[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-asylum-law-nl-2025":3},{"detail":4,"years":224},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":222,"page":14,"limit":223},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},37,"asylum-law-nl","Asylum Law","NL","2026-07-08T16:53:25.948Z",2025,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,37],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":17},3,{"month":21,"count":19},4,{"month":23,"count":19},5,{"month":25,"count":15},6,{"month":27,"count":17},7,{"month":29,"count":14},8,{"month":31,"count":19},9,{"month":33,"count":17},10,{"month":35,"count":36},11,12,{"month":36,"count":14},[39,53,63,72,79,89,97,106,113,122,131,140,148,157,167,176,186,195,204,213],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"645","ECLI:NL:RBDHA:2025:24373","ecli-nl-rbdha-2025-24373","",67,"2025-12-16T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.35398\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. A.J.M. Mohrmann),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder.\n\nInleiding\n\n1. Eiseres heeft, nadat een beslissing op haar asielaanvraag is vernietigd bij uitspraak van 6 september 2023, twee keer eerder rechtsgeldig beroep ingediend tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar asielaanvraag. Bij uitspraak van 19 maart 2025heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, het voorlaatste beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond verklaard en verweerder opgedragen om binnen twee weken na verzending van deze uitspraak een besluit te nemen op de asielaanvraag onder verbeuring van een dwangsom van € 200,- voor elke dag waarmee hij deze termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-.\n\n1.1. Eiseres heeft weer beroep ingediend tegen het uitblijven van een besluit op haar asielaanvraag. In deze uitspraak beslist de rechtbank over dit beroep.\n\n1.2. Partijen hebben toestemming gegeven als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), al dan niet impliciet door niet tijdig te reageren op de door de rechtbank gegeven termijn, om een behandeling van het beroep op zitting achterwege te laten. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.\n\n3. Op grond van de rechtbankuitspraak van 19 maart 2025 had verweerder uiterlijk op 3 april 2025 een besluit moeten nemen op de asielaanvraag van eiseres. De rechtbank stelt vast dat deze termijn is overschreden. Eiseres heeft na het verstrijken van deze termijn beroep ingediend. Het beroep is daarom gegrond. In deze situatie is het niet vereist dat eiseres verweerder eerst in gebreke stelt alvorens beroep in te kunnen stellen.\n\n4. Verweerder dient gevolg te geven aan de rechtbankuitspraak van 19 maart 2025 en wordt geacht er alles aan te doen om de uitspraak na te leven. In de uitspraak van 8 juli 2020heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) geoordeeld dat in asielzaken de rechter er rekening mee houdt dat verweerder aanvragen binnen een redelijke termijn moet hebben behandeld en dus geen onnodig lange nadere termijn stelt en in ieder geval de bovengrens van 21 maanden in acht neemt. Voorts heeft de Afdeling geoordeeld dat bij bepaling van de nadere termijn de zorgvuldigheid van de besluitvorming zwaar weegt. Kortom, de rechter stelt de nadere termijn zodanig dat deze in redelijkheid niet onnodig lang en ook niet onrealistisch kort is. In lijn met deze rechtspraak en in acht nemend dat de bovengrens van 21 maanden is overschreden, acht de rechtbank een termijn van vier weken niet onredelijk lang of onrealistisch kort.\n\n5. De in 4 genoemde termijn gaat niet eerder lopen dan nadat de termijn van de eerder opgelegde rechterlijke dwangsom is volgelopen. In deze situatie is de eerder opgelegde rechterlijke dwangsom al volgelopen.\n\n6. De rechtbank ziet op grond van het voorgaande aanleiding om met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb te bepalen dat verweerder een dwangsom verbeurt voor elke dag dat de hiervoor genoemde termijn verder wordt overschreden. De rechtbank ziet aanleiding om bij een opvolgend beroep niet tijdig beslissen terug te komen op de vaste gedragslijn dat bij een opvolgend beroep een hogere dwangsom wordt bepaald. Reden hiervoor is dat de Afdeling in haar uitspraak van 21 mei 2025heeft overwogen dat een veel hogere dwangsom eerder uitzondering dan regel moet zijn. Alleen als een sterke prikkel nodig is vanwege de weigerachtigheid van verweerder of vanwege een bijzonder spoedeisend belang om te beslissen, is er aanleiding om de dwangsom te verhogen. Daarvan is in deze zaak sprake. Verweerder heeft bij rechterlijke uitspraak drie keer een termijn gekregen om te beslissen. Telkens heeft verweerder hieraan niet voldaan. Hoewel de rechtbank zich ervan bewust is dat de sterkte van de prikkel beperkt is gezien de achterstanden bij verweerder, gaat ze hier nu toch toe over, aangezien de belangen van de drie minderjarige kinderen van eiseres ook in het geding zijn.\n\n6.1.. De rechtbank ziet daarom aanleiding om te bepalen dat verweerder toch een dwangsom van € 200,- verbeurt voor elke dag dat de hiervoor genoemde termijn verder wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, verweerder de onder 4 genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan verweerder de onder 6.1 genoemde dwangsom wordt opgelegd.\n\n7.1.. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding voor haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 453,50 omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag gegrond;\n\n- vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;\n\n- draagt verweerder op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit te nemen op de asielaanvraag van eiseres;\n\n- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 200,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn verder overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;\n\n- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 453,50.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, rechter, in aanwezigheid van S.A. Bournas, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2023:13702.\n\n NL24.46084.\n\n Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.\n\n ECLI:NL:RVS:2020:1560.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:2337.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:24373","2025-12-18T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:40.867Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":51,"updatedAt":62},"384","ECLI:NL:RBDHA:2025:22742","ecli-nl-rbdha-2025-22742",58,"2025-11-27T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\n zaaknummers: NL25.47417 en NL25.47421uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen\n\n [eiser], V-nummer: [v-nummer 1] , eiser,[eiseres], V-nummer: [v-nummer 2] , eiseres,\n\ntezamen aangeduid als eisers,\n\n(gemachtigde: mr. B. Manawi),\n\nen\n\nde Minister van Asiel en Migratie, verweerder,\n\n(gemachtigde: C.A. van Es).\n\nProcesverloop\n\n1. Eiser heeft op 30 september 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Eiseres heeft op 6 september 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met de bestreden besluiten van 24 september 2025 deze aanvragen in de algemene procedure afgewezen als niet-ontvankelijk.\n\n1.1.. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.\n\n1.2.. De rechtbank heeft de beroepen gelijktijdig op 13 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, T. Yilihamu als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\nHet asielrelaas\n\n2. Eiser is geboren op [geboortedatum 1] 1996. Eiseres is geboren op [geboortedatum 2] 2002. Eisers hebben de Chinese nationaliteit en zij behoren tot de Oeigoeren. Eisers zijn op religieuze wijze met elkaar getrouwd. Eiser is uit China vertrokken om in vrijheid te kunnen studeren. Eiseres is uit China vertrokken, omdat haar familie zich niet veilig voelde in China. Eiser heeft van 2014 tot 2025 rechtmatig in Turkije verbleven. Eiseres heeft van april 2016 tot 2025 rechtmatig in Turkije verbleven. Eisers stellen dat zij zijn weg gegaan uit Turkije, omdat hun verblijfsvergunning is ingetrokken.\n\nHet bestreden besluit\n\n3. Verweerder vindt dat Turkije voor eisers als veilig derde land kan worden beschouwd. Eisers hebben allereerst een band met Turkije. Ook is het volgens verweerder aannemelijk dat eisers opnieuw tot Turkije zullen worden toegelaten. Bovendien is niet gebleken dat Turkije voor eisers niet veilig is. Gelet hierop, heeft verweerder de aanvraag van eisers niet-ontvankelijk verklaard. Ook dienen eisers onmiddellijk te vertrekken naar Turkije en is er een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.\n\nWat vinden eisers in beroep?\n\n4. Allereerst heeft verweerder ten onrechte de verkeerde toetsingsvolgorde gehanteerd. Verweerder had volgens Afdelingsjurisprudentieeerst moeten nagaan of Turkije in algemene zin veilig is, waarna kan worden onderzocht of de vreemdeling een zodanige band heeft dat het voor hem kan worden aangemerkt als veilig derde land. Uit Afdelingsjurisprudentie volgt dat verweerder zelf actief en aan de hand van actuele, objectieve en verifieerbare informatiebronnen moet onderzoeken of een land aan de in artikel 3.106a van het Vreemdelingenbesluit genoemde beginselen voldoet, voordat het kan worden aangemerkt als veilig derde land. Door enkel passages te herhalen uit ambtsberichten voor 2021 heeft verweerder dit onvoldoende gedaan. Daarnaast heeft verweerder ten onrechte aangenomen dat eisers een band hebben met Turkije. Ook betekent eerder verblijf in Turkije niet dat eisers daardoor ook daadwerkelijk bescherming kunnen krijgen. Verder heeft verweerder ten onrechte aangenomen dat de toelating tot Turkije aannemelijk is. Verweerder heeft in strijd met Afdelingsjurisprudentie geen concreet onderzoek verricht naar de toelatingspraktijk van Turkije. Bovendien hebben eisers verklaard dat hun gegevens niet langer zichtbaar zijn in het Turkse digitale registratiesysteem en dat Oeigoeren zonder vergunning worden gedetineerd en uitgezet. Daarnaast heeft verweerder miskent dat de situatie van Oeigoeren in Turkije sinds 2017 is verslechterd, zoals blijkt uit de overgelegde brief van VluchtelingenWerk (VWN) Nederland. Tot slot zijn het terugkeerbesluit en het inreisverbod onzorgvuldig en disproportioneel, nu de asielaanvraag ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard.\n\n4.1.. Ten aanzien van eiseres wordt nog het volgende aangevoerd. Verweerders redenering dat er meer documenten overgelegd hadden moeten worden is onzorgvuldig zonder te specificeren welke stukken er ontbreken of waarom de overlegde documenten onvoldoende zijn. Daarnaast heeft verweerder ten onrechte tegengeworpen dat eiseres zelf informatie kan opvragen bij de Turkse autoriteiten, nu zij heeft aangevoerd dat zij niet langer toegang heeft tot het systeem.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\n5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.\n\nToetsingskader\n\n6. Verweerder kan op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw een aanvraag niet-ontvankelijk verklaren als een derde land voor die vreemdeling als veilig derde land kan worden beschouwd. Met het IB 2024\u002F26 staat vast dat verweerder Turkije in zijn algemeenheid niet als een veilig derde land aanmerkt. In geschil is of verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat Turkije voor eisers wel als veilig derde land aan te merken is.\n\n6.1.. Verweerder kan in een concreet geval beoordelen of een land voor de specifieke vreemdeling een veilig derde land is. Aan die tegenwerping moet gedegen onderzoek ten grondslag liggen. Verweerder moet bepaalde informatiebronnen over de algemene situatie in een bepaald land bij zijn oordeel betrekken, en het door hem verrichte onderzoek en de daarop gebaseerde beoordeling ook inzichtelijk maken. Uit dit onderzoek moet blijken dat een vreemdeling in het derde land overeenkomstig de beginselen, genoemd in artikel 3.106a, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 zal worden behandeld. Als verweerder aan de hand van zorgvuldig onderzoek deugdelijk heeft gemotiveerd dat een vreemdeling in het derde land volgens de hiervoor bedoelde beginselen wordt behandeld, kan hij dit alleen tegenwerpen als die vreemdeling een zodanige band heeft met dat land dat het voor die vreemdeling redelijk zou zijn daar naartoe te gaan.Bovendien kan verweerder alleen tegenwerpen dat een derde land voor een specifieke vreemdeling een veilig derde land is, als verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat die vreemdeling wordt toegelaten tot dat land.\n\n6.2.. Verweerder moet aan de hand van informatie uit algemene bronnen, of op basis van de verklaringen van die vreemdeling, redenen aandragen waarom toelating in beginsel mogelijk moet zijn. Vervolgens is het aan die vreemdeling om met tegenbewijs te komen door voldoende twijfel te zaaien dat de door verweerder geschetste mogelijkheden om toegang te krijgen tot dat land in zijn of haar geval niet aanwezig zijn.Daarnaast is het aan de vreemdeling om inspanningen te verrichten om daadwerkelijk te worden toegelaten tot het veilige derde land, tenzij niet van hem of haar kan worden verlangd dat hij of zij opnieuw probeert toegang tot en verblijf in dat land te krijgen.\n\n6.3.. Een inhoudelijke beoordeling van de situatie in een bepaald land is overbodig indien niet kan worden geoordeeld dat de band van een vreemdeling met dat land zodanig is dat het voor hem redelijk is daar naartoe te gaan of aannemelijk is dat die vreemdeling niet wordt toegelaten tot dat land. Verweerder dient die vragen te beantwoorden voordat wordt toegekomen aan de vraag of die vreemdeling in dat land wordt behandeld overeenkomstig de vereisten waaraan een veilig derde land moet voldoen.\n\nMocht verweerder Turkije als veilig derde land aanmerken voor eisers?\n\n7. Allereerst volgt de rechtbank het standpunt van eisers niet dat verweerder ten onrechte een verkeerde toetsingsvolgorde heeft gehanteerd. Volgens eisers blijkt uit Afdelingsjurisprudentiedat verweerder eerst had moeten nagaan of Turkije in algemene zin veilig is, waarna kan worden onderzocht of de vreemdeling een zodanige band heeft dat het voor hem kan worden aangemerkt als veilig derde land. Gelet op hetgeen onder 5.3 is overwogen, is dit standpunt van eisers niet juist. 7.1. Verweerder mocht zich verder op het standpunt stellen dat de verblijfsvergunning van eisers niet is ingetrokken. Door eisers is namelijk niet aangetoond dat zij geen verblijfsrecht meer zouden hebben, terwijl zij wel in de gelegenheid zijn gesteld om dit te onderbouwen. Verweerder heeft daarbij mogen tegenwerpen dat niet is gebleken dat eisers enige inspanning hebben verricht om alsnog aan documenten te komen. Eisers hebben aangevoerd dat het moeilijk voor hen was om aan documenten te komen, omdat zij in bewaring zitten en omdat eiseres laaggeletterd is. Verweerder heeft mogen vinden dat van eisers mag worden verwacht dat zij meer documenten hadden overgelegd om hun verblijfsrecht in Turkije aan te tonen, ook al zitten eisers in bewaring en is eiseres laaggeletterd. Eisers hadden namelijk hulp kunnen inschakelen van hun familie dan wel hun gemachtigde. Bovendien heeft verweerder in het bestreden besluit van eiseres uiteengezet welke documenten er van eiseres verwacht konden wordenen tijdens het gehoor is haar uitgelegd wat het belang hiervan is.Het standpunt van eiseres dat de motivering van verweerder onzorgvuldig is zonder te specificeren wat er van haar mag worden verwacht, volgt de rechtbank dan ook niet. Daarnaast is niet gebleken dat eisers te vrezen hebben voor de Turkse autoriteiten. Zij hebben ook niet aangevoerd dat zij problemen hebben met de Turkse autoriteiten. Eisers hadden zich dus ook tot de Turkse autoriteiten kunnen wenden om informatie te verkrijgen over hun verblijfsstatus.\n\nBand met Turkije7.2.. Gelet op Afdelingsjurisprudentiekan een band worden aangenomen wanneer een vreemdeling in het verleden in dat land heeft gewoond. Niet in geschil is dat eisers geruime tijd in Turkije hebben verbleven. Eiser heeft namelijk van 2014 tot 2025 in Turkije verbleven en eiseres van april 2016 tot 2025. Niet is gebleken dat eisers gedurende hun verblijf in Turkije niet mee hebben kunnen draaien in de Turkse maatschappij. Zo spreekt eiser Turks en heeft hij ook gestudeerd. Eisers hebben de mogelijkheid gehad om deel te nemen aan de Turkse samenleving en zij hebben toegang gehad tot voorzieningen. Het standpunt van eisers dat eerder verblijf in Turkije niet betekent dat eisers daardoor ook daadwerkelijk bescherming kunnen krijgen, volgt de rechtbank niet. Voor het vaststellen van een zodanige band dat het voor een vreemdeling redelijk zou zijn om naar dat land te gaan, is niet van belang of die vreemdeling ook daadwerkelijk bescherming kan krijgen.\n\n7.3.. Het standpunt van eisers dat verblijf van familie in het derde land geen reden is om een band met dat land aan te nemen, volgt de eveneens rechtbank niet. Gelet op Afdelingsjurisprudentiekan verblijf van familie in het derde land juist bijdragen aan het vaststellen van de band met dat land. Verweerder heeft dit dus mogen betrekken in zijn beoordeling.\n\n7.4.. \n\nGelet op het voorgaande, is de rechtbank daarom van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat voor eisers sprake is van een zodanige band met Turkije dat het voor hen redelijk zou zijn om naar Turkije te gaan.\n\nToelating tot Turkije\n\n8. Verweerder heeft mogen vinden dat het aannemelijk is dat eisers worden toegelaten tot Turkije. Gelet op hetgeen overwogen onder 7.1., mocht verweerder zich op het standpunt stellen dat de verblijfsvergunningen van eisers niet zijn ingetrokken en dat zij dus nog geldig verblijfsrecht hebben. Verweerder heeft dit dus mogen betrekken bij de beoordeling of eisers worden toegelaten tot Turkije. Verweerder heeft daarnaast mogen betrekken dat eisers een Chinees paspoort hebben en dat eisers hebben verklaard dat familie al eerder toegelaten is tot Turkije. Gelet op Afdelingsjurisprudentie, heeft verweerder zich ook op het standpunt mogen stellen dat eisers al eerder zijn toegelaten tot Turkije en dat het mede daardoor aannemelijk is dat eisers opnieuw zullen worden toegelaten tot Turkije. Gelet op hetgeen is overwogen onder 5.2. hoeft verweerder alleen aannemelijk te maken dat eisers in beginsel worden toegelaten tot Turkije en dat heeft hij gedaan. Het is aan eisers om aannemelijk te maken dat zij niet worden toegelaten en daar zijn zij niet in geslaagd. Daarnaast is niet gebleken dat er door eisers inspanningen zijn verricht om alsnog te worden toegelaten tot Turkije, hetgeen wel van eisers mag worden verwacht.\n\n8.1.. Verder heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat eisers nog steeds in de digitale systemen van Turkije kunnen. Eisers hebben namelijk niet aannemelijk gemaakt dan wel onderbouwd dat zij niet meer kunnen inloggen in deze digitale systemen. Gelet op hetgeen onder 7.1. overwogen, heeft verweerder in zijn beoordeling over toelating tot Turkije niet ten onrechte niet meegenomen dat de verblijfsstatus van eiser is ingetrokken en dat zijn gegevens zouden zijn verdwenen.\n\n8.2.. Het standpunt van eisers dat verweerder zich niet had mogen beroepen op informatie afkomstig van Turkse overheidssites, omdat deze bronnen niet onafhankelijk zijn, volgt de rechtbank niet. De Turkse overheidssites geven namelijk informatie over de toelating tot Turkije. Verweerder heeft dit daarom mogen betrekken bij zijn beoordeling. Verder hebben eisers aangevoerd dat uit een bron uit het Ambtsbericht blijkt dat de Turkse overheid zich niet welwillend zouden opstellen om Oeigoeren weer toe te laten.De rechtbank is het met verweerder eens dat uit één bron niet kan worden geconcludeerd dat eisers niet zullen worden toegelaten tot Turkije.\n\n8.3.. De rechtbank volgt verweerder dan ook in zijn standpunt dat eisers in beginsel tot het grondgebied van Turkije zullen worden toegelaten en dat eisers niet hebben aangetoond dat dit niet het geval is.\n\nIs Turkije voor eisers een veilig derde land?\n\n9. Uit hetgeen eisers in beroep naar voren hebben gebracht over Turkije en de situatie van Oeigoeren kan niet worden afgeleid dat eisers in Turkije niet zullen worden behandeld overeenkomstig de beginselen genoemd in artikel 3.106a van het Vb 2000. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in zijn besluitvorming, onder verwijzing naar landeninformatie van Turkije, voldoende gemotiveerd dat ten aanzien van Turkije aan deze voorwaarden wordt voldaan. Verweerder heeft daarbij gebruik gemaakt van actuele informatie, waaronder het meest recente ambtsbericht van Turkije van 2025. Eisers standpunt dat dit ambtsbericht onvoldoende inzichtelijk is, omdat er gebruik wordt gemaakt van vertrouwelijke bronnen, volgt de rechtbank niet. De Afdeling heeft namelijk eerder overwogen dat een ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken omtrent de situatie in een land kan worden aangemerkt als een deskundigenadvies aan verweerder ten behoeve van de uitoefening van diens bevoegdheden. Daartoe dient het op onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie te verschaffen, onder aanduiding - voor zover mogelijk en verantwoord - van de bronnen, waaraan deze informatie is ontleend. Indien aan deze eisen is voldaan, mag verweerder bij de besluitvorming in asielzaken van de juistheid van die informatie uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan.Voor zover mogelijk en wanneer het verantwoord is dienen de bronnen uit het ambtsbericht dus openbaar te zijn. Hieruit volgt echter niet dat verweerder niet van de informatie van het ambtsbericht uit mag gaan, wanneer in het ambtsbericht onder andere gebruik is gemaakt van vertrouwelijke bronnen. Bovendien hebben eisers met de enkele stelling dat het ambtsbericht niet inzichtelijk is door verwijzing naar vertrouwelijke bronnen, onvoldoende aangetoond dat er concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het ambtsbericht Turkije waarnaar verweerder heeft verwezen.\n\n9.1.. Daarnaast is het non-refoulement beginsel ten aanzien van eisers in de periode dat zij in Turkije woonden gerespecteerd door de Turkse autoriteiten en hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat dit nu anders zal zijn. Hoewel eisers erop wijzen dat in de afgelopen jaren in Turkije wel incidenten zijn geweest met Oeigoeren die zijn uitgezet, acht de rechtbank dit onvoldoende om de algemene situatie als onveilig te beoordelen, gelet op het aantal personen waarop die incidenten zagen in verhouding tot het grote aantal Oeigoeren dat in Turkije verblijft. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eisers geen argumenten hebben aangedragen waarom Turkije specifiek voor hen niet veilig is. Zo heeft eiser verklaard dat hij in Turkije nooit door de Chinese autoriteiten is benaderden heeft eiseres verklaard dat zij in Turkije nooit problemen heeft gehad met de Chinese autoriteiten.De informatie uit de brief van VWN maakt het voorgaande niet anders, nu de door eiser aangevoerde passages uit deze brief enkel van één persoon komen. Ten aanzien van het uitleveringsverdrag tussen China en Turkije overweegt de rechtbank tot slot dat Turkije dit verdrag tot op heden niet heeft geratificeerd. Er zijn daarnaast geen indicaties dat het in de toekomst geratificeerd gaat worden en dit is eveneens niet door eisers in beroep aangevoerd.\n\n10. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de aanvragen op goede gronden niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder heeft daarom ook op goede gronden een terugkeerbesluit en een inreisverbod opgelegd.\n\nConclusie en gevolgen\n\n11. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Vlassak, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, Vreemdelingenwet 2000 (Vw).\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, van 6 mei 2024, (ECLI:NL:RVS:2024:1879).\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), van 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:122.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling, van 17 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1480.\n\n Zie de uitspraken van de Afdeling van 13 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3378, ECLI:NL:RVS:2017:3379, ECLI:NL:RVS:2017:3380 en ECLI:NL:RVS:2017:3381 en de uitspraak van 17 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1480.\n\n Uitspraak van de Afdeling, van 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1879.\n\n Voornemen eiseres, 18 september 2025, pagina 2.\n\n Gehoorverslag nader gehoor, pagina 6.\n\n Zie uitspraak Afdeling, van 13 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3379, r.o. 6.1.\n\n Zie uitspraak Afdeling, van 13 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3379, r.o. 6.1.\n\n Zie uitspraak Afdeling, van 11 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4358, r.o. 3.2.\n\n Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina 101.\n\n Algemeen ambtsbericht Turkije, februari 2025.\n\n Zie uitspraak van de Afdeling, van 1 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3795, r.o. 2.1.\n\n Gehoorverslag nader gehoor eiser, pagina 12.\n\n Gehoorverslag nader gehoor eiseres, pagina 15.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:22742","2025-12-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:27.079Z",{"id":64,"ecli":65,"slug":66,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":67,"fullText":68,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":69,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":51,"updatedAt":71},"380","ECLI:NL:RBDHA:2025:23344","ecli-nl-rbdha-2025-23344","2025-11-25T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL24.35417\n uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [nummer]\n\n(gemachtigde: mr. E. Arslan),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. S.M. Deniz).\n\nSamenvatting\n\n1. Eiser komt uit Turkije. Hij is betrokken geweest bij de Gülen-beweging. Hij heeft een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft die aanvraag afgewezen. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Per 1 december 2023 is het Nederlandse beleid voor asielaanvragen van Gülen-aanhangers strenger geworden. Per 1 juli 2024 is het beleid voor groepen zoals Gülen-aanhangers, nog strenger geworden. De asielaanvraag van eiser is ruim voor beide beleidswijzigingen ingediend. De rechtbank oordeelt dat beide wijzigingen in het beleid niet onredelijk zijn. Ook mocht verweerder bij de beslissing op de asielaanvraag uitgaan van het nieuwe beleid. Op grond van de informatie over Turkije en de individuele situatie van eiser mocht verweerder de asielaanvraag van eiser afwijzen. Er zijn geen aanwijzingen dat eiser persoonlijk in de negatieve aandacht staat van de Turkse autoriteiten.\n\n1.2.. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Onder 2 is het verloop van deze procedure weergegeven. Vanaf 3 zijn de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit en het bestreden besluit zelf beschreven. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser heeft op 13 januari 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vwingediend. Hij heeft de Turkse nationaliteit en is geboren op [datum] 2005. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 4 september 2024 de aanvraag afgewezen als ongegrond.\n\n2.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\n2.2.. \n\nDe rechtbank heeft het beroep behandeld op zitting op 29 oktober 2024. Hieraan hebben eiser en zijn gemachtigde en namens verweerder mr. A.T.M. Vroom-van Berckel deelgenomen. De rechtbank heeft het onderzoek op zitting gesloten.\n\nDaarna is het onderzoek heropend en is de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.\n\n2.3.. De meervoudige kamer van de rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Het beroep is ter zitting gelijktijdig behandeld met de beroepen van twee andere Turkse vreemdelingen tegen de beslissing op hun asielaanvragen.\n\nFeiten en omstandigheden\n\nHet asielrelaas\n\n3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag.\n\n3.1.. Eisers vader was betrokken bij de Gülen-beweging. Zijn vader werd na de couppoging in 2016 ontslagen. Eiser zelf heeft op scholen gezeten die gelieerd waren aan de Gülen-beweging. Eisers school werd in 2016 gesloten. Eiser is toen naar meerdere staatsscholen gegaan. Daar werd hij gediscrimineerd door de docenten en de leerlingen. Eisers psychische toestand is daardoor verslechterd. Hij raakte sociaal geïsoleerd. Familieleden namen afstand van eiser en zijn gezin vanwege het risico te worden beschuldigd van terrorisme als zij met eiser en zijn vader in verband zouden worden gebracht. Zijn vader is strafrechtelijk vervolgd door de Turkse autoriteiten. Hij heeft enige tijd in de gevangenis gezeten. Hij is vrijgesproken van de aanklachten en dat is in december 2023 in cassatie bevestigd.\n\n3.2.. Na de couppoging en de gevangenneming van zijn vader is eiser actiever geworden voor de Gülen-beweging. Hij is doorgegaan met deelname aan bijeenkomsten (sobhets). Ook is hij omgegaan met jongens van wie de vaders ook gevangen waren gezet. Hij heeft verder geld doen toekomen aan zijn vader toen die in detentie zat in 2017.\n\n3.3.. Eiser vreest dat hij bij terugkeer naar Turkije zal worden opgepakt omdat hij met de Gülen-beweging in verband kan worden gebracht. Ook is eiser in Nederland actief betrokken bij de Gülen-beweging en gaat hij naar bijeenkomsten. Eiser vreest dat de Turkse inlichtingendienst in Nederland actief is en daarom weet wie hij is.\n\nHet bestreden besluit\n\n4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante asielmotieven:\n\n1. de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;\n\n2. eisers betrokkenheid bij de Gülen-beweging.\n\n4.1.. Verweerder acht beide asielmotieven geloofwaardig. Hij acht echter eisers vrees om opgepakt te worden of gediscrimineerd te worden niet aannemelijk. Verweerder neemt daarbij in aanmerking dat eiser als Gülen-aanhanger valt onder het risicoprofiel genoemd in paragraaf C7\u002F34.3.2 van de Vc.Volgens verweerder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt. Eiser staat volgens verweerder niet in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten.4.3.. Tegen eiser is ook een terugkeerbesluit uitgevaardigd en hij moet Nederland binnen vier weken verlaten.\n\nGeschilpunten partijen\n\n5. Eiser heeft in beroep geageerd tegen twee wijzigingen in het beleid van verweerder ten aanzien van Turkije ten nadele van hem. Het betreft een wijziging per 1 december 2023 en één per 1 juli 2024. Volgens eiser zijn beide wijzigingen in strijd met het recht. Daarnaast heeft eiser gesteld dat verweerder niet tijdig heeft besloten op zijn aanvraag. Als verweerder dat wel had gedaan, waren beide beleidswijzigingen niet van toepassing geweest en had eiser internationale bescherming gekregen. Tot slot heeft eiser gesteld dat hij, ook als rekening wordt gehouden met de beide beleidswijzigingen, recht heeft op internationale bescherming.\n\n5.1.. Verweerder heeft dit alles weersproken en handhaaft zijn beslissing.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n6. De rechtbank bespreekt hierna de geschilpunten van partijen. Eerst zal de rechtbank toetsen of de twee beleidswijzigingen niet onredelijk zijn. Daarna zal de rechtbank oordelen over het standpunt dat eiser internationale bescherming moet krijgen omdat verweerder eerder had moeten beslissen op zijn aanvraag. Tenslotte zal worden ingegaan op de vraag of eiser op grond van zijn individuele omstandigheden een asielvergunning had moeten krijgen.\n\n6.1.. Met het bestreden besluit heeft verweerder ook een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Eiser heeft daartegen geen beroepsgronden aangevoerd. De rechtbank beoordeelt dat daarom niet.\n\nIs de strengere toets voor Gülen-aanhangers per 1 december 2023 niet onredelijk?\n\nDe beleidswijziging per 1 december 2023\n\n7. De groep “(toegedichte) Gülen-aanhangers” in Turkije werd als risicogroep aangemerkt. Bij de beoordeling van de vrees op vervolging werd rekening gehouden met het willekeurige karakter van het optreden van de Turkse autoriteiten jegens mogelijke aanhangers van de Gülen-beweging. Dit was het gevolg van een uitspraak van de Afdelingen het Algemeen Ambtsbericht Turkije van 31 oktober 2019. In de Vc was daartoe de volgende passage opgenomen:\n\n“Ten aanzien van (toegedichte) Gülen-aanhangers geldt aanvullend dat indien van geringe indicaties niet is gebleken, de IND de risico’s bij terugkeer beoordeelt in het licht van de diffuse en slechte situatie die gekenmerkt wordt door willekeur jegens (toegedichte) Gülen-aanhangers van de zijde van de Turkse autoriteiten.”\n\nDe passage leidde tot een ruimer beoordelingskader dan gebruikelijk bij risicogroepen. Ook zonder geringe indicaties werd al snel een risico op vervolging aangenomen.\n\n7.1.. Het hiervoor geciteerde beleid is per 1 december 2023 vervallen.Toegelicht is dat uit het Algemeen ambtsbericht Turkije van 31 augustus 2023 (hierna: AAB 2023) blijkt dat de intensiteit van de strafrechtelijke vervolging van mogelijke Gülen-aanhangers is afgenomen en dat de rechtspraak in Turkije strenger toetst als personen verdacht worden van het aanhangen van de Gülen-beweging. Als gevolg van deze twee ontwikkelingen is de willekeur die voorheen prominent een rol speelde bij strafrechtelijke vervolging van Gülenisten niet in dezelfde mate aan de orde, aldus de toelichting.\n\nIs de wijziging niet onredelijk?\n\n8. Volgens eiser is de wijziging van het beleid per 1 december 2023 onterecht omdat deze in strijd is met landeninformatie over Turkije. Daarom, zo stelt eiser, mag deze wijziging niet aan eiser worden tegengeworpen. Verweerder bestrijdt dit.\n\n8.1.. De rechtbank volgt eiser niet en overweegt daartoe het volgende.\n\n8.2.. Eiser heeft gesteld dat niet van de informatie in het AAB 2023 mag worden uitgegaan. Volgens eiser is het AAB 2023 beïnvloed door de onjuiste wijze van verkrijging daarvan, gezien de vraagstelling in de zogenoemde ‘Terms of Reference’ van 28 april 2023. Dit heeft eiser echter onvoldoende onderbouwd. Er is gevraagd om algemene en concrete informatie. De concreet gevraagde informatie betreft ook Gülenisten en rechtsbescherming van hen en anderen. Dit acht de rechtbank voldoende. De informatie in het AAB 2023 kan dus worden gebruikt voor de beoordeling van de situatie in Turkije per 1 december 2023.\n\n8.3.. Het AAB 2023 bevat weinig concrete informatie en er zijn meerdere voorbehouden in gemaakt. Zo staat er dat het lastig was om verifieerbare informatie te vinden over de situatie van (vermeende) Gülenisten in Turkije, dat de informatie over hun situatie schaars, verbrokkeld en anekdotisch van aard was, dat het onduidelijk was hoeveel arrestanten er in voorarrest verbleven of voorwaardelijk waren vrijgelaten en in hoeveel gevallen er een rechtszaak was geïnitieerd, als ook dat de bronnen de gestelde afname in intensiteit van de vervolging van Gülenisten niet nader konden onderbouwen met concrete gegevens. De informatie die echter wél concreet in het AAB 2023 staat vermeld, is naar het oordeel van de rechtbank voldoende om de per 1 december 2023 gewijzigde tekst van het beleid en daarop gegeven toelichting te dragen. Volgens de landeninformatie komt vervolging van Gülenisten nog steeds op grote schaal voor. Het AAB 2023 vermeldt daarover dat gedurende de voorgaande twee verslagperiodes met regelmaat arrestaties op grotere of kleine schaal plaatsvonden van Gülenisten en dat deze situatie hetzelfde is gebleven. Uit de landeninformatie kan evenwel niet worden afgeleid dat de situatie voor Gülenisten dusdanig is dat – ook bij het ontbreken van geringe indicaties – vrij snel een risico op vervolging moet worden aangenomen. Dit zou in feite neerkomen op het aannemen van groepsvervolging, waarbij het enkele behoren tot de groep van Gülenisten al voldoende is om vrees voor vervolging aan te nemen. Daarvan is alleen sprake als Gülenisten systematisch worden blootgesteld aan vervolging. De rechtbank ziet in het AAB 2023, maar ook in de door eiser ingebrachte informatie, geen aanleiding om aan te nemen dat daarvan sprake is. Daarbij is van belang dat er in Turkije volgens het AAB 2023 meer rechterlijke bescherming voor Gülen-aanhangers is dan voorheen. De verschillende criteria die konden leiden tot de negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten, zoals het hebben gehad van een bankrekening bij Bank Asya en het hebben gedownload van de ByLock-app, gelden volgens het AAB 2023 nog steeds, maar het gebruik daarvan is in jurisprudentie aangescherpt. Gewezen wordt op diverse uitspraken van het Turkse Constitutioneel Hof en het Hof van Cassatie.\n\n8.4.. De door eiser ingebrachte landeninformatie wijkt in essentie niet af van de informatie in het AAB 2023. Eiser beroept zich op een stuk van J. Vande Lanotte.Daarin staat dat de vermindering in het aantal gerechtelijke acties en detenties deels te verklaren valt door de omstandigheid dat veel mensen zijn veroordeeld of zijn gevlucht. Dit staat ook zo in het AAB 2023.Volgens Vande Lanotte zijn de kansen op vervolging niet afgenomen en gaat het nog steeds om 3000 à 4000 zaken per jaar. Dit laatste aantal acht de rechtbank, gezien de in het AAB 2023 vermelde cijfers, laag. Het bevestigt dan ook dat de intensiteit van de vervolging is afgenomen, zoals het AAB 2023 vermeldt, en niet dat de kansen op vervolging niet zijn afgenomen, zoals Vande Lanotte schrijft en eiser stelt. Volgens de Finse informatie over Turkijewaarop eiser zich beroept, is nog steeds sprake van dezelfde vervolgingscriteria die eerder golden. Dit staat ook zo in het AAB 2023.Verder staat in de Finse informatie dat Turkse rechters geen uitvoering geven aan uitspraken van hogere rechters, er nog steeds sprake is van extreme willekeur voor vervolging en worden personen voor een tweede keer vervolgd, ondanks eerdere vrijspraak. Deze informatie stemt ook overeen met het AAB 2023. Daarin staat namelijk dat gezien de omvang van de Gülen-beweging in het verleden niet altijd duidelijk was hoe de Turkse autoriteiten beslisten welke Gülen-aanhangers dienden te worden opgepakt, dat het beantwoorden van de vraag welke Gülenisten het meeste risico liepen werd bemoeilijkt door meerdere omstandigheden en dat mensen, ondanks de ontwikkelingen in de rechtsgang, nog steeds relatief makkelijk konden worden verdacht van de betrokkenheid bij de Gülen-beweging.Dit alles wijst erop dat Gülenisten nog steeds het doelwit zijn van arrestaties en strafrechtelijke en andersoortige vervolging door de Turkse autoriteiten als ook dat onduidelijk is op welke gronden zij dat zijn. Het doet echter niet af aan de in de vorige paragraaf vermelde verbeterde rechtsbescherming door hogere rechterlijke instanties. Het leidt er ook niet toe dat sprake is van groepsvervolging van Gülenisten.\n\n8.5.. Na de zitting is het Algemeen ambtsbericht Turkije van februari 2025 (AAB 2025) gepubliceerd. Partijen hebben hier inhoudelijk op gereageerd. Het beeld in het AAB 2025 is voor wat betreft Gülenisten niet relevant gewijzigd ten opzichte van het eerdere ambtsbericht. Zo staat in het AAB 2025 dat de situatie omschreven in AAB 2023 voortduurt. De aantallen strafrechtelijke onderzoeken en vervolgingen van Gülenisten waren relatief laag in vergelijking met de situatie vóór 2020. Volgens Turkse overheidsgegevens over juli 2024 zette de dalende trend in aantallen arrestaties en detenties door: van 19.252 in juli 2022 naar 13.251 in juli 2024. Ook het aantal opgepakte Gülenisten nam af: van 22.458 in 2021 naar 9.639 in 2023. Anderzijds blijkt uit het AAB 2025 dat de vervolging van Gülenisten doorging. Mensen konden nog steeds relatief gemakkelijk worden verdacht van betrokkenheid bij de Gülenbeweging. Bronnen omschrijven de vervolging als extreem willekeurig en onvoorspelbaar.De criteria die werden gebruikt voor vervolging, zoals het hebben van een bankrekening bij Bank Asya of het gebruik van de ByLock-app, bleven ook van kracht.Daarbij komt dat sommige lagere rechtbanken, ondanks de aanscherpingen in de rechtspraak van het gebruik van de criteria, de uitspraken van hogere rechtbanken naast zich neerlegden. Er werd aldus niet eenduidig omgegaan met Gülenzaken.Deze onzekerheid doet echter niet af aan de afname van de vervolging van Gülenisten. Er blijkt uit deze informatie niet dat het enkele behoren tot de groep van Gülenisten al voldoende is om een vrees voor vervolging aan te nemen. Daarvoor zijn de aantallen van vervolgde Gülenisten nu te laag.\n\n8.6.. De rechtbank concludeert dat de situatie voor Gülenisten in Turkije zorgelijk is, maar niet zodanig dat verweerder méér bescherming diende te bieden dan hij met de beleidswijziging per 1 december 2023 heeft gedaan. Het risico dat zij lopen is, mede gezien de Turkse rechtsbescherming, niet zo hoog dat vrees op vervolging gegrond is of een reëel risico op ernstige schade wordt gelopen alleen vanwege het aangemerkt worden als Gülen-aanhanger. Gezien de over Turkije bekende informatie behoeft per 1 december 2023 geen verdergaande bescherming te worden geboden aan mogelijke of werkelijke Gülen-aanhangers dan uit dit beleid volgt.\n\n8.7.. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nIs de wijziging van risicogroep\u002Fkwetsbare minderheidsgroep naar risicoprofiel per 1 juli 2024 niet onredelijk?\n\nDe beleidswijziging per 1 juli 2024\n\n9. Volgens het landenbeleid ten aanzien van Turkije, zoals dat gold ten tijde van het bestreden besluit als ook heden, is de groep “(toegedichte) Gülen-aanhangers” aangemerkt als een risicoprofiel in de zin van paragraaf C2\u002F2.4 van de Vc. Vóór 1 juli 2024 gold dat sprake was van een risicogroep in de zin van paragraaf C2\u002F3.2.\n\n9.1.. De beleidswijziging geldt ten aanzien van alle gevallen waarvoor verweerder vóór 1 juli 2024 het begrip risicogroep of kwetsbare minderheidsgroep hanteerde. Volgens de toelichting op de beleidswijzigingkonden binnen het oude groepenbeleid zowel groepen die groot als groepen die een kleiner risico liepen worden aangewezen, terwijl voor beide groepen dezelfde lagere bewijslast gold. Tevens gold de lagere bewijslast voor alle vreemdelingen die behoorden tot de betreffende groep, los van hun positie binnen deze groep, ook al kon het risico blootgesteld te worden aan vervolging\u002Fernstige schade binnen diezelfde groep verschillen. Gewenst was om meer gewicht te geven aan de individuele beoordeling, aldus de toelichting. Naar aanleiding hiervan is paragraaf C2\u002F2.4 van de Vc ingevoerd.Daarin staat nu dat op basis van landeninformatie een groep als risicoprofiel kan worden aangewezen als sprake is van een meer structurele en minder incidentele wijze waarop een groep in de negatieve aandacht staat van de autoriteiten dan wel derden tegen wie geen (doeltreffende) bescherming door de autoriteiten van het land van herkomst of door internationale organisaties kan worden geboden. Voor de vreemdeling die behoort tot een groep waarvoor in algemene zin een risicoprofiel is aangewezen, blijft het individualiseringsvereiste gelden en geldt er geen aangepaste bewijslastverdeling. Aan de hand van de individuele omstandigheden zoals de persoonlijke omstandigheden, de verrichte activiteiten en eventuele eerdere gebeurtenissen, beoordeelt de IND of de vreemdeling gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade loopt of heeft gelopen, aldus staat in paragraaf C2\u002F2.4. van de Vc.\n\nIs de wijziging van het beleid per 1 juli 2024 niet onredelijk?\n\n10. Volgens eiser is de vervanging van het begrip ‘risicogroep’ in risicoprofiel in strijd met het recht, in het bijzonder het Europese recht. Eiser doet een beroep op arresten van het Europees Hof voor de rechten van de Mensen een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie.Daarnaast voert eiser aan dat de beleidswijziging in strijd is met landeninformatie over Turkije. Daarom, zo stelt eiser, mag de wijziging per 1 juli 2024 niet aan eiser worden tegengeworpen.