[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-civil-law-nl-2026":3},{"detail":4,"years":134},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":33,"page":14,"limit":133},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},130,"civil-law-nl","Civil Law","NL","2026-07-08T16:57:41.332Z",2026,[13,16,18,20,22,24,27,29,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":14},3,{"month":21,"count":14},4,{"month":23,"count":15},5,{"month":25,"count":26},6,8,{"month":28,"count":15},7,{"month":26,"count":15},{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":15},12,[39,52,62,69,78,85,95,105,114,123],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":50,"updatedAt":51},"1874","ECLI:NL:GHAMS:2026:1741","ecli-nl-ghams-2026-1741","",56,"2026-06-30T00:00:00.000Z","beslissing\n\n___________________________________________________________________ _ _\n\nGERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nafdeling civiel recht en belastingrecht\n\nzaaknummer : 200.362.849\u002F01 NOT\n\nnummer eerste aanleg : C\u002F05\u002F454099 KL RK 25-106\n\nbeslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 30 juni 2026\n\ninzake\n\n [appellant],\n\nwonend te [plaats 1] ,\n\nappellant,\n\ntegen\n\n [geïntimeerde],\n\nnotaris te [plaats 2] ,\n\ngeïntimeerde.\n\nPartijen worden hierna klager en de notaris genoemd.\n\n1. De zaak in het kort\n\nKlager is de zoon van erflater en een van diens erfgenamen. Klager is in 2018 failliet verklaard en dit faillissement duurt tot op heden voort. Erflater is in april 2024 overleden. Tot de nalatenschap van erflater behoorde het woonhuis van erflater dat in augustus 2024 is verkocht aan derden. Klager werd daarbij vertegenwoordigd door zijn curator. Klager verwijt de notaris dat hij hem niet heeft geïnformeerd over de verkoopopbrengst en de verdere details van de verkoop van de [bedrijf] verwijt klager de notaris dat hij ten onrechte is doorverwezen naar de executeur en de curator. De kamer heeft de klacht ongegrond verklaard. Het hof bevestigt deze beslissing.\n\n2. Het geding in hoger beroep\n\n2.1.. Klager heeft op 20 december 2025 een beroepschrift – met een bijlage – bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de kamer) van 20 november 2025 tussen partijen gegeven onder bovengenoemd nummer (ECLI:NL:TNORARL:2025:45).\n\n2.2.. De notaris heeft geen verweerschrift bij het hof ingediend, ondanks dat het hof de notaris daartoe in de gelegenheid heeft gesteld.\n\n2.3.. Het hof heeft van de kamer de stukken van de eerste aanleg ontvangen.\n\n2.4.. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 15 april 2026. Klager is per videoverbinding verschenen. De notaris is eveneens verschenen. Beiden hebben het woord gevoerd; klager aan de hand van de op voorhand aan het hof en de notaris toegestuurde pleitnota.\n\n3. Feiten\n\nHet hof gaat uit van de volgende feiten, die tussen partijen niet in geschil zijn.\n\n3.1.. Op 20 maart 2018 is klager bij vonnis van de rechtbank failliet verklaard. In het faillissement van klager is een curator benoemd. Deze situatie was ongewijzigd ten tijde van de afwikkeling van de nalatenschap.\n\n3.2.. Op 27 april 2024 is de vader van klager (hierna: erflater) overleden. Klager is de zoon en een van de erfgenamen van erflater.\n\n3.3.. Door de notaris is een verklaring van erfrecht opgesteld in het kader van de afwikkeling van de nalatenschap van erflater.\n\n3.4.. De broer van klager is door erflater benoemd tot executeur in zijn nalatenschap (hierna: de executeur).\n\n3.5.. De nalatenschap van erflater omvatte onder meer de woning van erflater in [plaats 2] (hierna: de woning).\n\n3.6.. Op 25 augustus 2024 is binnen het protocol van [naam] , notaris te [plaats 2] , de leveringsakte gepasseerd waarbij de woning is overgedragen door de erfgenamen aan derden. Klager werd daarbij vertegenwoordigd door de curator.\n\n3.7.. \n\nEen medewerker van de notaris heeft op 30 september 2024 aan klager bericht:\n\n“(..) Voor alle informatie inzake de afwikkeling van de nalatenschap van uw vader dient u zich te wenden tot de executeur, uw broer de heer[hof: naam broer] (..)”\n\n3.8.. Het saldo van de verkoop van de woning is na de levering overgemaakt naar de kwaliteitsrekening van het kantoor van de notaris.\n\n4. De klacht\n\n4.1.. Klager verwijt de notaris in strijd met zijn wettelijke informatie- en zorgplicht te hebben gehandeld. Zijn klacht, door klager nader uitgewerkt in zijn beroepschrift, valt uiteen in de volgende klachtonderdelen:\n\n1. de notaris heeft klager niet geïnformeerd over de ontvangst van de verkoopopbrengst van de woning op zijn derdengeldenrekening;\n\n2. de notaris heeft geweigerd aan klager informatie te verstrekken over (de details van) de verkoop van de woning. Klager heeft van de notaris geen enkele inzage gekregen in de financiële en juridische afwikkeling van de verkoop, ondanks herhaaldelijke verzoeken om informatie;\n\n3. de notaris heeft klager ten onrechte doorverwezen naar de executeur en de curator, in strijd met zijn verplichting om alle betrokkenen (dus ook klager zelf) tijdig en volledig te informeren.\n\nNieuwe klacht\n\n4.2.. In hoger beroep heeft klager verder aan de orde gesteld dat de notaris in strijd heeft gehandeld met de op hem rustende zorgplicht zoals neergelegd in, onder meer, artikel 21 Wet op het notarisambt (hierna: Wna). De notaris is ten onrechte blind afgegaan op de executeur en hij heeft onvoldoende oog gehad voor de belangen van klager.\n\n5. Beoordeling\n\n5.1.. De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van klager tegen de notaris ongegrond verklaard.\n\nKlachtonderdelen 1 tot en met 3: informatievoorziening richting klager.\n\n5.2.. Gelet op de onderlinge samenhang ziet het hof, evenals de kamer, aanleiding om de klachtonderdelen 1 tot en met 3 gezamenlijk te behandelen.\n\n5.3.. Klager voert aan dat hij een persoonlijk belang had bij een zorgvuldige afwikkeling van de nalatenschap ook al viel zijn erfdeel in de faillissementsboedel. De strekking van het faillissementsrecht is niet om betrokkene(n) rechteloos te maken maar om het vermogen ten behoeve van schuldeisers te beheren. Bij de afwikkeling van de nalatenschap speelden ook kwesties van niet-vermogensrechtelijke aard. De notaris had erop moeten toezien dat klager behoorlijk geïnformeerd werd, aldus klager.\n\n5.4.. De notaris stelt dat klager geen partij was bij de afwikkeling van de nalatenschap in verband met zijn faillissement. De curator in het faillissement had de notaris nadrukkelijk meegedeeld dat de communicatie met klager via hem diende te verlopen. De afwikkeling van de nalatenschap was bovendien in handen van een executeur.\n\n5.5.. Met de kamer is het hof van oordeel dat deze klachtonderdelen ongegrond zijn. De beslissing van de kamer zal dan ook worden bevestigd. Het hof licht hierna toe hoe hij tot dit oordeel is gekomen.\n\n5.6.. \n\nUit het dossier blijkt dat de notaris slechts een beperkte rol heeft gehad. Hij heeft een verklaring van erfrecht afgegeven en voor het overige was de afwikkeling van de nalatenschap in handen van de executeur. Het is aan de executeur om de erfgenamen te informeren. De notaris heeft klager terecht naar hem verwezen (vgl. 3.7).