minister heeft gehanteerd bij de vaststelling is echter identiek aan die van de verlening. Er is daarom sprake van een vaststelling conform verlening in de zin van artikel 4:46, eerste lid, van de Awb en niet van een lagere vaststelling in de zin van artikel 4:46, tweede lid, van de Awb.\n\n5.3. Omdat de minister een onjuiste bevoegdheidsgrondslag heeft gehanteerd in het bestreden besluit, zal het College het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Hierna zal het College beoordelen of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. Dat kan het geval zijn als de minister de tegemoetkoming op de juiste wijze heeft berekend en er geen andere redenen zijn om van de vastgestelde tegemoetkoming af te wijken.\n\nDe berekening van de vastgestelde tegemoetkoming\n\n6.1. De berekeningswijze van de hoogte van de tegemoetkoming volgt uit de artikelen 3, 6 en 7 van de TEK. Het College stelt vast dat de minister deze berekeningswijze zowel bij de verlening als bij de vaststelling heeft gebruikt. Daarbij is bij de vaststelling niet (zoals bij de verlening) uitgegaan van de maximale vergoeding per eenheid energie, maar van de referentieprijs 2023 zoals voorgeschreven in artikel 7 van de TEK. Dat de vaststelling wat het bedrag betreft lager uitvalt dan het maximale bedrag dat in de verlening was vermeld, is rechtstreeks terug te voeren op de in 2023 fors gedaalde energieprijzen. Daardoor vallen de referentieprijzen 2023 waarmee bij de vaststelling wordt gerekend, veel lager uit.\n\n6.2. In zijn uitspraak van 13 januari 2026 (ECLI:NL:CBB:2026:3, vanaf 6.1) heeft het College het gebruik van de referentieprijzen van 2023 geaccepteerd. Het is de minister niet toegestaan te rekenen met andere prijzen dan de referentieprijzen van 2023. Wanneer met die bedragen wordt gerekend, is de uitkomst inderdaad een te ontvangen tegemoetkoming van € 18,06. Het College oordeelt dat de berekening van de vastgestelde tegemoetkoming correct is.\n\nToetsing aan het evenredigheidsbeginsel\n\n7.1. Het College vat het beroep van de vennootschap op als een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Het College merkt voor de volledigheid op dat het College de keuze in de TEK om referentieprijzen over 2023 te hanteren in de onder 6.2 genoemde uitspraak van 13 januari 2026 al (exceptief) heeft getoetst en die keuze heeft geaccepteerd. De vennootschap heeft geen argumenten aangevoerd die dat oordeel anders maken.\n\n7.2. Zoals het College onder 5.2 heeft geoordeeld, had de minister de vaststelling moeten baseren op artikel 4:46, eerste lid, van de Awb. Dat is een gebonden bevoegdheid. In zijn uitspraak van 26 maart 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:190) heeft het College uitgelegd hoe de (rechtstreekse) toetsing aan het evenredigheidsbeginsel van een gebonden besluit moet plaatsvinden. De vraag die daarbij moet worden beantwoord, is of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat het bestreden besluit in de gegeven omstandigheden zozeer onevenwichtig is dat sprake is van onevenredig nadeel. De vennootschap heeft aangevoerd dat de vastgestelde tegemoetkoming veel lager is dan de door haar werkelijk gemaakte kosten, en dat zij daarom onvoldoende wordt gecompenseerd voor de in 2022 enorm gestegen energieprijzen. Het College stelt allereerst vast dat het standpunt van de vennootschap uitgaat van een onjuiste lezing van de TEK, alleen al omdat die regeling niet is bedoeld om werkelijk gemaakte kosten (volledig of voor de helft) te vergoeden. De kosten die voor tegemoetkoming in aanmerking komen, worden bepaald op basis van modelprijzen voor 2023 (en niet op basis van werkelijk betaalde prijzen in 2022) en vervolgens wordt 50 procent van die subsidiabele kosten vergoed. Dat is, zoals het College onder 6.2 al heeft geoordeeld, in het geval van de vennootschap ook gebeurd.\n\n7.3. De bevoegdheid om onverschuldigd betaalde voorschotten terug te vorderen, is een discretionaire bevoegdheid. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 2 februari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:285) uitgelegd hoe de (rechtstreekse) toetsing aan het evenredigheidsbeginsel van besluiten gebaseerd op een discretionaire bevoegdheid moet plaatsvinden. De vraag die daarbij moet worden beantwoord, is of het bestreden besluit geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is.\n\n7.4. Over de geschiktheid en noodzakelijkheid van de terugvordering van een subsidie(voorschot) heeft het College, in zaken over andere subsidieregelingen, al geoordeeld dat als een subsidie(voorschot) ten onrechte is betaald, terugvordering een geschikt en noodzakelijk middel is om ervoor te zorgen dat het beschikbaar gestelde geld terechtkomt bij de vennootschapen waarvoor de subsidieregeling is bedoeld (zie onder meer de uitspraak van 28 maart 2023, ECLI:NL:CBB:2023:156). Met betrekking tot de evenwichtigheid van de terugvordering oordeelt het College dat er weliswaar een groot bedrag wordt teruggevorderd, maar de vennootschap dat bedrag niet nodig heeft gehad om de kosten voor gas en elektriciteit te dragen voor zover die binnen het kader van de Regeling vallen. Dat de energiekosten van de vennootschap hoog bleven door het in 2021 afgesloten vaste energiecontract en de onderneming van de vennootschap grotendeels niet operationeel was vanwege gezondheidsproblemen van de directeur-eigenaar is geen omstandigheid die de terugvordering onevenwichtig maakt. De vennootschap heeft bovendien geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de continuïteit van haar vennootschap in gevaar is. Ook is niet gebleken dat de voorschotten niet door de vennootschap zijn gehouden of gebruikt, zodat ook dit geen bijzondere omstandigheid oplevert die de minister zou noodzaken af te wijken van de bepalingen uit de TEK. De keuze om een intermediair in te schakelen voor het indienen van de aanvraag is een ondernemerskeuze van de vennootschap en behoort tot haar risicosfeer. De terugvordering van het voorschot is daarom niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel.\n\nConclusie\n\n8 Het beroep is gegrond, omdat de minister de vaststellingsbevoegdheid in het bestreden besluit ten onrechte heeft gebaseerd op artikel 4:46, tweede lid, van de Awb. Het College zal het bestreden besluit daarom vernietigen. Het College ziet echter aanleiding om op grond van artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten, omdat de minister de vaststelling op de juiste wijze heeft berekend en geen sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel.\n\n9 Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.\n\nBeslissing\n\nHet College:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit;\n\nbepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;\n\ndraagt de minister op om het door de vennootschap betaalde griffierecht van € 385,- te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Jacobs, in aanwezigheid van mr. L. ten Hove, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.\n\nw.g. M.J. Jacobs w.g. L. ten Hove\n\nBijlage\n\nAlgemene wet bestuursrecht (Awb)\n\nArtikel 4:31\n\n1. De beschikking tot subsidieverlening vermeldt het bedrag van de subsidie, dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald.\n\n2. Indien de beschikking tot subsidieverlening het bedrag van de subsidie niet vermeldt, vermeldt zij het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.\n\nArtikel 4:46, eerste en tweede lid\n\n1. Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, stelt het bestuursorgaan de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast.\n\n2. De subsidie kan lager worden vastgesteld indien:\n\na. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden;\n\nb. de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;\n\nc. de subsidie-ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid, of\n\nd. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidie-ontvanger dit wist of behoorde te weten.\n\nRegeling tegemoetkoming energiekosten (TEK)\n\nArtikel 3\n\n1. Onverminderd het derde lid bedraagt de leveringsprijs, die een mkb-vennootschap zelf dient te dragen, voor elektriciteit € 0,35 per kWh en voor gas € 1,19 per m3.\n\n2. De referentieprijs 2022 bedraagt voor elektriciteit € 0,59 per kWh en voor gas € 2,41 per m3.\n\n3. De referentieprijs 2023 voor elektriciteit en gas bedraagt, voor zover het in deze regeling gebruikt wordt, nooit meer dan € 0,95 per kWh geleverde elektriciteit respectievelijk € 3,19 per m3 geleverd gas.\n\n4. Voor de berekening van het voorschot, bedoeld in artikel 11, wordt voor elektriciteit een prijs gehanteerd van € 0,60 per kWh en voor gas € 2,00 per m3.\n\n5. De prijzen, bedoeld in het eerste en vierde lid, alsmede de maximum prijzen, bedoeld in het derde lid, zijn inclusief energiebelasting en opslag duurzame energie en exclusief omzetbelasting.\n\nArtikel 6\n\nDe subsidie voor een mkb-vennootschap of een groep bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten met een maximum van € 160.000.\n\nArtikel 7, eerste en tweede lid\n\n1. Voor subsidie komen in aanmerking de kosten voor de levering van elektriciteit of gas, die voortkomen uit een zakelijke energieleveringsovereenkomst met een leverancier, en voor zover deze bestaan uit:\n\na. het verschil van de referentieprijs 2023 voor elektriciteit en de leveringsprijs voor elektriciteit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, vermenigvuldigd met het verschil van de standaardjaarafname en de standaardjaarinvoeding; of\n\nb. het verschil van de referentieprijs 2023 voor gas en de leveringsprijs voor gas, bedoeld in artikel 3, eerste lid, vermenigvuldigd met het standaardjaarverbruik.\n\n2. In aanvulling op het eerste lid, komen de in dat lid bedoelde kosten voor subsidie in aanmerking voor zover die gaan over de periode vanaf 1 november 2022 tot en met 31 december 2023. De kosten, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, worden vermenigvuldigd met 14\u002F12.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2026:318","2026-07-13T00:29:11.301Z",{"id":88,"ecli":89,"slug":90,"caseNumber":46,"courtId":91,"decisionDate":67,"fullText":92,"summary":46,"language":50,"source":51,"sourceUrl":93,"sourceTimestamp":78,"parsedAt":53,"updatedAt":94},"1178","ECLI:NL:RBROT:2026:7873","ecli-nl-rbrot-2026-7873",61,"Rechtbank Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 25\u002F4181\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [eiseres], te [plaats], eiseres,\n\n(gemachtigde: mr. A.P.M.A. Laeyendecker),\n\nen\n\nde minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, voorheen de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,\n\n(gemachtigde: mr. W.J.C. Goorden).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over een boete van € 1.500,- die verweerder met het besluit van 8 november 2024 aan eiseres heeft opgelegd voor een overtreding van de Wet dieren. Eiseres is het niet eens met deze boete. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de boete.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de boete terecht heeft opgelegd. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. Onder 2. staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3. staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4.1. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 11 april 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij het boetebesluit gebleven.\n\n2.1.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.2.. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.3.. De rechtbank heeft het beroep op 10 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en haar gemachtigde, de gemachtigde van verweerder en [naam], toezichthoudend dierenarts bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).\n\nTotstandkoming van het bestreden besluit\n\n3.1.. \n\nVerweerder heeft zijn besluit gebaseerd op een rapport van bevindingen dat op 26 september 2024 is opgemaakt door een toezichthouder van de NVWA. De toezichthouder beschrijft in het rapport haar bevindingen nadat zij samen met een toezichthoudend dierenarts vanaf 15 juli 2024 een onderzoek heeft ingesteld naar aanleiding van een melding over eiseres die zou fokken met Shar-Pei’s met extreme uiterlijke kenmerken. In het rapport staat onder meer het volgende beschreven.\n\n3.1.1.. \n\nIn de I&R-databankzag de toezichthouder dat op het adres en de naam van eiseres sinds 16 september 2021 een UBNwas gevestigd met de productiedoelen: honden afleveren, honden fokken, honden verkoop en honden voorraad. Verder bleek uit deze databank dat er op naam van eiseres in de periode van 2014 tot 2021 veertien nesten zijn geboren en in de periode van 2021 tot 16 juli 2024 zes nesten zijn geboren. Op de website Dutch Dog Data heeft de toezichthouder de door de Raad van Beheer geregistreerde gegevens van stamboomhonden geraadpleegd en daaruit bleek dat eiseres van 2021 tot 16 juli 2024 vijf nesten met stamboom heeft gefokt en dat de kennel [kennelnaam] teruggaat tot 2005 met daarin 164 resultaten op individuele stamboeknummers.\n\nOok heeft de toezichthouder de website [website] van eiseres bekeken en gezien dat daarop teef [teef A] en reu [reu B] werden voorgesteld. Ook zag de toezichthouder op de website twee foto’s van pups met hechtingen rondom de oogleden.\n\nVerder heeft de toezichthouder het register van de Kamer van Koophandel geraadpleegd en daaruit bleek dat [kennelnaam] stond ingeschreven als eenmanszaak met eiseres als eigenaar en als bedrijfsactiviteit ‘Fokken en houden van overige dieren, Hondenkennel’.\n\nOp de website marktplaats.nl zag de toezichthouder een advertentie betreffende reu [reu B] staan, geplaatst door eiseres en met een verwijzing naar de website [website] Uit gegevens die Markplaats op vordering van de toezichthouder heeft verstrekt bleek de toezichthouder dat door eiseres in de periode van 20 oktober 2005 tot 16 juli 2024 in totaal 66 advertenties zijn geplaatst die zijn te relateren aan honden waarvan vier in de periode van 2021 tot 16 juli 2024.\n\nDe toezichthouder heeft tevens op 16 juli 2024 bij Dierenkliniek [naam] de patiëntenkaarten opgevraagd van de bij de kliniek bekende honden van eiseres, waaronder [teef A].\n\nOp 16 juli 2024 heeft de toezichthouder, samen met toezichthoudend dierenarts [naam] en een andere toezichthouder bij eiseres thuis een inspectie uitgevoerd. Daarbij zagen zij teef [teef A] en haar pup [naam]. Eiseres vertelde de toezichthouders dat zij recent een nestje van vier pups had gehad waarvan één pup is ingeslapen vanwege een vernauwde luchtpijp en dat bij één pup de huid boven de ogen was getackt. Ook zagen de toezichthouders in een bijgebouw in de tuin nog twee honden. Volgens de toezichthouder waren in dit bijgebouw drie dierenverblijven, zijnde hondenkennels, gerealiseerd. Tijdens de inspectie heeft de toezichthoudend dierenarts de honden veterinair beoordeeld en daarvan een veterinaire verklaring opgesteld.\n\n3.1.2.. \n\nIn de veterinaire verklaring van 25 juli 2024 schrijft de toezichthoudend dierenarts dat zij bij [teef A] een sterk snuivend ademgeluid hoorde waarbij zij zag dat bij iedere inademing de neus werd samengetrokken. Volgens de toezichthoudend dierenarts had [teef A] ernstig vernauwde neusgaten en gehoorgangen, was zij kalend over het gehele lichaam, had zij wondjes en korstjes en had de hond huidrimpels over het gehele lichaam met ontstekingen tussen de rimpels op de kop. Ook heeft de toezichthoudend dierenarts de patiëntenkaart van [teef A] van Dierenkliniek [naam] geraadpleegd en in de veterinaire verklaring schrijft zij wat haar daaruit bleek:\n\n“Op 5 maart 2020 werd er bij [teef A] op 10 maanden leeftijd een lytisch ulcus (cornea-aandoening) van het oog vastgesteld. Hierbij werden er zowel op het boven- alsonderooglid tackings geplaatst. Op 18 maart 2020 werd bij [teef A] trichiasis aanbeide oogleden vastgesteld. Bij trichiasis is er sprake van een afwijkende stand van de wimpers, waarbij deze richting de oogbol groeien en hier ernstige irritatie en beschadiging van het hoornvlies kunnen veroorzaken. Op 13 mei 2022 werd er beiderzijds een oorontsteking door een pseudomonas-infectie vastgesteld. Op 12 augustus 2022 staat genoteerd dat er bij een pup van [teef A] de ogen zijn getackt op 4 weken leeftijd. Ook op 5 juni 2023 werd een pseudomonas-infectie in de oren vastgesteld, waarbij staat genoteerd dat [teef A] zeer nauwe gehoorgangen heeft en dat het trommelvlies niet te beoordelen was. Op 12 juni 2024 werd bij een pup van [teef A] van 3 weken oud het rechteroog getackt vanwege entropion. Op 27 juni 2024 werd bij [teef A] diepe pyodermie met demodex-infectie vastgesteld.”\n\nOp basis van het onderzoek van de hond en de patiëntenkaart komt de toezichthoudend dierenarts in de veterinaire verklaring tot de volgende conclusie:\n\n“Bij [teef A] is door de eigen dierenarts trichiasis vastgesteld. Deze schadelijke aandoening van de oogleden kan erfelijk zijn en dus aan de nakomelingen worden doorgegeven. Daarnaast heeft [teef A] ernstig vernauwde neusgaten en een snuivend ademgeluid, wat duidt op een obstructie van de luchtweg. De gehoorgangen van [teef A] zijn zeer nauw en in haar patiëntendossier staat genoteerd dat zij al meermaals een ontsteking van de oren heeft gehad. Ook heeft [teef A] een overmaat van huidrimpels, waardoor er een verhoogd risico op huidproblemen is. Door de overmaat van huidrimpels kan ook de erfelijke aandoening entropion ontstaan. In het patiëntendossier van [teef A] staat dat dit bij meerdere van haar pups is vastgesteld. De ernst en de combinatie van deze schadelijke uiterlijke kenmerken maken [teef A] ongeschikt voor de fok.”\n\n3.2.. \n\nOp grond van het rapport van bevindingen heeft verweerder vastgesteld dat eiseres het volgende beboetbare feit heeft gepleegd: “Het is verboden te fokken met gezelschapsdieren op een wijze waarop het welzijn en de gezondheid van het ouderdier of de nakomelingen wordt benadeeld. Er werd niet zoveel mogelijk voorkomen dat uiterlijke kenmerken werden doorgegeven aan of konden ontstaan bij nakomelingen die schadelijke gevolgen hadden voor welzijn of gezondheid van de dieren. Uw hond [teef A] was niet geschikt om mee te fokken.”\n\nVolgens verweerder heeft eiseres daarmee een overtreding begaan van artikel 3.4, eerste lid en tweede lid, onder b, van het Besluit houders van dieren. Verweerder heeft eiseres daarvoor een boete opgelegd van € 1.500,-.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. Eiseres voert aan dat verweerder niet handelt conform eigen beleid. Zij verwijst daarbij naar een voorlichting die op 14 december 2024 door de NVWA is gegevenwaaruit blijkt dat bij overtredingen een waarschuwingsbrief wordt verstuurd. Eiseres heeft echter direct een boete en een last onder dwangsom ontvangen. Dit is niet juist, verweerder had moeten volstaan met een waarschuwing, aldus eiseres.\n\n4.1.. \n\nDe rechtbank stelt vast dat eiseres niet betwist dat zij de overtreding heeft begaan. Gelet op artikel 8.7 van de Wet dierenwas verweerder bevoegd om eiseres voor deze overtreding een boete op te leggen. Eiseres heeft verwezen naar presentatiemateriaal van een voorlichting die door een toezichthoudend dierenarts van de NVWA is gegeven, maar anders dan eiseres kan de rechtbank daaruit niet afleiden dat verweerder bij deze overtreding een waarschuwing geeft en nog geen boete oplegt. In de presentatie wordt een waarschuwing als een van de mogelijkheden genoemd. Ook wordt in de presentatie verwezen naar interventiebeleid van verweerder. In dit beleid staat hoe verweerder met zijn boetebevoegdheid omgaat. In dit geval is het Algemeen interventiebeleid NVWA 2024 en het Specifiek interventiebeleid NVWA Dierenwelzijnvan toepassing, zoals in het boetebesluit ook is beschreven. In de Bijlage bij dit interventiebeleid is per soort overtreding beschreven welke interventie daarop volgt. In deze bijlage wordt overtreding van artikel 3.4, tweede lid, van het Besluit houders van dieren aangemerkt als klasse middel of zwaar.Als sprake is van een (risico op) aantasting van het dierenwelzijn en de afwijking van de norm beperkt in ernst en incidenteel van aard is (klasse middel) wordt eerst een waarschuwing gegeven. Als sprake is van een (risico op) ernstige aantasting van het dierenwelzijn en de afwijking van de norm zwaar is en\u002Fof een meer structureel karakter heeft (klasse zwaar) wordt er direct een boete opgelegd.\n\n4.2.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op goede gronden de overtreding aangemerkt als klasse zwaar en daarvoor direct een boete opgelegd. Zoals uit het rapport van bevindingen volgt heeft [teef A] kenbare schadelijke kenmerken die zij aan nakomelingen kan doorgeven. Zo is bij haar trichiasis vastgesteld, een oogaandoening die erfelijk kan zijn, heeft de toezichthouder vastgesteld dat sprake was van een obstructie van de luchtwegen en heeft [teef A] een overmaat van huidrimpels waardoor de erfelijke aandoening entropion kan ontstaan. In de veterinaire verklaring bij het rapport van bevindingen staat dat entropion ontstaat doordat de ooglidrand vanwege overmatige huidrimpels naar binnen krult, waardoor de haartjes op de ooglidrand over het hoornvlies schuren van het oog. Ter zitting heeft de toezichthoudend dierenarts toegelicht dat entropion veel pijn veroorzaakt en tot onherstelbare schade aan het oog kan lijden. Bij twee pups uit verschillende nestjes van [teef A] is ook daadwerkelijk entropion vastgesteld waardoor zij een medische ingreep hebben moeten ondergaan (tacken, zijnde hechtingen rondom het oog om het ooglid op te tillen). Gelet op de ernst van de gevolgen die het fokken met [teef A] voor de gezondheid en het welzijn van nakomelingen kan hebben en nu eiseres tot twee keer toe met deze hond heeft gefokt – wat ook tot medische gevolgen bij twee pups heeft geleid – heeft verweerder terecht gesteld dat de overtreding een (risico op) ernstige aantasting van het dierenwelzijn betekende en een meer structureel karakter had. Verweerder heeft dan ook in overeenstemming met zijn interventiebeleid voor deze overtreding een boete opgelegd. De rechtbank ziet in de omstandigheden van het geval ook geen grond voor het oordeel dat verweerder in afwijking van zijn interventiebeleid een waarschuwing had moeten geven.\n\n4.3.. In de Bijlage bij de Regeling handhaving en overige zaken Wet dierenis de standaardboete voor deze overtreding vastgesteld op € 1.500,-. Dit is ook het bedrag dat verweerder aan eiseres heeft opgelegd. De rechtbank stelt vast dat eiseres geen gronden heeft gericht tegen de hoogte van de boete. Evenmin is de rechtbank gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan de boete gematigd zou moeten worden.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep is ongegrond.\n\n6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Goossens, rechter, in aanwezigheid van mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 7 juli 2026.\n\nde rechter is verhinderd\n\ndeze uitspraak te tekenen\n\ngriffier rechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBIJLAGE: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving\n\nWet dierenArtikel 8.6, eerste lid, aanhef en onder a, onderdeel 1\n\nIn deze paragraaf wordt verstaan onder:\n\novertreding: gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens:\n\n1°. de artikelen […]2.6, eerste, tweede en derde lid,[…];\n\novertreder: degene die de overtreding pleegt of mede pleegt.\n\nArtikel 8.7\n\nOnze Minister kan een overtreder een bestuurlijke boete opleggen.\n\nBesluit houders van dierenArtikel 3.4, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder b\n\nHet is verboden te fokken met gezelschapsdieren op een wijze waarop het welzijn en de gezondheid van het ouderdier of de nakomelingen wordt benadeeld.\n\nIn ieder geval wordt bij het fokken, bedoeld in het eerste lid, voor zover mogelijk voorkomen dat:\n\nb. uiterlijke kenmerken worden doorgegeven aan of kunnen ontstaan bij nakomelingen die schadelijke gevolgen hebben voor welzijn of gezondheid van de dieren;\n\nBesluit handhaving en overige zaken Wet dierenArtikel 2.2, eerste en onder b\n\n1. De hoogte van de bestuurlijke boete die Onze Minister aan een overtreder voor een overtreding kan opleggen wordt overeenkomstig de volgende boetecategorieën vastgesteld:\n\nb. categorie 2: € 1500;\n\nArtikel 2.4\n\nIndien een overtreding is begaan anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf, wordt het voor die overtreding op grond van de artikelen 2.2 en 2.3 op te leggen boetebedrag gehalveerd.\n\nRegeling handhaving en overige zaken Wet dieren\n\nArtikel 1.2\n\nDe hoogte van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van het besluit, wordt vastgesteld overeenkomstig de bedragen die horen bij de boetecategorieën die in de bijlage bij deze regeling voor desbetreffende overtredingen zijn vastgelegd.\n\nBijlage als bedoeld in artikel 1.2 van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren\n\nBesluit houders van dieren Categorie\n\nArtikel 3.4 2\n\n Identificatie- en Registratiedatabank\n\n Uniek Bedrijfsnummer\n\n Het aanbrengen van hechtingen om het ooglid op te tillen\n\n Verweerder heeft in het besluit van 8 november 2024 tevens vastgesteld dat eiseres drie andere feiten heeft gepleegd, maar daarvoor geeft verweerder eiseres een schriftelijke waarschuwing.