[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-asylum-and-migration-nl-2025":3},{"detail":4,"years":92},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":23,"page":14,"limit":91},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},89,"asylum-and-migration-nl","Asylum and Migration","NL","2026-07-08T16:55:59.400Z",2025,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":14},4,{"month":23,"count":15},5,{"month":25,"count":15},6,{"month":27,"count":14},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":17},10,{"month":35,"count":14},11,{"month":37,"count":15},12,[39,53,62,71,81],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"377","ECLI:NL:RBDHA:2025:21177","ecli-nl-rbdha-2025-21177","",61,"2025-11-07T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.28199\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. T.J.J.M. Wijngaard),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. J.G.R. Becker).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 20 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser als kennelijk ongegrond afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), in samenhang gelezen met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw. Verder heeft verweerder een inreisverbod voor de duur van twee jaar aan eiser opgelegd.\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 13 augustus 2025 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening, geregistreerd onder zaaknummer NL25.28200, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Rutayoberana, als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nOverwegingen\n\nInleiding\n\n1. Eiser stelt te zijn [naam eiser] , geboren op [geboortedatum 1] 1998 en burger van de\n\nDemocratische Republiek Congo (DRC).\n\n2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij tot de bevolkingsgroep van de Tutsi’s behoort. De Tutsi’s vormen een minderheid in de DRC en eiser heeft hierdoor problemen ervaren. Eiser is afkomstig uit de regio Kivu waar een ernstig conflict gaande was en eiser is meegenomen en gedetineerd door militairen van [persoon C] (jongeren die aan de kant van de regering vechten). Eiser is hierbij ernstig mishandeld. Eiser is op een gegeven moment vrij gekomen en daarna heeft hij de DRC verlaten. In de periode van 2013 tot 2018 heeft eiser in Oeganda verbleven en in 2024 is hij naar Oeganda teruggekeerd en heeft hij voor de duur van ongeveer één jaar daar verbleven.\n\nBestreden besluit\n\n3. Volgens verweerder bevat het asielrelaas van eiser twee asielmotieven:\n\n1. de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;\n\n2. eisers detentie door militairen van [persoon C] .\n\n4. Verweerder heeft het eerste asielmotief ongeloofwaardig geacht. Volgens verweerder heeft eiser geen oprechte inspanning geleverd om zijn asielaanvraag te staven, heeft hij onvoldoende documenten overgelegd en heeft hij daarvoor geen goede verklaring gegeven en vormen eisers verklaringen over dit asielmotief geen samenhangend en aannemelijk geheel. Omdat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst niet geloofwaardig zijn geacht, heeft verweerder het tweede asielmotief niet getoetst.\n\n5. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser als kennelijk ongegrond afgewezen (op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw, in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw). Volgens verweerder heeft eiser een identiteits- of reisdocument vernietigd of weggemaakt. Verder heeft verweerder een inreisverbod voor de duur van twee jaar aan eiser opgelegd.\n\nDe beroepsgronden\n\n6. Volgens eiser heeft verweerder het eerste asielmotief ten onrechte ongeloofwaardig geacht en had verweerder ook het tweede asielmotief moeten toetsen. Eiser voert daartoe ten eerste aan dat alles wat eerder is aangevoerd, in beroep als herhaald en ingelast moet worden beschouwd. Verder is hem ten onrechte verweten dat hij geen documenten ter onderbouwing van zijn identiteit, nationaliteit en herkomst heeft overgelegd. De oorspronkelijke identiteitsdocumenten zijn tijdens de arrestatie afgepakt. Verder zijn eiser en zijn broer geholpen door een reisagent die de documenten onder zich heeft gehouden. Omdat eiser en zijn broer vanuit detentie vrij snel hun land hebben verlaten is er geen gelegenheid geweest om nieuwe identiteitsdocumenten te verkrijgen. De pogingen die eiser heeft ondernomen, zijn voldoende om aan te tonen dat het niet is gelukt om documenten te verkrijgen. Ten aanzien van eisers verklaringen over de namen van verschillende gewapende groeperingen, verwijst eiser naar zijn beperkte referentiekader. Waarom eiser weinig heeft kunnen vertellen over [persoon A] heeft eiser al uitgebreid toegelicht. [persoon A] was een vriend van [persoon B] , die eiser en zijn broer heeft geholpen. Volgens eiser kan het bijkomen van de folteringen als reden voor de gebrekkige waarnemingen tijdens zijn reis worden gezien. Eiser persisteert in zijn verklaring dat hij zelf geen paspoort in handen heeft gehad.\n\n7. Eiser voert verder aan dat verweerder de asielaanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond heeft afgewezen op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw. Eiser stelt afdoende te hebben uitgelegd hoe het komt dat hij geen identiteitsdocumenten heeft kunnen overleggen. Dat klemt temeer nu eiser en zijn broer zijn gevlucht in een periode van actieve gevechtshandelingen tussen militairen en gewapende groeperingen in Oost-Congo.\n\n8. Tot slot voert eiser aan dat aan hem prematuur een terugkeerbesluit is opgelegd en dat het in terugkeerbesluit ten onrechte drie landen worden genoemd waarnaar hij zou kunnen terugkeren, enkel op basis van het feit dat de taal die hij spreekt voorkomt in genoemde landen.\n\nBeoordeling van de beroepsgronden\n\n9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst ongeloofwaardig zijn, maar kan verweerders inhoudelijke beoordeling van het asielrelaas van eiser wel standhouden. Dit betekent dat het beroep gegrond is. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit echter in stand. De rechtbank licht dat hieronder verder toe.\n\nGeloofwaardigheid identiteit, nationaliteit en herkomst\n\n10. Verweerder heeft een geloofwaardigheidstoets toegepast op het eerste asielmotief omdat eiser zijn identiteit, nationaliteit en herkomst onvoldoende met objectieve bewijsstukken heeft onderbouwd. Deze toets heeft verweerder - in lijn met de Werkinstructie 2024\u002F6 Geloofwaardigheidsbeoordeling (asiel) (de werkinstructie) - verricht aan de hand van de criteria van artikel 31, zesde lid, van de Vw. Verweerder toetst in dit kader onder meer of de verklaringen van de vreemdeling samenhangend en aannemelijk zijn bevonden en niet in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn aanvraag (artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c van de Vw). Daarbij ligt de focus op de verklaringen die de vreemdeling ten aanzien van het asielmotief heeft afgelegd. Hierbij wordt gekeken naar wat de vreemdeling zelf heeft verklaard én naar wat bekend is aan de hand van andere bronnen (p. 6 van de werkinstructie).\n\n11. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom eisers verklaringen over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet samenhangend en aannemelijk zijn in de zin van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c van de Vw. Eiser heeft volgens verweerder consistente verklaringen afgelegd over dat hij Tutsi is en hij spreekt Kinyarwanda. Hij heeft antwoord gegeven op de herkomstvragen en dit is herleidbaar tot het gebied waar eiser stelt vandaan te komen. Verweerder heeft zich op dit punt verder beperkt tot de motivering dat dat wat eiser over zijn paspoort en over zijn reis naar Nederland heeft verklaard onlogisch, vaag en ongerijmd is. Hoewel de rechtbank deze motivering kan volgen, zijn deze verklaringen slechts indirect aan het asielmotief te verbinden. Eisers verklaringen over wie hij is en waar hij vandaan komt zijn namelijk wel consistent. Hij heeft van meet af aan verklaard dat hij [naam eiser] is, geboren op [geboortedatum 2] 1998 en dat hij de Congolese nationaliteit heeft. Er zijn geen aliassen van eiser tegengeworpen of anderszins dat hij hierover tegenstrijdig of inconsistent heeft verklaard. Verweerder heeft dit ten onrechte niet (kenbaar) meegewogen bij de beoordeling van het eerste asielmotief.\n\n12. Daarnaast heeft verweerder bij de beoordeling van het eerste asielmotief op verschillende momenten ten onrechte ook het tweede asielmotief betrokken in plaats van zich te beperken tot zijn identiteit, nationaliteit en herkomst. Zo heeft verweerder de tegenwerping dat eiser onvoldoende documenten heeft overgelegd gemotiveerd met de stelling dat eiser ongerijmd heeft verklaard over zijn asielmotieven. Daarbij is verweerder onder meer ingegaan op tegenstrijdigheden in het kader van eisers gevangenneming, zijn vrijlating, en van de persoon [persoon A] , die eiser zou hebben geholpen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat dit niet gek is, aangezien eiser heeft verklaard dat zijn kiespas is afgenomen bij zijn gevangenneming. Ook hier oordeelt de rechtbank dat deze verklaringen in een te indirect verband staan tot het asielmotief dat verweerder op dat moment stelt te beoordelen. Het standpunt van verweerder dat eiser ongerijmd heeft verklaard over zijn asielmotieven is ook niet goed te rijmen met verweerders stelling dat het tweede asielmotief niet te beoordelen valt vanwege de ongeloofwaardigheid van het eerste asielmotief.\n\n13. Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit daarom als het gaat om het eerste asielmotief onvoldoende gemotiveerd. De beroepsgronden die hiertoe strekken slagen. Omdat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst – ongeacht of hij uit de DRC, Oeganda of Rwanda komt – op zichzelf onvoldoende grond is voor asiel, zal de rechtbank hierna zijn asielrelaas op inhoud beoordelen. De rechtbank doet dit uit het oogpunt van efficiëntie en finale geschilbeslechting.\n\nGeloofwaardigheid detentie door militairen van [persoon C]\n\n14. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak 24 december 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:4061), blijkt dat asielmotieven slechts betekenis hebben tegen de achtergrond van de identiteit, nationaliteit en herkomst. De rechtbank is echter van oordeel dat – ook als ervan uit wordt gegaan eiser inderdaad uit de DRC komt (zoals hij stelt) – verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat eisers asielrelaas niet geloofwaardig is.\n\n15. In dat kader heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser ongerijmde verklaringen heeft afgelegd over de groepering die hem heeft meegenomen en gevangen heeft gezet. Zo heeft eiser tijdens het gehoor in het kader van zijn asielaanvraag op 12 oktober 2024 verklaard dat de groepering FARD hem heeft ontvoerd en mishandeld en dat hij is meegenomen naar een kamp en dat een vriend van zijn vader hem uit detentie heeft geholpen. Tijdens het nader gehoor heeft eiser echter niet over groepering FARD of M23 verklaard, maar heeft hij verklaard dat hij is opgepakt door jongeren die aan de kant van de regering vochten, [persoon C] genaamd. Verweerder heeft van eiser kunnen verlangen dat hij eenduidig verklaart over welke groepering hem nu daadwerkelijk gedetineerd had. Dat eiser een beperkt referentiekader heeft en weinig onderwijs heeft gevolgd, maakt niet dat in het geheel niet van hem kan worden verwacht dat hij hierover duidelijk en consistent kan verklaren.\n\n16. Eiser heeft verder tijdens het nader gehoor verklaard dat hij door [persoon A] , een man die hij niet kende of eerder had gezien, is geholpen. Verweerder heeft niet ten onrechte ongeloofwaardig bevonden dat eiser met behulp van [persoon A] zou zijn vrijgelaten terwijl eiser ook heeft verklaard dat de plaats door veel militairen werd bewaakt en mensen niet levend van deze plek weg konden gaan. Ook heeft verweerder niet ten onrechte gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door middel van omkoping is vrijgekomen. Verweerder heeft van eiser kunnen verlangen dat hij kon verklaren over [persoon A] . Eiser heeft niet meer over hem kunnen verklaren dat hij deze man niet kende en dat hij hem in detentie heeft ontmoet. Tegelijkertijd heeft eiser verklaard dat [persoon A] er niet alleen voor heeft gezorgd dat eiser is vrijgekomen, maar heeft hij eiser ook geld gegeven, zijn reis geregeld en een tas met kleding aan hem gegeven. Verweerder heeft dit bevreemdend kunnen vinden.\n\n17. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de hiervoor genoemde tegenwerpingen van verweerder voldoende voor het oordeel dat verweerder het tweede asielmotief niet geloofwaardig had hoeven achten.\n\nKennelijk ongegrond\n\n18. Eiser voert verder aan dat verweerder de asielaanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond heeft afgewezen vanwege het vernietigen of wegmaken van een identiteitsdocument (artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw). Eiser stelt afdoende te hebben uitgelegd hoe het komt dat hij geen identiteitsdocumenten heeft kunnen overleggen.\n\n19. Verweerder heeft zijn standpunt gebaseerd op eisers verklaring dat hij zelf nooit een reisdocument in handen heeft gehad. Deze verklaring heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht, nu volwassenen op de luchthaven Schiphol individueel worden gecontroleerd op reisdocumenten. Het ligt niet voor de hand dat een andere persoon dit document ter controle heeft aangeboden. Dat eiser en zijn broer zijn gevlucht in een periode van actieve gevechtshandelingen tussen militairen en gewapende groeperingen in Oost Congo maakt niet dat verweerder het niet overleggen van een reisdocument of identiteitsdocument niet aan eiser heeft kunnen tegenwerpen.\n\nPrematuur terugkeerbesluit \u002F terugkeerbesluit met meerdere landen \u002F inreisverbod\n\n20. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op basis van het feit dat eiser de taal Kinyarwanda machtig is in het terugkeerbesluit kunnen bepalen dat eiser terug moet keren naar de DRC, Oeganda of Rwanda. Nu verweerder de asielaanvraag terecht als kennelijk ongegrond heeft afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw, heeft verweerder een vertrektermijn van 0 dagen moeten hanteren en een inreisverbod moeten opleggen. Van een prematuur terugkeerbesluit is gezien het voorgaande geen sprake.\n\nConclusie en gevolgen\n\n21. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen. De rechtsgevolgen van het besluit zal de rechtbank in stand laten omdat verweerder zich met de gegeven motivering niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het tweede asielmotief ongeloofwaardig is. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit;\n\nbepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;\n\nveroordeelt verweerder in de vergoeding van de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van P. Deinum, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:21177","2025-11-11T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:26.766Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":58,"parsedAt":51,"updatedAt":61},"630","ECLI:NL:RBDHA:2025:18933","ecli-nl-rbdha-2025-18933",66,"2025-10-15T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: NL25.48204\n Uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser],\n\ngeboren op [geboortedatum] 1991, Marokkaanse nationaliteit,\n\nV-nummer: [v-nummer],\n\neiser,\n\n(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder.\n\n(gemachtigde: mr. S.H.M. Maas).\n\nProcesverloop\n\nVerweerder heeft eiser op 1 oktober 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen de oplegging van de maatregel, welk beroep tevens wordt aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\nDe rechtbank heeft op 12 oktober 2025 een bericht voor verweerder in het dossier geplaatst met de volgende inhoud:\n\n(…)\n\nDe rechtbank verzoekt verweerder om uiterlijk ter zitting actuele gegevens te verstrekken\n\nover aantallen afgeronde terugkeerprocedures vanuit bewaring naar Marokko in 2025. De\n\nrechtbank verzoekt verweerder aan te geven hoeveel lps zijn aangevraagd, hoeveel lps zijn\n\nverstrekt, wat de gemiddelde duur van de terugkeerprocedure in bewaring is hoe vaak in\n\n2025 verweerder uit eigen beweging de maatregel heeft opgeheven op grond van een\n\nbelangenafweging. Tevens verzoekt de rechtbank verweerder om te verduidelijken of de\n\nMarokkaanse autoriteiten thans een presentatie in persoon vereisen alvorens de\n\nnationaliteit en identiteit te bevestigen.\n\n(…)\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 14 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen om in persoon te worden gehoord over zijn vrijheidsontnemende maatregel, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. Verweerder heeft eiser in bewaring gesteld om zijn terugkeer naar Marokko voor te bereiden en\u002Fof om de verwijderingsprocedure uit te voeren.\n\n2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;\n\nen als lichte gronden vermeld dat eiser: 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; 4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.\n\n3. Eiser heeft meerdere gronden die zijn opgevoerd om het onttrekkingsrisico te onderbouwen betwist en stelt zich tevens op het standpunt dat het de vraag is of zicht op uitzetting naar Marokko bestaat omdat algemeen bekend is dat de Marokkaanse autoriteiten niet, dan wel zeer traag reageren op lp-aanvragen die betrekking hebben op ongedocumenteerde Marokkaanse onderdanen. Eiser heeft tevens verzocht om de toepassing van een lichter middel. Eiser heeft in zijn bewaringsgehoor aangegeven te kampen met medische problematiek en door de arts te zijn geïnformeerd dat een medische ingreep moet plaatsvinden voordat hij kan terugkeren naar Marokko.\n\n4. Verweerder heeft gereageerd op de beroepsgronden en heeft aangegeven de maatregel rechtmatig te achten. Verweerder heeft op vragen van de rechtbank desgevraagd aangegeven dat eiser binnenkort een afspraak bij een ziekenhuis heeft en vanuit bewaring in staat zal worden gesteld om naar die afspraak te gaan. Verweerder heeft tevens om te voldoen aan het verzoek van de rechtbank de navolgende gegevens over terugkeerprocedures tussen 1 januari 2025 en 1 oktober 2025 vanuit bewaring naar Marokko verstrekt, waarbij verweerder heeft aangegeven dat op deze korte termijn de gegevens niet konden worden gespecificeerd in gedocumenteerde\u002Fongedocumenteerde vreemdelingen en de vraag naar opheffingen op grond van een belangenafweging niet is te beantwoorden:\n\nAantal ingediende lp-aanvragen: 206\n\nAantal afgegeven nationaliteitsbevestigingen: 119\n\nAantal verstrekte lp’s: 129\n\nAantal uitzettingen die met behulp van een lp hebben plaatsgevonden: 79\n\nVerweerder heeft tevens aangegeven dat de Marokkaanse autoriteiten geen presentaties in persoon meer vereisen alvorens tot de afgifte van een lp over te gaan.\n\n5. De rechtbank heeft ter zitting met partijen de rechtmatigheidsaspecten van de maatregel besproken en heeft ambtshalve de arresten Bouskoura en Adrar aan de orde gesteld. De rechtbank zal de maatregel opheffen en eiser in vrijheid stellen en motiveert dit als volgt.