\n\nIndien en voor zover de notaris een informatieplicht zou hebben tegenover klager dan volgt uit de Faillissementswet dat de communicatie in beginsel via de curator dient te verlopen; de curator had daar in dit geval ook expliciet om verzocht. Het kan de notaris niet worden verweten dat hij zich aan dat verzoek heeft gehouden.\n\nDe notaris heeft verklaard dat hem is medegedeeld dat de executeur contact heeft gehad met de curator met de informatie bedoeld voor klager. Dat klager, aldus zijn verklaring, geen contact meer had met de executeur of onvoldoende door de curator geïnformeerd zou zijn, kan de notaris niet worden aangerekend.\n\nHet hof overweegt ten slotte dat voor zover de informatieverzoeken van klager betrekking hadden op de verkoop en levering van de woning de klacht ongegrond is bij gebreke aan feitelijke grondslag. Uit de overgelegde stukken blijkt dat (het kantoor van) de notaris niet betrokken was bij de verkoop en de levering van de woning.\n\nNieuwe klacht\n\n5.7.. In hoger beroep heeft klager zijn klacht uitgebreid met het onder 4.2 genoemde klachtonderdeel. De kamer heeft dit verwijt niet als klachtonderdeel beoordeeld. Het hof dient op grond van het bepaalde in artikel 107 lid 4 Wna een zaak opnieuw in volle omvang te behandelen. Het gaat daarbij echter slechts om de klacht zoals die oorspronkelijk bij de kamer is ingediend. Tot die oorspronkelijke klacht behoort niet dit klachtonderdeel dat pas voor het eerst in hoger beroep is geformuleerd. Voor de behandeling van dit nieuwe klachtonderdeel is in deze procedure geen plaats. Klager zal daarom in de uitbreiding van de oorspronkelijke klacht niet-ontvankelijk worden verklaard.\n\n6. Beslissing\n\nHet hof:\n\n- verklaart het onder 4.2 geformuleerde klachtonderdeel niet-ontvankelijk;\n\n- bevestigt de bestreden beslissing.\n\nDeze beslissing is gegeven door mrs. J.W.M. Tromp, H.T. van der Meer en A.M.J.M. Ploumen en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026 door de rolraadsheer.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1741","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:43.159Z",{"id":53,"ecli":54,"slug":55,"caseNumber":43,"courtId":56,"decisionDate":57,"fullText":58,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":60,"parsedAt":50,"updatedAt":61},"1479","ECLI:NL:RBNHO:2026:7457","ecli-nl-rbnho-2026-7457",67,"2026-06-24T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nHandel, Kanton en Insolventie\n\nlocatie Haarlem\n\nZaaknr.\u002Frolnr.: 12055610 \\ CV EXPL 26-209\n\nUitspraakdatum: 24 juni 2026\n\nVonnis van de kantonrechter in de zaak van:\n\nde stichting\n\nStichting voor Educatie en Beroepsonderwijs (ook genoemd ROC Nova College)\n\ngevestigd te Haarlem\n\neiseres\n\nverder te noemen: Nova College\n\ngemachtigde: [gemachtigde] B.V.\n\ntegen\n\n1. [gedaagde 1], wonende te [plaats 1], 2. [gedaagde 2], wonende te [plaats 2],\n\ngedaagden, hierna gezamenlijk te noemen: [gedaagden]\n\ngedaagde sub 1 procederend in persoon, mede namens gedaagde sub 2.\n\n1. Het procesverloop\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding; - het mondelinge antwoord; - de conclusie van repliek; - de conclusie van dupliek.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. \n [gedaagden] zijn vennoten in de vennootschap onder firma “[bedrijf]” (hierna: de vof).2.2.. Gedaagde sub 1 heeft zich via de website van het Nova College aangemeld voor de VAVO voor het studiejaar 2024-2025 (hierna: de opleiding).2.3.. Op 15 oktober 2024 heeft gedaagde sub 1 verzocht om de factuur met betrekking tot de studiekosten op naam van de vof te laten stellen. In dat verband heeft hij namens de vof een ‘machtiging voor de betaling van cursusgeld door werkgever of instantie’ ondertekend.2.4.. De vof heeft de factuur onbetaald gelaten.2.5.. De vof is per 21 mei 2025 uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel.3. Het geschil\n\n3.1.. Nova College vordert dat de kantonrechter [gedaagden] veroordeelt tot betaling van € 833,92, vermeerderd met de (verdere) rente en de proceskosten.3.2.. Nova College legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat de vof tekort is geschoten in haar betalingsverplichting.3.3.. Gedaagde sub 1 erkent de hoofdsom, maar betwist dat zijn broer (gedaagde sub 2) de vordering moet betalen. Ook betwist hij de verschuldigdheid van de bijkomende kosten.3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.4. De beoordeling\n\nDe ambtshalve toetsing van het consumentenrecht\n\n4.1.. De kantonrechter stelt voorop dat de onderwijsovereenkomst tussen Nova College en gedaagde sub 1 in beginsel onder het toepassingsbereik van de Richtlijn 93\u002F13\u002FEEG (betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten) en Richtlijn 2011\u002F83\u002FEU (betreffende consumentenrechten) valt. Met de beslissing tot inschrijving ontstaat tussen instelling en student een overeenkomst waarbij voor beide partijen rechten en plichten ontstaan, zoals die in onder andere de onderwijs- en examenregeling (OER) van de opleiding en het studentenstatuut zijn vermeld. Dit betekent dat de bepalingen van het overeenkomstenrecht van toepassing zijn. Dat de overeenkomst op grond van de Les- en cursusgeldwet verplicht tot inschrijving maakt dit niet anders. Nova College is een handelaar in de zin van artikel 6:230g sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW). Voornoemde richtlijnen zijn van toepassing op alle handelaren, ongeacht of zij publiek of privaat zijn.\n\n4.2.. Op de onderhavige overeenkomst zijn dus consumentenbeschermende bepalingen van toepassing. De kantonrechter moet ambtshalve beoordelen of die zijn nageleefd. Zo niet, dan moet de kantonrechter daar, ook ambtshalve, consequenties aan verbinden.\n\nAmbtshalve toetsing van informatieplichten\n\n4.3.. De kantonrechter moet allereerst ambtshalve beoordelen of Nova College de nodige informatie aan [gedaagde 1] heeft verstrekt. In dit geval, waarin de overeenkomst online is gesloten, zijn de informatieplichten van de artikelen 6:230m en 6:230v BW van toepassing.\n\n4.4.. Uit de aard van de overeenkomst vloeit voort dat Nova College heeft voldaan aan de op haar rustende informatieplichten.\n\nAmbtshalve toetsing van algemene voorwaarden:Algemene verkoopvoorwaarden Nova\n\n4.5.. De kantonrechter moet ook ambtshalve beoordelen of in de overeenkomst en de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden bedingen zijn opgenomen, die onredelijk bezwarend zijn voor consumenten als bedoeld in artikel 6:233 onder a BW. In artikel 3.2 van de algemene voorwaarden staat een rente- en incassobeding opgenomen:\n\n“3.2. Indien een Opdrachtgever in verzuim is, is deze de wettelijke rente (ex art. 6:119 BW) over het openstaande bedrag verschuldigd. Daarnaast is Nova bij verzuim van de Opdrachtgever gerechtigd buitengerechtelijke incassokosten in rekening te brengen volgens het “Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten”.