[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-child-benefits-compensation-nl-2025":3},{"detail":4,"years":63},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":17,"page":14,"limit":62},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},147,"child-benefits-compensation-nl","Child Benefits Compensation","NL","2026-07-08T16:59:10.458Z",2025,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":15},4,{"month":23,"count":14},5,{"month":25,"count":15},6,{"month":27,"count":14},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":15},12,[39,52],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":50,"updatedAt":51},"1314","ECLI:NL:RBMNE:2025:3859","ecli-nl-rbmne-2025-3859","",63,"2025-07-25T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: UTR 25\u002F1787\n uitspraak van de meervoudige kamer van 25 juli 2025 in de zaak tussen\n \n [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. M.L.M. Klinkhamer),\n\nen\n\nDienst Toeslagen, verweerder\n\n(gemachtigden: mr. [gemachtigde 1] en mr. [gemachtigde 2] ).\n\nInleiding\n\nDeze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag van 9 mei 2023 om aanvullende compensatie voor werkelijke schade bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS).\n\n Bij uitspraak van 17 juli 2024 heeft deze rechtbank een eerder beroep tegen het niet tijdig beslissen van eiseres gegrond verklaard en verweerder opgedragen uiterlijk 19 september 2024 een besluit op bezwaar te nemen.\n\nOp 1 maart 2025 heeft eiseres beroep tegen niet tijdig beslissen ingediend.\n\nOp 14 april 2025 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Op 10 juni 2025 heeft verweerder een aanvulling op het verweerschrift ingediend.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en haar gemachtigde en de gemachtigden van verweerder.\n\nOverwegingen\n\n1. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld.De rechtbank heeft in de uitspraak van 17 juli 2024 (UTR 24\u002F4159) een termijn gesteld met daaraan gekoppeld een rechterlijke dwangsom.\n\n2. De rechtbank stelt vast dat deze termijn op 20 september 2024 is verstreken. Tot op heden heeft verweerder niet beslist op het bezwaar van eiseres.\n\n3. Het beroep is daarom gegrond.\n\nVerweerder moet alsnog een besluit nemen\n\n4. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Het bestuursorgaan moet dit in principe doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak.In bijzondere gevallen kan de bestuursrechter een andere termijn bepalen.Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) dat die termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.\n\n5. Eiseres voert aan dat de eerder door de rechtbank opgelegde beslistermijn is verstreken, zodat verweerder nu binnen twee weken na de uitspraak op de aanvraag moet beslissen.\n\n6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025- over bezwaarzaken in het kader van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) -overeenkomstig zou moeten worden toegepast op zaken als deze waarin een betrokkene een aanvraag om aanvullende compensatie heeft ingediend bij de CWS. In het belang van eenduidigheid verzoekt verweerder de rechtbank om een nadere termijn te bepalen van 60 weken vanaf het verstrijken van de wettelijke beslistermijn, waarbij deels tegemoet gekomen wordt aan de feitelijke doorlooptijd van de behandeling van aanvragen om vergoeding van werkelijke schade.\n\n7. De Afdeling heeft in de uitspraak van 26 maart 2025 geoordeeld dat bij beroepen tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar in Wht-zaken een nadere beslistermijn van zestig weken na de datum waarop de wettelijke beslistermijn voor het nemen van een besluit op bezwaar is verstreken, realistisch is. Als op het moment van de uitspraak al zestig weken zijn verstreken na ommekomst van de beslistermijn op bezwaar, geldt in beginsel een nadere beslistermijn van twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden. Daarbij heeft de Afdeling expliciet overwogen dat deze uitspraak niet gaat over uitblijvende besluiten op aanvraag. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om enkel vanwege de eenduidigheid bij de in de uitspraak van de Afdeling genoemde termijn van 60 weken aan te sluiten.