\n\n Presentatie ‘Richtlijnen en handhaving, stimulans voor bonafide professionele fokkers’\n\n Gelezen in samenhang met artikel 8.6, eerste lid, en artikel 2.6, tweede lid, Wet dieren\n\n IB03-SPEC 02, versie 8\n\n Regel 02R092300 en 02R092310\n\n Gelezen in samenhang met artikel 2.2, eerste lid, Besluit houders van dieren","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7873","2026-07-13T00:29:08.276Z",{"id":96,"ecli":97,"slug":98,"caseNumber":46,"courtId":66,"decisionDate":67,"fullText":99,"summary":46,"language":50,"source":51,"sourceUrl":100,"sourceTimestamp":78,"parsedAt":53,"updatedAt":101},"1235","ECLI:NL:CBB:2026:316","ecli-nl-cbb-2026-316","uitspraak\n\nCOLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN\n\nzaaknummer: 25\u002F56\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [naam 1] B.V., te [woonplaats] (vennootschap)\n\nen\n\nde minister van Economische Zaken en Klimaat\n\n(gemachtigde: mr. M.J.H. van der Burgt)\n\nProcesverloop\n\nMet het besluit van 30 november 2023 (afwijzingsbesluit) heeft de minister de aanvraag van de vennootschap voor een tegemoetkoming op grond van de Regeling tegemoetkoming energiekosten (TEK) afgewezen.\n\nMet het besluit van 23 april 2024 heeft de minister het bezwaar van de vennootschap tegen het afwijzingsbesluit gegrond verklaard en een tegemoetkoming van maximaal € 236.514,58 verleend.\n\nMet het besluit van 10 mei 2024 (vaststellingsbesluit) heeft de minister de tegemoetkoming subsidie van de vennootschap vastgesteld op € 3.042,48 en het te veel betaalde voorschot van € 78.407,63 teruggevorderd.\n\nMet het besluit van 10 december 2024 (bestreden besluit) heeft de minister het daartegen door de vennootschap gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.\n\nDe vennootschap heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe minister heeft een verweerschrift ingediend.\n\nDe zitting was op 21 mei 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam 1] en [naam 2] namens de vennootschap en de gemachtigde van de minister.\n\nOverwegingen\n\n1 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.\n\nInleiding2.1. De vennootschap heeft op grond van de TEK een tegemoetkoming aangevraagd voor haar energiekosten. De TEK is in het leven geroepen in verband met de sterk gestegen energieprijzen als gevolg van de oorlog in Oekraïne. Met de TEK nam de overheid tijdelijk een deel van de gestegen energiekosten over van ondernemers uit het midden- en kleinbedrijf (mkb) waarbij de energiekosten een relatief groot deel uitmaken van de totale kosten. De TEK gold voor een periode van 14 maanden (van 1 november 2022 tot 31 december 2023).2.2. \n\nIn deze zaak moet het College beoordelen of de minister de tegemoetkoming van de vennootschap mocht vaststellen op € 3.042,48 en het te veel betaalde voorschot mocht terugvorderen. Bij de verlening heeft de minister bij de berekening van de maximale hoogte van de tegemoetkoming gebruikgemaakt van de gemiddelde energieprijzen in het laatste kwartaal van 2022. Bij de vaststelling is hij uitgegaan van de gemiddelde energieprijzen in 2023 (modelprijs 2023). In dat jaar bleken de energieprijzen te zijn gedaald, waardoor veel ondernemers niet de hoge energiekosten hoefden te betalen die bij de totstandkoming van de TEK waren voorzien. Voor veel ondernemers, waaronder de vennootschap, is het gevolg daarvan dat zij een te hoog voorschot hebben ontvangen en dat voorschot naar aanleiding van de lagere vaststelling (gedeeltelijk) moeten terugbetalen.\n\nStandpunt van de vennootschap\n\n3 De vennootschap is het er niet mee eens dat de hoogte van de subsidie wordt bepaald aan de hand van modelprijzen over 2023. Die modelprijs sluit niet aan bij de werkelijke energiekosten van de vennootschap en dat levert strijd op met het evenredigheidsbeginsel. Vanwege haar variabele energiecontract vielen haar energiekosten veel hoger uit dan de modelprijzen. Ook zijn haar administratieve lasten vanwege de procedure over de tegemoetkoming enorm opgelopen, tot wel €15.450,-. Bovendien leidt de toepassing van modelprijzen tot strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat dit ondernemingen met vaste energiecontracten bevoordeelt ten opzichte van ondernemingen met variabele energiecontracten. De gehanteerde modelprijzen zijn gebaseerd op gemiddelde prijzen van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) die voornamelijk betrekking hebben op vaste contracten en consumentenprijzen. Hiermee wordt de situatie van zakelijke energiecontracten en de specifieke omstandigheden van de vennootschap genegeerd, zodat sprake is van strijd met het motiveringsbeginsel en het verbod van willekeur. Verder heeft de minister de subsidiabele periode ten onrechte laten ingaan op 1 november 2022 omdat de energieprijzen in september en oktober 2022 juist het hoogst waren. Hierdoor wordt de effectiviteit van de regeling beperkt, omdat ondernemingen zoals zij een piek in verbruik en kosten hebben ervaren in de maanden voor 1 november 2022.\n\nStandpunt van de minister\n\n4 De minister stelt zich op het standpunt dat hij de tegemoetkoming juist heeft vastgesteld. De keuze om bij de vaststelling van de tegemoetkoming gebruik te maken van de modelprijs 2023 is op zichzelf niet onevenredig. Verder is het enkele feit dat de vennootschap financieel nadeel ondervindt door het vaststellingsbesluit, onvoldoende voor de conclusie dat het besluit onevenwichtig is. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de minister moest afzien van de vaststelling en terugvordering, is de minister niet gebleken. Er is daarom geen sprake van strijd met het evenredigheidsbeginsel. Er is ook geen sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel. De vaststelling volgt uit de berekeningsmethodiek van de TEK en de vennootschap heeft geen concrete gelijke gevallen genoemd. Omdat de minister de TEK juist heeft toegepast en de berekeningsmethode van de TEK op zichzelf niet onevenredig is, is er ook geen sprake van een gebrekkige motivering of willekeur.\n\nOordeel van het College\n\nDe grondslag voor de vaststelling\n\n5.1. Uit de tekst van het bestreden besluit blijkt dat de minister de vaststelling heeft gebaseerd op artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hij is er daarbij van uitgegaan dat de subsidie in dit geval ‘lager wordt vastgesteld’ als bedoeld in dat artikel, omdat het bedrag genoemd in het vaststellingsbesluit lager is dan het bedrag genoemd bij de verlening. Zoals het College echter recent heeft geoordeeld, is die grondslag voor de vaststelling in dit soort situaties niet juist (zie de uitspraken van 4 november 2025, ECLI:NL:CBB:2025:589 en ECLI:NL:CBB:2025:590; en de uitspraken van 17 maart 2026, ECLI:NL:CBB:2026:113 en ECLI:NL:CBB:2026:120). In het verweerschrift heeft de minister bevestigd dat de subsidievaststelling in het bestreden besluit ten onrechte is gebaseerd op artikel 4:46, tweede lid, van de Awb. Hij bevestigt het oordeel van het College uit voornoemde uitspraken dat het in deze zaak gaat om een vaststelling conform verlening, als bedoeld in artikel 4:46, eerste lid, van de Awb. Dat het vaststellingsbedrag lager is dan het verleningsbedrag is niet het gevolg van een handelen of nalaten van de vennootschap, maar het gevolg van de daling van de energieprijzen.\n\n5.2. \n\nEen besluit tot verlening van subsidie bevat ofwel het bedrag van de subsidie ofwel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald (artikel 4:31, eerste lid, van de Awb). Als het besluit het bedrag van de subsidie niet vermeldt, dan moet dat besluit vermelden op welk bedrag de subsidie maximaal kan worden vastgesteld (artikel 4:31, tweede lid, van de Awb). In de verlening in de beslissing op bezwaar van 23 april 2024 is sprake van deze tweede situatie. Daarin staat immers:\n\n“Op grond van de berekening is het maximaal berekende verleningsbedrag\n\n€ 236.514,58. Hiervan ontvangt u een voorschot van 35%.”\n\nIn deze beslissing staat daarnaast de volgende passage:\n\n“De energieprijzen waarmee ik de hoogte van uw subsidie definitief vaststel zijn\n\ninmiddels bekend. Het definitieve subsidiebedrag valt voor u lager uit. Ik heb u\n\ntijdens het telefoongesprek van 14 maart 2024 hierover geïnformeerd.”\n\nDeze beslissing bevat de berekeningswijze en noemt de bedragen en eenheden waarmee de maximale subsidie is berekend. Uit de bedragen waarmee is gerekend, blijkt dat dit de maximale referentieprijzen zijn die in artikel 3, tweede lid, van de TEK zijn genoemd. Het College stelt daarom vast dat deze beslissing een besluit is als bedoeld in artikel 4:31, tweede lid, van de Awb. Vanwege de in 2023 fors gedaalde energieprijzen wijkt de vastgestelde tegemoetkoming aanzienlijk af van deze maxima. In het vaststellingsbesluit is gerekend met de veel lagere referentieprijzen die in februari 2024 door het CBS zijn vastgesteld. Dat leidt (uiteraard) tot een lagere tegemoetkoming. De berekeningswijze die de minister heeft gehanteerd bij de vaststelling is echter identiek aan die van de verlening. Er is daarom sprake van een vaststelling conform verlening in de zin van artikel 4:46, eerste lid, van de Awb en niet van een lagere vaststelling in de zin van artikel 4:46, tweede lid, van de Awb.\n\n5.3. Omdat de minister een onjuiste bevoegdheidsgrondslag heeft gehanteerd in het bestreden besluit, zal het College het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Hierna zal het College beoordelen of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. Dat kan het geval zijn als de minister de tegemoetkoming op de juiste wijze heeft berekend en er geen andere redenen zijn om van de vastgestelde tegemoetkoming af te wijken.\n\nDe berekening van de vastgestelde tegemoetkoming\n\n6.1. De berekeningswijze van de hoogte van de tegemoetkoming volgt uit de artikelen 3, 6 en 7 van de TEK. Het College stelt vast dat de minister deze berekeningswijze zowel bij de verlening als bij de vaststelling heeft gebruikt. Daarbij is bij de vaststelling niet (zoals bij de verlening) uitgegaan van de maximale vergoeding per eenheid energie, maar van de referentieprijs 2023 zoals voorgeschreven in artikel 7 van de TEK. Dat de vaststelling wat het bedrag betreft lager uitvalt dan het maximale bedrag dat in de verlening was vermeld, is rechtstreeks terug te voeren op de in 2023 fors gedaalde energieprijzen. Daardoor vallen de referentieprijzen 2023 waarmee bij de vaststelling wordt gerekend, veel lager uit.\n\n6.2. In zijn uitspraak van 13 januari 2026 (ECLI:NL:CBB:2026:3, vanaf 6.1) heeft het College het gebruik van de referentieprijzen van 2023 geaccepteerd. Het is de minister niet toegestaan te rekenen met andere prijzen dan de referentieprijzen van 2023. Wanneer met die bedragen wordt gerekend, is de uitkomst inderdaad een te ontvangen tegemoetkoming van € 3.042,48. Het College oordeelt dat de berekening van de vastgestelde tegemoetkoming correct is.\n\nToetsing aan het evenredigheidsbeginsel\n\n7.1. De vennootschap heeft een beroep gedaan op het evenredigheidsbeginsel door te stellen dat de vaststelling en de daaraan gekoppelde terugvordering ervoor zorgt dat de vennootschap onvoldoende wordt gecompenseerd door de hoge energieprijzen. Ook het standpunt dat het rekenen met modelprijzen voor het jaar 2023 tot onredelijke uitkomsten leidt, omdat de werkelijk betaalde prijzen voor energie (veel) hoger lagen en dat de ingangsdatum van de subsidiabele periode ten onrechte op 1 november 2022 is bepaald, beschouwt het College als een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Het College merkt voor de volledigheid op dat het College de keuze in de TEK om referentieprijzen over 2023 te hanteren in de onder 6.2 genoemde uitspraak van 13 januari 2026 al (exceptief) heeft getoetst en die keuze heeft geaccepteerd. De vennootschap heeft geen argumenten aangevoerd die dat oordeel anders maken. De TEK biedt geen ruimte om voor ondernemers met variabele contracten af te wijken van de modelprijen voor 2023.\n\n7.2. Zoals het College onder 5.2 heeft geoordeeld, had de minister de vaststelling moeten baseren op artikel 4:46, eerste lid, van de Awb. Dat is een gebonden bevoegdheid. In zijn uitspraak van 26 maart 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:190) heeft het College uitgelegd hoe de (rechtstreekse) toetsing aan het evenredigheidsbeginsel van een gebonden besluit moet plaatsvinden. De vraag die daarbij moet worden beantwoord, is of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat het bestreden besluit in de gegeven omstandigheden zozeer onevenwichtig is dat sprake is van onevenredig nadeel. De vennootschap heeft aangevoerd dat de vastgestelde tegemoetkoming veel lager is dan de door haar werkelijk gemaakte kosten, en dat zij daarom onvoldoende wordt gecompenseerd voor de in 2022, met name in september en oktober 2022, enorm gestegen energieprijzen. Zij had in de relevante periode ook vanwege haar variabele energiecontract aanzienlijk hogere energiekosten dan de modelprijzen, die voornamelijk betrekking hebben op vaste contracten en consumentenprijzen. Het College stelt allereerst vast dat het standpunt van de vennootschap uitgaat van een onjuiste lezing van de TEK, alleen al omdat die regeling niet is bedoeld om werkelijk gemaakte kosten (volledig of voor de helft) te vergoeden. De kosten die voor tegemoetkoming in aanmerking komen, worden bepaald op basis van modelprijzen voor 2023 (en niet op basis van werkelijk betaalde prijzen in 2022) en vervolgens wordt 50 procent van die subsidiabele kosten vergoed. Dat is, zoals het College onder 6.2 al heeft geoordeeld, in het geval van de vennootschap ook gebeurd. De keuze voor een variabel energiecontract is een ondernemerskeuze van de vennootschap en behoort tot haar risicosfeer. Bovendien is het geen bijzondere omstandigheid waarmee de vennootschap zich voldoende onderscheidt van andere vennootschapen die te maken hebben gekregen met een lagere vaststelling. De minister heeft tijdens de zitting toegelicht dat de modelprijs voor 2023 voor alle ondernemers is toegepast en de vennootschap heeft geen concrete gelijke gevallen genoemd, zodat geen sprake is van ongelijke behandeling van gelijke gevallen en het beroep op het gelijkheidsbeginsel ook niet kan slagen.\n\n7.3. De bevoegdheid om onverschuldigd betaalde voorschotten terug te vorderen, is een discretionaire bevoegdheid. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 2 februari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:285) uitgelegd hoe de (rechtstreekse) toetsing aan het evenredigheidsbeginsel van besluiten gebaseerd op een discretionaire bevoegdheid moet plaatsvinden. De vraag die daarbij moet worden beantwoord, is of het bestreden besluit geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is.\n\n7.4. Over de geschiktheid en noodzakelijkheid van de terugvordering van een subsidie(voorschot) heeft het College, in zaken over andere subsidieregelingen, al geoordeeld dat als een subsidie(voorschot) ten onrechte is betaald, terugvordering een geschikt en noodzakelijk middel is om ervoor te zorgen dat het beschikbaar gestelde geld terechtkomt bij de vennootschapen waarvoor de subsidieregeling is bedoeld (zie onder meer de uitspraak van 28 maart 2023, ECLI:NL:CBB:2023:156). Met betrekking tot de evenwichtigheid van de terugvordering oordeelt het College dat er weliswaar een groot bedrag wordt teruggevorderd, maar de vennootschap dat bedrag niet nodig heeft gehad om de kosten voor gas en elektriciteit te dragen voor zover die binnen het kader van de Regeling vallen. De vennootschap heeft bovendien geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de continuïteit van haar vennootschap in gevaar is en niet is gebleken dat zij niet kan voldoen aan de met de minister overeengekomen terugbetalingsregeling van de terugvordering. De terugvordering van het voorschot is daarom niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel.\n\n8 Uit het voorgaande (onder 5-7) blijkt dat de minister de tegemoetkoming juist heeft vastgesteld en dat de vaststelling en daaraan gekoppelde terugvordering niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel of gelijkheidsbeginsel. De minister heeft zijn besluitvorming ook voldoende gemotiveerd, zodat verder geen sprake is van strijd met het motiveringsbeginsel of verbod van willekeur.\n\nConclusie\n\n9 Het beroep is gegrond, omdat de minister de vaststellingsbevoegdheid in het bestreden besluit ten onrechte heeft gebaseerd op artikel 4:46, tweede lid, van de Awb. Het College zal het bestreden besluit daarom vernietigen. Het College ziet echter aanleiding om op grond van artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten, omdat de minister de vaststelling op de juiste wijze heeft berekend en geen sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.\n\n10 Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.\n\nBeslissing\n\nHet College:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit;\n\nbepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;\n\ndraagt de minister op om het door de vennootschap betaalde griffierecht van € 385,- te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Jacobs, in aanwezigheid van mr. L. ten Hove, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.\n\nw.g. M.J. Jacobs w.g. L. ten Hove\n\nBijlage\n\nAlgemene wet bestuursrecht (Awb)\n\nArtikel 4:31\n\n1. De beschikking tot subsidieverlening vermeldt het bedrag van de subsidie, dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald.\n\n2. Indien de beschikking tot subsidieverlening het bedrag van de subsidie niet vermeldt, vermeldt zij het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.\n\nArtikel 4:46, eerste en tweede lid\n\n1. Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, stelt het bestuursorgaan de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast.\n\n2. De subsidie kan lager worden vastgesteld indien:\n\na. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden;\n\nb. de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;\n\nc. de subsidie-ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid, of\n\nd. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidie-ontvanger dit wist of behoorde te weten.\n\nRegeling tegemoetkoming energiekosten (TEK)\n\nArtikel 3\n\n1. Onverminderd het derde lid bedraagt de leveringsprijs, die een mkb-vennootschap zelf dient te dragen, voor elektriciteit € 0,35 per kWh en voor gas € 1,19 per m3.\n\n2. De referentieprijs 2022 bedraagt voor elektriciteit € 0,59 per kWh en voor gas € 2,41 per m3.\n\n3. De referentieprijs 2023 voor elektriciteit en gas bedraagt, voor zover het in deze regeling gebruikt wordt, nooit meer dan € 0,95 per kWh geleverde elektriciteit respectievelijk € 3,19 per m3 geleverd gas.\n\n4. Voor de berekening van het voorschot, bedoeld in artikel 11, wordt voor elektriciteit een prijs gehanteerd van € 0,60 per kWh en voor gas € 2,00 per m3.\n\n5. De prijzen, bedoeld in het eerste en vierde lid, alsmede de maximum prijzen, bedoeld in het derde lid, zijn inclusief energiebelasting en opslag duurzame energie en exclusief omzetbelasting.\n\nArtikel 6\n\nDe subsidie voor een mkb-vennootschap of een groep bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten met een maximum van € 160.000.\n\nArtikel 7, eerste en tweede lid\n\n1. Voor subsidie komen in aanmerking de kosten voor de levering van elektriciteit of gas, die voortkomen uit een zakelijke energieleveringsovereenkomst met een leverancier, en voor zover deze bestaan uit:\n\na. het verschil van de referentieprijs 2023 voor elektriciteit en de leveringsprijs voor elektriciteit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, vermenigvuldigd met het verschil van de standaardjaarafname en de standaardjaarinvoeding; of\n\nb. het verschil van de referentieprijs 2023 voor gas en de leveringsprijs voor gas, bedoeld in artikel 3, eerste lid, vermenigvuldigd met het standaardjaarverbruik.\n\n2. In aanvulling op het eerste lid, komen de in dat lid bedoelde kosten voor subsidie in aanmerking voor zover die gaan over de periode vanaf 1 november 2022 tot en met 31 december 2023. De kosten, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, worden vermenigvuldigd met 14\u002F12.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2026:316","2026-07-13T00:29:11.426Z",{"id":103,"ecli":104,"slug":105,"caseNumber":46,"courtId":66,"decisionDate":67,"fullText":106,"summary":46,"language":50,"source":51,"sourceUrl":107,"sourceTimestamp":78,"parsedAt":53,"updatedAt":108},"1236","ECLI:NL:CBB:2026:315","ecli-nl-cbb-2026-315","uitspraak\n\nCOLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN\n\nzaaknummer: 24\u002F236\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaak tussenStichting Pesticide Action Network Netherlands (PAN), te Assen en\n\nStichting Natuur- en Milieufederatie Zuid Holland(NMZH), te Den Haag (samen: demilieuorganisaties)\n\n(gemachtigden: mr. M.R.J. Baneke en M. Mantingh)\n\nen\n\nhet College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb)\n\n(gemachtigden: mr. M.K. Konings en mr. M.K. Polano)\n\nen\n\nde Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid)\n\nmet als derde partijen\n\nSumitomo Chemical Agro Europe S.A.S., te Saint Didier au Mont d’Or (Frankrijk) (Sumitomo)\n\n(gemachtigde: mr. E. Broeren)\n\nen\n\nArysta LifeScience Benelux Sprl, te Ougree (België)\n\nen\n\nSBM Développement S.A.S., te Ecully (Frankrijk)\n\nProcesverloop\n\nMet een brief van 10 mei 2023 heeft het Ctgb gereageerd op een verzoek van de milieuorganisaties om intrekking van de toelating van gewasbeschermingsmiddelen met de werkzame stoffen cypermethrin, abamectine en esfenvaleraat.\n\nMet het besluit van 24 januari 2024 (bestreden besluit) heeft het Ctgb beslist op het bezwaar van de milieuorganisaties tegen de brief van 10 mei 2023.\n\nDe milieuorganisaties hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nHet Ctgb heeft een verweerschrift ingediend.\n\nHet Ctgb en de milieuorganisaties hebben nadere stukken ingezonden.\n\nSumitomo heeft een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.\n\nDe zitting was op 11 maart 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen gemachtigde Baneke van de milieuorganisaties, vergezeld van [naam 1], [naam 2], [naam 3] en [naam 4], de gemachtigden van het Ctgb, vergezeld van [naam 5], en de gemachtigde van Sumitomo, vergezeld van [naam 6].\n\nDe milieuorganisaties hebben verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Naar aanleiding van dit verzoek heeft het College de Staat als partij aangemerkt.\n\nOverwegingen\n\nSamenvatting\n\nIn deze zaak staan toelatingen door het Ctgb van gewasbeschermingsmiddelen op basis van de werkzame stoffen cypermethrin, abamectine en efsenvaleraat ter discussie. De milieuorganisaties hebben verzocht om intrekking van de toelating van deze middelen, omdat de werkzame stoffen die deze middelen bevatten in Nederlandse oppervlaktewateren worden aangetroffen in hoeveelheden die de normen uit de Kaderrichtlijn Wateren de toelatingsnormen voor waterorganismen overschrijden. Het Ctgb heeft geen aanleiding gezien om de toelatingen van de gewasbeschermingsmiddelen in te trekken. Het College laat het bestreden besluit in stand.\n\nInleiding\n\n1.1. De milieuorganisaties hebben met een brief van 7 maart 2023 aan het Ctgb om intrekking verzocht van de toelating van alle gewasbeschermingsmiddelen op basis van cypermethrin, esfenvaleraat en abamectine (voor zover het toepassingen betreft in bedekte teelt). Volgens de milieuorganisaties blijkt uit de Bestrijdingsmiddelenatlas dat in de periode van 2017 tot en met 2021 de normen van de Kaderrichtlijn Water en de toelatingsnormen voor waterorganismen van deze werkzame stoffen in oppervlaktewateren zijn overschreden.\n\n1.2. Het Ctgb heeft het verzoek tot intrekking van de toelatingen van de gewasbeschermingsmiddelen niet ingewilligd. In het bestreden besluit heeft het Ctgb uiteengezet dat en waarom hij niet tot intrekking van de toelatingen overgaat.\n\n1.3. \n\nDe besluitvorming van het Ctgb heeft betrekking op twaalf gewasbeschermingsmiddelen, waaronder Talisma EC, Belem 0.8 MG, Sumicidin Super en Sumi-Alpha 2.5 EC. Arysta LifeScience Benelux Sprl is de toelatinghouder van Talisma EC.\n\nSBM Développement S.A.S. is de toelatinghouder van Belem 0.8 MG en Sumitomo Chemical Agro Europe S.A.S. is de toelatinghouder van Sumicidin Super en Sumi-Alpha 2.5 EC.\n\nBeoordeling College\n\nIs sprake van een besluit en zijn de milieuorganisaties hierbij belanghebbenden?\n\n2.1. Het College ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of de milieuorganisaties tegen de brief van 10 mei 2023 bezwaar konden maken en of zij belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Algemene Wet bestuursrecht (Awb) zijn. Sumitomo heeft dit in twijfel getrokken.\n\n2.2. Het verzoek van de milieuorganisaties aan het Ctgb om (ambtshalve) toepassing te geven aan artikel 44 van Verordening 1107\u002F2009, strekt ertoe dat het Ctgb een besluit neemt tot intrekking van de toelating van verschillende gewasbeschermingsmiddelen. De brief van 10 mei 2023, waarin het Ctgb heeft uiteengezet dat de door de milieuorganisaties verstrekte informatie geen aanleiding geeft om de toelatingen opnieuw te bekijken, houdt een afwijzing in van dat verzoek en tegen een dergelijke afwijzing staat de mogelijkheid van bezwaar en beroep open (zie de uitspraak van het College van 5 juli 2022, ECLI:NL:CBB:2022:358).\n\n2.3. Het Ctgb heeft de milieuorganisaties terecht als belanghebbenden aangemerkt. Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. In artikel 1:2, derde lid, van de Awb is bepaald dat ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede worden beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.