[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-civil-administration-nl-2026":3},{"detail":4,"years":93},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":25,"page":14,"limit":92},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},42,"civil-administration-nl","Civil Administration","NL","2026-07-08T16:53:39.799Z",2026,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":15},4,{"month":23,"count":15},5,{"month":25,"count":25},6,{"month":27,"count":15},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":15},12,[39,52,60,67,74,84],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":50,"updatedAt":51},"922","ECLI:NL:GHARL:2026:4191","ecli-nl-gharl-2026-4191","",60,"2026-06-25T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\u002FLeeuwarden, afdeling civiel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.364.502\n\nzaaknummer rechtbank Midden-Nederland 11808455\n\nbeschikking van 25 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoekster] ( [verzoekster] )\n\ndie woont in [woonplaats1]\n\nadvocaat: mr. S.G. Dorrestein\n\nen\n\n [verweerster] ( [verweerster] )gevestigd in [woonplaats1] advocaat: mr. L.A.P. Arends\n\nals overige belanghebbenden zijn aangemerkt:\n\n [de bewindvoerder] ( [de bewindvoerder] )\n\ngevestigd in [vestigingsplaats1] ,\n\nen de zonen van [verzoekster] :\n\n [belanghebbende1]\n\ndie woont in [woonplaats2]\n\nen\n\n [belanghebbende2]\n\ndie woont in [woonplaats3]\n\nen\n\n [belanghebbende3]\n\ndie woont in [woonplaats1]\n\n1. Samenvatting\n\nDe kantonrechter heeft de goederen die [verzoekster] (zullen) toebehoren onder bewind gesteld en [de bewindvoerder] benoemd tot bewindvoerder. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.\n\n2. De feiten\n\n [verzoekster] is geboren [in] 1956. Zij heeft drie kinderen: [belanghebbende1] , [belanghebbende2] en [belanghebbende3] .\n\n3. De procedure bij de rechtbank\n\n3.1.. \n [verweerster] heeft de kantonrechter verzocht om een bewind in te stellen voor [verzoekster] en [de bewindvoerder] als bewindvoerder te benoemen.\n\n3.2.. De kantonrechter heeft dit verzoek toegewezen.\n\n3.3. Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 3 november 2025.\n\n4. De procedure bij het hof\n\n4.1.. \n\n [verzoekster] is het niet eens met de beslissing van de kantonrechter en zij komt daarom in hoger beroep.\n\n [verzoekster] verzoekt het hof de beslissing van de kantonrechter te vernietigen en het verzoek tot onderbewindstelling alsnog af te wijzen.\n\n4.2.. \n [verweerster] wil dat het hof de beslissing van de kantonrechter in stand laat.\n\n4.3.. Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:\n\nhet beroepschrift ontvangen op 2 februari 2026\n\nhet verweerschrift van [verweerster]\n\nde stukken van [verzoekster] ingediend op 18 mei 2026\n\nde spreekaantekeningen van mr. Dorrestein\n\nde spreekaantekeningen van mr. Arends\n\n4.4.. De zitting bij het hof was op 28 mei 2026. Aanwezig waren:\n\n [verzoekster] en haar advocaat\n\neen vertegenwoordiger namens [verweerster] , haar advocaat en mr. D. Meijers\n\neen vertegenwoordiger namens [de bewindvoerder]\n\nzoon [belanghebbende2]\n\nDe neef van [verzoekster] en zijn echtgenote is bijzondere toegang verleend als toehoorder.\n\n5. Het oordeel van het hof\n\nWat staat in de wet?\n\n5.1.. In artikel 1:431 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de rechter de goederen van een persoon onder bewind kan stellen. Dat kan om twee redenen. Een reden kan zijn dat iemand als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. De andere reden is als sprake is van verkwisting of het hebben van problematische schulden.\n\nHoe oordeelt het hof?\n\n5.2.. In deze zaak gaat het over het onder bewind stellen van de goederen van [verzoekster] . Het hof is van oordeel dat de kantonrechter een goede beslissing heeft gegeven omdat [verzoekster] vanwege haar lichamelijke of geestelijke toestand duurzaam niet in staat is haar vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. Het hof legt hierna uit waarom.\n\n5.3.. \n [verzoekster] stelt dat zij in eerste aanleg is overvallen door de hulpverlening en onvoldoende was voorbereid op de online gehouden zitting bij de kantonrechter. [verzoekster] is in hoger beroep bijgestaan door haar advocaat en heeft haar standpunt uitgebreid verwoord, daarom is dit punt in hoger beroep niet meer van belang.\n\n5.4.. \n\nVaststaat dat [verzoekster] niet of nauwelijks kan lezen en schrijven. Zij heeft desgevraagd toegelicht dat zij daarom in het verleden regelmatig ondersteuning heeft gehad van vrienden en familie bij het afhandelen van haar financiële zaken. Het hof vindt het bewonderenswaardig dat [verzoekster] , ondanks haar beperkingen op het gebied van lezen en schrijven, tot op heden niet in financiële problemen is gekomen: er zijn geen schulden.\n\n [verweerster] heeft naar het oordeel van het hof voldoende nader onderbouwd dat de laatste jaren veel ondersteuning op administratief en financieel gebied door de ambulante begeleidster aan [verzoekster] is geboden. De ambulant begeleidster handelde wekelijks met [verzoekster] de post en bankzaken af. Ook ging zij met [verzoekster] pinnen. Daarbij adviseerde zij [verzoekster] vaak om niet meer dan een standaardbedrag op te nemen. [verzoekster] wilde graag meer uitgeven dan er binnen kwam. Deze ondersteuning bij de financiële zaken hoort officieel niet tot het takenpakket van [verweerster] en de begeleidster wil hiervoor ook geen verantwoordelijkheid (meer) dragen. Inmiddels hanteert [verweerster] strengere voorschriften en richtlijnen om te bezuinigen bij de verlening van de zorg, met name ook in tijd. Dit tezamen maakt dat de ambulante begeleidster de ondersteuning bij de afwikkeling van de administratie en bankzaken niet meer kan voortzetten. De ambulant begeleidster is niet bekend welke hulp de echtgenote van de neef verder heeft geboden. Op verzoek van [verzoekster] eindigt de ondersteuning door de ambulante begeleidster van [verweerster] overigens per 1 juni 2026.