\n\n6. Eiser is op 9 juli 2025 in bewaring gesteld ter fine van terugkeer naar Marokko. Deze maatregel is opgeheven omdat eiser een asielaanvraag heeft ingediend op 14 juli 2025. Eiser is niet in vrijheid gesteld, maar aansluitend aan de opheffing op 15 juli 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank, zittingsplaats Den Haag, heeft bij uitspraak van 26 september 2025 het beroep tegen de kennelijk ongegrondverklaring van deze aanvraag ongegrond verklaard (ECLI:NL:RBDHA:2025:18262). De op 15 juli 2025 opgelegde maatregel is gelet op deze uitspraak opgeheven en eiser is aansluitend in bewaring gesteld op grond van de in de onderhavige procedure te toetsen maatregel.\n\n7. De ‘asielgrondslag’ van de op 15 juli 2025 opgelegde maatregel is, ook volgens verweerder, op 26 september 2025 komen te vervallen. De rechtbank heeft verweerder op het arrest van het Hof van 4 oktober 2024 in de zaak Bouskoura (C tegen Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, C‑387\u002F24 PPU, ECLI:EU:C:2024:868) en de einduitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 11 oktober 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:16568) gewezen en gevraagd of er een verklaring is voor het tijdsverloop tussen het vervallen van de grondslag en het laten voortduren van die onrechtmatig geworden eerdere maatregel tot de oplegging van de thans te toetsen maatregel.\n\n8. Verweerder heeft aangegeven geen verklaring voor het tijdsverloop te hebben. Uit ‘het systeem’ blijkt dat de regievoerder op 29 september 2025 op de hoogte is geraakt van de uitspraak van de rechtbank van 26 september 2025 en toen de KMar heeft verzocht om de maatregel om te zetten en de KMar dit vervolgens op 1 oktober 2025 heeft gedaan.\n\n9. De rechtbank overweegt dat indien de grondslag aan een maatregel ontvalt, verweerder gehouden is om ofwel meteen tot invrijheidstelling over te gaan, ofwel voortvarend te onderzoeken wat de verblijfspositie van de vreemdeling is en na te gaan of het opleggen van een opvolgende maatregel op een andere grondslag noodzakelijk, proportioneel en evenredig is. De rechtbank heeft eerder overwogen dat ‘het omzetten van een maatregel’, welke terminologie ook in de onderhavige procedure is gebezigd, geen blijk geeft van dit juridische kader. De rechtbank heeft ook eerder overwogen dat de omstandigheid dat de grondslag op een vrijdag komt te ontvallen, niet betekent dat pas op de daaropvolgende maandag hoeft te worden onderzocht of een opvolgende maatregel moet worden opgelegd. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 31 december 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:22288). Indien verweerder derdelanders in de weekenden in bewaring houdt, zal ook in de weekenden met dezelfde voortvarendheid moeten worden gewerkt aan het bereiken van het met de maatregel beoogde doel. Mogelijke capaciteitsproblemen zijn in dit verband alleen relevant indien verweerder onverwacht met meerdere inbewaringstellingen en\u002Fof opheffingen wordt geconfronteerd. Daar is in de onderhavige procedure echter niet van gebleken. De IND en de DT&V zullen hun werkprocessen zodanig op elkaar moeten afstemmen dat indien de rechtbank uitspraak doet in de asielprocedure van een inbewaringgestelde vreemdeling, de IND de DT&V hiervan onmiddellijk in kennis stelt. Een onrechtmatig geworden maatregel moet zo spoedig mogelijk worden opgeheven. Zodra de grondslag aan een maatregel ontvalt, is er namelijk geen wettelijke grondslag voor de vrijheidsontneming. Een gebrek aan communicatie tussen uitvoeringsinstanties is dan ook geen rechtvaardiging voor het laten voortduren van een vrijheidsontneming zonder wettelijke grondslag\n\n10. De rechtbank overweegt dat uit de uitspraken van de Afdeling van 6 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1869), 31 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2245) en 10 september 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3631) volgt dat de termijn waarbinnen verweerder “de grondslag moet omzetten” twee kalenderdagen bedraagt. Deze termijn is niet wettelijk vastgelegd maar uit de Hofjurisprudentie volgt dat er geen onmiddellijke invrijheidstelling hoeft te volgen omdat dit afbreuk zou doen aan de doelstelling richtlijn 2008\u002F115 om een doeltreffend terugkeerbeleid te voeren. Verweerder heeft na het bekend raken met de uitspraak van de rechtbank op maandag 29 september 2025 de KMar gevraagd om de maatregel ‘om te zetten’ en dit is uiteindelijk op woensdag 1 oktober 2025 gebeurd.\n\n11. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat de maatregel desondanks rechtmatig is en dat indien eiser schadevergoeding wenst omdat de voorgaande maatregel een aantal dagen onrechtmatig heeft voortgeduurd, hij een volgberoep en verzoek om schadevergoeding in die procedure kan indienen.\n\n12. De rechtbank overweegt dat de vragen van de rechtbank niet zien op het in aanmerking komen voor schadevergoeding in verband met het onrechtmatig voortduren van de voorafgaande maatregel. De rechtbank heeft de vraag aan de orde gesteld of de thans te toetsen maatregel onrechtmatig moet worden geacht omdat deze maatregel is opgelegd vanuit een situatie van onrechtmatige vrijheidsontneming. Op het moment dat verweerder de thans te toetsen maatregel heeft opgelegd wist verweerder dat eiser reeds enkele dagen onrechtmatig in bewaring werd gehouden. Verweerder was dus verplicht om eiser in vrijheid te stellen, maar heeft in plaats daarvan een opvolgende maatregel opgelegd en stelt zich thans op het standpunt dat de rechtbank niet vanwege het vanuit een onrechtmatige vrijheidsontneming in bewaring stellen op een andere grondslag tot de invrijheidstelling kan overgaan omdat dit de rechtmatigheid van de maatregel op grond waarvan eiser thans in bewaring wordt gehouden niet regardeert.\n\n13. De rechtbank overweegt dat het Hof in het eerdergenoemde arrest Bouskoura van 4 oktober 2024 naar aanleiding van een prejudiciële vraag van deze rechtbank en zittingsplaats over de “schottentheorie” onder meer het navolgende heeft overwogen:\n\n(…)41 In dat verband moet eraan worden herinnerd dat elke bewaring van een derdelander een ernstige inmenging vormt op het in artikel 6 van het Handvest verankerde recht op vrijheid, ongeacht of die bewaring nu plaatsvindt krachtens richtlijn 2008\u002F115 in het kader van een terugkeerprocedure ten gevolge van illegaal verblijf, krachtens richtlijn 2013\u002F33 in het kader van de behandeling van een verzoek om internationale bescherming, of krachtens de Dublin III-verordening in het kader van de overdracht van een persoon die om internationale bescherming verzoekt aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn verzoek [arrest van 8 november 2022, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Ambtshalve toetsing van de bewaring), C‑704\u002F20 en C‑39\u002F21, EU:C:2022:858, punt 72 en aldaar aangehaalde rechtspraak].(…)43 Gelet op de ernst van deze inmenging in het in artikel 6 van het Handvest vastgelegde recht op vrijheid en rekening houdend met het belang van dat recht, is de bevoegdheid van de bevoegde nationale autoriteiten om een derdelander in bewaring te stellen strikt afgebakend. Een bewaringsmaatregel kan dus alleen worden bevolen of verlengd met inachtneming van algemene en abstracte regels waarin de voorwaarden en de wijze van toepassing ervan zijn vastgelegd [arrest van 8 november 2022, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Ambtshalve toetsing van de bewaring), C‑704\u002F20 en C‑39\u002F21, EU:C:2022:858, punt 75 en aldaar aangehaalde rechtspraak].\n\n44 Wanneer blijkt dat niet of niet langer is voldaan aan de voorwaarden voor de rechtmatigheid van de bewaring die zijn geformuleerd in richtlijn 2008\u002F115, richtlijn 2013\u002F33, de Dublin III-verordening en de bepalingen van nationaal recht ter uitvoering daarvan, moet voorts de betrokkene onmiddellijk worden vrijgelaten, zoals de Uniewetgever overigens in artikel 15, lid 2, vierde alinea, en lid 4, van richtlijn 2008\u002F115 en artikel 9, lid 3, tweede alinea, van richtlijn 2013\u002F33 expliciet aangeeft [arrest van 8 november 2022, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Ambtshalve toetsing van de bewaring), C‑704\u002F20 en C‑39\u002F21, EU:C:2022:858, punt 79].(…)\n\n52 Wat voorts de mogelijkheid betreft om de bewaring van een derdelander te handhaven, heeft het Hof geoordeeld dat afbreuk zou worden gedaan aan deze doelstelling van richtlijn 2008\u002F115, indien de lidstaten niet zouden kunnen voorkomen, middels een vrijheidsontneming, dat een van illegaal verblijf verdachte persoon onderduikt nog voordat zijn situatie kon worden opgehelderd (zie in die zin arrest van 6 december 2011, Achughbabian, C‑329\u002F11, EU:C:2011:807, punt 30).\n\n53 In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat de onrechtmatigheid van een maatregel tot bewaring van een persoon die om internationale bescherming verzoekt, welke maatregel op basis van de Dublin III-verordening is vastgesteld met het oog op de overdracht van die persoon aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn verzoek, in beginsel geen afbreuk doet aan de rechtmatigheid van een latere, op basis van richtlijn 2008\u002F115 vastgestelde maatregel tot bewaring van die persoon, die ononderbroken in bewaring is gehouden en niet langer de status heeft van persoon die om internationale bescherming verzoekt, maar thans als illegaal verblijvende derdelander kan worden aangemerkt. Bijgevolg is de bevoegde rechterlijke autoriteit niet verplicht om deze persoon onmiddellijk in vrijheid te stellen op de enkele grond dat een eerdere, op basis van de Dublin III-verordening vastgestelde bewaringsmaatregel onrechtmatig is geworden.