\n\n2.4. \n\nDe milieuorganisaties hebben met hun verzoek willen bereiken dat het Ctgb toelatingen van bepaalde gewasbeschermingsmiddelen, die de normen van de Kaderrichtlijn Water en de toelatingsnormen voor waterorganismen overschrijden, in zou trekken, zodat de kwaliteit van het oppervlaktewater in Nederland, en daarmee in de provincie Zuid-Holland\n\n– de overschrijdingen waarnaar in het verzoek wordt verwezen hebben specifiek ook op dit gebied betrekking – wordt beschermd en verbetert. Dit past bij het doel dat beide milieuorganisaties statutair nastreven. Gezien de op de website van PAN te raadplegen statuten streeft deze stichting onder andere ernaar activiteiten te bevorderen om de toepassing en de verspreiding van synthetische pesticiden en biociden en andere schadelijke producten uit de chemische industrie te verminderen en te elimineren. Om de doelen te bereiken, houdt de stichting zich onder andere bezig met lobbyen, onderzoek, mogelijke voorstellen voor en verzet tegen wetswijzigingen of beleidsbeslissingen in Europese, nationale, regionale, lokale of mondiale fora. In de statuten van de NMZH, die op de website van deze stichting te vinden zijn, staat als doel omschreven: het bevorderen van een evenwichtige duurzame ontwikkeling van de economie, de samenleving en de fysieke omgeving, met daarbij speciale zorg voor de natuur, het landschap en het milieu in de provincie Zuid-Holland. De stichting beoogt dit doel te bereiken door – onder andere – het handelen, of het nalaten daarvan, door overheden te beoordelen, beïnvloeden en begeleiden, zoals door het indienen van bezwaar- en beroepschriften. Op de websites van de milieuorganisaties is informatie te vinden over de feitelijke werkzaamheden, waaronder activiteiten die zich richten tegen watervervuiling.\n\nDit brengt met zich dat de milieuorganisaties door het besluit van het Ctgb feitelijk en rechtstreeks worden geraakt in een belang dat zij krachtens hun statutaire doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.\n\nIntrekking van de toelatingen omdat de voorwaarden voor de toelatingen langdurig zijn geschonden?\n\n3.1. Het College zal eerst beoordelen of het Ctgb terecht het verzoek van de milieuorganisaties heeft afgewezen om intrekking van de toelating van de gewasbeschermingsmiddelen op basis van de werkzame stoffen cypermethrin, efsenvaleraat en abamectine omdat de toelatingsnormen van de gewasbeschermingsmiddelen zouden zijn overschreden. De milieuorganisaties hebben dit verzoek gebaseerd op artikel 44, eerste lid, eerste volzin, in samenhang met het derde lid, van de gewasbeschermingsverordening.\n\n3.2. In artikel 44, eerste lid, eerste volzin, van de gewasbeschermingsverordening staat dat lidstaten een toelating te allen tijde opnieuw kunnen bekijken indien er aanwijzingen bestaan dat niet langer wordt voldaan aan een van de in artikel 29 genoemde eisen. In artikel 29 van de gewasbeschermingsverordening staan de eisen voor de toelating voor het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen. Het eerste lid, aanhef en onder e, van artikel 29 bepaalt dat een gewasbeschermingsmiddel slechts wordt toegelaten als het op grond van de wetenschappelijke en technische kennis voldoet aan de eisen van artikel 4, derde lid, van de gewasbeschermingsverordening. Het is aan de lidstaat – en in dit geval het Ctgb dat in Nederland op grond van artikel 4 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden de aangewezen instantie is – om te bepalen of het de toelating opnieuw gaat bekijken.\n\n3.3. Wanneer het Ctgb meent dat er aanwijzingen zijn dat niet langer wordt voldaan aan een van de in artikel 29 genoemde eisen en het voornemens is een toelating in te trekken of te wijzigen, dan licht hij volgens artikel 44, tweede lid, de houder van de toelating in om opmerkingen te formuleren of gegevens te verstrekken. Het derde lid van artikel 44 van de gewasbeschermingsverordening bepaalt dat de lidstaat in voorkomend geval de toelating intrekt of wijzigt. Dit is onder meer het geval als (onder a) niet of niet meer wordt voldaan aan de eisen van artikel 29 van de gewasbeschermingsverordening of als (onder c) niet voldaan is aan een voorwaarde in de toelating. Overigens is niet in geschil dat artikel 44 en artikel 29 het gebruik in overeenstemming met de toelatingsvoorwaarden veronderstellen.\n\n3.4. Het Ctgb heeft onderzocht of er aanwijzingen zijn dat de betrokken gewasbeschermingsmiddelen niet langer voldoen aan de in artikel 29 genoemde eisen en is in het bestreden besluit tot de conclusie gekomen dat die er niet zijn. Op grond daarvan heeft het Ctgb geen aanleiding gezien de toelatingen in te trekken.\n\nCypermethrin en abamectine\n\n3.5. De milieuorganisaties voeren aan dat er weliswaar niet veel, maar wel een aantal overschrijdingen van de toelatingsnormen voor cypermethrin en abamectine zijn. Volgens de milieuorganisaties is daarbij het resultaat van metingen wel geflatteerd, omdat veel meetpunten niet toetsbaar zijn, zodat ervan uit moet worden gegaan dat er veel meer overtredingen zijn dan de Bestrijdingsmiddelenatlas aangeeft. Er is volgens de milieuorganisaties dan ook alle reden voor het Ctgb om in actie te komen.\n\n3.6. Het Ctgb geeft aan dat voor beide stoffen het aantal overschrijdingen van de toelatingsnorm laag is en dat er in de Bestrijdingsmiddelenatlas geen correlatie met landgebruik is gerapporteerd. Voor cypermethrin ging het in de periode 2018 tot en met 2021 om drie á vier overschrijdingen op een totaal van meer dan 400 locaties en in 2022 om nul overschrijdingen. Voor abamectine was er in de jaren 2021 en 2022 sprake van nul tot twee overschrijdingen. In 2020 waren dat nog 14 overschrijdingen. De reden voor het Ctgb om bij lage aantallen overschrijdingen van de toelatingsnormen niet in te grijpen, is dat het niet nodig is dat alle locaties altijd voldoen aan de toelatingsnormen. Het gebruikelijke beschermdoel voor blootstelling in het milieu is het 90 percentiel van de concentraties in ruimte en tijd. Het Ctgb ziet enkele verspreid voorkomende overschrijdingen per jaar niet als structureel, omdat de kans dat de overschrijding gerelateerd is aan andere oorzaken (zoals onjuist gebruik of weersomstandigheden) groter is dan de kans dat het aan de toelating ligt. Daarnaast moet duidelijk zijn dat het aan de toelating ligt en niet aan illegaal of onjuist gebruik. Als er geen indicatie is dat een specifieke teelt of route verantwoordelijk is, is er onvoldoende bewijs om in te grijpen in de toelating.\n\n3.7. Het College kan het Ctgb volgen in zijn conclusie dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat de betrokken gewasbeschermingsmiddelen niet langer voldoen aan de in artikel 29 genoemde eisen (en daarmee de toelatingsvoorwaarden). Hoewel het College kan begrijpen dat de milieuorganisaties van het Ctgb verwachten dat het actie onderneemt als sprake is van overschrijdingen van de toelatingsnorm, heeft het Ctgb naar het oordeel van het College toereikend toegelicht waarom daarvoor in dit geval geen aanleiding is. Het gaat om een relatief gezien beperkt aantal geconstateerde overschrijdingen, er lijkt geen correlatie te zijn met landgebruik en er is geen indicatie dat een specifieke teelt of route verantwoordelijk is voor de overschrijdingen. Dat het werkelijke aantal overschrijdingen hoger ligt dan de gerapporteerde overschrijdingen, zoals de milieuorganisaties stellen en door het Ctgb niet is weersproken, is zeker denkbaar. Maar in welke mate daarvan sprake is en wat de oorzaak daarvan is, is een onzekerheid. Gegeven de omstandigheid dat bij de wel geconstateerde overtredingen geen verband is gevonden met gebruik van gewasbeschermingsmiddelen volgens de voorschriften, ziet het College tegen deze achtergrond geen aanleiding om te oordelen dat de conclusie van het Ctgb geen stand kan houden.\n\nEsfenvaleraat\n\n3.8. De milieuorganisaties voeren aan dat voor gewasbeschermingsmiddelen met als werkzame stof esfenvaleraat geldt dat al jarenlang niet wordt voldaan aan de voorwaarden die bij de toelating zijn gesteld. Met de (stelselmatige) overschrijdingen van de toelatingsnormen (chronische norm voor waterorganismen) voor de stof in glastuinbouwgebieden wordt niet voldaan aan de gewasbeschermingsverordening. Daar komt bij dat het Ctgb erkent dat er problematiek is van langdurige overtredingen met betrekking tot esfenvaleraat. Artikel 44, derde lid, van de gewasbeschermingsverordening verplicht dan tot intrekking en niet slechts tot “meenemen in een lopende herbeoordeling” zoals het Ctgb schrijft.\n\n3.9. Het Ctgb stelt dat voor de stof esfenvaleraat het aantal overschrijdingen van de toelatingsnorm inderdaad aanzienlijk is, met het jaar 2021 als duidelijke uitschieter. Met betrekking tot overschrijdingen van de toelatingsnorm is een structureel patroon te zien in monitoringsgegevens van de Bestrijdingsmiddelenatlas. Voor de periode 2020-2022 zijn er aanwijzingen dat gewasbeschermingsmiddelen voor de specifieke teelt van graszaad aan deze structurele overschrijding hebben bijgedragen. Momenteel is de integrale herbeoordeling van gewasbeschermingsmiddelen op basis van de werkzame stof esfenvaleraat volgens artikel 43 van de gewasbeschermingsverordening in uitvoering, na hernieuwde goedkeuring van de stof, waarbij ook de meetgegevens opnieuw zijn geëvalueerd. Omdat deze herbeoordeling hetzelfde effect op het toegelaten gebruik heeft als een herbeoordeling volgens artikel 44 van de gewasbeschermingsverordening (en kan, indien dit uit de beoordeling volgt, leiden tot dezelfde aanpassingen van het gebruik, voor wat betreft het toelatingscriterium) is het naar het oordeel van het Ctgb weinig zinvol om daar bovenop nog een herbeoordeling volgens artikel 44 van gewasbeschermingsverordening te starten. Het Ctgb onderneemt immers al actie om de toelatingen van gewasbeschermingsmiddelen op basis van de werkzame stof esfenvaleraat te herzien op basis van het toelatingscriterium.\n\n3.10. Het College kan het Ctgb volgen in zijn keuze om naast de herbeoordeling op grond van artikel 43 van de gewasbeschermingsverordening niet ook een herbeoordeling op grond van artikel 44 van de gewasbeschermingsverordening te starten. Het College betrekt hierbij dat de eerste volzin van artikel 44, eerste lid, van de gewasbeschermingsverordening zich, net als artikel 43, eerste lid, van de gewasbeschermingsverordening op de in artikel 29 van de gewasbeschermingsverordening genoemde eisen richt. Het betreft hier dan ook eenzelfde beoordeling met eenzelfde effect.\n\nTussenconclusie\n\n3.11. Het College is van oordeel dat het Ctgb op toereikende gronden heeft besloten geen gebruik te maken van zijn in artikel 44, eerste lid, eerste volzin, van gewasbeschermingsverordening neergelegde herbeoordelingsbevoegdheid.\n\nIntrekking van de betrokken gewasbeschermingsmiddelen omdat de normen van de Kaderrichtlijn Water worden overschreden?\n\n4.1. Het College zal hierna beoordelen of het Ctgb terecht het verzoek van de milieuorganisaties heeft afgewezen om intrekking van de toelating van de gewasbeschermingsmiddelen op basis van de werkzame stoffen cypermethrin, efsenvaleraat en abamectine omdat de normen van de Kaderrichtlijn Water in het oppervlaktewater zouden zijn overschreden. De milieuorganisaties hebben dit verzoek gebaseerd op artikel 44, eerste lid, tweede volzin, van de gewasbeschermingsmiddelenverordening.\n\n4.2. In artikel 44, eerste lid, tweede volzin, staat dat een lidstaat (lees: Ctgb) een toelating herziet wanneer hij concludeert dat het mogelijk is dat de doelstellingen zoals bepaald in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, iv, en onder b, i, en artikel 7, leden 2 en 3, van Kaderrichtlijn Water niet kunnen worden verwezenlijkt.\n\n4.3. Artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, iv, van de Kaderrichtlijn Water gaat over oppervlaktewateren. Hierin wordt bepaald dat bij de tenuitvoerlegging van het in het stroomgebiedsbeheerplan omschreven maatregelenprogramma voor oppervlaktewateren, de lidstaten overeenkomstig artikel 16, eerste en achtste lid, de nodige maatregelen ten uitvoer leggen, met de bedoeling de verontreiniging door zogenaamde prioritaire stoffen geleidelijk te verminderen en emissies, lozingen en verliezen van stoffen stop te zetten of geleidelijk te beëindigen. In bijlage I van Richtlijn 2013\u002F39staat een lijst van prioritaire stoffen op het gebied van het waterbeleid. Cypermethrin komt op deze lijst voor, abamectine en esfenvaleraat niet.\n\n4.4. Anders dan artikel 44, eerste lid, eerste volzin, is de tweede volzin dwingender geformuleerd. Deze volzin schrijft voor wat het Ctgb moet doen als hij concludeert dat het mogelijk is dat de daarin bedoelde doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water niet kunnen worden verwezenlijkt. In dat geval herziet het Ctgb de toelating. Dat de Uniewetgever heeft beoogd dit onderscheid te maken tussen de eerste en tweede volzin wordt bevestigd door andere taalversies. In de Franse versie staat in de eerste volzin dat lidstaten de toelating “peuvent réexaminer”en in de tweede volzin staat dat een lidstaat een toelating “réexamine”. In de Engelse versie staat in de eerste volzin dat lidstaten een toelating “may review” en in de tweede volzin “shall review”. In de Duitse versie staat in de eerste volzin dat lidstaten “können eine Zulassung jederzeit ändern” en in de tweede volzin dat de lidstaat “überprüft die Zulassung”. In tegenstelling tot de rechterlijke beoordeling in het kader van de eerste volzin, ligt de in de tweede volzin bedoelde herziening in volle omvang ter beoordeling voor aan de rechter omdat het hier een verplichting betreft van het Ctgb.\n\nCypermethrin\n\n4.5. De milieuorganisaties wijzen erop dat de Kaderrichtlijn Water zich met verplichtingen tot de lidstaten richt. Voor prioritaire stoffen, zoals cypermethrin, bestaat een verplichting om de verontreiniging van oppervlaktewateren met die stoffen geleidelijk te verminderen en emissies, lozingen en verliezen van (prioritaire) stoffen stop te zetten of geleidelijk te beëindigen. Dat volgt uit artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, iv, van de Kaderrichtlijn Water. Het Ctgb is bij uitstek de partij die voor Nederland is aangewezen en de middelen heeft om aan deze verplichting te voldoen. Nu de milieuorganisaties het Ctgb erop hebben gewezen dat cypermethrin in veel hogere concentraties voorkomt dan volgens de Kaderrichtlijn Water aanvaardbaar is in Nederlands oppervlaktewater, kan het Ctgb niet werkeloos blijven toezien dat deze situatie voortduurt. Uit de Bestrijdingsmiddelenatlas blijkt dat Cypermethrin in 2018 tot en met 2022 ieder jaar op verscheidene plaatsen in Nederlands oppervlaktewater werd aangetroffen in concentraties die een veelvoud zijn van de norm die volgens de Kaderrichtlijn Water voor die stof nog aanvaardbaar is. Cypermethrin is een chemisch gewasbeschermingsmiddel, andere toepassingen dan gebruik in landbouw en tuinbouw zijn er niet. Als het in ontoelaatbare hoeveelheden in oppervlaktewateren wordt aangetroffen, zonder dat precies kan worden vastgesteld van welk perceel het afkomstig is, vormt dat juist een reden om het gebruik in heel Nederland te beëindigen, aldus de milieuorganisaties.\n\n4.6. Het College stelt voorop en onderschrijft daarmee het standpunt van het Ctgb dat voor het ingrijpen in een toelating relevant is of de overschrijding van de normen uit de Kaderrichtlijn Water uitsluitend of in belangrijke mate voortvloeit uit het normale gebruik van de toegelaten gewasbeschermingsmiddelen. Dit betekent dat een overschrijding per geval moet worden geanalyseerd om de redenen voor de overschrijding te begrijpen, omdat de overschrijding ook kan komen door verkeerd gebruik door particulieren of door gebruik voor andere doeleinden, namelijk als biocide of diergeneesmiddel.\n\n4.7. Het Ctgb heeft de overschrijdingen (volgens de Bestrijdingsmiddelenatlas) onderzocht en is tot de conclusie gekomen dat er geen aanknopingspunten zijn dat de overschrijdingen worden veroorzaakt door het normale gebruik van de gewasbeschermingsmiddelen volgens de gebruiksvoorschriften. Hierbij heeft het Ctgb betrokken dat cypermethrin een hoge sorptie aan de bodem heeft en alleen nog als granulaat en voor gebruik in opslag is toegelaten. Bij deze gebruikstypen wordt geen dan wel weinig emissie naar het oppervlaktewater verwacht. Granulaat is bovendien pas vanaf 2022 toegelaten, zodat het gebruik hiervan ook geen aanwijzing kan zijn voor het jarenlange aantreffen van de stof. Het gebruik van het middel met een toelating in koolzaad is inmiddels beëindigd. Het is volgens het Ctgb dan ook weinig zinvol om nog bestaande toelatingen van middelen op basis van cypermethrin in te trekken. Daarbij is volgens het Ctgb van belang dat de stof cypermethrin niet uitsluitend als gewasbeschermingsmiddel wordt toegepast. Er zijn twee middeltoelatingen op basis van alfa-cypermethrin als biocide, namelijk als insecticide in pluimveebedrijven (voor professioneel en niet-professioneel gebruik). Ook wordt cypermethrin gebruikt als diergeneesmiddel voor schapen. In de Bestrijdingsmiddelenatlas wordt cypermethrin echter gepresenteerd als een groepsstof. Dat betekent dat verschillende chemische vormen van cypermethrin niet altijd door alle laboratoria apart kunnen worden gemeten en dat alle vormen van cypermethrin hieronder vallen. Daarnaast zijn volgens het Ctgb de correlaties concentraties met landgebruik niet goed te duiden. Het College overweegt dat deze analyse van het Ctgb – zoals de milieuorganisaties ook stellen – onzekerheden bevat over de oorzaken van te hoge concentraties cypermethrin in het oppervlaktewater. Maar de milieuorganisaties hebben de door het Ctgb gesignaleerde (ernstige) twijfels of die overschrijding aan het normale gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is te wijten niet kunnen wegnemen. Gelet op de beschikbare gegevens en de gemotiveerde uiteenzetting van het Ctgb dat de betreffende gewasbeschermingsmiddelen vanwege de stofeigenschap en het type gebruik naar verwachting niet of nauwelijks in het oppervlaktewater terecht zullen komen, kan het College het Ctgb in zijn conclusie volgen dat de overschrijding van de normen uit de Kaderrichtlijn Water niet uitsluitend of in belangrijke mate voortvloeit uit het normale gebruik van de toegelaten gewasbeschermingsmiddelen met de werkzame stof cypermethrin.\n\nAbamectine en esfenvaleraat\n\n4.8. De milieuorganisaties voeren aan dat abamectine en esfenvaleraat specifiek verontreinigende stoffen zijn, die de ecologische toestand van een waterlichaam mede bepalen, als bedoeld in de Kaderrichtlijn Water. Dat de milieuorganisaties hun verzoek hebben gedaan in verband met overschrijdingen van normen in oppervlaktewater, zou het Ctgb er niet van hoeven te weerhouden om te onderzoeken of grondwater en water voor drinkwaterwinning mogelijk in gevaar komen door het gebruik van abamectine en esfenvaleraat.\n\n4.9. Het College stelt vast dat op het moment van de besluitvorming van het Ctgb abamectine en esfenvaleraat geen prioritaire stoffen waren. Het Ctgb is voor deze stoffen terecht niet toegekomen aan een herziening van de toelating als bedoeld in artikel 44, eerste lid, tweede volzin, van de gewasbeschermingsverordening. Het verzoek van de milieuorganisaties was namelijk beperkt tot normoverschrijdingen in het oppervlaktewater. De bepalingen van de Kaderrichtlijn Water, die in de tweede volzin van artikel 44, eerste lid, van de gewasbeschermingsverordening worden genoemd, hebben wat betreft oppervlaktewater alleen betrekking op prioritaire stoffen.\n\n4.10. Wat betreft toelatingen van gewasbeschermingsmiddelen met esfenvaleraat, heeft het Ctgb, zoals in 3.9 vermeld, aangegeven dat er een herbeoordeling plaats vindt op grond van artikel 43 van de gewasbeschermingsverordening. Het College merkt in dat verband nog het volgende op. Artikel 43, eerste lid, van de gewasbeschermingsverordening verwijst net als de eerste volzin van artikel 44, eerste lid, naar de in artikel 29 van de gewasbeschermingsverordening genoemde eisen. Eén van de vereisten van artikel 29 in samenhang bezien met artikel 4, derde lid, aanhef en onder e, van de gewasbeschermingsverordening is dat een gewasbeschermingsmiddel geen onaanvaardbare effecten mag hebben op het milieu. Het College brengt onder de aandacht dat Advocaat Generaal Kokott in haar conclusie van 5 juni 2025 (ECLI:EU:C:2025:422) in de procedure voor interne herziening van de goedkeuring van cypermethrin heeft geschreven dat de schending van milieukwaliteitsnormen van de Kaderrichtlijn Water een sterke aanwijzing kan vormen voor onaanvaardbare effecten op het milieu. Bij een eventueel beroep tegen de besluitvorming over de herbeoordeling in het kader van artikel 43 van de gewasbeschermingsverordening, kan de rechter bij de toetsing van het besluit (ook) dit vereiste betrekken.\n\nTussenconclusie\n\n4.11. Het College is van oordeel dat het Ctgb terecht het verzoek van de milieuorganisaties heeft afgewezen om intrekking van de toelating van de gewasbeschermingsmiddelen op basis van de werkzame stoffen cypermethrin, efsenvaleraat en abamectine vanwege overschrijding van de normen van de Kaderrichtlijn Water in het oppervlaktewater.\n\nOverschrijding van de redelijke termijn\n\n5.1. De milieuorganisaties hebben het College samen verzocht om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. In deze zaak geldt het uitgangspunt dat de redelijke termijn maximaal twee jaar is. Daarbij is een termijn van zes maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep redelijk, tenzij er sprake is van factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten, maar daar is in dit geval geen sprake van. Uitgangspunt voor vergoeding van immateriële schade is een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden. De te beoordelen periode vangt aan met de datum waarop het bezwaarschrift door het Ctgb is ontvangen en loopt door tot de datum waarop het College uitspraak heeft gedaan.\n\n5.2. Het Ctgb heeft het bezwaarschrift op 14 juni 2023 ontvangen. Op het moment van het doen van deze uitspraak is de tweejaartermijn, afgerond met dertien maanden overschreden. De milieuorganisaties hebben daarom recht op € 1.500,- schadevergoeding. Het College stelt vast dat de behandeling van het bezwaar meer dan een half jaar in beslag heeft genomen en dat de behandeling van het beroep meer dan anderhalf jaar heeft geduurd. De overschrijding van de redelijke termijn is dus zowel aan het Ctgb als aan het College toe te rekenen.\n\n5.3. Voor de berekening van het bedrag aan schadevergoeding dat voor rekening komt van het Ctgb en van de Staat wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252) en ook volgt uit de uitspraak van het College van 7 januari 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:1). Van de overschrijding is na afronden een periode van twee maanden toe te rekenen aan de bezwaarfase. Het restant wordt toegerekend aan de beroepsfase. Het College zal daarom op grond van artikel 8:88 van de Awb het Ctgb veroordelen tot betaling van een bedrag van € 230,77 (2\u002F13 x € 1.500,-) aan de milieuorganisaties en de Staat veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.269,23 (11\u002F13 x € 1.500,-).\n\nSlotsom\n\n6 Het beroep is ongegrond. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn zal worden toegewezen.\n\nProceskosten\n\n7.1. In de overschrijding van de redelijke termijn ziet het College aanleiding het Ctgb en de Staat te veroordelen in de kosten van de milieuorganisaties in verband met het verzoek om schadevergoeding. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 467,- (1 punt voor het verzoek om schadevergoeding, met een waarde van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). Nu de overschrijding van de redelijke termijn zowel aan het Ctgb als aan het College is toe te rekenen, zullen het Ctgb en de Staat ieder voor de helft in de proceskosten van de milieuorganisaties worden veroordeeld (€ 233,50).\n\n7.2. Het Ctgb hoeft de overige proceskosten niet te vergoeden.\n\nBeslissing\n\nHet College:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- veroordeelt het Ctgb tot betaling aan de milieuorganisaties van een immateriële schadevergoeding van € 230,77;\n\n- veroordeelt de Staat tot betaling aan de milieuorganisaties van een immateriële schadevergoeding van € 1.269,23;\n\n- veroordeelt het Ctgb in de door de milieuorganisaties in beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 233,50;\n\n- veroordeelt de Staat in de door de milieuorganisaties in beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 233,50.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, mr. C.T. Aalbers en mr. M.L. Noort, in aanwezigheid van mr. A.C. van Helvoort, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.\n\nw.g. J.H. de Wildt w.g. A.C. van Helvoort\n\nRichtlijn 2000\u002F60\u002FEG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid.\n\n Richtlijn 2013\u002F39\u002FEU van het Europees Parlement en de Raad van 12 augustus 2013 tot wijziging van Richtlijn 2000\u002F60\u002FEG en Richtlijn 2008\u002F105\u002FEG wat betreft prioritaire stoffen op het gebied van het waterbeleid.