\n\n4.6.. Uit de formulering van dit beding volgt dat dit beding suggereert dat vanaf het moment van verzuim direct incassokosten verschuldigd zijn, terwijl dat pas het geval is nadat er een veertiendagenbrief is verstuurd als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW. Hiervan mag niet worden afgeweken. De conclusie is dat sprake is van een oneerlijk beding en daarom wordt dit beding vernietigd.\n\nDe verdere beoordeling\n\n4.7.. Tussen partijen is niet in geschil dat gedaagde sub 1 op 11 november 2024 namens de vof een derdenmachtiging heeft ondertekend. Daarmee heeft hij rechtsgeldig verklaard dat de vof het cursusgeld voor de opleiding van gedaagde sub 1 zal betalen. Bij een vof zijn alle vennoten hoofdelijk aansprakelijk voor alle bedrijfsschulden. Dat blijft ook zo na opheffing van de vof.\n\n4.8.. Uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel blijkt dat zowel gedaagde sub 1 als gedaagde sub 2 volledig bevoegde vennoten van de vof zijn. De kantonrechter gaat daarom voorbij aan de stelling van [gedaagden] dat gedaagde sub 2 slechts als ‘stille vennoot’ aan de onderneming zou zijn verbonden. Dat betekent dat niet alleen gedaagde sub 1, maar ook zijn broer (gedaagde sub 2) kan worden aangesproken voor de volledige schuld van de vof aan Nova College. De conclusie is dan ook dat de vordering tot betaling van de hoofdsom (en de wettelijke rente daarover) toewijsbaar is.\n\n4.9.. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden (gelet op hetgeen hiervoor is overwogen) afgewezen.4.10.. De veroordelingen uit dit vonnis worden hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.5. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n5.1.. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling aan Nova College van € 711,95, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 672,00 vanaf 17 december 2025 tot aan de dag van de gehele betaling;5.2.. \n\nveroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van Nova College tot en met vandaag vaststelt op:\n\ndagvaarding € 146,14\n\ngriffierecht € 350,00\n\nsalaris gemachtigde € 288,00 ;\n\n5.3.. \n\nverklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.W. Koenis en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.\n\nDe griffier De kantonrechter\n\n Zie artikel 2 sub c van Richtlijn 93\u002F13\u002FEEG overweging 16 van Richtlijn 2011\u002F83\u002FEU\n\n Artikel 17 Wetboek van Koophandel.\n\n Artikel 18 Wetboek van Koophandel.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7457","2026-06-23T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:23.013Z",{"id":63,"ecli":64,"slug":65,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":57,"fullText":66,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":67,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":50,"updatedAt":68},"1807","ECLI:NL:RBAMS:2026:6584","ecli-nl-rbams-2026-6584","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F783260 \u002F HA ZA 26-120\n\nVonnis in incident van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\neisende partij in de hoofdzaak,\n\nverwerende partij in het incident,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\nadvocaat: mr. E. de Jong,\n\ntegen\n\nKONINKLIJKE NEDERLANDSE DAMBOND,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\ngedaagde partij in de hoofdzaak,\n\neisende partij in het incident,\n\nhierna te noemen: KND,\n\nadvocaat: mr. M.L. Dingemans.\n\n1. De procedure1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 28 januari 2026, met producties;\n\n- de incidentele conclusie van eis tot verwijzing naar team kanton;\n\n- de conclusie van antwoord in incident bevoegdheid.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis in incident bepaald.\n\n2. De vordering in de hoofdzaak\n\n2.1.. \n\n [eiser] vordert bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. het bestuursbesluit van 14 augustus 2025 (hierna: het besluit) te vernietigen en rechtdoende [eiser] te ontheffen van de aan [eiser] opgelegde schorsing tot 1 januari 2026, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag, met een maximum van € 25.000,-;\n\nII. KND te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 6.125,92;\n\nIII. KND te veroordelen om binnen twee weken na de betekening van het vonnis een bericht te plaatsen op haar website met een tekst zoals opgenomen in sub 30 van de dagvaarding, alsook dit bericht een maand lang zichtbaar te laten zijn op de website van KND;\n\nIV. KND te veroordelen in de proceskosten.\n\n2.2.. \n [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat het besluit in strijd is met het eigen reglement van KND en in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Het besluit moet dan ook vernietigd worden op grond van artikel 2:15 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Door het besluit heeft [eiser] tevens schade geleden in de vorm van gemiste wedstrijden en dus inkomsten.\n\n2.3.. KND heeft in de hoofdzaak nog niet van antwoord gediend.\n\n3. Het geschil in incident\n\n3.1.. KND vordert dat de rechtbank Amsterdam, afdeling privaatrecht, team handelszaken de zaak verwijst naar team kanton met veroordeling van [eiser] in de kosten van het incident, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.\n\n3.2.. KND legt hieraan ten grondslag dat de kantonrechter in deze zaak bevoegd is, omdat de vordering in de hoofdzaak lager is dan € 25.000,-. Krachtens artikel 93 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) valt de vordering daarmee binnen het takenpakket van de kantonrechter.\n\n3.3.. \n [eiser] voert verweer. Op de stellingen van partijen zal hieronder worden ingegaan.\n\n4. De beoordeling in het incident\n\n4.1.. In de hoofdzaak gaat het – kort gezegd – om het volgende. [eiser] is een Nederlandse topsporter binnen de denksport dammen. Bij besluit van 14 augustus 2025 heeft KND [eiser] geschorst voor de duur van één jaar.\n\n4.2.. \n [eiser] is het niet eens met het besluit en heeft op 14 augustus 2025 bezwaar aangetekend. Op 15 augustus 2025 heeft KND daarop afwijzend gereageerd.\n\n4.3.. Vervolgens is de zaak voorgelegd aan de Tuchtcommissie. Op 9 september 2025 heeft de Tuchtcommissie de schorsing van [eiser] bekrachtigd. Tot slot is de zaak voorgelegd aan de commissie van beroep, die het beroep heeft afgewezen.\n\n4.4.. In de hoofdzaak vordert [eiser] vernietiging van het besluit genomen door KND. De rechtbank overweegt, in lijn met het standpunt van [eiser] , dat daarmee sprake is van een vordering zoals bedoeld in artikel 2:15 lid 3 BW. Op grond daarvan geschiedt vernietiging van het besluit door een uitspraak van de rechtbank van de woonplaats van de rechtspersoon. Dit betekent dat de rechtbank Amsterdam, team handelszaken, bevoegd is om van de vordering kennis te nemen. Artikel 93 Rv staat hier niet aan in de weg. Gelet daarop zal de vordering in incident worden afgewezen.\n\n4.5.. KND zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten (inclusief de nakosten) van dit incident. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op € 653,- aan salaris gemachtigde plus de nakosten van € 189,- (totaal: € 842,-)\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin het incident\n\n5.1.. wijst de vordering van KND af,\n\n5.2.. veroordeelt KND in de kosten van het incident, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 842,- te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als KND niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,\n\nin de hoofdzaak\n\n5.4.. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 5 augustus 2026 voor conclusie van antwoord.\n\n5.5.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M. Wouters, rechter, bijgestaan door mr. S.C.C. Valk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6584","2026-07-13T00:29:39.885Z",{"id":70,"ecli":71,"slug":72,"caseNumber":43,"courtId":73,"decisionDate":74,"fullText":75,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":76,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":50,"updatedAt":77},"1870","ECLI:NL:RBOVE:2026:3665","ecli-nl-rbove-2026-3665",57,"2026-06-19T00:00:00.000Z","RECHTBANK Overijssel\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F08\u002F341106 \u002F HA RK 25-85\n\nBeschikking van 19 juni 2026 met het verzoek tot ontbinding van verenigingen\n\ningediend door:\n\nde stichting STICHTING OPENBAAR ONDERWIJS ZWOLLE EN REGIO,\n\ngevestigd in Zwolle,\n\nhierna te noemen: OOZ,\n\nadvocaat: mr. H. van Essen,\n\naangaande de verenigingen:\n\n1. de vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid OUDERRAAD O.B.S. DE TWEEMASTER,\n\ngevestigd in Nieuwleusen,\n\nhierna te noemen: Ouderraad de Tweemaster,\n\n2. de vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid OUDERRAAD ONDERWIJSCENTRUM DE TWIJN,\n\ngevestigd in Zwolle,\n\nhierna te noemen: Ouderraad de Twijn.\n\n1. De procedure\n\n1.1. De griffie van de rechtbank heeft het verzoek op 18 november 2025 ontvangen.\n\n1.2. Op 15 april 2026 heeft de griffie van rechtbank aanvullende informatie van verzoeker ontvangen, waaronder verklaringen van het bestuur van beide verenigingen.\n\n1.3. Van een mondelinge behandeling is afgezien, omdat de rechtbank zich voldoende geïnformeerd acht en omdat de besturen van beide verenigingen hebben verklaard in te stemmen met het verzoek. Uit de overlegde verklaring van Ouderraad de Tweemaster blijkt dat het gehele bestuur instemt met het verzoek. Uit de overlegde verklaring van Ouderraad de Twijn blijkt dat één van de drie gezamenlijk bevoegde bestuurders instemt met het verzoek. De advocaat heeft aangevoerd dat de overige twee bestuurders van Ouderraad de Twijn onbereikbaar zijn. De rechtbank acht hierom de verklaring van één van de bestuurders van Ouderraad de Twijn voldoende.\n\n1.4. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De beoordeling\n\nOntvankelijkheid: OOZ is belanghebbende\n\n2.1. Voordat de rechtbank het verzoek inhoudelijk kan beoordelen, moet de rechtbank eerst beoordelen of OOZ ontvankelijk is in haar verzoek. Het verzoek tot ontbinding van de verenigingen is ingediend op grond van artikel 2:19 lid 1 sub d Burgerlijk Wetboek (BW). Op grond van artikel 2:19 lid 2 BW kan een dergelijk verzoek door een belanghebbende worden ingediend. De rechtbank is van oordeel dat uit het verzoekschrift blijkt dat OOZ belanghebbende is. OOZ houdt onder meer de scholen Openbare Basisschool De Tweemaster en Voortgezet Speciaal Onderwijs de Twijn in stand en is daarvan het bevoegd gezag. OOZ heeft aangegeven dat de verenigingen zijn opgericht met als doel de private gelden (zoals ouderbijdragen) en publieke gelden ten aanzien van deze scholen te scheiden en dat de noodzaak om deze gelden te scheiden inmiddels niet meer bestaat. OOZ heeft daarom besloten om de private gelden collectief te faciliteren. Hierdoor worden de verenigingen niet meer gebruikt.\n\nInhoudelijke beoordeling: de verenigingen worden ontbonden\n\n2.2. De rechtbank zal het verzoek toewijzen. Op grond van artikel 2:19 lid 1 sub b BW kan een vereniging worden ontbonden door het geheel ontbreken van leden. Uit de verklaringen van de besturen van de verenigingen blijkt dat de verenigingen geen leden meer hebben. Uit het verzoekschrift blijkt ook dat de verenigingen geen bekende baten hebben, zodat vereffening niet nodig is en de verenigingen na ontbinding niet hoeven te blijven voortbestaan.\n\n2.3. De rechtbank zal hierom verklaren dat beide verenigingen op grond van artikel 2:19 aanhef en lid 1 sub d BW zijn ontbonden per 19 juni 2026.\n\n2.4. De rechtbank zal de griffier opdragen om op grond van artikel 2:19 lid 2 BW deze beschikking, nadat deze in kracht van gewijsde is gegaan, in te schrijven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n3.1. verklaart dat de vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid Ouderraad O.B.S. de Tweemaster, gevestigd in Nieuwleusen, op 19 juni 2026 is ontbonden,\n\n3.2. verklaart dat de vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid Ouderraad Onderwijscentrum de Twijn, gevestigd in Zwolle, op 19 juni 2026 is ontbonden,\n\n3.3. draagt de griffier op om op grond van artikel 2:19 lid 2 BW deze beschikking, nadat deze in kracht van gewijsde is gegaan, in te schrijven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026. (hg)","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3665","2026-07-13T00:29:42.955Z",{"id":79,"ecli":80,"slug":81,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":74,"fullText":82,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":83,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":50,"updatedAt":84},"1824","ECLI:NL:RBAMS:2026:6590","ecli-nl-rbams-2026-6590","RECHTBANKAMSTERDAM\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZaaknummer: 12005894 \\ CV EXPL 25-17014\n\nVonnis van 19 juni 2026 (bij vervroeging)\n\nin de zaak van\n\n1. [eiser 1] , 2. [eiser 2] ,\n\nbeide wonende te [woonplaats 1] ,\n\neisende partijen,\n\ngemachtigde: mr. B.J. den Hartog,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\ngedaagde partij,\n\ngemachtigde: mr. H.W. Omvlee.\n\nPartijen worden hierna [eisers] , of afzonderlijk [eiser 1] en [eiser 2] , en [gedaagde] genoemd.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 10 april 2026 en de daarin vermelde stukken,\n\n- de akte van 29 april 2026 met aanvullende producties van [eisers] ,\n\n- de antwoordakte van 5 juni 2026 van [gedaagde] .\n\n1.2.. Ten slotte wordt vandaag vonnis gewezen.\n\n2. De verdere beoordeling\n\n2.1.. Het geschil tussen partijen gaat over de uitkering van € 5.189,66 die [gedaagde] heeft ontvangen als begunstigde van de uitvaartverzekering van wijlen de heer [erflater] , haar toenmalig partner. [eisers] zijn de dochters van [erflater] en vorderen dit verzekeringsgeld omdat zij stellen voor de uitvaart betaald te hebben. [eisers] vorderen betaling van € 5.189,66, vermeerderd met rente en kosten, op grond van ongerechtvaardigde verrijking.\n\n2.2.. In het tussenvonnis van 10 april 2026 heeft de kantonrechter geoordeeld dat [gedaagde] verrijkt is, omdat zij als begunstigde van de uitvaartverzekering een bedrag van € 5.189,66 heeft ontvangen, zonder te hebben betaald voor de uitvaart van [erflater] . Indien zou komen vast te staan dat [eisers] de uitvaart hebben betaald, zijn [eisers] verarmd. De kantonrechter heeft verder geoordeeld dat [gedaagde] verrijkt is ten koste van degene die de uitvaart betaald heeft, waarvoor geen redelijke grond bestaat. [gedaagde] heeft betwist dat [eisers] voor de uitvaart hebben betaald. De kantonrechter heeft [eisers] vervolgens in de gelegenheid gesteld om te onderbouwen dat en hoeveel zij voor de uitvaart hebben betaald.