\n\n8. Voor uitblijvende besluiten op aanvraag is naar het oordeel van de rechtbank nog steeds de uitspraak van de Afdeling van 23 augustus 2023richtinggevend. In die uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat een nadere beslistermijn van 12 weken na het verweerschrift en ten minste zes weken na de uitspraak in een individueel geval niet onnodig lang en ook niet onrealistisch kort is, dan wel zou moeten zijn.\n\n9. Inmiddels zijn echter bijna twee jaren verstreken en zoals ook de Afdeling constateert in haar uitspraak van 26 maart 2025 is de uitvoeringsproblematiek bij de hersteloperatie toeslagen ondertussen niet opgelost, maar juist verergerd. Verweerder heeft onder verwijzing naar de UHT rapportage van week 17 laten zien dat er op 25 april 2025 6699 aanvragen om vergoeding van werkelijke schade bekend waren. Van deze aanvragen zijn er 886 afgehandeld met een beschikking en 429 aanvragen zijn ingetrokken. De actuele feitelijke doorlooptijd van aanvragen bij de CWS bedraagt op dit moment meer dan 800 dagen. De instroom van zaken gaat ook nog door. Ouders kregen in beginsel tot 1 juli 2025 de tijd om een aanvraag in te dienen, maar ouders van wie de integrale beoordeling na 1 januari 2025 onherroepelijk is geworden, kunnen nog tot zes maanden daarna een aanvraag indienen.\n\n10. Om redenen die de Afdeling ook benoemt in haar uitspraak van 26 maart 2025 ziet de rechtbank aanleiding om bij het bepalen van de nadere termijn met name aansluiting te zoeken bij de tijd die (bestendig) nodig is gebleken voor verweerder om een besluit op een aanvraag om vergoeding van werkelijke schade te nemen. Dat is in dit geval dus (meer dan 800 dagen) ruim 114 weken. Uit de 19e Voortgangsrapportage hersteloperatie toeslagen blijkt dat de CWS eraan werkt om de doorlooptijden omlaag te brengen en het proces te versnellen. Er heeft een intern adviestraject plaatsgevonden om het adviesproces van de CWS te analyseren en concrete aanbevelingen te doen. Er zijn verbeterpunten in kaart gebracht die zien op de productiviteit van medewerkers en vereenvoudiging van werkprocessen. Omdat van deze maatregelen wel enige verbetering verwacht mag worden, vindt de rechtbank een nadere beslistermijn van 60 weken na ommekomst van de wettelijke beslistermijn van maximaal 52 weken, op dit moment dan ook een realistische termijn die niet onnodig lang en ook niet onrealistisch kort is. Het stellen van een kortere termijn leidt er niet toe dat eerder op aanvragen beslist gaat worden, gegeven de beperkte capaciteit bij de CWS en UHT, maar leidt juist tot verdere vertraging, omdat die capaciteit dan ook gebruikt moet worden voor nog meer (herhaalde) beroepen over niet tijdig beslissen.\n\n11. Verweerder heeft gevraagd om te bepalen dat de nadere beslistermijn niet loopt en er geen dwangsom verschuldigd is gedurende de periode dat ouders bedenktijd hebben over welke schaderoute zij kiezen, via de CWS of een alternatief traject zoals bijvoorbeeld de schikkingsroute via de Stichting Gelijkwaardig Herstel. Ook de periode dat ouders niet in de wachtrij staan of in behandeling zijn bij de CWS, omdat zij hebben gekozen voor een andere schaderoute zou volgens verweerder niet moeten meetellen wanneer op die keus later wordt teruggekomen. De rechtbank gaat hier niet in mee. Tijdens de zitting heeft verweerder nader toegelicht dat de gegunde bedenktijd op dit moment alleen van toepassing is op 400 mensen die in een pilot zitten in het kader van de ontwikkeling van een aanmeldportaal. De rechtbank ziet geen reden om daarvoor een algemene uitzondering te formuleren. Hetzelfde geldt voor de periode dat ouders om een andere schaderoute hebben verzocht of daarin zijn opgenomen. De rechtbank geeft verweerder mee dat hij in concrete gevallen in het verweerschrift kan aangeven wat de specifieke situatie van een ouder is en welke periode in zijn ogen uitgezonderd zou moeten worden. De rechtbank zal dan per zaak beoordelen of er bijzondere omstandigheden aan de orde zijn die aanleiding geven om te bepalen dat de nadere beslistermijn in een bepaalde periode niet loopt of heeft gelopen.