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2026:315","2026-07-13T00:29:11.469Z",{"id":110,"ecli":111,"slug":112,"caseNumber":46,"courtId":66,"decisionDate":67,"fullText":113,"summary":46,"language":50,"source":51,"sourceUrl":114,"sourceTimestamp":78,"parsedAt":53,"updatedAt":115},"1233","ECLI:NL:CBB:2026:317","ecli-nl-cbb-2026-317","uitspraak\n\nCOLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN\n\nzaaknummers: 25\u002F383 en 25\u002F384\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaken tussen\n\n [naam 1] , handelend onder de naam [naam 2] , te [woonplaats] (ondernemer)\n\nen\n\nde minister van Economische Zaken en Klimaat\n\n(gemachtigde: mr. S. Piron)\n\nProcesverloop\n\nMet het besluit van 25 februari 2025 (afwijzingsbesluit) heeft de minister de verzoeken van de ondernemer tot herziening van de besluiten van 9 maart 2022 en 10 mei 2022 tot afwijzing van de subsidieaanvragen op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor respectievelijk het vierde kwartaal (Q4) van 2021 en het eerste kwartaal (Q1) van 2022 afgewezen.\n\nMet de besluiten van 10 april 2025 (bestreden besluiten) heeft de minister het daartegen\n\ndoor de ondernemer gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.\n\nDe ondernemer heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.\n\nDe minister heeft een verweerschrift ingediend.\n\nDe ondernemer heeft nadere stukken ingediend.\n\nDe zitting was op 21 mei 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam 1] en de gemachtigde van de minister.\n\nInleiding\n\n1.1. De ondernemer heeft op 24 december 2021 en 30 maart 2022 aanvragen gedaan voor TVL-subsidie voor respectievelijk Q4 van 2021 (voor zaak 25\u002F383) en Q1 van 2022 (voor zaak 25\u002F384). Op 9 maart 2022 (voor zaak 25\u002F383) en 10 mei 2022 (voor zaak 25\u002F384) heeft de minister deze aanvragen afgewezen (subsidiebesluiten), omdat de ondernemer niet voldoet aan het vereiste van minimaal 30% omzetverlies. De ondernemer heeft geen bezwaar gemaakt tegen de subsidiebesluiten.\n\n1.2. Op 26 november 2024 heeft de ondernemer verzocht om herziening van de subsidiebesluiten (herzieningsverzoeken). De minister heeft de herzieningsverzoeken afgewezen. Dat de ondernemer wel in aanmerking zou komen voor de TVL-subsidies, behoorde al eerder bekend te zijn en had hij daarom al eerder moeten inbrengen. Een gegrond beroep in een eerder subsidiekwartaal werkt bovendien niet door in latere kwartalen. De minister heeft de bezwaren van de ondernemer tegen de afwijzingsbesluiten ongegrond verklaard omdat er geen sprake is van relevante nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Ook is er geen sprake van een kennelijke misslag of van bijzondere feiten en omstandigheden die maken dat de afwijzing van de herzieningsverzoeken evident onredelijk zou zijn.\n\n1.3. De vraag die in deze zaken voorligt is of de minister de herzieningsverzoeken terecht heeft afgewezen.\n\nWettelijk kader\n\n2 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.\n\nStandpunten van partijen\n\n3 De ondernemer is het niet eens met de afwijzing van de herzieningsverzoeken. Hij voert aan dat er wel sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Op 21 maart 2023 heeft het College hem in het gelijk gesteld in een beroep over een subsidie voor Q1 van 2021 op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten startende MKB-ondernemingen COVID-19 (SVL) (ECLI:NL:CBB:2023:145; de uitspraak van 21 maart 2023). Hieruit volgt dat hij wel degelijk in aanmerking komt voor TVL-subsidie. Daardoor is er ook sprake van een kennelijke misslag in de subsidiebesluiten, omdat overduidelijk is dat de TVL-subsidies moesten worden verleend. Bovendien had de minister de subsidiebesluiten moeten herzien, in overeenstemming met zijn eigen herzieningspraktijk voor gevallen waarin onjuiste SBI-codes ten onrechte niet zijn gecorrigeerd na een toegekend bezwaar in eerdere periodes. Verder is door de minister ten onrechte geen rekening gehouden met zijn medische situatie en andere persoonlijke en zakelijke omstandigheden tijdens de coronacrisis. Hij is op 14 februari 2021 met spoed opgenomen in het ziekenhuis vanwege hartproblemen en heeft hierna nog veel last gehad van fysieke en psychische klachten. Het is daarom ook evident onredelijk om de herzieningsverzoeken af te wijzen.\n\n4 De minister stelt zich op het standpunt dat hij de herzieningsverzoeken terecht heeft afgewezen. Er is geen sprake van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. De uitspraak van 21 maart 2023 levert geen nieuw feit of veranderde omstandigheid op. In die uitspraak ging het over SVL voor subsidieperiode Q1 van 2021 en daaruit volgt niet dat de ondernemer recht zou hebben op TVL-subsidie voor andere kwartalen. In die zaak had de minister een fout gemaakt die niet met een intrekking van het besluit mocht worden hersteld. Dat betekent niet dat er daarom wel recht op TVL-subsidie zou bestaan voor de subsidieperiodes Q4 van 2021 en Q1 van 2022. De uitspraak van 21 maart 2023 verandert niets aan het feit dat die subsidieaanvragen terecht zijn afgewezen. Indien geen sprake is van een nieuw feit of veranderde omstandigheid, hanteert de minister bij de TVL het vaste uitgangspunt om bij verzoeken om herziening overeenkomstige toepassing te geven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Alleen als er sprake is van een evidente onredelijkheid of van een kennelijke misslag ziet de minister dan aanleiding om te herzien. In deze procedure is de minister niet gebleken dat sprake is van een kennelijke misslag of dat er bijzondere omstandigheden zijn die het afwijzingsbesluit evident onredelijk maken. De persoonlijke en overige omstandigheden geven geen aanleiding om het afwijzingsbesluit te herzien. Deze zaak valt ook niet onder de categorale uitzonderingsgrond voor onjuiste SBI-codes die ten onrechte niet zijn gecorrigeerd. Tijdens de zitting heeft de minister toegelicht dat de TVL-aanvragen voor Q4 van 2021 en Q1 van 2022 niet zijn afgewezen vanwege een onjuiste SBI-code. Deze categorale uitzonderingsgrond gold alleen voor twee specifieke TVL-subsidieperiodes (Q4 van 2020 en Q1 van 2021) en dus niet voor de voor deze zaak relevante subsidieperiodes (Q4 van 2021 en Q1 van 2022).\n\nBeoordeling van het beroep\n\n5.1. Bij een verzoek om herziening is een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd om het verzoek inhoudelijk te behandelen. Daarbij zal het bestuursorgaan het oorspronkelijke besluit in volle omvang heroverwegen en kan het bestuursorgaan het verzoek inwilligen of afwijzen. Een bestuursorgaan mag dit ook als de aanvrager aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. In dat geval toetst de bestuursrechter het besluit op die aanvraag als ware dit het eerste besluit over die aanvraag. Het bestuursorgaan kan er ook voor kiezen om het verzoek af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit, als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Daarmee geeft het bestuursorgaan dan overeenkomstige toepassing aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. In dat geval toetst de bestuursrechter of het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zoals bedoeld in artikel 4:6 van de Awb is sprake als deze feiten en omstandigheden na het eerdere besluit zijn voorgevallen of niet vóór dat besluit konden en dus behoorden te worden aangevoerd.\n\n5.2. In dit geval heeft de minister de herzieningsverzoeken afgewezen, omdat geen sprake was van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Het College zal toetsen of dit standpunt van de minister terecht is.\n\n5.3. Het is vaste rechtspraak dat een uitspraak van een rechterlijke instantie geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid is als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb (zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College van 2 maart 2021, ECLI:NL:CBB:2021:217). Uit de uitspraak van 21 maart 2023 over de SVL voor subsidieperiode Q1 van 2021 volgt overigens niet dat de ondernemer in aanmerking komt voor TVL-subsidie voor andere subsidieperiodes. Verder is niet gebleken van nieuwe feiten en of veranderde omstandigheden die de ondernemer niet eerder had kunnen inbrengen in een bezwaar tegen de subsidiebesluiten. Dat betekent dat het standpunt van de minister dat de ondernemer aan zijn herzieningsverzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd, juist is. Dit kan de afwijzing van de verzoeken om terug te komen op een in rechte onaantastbaar besluit in beginsel dragen. Dit is anders als de weigering door het bestuursorgaan om terug te komen van een eerder besluit evident onredelijk is.\n\n5.4. In aanvulling op de hiervoor genoemde uitspraak luidt het beleid van de minister voor herziening in verband met een kennelijke misslag als volgt. De minister komt terug op een besluit als op het moment van het nemen van het besluit sprake was van een kennelijke misslag in het besluit. Dat is het geval als sprake is van een overduidelijk onjuist besluit, dat wil zeggen dat het in één oogopslag en zonder enig nader onderzoek duidelijk is. Dat is in deze zaak niet het geval. Niet is gebleken dat sprake is van een kennelijke misslag. Zoals de minister heeft toegelicht, is hier ook niet de categorale uitzonderingsgrond voor onjuiste SBI-codes van toepassing.\n\n5.5. Voor het oordeel dat de weigering om een eerder besluit te herzien evident onredelijk is, moeten zich bijzondere feiten en\u002Fof omstandigheden voordoen die tot het oordeel kunnen leiden dat de minister in het geval van de onderneming minder belang heeft mogen hechten aan overwegingen van rechtszekerheid en doelmatig bestuur dan aan het financiële belang van de onderneming. Van zulke feiten of omstandigheden is niet gebleken. Daarbij is van belang dat de ondernemer de mogelijkheid heeft gehad om tegen de subsidiebesluiten rechtsmiddelen in te stellen en dat niet heeft gedaan. Dit moet voor zijn rekening en risico komen. Een herzieningsprocedure is niet bedoeld om alsnog een bezwaarprocedure te kunnen doorlopen. In dit licht acht het College het afwijzingsbesluit ook niet evident onredelijk. De minister heeft de herzieningsverzoeken van de onderneming daarom terecht afgewezen.\n\nSlotsom\n\n6 De beroepen zijn ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.\n\nBeslissing\n\nHet College verklaart de beroepen ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Jacobs, in aanwezigheid van mr. L. ten Hove, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.\n\nw.g. M.J. Jacobs w.g. L. ten Hove\n\nBijlage\n\nAlgemene wet bestuursrecht (Awb)\n\nArtikel 4:6\n\n1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.\n\n2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2026:317","2026-07-13T00:29:11.351Z",{"id":117,"ecli":118,"slug":119,"caseNumber":46,"courtId":47,"decisionDate":78,"fullText":120,"summary":46,"language":50,"source":51,"sourceUrl":121,"sourceTimestamp":78,"parsedAt":53,"updatedAt":122},"1695","ECLI:NL:RBDHA:2026:18548","ecli-nl-rbdha-2026-18548","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.35373\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], verzoeker,\n\ngeboren op [geboortedatum],\n\nvan Algerijnse nationaliteit,\n\nV-nummer: [nummer],\n\n(gemachtigde: mr. T. Esen),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: L. Ploeger).\n\nInleiding\n\n1. Verzoeker heeft de rechtbank verzocht om de minister te veroordelen in de proceskosten. Hij heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn beroep tegen de bewaringsmaatregel van 25 juni 2026. Verzoeker heeft zijn beroep ingetrokken, omdat de minister de maatregel op 1 juli 2026 heeft opgeheven en aan verzoeker schadevergoeding heeft aangeboden.\n\n1.1.. De rechtbank heeft het beroep op 3 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.Overwegingen\n\n2. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.De rechtbank komt alleen aan een proceskostenveroordeling toe als de intrekking van het beroep plaatsvond wegens (gedeeltelijke) tegemoetkoming door het bestuursorgaan aan de betrokkene.\n\n3. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat verzoeker geen recht heeft op vergoeding van zijn proceskosten. De maatregel van bewaring van 25 juni 2026 is door middel van een kennisgeving vanuit de minister aan de rechtbank ter toetsing voorgelegd, en niet door middel van een door verzoeker ingesteld beroep. Ook zijn er door verzoeker geen gronden ingediend. Dit maakt dat verzoeker geen proceshandelingen heeft verricht die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) in aanmerking komen voor vergoeding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. van der Meulen-Postma, griffier.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.\n\n Dit volgt uit artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18548","2026-07-13T00:29:34.053Z",{"id":124,"ecli":125,"slug":126,"caseNumber":46,"courtId":127,"decisionDate":78,"fullText":128,"summary":46,"language":50,"source":51,"sourceUrl":129,"sourceTimestamp":67,"parsedAt":53,"updatedAt":130},"658","ECLI:NL:RBDHA:2026:18615","ecli-nl-rbdha-2026-18615",60,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.34750 en NL26.34805\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juli 2026 in de zaak tussen\n [eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. M. Stoetzer-van Esch),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. N. Mikolajczyk).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 6 juni 2026 heeft de minister aan eiser een aanvullend terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. De minister heeft op diezelfde dag aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.\n\nEiser heeft tegen het terugkeerbesluit en de maatregel van bewaring afzonderlijk beroep ingesteld. Het beroep tegen de maatregel van bewaring moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\nHeeft de minister zijn bevoegdheid tot het opleggen van de maatregel van bewaring gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die is gegeven?\n\n1. Eiser betoogt allereerst dat bij de oplegging van de maatregel van bewaring sprake is geweest van détournement de pouvoir. De maatregel van bewaring is enkel opgelegd omdat eiser overlast gaf en verward was, maar de crisisdienst hem niet wilde opnemen. Daar is de maatregel van bewaring niet voor bedoeld.\n\n1.1.. De rechtbank overweegt dat uit artikel 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat sprake is van détournement de pouvoir wanneer het bestuursorgaan de bevoegdheid tot het nemen van een besluit gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend.\n\n1.2.. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 6 juni 2026 volgt dat bij de politie een melding binnenkwam dat een jongen, eiser, overlast veroorzaakte, verward overkwam en voor het politiebureau stond. Hierop hebben verbalisanten met eiser gesproken. Nadat zij in het politiesysteem zagen dat eiser verwijderbaar was maar dat de vreemdelingenpolitie hier eerder niet op had ingezet, hebben zij eiser weggestuurd. Enkele minuten later zagen de verbalisanten echter dat eiser voor het politiebureau zich al zwaaiend met een deksel van een prullenbak naar een man bewoog. Hierop hebben de verbalisanten eiser in de hal van het politiebureau gezet. Nadat de crisisdienst liet weten eiser niet op te nemen, is hij aangehouden voor verstoring van de openbare orde.\n\n1.3.. De rechtbank is van oordeel dat uit deze gang van zaken volgt dat sprake is van een strafrechtelijke aanhouding. Dit betekent dat de rechtbank de beslissing om eiser aan te houden en na afronding van het strafrechtelijke traject over te dragen aan de vreemdelingenpolitie, niet op juistheid kan toetsen.De bewaringsrechter is namelijk niet bevoegd te oordelen over de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vw 2000 toegekende bevoegdheden. Bovendien is het niet de minister van Asiel en Migratie die beslissingen neemt in het strafrechtelijke voortraject. In die zin kan de beslissing om eiser aan te houden nadat een overdracht aan de crisisdienst niet mogelijk bleek, niet aan de minister worden toegerekend. Van misbruik van bevoegdheid bij het vervolgens opleggen van de maatregel van bewaring is dan ook geen sprake. Voorafgaand aan het opleggen van de maatregel is eiser gehoord en de minister heeft vervolgens een eigen afweging gemaakt om eiser in bewaring te stellen.\n\nBestaat er zich op uitzetting?\n\n2. Eiser betoogt verder dat zicht op uitzetting naar Marokko in zijn geval ontbreekt. Hij is al vanaf 2018 in aanraking gekomen met justitie, maar de vreemdelingenpolitie heeft nooit een poging ondernomen om eiser uit te zetten. Hieruit volgt dat uitzetting waarschijnlijk niet zal slagen en dat de kans dat een laissez-passer (lp) zal worden afgegeven daarom ook klein is. Bovendien heeft eiser als minderjarige Marokko verlaten en geen identificerende documenten. Het is daarom maar de vraag of hij geregistreerd staat in Marokko.\n\n2.1.. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat zicht op uitzetting naar Marokko in zijn algemeenheid niet ontbreekt.Er bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat dit in het specifieke geval van eiser anders is. Het enkele feit dat niet eerder een poging is ondernomen om eiser uit te zetten, betekent niet dat alleen daarom zicht op uitzetting ontbreekt. Eiser heeft bovendien op geen enkele manier onderbouwd dat minderjarigen in Marokko niet zijn geregistreerd, en dat het daarom onwaarschijnlijk is dat aan eiser een lp zal worden verstrekt.\n\n2.2.. Het betoog van eiser dat vanwege het ontbreken van zicht op uitzetting geen aanvullend terugkeerbesluit opgelegd had kunnen worden, slaagt daarom evenmin.\n\nHeeft de minister voldoende voortvarend gehandeld?\n\n3. Eiser betoogt tot slot dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld voorafgaand aan de inbewaringstelling. De minister had al uitzettingshandelingen moeten verrichten tijdens de diverse eerdere straftrajecten.\n\n3.1.. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld sinds de inbewaringstelling van eiser. Eiser is op 6 juni 2026 in bewaring gesteld en vier dagen later, op 10 juni 2026, heeft een vertrekgesprek met eiser plaatsgevonden. Op 17 juni 2026 is vervolgens een lp-aanvraag ingediend en op de zitting heeft de minister toegelicht dat op 26 juni 2026 is gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten. Dat de minister ook al voor de inbewaringstelling uitzettingshandelingen had moeten verrichten, volgt de rechtbank niet. In zoverre eiser in dat kader wijst op paragraaf A5\u002F6.12 van de Vreemdelingencirculaire 2000 waaruit volgt dat de minister een inspanningsverplichting heeft om vreemdelingenbewaring na strafrechtelijke detentie zoveel mogelijk te beperken, oordeelt de rechtbank dat deze inspanningsverplichting in dit geval niet geldt. In geval van eiser is namelijk geen sprake van een periode van strafrechtelijke detentie direct voorafgaand aan de inbewaringstelling.\n\nLeidt ambtshalve toets tot een ander oordeel?\n\n4. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet (langer) is voldaan.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. De beroepen zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart de beroepen ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om schadevergoeding af..\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Bouman, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.\n\n ABRvS 22 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:190.\n\n Zie ABRvS 14 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3269 en ABRvS 27 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:219.\n\n Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X), HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en ABRvS 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18615","2026-07-13T00:28:41.586Z",{"id":132,"ecli":133,"slug":134,"caseNumber":46,"courtId":135,"decisionDate":78,"fullText":136,"summary":46,"language":50,"source":51,"sourceUrl":137,"sourceTimestamp":138,"parsedAt":53,"updatedAt":139},"508","ECLI:NL:RBMNE:2026:3890","ecli-nl-rbmne-2026-3890",63,"uitspraakRECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nAfdeling Strafrecht\n\nzittingsplaats Utrecht\n\nZaaknummer : 12250449\n\nCJIB-nummer : 241900336\n\nUitspraakdatum: 6 juli 2026\n\nUitspraak op een vordering als bedoeld in artikel 28 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV)\n\nin de zaak van\n\nnaam : [betrokkene] .\n\nadres : [adres] woonplaats : [woonplaats]\n\n(hierna te noemen: betrokkene).\n\nHet verloop van de procedure\n\nDe officier van justitie heeft een vordering ingesteld om te worden gemachtigd tot het toepassen van het dwangmiddel gijzeling, voor de duur van het in de vordering genoemde aantal dagen. De vordering is gegrond op het feit dat aan betrokkene een administratieve sanctie (hierna te noemen: boete) is opgelegd en dat deze boete en de verhogingen niet zijn betaald.\n\nDe zaak is behandeld op de zitting van 22 juni 2026. Betrokkene is niet verschenen. De kantonrechter heeft heden uitspraak gedaan.\n\nDe vordering\n\nGelet op de bevindingen van het CJIB concludeert de officier van justitie het volgende:\n\ndat door betrokkene geen (volledige) betaling van de verschuldigde bedragen heeft plaats gevonden;\n\ndat alle (minder ingrijpende) incasso- en verhaal maatregelen waar mogelijk zijn toegepast;\n\ndat er sprake moet zijn van onwil, omdat in het verleden diverse betalingen zijn gedaan waardoor van de aanwezigheid van financiële middelen moet worden uitgegaan.\n\nOverwegingen\n\nGijzeling is een dwangmiddel waartoe alleen in uiterste noodzaak mag worden overgegaan en is bedoeld om degene die wel kan, maar niet wil betalen, tot betaling aan te zetten. Een machtiging tot het toepassen van dit dwangmiddel kan dan ook alleen worden gegeven als blijkt dat degene aan wie de boete is opgelegd, deze kan betalen.\n\nEen eerder ingeschakelde deurwaarder geeft aan dat betrokkene een eigen onderneming zou hebben of hebben gehad en suggereert betalingsonwil.\n\nDe kantonrechter stelt vast dat er sprak is van een zeer rommelig dossier. Gijzeling wordt op de zitting van vandaag gevorderd in twee specifieke zaken onder zaaknummers 12250449 en 12250470, maar uit de stukken blijkt dat er veel meer openstaande zaken zijn. Zo wordt betrokkene op enig moment aangeschreven voor een bedrag van € 12.000, -.\n\nUit het meegestuurde overzicht blijkt dat er verschillende keren een betalingsregeling is afgesproken waarop in totaal € 2.362, 16 is betaald. In de twee zaken waarvoor nu gijzeling wordt gevorderd is sprake van twee vorderingen van elk € 1.119, -. Het totaal betaalde bedrag overstijgt daarmee het totaal van de twee zaken die nu aan die nu aan de orde zijn.\n\nOp geen enkele manier is duidelijk gemaakt hoe de totale schuld is opgebouwd en op welke openstaande posten de betalingen zijn afgeboekt. In één zaak zijn alle betalingen opgenomen, hoewel het ontvangen totaal die vordering ruim overstijgt.\n\nDe kantonrechter gaat geen machtiging tot gijzeling afgeven op basis van het onoverzichtelijk dossier waaruit niet goed blijkt wat er is afgesproken en hoe betalingen zijn verwerkt. Het staat daarmee niet vast dat in de specifieke zaken die vandaag voorliggen inderdaad geen betaling ontvangen is. Het is bovendien niet helder op grond waarvan nu (vandaag) gezegd wordt dat sprake is van onwil. De informatie in het dossier is gedateerd en een paar jaar oud. Wat wel duidelijk is dat normaal verhaal niets oplevert en er niets van waarde wordt aangetroffen. Dat wijst eerder op betalingsonmacht dan op betalingsonwil.\n\nDe uitspraak\n\nDe kantonrechter:\n\nwijst de vordering af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.O. Zuurmond, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3890","2026-07-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:33.989Z",{"id":141,"ecli":142,"slug":143,"caseNumber":46,"courtId":135,"decisionDate":70,"fullText":144,"summary":46,"language":50,"source":51,"sourceUrl":145,"sourceTimestamp":138,"parsedAt":53,"updatedAt":146},"1111","ECLI:NL:RBMNE:2026:3893","ecli-nl-rbmne-2026-3893","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: UTR 24\u002F4577, UTR 24\u002F5432 en UTR 24\u002F6484\n uitspraak van de meervoudige kamer van 3 juli 2026 in de zaken tussen\n [eiser] , uit [plaats] , eiser\n\n(gemachtigde: F. van der Tempel),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht\n\n(gemachtigden: mr. M.W. Holtkamp, mr. R.E. Helder en mr. S. Ros).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om de geldigheidsduur van zijn standplaatsvergunning voor bepaalde tijd te wijzigen naar onbepaalde tijd. Daarnaast gaat deze uitspraak over de beroepen die eiser heeft ingesteld tegen de Nadere regel artikel 5:13 Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010, Gemeente Utrecht, standplaatsen(hierna: de Nadere regel) en tegen het Aanwijzingsbesluit artikel 5:13 Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010, standplaatsen (hierna: het Aanwijzingsbesluit).\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de geldigheidsduur van de standplaatsvergunning van eiser niet heeft hoeven omzetten naar onbepaalde tijd.Daarnaast oordeelt de rechtbank dat eisers bezwaar tegen het vergunningenplafond in de Nadere Regel terecht niet-ontvankelijk is verklaard en dat de rechtbank de rechtmatigheid van het vergunningenplafond in het beroep tegen het Aanwijzingsbesluit niet kan toetsen. De beroepen zijn daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser is marktkoopman en verkoopt kaas. Op 30 december 2013 is aan eiser een standplaatsvergunning verleend voor de locatie [locatie 1] in Vleuten-de Meern voor de duur van 10 jaar, van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2023.