\n\n54 Hoe dan ook moet erop worden gewezen dat uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat de handhaving van een vrijheidsontnemende maatregel, wil deze in overeenstemming zijn met het doel om de betrokkene tegen willekeur te beschermen, onder meer inhoudt dat bij de uitvoering van de vrijheidsontnemende maatregel geen sprake mag zijn van enige kwade trouw of misleiding door de autoriteiten, dat die in overeenstemming moet zijn met het doel van de beperkingen die door de desbetreffende alinea van artikel 5, lid 1, van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden zijn toegestaan en dat er een verband is tussen de grond die wordt aangevoerd en de vrijheidsontneming in kwestie (zie in die zin arrest van 15 februari 2016, N., C‑601\u002F15 PPU, EU:C:2016:84, punt 81).\n\n(…)\n\n14. Het Hof heeft op 4 oktober 2024 in het arrest Bouskoura dus -kort gezegd- het Unierecht aldus uitgelegd dat de schottentheorie niet onverenigbaar is met het Unierecht, maar heeft hierbij ook nader geduid dat dit niet mag leiden tot willekeur.\n\n15. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in haar uitspraak van 3 december 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:20144) onder meer het navolgende overwogen:\n\n(…)14. De rechtbank overweegt hierbij dat “kwade trouw” niet steeds betekent dat verweerder de vreemdeling “willens en wetens onrechtmatig in bewaring houdt”. Er is dus geen opzet op het onrechtmatig voortduren van de vrijheidsontneming vereist om van een willekeurige vrijheidsontneming te kunnen spreken. De rechtbank overweegt dat de autoriteiten die bevoegd zijn om bij wijze van administratieve maatregel het recht op vrijheid tijdelijk te ontnemen, op de hoogte moeten zijn van alle rechtmatigheidsvereisten die aan deze administratieve vrijheidsontneming worden gesteld in wetgeving en in jurisprudentie. Dit geldt niet alleen voor de rechtmatigheidsvereisten voor de oplegging van de maatregel, maar ook voor de rechtmatigheidsvereisten van het laten voortduren van de tenuitvoerlegging van de maatregel. Indien de grondslag van de maatregel is komen te vervallen en de maatregel dus niet meer kan strekken om het doel waarvoor de maatregel is opgelegd te verzekeren, dient die maatregel -zo spoedig mogelijk- te worden opgeheven. Indien verweerder wil onderzoeken of de vreemdeling in bewaring kan worden gehouden ter fine van een ander doel en dus op een andere grondslag, dient verweerder dit ook steeds zo spoedig mogelijk te doen. Verweerder heeft dus een zeer beperkte periode om een vreemdeling in bewaring te houden op een vervallen grondslag en te onderzoeken of een opvolgende maatregel moet worden opgelegd en daarmee te voorkomen dat de vrijheidsontneming onrechtmatig wordt. Het is dus niet zo, zoals de rechtbank ook heeft overwogen in de eerdergenoemde uitspraak van 11 oktober 2024, dat verweerder steeds twee dagen heeft, die zonder meer kunnen verstrijken zonder de rechtmatigheid van de vrijheidsontneming te regarderen. Verweerder zal onder omstandigheden dan ook gehouden zijn om uit te leggen welke handelingen hij heeft verricht in de periode tussen het vervallen van de grondslag van de voorgaande maatregel en het opleggen van de maatregel die van kracht is op het moment dat de rechter de rechtmatigheid van de vrijheid beoordeelt.\n\n15. Indien verweerder de vreemdeling niet in vrijheid stelt en niet voldoet aan het zo spoedig mogelijk en in ieder geval op de tweede dag na het vervallen van de grondslag, opleggen van een opvolgende maatregel en er hiervoor geen objectieve rechtvaardiging bestaat, zal de rechtbank nagaan of dit betekent of sprake is van willekeurige detentie waartegen de rechter de vreemdeling moet beschermen om een doeltreffende voorziening in rechte te kunnen bieden en dus (zelf) te voldoen aan artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. De rechtbank overweegt dat het in aanmerking brengen voor een hogere schadevergoeding niet volstaat als effectief rechtsmiddel en niet volstaat als genoegdoening indien de vreemdeling willekeurig in detentie is gehouden.\n\n(…)\n\n16. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd geen omstandigheden naar voren gebracht die het tijdsverloop verklaren of die redengevend zijn om het tijdsverloop aan eiser toe te rekenen. Er is dus niet gebleken van bijzondere omstandigheden die er aan in de weg hebben gestaan om eiser de dag nadat de rechtbank het beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag heeft gedaan of de dag daaropvolgend te horen over een mogelijk op te leggen opvolgende maatregel. De rechtbank overweegt dat voor zover de regievoerder op maandag 29 september 2025 op de hoogte raakt van de uitspraak van vrijdag 26 september 2025, aanstonds duidelijk moet zijn dat eiser zaterdag 27 en zondag 28 september zonder wettelijke grondslag in bewaring is gehouden. De regievoerder had zich hiervan rekenschap moeten geven en diezelfde maandag 29 september 2025 eiser moeten (laten) horen om te onderzoeken of het opleggen van een opvolgende maatregel noodzakelijk, proportioneel en evenredig was. Indien ter zitting zou zijn gebleken dat de regievoerder zich had gerealiseerd dat niet zonder meer twee dagen ter beschikking stonden om een mogelijk nieuwe maatregel op te leggen en zich had ingespannen om eiser die dag te horen, zou de rechtbank wellicht tot een andere uitspraak zijn gekomen.\n\n17. Verweerder heeft altijd de zogenoemde ‘schottentheorie’ onderschreven en op grond daarvan zich doorgaans op het standpunt gesteld dat de bewaringsrechter een vreemdeling niet in vrijheid mag stellen als de maatregel op grond van waarvan de vreemdeling ten tijde van de rechtmatigheidscontrole door de rechtbank in bewaring wordt gehouden rechtmatig is. Dit standpunt is gelet op het arrest Bouskoura in beginsel niet onverenigbaar met het Unierecht. Verweerder dient zich dan echter ook indachtig de schottentheorie te realiseren dat indien een reeks van twee of meerdere maatregelen aaneensluitend worden opgelegd, dit niet kan worden beschouwd als één grote periode van vrijheidsontneming. Doordat er ‘schotten’ tussen de maatregel staan, dient verweerder ook adequaat te handelen als een ‘schot’ wordt geplaatst omdat de grondslag aan de maatregel vervalt.\n\n18. In de onderhavige procedure is niet erg waarschijnlijk dat indien de maatregel op 27 of 28 september 2025 zou zijn opgelegd, aanzienlijk eerder een lp zou zijn verkregen en de tenuitvoerlegging van deze bewaringsmaatregel daarom korter zou hebben geduurd. Een lp was immers reeds gedurende een van de voorgaande maatregelen aangevraagd en verweerder kan gedurende de tenuitvoerlegging van deze maatregel weinig andere uitzettingshandelingen verrichten dan het voeren van vertrekgesprekken en het rappelleren op de lp-aanvraag. Verweerder dient evenwel in zijn handelen te laten zien dat verweerder ervan doordrongen is dat elk ‘schot’ een nieuwe juridische situatie doet ontstaan en dit voor verweerder verplichtingen meebrengt. Indien verweerder, zoals in de onderhavige procedure, in wezen zonder zich hiervan rekenschap te geven ‘gewoon twee dagen denkt te hebben’, wellicht omdat de werkweek op maandag begint, merkt de rechtbank dit aan als willekeurige detentie zoals bedoeld in het arrest Bouskoura. De rechtbank overweegt dat het in aanmerking brengen voor een hogere schadevergoeding in de onderhavige procedure niet volstaat als effectief rechtsmiddel en niet volstaat als genoegdoening zodat de rechtbank de maatregel daarom zal opheffen. De rechtbank wijst er hierbij op dat het arrest Bouskoura een jaar geleden gewezen is en de vaste Afdelingsjurisprudentie over de ‘termijn voor het omzetten van een maatregel’ ook al geruime tijd bekend is bij verweerder. Verweerder heeft dus tijd genoeg gehad om zijn werkwijze bij het opleggen van opvolgende maatregelen hieraan aan te passen en zal hier dus alert op moeten worden indien verweerder wil voorkomen dat door onachtzaamheid aan zijn zijde deze opvolgende maatregelen worden opgeheven in plaats van dat zijn standpunt dat schadevergoeding in een procedure van een voorgaande maatregel kan worden verkregen steeds zal worden gehonoreerd. Dit moet dus simpel gezegd beter.\n\n19. Omdat de actuele maatregel vanuit een te lang voortdurende onrechtmatige vrijheidsontnemende situatie is opgelegd, is de maatregel reeds hierdoor van aanvang af onrechtmatig. De andere rechtmatigheidsaspecten behoeven geen nadere beoordeling omdat deze de maatregel niet alsnog rechtmatig kunnen maken. De rechtbank merkt wel op dat eiser heeft aangegeven dat hij al eerder een aanvraag voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 wilde indienen. Gemachtigde van eiser verkeerde in de veronderstelling dat er geen medisch dossier van eiser beschikbaar was. Ter zitting is gebleken dat dit wel het geval is en ook in het DTC zijn medische gegevens beschikbaar. Het is immers de inrichtingsarts die heeft bewerkstelligd dat de benodigde medische interventie thans is gepland. De rechtbank gaat er van uit dat gemachtigde van eiser contact op zal nemen met de medische dienst van het DTC om het patiëntenjournaal en informatie over deze afspraak op te vragen, zodat eiser behandeld kan worden voor de klachten die hij reeds gedurende lange termijn heeft en zodat eiser kan worden ondersteund in het indienen van een aanvraag voor uitstel van vertrek.