\n\n2.3.. In hun akte van 29 april 2026 hebben [eisers] enkele producties overgelegd ter onderbouwing van hun verarming. Ten eerste hebben ze de factuur van uitvaartverzorger Monuta overgelegd. Deze factuur van 1 juni 2023 bedraagt € 9.811,79 en staat op naam van [eiser 2] . Ten tweede hebben [eisers] bankafschriften overgelegd waaruit blijkt dat [eiser 2] in totaal € 4.500,- aan Monuta heeft overgemaakt ter betaling van de factuur. Ten derde blijkt uit bankafschriften dat [eiser 2] € 960,- heeft betaald aan gerechtsdeurwaarders. Van dit bedrag bestaat € 825,- uit 11 betalingen van € 75,- die vanaf 28 april 2025 maandelijks via iDeal aan [internetsite] worden betaald. Tot slot hebben [eisers] e-mailcorrespondentie met Monuta overgelegd waaruit blijkt dat [eiser 2] op 18 december 2023 een aanmaning heeft ontvangen. Daarin staat ook dat als [eiser 2] niet tijdig betaalt, de vordering uit handen zal worden gegeven aan een incassobureau. In januari 2024 is [eiser 2] met Monuta een betalingsregeling voor de duur van minstens een halfjaar overeengekomen. Op 16 september 2024 heeft Monuta aan [eiser 2] gemaild dat er nog een bedrag van € 5.351,79 openstaat en dat ze in principe alleen betalingsregelingen van zes maanden na de factuurdatum aangaan.\n\n2.4.. In haar antwoordakte heeft [gedaagde] betwist dat het bedrag dat [eiser 2] aan de deurwaarder heeft betaald dient ter voldoening van de vordering van Monuta.\n\n2.5.. De kantonrechter constateert om te beginnen dat alleen [eiser 2] een betalingsverplichting met Monuta is aangegaan, gelet op de factuur en bankafschriften. Haar zus [eiser 1] staat in deze documenten niet genoemd dus komt niet vast te staan dat zij aan de uitvaartkosten heeft bijgedragen. De vordering ten aanzien van haar zal daarom worden afgewezen.\n\n2.6.. De kantonrechter overweegt verder dat de omvang van schadevergoedingsverbintenis wordt gemaximeerd door de omvang van de verrijking. Dit betekent dat de schadevergoedingsverbintenis maximaal € 5.189,66 kan bedragen. De kantonrechter oordeelt dat de verarming van [eiser 2] van deze omvang is komen vast te staan. Op grond van de overgelegde factuur staat vast dat [eiser 2] een bedrag van € 9.811,79 aan Monuta verschuldigd is. Op de zitting heeft [eiser 2] verklaard dat zij dit bedrag in termijnen aan het afbetalen is en dit volgt ook uit de door haar overgelegde stukken. Uit de bankafschriften volgt dat zij € 4.500,- rechtstreeks aan Monuta heeft betaald. Zij stelt dat de resterende vordering van Monuta is overgedragen aan de deurwaarder waaraan zij € 75,- per maand betaalt. De kantonrechter ziet geen reden om te twijfelen aan het feit dat de bedragen van € 75,- ook op de voldoening van de factuur van Monuta zien, gelet op de overgelegde e-mailcorrespondentie tussen Monuta en [eisers] (r.o. 2.3) en de factuur waaruit volgt dat [eiser 2] een bedrag van € 9.811,70 aan Monuta verschuldigd is. Dit betekent dat [gedaagde] ten aanzien van de uitkering van € 5.189,66 ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van [eiser 2] . De vordering zal ten aanzien van [eiser 2] worden toegewezen.\n\n2.7.. \n [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [eiser 2] betalen. Het salaris gemachtigde wordt voor de akte niet met 0,5 punt verhoogd, omdat [eiser 2] de facturen en betalingen ook al bij dagvaarding of bij de mondelinge behandeling had kunnen overleggen. De proceskosten van [eiser 2] worden vastgesteld op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n146,14\n\n- griffierecht\n\n€\n\n257,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n720,00\n\n(2 punten × € 360,-)\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.267,14\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n3.1.. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser 2] te betalen een bedrag van € 5.189,66, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 3 mei 2023, tot de dag van volledige betaling,\n\n3.2.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van [eiser 2] van € 1.267,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n3.3.. verklaart dit vonnis in zoverre uitvoerbaar bij voorraad,\n\n3.4.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. A.C.J. Klaver, kantonrechter, bijgestaan door mr. Z.A. Mees, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6590","2026-07-13T00:29:40.584Z",{"id":86,"ecli":87,"slug":88,"caseNumber":43,"courtId":89,"decisionDate":90,"fullText":91,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":92,"sourceTimestamp":93,"parsedAt":50,"updatedAt":94},"674","ECLI:NL:RBMNE:2026:3733","ecli-nl-rbmne-2026-3733",63,"2026-06-17T00:00:00.000Z","RECHTBANK Midden-Nederland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nZaaknummer: C\u002F16\u002F591883 \u002F HA ZA 25-214\n\nVonnis van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\ngevestigd te [vestigingsplaats] ,\n\neisende partij in conventie,\n\nverwerende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\nadvocaat: mr. R.S. [G.] ,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nadvocaat: mr. K. Klaasen en mr. R.F. Feenstra.\n\n1. De procedure\n\n1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van [eiser] tevens vordering in incident ex. artikel 208, 194 en 195 Rv;\n\n- de akte van [eiser] met productie 10 (beslagstukken);\n\n- de conclusie van antwoord in incident tevens inhoudende een zelfstandige incidentele vordering tot inzage ex. 194 en 195 Rv van [gedaagde] ;\n\n- de conclusie van antwoord inzake de zelfstandige incidentele vordering tot inzage ex 194 en 195 Rv van [eiser] ;\n\n- het vonnis in de incidenten van 17 september 2025;\n\n- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie van [gedaagde] ;\n\n- de conclusie van antwoord in reconventie van [eiser] ; - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;\n\n- de akte van [eiser] met vermeerdering eis en aanvullende producties;\n\n- de akte van [gedaagde] met aanvullende producties.\n\n1.2. Op 17 april 2026 vond de mondelinge behandeling plaats. Namens [eiser] waren de heer [A] (indirect statutair bestuurder van [eiser] , hierna: ‘ [A] ’) en mevrouw [B] (adjunct-directeur, hierna: ‘ [B] ’) aanwezig. Zij werden bijgestaan door mr. R.S. [G.] . [gedaagde] was ook aanwezig en hij werd bijgestaan door mr. K. Klaasen en mr. R.F. Feenstra. Partijen en hun advocaten hebben tijdens de mondelinge behandeling hun standpunten toegelicht en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt.\n\n1.3. Met partijen is besproken dat tijdens de mondelinge behandeling zowel de conventie als de reconventie inhoudelijk zou worden behandeld, ondanks het door [gedaagde] opgeworpen bevoegdheidsincident. [gedaagde] stelt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen partijen, waardoor niet de rechtbank maar de kantonrechter exclusief bevoegd is om over de zaak te oordelen. Partijen hebben ingestemd met het voorstel van de rechtbank om pas in dit vonnis een oordeel te geven over de juridische kwalificatie van de relatie tussen hen, en de zaak gelijk af te doen, zodat niet nog een mondelinge behandeling hoeft te worden gepland wanneer zou blijken dat de zaak moet worden verwezen naar de kantonrechter.