\n\n2.1.. Op 17 juli 2023 heeft eiser een aanvraag ingediend om de geldigheidsduur van zijn standplaatsvergunning voor bepaalde tijd te wijzigen in ‘onbepaalde tijd’. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 28 november 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 10 mei 2024 (bestreden besluit I) op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van deze aanvraag gebleven. Eiser heeft tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld (zaaknummer UTR 24\u002F4577).\n\n2.2.. Met het besluit van 26 september 2023 heeft het college in afwachting van nieuw standplaatsenbeleid aan eiser bericht dat het zonder vergunning innemen van een standplaats op zijn locatie van 1 januari 2024 tot 1 oktober 2025 wordt gedoogd.\n\n2.3.. Op 25 april 2024 heeft de gemeenteraad het nieuwe standplaatsenbeleid aangenomen. Op grond van dat beleid is het aantal beschikbare standplaatsvergunningen beperkt en geldt een maximumstelsel. Daartoe heeft het college op 26 januari 2024 de Nadere regel en het Aanwijzingsbesluit vastgesteld. Eiser heeft tegen beide regelingen bezwaar gemaakt.\n\n2.4.. Met het bestreden besluit van 25 juli 2024 (bestreden besluit II) heeft het college het bezwaar van eiser tegen de Nadere regel niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld (zaaknummer UTR 24\u002F5432).\n\n2.5.. Met het bestreden besluit van 13 september 2024 (bestreden besluit III) heeft het college het bezwaar van eiser tegen het Aanwijzingsbesluit gegrond verklaard, de oppervlakte van de locaties [locatie 1] en [locatie 2] gewijzigd naar maximaal 35 vierkante meter en het Aanwijzingsbesluit in zoverre herroepen en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard. Eiser heeft ook hiertegen beroep ingesteld (zaaknummer UTR 24\u002F6484).\n\n2.6.. Met het besluit van 17 december 2024 heeft het college aan eiser voor zijn locatie een nieuwe standplaatsvergunning verleend, geldig van 1 oktober 2025 tot 1 oktober 2040.\n\n2.7.. Het college heeft op de beroepen gereageerd met verweerschriften.\n\n2.8.. De rechtbank heeft de beroepen op 24 maart 2026 gelijktijdig op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van het college. Daarnaast zijn namens het college verschenen: [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] .\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nZaaknummer UTR 24\u002F4577 – Aanvraag omzetting standplaatsvergunning naar onbepaalde tijd\n\n3. De rechtbank beoordeelt of het college de aanvraag van eiser om de geldigheidsduur van eisers standplaatsvergunning voor bepaalde tijd om te zetten naar onbepaalde tijd heeft mogen afwijzen. De rechtbank beoordeelt deze vraag aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\nHeeft eiser procesbelang?\n\n4. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser geen procesbelang meer heeft, omdat hij inmiddels een nieuwe standplaatsvergunning met een geldigheidsduur tot 1 oktober 2040 heeft gekregen. De rechtbank is van oordeel dat eiser procesbelang heeft bij zijn beroep. Eiser wil een standplaatsvergunning voor onbepaalde tijd, terwijl hij in 2013 een vergunning voor bepaalde tijd heeft gekregen. Ook de nieuwe standplaatsvergunning die met het besluit van 17 december 2024 aan eiser is verleend, is een vergunning voor bepaalde tijd. Aangezien eiser wil dat de geldigheidsduur van zijn vergunning wordt omgezet in onbepaalde tijd, heeft zijn beroep nog feitelijke betekenis. Het feit dat de geldigheidsduur van zijn vergunning uit 2013 waar het verzoek betrekking op heeft al is verstreken, staat daaraan niet in de weg.\n\nHet bestreden besluit I: wat heeft het college beslist?\n\n5. Het college heeft de aanvraag van eiser om de geldigheidsduur van zijn standplaatsvergunning te wijzigen naar onbepaalde tijd afgewezen, omdat op grond van het nieuwe beleid een maximumstelsel geldt. De standplaatsvergunningen zijn dus schaarse vergunningen en worden daarom alleen voor bepaalde tijd toegekend. Bij de verdeling van schaarse vergunningen moeten potentiële aanvragers gelijke kansen krijgen om in een transparante procedure mee te dingen naar zo'n vergunning. Volgens het college is het omzetten van de standplaatsvergunning van eiser naar onbepaalde tijd daarom in strijd met het gelijkheidsbeginsel.\n\nIs eiser benadeeld?\n\n6. Eiser voert aan dat het verslag van de hoorzitting bij het bestreden besluit I ontbreekt. Bovendien is in het besluit niet vermeld welke stukken het college na de hoorzitting heeft verstrekt en wat de reactie van eiser op die stukken was. Twee opmerkingen van eiser op de hoorzitting zijn onvolledig weergegeven en in het bestreden besluit is niet ingegaan op eisers primaire bezwaargrond dat er in de gemeente Utrecht geen vergunningenplafond bestaat, dat standplaatsvergunningen daarom geen schaarse vergunningen zijn en dat zijn aanvraag daarom niet afgewezen had mogen worden. Eiser stelt dat hij hierdoor is benadeeld.\n\n6.1.. De rechtbank is van oordeel dat deze grond niet slaagt. Er is geen rechtsregel op grond waarvan het verslag van de hoorzitting bij het besluit op bezwaar moet worden gevoegd. Artikel 7:7 van de Algemene wet bestuursrecht schrijft slechts voor dat er een verslag van de hoorzitting gemaakt wordt. Daarbij komt dat het verslag van de hoorzitting met het procesdossier alsnog aan eiser is toegezonden. De rechtbank stelt verder vast dat het college in het bestreden besluit I op de bezwaargronden van eiser, waaronder de hiervoor genoemde, is ingegaan en die gronden ook voldoende heeft besproken. Van een motiveringsgebrek of benadeling is daarom geen sprake.\n\nWat voert eiser aan over het vergunningenplafond?\n\n7. Eiser vindt dat zijn aanvraag om de geldigheidsduur van de vergunning om te zetten naar onbepaalde tijd ten onrechte is afgewezen in verband met het vergunningenplafond voor standplaatsen. Hij voert daartoe aan dat ten tijde van zijn aanvraag van 17 juli 2023 om wijziging van zijn standplaatsvergunning er nog helemaal geen geldend vergunningenplafond bestond. De (oude) Regels Standplaatsen Utrecht 2013 (Regels Standplaatsen) bevatten geen vergunningenplafond en deze regeling is destijds niet op de juiste wijze bekendgemaakt en daarmee niet in werking getreden. De tekening standplaatsen uit 2013 die het college aan de gemeenteraad heeft gestuurd, vermeldt alleen waar zich in de gemeente Utrecht standplaatsen bevinden. Dit document is geen besluit tot het vaststellen van een vergunningenplafond en de tekening maakt ook geen onderdeel uit van een dergelijk besluit. Bovendien was het college op grond van de in 2013 geldende Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Utrecht ook niet bevoegd tot het vaststellen van een vergunningenplafond voor standplaatsen en kon het ook geen daarop gericht concretiserend besluit van algemene strekking nemen. Eiser merkt daarbij op dat detailhandel pas sinds 2019 onder de reikwijdte van de Dienstenrichtlijnvalt.\n\n7.1.. Eiser voert verder aan dat bovendien niet is voldaan aan de vereisten van artikel 33, eerste lid, onder b van de Dienstenwet. Volgens eiser is er geen sprake van een dwingende reden van algemeen belang voor het instellen van een vergunningenplafond, omdat er voor standplaatsen in de gemeente Utrecht meer plekken beschikbaar zijn dan gebruikt worden en er ook geen wachtlijsten zijn. Het feit dat voor een specifieke standplaats mogelijk twee potentiële aanvragers zijn, maakt volgens eiser niet dat sprake is van schaarste, omdat in dat geval op een andere locatie in de gemeente Utrecht wel een standplaats beschikbaar is. Daarbij heeft het college niet specifiek de beschikbaarheid van standplaatsen in Vleuten beoordeeld en is ook op geen enkele manier onderbouwd dat daar onderzoek naar is gedaan. Volgens eiser zijn de doeleinden die het college noemt ook geen dwingende reden van algemeen belang die het instellen van een vergunningenplafond rechtvaardigen, omdat het slechts beleidsmatige redenen zijn die niets van doen hebben met de weigeringsgronden voor een standplaatsvergunning.\n\n7.2.. Eiser stelt ook dat het instellen van een vergunningenplafond niet evenredig is (artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht) en dat het college had moeten onderzoeken of dat vergunningenplafond niet verder strekt dan nodig is. In Vleuten en omgeving is er veel ruimte voor nieuwe standplaatsen, terwijl de vraag naar standplaatsen laag is, zodat er geen noodzaak is voor het instellen van een vergunningenplafond.\n\n7.3.. Eiser voert aan dat ook het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht. Eiser heeft een aanvraag gedaan op grond van artikel 1:6, eerste lid onder e, van de Algemene Plaatselijke Verordening. Het college mocht deze aanvraag niet afwijzen op beleidsmatige gronden die geen grondslag vinden in de weigeringsgronden van de Algemene Plaatselijke Verordening. Het behouden van een vitaal en evenwichtig winkelaanbod is een ruimtelijk belang waarmee bij het vaststellen van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden, maar is geen belang waarmee op grond van artikel 1:8 van de Algemene Plaatselijke Verordening rekening kan worden gehouden.\n\n7.4.. Eiser wijst erop dat artikel 10, zesde lid, van de Dienstenrichtlijn meebrengt dat een besluit ‘ex tunc’ moet worden getoetst. Volgens eiser heeft het college bij de heroverweging in bezwaar het primaire besluit daarom ten onrechte ex nunc getoetst. Bij de heroverweging in bezwaar had het college moeten toetsen aan de Algemene Plaatselijke Verordening zoals die gold op 29 november 2023. Het college had deze Algemene Plaatselijke Verordening in overeenstemming met de Dienstenwet en de Dienstenrichtlijn moeten toepassen, het vergunningenplafond om die reden buiten toepassing moeten laten en aan eiser een vergunning voor onbepaalde tijd moeten toekennen.\n\n7.5.. Volgens eiser wordt hem ten onrechte tegengeworpen dat hij de in 2013 verleende vergunning niet heeft aangevochten. De Dienstenrichtlijn was toen nog niet van toepassing op standplaatsvergunningen, zodat procederen zinloos was. Omdat op grond van de Regels Standplaatsen geen vergunningenplafond gold, had het college die regeling volgens eiser exceptief moeten toetsen.\n\n7.6.. Eiser voert ook aan dat het college ten onrechte een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel om de afwijzing van de aanvraag te rechtvaardigen. Er is geen sprake van gelijke gevallen, omdat eiser de enige ondernemer is die een aanvraag heeft gedaan voor omzetting van zijn vergunning naar onbepaalde tijd. Eiser heeft niet gevraagd om een nieuwe vergunning maar om een wijziging van zijn bestaande vergunning. Het met terugwerkende kracht wijzigen van de geldigheidsduur van de vergunning naar onbepaalde tijd maakt ook niet dat andere ondernemers geen toegang meer hebben tot de markt voor standplaatsen in de gemeente Utrecht. De afgelopen jaren waren er geen wachtlijsten en kon het college op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening een onbepaald aantal extra standplaatsvergunningen verlenen.\n\nWas het college bevoegd om de aanvraag af te wijzen vanwege het invoeren van een maximumstelsel voor standplaatsen?\n\n8. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het dossier blijkt dat het college in 2013 de standplaatshouders, waaronder eiser, op verschillende momenten en zowel mondeling als schriftelijk, heeft geïnformeerd dat het bezig was met het ontwikkelen van het nieuwe standplaatsenbeleid. In afwachting van het nieuwe beleid heeft het college eisers toenmalige standplaatsvergunning bij besluit van 17 juni 2013 ambtshalve verlengd tot 31 december 2013. Eind 2013 heeft het college de standplaatshouders geïnformeerd dat zij bij wijze van overgangsregeling konden kiezen voor een eenmalige verlenging van de standplaatsvergunning voor een periode van 5 of 10 jaar, waarna er geen automatisch recht op verlenging meer bestaat. De standplaats komt dan beschikbaar voor gunning waarvoor belangstellenden zich kunnen inschrijven. Bij besluit van 30 december 2023 is de vergunning van eiser vervolgens voor 10 jaar (tot 1 januari 2024) verlengd, waarbij is verwezen naar de 'Regels standplaatsen Utrecht' die als bijlage bij de vergunning zijn meegestuurd. In artikel 3 van deze Regels is bepaald dat sprake is van een maximumstelsel van door het college aan te wijzen standplaatsen.\n\n8.1.. De rechtbank is van oordeel dat het college hiermee voldoende duidelijk heeft gemaakt dat in de periode vanaf 2013 totdat het nieuwe standplaatsenbeleid daadwerkelijk is ingevoerd (zie overweging 2.2) sprake was van een overgangssituatie en dat het inzicht over de toegestane geldigheidsduur en de omvang van het aantal standplaatsvergunningen is veranderd. Dat standplaatsenvergunningen in 2013 (nog) niet onder de Dienstenrichtlijn vielen, maakt dat niet anders. Dit betekent dat ten tijde van de aanvraag van eiser om zijn standplaatsvergunning om te zetten naar onbepaalde tijd, sprake was van een overgangssituatie naar een stelsel met een vergunningenplafond en daarmee van schaarse rechten. Naar het oordeel van de rechtbank waren de beleidsvoornemens van het college over de toekomstige procedure van de verdeling van standplaatsvergunningen voldoende concreet en transparant, zodat het college bij de besluitvorming over de geldigheidsduur van de standplaatsvergunning van eiser daarop kon vooruitlopen.Met inachtneming van dat beleidsvoornemen heeft het college de aanvraag van eiser om omzetting van de geldigheidsduur van zijn vergunning naar onbepaalde tijd daarom mogen afwijzen. Dat ten tijde van eisers aanvraag in 2023 formeel nog geen vergunningenplafond gold, omdat aan de beleidsvoornemens nog geen volledige uitvoering was gegeven, staat daaraan – anders dan eiser stelt – niet in de weg.\n\n8.2.. Dat, zoals het college op zitting heeft erkend, niet duidelijk is of de Regels Standplaatsen en de bijbehorende tekening destijds juridisch op juiste wijze bekend zijn gemaakt, leidt evenmin tot het oordeel dat het college niet op het nieuwe standplaatsenbeleid heeft mogen vooruitlopen. Zoals hiervoor is geoordeeld heeft het college aan eiser voldoende duidelijk gemaakt dat het verlenen van standplaatsvergunningen voor bepaalde tijd verband hield met de geplande beleidsontwikkeling en invoering van een maximumstelsel, waarbij steeds een duidelijke verwachting in de tijd is gegeven. Er is daarom geen reden om aan te nemen dat de vergunning in 2013 voor bepaalde tijd onbevoegd aan eiser is verleend, en dat vervolgens ten onrechte is geweigerd gehoor te geven aan zijn verzoek om deze om te zetten naar onbepaalde tijd. Bovendien was het college ook los van het aankomende nieuwe beleid op grond van artikel 1:7 van de toen geldende Algemene Plaatselijke Verordening bevoegd om standplaatsvergunningen voor bepaalde tijd te verlenen, en was dat tot dat moment ook de praktijk.\n\n8.3.. Voor de door eiser gestelde ex-tunc toetsing van het besluit in bezwaar heeft het college geen aanleiding hoeven zien. Los van het feit dat het uitgangspunt in bezwaar een ex nunc toetsing is, mocht het college gezien het voorgaande bij het nemen van het bestreden besluit vooruitlopen op het nieuwe maximumstandplaatsenbeleid dat toen in ontwikkeling was.\n\n8.4.. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn betoog dat het invoeren van een vergunningenplafond alleen is toegestaan als sprake is van feitelijke schaarste en niet van beleidsmatige schaarste. Dat volgt ook niet uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 december 2020, waar eiser naar heeft verwezen. In die zaak ging het om gewijzigde regelgeving tijdens de behandeling van de aanvraag voor een exploitatievergunning. Daarvan is hier geen sprake.\n\nVoldoet het maximumstelstel aan de eisen van de Dienstenwet en Dienstenrichtlijn?\n\n9. De stelling van eiser dat geen sprake is van schaarse vergunningen omdat er niet voldaan is aan de vereisten die daarvoor gelden en het instellen van dit plafond niet evenredig is, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel.\n\n9.1.. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van Statevolgt dat schaarse vergunningen ook om beleidsmatige redenen kunnen worden vastgesteld (artikel 33, eerste lid onder b, van de Dienstenwet). Daarvoor is een dwingende reden van algemeen belang vereist. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van strijd met deze eis die de Dienstenwet (en overigens ook de Dienstenrichtlijn) aan schaarse vergunningen stelt. De rechtbank licht dat hieronder toe.\n\n9.2.. Het college heeft als onderbouwing voor het vergunningenplafond verwezen naar het rapport van 18 januari 2024 van onderzoeksbureau [onderzoeksbureau]. Daarin is geconcludeerd dat sprake is van een dwingende reden van algemeen belang die het noodzakelijk en evenredig maakt om een maximumstelsel (vergunningenplafond) voor het aantal standplaatsvergunningen voor de gemeente Utrecht in te voeren. Deze conclusie is gebaseerd op een analyse van de beleidskaders van de gemeente Utrecht, de Algemene Plaatselijke Verordening, het standplaatsenaanbod in Utrecht en andere gemeenten en een marktverkenning van het consumentengedrag en het retailaanbod.Uit het rapport volgt dat de noodzaak voor het maximeren van het aantal standplaatsen bestaat in een evenwichtige opbouw van de detailhandel-structuur en een passende inrichting en gebruik van de openbare ruimte, waarbij de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, en de verkeersveiligheid in het bijzonder, worden gewaarborgd. Door concentratie van het detailhandel-aanbod op retaillocaties wordt een inperking van de verkeersstromen bereikt. Dit is in lijn met de gemeentelijke doelstelling om vitale retaillocaties te realiseren, en te komen tot een heldere evenwichtige en duurzame voorzieningenstructuur, waarbij verschillende winkelgebieden elkaar aanvullen en elk een eigen taak vervullen. Het volume van het non-food winkelaanbod is verminderd en er wordt gestreefd naar een compacter winkelbeeld. Bij concentratie van winkels ontstaat een meerwaarde voor zowel de bedrijven als de consument. Voor het realiseren van vitale winkelgebieden legt de gemeente vast waar detailhandelsvestigingen zich bij voorkeur concentreren. Dit draagt bij aan een gezond stedelijk leven voor iedereen.\n\n9.3.. Naar het oordeel van de rechtbank vallen de hiervoor genoemde belangen – anders dan eiser stelt – onder de omschrijving van een dwingende reden van algemeen belang zoals opgenomen in overweging 40 en artikel 4, achtste lid, van de Dienstenrichtlijn. Deze omschrijving is ruimer dan alleen de belangen zoals opgenomen in artikel 1:8 van de Algemene Plaatselijke Verordening. In de omschrijving in de Dienstenrichtlijn is opgenomen dat onder ‘dwingende reden van algemeen belang’ ook wordt verstaan bescherming van afnemers van diensten, consumentenbescherming, en voorkomen van oneerlijke concurrentie. De belangen die het college heeft genoemd vallen daarmee onder de dwingende redenen die in de Dienstenrichtlijn zijn genoemd.\n\n9.4.. In het rapport is verder geconcludeerd dat de invoering van een maximumstelsel evenredig is. Het geadviseerde maximumstelsel is geschikt en effectief voor het bereiken van de onder noodzakelijkheid genoemde doelen. Wanneer bij de uitgifte van standplaatsvergunningen geen maximumstelsel wordt toegepast, kunnen namelijk op vele locaties extra standplaatsen worden aangevraagd, die dan moeten worden vergund. Dit is strijdig met de doelstellingen, gericht op een fijnmazig voorzieningenaanbod en een heldere, evenwichtige en duurzame voorzieningenstructuur. En ook met doelstellingen\u002Fcriteria uit artikel 1:8 van de Algemene Plaatselijke Verordening, in het bijzonder de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, de verkeersveiligheid.\n\n9.5.. De rechtbank is van oordeel dat het college daarmee de noodzaak en de evenredigheid van het maximumstelsel voldoende heeft onderbouwd. Daarbij heeft het college ook in kaart gebracht hoeveel en welke locaties in de gemeente Utrecht geschikt zijn voor standplaatsen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college op basis van de [onderzoeksbureau] -adviesrapporten dan ook een maximumstelsel voor standplaatsen voor de gemeente Utrecht mogen hanteren. De enkele betwisting van eiser dat dit anders is, is onvoldoende om hierover anders te oordelen.\n\n9.6.. De stelling van eiser dat de noodzaak van algemeen belang onderzocht en bepaald moet worden specifiek voor de locatie Vleuten, maakt dit niet anders. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college het maximumstelsel voor de gehele gemeente Utrecht mogen hanteren en geen regeling hoeven treffen specifiek voor standplaatsen in Vleuten. Zoals blijkt uit de [onderzoeksbureau] -rapporten, en door het college op zitting is bevestigd, was de situatie ten tijde van de aanvraag zo dat standplaatshouders niet alleen vergunningen aanvroegen voor populaire wijken in de gemeente Utrecht, zoals het stadscentrum, maar ook voor buitenwijken en voor Vleuten. Op de zitting heeft het college toegelicht dat standplaatshouders die geen vergunning hebben gekregen voor het stadscentrum bovendien regelmatig vervolgens ook een aanvraag indienen voor wijken die verder van het centrum liggen. Daarmee is er een verschuiving van de vraag voor standplaatsen vanuit het centrum naar omliggende wijken.\n\nIs de weigering tot omzetting gerechtvaardigd op grond van het gelijkheidsbeginsel?\n\n10. De rechtbank is tot slot van oordeel dat het college als rechtvaardiging voor de weigering om aan eiser een vergunning voor onbepaalde geldigheidsduur te verlenen, zich heeft mogen beroepen op het gelijkheidsbeginsel. Het college stelt terecht dat door vast te houden aan het verlenen van vergunningen voor bepaalde tijd, potentieel gegadigden evenveel kans krijgen om na afloop van de looptijd van een schaarse vergunning mee te dingen naar de uitgifte van nieuwe standplaatsvergunningen voor een beperkte geldigheidsduur. Dat eiser hier niet heeft gevraagd om een nieuwe vergunning, maar om een wijziging van zijn bestaande vergunning, maakt dat niet anders. Eisers stelling dat er voor standplaatsen geen wachtlijsten zijn en dat toekenning van de gevraagde vergunning aan eiser daarom niet betekent dat andere ondernemers geen toegang meer hebben tot de markt voor standplaatsen in de gemeente Utrecht, volgt de rechtbank niet. Zoals het college terecht naar voren heeft gebracht, heeft het toekennen van een vergunning voor onbepaalde tijd tot gevolg dat standplaatshouders onder het nieuwe beleid niet meer op deze locatie kunnen inschrijven en het totaal aantal voor hen beschikbare standplaatsen daarmee zou verminderen. Daarmee heeft het dus wel gevolgen voor de toegang tot de markt voor (alle) standplaatshouders.\n\nTussenconclusie\n\n11. De rechtbank concludeert dat het college de aanvraag van eiser om de geldigheidsduur van zijn standplaatsvergunning om te zetten in een vergunning voor onbepaalde tijd, heeft mogen afwijzen. Eiser krijgt geen gelijk. Het beroep is ongegrond.\n\nZaaknummer UTR 24\u002F5432 – Ontvankelijkheid bezwaar tegen de Nadere Regel\n\nHet bestreden besluit II: wat heeft het college beslist?\n\n12. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het in de Nadere regel opgenomen vergunningenplafond\u002Fmaximumstelsel voor standplaatsen. Deze Nadere regel is echter een algemeen verbindend voorschrift, waartegen geen bezwaar of beroep kan worden ingesteld.Het college kan het bezwaar daarom niet inhoudelijk beoordelen. Het college heeft het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.\n\nHeeft eiser procesbelang?\n\n13. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser een procesbelang heeft. De rechtbank is van oordeel dat eiser procesbelang heeft bij zijn beroep. Het beroep van eiser ziet op de vraag of de Nadere regel is aan te merken als concretiserend besluit van algemene strekking, waartegen eiser kan opkomen. Als eiser gelijk krijgt, kan hij dus alsnog opkomen tegen de Nadere regel. Dat betekent dat hij procesbelang heeft. Of het beroep van eiser kans van slagen heeft, is niet bepalend voor de vraag of hij procesbelang heeft.\n\nIs de Nadere regel een algemeen verbindend voorschrift of een concretiserend besluit van algemene strekking?\n\n14. Eiser voert aan dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. De Nadere regel heeft volgens eiser wel rechtsgevolgen, omdat artikel 3 vermeldt dat er een vergunningenplafond is en artikel 7 vermeldt een vergunningenstop. Ook uit de Toelichting blijkt dat wordt uitgegaan van een vergunningenplafond. Daarmee is de Nadere regel deels ook te kwalificeren als een concretiserend besluit van algemene strekking.\n\n14.1.. De rechtbank is van oordeel dat het vaststellen van een maximumaantal te verlenen standplaatsvergunningen in de Nadere regel een algemeen verbindend voorschrift is, en geen concretiserend besluit van algemene strekking. Dit motiveert de rechtbank als volgt.\n\n14.2.. Voor de relevante regelgeving verwijst de rechtbank naar de bijlage bij deze uitspraak.\n\n14.3.. De Algemene wet bestuursrecht bevat geen definitie van het begrip ‘algemeen verbindend voorschrift’. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat een algemeen verbindend voorschrift een naar buiten werkende, voor de daarbij betrokkenen bindende regel is, uitgegaan van het openbaar gezag dat de bevoegdheid daartoe aan de wet ontleent. Een algemeen verbindend voorschrift onderscheidt zich van andere besluiten doordat het algemene abstracte regels bevat, die zich zonder nadere normering voor herhaalde concrete toepassing lenen. Een besluit waarin nader naar plaats, tijd of object de toepassing van een in een algemeen voorschrift besloten liggende norm wordt bepaald, kan zelf geen algemeen verbindend voorschrift zijn.Tegen een algemeen verbindend voorschrift kan geen bezwaar of beroep worden ingesteld.