\n\n10.1.. Verweerder heeft dit alles bestreden. Het beleidsmatige voordeel voor vreemdelingen op grond van het beleid voor 1 juli 2024 is volgens verweerder weggenomen. De bewijslastverdeling is echter niet gewijzigd, aldus verweerder.\n\n10.2.. De rechtbank volgt eiser niet en overweegt daarbij het volgende.\n\n10.3.. Onder het voorheen geldende beleid voor risicogroepen kon de vreemdeling die behoorde tot een dergelijke groep met geringe indicaties aannemelijk maken dat zijn problemen - die verband houden met één van de vervolgingsgronden - leiden tot een gegronde vrees voor vervolging. Ook in dat beleid bleef dus het individualiseringsvereiste van toepassing. Het behoren tot een risicogroep betekende niet zonder meer dat de aanvrager in aanmerking kwam voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Ook in het huidige beleid leidt het behoren tot een bepaalde groep, en op grond daarvan aangemerkt worden als iemand met een bepaald risicoprofiel, niet zonder meer tot verlening van een verblijfsvergunning.\n\n10.4.. De rechtbank begrijpt het huidige beleid zó, dat eerst gekeken wordt of op de vreemdeling een bepaald risicoprofiel van toepassing is, waarna vervolgens de individuele omstandigheden worden beoordeeld tegen het licht van dat risicoprofiel. In beide gevallen speelt het individualiseringsvereiste dus een doorslaggevende rol. Wat betreft de stelling van eiser dat de bewijslast met het nieuwe beleid zwaarder is geworden, overweegt de rechtbank dat de op eiser rustende bewijslast niet volgt uit het beleid maar uit het Unierecht. Die bewijslast is niet aangepast met het nieuwe beleid. Wel is het zo dat in het beleid dat ten tijde van de aanvraag van eiser gold, gevergd werd dat geringe indicaties aannemelijk werden gemaakt die de vrees voor vervolging rechtvaardigde. Het beleid vergt thans meer dan geringe indicaties. Dit betekent dat vanuit beleidsmatig oogpunt een zwaardere bewijslast geldt. Maar de vreemdeling moet nog steeds met op hem betrekking hebbende factoren aannemelijk maken dat - ook al behoort hij tot een door verweerder aangemerkte risicoprofiel - een gegronde vrees heeft voor vervolging.\n\n10.5.. Het standpunt van eiser dat de beleidswijziging specifiek ten aanzien van Turkije onredelijk is, heeft hij onvoldoende onderbouwd. Eiser dient meer dan geringe indicaties aan te voeren om aannemelijk te maken dat hij terecht vreest voor vervolging of bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade loopt. De landeninformatie wijst er niet op zich al op dat los van de individuele omstandigheden hieraan wordt voldaan. De landeninformatie over Turkije biedt immers geen aanleiding om te oordelen dat eisers vrees voor vervolging terecht is of dat hij een reëel risico op ernstige schade loopt alleen vanwege het aangemerkt worden als Gülen-aanhanger (zie 8.3 tot en met 8.5 hiervoor).\n\n10.6.. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nHeeft eiser recht op internationale bescherming omdat verweerder eerder had moeten beslissen?\n\n11. Volgens eiser zou, als verweerder tijdig zou hebben besloten op zijn aanvraag, beide beleidswijzigingen niet van toepassing zijn geweest en zou hij een positieve beslissing hebben gekregen. Daarom mogen de beide beleidswijzigingen hem niet worden tegengeworpen, aldus eiser. Verweerder heeft dit bestreden.\n\n11.1.. Eiser gaat ervan uit dat verweerder op zijn aanvraag had moeten besluiten vóór 1 december 2023. Los van de vraag of dat klopt, volgt de rechtbank eisers standpunt niet. De rechtbank stelt daarbij voorop dat als algemeen uitgangspunt geldt dat bij het nemen van een besluit het recht wordt toegepast zoals dat op dat moment geldt. Dit geldt ook voor beleidsregels. Alleen in het geval van bijzondere omstandigheden kan van dit uitgangspunt worden afgeweken. De enkele omstandigheid dat eiser door toepassing van nieuw recht mogelijk in een ongunstiger positie komt, is daarvoor onvoldoende. Verweerder heeft ter zitting uitgelegd dat de aanvraag door drukte is blijven liggen. Ook het feit dat verweerder laat, en pas na een beleidswijziging, op de aanvraag heeft beslist, leidt niet tot het oordeel dat sprake is van een bijzondere omstandigheid. Dit geldt immers voor meer vreemdelingen bij wie pas (ruim) na het verstrijken van de beslistermijn een besluit is genomen op hun aanvraag.\n\n11.2.. Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank eiser niet in de stelling dat verweerder zijn aanvraag had moeten toetsen zonder toepassing van de twee beleidswijzigingen. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nHeeft eiser op grond van zijn individuele omstandigheden recht op internationale bescherming?\n\n12. Eiser stelt dat hij – uitgaande van het door verweerder toegepaste beoordelingskader – gegronde vrees voor vervolging heeft en een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer. Hij wijst in dat kader op zijn persoonlijke situatie, het feit dat hij onder een risicoprofiel valt en de landeninformatie over Turkije.\n\n12.1.. De rechtbank begrijpt, mede gelet op het ter zitting gestelde, dat verweerder stelt dat er bij terugkeer weliswaar een kans is op vervolging of enig risico bestaat op ernstige schade, maar dat die kans of dat risico niet zo hoog is dat aannemelijk is dat eiser bij terugkeer naar Turkije zal worden vervolgd of aan ernstige schade blootgesteld zal worden.\n\n12.2.. De rechtbank volgt verweerder. Niet aannemelijk is dat eiser opnieuw in de negatieve aandacht staat van de Turkse autoriteiten of de reële kans loopt om opnieuw daarin te komen staan vanwege betrokkenheid bij de Gülen-beweging. De algemene informatie over Turkije en de daaruit blijkende situatie voor Gülenisten is onvoldoende ernstig om aan te nemen dat eiser door zijn betrokkenheid bij de Gülen-beweging alleen al in de persoonlijke problemen zal geraken. Ter toelichting dient het volgende.\n\n12.3.. Eiser valt onder een risicoprofiel. Dit betekent dat, zoals hiervoor overwogen, de bewijslast in beginsel geheel blijft rusten op eiser.\n\n12.4.. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat er geen indicaties zijn dat er een onderzoek loopt naar eiser of dat hij wordt gezocht door de Turkse autoriteiten. Dat hij op Gülenscholen heeft gezeten, is onvoldoende. Uit landeninformatie blijkt dat sommigen hierdoor in de problemen zijn geraakt, maar niet dat iedereen wordt vervolgd of een reëel risico op ernstige schade loopt. Verweerder heeft hierbij terecht tegengeworpen dat eisers oudere broer, die ook op Gülen-scholen heeft gezeten en wiens naam ook stond vermeld op de tenlastelegging van eisers vader, geen problemen heeft ondervonden met de Turkse overheid. Dat eiser naar eigen zeggen actiever was voor de beweging dan zijn broer, maakt dit niet anders. Niet gebleken is verder dat de Turkse overheid op de hoogte is of moet zijn van eisers actieve deelname aan sobhets.\n\n12.5.. Dat eisers vader strafrechtelijk is vervolgd en enige tijd in de gevangenis heeft gezeten, betekent niet dat eiser gegronde vrees heeft voor of een reëel risico op ernstige schade loopt vanwege de Turkse autoriteiten. Verweerder heeft mogen tegenwerpen dat dit volgens landeninformatiewel geldt voor familieleden van hooggeplaatste Gülenisten, terwijl eisers vader dat niet is. Uit die landeninformatie blijkt ook dat eiser als familielid van een vermeende Gülenist in het maatschappelijk verkeer en de arbeidsmarkt problemen kan ondervinden. Dit stemt overeen met de verklaringen van eiser zelf over zijn sociale problemen. Het is echter onvoldoende om vervolging of een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. Daarbij is relevant dat, zoals verweerder terecht heeft gesteld, eiser wel toegang had tot onderwijs en zorg.\n\n12.6.. Dat eiser geld heeft overgemaakt aan zijn vader toen hij in detentie zat, is ook niet genoeg. Weliswaar staat in het AAB 2025 dat onder andere burgers die gevangengezette familieleden, vrienden en collega’s en\u002Fof hun familieleden hielpen, in de negatieve belangstelling stonden van de Turkse overheid. De Turkse autoriteiten verdachten personen die gevangengezette Gülenisten en\u002Fof hun families ondersteunden van het ‘herstructureren’ van de Gülenbeweging.Echter, het is al een aantal jaren geleden dat dit is gebeurd en niet gebleken is dat de Turkse autoriteiten hiervan op de hoogte zijn.\n\n12.6.. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n13. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen recht heeft op een asielvergunning. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, voorzitter, en mr. M. Kraefft en mr. H. Battjes, leden, in aanwezigheid van mr. S.R.N. Parlevliet, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Vreemdelingenwet 2000\n\n NL24.35417 (de zoon van eiser) en NL24.32341.\n\n Zie NL24.35416.\n\n Vreemdelingencirculaire 2000.\n\n Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:377.\n\n WBV 2021\u002F16 van 4 augustus 2021.\n\n Brief aan de Tweede Kamer van 28 november 2023, 2023-2024, 19637, nr. 3177, en Nota Landenbeleid Turkije van 11 augustus 2023, 4839506.\n\n Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 24 november 2023, WBV 2023\u002F24, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, Staatscourant 2023, 30427.\n\n Nota van 11 augustus 2023, hiervoor aangehaald.\n\n “Is there a changing trend in the persecution of the (alleged) members of the Gülen movement?”, 1 juni 2024.\n\n AAB 2023, paragraaf 4.2.\n\n AAB 20223, paragraaf 4.2 en 4.3.\n\n “Turkey; Individuals associated with the Gülen movement; The Finnish Immigration Service’s fact-finding mission to Ankara and Istanbul 2 – 6 October 2023”, juni 2024.\n\n AAB 2023, paragraaf 4.3.\n\n AAB 2023, paragraaf 4.3.\n\n AAB 2025, p. 50.\n\n AAB 2025, paragraaf 4.2 en 4.3.\n\n AAB 2025, paragraaf 4.4.\n\n Paragraaf C7\u002F34.3 Vc.\n\n Brief aan de Tweede Kamer van maart 2024, vergaderjaar 2023–2024, 19 637, nr. 321.\n\n Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 13 juni 2024, nummer WBV 2024\u002F12, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000.\n\n Arrest van 15 januari 2015, A.A. tegen Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2015:0115JUD001803911, arrest van 15 januari 2015, A.F. tegen Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2015:0115JUD008008613, arrest van 11 januari 2007, Salah Sheekh tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2007:0111JUD000194804.\n\n Arrest van 12 april 2018, A en S, ECLI:EU:C:2018:248.\n\n AAB 2025, p. 52.\n\n AAB 2025, p. 49.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:23344","2025-12-09T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:26.894Z",{"id":73,"ecli":74,"slug":75,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":67,"fullText":76,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":77,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":51,"updatedAt":78},"383","ECLI:NL:RBDHA:2025:23341","ecli-nl-rbdha-2025-23341","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL24.35416\n uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [nummer]\n\n(gemachtigde: mr. E. Arslan),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. S.M. Deniz).\n\nSamenvatting\n\n1. Eiser komt uit Turkije. Hij is betrokken geweest bij de Gülen-beweging. Daardoor heeft hij eerder in Turkije in de gevangenis gezeten, maar hij is vrijgesproken. Hij is daarna naar Nederland gekomen en heeft een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft die aanvraag afgewezen. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Per 1 december 2023 is het Nederlandse beleid voor asielaanvragen van Gülen-aanhangers strenger geworden. Per 1 juli 2024 is het beleid voor groepen zoals Gülen-aanhangers, nog strenger geworden. De asielaanvraag van eiser is ruim voor beide beleidswijzigingen ingediend. De rechtbank oordeelt dat beide wijzigingen in het beleid niet onredelijk zijn. Ook mocht verweerder bij de beslissing op de asielaanvraag uitgaan van het nieuwe beleid. Op grond van de informatie over Turkije en de individuele situatie van eiser mocht verweerder de asielaanvraag van eiser afwijzen. Eerder is eiser namelijk vrijgesproken in verband met zijn activiteiten voor de Gülen-beweging. Er zijn nu geen aanwijzingen dat hij opnieuw in de negatieve aandacht staat van de Turkse autoriteiten.\n\n1.2.. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Onder 2 is het verloop van deze procedure weergegeven. Vanaf 3 zijn de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit en het bestreden besluit zelf beschreven. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser heeft op 13 januari 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vwingediend. Hij heeft de Turkse nationaliteit en is geboren op [datum] 1977. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 4 september 2024 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.\n\n2.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\n2.2.. \n\nDe rechtbank heeft het beroep behandeld op zitting op 29 oktober 2024. Hieraan hebben eiser en zijn gemachtigde en namens verweerder mr. A.T.M. Vroom-van Berckel deelgenomen. De rechtbank heeft het onderzoek op zitting gesloten.\n\nDaarna is het onderzoek heropend en is de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.\n\n2.3.. De meervoudige kamer van de rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Het beroep is ter zitting gelijktijdig behandeld met de beroepen van twee andere Turkse vreemdelingen tegen de beslissing op hun asielaanvragen.\n\nFeiten en omstandigheden\n\nHet asielrelaas\n\n3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag.\n\n3.1.. Eiser is betrokken geweest bij de Gülen-beweging. In Turkije heeft hij lesgegeven op een zogenoemde Gülen-school. Hij was ook adjunct-directeur van die school. Daarnaast was hij plaatsvervangend bestuurder bij een onderwijsvakbond die gelieerd was aan de Gülen-beweging. Eiser had een bankrekening bij de bank Aysa en zijn kinderen gingen naar Gülen-scholen.\n\n3.1.. Na de couppoging in Turkije in 2016 hebben hij en zijn kinderen problemen ondervonden. Eiser is door de autoriteiten beschuldigd van betrokkenheid bij de Gülen-beweging. Hij is in september 2016 ontslagen. In oktober 2016 is hij gearresteerd, waarna hij zes dagen op het politiebureau werd vastgehouden in slechte omstandigheden. Zijn huis is doorzocht. Daarna heeft eiser ongeveer 9 maanden in de gevangenis gezeten. In juli 2017 is hij vrijgelaten in afwachting van zijn proces. De politie is meerdere keren bij eiser thuis aan de deur gekomen. Eiser is ook meerdere keren ondervraagd en hij moest regelmatig naar de rechtbank vanwege de tegen hem ingestelde rechtszaak. Eiser is uiteindelijk vrijgesproken van de aanklachten vanwege gebrek aan bewijs. Het hoger beroep tegen de vrijspraak is afgewezen. Het beroep in cassatie is in december 2023 ook afgewezen.\n\n3.2.. Eiser had een uitreisverbod tot de opheffing daarvan op 11 november 2022. Hij heeft vervolgens op 29 november 2022 een paspoort verkregen dankzij het feit dat zijn echtgenote een staatsambtenaar is. Op 13 januari 2023 is hij samen met één van zijn zonen naar Nederland gevlucht. Eisers echtgenote is in Turkije achtergebleven.\n\n3.3.. Eiser vreest opnieuw te worden vervolgd. Volgens hem zijn na de vrijspraak aan zijn dossier stukken toegevoegd die tot een nieuwe strafzaak tegen hem kunnen leiden. Ook is de politie, toen hij al in Nederland was, bij zijn huis in Turkije langs geweest.\n\nHet bestreden besluit\n\n4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante asielmotieven:\n\n1. de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;\n\n2. eisers betrokkenheid bij de Gülen-beweging en de rechtszaken die tegen hem hebben gelopen.\n\n4.1.. Verweerder acht beide asielmotieven geloofwaardig. Hij acht echter eisers vrees om opnieuw problemen te krijgen met de Turkse autoriteiten vanwege betrokkenheid bij de Gülen-beweging niet aannemelijk. Verweerder neemt daarbij in aanmerking dat eiser als Gülen-aanhanger valt onder het risicoprofiel genoemd in paragraaf C7\u002F34.3.2 van de Vc.Volgens verweerder heeft eiser echter niet aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt. Eiser staat niet meer in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten, aldus verweerder.4.2.. Tegen eiser is ook een terugkeerbesluit uitgevaardigd en hij moet Nederland binnen vier weken verlaten.\n\nGeschilpunten partijen\n\n5. Eiser heeft in beroep geageerd tegen twee wijzigingen in het beleid van verweerder ten aanzien van Turkije ten nadele van hem. Het betreft een wijziging per 1 december 2023 en één per 1 juli 2024. Volgens eiser zijn beide wijzigingen in strijd met het recht. Daarnaast heeft eiser gesteld dat verweerder niet tijdig heeft besloten op zijn aanvraag. Als verweerder dat wel had gedaan, waren beide beleidswijzigingen niet van toepassing geweest en had eiser internationale bescherming gekregen. Tot slot heeft eiser gesteld dat hij, ook als rekening wordt gehouden met de beide beleidswijzigingen, recht heeft op internationale bescherming.\n\n5.1.. Verweerder heeft dit alles weersproken en handhaaft zijn beslissing.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n6. De rechtbank bespreekt hierna de geschilpunten van partijen. Eerst zal de rechtbank toetsen of de twee beleidswijzigingen niet onredelijk zijn. Daarna zal de rechtbank oordelen over het standpunt dat eiser internationale bescherming moet krijgen omdat verweerder eerder had moeten beslissen op zijn aanvraag. Tenslotte zal worden ingegaan op de vraag of eiser op grond van zijn individuele omstandigheden een asielvergunning had moeten krijgen.6.1.. Met het bestreden besluit heeft verweerder ook een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Eiser heeft daartegen geen beroepsgronden aangevoerd. De rechtbank beoordeelt dat daarom niet.\n\nIs de strengere toets voor Gülen-aanhangers per 1 december 2023 niet onredelijk?\n\nDe beleidswijziging per 1 december 2023\n\n7. De groep “(toegedichte) Gülen-aanhangers” in Turkije werd als risicogroep aangemerkt. Bij de beoordeling van de vrees op vervolging werd rekening gehouden met het willekeurige karakter van het optreden van de Turkse autoriteiten jegens mogelijke aanhangers van de Gülen-beweging. Dit was het gevolg van een uitspraak van de Afdelingen het Algemeen Ambtsbericht Turkije van 31 oktober 2019. In de Vc was daartoe de volgende passage opgenomen:\n\n“Ten aanzien van (toegedichte) Gülen-aanhangers geldt aanvullend dat indien van geringe indicaties niet is gebleken, de IND de risico’s bij terugkeer beoordeelt in het licht van de diffuse en slechte situatie die gekenmerkt wordt door willekeur jegens (toegedichte) Gülen-aanhangers van de zijde van de Turkse autoriteiten.”\n\nDe passage leidde tot een ruimer beoordelingskader dan gebruikelijk bij risicogroepen. Ook zonder geringe indicaties werd al snel een risico op vervolging aangenomen.\n\n7.1.. Het hiervoor geciteerde beleid is per 1 december 2023 vervallen.Toegelicht is dat uit het Algemeen ambtsbericht Turkije van 31 augustus 2023 (hierna: AAB 2023) blijkt dat de intensiteit van de strafrechtelijke vervolging van mogelijke Gülen-aanhangers is afgenomen en dat de rechtspraak in Turkije strenger toetst als personen verdacht worden van het aanhangen van de Gülen-beweging. Als gevolg van deze twee ontwikkelingen is de willekeur die voorheen prominent een rol speelde bij strafrechtelijke vervolging van Gülenisten niet in dezelfde mate aan de orde, aldus de toelichting.\n\nIs de wijziging niet onredelijk?\n\n8. Volgens eiser is de wijziging van het beleid per 1 december 2023 onterecht omdat deze in strijd is met landeninformatie over Turkije. Daarom, zo stelt eiser, mag deze wijziging niet aan eiser worden tegengeworpen. Verweerder bestrijdt dit.\n\n8.1.. De rechtbank volgt eiser niet en overweegt daartoe het volgende.\n\n8.2.. Eiser heeft gesteld dat niet van de informatie in het AAB 2023 mag worden uitgegaan. Volgens eiser is het AAB 2023 beïnvloed door de onjuiste wijze van verkrijging daarvan, gezien de vraagstelling in de zogenoemde ‘Terms of Reference’ van 28 april 2023. Dit heeft eiser echter onvoldoende onderbouwd. Er is gevraagd om algemene en concrete informatie. De concreet gevraagde informatie betreft ook Gülenisten en rechtsbescherming van hen en anderen. Dit acht de rechtbank voldoende. De informatie in het AAB 2023 kan dus worden gebruikt voor de beoordeling van de situatie in Turkije per 1 december 2023.\n\n8.3.. Het AAB 2023 bevat weinig concrete informatie en er zijn meerdere voorbehouden in gemaakt. Zo staat er dat het lastig was om verifieerbare informatie te vinden over de situatie van (vermeende) Gülenisten in Turkije, dat de informatie over hun situatie schaars, verbrokkeld en anekdotisch van aard was, dat het onduidelijk was hoeveel arrestanten er in voorarrest verbleven of voorwaardelijk waren vrijgelaten en in hoeveel gevallen er een rechtszaak was geïnitieerd, als ook dat de bronnen de gestelde afname in intensiteit van de vervolging van Gülenisten niet nader konden onderbouwen met concrete gegevens. De informatie die echter wél concreet in het AAB 2023 staat vermeld, is naar het oordeel van de rechtbank voldoende om de per 1 december 2023 gewijzigde tekst van het beleid en daarop gegeven toelichting te dragen. Volgens de landeninformatie komt vervolging van Gülenisten nog steeds op grote schaal voor. Het AAB 2023 vermeldt daarover dat gedurende de voorgaande twee verslagperiodes met regelmaat arrestaties op grotere of kleine schaal plaatsvonden van Gülenisten en dat deze situatie hetzelfde is gebleven. Uit de landeninformatie kan evenwel niet worden afgeleid dat de situatie voor Gülenisten dusdanig is dat – ook bij het ontbreken van geringe indicaties – vrij snel een risico op vervolging moet worden aangenomen. Dit zou in feite neerkomen op het aannemen van groepsvervolging, waarbij het enkele behoren tot de groep van Gülenisten al voldoende is om vrees voor vervolging aan te nemen. Daarvan is alleen sprake als Gülenisten systematisch worden blootgesteld aan vervolging. De rechtbank ziet in het AAB 2023, maar ook in de door eiser ingebrachte informatie, geen aanleiding om aan te nemen dat daarvan sprake is. Daarbij is van belang dat er in Turkije volgens het AAB 2023 meer rechterlijke bescherming voor Gülen-aanhangers is dan voorheen. De verschillende criteria die konden leiden tot de negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten, zoals het hebben gehad van een bankrekening bij Bank Asya en het hebben gedownload van de ByLock -app, gelden volgens het AAB 2023 nog steeds, maar het gebruik daarvan is in jurisprudentie aangescherpt. Gewezen wordt op diverse uitspraken van het Turkse Constitutioneel Hof en het Hof van Cassatie.\n\n8.4.. De door eiser ingebrachte landeninformatie wijkt in essentie niet af van de informatie in het AAB 2023. Eiser beroept zich op een stuk van J. Vande Lanotte.Daarin staat dat de vermindering in het aantal gerechtelijke acties en detenties deels te verklaren valt door de omstandigheid dat veel mensen zijn veroordeeld of zijn gevlucht. Dit staat ook zo in het AAB 2023.Volgens Vande Lanotte zijn de kansen op vervolging niet afgenomen en gaat het nog steeds om 3000 à 4000 zaken per jaar. Dit laatste aantal acht de rechtbank, gezien de in het AAB 2023 vermelde cijfers, laag. Het bevestigt dan ook dat de intensiteit van de vervolging is afgenomen, zoals het AAB 2023 vermeldt, en niet dat de kansen op vervolging niet zijn afgenomen, zoals Vande Lanotte schrijft en eiser stelt. Volgens de Finse informatie over Turkijewaarop eiser zich beroept, is nog steeds sprake van dezelfde vervolgingscriteria die eerder golden. Dit staat ook zo in het AAB 2023.Verder staat in de Finse informatie dat Turkse rechters geen uitvoering geven aan uitspraken van hogere rechters, er nog steeds sprake is van extreme willekeur voor vervolging en worden personen voor een tweede keer vervolgd, ondanks eerdere vrijspraak. Deze informatie stemt ook overeen met het AAB 2023. Daarin staat namelijk dat gezien de omvang van de Gülen-beweging in het verleden niet altijd duidelijk was hoe de Turkse autoriteiten beslisten welke Gülen-aanhangers dienden te worden opgepakt, dat het beantwoorden van de vraag welke Gülenisten het meeste risico liepen werd bemoeilijkt door meerdere omstandigheden en dat mensen, ondanks de ontwikkelingen in de rechtsgang, nog steeds relatief makkelijk konden worden verdacht van de betrokkenheid bij de Gülen-beweging.Dit alles wijst erop dat Gülenisten nog steeds het doelwit zijn van arrestaties en strafrechtelijke en andersoortige vervolging door de Turkse autoriteiten als ook dat onduidelijk is op welke gronden zij dat zijn. Het doet echter niet af aan de in de vorige paragraaf vermelde verbeterde rechtsbescherming door hogere rechterlijke instanties. Het leidt er ook niet toe dat sprake is van groepsvervolging van Gülenisten.\n\n8.5.. Na de zitting is het Algemeen ambtsbericht Turkije van februari 2025 (AAB 2025) gepubliceerd. Partijen hebben hier inhoudelijk op gereageerd. Het beeld in het AAB 2025 is voor wat betreft Gülenisten niet relevant gewijzigd ten opzichte van het eerdere ambtsbericht. Zo staat in het AAB 2025 dat de situatie omschreven in AAB 2023 voortduurt. De aantallen strafrechtelijke onderzoeken en vervolgingen van Gülenisten waren relatief laag in vergelijking met de situatie vóór 2020. Volgens Turkse overheidsgegevens over juli 2024 zette de dalende trend in aantallen arrestaties en detenties door: van 19.252 in juli 2022 naar 13.251 in juli 2024. Ook het aantal opgepakte Gülenisten nam af: van 22.458 in 2021 naar 9.639 in 2023. Anderzijds blijkt uit het AAB 2025 dat de vervolging van Gülenisten doorging. Mensen konden nog steeds relatief gemakkelijk worden verdacht van betrokkenheid bij de Gülenbeweging. Bronnen omschrijven de vervolging als extreem willekeurig en onvoorspelbaar.De criteria die werden gebruikt voor vervolging, zoals het hebben van een bankrekening bij Bank Asya of het gebruik van de ByLock -app, bleven ook van kracht.Daarbij komt dat sommige lagere rechtbanken, ondanks de aanscherpingen in de rechtspraak van het gebruik van de criteria, de uitspraken van hogere rechtbanken naast zich neerlegden. Er werd aldus niet eenduidig omgegaan met Gülenzaken.Deze onzekerheid doet echter niet af aan de afname van de vervolging van Gülenisten. Er blijkt uit deze informatie niet dat het enkele behoren tot de groep van Gülenisten al voldoende is om een vrees voor vervolging aan te nemen. Daarvoor zijn de aantallen van vervolgde Gülenisten nu te laag.\n\n8.6.. De rechtbank concludeert dat de situatie voor Gülenisten in Turkije zorgelijk is, maar niet zodanig dat verweerder méér bescherming diende te bieden dan hij met de beleidswijziging per 1 december 2023 heeft gedaan. Het risico dat zij lopen is, mede gezien de Turkse rechtsbescherming, niet zo hoog dat vrees op vervolging gegrond is of een reëel risico op ernstige schade wordt gelopen alleen vanwege het aangemerkt worden als Gülen-aanhanger. Gezien de over Turkije bekende informatie behoeft per 1 december 2023 geen verdergaande bescherming te worden geboden aan mogelijke of werkelijke Gülen-aanhangers dan uit dit beleid volgt.\n\n8.7.. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nIs de wijziging van risicogroep\u002Fkwetsbare minderheidsgroep naar risicoprofiel per 1 juli 2024 niet onredelijk?\n\nDe beleidswijziging per 1 juli 2024\n\n9. Volgens het landenbeleid ten aanzien van Turkije, zoals dat gold ten tijde van het bestreden besluit als ook heden, is de groep “(toegedichte) Gülen-aanhangers” aangemerkt als een risicoprofiel in de zin van paragraaf C2\u002F2.4 van de Vc. Vóór 1 juli 2024 gold dat sprake was van een risicogroep in de zin van paragraaf C2\u002F3.2.\n\n9.1.. De beleidswijziging geldt ten aanzien van alle gevallen waarvoor verweerder vóór 1 juli 2024 het begrip risicogroep of kwetsbare minderheidsgroep hanteerde. Volgens de toelichting op de beleidswijzigingkonden binnen het oude groepenbeleid zowel groepen die groot als groepen die een kleiner risico liepen worden aangewezen, terwijl voor beide groepen dezelfde lagere bewijslast gold. Tevens gold de lagere bewijslast voor alle vreemdelingen die behoorden tot de betreffende groep, los van hun positie binnen deze groep, ook al kon het risico blootgesteld te worden aan vervolging\u002Fernstige schade binnen diezelfde groep verschillen. Gewenst was om meer gewicht te geven aan de individuele beoordeling, aldus de toelichting. Naar aanleiding hiervan is paragraaf C2\u002F2.4 van de Vc ingevoerd.Daarin staat nu dat op basis van landeninformatie een groep als risicoprofiel kan worden aangewezen als sprake is van een meer structurele en minder incidentele wijze waarop een groep in de negatieve aandacht staat van de autoriteiten dan wel derden tegen wie geen (doeltreffende) bescherming door de autoriteiten van het land van herkomst of door internationale organisaties kan worden geboden. Voor de vreemdeling die behoort tot een groep waarvoor in algemene zin een risicoprofiel is aangewezen, blijft het individualiseringsvereiste gelden en geldt er geen aangepaste bewijslastverdeling. Aan de hand van de individuele omstandigheden zoals de persoonlijke omstandigheden, de verrichte activiteiten en eventuele eerdere gebeurtenissen, beoordeelt de IND of de vreemdeling gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade loopt of heeft gelopen, aldus staat in paragraaf C2\u002F2.4. van de Vc.\n\nIs de wijziging van het beleid per 1 juli 2024 niet onredelijk?\n\n10. Volgens eiser is de vervanging van het begrip ‘risicogroep’ in risicoprofiel in strijd met het recht, in het bijzonder het Europese recht. Eiser doet een beroep op arresten van het Europees Hof voor de rechten van de Mensen een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie.Daarnaast voert eiser aan dat de beleidswijziging in strijd is met landeninformatie over Turkije. Daarom, zo stelt eiser, mag de wijziging per 1 juli 2024 niet aan eiser worden tegengeworpen.\n\n10.1.. Verweerder heeft dit alles bestreden. Het beleidsmatige voordeel voor vreemdelingen op grond van het beleid voor 1 juli 2024 is volgens verweerder weggenomen. De bewijslastverdeling is echter niet gewijzigd, aldus verweerder.\n\n10.2.. De rechtbank volgt eiser niet en overweegt daarbij het volgende.\n\n10.3.. Onder het voorheen geldende beleid voor risicogroepen kon de vreemdeling die behoorde tot een dergelijke groep met geringe indicaties aannemelijk maken dat zijn problemen - die verband houden met één van de vervolgingsgronden - leiden tot een gegronde vrees voor vervolging. Ook in dat beleid bleef dus het individualiseringsvereiste van toepassing. Het behoren tot een risicogroep betekende niet zonder meer dat de aanvrager in aanmerking kwam voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Ook in het huidige beleid leidt het behoren tot een bepaalde groep, en op grond daarvan aangemerkt worden als iemand met een bepaald risicoprofiel, niet zonder meer tot verlening van een verblijfsvergunning.\n\n10.4.. De rechtbank begrijpt het huidige beleid zó, dat eerst gekeken wordt of op de vreemdeling een bepaald risicoprofiel van toepassing is, waarna vervolgens de individuele omstandigheden worden beoordeeld tegen het licht van dat risicoprofiel. In beide gevallen speelt het individualiseringsvereiste dus een doorslaggevende rol. Wat betreft de stelling van eiser dat de bewijslast met het nieuwe beleid zwaarder is geworden, overweegt de rechtbank dat de op eiser rustende bewijslast niet volgt uit het beleid maar uit het Unierecht. Die bewijslast is niet aangepast met het nieuwe beleid. Wel is het zo dat in het beleid dat ten tijde van de aanvraag van eiser gold, gevergd werd dat geringe indicaties aannemelijk werden gemaakt die de vrees voor vervolging rechtvaardigde. Het beleid vergt thans meer dan geringe indicaties. Dit betekent dat vanuit beleidsmatig oogpunt een zwaardere bewijslast geldt. Maar de vreemdeling moet nog steeds met op hem betrekking hebbende factoren aannemelijk maken dat - ook al behoort hij tot een door verweerder aangemerkte risicoprofiel - een gegronde vrees heeft voor vervolging.\n\n10.5.. Het standpunt van eiser dat de beleidswijziging specifiek ten aanzien van Turkije onredelijk is, heeft hij onvoldoende onderbouwd. Eiser dient meer dan geringe indicaties aan te voeren om aannemelijk te maken dat hij terecht vreest voor vervolging of bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade loopt. De landeninformatie wijst er niet op zich al op dat los van de individuele omstandigheden hieraan wordt voldaan. De landeninformatie over Turkije biedt immers geen aanleiding om te oordelen dat eisers vrees voor vervolging terecht is of dat hij een reëel risico op ernstige schade loopt alleen vanwege het aangemerkt worden als Gülen-aanhanger (zie 8.3 tot en met 8.5 hiervoor).\n\n10.6.. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nHeeft eiser recht op internationale bescherming omdat verweerder eerder had moeten beslissen?\n\n11. Volgens eiser zou, als verweerder tijdig zou hebben besloten op zijn aanvraag, beide beleidswijzigingen niet van toepassing zijn geweest en zou hij een positieve beslissing hebben gekregen. Daarom mogen de beide beleidswijzigingen hem niet worden tegengeworpen, aldus eiser. Verweerder heeft dit bestreden.\n\n11.1.. Eiser gaat ervan uit dat verweerder op zijn aanvraag had moeten besluiten vóór 1 december 2023. Los van de vraag of dat klopt, volgt de rechtbank eisers standpunt niet. De rechtbank stelt daarbij voorop dat als algemeen uitgangspunt geldt dat bij het nemen van een besluit het recht wordt toegepast zoals dat op dat moment geldt. Dit geldt ook voor beleidsregels. Alleen in het geval van bijzondere omstandigheden kan van dit uitgangspunt worden afgeweken. De enkele omstandigheid dat eiser door toepassing van nieuw recht mogelijk in een ongunstiger positie komt, is daarvoor onvoldoende. Verweerder heeft ter zitting uitgelegd dat de aanvraag door drukte is blijven liggen. Ook het feit dat verweerder laat, en pas na een beleidswijziging, op de aanvraag heeft beslist, leidt niet tot het oordeel dat sprake is van een bijzondere omstandigheid. Dit geldt immers voor meer vreemdelingen bij wie pas (ruim) na het verstrijken van de beslistermijn een besluit is genomen op hun aanvraag.\n\n11.2.. Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank eiser niet in de stelling dat verweerder zijn aanvraag had moeten toetsen zonder toepassing van de twee beleidswijzigingen. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nHeeft eiser op grond van zijn individuele omstandigheden recht op internationale bescherming?\n\n12. Eiser stelt dat hij – uitgaande van het door verweerder toegepaste beoordelingskader – gegronde vrees voor vervolging heeft en een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer. Hij wijst in dat kader op zijn persoonlijke situatie, het feit dat hij onder een risicoprofiel valt en de landeninformatie over Turkije. Eiser heeft verder gewezen op zijn eerdere ervaringen in Turkije, dat bepaalde stukken niet zijn meegenomen in de strafrechtelijke procedure, dat hij als verdachte verhoord is op 23 maart 2022 over zijn werkzaamheden voor de vakbond, dat in mei 2024 de politie navraag naar hem heeft gedaan en bij hem thuis is geweest en dat er een nieuw opsporingsdossier over hem bestaat. Ter zitting heeft eiser zich beroepen op artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatierichtlijn.\n\n12.1.. De rechtbank begrijpt, mede gelet op het ter zitting gestelde, dat verweerder stelt dat er bij terugkeer weliswaar een kans is op vervolging of enig risico bestaat op ernstige schade, maar dat die kans of dat risico niet zo hoog is dat aannemelijk is dat eiser bij terugkeer naar Turkije zal worden vervolgd of aan ernstige schade blootgesteld zal worden.\n\n12.2.. De rechtbank volgt verweerder. Niet aannemelijk is dat eiser opnieuw in de negatieve aandacht staat van de Turkse autoriteiten of de reële kans loopt om opnieuw daarin te komen staan vanwege betrokkenheid bij de Gülen-beweging. De algemene informatie over Turkije en de daaruit blijkende situatie voor Gülenisten is onvoldoende ernstig om aan te nemen dat eiser door zijn betrokkenheid bij de Gülen-beweging alleen al in de persoonlijke problemen zal geraken. Daarbij is het volgende van belang.\n\n12.3.. Eiser valt onder een risicoprofiel. Dit betekent dat, zoals hiervoor overwogen, de bewijslast in beginsel geheel blijft rusten op eiser.\n\n12.4.. Eiser is strafrechtelijk vervolgd vanwege zijn betrokkenheid bij de Gülen-beweging. De rechtbank volgt dat dit in beginsel een aanwijzing is dat de vrees voor vervolging gegrond is en het risico op het lijden van ernstige schade reëel is.Daarbij is met name van belang dat eiser gedurende een aantal jaren onderworpen is geweest aan strafrechtelijk onderzoek vanwege vermeende betrokkenheid bij de Gülen-beweging, hij meerdere keren is verhoord, gedurende zes dagen in slechte omstandigheden in een politiecel verbleef en ongeveer negen maanden in de gevangenis heeft gezeten. De vervolging van eiser was echter op het hoogtepunt van de repressie van Gülenisten in Turkije. Er zijn reeds daarom goede redenen om aan te nemen dat de vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen. Daarnaast is eiser tijdens de procedure vrijgelaten. De Turkse rechtbank heeft hem nadien vrijgesproken en in beroep en in cassatie is die uitspraak bevestigd. Daarom volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat de bewijslast niet is omgedraaid.\n\n12.5.. Uit de stukken maakt de rechtbank op dat eisers werkzaamheden voor de vakbond en de school zijn meegenomen in de afgeronde strafrechtelijke procedure tegen eiser. Dit laat onverlet dat eiser, zoals hij stelt, mogelijk in de negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten is blijven staan vanwege zijn werkzaamheden binnen de Gülen-beweging. Dat eiser, zoals hij heeft gesteld in overeenstemming met landeninformatie,daarna geen nieuw werk heeft kunnen vinden, wijst hierop. Uit landeninformatie blijkt echter niet dat eiser, hoewel hij is vrijgesproken, opnieuw in de problemen kan geraken. Het AAB 2025 geeft slechts aan dat niet duidelijk is of vrijgelaten Gülenisten opnieuw het risico lopen op problemen met de Turkse autoriteiten.\n\n12.6.. Verweerder heeft echter terecht tegengeworpen dat eiser op 30 augustus 2024 zelf heeft gesteld dat er geen strafzaak tegen hem loopt.De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn standpunt dat toch een nieuw strafrechtelijk onderzoek naar hem is gestart dan wel de kans groot is dat een nieuwe strafprocedure tegen hem wordt opgestart. Dat hij in maart 2022 is verhoord door de politie, is daarvoor in ieder geval onvoldoende. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat eiser volgens zijn verklaringen vaker is ondervraagd door de politie, los van zijn detentie in 2016 en 2017, zonder meer problemen te krijgen. Het beroep van eiser ter zitting in dit verband op een bepaalde bijlage die bij de zienswijze zou zijn ingediend, faalt. Dat stuk vermeldt eisers naam en het nummer 2021\u002F28279. Dit is volgens eiser het nummer van zijn nieuwe opsporingsdossier. Het stuk is echter in de Turkse taal opgesteld en er is geen vertaling ingebracht. Daardoor kan de rechtbank de precieze inhoud niet vaststellen. Anders dan eiser heeft gesteld, is het niet aan verweerder of de rechtbank om die vertaling te produceren. Ook het beroep van eiser op volgens hem belastende stukken die zijn gedagtekend na de beslissing op het hoger beroep tegen eisers vrijspraak (15 september 2020), faalt. Niet duidelijk is dat het Turkse Hof van Cassatie ze niet heeft meegenomen bij de beoordeling van de eerdere vrijspraak, terwijl eiser wel heeft gesteld dat de Turkse rechtbank ze aan het Hof had gestuurd. Dat in Nederland dergelijke informatie in cassatie niet wordt meegenomen, leidt in ieder geval niet tot die conclusie. Eiser heeft zich ook beroepen op zijn verklaring over een huisbezoek op 28 mei 2024. Eiser was al in Nederland toen twee politieagenten bij zijn huis in Turkije langs zijn geweest om naar hem te vragen in het kader van een sociaal onderzoek naar eiser. Meer informatie is hier niet over bekend. De rechtbank volgt verweerders standpunt dat dit huisbezoek niet betekent dat men op zoek was naar eiser in verband met betrokkenheid bij de Gülen-beweging.12.7.. Uit de Finse landeninformatie over Turkije waarop eiser zich heeft beroepen, blijkt dat bewijs dat in een strafprocedure is gebruikt, niet nogmaals kan worden gebruikt in een volgende strafprocedure, maar dat iemand wel voor een tweede keer voor eenzelfde misdrijf kan worden vervolgd. Zoals verweerder terecht heeft gesteld, betreft dit echter algemene informatie over de situatie in Turkije. Het heeft geen betrekking op eiser in persoon. Het standpunt van eiser dat verweerder te veel waarde hecht aan de legale uitreis van Turkije naar Nederland zonder het ondervinden van problemen, faalt ook. Weliswaar blijkt, zoals eiser terecht heeft gesteld, uit het AAB 2023 dat zelfs tijdens een lopende strafrechtelijke procedure legaal kan worden uitgereisd. Dit onderbouwt echter niet dat eiser in de negatieve aandacht staat.\n\n12.8.. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n13. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen recht heeft op een asielvergunning. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, voorzitter, en mr. M. Kraefft en mr. H. Battjes, leden, in aanwezigheid van mr. drs. S.R.N. Parlevliet, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n NL24.35417 (de zoon van eiser) en NL24.32341.\n\n Vreemdelingencirculaire 2000.\n\n Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:377.\n\n WBV 2021\u002F16 van 4 augustus 2021.\n\n Brief aan de Tweede Kamer van 28 november 2023, 2023-2024, 19637, nr. 3177, en Nota Landenbeleid Turkije van 11 augustus 2023, 4839506.\n\n Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 24 november 2023, WBV 2023\u002F24, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, Staatscourant 2023, 30427.\n\n Nota van 11 augustus 2023, hiervoor aangehaald.\n\n “Is there a changing trend in the persecution of the (alleged) members of the Gülen movement?”, 1 juni 2024.\n\n AAB 2023, paragraaf 4.2.\n\n AAB 20223, paragraaf 4.2 en 4.3.\n\n “Turkey; Individuals associated with the Gülen movement; The Finnish Immigration Service’s fact-finding mission to Ankara and Istanbul 2 – 6 October 2023”, juni 2024.\n\n AAB 2023, paragraaf 4.3.\n\n AAB 2023, paragraaf 4.3.\n\n AAB 2025, p. 50.\n\n AAB 2025, paragraaf 4.2 en 4.3.\n\n AAB 2025, paragraaf 4.4.\n\n Paragraaf C7\u002F34.3 Vc.\n\n Brief aan de Tweede Kamer van maart 2024, vergaderjaar 2023–2024, 19 637, nr. 321.\n\n Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 13 juni 2024, nummer WBV 2024\u002F12, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000.\n\n Arrest van 15 januari 2015, A.A. tegen Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2015:0115JUD001803911, arrest van 15 januari 2015, A.F. tegen Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2015:0115JUD008008613, arrest van 11 januari 2007, Salah Sheekh tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2007:0111JUD000194804.\n\n Arrest van 12 april 2018, A en S, ECLI:EU:C:2018:248.\n\n Richtlijn 2011\u002F95\u002FEU.\n\n Artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatierichtlijn.\n\n AAB 2025, p. 51-52.\n\n AAB 2025, p. 52.\n\n Verslag nader gehoor, pagina 9.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:23341","2026-07-13T00:28:27.022Z",{"id":80,"ecli":81,"slug":82,"caseNumber":43,"courtId":83,"decisionDate":84,"fullText":85,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":86,"sourceTimestamp":87,"parsedAt":51,"updatedAt":88},"961","ECLI:NL:RBDHA:2025:27281","ecli-nl-rbdha-2025-27281",56,"2025-11-24T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\n Bestuursrecht\n\nZaaknummer: NL25.15358\n\nV-nummer: [v-nummer]uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 1995, van Turkse nationaliteit, eiser\n\n(gemachtigde: mr. M.F. Wijngaarden),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister\n\n(gemachtigde: mr. E.C. Pietermaat).