\n\n1.4. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1. \n [gedaagde] heeft van 2 september 2024 tot en met 15 januari 2025 gewerkt voor [eiser] als Operationeel Manager. [eiser] is actief in de schoonmaakbranche. Op 16 januari 2025 heeft [eiser] de overeenkomst tussen partijen opgezegd. [eiser] vordert onder meer contractuele boetes, omdat [gedaagde] zijn geheimhouding zou hebben geschonden. [eiser] heeft in dat kader bewijsbeslag gelegd en inzage verkregen in de gegevensdragers van [gedaagde] . [gedaagde] voert verweer. Hij stelt zich daarnaast op het standpunt dat hij werkzaam was op basis van een arbeidsovereenkomst. [gedaagde] vordert in reconventie onder meer betaling van loon. De rechtbank wijst de vorderingen over en weer grotendeels af. Het is niet gebleken dat [gedaagde] zijn geheimhouding heeft geschonden, en het is ook niet gebleken dat [gedaagde] werkzaam was op basis van een arbeidsovereenkomst. [gedaagde] heeft wel zijn contractuele verplichtingen geschonden door zakelijke e-mails naar zijn privé mailadres te sturen, maar daaraan is geen boete gekoppeld.\n\n3. De beoordeling\n\nRechtbank is bevoegd\n\n3.1. \n [gedaagde] verzoekt verwijzing van de zaak naar de kantonrechter, omdat de kantonrechter exclusief bevoegd is om over zaken aangaande de arbeidsovereenkomst te oordelen (artikel 71 lid 2 jo. 93 sub c en 94 lid 2 en 3 Rv).\n\n3.2. De rechtbank oordeelt dat niet is gebleken dat [gedaagde] werkzaam was op basis van een arbeidsovereenkomst. Dit betekent dat de rechtbank bevoegd is om over de zaak te oordelen. Hierna, bij de bespreking van de vorderingen in reconventie, wordt toegelicht hoe de rechtbank tot dit oordeel komt. Daarna zal de rechtbank de vorderingen in conventie beoordelen. Tot slot bespreekt de rechtbank de vorderingen met betrekking tot het bewijsbeslag.\n\nRECONVENTIE\n\nTussen partijen heeft geen arbeidsovereenkomst bestaan\n\nStelling dat sprake is van een arbeidsovereenkomst is niet tardief\n\n3.3. Volgens [eiser] is de stelling van [gedaagde] , dat sprake is van een arbeidsovereenkomst, tardief, want te laat ingenomen. De rechtbank is het daar niet mee eens. De overeenkomst tussen partijen is in januari 2025 opgezegd. [gedaagde] heeft in december 2025, in de conclusie van antwoord, voor het eerst het standpunt ingenomen dat sprake was van een arbeidsovereenkomst. Dat is inderdaad laat. Maar, het staat een partij vrij om op ieder moment een standpunt in te nemen ten aanzien van de kwalificatie van de relatie tussen partijen, zolang de andere partij voldoende gelegenheid heeft om daar adequaat op te reageren. Het beginsel van hoor en wederhoor is daarvoor bepalend. Dit neemt niet weg dat in de wet wel termijnen zijn gekoppeld aan het inroepen van bepaalde rechtsgevolgen, zoals vernietiging van de opzegging of betaling van een transitievergoeding.Of het innemen van het standpunt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst ook het beoogde effect heeft, staat daar dus los van.\n\n3.4. \n [eiser] stelt daarnaast dat [gedaagde] in de procedure heeft erkend dat hij werkzaam was op basis van een overeenkomst van opdracht. In de conclusie van antwoord in het incident van 4 juni 2025 staat namelijk dat [gedaagde] op projectbasis werkt en dat het daarom wenselijk is dat hij op basis van een overeenkomst van opdracht werkt en niet in loondienst is. In de conclusie van antwoord van 24 december 2025 wordt vervolgens namens [gedaagde] het standpunt ingenomen dat men bij nadere beschouwing van mening is dat toch sprake is van een arbeidsovereenkomst. In feite komt [gedaagde] daarmee terug op wat eerder in de procedure is erkend.\n\n3.5. Toch zal de rechtbank inhoudelijk moeten beoordelen of sprake is van een arbeidsovereenkomst. Het gaat hier namelijk om een (dwingendrechtelijke) juridische kwalificatie en niet een feitelijke stelling. Artikel 154 Rv, het wetsartikel waarin staat dat niet zonder meer kan worden teruggekomen op een gerechtelijke erkentenis, is hier dan ook niet van toepassing.\n\nToetsingskader kwalificatie arbeidsrelatie\n\n3.6. Artikel 7:610 BW omschrijft de arbeidsovereenkomst als de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst (dus onder leiding en gezag) van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. Om te kunnen beoordelen of een overeenkomst als een arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, moet in de eerste fase door uitleg aan de hand van de Haviltex-maatstaf worden vastgesteld welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. In deze fase is ruimte voor de partijbedoelingen en kan de maatschappelijke positie van partijen een rol spelen. In de tweede fase wordt beoordeeld of de overeenkomst de kenmerken heeft van een arbeidsovereenkomst. Daarbij is niet van belang of partijen ook daadwerkelijk de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen. Als de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst, moet de overeenkomst als zodanig worden aangemerkt. Vervolgens moet een holistische weging worden gemaakt van alle relevante feiten en omstandigheden en (contra-)indicatoren die volgen uit de twee fasen. Als na de holistische weging het oordeel volgt dat de overeenkomst voldoet aan de wettelijke vereisten, wordt de overeenkomst tussen partijen gekwalificeerd als arbeidsovereenkomst.\n\nOvereengekomen rechten en verplichtingen\n\n3.7. Op 1 juni 2020 heeft [gedaagde] zijn eenmanszaak [bedrijf 1] ingeschreven in het register van de Kamer van Koophandel. [gedaagde] is toen als zzp’er gaan werken voor [bedrijf 2] (hierna: ‘ [bedrijf 2] ’), de rechtsvoorgangster van [eiser] . De samenwerking tussen [bedrijf 2] en [gedaagde] is destijds, in september 2021, in een geschil geëindigd.\n\n3.8. In december 2022 neemt [A] contact op met [gedaagde] . Hij biedt zijn excuses aan en partijen gaan met elkaar in gesprek, onder andere over een potentiële nieuwe samenwerking. Dat loopt op niets uit.\n\n3.9. Een jaar later, in december 2023, neemt [gedaagde] contact op met [A] voor ‘een nieuwe start’. Dit keer biedt [gedaagde] zijn excuses aan en partijen raken weer in gesprek. In mei 2024 doet [gedaagde] een voorstel voor de invulling van een samenwerking. Hij wil wekelijks factureren als zzp’er en ook doorbetaling van vakantie- en feestdagen, een tankpas en een laptop om thuis te kunnen werken. Op 15 augustus 2024 deelt [A] een conceptovereenkomst met [gedaagde] via Whatsapp en op 27 augustus 2024 stuurt [B] de conceptovereenkomst per e-mail. In die overeenkomst staat niks over betaling van vakantie- en feestdagen, tankpas en een laptop om thuis te werken.\n\n3.10. Op 2 september 2024 tekenen partijen vervolgens een overeenkomst met als titel ‘overeenkomst van opdracht’(hierna: de overeenkomst). Dat partijen bij aanvang een overeenkomst van opdracht hebben beoogd, staat vast.\n\n3.11. In de overeenkomst is onder meer het volgende vastgelegd:\n\n [bedrijf 1] verricht voor eigen rekening en risico werkzaamheden in facilitaire diensten.\n\n [eiser] wenst voor het uitvoeren van werkzaamheden op operationeel gebied gebruik te maken van de diensten van [gedaagde] .