\n\n14.4.. Een concretiserend besluit van algemene strekking bevat geen zelfstandige normstelling, maar houdt slechts de toepasselijk verklaring\u002Fconcretisering in van een in een algemeen verbindend voorschrift vervatte rechtsnorm. Het toepassingsbereik van een norm uit een algemeen verbindend voorschrift kan op verschillende manieren worden geconcretiseerd, namelijk naar tijd, plaats of object, en mogelijk ook naar persoon. Als een besluit moet worden gekwalificeerd als een concretiserend besluit van algemene strekking is het wel mogelijk om daartegen bezwaar en beroep in te stellen.\n\n14.5.. In artikel 3 van de Nadere regel is een vergunningenplafond vastgesteld en bepaald dat standplaatsvergunningen alleen worden verleend op nader aan te wijzen locaties. In artikel 3 van de Nadere regel wordt echter niet bepaald wat het maximumaantal precies is en\u002Fof op welke locaties een vergunning verkregen kan worden. Er staat alleen in voor welke type vergunning een vergunningenplafond en een bepaalde vergunningsduur geldt. De rechtbank is van oordeel dat deze bepaling daarom geen concretiserend besluit naar plaats, tijd of object inhoudt. De vaststelling van het maximaal aantal standplaatsvergunningen is niet in de Nadere regel zelf opgenomen, maar (impliciet) in het Aanwijzingsbesluit van het college.\n\n14.6.. Ook artikel 7 van de Nadere regel waarin is bepaald dat het college de periode vaststelt waarbinnen aanvragen voor dag- en seizoenstandplaatsvergunningen kunnen worden ingediend, is geen concretiserende bepaling naar plaats, tijd of object en is daarom niet als een concretiserend besluit van algemene strekking aan te merken. De normen van deze artikelen zijn van toepassing op een in beginsel onbepaalde groep rechtssubjecten en lenen zich voor herhaalde toepassing. Daarmee is de Nadere regel een algemeen verbindend voorschrift, waartegen geen (rechtstreeks) bezwaar en beroep mogelijk is.\n\n14.7.. Het geschil dat aan de rechtbank is voorgelegd beperkt zich tot de vraag of het bezwaar van eiser al dan niet terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Omdat het beroep zich hiertoe beperkt, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of het college op goede gronden een vergunningenplafond heeft mogen opnemen in de Nadere regel. Alleen in een procedure gericht tegen het besluit van 17 december 2024 waarbij aan eiser een nieuwe standplaatsvergunning is verleend, had een exceptieve toetsing van de Nadere regel aan de orde kunnen komen. Dat besluit ligt hier niet voor. Het college heeft het bezwaar tegen de Nadere regel daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.\n\nHeeft het college terecht afgezien van het horen van eiser?\n\n15. Eiser betoogt dat het college ten onrechte heeft afgezien van het horen op grond van artikel 7:3, onder a van de Algemene wet bestuursrecht, omdat het college niet zonder enige twijfel heeft kunnen concluderen dat het bezwaarschrift niet-ontvankelijk is. Als het juist is dat in de Algemene Plaatselijke Verordening geen vergunningenplafond was opgenomen, had het college niet zonder twijfel kunnen concluderen dat het bezwaarschrift was gericht tegen een niet-appellabel besluit.\n\n15.1.. Het college betoogt dat redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was dat eiser zijn bezwaar heeft gericht tegen een algemeen verbindend voorschrift en dat het bezwaar daardoor terecht kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard. Het college stelt zich op het standpunt dat de hoorplicht daarom niet is geschonden.\n\n15.2.. De rechtbank overweegt als volgt. Als hoofdregel geldt dat een bestuursorgaan in de bezwaarprocedure een belanghebbende moet horen, zo volgt uit artikel 7:2, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht. Van het horen mag slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht worden afgezien. Eén van de gevallen die daarin worden genoemd is als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college niet kunnen oordelen dat er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was over de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift van eiser, omdat discussie mogelijk is over de vraag of de Nadere regel is aan te merken als een algemeen verbindend voorschrift of een concretiserend besluit van algemene strekking. Het college heeft dus niet kunnen afzien van het horen van eiser. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een gebrek in het bestreden besluit, maar is van oordeel dat het voldoende aannemelijk is dat eiser hierdoor niet in zijn belangen is geschaad. Naar aanleiding van het bestreden besluit heeft hij in beroep namelijk alsnog de gelegenheid gekregen om zijn standpunten verder toe te lichten. De rechtbank ziet daarom aanleiding om het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht te passeren. Het gebrek is wel reden voor de toekenning van een proceskostenvergoeding voor deze beroepszaak.\n\nTussenconclusie\n\n16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit van het college om het bezwaarschrift niet-ontvankelijk te verklaren in stand blijft.\n\nZaaknummer UTR 24\u002F6484 – het Aanwijzingsbesluit\n\nHet bestreden besluit III: wat heeft het college beslist?\n\n17. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het Aanwijzingsbesluit. Eiser is het niet eens met het vergunningenplafond voor standplaatsen. Dit vergunningenplafond staat echter niet in het Aanwijzingsbesluit, zodat eisers bezwaar in zoverre ongegrond is.\n\nHeeft eiser procesbelang?\n\n18. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser geen procesbelang heeft. De rechtbank is van oordeel dat eiser procesbelang heeft bij zijn beroep. Het beroep van eiser ziet op de vraag of het vergunningenplafond voor standplaatshouders in het Aanwijzingsbesluit is vastgelegd of op andere wijze, en of hij daartegen kan opkomen. Daarmee heeft eiser een belang bij zijn beroep. Of het beroep van eiser kans van slagen heeft, is niet bepalend voor de vraag of hij procesbelang heeft.\n\nIntrekken beroepsgrond\n\n19. De rechtbank stelt vast dat eiser zijn beroepsgrond dat het college in het Aanwijzingsbesluit ten onrechte meerdaagse vergunningen heeft gehandhaafd, op de zitting heeft ingetrokken. Dit punt vormt daarom geen onderdeel meer van het beroep en wordt niet verder besproken.\n\nBevat het Aanwijzingsbesluit een vergunningenplafond?\n\n20. Eiser voert aan dat het vergunningenplafond dat voor Vleuten geldt, anders dan het college stelt, niet is opgenomen in artikel 3 van de Nadere Regel, maar in het Aanwijzingsbesluit. Het Aanwijzingsbesluit geeft namelijk aan voor welke locaties wel en voor welke locaties niet een standplaatsvergunning kan worden verleend. Door het Aanwijzingsbesluit zijn er maximaal zeven standplaatsvergunningen beschikbaar in Vleuten en maximaal 102 in Utrecht. Met het Aanwijzingsbesluit heeft het college dus bepaald dat er nu een vergunningenplafond geldt in Vleuten en in Utrecht. Het vergunningenplafond in het Aanwijzingsbesluit is daarom een concretiserend besluit van algemene strekking, waartegen rechtsmiddelen openstaan.\n\n20.1.. Eiser voert verder aan dat het vergunningenplafond in het Aanwijzingsbesluit niet bevoegd is vastgesteld. Artikel 5:13, derde Algemene Plaatselijke Verordening geeft enkel aan het college de opdracht om te bepalen op welke locaties standplaatsen ingenomen mogen worden. Het college heeft daarom het geldende maximumstelsel onbevoegd vastgesteld. Volgens eiser is het invoeren van een maximumstelsel voor heel Utrecht ook niet noodzakelijk en evenredig. Er zijn in Vleuten aan de [straat] geen problemen in de openbare ruimte. Het college had voor het vaststellen van de noodzaak van een vergunningenplafond de situatie per wijk moeten onderzoeken en niet een vergunningenplafond voor heel Utrecht mogen vaststellen. Mochten er over vijf jaar problemen in de openbare ruimte in een deel van Utrecht zijn, dan kan de gemeente dan alsnog voor dat deel een vergunningenplafond instellen.\n\n20.2.. De rechtbank is van oordeel dat het vergunningenplafond niet is opgenomen in het Aanwijzingsbesluit. Het vergunningenplafond is vastgelegd in artikel 3 van de Nadere regel, die op grond van artikel 5:13, tweede lid van de Algemene Plaatselijke Verordening is vastgesteld. In het Aanwijzingsbesluit zijn slechts de locaties aangewezen waarvoor een standplaatsvergunning verkregen kan worden. Het Aanwijzingsbesluit vermeld daarbij hoeveel standplaatsvergunningen voor die locatie beschikbaar zijn. Dat zegt hooguit (impliciet) iets over de hoogte van het plafond, maar niet over het bestaan van het plafond. Het vergunningenplafond als zodanig is dus niet in het Aanwijzingsbesluit vastgesteld.\n\n20.3.. Omdat in het Aanwijzingsbesluit geen vergunningenplafond is opgenomen, komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling van de beroepsgronden van eiser over de rechtmatigheid van het vastgestelde vergunningenplafond. Deze gronden vallen buiten de omvang van het besluit dat hier voorligt.\n\nOntbreken motivering\n\n21. Eiser voert aan dat in het besluit de motivering voor de invoering van het Aanwijzingsbesluit met terugwerkende kracht ontbreekt en daarvoor ook geen dringende reden is.\n\n21.1.. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet slaagt. Het Aanwijzingsbesluit is vastgesteld op 21 juni 2024 en met terugwerkende kracht tot 4 juni 2024 in werking gestreden. Op basis van dat besluit heeft de eerste inschrijving voor standplaatshouders plaatsgevonden op 21 september 2024, dus ruim nadat het Aanwijzingsbesluit is vastgesteld. Daarbij heeft eiser met het besluit van 17 december 2024 voor zijn locatie een nieuwe standplaatsvergunning gekregen die geldig is voor 15 jaar. Eiser heeft op geen enkele wijze onderbouwd dat hij gevolgen heeft ondervonden van het met terugwerkende kracht in werking treden van het Aanwijzingsbesluit. Hij heeft bijvoorbeeld niet aangetoond dat er in de periode van 4 juni 2024 tot 21 juni 2024 vergunningen zijn aangevraagd of besluiten zijn genomen op grond van het Aanwijzingsbesluit.\n\nConclusie en gevolgen\n\n22. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit I, II en II van het college in stand blijven. De geldigheidsduur van de standplaatsvergunning van eiser hoeft dus niet te worden aangepast.\n\n23. Aangezien de rechtbank in het beroep UTR 24\u002F5432 toepassing heeft gegeven aan artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht, moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt de kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart de beroepen ongegrond\n\ndraagt het college in het beroep UTR 24\u002F5432 op het griffierecht van € 187,- aan eiser te vergoeden;\n\nveroordeelt het college in het beroep UTR 24\u002F5432 in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, voorzitter, mr. M. van der Knijff en mr. H.H.L. Krans, leden, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026.\n\nDe rechter is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving\n\nAlgemene wet bestuursrecht\n\nIngevolge artikel 8:3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht kan tegen een algemeen verbindend voorschrift geen beroep worden ingesteld.\n\nAlgemene Plaatselijke Verordening Artikel 5:13 Straathandel\n\nHet is verboden zonder vergunning van het college, in de uitoefening van de straathandel, andere waren dan gedrukte of geschreven stukken, waarin gedachten of gevoelens worden geopenbaard, te koop aan te bieden, te verkopen of af te leveren op een op een openbare plaats of op of aan een openbaar water.\n\nHet college kan in het belang van de openbare orde en veiligheid en het uiterlijk aanzien van de gemeente nadere regels stellen ten aanzien van de straathandel.\n\n(…)\n\nNadere regel\n\nArtikel 3 Vergunningenplafond\n\n1. Ter bescherming van de openbare orde en veiligheid en ter voorkoming van overlast in de openbare ruimte is het aantal dag- en seizoenstandplaatsen en de incidentele standplaatsen binnenstad gelimiteerd. Een vergunning voor een dagstandplaats, seizoenstandplaats of incidentele standplaats binnenstad wordt alleen verleend voor de aangewezen locaties zoals opgenomen in het aanwijzingsbesluit.\n\n2. Op grond van artikel 5:13 van de verordening wordt in deze tabel aangegeven de categorie standplaats waarvoor een vergunning kan worden verleend, het vergunningenplafond en de maximale vergunningsduur:\n\n Categorie\n\nVergunningenplafond\n\nMaximale vergunningsduur\n\nMobiel verkooppunt\n\nnee\n\n2 maanden\n\nIncidentele standplaats buiten binnenstad\n\nnee\n\n3 dagdelen\n\nIncidentele standplaats binnenstad\n\nnee\n\n3 dagdelen\n\nDagstandplaats\n\nja\n\n15 jaar\n\nSeizoenstandplaats\n\nja\n\n15 jaar\n\nArtikel 7 Bekendmaking mogelijkheid aanvragen vergunning dag- en seizoenstandplaats\n\n1. Het college stelt de periode vast waarbinnen aanvragen voor dag- en seizoenstandplaatsvergunningen kunnen worden ingediend. Hiervan wordt minimaal mededeling gedaan in het Gemeenteblad. Hierin wordt in ieder geval aangegeven:\n\na. een omschrijving van de vrijgekomen kavel en alle kenmerken van de kavel zoals in het aanwijzingsbesluit is opgenomen. Hierbij wordt een kaart van de locatie bijgevoegd;\n\nb. binnen welk tijdvak geïnteresseerden een aanvraag kunnen indienen;\n\nc. binnen welk tijdvak een aanvrager eventuele gebreken op het aanvraagformulier kan herstellen;\n\nd. op welke datum de uitslag van de procedure wordt bekendgemaakt;\n\ne. op welke wijze met gebruikmaking van een (digitaal) aanvraagformulier, een aanvraag kan worden ingediend;\n\nf. welke gegevens bij de aanvraag moeten worden gevoegd om als volledig te worden aangemerkt en;\n\ng. op welke wijze de selectie plaats zal vinden.\n\n2. Het college stelt een (digitaal) aanvraagformulier vast dat moet worden gebruikt voor de vergunningaanvraag.\n\n3. Vergunningaanvragen voor dag- en seizoenstandplaatsvergunningen moeten worden ingediend in het tijdvak als bedoeld onder lid 1 van dit artikel.\n\n4. Per kavel kan maximaal één vergunning verleend worden.\n\n Gemeenteblad 26 juni 2024, 277630.\n\n Gemeenteblad 26 juni 2024, 277377.\n\n Richtlijn 2006\u002F123\u002FEG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt.\n\n Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2019:2892\n\n ECLI:NL:RVS:2021:2910.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 2 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2927 en de uitspraak van 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2305.\n\n Adviesrapport maximumstelsel standplaatsen Utrecht van 18 januari 2024.\n\n De resultaten daarvan zijn neergelegd in het Adviesrapport branchering standplaatsen Utrecht van 6 oktober 2023 van onderzoeksbureau [onderzoeksbureau] .\n\n Zie artikel 8:3, eerste lid onder a, van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:595 en 15 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1067.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3893","2026-07-13T00:29:04.668Z",{"id":148,"ecli":149,"slug":150,"caseNumber":46,"courtId":127,"decisionDate":70,"fullText":151,"summary":46,"language":50,"source":51,"sourceUrl":152,"sourceTimestamp":48,"parsedAt":53,"updatedAt":153},"612","ECLI:NL:RBGEL:2026:5371","ecli-nl-rbgel-2026-5371","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 26\u002F3061\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 juli 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen\n \n [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen\n\n(gemachtigden: mr. M. Litjens en J. Bannink).\n\nInleiding\n\n1. Dit proces-verbaal bevat een zakelijk weergave van de uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van zijn handhavingsverzoek.\n\n1.1.. Verzoeker heeft op 8 juni 2026 bij het college een handhavingsverzoek ingediend tegen een aantal activiteiten (bouw-, aanleg- en kapwerkzaamheden) ten behoeve van een tijdelijke daklozenopvang op het terrein gelegen bij het [adres] in [plaats] . Het college heeft dit verzoek op 15 juni 2026 afgewezen omdat verzoeker geen belanghebbende is bij deze activiteiten. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en hij heeft de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.\n\n1.2.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 3 juli 2026 op zitting behandeld. Verzoeker en de gemachtigden van het college hebben hieraan deelgenomen.\n\n1.3.. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. De motivering van die mondelinge uitspraak luidt zakelijk weergegeven als volgt.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n2. Verzoeker heeft een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, waarin hij de voorzieningenrechter – kort samengevat – verzoekt om een voorlopige voorziening te treffen die inhoudt dat alle werkzaamheden worden gestaakt, dat de feitelijke ingebruikname van de locatie als tijdelijke daklozenopvang wordt verboden en dat het college wordt opgedragen een inhoudelijk besluit op het handhavingsverzoek te nemen.\n\n2.1.. Uit artikel 8:81, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:1 en artikel 7:1 van de Awb, vloeit voort dat de voorzieningenrechter (behoudens hier niet van belang zijnde uitzonderingen) alleen bevoegd is om een voorlopige voorziening te treffen als sprake is van een besluit. In artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is bepaald wat een besluit is, namelijk een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.\n\n2.2.. Uit vaste rechtspraak volgt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit in beginsel belanghebbende is bij een besluit daarover. Wel moeten deze gevolgen van enige betekenis zijn. Daarbij wordt gekeken naar de afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en de milieugevolgen (zoals geur, geluid, licht, trilling, emissie en risico) van de activiteit waar het besluit op ziet.\n\n2.3.. Verzoeker woont op 209 meter afstand van de tijdelijke daklozenopvang. Verzoeker heeft op zitting erkend dat hij geen zicht heeft op de bebouwing. Gelet op deze afstand en het feit dat verzoeker geen zicht heeft op de daklozenopvang is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker in beginsel geen gevolgen van enige betekenis ondervindt van de activiteiten waar zijn handhavingsverzoek op ziet. Verzoeker heeft op zitting toegelicht dat hij naar zijn mening wel een voldoende persoonlijk belang heeft, omdat hij zich onveiliger zal voelen als hij wandelt in het park. Ook verwacht hij dat er mogelijk gedeald zal worden in zijn straat.\n\n2.4.. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het pand nog niet in gebruik is genomen als daklozenopvang en dat het handhavingsverzoek daar ook geen betrekking op heeft. Dat handhavingsverzoek ging over bouw-, kap- en aanlegwerkzaamheden ten behoeve van de realisatie van de daklozenopvang. Aan de gestelde toekomstige gevolgen van de ingebruikname van het pand kan verzoeker geen belang ontlenen dat relevant is voor de beoordeling van de belanghebbendheid bij de activiteiten waar zijn handhavingsverzoek op ziet. Die gevolgen vallen immers buiten de reikwijdte van zijn handhavingsverzoek.\n\n2.5.. Verder merkt de voorzieningenrechter nog op dat een eventueel toekomstig subjectief onveiligheidsgevoel, wat daar ook van zij, onvoldoende is om aan te nemen dat verzoeker gevolgen van enige betekenis ondervindt. Daarbij is ook van belang dat verzoeker zich onvoldoende onderscheidt van andere mensen die van het park gebruik maken. Het is de voorzieningenrechter daarnaast niet op voorhand gebleken dat er in zijn straat gedeald zal gaan worden. Dat zou ook geen direct (ruimtelijk) gevolg zijn van de ingebruikname van het pand als daklozenopvang.\n\n2.6.. Het is dus niet aannemelijk dat verzoeker gevolgen van enige betekenis ondervindt van de activiteiten waartegen hij een handhavingsverzoek heeft ingediend. Verzoeker is daarom geen belanghebbende. Dit betekent dat er geen sprake is van een aanvraag. De afwijzing van 15 juni 2026 is daarom geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De voorzieningenrechter is gelet daarop niet bevoegd om te beslissen op het verzoek om een voorlopige voorziening. Dit betekent niet dat er helemaal geen rechtsbescherming openstaat voor verzoeker. Verzoeker kan zich als hij dat wil met deze zaak tot de burgerlijke rechter wenden.\n\n2.7.. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Omdat de voorzieningenrechter onbevoegd is, hoeft verzoeker voor de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening geen griffierecht te betalen.\n\n2.8.. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n- verklaart zich onbevoegd;\n\n- bepaalt dat de griffier van de rechtbank aan verzoeker het griffierecht terugbetaalt.\n\nDeze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026 door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Goldebeld, griffier.\n\nDe griffier is verhinderd om dit proces-verbaal te ondertekenen.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Zie bijvoorbeeld ABRvS 22 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2923, r.o. 3.2.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5371","2026-07-13T00:28:39.270Z",{"id":155,"ecli":156,"slug":157,"caseNumber":46,"courtId":91,"decisionDate":70,"fullText":158,"summary":46,"language":50,"source":51,"sourceUrl":159,"sourceTimestamp":160,"parsedAt":53,"updatedAt":161},"1762","ECLI:NL:RBROT:2026:7700","ecli-nl-rbrot-2026-7700","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ROT 24\u002F11226 en ROT 24\u002F11960\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2026 in de zaken tussen\n [eiseres], uit [plaats], eiseres\n\n(gemachtigde: mr. F.Th.M. Peters),\n\nen\n\nde minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. D.J. van der Bij).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over twee bestuurlijke boetes van elk € 2.500,- die verweerder met de besluiten van 10 mei 2024 (ROT 24\u002F11226) en 16 augustus 2024 (ROT 24\u002F11960) aan eiseres heeft opgelegd voor een overtreding van de Wet dieren. Eiseres is het niet eens met deze boetes en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de boetes.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de boetes ten onrechte heeft opgelegd. Eiseres krijgt dus gelijk en de beroepen zijn gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n1.2.. Onder 2. staat het procesverloop in deze zaken. Onder 3. staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de bestreden besluiten. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nProcesverloop\n\n2. Met de bestreden besluiten van 5 november 2024 en 28 november 2024 op de bezwaren van eiseres is verweerder bij de boetebesluiten gebleven.\n\n2.1.. \n\nEiseres heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten onder kenmerk ROT 24\u002F11226, respectievelijk ROT 24\u002F11960.\n\n2.2.. Verweerder heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.3.. De rechtbank heeft de beroepen op 10 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van verweerder en [naam], toezichthouder bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).\n\n2.4.. Ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst en verweerder de gelegenheid gegeven de keuze voor de grondslag van de boetes toe te lichten. Dit heeft verweerder bij brief van 18 februari 2026 gedaan. Bij brief van 3 april 2026 heeft eiseres daarop gereageerd. Nadat geen van de partijen te kennen heeft gegeven op een nadere zitting te willen worden gehoord, heeft de rechtbank op 22 mei 2026 het onderzoek in beide zaken gesloten.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n3.1.. \n\nVerweerder heeft zijn besluit in ROT 24\u002F11226 gebaseerd op een rapport van bevindingen van 19 februari 2024, opgemaakt door een toezichthouder van de NVWA. In het rapport staat over de bevindingen van de toezichthouder tijdens regulier toezicht bij eiseres onder meer het volgende:\n\n“Datum en tijdstip van de bevinding: 15 februari 2024 omstreeks 12.55 uur.[…]\n\nTijdens mijn inspectie bevond ik mij in de darmwasserij bij [eiseres] in deze darmwasserij is het bedrijf [bedrijf B] werkzaam. In deze ruimte worden darmpakketten gesplitst in bruikbare onderdelen. Bij binnenkomst van de darmwasserij ben ik richting koelcel 2 gelopen. Daar staan de producten gereed voor verzending.\n\nIn de koelcel zag ik na het openen van een recipiënt met varkensscheilvet (Ruffle fat), dat er bovenop een stuk lag met nog darmen eraan met vezelachtige partikels en de groen\u002Fbruine kleur, door mij herkend als fecale bezoedeling (zie foto 1). Dit materiaal had als categorie 2 dierlijke bijproducten aangemerkt moeten worden. Op de recipiënt zat een sticker met daarop de slachtdatum, product omschrijving en het erkenningsnummer 28 (zie foto 2). Doordat het erkenningsnummer [erkenningsnummer] op het recipiënt was aangebracht is het geschikt verklaard voor humane consumptie. Op mijn aanwijzen is het materiaal als categorie 2 dierlijke bijproducten afgevoerd. Hieruit bleek mij dat de dierlijke bijproducten niet identificeerbaar waren en tijdens het verzamelen niet gescheiden en identificeerbaar bleven, terwijl dat wel vereist was.”