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing zijn asielaanvraag.\n\n1.1.. Bij besluit van 26 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister de asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Ook heeft de minister een terugkeerbesluit uitgevaardigd.\n\n1.2.. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep op 15 oktober 2025, gelijktijdig maar niet gevoegd met het beroep van eisers partner, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [persoon 1] (de partner van eiser), E. Taskin als tolk in de Turkse taal, en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt de ongegrondverklaring van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\n3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nAsielrelaas\n\n4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende relaas ten grondslag. Eiser is sinds zijn jeugd actief voor [partij 1]door middel van activiteiten en protesten. Tijdens zijn studie moest hij vanwege conflicten tussen linkse en rechtse studenten van universiteit wisselen, waarbij hij ook vanwege zijn Koerdische achtergrond werd bedreigd. Daarnaast kreeg hij problemen met de politie vanwege zijn deelname aan demonstraties. Na zijn studie is eiser gaan werken als stedelijk planner voor een bedrijf dat onder de orde van Stedelijke Planning viel. De burgemeester was in die tijd vervangen door een curator en eiser merkte dat in een rapport berekeningen van bevolkingsaantallen niet klopten en dat zakenmensen steekpenningen konden betalen om winst te halen. Eiser heeft deze onregelmatigheden gemeld aan de orde. Eiser is hierdoor door ene [persoon 2] , een afdelingshoofd bij de gemeente, met de dood bedreigd. Eiser denkt dat [persoon 3] , het hoofd van de orde van Stedelijke Planning, eisers naam heeft genoemd bij [persoon 2] . Eisers werkgever en de vader van eiser, tevens ambtenaar, zijn ook bedreigd vanwege het feit dat eiser onregelmatigheden kenbaar heeft gemaakt. Eiser heeft daarop het land verlaten. Bij terugkeer naar Turkije vreest eiser dat de curator nog achter hem aanzit.\n\nDocumenten\n\n5. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag de volgende documenten ten grondslag gelegd:\n\nUittreksel uit het woonregister;\n\nUittreksel uit het bevolkingsregister;\n\nEen antecedentenverklaring;\n\nBewijs van afronding lyceum;\n\nBewijs van afstuderen aan de universiteit;\n\nDocument over arbeidsverleden;\n\nDocument over lidmaatschap HDP 2023\u002F2;\n\nBewijsstuk wisselen van universiteit;\n\nAlgemeen nieuwsbericht over bedreiging aan linkse studenten;\n\nNieuwsbericht over aanval op studenten;\n\nOverzicht van de inschrijving bij de Orde van de Stedelijke Planning;\n\nBewijsstuk waaruit blijkt dat het eerste stedelijk plan is ingediend;\n\nEerste en laatste pagina van het stedelijk plan;\n\nBewijsstuk over een persconferentie;\n\nStuk over aanstelling leidinggevende functie bij ander bedrijf;\n\nArtikel over een persconferentie;\n\nBrief van een vriend van eiser;\n\nNieuwsbericht over de ongeldigverklaring van het oude plan door de rechtbank;\n\nDocument over het nieuwe rapport van het stedelijk plan;\n\nBrief van vader van eiser;\n\nScreenshot van een whatsappgesprek met een collega;\n\nStuk over persvoorlichting over onrechtmatigheden verricht door curator;\n\nBericht van DEMNED van 20 februari 2025.\n\n5.1.. In beroep heeft eiser nog een verklaring overgelegd waarin hij de gang van zaken rond het planologisch rapport toelicht en een artikel van het Haarlems Dagblad met de titel ‘Protest tegen komst omstreden Turkse sjeik naar Badhoevedorp: slaande ruzie binnen machtige moslimgemeenschap om ‘verdwenen miljoenen” van 6 oktober 2025.\n\nHet bestreden besluit\n\n6. Het asielrelaas bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:\n\nIdentiteit, nationaliteit en herkomst;\n\nLidmaatschap van en activiteiten voor [partij 1] ;\n\nProblemen door werkzaamheden;\n\nProblemen wegens Koerdische afkomst;\n\nDe militaire dienstplicht.\n\n6.1.. De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser, evenals de problemen vanwege zijn Koerdische afkomst en de militaire dienstplicht geloofwaardig. Het lidmaatschap van en activiteiten voor [partij 1] acht de minister deels geloofwaardig. Volgens de minister heeft eiser onvoldoende documenten gegeven en heeft hij daar geen goede verklaring voor. Eiser heeft alleen een document overgelegd over zijn lidmaatschap bij [partij 1] in de periode 2023\u002F2. Eiser heeft niet met documenten onderbouwd dat hij sinds 2020 lid was van de partij en hij heeft evenmin documenten overgelegd van zijn lidmaatschap van [bedrijf] in de periode januari 2023 tot eind mei 2023. De verklaringen van eiser zijn daarmee tegenstrijdig met het document dat hij heeft overgelegd. Verder vormen de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel. De minister komt tot de conclusie dat het aannemelijk is dat eiser aanwezig is geweest bij evenementen van [partij 1] en dat eiser in de periode 2023\u002F2 lid was van [partij 1] . De problemen door de werkzaamheden als stedelijk planner acht de minister niet geloofwaardig, omdat eiser met zijn verklaringen of documenten niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij betrokken was bij het stedelijk plan. Volgens de minister bestaan eisers verklaringen geheel uit aannames en vermoedens. Aan de door eiser overgelegde verklaringen kent de minister beperkte waarde toe, omdat deze subjectief zijn. De overige stukken onderbouwen enkel zijn functie bij de werkgever. De minister acht ook relevant dat eiser na de bedreiging niet opnieuw is bedreigd, Turkije legaal heeft verlaten en er geen strafrechtelijke procedure tegen hem loopt.\n\n6.2.. De geloofwaardig bevonden asielmotieven acht de minister onvoldoende zwaarwegend om over te gaan tot het verlenen van een verblijfsvergunning. Eiser valt als lid van [partij 1] onder het risicoprofiel volgens paragraaf C7 34.3.2 van de Vc, maar heeft volgens de minister niet voldaan aan het individualiseringsvereiste. Eiser heeft daarnaast zijn vrees voor de Turkse dienstplicht niet aannemelijk gemaakt, omdat uit eisers verklaringen niet blijkt dat eiser voldoet aan één van de drie voorwaarden genoemd in paragraaf C2 3.2.7 van de Vc. De discriminatie die eiser heeft ervaren als Koerd is niet dusdanig van aard om aan te merken als vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdragof artikel 3 van het EVRM.\n\nTen aanzien van de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling\n\n7. Eiser voert allereerst aan dat WI 2024\u002F6in strijd is met het Unierecht en het EVRM, en daarom ten onrechte door de minister is toegepast. Het vereiste van objectieve en authentieke documenten is niet noodzakelijk om het asielrelaas voldoende te onderbouwen. Er vindt volgens de nieuwe werkinstructie dan geen volledige en inhoudelijke beoordeling plaats, wat strookt met het absolute verbod op refoulement. Eiser wijst in dit verband op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van 6 maart 2025en de tussenuitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 7 januari 2025waarin prejudiciële vragen zijn gesteld over de werkwijze van WI 2024\u002F6. Eiser heeft verzocht de behandeling van het beroep aan te houden in afwachting van de beantwoording van deze prejudiciële vragen.\n\n7.1.. De rechtbank overweegt dat tussen partijen geen discussie bestaat over het Unierechtelijk kader, zoals dat door eiser naar voren is gebracht. Evenmin staat tussen partijen ter discussie dat WI 2024\u002F6 op zichzelf in deze procedure niet ter toetsing voorligt. Ter beoordeling staat of de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiser, en de daarbij gebruikte bewijsmaatstaf, in strijd is met het (Unie)recht. Hierbij kan de door de minister gehanteerde wijze van beoordelen van de geloofwaardigheid wel relevant zijn. De rechtbank overweegt dat, gelet op de stellige en directieve formulering in de nieuwe werkinstructie, er situaties denkbaar zijn waarin de toepassing ervan in strijd is met artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn. De rechtbank verwijst in dit verband naar rechtsoverweging 7.2 van de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 10 juni 2025, en maakt deze overweging de hare. Dit betekent echter niet dat de toepassing van WI 2024\u002F6 in iedere asielzaak zonder meer leidt tot een met het Unierecht strijdige geloofwaardigheidsbeoordeling. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het voordeel van de twijfeldoor de minister in zijn algemeenheid op een andere of onjuiste wijze wordt toegepast. De rechtbank dient dit per individuele zaak te beoordelen. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om de zaak aan te houden in afwachting van de antwoorden op de gestelde prejudiciële vragen. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nTen aanzien van het lidmaatschap van en activiteiten voor [partij 1] vóór 2023\n\n8. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat hij tegenstrijdig heeft verklaard omdat zijn verklaringen dat hij lid is geweest van [partij 1] en daarna van [bedrijf] in strijd zouden zijn met het bewijs uit E-Devletdat hij in juni 2023 lid was van [partij 1] . Eiser heeft verklaard dat in E-Devlet alleen het huidige, laatste, lidmaatschap van een politieke partij wordt vermeld. Het lag in dit geval op de weg van de minister om aan te tonen dat eiser meer stukken uit E-Devlet kan halen.\n\n8.1.. De rechtbank stelt vast dat eiser een document heeft overgelegd van zijn lidmaatschap bij [partij 1] in de periode 2023\u002F2, alsmede een verklaring van DEMNEDwaarin staat dat eiser een activist is die heeft deelgenomen aan politieke activiteiten binnen [partij 1] in Turkije. De rechtbank stelt voorop dat de minister, gelet op het verhandelde ter zitting, eiser niet langer tegenwerpt dat zijn verklaringen over zijn lidmaatschap bij [partij 1] vanaf 2020 en zijn lidmaatschap bij [bedrijf] tegenstrijdig zijn met het document dat eiser heeft overgelegd met betrekking tot zijn lidmaatschap van [partij 1] . Ook wordt niet langer door de minister betwist dat eerdere lidmaatschappen niet zichtbaar zijn in E-Devlet. De minister blijft echter bij zijn standpunt dat eiser onvoldoende documenten over zijn eerdere lidmaatschap bij [partij 1] en zijn lidmaatschap bij [bedrijf] heeft overgelegd en daar geen goede verklaring voor heeft. De rechtbank volgt dat standpunt niet en licht dat als volgt toe.\n\n8.2.. \n\nEiser heeft op de zitting toegelicht dat uit veiligheidsoverwegingen binnen [partij 1] informatie-uitwisseling op het partijkantoor plaatsvindt, en er geen bewijzen zoals e-mails en brieven worden gestuurd. Eiser heeft daarbij in het nader gehoor verklaard dat hij bij [partij 1] op de achtergrond probeerde te blijven en niet teveel in beeld wilde komen.Daarnaast heeft eiser er in de zienswijze al op gewezen dat uit landeninformatie blijkt dat een lidmaatschapskaart van [partij 1] pas verkregen kan worden als iemand politieke en bestuurlijke verantwoordelijkheden heeft binnen de partij, wat bij eiser niet het geval was.\n\nGelet op de uitgebreide verklaringen van eiser over zijn betrokkenheid bij [partij 1] sinds de middelbare school, het feit dat de minister niet betwist dat eiser sindsdien deelneemt aan evenementen van [partij 1] , en nu de stelling van de minister dat eiser over meer bewijsstukken zou beschikken slechts op een vermoeden berust, heeft de minister zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vóór 2023\u002F2 lid was van [partij 1] . De beroepsgrond slaagt.\n\nTen aanzien van de problemen vanwege eisers werkzaamheden als stedelijk planner\n\n9. Eiser stelt zich verder op het standpunt de minister ten onrechte heeft gesteld dat hij zijn werk als stadsplanner en de problemen vanwege zijn werk niet heeft onderbouwd. Zijn werk en opleiding tot stadsplanner heeft eiser met vele documenten onderbouwd. De problemen heeft eiser vervolgens met zijn persoonlijk relaas en zijn waarnemingen, met name van bedreigingen aan zijn eigen adres en aan het adres van zijn vader, onderbouwd. Het besluit miskent dat vermoedens en aannames voldoende (kunnen) zijn om gegronde vrees voor vervolging aannemelijk te maken. Gegronde vermoedens en aannames leveren immers een gegronde vrees voor vervolging op. Ten onrechte stelt de minister dat er meer van eiser verwacht mag worden, zonder dat daar in het nader gehoor naar is gevraagd. In de aanvullende gronden van beroep heeft eiser een stuk ingediend waarin hij de gang van zaken rond het planologisch rapport uiteenzet. Daarin is ook verwezen naar de Turkse overheidssite van planning, waar op de stedelijke plannen de naam van eiser naar voren komt.\n\n9.1.. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten, zoals deze tijdens de zitting naar voren zijn gekomen. Anders dan is opgenomen in het bestreden besluit, heeft de minister ter zitting erkend dat eiser betrokken was bij het nieuwe stedelijke plan. Daarmee staat enkel nog ter discussie of eiser naar aanleiding van die betrokkenheid problemen heeft ondervonden. De minister acht het ongeloofwaardig dat eiser is bedreigd en dat zijn vader en zijn werkgever eveneens bedreigingen hebben ontvangen. Eiser heeft volgens de minister onvoldoende stukken overgelegd om deze bedreigingen te onderbouwen.\n\n9.2.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de gestelde problemen van eiser enkel berusten op aannames en vermoedens. Eiser heeft bij zijn aanvraag en in beroep namelijk vele documenten overgelegd. Onder deze documenten bevinden zich gedetailleerde verklaringen van bijvoorbeeld de vader van eiser en een whatsappgesprek met een collega. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister niet inzichtelijk gemaakt op welke wijze de inhoud van deze stukken is beoordeeld, noch welke waarde hieraan in de besluitvorming is toegekend. Dat deze stukken niet afkomstig zijn uit een objectieve bron, zoals de minister stelt, betekent niet dat hieraan geen enkele waarde kan worden toegedicht. De enkele opmerking dat de stukken “subjectief” zouden zijn, doet verder geen recht aan de aard en inhoud daarvan. De minister miskent hiermee namelijk dat de overgelegde stukken eigen waarnemingen en ervaringen van derden bevatten, en niet enkel een weergave vormen van hetgeen eiser zelf heeft verklaard. Daarbij merkt de rechtbank op dat eiser uitgebreid, gedetailleerd en coherent heeft verklaard en de overgelegde stukken, allemaal in onderlinge samenhang, in lijn zijn met eisers verklaringen. Zo komt bijvoorbeeld het overlegde screenshot van het whatsappgesprek dat eiser is bedreigd wat datum betreft overeen met de door eiser genoemde vergadering bij de gemeente waarbij eiser is bedreigd. Ook heeft eiser een aantal krantenartikelen overgelegd waaruit volgt dat er een rechtszaak is geweest tussen de orde van Stedelijke Planning en de curator, en dat er persconferenties zijn geweest van de Orde van Turkse Architecten en Engineers, waar ook de orde van Stedelijke Planning onder valt, en [partij 1] waarin wordt gesproken van bedreigingen vanuit de curator. Omdat de minister niet langer betwist dat eiser betrokken is geweest bij zowel het oude als nieuwe stedelijke plan, kan niet worden volgehouden dat eisers relaas enkel op vermoedens of aannames berust.\n\n9.3.. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de minister een ondeugdelijke geloofwaardigheidsbeoordeling heeft gemaakt. De minister heeft de verklaringen van eiser en de door hem overgelegde bewijsstukken onvoldoende in onderlinge samenhang beoordeeld. Bovendien heeft de minister de relevante landeninformatieonvoldoende kenbaar betrokken bij zijn beoordeling. De beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n10. Uit de overwegingen 8.1, 8.2 en 9.3 volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De minister zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.\n\n11. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.Beslissing\n\nDe rechtbank,\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit;\n\n- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag met inachtneming van deze uitspraak;\n\n-veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, voorzitter, en mr. C.A.R. Bleijendaal, en mr. H.B. van Gijn, leden, in aanwezigheid van mr. I.I. Mooij, griffier.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zaaknummer: NL25.15376.\n\n [partij 1] , veelal omschreven als een Pro-Koerdische politieke partij, inmiddels bekend als [partij 2] .\n\n Vreemdelingencirculaire 2000.\n\n Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.\n\n Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.\n\n Werkinstructie 2024\u002F6 Geloofwaardigheidsbeoordeling (asiel).\n\n ECLI:NL:RBDHA:2025:3440.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2025:139.\n\n Richtlijn 2011\u002F95\u002FEU.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2025:10057.\n\n Zoals neergelegd in artikel 31, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).\n\n Het elektronische portaal van de Turkse overheid.\n\n Raad van Gemeenschappen uit Koerdistan.\n\n Verslag nader gehoor, pagina 21.\n\n IRB - Immigration and Refugee Board of Canada: Turkey: Requirements and procedures to become a member of the [partij 1] ( [partij 1] , [partij 1] ); membership cards, attestation letters and donation receipts, including content, appearance, and authorized issuing authority; instances of membership attestation letters or membership cards that are not issued; sample (2019–November 2021) [ [nummer] ].\n\n Zie voor de positie van [partij 1] -leden het Algemeen Ambtsbericht Turkije (februari 2025), pagina 58 e.v.\n\n Artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:27281","2026-02-09T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:56.669Z",{"id":90,"ecli":91,"slug":92,"caseNumber":43,"courtId":83,"decisionDate":84,"fullText":93,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":94,"sourceTimestamp":95,"parsedAt":51,"updatedAt":96},"986","ECLI:NL:RBDHA:2025:28023","ecli-nl-rbdha-2025-28023","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\n Bestuursrecht\n\nZaaknummer: NL25.15376\n\nV-nummer: [V-nummer]uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 1996, van Turkse nationaliteit, eiseres\n\n(gemachtigde: mr. M.F. Wijngaarden),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister\n\n(gemachtigde: mr. E.C. Pietermaat).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres.\n\n1.1.. Eiseres heeft op 20 maart 2024 een beroep wegens het niet tijdig beslissen op haar asielaanvraag ingesteld. Bij uitspraak van 13 september 2024heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep gegrond verklaard. De minister is tegen deze uitspraak in hoger beroep gegaan.\n\n1.2.. Bij besluit van 19 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister de asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Ook heeft de minister een terugkeerbesluit uitgevaardigd. De Afdelingheeft bij uitspraak van 10 april 2025, het van rechtswege ontstane beroep tegen het bestreden besluit op grond van artikel 6:20, vierde lid, van de Awbterugverwezen naar deze rechtbank en zittingsplaats.\n\n1.3.. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit tevens afzonderlijk beroep ingesteld.De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.4.. De rechtbank heeft het beroep op 15 oktober 2025, gelijktijdig maar niet gevoegd met het beroep van eiseres haar partner, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, [persoon] (de partner van eiseres), E. Taskin als tolk in de Turkse taal, en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt de ongegrondverklaring van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.\n\n3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nWat er aan deze procedure voorafging\n\n4. Eiseres heeft op 31 januari 2019 samen met haar zus een aanvraag voor een mvvingediend voor verblijf bij haar moeder in Nederland. De minister heeft deze aanvraag afgewezen. Eiseres heeft tegen het besluit beroep ingesteld. Met de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 11 maart 2022is de afwijzing in rechte vast komen te staan.\n\n4.1.. Eiseres is vervolgens op 8 augustus 2023 Nederland ingereisd en heeft op 3 september 2023 een asielaanvraag ingediend.\n\nAsielrelaas\n\n5. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende relaas ten grondslag. Eiseres heeft de Turkse nationaliteit en behoort tot de Koerdische bevolkingsgroep. Eiseres is in 2015 lid geworden van [vereniging] , een vereniging gelieerd aan HDP. De vereniging is in 2016 per decreet gesloten. Eiseres is daarna doorgegaan met haar HDP-activiteiten, waaronder verkiezingsactiviteiten in 2018. Datzelfde jaar is bij eiseres een huisinval gedaan, werd eiseres in de gaten gehouden en is de politie langs geweest bij de universiteit van eiseres. Eiseres was bang om opgepakt te worden, dus heeft zij haar huis toen verlaten. In september 2021 moest eiseres lang wachten op de teruggave van haar identiteitskaart bij een controlepost. Eiseres is daarom weer naar een ander adres is gegaan. Na de aardbeving op 6 februari 2023 bevond eiseres zich in een café waar agenten in burgerkleding haar onder dwang meenamen en zeiden dat eiseres een getuigenverklaring moest ondertekenen. Zij wilden eiseres als informant gebruiken. Doordat eiseres vertelde dat ze hier nog even over moest nadenken, kon zij weggaan. Ook verwacht eiseres bij terugkeer problemen te ondervinden omdat zij in Nederland heeft deelgenomen aan demonstraties en omdat haar broer vorig jaar tijdens Nowruz als muzikant op het podium is verschenen en dit gepubliceerd is op YouTube en op Medya TV.\n\n5.1.. Eiseres heeft aan haar asielaanvraag de volgende documenten ten grondslag gelegd:\n\n1. Nationale identiteitskaart van Turkije;\n\n2. Uitdraai lidmaatschap [vereniging] ;\n\n3. Kopie brief OM onderzoek naar de vereniging;\n\n4. Verklaring HDP betrokkenheid van 2015 tot 2018;\n\n5. Verklaring DEMNED;\n\n6. Brief Turkse advocaat;\n\n7. Document mensenrechtenorganisatie;\n\n8. Document Human Rights Foundation of Turkey;\n\n9. Verklaring moeder en broer.\n\nHet bestreden besluit\n\n6. Het asielrelaas bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:\n\n1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;\n\n2. Verrichte activiteiten in 2015 en 2018 voor de vereniging en HDP;\n\n3. Problemen naar aanleiding van verrichte activiteiten;\n\n4. Activiteiten in Nederland.\n\n6.1.. De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig, evenals de activiteiten van eiseres tussen 2015 en 2018 voor de vereniging en HDP en de activiteiten van eiseres in Nederland. De problemen naar aanleiding van de verrichte activiteiten voor HDP acht de minister niet geloofwaardig. Volgens de minister vormen de verklaringen van eiseres geen samenhangend en aannemelijk geheel. Zo is het voor de minister onduidelijk waarom eiseres onder verhoogde aandacht zou staan bij de Turkse autoriteiten. Ook acht de minister relevant dat eiseres geruime tijd, namelijk van 2018 tot 2021, zonder problemen in Turkije heeft kunnen leven. Verder heeft eiseres tegenstrijdig verklaard over of zij op haar eigen adres heeft verbleven of bij vrienden. Van 2021 tot de aardbeving in 2023 heeft eiseres geen problemen ondervonden. Het is bevreemdend dat de agenten zich na de aardbeving op eiseres zouden focussen. De minister acht het ongerijmd dat de agenten een onderzoek zouden opstarten, terwijl eiseres ervan overtuigd was dat er al een onderzoek naar haar liep. De minister gelooft niet dat eiseres werd vrijgelaten op basis van haar belofte om na te denken over het voorstel. De minister betrekt ook bij zijn beoordeling dat eiseres haar asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend, maar zich pas twintig dagen na inreis heeft gemeld bij de autoriteiten, en hier geen verschoonbare verklaring voor heeft.\n\n6.2.. De geloofwaardig bevonden motieven acht de minister onvoldoende zwaarwegend om over te gaan tot het verlenen van een verblijfsvergunning. Eiseres heeft een politieke overtuiging, maar de minister acht niet aannemelijk dat eiseres in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat of komt te staan. Zij had namelijk geen bijzondere rol binnen HDP. Verder is eiseres in 2018 gestopt met haar activiteiten. Niet valt daarom in te zien waarom zij bij terugkeer de activiteiten weer zou willen oppakken. Ook betrekt de minister dat eiseres op legale wijze Turkije is uitgereisd. Ten aanzien van haar activiteiten in Nederland heeft eiseres verklaard dat zij bij terugkeer naar Turkije geen problemen verwacht. Omdat eiseres niet weet op welk YouTube-kanaal haar broer is verschenen, wordt niet ingezien dat de Turkse autoriteiten ervan op de hoogte zouden zijn dat het de broer van eiseres is die als muzikant optrad.\n\nTen aanzien van de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling\n\n7. Eiseres voert aan dat WI 2024\u002F6in strijd is met het Unierecht. Deze nieuwe werkinstructie maakt van een geloofwaardigheidsbeoordeling in feite een harde bewijsplicht, terwijl een dergelijk zware maatstaf juist niet passend is in het asielrecht. De toepassing van het voordeel van de twijfel is in de WI namelijk zo ingevuld, dat hier alleen sprake van kan zijn op het moment dat de vreemdeling geen objectieve bewijsstukken overlegt, maar wel voldoet aan alle vijf cumulatieve voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw. Uit artikel 4, derde lid, van de Kwalificatierichtlijnen artikel 10, derde lid en onder b, van de Procedurerichtlijnvolgt echter dat de minister onderzoek moet doen naar alle relevante informatie in het land van herkomst en de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker. Pas als er dan nog twijfel is, is doortoetsing aan artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn aan de orde. Bovendien gaat het bij artikel 4, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn niet alleen om samenwerken bij het verzamelen van de elementen – het gehoor – maar ook het beoordelen van de geloofwaardigheid van deze elementen en verklaringen. Subsidiair verzoekt eiseres om aanhouding van de zaak in afwachting van de antwoorden op de prejudiciële vragen van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond.\n\n7.1.. De rechtbank overweegt dat tussen partijen geen discussie bestaat over het Unierechtelijk kader, zoals dat door eiseres naar voren is gebracht. Evenmin staat tussen partijen ter discussie dat WI 2024\u002F6 op zichzelf in deze procedure niet ter toetsing voorligt. Ter beoordeling staat of de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiseres, en de daarbij gebruikte bewijsmaatstaf, in strijd is met het (Unie)recht. Hierbij kan de door de minister gehanteerde wijze van beoordelen van de geloofwaardigheid wel relevant zijn. De rechtbank overweegt dat, gelet op de stellige en directieve formulering in de nieuwe werkinstructie, er situaties denkbaar zijn waarin de toepassing ervan in strijd is met artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn. De rechtbank verwijst in dit verband naar rechtsoverweging 7.2 van de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 10 juni 2025, en maakt deze overweging de hare. Dit betekent echter niet dat de toepassing van WI 2024\u002F6 in iedere asielzaak zonder meer leidt tot een met het (Unie)recht strijdige geloofwaardigheidsbeoordeling. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het voordeel van de twijfeldoor de minister in zijn algemeenheid op een andere of onjuiste wijze wordt toegepast. De rechtbank dient dit per individuele zaak te beoordelen. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om de zaak aan te houden in afwachting van de antwoorden op de gestelde prejudiciële vragen. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nTen aanzien van de problemen naar aanleiding van de verrichte activiteiten voor HDP en de vereniging\n\n8. Eiseres voert aan dat afgaande op de geloofwaardig geachte feiten, de daarmee samenhangende consistente verklaringen én de samenhang met de landeninformatie, de problemen met de autoriteiten geloofwaardig moeten worden gevonden. Aan eiseres moet het voordeel van de twijfel worden gegeven als de verklaringen samenhangend en aannemelijk zijn en niet in strijd zijn met beschikbare informatie. Eiseres verwijst in dit verband naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 maart 2025.\n\n8.1.. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet zorgvuldig heeft onderzocht en niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij de gestelde problemen van eiseres met de Turkse autoriteiten niet geloofwaardig acht en waarom hij eiseres niet het voordeel van de twijfel heeft gegeven. De rechtbank licht dat als volgt toe.\n\n8.2. Eiseres heeft verklaard dat zij bestuurslid was van een vereniging waarvan haar moeder één van de oprichters was. Deze vereniging bood steun aan personen die waren gevlucht uit het noordelijk deel van Koerdistan. In 2016 is deze vereniging bij decreet door de Turkse autoriteiten gesloten. De moeder en de broer van eiseres waren op dat moment in Nederland en hebben hier asiel gevraagd en gekregen, mede vanwege een lopend onderzoek naar de vereniging. Ondanks deze gebeurtenissen heeft eiseres haar politieke activiteiten voortgezet en zich binnen HDP actief ingezet, onder meer door deelname aan verkiezingsactiviteiten tijdens de algemene verkiezingen van 2018. Ook heeft eiseres verklaard dat er rond die tijd een noodtoestand was uitgeroepen rond verkiezingen waardoor de autoriteiten meer vrijheden hadden bij het optreden tegen vermeende oppositieleden. Gezien deze verklaringen volgt de rechtbank de minister niet in zijn standpunt dat eiseres vaag heeft verklaard over waarom zij in de negatieve aandacht van de autoriteiten is komen te staan. Verder is de motivering van de minister dat hij gelet op haar marginale rol en activiteiten binnen HDP niet inziet waarom de politie bij eiseres een huisinval zou doen, onvoldoende. De rechtbank wijst in dat verband op de politieke context en de activiteiten van eiseres, zowel binnen HDP als in de hoedanigheid van bestuurslid van een vereniging die door de overheid is gesloten, en op de openbare landeninformatie waaruit blijkt dat ook familieleden van personen die actief zijn binnen HDP risico lopen op vervolging door de autoriteiten.Het relaas van eiseres spoort hiermee. De minister heeft dit onvoldoende in zijn besluit betrokken. Dat eiseres volgens de minister vaag heeft verklaard over dat de politie bij haar op de universiteit is langsgekomen, volgt de rechtbank gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ook niet. De rechtbank is het verder met eiseres eens dat het voor haar onmogelijk is om aannemelijk te maken wat het precieze motief van de politie is geweest voor haar handelen. In dit verband heeft eiseres terecht gewezen op de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 23 juni 2020, waarinis geoordeeld dat ook wanneer niet duidelijk is waarom iemand bij het politiebureau dient te verschijnen, niet op voorhand is uitgesloten dat die oproep verband houdt met persoonlijk gerichte negatieve aandacht van de autoriteiten. Ook het standpunt van de minister dat het door eiseres gestelde dat een politieagent haar na de huisinval heeft gevolgd slechts op een niet nader onderbouwd vermoeden berust, kan de rechtbank niet volgen. Eiseres heeft immers gedetailleerd verklaard over wat zij heeft waargenomen en verklaard dat zij één van de betrokken agenten herkende van de eerdere huisinval, nadat zij hem meerdere keren had gezien.\n\n8.3.. Ten aanzien van de problemen van eiseres in de periode tussen 2018 en 2023 overweegt de rechtbank als volgt. Eiseres heeft aangevoerd dat zij in de periode na 2018 ondergedoken heeft gezeten en dat zij pas weer in contact is gekomen met de autoriteiten toen zij, bij het ophalen van het diploma van haar broer, lang moest wachten op haar identiteitskaart bij een controlepost. Eiseres heeft verklaard dat deze controle niet het gevolg was van een gerichte zoektocht naar haar, maar dat haar naam bij die gelegenheid opnieuw bij de autoriteiten naar voren kwam. Gelet op haar eerdere betrokkenheid bij HDP en de vereniging, is het goed mogelijk dat haar naam nog steeds in de systemen van de Turkse autoriteiten stond. Bovendien heeft eiseres verklaard dat zij sinds 2018 zat ondergedoken en bij verschillende vrienden en kennissen verbleef, en weinig buiten kwam vanwege de coronapandemie. De minister heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat eiseres tegenstrijdig heeft verklaard met haar verklaringen tijdens de mvv-procedure in 2019 en de verklaringen van eiseres haar moeder destijds in haar asielprocedure dat eiseres in die periode in het ouderlijk huis verbleef. De rechtbank overweegt dat eiseres in de mvv-procedure haar ouderlijk adres heeft opgegeven, maar in haar eigen asielprocedure van meet af aan heeft verklaard dat zij daar niet verbleef, maar bij vrienden en kennissen. Dit werd haar pas in het voornemen tegengeworpen, waarop eiseres in de zienswijze een nadere uitleg heeft gegeven. Eiseres heeft haar moeder niet veel verteld over haar problemen in Turkije omdat zij haar niet wilde belasten. Hiermee heeft eiseres de tegenstrijdigheid naar het oordeel van de rechtbank weggenomen.\n\n8.4.. De rechtbank is ook van oordeel dat de minister niet kan worden gevolgd in zijn standpunt dat het bevreemdend is dat eiseres in 2023 na de aardbeving op de radar van de autoriteiten stond. De minister heeft allereerst hetgeen hiervoor onder 8.3 is overwogen over het onderduiken van eiseres ten onrechte niet betrokken. Daarom is het standpunt van de minister dat sprake is van jaren van probleemloos verblijf en dat het vreemd is dat eiseres bij de identiteitscontrole in 2023 weer werd geconfronteerd met de autoriteiten niet deugdelijk gemotiveerd. Ook hier betrof het bovendien geen gerichte zoekactie, maar bevond eiseres zich na de aardbeving in een café waar zich ontheemden bevonden en de autoriteiten een identiteitscontrole uitvoerden. Dat eiseres ongerijmd zou hebben verklaard dat de agenten een onderzoek naar haar zouden kunnen starten, omdat eiseres er eerder van overtuigd was dat er al een onderzoek liep, volgt de rechtbank niet. De rechtbank is van oordeel dat eiseres hiervoor een afdoende verklaring heeft gegeven in het nader gehoor, namelijk dat zij – afgaande op de informatie van haar advocaat – ervan overtuigd was dat er eerder een vertrouwelijk geheim onderzoek naar haar liep, maar dat de agenten nu dreigden met een actief strafrechtelijk onderzoek.\n\n8.5.. Bovendien acht de rechtbank het standpunt van de minister dat het bevreemdend is dat de politie eiseres na een lange zoektocht – zonder voorwaarden – heeft laten vertrekken onvoldoende gemotiveerd. De minister gelooft niet dat als de autoriteiten daadwerkelijk naar eiseres op zoek zouden zijn, de politie haar zou hebben vrijgelaten enkel op basis van een belofte om na te denken over hun voorstel. De rechtbank overweegt dat in het algemeen ambtsbericht 2025 staat dat in het bijzonder leden van de jongerenafdeling van HDP onder druk werden gezet door de Turkse autoriteiten om als ajan (‘informant’) te gaan fungeren. Dit strookt met de verklaring van eiseres, dat zij gedwongen is meegenomen en door middel van dreigingen in de auto druk op haar werd uitgeoefend om informant te worden. De gemachtigde van de minister heeft ter zitting volstaan met de enkele opmerking dat deze situatie niet zo in het ambtsbericht staat. Dat is onvoldoende. De rechtbank is verder van oordeel dat eiseres een afdoende verklaring heeft gegeven voor het feit dat zij zonder voorwaarden is vrijgelaten. Zo heeft eiseres verklaard dat zij door de autoriteiten niet als een getuige werd gezien, maar de autoriteiten haar als informant wilden hebben. Een getuige heeft informatie en wordt (mogelijk) met meer geweld gehoord om achter die informatie te komen, terwijl dat bij informanten niet aan de orde is, omdat de autoriteiten die nog nodig hebben om informatie voor hen te verkrijgen, aldus eiseres. De rechtbank merkt ook op dat eiseres heeft verklaard dat de politie haar in de auto een foto liet zien van een persverklaring (in 2015) waar eiseres bij was. Dit is in lijn met het algemeen ambtsbericht, waarin enkele omstandigheden worden genoemd die leidden tot verhoogde overheidsaandacht, waaronder het bijwonen van persverklaringen.De minister heeft deze aspecten onvoldoende bij zijn besluit betrokken.\n\n8.6.. Tot slot overweegt de rechtbank dat de minister, in strijd met zijn eigen beleid, niet inhoudelijk is ingegaan op de persoonlijke omstandigheden van eiseres bij de beoordeling of eiseres een goede reden had voor het niet onmiddellijk indienen van haar asielaanvraag na aankomst in Nederland. Eiseres heeft hierover aangevoerd dat zij een lange reis achter de rug had, haar familie zeven jaar niet had gezien, chronisch ziek is en last heeft van depressieve en angstklachten, en verkouden was geworden. De minister is ten onrechte niet ingegaan op deze omstandigheden.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. Het bestreden besluit is genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De minister zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De minister dient zich bij zijn beoordeling van de zwaarwegendheid ook rekenschap te geven van de politieke activiteiten van de familie van eiseres en de informatie uit het algemeen ambtsbericht van februari 2025, in het bijzonder de wijze waarop door de Turkse autoriteiten de sociale media worden gemonitord. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.\n\n10. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit;\n\n- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag met inachtneming van deze uitspraak;\n\n-veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.814,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, voorzitter, en mr. C.A.R. Bleijendaal en mr. H.B. van Gijn, leden, in aanwezigheid van mr. I.I. Mooij, griffier.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zaaknummer NL24.12220.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:1622.\n\n Algemene wet bestuursrecht.\n\n Zaaknummer NL25.15376. Eiseres heeft zekerheidshalve nogmaals beroep ingesteld onder dit zaaknummer, maar het betreft dus dezelfde zaak als het rechtswege ontstane beroep, zie voetnoot 1.\n\n Zaaknummer NL25.15358.\n\n Machtiging tot voorlopig verblijf.\n\n Zaaknummer: NL21.4269.\n\n Hierna: de vereniging.\n\n Halklarin Demokratik Partisi.\n\n Werkinstructie 2024\u002F6 Geloofwaardigheidsbeoordeling (asiel).\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n Richtlijn 2011\u002F95\u002FEU.\n\n Richtlijn 2013\u002F32\u002FEU.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2025:136.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2025:10057.\n\n Zoals neergelegd in artikel 31, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2025:7264.\n\n Algemeen Ambtsbericht Turkije februari 2025, pagina 65.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2020:5725.\n\n Onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling van 3 december 2003, 200306257\u002F1.\n\n Algemeen ambtsbericht Turkije februari 2025, pagina 63.\n\n Algemeen ambtsbericht Turkije februari 2025, pagina 64.\n\n WI 2024\u002F6.\n\n Artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.\n\n Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:28023","2026-07-07T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:57.581Z",{"id":98,"ecli":99,"slug":100,"caseNumber":43,"courtId":101,"decisionDate":102,"fullText":103,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":104,"sourceTimestamp":84,"parsedAt":51,"updatedAt":105},"501","ECLI:NL:RBDHA:2025:22097","ecli-nl-rbdha-2025-22097",63,"2025-11-21T00:00:00.000Z","uitspraak\n\nRECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.52086\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. S. Oukil),\n\nen\n\nde Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. W. Vrooman).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 23 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\nDe minister heeft op 29 oktober 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 3 november 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1968.\n\n2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.\n\n3. Eiser heeft aangevoerd dat de staandehouding onrechtmatig was omdat hij ten tijde van de staandehouding rechtmatig in Nederland verbleef op grond van de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 10 juli 2025, kenmerk AWB 25\u002F3308. Eiser mocht dus niet worden uitgezet. Daarbij komt nog dat het besluit van de minister van 23 oktober 2025 tot ongegrondverklaring van het bezwaar niet op de juiste wijze is bekendgemaakt: de gemachtigde van eiser in die zaak had ten tijde van het indienen van de gronden tegen de maatregel nog geen besluit ontvangen. Verder is onduidelijk waarom eiser is staande gehouden. Uit het proces-verbaal staandehouding\u002Foverbrenging\u002Foverdracht van 23 oktober 2025 blijkt niet dat het besluit van 23 oktober 2025 aan eiser is uitgereikt, althans welk besluit aan hem is uitgereikt en ook niet dat eiser is staande gehouden tijdens zijn meldplicht. Volgens eiser moeten alle relevante feiten en omstandigheden die tot de staandehouding hebben geleid, worden opgenomen in het proces-verbaal staandehouding.\n\n4. De rechtbank stelt vast dat uit het proces-verbaal staandehouding\u002Foverbrenging\u002Foverdracht van 23 oktober 2025 blijkt dat eiser zich op die datum is staande gehouden in het politiebureau te Utrecht. In het formulier “HV-21 Formulier bijzonderheden zaak” van 23 oktober 2025 staat vermeld dat deze staandehouding plaatsvond bij de wekelijkse meldplicht van eiser. Uit het verslag van een met eiser op dezelfde datum gehouden vertrekgesprek blijkt duidelijk dat het besluit van 23 oktober 2025 aan eiser is uitgereikt en dat eiser voor de ontvangst van het besluit getekend heeft.\n\n5. De rechtbank overweegt dat noch uit de wet, noch uit de jurisprudentie, volgt dat alle voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de staandehouding relevante feiten en omstandigheden moeten zijn opgenomen in het proces-verbaal van staandehouding. De minister kan hiervoor ook verwijzen naar andere in het dossier opgenomen stukken, zo lang de rechtbank uit het samenstel van de betreffende stukken voldoende informatie heeft om de gehele relevante context van feiten en omstandigheden die tot de staandehouding hebben geleid, te beoordelen. Naar het oordeel van de rechtbank is dit hier het geval. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat het besluit van 23 oktober 2025 rechtsgeldig aan eiser is uitgereikt en bekendgemaakt en daardoor in werking is getreden conform de artikelen 3:40 en 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht. Vanaf dat moment was eiser niet meer rechtmatig in Nederland en mocht hij op grond van het bepaalde in artikel 50 van de Vw staande worden gehouden. Dat het besluit niet op de dag van staandehouding bekend was bij de gemachtigde van eiser in de reguliere verblijfsprocedure, geeft de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\n6. Eiser voert aan dat voor het opleggen van de maatregel van bewaring onvoldoende gronden aanwezig waren, omdat eiser ten tijde van de inbewaringstelling niet verwijderbaar was. Hij verblijft bij zijn moeder in [plaats] en er is geen sprake van niet actief meewerken aan de uitzetting. Tot aan de staandehouding had eiser procedureel rechtmatig verblijf en was er geen sprake van een vertrekplicht, dus hoefde eiser daar ook niet aan mee te werken.\n\n7. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontweek of belemmerde. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:\n\n3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;\n\n3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;\n\n3h. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van de Wet of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Wet;\n\n3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser:\n\n4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;\n\n4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;\n\n4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.\n\n8. Verweerder heeft ter zitting de gronden 4c en 4d ingetrokken.\n\n9. Wat eiser heeft aangevoerd geeft geen aanleiding de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten. De reden hiervoor is, zoals de rechtbank hierboven heeft overwogen, dat eiser ten tijde van het opleggen van de maatregel niet rechtmatig in Nederland verbleef. De minister heef daarom de gronden 3c, 3h en 3i aan de maatregel ten grondslag mogen leggen. Omdat deze gronden voldoende zijn om de maatregel te kunnen dragen, behoeven de andere gronden geen bespreking meer. Dat bij de motivering van de gronden niet expliciet is verwezen naar het besluit van 23 oktober 2025 maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat deze gronden niet feitelijk juist zijn. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\n10. Eiser heeft vervolgens betoogd dat de minister had dienen te volstaan met de oplegging van een lichter middel. Hij verbleef bij zijn moeder in [plaats] en is dus traceerbaar.\n\n11. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).\n\n12. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is naar het oordeel van de rechtbank gebleken dat eiser sinds 2017 onrechtmatig in Nederland was en sinds die tijd niet heeft voldaan aan zijn vertrekplicht. Hij heeft zich enkele malen niet gemeld en in 2023 is hij met onbekende bestemming vertrokken. Verder stelt hij af en toe in [plaats] te verblijven, maar noemt hij geen adres. Dit is door eiser niet bestreden. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet heeft hoeven te volstaan met de oplegging van een lichter middel. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\n13. Eiser heeft ten slotte aangevoerd dat hij detentieongeschikt is. Hij heeft een tumor in zijn rug en hij heeft suikerziekte. Hij krijgt niet al zijn medicatie en heeft regelmatig epileptische aanvallen.\n\n14. De rechtbank stelt voorop dat het aan eiser is om aan te tonen dat hij detentieongeschikt is. Bij de gronden van het beroep is een medische verklaring op naam van eiser overgelegd uit 2016 en een patiëntenkaart met medische gegevens over de periode 2015-2024, waarop geen naam is vermeld, zodat niet duidelijk is of deze gegevens betrekking hebben op eiser. Nog afgezien daarvan is daaruit niet af te leiden dat er sprake is van detentieongeschiktheid. De rechtbank wijst nog op het formulier “HV-21 Formulier bijzonderheden zaak” van 23 oktober 2025, waarin – kort weergegeven - is vermeld dat eiser veel kwalen heeft en veel medicijnen gebruikt en dat daarom een arts gebeld is die eiser telefonisch heeft geconsulteerd en insluitwaardig heeft bevonden. Tijdens het ophoudingsgehoor heeft eiser verklaard dat hij epilepsie, longemfyseem en een goedaardige tumor in zijn rug heeft. Uit deze verklaring en uit hetgeen hij bij het gehoor tijdens de inbewaringstelling heeft verklaard hoefde de minister naar het oordeel van de rechtbank niet te concluderen dat eiser detentieongeschikt was. Indien eiser van menig is dat zijn klachten dusdanig verergeren of zijn verergerd dat er wel sprake zou kunnen zijn van detentieongeschiktheid, staat het hem vrij om zich te melden bij de medische dienst in het detentiecentrum. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\n15. Uit het arrest Adrar (uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025, ECLI:EU:2025:647) volgt dat de bewaringsrechter verplicht is om – zo nodig ambtshalve – na te gaan of het beginsel van non-refoulement, het belang van het kind en het familie- en gezinsleven zich verzetten tegen de verwijdering ven een vreemdeling.\n\n16. De rechtbank is van oordeel dat het dossier van eiser geen aanknopingspunten biedt voor het vermoeden dat met de uitvoering van het terugkeerbesluit afbreuk wordt gedaan aan het beginsel van non-refoulement, het belang van het kind en het familie-en gezinsleven.\n\n17. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing voor het overige niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.\n\n18. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Bruins, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\n21 november 2025\n\nDocumentcode: [Documentcode]\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:22097","2026-07-13T00:28:33.668Z",{"id":107,"ecli":108,"slug":109,"caseNumber":43,"courtId":101,"decisionDate":102,"fullText":110,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":111,"sourceTimestamp":84,"parsedAt":51,"updatedAt":112},"499","ECLI:NL:RBDHA:2025:22099","ecli-nl-rbdha-2025-22099","uitspraak\n\nRECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: NL25.54840 en NL25.54841\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen\n\n [eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. F. Boone), en\n\nde Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. S.H.F. Pols).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 14 oktober 2025 (bestreden besluit 1) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. De minister heeft deze maatregel van bewaring op 29 oktober 2025 opgeheven.\n\nBij besluit van 29 oktober 2025 (bestreden besluit 2) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid en onder a, van de Vw opgelegd.\n\nEiser heeft tegen beide besluiten beroep ingesteld. Deze beroepen moeten tevens worden aangemerkt als verzoeken om toekenning van schadevergoeding.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen op 17 november 2025 gelijktijdig op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Cabir. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. Eiser stelt van Bengaalse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1992.\n\n2. Omdat de maatregel van bewaring van 14 oktober 2025 (bestreden besluit 1) is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.\n\nTolk\n\n3. Eiser voert aan dat tijdens het gehoor voor inbewaringstelling op 14 oktober 2025 geen gebruik is gemaakt van een beëdigd tolk. In het gehoorverslag staat dat er geen beëdigd tolk beschikbaar zou zijn in de taal Bengali, maar die is er volgens eiser wel. Ook in het gehoor voor inbewaringstelling op 29 oktober 2025 is geen gebruik gemaakt van een beëdigd tolk. In beide gespreksverslagen is niet gemotiveerd waarom gebruik is gemaakt van een niet-beëdigd tolk.\n\n4. De rechtbank overweegt als volgt. In beide gehoren is gebruik gemaakt van dezelfde niet-beëdigde tolk, omdat er op dat moment geen beëdigd tolk in de taal Bengali beschikbaar was. De rechtbank ziet niet in dat eiser in zijn belangen is geschaad door het gebruik van een niet-beëdigd tolk. Volgens beide op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van de gehoren heeft eiser verklaard de tolk steeds goed te verstaan en te begrijpen. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nBewaringsgronden\n\n5. In beide maatregelen van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond en bestaat dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken en eiser de voorbereiding van de asielprocedure respectievelijk het vertrek of de uitzettingsprocedure ontweek of belemmerde. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden in beide besluiten – met uitzondering van de zware grond onder 3i, die staat enkel vermeld in bestreden besluit 2– vermeld dat eiser:\n\n3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;\n\n3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;\n\n3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;\n\n3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;\n\n3i. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden in beide besluiten vermeld dat eiser:\n\n4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;\n\n4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;\n\n4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;\n\n4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;\n\n4f. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.\n\n6. Eiser betwist de zware grond onder 3d en de lichte grond onder 4f. De rechtbank is echter van oordeel dat de niet betwiste zware gronden onder 3a, 3b, 3c en 3i en de lichte gronden onder 4a, 4b, 4c en 4d feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. Deze gronden kunnen de maatregelen van bewaring dragen, omdat hieruit een risico op onttrekking aan het toezicht blijkt. De rechtbank laat de door eiser betwiste gronden om die reden verder onbesproken.\n\nLichter middel\n\n7. Eiser stelt dat de minister had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van bewaring, zoals een vrijheidsbeperkende maatregel.\n\n8. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat niet kan worden volstaan met een lichter middel. Uit de niet betwiste gronden en de motivering daarvan blijkt al dat er een risico op onttrekking aan het toezicht bestaat. Daarnaast zijn in de afweging of een lichter middel kan worden toegepast, de verklaringen van eiser over zijn medische situatie betrokken. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nZicht op uitzetting\n\n9. Eiser stelt dat er in zijn geval geen zicht is op uitzetting naar Bangladesh. Hiertoe voert hij aan dat er momenteel geen laissez-passer(lp)-traject loopt en ook geen lp-traject kan worden opgestart met de informatie die op dit moment bekend is.\n\n10. De rechtbank overweegt als volgt. De minister heeft ter zitting verklaard dat de Bengaalse autoriteiten een eerdere lp-aanvraag voor eiser hebben afgewezen op 15 juli 2024. De vertegenwoordiger van Bangladesh heeft toen geconstateerd dat de door eiser verstrekte (kopie)geboorteakte niet echt is. De minister heeft daarom in het vertrekgesprek van 13 november 2025 aangegeven dat eiser zelf dient te onderbouwen wie hij is en wat zijn nationaliteit is door bijvoorbeeld stukken op te vragen bij familieleden in Bangladesh of zich te wenden tot de autoriteiten van Bangladesh. Zoals volgt uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State1 mag van eiser worden verwacht dat hij actief en volledig meewerkt aan de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit. De rechtbank acht niet gebleken dat eiser daartoe niet in staat is, ook al heeft hij Bangladesh geruime tijd geleden verlaten en stelt hij geen contact meer te hebben met zijn familie in Bangladesh. Daarom ziet de rechtbank in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat er geen zicht op uitzetting naar Bangladesh is. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nVoortvarend handelen\n\n11. Eiser stelt dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Er is nog geen enkele informatie overgelegd over de voortgang van eisers zaak. Eiser stelt dat hierdoor sprake is van een gebrek.\n\n12. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Na de oplegging van de huidige maatregel van bewaring (bestreden besluit 2) zijn op 31 oktober 2025 en 13 november 2025 met eiser vertrekgesprekken gevoerd. Op 31 oktober 2025 is aanvankelijk een lp-aanvraag aan de Directie Internationale Aangelegenheden verzonden, maar deze aanvraag is niet extern doorgezet als gevolg van de eerdere bevindingen van de Bengaalse autoriteiten en het gebrek aan andere documenten. De minister zal ten behoeve van de uitzetting regelmatig vertrekgesprekken met eiser blijven voeren. Deze handelingen zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende om te oordelen dat de minister voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.\n\n1. Vergelijk ABRvS 22 februari 2006 (ECLI:NL:RVS:2006:AV3295) en ABRvS 23 april 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BI3894).\n\nAmbtshalve toetsing\n\n13. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregelen van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig waren. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.\n\nConclusie\n\n14. De beroepen zijn ongegrond. Daarom worden ook de verzoeken om schadevergoeding afgewezen.\n\n15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart de beroepen ongegrond;\n\nwijst de verzoeken om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\n21 november 2025\n\nDocumentcode: [Documentcode]\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:22099","2026-07-13T00:28:33.601Z",{"id":114,"ecli":115,"slug":116,"caseNumber":43,"courtId":117,"decisionDate":118,"fullText":119,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":120,"sourceTimestamp":102,"parsedAt":51,"updatedAt":121},"354","ECLI:NL:RBDHA:2025:21950","ecli-nl-rbdha-2025-21950",61,"2025-11-19T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL24.42498\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , [v-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. D.H. Yabasun),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. G.L. Wischhoff).\n\nProcesverloop\n\nIn deze einduitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing\n\nvan zijn (opvolgende) asielaanvraag. Eiser heeft op 21 april 2023 een (opvolgende) aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 24 oktober 2024 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nVoor het procesverloop verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak die zij op 11 april 2025 heeft gedaan op het beroep van eiser (de tussenuitspraak).\n\nIn de tussenuitspraak heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.\n\nVerweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend.\n\nEiser heeft hierop een schriftelijke zienswijze (de zienswijze) gegeven.\n\nVerweerder heeft een aanvullende reactie ingediend.\n\nEiser is in de gelegenheid gesteld daarop te reageren, maar heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.\n\nDe rechtbank heeft op grond van artikel 8:57, tweede lid, van de Algemene wet\n\nBestuursrecht (Awb) bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.\n\nOverwegingen\n\n1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5704) en 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4694).\n\nDe tussenuitspraak\n\n2. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat verweerder niet ten onrechte het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig heeft geacht. De rechtbank heeft echter een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek geconstateerd bij het tegenwerpen van een binnenlands beschermingsalternatief in [plaats] (rechtsoverweging 10). Verweerder is in het bestreden besluit namelijk onvoldoende ingegaan op de voorwaarden die gelden voor het tegenwerpen van een vestigingsalternatief en op de individuele omstandigheden van eiser.\n\nDe aanvullende motivering\n\n3. Verweerder heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om het gebrek te herstellen. In de aanvullende motivering van 10 juli 2025 heeft verweerder overwogen dat [plaats] als binnenlands beschermingsalternatief kan gelden voor eiser op grond van paragraaf C2\u002F3.4. van de Vreemdelingencirculaire (Vc) omdat zijn asielrelaas ongeloofwaardig is geacht. In [plaats] is immers geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. Volgens verweerder is niet gebleken van belemmeringen voor vestiging in [plaats] . Volgens verweerder is daarbij ten eerste van belang dat eisers asielrelaas (terecht) ongeloofwaardig is geacht. Hij staat dus niet in de negatieve aandacht van de Congolese autoriteiten. Eiser spreekt verder de Franse taal en die taal wordt ook gesproken in [plaats] . Dat eiser geen netwerk heeft in [plaats] klopt, maar verweerder ziet niet in waarom hij geen netwerk zou kunnen opbouwen in [plaats] . Ten slotte is niet gebleken van medische belemmeringen en zijn er geen aanwijzingen dat het terugkeren met een laissez-passer (LP) tot problemen zou leiden bij terugkeer.\n\nJuridisch kader\n\n4. Uit vaste jurisprudentie van de Afdelingvolgt dat de minister een binnenlands beschermingsalternatief, in de zin van een vlucht- of vestigingsalternatief, mag tegenwerpen als een vreemdeling in een deel van zijn land van herkomst geen gegronde vrees heeft voor vervolging en daar ook geen reëel risico op ernstige schade loopt. Verder moet dat deel van het land toegankelijk zijn voor die vreemdeling en moet hij op een veilige en wettige manier daarnaartoe kunnen reizen. Ook moet de minister redelijkerwijs van de vreemdeling mogen verwachten dat hij zich er vestigt (artikel 3.37d, eerste lid, van het VV 2000, en paragraaf C2\u002F3.4 van de Vc 2000).\n\nReactie eiser op aanvullende motivering\n\n5. Eiser stelt zich op het standpunt dat het wel degelijk problematisch is dat hij enkel Frans spreekt en geen Lingala. Lingala is namelijk de primaire of volkstaal in [plaats] en wordt gesproken door de Congolezen onderling. Eiser zal omdat hij geen Lingala spreekt gediscrimineerd worden. Hij zal als buitenstaander worden gezien en in combinatie met zijn gebrek aan een netwerk zal dit zijn integratie en leven in [plaats] zeer moeilijk maken.\n\nVerder stelt eiser dat hij, omdat hij reist met een LP, zal worden ondervraagd op de luchthaven. Congolezen die op een opsporingslijst staan lopen groot gevaar om te worden gemarteld. Bovendien is de kans groot dat de Congolese autoriteiten weten dat hij in Nederland asiel heeft aangevraagd. Eiser stelt dat de presentatie bij de Congolese ambassade die stond gepland op 25 juli 2025 bovendien onrechtmatig was omdat nog niet vaststond dat het beginsel van non-refoulement zich niet verzette tegen zijn uitzetting.\n\nEiser stelt zich te slotte op het standpunt dat zijn medische situatie zich verzet tegen zijn terugkeer naar Congo. Eiser doet hierbij een beroep op het arrest Paposhvili tegen België.\n\nOverwegingen van de rechtbank\n\nHet binnenlands beschermingsalternatief\n\n6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het geconstateerde gebrek in de tussenuitspraak heeft hersteld met de aanvullende motivering van 10 juli 2025. Zij overweegt daartoe als volgt.\n\n6.1.. Uit de tussenuitspraak volgt dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers gestelde vrees voor vervolging door de Congolese autoriteiten ongeloofwaardig is geacht. Eiser is het blijkens zijn verklaring in het aanvullende gehoor na de tussenuitspraak niet eens met dit oordeel van de rechtbank. Eiser zal zijn bezwaren tegen dit oordeel echter in een hoger beroepsprocedure aan de orde moeten stellen. De rechtbank ziet in wat eiser aanvoert geen zeer uitzonderlijke omstandigheden die aanleiding geven op haar in de tussenuitspraak gegeven oordeel terug te komen. Dit betekent dat eiser in [plaats] geen gegronde vrees heeft voor vervolging en daar ook geen reëel risico op ernstige schade loopt. Verder heeft eiser niet betwist dat [plaats] feitelijk toegankelijk is voor hem en dat hij [plaats] op een veilige en wettige manier kan bereiken. Het geschil spitst zich daarom toe op de derde voorwaarde voor het tegenwerpen van een binnenlands beschermingsalternatief; verweerder moet redelijkerwijs van eiser mogen verwachten dat hij zich in [plaats] vestigt.\n\n6.2.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser de Franse taal machtig is en zich dus verstaanbaar kan maken in [plaats] . Eiser heeft zelf ook erkend dat er Frans wordt gesproken en verweerder heeft terecht gesteld dat Frans de officiële taal is in [plaats] . Eiser heeft zijn stelling dat hij gediscrimineerd zal worden omdat hij geen Lingala spreekt niet onderbouwd met landeninformatie, laat staan dat hij heeft onderbouwd dat dit in zijn geval tot daadwerkelijke problemen zal leiden. Verweerder heeft zich verder op het standpunt kunnen stellen dat eiser weliswaar op dit moment geen netwerk heeft in [plaats] , maar dat dit niet zonder meer betekent dat niet van eiser mag worden verwacht dat hij zich daar vestigt. Hierbij is van belang dat eiser de eerste 30 jaar van zijn leven in Congo heeft gewoond, de Congolese nationaliteit heeft en hoogopgeleid is. Daarmee is de situatie van eiser niet vergelijkbaar met die van de van de vreemdelinge (een alleenstaande vrouw) in de recente uitspraak van de Afdeling over het tegenwerpen van [plaats] als binnenlands beschermingsalternatief.Niet valt in te zien waarom eiser niet naar lokale maatstaven een normaal leven zou kunnen leiden in [plaats] . Eiser heeft in zijn zienswijze op de aanvullende motivering nog gesteld dat hij door zijn slechte gezondheid geen handenarbeid zal kunnen verrichten en dat hij, omdat hij gedwongen kan worden uitgezet, alles zal moeten achterlaten en niet zal kunnen bewijzen dat hij is afgestudeerd, zodat hij zonder financiële middelen zal moeten overleven. Verweerder heeft in reactie hierop niet ten onrechte opgemerkt dat eiser niet heeft onderbouwd dat hij om gezondheidsredenen geen handenarbeid kan verrichten en dat niet valt in te zien waarom eiser bij uitzetting zijn persoonlijke bezittingen niet kan meenemen of deze eventueel kan laten nasturen. Verder heeft verweerder erop kunnen wijzen dat eiser bij zijn integratie in Nederland financieel is ondersteund door vrienden en dat niet is gebleken dat dit niet opnieuw zou kunnen gebeuren.\n\n6.3.. Wat eiser aanvoert ten aanzien van de mogelijke problemen bij aankomst op de luchthaven, treft geen doel. Hiertoe is ten eerste van belang dat uit de tussenuitspraak volgt dat verweerder het asielrelaas van eiser niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Dit betekent dat verweerder ook ongeloofwaardig heeft kunnen achten dat eiser op een opsporingslijst staat of anderszins in de negatieve aandacht staat van de Congolese autoriteiten. Uit de landeninformatie waar eiser naar verwijst blijkt niet dat alle terugkerende Congolezen die met een LP reizen bij terugkeer problemen ervaren. Verweerder heeft bovendien gewezen op landeninformatie waaruit volgt dat personen die (gedwongen) terugkeren geen problemen ondervinden. Eiser heeft ook niet onderbouwd waarom de Congolese autoriteiten op de hoogte zouden zijn van zijn asielaanvraag in Nederland, terwijl verweerder heeft aangegeven deze informatie nooit te delen met de autoriteiten in Congo.\n\nPresentatie bij de ambassade op 25 juli 2025\n\n7. De rechtbank is van oordeel dat in een geval als dat van eiser, waar de rechtbank zich al heeft uitgelaten over het geloofwaardigheidsoordeel van verweerder ten aanzien van de gestelde vrees voor vervolging door de autoriteiten, niet valt in te zien waarom verweerder eiser niet mag presenteren bij de Congolese ambassade. In beginsel staat immers met de tussenuitspraak vast dat verweerder niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht dat eiser vreest voor vervolging door die autoriteiten. De presentatie bij die autoriteiten zou daarom niet tot negatieve gevolgen voor eiser moeten leiden. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.\n\nMedische situatie\n\n8. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken van medische bezwaren tegen de terugkeer van eiser naar [plaats] . Eiser heeft geen verklaring van een arts overgelegd waaruit dit blijkt. Eiser stelt weliswaar dat hij medische problemen heeft en dat sprake zou zijn van een ernstige, snelle en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand, met als gevolg intens lijden of een aanzienlijke vermindering van zijn levensverwachting als hij zou worden uitgezet, maar heeft dit dus onvoldoende onderbouwd. Verweerder stelt bovendien terecht dat hij niet gehouden is ambtshalve aan artikel 64 van de Vw te toetsen, nu het een opvolgende asielaanvraag betreft.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Omdat verweerder in zijn reactie op de tussenuitspraak het gebrek heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.\n\n10. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2,5 punten op (1 punt voor het verschijnen op ter zitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus met een waarde per punt van € 907,-, bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 2.267,50.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit;\n\n- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;\n\n- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.267,50.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. L.D. Osborne, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak en de tussenuitspraak\u002Ftussenuitspraken, kunt een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 29 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1328, 24 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3805 en 23 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5038.\n\n Uitspraak van 23 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5038.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:21950","2026-07-13T00:28:25.808Z",{"id":123,"ecli":124,"slug":125,"caseNumber":43,"courtId":117,"decisionDate":126,"fullText":127,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":128,"sourceTimestamp":129,"parsedAt":51,"updatedAt":130},"577","ECLI:NL:RBDHA:2025:22590","ecli-nl-rbdha-2025-22590","2025-11-18T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: NL24.42636, NL25.14206, NL25.14212 en NL25.14216uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer 1] ,\n\n [naam eiseres 1] , eiseres 1\n\nV-nummer: [V-nummer 2] ,\n\nmede namens hun minderjarige kinderen\n\n [naam kind 1]en[naam kind 2]\n\nV-nummers: [V-nummer 3] en [V-nummer 4]\n\nen\n [naam eiseres 2] , eiseres 2\n\nV-nummer: [V-nummer 5] ,\n\nsamen: eisers,\n\n(gemachtigde: mr. O. Sarac),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. F. Becker).\n\nProcesverloop\n\n1. Eisers hebben op 15 juli 2023 aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.\n\n1.1.. Eiseres 2 heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag.\n\n1.2.. Verweerder heeft met de bestreden besluiten van 21 maart 2025 de aanvragen in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.\n\n1.3.. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.\n\n1.4.. Eisers hebben op 12 augustus 2025 aanvullende gronden ingediend.\n\n1.5.. De rechtbank heeft de beroepen op 13 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, bijgestaan door hun gemachtigde, de gemachtigde van verweerder en als tolk K. Efe.\n\nBeroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag\n\n2. Omdat verweerder inmiddels een besluit op de asielaanvraag van eiseres 2 heeft genomen, heeft zij geen belang meer bij haar beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag is daarom niet-ontvankelijk. Het beroep heeft op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede betrekking op het alsnog genomen besluit.\n\n3. Eiseres 2 krijgt wel een vergoeding voor de proceskosten die zij in het kader van het beroep niet-tijdig beslissen heeft gemaakt. Zij stelt namelijk terecht dat verweerder niet tijdig op haar aanvraag heeft beslist. Eiseres 2 heeft een geldige ingebrekestelling verstuurd nadat de beslistermijn was verstreken en verweerder heeft pas na het instellen van het beroep tegen het niet tijdig beslissen een besluit genomen. Verweerder moet daarom de proceskostenvergoeding betalen. Toegekend wordt € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,-, bij een wegingsfactor 0,5).\n\nBeroepen tegen de bestreden besluiten\n\nDe asielrelazen\n\n4. Eisers stellen van Turkse nationaliteit te zijn. Eiser stelt geboren te zijn op [geboortedatum 1] 1966, eiseres 1 stelt geboren te zijn op [geboortedatum 2] 1978 en eiseres 2 is de dochter van eiser en eiseres en stelt geboren te zijn op [geboortedatum 3] 1999. Eisers leggen aan hun asielaanvragen het volgende ten grondslag. Zij zijn van Koerdische afkomst en zijn allen actief geweest voor de HDP. Zij hebben daardoor problemen ondervonden van de autoriteiten. Zo is eiser meerdere malen aangehouden, ondervraagd en mishandeld. Eiseres 1 is ook wel eens aangehouden. Verder is het familiehuis (waar eisers niet woonden) van eisers in brand gestoken. Ten slotte zijn de autoriteiten na hun vertrek langsgegaan bij hun huis.\n\nHet besluit ten aanzien van eisers\n\n5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:\n\nIdentiteit, nationaliteit en herkomst;\n\nProblemen vanwege activiteiten voor HDP\u002FDEM;\n\nProblemen vanwege Koerdische afkomst.\n\n6. Het asielrelaas van eiseres 1 bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:\n\nIdentiteit, nationaliteit en herkomst;\n\nProblemen vanwege betrokkenheid bij HDP;\n\nProblemen vanwege Koerdische afkomst.\n\n7. Het asielrelaas van eiseres 2 bevat volgens verweerder uitsluitend de volgende relevante elementen:\n\nIdentiteit, nationaliteit en herkomst;\n\nProblemen vanwege betrokkenheid bij HDP.\n\n8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers deels geloofwaardig is. De overige relevante elementen heeft verweerder niet geloofwaardig geacht. Verweerder heeft verder aan eisers tegengeworpen dat zij zich onnodig hebben ontdaan van hun identiteits- en reisdocumenten zodat hun identiteit niet kan worden vastgesteld en dat eisers duidelijk tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd. Verweerder heeft de aanvragen daarom afgewezen als kennelijk ongegrond. In het geval van eiser en eiseres 1 is dit gebeurd op grond van artikel 30b, eerste lid, onder d en e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en in het geval van eiseres 2 alleen op grond van artikel 30b, eerste lid, onder d, van de Vw.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nLate indiening nieuwe beroepsgronden\n\n9. De rechtbank stelt vast dat eisers op 12 augustus 2025, één dag voor de zitting, nog aanvullende beroepsgronden hebben ingediend. De rechtbank heeft dit met partijen besproken, omdat voorstelbaar is dat verweerder zich daardoor onvoldoende heeft kunnen voorbereiden. Anders dan de gemachtigde van eisers stelt, bevatten de aanvullende gronden ook nieuwe beroepsgronden. De gemachtigde van verweerder heeft echter te kennen gegeven dat zij voldoende heeft kunnen reageren op hetgeen door eisers naar voren is gebracht. Daarom ziet de rechtbank geen aanleiding om gevolgen te verbinden aan de late indiening van de aanvullende gronden.\n\nIdentiteit, nationaliteit en herkomst\n\n10. Eisers voeren aan dat ten onrechte aan hen is tegengeworpen dat hun identiteit niet geloofwaardig is. Hun documenten zijn in Duitsland ingenomen en die hebben zij niet terug weten te krijgen. Daarnaast zijn hun inloggegevens voor E-devlet verlopen en kunnen deze enkel fysiek in Turkije worden hernieuwd. Desondanks hebben eisers familie-uittreksels en andere indirecte bewijsstukken overgelegd. Dat zou voldoende moeten zijn.\n\n11. Verweerder heeft ter zitting de tegenwerping laten vallen dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser en eiseres 1 ongeloofwaardig is. Volgens verweerder is hun identiteit, nationaliteit en herkomst met het overleggen van de paspoorten in beroep aannemelijk gemaakt. Verweerder houdt vast aan de tegenwerping voor zover het eiseres 2 betreft.\n\n12. De rechtbank is van oordeel dat verweerder aan eiseres 2 heeft kunnen tegenwerpen dat niet is gebleken is dat zij zich heeft ingespannen om haar identiteit gedurende de asielprocedure te onderbouwen met documenten terwijl dit wel van haar verwacht mag worden. Verweerder heeft zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiseres 2 zich onnodig heeft ontdaan van haar paspoort en identiteit. Zij heeft verklaard dat zij haar paspoort en identiteitskaart heeft gegeven aan de mensensmokkelaars, omdat zij dacht dat zij niks aan deze documenten zou hebben. Die verklaring duidt op het vrijwillig afgeven van haar documenten en dat kan haar worden tegengeworpen. Zij heeft bovendien niet op een andere wijze haar identiteit aannemelijk kunnen maken. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.\n\nHDP-leden als risicogroep\n\n13. Eisers voeren (in hun aanvullende gronden) aan dat HDP-leden ten tijde van hun binnenkomst in Nederland werden aangemerkt als risicogroep en met geringe indicaties aannemelijk konden maken dat zij een gegronde vrees voor vervolging door de Turkse autoriteiten hadden. Verweerder heeft daarom ten onrechte niet aan de hand van dit beleid getoetst.\n\n14. Verweerder moet in beginsel uitgaan van het beleid zoals dat gold op het moment dat het bestreden besluit werd genomen. Verweerder moet namelijk beoordelen of de vreemdeling op het moment van toetsen – en dus niet op het moment van de asielaanvraag – een gegronde vrees voor vervolging heeft of bij terugkeer een reëel risico loopt op schending van het verbod op refoulement. De enkele omstandigheid dat een vreemdeling door toepassing van nieuw beleid in een ongunstiger positie komt, is in dit geval onvoldoende om van dit uitgangspunt af te wijken. Eisers hebben verder geen bijzondere individuele omstandigheden naar voren gebracht die aanleiding geven tot een ander oordeel.\n\n15. In de aanvullende beroepsgronden van 12 augustus 2025 wordt verder verwezen naar een uitspraak (ECLI:NL:RBDHA:2022:6411) waarin onder meer zou staan dat het lidmaatschap van de HDP ‘op zichzelf reeds een reëel risico op vervolging inhoudt’ en dat ‘zelfs geringe betrokkenheid bij de partij aanleiding kan zijn tot vervolging door de Turkse autoriteiten’. Dit is schuingedrukt en met aanhalingstekens weergegeven in de aanvullende beroepsgronden, dus als citaat, maar is niet in de uitspraak terug te vinden. Ook lijkt de strekking van het citaat niet in lijn met bestaande jurisprudentie op dit punt. Hiermee geconfronteerd tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eisers aangegeven dat het citaat waarschijnlijk uit een andere uitspraak komt en dat ze het anders niet weet. Ze heeft het gebruik van ChatGPT ontkend. Deze gang van zaken roept bij de rechtbank vragen op, ook omdat het citaat niet in een andere uitspraak kon worden teruggevonden. In elk geval geldt dat de uitspraak waarop eisers zich hebben beroepen, hen niet kan baten.\n\n16. Eisers hebben verder in beroep enkel verouderde landeninformatie naar voren gebracht. Voor zover zij zich op het standpunt stellen dat uit deze informatie valt af te leiden dat HDP-leden nu nog altijd als risicogroep moeten worden aangemerkt, kan die beroepsgrond alleen al daarom niet slagen.\n\nProblemen vanwege betrokkenheid bij de HDP\n\n17. Eisers voeren aan dat verweerder ten onrechte de problemen als gevolg van hun betrokkenheid bij de HDP ongeloofwaardig heeft geacht. Zo is eiser al sinds de jaren ’90 betrokken bij de HDP en heeft hij deelgenomen aan demonstraties, huis-aan-huiscampagnes en de organisatie van bijeenkomsten. Het feit dat eiser minder van de partij zelf afweet vanwege zijn analfabetisme doet niet af aan zijn betrokkenheid bij de partij. Eiseres 1 is ook al sinds 1996 actief bij de partij en heeft gedetailleerd verklaard over haar activiteiten. Bovendien heeft zij een aantal ondersteunende documenten overgelegd. Dat zij niet meer heeft kunnen overleggen is het gevolg van de brand in haar woning. Ook eiseres 2 had beschikking over documenten ter onderbouwing van haar lidmaatschap en activiteiten, maar deze zijn verloren gegaan tijdens politie-invallen. Na het vertrek heeft de politie bovendien een inval gedaan in het huis, waarmee de negatieve aandacht van de autoriteiten wordt bevestigd.\n\n18. Verweerder heeft terecht aan eisers tegengeworpen dat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij daadwerkelijk lid zijn (geweest) van de HDP. Verweerder mag in dat kader van eisers verwachten dat zij het lidmaatschap met documenten kunnen onderbouwen, vooral nu zij stellen lange tijd betrokken te zijn geweest bij de partij. Dit geldt vooral voor eiser en eiseres 1. Eiseres 1 stelt bijvoorbeeld sinds 1996 actief te zijn geweest voor de HDP en van haar mag worden verwacht dat zij meer kan overleggen dan een kopie van een handgeschreven lidmaatschapsaanvraag uit 2015 die niet op authenticiteit kan worden gecontroleerd en waaruit niet kan worden afgeleid of zij daadwerkelijk lid is geworden. Gelet op de lange periode dat eiser actief was voor HDP, heeft verweerder ook van eiser mogen verwachten dat hij zijn activiteiten kan aantonen met documenten. Eiseres 2 heeft ook geen documenten overlegd ter onderbouwing voor haar lidmaatschap, terwijl zij zelfs stelt te hebben gewerkt als stembusmedewerker. Verweerder heeft het bevreemdend kunnen vinden dat eisers geen enkel document hebben kunnen overleggen waaruit blijkt dat één van hen lid is geweest van de HDP. Dit heeft verweerder in het nadeel van eisers mogen wegen in de geloofwaardigheidsbeoordeling. De stukken die eisers wel hebben overgelegd zeggen niets over het gestelde lidmaatschap van de HDP. Verweerder heeft verder vooral in het geval van eiser en eiseres 1, die decennialang stellen te zijn betrokken bij de HDP en zijn voorgangers, mogen verwachten dat zij op zijn minst gedetailleerd kunnen verklaren over de partij. Eiser heeft bovendien wisselend verklaard over het al dan niet daadwerkelijk lid zijn van de partij.Zeker nu eiser heeft verklaard dat hij een significante rol binnen de partij heeft gespeeld, valt niet in te zien waarom hij niet weet waar de naam van de partij voor staat en wie de partijprominenten zijn. Dat eiser analfabeet is, is geen afdoende verklaring voor dit gebrek aan basale kennis over de HDP. Verweerder stelt ook niet ten onrechte dat eiseres 2 met haar verklaringen onvoldoende kennis over de partij heeft laten blijken.\n\n19. De rechtbank constateert verder dat eisers ook in beroep geen inhoudelijke gronden richten tegen de door verweerder verrichte geloofwaardigheidsbeoordeling. Eisers stellen zich op het standpunt dat hun problemen in lijn zijn met de landeninformatie en dat hun verklaringen wel consistent zijn. Dat is echter geen daadwerkelijke betwisting of weerlegging van de door verweerder aan de afwijzing ten grondslag gelegde tegenstrijdigheden, ongerijmdheden en vaagheden. Verweerder heeft dan ook niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht dat eisers in de negatieve belangstelling staan van de autoriteiten vanwege hun (gestelde) activiteiten voor de HDP. Ook van de gestelde problemen hebben eisers geen enkel document overgelegd. Dit terwijl eiseres 1 stelt dat de politie tien keer een inval heeft gedaan in hun huis en dat zij foto’s heeft gemaakt van een huiszoeking in 2020.Eiseres 2 stelt in haar gehoor ook dat haar moeder de inval in juni 2023 heeft gefilmd.Verweerder heeft terecht aan eiseressen tegengeworpen dat zij geen beeldmaterieel hebben overgelegd. De verklaring van eiseres 2 dat zij haar mobiele telefoon heeft verkocht en dus niet beschikt over het beeldmateriaal, heeft verweerder geen afdoende verklaring hoeven vinden. Uit de verklaringen van eiseres 2 komt blijkt bovendien dat zij lange tijd probleemloos in Istanbul heeft kunnen verblijven en alleen enkele keren door de politie is gecontroleerd.\n\n20. In het geval van eiseres 1 komt uit haar verklaringen naar voren dat zij maar een bescheiden rol stelt te hebben vervuld binnen de HDP. Het ligt in dat geval ook op haar weg om aannemelijk te maken dat zij ondanks die bescheiden rol in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten staat. Verweerder heeft verder bovendien kunnen concluderen dat het enkele gegeven dat eisers betrokken zouden zijn bij activiteiten van de HDP niet maakt dat zij alleen daarom al een reëel risico lopen op vervolging.\n\n21. Uit het voorgaande volgt dat verweerder op goede gronden en deugdelijk gemotiveerd geconcludeerd heeft dat eisers’ gestelde problemen vanwege hun lidmaatschap van en activiteiten voor de HDP ongeloofwaardig zijn.\n\nProblemen vanwege Koerdische afkomst\n\n22. Eisers stellen zich verder op het standpunt dat verweerder de problemen als gevolg van hun Koerdische afkomst ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Zo duidt de wijze waarop er brand is gesticht in hun (familie)huis in het oosten van Turkije op een gerichte (systematische) aanval op Koerden. Bovendien is sprake geweest van grafschennis.\n\n23. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder niet ten onrechte en voldoende gemotiveerd tot de conclusie gekomen dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat de brandstichting op hun persoon was gericht en dat daarmee niet is gebleken van een causaal verband tussen de brandstichting en hun Koerdische afkomst. Verder hebben eisers weliswaar foto’s van een afgebrand\u002Fvernield huis overgelegd, maar hieruit valt niet af te leiden dat dit hun huis is. De foto’s bevatten ook geen datum of andere gegevens waaruit meer kan worden afgeleid. Verweerder heeft ook aan eisers kunnen tegenwerpen dat zij tegenstrijdig hebben verklaard over het al dan niet doen van aangifte van de brandstichting. Tijdens het nader gehoor van eiseres 1 heeft zij aangeven dat zij hebben geprobeerd aangifte te doen en dat bij de dorpsoudste hebben aangegeven, die aan hen zou hebben meegedeeld dat dat niet mocht van de gouverneur.Eiseres 2 verklaart dan weer dat eiser en eiseres 1 naar de militairen zijn gegaan en daar aangifte hebben gedaan of dat in elk geval hebben geprobeerd.Eiser zelf verklaart dat zij nooit aangifte hebben gedaan en dat zij dat ook nooit hebben geprobeerd.Deze verklaringen zijn tegenstrijdig met elkaar en eisers hebben deze tegenstrijdigheid niet kunnen ophelderen. Dat eiser niet op de hoogte zou zijn van de aangifte van zijn echtgenote omdat hij analfabeet is, is geen afdoende verklaring. Dat eiser analfabeet is, betekent namelijk niet dat hij over een dergelijke belangrijke gebeurtenis niet zou kunnen communiceren met zijn echtgenote. De enkele stelling dat vaststaat dat de Turkse autoriteiten dit soort branden stichten bij huizen van Koerden is onvoldoende voor een ander oordeel. Los van het feit dat eisers geen landeninformatie hebben overgelegd waaruit dit blijkt, maakt het enkele gegeven dat iets in algemene zin kan voorkomen nog niet aannemelijk dat dit in het geval van eisers is gebeurd en dat dit is gebeurd vanwege hun Koerdische afkomst. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nKennelijke ongegrondheid\n\n24. Eisers betwisten de kennelijk ongegrondverklaring omdat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met het lidmaatschap van eisers van een erkende risicogroep, te weten de HDP, en met hun concrete en individuele vervolgingservaringen. Hierdoor is de ernstige vervolgingsdreiging niet (voldoende) erkend. Daarnaast is het opgelegde inreisverbod disproportioneel en onevenwichtig, aangezien het hun recht op gezinsleven aantast en geen recht doet aan de gegronde vervolgingsvrees en de nauwe familieband met hun in Nederland verblijvende zoon. Ten slotte is het terugkeerbesluit onrechtmatig omdat het niet voldoet aan het non-refoulementbeginsel; terugkeer naar Turkije brengt voor eisers een reëel risico op ernstige schade mee, terwijl de relevante landeninformatie en persoonlijke vervolgingservaringen onvoldoende zijn betrokken bij de besluitvorming.\n\n25. De rechtbank stelt voorop dat het merendeel van wat eisers bij deze beroepsgrond aanvoeren, hiervoor is besproken door de rechtbank. Daar zal de rechtbank dus verder niet op ingaan.\n\n26. De rechtbank is verder van oordeel dat de aanvragen van eisers terecht kennelijk ongegrond zijn verklaard door verweerder. In het geval van eiser en eiseres 1 zijn de aanvragen kennelijk ongegrond verklaard op grond van artikel 30b, eerste lid en onder d en e, van de Vw. Verweerder heeft weliswaar in beroep de d-grond (dat eisers zich te kwader trouw hebben ontdaan van hun reispapieren) laten vallen, maar de e-grond is terecht aan eisers tegengeworpen. Dit volgt uit wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen. In het geval van eiseres 2 heeft verweerder, gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, artikel 30b, eerste lid en onder d, van de Vw aan de afwijzing als kennelijk ongegrond ten grondslag kunnen leggen. Nu verweerder de aanvragen heeft kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond, heeft hij niet ten onrechte aan eisers een terugkeerbesluit en inreisverbod van twee jaar opgelegd. Het feit dat eiser en eiseres 1 een zoon zouden hebben in Nederland is verder geen reden voor verweerder om af te zien van het opleggen van het inreisverbod.