\n\n20. De rechtbank komt tot de conclusie dat de maatregel onrechtmatig is opgelegd en onrechtmatig heeft voortgeduurd. De rechtbank zal eiser in aanmerking voor schadevergoeding brengen voor de periode dat eiser op grond van de te toetsen maatregel onrechtmatig in bewaring is gehouden. Het is aan eiser om zich tot verweerder te wenden indien hij in aanmerking wenst te komen voor schadevergoeding van 27 september 2025 tot en met 30 september 2025. Eiser maakt aanspraak op een bedrag van € 1.500,- omdat hij in verband met de tenuitvoerlegging van de op 1 oktober 2025 opgelegde maatregel 15 dagen onrechtmatig in bewaring is gehouden.\n\n21. De rechtbank zal ook een proceskostenveroordeling uitspreken en zal de hoogte hiervan baseren op standaardmatig gehanteerde punten en bedragen.\n\n22. Beslist wordt als volgt.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- beveelt de onmiddellijke opheffing van de maatregel van bewaring;\n\n- gelast de onmiddellijke invrijheidsstelling van eiser;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.500,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,00.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. N.A.L.P. Ramakers, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 15 oktober 2025.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:18933","2026-07-13T00:28:40.089Z",{"id":63,"ecli":64,"slug":65,"caseNumber":43,"courtId":66,"decisionDate":67,"fullText":68,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":69,"sourceTimestamp":67,"parsedAt":51,"updatedAt":70},"1864","ECLI:NL:RBDHA:2025:18289","ecli-nl-rbdha-2025-18289",62,"2025-10-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: NL25.46466\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser], eiser,\n\nV-nummer: [V-nummer],\n\n(gemachtigde: mr. D. Matadien),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder,\n\n(gemachtigde: mr. K. Kanters).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 14 september 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vwopgelegd.\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\nVerweerder heeft met ingang van 29 september 2025 de maatregel van bewaring opgeheven, omdat eiser is uitgezet naar Marokko.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 1 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.\n\nOverwegingen\n\n1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2001 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.\n\n2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.Staandehouding en ophouding\n\n3. Voor zover eiser in zijn beroepschrift aanvoert dat de staandehouding en ophouding van 26 augustus 2025 onrechtmatig zijn geweest, oordeelt de rechtbank als volgt.\n\n4. De staandehouding en ophouding zien op de aanvang van de eerder opgelegde maatregel van 26 augustus 2025. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld, dat bij uitspraak van 9 september 2025 door deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, ongegrond is verklaard.In deze procedure beoordeelt de rechtbank thans de maatregel van 14 september 2025 tot aan de opheffing op 29 september 2025.\n\nOmzetting vorige maatregel van bewaring\n\n5. Eiser voert aan dat de maatregel van 26 augustus 2025 op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw niet tijdig is omgezet naar de huidige maatregel van bewaring. Op 12 september 2025 heeft eiser zijn asielaanvraag ingetrokken en op 14 september 2025 is de huidige maatregel opgelegd.\n\n6. Eiser wordt hierin niet gevolgd. Vooropgesteld wordt dat in het kader van het huidige beroep niet ter toetsing staat of de maatregel van 26 augustus 2025 tijdig is opgeheven. De rechtbank toetst uitsluitend de huidige maatregel van 14 september 2025. Verder volgt de rechtbank verweerder in zijn, volledigheidshalve ingenomen, standpunt dat de maatregel tijdig is omgezet. Eiser heeft op 12 september 2025 zijn asielaanvraag ingetrokken en de huidige maatregel is binnen twee dagen, namelijk op 14 september 2025, opgelegd.\n\nGrondslag\n\n7. Eiser voert aan dat de maatregel van bewaring op een onjuiste grondslag is gebaseerd. Niet is gebleken dat eiser de voorbereiding van zijn uitzetting ontwijkt of belemmert. Eiser verwijst daarbij naar zijn verklaringen tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling, waarin hij nadrukkelijk heeft aangegeven mee te werken aan zijn terugkeer.\n\n8. De beroepsgrond slaagt niet. Verweerder was bevoegd tot het opleggen van de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Het staat namelijk vast dat eiser geen rechtmatig verblijf had in Nederland. Daarnaast heeft eiser zijn asielaanvraag op 12 september 2025 ingetrokken.\n\nMaatregel van bewaring\n\n9. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.\n\nVerweerder heeft als zware grondenvermeld dat eiser:\n\n- 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;- 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;-3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;\n\n- 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;\n\n- 3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;\n\nen als lichte grondenvermeld dat eiser:\n\n- 4a. zich niet aan één of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;- 4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;\n\n- 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;- 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.\n\n10. Ter zitting heeft verweerder de lichte grond 4b laten vallen.\n\n11. Eiser betwist alle aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden. Ten aanzien van de zware grond 3a wijst hij erop dat zijn inreis een gecontroleerde overdracht op grond van de Dublinverordening betrof. Daarnaast is de zware grond 3b niet van toepassing op hem, omdat hij zich niet aan het toezicht heeft onttrokken en in een asielzoekerscentrum verbleef. De eerdere meldingen dat eiser met onbekende bestemming was vertrokken zijn niet meer actueel en toepasbaar op zijn huidige situatie. Ook de zware grond 3c wordt betwist, omdat hij volgens eigen zeggen wel gevolg heeft gegeven aan zijn vertrekplicht om Nederland te verlaten en vervolgens ook uit Nederland is vertrokken. Ten aanzien van de zware grond 3d brengt eiser naar voren dat hij juiste gegevens heeft verstrekt waarop ook de laissez-passer aanvraag is gebaseerd. De grond 3e is ook niet van toepassing, nu dit ziet op gegevens die zijn verstrekt in het verleden. Eiser heeft verklaard waarom hij tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt en heeft nu wel de juiste gegevens verstrekt. Ten aanzien van de lichte grond 4a verwijst eiser naar hetgeen hij heeft aangevoerd over de zware grond 3a. Verder zijn de lichte gronden 4c en 4d inherent aan de omstandigheid dat hij is overgedragen en kan hem dat in redelijkheid niet worden tegengeworpen. Op grond hiervan stelt eiser dat geen sprake is van een risico op onttrekking of onderduiken en dat de gronden niet op hem van toepassing zijn.\n\n12. De rechtbank is van oordeel dat de zware gronden 3a en 3b feitelijk juist zijn. Uit vaste rechtspraak van de Afdelingvolgt dat verweerder bij de zware gronden 3a en 3b kan volstaan met een toelichting dat deze gronden zich feitelijk voordoen.De zware grond 3a is feitelijk juist, omdat hij bij zijn eerste binnenkomst in Nederland niet in het bezit van een reis- of identiteitsdocument was noch van een geldig visum. Uit het dossier blijkt verder dat eiser op 15 juni 2023 en 22 juli 2025 met onbekende bestemming is vertrokken. Dit heeft eiser ook bevestigd in zijn gehoor van 26 augustus 2025. De feitelijke juistheid van de zware grond 3b staat daarmee vast. De zware gronden 3a en 3b zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en om risico op onttrekken aan het toezicht aan te nemen. Wat eiser voor het overige heeft aangevoerd over de zware gronden 3c, 3d, 3e en de lichte gronden behoeft geen bespreking, omdat dit niet kan leiden tot de conclusie dat de bewaring onrechtmatig is.\n\nLichter middel\n\n13. Eiser voert verder aan dat verweerder een lichter middel had moeten toepassen. Hij heeft verklaard mee te werken aan zijn terugkeer en dat met alternatieven zoals een meldplicht of verblijf in een asielzoekerscentrum had kunnen worden volstaan. Het regime in het detentiecentrum is streng en voldoet niet aan artikel 16, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn.\n\n14. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in de maatregel van bewaring voldoende gemotiveerd waarom niet kan worden volstaan met een lichter middel. Eiser heeft eerder de mogelijkheid gehad om zelfstandig naar zijn land van herkomst terug te keren en heeft dit niet gedaan. Eiser is eerder met onbekende bestemming vertrokken en heeft dit ook bevestigd. Verder volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 21 juli 2022dat het Detentiecentrum Rotterdam voldoet aan de vereisten van artikel 16, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn. Bovendien kan de bewaringsrechter volgens de Afdeling niet oordelen over de wijze waarop feitelijk uitvoering wordt gegeven aan het regime binnen het detentiecentrum waar de vreemdeling in bewaring is gesteld.Verweerder heeft daarnaast voldoende gemotiveerd dat evenmin is gebleken van omstandigheden die detentie voor eiser onredelijk bezwarend maken.\n\nVoortvarend handelen\n\n15. Daarnaast voert eiser aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Hij wijst erop dat hij op 12 september 2025 zijn asielaanvraag heeft ingetrokken en dat de maatregel vanaf dat moment was gericht op zijn uitzetting, terwijl de feitelijke uitzetting pas op 29 september 2025 heeft plaatsgevonden. Volgens eiser was al eerder een laissez-passer beschikbaar en had verweerder de benodigde stappen voor vertrek eerder kunnen afronden.