\n\n3.2.. \n\nVerweerder heeft zijn besluit in ROT 24\u002F11960 gebaseerd op een rapport van bevindingen dat op 6 mei 2024 is opgemaakt door een toezichthouder van de NVWA. In dit rapport schrijft de toezichthouder over zijn bevindingen tijdens regulier toezicht bij eiseres onder meer het volgende:\n\n“Datum en tijdstip van de bevinding: 1 mei 2024 omstreeks 13:00 uur.[…]\n\nTijdens mijn inspectie bevond ik mij in de darmwasserij bij [eiseres] in deze darmwasserij is het bedrijf [bedrijf B] werkzaam. In deze ruimte worden darmpakketten gesplitst in bruikbare onderdelen. Bij binnenkomst van de darmwasserij ben ik richting de koelcel gelopen. Daar staan de producten gereed voor verzending.\n\nIn de koelcel zag ik een recipiënt staan met varkens netvet (net fat) (zie foto 1, 2, 3 en 4). Ik zag dat er op de recipiënt een sticker was aangebracht met daarop de slachtdatum, product omschrijving en het erkenningsnummer 28 (zie foto 1). Doordat het bedrijf [erkenningsnummer] op het label heeft staan is het product geschikt verklaard voor humane consumptie. Ik zag geen andere stickers die categorisering voor dierlijke bijproducten suggereerden. Ik zag dat het netvet (net fat) zichtbaar was verontreinigd met een bruin\u002Fgroene verontreiniging en vezelachtige partikels, door mij herkend als fecale bezoedeling (zie foto 2, 3 en 4). Fecale bezoedeling behoort als categorie 2 (destructie) aangemerkt te worden en als zodanig verzameld te worden.\n\nIk zag in dezelfde ruimte na het openen van een recipiënt met varkens scheilvet (Ruffle fat), dat het varkens scheilvet zichtbaar was verontreinigd met een groen\u002Fbruine verontreiniging met vezelachtige partikels door mij herkend als fecale bezoedeling (zie foto 6, 7, 8 en 9). Dit materiaal had als categorie 2 (destructie) aangemerkt moeten worden. Op de recipiënt zat een sticker met daarop de slachtdatum, product omschrijving en het erkenningsnummer [erkenningsnummer] (zie foto 5). Doordat het erkenningsnummer [erkenningsnummer] op het recipiënt was aangebracht is het geschikt verklaard voor humane consumptie. Op mijn aanwijzen is het materiaal als categorie 2 (destructie) afgevoerd.\n\nHieruit bleek mij dat de dierlijke bijproducten niet identificeerbaar waren en tijdens het verzamelen niet gescheiden en identificeerbaar bleven, terwijl dat wel vereist was.”\n\n3.3.. \n\nOp grond van de rapporten van bevindingen heeft verweerder vastgesteld dat eiseres het volgende beboetbare feit heeft gepleegd:\n\n“De exploitant zag er niet op toe dat dierlijke bijproducten voldeden aan de eisen inzake identificatie van bijlage VIII, van Verordening 142\u002F2011. De exploitant heeft niet alle nodige maatregelen getroffen om ervoor te zorgen dat dierlijke bijproducten tijdens het verzamelen op de plaats van oorsprong gescheiden en identificeerbaar blijven.”\n\nVolgens verweerder heeft eiseres daarmee een overtreding begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, in verbinding met artikel 3.3, eerste lid, onder b, van de Regeling dierlijke producten, en met artikel 17, eerste lid, en Bijlage VIII, Hoofdstuk II, punt 1, aanhef en onder a, van Verordening 142\u002F2011, gelet op artikel 21, eerste lid, van Verordening 1069\u002F2009.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4.1.. Eiseres voert aan dat het gaat om bezoedeld ruffle fat en netvet, voor humane consumptie bestemde en goedgekeurde halffabricaten die zijn gewonnen in de darmwasserij. Het betreffen levensmiddelen en daarop is Verordening 852\u002F2004van toepassing. Verordening 142\u002F2011 is pas van toepassing nadat een product uit de humane voedselketen is gehaald en wordt aangemerkt als een bijproduct. Dit zou voor het ruffle fat en netvet pas gelden nadat het op basis van HACCP-protocollen zou zijn afgewaardeerd naar categorie 3 of categorie 2 materiaal, maar dat stadium was hier nog niet bereikt. Het ruffle fat en netvet heeft namelijk nog verdere bewerking nodig bij een ander bedrijf ([bedrijf B]) en daar vindt een inslagcontrole plaats. Verder vindt eiseres dat zij niet als overtreder kan worden aangemerkt omdat de darmwasserij door [bedrijf B] wordt gebruikt. Daarnaast voert eiseres aan dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de boete moet worden gematigd. De halffabricaten leiden vanuit de slachterij namelijk nimmer naar een eindgebruiker en de goederen worden bij ontvangst door [bedrijf B] (wederom) onderworpen aan een HACCP-controle. Voorts is van belang dat het ruffle fat en netvet bij eindgebruik altijd gedurende langere tijd tot hoge temperaturen wordt verhit of gefrituurd, zodat de risico’s of gevaar voor de volksgezondheid afwezig zijn. Eiseres doet daarbij een beroep op artikel 3.2 van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren.\n\n4.2.. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de boetes op de juiste grondslag zijn opgelegd. Er was sprake van fecale bezoedeling op weefsel in recipiënten met andere varkensscheilvetten en netvetten en dat verspreidt zich over de gehele recipiënt. Het is niet meer weg te snijden, zoals een fecale bezoedeling bij een karkas dat wel is. Dit maakt dat de gehele recipiënten niet meer geschikt waren voor humane consumptie en direct als categorie 2 materiaal aangemerkt hadden moeten worden. Dit heeft eiseres nagelaten en daarom heeft verweerder een boete opgelegd voor overtreding van Verordening 142\u002F2011 en niet voor overtreding van Verordening 852\u002F2004. Verder vindt verweerder dat eiseres terecht als overtreder is aangemerkt omdat de recipiënten waren voorzien van het EG-nummer van eiseres. Ten slotte stelt verweerder dat de overtredingen een ernstig gevaar voor de volksgezondheid kunnen opleveren en ziet daarom geen reden voor matiging van de boetes.\n\nHeeft verweerder bewezen dat eiseres de overtreding heeft begaan?\n\n5.1.. De rechtbank stelt vast dat eiseres niet betwist dat zich in recipiënten in de koeling bezoedelde varkensscheilvetten (ruffle fat) en netvetten bevonden die waren goedgekeurd voor humane consumptie. Verweerder verwijt eiseres dat zij daarmee artikel 17, eerste lid, aanhef en onder a, en Bijlage VIII, Hoofdstuk II, punt 1, aanhef en onder a, van Verordening 142\u002F2011 heeft overtreden. Hierin staat – kort gezegd – dat exploitanten ervoor moeten zorgen dat dierlijke bijproducten identificeerbaar zijn en tijdens het verzamelen op de plaats van oorsprong van de dierlijke bijproducten alsook tijdens het vervoer gescheiden en identificeerbaar blijven.\n\n5.2.. Onder meer is in geschil of Verordening 142\u002F2011 in deze situaties en op de momenten van de constateringen van de toezichthouders op de recipiënten met bezoedelde vetten van toepassing was. Uit de titel van deze verordening volgt dat deze dient ter uitvoering van Verordening 1069\u002F2009 en ziet op niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten. In Verordening 1069\u002F2009 worden dierlijke bijproducten ingedeeld in drie categorieën, gebaseerd op het risico voor de volks- en diergezondheid. Categorie 1 materiaal heeft het hoogste risico (bijvoorbeeld een kadaver van een koe besmet met BSE) en categorie 3 materiaal heeft het laagste risico (bijvoorbeeld veren of bepaalde etensresten). In beide verordeningen staan voorschriften over onder meer de hantering en de wijze van verzameling van dierlijke bijproducten, de traceerbaarheid ervan bij vervoer en de toegestane verwerkingsmethoden per soort dierlijk bijproduct. Op grond van artikel 3 van Verordening 1069\u002F2009 gaat het bij dierlijke bijproducten om producten die niet voor menselijke consumptie bestemd zijn.\n\n5.3.. Volgens eiseres was in deze zaak op het varkensscheilvet en netvet Verordening 852\u002F2004 van toepassing en die verordening ziet op levensmiddelen. In Verordening 178\u002F2002wordt onder een levensmiddel verstaan: alle stoffen en producten, verwerkt, gedeeltelijk verwerkt of onverwerkt, die bestemd zijn om door de mens te worden geconsumeerd of waarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij door de mens worden geconsumeerd.\n\n5.4.. De rechtbank stelt vast dat het varkensscheilvet en netvet in de recipiënten door eiseres bestemd waren voor humane consumptie. De toezichthouder heeft gezien dat vetten in de recipiënten bezoedeld waren met fecaliën. Volgens verweerder betekent de aanwezigheid van die bezoedeling dat de vetten direct als dierlijke bijproducten moeten worden gekwalificeerd, maar dit volgt de rechtbank niet. Het varkensscheilvet en netvet is door eiseres namelijk steeds bestemd geweest voor humane consumptie en een fecale bezoedeling op deze producten maakt dit niet direct anders. Verweerder wijst erop dat bezoedeld varkensscheilvet en netvet niet meer geschikt is voor humane consumptie, wat ook navolgbaar is, maar dit maakt nog niet dat vetten of gehele recipiënten daarom ook direct als dierlijke bijproducten moeten worden gekwalificeerd. Voor dierlijke bijproducten is immers vereist dat ze niet (langer) bestemdzijn voor humane consumptie. Eiseres heeft gewezen op HACCP-controles die worden verricht. Als bij zo’n controle een bezoedeling wordt ontdekt, worden de vetten zo nodig afgewaardeerd. Op dat moment bestemt de exploitant de vetten niet langer voor humane consumptie en worden de vetten aangemerkt als dierlijke bijproducten. Dit punt was ten tijde van de constateringen door de toezichthouders (nog) niet bereikt. Op dat moment waren de vetten nog bestemd voor humane consumptie en dus aan te merken als levensmiddel, waarop niet Verordening 142\u002F2011 maar Verordening 852\u002F2004 van toepassing is.\n\n5.5.. In het bestreden besluit in ROT 24\u002F11960 stelt verweerder zich op het standpunt dat eiseres ookniet heeft voldaan aan punt 3 van hoofdstuk IX van Bijlage II, van Verordening 852\u002F2004. Dit voorschrift is naar het oordeel van de rechtbank in deze zaken wel van toepassing. Op grond van dit voorschrift moeten namelijk levensmiddelen worden beschermd tegen elke vorm van verontreiniging waardoor de levensmiddelen ongeschikt kunnen worden voor menselijke consumptie. Door de aanwezigheid van fecale bezoedeling op de levensmiddelen varkensscheilvet en netvet is daar niet aan voldaan. Verweerder heeft de boetes evenwel niet opgelegd voor overtreding van dit voorschrift. Overigens kan de rechtbank – los van het voorgaande – verweerder evenmin volgen in zijn betoog dat zowel een overtreding van Verordening 142\u002F2011 als van Verordening 852\u002F2004 aan de boete ten grondslag had kunnen worden gelegd, omdat eerstgenoemde verordening ziet op dierlijke bijproducten en laatstgenoemde verordening ziet op levensmiddelen. Een product kan niet op hetzelfde moment zowel een dierlijk bijproduct als een levensmiddel zijn. Een product is immers wel of niet bestemd voor humane consumptie.\n\n5.6.. De rechtbank concludeert dat verweerder in beide zaken ten onrechte heeft vastgesteld dat artikel 17, eerste lid, en Bijlage VIII, Hoofdstuk II, punt 1, aanhef en onder a, van Verordening 142\u002F2011, gelet op artikel 21, eerste lid, van Verordening 1069\u002F2009 is overtreden. De boetes zijn dus ten onrechte opgelegd. Gelet op dit oordeel behoeven de overige gronden van eiseres over overtrederschap en matiging van de boete geen bespreking meer.\n\nRedelijke termijn\n\n6. De rechtbank beoordeelt ambtshalveof de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het EVRM, is overschreden. Dit is bij punitieve sancties het geval als, behoudens bijzondere omstandigheden, de rechtbank niet binnen twee jaar nadat deze termijn is aangevangen uitspraak doet. De redelijke termijn is aangevangen met het uitbrengen van de voornemens.\n\n6.1.. In ROT 24\u002F11226 is het voornemen uitgebracht op 4 april 2024. Op het moment van deze uitspraak is de redelijke termijn in dit beroep met ruim drie maanden overschreden. Nu de boete vervalt en eiseres niet heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn, volstaat de rechtbank met de constatering dat de redelijke termijn in ROT 24\u002F11226 is overschreden.\n\n6.2.. In ROT 24\u002F11960 is het voornemen uitgebracht op 10 juli 2024 en is de redelijke termijn op het moment van deze uitspraak niet overschreden.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. De beroepen zijn gegrond omdat verweerder niet bevoegd was de boetes op te leggen. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten. De rechtbank voorziet zelf in de zaak en herroept de primaire besluiten. Dit betekent dat de boetes vervallen.\n\n8. Omdat de beroepen gegrond zijn moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden. Dit bedraagt € 371,- per beroep, dus in totaal € 742,-. Ook krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. Deze vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vastgesteld. De rechtbank merkt beide zaken in de beroepsfase aan als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Bpb, omdat de beroepen gelijktijdig op zitting zijn behandeld en de werkzaamheden van de gemachtigde in beide beroepen nagenoeg identiek zijn geweest. In de bezwaarfase was hiervan geen sprake. Dit betekent dat de zaken voor de bepaling van de hoogte van de te vergoeden kosten voor rechtsbijstand in de beroepsfase als één zaak en in de bezwaarfase als twee zaken worden beschouwd. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666,-. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft in beide zaken een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 4.532,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart de beroepen gegrond;\n\nvernietigt de bestreden besluiten van 5 november 2024 en 28 november 2024;\n\nherroept de primaire besluiten;\n\nbepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;\n\nbepaalt dat verweerder het griffierecht van in totaal € 742,- aan eiseres moet vergoeden;\n\nveroordeelt verweerder tot betaling van € 4.532,- aan proceskosten van eiseres.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Goossens, rechter, in aanwezigheid van mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBIJLAGE: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving\n\nVerordening 142\u002F2011\n\nArtikel 17, eerste lid, aanhef en onder a\n\nExploitanten zien erop toe dat dierlijke bijproducten en afgeleide producten:\n\na) voldoen aan de eisen inzake verzameling, vervoer en identificatie van bijlage VIII, hoofdstukken I en II.\n\nBijlage VIII, Hoofdstuk II, punt 1, aanhef en onder a,\n\n1. Alle nodige maatregelen moeten worden getroffen om ervoor te zorgen dat:\n\na) zendingen dierlijke bijproducten en afgeleide producten identificeerbaar zijn en tijdens het verzamelen op de plaats van oorsprong van de dierlijke bijproducten alsook tijdens het vervoer gescheiden en identificeerbaar blijven.\n\nVerordening 1069\u002F2009\n\nArtikel 3, aanhef en eerste lid\n\nIn deze verordening worden verstaan onder:\n\n„dierlijke bijproducten”: dode dieren of delen van dieren, producten van dierlijke oorsprong of andere producten die uit dieren zijn verkregen en die niet voor menselijke consumptie bestemd zijn, met inbegrip van oöcyten, embryo’s en sperma;\n\nArtikel 21, eerste lid\n\nExploitanten verzamelen, identificeren en vervoeren dierlijke bijproducten onverwijld onder voorwaarden ter voorkoming van risico's voor de volksgezondheid en de diergezondheid.\n\nVerordening 178\u002F2002\n\nArtikel 2\n\nIn deze verordening wordt verstaan onder \"levensmiddel\" (of \"voedingsmiddel\"): alle stoffen en producten, verwerkt, gedeeltelijk verwerkt of onverwerkt, die bestemd zijn om door de mens te worden geconsumeerd of waarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij door de mens worden geconsumeerd. […]\n\nVerordening 852\u002F2004\n\nBijlage II, hoofdstuk IX, punt 3\n\nIn alle stadia van de productie, verwerking en distributie moeten levensmiddelen worden beschermd tegen elke vorm van verontreiniging waardoor de levensmiddelen ongeschikt kunnen worden voor menselijke consumptie, schadelijk worden voor de gezondheid, dan wel op een zodanige wijze kunnen worden verontreinigd dat zij redelijkerwijze niet meer in die staat kunnen worden geconsumeerd.\n\nWet dieren\n\nArtikel 6.2, eerste lid\n\nHet is verboden in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is.\n\nArtikel 8.7\n\nOnze Minister kan een overtreder een bestuurlijke boete opleggen.\n\n Verordening (EU) nr. 142\u002F2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1069\u002F2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot uitvoering van Richtlijn 97\u002F78\u002FEG van de Raad wat betreft bepaalde monsters en producten die vrijgesteld zijn van veterinaire controles aan de grens krachtens die richtlijn.\n\n Verordening (EG) nr. 1069\u002F2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774\u002F2002.\n\n Verordening (EG) nr. 852\u002F2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004\n\ninzake levensmiddelenhygiëne\n\n Verordening (EG) nr. 178\u002F2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden. Op grond van artikel 2, tweede lid, van Verordening 852\u002F2004 zijn die definities van Verordening 178\u002F2002 eveneens van toepassing.\n\n Gelet op ECLI:NL:CBB:2025:7 en ECLI:NL:RVS:2024:4761\n\n Zie bijv. ECLI:NL:HR:2023:1337 en ECLI:NL:HR:2024:1422","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7700","2026-07-01T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:37.596Z",{"id":163,"ecli":164,"slug":165,"caseNumber":46,"courtId":166,"decisionDate":138,"fullText":167,"summary":46,"language":50,"source":51,"sourceUrl":168,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":53,"updatedAt":169},"1375","ECLI:NL:RBDHA:2026:18202","ecli-nl-rbdha-2026-18202",56,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.20139\n\n V-nummer: [V-nummer]uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [eiser] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 1999 en van Marokkaanse nationaliteit, eiser\n\n(gemachtigde: mr. Š. Petković),\n\nen\n\nde minister van Buitenlandse Zaken, de minister\n\n(gemachtigde: mr. E. Konstapel).\n\nInleiding\n\nMet het primaire besluit van 9 augustus 2024 heeft de minister de aanvraag van eiser om een visum voor kort verblijf afgewezen.\n\nMet het bestreden besluit van 7 april 2025 heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiser op 30 april 2025 beroep ingesteld.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 8 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is vertegenwoordigd door mr. L. Hu, waarneemster van de gemachtigde van eiser. De minister is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nGriffierecht\n\n1. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De griffier heeft dit verzoek met de brief van 1 mei 2025 voorlopig toegewezen. De rechtbank wijst het verzoek definitief toe.\n\nBeroep tegen het bestreden besluit\n\nAchtergrond\n\n2. Eiser heeft op 17 juli 2024 een visum kort verblijf aangevraagd om op bezoek te gaan bij [referent] (referent) in de periode van 16 augustus 2024 tot en met 31 augustus 2024. In het ‘Bewijs van garantstelling en\u002Fof Particuliere logiesverstrekking’ heeft referent verklaard dat eiser zijn neef is.\n\nBesluitvorming\n\n3. De minister heeft deze aanvraag afgewezen, omdat eiser het doel en de omstandigheden van zijn voorgenomen verblijf onvoldoende heeft aangetoond. Ook heeft eiser zijn sociale en economische binding met Marokko onvoldoende aangetoond, waardoor hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij (tijdig) het Schengenbied zal verlaten.\n\nJuridisch kader\n\n4. De rechtbank overweegt dat in artikel 32, eerste lid, onder a (onderdeel ii) en b, van de Visumcode staat dat een visum wordt geweigerd als de aanvrager het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond en als er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten tijdig te verlaten. Bij het onderzoek of daar twijfel over bestaat, komt de minister een ruime beoordelingsruimte toe.De minister kent bij zijn beoordeling een bijzonder gewicht toe aan de vaststelling of is gebleken van zodanige economische en\u002Fof sociale binding van de aanvrager met het land van herkomst dat een tijdige terugkeer daarmee voldoende gewaarborgd is.\n\nSociale binding\n\n5. Eiser voert aan dat hij wel een sterke sociale binding met Marokko heeft. Eiser maakt deel uit van een gezin. Hij woont bij zijn moeder en stiefvader en een aanzienlijk deel van zijn familie verblijft in Marokko. Eiser is geboren en getogen in Marokko, heeft daar een sociaal leven opgebouwd en volgt een [opleiding] aan de [universiteit] in [plaats] . De opvatting van de minister zou ertoe kunnen leiden dat bij geen enkele alleenstaande zonder zorgtaken sprake kan zijn van voldoende sociale binding en dat is slecht verdedigbaar. Eiser verwijst naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24 april 2023.\n\n5.1.. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser zijn sociale binding met Marokko onvoldoende heeft aangetoond. Eiser is 25 jaar oud, ongehuwd en heeft geen kinderen. Hij draagt dus niet de verantwoordelijkheid voor een eigen gezin. Ook is niet gebleken dat eiser zorgdraagt voor zijn moeder, stiefvader of overige directe familieleden of dat er zwaarwegende verplichtingen op hem rusten in Marokko. Verder kan de rechtbank zich indenken dat eiser een sociaal leven heeft in Marokko. Maar de enkele stelling dat dat zo is, zonder onderbouwing waaruit dit sociale leven dan bestaat, heeft de minister onvoldoende kunnen achten voor het aannemen van een dusdanige sociale binding naar Marokko dat tijdige terugkeer naar dat land redelijkerwijs gewaarborgd is te achten. Voor zover eiser aanvoert dat de studie van eiser een sociale binding met Marokko oplevert, vanwege het contact met bijvoorbeeld medestudenten, heeft eiser ook dit verzuimd te onderbouwen. Tot slot kan de verwijzing naar de eerdergenoemde uitspraak van 24 april 2023 eiser niet baten, omdat dit volgens de rechtbank geen vergelijkbare zaak betreft. Zo vond de rechtbank in die uitspraak ook van belang dat de betrokkene sinds het overlijden van zijn vader de enige man in het gezin was, dat verder bestond uit een moeder en drie zussen Volgens de rechtbank had de minister dit in die zaak wel in zijn beoordeling moeten betrekken, omdat dat een bepaalde sociale binding met zijn gezinsleden en daarmee met het land van herkomst opleverde. In de huidige zaak is eiser echter niet de enige man in het gezin, omdat zijn stiefvader ook deel uitmaakt van het gezin. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nEconomische binding\n\n6. Eiser voert verder aan dat hij wel een sterke economische binding met Marokko heeft. Eiser volgt een [opleiding] aan de [universiteit] in [plaats] . Dit is een veeleisende studie, waarvan hij reeds meerdere vakken met succes heeft afgerond. Vanwege privéomstandigheden heeft hij de studie in de afgelopen periode tijdelijk niet actief kunnen voortzetten. Verder is van belang dat het een Arabischtalige [opleiding] betreft, die niet internationaal erkend is. Hierdoor is het feitelijk uitgesloten om de studie elders voort te zetten.\n\n6.1.. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser zijn economische binding met Marokko onvoldoende heeft aangetoond. Het is niet in geschil dat eiser niet over een stabiel en regelmatig inkomen beschikt om zelfstandig in zijn onderhoud te voorzien in Marokko. Ten aanzien van de studie van eiser is de rechtbank ervan uitgegaan dat dit gaat om een studie over het recht in Marokko en niet over een (algemene) [opleiding] in het Arabisch, zoals de gemachtigde van de minister op zitting heeft gesteld. De rechtbank kan zich lastig indenken dat een studie over het recht in Marokko makkelijk elders kan worden voortgezet. Dit leidt echter niet tot een geslaagd beroep, omdat eiser naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende heeft onderbouwd dat hij daadwerkelijk die studie volgt. De inschrijvingen voor het leerjaar 2023-2024, de inschrijving voor het leerjaar 2024-2025 en een vakantierooster is daarvoor niet genoeg. De rechtbank is het met de minister eens dat het op de weg van eiser had gelegen om zijn studie(voortgang) nader te onderbouwen, bijvoorbeeld met cijferlijsten of uitslagen van behaalde tentamens. Dat heeft eiser niet gedaan. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nHoorplicht\n\n7. Eiser voert tot slot aan dat hij ten onrechte niet door de minister is gehoord. Het staat immers niet op voorhand vast dat hetgeen eiser mogelijk nog aanvullend zou kunnen verklaren of bewijzen niet kan leiden tot een ander oordeel en dat er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was over de uitkomst van het bezwaar.\n\n7.1.. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awbkan van horen van belanghebbenden worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Van een kennelijk ongegrond bezwaar is sprake wanneer uit het bezwaarschrift zelf reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie.Dit moet worden beoordeeld aan de hand van de inhoud van het bezwaarschrift in samenhang met wat in eerste instantie door betrokkene is aangevoerd en met de motivering van het primaire besluit.\n\n7.2.