\n\nHet hof is van oordeel dat [verzoekster] de bevindingen van de ambulant begeleidster onvoldoende heeft weerlegd en voldoende vast staat dat [verzoekster] haar financiële belangen niet zelf kan behartigen. Duidelijk is dat [verzoekster] afhankelijk is van de hulp van welwillende familie en vrienden voor het afwikkelen van haar zaken op financieel gebied als er geen bewind wordt ingesteld en dat zij dan zeer kwetsbaar is. [verzoekster] woont bij haar broer in het vroegere huis van haar moeder. [verzoekster] weet niet of de broer bij wie zij woont een gezonde financiële situatie heeft. In eerste aanleg heeft [verzoekster] melding gemaakt van schulden van haar broer. Zoon [belanghebbende2] en de echtgenote van de neef van [verzoekster] zijn weliswaar bereid om [verzoekster] te ondersteunen, maar in een dergelijke situatie kan door derden toch nog gemakkelijk misbruik van [verzoekster] worden gemaakt op financieel gebied. [verzoekster] heeft ook niet verzocht om [belanghebbende2] of de echtgenoot van de neef tot bewindvoerder te benoemen. Daar komt nog bij dat [belanghebbende2] meer dan vijftien jaar geen contact heeft gehad met zijn moeder en het contact nog maar kort geleden (als gevolg van de oproep van het hof in het kader van dit hoger beroep) is hersteld. Dat [verzoekster] stelt dat veel vaste lasten automatisch worden afgeschreven en zij haar uitgaven vaak contant doet, maakt het oordeel van het hof niet anders.\n\nHet hof gaat voorbij aan de stelling van [verzoekster] dat [verweerster] geen oude medische gegevens mocht delen in deze procedure. Het is op grond de Algemene Verordening Gegevensbescherming toegestaan dat [verweerster] in de deze procedure medische gegevens inbrengt zonder toestemming van [verzoekster] . Bovendien zijn deze gegevens voor het hof niet van belang in het kader van de beslissing. Uit de toelichting van [verweerster] blijkt voor het hof al voldoende dat [verzoekster] niet in staat is om haar vermogensrechtelijke belangen zelf te behartigen.\n\nDe bewindvoerder heeft verklaard dat het bewind voor haar goed uitvoerbaar is, ondanks dat [verzoekster] op dit moment (nog) geen contact met haar wil. Voor de boedelbeschrijving heeft de bewindvoerder contact met de ambulant begeleidster gehad en verder heeft zij contact met [belanghebbende2] . Dat verloopt goed. De financiële middelen van [verzoekster] zijn maar net voldoende om rond te kunnen komen. De bewindvoerder heeft een beroep gedaan op een aantal regelingen voor de minima en het budget voor [verzoekster] wordt hierdoor iets verruimd. Er was geen financiële buffer aanwezig en die wordt in kleine stapjes opgebouwd. Verder is gebleken dat [verzoekster] voor de kosten van het bewind recht heeft op bijzondere bijstand.\n\nDit alles tezamen maakt dat het hof de beslissing van de kantonrechter in stand laat (bekrachtigt).\n\nProceskosten\n\n5.5. Het hof is vanwege de aard van de zaak van oordeel dat iedere partij de eigen proceskosten moet dragen (compensatie van proceskosten).\n\n6. De beslissing\n\nHet hof:\n\n6.1.. bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 3 november 2025;\n\n6.2.. compenseert de proceskosten;\n\n6.3.. wijst af wat verder is verzocht.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, D.J.M. van de Voort en A.T. Bol, bijgestaan door de griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4191","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:54.667Z",{"id":53,"ecli":54,"slug":55,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":56,"fullText":57,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":58,"sourceTimestamp":56,"parsedAt":50,"updatedAt":59},"313","ECLI:NL:GHARL:2026:4026","ecli-nl-gharl-2026-4026","2026-06-18T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem, afdeling civiel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.355.783\n\n(zaaknummer rechtbank Gelderland 11502438)\n\nbeschikking van 18 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nZ&H Bewind B.V.(Z&H Bewind),\n\ndie is gevestigd in Harderwijk,\n\nadvocaat: mr. L.H.S. de Baar,\n\ndie bewindvoerder was van\n\n [de rechthebbende](de rechthebbende),\n\ndie woont in [woonplaats] ,\n\nen de belanghebbende in hoger beroep\n\nLicht Twee B.V.(Licht Twee),\n\ndie is gevestigd in Kampen,\n\ndie nu bewindvoerder is van de rechthebbende.\n\n1. Samenvatting\n\nDe kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, heeft op 18 april 2025 Z&H Bewind ambtshalve ontslagen en Licht Twee tot opvolgend bewindvoerder benoemd. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.\n\n2. De feiten\n\nOp 20 januari 2020 heeft de kantonrechter in de rechtbank Gelderland een bewind ingesteld over alle goederen die de rechthebbende (zullen) toebehoren, vanwege zijn geestelijke of lichamelijke toestand.\n\n3. De procedure bij de kantonrechter\n\n3.1.. De kantonrechter heeft op 18 april 2025 Z&H Bewind ambtshalve ontslagen als bewindvoerder, met ingang van 1 mei 2025.\n\n3.2.. In die beschikking heeft de kantonrechter Licht Twee tot opvolgend bewindvoerder benoemd. Daarnaast heeft de kantonrechter bepaald dat de beloning voor aanvangswerkzaamheden van Licht Twee door Z&H Bewind moet worden vergoed en dat Z&H Bewind geen beloning ontvangt voor het opmaken van de eindrekening en verantwoording.\n\n4. De procedure bij het hof\n\n4.1.. Z&H Bewind is het niet eens met de beslissing van de kantonrechter. Zij komt daarvan in hoger beroep. Z&H Bewind wil dat het hof voor recht verklaart dat het ontslag van Z&H Bewind als bewindvoerder onterecht is. Verder wil zij dat het hof bepaalt dat:\n\n- de beloning voor de aanvangswerkzaamheden van Licht Twee niet door de Z&H Bewind hoeft te worden vergoed, en\n\n- Z&H Bewind een beloning toekomt voor het opmaken van de eindrekening en verantwoording van € 300,08 inclusief btw.\n\nDe informatie die het hof heeft ontvangen\n\n4.2.. Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:\n\nhet beroepschrift, ingekomen op 15 juli 2025;\n\neen brief namens Z&H Bewind van 5 september 2025;\n\neen bericht namens Z&H Bewind van 30 april 2026.\n\n4.3.. De zitting bij het hof was op 11 mei 2026. Een vertegenwoordiger van Z&H Bewind en haar advocaat waren daarbij aanwezig.\n\n4.4.. Tijdens de zitting heeft Z&H Bewind productie 18 (‘rapport inzake overeengekomen werkzaamheden 2024’ van de accountant) ingediend. Gelet op de inhoud van de productie wordt dit stuk aan het dossier toegevoegd.\n\n5. Het oordeel van het hof\n\nWat in de wet staat\n\n5.1.. De kantonrechter kan een bewindvoerder ontslaan vanwege gewichtige redenen (artikel 1:448 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek).\n\nHet standpunt van Z&H Bewind\n\n5.2.. Z&H Bewind voert aan dat haar ontslag onterecht is. Het hoger beroep is door haar echter niet ingesteld om het ontslag terug te draaien, omdat zij het niet in het belang van de rechthebbende vindt als weer een wisseling van bewindvoerder plaatsvindt. Z&H Bewind wil echter wel dat het hof voor recht verklaart dat er geen gewichtige redenen zijn (geweest) voor haar ontslag als bewindvoerder. Zij betwist dat sprake was van disfunctioneren, zoals in de beschikking van de kantonrechter omschreven. Volgens Z&H Bewind heeft zij niet alles goed gedaan, maar is haar door de kantonrechter onvoldoende tijd gegeven om het functioneren van haar bedrijf te verbeteren. Z&H Bewind heeft op verzoek van de kantonrechter drie keer een plan van aanpak ingediend, met door te voeren verbeteringen. Deze plannen zijn vooraf besproken met de branchevereniging. Zij vond de plannen er goed uitzien. Volgens de kantonrechter waren de plannen niet voldoende, maar Z&H Bewind kreeg geen advies over de verbeteringen die zij moest doorvoeren. Verder voert Z&H Bewind aan dat de bewindvoering niet tot financiële schade bij cliënten heeft geleid. De rechthebbende had de wens om Z&H Bewind als bewindvoerder te houden. Dat gold ook voor andere rechthebbenden bij wie Z&H Bewind als bewindvoerder is ontslagen. Inmiddels heeft Z&H Bewind haar zaken op orde gekregen. Termijnen worden weer gehaald en de computersystemen zijn goed ingericht. Zij is nog steeds bewindvoerder voor twee rechthebbenden in Utrecht. Wel bestaat ook in die zaken het voornemen tot ambtshalve ontslag. De kantonrechter laat dat afhangen van de uitkomst van de onderhavige procedure. Volgens Z&H Bewind had de door de kantonrechter gemaakte belangenafweging anders moeten uitvallen en had zij de bewindvoering moeten kunnen voortzetten.\n\nHet oordeel van het hof\n\nDe gewichtige redenen voor ontslag\n\n5.3.. De kantonrechter heeft in januari 2023 geconstateerd dat in verschillende dossiers sprake was van achterstanden in het aanleveren van de jaarlijkse rekening en verantwoording en de vijfjaarlijkse evaluaties. In mei 2023 heeft hierover een gesprek met Z&H Bewind plaatsgevonden. Daarnaast heeft de kantonrechter een melding vanuit het Landelijk Kwaliteitsbureau (LKB) ontvangen. Z&H Bewind heeft op 26 januari 2024 het handhavingsverzoek over 2022 ingediend. Een professioneel bewindvoerder moet ieder jaar een handhavingsverzoek bij het LKB indienen, zodat kan worden gecontroleerd of wordt voldaan aan de kwaliteitseisen. Na de inhoudelijke beoordeling van het handhavingsverzoek is Z&H Bewind op 30 januari 2024, 28 februari 2024, 14 maart 2024 en 5 juli 2024 verzocht om aanvullende informatie aan te leveren. Z&H Bewind heeft hier niet op gereageerd, waardoor het handhavingsverzoek over 2022 door het LKB is afgewezen.\n\n5.4.. Verder heeft de kantonrechter klachten ontvangen van een gemeente over een dossier van een rechthebbende, waarin Z&H Bewind bewindvoerder was. Z&H Bewind heeft herhaaldelijk de gevraagde documenten niet aangeleverd, waardoor de aanvraag kwijtschelding gemeentebelastingen over verschillende jaren is afgewezen, schulden zijn opgelopen en de PW-uitkering van de betreffende rechthebbende is opgeschort. Z&H Bewind kreeg de opdracht voor 4 oktober 2024 een plan van aanpak met verbeteringen in het bewindvoerderskantoor in te dienen, zodat kon worden voorkomen dat achterstanden ontstaan en dat niet op verzoeken van de kantonrechter wordt gereageerd. Het plan van aanpak van Z&H Bewind was onvoldoende concreet. In het plan van aanpak werd niet omschreven welke maatregelen worden genomen om direct te voorkomen dat er opnieuw achterstanden ontstaan. Z&H Bewind heeft vervolgens de kans gekregen om een verbeterd plan van aanpak aan te leveren, maar Z&H Bewind heeft dit pas na de afgesproken termijn aangeleverd.\n\n5.5.. Z&H Bewind heeft bovendien meermalen niet tijdig de jaarlijkse rekening en verantwoording ingediend. Daarnaast heeft zij niet gereageerd op verzoeken van het LKB om aanvullende informatie, die het LKB nodig had om het ingediende handhavingsverzoek over 2022 te beoordelen. Deze manier van handelen zorgt ervoor dat de kantonrechter en het LKB worden belemmerd in het uitoefenen van hun toezichthoudende taak. Z&H Bewind voert aan dat de kantonrechter niet in voldoende mate duidelijk heeft gemaakt welke verbeteringen van haar werden verwacht. Het hof gaat hier niet in mee. Hoewel het niet de taak is van de kantonrechter om Z&H Bewind uit te leggen hoe zij haar taken als bewindvoerder moet uitvoeren, heeft de kantonrechter wel voldoende duidelijk gemaakt wat van Z&H Bewind werd verwacht. De kantonrechter heeft in de brief van 11 november 2024 beschreven dat concrete maatregelen worden verwacht om te voorkomen dat opnieuw achterstanden ontstaan. In het plan van aanpak ontbraken ook concrete maatregelen om ervoor te zorgen dat op vragen en verzoeken van de kantonrechter tijdig wordt gereageerd of op tijd uitstel wordt gevraagd. Z&H Bewind heeft nagelaten om deze maatregelen te nemen en het verbeterde plan van aanpak op tijd aan te leveren.\n\n5.6.. Uit het dossier en ook tijdens de zitting bij het hof is het hof gebleken dat Z&H Bewind niet inziet dat haar wijze van handelen zodanig is dat de kantonrechter niet in staat is om adequaat toezicht te houden en te controleren of zij haar taken als bewindvoerder naar behoren uitvoert. Dit maakt dat Z&H Bewind niet geschikt is als bewindvoerder. Gelet op het voorgaande is het hof, net als de kantonrechter, van oordeel dat er gewichtige redenen zijn om Z&H Bewind als bewindvoerder te ontslaan. Het hof zal de beschikking van de kantonrechter daarom op dit onderdeel bekrachtigen.\n\nDe vergoedingen voor de eindrekening en verantwoording en aanvangswerkzaamheden\n\n5.7.. De kantonrechter heeft bepaald dat Z&H Bewind geen beloning toekomt voor het opmaken van de eindrekening en verantwoording en dat zij de beloning voor aanvangswerkzaamheden van de opvolgend bewindvoerder aan de rechthebbende moet vergoeden. In de Aanbevelingen Meerderjarigenbewind, Curatele en Mentorschap is niet opgenomen dat deze kosten voor rekening van een ambtshalve ontslagen bewindvoerder (zouden kunnen) komen. In recente uitspraken in zaken waarin een bewindvoerder ambtshalve is ontslagen, is bepaald dat de ontslagen bewindvoerder geen kosten in rekening mag brengen voor het opmaken van de eindrekening en verantwoording.Het hof zal in diezelfde lijn beslissen en bepaalt dat Z&H Bewind geen beloning toekomt voor het opmaken van de eindrekening en verantwoording. Op dat punt zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.