\n\n [gedaagde] zal de werkzaamheden naar eigen inzicht, deskundigheid en planning uitvoeren in overeenstemming met [eiser] .\n\nPartijen wensen uitdrukkelijk geen arbeidsovereenkomst aan te gaan, dan wel een daarmee gelijkgestelde betrekking.\n\n [eiser] zal een duidelijke taakomschrijving delen met [gedaagde] , waar [gedaagde] zich aan dient te houden en niet van af mag wijken.\n\nDe werkzaamheden worden fysiek op het hoofdkantoor in Utrecht verricht.\n\n [gedaagde] deelt zijn werkzaamheden zelfstandig in, echter onder afstemming ervan met [eiser] , zodat in geval van samenwerking met anderen, deze optimaal zal verlopen.\n\n [gedaagde] zal de werkzaamheden verrichten binnen de arbeidstijden van [eiser] , die lopen van 08.00 tot 17.00 uur.\n\nDe overeenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd en kan worden opgezegd met inachtneming van een maand opzegtermijn.\n\nIn geval van langdurige verhindering of overmacht van [gedaagde] , langer dan een week, zal de overeenkomst per direct worden beëindigd.\n\nDe werkzaamheden worden verricht binnen 4 werkdagen van 8 uur.\n\n [eiser] betaalt een wekelijkse vergoeding van € 1.6750,-. Deze vergoeding is inclusief reiskosten. Reistijd en pauzes mogen niet als werktijd in rekening worden gebracht.\n\n [gedaagde] ontvangt geen vergoeding reizen.\n\n [gedaagde] dient iedere werkweek een opgave van gemaakte uren over de afgelopen week te verstrekken. [eiser] accordeert het aantal uren en naar aanleiding daarvan mag [gedaagde] een factuur sturen.\n\n [eiser] betaalt dan binnen zeven dagen na factuurdatum.\n\n [gedaagde] verklaart dat hij voor de uitvoering van de opdracht in bezit is van:\n\no inschrijving KvK als zelfstandig ondernemer;\n\no VAR-verklaring;\n\no verzekering voor langdurige arbeidsongeschiktheid;\n\no verzekering voor beroeps-\u002Fbedrijfsaansprakelijkheid;\n\no ongevallenverzekering.\n\nOm reden van continuïteit en kwaliteit vindt gedurende de overeenkomst regelmatig overleg plaats tussen [eiser] en [gedaagde] over de voortgang en uitvoering van het werk.\n\n [gedaagde] is aansprakelijk voor schade, ontstaan door zijn handelen, als deze is ontstaan door opzet, roekeloosheid en grove schuld van [gedaagde] . In dat geval is [gedaagde] voor schade aansprakelijk tot maximaal een bedrag van € 1.000.000,-.\n\n3.12. Daarnaast bevat de overeenkomst een geheimhoudingsbeding en een verbod om bedrijfseigendommen toe te eigenen, mee naar huis te nemen of te kopiëren. Deze bedingen komen later in dit vonnis aan de orde.\n\n3.13. In de praktijk is grotendeels uitvoering gegeven aan de overeengekomen rechten en verplichtingen. [gedaagde] heeft wekelijks gefactureerd voor de uitgevoerde werkzaamheden en [eiser] heeft de facturen betaald. [gedaagde] is op 15 januari 2025 op non-actief gesteld, want hij zou zich negatief hebben uitgelaten over [eiser] en [A] . Op 16 januari 2025 is de overeenkomst door [eiser] opgezegd. Bij de opzegging heeft [gedaagde] zich vervolgens neergelegd, want het is niet gebleken dat hij zich hiertegen heeft verzet. Wel heeft hij meermaals verzocht om betaling van zijn laatste facturen, waaronder de opzegtermijn van één maand die [gedaagde] heeft gefactureerd.\n\n3.14. Op 24 december 2025 neemt [gedaagde] voor het eerst het standpunt in dat hij bij [eiser] werkzaam was op basis van een arbeidsovereenkomst. Na kwalificatie van de hiervoor genoemde overeengekomen rechten en verplichtingen, blijkt echter niet dat ze voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst.\n\nKwalificatiefase\n\n3.15. \n\nDe Hoge Raad heeft in de zaak van Deliveroo (Hoge Raad, 24 maart 2023, WCLI:NL:HR:2023:443) overwogen dat bij de beoordeling of een overeenkomst moet worden aangemerkt als arbeidsovereenkomst onder meer de volgende tien (niet-limitatieve) gezichtspunten van belang kunnen zijn: (1) de aard en duur van de werkzaamheden; (2) de wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald; (3) de inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht; (4) het al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren; (5) de wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen tot stand is gekomen; (6) de wijze waarop de beloning wordt bepaald en waarop deze wordt uitgekeerd; (7) de hoogte van deze beloningen; (8) en de vraag of degene die de werkzaamheden verricht daarbij commercieel risico loopt. (9) Ook kan van belang zijn of degene die de werkzaamheden verricht zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen, bijvoorbeeld bij het verwerven van een reputatie, bij acquisitie, wat betreft fiscale behandeling, en gelet op het aantal opdrachtgevers voor wie hij werkt of heeft gewerkt en de duur waarvoor hij zich doorgaans aan een bepaalde opdrachtgever verbindt. (10) Het gewicht dat toekomt aan een contractueel beding bij beantwoording van de vraag of een overeenkomst als arbeidsovereenkomst moet\n\nworden aangemerkt, hangt mede af van de mate waarin dat beding daadwerkelijk betekenis heeft voor de partij die de werkzaamheden verricht.\n\n1) de aard en duur van de werkzaamheden\n\n3.16. Volgens [eiser] bestond de opdracht uit het optimaliseren van het bedrijfsbureau. Volgens [gedaagde] bestond de opdracht uit het aansturen van het bedrijfsbureau en de operatie, en het onderbrengen van data in een nieuwe database ‘Nocore’. De aard van de werkzaamheden had dus geen betrekking op de kernactiviteit van [eiser] of het aansturen van medewerkers die zich bezighouden met de kernactiviteit van [eiser] . Dat is namelijk schoonmaken.\n\n3.17. \n [gedaagde] verwijst naar een taakomschrijving, maar het is onduidelijk of deze taakomschrijving hoort bij de overeenkomst van 2 september 2024. [gedaagde] verwijst naar een Whatsappbericht van [A] aan hem waarin het document ‘Taakomschrijving Functie District Manager’ wordt gedeeld. Dat is een andere functie dan Operationeel Manager. Uit de schermafbeelding kan ook worden afgeleid dat het bericht vóór 28 januari 2023 is gestuurd. Dat is anderhalf jaar voordat partijen de overeenkomst van 2 september 2023 sloten. [gedaagde] heeft daarom onvoldoende onderbouwd dat dit de taakomschrijving is waarnaar wordt gerefereerd in de overeenkomst van 2 september 2024.\n\n3.18. \n [gedaagde] heeft in de conclusie van antwoord in het incident erkend dat hij meer op projectbasis werkt. Gelet hierop past de aard van de werkzaamheden meer bij een opdrachtovereenkomst dan bij een arbeidsovereenkomst.\n\n3.19. Aan de andere kant zijn partijen wel een overeenkomst voor onbepaalde tijd aangegaan. Dat past meer bij een arbeidsovereenkomst. Maar, het sluit een overeenkomst van opdracht ook niet uit. De overeenkomst kon door partijen gemakkelijk worden opgezegd met een opzegtermijn van één maand. De risico’s van het aangaan van een overeenkomst voor onbepaalde tijd waren dus beperkt.