\n\nConclusie en gevolgen\n\n27. De beroepen tegen de bestreden besluiten zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen.\n\n28. De vergoeding van proceskosten wordt, gelet op de overwegingen onder 2 en 3, vastgesteld op in totaal € 453,50.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag van eiseres 2 niet-ontvankelijk;\n\nverklaart de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond;\n\nveroordeelt verweerder tot betaling van € 453,50 aan proceskosten aan eiseres 2.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. L.D. Osborne, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Nader gehoor eiser, pagina 8 en zienswijze eiser, pagina 1.\n\n Nader gehoor eiseres 1, pagina 16 en 17.\n\n Nader gehoor eiseres 2, pagina 14.\n\n Nader gehoor eiseres 2, pagina 8-11.\n\n Nader gehoor eiseres 1, pagina 20.\n\n Nader gehoor eiseres 2, pagina 12 en 13.\n\n Nader gehoor eiser, pagina 14.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:22590","2025-11-28T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:37.642Z",{"id":132,"ecli":133,"slug":134,"caseNumber":43,"courtId":117,"decisionDate":135,"fullText":136,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":137,"sourceTimestamp":138,"parsedAt":51,"updatedAt":139},"377","ECLI:NL:RBDHA:2025:21177","ecli-nl-rbdha-2025-21177","2025-11-07T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.28199\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. T.J.J.M. Wijngaard),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. J.G.R. Becker).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 20 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser als kennelijk ongegrond afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), in samenhang gelezen met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw. Verder heeft verweerder een inreisverbod voor de duur van twee jaar aan eiser opgelegd.\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 13 augustus 2025 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening, geregistreerd onder zaaknummer NL25.28200, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Rutayoberana, als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nOverwegingen\n\nInleiding\n\n1. Eiser stelt te zijn [naam eiser] , geboren op [geboortedatum 1] 1998 en burger van de\n\nDemocratische Republiek Congo (DRC).\n\n2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij tot de bevolkingsgroep van de Tutsi’s behoort. De Tutsi’s vormen een minderheid in de DRC en eiser heeft hierdoor problemen ervaren. Eiser is afkomstig uit de regio Kivu waar een ernstig conflict gaande was en eiser is meegenomen en gedetineerd door militairen van [persoon C] (jongeren die aan de kant van de regering vechten). Eiser is hierbij ernstig mishandeld. Eiser is op een gegeven moment vrij gekomen en daarna heeft hij de DRC verlaten. In de periode van 2013 tot 2018 heeft eiser in Oeganda verbleven en in 2024 is hij naar Oeganda teruggekeerd en heeft hij voor de duur van ongeveer één jaar daar verbleven.\n\nBestreden besluit\n\n3. Volgens verweerder bevat het asielrelaas van eiser twee asielmotieven:\n\n1. de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;\n\n2. eisers detentie door militairen van [persoon C] .\n\n4. Verweerder heeft het eerste asielmotief ongeloofwaardig geacht. Volgens verweerder heeft eiser geen oprechte inspanning geleverd om zijn asielaanvraag te staven, heeft hij onvoldoende documenten overgelegd en heeft hij daarvoor geen goede verklaring gegeven en vormen eisers verklaringen over dit asielmotief geen samenhangend en aannemelijk geheel. Omdat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst niet geloofwaardig zijn geacht, heeft verweerder het tweede asielmotief niet getoetst.\n\n5. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser als kennelijk ongegrond afgewezen (op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw, in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw). Volgens verweerder heeft eiser een identiteits- of reisdocument vernietigd of weggemaakt. Verder heeft verweerder een inreisverbod voor de duur van twee jaar aan eiser opgelegd.\n\nDe beroepsgronden\n\n6. Volgens eiser heeft verweerder het eerste asielmotief ten onrechte ongeloofwaardig geacht en had verweerder ook het tweede asielmotief moeten toetsen. Eiser voert daartoe ten eerste aan dat alles wat eerder is aangevoerd, in beroep als herhaald en ingelast moet worden beschouwd. Verder is hem ten onrechte verweten dat hij geen documenten ter onderbouwing van zijn identiteit, nationaliteit en herkomst heeft overgelegd. De oorspronkelijke identiteitsdocumenten zijn tijdens de arrestatie afgepakt. Verder zijn eiser en zijn broer geholpen door een reisagent die de documenten onder zich heeft gehouden. Omdat eiser en zijn broer vanuit detentie vrij snel hun land hebben verlaten is er geen gelegenheid geweest om nieuwe identiteitsdocumenten te verkrijgen. De pogingen die eiser heeft ondernomen, zijn voldoende om aan te tonen dat het niet is gelukt om documenten te verkrijgen. Ten aanzien van eisers verklaringen over de namen van verschillende gewapende groeperingen, verwijst eiser naar zijn beperkte referentiekader. Waarom eiser weinig heeft kunnen vertellen over [persoon A] heeft eiser al uitgebreid toegelicht. [persoon A] was een vriend van [persoon B] , die eiser en zijn broer heeft geholpen. Volgens eiser kan het bijkomen van de folteringen als reden voor de gebrekkige waarnemingen tijdens zijn reis worden gezien. Eiser persisteert in zijn verklaring dat hij zelf geen paspoort in handen heeft gehad.\n\n7. Eiser voert verder aan dat verweerder de asielaanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond heeft afgewezen op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw. Eiser stelt afdoende te hebben uitgelegd hoe het komt dat hij geen identiteitsdocumenten heeft kunnen overleggen. Dat klemt temeer nu eiser en zijn broer zijn gevlucht in een periode van actieve gevechtshandelingen tussen militairen en gewapende groeperingen in Oost-Congo.\n\n8. Tot slot voert eiser aan dat aan hem prematuur een terugkeerbesluit is opgelegd en dat het in terugkeerbesluit ten onrechte drie landen worden genoemd waarnaar hij zou kunnen terugkeren, enkel op basis van het feit dat de taal die hij spreekt voorkomt in genoemde landen.\n\nBeoordeling van de beroepsgronden\n\n9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst ongeloofwaardig zijn, maar kan verweerders inhoudelijke beoordeling van het asielrelaas van eiser wel standhouden. Dit betekent dat het beroep gegrond is. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit echter in stand. De rechtbank licht dat hieronder verder toe.\n\nGeloofwaardigheid identiteit, nationaliteit en herkomst\n\n10. Verweerder heeft een geloofwaardigheidstoets toegepast op het eerste asielmotief omdat eiser zijn identiteit, nationaliteit en herkomst onvoldoende met objectieve bewijsstukken heeft onderbouwd. Deze toets heeft verweerder - in lijn met de Werkinstructie 2024\u002F6 Geloofwaardigheidsbeoordeling (asiel) (de werkinstructie) - verricht aan de hand van de criteria van artikel 31, zesde lid, van de Vw. Verweerder toetst in dit kader onder meer of de verklaringen van de vreemdeling samenhangend en aannemelijk zijn bevonden en niet in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn aanvraag (artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c van de Vw). Daarbij ligt de focus op de verklaringen die de vreemdeling ten aanzien van het asielmotief heeft afgelegd. Hierbij wordt gekeken naar wat de vreemdeling zelf heeft verklaard én naar wat bekend is aan de hand van andere bronnen (p. 6 van de werkinstructie).\n\n11. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom eisers verklaringen over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet samenhangend en aannemelijk zijn in de zin van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c van de Vw. Eiser heeft volgens verweerder consistente verklaringen afgelegd over dat hij Tutsi is en hij spreekt Kinyarwanda. Hij heeft antwoord gegeven op de herkomstvragen en dit is herleidbaar tot het gebied waar eiser stelt vandaan te komen. Verweerder heeft zich op dit punt verder beperkt tot de motivering dat dat wat eiser over zijn paspoort en over zijn reis naar Nederland heeft verklaard onlogisch, vaag en ongerijmd is. Hoewel de rechtbank deze motivering kan volgen, zijn deze verklaringen slechts indirect aan het asielmotief te verbinden. Eisers verklaringen over wie hij is en waar hij vandaan komt zijn namelijk wel consistent. Hij heeft van meet af aan verklaard dat hij [naam eiser] is, geboren op [geboortedatum 2] 1998 en dat hij de Congolese nationaliteit heeft. Er zijn geen aliassen van eiser tegengeworpen of anderszins dat hij hierover tegenstrijdig of inconsistent heeft verklaard. Verweerder heeft dit ten onrechte niet (kenbaar) meegewogen bij de beoordeling van het eerste asielmotief.\n\n12. Daarnaast heeft verweerder bij de beoordeling van het eerste asielmotief op verschillende momenten ten onrechte ook het tweede asielmotief betrokken in plaats van zich te beperken tot zijn identiteit, nationaliteit en herkomst. Zo heeft verweerder de tegenwerping dat eiser onvoldoende documenten heeft overgelegd gemotiveerd met de stelling dat eiser ongerijmd heeft verklaard over zijn asielmotieven. Daarbij is verweerder onder meer ingegaan op tegenstrijdigheden in het kader van eisers gevangenneming, zijn vrijlating, en van de persoon [persoon A] , die eiser zou hebben geholpen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat dit niet gek is, aangezien eiser heeft verklaard dat zijn kiespas is afgenomen bij zijn gevangenneming. Ook hier oordeelt de rechtbank dat deze verklaringen in een te indirect verband staan tot het asielmotief dat verweerder op dat moment stelt te beoordelen. Het standpunt van verweerder dat eiser ongerijmd heeft verklaard over zijn asielmotieven is ook niet goed te rijmen met verweerders stelling dat het tweede asielmotief niet te beoordelen valt vanwege de ongeloofwaardigheid van het eerste asielmotief.\n\n13. Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit daarom als het gaat om het eerste asielmotief onvoldoende gemotiveerd. De beroepsgronden die hiertoe strekken slagen. Omdat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst – ongeacht of hij uit de DRC, Oeganda of Rwanda komt – op zichzelf onvoldoende grond is voor asiel, zal de rechtbank hierna zijn asielrelaas op inhoud beoordelen. De rechtbank doet dit uit het oogpunt van efficiëntie en finale geschilbeslechting.\n\nGeloofwaardigheid detentie door militairen van [persoon C]\n\n14. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak 24 december 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:4061), blijkt dat asielmotieven slechts betekenis hebben tegen de achtergrond van de identiteit, nationaliteit en herkomst. De rechtbank is echter van oordeel dat – ook als ervan uit wordt gegaan eiser inderdaad uit de DRC komt (zoals hij stelt) – verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat eisers asielrelaas niet geloofwaardig is.\n\n15. In dat kader heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser ongerijmde verklaringen heeft afgelegd over de groepering die hem heeft meegenomen en gevangen heeft gezet. Zo heeft eiser tijdens het gehoor in het kader van zijn asielaanvraag op 12 oktober 2024 verklaard dat de groepering FARD hem heeft ontvoerd en mishandeld en dat hij is meegenomen naar een kamp en dat een vriend van zijn vader hem uit detentie heeft geholpen. Tijdens het nader gehoor heeft eiser echter niet over groepering FARD of M23 verklaard, maar heeft hij verklaard dat hij is opgepakt door jongeren die aan de kant van de regering vochten, [persoon C] genaamd. Verweerder heeft van eiser kunnen verlangen dat hij eenduidig verklaart over welke groepering hem nu daadwerkelijk gedetineerd had. Dat eiser een beperkt referentiekader heeft en weinig onderwijs heeft gevolgd, maakt niet dat in het geheel niet van hem kan worden verwacht dat hij hierover duidelijk en consistent kan verklaren.\n\n16. Eiser heeft verder tijdens het nader gehoor verklaard dat hij door [persoon A] , een man die hij niet kende of eerder had gezien, is geholpen. Verweerder heeft niet ten onrechte ongeloofwaardig bevonden dat eiser met behulp van [persoon A] zou zijn vrijgelaten terwijl eiser ook heeft verklaard dat de plaats door veel militairen werd bewaakt en mensen niet levend van deze plek weg konden gaan. Ook heeft verweerder niet ten onrechte gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door middel van omkoping is vrijgekomen. Verweerder heeft van eiser kunnen verlangen dat hij kon verklaren over [persoon A] . Eiser heeft niet meer over hem kunnen verklaren dat hij deze man niet kende en dat hij hem in detentie heeft ontmoet. Tegelijkertijd heeft eiser verklaard dat [persoon A] er niet alleen voor heeft gezorgd dat eiser is vrijgekomen, maar heeft hij eiser ook geld gegeven, zijn reis geregeld en een tas met kleding aan hem gegeven. Verweerder heeft dit bevreemdend kunnen vinden.\n\n17. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de hiervoor genoemde tegenwerpingen van verweerder voldoende voor het oordeel dat verweerder het tweede asielmotief niet geloofwaardig had hoeven achten.\n\nKennelijk ongegrond\n\n18. Eiser voert verder aan dat verweerder de asielaanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond heeft afgewezen vanwege het vernietigen of wegmaken van een identiteitsdocument (artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw). Eiser stelt afdoende te hebben uitgelegd hoe het komt dat hij geen identiteitsdocumenten heeft kunnen overleggen.\n\n19. Verweerder heeft zijn standpunt gebaseerd op eisers verklaring dat hij zelf nooit een reisdocument in handen heeft gehad. Deze verklaring heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht, nu volwassenen op de luchthaven Schiphol individueel worden gecontroleerd op reisdocumenten. Het ligt niet voor de hand dat een andere persoon dit document ter controle heeft aangeboden. Dat eiser en zijn broer zijn gevlucht in een periode van actieve gevechtshandelingen tussen militairen en gewapende groeperingen in Oost Congo maakt niet dat verweerder het niet overleggen van een reisdocument of identiteitsdocument niet aan eiser heeft kunnen tegenwerpen.\n\nPrematuur terugkeerbesluit \u002F terugkeerbesluit met meerdere landen \u002F inreisverbod\n\n20. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op basis van het feit dat eiser de taal Kinyarwanda machtig is in het terugkeerbesluit kunnen bepalen dat eiser terug moet keren naar de DRC, Oeganda of Rwanda. Nu verweerder de asielaanvraag terecht als kennelijk ongegrond heeft afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw, heeft verweerder een vertrektermijn van 0 dagen moeten hanteren en een inreisverbod moeten opleggen. Van een prematuur terugkeerbesluit is gezien het voorgaande geen sprake.\n\nConclusie en gevolgen\n\n21. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen. De rechtsgevolgen van het besluit zal de rechtbank in stand laten omdat verweerder zich met de gegeven motivering niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het tweede asielmotief ongeloofwaardig is. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit;\n\nbepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;\n\nveroordeelt verweerder in de vergoeding van de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van P. Deinum, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:21177","2025-11-11T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:26.766Z",{"id":141,"ecli":142,"slug":143,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":144,"fullText":145,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":146,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":147},"379","ECLI:NL:RBDHA:2025:24317","ecli-nl-rbdha-2025-24317","2025-11-06T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.45166 (beroep) en NL25.45167 (voorlopige voorziening)\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen\n \n [eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser\u002Fverzoeker (hierna: eiser)\n\n(gemachtigde: mr. S. Cetinkaya-Ahmad),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. A. de Graaf).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening.\n\n1.1.. Eiser heeft op 1 januari 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 11 september 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank. Ook heeft hij verzocht om een voorlopige voorziening.\n\n1.2.. Verweerder heeft op de beroepsgronden gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.3.. \n\nDe rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op\n\n30 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Als tolk is verschenen T. Ahmad.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\nHet asielrelaas\n\n2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2001, heeft de Iraakse nationaliteit en behoort tot de jezidi bevolkingsgroep. Hij heeft – kort samengevat – aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in Irak discriminatie heeft ondervonden vanwege zijn jezidi etniciteit en geloofsovertuiging. Zo heeft hij verklaard dat hij gediscrimineerd werd als hij werkt zocht en dat hij zijn producten uit zijn winkel soms niet kon verkopen. Eiser is in 2014 gevlucht uit [plaats] voor IS en heeft sindsdien verbleven in het ontheemdenkamp [kampnaam] in de Koerdische Autonome Regio in Irak (KAR). In [plaats] is eiser twee keer benaderd door groeperingen die hem wilde rekruteren. Eiser stelt dat hij bij terugkeer geen werk kan vinden en dat hij vreest voor ontvoering of rekrutering door de strijdende partijen in de regio. Ten slotte worden er (online) haatuitingen verspreid over de jezidi’s. Eiser heeft op 30 augustus 2022 in Griekenland asiel aangevraagd en op 10 oktober 2022 heeft hij daar een verblijfsvergunning gekregen op de grond van vluchtelingschap omdat hij jezidi is. Op 28 december 2022 is eiser Nederland ingereisd en op 1 januari 2023 heeft hij zijn huidige asielaanvraag ingediend.\n\nHet bestreden besluit\n\n3. Het asielrelaas van eiser bestaat volgens verweerder uit de volgende asielmotieven:\n\nidentiteit, nationaliteit en herkomst;\n\ndiscriminatie vanwege zijn jezidi achtergrond; en\n\npogingen tot rekrutering door de PKKen al-Hashd al Shaabi.\n\n3.1.. Verweerder vindt alle asielmotieven geloofwaardig. Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen, omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een gegronde vrees heeft voor vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdragof een reëel risico op ernstige schade looptbij terugkeer naar Irak.\n\n3.2.. Zo heeft verweerder ten aanzien van het vluchtelingschap tegengeworpen dat de jezidi’s in Irak niet in zijn algemeenheid worden onderworpen aan groepsvervolging en voor hen op grond van het huidige landenbeleid momenteel geen risicoprofiel geldt. Ook heeft verweerder tegengeworpen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de discriminatie die hij heeft ervaren tot dusdanige ernstige beperkingen van zijn bestaansmogelijkheden heeft geleid dat het onmogelijk was voor hem om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren. Dat eiser in Griekeland een vluchtelingenstatus heeft gekregen, betekent niet dat hij deze in Nederland ook moet krijgen. Verweerder heeft een eigen beoordeling mogen verrichten.\n\n3.3.. Ook het reële risico op ernstige schade bij terugkeer naar Irak is niet aannemelijk gemaakt nu de humanitaire situatie in het kamp niet zodanig is dat die een 3 EVRMschending oplevert en eiser ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk risico loopt op ernstige schade. Verder heeft eiser ook zijn vrees voor gedwongen rekrutering niet aannemelijk gemaakt.\n\n3.4.. Het beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn (hierna: artikel 15c Kri) slaagt volgens verweerder niet, nu er conform het beleid op dit moment enkel sprake is van een relatief laag niveau van willekeurig geweld in de regio’s Diyala, Duhok, Erbil en Ninewa in Irak. Van individuele omstandigheden die maken dat eiser bij een relatief lager niveau van willekeurig geweld risico loopt als bedoeld artikel 15c Kri is niet gebleken.\n\n3.5.. Verweerder heeft eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond omdat eiser niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was. Ook heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit, gericht op vertrek naar Irak, met een vertrektermijn van vier weken opgelegd.\n\nWat vindt eiser in beroep?\n\n4. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn asielaanvraag en voert – kort samengevat – het volgende aan. Als jezidi heeft eiser bij terugkeer, anders dan verweerder stelt, wel een gegronde vrees voor vervolging en loopt hij een reëel risico op ernstige schade. Hij betoogt dat hij vanaf jonge leeftijd structureel is vernederd, gediscrimineerd en sociaal uitgesloten vanwege zijn jezidi-achtergrond. In 2014 is hij persoonlijk getroffen door de IS-aanval in [plaats]. De opeenstapeling van deze ervaringen heeft zijn situatie onhoudbaar gemaakt en leidt ertoe dat zijn huidige vrees mede gebaseerd is op de voortdurende dreiging tegen jezidi’s. Eiser stelt dat hij zijn geloof niet zonder gevaar kan uiten en dat van hem niet mag worden verwacht dat hij zijn geloofsovertuiging bij terugkeer verborgen houdt. Daarnaast beschouwt verweerder het tentenkamp [kampnaam] ten onrechte als een normale woon- of verblijfplaats. Eiser wijst erop dat hij daar noodgedwongen sinds 2014 onder mensonwaardige omstandigheden verbleef, afhankelijk van humanitaire hulp en geconfronteerd met discriminatie, zodat het kamp niet kan gelden als een duurzaam vestigingsalternatief. Terugkeer naar [plaats] is volgens eiser ook niet mogelijk, nu deze regio ernstig verwoest is, het er nog steeds onveilig is door de aanwezigheid van actieve IS-cellen en er geen effectieve bescherming voor jezidi’s beschikbaar is. Verder voert eiser aan dat verweerder recente landeninformatie, UNHCR-richtlijnen en vergelijkbare jurisprudentie, waaruit blijkt dat jezidi’s nog steeds als kwetsbare minderheidsgroep worden beschouwd, ten onrechte onvoldoende bij de beoordeling heeft betrokken. Ook gaat verweerder eraan voorbij dat aan eiser in Griekenland al internationale bescherming is toegekend, wat bevestigt dat er sprake is van beschermingsbehoefte. Tot slot heeft verweerder ten onrechte tegengeworpen dat eiser zich niet direct na aankomst heeft gemeld, nu eiser hiervoor een verschoonbare reden heeft gegeven.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\n5. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiser kon afwijzen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank dat uit.\n\nMocht verweerder vinden dat eiser bij terugkeer geen gegronde vrees heeft voor vervolging?\n\n6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser bij terugkeer naar de Irak geen gegronde vrees heeft voor vervolging.\n\nJezidi’s in het algemeen\n\n7. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht gevonden dat het enkel zijn van jezidi geen gegronde vrees voor vervolging oplevert. Hierbij heeft verweerder kunnen wijzen op het gewijzigde beleid naar aanleiding van het meest recente ambtsbericht. Niet is gebleken dat jezidi’s omwille hun geloof of etniciteit het risico lopen om in algemene zin slachtoffer te worden van geweld of ernstige schade. Bovendien wordt jezidisme officieel erkend in Irak als godsdienst en worden jezidi’s niet actief ervan weerhouden hun geloof te uiten.Daar komt bij dat eiser niet aannemelijk heeft kunnen maken dat hij specifiek gevaar loopt vanwege het feit dat hij jezidi is.\n\nDiscriminatie als daad van vervolging\n\n8. De discriminatie waar eiser als jezidi slachtoffer van is geweest in Irak wordt door verweerder erkend. Verweerder verwijst in dit kader naar de weigering van sommige personen om producten van eiser te kopen, verbale beledigingen, het langdurig ophouden bij controleposten, belemmeringen bij het vinden van werk en het meer moeten betalen en langer moeten wachten voor zorg en het verkrijgen van officiële documenten. Desalniettemin heeft verweerder tegen kunnen werpen dat hieruit niet blijkt dat eiser dusdanig werd beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat de discriminatie als vervolging moet worden aangemerkt. Eiser heeft immers onderwijs kunnen volgen, zijn werk in de bouw en landbouw kunnen uitoefenen en uiting kunnen geven aan zijn geloof. Ook had eiser bewegingsvrijheid om naar andere plaatsen te gaan, heeft hij identificerende documenten van de Iraakse autoriteiten kunnen krijgenen heeft hij toegang gehad tot medische zorg. Hoewel uit de door eiser ingebrachte informatie in zijn algemeenheid blijkt van moeilijkheden voor de jezidi-bevolking in Irak, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk zulke zwaarwegende problemen heeft ondervonden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren wegens zijn etniciteit en geloof.\n\nNormale woon- of verblijfplaats\n\n9. Voor zover eiser aanvoert dat het ontheemdenkamp [kampnaam] niet als normale woon- of verblijfplaats kan worden aangemerkt, overweegt de rechtbank als volgt. De Afdelingheeft bij uitspraak van 18 september 2012geoordeeld dat bij de beoordeling of in het land dan wel in voorkomend geval het gebied waaruit een vreemdeling afkomstig is, een situatie, als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vw, zich voordoet, moet worden uitgegaan van het land dan wel het gebied waar de desbetreffende vreemdeling voorafgaand aan zijn vertrek zijn normale woon- of verblijfplaats had. Verder volgt uit die uitspraak dat bij beantwoording van de vraag of een plaats kan worden beschouwd als de plaats waar de vreemdeling zijn normale woon- en verblijfplaats had, onder meer van belang is hoe lang en onder welke omstandigheden de vreemdeling aldaar heeft verbleven. De omstandigheid dat de vreemdeling gevlucht is naar de plaats is niet van doorslaggevende betekenis.\n\n9.1.. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht overwogen dat de KAR kan worden aangemerkt als de normale woon- en verblijfplaats van eiser. Daarbij heeft verweerder terecht van belang geacht dat eiser de acht jaren voorafgaand aan zijn vertrek in de KAR heeft verbleven. Tijdens het achtjarige verblijf van eiser in het vluchtelingenkamp [kampnaam] in de KAR heeft hij op school gezeten, heeft hij zijn geloof kunnen uiten en was hij werkzaam in de landbouw en in de bouw. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat het langdurige verblijf van eiser in de KAR voldoende blijk geeft van een band met deze plaats. Verder heeft verweerder zich in het verweerschrift terecht op het standpunt gesteld dat noch uit de jurisprudentie van de Afdeling, noch uit andere bronnen, zoals een door verweerder genoemde rapportagevan EUAA, volgt dat humanitaire omstandigheden een relevant criterium zijn bij het bepalen van de normale woon- of verblijfplaats. De beoordeling van de humanitaire omstandigheden staat los van de vraag waar de vreemdeling heeft gewoond en verbleven. Anders dan eiser meent, heeft verweerder de humanitaire situatie in het vluchtelingenkamp in de KAR dan ook niet hoeven betrekken bij de beantwoording van de vraag wat de normale woon- en verblijfplaats van eiser is.\n\n9.2.. Nu de KAR terecht is aangemerkt als normale woon- en verblijfplaats van eiser behoeven de beroepsgronden die zien op de situatie in de regio Ninewa, waarin de plaats [plaats] ligt, geen bespreking.\n\nHaatberichten\n\n10. Voor zover eiser aanvoert dat verweerder de ernst van haatuitingen en hoe deze het maatschappelijk isolement vergroten heeft miskend, oordeelt de rechtbank dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiser geen individuele omstandigheden naar voren heeft gebracht waaruit zou blijken dat hij bij terugkeer persoonlijk te vrezen heeft vanwege de haatuitingen. Daar heeft verweerder bij mogen betrekken dat uit het algemeen ambtsbericht niet blijkt dat deze haatberichten in Irak daadwerkelijk hebben geleid tot geweld tegen jezidi’s. De rechtbank begrijp dat eiser, gezien ook zijn geschiedenis, bezorgd is over de mogelijke gevolgen van de haatuitingen, maar dit maakt niet dat verweerder op basis daarvan moest aannemen dat er sprake is van een gegronde vrees voor vervolging.\n\nVluchtelingenstatus in Griekenland\n\n11. Ten aanzien van eisers stelling dat verweerder onvoldoende betekenis heeft toegekend aan het feit dat aan eiser in Griekenland vluchtelingenstatus is verleend, overweegt de rechtbank als volgt. Het feit dat eiser eerder in Griekenland beschermingsstatus heeft gekregen, betekent niet zonder meer dat verweerder gehouden is deze beoordeling over te nemen of zonder nadere inhoudelijke toetsing aan te nemen dat eiser nog steeds bescherming behoeft. Nederland kan en mag een eigen inhoudelijke beoordeling verrichten van de asielaanvraag naar de actuele individuele beschermingsbehoefte van de aanvrager. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dit in het geval van eiser voldoende zorgvuldig en gemotiveerd gedaan.\n\nMocht verweerder vinden dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt op ernstige schade?\n\n12. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich ook terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser bij terugkeer naar Irak geen reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.\n\nHumanitaire omstandigheden in kamp [kampnaam]\n\n13. Voor zover eiser aanvoert dat de omstandigheden in het tentenkamp waar hij verbleef kunnen leiden tot een schending van artikel 3 van het EVRM overweegt de rechtbank als volgt. In het algemeen ambtsbericht Irak van november 2023 ziet de rechtbank een zorgelijk beeld naar voren komen over de humanitaire situatie in de kampen. Zo staat in dat ambtsbericht onder meer dat de kampen overbevolkt zijn, mensen verblijven in onderkomens die niet geschikt zijn voor langdurig verblijf en onvoldoende bescherming bieden tegen extreme weersomstandigheden en brand, veel ontheemden moeite hadden om toegang te krijgen tot werk en dat met name in de kampen in Duhok veel mensen afhankelijk waren van humanitaire hulp.Tegelijkertijd staat in het algemeen ambtsbericht ook dat er – weliswaar beperkt – onderwijs, gezondheidszorg en basisvoorzieningen zijn, en dat ontheemden in de kampen in Duhok zich relatief vrij konden bewegen en daardoor toegang hadden tot diensten (voor zover beschikbaar) buiten de kampen. Verder volgt uit de verklaringen van eiser zelf dat hij heeft kunnen werken, onderwijs heeft kunnen volgen, toegang had tot medische zorg, reisdocumenten heeft kunnen aanvragen en vrij heeft kunnen reizen. Gelet daarop is de humanitaire situatie in het vluchtelingenkamp voor eiser niet zodanig dat verblijf daar een schending van artikel 3 van het EVRM zou opleveren. Hoewel de rechtbank begrijpt dat eiser, gelet op wat hij heeft meegemaakt en gelet op de situatie in het kamp, liever niet terugkeert naar Irak, is gelet op wat hiervoor is besproken geen sprake van een ‘minimum level of severity’. Van strijd met artikel 3 van het EVRM is daarom evenmin sprake.\n\nGedwongen rekrutering\n\n14. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser zijn vrees voor gedwongen rekrutering door PKK of de al-Hashd al Shaabi niet aannemelijk heeft gemaakt. Daarbij heeft verweerder mogen betrekken dat uit algemene landeninformatie niet blijkt van gedwongen rekrutering van volwassenen door het Iraakse leger of milities. Ook heeft verweerder in dat kader mogen wijzen op eisers eigen verklaringen waaruit blijkt dat de verzoeken tot aansluiting vrijblijvend waren en hij geen problemen heeft ondervonden nadat hij de twee eerdere verzoeken had geweigerd. Daarnaast heeft eiser verklaard dat de groepen alleen actief zijn in [plaats] en dat hij tijdens zijn verblijf in de KAR niet door hen benaderd is.\n\nArtikel 15 van de Kwalificatierichtlijn\n\n15. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Irak risico op ernstige schade loopt als bedoeld in artikel 15c Kri. Verweerder heeft in die conclusie mogen verwijzen naar het landgebonden beleid voor Irak waaruit blijkt dat in de regio’s [plaats] en Duhok in de KAR, waarin het kamp [kampnaam] ligt, sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld, dat niet voldoet aan ‘the most extreme case of general violence’ zoals vereist in de meest uitzonderlijke situatie onder artikel 15c Kri. Met de bronnen die eiser in deze procedure heeft ingebracht is dat beeld niet weerlegd. Niet gebleken is van een verandering in de algehele situatie in [plaats] of de KAR die maakt dat nu van de meest uitzonderlijke artikel 15c Kri-situatie moet worden uitgegaan.\n\n15.1.. Ook heeft verweerder op goede gronden geconcludeerd dat de individuele omstandigheden van eiser niet maken dat hij een verhoogd risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 15c Kri. De door eiser genoemde omstandigheden, zoals zijn jezidische etniciteit en de discriminatie die hij daardoor heeft ervaren, zien namelijk op risicoverhogende factoren voor individueel gericht geweld en niet op een hoger risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict. Ook van andere individuele omstandigheden die dit risico op ernstige schade in de zin van artikel 15c Kri voor eiser verhogen is de rechtbank niet gebleken. Bovendien heeft eiser verklaard dat hij niet meer risico loopt op willekeurig geweld dan anderen in zijn woonomgeving.\n\nMocht verweerder de asielaanvraag van eiser afwijzen als kennelijk ongegrond?\n\n16. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de asielaanvraag heeft mogen afwijzen als kennelijk ongegrondnu eiser niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was. Eiser is op 28 december 2022 Nederland ingereisd en heeft op 1 januari 2023 zijn asielaanvraag ingediend. Dat eiser aanvoert dat hij bij familieleden heeft verbleven omdat hij moe was en hij niet wist dat hij zich in Ter Apel moest aanmelden, heeft verweerder niet als verschoonbare reden hoeven aanmerken. Van iemand die om internationale bescherming verzoekt, mag in beginsel worden verwacht dat hij zijn asielwens onmiddellijk na aankomst in Nederland kenbaar maakt. Dat iemand moe is maakt niet dat hij zich niet zou kunnen melden. Daarnaast heeft verweerder mogen betrekken dat eiser via Schiphol is ingereisd en hij daar zijn asielverzoek kenbaar had kunnen maken. Bovendien heeft eiser zelf verklaard dat hij vanaf het moment van zijn vertrek uit Irak wist dat hij in Nederland asiel wilde aanvragen.\n\n17. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser, onweersproken, gesteld dat haar vergelijkbare gevallen bekend zijn waarin het te laat indienen van de aanvraag niet door verweerder werd tegengeworpen. In die gevallen hadden betrokkenen ook eerst in Griekenland de vluchtelingenstatus verkregen en daarna in Nederland asiel aangevraagd. Zij hadden, wegens vermoeidheid, niet binnen twee dagen na aankomst hun asielaanvraag ingediend. In deze stelling ziet de rechtbank echter onvoldoende aanleiding af te wijken van het hiervoor overwogene.\n\nConclusie en gevolgen\n\n18. Gelet op het voorgaande, komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiser in stand blijft.\n\n19. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen\n\nvan een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.\n\n20. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.C. Bakx, griffier.\n\nDeze beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Partiya Karkeren Kurdistan.\n\n Het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.\n\n Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).\n\n Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)\n\n Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw.\n\n Zie het EUAA rapport Country Guidance: Iraq van november 2024.\n\n Verslag van het aanmeldgehoor van 6 juli 2023, p. 10, en verslag van het nader gehoor van 7 februari 2025, p.15-16.\n\n Verslag van het aanmeldgehoor, p. 5-8, 11, en verslag van het nader gehoor, p. 11.\n\n Verslag van het nader gehoor, p. 14.\n\n Idem, p. 16.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n ECLI:NL:RVS:2012:357.\n\n EASO Practical Guide: Qualification for International Protection, April 2018, p. 12.\n\n European Union Agency for Asylum.\n\n Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 16 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO8940, rechtsoverweging 2.1.1.\n\n Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 18 juni 2024, ECLI:EU:C:2024:524, r.o. 68-69.\n\n Algemeen Ambtsbericht Irak van november 2023, p. 92-93.\n\n Idem, p. 92-93.\n\n Idem, p. 36.\n\n Verslag van het nader gehoor, p. 19-20.\n\n Idem, p. 20.\n\n Verslag van het nader gehoor van 7 februari 2025, p. 17.\n\n Op basis van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw.\n\n Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 27 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3891, r.o. 5.\n\n Verslag van het aanmeldgehoor, p, 16.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:24317","2026-07-13T00:28:26.850Z",{"id":149,"ecli":150,"slug":151,"caseNumber":43,"courtId":152,"decisionDate":153,"fullText":154,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":155,"sourceTimestamp":144,"parsedAt":51,"updatedAt":156},"573","ECLI:NL:RBDHA:2025:20676","ecli-nl-rbdha-2025-20676",62,"2025-11-05T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.3822\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser], eiserV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. C.G. Matze),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. J. van Raak).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 14 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot verlening van een verblijfsvergunning asiel afgewezen als ongegrond.\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 9 oktober 2025 in Breda op een zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\nDe asielmotieven\n\nEiser is geboren op [datum] 1988 en heeft de Kameroense nationaliteit. Op 17 april 2023 heeft hij asiel aangevraagd in Nederland.\n\nAan zijn asielaanvraag heeft eiser het volgende ten grondslag gelegd. In ruil voor een geldbedrag heeft eiser op 22 september 2018 deelgenomen aan een demonstratie voor de politieke partij Southern Cameroons National Council (SCNC). Naar aanleiding van zijn deelname is eiser gearresteerd en gedetineerd. Na vier maanden is hij tegen betaling vrijgelaten. Eiser is vervolgens teruggekeerd naar zijn woonplaats Bamenda, waar zijn kledingwinkel was afgebrand. In april 2019 is eiser naar India vertrokken, waarna hij in juli 2019 weer is teruggekeerd naar zijn woonplaats in Kameroen. In augustus 2019 is eiser in opnieuw gearresteerd en gedetineerd. Na een maand is hij, opnieuw tegen betaling van een geldbedrag, vrijgelaten. Eiser heeft hierna besloten om in november 2019 Kameroen te verlaten en naar Nigeria te vertrekken. Tijdens zijn reis is hij ontvoerd in Mamfe Town door de Ambazonia Defence Forces (hierna: ADF). Na drie tot vier uur is eiser met een aantal andere gegijzelden vrijgelaten, waarna hij vijf maanden bij zijn neef in Mamfe Town heeft verbleven voordat hij zijn doortocht naar Inugu in Nigeria heeft gemaakt. Hier heeft hij van eind 2020 tot en met 2023 verbleven. Eiser ging in die periode ongeveer twee keer per jaar terug naar Bamenda in Kameroen om zijn familie te bezoeken. In 2022 zijn in Bamenda woningen in brand gestoken, waaronder de familiewoning. Dit was voor eiser de directe aanleiding om Kameroen in april 2023 te verlaten. De politieke crisis duurde toen al zeven jaar. Bij terugkeer naar Kameroen vreest eiser voor de Franssprekende strijdkrachten in Kameroen en voor vervolging vanwege een uitgestelde rechtszaak die tegen hem loopt. Ook vreest eiser voor de ADF.Het bestreden besluit\n\n3. In het bestreden besluit heeft verweerder eisers asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Verweerder heeft de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. Ook heeft verweerder geloofwaardig geacht dat eiser problemen heeft ondervonden vanwege zijn politieke activiteiten. Verweerder ziet hierin echter geen aanleiding om een politieke overtuiging aan te nemen zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag.Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Kameroen een reëel risico loopt op ernstige schade. Verweerder volgt niet dat eisers aanhoudingen en vrijlatingen te maken hadden met persoonlijke verdenkingen. Volgens verweerder is eiser niet politiek betrokken geweest bij het SCNC en heeft hij slechts één keer gedemonstreerd, in ruil voor geld. Zijn arrestatie op 22 september 2018 was willekeurig en niet gebaseerd op een persoonlijke verdenking. Bovendien heeft eiser verklaard dat de arrestatie in augustus 2019 het gevolg was van het corrupte politieke systeem. Na zijn vrijlatingen is niet gebleken dat eiser werd gezocht vanwege politieke activiteiten. Voor zover eiser vreest te worden opgepakt door de Franssprekende autoriteiten vanwege de uitgestelde rechtszaak, heeft verweerder overwogen dat eiser dit niet aannemelijk heeft gemaakt en dat hij meermaals zonder problemen heeft kunnen terugkeren naar Bamenda. Voorts heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat zijn tatoeages bij terugkeer tot problemen zullen leiden. Eiser heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege de tatoeages wordt gelinkt aan een bende. Om die reden heeft hij ook geen problemen gehad in Kameroen. Verweerder acht geloofwaardig dat eiser is gegijzeld door de ADF, maar acht het niet aannemelijk dat eiser persoonlijk wordt gezocht door de ADF. Eiser is op zijn reizen naar Bamenda door ADF-gebied gereisd, zonder problemen te hebben ondervonden van de zijde van de ADF. Tot slot neemt verweerder een binnenlands beschermingsalternatief aan.