\n\n5.8.. In die zaken is ook bepaald dat de opvolgend bewindvoerder de vergoeding voor aanvangswerkzaamheden in rekening mag brengen. Die kosten komen dan voor rekening van de betreffende rechthebbende, niet voor de ontslagen bewindvoerder. Het hof volgt de lijn in die uitspraken en bepaalt dat de beloning voor de aanvangswerkzaamheden van Licht Twee niet door Z&H Bewind hoeft te worden vergoed. Op dit onderdeel zal het hof de beschikking van de kantonrechter vernietigen.\n\n6. De beslissing\n\nHet hof, beschikkende in hoger beroep:\n\nvernietigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 18 april 2025, voor zover het de beslissing betreft dat de beloning voor aanvangswerkzaamheden van Licht Twee door Z&H Bewind moet worden vergoed;\n\nbepaalt in plaats daarvan dat Licht Twee gerechtigd is om een éénmalige vergoeding voor aanvangswerkzaamheden in rekening te brengen conform artikel 3 lid 5 sub a van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren;\n\nbekrachtigt de beschikking voor het overige;\n\nwijst af wat verder is verzocht.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, J.H. Lieber en\n\nR. Prakke-Nieuwenhuizen, bijgestaan door mr. T.F. de Ruiter als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.\n\n ECLI:NL:GHARL:2025:1363, ECLI:NL:RBDHA:2025:5607 en ECLI:NL:GHDHA:2021:1545.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4026","2026-07-13T00:28:23.995Z",{"id":61,"ecli":62,"slug":63,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":56,"fullText":64,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":65,"sourceTimestamp":56,"parsedAt":50,"updatedAt":66},"314","ECLI:NL:GHARL:2026:4028","ecli-nl-gharl-2026-4028","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem, afdeling civiel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.355.784\n\n(zaaknummer rechtbank Gelderland 11502484)\n\nbeschikking van 18 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nZ&H Bewind B.V.(Z&H Bewind),\n\ndie is gevestigd in Harderwijk ,\n\nadvocaat: mr. L.H.S. de Baar,\n\ndie bewindvoerder was van\n\n [de rechthebbende](de rechthebbende),\n\ndie woont in [woonplaats] ,\n\nen de belanghebbende in hoger beroep,\n\nLicht Twee B.V.(Licht Twee),\n\ndie is gevestigd in Kampen,\n\ndie nu bewindvoerder is van de rechthebbende.\n\n1. Samenvatting\n\nDe kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, heeft op 18 april 2025 Z&H Bewind ambtshalve ontslagen en Licht Twee tot opvolgend bewindvoerder benoemd. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Op 30 augustus 2018 heeft de kantonrechter in de rechtbank Gelderland een bewind ingesteld over alle goederen die de rechthebbende (zullen) toebehoren, vanwege verkwisting of het hebben van problematische schulden.\n\n2.2.. Op 12 augustus 2021 heeft de kantonrechter de grondslag van het bewind gewijzigd naar bewind als gevolg van de geestelijke of lichamelijke toestand.\n\n3. De procedure bij de kantonrechter\n\n3.1.. De kantonrechter heeft op 18 april 2025 Z&H Bewind ambtshalve ontslagen als bewindvoerder, met ingang van 1 mei 2025.\n\n3.2.. In die beschikking heeft de kantonrechter Licht Twee tot opvolgend bewindvoerder benoemd. Daarnaast heeft de kantonrechter bepaald dat de beloning voor aanvangswerkzaamheden van Licht Twee door Z&H Bewind moet worden vergoed en dat Z&H Bewind geen beloning ontvangt voor het opmaken van de eindrekening en verantwoording.\n\n4. De procedure bij het hof\n\n4.1.. Z&H Bewind is het niet eens met de beslissing van de kantonrechter. Zij komt daarvan in hoger beroep. Z&H Bewind wil dat het hof voor recht verklaart dat het ontslag van Z&H Bewind als bewindvoerder onterecht is. Verder wil zij dat het hof bepaalt dat:\n\n- de beloning voor de aanvangswerkzaamheden van Licht Twee niet door de Z&H Bewind hoeft te worden vergoed, en\n\n- Z&H Bewind een beloning toekomt voor het opmaken van de eindrekening en verantwoording van € 300,08 inclusief btw.\n\nDe informatie die het hof heeft ontvangen\n\n4.2.. Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:\n\nhet beroepschrift, ingekomen op 15 juli 2025;\n\neen brief namens Z&H Bewind van 5 september 2025;\n\neen bericht namens Z&H Bewind van 30 april 2026.\n\n4.3.. De zitting bij het hof was op 11 mei 2026. Een vertegenwoordiger van Z&H Bewind en haar advocaat waren daarbij aanwezig.\n\n4.4.. Tijdens de zitting heeft Z&H Bewind productie 18 (‘rapport inzake overeengekomen werkzaamheden 2024’ van de accountant) ingediend. Gelet op de inhoud van de productie wordt dit stuk aan het dossier toegevoegd.\n\n5. Het oordeel van het hof\n\nWat in de wet staat\n\n5.1.. De kantonrechter kan een bewindvoerder ontslaan vanwege gewichtige redenen (artikel 1:448 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek).\n\nHet standpunt van Z&H Bewind\n\n5.2.. Z&H Bewind voert aan dat haar ontslag onterecht is. Het hoger beroep is door haar echter niet ingesteld om het ontslag terug te draaien, omdat zij het niet in het belang van de rechthebbende vindt als weer een wisseling van bewindvoerder plaatsvindt. Z&H Bewind wil echter wel dat het hof voor recht verklaart dat er geen gewichtige redenen zijn (geweest) voor haar ontslag als bewindvoerder. Zij betwist dat sprake was van disfunctioneren, zoals in de beschikking van de kantonrechter omschreven. Volgens Z&H Bewind heeft zij niet alles goed gedaan, maar is haar door de kantonrechter onvoldoende tijd gegeven om het functioneren van haar bedrijf te verbeteren. Z&H Bewind heeft op verzoek van de kantonrechter drie keer een plan van aanpak ingediend, met door te voeren verbeteringen. Deze plannen zijn vooraf besproken met de branchevereniging. Zij vond de plannen er goed uitzien. Volgens de kantonrechter waren de plannen niet voldoende, maar Z&H Bewind kreeg geen advies over de verbeteringen die zij moest doorvoeren. Verder voert Z&H Bewind aan dat de bewindvoering niet tot financiële schade bij cliënten heeft geleid. De rechthebbende had de wens om Z&H Bewind als bewindvoerder te houden. Dat gold ook voor andere rechthebbenden bij wie Z&H Bewind als bewindvoerder is ontslagen. Inmiddels heeft Z&H Bewind haar zaken op orde gekregen. Termijnen worden weer gehaald en de computersystemen zijn goed ingericht. Zij is nog steeds bewindvoerder voor twee rechthebbenden in Utrecht . Wel bestaat ook in die zaken het voornemen tot ambtshalve ontslag. De kantonrechter laat dat afhangen van de uitkomst van de onderhavige procedure. Volgens Z&H Bewind had de door de kantonrechter gemaakte belangenafweging anders moeten uitvallen en had zij de bewindvoering moeten kunnen voortzetten.