\n\n16. Anders dan eiser stelt heeft verweerder echter voldoende voortvarend gehandeld. Verweerder heeft in de brief aan de rechtbank van 26 september 2025 uiteengezet welke handelingen zijn verricht ten aanzien van eisers terugkeer.\n\nAmbtshalve toets\n\n17. Ook is overigens niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot aan het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest. Er is ook niet gesteld noch gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers terugkeer.\n\nConclusie\n\n18. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 3 oktober 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n ECLI:NL:RBROT:2025:10706.\n\n Artikel 5.1b, derde lid, van het Vb.\n\n Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.\n\n Richtlijn 2008\u002F115\u002FEG.\n\n ECLI:NL:RVS:2022:2100.\n\n ECLI:NL:RVS:2022:4002.\n\n Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Adrar, GB tegen de Minister van Asiel en Migratie van 4 september 2025, C-313\u002F25 PPU, ECLI:EU:C:2025:647.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:18289","2026-07-13T00:29:42.685Z",{"id":72,"ecli":73,"slug":74,"caseNumber":43,"courtId":75,"decisionDate":76,"fullText":77,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":78,"sourceTimestamp":79,"parsedAt":51,"updatedAt":80},"1478","ECLI:NL:RBDHA:2025:14212","ecli-nl-rbdha-2025-14212",57,"2025-07-30T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: NL25.32908 (maatregel van bewaring)\n\n NL25.33558 (terugkeerbesluit en inreisverbod)\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen\n [eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser\n\ngemachtigde: mr. Y. Özdemir,\n\nen\n\nde Minister van Asiel en Migratie,\n\ngemachtigde: drs. B. Wezeman.\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 18 juli 2025 (bestreden besluit 1) heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. De minister heeft op diezelfde dag aan eiser de maatregel van bewaring (bestreden besluit 2) op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\nDe minister heeft op 25 juli 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 28 juli 2025 op zitting behandeld. Eiser en gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. Eiser stelt van Oezbeekse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1997.\n\nOver bestreden besluit 1\n\n2. Eiser heeft geen gronden gericht tegen het terugkeerbesluit zonder vertrektermijn. De rechtbank stelt derhalve vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de minister terecht aan eiser een terugkeerbesluit heeft opgelegd op grond van artikel 62, tweede lid, onder a, van de Vw 2000.\n\n3. Eiser stelt dat het besluit met betrekking tot het inreisverbod onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. Er wordt een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar, maar waarom voor de periode van twee jaar wordt gekozen is niet duidelijk. Vooral nu eiser aangeeft sinds een week in Nederland te zijn. Dit zou dan aanleiding moeten zijn voor een inreisverbod van maximaal een jaar. Het staat immers niet onomstotelijk vast dat sprake is van een overstay van 90 dagen. Het besluit is daarom in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.\n\n4. Ingevolge artikel 66a, eerste lid, onder a, van de Vw 2000, vaardigt de minister een inreisverbod uit tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is, op wie artikel 64 niet van toepassing is en die Nederland onmiddellijk moet verlaten ingevolge artikel 62, tweede lid, van de Vw 2000.\n\n5. Ingevolge artikel 6.5a, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) bedraagt de duur van het inreisverbod ten hoogste twee jaren.\n\n6. In paragraaf A4\u002F2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) is opgenomen dat de IND of de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen een inreisverbod uitvaardigt voor zover mogelijk voor de maximale duur zoals die in artikel 6.5a van het Vb 2000 is genoemd. De IND of de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen verkort de duur van het inreisverbod, of laat een inreisverbod achterwege, als de vreemdeling bijzondere, individuele omstandigheden heeft aangevoerd en onderbouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat de minister terecht aan eiser een terugkeerbesluit heeft opgelegd op grond van artikel 62, tweede lid, onder a, van de Vw 2000. De minister was alleen daarom al gehouden om op grond van artikel 66a van de Vw 2000 een inreisverbod uit te vaardigen.\n\n8. Uit het aangehaalde beleid van de minister blijkt dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de duur van het inreisverbod twee jaar bedraagt. Eiser heeft tijdens het gehoor van 18 juli 2025 de gelegenheid gehad om omstandigheden aan te voeren waarom de duur van het inreisverbod zou moeten worden verkort. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de motivering en de daaraan ten grondslag gelegde feiten van de minister voldoende om duidelijk te maken waarom er voor hem geen aanleiding is van het opleggen van het inreisverbod af te zien of de duur daarvan te verkorten. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nOver bestreden besluit 2\n\n9. De rechtbank stelt voorop dat situaties waarin vrijheidsbeneming, waaronder bewaring, is toegestaan restrictief moeten worden uitgelegd, aangezien het om uitzonderingen op het grondrecht op vrijheid en veiligheid gaat.Dit heeft tot gevolg dat de motivering van de maatregel van bewaring altijd zal moeten zijn toegespitst op de situatie van de vreemdeling. Dit betekent dus ook dat de enkele feitelijke vaststelling van een zware grond – per definitie – niet kan volstaan om de maatregel van bewaring te rechtvaardigen, omdat daarmee het risico wordt gelopen dat een vreemdeling op basis van algemene overwegingen, die niet op de betrokkene zijn toegespitst, in bewaring wordt gesteld, hetgeen afbreuk zou doen aan restrictieve uitleg die moet worden gegeven aan de situaties waarin de vreemdeling kan worden vastgezet.\n\n10. De rechtbank realiseert zich dat het toetsingskader onder overweging 9 afwijkt van het toetsingskader van de Afdeling zoals dat uiteen is gezet in zijn uitspraak van 25 maart 2020en is bevestigd in zijn uitspraak van 25 juli 2025.De rechtbank, althans deze enkelvoudige kamer, kan zich echter, ook gelet op de motivering van de Afdeling in diens laatstgenoemde uitspraak, niet in deze lijn van de Afdeling vinden. Zij licht dit als volgt toe.\n\n11. De gronden voor bewaring, zoals die zijn opgenomen in artikel 5.1b Vb, voldoen weliswaar aan de algemene en abstracte regels die in het nationaal recht moeten zijn vastgesteld,maar daarmee is nog niet voldaan aan de motiveringsplicht waaraan een op basis van die regels opgelegde vrijheidsbenemende maatregel moet voldoen. Kort gezegd is deze rechtbank van oordeel dat weliswaar de wettelijke grondslag voldoet aan het Unierecht, maar dat dit onverlet laat dat iedere vrijheidsbenemende maatregel in de motivering specifiek moet zijn toegespitst op de vreemdeling. Steun voor deze benadering vindt de rechtbank in de conclusie van Advocaat-Generaal Rantos van 5 september 2024, die immers overweegt dat situaties waarin vrijheidsbeneming is toegestaan restrictief worden uitgelegd, aangezien het om uitzonderingen op het grondrecht op vrijheid en veiligheid gaat, zoals dat is neergelegd in artikel 6 van het Handvest van de grondrechten van de EU.De Afdeling leunt in diens voornoemde uitspraken zwaar op aanbeveling (EU) 2017\u002F432. Die aanbeveling is evenwel genomen op grond van artikel 292 VWEU en is daarmee niet juridisch bindend, dit volgt uit artikel 288 VWEU. Weliswaar moet met die aanbeveling rekening worden gehouden bij de uitleg van het Unierecht,maar daaraan wordt reeds voldaan doordat de uitgangspunten van die aanbeveling in de algemene en abstracte regels voor de inbewaringstelling (in artikel 5.1b Vb), zijn neergelegd en de rechter dus ook steeds zal moeten toetsen of die feitelijke gronden zich voordoen. Daarbij komt dat in de aanbeveling weliswaar het Handvest wordt aangehaald, maar daarover in overweging 28 van de considerans is overwogen:\n\nDeze aanbeveling is in overeenstemming met de grondrechten en neemt de in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie erkende beginselen in acht. Deze aanbeveling waarborgtin het bijzonder de volledige eerbiediging van de menselijke waardigheid en de toepassing van de artikelen 1, 4, 14, 18, 19, 24 en 47 van het Handvest en dient dienovereenkomstig te worden uitgevoerd\n\nArtikel 6 van het Handvest wordt niet expliciet genoemd, terwijl juist die bepaling het uitgangspunt zou moeten zijn van een toets ten aanzien van de rechtmatigheid van een vrijheidsbenemende maatregel.\n\nUitgaande van een restrictieve uitleg van situaties waarin vrijheidsbeneming is toegestaan komt het de rechtbank niet overtuigend voor dat een bewaring zou kunnen worden gebaseerd op de enkele feitelijke vaststelling van een zware grond, in het bijzonder omdat meerdere van de zware gronden waarvoor dit volgens Afdeling voldoende is van zodanig algemene aard zijn, dat vrijwel iedere vreemdeling die zijn vertrektermijn heeft overschreden, althans het merendeel, hieraan zal voldoen (bijvoorbeeld de gronden genoemd onder artikel 5.1b lid 3 onder a en b Vb, voor wat betreft de grond onder b met name omdat vrijwel steeds wordt gewezen op de meldplicht bij de korpschef, die voortvloeit uit artikel 4.39 Vb, maar waarvan bezwaarlijk kan worden aangenomen dat iedere vreemdeling van die verplichting op de hoogte is).