\n\n4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartegen het volgende aan. Eiser is in de negatieve belangstelling komen te staan van de autoriteiten, vanwege zijn deelname aan de demonstratie. Verweerder heeft de negatieve belangstelling van de autoriteiten op onjuiste wijze betrokken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling. Door verweerder is verzuimd te toetsen aan de voorwaarden in het arrest S&Aen het Informatiebericht 2024\u002F10 ‘Werkwijze politieke overtuiging’. Alle omstandigheden hadden moeten worden meegewogen bij de beoordeling van eisers gegronde vrees voor vervolging wegens de verdenking van een (toegedichte) politieke overtuiging. Eiser wijst daarbij ook op het bord dat hij tijdens deze demonstratie droeg, het overlijden van zijn broer vanwege de demonstraties en eisers tatoeages waardoor hij als amaboy wordt aangemerkt. Ook verwijst eiser naar een rapport van Human Rights Watch.De drempel van de bewijslast is voor eiser te hoog gelegd en er is onvoldoende onderzoek gedaan naar eisers persoonlijke situatie. Verder heeft verweerder ten onrechte aangenomen dat Kameroen maar ten dele onder artikel 15c van de Kwalificatierichtlijnvalt, terwijl voor die 15c-gebieden een binnenlands beschermingsalternatief wordt aangenomen. Het binnenlands beschermingsalternatief is ten onrechte aangenomen. Verweerder zal op individuele basis moeten overwegen of dit binnenlands beschermingsalternatief aanwezig is. Zolang dit individuele onderzoek niet is gedaan, kan eiser niet worden uitgezet en dient het terugkeerbesluit achterwege te blijven. Tot slot heeft verweerder ten onrechte geen landeninformatie betrokken bij zijn beoordeling. De rechtbank oordeelt als volgt.Vrees bij terugkeer\n\n5. Verweerder stelt terecht dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn politieke overtuiging in de negatieve belangstelling staat van de Kameroense autoriteiten en daarom persoonlijk heeft te vrezen voor vervolging bij terugkeer. Verweerder heeft in dit kader alle relevante omstandigheden betrokken bij de beoordeling. Hiertoe heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat eisers aanhouding het gevolg is geweest van zijn aanwezigheid bij de demonstratie, maar dat niet is gebleken dat de aanhouding het gevolg is van een persoonlijke verdenking, nu hij met meerdere demonstranten is aangehouden en na betaling van geld is vrijgelaten. Verweerder stelt terecht in het verweerschrift dat het enkele feit dat eiser voor een tweede keer is aangehouden na een politiecontrole in Bengui Road, nog niet betekent dat de autoriteiten ook naar eiser op zoek waren.Daarbij heeft verweerder terecht betrokken dat eiser heeft verklaard dat zijn tweede arrestatie het gevolg was van het corrupte politieke systeem. Verder stelt verweerder terecht dat eisers herhaaldelijke vrijlating tegen betaling van een geldbedrag, erop duidt dat door de Kameroense autoriteiten geen link met de SCNC is verondersteld. Eiser is ondanks zijn voorgeleiding voor de rechtbank immers niet veroordeeld.Verweerder heeft ook voldoende gemotiveerd dat indien sprake zou zijn van uitstel van eisers rechtszaak, het in de rede ligt dat hij in de periode van 2018 tot zijn vertrek in 2024 zou zijn opgeroepen voor de verdere behandeling hiervan. Daarvan is echter niet gebleken. Daarbij heeft verweerder terecht tegengeworpen dat de Kameroense autoriteiten aan eiser op 11 maart 2019 een paspoort hebben verstrekt, zonder dat eiser hierbij problemen heeft ondervonden. Nadat eiser voor de tweede keer tegen betaling is vrijgelaten en is vertrokken naar Mamfe Town, is hij herhaaldelijk naar zijn woonplaats in Bamenda teruggekeerd. Daarbij heeft eiser geen problemen ondervonden. Verweerder stelt in dit kader terecht dat eisers herhaaldelijke terugkeer naar Bamenda afbreuk doet aan de aannemelijkheid van zijn gestelde vrees voor vervolging wegens de uitgestelde rechtszaak.\n\n6. De brandstichtingen van eisers winkel en de woning van zijn familie zijn door verweerder eveneens voldoende meegewogen. Verweerder stelt in dit kader terecht dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de brandstichting het gevolg is van persoonlijke negatieve aandacht van eiser of zijn familieleden. Daarbij komt dat eiser zelf heeft verklaard dat alle woningen in Bangui Road in 2022 in brand zijn gestoken. Verweerder heeft dan ook geen causaal verband hoeven zien met de demonstratie waaraan eiser heeft deelgenomen.\n\n7. Ook eisers vrees voor de ADF heeft verweerder terecht niet aannemelijk geacht. Ten aanzien van eisers gijzeling door de ADF, heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat dit ging om een willekeurige doorzoeking van de bus waarin eiser zat. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij een specifiek doelwit was van de ADF. Eiser is immers met een groep medereizigers gegijzeld die met hem in de bus zaten. Eiser heeft daarover het volgende verklaard; “ze hebben ons gegijzeld en ons gevraagd aan te sluiten bij het ADF”. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat in het geval van eiser sprake is van willekeurig geweld en dat zijn asielmotieven niet raken aan één van de gronden zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Ook is het niet aannemelijk dat eiser meermaals door een gebied heeft kunnen reizen waar de ADF de controle heeft, zonder door de ADF opgepakt te worden terwijl hij stelt dat hij persoonlijk door de ADF wordt gezocht.\n\n8. Eisers tatoeages leiden ook niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft terecht gesteld dat niet aannemelijk is gemaakt dat uit deze tatoeages volgt dat eiser dusdanig in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat of zal komen te staan dat hij daarom heeft te vrezen voor vervolging. Eisers tatoeages stonden er niet aan in de weg dat eiser herhaaldelijk is vrijgelaten en Kameroen legaal is uitgereisd.\n\n9. Het door eiser aangehaalde rapport van Human Rights Watch ziet op asielzoekers die vanuit de Verenigde Staten (VS) gedwongen zijn uitgezet naar Kameroen en die vervolgens te maken hebben gekregen met diverse mensenrechtenschendingen. Uit dit rapport blijkt ook dat de VS gevoelige asiel gerelateerde informatie had gedeeld met de Kameroense autoriteiten en dat de betrokken asielzoekers voorafgaand aan hun vertrek al problemen hadden ondervonden van de zijde van de Kameroense autoriteiten. Hier is in het geval van eiser geen sprake van. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij als terugkeerder vanuit Nederland zal worden gezien als opposant in Kameroen en daarom te vrezen zou hebben. Verweerder heeft terecht betrokken dat eiser meermaals zonder problemen Kameroen in en uit heeft kunnen reizen. Daarbij is eiser in het bezit van een geldig paspoort waarmee hij vrijwillig kan terugreizen.\n\n10. Voor zover eiser stelt dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met landeninformatie, heeft hij niet gesteld en gemotiveerd welke concrete landeninformatie aanleiding tot een ander oordeel geeft. Binnenlands beschermingsalternatief\n\n10. Uit artikel 3.37d van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV) in samenhang met paragraaf C2\u002F3.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) volgt dat verweerder een binnenlands beschermingsalternatief mag tegenwerpen indien de vreemdeling in een deel van het land van herkomst geen vrees heeft voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin of een reëel risico loopt op ernstige schade, op een veilige wijze naar dat gebied kan reizen en redelijkerwijs van de vreemdeling kan worden verwacht dat hij zich in dat gebied vestigt. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State,moet verweerder bij de beoordeling of aan deze drie voorwaarden is voldaan, rekening houden met de algemene omstandigheden in het gebied en met de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling. Als verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat aan de voorwaarden is voldaan, is het aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat het vestigingsalternatief in zijn geval niet aanwezig is en dat van hem niet kan worden verlangd dat hij zich elders in het land vestigt.\n\n12. Verweerder heeft terecht een binnenlands beschermingsalternatief voor eiser aangenomen in de regio’s Yaounde, Douala en Boufassam. Eiser voldoet immers aan de voorwaarden voor het binnenlands beschermingsalternatief. Volgens het beleid van verweerder is er voor Kameroen sprake van een uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld in de provincies North-West en South-West. Eiser komt uit Bamenda, wat gelegen is in North-West en heeft – zoals eerder overwogen – niet aannemelijk gemaakt dat hij in de negatieve belangstelling staat van de autoriteiten of te vrezen heeft voor vervolging. Voor zover eiser stelt dat voor heel Kameroen een uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld geldt, heeft hij geen landeninformatie overgelegd die dit oordeel kan dragen.\n\n13. Ook heeft verweerder terecht overwogen dat de partner van eiser in Bafousem – één van de door verweerder aangewezen binnenlandse vestigingsalternatieven – woont, wat in het Franstalige deel van Kameroen ligt. In het verweerschrift stelt verweerder terecht dat eiser eerder naar Douala – ook een stad die door verweerder aangewezen wordt als binnenlands vestigingsalternatief – is gegaan, wat tevens tot het Franstalige deel van Kameroen behoort. Hierbij is niet gebleken dat eiser problemen heeft ondervonden die raken aan artikel 3 van het EVRM.Dat eiser als ontheemde uit het Engelse deel in het Franse deel van Kameroen problemen zou ondervinden wordt daarom niet gevolgd.\n\nConclusie\n\n14. Verweerder heeft eisers asielaanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Ook heeft verweerder terecht een terugkeerbesluit tegen eiser uitgevaardigd.\n\n15. Het beroep is ongegrond.\n\n15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 5 november 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDeze uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.\n\n Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).\n\n Het verdrag betreffende de status van vluchtelingen.\n\n Met het kenmerk: ECLI:EU:C:2023:688.\n\n How Can You Throw Us Back? Asylum Seekers Abused in the US and Deported to Harm in Cameroon’, 10 februari 2022.\n\n Richtlijn 2011\u002F95\u002FEU.\n\n Pagina 4 van het verweerschrift.\n\n Pagina 14 van het Nader Gehoor.\n\n Bijvoorbeeld van 24 augustus 2021, met het kenmerk ECLI:NL:RVS:2021:2044.\n\n Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:20676","2026-07-13T00:28:37.454Z",{"id":158,"ecli":159,"slug":160,"caseNumber":43,"courtId":161,"decisionDate":162,"fullText":163,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":164,"sourceTimestamp":165,"parsedAt":51,"updatedAt":166},"1424","ECLI:NL:RBDHA:2025:21513","ecli-nl-rbdha-2025-21513",72,"2025-10-16T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats ‘s-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL24.23513\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser], V-nummer: [nummer], eiser\n\n(gemachtigde: mr. I.M. van Kuilenburg),\n\nen\n\nminister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. M.H.S. Volker).\n\nProcesverloop\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: asielaanvraag). Verweerder heeft de asielaanvraag met het bestreden besluit van 4 juni 2024 niet in behandeling genomen omdat Kroatië – gelet op de Dublinverordening (Verordening EU nr. 604\u002F2013) – verantwoordelijk is voor de asielaanvraag op grond van artikel 30 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).\n\n1.1. Eiser heeft hangende het beroep een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend (NL24.30184). Dit verzoek is bij uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats van 6 augustus 2024 toegewezen. De voorzieningenrechter heeft bij wijze van voorlopige voorziening verweerder verboden eiser over te dragen aan Kroatië totdat op het beroep is beslist.\n\n1.2. De rechtbank heeft het beroep op 20 augustus 2024 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en R.H. Por Koros Jamalabad als tolk. De rechtbank heeft het onderzoek tijdens deze zitting aangehouden, in afwachting van de procedure bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State over de situatie voor Dublinterugkeerders in Kroatië.\n\n1.3. Op 29 augustus 2024 heeft eiser nadere medische stukken overgelegd. Verweerder heeft hier op 4 november 2024 op gereageerd.\n\n1.4. Op 7 maart 2025 heeft verweerder aangegeven dat een onderzoek door Bureau Medische Advisering (BMA) is opgestart. Eiser heeft op 14 mei 2025 de rechtbank desgevraagd aangegeven dat – inmiddels – de benodigde gegevens daarvoor aan verweerder zijn verstrekt.\n\n1.5. Verweerder heeft op 12 juni 2025 het BMA-advies overgelegd. Op 16 juni 2025 heeft verweerder in dat kader een standpunt ingenomen. Eiser heeft hier desgevraagd op 15 juli 2025 op gereageerd.\n\n1.6. De rechtbank heeft het beroep op 14 oktober 2025 op een nadere zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk voor eiser is verschenen A.R. Izadkhast (2781). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nBeoordeling door de rechtbankFeiten en omstandigheden\n\n2. Eiser heeft op 23 december 2023 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft op 14 februari 2024 aan Bulgarije verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening. Bulgarije heeft dit verzoek afgewezen op 20 februari 2024, omdat Kroatië op grond van artikel 23, derde lid, van de Dublinverordening verantwoordelijk is geworden voor eisers asielverzoek. Daarop heeft Nederland op 22 februari 2024 Kroatië verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening. Kroatië heeft dit verzoek aanvaard op 7 maart 2024 op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening.\n\nBestreden besluit\n\n3. Nadat verweerder op 18 maart 2024 daartoe een voornemen kenbaar heeft gemaakt, heeft hij bij het bestreden besluit de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30 van de Vw 2000. Dit besluit is – kort samengevat – als volgt gemotiveerd.\n\n3.1.. Volgens verweerder is Kroatië verantwoordelijk voor de asielaanvraag van eiser. De termijn voor de Dublinclaim – die volgens verweerder drie maanden is – is niet verstreken. De datum van de loopbrief is 7 december 2023, dus verweerder had tot 7 maart 2024 de tijd om een claimverzoek uit te brengen. Nu dit op 22 februari 2024 is gedaan, is er tijdig geclaimd. Daarom kan niet worden geconcludeerd dat de verantwoordelijkheid nu bij Nederland ligt op grond van artikel 23, derde lid, van de Dublinverordening. Wat betreft het claimakkoord stelt verweerder dat de autoriteiten van Kroatië het terugnameverzoek hebben geaccepteerd op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening. Uit de bewoordingen van dit artikel volgt dat een claimakkoord dat gebaseerd is op dit vijfde lid ziet op de situatie waarin een vreemdeling een asielaanvraag heeft ingediend in een lidstaat en de lidstaat heeft verlaten gedurende het proces van het onderzoek naar de vraag of mogelijk een andere lidstaat verantwoordelijk is (ECLI:EU:C:2019:280 (H. en R.), paragrafen 47-50). Op grond van dit artikel is Kroatië verplicht om eiser terug te nemen om de procedure tot bepaling van die lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming af te ronden. Dat de verantwoordelijkheid van Kroatië voor de inhoudelijke behandeling van het asielverzoek van eiser nog niet onherroepelijk vaststaat, doet niet af aan de rechtmatigheid van het claimakkoord. Wat betreft de betwisting van het hebben ingediend van een asielaanvraag in Kroatië, stelt verweerder dat uit Eurodac blijkt dat eiser een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend in Kroatië. Uit vaste jurisprudentie volgt dat verweerder er van mag uitgaan dat deze informatie juist is. Eisers verklaring dat hij geen asiel heeft aangevraagd in Kroatië wordt dus niet gevolgd.\n\n3.2.. Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat hij ten aanzien van Kroatië in algemene zin van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan. Volgens verweerder is in Kroatië niet gebleken van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid halen, zoals is bedoeld in het arrest Jawo van het HvJ-EU van 19 maart 2019 (ECLI:EU:C:2019:218). Eiser is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de situatie in Kroatië door de hiervoor bedoelde ondergrens zakt. Verweerder verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 13 september 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3411). Bij die uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat Nederland aan zijn onderzoekplicht heeft voldaan ten aanzien van de situatie in Kroatië voor Dublinclaimanten. Op basis van de bevindingen uit dat onderzoek mag wat betreft Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan, aldus de Afdeling. Verweerder stelt voorts dat de autoriteiten van Kroatië middels het claimakkoord hebben gegarandeerd dat zij eisers asielverzoek inhoudelijk zullen behandelen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij als Dublinclaimant na overdracht te maken zal krijgen met pushbacks. De verklaringen van eiser over wat hij heeft meegemaakt in Kroatië en over de situatie in Kroatië leiden niet tot de conclusie dat er sprake is van structurele tekortkomingen van de asielprocedure in Kroatië. Bij voorkomende problemen kan eiser in Kroatië naar de daartoe aangewezen (hogere) autoriteiten of de daarvoor aangewezen instanties gaan. Niet gebleken is dat deze autoriteiten eiser niet kunnen of willen helpen en tevens is niet gebleken dat eiser voldoende inspanningen heeft verricht om zijn klacht in Kroatië kenbaar te maken. Eiser heeft zijn stellingen niet nader onderbouwd en heeft geen (recente) documenten overgelegd waaruit blijkt dat Kroatië zich tegenover eiser niet aan zijn internationale verplichtingen houdt.\n\n3.3.. De medische omstandigheden vormen volgens verweerder geen reden om de asielaanvraag in behandeling te nemen. Eiser heeft geen (recente) medische documenten overgelegd. Er zijn ook geen aanwijzingen dat Nederland het meest geschikte land is om eiser te behandelen. Kroatië kent dezelfde medische verzorgingsmogelijkheden als Nederland en daarom mag worden verwacht dat Kroatië eisers medische problemen net zo goed kan behandelen. Bij toestemming vindt een uitwisseling van eisers medische gegevens plaats tussen Nederland en Kroatië zodat Kroatië over bijzondere medische behoeften kan worden geïnformeerd. Van een situatie als bedoeld in het arrest C.K. tegen Slovenië van het HvJ-EU van 16 februari 2017 (ECLI:EU:C:2017:127; hierna arrest C.K.), is niet gebleken en er wordt ook geen aanleiding gezien om een medisch onderzoek op te starten. Verweerder wijst er verder op dat, ondanks de eerdere aankondiging, er nog geen documenten zijn overgelegd over de gestelde behandeling voor psychische problemen zijn overgelegd. Dit kan alsnog in beroep.\n\n3.4.. Verweerder vindt tenslotte dat er geen reden is om de aanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich te trekken. Er is namelijk niet gebleken van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht getuigt van een onevenredige hardheid. De aangevoerde omstandigheden (mishandeld door de autoriteiten van Kroatië en slachtoffer van mensenrechtenschendingen) zijn niet relevant bij de beoordeling of er sprake is van bijzondere individuele omstandigheden. Deze hebben namelijk betrekking op de vraag of Kroatië zijn internationale verplichtingen niet nakomt, en daarvoor bestaan geen aanwijzingen (ECLI:NL:RVS:2014:3164)\n\nStandpunt eiser\n\n4. Eiser heeft op de hierna te bespreken gronden beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\nBeoordeling rechtbank\n\nOmvang geding\n\n5. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser tijdens de zitting heeft aangegeven dat zijn beroepsgronden ten aanzien van de betwisting van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, voor zover deze betrekking hebben op systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Kroatië, komen te vervallen, gelet op de nieuwe Afdelingsjurisprudentie op dit punt. De rechtbank heeft eiser tijdens de zitting voorts uitdrukkelijk de vraag gesteld of hij met zijn beroepsgronden óók een beroep wenst te doen op de discretionaire bevoegdheid van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Dit is gevraagd omdat de rechtbank dit voorafgaand aan de zitting niet duidelijk kon opmaken uit het beroepschrift. Eiser heeft hierop niet kenbaar gemaakt dat dit het geval is en heeft aangegeven dat het hem te doen is om de medische overdrachtsbeletselen, die volgens eiser maken dat verweerder op grond van de Dublinverordening verplicht is de asielaanvraag van eiser te behandelen en niet – zoals in het geval van de discretionaire bevoegdheid – onverplicht.\n\n6. De rechtbank zal, gelet op het voorgaande, ingaan op eisers beroepsgronden inzake het door hem gestelde voorwaardelijke claimakkoord en op de door hem gestelde medische overdrachtsbeletselen.\n\nVoorwaardelijkheid claimakkoord\n\n7. Eiser voert aan dat sprake lijkt te zijn van een voorwaardelijk claimakkoord, namelijk om door te gaan met de beoordeling wie verantwoordelijk is voor eiser. Daarom zou verweerder navraag moeten doen om te bezien wat er aan de hand is en of er inderdaad wel van kan worden uitgegaan dat de behandeling van het asielverzoek in Kroatië gegarandeerd is. Volgens eiser is niet gegarandeerd dat het asielverzoek in Kroatië in behandeling zal worden genomen. Eiser voert aan dat het bij artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening juist gaat om (de verplichting om) met het oog op afronding van de Dublinprocedure te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling. In deze situatie is de verantwoordelijkheid voor het asielverzoek nog niet vastgesteld. Daarnaast stelt eiser dat uit het claimakkoord blijkt dat Kroatië een beroep doet op (impliciete) intrekking van het asielverzoek, maar dat verweerder ten onrechte niet nader heeft onderzocht en onderbouwd of Kroatië een beroep doet op de uitzondering van de hoofdregel uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) in de zaak H. en R. tegen Nederland van 2 april 2019 (ECLI:EU:C:2019:280).\n\n8. Dit betoog slaagt niet. Kroatië is met het terugnameverzoek van Nederland akkoord gegaan op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening “in order to continue to determine responsibility for the person mentioned above”. Daarmee heeft Kroatië erkend dat zij moet vaststellen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek. Kroatië had die procedure nog niet afgerond en wil het onderzoek naar de verantwoordelijkheidsvaststelling voortzetten. Dat Kroatië de vaststellingsprocedure op grond van de Dublinverordening nog niet heeft afgerond en dus ook nog niet heeft vastgesteld dat Kroatië daadwerkelijk verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielverzoek, betekent niet dat verweerder het bestreden besluit niet mocht nemen en evenmin dat eiser niet mag worden overgedragen aan Kroatië. Uit de bewoordingen van voornoemd artikel volgt dat een claimakkoord dat gebaseerd is op het vijfde lid van artikel 20 van de Dublinverordening ziet op de situatie waarin een vreemdeling een asielverzoek heeft ingediend in een lidstaat en de lidstaat heeft verlaten gedurende het proces van het onderzoek naar de vraag of mogelijk een andere lidstaat verantwoordelijk is (zie ook het door eiser genoemde arrest van het HvJ-EU van 2 april 2019, ECLI:EU:C:2019:280, par. 47-50). In par. 81 van dit arrest heeft het HvJ-EU voorts overwogen dat in de in artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening bedoelde gevallen een overdracht in beginsel zal kunnen plaatsvinden zonder dat de verantwoordelijkheid van de aangezochte lidstaat voor de behandeling van het asielverzoek vooraf is vastgesteld. Op grond van dit artikel is Kroatië verplicht om eiser terug te nemen om de procedure tot bepaling van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek af te ronden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de omstandigheid dat de verantwoordelijkheid van Kroatië voor de inhoudelijke behandeling van het asielverzoek nog niet onherroepelijk vaststaat, niet afdoet aan de rechtmatigheid van het claimakkoord.\n\n9. De rechtbank is verder van oordeel dat er geen reden voor verweerder was om hierover navraag te doen bij de autoriteiten van Kroatië. Uit par. 80-84 van voornoemd arrest volgt dat Nederland niet verplicht was om, voordat zij een terugnameverzoek bij Kroatië indiende, op grond van de Dublinverordening te onderzoeken of Kroatië ook daadwerkelijk de lidstaat is die verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek. Eiser heeft voorts geen informatie verstrekt waaruit blijkt dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek. Nederland heeft daarom terecht een terugnameverzoek ingediend bij de Kroatische autoriteiten en het is vervolgens aan de Kroatische autoriteiten om te bepalen of zij daadwerkelijk verantwoordelijk zijn, of dat een andere lidstaat dit is.Medische overdrachtsbeletselen\n\n10. Eiser voert aan hij onder behandeling is vanwege depressie en dat hij\n\ninmiddels suïcidaal is geworden vanwege de angst te moeten terugkeren naar Kroatië.\n\nDaarbij doet hij een beroep op het arrest C.K. van het HvJ-EU, de uitspraak van de Afdeling van 3 november 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2980), alsook de uitspraak van de Afdeling van\n\n21 maart 2024 (ECLI:NL:2024:1199), waarin een risico op schending van artikel 3 van het EVRM is aangenomen doordat mogelijk geen psychische gezondheidszorg in Kroatië beschikbaar is. Ter onderbouwing heeft eiser in de fase van beroep op 24 juni 2024 medische stukken ingebracht, te weten zijn patiëntdossier van 14 juni 2024 en een brief van de praktijkondersteuner huisartsen voor geestelijke gezondheidszorg van 24 juni 2024. Volgens de gemachtigde van eiser lijkt het dat de ernstige psychische problemen van eiser, met name het serieuze suïcidegevaar, gekoppeld is aan de vrees voor uitzetting en dat gedwongen deportatie zeer ernstige en onomkeerbare gevolgen kan hebben en daarom (mogelijk) strijdig is met artikel 3 van het EVRM.\n\n11. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat hij op dat moment geen grond zag voor medische overdrachtsbeletselen in het geval van eiser en evenmin reden zag om nader onderzoek hiernaar te laten doen (zie ook onder 4.3). Na het overleggen door eiser van de voornoemde medische stukken op 24 juni 2024 heeft verweerder aangegeven dat deze medische stukken geen objectieve gegevens betreffen die aantonen dat de overdracht aan Kroatië onomkeerbare gevolgen heeft voor de gezondheidstoestand van eiser, zoals bedoeld in het arrest C.K. Daarbij wijst verweerder op de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 30 april 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:10137) die door de Afdeling is omarmd en bevestigd bij uitspraak van 13 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2017). Zo wordt in de brief van 24 juni 2024 vermeld dat eiser verklaart suïcidale gedachten te hebben, maar blijkt uit het patiëntdossier dat deze suïcidale gedachten\u002Fpogingen niet bevestigd kunnen worden (aantekening van 14 juni 2024). Alleen op 30 april 2024 is de eerste en enige melding gemaakt dat verzoeker heeft verklaard soms de gedachten te hebben om “het” daadwerkelijk te doen maar dat hij daartoe geen plannen heeft. Ook verder volgt uit het patiëntdossier geen medische (psychische) diagnoses, maar slechts enkele beschrijvingen van vermoeidheid, slecht slapen, piekeren en stress. Uit de aangeleverde informatie blijkt volgens verweerder niet van concrete aanknopingspunten om Bureau Medische Advisering (BMA) advies te vragen om de gevolgen van de overdracht in kaart te brengen.\n\n12. Eiser heeft hierop vervolgens – desgevraagd – gereageerd op 7 augustus 2024. Eiser geeft kort gezegd aan dat hij het standpunt van verweerder niet volgt, te meer gezien het zeer matig beschikbaar zijn van medische zorg in Kroatië. Er is volgens eiser wél aanleiding om een BMA-advies op te vragen. De beschrijving van de symptomen (depressie en PTSS) door de praktijkondersteuner GGZ acht eiser voldoende. In het patiëntdossier is verder vermeld dat er wel eens zelfmoordgedachten zijn. Ambtshalve is de gemachtigde van eiser bovendien ermee bekend dat de bevindingen van de praktijkondersteuner GGZ niet in het patiëntdossier staan – waarom weet zij ook niet. Eiser meent dat de brief van de praktijkondersteuner GGZ wel degelijk relevante informatie geeft over de gevolgen van overdracht aan Kroatië. Tenslotte stelt eiser in deze reactie dat hij vanwege zijn psychische problematiek als kwetsbaar te zien is en dat om die reden aanvullende garanties van de Kroatische autoriteiten nodig zijn.\n\n13. Op 22 augustus 2025 heeft eiser een nadere verklaring van de praktijkondersteuner Zakia Elasri overgelegd (gedateerd 22 augustus 2024). Hierin staat onder meer vermeld: “Suïcide gevaar na deportatie Kroatië vind ik zelf wel reëel aanwezig, omdat zijn depressieve klachten ernstig zijn. Ik weet ook zeker dat zijn depressieve klachten zullen afnemen als de Dublin eraf zal gaan.”\n\n14. Op 4 november 2024 heeft verweerder gereageerd op voornoemde aanvullende verklaring. Hij ziet daarin geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Eventuele benodigde medische zorg is volgens verweerder eveneens beschikbaar in Kroatië en de Kroatische autoriteiten zullen desgevraagd op de hoogte worden gebracht van de medische situatie van eiser. Bovendien betreft het een brief van een praktijkondersteuner, en niet van een arts, en wordt daarin geen diagnose gesteld. Eveneens ziet verweerder geen concrete onderbouwing waarop wordt gebaseerd dat er een reëel verhoogd risico op\n\nsuïcide is bij overdracht dan wel dat de psychische klachten zullen afnemen als van een Dublinoverdracht wordt afgezien.\n\n15. In de brief van 7 maart 2025 heeft verweerder zich vervolgens op het standpunt gesteld dat er uit een oogpunt van zorgvuldigheid aanleiding is ontstaan het BMA alsnog te vragen om advies uit te brengen. Eiser heeft de hiertoe vereiste medische machtiging verstrekt en heeft een aanvullend schrijven van de praktijkondersteuner GGZ van 25 februari 2025 overgelegd.\n\n16. Verweerder heeft op 12 juni 2025 het BMA-advies (gedateerd 13 juni 2025) overgelegd. In dit advies staat vermeld dat eiser onder behandeling staat (medicatie en psychotherapie), dat de behandeling in principe tijdelijk van aard is maar net is gestart en dat op basis van de aanwezige informatie niet is aan te geven hoe lang de behandeling precies zal gaan duren. Verder staat vermeld dat uit informatie van de behandelaar naar voren komt dat sprake is van PTSS en een depressieve stoornis, dat eiser symptomen vertoont van aanhoudende somberheid, slaapproblemen, nachtmerries, verminderde eetlust, concentratieproblemen en gevoelens van hopeloosheid, en dat volgens de praktijkondersteuner GGZ sprake is van een verhoogd risico op suïcidaliteit indien eiser terug moet keren naar Kroatië. De BMA-arts concludeert dat eiser kan reizen indien sprake is van een fysieke overdracht, en dat geadviseerd wordt om een psychiatrisch verpleegkundige mee te laten reizen. Deze kan eiser begeleiding bieden, de medicatie in beheer houden en een fysieke overdracht doen aan een behandelaar.\n\n17. Verweerder heeft zich in zijn brief van 16 juni 2025 onder verwijzing naar dit advies op het standpunt gesteld dat eiser – onder bepaalde reisvoorwaarden – kan worden overgedragen aan Kroatië.\n\n18. Eiser heeft in zijn brief van 15 juli 2025 desgevraagd aangegeven dat de BMA-arts de medische toestand van eiser erkent alsmede het verhoogde risico op suïcidaliteit indien eiser zou worden overgedragen. Verder noemt de BMA-arts voorzorgsmaatregelen, maar kan geen enkele concrete waarborg geboden worden voor de feitelijke overdracht (bijvoorbeeld een arts\u002Finstelling in Kroatië). Niet is onderzocht dat de noodzakelijke medische continuïteit daadwerkelijk geboden kan worden. Gezien wat bekend is over de opvang en medische zorg in Kroatië – die notoir slecht is – kan er niet zonder meer van worden uitgegaan dat dit gegarandeerd zal zijn. Die daadwerkelijke toegang tot de medische zorg is volgens eiser wel vereist, gelet op het arrest C.K. Er mag niet uitsluitend worden afgegaan op het interstatelijk vertrouwensbeginsel; vereist is een volledige en casuïstische beoordeling. Eiser heeft bovendien zelf geen enkel vertrouwen in de Kroatische autoriteiten, gezien de eerdere zeer slechte behandeling door hen. Overdracht zal voor eiser reden voor zelfmoord zijn.\n\n19. De rechtbank overweegt als volgt.\n\nHet juridisch kader\n\n20. Het HvJ-EU heeft in het arrest C.K. geoordeeld dat overdracht van een asielzoeker achterwege dient te blijven indien dit een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand zou inhouden. Onder die omstandigheden zou die overdracht namelijk een onmenselijke en vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (Handvest) vormen. Het HvJ-EU heeft in de paragrafen 75 en 76 van het arrest C.K. – verkort weergegeven – overwogen dat in de situatie dat de vreemdeling voornoemde gegevens overlegt, het aan de autoriteiten is om iedere ernstige twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheidstoestand van de betrokkene weg te nemen, en dat daarbij, wanneer sprake is van een ernstige psychische aandoening, niet mag worden volstaan met te kijken naar de gevolgen van het fysieke vervoer van de betrokkene van een lidstaat naar een andere, maar rekening gehouden moet worden met alle aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen die uit de overdracht zouden voortvloeien.\n\n21. De Afdeling heeft in navolging hiervan overwogen (zie de uitspraak van 3 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2980, onder 7) dat uit het arrest C.K. volgt dat wanneer een asielzoeker objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen aantonen waartoe een overdracht zelf zou kunnen leiden, verweerder bij het nemen van het overdrachtsbesluit moet beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen. Die vergewisplicht treedt onder meer in wanneer het risico dat een asielzoeker suïcide zal plegen als gevolg van zijn of haar overdracht door een medisch deskundige als reëel of hoog is ingeschat. Zie in dat verband de uitspraken van de Afdeling van 21 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4303, onder 4) en 22 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2845, onder 2.2). In dat geval vereist de vergewisplicht dat verweerder de gerezen twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheid van een vreemdeling deugdelijk gemotiveerd wegneemt. Verweerder kan in beginsel met het uitvoeren van de door het BMA vastgestelde reisvereisten voorafgaand aan, tijdens of direct na de reis, de gerezen twijfel over een schending van artikel 3 van het EVRM (dan wel artikel 4 van het Handvest) als gevolg van de overdracht zelf wegnemen (zie de uitspraak van de Afdeling van 24 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1566). In bijzondere omstandigheden volstaat het echter niet om de gerezen twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheidstoestand van de betrokkene weg te nemen door (enkel) te verwijzen naar de reisvoorwaarden die het BMA heeft opgesteld – bijvoorbeeld in een geval waarin (meerdere) behandelaren hebben gesteld dat het risico op suïcide als (zeer) hoog moet worden ingeschat in geval van een overdracht aan de lidstaat en dat dit risico te relateren is aan die overdracht (zie de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3297, onder 3.5-3.7).\n\n22. Uit de jurisprudentie van de Afdeling volgt verder dat de vraag of de overdracht van een betrokkene met een bijzonder slechte gezondheidstoestand op zich een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand inhoudt, zoals bedoeld in par. 73-75 van het arrest C.K., moet worden onderscheiden van de vraag of in die andere lidstaat na de overdracht voor die betrokkene passende medische zorg aanwezig is, zoals beschreven in par. 70-72 van dat arrest (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 8 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:986, onder 6). Zowel de overdracht op zich als de afwezigheid van passende medische zorg, kunnen namelijk een reëel risico op een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest tot gevolg hebben.\n\n23. De rechtbank stelt vast – mede gelet op de behandeling ter zitting – dat in deze zaak het eiser te doen is om de gevolgen van de overdracht aan Kroatië op zich en de beschikbaarheid van passende medische zorg in Kroatië. De rechtbank zal beide punten in het hiernavolgende dan ook bespreken.\n\nDe gevolgen van de overdracht op zich\n\n24. Zoals uit de hiervoor aangehaalde rechtspraak volgt is het uitgangspunt dat verweerder de gerezen twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheid van een betrokkene kan wegnemen door het BMA om advies te vragen en – vervolgens – toe te zeggen de in het BMA-advies opgenomen reisvereisten te zullen opvolgen (zie in dit kader ook de door verweerder ter zitting aangehaalde, recente uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4774).\n\n25. De BMA-arts heeft in de zaak van eiser aangegeven dat eiser kan reizen indien een fysieke overdracht wordt geregeld. Door het BMA is in dit kader geadviseerd om een psychiatrisch verpleegkundige mee te laten reizen die eiser begeleiding kan bieden, de medicatie in beheer kan houden en een fysieke overdracht kan doen aan een behandelaar. De laatstgenoemde fysieke overdracht aan een instelling\u002Farts is het meest vergaande reisvereiste dat het BMA kan adviseren (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4458, onder 2.5).\n\n26. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval verweerder de gerezen twijfel heeft weggenomen door te verwijzen naar het uitvoeren van de door het BMA opgestelde reisvereisten. In dit verband laat de rechtbank meewegen dat eiser – ondanks het feit dat de rechtbank hem daartoe uitdrukkelijk in de gelegenheid heeft gesteld bij brief van 9 oktober 2025 – geen nadere, actuele medische informatie heeft overgelegd. Ook is onduidelijk gebleven wat de precieze diagnose is die bij eiser is gesteld en wat de aard van de behandeling is die hij ondergaat. Ter zitting heeft eiser erop gewezen dat – naast het feit dat hij medicatie gebruikt voor zijn psychische klachten – hij eens in de twee weken een afspraak heeft met de praktijkondersteuner GGZ. Gedurende deze procedure is onduidelijk gebleven waar deze praktijkondersteuner precies op baseert dat sprake is van een reëel verhoogd risico op suïcide bij overdracht dan wel dat de psychische klachten van eiser zullen afnemen als van een overdracht wordt afgezien. Verder zijn er geen andere behandelaren in beeld – eiser heeft hier althans niet op gewezen – die het door de praktijkondersteuner gestelde reële risico op suïcide bevestigen. Ook in het patiëntdossier is hiervoor geen onderbouwing te vinden en zijn geen gedocumenteerde suïcidepogingen opgenomen. Daarin staat wel, zoals eiser heeft aangevoerd, het volgende vermeld (bij de datum 30 april 2024) “droomt vaak dat hij van een hoog hoogte valt. soms heeft hij zelfs die gedachtens om het daadwerkelijk te gaan doen. heeft geen plannen.” Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank nog niet van een concreet suïciderisico. Na 30 april 2024 wordt in het patiëntdossier over dit onderwerp verder niets meer vermeld en eiser heeft – naar aanleiding van de opvraag van de rechtbank op 9 oktober 2025 – ook geen geactualiseerd patiëntdossier overgelegd.\n\n27. Anders dan waar eiser van uitgaat hoeft het BMA in een Dublinprocedure – juist omdat verweerder in beginsel uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van de in de andere lidstaat aanwezige medische zorg (zie ook de artikelen 17 tot en met 19 van de Opvangrichtlijn) – voorts niet te specificeren bij welke concrete instelling\u002Farts de benodigde zorg beschikbaar is na overdracht. Eiser heeft er ter zitting op gewezen dat dit specificeren altijd vereist is in medische zaken waarin het gaat om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000, maar de rechtbank wijst erop dat in deze zaak niet een uitzetting naar het land van herkomst maar een overdracht op grond van de Dublinverordening aan de orde is. Dat is een andere context, omdat in zo’n geval overgedragen\u002Fuitgezet wordt naar een andere lidstaat van de Europese Unie – waarbij verweerder er in beginsel van uit mag gaan dat in die andere lidstaat het Europese asielrecht nageleefd wordt.\n\n28. In de aan de orde zijnde omstandigheden ziet de rechtbank gelet op het voorgaande geen reden voor het oordeel dat verweerder in dit geval met het opvolgen van de door het BMA opgestelde reisvereisten de gerezen twijfel niet heeft weggenomen.\n\n29. Het voorgaande laat onverlet dat de rechtbank uit het dossier afleidt dat eiser kampt met verschillende psychische klachten. De rechtbank wil deze klachten geenszins bagatelliseren. De informatie omtrent deze psychische klachten is echter bij de huidige stand van zaken onvoldoende om aannemelijk te achten dat bij overdracht – ondanks de in dat kader door verweerder te treffen maatregelen – sprake zal zijn van een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand van eiser, als gevolg waarvan die overdracht achterwege moet blijven.\n\nDe aanwezigheid van medische zorg in Kroatië\n\n30. Eiser heeft betwist dat in Kroatië voor hem passende medische zorg aanwezig is. Hij heeft er ter zitting in dit kader op gewezen dat uit het meest recente AIDA-rapport (update 2024) van augustus 2025 blijkt van problemen met de (mentale) gezondheidszorg in Kroatië.\n\n31. Dit betoog slaagt niet. In het kader van de beschikbaarheid van passende medische zorg in de andere lidstaat mag verweerder, zoals hiervoor al is aangegeven, in beginsel uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit betekent dat het in beginsel aan eiser is om te staven dat de voor zijn ernstige fysieke of mentale aandoening benodigde medische zorg in de verantwoordelijke lidstaat ontbreekt (zie de uitspraak van de Afdeling van 24 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:586).\n\n32. De rechtbank overweegt dat de Afdeling in haar uitspraak van 19 juni 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2484) heeft overwogen dat adequate psychische gezondheidszorg op dat moment wel (weer) beschikbaar is in Kroatië. De informatie in het door eiser genoemde AIDA-rapport heeft de Afdeling nog niet bij haar beoordeling in de laatstgenoemde uitspraak kunnen betrekken, nu die informatie van een latere datum is. De rechtbank kan uit de relevante paragrafen in dit rapport (pag. 114 e.v.) echter niet afleiden dat de gezondheidszorg in Kroatië op dit punt meer recent wel door de ondergrens zakt, en wijst erop dat eiser dit zelf ook niet concreet heeft gemaakt door te verwijzen naar specifieke passages uit dit rapport. De rechtbank overweegt verder dat uit pag. 117-118 van het rapport wél af te leiden valt dat psychische gezondheidszorg voor asielzoekers beschikbaar was en dat er in dat kader ook verwijzingen plaatsvonden naar psychiatrisch specialisten. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding om in dit kader tot een ander oordeel te komen dan de Afdeling in haar uitspraak van 19 juni 2024.\n\nConclusie en gevolgen\n\n33. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.W.A.M.M. Delauw, rechter, in aanwezigheid van mr. M.W. Venderbos, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 16 oktober 2025\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:21513","2025-11-14T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:20.502Z",{"id":168,"ecli":169,"slug":170,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":171,"fullText":172,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":173,"sourceTimestamp":174,"parsedAt":51,"updatedAt":175},"1492","ECLI:NL:RBDHA:2025:18612","ecli-nl-rbdha-2025-18612","2025-10-07T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: NL25.4845 (beroep) en NL25.4846 (voorlopige voorziening)\n\nuitspraak van de meervoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen\n [eiseres] , eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. F. Zeven),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. T.J.N. Schilder).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De wijze van beoordelen van die aanvraag is door de toepassing van de Werkinstructie 2024\u002F6 niet onrechtmatig. De problemen die eiseres in Iran zou hebben vanwege politieke activiteiten, heeft verweerder ongeloofwaardig kunnen vinden. Eiseres heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat zij vanwege haar politieke overtuiging in de negatieve belangstelling staat of zal komen te staan van de Iraanse autoriteiten. Verder kon verweerder een terugkeerbesluit tegen eiseres uitvaardigen dat inhoudt dat zij moet terugkeren naar Iran of Turkije. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiseres heeft op 10 januari 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 29 januari 2025 in de algemene procedure als kennelijk ongegrond afgewezen. Met het bestreden besluit heeft verweerder ook een inreisverbod voor twee jaar tegen eiseres uitgevaardigd en een terugkeerbesluit genomen, dat inhoudt dat zij onmiddellijk moet terugkeren naar Iran.\n\n2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij heeft de voorzieningenrechter ook verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening met de strekking dat ze de uitspraak op haar beroep in Nederland mag afwachten.