\n\nHet oordeel van het hof\n\nDe gewichtige redenen voor ontslag\n\n5.3.. De kantonrechter heeft in januari 2023 geconstateerd dat in verschillende dossiers sprake was van achterstanden in het aanleveren van de jaarlijkse rekening en verantwoording en de vijfjaarlijkse evaluaties. In mei 2023 heeft hierover een gesprek met Z&H Bewind plaatsgevonden. Daarnaast heeft de kantonrechter een melding vanuit het Landelijk Kwaliteitsbureau (LKB) ontvangen. Z&H Bewind heeft op 26 januari 2024 het handhavingsverzoek over 2022 ingediend. Een professioneel bewindvoerder moet ieder jaar een handhavingsverzoek bij het LKB indienen, zodat kan worden gecontroleerd of wordt voldaan aan de kwaliteitseisen. Na de inhoudelijke beoordeling van het handhavingsverzoek is Z&H Bewind op 30 januari 2024, 28 februari 2024, 14 maart 2024 en 5 juli 2024 verzocht om aanvullende informatie aan te leveren. Z&H Bewind heeft hier niet op gereageerd, waardoor het handhavingsverzoek over 2022 door het LKB is afgewezen.\n\n5.4.. Verder heeft de kantonrechter klachten ontvangen van een gemeente over een dossier van een rechthebbende, waarin Z&H Bewind bewindvoerder was. Z&H Bewind heeft herhaaldelijk de gevraagde documenten niet aangeleverd, waardoor de aanvraag kwijtschelding gemeentebelastingen over verschillende jaren is afgewezen, schulden zijn opgelopen en de PW-uitkering van de betreffende rechthebbende is opgeschort. Z&H Bewind kreeg de opdracht voor 4 oktober 2024 een plan van aanpak met verbeteringen in het bewindvoerderskantoor in te dienen, zodat kon worden voorkomen dat achterstanden ontstaan en dat niet op verzoeken van de kantonrechter wordt gereageerd. Het plan van aanpak van Z&H Bewind was onvoldoende concreet. In het plan van aanpak werd niet omschreven welke maatregelen worden genomen om direct te voorkomen dat er opnieuw achterstanden ontstaan. Z&H Bewind heeft vervolgens de kans gekregen om een verbeterd plan van aanpak aan te leveren, maar Z&H Bewind heeft dit pas na de afgesproken termijn aangeleverd.\n\n5.5.. Z&H Bewind heeft bovendien meermalen niet tijdig de jaarlijkse rekening en verantwoording ingediend. Daarnaast heeft zij niet gereageerd op verzoeken van het LKB om aanvullende informatie, die het LKB nodig had om het ingediende handhavingsverzoek over 2022 te beoordelen. Deze manier van handelen zorgt ervoor dat de kantonrechter en het LKB worden belemmerd in het uitoefenen van hun toezichthoudende taak. Z&H Bewind voert aan dat de kantonrechter niet in voldoende mate duidelijk heeft gemaakt welke verbeteringen van haar werden verwacht. Het hof gaat hier niet in mee. Hoewel het niet de taak is van de kantonrechter om Z&H Bewind uit te leggen hoe zij haar taken als bewindvoerder moet uitvoeren, heeft de kantonrechter wel voldoende duidelijk gemaakt wat van Z&H Bewind werd verwacht. De kantonrechter heeft in de brief van 11 november 2024 beschreven dat concrete maatregelen worden verwacht om te voorkomen dat opnieuw achterstanden ontstaan. In het plan van aanpak ontbraken ook concrete maatregelen om ervoor te zorgen dat op vragen en verzoeken van de kantonrechter tijdig wordt gereageerd of op tijd uitstel wordt gevraagd. Z&H Bewind heeft nagelaten om deze maatregelen te nemen en het verbeterde plan van aanpak op tijd aan te leveren.\n\n5.6.. Uit het dossier en ook tijdens de zitting bij het hof is het hof gebleken dat Z&H Bewind niet inziet dat haar wijze van handelen zodanig is dat de kantonrechter niet in staat is om adequaat toezicht te houden en te controleren of zij haar taken als bewindvoerder naar behoren uitvoert. Dit maakt dat Z&H Bewind niet geschikt is als bewindvoerder. Gelet op het voorgaande is het hof, net als de kantonrechter, van oordeel dat er gewichtige redenen zijn om Z&H Bewind als bewindvoerder te ontslaan. Het hof zal de beschikking van de kantonrechter daarom op dit onderdeel bekrachtigen.\n\nDe vergoedingen voor de eindrekening en verantwoording en aanvangswerkzaamheden\n\n5.7.. De kantonrechter heeft bepaald dat Z&H Bewind geen beloning toekomt voor het opmaken van de eindrekening en verantwoording en dat zij de beloning voor aanvangswerkzaamheden van de opvolgend bewindvoerder aan de rechthebbende moet vergoeden. In de Aanbevelingen Meerderjarigenbewind, Curatele en Mentorschap is niet opgenomen dat deze kosten voor rekening van een ambtshalve ontslagen bewindvoerder (zouden kunnen) komen. In recente uitspraken in zaken waarin een bewindvoerder ambtshalve is ontslagen, is bepaald dat de ontslagen bewindvoerder geen kosten in rekening mag brengen voor het opmaken van de eindrekening en verantwoording.Het hof zal in diezelfde lijn beslissen en bepaalt dat Z&H Bewind geen beloning toekomt voor het opmaken van de eindrekening en verantwoording. Op dat punt zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.\n\n5.8.. In die zaken is ook bepaald dat de opvolgend bewindvoerder de vergoeding voor aanvangswerkzaamheden in rekening mag brengen. Die kosten komen dan voor rekening van de betreffende rechthebbende, niet voor de ontslagen bewindvoerder. Het hof volgt de lijn in die uitspraken en bepaalt dat de beloning voor de aanvangswerkzaamheden van Licht Twee niet door Z&H Bewind hoeft te worden vergoed. Op dit onderdeel zal het hof de beschikking van de kantonrechter vernietigen.\n\n6. De beslissing\n\nHet hof, beschikkende in hoger beroep:\n\nvernietigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 18 april 2025, voor zover het de beslissing betreft dat de beloning voor aanvangswerkzaamheden van Licht Twee door Z&H Bewind moet worden vergoed;\n\nbepaalt in plaats daarvan dat Licht Twee gerechtigd is om een éénmalige vergoeding voor aanvangswerkzaamheden in rekening te brengen conform artikel 3 lid 5 sub a van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren;\n\nbekrachtigt de beschikking voor het overige;\n\nwijst af wat verder is verzocht.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, J.H. Lieber en\n\nR. Prakke-Nieuwenhuizen, bijgestaan door mr. T.F. de Ruiter als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.\n\n ECLI:NL:GHARL:2025:1363, ECLI:NL:RBDHA:2025:5607 en ECLI:NL:GHDHA:2021:1545.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4028","2026-07-13T00:28:24.042Z",{"id":68,"ecli":69,"slug":70,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":56,"fullText":71,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":72,"sourceTimestamp":56,"parsedAt":50,"updatedAt":73},"318","ECLI:NL:GHARL:2026:4023","ecli-nl-gharl-2026-4023","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem, afdeling civiel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.355.787\n\n(zaaknummer rechtbank Gelderland 11502417)\n\nbeschikking van 18 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nZ&H Bewind B.V.