\n\n12. De rechtbank zal de termijn van 60 weken vanaf vandaag stellen in alle zaken die gaan over aanvragen om werkelijke schade bij de CWS. De rechtbank zal daarbij geen onderscheid maken tussen eerste en opvolgende beroepen over hetzelfde uitblijvende besluit, omdat zij evenals de Afdeling van oordeel is dat opvolgende beroepen zoveel mogelijk voorkomen moeten worden. De termijn begint te lopen vanaf de eerste dag waarop de wettelijke beslistermijn op grond van artikel 2.1, derde lid, in samenhang met artikel 6.2, eerste lid, van de Wht is verstreken. Als deze termijn al is verstreken op het moment dat de rechtbank uitspraak doet, zal de rechtbank in beginsel een nadere beslistermijn van twee weken vanaf verzending van de uitspraak op het beroep bepalen.\n\n13. De rechtbank realiseert zich uiteraard dat dit voor de individuele gedupeerde ouder betekent dat hij of zij lang moet wachten op duidelijkheid. Eiseres heeft tijdens de zitting duidelijk uitgelegd wat dit met haar doet. De rechtbank vindt het wrang dat ouders die al slachtoffer zijn geworden van de toeslagenaffaire nog langer op duidelijkheid en rechtsherstel moeten wachten. Tegelijkertijd zijn zij er niet mee geholpen als de rechtbank een termijn stelt waarvan op voorhand al duidelijk is dat die niet gehaald gaat worden en in het grotere geheel juist averechts werkt.\n\n14. Het voorgaande betekent in het geval van eiseres het volgende. Eiseres heeft op 9 mei 2023 een aanvraag ingediend voor vergoeding van werkelijke schade. De beslistermijn eindigde dus op 9 mei 2024. Omdat sindsdien meer dan 60 weken zijn verstreken bepaalt de rechtbank dat verweerder uiterlijk twee weken na verzending van deze uitspraak een besluit op bezwaar bekend moet maken.\n\nDwangsom\n\n15. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde beslistermijn overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-. De rechtbank verwijst voor de motivering van deze bedragen naar de uitspraak van deze rechtbank van 15 oktober 2024. De rechtbank volgt dus niet het uitgangspunt, zoals neergelegd in het beleid van de rechtspraak van € 250,- met een maximum van € 37.500,-, omdat de rechtbank van oordeel is dat het hiervoor genoemde beleid daar niet toe noopt. Bij verweerder is geen sprake van weigerachtigheid, maar – onder meer – een ernstig tekort aan menskracht. Ook het belang van eiseres rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank een hogere dwangsom niet. Een sterkere prikkel is daarom niet nodig.\n\nProceskosten en griffierecht\n\n16. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 1.814,-.\n\n17. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;\n\n- draagt verweerder op uiterlijk twee weken na verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken;\n\n- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijnen overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.814,-; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, voorzitter, mr. M.M. Vollebregt-Kuipers en mr. G. Schnitzler, leden, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2025.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.\n\n Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.\n\n Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.\n\n Artikel 8:55d, derde lid, van de Awb.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:1301.\n\n ECLI:NL:RVS:2023:3209.\n\n ECLI:NL:RBMNE:2024:6003.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:3859","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:15.492Z",{"id":53,"ecli":54,"slug":55,"caseNumber":43,"courtId":56,"decisionDate":57,"fullText":58,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":60,"parsedAt":50,"updatedAt":61},"1313","ECLI:NL:RBGEL:2025:3494","ecli-nl-rbgel-2025-3494",60,"2025-05-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 24\u002F5690uitspraak van de enkelvoudige kamer van\n\nin de zaak tussen\n [eiseres], uit [plaats], eiseres\n\n(gemachtigde: mr. J. van de Wiel),\n\nen\n\nde Dienst Toeslagen\n\n(gemachtigden: [naam gemachtigde 1] en [naam gemachtigde 2]).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over het verzoek om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag. De dienst heeft vastgesteld dat eiseres geen recht heeft op compensatie over de jaren 2006 en 2007 en de jaren 2009 tot en met 2011. Eiseres is het niet eens met de besluiten van de Dienst. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst eiseres over de genoemde jaren niet hoeft te compenseren. Niet is gebleken dat de Dienst met vooringenomenheid heeft gehandeld. Ook was er geen sprake van hardheid bij de terugvordering van de kinderopvangtoeslag.Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiseres is aangemerkt als gedupeerde van de toeslagenaffaire. Aan haar is daarom een forfaitaire compensatie toegekend van € 30.000 (de Catshuisregeling). Vervolgens heeft de dienst de zogenoemde integrale beoordeling verricht. In dat verband heeft de Dienst op 18 augustus 2022 vastgesteld dat bij de beoordeling over het toeslagjaar 2008 fouten zijn gemaakt. Eiseres krijgt daarom voor dit toeslagjaar een compensatiebedrag. Voor de jaren 2006, 2007 en 2009-2011 is geen compensatie toegekend. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 10 juli 2024 op het bezwaar van eiseres heeft de Dienst het bezwaar gegrond verklaard in verband met een verkeerd berekend rentebedrag over de compensatie voor het toeslagjaar 2008. De bezwaren tegen de afwijzing van compensatie voor de overige toeslagjaren zijn ongegrond verklaard. Het definitieve compensatiebedrag bedraagt €7.200. Omdat eiseres al een bedrag van €30.000 heeft gekregen, krijgt eiseres geen extra bedrag uitbetaald.\n\n2.1.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.2.. De Dienst heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.3.. De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van de Dienst.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank stelt vast dat eiseres ten aanzien van toeslagjaar 2007 geen beroepsgronden heeft ingediend. Op de zitting heeft eiseres laten weten de beroepsgronden die zien op het toeslagjaar 2008 niet langer te handhaven. Dit betekent dat enkel de toeslagjaren 2006 en 2009 tot en met 2011 in deze uitspraak aan bod zullen komen.\n\nHeeft de Dienst in 2006 met vooringenomenheid gehandeld?\n\n4. Eiseres voert aan dat de mogelijkheid bestaat dat de Dienst in 2006 met vooringenomenheid heeft gehandeld. Eiseres heeft in april 2006 kinderopvangtoeslag aangevraagd en de uitbetaling hiervan heeft pas in augustus 2006 plaatsgevonden. Dit heeft geleid tot betalingsproblemen en schulden. De bij de Dienst ontstane misverstanden over de uitbetaling en het niet tijdig toekennen van een voorschot van de kinderopvangtoeslag duiden op vooringenomenheid. Het feit dat uiteindelijk het correcte voorschot werd toegekend, doet niet af aan het feit dat eiseres benadeeld is door het lange uitblijven ervan waar geen enkele valide reden voor was.\n\n4.1.. De Dienst stelt dat niet is vast te stellen of de beslistermijn op de aanvraag is overschreden. De aanvraag is namelijk niet meer te traceren. Wel is te zien dat het voorschot pas eind augustus 2006 is uitgekeerd. Dit maakt het waarschijnlijk dat de behandeling van de aanvraag langer op zich heeft laten wachten en dat wijst op een onzorgvuldigheid. De Dienst heeft tijdens de zitting uitgelegd dat het vaker voorkomt dat op een aanvraag niet binnen de wettelijke beslistermijn wordt beslist. Dat kan om verschillende redenen zijn maar dit duidt niet direct op vooringenomenheid. De rechtbank volgt dit. De schending van een wettelijke beslistermijn is onzorgvuldig, maar de rechtbank ziet daarin – zonder bijkomende omstandigheden – geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de Dienst vooringenomen heeft gehandeld. Die bijkomende omstandigheden zijn er in dit geval niet. Dat over het jaar 2008 wel compensatie is toegekend vanwege vooringenomen handelen, betekent - anders dan eiseres stelt – niet dat dit daarom ook in het toeslagjaar 2006 al het geval was. Bovendien zou dit in de benadering van eiseres dan ook gelden voor het toeslagjaar 2007, maar de afwijzing van compensatie over dat jaar heeft eiseres niet betwist.\n\nWas er sprake van hardheid bij de terugvordering over de jaren 2009 tot en met 2011?