\n\n2.2. Met een besluit van 13 maart 2025 heeft verweerder het terugkeerbesluit aangevuld met de bepaling dat eiseres ook moet terugkeren naar Turkije. Het beroep heeft ook betrekking op dit aanvullende terugkeerbesluit.\n\n2.3. Eiseres heeft op 4 februari 2025, 11 maart 2025, 17 en 28 april 2025 en 23 juni 2025 stukken ingediend. Zij heeft ook een verzoek om schadevergoeding gedaan. Verweerder heeft op 30 juni 2025 een verweerschrift ingediend.\n\n2.4. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 3 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres, de gemachtigde van eiseres, A. Afkari als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nFeiten en omstandigheden\n\n3. Eiseres stelt de Iraanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1982. Zij is op 9 januari 2025 met een vlucht vanuit Istanboel op Schiphol aangekomen en heeft daar op 10 januari 2025 een asielaanvraag ingediend. Eiseres heeft daaraan ten grondslag gelegd dat zij in 2022 is opgepakt en een maand heeft vastgezeten vanwege haar deelname aan demonstraties. Eiseres en haar familie waren betrokken bij politieke activiteiten van de Komala-partij. Toen zij nog jonger was is haar vader vanwege zijn activiteiten voor deze partij gevangengezet en vermoord. Op 10 november 2024 is zij betrapt door de autoriteiten toen een vriendin van haar een foto van eiseres maakte zonder hoofddoek naast een foto van de geestelijk leider. De vriendin is opgepakt, maar eiseres heeft weten te ontkomen.\n\n3.1. Op 28 januari 2025 heeft eiseres een verklaring van de Komala-partij overgelegd. In beroep heeft zij foto’s van een gestelde huiszoeking bij de moeder van eiseres en van een bijeenkomst overgelegd. Ook heeft eiseres een kopie en vertaling van een vonnis van de revolutionaire rechtbank van Sanandaj overgelegd.\n\nDe afwijzing van de asielaanvraag\n\n4. Volgens verweerder heeft eiseres de volgende asielmotieven aan haar aanvraag ten grondslag gelegd:\n\n- haar identiteit, nationaliteit en herkomst;\n\n- de problemen vanwege haar politieke activiteiten.\n\nVerweerder heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig geacht. De problemen vanwege politieke activiteiten heeft verweerder niet geloofwaardig geacht. Daarbij stelt verweerder eerst vast dat eiseres haar verklaringen niet met objectieve documenten heeft onderbouwd. Ook heeft eiseres onvoldoende documenten overgelegd en heeft zij daar geen goede verklaring voor, waarmee zij niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder b van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verder vormen de verklaringen van eiseres geen samenhangend en aannemelijk geheel, waarmee niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder c van de Vw. De kennis van eiseres over de Komala-partij is gering en de verklaringen over haar betrokkenheid en die van familieleden zijn vaag. Dat geldt ook voor de verklaringen over haar verblijf in detentie in 2022. De verklaringen van eiseres over de uitspraak van de rechtbank en het vonnis zijn verder in strijd met geverifieerde informatie over Iran. Ook vindt verweerder de verklaringen over het fotomoment met een vriendin ongerijmd. Eiseres kan volgens verweerder in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd en daarmee is niet voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder e van de Vw. Verweerder heeft vervolgens nog getoetst of de politieke overtuiging van eiseres, haar atheïsme en haar etniciteit redenen zijn waarom zij moet vrezen voor vervolging, maar komt tot de conclusie dat dit niet zo is. Verweerder heeft daarom de asielaanvraag als kennelijk ongegrond afgewezen, bepaald dat eiseres onmiddellijk dient terug te keren naar Iran en een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd.\n\n4.1. Verweerder heeft in de aanvulling op zijn besluit van 29 januari 2025 nog het standpunt ingenomen dat aan de overgelegde brief van de Komala-partij geringe waarde toekomt. Er kan namelijk niet worden geverifieerd door wie de brief is opgesteld en waarop de inhoud van de brief is gebaseerd. Verweerder heeft verder op 13 maart 2025 nog een aanvullend terugkeerbesluit uitgevaardigd waarin staat dat zij ook naar Turkije moet terugkeren. Gebleken is dat eiseres naar Turkije kan terugkeren met een removal order.\n\nBeoordeling beroepsgronden\n\nIs de werkinstructie 2024\u002F6 onrechtmatig en de beoordeling in strijd met het arrest L.H.?\n\n5. Eiseres voert aan dat de Werkinstructie SUA ‘WI 2024\u002F6 Geloofwaardigheidsbeoordeling (asiel)’ (hierna: WI 2024\u002F6) en de daaruit voortvloeiende nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling van asielmotieven in strijd is met Europees recht. Er rust een plicht op verweerder om de wijze van beoordeling van de verklaringen en bewijsmateriaal aan te passen aan de eigen kenmerken van elke categorie asielaanvraag. Verklaringen en documenten alleen zijn niet de enige bewijsmiddelen. Als een document niet kan worden geauthentiseerd of objectief verifieerbaar is, kan dat niet van de beoordeling worden uitgesloten. Verweerder vereist dat het uitsluitend gaat om authentieke documenten. Dat is in strijd met het arrest LH.van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof). Het aanvullende besluit over het ingebrachte stuk van de Komala-partij is in strijd met dat arrest.\n\n5.1. De rechtbank overweegt dat uit de WI 2024\u002F6 volgt dat verweerder eerst de feiten en omstandigheden identificeert en het asielrelaas vaststelt (stap 1). Verweerder beoordeelt vervolgens de geloofwaardigheid van het asielmotief (stap 2). Daarbij wordt eerst beoordeeld of het asielmotief voldoende is onderbouwd met objectieve bewijsstukken (stap 2a). Als een asielmotief niet of onvoldoende is onderbouwd met objectieve documenten, wordt een geloofwaardigheidstoets toegepast om tot een oordeel te komen over de geloofwaardigheid (stap 2b). In dat geval wordt getoetst aan de vijf cumulatieve voorwaarden uit artikel 31, zesde lid, van de Vw. Deze voorwaarden staan ook in artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn.\n\n5.2. De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat deze wijze van beoordeling in strijd is met het Unierecht of onredelijk is. Als de vreemdeling niet in staat is om objectieve documenten te overleggen, beoordeelt verweerder of de vreemdeling zijn asielrelaas geloofwaardig heeft gemaakt door daar samenhangende en aannemelijke verklaringen over af te leggen. Dat er geen authentieke of objectief verifieerbare documenten zijn is dus niet bepalend. In de werkinstructie staat ook dat kopieën wel worden betrokken als het motief niet volledig met documenten is onderbouwd. Dit is in lijn met het arrest LH waarin is geoordeeld dat niet-authentieke documenten bij de beoordeling moeten worden betrokken. Verweerder heeft dat in deze zaak onder meer ten aanzien van de brief van de Komala-partij ook gedaan. Verweerder heeft over die brief het standpunt ingenomen dat de waarde gering is omdat niet geverifieerd kan worden door wie de brief is opgesteld en waarop de inhoud van de brief is gebaseerd. Dat is iets anders dan dit document buiten beschouwing laten. Of de rechtbank dit standpunt van verweerder kan volgen, bespreekt de rechtbank hierna, onder 7.1.\n\nHoort eiseres bij een specifieke sociale groep in Iran omdat zij een activistische vrouw is?\n\n6. Eiseres voert aan dat zij als vluchteling moet worden aangemerkt alleen al vanwege haar vrouw zijn en haar opvattingen over gendergelijkheid, haar inzet voor vrouwen in Iran en haar deelname aan vrouwenrechtendemonstraties. Het Hof heeft in het arrest K en Lgeoordeeld dat meisjes en vrouwen die zich daadwerkelijk vereenzelvigen met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen een ‘specifieke sociale groep’ zijn in de zin van de Kwalificatierichtlijn. Eiseres valt onder die definitie. Vanwege de inherente ongelijkheid tussen mannen en vrouwen in Iran, moet worden geconcludeerd dat sprake is van gendergerelateerd geweld en er een gegronde vrees is voor vervolging. Eiseres doet een beroep op verschillende algemene bronnen om te onderbouwen dat zij als vrouw te vrezen heeft voor vervolging in Iran.\n\n6.1. \n\nVerweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet behoort tot de specifieke sociale groep zoals beschreven in het arrest K en L. Eiseres is zich niet tijdens haar verblijf in Nederland gaan identificeren met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen. Verweerder verwijst naar overweging 51 van het arrest, waarin staat:\n\n“Hieruit volgt dat vrouwen, minderjarige vrouwen daaronder begrepen, die als gemeenschappelijk kenmerk hebben dat zij zich tijdens hun verblijf in een lidstaat daadwerkelijk zijn gaan vereenzelvigen met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen, al naargelang de omstandigheden in het land van herkomst kunnen worden geacht te behoren tot „een specifieke sociale groep” als bedoeld in artikel 10, lid 1, onder d), van richtlijn 2011\u002F95.”\n\n6.2. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder. Eiseres heeft niet gesteld dat zij zich tijdens haar korte verblijf in Nederland is gaan vereenzelvigen met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen. Van vereenzelviging zoals beschreven in het arrest K en L is dan ook geen sprake. De rechtbank begrijpt dat eiseres betoogt dat zij in Iran al behoorde tot de specifieke groep van vrouwenrechtenactivisten en vanwege het behoren tot die groep te vrezen heeft voor vervolging. Voor zover zij heeft bedoeld dat zij alleen al als vrouw moet vrezen voor vervolging in Iran, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in het bestreden besluit kunnen stellen dat niet iedere vrouw in Iran een gegronde vrees voor vervolging heeft. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat die stelling onjuist is. Of eiseres vanwege haar opvattingen over vrouwenrechten heeft te vrezen voor vervolging in Iran, heeft verweerder in het bestreden besluit beoordeeld aan de hand van de individuele situatie van eiseres en mede aan de hand van risicoprofielen. Voor Iran is de groep “personen die actief zijn in de politiek, journalistiek of op het gebied van mensenrechten of een ander maatschappelijk terrein (in het bijzonder op het terrein van vrouwenrechten en de rechten van etnische minderheden)” aangewezen als risicoprofiel. Ook met een dusdanig profiel, moet de betrokkene echter nog aantonen zodanig actief te zijn of bekend te staan in de politiek dat dit negatieve belangstelling van de autoriteiten meebrengt. Dat heeft eiseres volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank concludeert dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat verweerder haar op grond van het arrest K en L had moeten aanmerken als vluchteling en dat er geen reden is om te oordelen dat verweerders beoordeling van de asielmotieven van eiseres in strijd is met dit arrest. De rechtbank zal hierna verder, aan de hand van de beroepsgronden, toetsen of verweerder de gestelde activiteiten van eiseres als vrouwenrechtenactiviste juist heeft beoordeeld.\n\nHeeft verweerder de problemen vanwege politieke activiteiten ongeloofwaardig mogen achten?\n\nKomala-partij\n\n7. Eiseres voert aan dat zij vanwege haar betrokkenheid bij de Komala-partij heeft te vrezen voor vervolging in Iran. Zij wijst op het Algemeen ambtsbericht Iran van september 2023 (hierna: het ambtsbericht), waaruit blijkt dat Koerdische partijen illegaal zijn in Iran. Ook benadrukt eiseres dat haar familie betrokken was bij de partij. Uit het ambtsbericht blijkt dat familieleden van politieke opposanten in de negatieve belangstelling kunnen komen te staan. De overgelegde e-mail is een onderbouwing van de betrokkenheid van eiseres. Verweerder stelt ten onrechte dat de afzender niet geverifieerd kan worden. Via Google valt te achterhalen dat het e-mailadres het formele correspondentieadres van de partij is. Verweerder had ook Bureau Documenten kunnen inschakelen om onderzoek te doen.\n\n7.1. Niet in geschil is dat eiseres geen lid is van de Komala-partij. Eiseres stelt een sympathisant te zijn van de partij en activiteiten te ondernemen. Verweerder heeft zich, naar het oordeel van de rechtbank, op het standpunt mogen stellen dat eiseres deze gestelde actieve betrokkenheid niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiseres verklaart dat zij activiteiten deed voor de partij, maar dit blijkt, zo stelt verweerder terecht, verder nergens uit. De daaropvolgende verklaring dat de partij op de hoogte was van haar activiteiten omdat de familie van eiseres een politiek actief is, biedt ook geen duidelijkheid over de betrokkenheid van eiseres bij de partij. De ingebrachte brief is geen onderbouwing van de gestelde betrokkenheid van eiseres bij de Komala-partij; daarin staat alleen dat eiseres politiek actief is geweest en betrokken is geweest bij de protesten in 2022. Er staat niet in welke concrete activiteiten eiseres voor de partij heeft verricht. Verweerder heeft daarom geen onderzoek naar de brief hoeven te verrichten.\n\n7.2. Ten aanzien van de familieleden van eiseres heeft verweerder gesteld dat het mogelijk is dat familieleden van eiseres politiek actief waren, maar dat eiseres niet heeft onderbouwd dat zij daardoor heeft te vrezen voor de autoriteiten. De rechtbank volgt dit standpunt van verweerder. In het ambtsbericht staat weliswaar dat familieleden van politieke opposanten geregeld onder druk worden gezet vanwege hun familierelatie, maar eiseres heeft niet verklaard dat zij dit zelf heeft meegemaakt. Ook heeft verweerder terecht gesteld dat de detentie van de broer en vader van eiseres en het overlijden van haar vader al vele jaren geleden hebben plaatsgevonden. Eiseres heeft niet onderbouwd dat haar broer nog altijd actief is voor de Komala-partij en daardoor problemen ervaart. Dat eiseres vanwege de activiteiten van haar vader en broer in de negatieve belangstelling staat van de autoriteiten, heeft verweerder dus niet aannemelijk hoeven vinden.\n\nVonnis van de rechtbank\n\n8. Eiseres heeft op 11 maart 2025 een kopie van een vonnis van de rechtbank in Iran overgelegd. Uit het vonnis blijkt dat eiseres is veroordeeld voor deelname aan demonstraties, illegale samenscholing, het afdoen van haar hijab en het verstoren van de openbare orde. Een kennis die bij de rechtbank werkt heeft foto’s van het vonnis gemaakt. Het overleggen van een authentiek vonnis is niet mogelijk. Ten aanzien van de eerdere tegenwerping dat het niet aannemelijk is dat eiseres dit vonnis per sms heeft ontvangen, wijst eiseres op het ambtsbericht waaruit blijkt dat de Iraanse autoriteiten juist wel per sms communiceren.\n\n8.1. De rechtbank overweegt dat verweerder terecht heeft gesteld dat de verklaring van eiseres dat de inhoud van de uitspraak per sms aan haar gestuurd in strijd is met algemene informatie over Iran. Uit de in het voornemen aangehaalde informatie blijkt dat in de sms-berichten van de Iraanse overheid alleen staat dat er een nieuw document in het systeem is opgenomen. Het vonnis zelf wordt dus niet bij zo’n sms-bericht gevoegd. Eiseres heeft dat zelf wel zo verklaard. Zij heeft verklaard dat zij per sms te horen kreeg dat zij een voorwaardelijke gevangenisstraf van vijf jaar en een boete van 200 miljoen rial had gekregen. De stelling van eiseres dat de Iraanse autoriteiten formele communicatie per sms voeren is dus juist, maar daarmee weerlegt zij niet de specifiekere informatie waaruit blijkt dat een vonnis van de rechtbank niet per sms worden gestuurd.\n\n8.1.1. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder naar aanleiding van de overgelegde kopie niet tot een andere conclusie heeft hoeven komen over de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiseres. Verweerder heeft het opmerkelijk mogen achten dat eiseres tijdens het nader gehoor heeft verklaard het vonnis niet te kunnen verkrijgen, maar nu toch het document overlegt. Daarnaast heeft verweerder terecht gewezen op tegenstrijdigheden tussen de tekst van het vonnis en de eerdere verklaringen van eiseres. Zo komt de datum van het vonnis, 18 september 2024, niet overeen met de verklaring dat zij in november 2022 zou zijn veroordeeld. Verder staat in de vertaling dat eiseres afwezig was tijdens de zitting en dat het vonnis bij verstek is gewezen, terwijl eiseres heeft verklaard dat zij naar de rechtbank is gebracht en op die dag is vrijgelaten.\n\nFotomoment met vriendin in 2024\n\n9. Eiseres voert aan dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom haar politieke actie op 10 november 2024, toen zij zich zonder hijab liet fotograferen bij een poster van geestelijk leider [naam] , niet te rijmen valt met haar voorzichtigheid na de veroordeling in 2022. Er was namelijk een concrete aanleiding voor haar risicovolle politieke actie. Er zouden nieuwe kuisheidswetten in werking treden op 13 december 2024.\n\n9.1. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat de verklaringen van eiseres over het fotomoment met een vriendin ongerijmd zijn. Zoals verweerder stelt, past het nemen van de foto niet bij het gedrag dat eiseres na de veroordeling in 2022 heeft vertoond. Het gedrag van eiseres na 2022 was, zo volgt uit haar eigen verklaringen, veel voorzichter geworden en van veel activiteiten zag zij af vanwege de opgelegde voorwaardelijke straf. Dat eiseres door de aankondiging van de nieuwe kuisheidswetten boos was en daar iets tegen wilde doen, is voorstelbaar. Dat zij echter op 10 november 2024 iedere voorzichtigheid liet varen en zich zonder hijab op een drukke publieke plaats liet fotograferen bij een poster van geestelijk leider [naam] valt echter, zoals verweerder stelt, niet te rijmen met haar gedrag in de jaren daarvoor.\n\nConclusie geloofwaardigheid asielrelaas\n\n10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de problemen vanwege de politieke activiteiten van eiseres ongeloofwaardig heeft kunnen vinden.\n\nHeeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiseres niet heeft te vrezen voor vervolging in Iran?\n\n11. Verweerder heeft in het bestreden besluit wel geloofwaardig gevonden dat eiseres op 8 maart 2022, op internationale vrouwendag, heeft deelgenomen aan demonstaties. Eiseres heeft daarnaast verklaard dat zij na 8 maart 2022, mee heeft gedaan aan bijeenkomsten van milieuactivisten. Op vragen van de rechtbank ter zitting heeft verweerder verklaard dat die activiteiten niet ongeloofwaardig zijn geacht. De deelname van eiseres aan die activiteiten zijn meegewogen bij de beantwoording van de vraag of eiseres heeft te vrezen voor vervolging als zij terugkeert naar Iran.\n\n11.1. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat niet aannemelijk is dat eiseres vanwege haar politieke overtuiging in de negatieve belangstelling staat of zal komen te staan van de Iraanse autoriteiten. Verweerder heeft het standpunt kunnen innemen dat haar politieke activiteiten gering zijn geweest in aantal en in bereik. Tijdens de demonstraties op 8 maart 2022 was eiseres geen organisator en had zij geen leidende rol. De bijeenkomsten met milieuactivisten waren volgens de verklaringen van eiseres meer sociaal maatschappelijke activiteiten, het waren volgens eiseres niet zulke gevaarlijke activiteiten.\n\n11.2.. Ter zitting heeft eiseres nog verwezen naar het ambtsbericht, waarin staat dat het opvalt als iemand terugreist met een laissez-passer. In dat geval is het risico groot dat de autoriteiten de terugkeerder bij aankomst ondervragen over het verblijf in het buitenland. De rechtbank ziet hierin echter geen aanleiding om wel een gevaar voor vervolging bij terugkeer aan te nemen. Eiseres heeft niet onderbouwd welk risico zij zou lopen als zij wordt ondervraagd. De politieke activiteiten van eiseres in Iran zijn namelijk gering geweest en in Nederland heeft zij zich verder niet politiek geuit. De rechtbank concludeert al met al dat verweerder heeft kunnen aannemen dat eiseres bij terugkeer naar Iran niet hoeft te vrezen voor vervolging.\n\nHeeft verweerder de aanvraag als kennelijk ongegrond kunnen afwijzen?\n\n12. Eiseres voert aan dat verweerder haar asielaanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond heeft afgewezen op grond van artikel 30b, eerste lid, onder c, van de Vw. Zij betwist niet dat zij met vervalste documenten heeft gereisd, maar zij heeft bij het eerst mogelijke moment eerlijk toegelicht waarom zij met een vervalst paspoort reisde. Eiseres heeft ook direct foto’s van identificerende documenten overgelegd, toen zij ervan op de hoogte was dat dit van belang was. Zij heeft dus nooit opzettelijk gepoogd om de autoriteiten te misleiden om in een gunstiger positie te komen.\n\n12.1. Op grond van artikel 30b, eerste lid onder c, van de Vw kan een aanvraag als kennelijk ongegrond worden afgewezen als de vreemdeling verweerder heeft misleid door over zijn identiteit of nationaliteit valse informatie of documenten te verstrekken of door relevante informatie of documenten die een negatieve invloed op de beslissing hadden kunnen hebben, achter te houden.\n\n12.2. De rechtbank overweegt dat uit het proces-verbaal van bevindingen bij aanvraag asiel niet blijkt dat eiseres direct bij de controle heeft aangegeven dat zij met een Colombiaans paspoort reisde dat niet van haar was. Daarmee is voldaan aan artikel 30b, eerste lid onder c, van de Vw. Dat eiseres een dag later wel heeft toegegeven dat zij met een paspoort reisde die niet van haar was, doet aan die conclusie niet af.\n\n12.3. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiseres ook afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, onder e, van de Vw. Dit heeft eiseres niet bestreden in beroep.\n\nHeeft eiseres recht op schadevergoeding omdat de grensprocedure niet mocht worden toegepast?\n\n13. Eiseres heeft aangevoerd dat zij recht heeft op een schadevergoeding omdat verweerder de grensprocedure niet mocht toepassen en zij daarom ten onrechte in grensdetentie heeft gezeten. De rechtbank volgt eiseres niet in dit betoog. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in haar uitspraak van 20 mei 2025namelijk geoordeeld dat een afwijzend asielbesluit niet van invloed is op de rechtmatigheid van de grensdetentie. Dus ook als het bestreden besluit onrechtmatig zou zijn, wat overigens niet het geval is, dan kan dat niet als schadeveroorzakend besluit worden aangemerkt. Het verzoek om schadevergoeding moet de rechtbank hierom al afwijzen.\n\nHeeft verweerder een terugkeerbesluit voor Turkije mogen uitvaardigen?\n\n14. Eiseres voert aan dat het aanvullende terugkeerbesluit onrechtmatig is uitgevaardigd. De toelating tot Turkije is niet gewaarborgd en er is in het aanvullende terugkeerbesluit niet getoetst aan het non-refoulementbeginsel. Eiseres doet een beroep op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 12 februari 2025.Dat zij op grond van een removal order zou kunnen terugkeren, is in strijd met de Terugkeerrichtlijn.\n\n14.1. De rechtbank overweegt dat op grond van de Terugkeerrichtlijn verweerder een terugkeerbesluit kan uitvaardigen waarbij eiseres wordt verplicht terug te keren naar een land van doorreis overeenkomstig communautaire of bilaterale overnameovereenkomsten of andere regelingen. Verweerder heeft Turkije terecht als doorreisland beschouwd nu eiseres, zoals ook blijkt uit het dossier, vanuit Turkije naar Nederland is gevlogen. Verder heeft verweerder het Verdrag van Chicago, dat mogelijk maakt dat eiseres met een removal order wordt teruggestuurd naar Turkije, aangemerkt als een andere regeling zoals bedoeld in de Terugkeerrichtlijn. Eiseres heeft niet onderbouwd dat dit onjuist, anders dan met verwijzing naar de genoemde uitspraak van 12 februari 2025. De rechtbank volgt die uitspraak niet, maar wel de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 30 april 2025,en van deze rechtbank van 1 mei 2025.Anders dan eiseres betoogt, hoefde verweerder bij het nemen van dit terugkeerbesluit geen onderzoek te doen naar de vraag of eiseres toegang zal krijgen tot Turkije. Met een removal order en een door de ambtenaar belast met grensbewaking op te stellen attestis gewaarborgd dat eiseres wordt toegelaten.\n\n14.2. Verweerder zal wel moeten beoordelen of eiseres in Turkije een risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Anders dan eiseres betoogt heeft verweerder dit in het aanvullend terugkeerbesluit wel getoetst. Verweerder heeft eiseres voorafgaand aan het opleggen van het terugkeerbesluit gehoorden naar het oordeel van de rechtbank het standpunt kunnen innemen dat zij met haar verklaringen niet heeft onderbouwd dat door het effectueren van de removal order een situatie ontstaat als bedoeld in artikel 3 EVRM. In beroep heeft eiseres geen informatie ingebracht om te onderbouwen dat zij dit 3 EVRM-risico wel zou lopen. De rechtbank acht hierbij van belang dat verweerder in het terugkeerbesluit dat is opgenomen in het bestreden besluit al heeft bepaald dat eiseres naar Iran kan terugkeren en dit naar het oordeel van de rechtbank - zie hiervoor onder 11.2 - ook kon doen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n15. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiseres kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond. Ook heeft verweerder terecht een aangevuld terugkeerbesluit uitgevaardigd waarin is bepaald dat eiseres moet terugkeren naar Iran of Turkije.\n\nHet beroep is daarom ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt.\n\n16. Nu de rechtbank op het beroep beslist, is er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daartoe dan ook af.\n\n17. Voor een proceskostenvergoeding bestaat in beide zaken geen aanleiding\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Kraefft, voorzitter en voorzieningenrechter, en mr. W.B. Klaus en mr. E. van Kampen, leden, in aanwezigheid van mr. A. Molenkamp-Lopar, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nArrest van het Hof van 10 juni 2021, LH, ECLI:EU:C:2021:478.\n\n Richtlijn 2011\u002F95\u002FEU.\n\n Arrest van het Hof van 11 juni 2024, K en L, ECLI:EU:C:2024:487.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:2224.\n\n Zaaknummers NL25.2270 en NL25.2601, niet gepubliceerd.\n\n Richtlijn 2008\u002F115\u002FEG.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2025:7339.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2025:7685.\n\n Zie paragraaf A1\u002F9 van de Vreemdelingencirculaire 2000.\n\n Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.\n\n Zie rapport nader gehoor, pagina 36-37.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:18612","2025-10-09T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:23.686Z",{"id":177,"ecli":178,"slug":179,"caseNumber":43,"courtId":180,"decisionDate":181,"fullText":182,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":183,"sourceTimestamp":184,"parsedAt":51,"updatedAt":185},"325","ECLI:NL:RBDHA:2025:17656","ecli-nl-rbdha-2025-17656",60,"2025-09-24T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.31147\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 september 2025 in de zaak tussen\n \n [eiser], v-nummer [nummer], eiser\n\n(gemachtigde: mr. L.J. Blijdorp),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. A.N. Lammers).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank eisers beroep over de afwijzing van zijn asielaanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).\n\n1.1.. De minister heeft met het bestreden besluit van 9 juli 2025 eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.\n\n1.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt of de minister de asielaanvraag van eiser terecht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nAchtergrond van deze zaak\n\n4. Eiser heeft de Iraanse nationaliteit en behoort tot de Fars bevolkingsgroep. Hij heeft op 17 augustus 2017 voor het eerst asiel aangevraagd in Nederland. Op 12 januari 2018 is die aanvraag afgewezen, omdat de minister de verklaringen van eiser over zijn afvalligheid en zijn bekering tot het christendom niet geloofwaardig heeft geacht. De afwijzing van die aanvraag staat in rechte vast.\n\n4.1.. Vervolgens heeft eiser op 11 september 2019 opnieuw asiel aangevraagd vanwege zijn gestelde geloofsgroei. Op 12 september 2019 is deze opvolgende asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard. Eiser is op 18 september 2019 uitgezet naar Iran met zijn eigen paspoort.\n\n4.2.. Op 21 februari 2022 heeft eiser zijn huidige asielaanvraag ingediend. Hieraan legt hij ten grondslag dat toen hij werd teruggestuurd naar Iran hij diverse problemen heeft ondervonden. Daarnaast stelt hij afvallig te zijn en zegt hij dat er sprake is van geloofsgroei in het christelijke geloof. Eiser vreest bij terugkeer naar Iran voor de gevolgen dat hij afvallige is en vanwege de bekering tot het christendom van de zijde van de maatschappij, de Iraanse autoriteiten en zijn familie. Eiser heeft de volgende documenten overgelegd:\n\n- kopie scheidingsdocument;\n\n- kopie verblijfsvergunning Turkije;\n\n- kopie bewijs inname paspoort;\n\n- kopie beslissing van de Iraanse rechtbank van eisers ex-vrouw;\n\n- brief van de Evangelische gemeenschap van Sneek;\n\n- brief aanmelding bij GGZ in Noord-Holland.\n\nHet bestreden besluit\n\n5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:\n\n 1. identiteit, nationaliteit en herkomst;\n\n 2. afvalligheid;\n\n 3. problemen bij aankomst vliegveld Iran;\n\n 4. geloofsgroei.\n\nDe minister stelt zich op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. Verder is de afvalligheid in deze procedure geloofwaardig geacht. De minister acht het ook geloofwaardig dat eiser problemen had bij zijn aankomst op het vliegveld in Iran. De minister stelt zich echter op het standpunt dat de geloofsgroei van eiser niet geloofwaardig is. Eisers bekering is in 2017 volledig beoordeeld. Dit is destijds niet geloofwaardig geacht en dit is ook met de uitspraak op 1 juli 2019 in rechte vast komen te staan. Eiser heeft zijn verklaringen niet onderbouwd met objectieve documenten. Verder vormen eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Eisers verklaringen geven namelijk geen verder inzicht in zijn geloofsgroei dan in zijn vorige procedure. De minister concludeert dat eiser geen vluchteling is, zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Verder krijgt eiser uitstel van vertrek om medische redenen met ingang van 9 juli 2025 tot maximaal 9 januari 2026. De minister concludeert dat eisers asielaanvraag kennelijk ongegrond is.\n\nWat vindt eiser?\n\n6. Eiser betoogt dat de minister zijn asielaanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond heeft afgewezen. Hiertoe voert hij aan dat hij wordt vervolgd vanwege zijn bekering tot het christendom én vanwege de afvalligheid van de islam. De minister heeft de impact en het belang van de geloofwaardig geachte afvalligheid miskend. Hierbij stelt de minister ten onrechte dat eiser zich wel terughoudend en onzichtbaar zou moeten kunnen staande houden in geval van terugkeer naar Iran, terwijl eiser duidelijk en gedetailleerd heeft benadrukt dat dit voor hem niet mogelijk is. Eiser is niet bereid bij terugkeer een document te ondertekenen waaruit blijkt dat hij nog moslim zou zijn en hij is niet bereid om mee te doen aan islamitische rituelen en feesten terwijl dat wel verplicht is. Uit het algemeen ambtsbericht Iran(het ambtsbericht) blijkt ook dat het niet meedoen aan de ramadan kan leiden tot vervolging en lijfstraffen. Verder betoogt eiser dat de minister ten aanzien van de bekering niet heeft voldaan aan de drie pijlers en voorschriften uit de Werkinstructie (WI) 2022\u002F3en dan in het bijzonder de verplichte toetsing aan de compensatie-optie. De minister heeft ten onrechte in zowel het voornemen als in het bestreden besluit niet gereageerd op de pijlers, de inhoud en strekking van Bijbelkennis, de activiteiten zoals bedoeld onder pijler 3 en de compensatie-mogelijkheid.\n\n6.1.. In zijn aanvullende gronden van 5 augustus 2025 voert eiser nog het volgende aan. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte uitzetting heeft aangezegd, terwijl uitstel van vertrek wordt verleend op grond van artikel 64 van de Vw 2000. Verder betoogt eiser dat het nog de vraag is of hier sprake is van een opvolgende aanvraag. Eiser voert hiertoe aan dat de minister een dubbel spoor is ingeslagen, nu bijvoorbeeld wel ambtshalve een (volgens eiser terechte) toets artikel 64 van de Vw 2000 plaatsvindt, hetgeen alleen het geval is bij een eerste aanvraag. Bij opvolgende aanvragen moet de vreemdeling zelf de complete artikel 64-aanvraag indienen. Daarvan is niet gebleken. Ook blijkt het nader gehoor van 4 maart 2024 betiteld te zijn als “Rapport nader gehoor” en niet “Opvolgende aanvraag”.\n\n6.2.. Eiser betoogt in zijn aanvullende gronden ook dat de minister eerder een voornemen tot afwijzing heeft uitgebracht en deze vervolgens om onduidelijke redenen heeft ingetrokken. Volgens eiser had de minister moeten motiveren waarom het eerste voornemen is ingetrokken.\n\n6.3.. Verder betoogt eiser in zijn aanvullende gronden dat de minister ten onrechte heeft geweigerd om eisers bekering te toetsen aan het geldende recht en beleid. De eerdere beoordeling heeft namelijk plaatsgevonden in 2017. Dit is een lange tijd geleden en de minister dient de asielaanvraag ex nunc te toetsen, dus op basis van de gegevens die nú zijn aangedragen. Eiser verwijst hierbij wederom naar WI 2022\u002F3 en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 19 januari 2022, waaruit volgt dat de minister opnieuw moet onderzoeken en beoordelen of de vreemdeling bij terugkeer naar Iran risico loopt op vervolging of onmenselijke behandeling wegens afvalligheid of toegedichte afvalligheid en de gestelde bekering tot het christendom. Ook zou de minister nadat hij de afvalligheid heeft onderzocht en beoordeeld, opnieuw moeten onderzoeken en beoordelen of de gestelde bekering geloofwaardig is.\n\n6.4.. Tot slot heeft eiser verwezen naar een rapport van Stichting Gave, een uitspraak van de Afdeling van 24 december 2024, een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht van 4 juli 2025, een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg van 28 april 2025, een nieuwsartikel van New York Post van 4 juli 2025en een nieuwsartikel van Iran International van 19 juli 2025.\n\nIs de minister terecht uitgegaan van een opvolgende asielaanvraag?\n\n7. De rechtbank overweegt als volgt. Volgens artikel 1 van de Vw 2000 in samenhang met artikel 2, onderdeel q, van de Procedurerichtlijnwordt als opvolgende aanvraag aangemerkt een later verzoek om internationale bescherming dat wordt gedaan nadat een definitieve beslissing over een vorig verzoek is genomen, met inbegrip van de gevallen waarin de verzoeker zijn verzoek expliciet heeft ingetrokken en de gevallen waarin de beslissingsautoriteit een verzoek heeft afgewezen na de impliciete intrekking ervan overeenkomstig artikel 28, lid 1. Dit wordt ook bevestigd in uitspraken van de Afdeling.\n\nVerder volgt uit de WI 2023\u002F7dat een opvolgende asielaanvraag kan worden ingediend middels een M35-O formulier. Wanneer sprake is van één van de omstandigheden van artikel 3.50 van het Vreemdelingenvoorschrift 2000 hoeft de opvolgende asielaanvraag niet middels model M35-O te worden ingediend en wordt model M35-H gebruikt.\n\nUit de WI 2024\u002F2volgt dat, in tegenstelling tot eerste asielaanvragen, bij herhaalde asielaanvragen geen ambtshalve toets van artikel 64 van de Vw 2000 wordt gedaan na afwijzing van de asielaanvraag.Wel vindt in beginsel een dergelijke toets van medische omstandigheden plaats bij de uitvaardiging van een terugkeerbesluit.\n\n7.1.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister eisers aanvraag terecht aangemerkt als een opvolgende aanvraag in plaats van een eerste aanvraag. De minister heeft eerder definitief beslist op de asielaanvraag van eiser. Uit het dossier blijkt ook dat eiser een M35-O formulier heeft ingediend op 6 februari 2022. Dat het gehoor van eiser als “nader gehoor” is betiteld, maakt dat niet anders. Tijdens de zitting heeft de minister uitgelegd dat het gehoor “nader gehoor” is genoemd, omdat het format is gebruikt naar aanleiding van de Dublinprocedure waarmee eiser Nederland is binnengekomen. Daar komt bij dat de minister in het voornemenheeft benoemd dat eiser geen uitstel van vertrek om medische redenen krijgt, omdat het een opvolgende aanvraag betreft. In het bestreden besluitstaat dat eiser medische documenten heeft overlegd en dat de minister hem op dat punt volgt, waardoor eiser uitstel van vertrek om medische redenen heeft gekregen. De minister heeft tijdens de zitting bevestigd dat hij in het bestreden besluit onder punt 5 per abuis heeft opgenomen dat eiser zijn beroep niet in Nederland mag afwachten. Onder punt 4 van het bestreden besluit staat namelijk dat eiser nu rechtmatig in Nederland verblijft, omdat hij voorlopig uitstel van vertrek heeft gekregen. Daarnaast acht de rechtbank van belang dat eiser betoogt dat de minister in deze procedure moet voortborduren op hetgeen eiser in zijn eerdere procedure heeft aangevoerd. De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat de minister eisers asielaanvraag terecht heeft aangemerkt als een opvolgende aanvraag, juist omdat eiser heeft betoogd dat hij is gegroeid in zijn geloof waartoe hij is bekeerd, zoals hij ten grondslag heeft gelegd aan zijn eerste procedure. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nHeeft de minister het eerste voornemen kunnen intrekken zonder nadere motivering?\n\n8. De rechtbank is van oordeel dat de minister in het kader van de voorbereiding van het bestreden besluit bevoegd was om zijn voornemen van 4 februari 2025 te vervangen door een nieuw voornemen. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat er geen rechtsregel is die met zich meebrengt dat de minister nader dient te motiveren waarom hij tot een ander inzicht is gekomen in het nieuwe voornemen.Eiser is ook in de gelegenheid gesteld een zienswijze te geven en op alle elementen van het nieuwe voornemen te reageren. De rechtbank begrijpt dat de werkwijze van de minister gezien het tijdsverloop van de procedure leidt tot onbegrip en frustratie. Dit maakt echter niet dat de rechtbank de werkwijze van de minister onzorgvuldig acht. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nHeeft de minister de gestelde geloofsgroei van eiser ongeloofwaardig kunnen achten?\n\n9. Eiser heeft zijn opvolgende aanvraag ingediend in verband met geloofsgroei. Uit de uitspraak van de Afdeling van 28 september 2022volgt dat op eiser een verzwaarde bewijslast ligt, omdat in rechte vaststaat dat de minister de bekering van eiser tot het christendom in de eerdere asielprocedure(s) ongeloofwaardig heeft kunnen achten. Het asielrelaas waar eiser op voortborduurt, is eerder ongeloofwaardig geacht en die beoordeling is het uitgangspunt van de opvolgende procedure. In deze procedure gaat het om de vraag of de minister de gestelde geloofsverdieping, gezien de verklaringen van eiser, niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht.\n\n9.1.. Volgens de WI 2022\u002F3 dient de vreemdeling in het geval van een opvolgende aanvraag aan de hand van verklaringen over zijn motieven voor en proces van bekering aannemelijk te maken dat hij tot intensivering van zijn geloof is gekomen. De nieuwe verklaringen dienen te worden gewogen in samenhang met de verklaringen die de vreemdeling tijdens de voorgaande procedure(s) over deze onderwerpen heeft afgelegd. Indien de vreemdeling de nadruk legt op toegenomen of gewijzigde kennis en\u002Fof activiteiten mag worden verwacht dat hij overtuigend verklaart over zijn ervaringen met en persoonlijke beleving van de nadien voortgezette of ontplooide activiteiten en opgedane kennis. Enkel de verklaringen over voortzetting, intensivering of wijziging van activiteiten en\u002Fof vergroten van kennis, zonder dat daarbij overtuigende verklaringen worden afgelegd over de persoonlijke beleving hiervan, zullen dus in de regel onvoldoende zijn om niet-overtuigende verklaringen over het proces en de motieven van de bekering te compenseren. Bij dit alles is dus van belang dat indien de vreemdeling voortborduurt op een eerder ongeloofwaardig geachte bekering of afvalligheid, er een verzwaarde bewijslast rust op de vreemdeling om zijn afvalligheid of bekering geloofwaardig te maken.\n\n9.2.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de geloofsgroei van eiser beoordeeld in het licht van de WI 2022\u002F3. Het standpunt van de minister komt er, kortgezegd, op neer dat eisers verklaringen over zijn groei in het christelijke geloof een herhaling vormen van wat hij hierover al in de eerdere asielprocedure heeft verklaard en dat eiser er niet in is geslaagd zijn innerlijke geloofsgroei inzichtelijk te maken.\n\n9.3.. De rechtbank constateert dat de minister in het bestreden besluit niet specifiek de drie pijlers benoemt, zoals weergegeven in de WI 2022\u002F3. Hierbij gaat het om de motieven voor en het proces van bekering, de kennis van het nieuwe geloof en de activiteiten, zoals bezoeken aan religieuze bijeenkomsten die een persoon onderneemt binnen de nieuwe geloofsovertuiging en het effect van de veranderingen. Dit brengt echter niet met zich mee dat de minister eisers gestelde geloofsgroei niet heeft beoordeeld aan de hand van de WI 2022\u002F3. De rechtbank overweegt hiertoe dat de minister tijdens het aanvullend gehoor heeft gevraagd naar de ontwikkelingen als het gaat om eisers geloof in de afgelopen jaren en voorbeelden van gebeurtenissen waardoor hij zijn geloofsgroei meemaakte. Daarnaast heeft de minister in het bestreden besluit verwezen naar de WI 2022\u002F3 en deze betrokken bij de beoordeling van bijvoorbeeld de gestelde activiteiten van eiser, zoals het evangeliseren van twee mensen. De kennis over de Bijbel, waar volgens eiser niets over is geschreven in het bestreden besluit, is wel meegenomen en beoordeeld in het eerdere besluit van de minister van 12 januari 2018 . De minister heeft uiteengezet dat eiser hiermee niet verder inzicht heeft gegeven in zijn gestelde geloofsgroei, omdat eiser zich voornamelijk heeft herhaald in zijn opvolgende aanvraag.\n\n9.4.. Uit de WI 2022\u002F3 volgt verder dat het zwaartepunt ligt bij de motieven en het proces van bekering. Indien er ten aanzien van één element minder goede verklaringen zijn afgelegd, kunnen de andere elementen dit ‘compenseren’, mits de vreemdeling in staat is daarover wel verklaringen af te leggen die overtuigend genoeg zijn om de zwakkere elementen te ‘compenseren’. De vreemdeling zal wel een genoegzame verklaring moeten geven voor de omstandigheid dat hij op één van de elementen minder goed kan verklaren. Daarbij dient uiteraard rekening gehouden te worden met het referentiekader van de vreemdeling en het gegeven dat niet iedere vreemdeling gewend is om over zijn persoonlijke gevoelens te vertellen. Wat betreft deze compensatie-mogelijkheid waar eiser zich op beroept heeft de minister op de zitting toegelicht dat eiser zijn geloofsgroei niet aannemelijk heeft gemaakt doordat hij in herhaling viel bij zijn opvolgende aanvraag, terwijl er voldoende is doorgevraagd naar de ontwikkelingen die eisers gestelde geloofsgroei zouden kunnen onderbouwen, waardoor niet getoetst kan worden of de compensatie-mogelijkheid dient te worden toegepast. De rechtbank is daarom ook van oordeel dat de compensatie-mogelijkheid verder niet aan bod hoefde te komen door de minister bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van eisers geloofsgroei.