(Z&H Bewind).\n\ndie is gevestigd in Harderwijk,\n\nadvocaat: mr. L.H.S. de Baar,\n\ndie bewindvoerder was van\n\n [de rechthebbende](de rechthebbende),\n\ndie woont in [woonplaats1] ,\n\nen de belanghebbende in hoger beroep,\n\n [de bewindvoerder]( [de bewindvoerder] ),\n\nin haar hoedanigheid als huidige bewindvoerder van de rechthebbende,\n\ndie woont in [woonplaats2] (Gemeente [gemeentenaam] ).\n\n1. Samenvatting\n\nDe kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, heeft op 18 april 2025 Z&H Bewind ambtshalve ontslagen en [de bewindvoerder] tot opvolgend bewindvoerder benoemd. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.\n\n2. De feiten\n\nOp 15 februari 2017 heeft de kantonrechter in de rechtbank Gelderland een bewind ingesteld over alle goederen die de rechthebbende (zullen) toebehoren, vanwege zijn geestelijke of lichamelijke toestand.\n\n3. De procedure bij de kantonrechter\n\n3.1.. De kantonrechter heeft op 18 april 2025 Z&H Bewind ambtshalve ontslagen als bewindvoerder, met ingang van 1 mei 2025.\n\n3.2.. In die beschikking heeft de kantonrechter [de bewindvoerder] tot opvolgend bewindvoerder benoemd. Daarnaast heeft de kantonrechter bepaald dat de beloning voor aanvangswerkzaamheden van [de bewindvoerder] door Z&H Bewind moet worden vergoed en dat Z&H Bewind geen beloning ontvangt voor het opmaken van de eindrekening en verantwoording.\n\n4. De procedure bij het hof\n\n4.1.. Z&H Bewind is het niet eens met de beslissing van de kantonrechter. Zij komt daarvan in hoger beroep. Z&H Bewind wil dat het hof voor recht verklaart dat het ontslag van Z&H Bewind als bewindvoerder onterecht is. Verder wil zij dat het hof bepaalt dat:\n\n- de beloning voor de aanvangswerkzaamheden van [de bewindvoerder] niet door de Z&H Bewind hoeft te worden vergoed, en\n\n- Z&H Bewind een beloning toekomt voor het opmaken van de eindrekening en verantwoording van € 300,08 inclusief btw.\n\nDe informatie die het hof heeft ontvangen\n\n4.2.. Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:\n\nhet beroepschrift, ingekomen op 15 juli 2025;\n\neen brief namens Z&H Bewind van 5 september 2025;\n\neen brief van [de bewindvoerder] van 10 oktober 2025;\n\neen bericht van ’s Heeren Loo namens de rechthebbende, van 15 december 2025;\n\neen bericht namens Z&H Bewind van 30 april 2026.\n\n4.3.. De zitting bij het hof was op 11 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\neen vertegenwoordiger van Z&H Bewind, met haar advocaat;\n\n [de bewindvoerder] .\n\n4.4.. Tijdens de zitting heeft Z&H Bewind productie 18 (‘rapport inzake overeengekomen werkzaamheden 2024’ van de accountant) ingediend. Gelet op de inhoud van de productie wordt dit stuk aan het dossier toegevoegd.\n\n5. Het oordeel van het hof\n\nWat in de wet staat\n\n5.1.. De kantonrechter kan een bewindvoerder ontslaan vanwege gewichtige redenen (artikel 1:448 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek).\n\nHet standpunt van Z&H Bewind\n\n5.2.. Z&H Bewind voert aan dat haar ontslag onterecht is. Het hoger beroep is door haar echter niet ingesteld om het ontslag terug te draaien, omdat zij het niet in het belang van de rechthebbende vindt als weer een wisseling van bewindvoerder plaatsvindt. Z&H Bewind wil echter wel dat het hof voor recht verklaart dat er geen gewichtige redenen zijn (geweest) voor haar ontslag als bewindvoerder. Zij betwist dat sprake was van disfunctioneren, zoals in de beschikking van de kantonrechter omschreven. Volgens Z&H Bewind heeft zij niet alles goed gedaan, maar is haar door de kantonrechter onvoldoende tijd gegeven om het functioneren van haar bedrijf te verbeteren. Z&H Bewind heeft op verzoek van de kantonrechter drie keer een plan van aanpak ingediend, met door te voeren verbeteringen. Deze plannen zijn vooraf besproken met de branchevereniging. Zij vond de plannen er goed uitzien. Volgens de kantonrechter waren de plannen niet voldoende, maar Z&H Bewind kreeg geen advies over de verbeteringen die zij moest doorvoeren. Verder voert Z&H Bewind aan dat de bewindvoering niet tot financiële schade bij cliënten heeft geleid. De rechthebbende had de wens om Z&H Bewind als bewindvoerder te houden. Dat gold ook voor andere rechthebbenden bij wie Z&H Bewind als bewindvoerder is ontslagen. Inmiddels heeft Z&H Bewind haar zaken op orde gekregen. Termijnen worden weer gehaald en de computersystemen zijn goed ingericht. Zij is nog steeds bewindvoerder voor twee rechthebbenden in Utrecht. Wel bestaat ook in die zaken het voornemen tot ambtshalve ontslag. De kantonrechter laat dat afhangen van de uitkomst van de onderhavige procedure. Volgens Z&H Bewind had de door de kantonrechter gemaakte belangenafweging anders moeten uitvallen en had zij de bewindvoering moeten kunnen voortzetten.\n\nHet standpunt van [de bewindvoerder]\n\n5.3.. \n [de bewindvoerder] voert aan dat de bewindvoering goed verloopt en dat zij sinds de overname van de bewindvoering geen bijzonderheden heeft gezien. Z&H Bewind had aangegeven dat de rechthebbende een uitvaartverzekering zou hebben, maar dat bleek niet het geval te zijn. Dit heeft [de bewindvoerder] inmiddels geregeld.\n\nHet oordeel van het hof\n\nDe gewichtige redenen voor ontslag\n\n5.4.. De kantonrechter heeft in januari 2023 geconstateerd dat in verschillende dossiers sprake was van achterstanden in het aanleveren van de jaarlijkse rekening en verantwoording en de vijfjaarlijkse evaluaties. In mei 2023 heeft hierover een gesprek met Z&H Bewind plaatsgevonden. Daarnaast heeft de kantonrechter een melding vanuit het Landelijk Kwaliteitsbureau (LKB) ontvangen. Z&H Bewind heeft op 26 januari 2024 het handhavingsverzoek over 2022 ingediend. Een professioneel bewindvoerder moet ieder jaar een handhavingsverzoek bij het LKB indienen, zodat kan worden gecontroleerd of wordt voldaan aan de kwaliteitseisen. Na de inhoudelijke beoordeling van het handhavingsverzoek is Z&H Bewind op 30 januari 2024, 28 februari 2024, 14 maart 2024 en 5 juli 2024 verzocht om aanvullende informatie aan te leveren. Z&H Bewind heeft hier niet op gereageerd, waardoor het handhavingsverzoek over 2022 door het LKB is afgewezen.