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in het geval van eiser kunnen afzien van het horen in bezwaar. In wat eiser in het bezwaarschrift heeft aangevoerd, heeft de minister geen aanleiding hoeven zien om eiser nader te horen over het doel van zijn verblijf en zijn gestelde sociale en economische binding met het land van herkomst. Het is allereerst aan eiser om zijn sociale en economische binding met het land van herkomst aannemelijk te maken. Ook met de in de bezwaarfase overgelegde documenten is eiser daarin niet geslaagd. Een mondelinge toelichting had dat niet anders gemaakt. De rechtbank volgt eiser verder niet in zijn verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 5 juni 2026, omdat in die zaak in de bezwaarfase meer stukken waren overgelegd. Zo had de betrokkene in die zaak naast registratiecertificaten ook afschriften van cijferlijsten over drie studiejaren overgelegd. Op grond daarvan kwam de rechtbank tot de conclusie dat eiser voldoende inspanningen had verricht om de door de minister verlangen informatie te verkrijgen en inzichtelijk te maken. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van de aanvraag om een visum voor kort verblijf in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, rechter, in aanwezigheid van mr.I.G.A. Karregat, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Dit volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013 in de zaak Koushkaki tegen Duitsland, ECLI:EU:C:2013:862.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2023:6137.\n\n Algemene wet bestuursrecht.\n\n Zie hierover ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2026:15428.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18202","2026-07-13T00:29:18.661Z",{"id":171,"ecli":172,"slug":173,"caseNumber":46,"courtId":127,"decisionDate":138,"fullText":174,"summary":46,"language":50,"source":51,"sourceUrl":175,"sourceTimestamp":138,"parsedAt":53,"updatedAt":176},"654","ECLI:NL:RBGEL:2026:5231","ecli-nl-rbgel-2026-5231","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ARN 26\u002F2579 en 26\u002F2575uitspraak van de voorzieningenrechter van\n\nop het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen\n [eiser] , uit [woonplaats] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. R.M. Noorlander),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zutphen\n\n(gemachtigde: M.C. Riemersma ).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om het recht op een Participatiewet (Pw) uitkering van eiser met ingang van 2 oktober 2025 in te trekken. Bij beslissing op bezwaar van 21 april 2026 is het besluit in stand gelaten en is het bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Hij voert daartoe een aantal gronden aan. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van eiser daartegen.\n\n1.1.. De voorzieningenrechter verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit. Omdat het beroep gegrond is, is er geen reden een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Op grond van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb, schorst de voorzieningenrechter het besluit van 25 februari 2026, zulks tot zes weken nadat op het bezwaar van eiser opnieuw is beslist.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser ontvangt sinds 6 april 2010 een uitkering op grond van de Pw naar de norm van een alleenstaande. Hij is al enkele jaren mantelzorger voor zijn ex-vriendin, mevrouw [ex-vriendin] (hierna: [ex-vriendin] ). Omdat eiser meerdere momenten per week bij [ex-vriendin] verblijft, heeft de gemeente Zutphen aanleiding gezien om een onderzoek in te stellen.\n\n2.1.. \n\nBij besluit van 20 oktober 2025 heeft het college het recht op bijstand met ingang van 2 oktober 2025 ingetrokken, omdat eiser volgens het college niet heeft voldaan aan de op hem rustende medewerkingsverplichting.\n\nHij heeft geen bankafschriften verstrekt en geen gehoor gegeven aan uitnodigingen in verband met een onderzoek naar zijn woon- en leefsituatie.\n\n2.2.. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.\n\n2.3.. \n\nDe door eiser verstrekte bankafschriften en het onderzoek naar de woon- en leefsituatie van eiser hebben geleid tot een herzien primair besluit. Dit betreft het besluit van 25 februari 2026. Hierop is artikel 6:19 Awb van toepassing. Het college heeft het bezwaar tegen het besluit van 20 oktober 2025 niet-ontvankelijk verklaard, omdat dit besluit is vervangen door het besluit van 25 februari 2026 en eiser geen procesbelang meer heeft bij een beoordeling van het besluit van\n\n20 oktober 2025.\n\n2.4.. Bij beslissing op bezwaar van 16 maart 2026 is het besluit van 25 februari 2026 in stand gelaten met verbetering van de motivering. Volgens het college heeft eiser zijn hoofdverblijf niet op het uitkeringsadres maar bij [ex-vriendin] . Eiser zou mantelzorg aan haar verlenen, maar volgens het college is niet gebleken dat het gaat om een intensieve zorgbehoefte.\n\n2.5.. Eiser heeft beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Het college heeft gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.6.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van het college.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\nToetsingskader\n\n3. Op grond van artikel 3, tweede lid, onder a, van de Pw, wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een aanverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de eerste graad of indien er sprake is van een zorgbehoefte van of verleend door een bijstandsgerechtigde die de aanleiding vormt om samen te wonen, ongeacht of er sprake is van bloedverwantschap, gedurende de periode dat die zorg wordt verleend.\n\nIntrekking uitkering\n\n4. Eiser ontkent niet dat hij zijn hoofdverblijf bij [ex-vriendin] heeft en dat er sprake is van een gezamenlijke huishouding. Hij stelt echter dat de zorgbehoefte van [ex-vriendin] de aanleiding is om samen te wonen, zodat hij op grond van artikel 3, tweede lid, onder a, van de Pw niet als gehuwd of als echtgenoot moet worden aangemerkt. Eiser is mantelzorger voor [ex-vriendin] . Bij [ex-vriendin] is sprake van een zorgbehoefte en eiser verleent de benodigde zorg. Gelet op deze intensieve zorgbehoefte, kan eiser bij [ex-vriendin] wonen zonder dat dit invloed heeft op zijn recht op uitkering.\n\n4.1.. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser samenwoont met [ex-vriendin] . Wel is in geschil of er bij [ex-vriendin] sprake is van een zorgbehoefte als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Pw. Het college stelt dat nader onderzoek niet nodig is omdat eiser onvoldoende bewijs voor een zorgbehoefte heeft aangeleverd. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij het bestaan van de zorgbehoefte voldoende aannemelijk heeft gemaakt en dat het op de weg ligt van het college om nader onderzoek te doen als het college zich op het standpunt stelt dat er geen sprake is van een zodanig intensieve zorgbehoefte.\n\n4.2.. Uit vaste rechtspraak volgt dat het aan de personen is, die zich op deze in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Pw, genoemde uitzondering beroepen, om de feiten en omstandigheden, aannemelijk te maken, waaruit volgt dat deze uitzondering van toepassing is.Omdat eiser zich beroept op een uitzondering, ligt het op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat hij mantelzorg moet verlenen aan een zorgbehoeftige.\n\n4.3.. Verder volgt uit vaste rechtspraak dat als zorgbehoeftig wordt beschouwd de persoon die door ziekte of een lichamelijke, verstandelijke of geestelijke stoornis in aanmerking komt voor een opname in een Wlz-instelling of duurzaam is aangewezen op dagelijkse hulp bij alle of de meeste algemene dagelijkse levensverrichtingen, of op constant toezicht om mogelijk gevaar voor zichzelf of anderen te voorkomen.\n\n4.4.. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn stelling stukken over [ex-vriendin] overgelegd, zoals een brief van de psychiater, de huisarts en het WMO team. Uit deze stukken blijkt dat er bij [ex-vriendin] sprake is van medische beperkingen die leiden tot een bepaalde zorg- of toezichtbehoefte. Met deze stukken heeft eiser naar het oordeel van de voorzieningenrechter aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een zorgbehoefte bij [ex-vriendin] . Als het college betwist dat sprake is van een zorgbehoefte ligt het naar het oordeel van de voorzieningenrechter op de weg van het college om nader onderzoek te doen en het standpunt te onderbouwen. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat het voor eiser niet eenvoudig is om aan te tonen dat [ex-vriendin] een intensieve zorgbehoefte heeft. Hij heeft er ter zitting terecht op gewezen dat behandelaren op grond van richtlijnen van het Koninklijk Nederlands Medisch Genootschap terughoudend zijn met het verstrekken van informatie aan niet-professionele derden. Het college bezit meer mogelijkheden tot het verrichten van onderzoek. Eiser verwijst daarbij terecht op de volgende passage uit de Memorie van Toelichting van de wet Participatiewet in Balans: “De gemeente kan uiteraard ook een onafhankelijke derde\u002Fexterne sociaal-medische adviseur inzetten. In dat geval is het dan aan de gemeente om in deze specialist te voorzien. Hiermee wil de regering voorkomen dat de mantelzorger of de mantelzorgbehoevende met deze taak worden belast.”Het betoog van eiser slaagt.\n\n4.5.. \n\nTen overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat eiser op zitting heeft gesteld dat [ex-vriendin] bereid is mee te werken aan dit onderzoek. Mocht om wat voor reden dan ook [ex-vriendin] bij nader inzien niet willen meewerken aan het onderzoek door het college, komt dat voor rekening en risico van eiser.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep is gegrond. De voorzieningenrechter vernietigt daarom het bestreden besluit. Omdat het beroep gegrond is, is er geen reden een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek wordt afgewezen.\n\n5.1.. De voorzieningenrechter ziet geen reden om de rechtsgevolgen van besluit in stand te laten of zelf een beslissing over te nemen. De voorzieningenrechter bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daarnaast ziet de voorzieningenrechter, met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb, aanleiding het besluit van 25 februari 2026 te schorsen tot zes weken nadat op het bezwaar van eiser opnieuw is beslist.\n\n5.2.. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht (2 x € 54,-) aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,-, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend, een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit en draagt het college op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;\n\n- schorst het besluit van 25 februari 2026, zulks tot zes weken nadat op het bezwaar van eiser opnieuw is beslist;\n\n- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;\n\n- bepaalt dat het college het griffierecht van € 108,- (2 x € 54,-) aan eiser moet vergoeden;\n\n- veroordeelt het college tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. de Wijse-Hageman, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe griffier is verhinderd deze\n\nuitspraak te ondertekenen.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.\n\n Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Centrale Raad van beroep van 15 september 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2201 en van 17 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1115.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 6 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4487.\n\n Kamerstukken II, 2023-2024, 36 582 nr. 3 p. 98.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5231","2026-07-13T00:28:41.439Z",{"id":178,"ecli":179,"slug":180,"caseNumber":46,"courtId":66,"decisionDate":160,"fullText":181,"summary":46,"language":50,"source":51,"sourceUrl":182,"sourceTimestamp":138,"parsedAt":53,"updatedAt":183},"2015","ECLI:NL:GHDHA:2026:2161","ecli-nl-ghdha-2026-2161","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nTeam Belastingrecht\n\nmeervoudige kamer\n\nnummer BK-25\u002F88bisUitspraak van 1 juli 2026 ter herstel van de uitspraak van 10 juni 2026\n\nin het geding tussen:\n\n [X] B.V. te [Z] , belanghebbende,\n\n(gemachtigde: F.J. Manzoni)\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,\n\n(vertegenwoordiger: […] )\n\ngedaan ter verbetering van de uitspraak van dit Hof van 10 juni 2026, nr. BK-25\u002F88, inzake het hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de\n\nRechtbank) van 21 januari 2025, nummer SGR 24\u002F51.\n\nDe uitspraak in het hoger beroep\n\n1.1.. Het Hof heeft in deze zaak op 10 juni 2026 uitspraak gedaan. Nadien heeft het Hof ambtshalve geconstateerd dat de uitspraak fouten bevat die moeten worden hersteld.\n\n1.2.1.. Het Hof heeft in die uitspraak, gelet op artikel 8:109, lid 2, Algemene wet bestuursrecht, bij vergissing in het procesverloop vermeld dat ter zake het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep een griffierecht van € 579 is geheven.\n\n1.2.2.. Het Hof heeft in die uitspraak bij vergissing in overweging 6.3 vermeld dat de Inspecteur het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 579 aan belanghebbende dient te vergoeden.\n\n1.2.3.. Het Hof heeft in die uitspraak bij vergissing in het dictum vermeld dat hij de Inspecteur opdraagt het door belanghebbende betaalde griffierecht van in totaal € 579 te vergoeden.\n\n1.2.4.. Naar het oordeel van het Hof is sprake van kennelijke fouten die zich lenen voor herstel door middel van de onderhavige hersteluitspraak.\n\n1.3.. Herstel van deze misslagen brengt mee dat:\n\nde in het procesverloop opgenomen zin “Ter zake daarvan is een griffierecht van € 579 geheven.” komt te vervallen;\n\noverweging 6.3 als volgt wordt aangepast: “6.3. Omdat de uitspraak van de Rechtbank in stand blijft, wordt van de Inspecteur een griffierecht geheven van € 579.”\n\nhet dictum als volgt wordt aangepast. De zin “draagt de Inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht van in totaal € 579 te vergoeden.” wordt vervangen door de zin: “draagt de Inspecteur op het griffierecht van € 579 te voldoen.”.\n\nBeslissing\n\nHet Gerechtshof herstelt de uitspraak van 10 juni 2026, nr. BK-25\u002F88, op de hiervoor onder 1.3 vermelde wijze.\n\nDeze uitspraak is vastgesteld door W. de Wit, L.D.M.A. Reijs en J.B.O. Bijl, in tegenwoordigheid van de griffier R. Wijkstra.\n\nDe griffier, de voorzitter,\n\nR. Wijkstra W. de Wit\n\nDe beslissing is op 1 juli 2026 in het openbaar uitgesproken.\n\nDeze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2161","2026-07-13T00:29:49.950Z",{"id":185,"ecli":186,"slug":187,"caseNumber":46,"courtId":188,"decisionDate":189,"fullText":190,"summary":46,"language":50,"source":51,"sourceUrl":191,"sourceTimestamp":189,"parsedAt":53,"updatedAt":192},"965","ECLI:NL:RBZWB:2026:5805","ecli-nl-rbzwb-2026-5805",64,"2026-06-30T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: BRE 26\u002F3199\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [verzoekers] , uit [woonplaats] , verzoekers, (gemachtigde mr. P.E.M. Meijer),\n\n en\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Geertruidenberg(college), verweerder.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers met betrekking tot het niet-ontvankelijk verklaren van hun bezwaarschrift van 10 maart 2026.\n\n1.1.. Op 4 februari 2026 is er namens de gemeente Geertruidenberg door het Baronie Interventieteam (BIT) een onaangekondigde controle uitgevoerd bij de winkel van verzoekers, [winkel] . Verzoekers hebben het college op 16 februari 2026 een brief gestuurd over die controle. Het college heeft op 10 maart 2026 op de brief van verzoekers gereageerd. Verzoekers hebben op 10 maart 2026 een bezwaarschrift ingediend tegen deze brief.\n\n1.2.. Bij beslissing op bezwaar van 11 mei 2026 heeft het college het bezwaar van verzoekers niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brief van 10 maart 2026 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat daar geen bezwaar tegen mogelijk is.\n\n1.3.. Verzoekers hebben tegen deze beslissing beroep ingesteld. Tevens hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Daarbij is onder meer verzocht om een voorschot op de geleden schades vast te stellen.\n\n1.4.. Op grond van artikel 8:83, derde lid van de Awb is een zitting achterwege gebleven.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.\n\n2.1.. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de voorlopige voorzieningenprocedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van een bezwaar- of beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen. Daarom speelt bij de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening de spoedeisendheid een belangrijke rol.\n\n2.2.. De griffier heeft verzoekers bij brief van 17 juni 2026 gevraagd om binnen een week het spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening nader toe te lichten.\n\n2.3.. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekers niet op de brief van 17 juni 2026 hebben gereageerd. Daardoor is de voorzieningenrechter niet duidelijk geworden waarom verzoekers de uitkomst van de bezwaarprocedure niet zouden kunnen afwachten. Dat blijkt ook niet uit het verzoek-\u002Fberoepschrift.\n\nConclusie en gevolgen\n\n3. Omdat niet is gebleken van een spoedeisend belang, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek wordt daarom afgewezen.\n\n3.1.. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 30 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5805","2026-07-13T00:28:56.803Z",{"id":194,"ecli":195,"slug":196,"caseNumber":46,"courtId":188,"decisionDate":189,"fullText":197,"summary":46,"language":50,"source":51,"sourceUrl":198,"sourceTimestamp":189,"parsedAt":53,"updatedAt":199},"974","ECLI:NL:RBZWB:2026:5793","ecli-nl-rbzwb-2026-5793","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: BRE 25\u002F4858uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen\n\n [eisers] , uit [woonplaats] , eisers\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dongen.\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over een beslissing van het college op het bezwaar van eisers tegen de brief van 8 november 2024, waarin de openbaarmaking is opgeschort niet-ontvankelijk is verklaard. Eisers voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van onder meer deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het bezwaar op goede gronden niet-ontvankelijk is verklaard.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep tegen de opschorting niet-ontvankelijk is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n1.2.. Eisers hebben gevraagd documenten openbaar te maken over de vergunningaanvraag van hun buren, de vergunninghouders. Het college heeft met het besluit van 3 oktober 2024 de openbaarmaking gedeeltelijk toegewezen. Met de beslissing op bezwaar van 12 augustus 2025 op de bezwaren van eisers heeft het college dit besluit deels herroepen en besloten meer gegevens openbaar te maken. Eisers en de vergunninghouders hebben ieder beroep ingesteld tegen dit besluit.\n\n1.3.. In verband met het bezwaar van vergunninghouders schort het college op 8 november 2024 de openbaarmaking van de documenten op. Eisers maken bezwaar tegen de opschorting van de openbaarmaking. Het college heeft het bezwaar van eisers tegen deze opschorting van de openbaarmaking bij het bestreden besluit van 12 augustus 2025 niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brief van 8 november 2024 volgens het college niet op rechtsgevolg is gericht en er dus geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eisers hebben hier beroep tegen ingesteld.\n\n1.4.. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.5.. De rechtbank heeft het beroep op 7 april 2026 op zitting behandeld, tegelijkertijd met de beroepen tegen de inhoudelijke beslissing op bezwaar.Hieraan hebben deelgenomen: eisers, [gemachtigde 1] als gemachtigde van de vergunninghouders en mr. M. Roels, [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3] namens van het college.\n\n1.6.. De rechtbank heeft de uitspraaktermijn verlengd.\n\nTotstandkoming van de bestreden besluiten\n\n2. Eisers dienen op 7 maart 2024 een Woo-verzoek in waarin zij vragen om alle documenten over het vergunningverleningsproces op het adres [adres] te [woonplaats] . Dat betreft de vergunning die vergunninghouders hebben aangevraagd en verkregen.\n\n2.1.. Eisers en vergunninghouders wordt om een zienswijze gevraagd. Op 3 oktober 2024 besluit het college de documenten, deels gelakt, openbaar te maken.\n\n2.2.. Op 14 oktober 2024 stuurt het college vergunninghouders een mail waarin is aangegeven dat per abuis een verkeerd e-mail adres is gebruikt waardoor zij geen zienswijze in hebben kunnen dienen.\n\n2.3.. Op 28 oktober 2024 dienen vergunninghouders een bezwaarschrift in. Op 8 november 2024 stuurt het college een brief aan eisers waarin staat vermeld dat zij door een onjuiste adressering een derde-belanghebbende (vergunninghouders) niet in de gelegenheid hebben gesteld om een zienswijze in te dienen. Gelet hierop schort het college de openbaarmaking van de documenten op tot twee weken na de nog te nemen beslissing op bezwaar. Eisers hebben de documenten die vrij zijn gegeven al gekregen, maar mogen van het college deze documenten wegens de opschorting van de openbaarmaking niet gebruiken of verspreiden.\n\n2.4.. Op 13 november 2024 maken eisers bezwaar tegen het besluit op het Woo-verzoek van 3 oktober 2024. Op 18 december 2024 maken zij ook bezwaar tegen de brief van 8 november 2024 over de opschorting van de feitelijke openbaarmaking.\n\n2.5.. Met de beslissingen op bezwaar van 12 augustus 2025 is op de bezwaren van eisers en vergunninghouders beslist.\n\n2.6.. Vergunninghouders hebben (evenals eisers) beroep ingesteld tegen dit besluit en daarnaast een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.\n\n2.7.. Op 14 oktober 2025 beslist de voorzieningenrechter dat geen openbaarmaking zal plaatsvinden tot twee weken nadat in de bodemprocedure is beslist.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nInhoudelijke beoordeling van de opschorting\n\n3. Eisers stellen dat het college hun bezwaar tegen de brief waarin is aangegeven dat de openbaarmaking is opgeschort ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Deze brief bevatte een besluit, want het had als rechtsgevolg dat een aantal documenten niet is ontvangen en zij deze stukken niet in juridische procedures hebben kunnen gebruiken. Door op te schorten is de rechtsbescherming van eisers geschaad. Het gaat daarbij met name (maar niet uitsluitend) om de laatste drie documenten met de nummers 98, 99 en 100. De opschorting duurt voort.\n\n3.1.. De rechtbank komt tot het oordeel dat eisers geen procesbelang meer hebben bij het aanvechten van het opschorten van de openbaarmaking van de documenten. Procesbelang is het belang dat iemand heeft bij de uitkomst van een procedure. Daarbij gaat het erom dat het doel dat diegene voor ogen staat met het beroep kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. Enkel een principieel belang is onvoldoende.\n\n3.2.. Uit het voorgaande volgt dat de opschorting van 8 november 2024 gold tot twee weken na de beslissing op bezwaar. Daarna heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat openbaarmaking niet eerder mag geschieden dan twee weken na de uitspraak in de bodemprocedure. De opschorting van 8 november 2024 door het college heeft dus geen werking meer. Eisers kunnen met deze procedure, gericht tegen de opschorting van de openbaarmaking door het college, niet bereiken dat de stukken openbaar worden gemaakt. Eisers hebben dus geen procesbelang, omdat feitelijke betekenis van deze procedure ontbreekt.\n\n3.3.. Het belang bij een inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van een besluit kan ook nog zijn gelegen in de omstandigheid dat het inhoudelijke oordeel betrokken kan worden bij toekomstige besluitvorming. Dat daarvan sprake is, is echter niet gebleken. Indien iemand stelt schade te hebben geleden door een besluit en dit tot op zekere hoogte aannemelijk maakt kan eveneens sprake zijn van procesbelang. Eisers hebben expliciet gesteld geen verzoek tot schadevergoeding te beogen, zodat dit niet tot procesbelang kan leiden.\n\n3.4.. Bovendien geldt voor de stukken 98, 99 en 100 dat de openbaarmaking hiervan niet met het bestreden besluit was opgeschort. De opschorting gaat over de documenten die met het primaire besluit van 3 oktober 2024 openbaar zouden worden gemaakt. Bij die stukken zaten de documenten 98, 99 en 100 nog niet. Deze zijn pas in de bezwaarfase aan de inventarislijst met openbaar te maken documenten toegevoegd. Opschorting van openbaarmaking van deze documenten is uitsluitend het gevolg van het toekennen van de voorlopige voorziening.\n\n3.5.. Het beroep van Woo-verzoekers zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.\n\nConclusie en gevolgen\n\n4. Het beroep van eisers is niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang.\n\n4.1.. Eisers hebben gevraagd om teruggave van hun griffierecht en een veroordeling van het college in de proceskosten. Omdat het beroep van eisers niet-ontvankelijk is, komen zij hiervoor niet in aanmerking.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. R.J. Wesel, griffier, op 30 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe griffier is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\n Dat zijn de beroepen met de nummers 25\u002F1467 en 25\u002F4856.\n\n Het gaat om de beroepen van eisers en vergunninghouders met de nummers 25\u002F1467 en 25\u002F4856.\n\n Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 14 oktober 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:7237.\n\n Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 14 oktober 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:7237.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5793","2026-07-13T00:28:57.123Z",102,20,[11,203,204,205,206],2025,2024,2023,2022]