\n\n9.5.. De rechtbank oordeelt verder dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser de gestelde geloofsgroei niet aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank deelt het standpunt van de minister dat de huidige verklaringen en overgelegde stukken geen nieuw inzicht of verdere diepgang vertonen in vergelijking met zijn eerdere verklaringen over het geloof. De minister heeft daarbij kunnen betrekken dat de voorbeelden van geloofsgroei die eiser heeft genoemd, namelijk de ontmoeting met de Armeense vriend, dat vergiffenis hielp met groeien in eisers geloof, dat eiser rust krijgt van zijn geloof en het incident met de politie bij de douane, voorbeelden zijn waarover eiser in de eerdere procedure al heeft verklaard. De minister heeft niet ten onrechte tegengeworpen dat deze herhaling van verklaringen niet getuigt van enige geloofsgroei of verdieping. Evenmin is eiser erin geslaagd om dit in de beroepsprocedure duidelijk te maken. Wat daarover in het bestreden besluit is opgenomen is daarvoor voldoende dragend gemotiveerd. De minister heeft in dat verband kunnen overwegen dat eisers verklaringen in deze asielprocedure geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De minister heeft zich daarbij op het standpunt kunnen stellen dat hetgeen in de zienswijze is aangevoerd, namelijk dat eisers vrouw vreemd ging, in eisers koffer een crucifix was gevonden bij aankomst op het vliegveld in Iran, de ontmoeting bij de psycholoog en de boottocht van Turkije naar Italië, geen verder inzicht geven dan in zijn vorige procedures. De minister heeft niet ten onrechte tegengeworpen dat eiser onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom het voorgaande voor hem een wonder was en waarom dit impact had op zijn persoonlijke geloof. Wat betreft de evangelisatie heeft de minister niet ten onrechte geconcludeerd dat het enkel vermelden van één voorbeeld van hoe eiser anderen heeft geëvangeliseerd onvoldoende is om aannemelijk te maken dat hij daadwerkelijk geloofsgroei heeft doorgemaakt. Verder is gebleken dat eiser na zijn doop niet meer naar de kerk van zijn doop is geweest. De minister heeft hierbij mogen stellen dat dat vreemd is nu eiser in zijn opvolgende aanvraag van 2019 het voorgaande heeft verklaard om zijn geloofsgroei aan te tonen. Daar komt bij dat uit de verklaring van de Evangelische gemeenschap is gebleken dat eiser geen contact meer heeft met de kerk waar hij gedoopt is. De minister heeft dit kunnen betrekken bij de geloofwaardigheid van eisers gestelde geloofsgroei. De minister heeft de verklaring van de Evangelische gemeenschap betrokken bij de beoordeling en heeft gemotiveerd dat uit de verklaring blijkt dat de gemeenschap vrijwel geen contact meer heeft gehad met eiser. Verder heeft de minister tijdens de zitting toegelicht dat het in deze zaak om een opvolgende aanvraag gaat, in tegenstelling tot de zaak in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht. Die situatie gaat in onderhavige zaak niet op en de verwijzing naar die uitspraak baat eiser niet. Het rapport van Stichting Gave biedt ook geen reden voor een ander oordeel. Op de zitting heeft de minister hierover niet ten onrechte gesteld dat stichting Gave geen integrale geloofwaardigheidsbeoordeling verricht.\n\n9.6.. Gelet op al het voorgaande concludeert de rechtbank dat de minister de gestelde geloofsgroei van eiser niet ten onrechte heeft beoordeeld als ongeloofwaardig. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nLoopt eiser een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Iran?\n\n10. De rechtbank oordeelt als volgt. Uit de uitspraak van de Afdeling van 19 januari 2022en het arrest van het Hof van Justitie van 5 september 2012volgt dat de minister van eiser niet mag verlangen dat hij zich, om vervolging te voorkomen, in Iran terughoudend zal opstellen bij de uitoefening van zijn geloofwaardig geachte afvalligheid. De minister moet, zo blijkt uit de Afdelingsuitspraak, onderzoeken en beoordelen of, en zo ja, hoe, een vreemdeling na terugkeer naar zijn land van herkomst uiting wil geven aan zijn afvalligheid en of de verklaringen van de vreemdeling hierover geloofwaardig zijn. Als de vreemdeling daarover niet uitdrukkelijk verklaart, moet de minister ervan uitgaan dat die vreemdeling na terugkeer op dezelfde wijze uiting aan zijn afvalligheid wil geven zoals hij in Nederland heeft gedaan. In het Informatiebericht 2023\u002F35 van de minister is onder meer bepaald dat bij een vreemdeling van wie de afvalligheid geloofwaardig is geacht, de minister conform WI 2022\u002F3 dient te onderzoeken en beoordelen of de uitingen van afvalligheid die ervoor zouden zorgen dat hij in de negatieve aandacht zal komen te staan, van belang zijn voor het behoud van de religieuze identiteit. Ook moet worden onderzocht en beoordeeld hoe en waarom de vreemdeling in het land van herkomst uiting gaf aan zijn overtuiging en hoe hij dit in Nederland heeft gedaan, als ook of en waarom hij dit bij terugkeer (anders) zou willen doen en of dit geloofwaardig is. Als de vreemdeling in het land van herkomst en in Nederland zijn afvalligheid terughoudend of niet actief heeft geuit, dan is het in beginsel niet aannemelijk dat de vreemdeling in het geval van een eventuele ondervraging door de autoriteiten op de luchthaven zal verklaren dat hij afvallig is. In dit geval is er, anders gezegd, in beginsel namelijk geen blijk dat dit voor de vreemdeling van belang is voor het behoud van zijn religieuze identiteit.\n\n10.1.. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de afvalligheid een belangrijk onderdeel is van zijn leven en dat dit dermate deel uitmaakt van zijn religieuze identiteit dat hij zich bij terugkeer naar Iran hierover openlijk en actief zal gaan uiten. De minister heeft in de besluitvorming uiteengezet en beoordeeld hoe eiser in Iran uiting gaf aan zijn afvalligheid, hoe eiser zich in Nederland heeft geuit en hoe eiser zich bij terugkeer zou willen uiten. Eiser heeft verklaard dat hij tot 2013 moslim was en daarna nog jarenlang in Iran heeft gewoond als afvallige. Daarnaast heeft eiser aangegeven dat hij niet altijd op tijd het gebed deed, hij niet naar de moskee ging en hij niet aan vasten deed. De minister heeft hierbij terecht gesteld dat dit afbreuk doet aan de aannemelijkheid van eisers vrees. Verder heeft eiser verklaard dat zijn afvalligheid enkel zijn overtuiging was, die in zijn hoofd zat en dat het voor hem niet nodig was om dit naar buiten te uiten. Daarnaast heeft eiser bij zijn eerdere terugkeer immers een verklaring\u002Fdocument ondertekend waarna hij het vliegveld mocht verlaten. Verder blijkt uit algemene landeninformatie niet dat iedere terugkeerder ondervraagd zal worden bij terugkeer in Iran.Er bestaat weliswaar een risico dat eiser ondervraagd zal worden over zijn verblijf in het buitenland, vanwege zijn verblijf in het buitenland, maar de minister stelt zich terecht op het standpunt dat contact met de Iraanse autoriteiten of een ondervraging niet gelijk staat aan zwaarwegende problemen die vervolging of ernstige schade met zich meebrengen. Uit het ambtsbericht volgt dat het aantal terugkeerders dat problemen ondervindt bij terugkeer beperkt is.De rechtbank acht hierbij van belang dat eiser voor zijn (legale) vertrek niet in de negatieve belangstelling van de autoriteiten stond. Hetgeen eiser op sociale media heeft gedeeld is niet direct aan hem te linken.\n\n10.2.. Verder oordeelt de rechtbank dat de door eiser aangehaalde jurisprudentie en bronnen niet leiden tot een ander oordeel. De uitspraken waar eiser naar heeft verwezen betreffen andere situaties. Verder heeft de minister tijdens de zitting aangegeven dat eiser wel is gevraagd naar zijn terugkeer naar Iran in tegenstelling tot wat de rechtbank heeft geoordeeld in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg. Met betrekking tot de nieuwsartikelen over Iran heeft de minister terecht opgemerkt dat niet blijkt dat de situatie zoals omschreven in die artikelen niet is meegenomen.\n\n10.3.. Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank de minister dat niet wordt ingezien waarom eiser zich bij terugkeer in Iran anders zal gedragen met betrekking tot de uiting van zijn afvalligheid ten opzichte van daarvoor. Ook volgt de rechtbank de minister in zijn conclusie dat eiser zodoende niet dusdanig in zijn religieuze identiteit wordt geraakt dat hij bij terugkeer niet anders kan dan zichzelf als afvallige te uiten. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een ontoelaatbare inbreuk op de geloofsvrijheid. Van eiser mag dus worden verlangd dat hij in Iran een geloofsbelijdenis aflegt. De rechtbank wijst tot slot nog op het ambtsbericht, waaruit volgt dat personen die zich hebben afgewend van de islam niet op voorhand in de problemen komen en maatschappelijk ook niet gedwongen worden deel te nemen aan islamitische rituelen.De beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag van eiser in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. B. Göbel, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zaaknummer NL18.2906 (niet gepubliceerd).\n\nOp grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000.\n\n Algemeen ambtsbericht Iran van de minister van Buitenlandse Zaken van september 2023.\n\n Werkinstructie 2022\u002F3 Bekering en afvalligheid.\n\n ECLI:NL:RVS:2022:94.\n\n ECLI:NL:RVS:2024:5349.\n\n Zaaknummer NL24.21839.\n\n Zaaknummer NL24.51040.\n\n New York Post, ‘Iran regime cracks down on its own people with a ‘North Korea-style model’ of ‘terrifying’ repression’.\n\n Iran International, ‘Iran military base guards shoot four people dead amid post-war jitters’.\n\n Richtlijn 2013\u002F32.\n\n Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2021:76 en ECLI:NL:RVS:2019:1969.\n\n Werkinstructie 2023\u002F7 Opvolgende asielaanvragen.\n\n Werkinstructie 2024\u002F2 Artikel 64 van de Vw 2000.\n\n Op grond van artikel 6.1e van het Vreemdelingenbesluit hoeft alleen bij een eerste aanvraag tot het verlenen van een VVA bepaalde tijd ambtshalve getoetst te worden of er reden is tot toepassing van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000. Zie ook paragraaf C1\u002F4.5 en A3\u002F7.2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000.\n\n Op pagina 9.\n\n Op pagina 3.\n\n Zie de uitspraken van de Afdeling van 28 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ4449,\n\n13 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4116, en 1 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3350.\n\n ECLI:NL:RVS:2022:2713.\n\n ECLI:NL:RVS:2022:94.\n\n ECLI:EU:C:2012:518.\n\n Zie ook het Algemeen ambtsbericht Iran van september 2023, pagina 115.\n\n Algemeen ambtsbericht Iran van september 2023, pagina 117-118.\n\n Algemeen ambtsbericht Iran van september 2023, pagina 85 en 86.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:17656","2025-09-26T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:24.494Z",{"id":187,"ecli":188,"slug":189,"caseNumber":43,"courtId":101,"decisionDate":190,"fullText":191,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":192,"sourceTimestamp":193,"parsedAt":51,"updatedAt":194},"405","ECLI:NL:RBDHA:2025:18239","ecli-nl-rbdha-2025-18239","2025-09-19T00:00:00.000Z","uitspraak\n\nRECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.24691\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres], V-nummer: [V-nummer] , eiseres,\n\nmede namens haar minderjarige zoon:\n\n [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2009 en van Iraanse nationaliteit (gemachtigde: mr. F. Khodajoo-Aziz Maleki),\n\nen\n\nde Minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. J.A.A. Willems).\n\nInleiding\n\nEiseres heeft op 10 maart 2023 mede namens haar minderjarige zoon een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Zij stelt van Iraanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum 2] 1985. De minister heeft met het bestreden besluit van 26 mei 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.\n\nEiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n3. De rechtbank heeft het beroep op 12 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, R. Modi als tolk en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nHet asielrelaas\n\n4. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres heeft deelgenomen aan een demonstratie in Iran. Verder is eiseres afvallig van de islam en heeft zij zich bekeerd tot het christendom. Toen zij dit heeft verteld aan haar familie werden zij boos en is zij uit huis gevlucht. Eiseres vreest bij terugkeer voor haar familie en voor het krijgen van problemen met de Iraanse autoriteiten vanwege haar verblijf in het buitenland en het aanvragen van asiel met als reden dat zij afvallig en bekeerd is.\n\nHet bestreden besluit\n\n5. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:\n\nde identiteit, nationaliteit en herkomst;\n\nbekering tot het christendom;\n\nafvalligheid van de islam;\n\ndeelname aan een demonstratie in Iran; en\n\nproblemen vanwege de problemen van eiseres haar man.\n\nDe minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst, de afvalligheid van de islam en deelname aan een demonstratie in Iran geloofwaardig. De bekering tot het christendom en de problemen vanwege de problemen van haar man vindt de minister ongeloofwaardig.\n\nVolgens de minister heeft eiseres onvoldoende inzichtelijk en diepgaand verklaard over haar bekering tot het christendom. Verder is volgens de minister niet aannemelijk dat eiseres vanwege haar afvalligheid van de islam een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Iran. Ook de vrees bij terugkeer voor haar familie is onvoldoende aannemelijk gemaakt. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als ongegrond. Ook heeft de minister aan eiseres een terugkeerbesluit uitgevaardigd.\n\nGronden van beroep\n\n6. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiseres desgevraagd medegedeeld dat de volgende zinnen in de aanvullende gronden van beroep van 9 september 2025 komen te vervallen en niet van toepassing zijn:\n\n- “ “Hierbij wordt opgemerkt dat eiser al geruime tijd weg is uit Iran en het zeer waarschijnlijk is dat eiseres meteen gearresteerd zal worden teneinde haar opgelegde straf te moeten uitzitten.” (pagina 4)\n\n- “ “Verweerder heeft het uit oog verloren dat betrokkene al een lange periode in het buitenland verblijft, geen paspoort heeft en haar man in Nederland is overleden.” (pagina 7)\n\nBekering tot het christendom\n\n7. Eiseres voert in de aanvullende gronden van beroep van 9 september 2025 onder verwijzing naar haar verklaringen aan dat zij inzichtelijk heeft verklaard over haar bekering. Omdat eiseres geen nadere onderbouwing geeft voor deze stelling, is de rechtbank van oordeel dat deze enkele stelling niet kan leiden tot het oordeel dat minister de bekering ten onrechte ongeloofwaardig heeft gevonden. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nAfvalligheid en vrees voor familie\n\n8. Eiseres voert aan dat zij bij terugkeer omdat zij afvallige is van de Islam te vrezen heeft voor vervolging en ernstige schade vanwege haar familie. Omdat eiseres in beroep geen nadere onderbouwing geeft voor deze stelling, is de rechtbank van oordeel dat eiseres met deze enkele stelling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer om deze reden heeft te vrezen voor vervolging of ernstige schade. De minister heeft niet ten onrechte niet\n\naannemelijk geacht dat eiseres bij terugkeer problemen met haar familie zal ervaren. De beroepsgrond slaat niet.\n\nAfvalligheid en Iraanse autoriteiten\n\n9. Eiseres voert aan dat zij bij terugkeer een risico loopt op ernstige schade, omdat zij afvallig is en de Iraanse autoriteiten haar bij terugkeer zullen ondervragen. In het kader van deze vrees heeft de minister onvoldoende onderzocht en beoordeeld hoe eiseres in Nederland uiting geeft aan haar afvalligheid en heeft daarmee niet in overeenstemming gehandeld met Informatiebericht (IB) 2023\u002F35 Risico bij terugkeer naar Iran voor (toegedicht) afvalligen.\n\n10. In het beleid van de minister1 is onder meer bepaald dat bij een vreemdeling van wie de afvalligheid geloofwaardig is geacht, wordt onderzocht en beoordeeld of de uitingen van afvalligheid die ervoor zouden zorgen dat hij in de negatieve aandacht zal komen te staan, van belang zijn voor het behoud van zijn religieuze identiteit. De minister onderzoekt ook hoe en waarom de vreemdeling in het land van herkomst uiting gaf aan zijn overtuiging en hoe hij dit in Nederland heeft gedaan, en ook of en waarom hij dit bij terugkeer (anders) zou willen doen en of dit geloofwaardig is. Als de vreemdeling in het land van herkomst en in Nederland zijn afvalligheid terughoudend of niet actief heeft geuit, dan is het in beginsel niet aannemelijk dat de vreemdeling in het geval van een eventuele ondervraging door de autoriteiten op de luchthaven zal verklaren dat hij afvallig is.2 Verder is een enkele verwijzing naar beschikbare algemene landeninformatie over de situatie op het vliegveld bij terugkeer naar Iran onvoldoende om aannemelijk te maken dat elke vreemdeling een daadwerkelijk en reëel risico loopt op vervolging of ernstige schade bij terugkeer.3\n\n11. Voor zover eiseres aanvoert dat de minister niet voldoende vragen heeft gesteld of onvoldoende heeft doorgevraagd over hoe eiseres haar afvalligheid uit, kan de rechtbank dit niet volgen. Uit het nader gehoor blijkt dat de minister voldoende vragen heeft gesteld met betrekking tot eiseres haar afvalligheid en haar bekering als gevolg daarvan.4 Verder kan de rechtbank de minister volgen in zijn standpunt dat sprake is van een samenwerkingsplicht. Het is aan de vreemdeling om alle relevante elementen naar voren te brengen voor de beoordeling van zijn asielmotieven. De minister heeft eiseres in dit kader voldoende in de gelegenheid gesteld om te verklaren over haar afvalligheid en de manier waarop zij daar uiting aan geeft. De beroepsgrond slaagt niet.\n\n12. De rechtbank overweegt verder dat de minister in het nader gehoor vragen heeft gesteld aan eiseres met betrekking tot haar afvalligheid en de uiting hiervan. Eiseres heeft verklaard dat zij zich in Iran altijd heeft geconformeerd aan de islam.5 Ook heeft eiseres verklaard dat zij in Iran in een streng religieus gezin is opgevoed en dat zij twijfels kreeg over haar geloof.6 Eiseres heeft deze twijfels geuit aan haar moeder en dat zij op 24-jarige leeftijd helemaal is gestopt met het praktiseren van de islam.7 Eiseres heeft niet aan haar familie verteld dat zij de islam niet meer praktiseerde en gestopt was met geloven.8 De rechtbank stelt vast dat de minister in het nader gehoor geen expliciete vragen heeft gesteld aan eiseres over hoe zij in Nederland uiting geeft aan haar afvalligheid, maar wel dat aan haar is gevraagd hoe zij haar geloof uit in Nederland.9 Uit het nader gehoor blijkt dat eiseres de ontwikkeling van haar geloofsovertuiging heeft geschetst. Eiseres heeft samengevat verklaard over hoe zij zich in Iran heeft afgezet van de islam, dat zij in Nederland is bekeerd tot het christendom, over het zijn van christen en de religieuze activiteiten waaraan zij in\n\nNederland deelneemt. Verder verklaart eiseres dat zij zich bij terugkeer naar Iran weer zal conformeren aan de islam en dat zij niet over afvalligheid kan praten.10\n\n13. Uit het voorgaande blijkt volgens de rechtbank dat de minister voldoende onderzoek heeft gedaan naar hoe eiseres uiting geeft aan haar afvalligheid om het risico op vervolging of ernstige schade bij terugkeer te beoordelen. Bovenstaande verklaringen beschrijven de gestelde verandering en ontwikkeling van eiseres haar geloofsovertuiging en hoe zij hier uiting aan geeft. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de verklaringen van eiseres geen aanleiding vormen voor het oordeel dat het uiten van haar afvalligheid van belang is voor het behouden van haar religieuze identiteit en dat zij vanwege haar afvalligheid bij terugkeer te vrezen heeft voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De minister heeft daarbij mogen betrekken dat eiseres zich in Iran altijd heeft geconformeerd aan de islam, dat de bekering van eiseres in Nederland niet geloofwaardig is gevonden en dat niet is gebleken dat de uitingen van afvalligheid van eiseres van belang zijn voor het behouden van haar religieuze identiteit. Verder is de enkele verwijzing naar algemene landeninformatie volgens IB 2023\u002F35 onvoldoende om een risico op vervolging of ernstige schade bij terugkeer aannemelijk te maken.11\n\nConclusie en gevolgen\n\n14. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.\n\nHet beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. B.J. van Rossum, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n1. IB 2023\u002F35 Risico bij terugkeer naar Iran voor (toegedicht) afvalligen.\n\n2 Zie pagina 5 onder onderdeel 2b van IB 2023\u002F35.\n\n3 Zie pagina 3 onder onderdeel 1 van IB 2023\u002F35.\n\n4 Pagina 31 tot en met 54 van het nader gehoor.\n\n5 Pagina 24 van het nader gehoor.\n\n6 Pagina 26 en 27 van het nader gehoor.\n\n7 Pagina 30 van het nader gehoor.\n\n8 Pagina 31 van het nader gehoor.\n\n9 Pagina 38 van het nader gehoor.\n\n10 Pagina 39 en 40 van het nader gehoor.\n\n11 Zie pagina 3 onder onderdeel 1 van IB 2023\u002F35.\n\n19 september 2025\n\nDocumentcode: [Documentcode]","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:18239","2025-10-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:28.085Z",{"id":196,"ecli":197,"slug":198,"caseNumber":43,"courtId":101,"decisionDate":199,"fullText":200,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":201,"sourceTimestamp":202,"parsedAt":51,"updatedAt":203},"492","ECLI:NL:RBDHA:2025:16841","ecli-nl-rbdha-2025-16841","2025-09-01T00:00:00.000Z","uitspraak\n\nRECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.39072\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. E. Schoneveld),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: S. Faddach).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 18 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\nDe rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL25.39079, op 25 augustus 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Jafoute. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. Eiser heeft de Algerijnse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1992.\n\nWerkt de onrechtmatigheid van de vorige maatregel(en) door in de huidige maatregel?\n\n2. Eiser stelt dat de maatregel van bewaring van 18 augustus 2025 vanaf aanvang onrechtmatig is. Eiser voert daartoe aan dat de minister de vorige maatregel van bewaring (op de grondslag van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw) van 22 juli 2025 veel te laat heeft omgezet. Eiser heeft op 13 augustus 2025 een asielwens geuit, en de minister had de vorige maatregel op die dag moeten opheffen en omzetten. Eiser verwijst daartoe naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 3 december 2024.1 In die uitspraak heeft de rechtbank er onder andere op gewezen dat een vreemdeling die een asielaanvraag doet onder de Opvangrichtlijn2 valt (en niet meer onder de Terugkeerrichtlijn3), en dat er een beoordeling van proportionaliteit en evenredigheid moet plaatsvinden. De rechtbank heeft in die uitspraak ook overwogen dat er geen opzet op het onrechtmatig voortduren van de vrijheidsontneming vereist is om van een willekeurige vrijheidsontneming te kunnen spreken. Eiser wijst er verder op dat ook de eerdere maatregel van bewaring van 23 juni 2025 (op de grondslag van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw) niet tijdig is omgezet. Nu de minister de twee voorgaande maatregelen van bewaring niet tijdig heeft omgezet, moet dit volgens eiser doorwerken in de huidige maatregel.\n\n1. ECLI:NL:RBDHA:2024:20144.\n\n2 Richtlijn 2013\u002F33\u002FEU.\n\n3. De rechtbank stelt vast dat eiser een vervolgberoep als bedoeld in artikel 96 van de Vw tegen de voorgaande maatregel van 22 juli 2025 heeft ingediend (zaak NL25.39079). In die zaak heeft de minister schadevergoeding aangeboden voor drie dagen onrechtmatige bewaring. Bij uitspraak van vandaag heeft de rechtbank geoordeeld dat het vervolgberoep van eiser gegrond is, en dat de voorgaande maatregel van bewaring onrechtmatig was over de periode van 16 augustus 2025 t\u002Fm 18 augustus 2025. De rechtbank heeft in die uitspraak ook toegelicht waarom zij het betoog van eiser, dat de maatregel onrechtmatig was vanaf 13 augustus 2025, niet volgt. Eiser heeft ook een vervolgberoep ingediend tegen de (te late omzetting van de) maatregel van 23 juni 2025 (zaak NL25.37275). In die zaak heeft de minister schadevergoeding aangeboden voor één dag onrechtmatige bewaring. Eiser heeft in die zaak het aanbod van de minister geaccepteerd en het vervolgberoep ingetrokken.\n\n4. Uit het arrest Bouskoura van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 oktober 20244 leidt de rechtbank af dat, indien de onrechtmatigheid van een maatregel is vastgesteld, dit niet reeds hierom inhoudt dat een direct aansluitende nieuwe maatregel ook onrechtmatig is, tenzij er sprake is van kwade trouw of misleiding van de zijde van het bestuursorgaan. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet gebleken.\n\n5. Vervolgens ziet de rechtbank zich geplaatst voor de vraag of sprake is van een andere zodanig ernstige schending van het recht om in vrijheid te worden gesteld zodra de vrijheidsbeneming onrechtmatig is geworden, dat dit om die reden moet leiden tot onrechtmatigheid van de huidige maatregel. De rechtbank wijst op vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling)5 waarbij als uitgangspunt geldt dat een gebrek in de eerste maatregel van bewaring de daaropvolgende maatregel niet alleen al daarom van het begin af aan onrechtmatig maakt. Wel komt, zo blijkt uit de uitspraak van de Afdeling van 26 april 20216, bijvoorbeeld aan een opeenstapeling van ernstige gebreken een zwaar gewicht toe, wat ertoe kan leiden dat op voormeld uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt. Uit de uitspraken van de Afdeling van 12 juni 20187 en 26 april 20218, volgt verder dat op voormeld uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt in geval van een ernstige schending van het fundamentele recht om in vrijheid te worden gesteld indien de bewaring onrechtmatig is.\n\n3 Richtlijn 2008\u002F115\u002FEG.\n\n4 ECLI:EU:C:2024:868.\n\n5 Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 11 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3508 en van 13 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2005.\n\n6 ECLI:NL:RVS:2021:885.\n\n7 ECLI:NL:RVS:2018:2083.\n\n8 ECLI:NL:RVS:2021:885.\n\n6. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een ernstige schending van het fundamentele recht van eiser om in vrijheid te worden gesteld indien de bewaring onrechtmatig is. Dat eiser voorafgaand aan de oplegging van de huidige maatregel drie dagen op een onjuiste wettelijke grondslag in bewaring heeft verbleven, acht de rechtbank daarvoor onvoldoende. De rechtbank verwijst daarvoor naar de uitspraak van de Afdeling van 11 september 20239 waarin ook sprake was van een bewaring op een onjuiste grondslag, waardoor die vreemdeling negen dagen onrechtmatig in bewaring zat. In die zaak heeft de Afdeling geoordeeld dat van een ernstige schending in vorenbedoelde zin geen sprake was. Verder betekent het feit dat ook de maatregel van 26 juni 2025 niet tijdig is omgezet, niet dat sprake is van een opeenstapeling van ernstige gebreken zoals bedoeld in de Afdelingsjurisprudentie. Deze jurisprudentie biedt geen aanknopingspunten dat bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de huidige maatregel gebreken in een maatregel die daar niet direct aan voorafging, moeten worden meegenomen. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nInformatieplicht\n\n7. Eiser voert aan dat de informatiefolder bij de maatregel van bewaring niet toereikend is, omdat eiser daarmee niet is ingelicht over de mogelijkheid om zelf beroep in te stellen. Er staat namelijk: “U kunt in beroep gaan tegen de maatregel van bewaring. Dit dient u met uw advocaat te bespreken.” De minister heeft volgens eiser dus niet voldaan aan zijn informatieplicht, als bedoeld in artikel 5.3, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).\n\n8. De rechtbank oordeelt dat de beroepsgrond geen doel treft. Eiser had al bijstand van zijn gemachtigde, en deze heeft namens hem op 19 augustus 2025 beroep ingesteld tegen de maatregel van bewaring. Of eiser wel of niet is ingelicht over de mogelijkheid om zelf beroep in te stellen, is in zijn zaak dus niet van betekenis omdat duidelijk is dat eiser niet in zijn belangen is geschaad.\n\nGrondslag en gronden van de maatregel van bewaring\n\n9. In de maatregel van bewaring heeft de minister (in het kader van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw) overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van een asielaanvraag. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vb, als zware gronden vermeld dat eiser:\n\n3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;\n\n3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;\n\n3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;\n\n3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;\n\nen als lichte gronden vermeld dat eiser:\n\n4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;\n\n4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die9. ECLI:NL:RVS:2023:3508.\n\nniet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;\n\n4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;\n\n4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.\n\n10. De minister heeft op de zitting de zware grond onder 3d en de lichte grond onder 4e laten vallen. De rechtbank stelt vast dat eiser de overige gronden niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden en de motivering daarvan de maatregel van bewaring kunnen dragen.\n\n11. De rechtbank stelt verder vast dat eiser niet heeft betwist dat hij op de grondslag van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw in bewaring mocht worden gesteld. De rechtbank is van oordeel dat ook deze grondslag in de maatregel van bewaring voldoende is gemotiveerd.\n\nLichter middel\n\n12. Eiser voert aan dat de minister bij de oplegging van de maatregel van bewaring geen nieuw onderzoek heeft gedaan naar de proportionaliteit en evenredigheid van de inbewaringstelling. De minister heeft enkel gekeken naar de vorige maatregel en de informatie die toen beschikbaar was. Eiser heeft in beroep zijn medische dossier overgelegd. Eiser verklaart dat zijn medische klachten verergeren door de detentie en dat hij op dit moment onder cameratoezicht staat. De minister moet daarom volstaan met een lichter middel dan bewaring.\n\n13. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende onderzoek heeft gedaan naar de vraag of moet worden volstaan met een lichter middel. Eiser is voorafgaand aan het opleggen van de maatregel van bewaring gehoord, en heeft in dat gehoor zijn belangen naar voren kunnen brengen. Uit de maatregel van bewaring blijkt dat de zienswijze van eiser ook in de afweging is betrokken. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister zich, gelet op de gronden en de motivering daarvan, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in het geval van eiser niet kan worden volstaan met een lichter middel dan de maatregel van bewaring. Onder andere is van belang dat eiser op 2 februari 2024 met onbekende bestemming is vertrokken en al drie keer een asielaanvraag heeft ingediend. Ook heeft eiser de tegenwerping van de minister, dat op redelijke gronden aangenomen kan worden dat zijn huidige asielaanvraag louter is ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen, niet betwist. Over de medische situatie van eiser overweegt de rechtbank dat eiser in detentie toegang heeft tot medische zorg die gelijkwaardig is aan die in de vrije maatschappij, en dat in de maatregel van bewaring ook gewezen is op de mogelijkheid om eiser over te plaatsen naar een regulier ziekenhuis, een penitentiair psychiatrisch centrum of een gesloten gezondheidsinstelling. De rechtbank ziet in de documenten die voorhanden zijn en de verklaringen van eiser geen aanleiding om te oordelen dat de medische zorg in het detentiecentrum tekort schiet. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nAmbtshalve toetsing\n\n14. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.\n\nConclusie\n\n15. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\n01 september 2025\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:16841","2025-09-12T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:33.220Z",{"id":205,"ecli":206,"slug":207,"caseNumber":43,"courtId":101,"decisionDate":208,"fullText":209,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":210,"sourceTimestamp":211,"parsedAt":51,"updatedAt":212},"489","ECLI:NL:RBDHA:2025:17556","ecli-nl-rbdha-2025-17556","2025-08-01T00:00:00.000Z","uitspraakRECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.32556 en NL25.34224 Rectificatie pagina 3 en 4\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. H. Drenth),\n\nen\n\nde Minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. S.H.F. Pols).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 12 mei 2025 heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.\n\nEiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring van 12 mei 2025 beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.\n\nBij besluit van 8 juli 2025 heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.\n\nEiser heeft tegen het besluit van 8 juli 2025 beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen op 28 juli 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. V. Senczuk, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen 1. Zyad. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1993.\n\nOmzetting maatregel van bewaring\n\n2. Eiser heeft aangevoerd dat hij eerder bij besluit van 12 mei 2025 op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw in vreemdelingenbewaring is gesteld. Hij heeft op 3 juli 2025 het door hem ingediende rechtsmiddel tegen de afwijzende asielbeschikking ingetrokken en vervolgens is die maatregel pas op 8 juli 2025 opgeheven en omgezet naar de huidige maatregel. Eiser is van mening dat de onrechtmatigheid van de voorafgaande maatregel van bewaring en de omstandigheid dat eiser drie dagen op een ongeldige titel in bewaring heeft gezeten, een zodanig ernstige schending is van het recht om in vrijheid te worden gesteld zodra de vrijheidsbeneming onrechtmatig is geworden, dat die onrechtmatigheid moet doorwerken in de huidige maatregel.\n\n3. Ter zitting heeft de minister erkend dat deze vorige maatregel onrechtmatig is geworden omdat de maatregel op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw te laat is omgezet naar de huidige maatregel van 8 juli 2025. De minister heeft eiser schadevergoeding aangeboden ten bedrage van€ 300,-. De onrechtmatigheid van de vorige maatregel raakt volgens de minister de huidige maatregel niet. De minister ziet dan ook geen aanleiding om de huidige maatregel op te heffen.\n\n4. Uit het arrest Bouskoura van 4 oktober 20241 leidt de rechtbank af dat, indien de onrechtmatigheid van een maatregel is vastgesteld, dit niet reeds hierom inhoudt dat een direct aansluitende nieuwe maatregel ook onrechtmatig is, tenzij er sprake is van kwade trouw of misleiding van de zijde van het bestuursorgaan. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken.\n\n5. Vervolgens ziet de rechtbank zich geplaatst voor de vraag of sprake is van een andere zodanig ernstige schending van het recht om in vrijheid te worden gesteld zodra de vrijheidsbeneming onrechtmatig is geworden, dat dit om die reden moet leiden tot onrechtmatigheid van de huidige maatregel. De rechtbank wijst op vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling)2 waarbij als uitgangspunt geldt dat een gebrek in de eerste maatregel van bewaring de daaropvolgende maatregel niet alleen al daarom van het begin af aan onrechtmatig maakt. Wel komt, zo blijkt uit de uitspraak van de Afdeling van 26 april 20213, bijvoorbeeld aan een opeenstapeling van ernstige gebreken een zwaar gewicht toe, wat ertoe kan leiden dat op voormeld uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt. Uit de uitspraken van de Afdeling van 12 juni 20184 en 26 apri1 20215, volgt verder dat op voormeld uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt in geval van een ernstige schending van het fundamentele recht om in vrijheid te worden gesteld indien de bewaring onrechtmatig is. Anders dan eiser stelt is van dat laatste in zijn geval geen sprake, ook niet indien eiser zou moeten worden gevolgd in zijn betoog dat hij voorafgaande aan de oplegging van de huidige maatregel drie dagen op een onjuiste wettelijke grondslag in bewaring heeft verbleven. De rechtbank verwijst daarvoor naar de uitspraak van de Afdeling van 11 september 20236 waarin ook sprake was van een bewaring op een onjuiste grondslag, waardoor die vreemdeling negen dagen onrechtmatig in bewaring zat. In die zaak heeft de Afdeling geoordeeld dat van een ernstige schending in vorenbedoelde zin geen sprake was. Nu bovendien ook niet is gebleken van andere gebreken dan het gebrek dat eiser stelt, is van een openstapeling van gebreken evenmin sprake. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\n1 ECLI:EU:C:2024:868.\n\n2 Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 11 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3508 en van 13 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2005.\n\n3 ECLI:NL:RVS:2021:885.\n\n4 ECLI:NL:RVS:2018:2083.\n\n5ECLI:NL:RVS:2021:885.\n\n6 ECLI:NL:RVS:2023:3508.\n\nBewaringsgronden\n\n6. In de maatregel van bewaring van 8 juli 2025 heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:\n\n3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;\n\n3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;\n\n3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;\n\n3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;\n\n3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat; 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;\n\nen als lichte gronden vermeld dat eiser\n\n4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;\n\n4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;\n\n4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;\n\n4f. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gronden van de maatregel van bewaring van 8 juli 2025 niet zijn betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. De gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.\n\nAmbtshalve toetsing\n\n8. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.\n\nConclusie\n\n9. Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring van 12 mei 2025 is gegrond. Daarbij heeft de minister een schadevergoeding van€ 300,- aan eiser aangeboden, namelijk 3 dagen onrechtmatige tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel dus 3 x € 100,00- (verblijf detentiecentrum)=€ 300,-. Het beroep tegen de maatregel van bewaring van 8 juli 2025 is ongegrond. Daarom wordt dat verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n10. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten met betrekking tot het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring van 12 mei 2025. \n\nDeze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskostenbestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op€1.814,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van€ 907,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring van 12 mei 2025 gegrond;\n\n- verklaart het beroep tegen de maatregel van bewaring van 8 juli 2025 ongegrond;\n\n- veroordeelt de Staat Der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van€ 300,- te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van€ 1.814,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\n01 augustus 2025\n\nDe griffier is verhinderd om te ondertekenen.\n\ngriffier\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak voor zover die over het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring van 12 mei 2025 staat geen rechtsmiddel open.\n\nTegen deze uitspraak voor zover die gaat over het beroep tegen de maatregel van bewaring van 8 juli 2025 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:17556","2025-09-25T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:33.075Z",{"id":214,"ecli":215,"slug":216,"caseNumber":43,"courtId":217,"decisionDate":218,"fullText":219,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":220,"sourceTimestamp":218,"parsedAt":51,"updatedAt":221},"493","ECLI:NL:RBDHA:2025:13466","ecli-nl-rbdha-2025-13466",65,"2025-07-23T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.21353\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [eiseres], eiseres\n\nV-nummer: [nummer]\n\n(gemachtigde: mr. W. Spijkstra),\n\nen\n\nde Minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: R.M. Koning).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 6 mei 2025 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank heeft het beroep op 22 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister. Het onderzoek is ter zitting gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.\n\nWat vindt eiseres?\n\n5. Eiseres is vanuit Oekraïne naar Duitsland gevlucht. Ze heeft enkele jaren in Duitsland verbleven. In februari 2025 is ze naar Nederland gekomen en heeft ze asiel aangevraagd in Ter Apel. Eiseres stelt dat ze onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming(RTB) valt en op die grond rechtmatig in Nederland verblijft. Ze kan daarom niet op grond van de Dublinverordening aan Duitsland worden overgedragen. Daarnaast kan niet meer worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland.\n\nRichtlijn Tijdelijke Bescherming\n\n6. De rechtbank stelt vast dat eiseres op 12 februari 2025 een asielaanvraag heeft gedaan in Ter Apel. Daarnaast is niet in geschil dat eiseres zich niet bij een gemeente heeft gemeld om een aanvraag voor bescherming op grond van de RTB te doen. Uit de RTB, het uitvoeringsbesluit van de Raad van de Europese Unie van 4 maart 2022 en de WI 2022\u002F17volgt niet dat de minister eiseres had moeten doorverwijzen naar de gemeente om een aanvraag voor bescherming op grond van de RTB te doen.De minister heeft tijdens de zitting terecht gesteld dat eiseres geen aanvraag voor bescherming op grond van de RTB heeft gedaan. Daarbij heeft de minister tijdens de zitting terecht opgemerkt dat eiseres zich alsnog tot de gemeente kan wenden als zij meent dat zij onder de RTB valt. In wat eiseres naar voren heeft gebracht bestaat geen aanleiding om te oordelen dat de minister haar aanvraag had moeten opvatten als een aanvraag voor bescherming op grond van de RTB of haar had moeten doorverwijzen naar de gemeente om een dergelijke aanvraag te kunnen doen. De minister heeft de aanvraag van eiseres dan ook terecht aangemerkt als een asielaanvraag en is terecht overgegaan tot het beoordelen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van die asielaanvraag. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nInterstatelijk vertrouwensbeginsel\n\n7. De rechtbank stelt vast dat hetgeen eiseres aanvoert ten aanzien van het interstatelijk vertrouwensbeginsel een herhaling is van hetgeen in de zienswijze is aangevoerd. Dit is tijdens de zitting ook erkend door de gemachtigde van eiseres. De minister is in het besluit ingegaan op de zienswijze van eiseres. De rechtbank ziet in de enkele herhaling van deze punten uit de zienswijze, zonder dat eiseres concreet maakt waarom de reactie van de minister in de beschikking daarop volgens haar niet juist of ontoereikend is, geen reden om deze punten te bespreken.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres mag worden overgedragen aan Duitsland. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van N. Walstra, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Verordening nr. 604\u002F2013.\n\nDit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\nRichtlijn 2001\u002F55\u002FEG.\n\nWI 2022\u002F17 Richtlijn tijdelijke bescherming Oekraïne en asielprocedure.\n\nZie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 22 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:9514.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:13466","2026-07-13T00:28:33.263Z",29,20,[225,11,226,227],2026,2024,2023]