\n\n5.5.. Verder heeft de kantonrechter klachten ontvangen van een gemeente over een dossier van een rechthebbende, waarin Z&H Bewind bewindvoerder was. Z&H Bewind heeft herhaaldelijk de gevraagde documenten niet aangeleverd, waardoor de aanvraag kwijtschelding gemeentebelastingen over verschillende jaren is afgewezen, schulden zijn opgelopen en de PW-uitkering van de betreffende rechthebbende is opgeschort. Z&H Bewind kreeg de opdracht voor 4 oktober 2024 een plan van aanpak met verbeteringen in het bewindvoerderskantoor in te dienen, zodat kon worden voorkomen dat achterstanden ontstaan en dat niet op verzoeken van de kantonrechter wordt gereageerd. Het plan van aanpak van Z&H Bewind was onvoldoende concreet. In het plan van aanpak werd niet omschreven welke maatregelen worden genomen om direct te voorkomen dat er opnieuw achterstanden ontstaan. Z&H Bewind heeft vervolgens de kans gekregen om een verbeterd plan van aanpak aan te leveren, maar Z&H Bewind heeft dit pas na de afgesproken termijn aangeleverd.\n\n5.6.. Z&H Bewind heeft bovendien meermalen niet tijdig de jaarlijkse rekening en verantwoording ingediend. Daarnaast heeft zij niet gereageerd op verzoeken van het LKB om aanvullende informatie, die het LKB nodig had om het ingediende handhavingsverzoek over 2022 te beoordelen. Deze manier van handelen zorgt ervoor dat de kantonrechter en het LKB worden belemmerd in het uitoefenen van hun toezichthoudende taak. Z&H Bewind voert aan dat de kantonrechter niet in voldoende mate duidelijk heeft gemaakt welke verbeteringen van haar werden verwacht. Het hof gaat hier niet in mee. Hoewel het niet de taak is van de kantonrechter om Z&H Bewind uit te leggen hoe zij haar taken als bewindvoerder moet uitvoeren, heeft de kantonrechter wel voldoende duidelijk gemaakt wat van Z&H Bewind werd verwacht. De kantonrechter heeft in de brief van 11 november 2024 beschreven dat concrete maatregelen worden verwacht om te voorkomen dat opnieuw achterstanden ontstaan. In het plan van aanpak ontbraken ook concrete maatregelen om ervoor te zorgen dat op vragen en verzoeken van de kantonrechter tijdig wordt gereageerd of op tijd uitstel wordt gevraagd. Z&H Bewind heeft nagelaten om deze maatregelen te nemen en het verbeterde plan van aanpak op tijd aan te leveren.\n\n5.7.. Uit het dossier en ook tijdens de zitting bij het hof is het hof gebleken dat Z&H Bewind niet inziet dat haar wijze van handelen zodanig is dat de kantonrechter niet in staat is om adequaat toezicht te houden en te controleren of zij haar taken als bewindvoerder naar behoren uitvoert. Dit maakt dat Z&H Bewind niet geschikt is als bewindvoerder. Gelet op het voorgaande is het hof, net als de kantonrechter, van oordeel dat er gewichtige redenen zijn om Z&H Bewind als bewindvoerder te ontslaan. Het hof zal de beschikking van de kantonrechter daarom op dit onderdeel bekrachtigen.\n\nDe vergoedingen voor de eindrekening en verantwoording en aanvangswerkzaamheden\n\n5.8.. De kantonrechter heeft bepaald dat Z&H Bewind geen beloning toekomt voor het opmaken van de eindrekening en verantwoording en dat zij de beloning voor aanvangswerkzaamheden van de opvolgend bewindvoerder aan de rechthebbende moet vergoeden. In de Aanbevelingen Meerderjarigenbewind, Curatele en Mentorschap is niet opgenomen dat deze kosten voor rekening van een ambtshalve ontslagen bewindvoerder (zouden kunnen) komen. In recente uitspraken in zaken waarin een bewindvoerder ambtshalve is ontslagen, is bepaald dat de ontslagen bewindvoerder geen kosten in rekening mag brengen voor het opmaken van de eindrekening en verantwoording.Het hof zal in diezelfde lijn beslissen en bepaalt dat Z&H Bewind geen beloning toekomt voor het opmaken van de eindrekening en verantwoording. Op dat punt zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.\n\n5.9.. In die zaken is ook bepaald dat de opvolgend bewindvoerder de vergoeding voor aanvangswerkzaamheden in rekening mag brengen. Die kosten komen dan voor rekening van de betreffende rechthebbende, niet voor de ontslagen bewindvoerder. Het hof volgt de lijn in die uitspraken en bepaalt dat de beloning voor de aanvangswerkzaamheden van [de bewindvoerder] niet door Z&H Bewind hoeft te worden vergoed. Op dit onderdeel zal het hof de beschikking van de kantonrechter vernietigen.\n\n6. De beslissing\n\nHet hof, beschikkende in hoger beroep:\n\nvernietigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 18 april 2025, voor zover het de beslissing betreft dat de beloning voor aanvangswerkzaamheden van [de bewindvoerder] door Z&H Bewind moet worden vergoed;\n\nbepaalt in plaats daarvan dat [de bewindvoerder] gerechtigd is om een éénmalige vergoeding voor aanvangswerkzaamheden in rekening te brengen conform artikel 3 lid 5 sub a van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren;\n\nbekrachtigt de beschikking voor het overige;\n\nwijst af wat verder is verzocht.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, J.H. Lieber en\n\nR. Prakke-Nieuwenhuizen, bijgestaan door mr. T.F. de Ruiter als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.\n\n ECLI:NL:GHARL:2025:1363, ECLI:NL:RBDHA:2025:5607 en ECLI:NL:GHDHA:2021:1545.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4023","2026-07-13T00:28:24.193Z",{"id":75,"ecli":76,"slug":77,"caseNumber":43,"courtId":78,"decisionDate":79,"fullText":80,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":81,"sourceTimestamp":82,"parsedAt":50,"updatedAt":83},"982","ECLI:NL:RBZWB:2026:5919","ecli-nl-rbzwb-2026-5919",76,"2026-06-15T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nToezicht\n\nLocatie Tilburg\n\ntoezichtnummer\n\n:\n\nNL:TZ:0000298976:B001\n\nCBM-nummer\n\n:\n\nBM15347\n\nbeschikkingsnummer\n\n:\n\n003\n\ndatum\n\n:\n\n15 juni 2026Beschikking van de kantonrechter\n\n op verzoek van:\n\nBest Bewindvoering B.V., correspondentieadres: Postbus 321, 5000 AH Tilburg, Kamer van Koophandel-nummer 58447733,\n\nhierna te noemen: verzoeker,\n\n met betrekking tot:\n [betrokkene], geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1991, volgens BasisRegistratie Personen ingeschreven op het [adres], maar zonder bij de kantonrechter een bekende woon- of verblijfplaats, hierna te noemen: betrokkene.\n\nProcedure\n\nDe kantonrechter heeft kennisgenomen van: - het verzoek (met bijlage), ontvangen op 20 mei 2026,\n\n- de nadere informatie, ontvangen op 8 juni 2026.\n\nDe kantonrechter heeft op grond van de ontvangen informatie afgezien van een mondelinge behandeling.\n\nBeoordeling\n\nVerzoeker vraagt om een beloning toe te kennen voor de ontruiming van de woning van betrokkene.\n\nDe door verzoeker verrichte werkzaamheden voldoen aan de in de aanbevelingen meerderjarigenbewind genoemde voorwaarden. Het verzoek zal worden toegewezen.