\n\nVoorts komt het uitgangspunt van de aanbeveling, dat bij het voldoen aan de gronden er een rechtsvermoeden ontstaat, ook niet tegemoet aan de restrictieve uitleg van situaties waarin een vreemdeling in bewaring kan worden gesteld, juist omdat het zwaartepunt van de motivering voor de vrijheidsbeneming zou moeten liggen bij de autoriteit die de vrijheidsbeneming gelast. In zoverre kan – ook rekening houdend met die aanbeveling – van dat uitgangspunt in de aanbeveling worden afgeweken. Het rekening houden met een aanbeveling, betekent immers niet dat die aanbeveling steeds volledig moet worden gevolgd, dan zou immers het aanbevelingskarakter eraan komen te ontvallen. Daarentegen moet artikel 6 van het Handvest bij de motivering van een maatregel en de rechterlijke beoordeling daarvan juist wel in acht worden genomen.\n\n12. Om voornoemde redenen wijkt de rechtbank in het navolgende aldus opnieuw af van de benadering van de Afdeling.\n\n13. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.\n\n14. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken.\n\nDe minister heeft als zware gronden vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; en als lichte gronden vermeld dat eiser: 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.\n\n15. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet betwist, met uitzondering van de zware grond 3d. De rechtbank is van oordeel dat de gronden weliswaar feitelijk juist zijn, maar dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in eisers geval het risico bestaat dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken, terwijl dit risico voor de minister wel de aanleiding is geweest voor het opleggen van de maatregel van bewaring. De minister heeft hiertoe in de maatregel onder andere redengevend geacht dat eiser geen identificerend document heeft en dat hij zich niet meteen gemeld heeft bij de korpschef. Naar het oordeel van de rechtbank is het onttrekkingsrisico hiermee niet voldoende vast komen te staan. Voorop staat dat eiser het grondrecht op vrijheid en veiligheid heeft, zoals dat is neergelegd in onder meer artikel 6 van het Handvest van de grondenrechten van de EU. Die bepaling vereist dat situaties waarin vrijheidsbeneming kan plaatsvinden, restrictief worden uitgelegd.Uit de verklaringen van eiser blijkt onvoldoende dat eiser niet zou meewerken. Eiser heeft verklaard dat hij graag een paar weken de tijd wil om wat plaatsen in Nederland te bezoeken en daarna zelfstandig zal vertrekken. Hieruit kan dus een vrijwillige bereidheid om Nederland te verlaten worden afgeleid. Het komt de rechtbank op voorhand dan ook niet onaannemelijk voor dat als de minister eiser op zijn verplichting direct het land te verlaten had gewezen, eiser zijn verplichting om direct te vertrekken zou hebben begrepen en hieraan ook zijn medewerking zou hebben verleend. Bij twijfel hierover had het op de weg van de minister gelegen om eiser nader te bevragen, om zo een meer afgewogen inschatting op het onderduikrisico te maken. Door zulks na te laten heeft de minister onzorgvuldig gehandeld, en is het onderduikrisico onvoldoende gemotiveerd. Tegen de achtergrond van de eerder genoemde restrictieve uitleg van situaties waarbinnen bewaring is toegestaan is naar het oordeel van de rechtbank dan ook onvoldoende gemotiveerd dat in eisers specifieke geval sprake is van een onttrekkingsrisico. Het beroep is daarom gegrond. Hetgeen voor het overige is aangevoerd hoeft geen nadere bespreking.\n\nOver de beroepen\n\n16. Het beroep tegen bestreden besluit 1 is ongegrond. Het beroep tegen bestreden besluit 2 is gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig.\n\n17. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 8 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 8 x € 100,- (verblijf detentiecentrum) = € 800,-.\n\n18. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond;\n\n- verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 800,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 907,00.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. T.J. Thurlings - Rassa, rechter, in aanwezigheid van\n\nH.B. Slot - Akkerman, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.\n\nConclusie van Advocaat-Generaal A Rantos bij het HvJ EU van 5 september 2024, ECLI:ECLI:EU:C:2024:703, overweging 40.\n\n ECLI:NL:RVS:2020:829.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:3442\n\n HvJ EU 4 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:868, r.o. 43.\n\nECLI:ECLI:EU:C:2024:703, overweging 40\n\n HvJ EG 13 december 1989, ECLI:EU:C:1989:646, r.o. 18.\n\n Artikel 51 van het Handvest van de Grondrechten van de EU.\n\n Vgl. Conclusie van Advocaat-Generaal A Rantos bij het HvJ EU van 5 september 2024, ECLI:ECLI:EU:C:2024:703, overweging 40.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:14212","2025-07-31T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:22.960Z",{"id":82,"ecli":83,"slug":84,"caseNumber":43,"courtId":85,"decisionDate":86,"fullText":87,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":88,"sourceTimestamp":89,"parsedAt":51,"updatedAt":90},"635","ECLI:NL:RBDHA:2025:6692","ecli-nl-rbdha-2025-6692",63,"2025-04-15T00:00:00.000Z","uitspraak\n\nRECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.1577\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser(gemachtigde: mr. G.J. Dijkman),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,(gemachtigde: mr. J. Raaijmakers).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de weigering eiser een verblijfsvergunning regulier te verlenen op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de minister een verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid voor amv heeft mogen weigeren.1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de weigering een verblijfsvergunning te verlenen in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser heeft op 11 mei 2021 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2005. De minister heeft met het bestreden besluit van 7 januari 2025 deze aanvraag (opnieuw) afgewezen als kennelijk ongegrond. Ook heeft de minister beslist dat eiser geen verblijfsvergunning regulier krijgt op grond van het buitenschuldbeleid voor amv. Verder heeft de minister beslist dat eiser om medische redenen uitstel van vertrek krijgt voor de duur van zes maanden.2.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 14 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van de minister en de heer Z. Gharbaoui als tolk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n3. Een eerder ingediend beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag van eiser is door deze rechtbank en zittingsplaats op 19 januari 2023 gegrond verklaard.1 Hierbij is het eerder door de minister genomen besluit2 op de asielaanvraag van eiser vernietigd, maar alleen voor zover daarin een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op basis van het buitenschuldbeleid amv is afgewezen en een terugkeerbesluit is genomen. Het gedeelte van het besluit dat betrekking heeft op de asielaanvraag van eiser is wel in stand gelaten. De rechtbank stelt daarom vast dat de afwijzing van de aanvraag voor zover deze betrekking heeft op het verzoek om internationale bescherming niet meer aan de orde is. Die staat in rechte vast. Ter beoordeling ligt dan ook enkel nog het niet verlenen van een verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid amv voor. Ter zitting hebben partijen bevestigd dat het geschil zich hiertoe beperkt.\n\nHet bestreden besluit\n\n4. De minister heeft geoordeeld dat eiser niet (met terugwerkende kracht) in aanmerking komt voor ambtshalve verlening van een verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid amv. Eiser is inmiddels meerderjarig geworden en adequate opvang kon niet gedurende de minderjarigheid van eiser worden vastgesteld. De minister overweegt dat dit komt doordat het gelet op adviezen van Medifirst niet mogelijk was om eiser in persoon te horen over eventuele opvangmogelijkheden in Marokko. De minister heeft daarom bij meerderjarigheid van eiser bezien of eiser alsnog in aanmerking komt voor vergunningverlening. Nu eiser echter na het beantwoorden van schriftelijke vragen onvoldoende heeft meegewerkt aan het onderzoek naar adequate opvang is dit niet het geval, aldus de minister. De minister wijst er in dat kader onder meer op dat eiser geen adres- of telefoongegevens van de ooms, bij wie hij eerder in Marokko had verbleven, heeft verstrekt. Dit terwijl eiser bij de beantwoording van de vragen had aangegeven dit na te moeten vragen bij zijn moeder, met wie hij regelmatig telefonisch contact heeft. Deze ooms hebben eerder voor eiser gezorgd en gesteld noch gebleken is dat zij dit niet opnieuw hadden kunnen doen.\n\nHeeft de minister voortvarend gehandeld bij het onderzoek naar adequate opvang?\n\n5. Eiser voert aan dat de minister niet voortvarend heeft gewerkt aan het onderzoek naar adequate opvang. Ook is er niet door de minister gemotiveerd waarom het onderzoek niet afgerond kon zijn binnen de daartoe gestelde maximale termijn van een jaar. Gelet hierop en onder verwijzing naar uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling)3 is eiser van mening dat hem een vergunning in het kader van het buitenschuldbeleid amv had moeten worden verleend.\n\n6. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Uit het arrest T.Q. van het Hof van Justitie van de Europese Unie4 (HvJ) en de uitspraken van de Afdeling van 8 juni 20225 volgt dat de minister verplicht is om voorafgaand aan het terugsturen van een minderjarige vreemdeling zich ervan te overtuigen dat die minderjarige vreemdeling wordt teruggestuurd naar een familielid, een aangewezen voogd of adequate opvangfaciliteiten in het land van terugkeer. Verder volgt uit die uitspraken van de Afdeling dat, op het moment dat een niet-begeleide minderjarige vreemdeling meerderjarig is geworden, de minister niet langer is gehouden om te onderzoeken of adequate opvang in het land van terugkeer aanwezig is, mits hij gedurende de minderjarigheid van de vreemdeling voortvarend aan dat onderzoek heeft gewerkt. Het ligt op de weg van de minister om dat in het concrete geval aan te tonen. De minister moet in zijn besluit inzichtelijk maken welke stappen hij in die periode heeft ondernomen en wat de redenen voor de vertraging van het onderzoek naar adequate opvang waren. Of de minister voortvarend handelt vergt een casuïstische beoordeling waarbij onder meer vertragende factoren die niet aan de minister kunnen worden toegerekend en de medewerking van de vreemdeling een rol spelen, aldus de Afdeling.\n\n1. Uitspraak van deze rechtbank in de zaak NL22.26206.\n\n2 Van 30 november 2022.\n\n3 Uitspraken van de Afdeling van 8 juni 2022 ECLI:NL:RVS:2022:1530 en van 12 juli 2023,\n\nECLI:NL:RVS: 2023:2670.\n\n4 Arrest van 14 januari 2021, zaak C-441\u002F19.\n\n5 ECLI:NL:RVS:2022:1530 en ECLI:NL:RVS:2022:1532.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat eiser op 11 mei 2021 een aanvraag heeft gedaan tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel. Op 30 november 2022 heeft de (rechtsvoorganger van de) minister deze aanvraag afgewezen en geconcludeerd dat er adequate opvang aanwezig is in Marokko in de persoon van de moeder van eiser. De minister is daarbij uitgegaan van de omstandigheid dat de ouders van eiser inmiddels waren gescheiden. Op 19 januari 2023 heeft de rechtbank het beroep van eiser hiertegen gegrond verklaard en geoordeeld dat het onderzoek naar een opvangmogelijkheid in Marokko ontoereikend is geweest. Eiser moet verder worden bevraagd of er moet op een andere manier informatie worden ingewonnen over de vraag of de vader van eiser zich al dan niet bij zijn moeder bevindt en of de opvang bij zijn moeder daarmee adequaat is. Ook de gezondheidssituatie van eiser moet hierbij worden betrokken.\n\n8. Na deze uitspraak heeft de minister, zo blijkt uit het voornemen, op 25 april 2023, 30 mei 2023, 19 september 2023, 13 oktober 2023 en 9 januari 2024 medisch advies ingewonnen om te laten beoordelen of eiser medisch in staat is om gehoord te worden over opvangmogelijkheden in Marokko. Uit deze adviezen blijkt steeds dat eiser ofwel zonder bericht niet was verschenen op het spreekuur ofwel eiser (nog) niet kon worden gehoord. Op 1 februari 2024 heeft de minister uiteindelijk eiser schriftelijke vragen voorgelegd met betrekking tot zijn opvangmogelijkheden in Marokko. Deze heeft eiser bij brief van 11 maart 2024 beantwoord. Ter zitting heeft de minister toegelicht dat niet eerder voor het stellen van schriftelijke vragen is gekozen omdat het in persoon horen sterk de voorkeur geniet boven het stellen van zakelijke vragen op papier, zeker in het geval van een kwetsbare minderjarige. Ook heeft de minister hierbij laten meewegen dat de artsen steeds verzochten om eiser na een bepaalde termijn (1 à 3 maanden) opnieuw te zien waardoor bij de minister de hoop bleef bestaan dat eiser alsnog in persoon gehoord kon worden. De minister heeft steeds na (ongeveer) de door Medifirst geadviseerde termijn opnieuw een medisch onderzoek laten doen. Verder heeft DT&V in die periode nader onderzoek gedaan door meerdere keren (vergeefs) te proberen telefonisch contact op te nemen met de ouders van eiser. Ook is er een gesprek gevoerd met de voogd van eiser. De rechtbank is van oordeel dat de minister hiermee voldoende inzichtelijk heeft gemaakt welke stappen zijn ondernomen en wat de redenen zijn geweest voor de vertraging van het onderzoek naar adequate opvang. Deze zijn gelegen in de medische situatie van eiser waardoor horen steeds niet mogelijk is gebleken. Tot de meerderjarigheid van eiser is er geen positief hooradvies uitgebracht door Medifirst. Dit is een omstandigheid die niet aan de minister kan worden toegerekend. Hierbij acht de rechtbank het gelet op de uitleg van de minister niet onbegrijpelijk dat de insteek steeds is gebleven om eiser in persoon te horen. De minister heeft daarom, onder de gegeven omstandigheden, naar het oordeel van de rechtbank voortvarend gehandeld en dit op voldoende wijze inzichtelijk gemaakt. Anders dan eiser betoogt, wordt door de Afdeling in de uitspraak van 8 juni 2022 geen maximumtermijn van één jaar aan het onderzoek naar adequate opvang verbonden. Door de Afdeling wordt in dit verband juist benoemd dat deze termijn per situatie kan verschillen waarbij de minister wel gehouden is om voortvarend te handelen.6 De beroepsgrond slaagt dan ook niet.\n\nHeeft eiser voldoende meegewerkt aan het onderzoek naar adequate opvang?\n\n9. Eiser stelt dat hem ten onrechte is tegengeworpen dat hij onvoldoende heeft meegewerkt aan het onderzoek naar adequate opvang. Eiser verwijst hierbij naar de nota van DT&V van 8 februari 2024 waarin wordt geconcludeerd dat het onderzoek naar adequate opvang niet binnen de gestelde onderzoekstermijn kon worden vastgesteld maar dat dit evident niet te wijten valt aan een gebrek aan medewerking van eiser. Verder is eiser van mening dat de later verkregen gegevens uit het schriftelijke gehoor niet tegen hem kunnen worden gebruikt. Een schriftelijk gehoor is niet gelijk te stellen met een gehoor in persoon en eiser heeft psychische beperkingen om bepaalde onderwerpen te bespreken.\n\n10. Ter zitting heeft de minister toegelicht dat, anders dan uit het bestreden besluit zou kunnen worden afgeleid, aan eiser niet wordt tegengeworpen dat hij gedurende zijn minderjarigheid onvoldoende heeft meegewerkt aan het onderzoek naar adequate opvang. Eiser kon immers niet worden gehoord wegens medische omstandigheden, hetgeen hem niet is toe te rekenen. Bij het bereiken van de meerderjarige leeftijd was hierom nog niet vastgesteld of adequate opvang aanwezig is in Marokko terwijl dit niet aan eiser te wijten was. Daarom heeft de minister bij de meerderjarigheid van eiser beoordeeld of en zo ja, op welke wijze aan eiser een verblijfsrecht volgens het amv-buitenschuldbeleid zou zijn toegekomen en wat de gevolgen daarvan zouden zijn op de datum van de meerderjarigheid7. De minister heeft vervolgens op grond van de antwoorden van eiser op de schriftelijke vragen geconcludeerd dat eiser onvoldoende heeft meegewerkt aan het onderzoek naar adequate opvang en dat hij daarom niet (met terugwerkende kracht) in aanmerking komt voor vergunningverlening.\n\n11. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de minister hiermee niet in lijn met eerdergenoemde jurisprudentie van de Afdeling over het toetsingskader in zaken van niet-begeleide minderjarige vreemdelingen heeft gehandeld. De stelling van eiser dat uit die jurisprudentie volgt dat bij het bereiken van de meerderjarige leeftijd ofwel adequate opvang moet zijn vastgesteld ofwel een vergunning dient te worden verleend8, leest de rechtbank hierin niet terug. De rechtbank is van oordeel dat de minister op grond van de reactie van eiser op de schriftelijk aan hem gestelde vragen niet ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat hij onvoldoende meewerkt aan het onderzoek naar adequate opvang in Marokko. Eiser heeft in zijn antwoorden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud aangegeven dat hij voor wat betreft de adres- en telefoongegevens van zijn ooms navraag moet doen bij zijn moeder. Nu hij regelmatig contact onderhoudt met zijn moeder en dit basale informatie betreft, valt niet in te zien waarom hij vervolgens heeft nagelaten de gevraagde gegevens te verschaffen. De medische problematiek van eiser leidt hierbij niet tot een ander oordeel. Hierbij wijst de rechtbank erop dat deze informatie geen betrekking heeft op de vader van eiser, met wie hij zeer moeizame relatie onderhoudt. Hierom valt niet in te zien waarom van eiser niet verlangd zou kunnen worden dat hij de gevraagde basale informatie verstrekt. Nu eiser niet met medische stukken heeft onderbouwd dat dit medisch gezien niet van hem kan worden verlangd, slaagt de beroepsgrond niet.\n\n6 Afdeling 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1530, overweging 19.2.\n\n7 Overeenkomstig Afdeling 12 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2670.\n\n8 Onder verwijzing naar Afdeling 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1530, overweging 19.2.\n\nOpvang bij moeder\n\n12. Eiser heeft ter zitting aangegeven dat hij de beroepsgrond die betrekking heeft op adequate opvang bij zijn moeder, niet langer handhaaft. Dit nadat de minister had bevestigd eiser hieromtrent geen verwijt te maken.\n\nPrejudiciële vragen\n\n13. Eiser heeft op de zitting de rechtbank verzocht om prejudiciële vragen aan het HvJ te stellen om duidelijkheid te verkrijgen over een eventuele maximale termijn tussen het moment dat een vreemdeling illegaal wordt en het moment dat een terugkeerbesluit moet zijn genomen. De rechtbank stelt echter vast dat, hoewel er wel een voornemen hiertoe was, in het bestreden besluit door de minister geen terugkeerbesluit aan eiser is opgelegd. Reeds hierom bestaat geen aanleiding te voldoen aan dit verzoek van eiser.\n\nConclusie en gevolgen\n\n14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Voor een vergoeding van de proceskosten bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van drs. C.L.W. Slycke - van Dort, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\n15 april 2025\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:6692","2025-04-22T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:40.361Z",20,[93,11,94],2026,2024]