\n\n5. Verder voert eiseres aan dat ten aanzien van de toeslagjaren 2009 tot en met 2011 sprake is geweest van schade als gevolg van hardheid van het systeem. Eiseres heeft met het antwoordformulier van september 2010 aangegeven dat zij in 2009 geen kinderopvang heeft afgenomen en heeft de Dienst in november 2010 telefonisch bericht dat ook in 2010 geen opvang is afgenomen en dat de kinderopvangtoeslag kon worden stopgezet. Desondanks is de toeslag over die jaren volledig aan haar uitbetaald. Zij heeft hier echter nooit weet van gehad omdat ze destijds onder bewind stond. Ze kreeg geen post en had ook geen zicht op de financiën. Dit liep allemaal via de bewindvoerder. Ze wijst er daarbij op dat het traject vanaf 6 december 2010 is omgezet in de wettelijke schuldsanering welke liep tot 6 december 2011. Aan het einde van het traject, zo blijkt uit een proces-verbaal van de Rechtbank Zutphen van 16 november 2011, zijn de bestaande schulden aan de belastingdienst meegenomen met de schone lei die aan eiseres is verleend. Dat was voor haar het moment dat ze het schuldenverleden achter zich kon laten en een nieuwe start kon maken, het was dan ook een complete verrassing toen in 2013 de kinderopvangtoeslag werd teruggevorderd over de toeslagjaren 2009 tot en met 2011. Dit heeft haar emotioneel hard geraakt. De terugvordering getuigt volgens eiseres in dit licht bezien dan ook van een bijzondere hardheid.\n\n5.1.. De Dienst kent compensatie toe aan een aanvrager die schade heeft geleden door hardheid bij de toepassing van de wetgeving van de kinderopvangtoeslag.Van hardheid is sprake als de kinderopvangtoeslag op nihil is vastgesteld in plaats van naar rato van het bedrag van de kosten waarvan de aanvrager van een kinderopvangtoeslag heeft aangetoond dat deze tijdig zijn betaald aan de kinderopvangorganisatie. Ook is er sprake van hardheid van het stelsel bij de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden waarbij de kinderopvangtoeslag in zijn geheel is teruggevorderd en deze terugvordering onevenredig was in verhouding tot de met die terugvordering te dienen doelen. Er is op zichzelf geen sprake van een bijzondere omstandigheid als de terugvordering het gevolg is van een afwijking tussen het daadwerkelijk afgenomen aantal uren kinderopvang en het aantal uren kinderopvang op basis waarvan het voorschot kinderopvangtoeslag is berekend in dat berekeningsjaar. De financiële situatie of financiële problemen van een belanghebbende, die terugbetaling van toeslagen verhinderden, zullen in het algemeen niet leiden tot de conclusie dat diegene gedupeerd is door hardheid van het stelsel.\n\n5.2.. Naar het oordeel van de rechtbank hoeft de Dienst eiseres niet te compenseren voor de toeslagjaren 2009 tot en met 2011. Er is geen sprake van hardheid. Eiseres heeft in deze jaren namelijk geen recht op kinderopvangtoeslag gehad omdat zij ook geen uren kinderopvang heeft afgenomen. Dit maakt dat de Dienst de voorschotten heeft mogen terugvorderen. Dat eiseres zelf geen zicht had op haar financiën en de bewindvoerder niet heeft opgemerkt dat eiseres voorschotten kreeg waar zij geen recht op had, kan de Dienst niet worden verweten. Ook is in dit geval niet van belang dat aan eiseres in 2011 een schone lei verklaring is verstrekt. In de eerste plaats niet omdat de schuld uit de terugvordering van de kinderopvangtoeslag op dat moment nog niet bestond, Maar bovendien moet goed in het oog worden gehouden dat de Dienst in 2011 niet als schuldeiser aan de schuldsaneringsprocedure heeft deelgenomen. Voor zover de Belastingdienst op de schone lei verklaring wordt genoemd als één van de schuldeisers, wijst de rechtbank er op dat de Belastingdienst en de Dienst Toeslagen twee verschillende bestuursorganen zijn, die van elkaar moeten worden onderscheiden.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen compensatie krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van R. Visscher, griffier. Uitgesproken in het openbaar op:\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Dit volgt uit artikel 2.1., eerste lid, onder b, van de Wht.\n\n Kamerstukken II, 2021\u002F2022, 36151 nr. 3.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:3494","2025-05-07T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:15.441Z",20,[11]]