\n\nBeslissing\n\nDe kantonrechter wijst het verzoek toe en stelt de aanvullende vergoeding voor het ontruimen van de woning van betrokkene vast conform de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren, voor 2026 groot € 478,00.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Speekenbrink, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2026.\n\nTegen deze beschikking kan -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch: a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking (digitaal) is verstrekt of verzonden binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat deze beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5919","2026-07-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:57.399Z",{"id":85,"ecli":86,"slug":87,"caseNumber":43,"courtId":78,"decisionDate":79,"fullText":88,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":89,"sourceTimestamp":90,"parsedAt":50,"updatedAt":91},"983","ECLI:NL:RBZWB:2026:6066","ecli-nl-rbzwb-2026-6066","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nToezicht\n\nLocatie Tilburg\n\ntoezichtnummer\n\n:\n\nNL:TZ:0000045431:B001\n\nCBM-nummer\n\n:\n\nBM11365\n\nbeschikkingsnummer\n\n:\n\n002\n\ndatum\n\n:\n\n15 juni 2026Beschikking van de kantonrechter\n\n op verzoek van:\n\n [bewindvoerder],\n\nhandelend onder de naam [bewindvoerderskantoor], [adres], Kamer van Koophandel-nummer [kvk-nummer],\n\nhierna te noemen: bewindvoerder,\n\n met betrekking tot:\n [betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984, wonende op een bij de kantonrechter bekend geheim adres,\n\nhierna te noemen: betrokkene.\n\nProcedure\n\nDe kantonrechter heeft kennisgenomen van: - het verzoek (met bijlagen), ontvangen op 13 oktober 2025,\n\n- de nadere informatie, ontvangen op 29 oktober 2025.\n\nDe kantonrechter heeft op grond van de ontvangen informatie afgezien van een mondelinge behandeling.\n\nVerzoek en beoordeling\n\nDe bewindvoerder vraagt handhaving van de beloning voor haarwerkzaamheden volgens artikel 3 lid 2 sub b voor de periode 1 november 2025 tot en met 31 oktober 2026.\n\nHet gaat in deze zaak om een betrokkene die met ingang van 1 november 2025 schuldenvrij is omdat er eenmalig een uitdeling aan de schuldeisers is gedaan op basis van het vermogen van betrokkene. Er loopt geen saneringstraject, maar de schuldeisers nemen feitelijk genoegen met het gegeven dat hun schuld niet kan worden afbetaald en gaan akkoord met een eenmalige uitdeling. Betrokkene is daarmee na acceptatie van de eenmalige uitdeling per direct schuldenvrij geworden.\n\nHet is de kantonrechter ambtshalve bekend dat deze halvering van de looptijd een belangrijke inkomstenderving betekent voor bewindvoerders van personen met problematische schulden. In de praktijk concentreren de werkzaamheden bij bewinden met problematische schulden zich met name in de eerste maanden na aanvang van het bewind. In die eerste periode stond de hoogte van de beloning niet in verhouding tot de werkzaamheden, maar doordat het bewind in de regel daarna nog (tenminste) drie jaar duurde, was de beloning over de gehele periode van drie jaar wel in balans. Doordat die periode door de wetswijziging met de helft is verkort, is deze balans onder druk komen te staan. Dit effect wordt versterkt door de werkwijze bij een nul-aanbod en een eenmalige uitdeling. Na acceptatie van de eenmalige uitdeling is er geen sprake meer van problematische schulden en evenmin van een lopend schuldentraject met een uitzicht op een schuldenvrije situatie na afloop van dit traject. Strikt genomen betekent dit dat na acceptatie van de eenmalige uitdeling er geen recht meer bestaat op de hogere beloning voor werkzaamheden in verband met de problematische schulden.\n\nDe kantonrechter stelt vast dat de bewindvoerder in deze situatie van een eenmalige uitdeling in de aanloop tot het moment dat betrokkene schuldenvrij is dezelfde werkzaamheden verricht als eerder voor invoering van de verkorting van de termijn van drie naar anderhalf jaar. Dat komt er doorgaans op neer dat de eerste maanden inkomsten, uitgaven en schulden worden geïnventariseerd en de casus wordt voorgelegd aan de afdeling binnen de gemeente belast met schuldhulpverlening. Hiervan uitgaande komt dit er op neer dat de bewindvoerder in de regel bij een nul-aanbod niet 36, noch 18 maar slechts (circa) zes maanden de hogere beloning in rekening kan brengen. Met de opkomst van de verkorting van de schuldenregeling en het nul-aanbod is geen rekening gehouden in de Regeling beloning en in de Aanbevelingen meerderjarigenbewind.\n\nGelet hierop is de kantonrechter van oordeel dat het uitgangspunt dat de hogere beloning bij problematische schulden eindigt op het moment dat betrokkene schuldenvrij is, omdat de eenmalige uitdeling is geaccepteerd onvoldoende recht doet aan de systematiek van de Regeling beloning en de wijze waarop deze in de afgelopen jaren door kantonrechters is toegepast.\n\nDe kantonrechter is van oordeel dat, nu betrokkene schuldenvrij is, het verzoek van de bewindvoerder afwezen dient te worden en zal -ambtshalve- de beloning vanaf 1 november 2025 vaststellen volgens artikel 3 lid 2 sub a van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren.\n\nAangezien in het meeste werk zich in het voortraject van een schuldregeling bevindt zal de kantonrechter aan de bewindvoerder -ambtshalve- een maximale en eenmalige extra beloning van 7,5 uur (op basis van de extra beloning van 5 uur per jaar) toekennen.\n\nBeslissing\n\nDe kantonrechter:\n\nwijst het verzoek van de bewindvoerder af;\n\nstelt -ambtshalve- de maandelijkse beloning van de bewindvoerder met ingang van 1 november 2025 vast volgens artikel 3 lid 2 sub a van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren;\n\nkent -ambtshalve- aan de bewindvoerder een eenmalige extra beloning toe van 7,5 uur á € 82,50 (exclusief BTW) per uur, derhalve totaal € 618,75 (exclusief BTW).\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Dijkman, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2026.\n\nTegen deze beschikking kan -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch: a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking (digitaal) is verstrekt of verzonden binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat deze beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:6066","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:57.433Z",20,[11]]