\n\n2) de wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald\n\n3.20. \n [eiser] wilde dat de werkzaamheden op kantoor werden verricht. Dat is ook vastgelegd in de overeenkomst. [gedaagde] werkte in de praktijk echter ook vanuit huis. De IT-beheerder heeft [gedaagde] op diens verzoek toegang verleend tot de IT systemen van [eiser] , zodat hij ook vanuit huis kon werken. Volgens [eiser] mocht hij niet thuis werken, maar [eiser] stelt ook dat [gedaagde] buiten kantoortijden werkte en dat hij geen tag\u002Fsleutel had van kantoor. Daaruit kan worden afgeleid dat [eiser] in ieder geval op de hoogte was van het feit dat [gedaagde] ook vanuit huis voor [eiser] werkte. Het is niet gebleken dat [gedaagde] hierop is aangesproken door [eiser] .\n\n3.21. Volgens [gedaagde] heeft hij toestemming gevraagd en gekregen van [B] om vanuit huis in te loggen in de systemen. Dit zou blijken uit een mailwisseling van 20 november 2024. Dit wordt door [B] betwist. [gedaagde] heeft die mailwisseling niet laten zien, terwijl hij wel beschikt over zijn zakelijke mailbox, zodat hij verweer kan voeren in deze procedure. Of [gedaagde] toestemming had om vanuit huis te werken, kan dus niet worden vastgesteld.\n\n3.22. Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde] grotendeels zelf de wijze bepaalde waarop de werkzaamheden werden verricht.\n\n3.23. Ook de werktijden bepaalde hij zelf. In de overeenkomst staat dat [gedaagde] zich moest conformeren aan de kantoortijden van [eiser] , maar in de praktijk werkte hij regelmatig buiten die kantoortijden. Dat is door [eiser] aangetoond met verwijzing naar e-mails waaruit volgt dat [gedaagde] de werkdag later begon of in de avond\u002Fweekend aan het werk was.\n\n3.24. Of [eiser] werkinhoudelijke instructies gaf, is niet gebleken. Partijen hadden regelmatig overleg met elkaar, maar dat is onvoldoende om daaruit af te leiden dat [eiser] werkinhoudelijke instructies gaf. Het houden van gesprekken past binnen de kaders van de opdrachtovereenkomst, omdat die gesprekken nodig zijn om de opdracht naar tevredenheid van de opdrachtgever uit te voeren. [eiser] betwist dat zij werkinhoudelijke instructies gaf aan [gedaagde] .\n\n3.25. \n [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling aangeboden om bewijs te leveren van zijn stelling dat hij werkinhoudelijke instructies kreeg van [B] , door het overleggen van e-mails. Dat bewijsaanbod wordt gepasseerd, want [gedaagde] had deze e-mails voorafgaand aan de zitting kunnen en moeten laten zien. Daar was voldoende gelegenheid en reden voor. Dat [gedaagde] dit niet heeft gedaan, komt daarom voor zijn risico. Daar komt bij dat [B] pas in januari 2025 is aangesteld als Adjunct-Directeur. Daarvoor was zij werkzaam als HR medewerker. Als [gedaagde] inderdaad werkinstructies kreeg van [B] , wat gelet op haar functie niet voor de hand ligt, dan had [gedaagde] dit moeten aantonen met bewijsstukken.\n\n3.26. Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde] grotendeels zelf bepaalde hoe en wanneer hij zijn werk uitvoerde. Die vrijheid van [gedaagde] past binnen het kader van een opdrachtovereenkomst.\n\n3) de inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht\n\n3.27. Het werk van [gedaagde] was niet ingebed in de organisatie van [eiser] , althans niet als het gaat om de optimalisatie van het bedrijfsbureau en het overzetten van data naar een nieuw systeem. Dat zijn namelijk projecten met een einde, waarvoor op enig moment de diensten van [gedaagde] dus niet meer nodig waren. Zoals eerder overwogen, zagen deze werkzaamheden van [gedaagde] ook niet op de kernactiviteit van [eiser] .\n\n3.28. Dit is wellicht anders met betrekking tot de operationele aansturing. Ook dat werk betreft niet de kernactiviteit van [eiser] , maar vanuit die rol was [gedaagde] wel breed in de organisatie zichtbaar en betrokken. In de e-mail van 14 januari 2025, waarin door [eiser] wordt aangekondigd dat [gedaagde] per direct zal aftreden als Operationeel Manager, staat dat iedereen [gedaagde] uit alle correspondentie van de uitvoering moet halen. Er staat ook dat voor operationele vragen en voor klantvragen men voortaan bij de daar genoemde medewerkers moeten zijn. Hieruit kan de rechtbank afleiden dat [gedaagde] wel een aanspreekpunt was voor veel mensen in de organisatie. [gedaagde] had ook een e-mailadres van [eiser] , waardoor zowel intern als extern niet duidelijk was dat [gedaagde] geen onderdeel uitmaakte van de organisatie.\n\n3.29. De persoon van [gedaagde] was dus wel ingebed in de organisatie en de bedrijfsvoering van [eiser] . Dat wijst in de richting van een arbeidsovereenkomst, maar sluit een overeenkomst van opdracht niet uit.\n\n4) het al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren\n\n3.30. Of [gedaagde] zich mocht laten vervangen is niet duidelijk. In de overeenkomst is daarover niets afgesproken en de situatie heeft zich in de praktijk ook niet voorgedaan. Aan dit gezichtspunt komt hier dan ook geen waarde toe.\n\n5) de wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen tot stand is gekomen\n\n3.31. Partijen waren het erover eens dat zij een overeenkomst van opdracht wilden aangaan. [gedaagde] heeft een voorstel gedaan aan [eiser] over de arbeidsvoorwaarden. Daarover is onderhandeld, want niet alle onderdelen van het voorstel van [gedaagde] hebben de eindstreep gehaald. Dat [gedaagde] het eerste voorstel heeft gedaan en onder meer inspraak heeft gehad in de hoogte van de beloning, wijst in de richting van een overeenkomst van opdracht.\n\n6) De wijze waarop de beloning wordt bepaald en waarop deze wordt uitgekeerd\n\n3.32. \n [gedaagde] heeft in mei 2024 voorgesteld om een tarief van € 1.675,- te hanteren per week. Daar is [eiser] mee akkoord gegaan. [gedaagde] factureerde vervolgens wekelijks via zijn eenmanszaak aan [eiser] . Hij zorgde zelf voor afdracht van btw en belastingen, althans daar gaat de rechtbank vanuit. De manier van belonen past bij een overeenkomst van opdracht en past duidelijk niet bij een arbeidsovereenkomst.\n\n7) de hoogte van de beloning\n\n3.33. \n [gedaagde] verdiende een vergoeding van € 1.675 per week exclusief btw . Dat is voor 4 dagen werk van 8 uur per dag, oftewel 32 uur. Omgerekend verdiende [gedaagde] € 52,34 per uur. In het Wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Vbar) is de grens op € 36,00 per uur bepaald voor het aannemen van een rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst. Het bedrag dat [gedaagde] verdiende ligt hoger.\n\n3.34. Verder verdiende [gedaagde] een vast wekelijks tarief, ongeacht hoe veel uur hij die week werkte. Dat wijst in de richting van een arbeidsovereenkomst. In de overeenkomst is weliswaar bepaald dat [gedaagde] een opgave van zijn uren moest verstrekken en dat hij op basis daarvan mocht factureren, maar het is niet gebleken dat partijen in de praktijk hieraan uitvoering hebben gegeven. [gedaagde] stelt dat hij veel overuren werkte en dat die uren niet zijn betaald. Hieruit zou volgen dat sprake was van een arbeidsovereenkomst. Maar, als [gedaagde] zijn gewerkte uren had doorgegeven aan [eiser] , zoals ook de bedoeling was, dan had hij wellicht die uren wel uitbetaald had gekregen. Dat is nu niet vast te stellen.\n\n3.35. De factuur die [gedaagde] heeft gestuurd tijdens de kerstvakantie en de indexering die hij zonder overleg vanaf 1 januari 2025 heeft toegepast, zijn door [eiser] geweigerd. Hiervoor heeft [gedaagde] (onder protest) creditfacturen gestuurd. Dit past weer bij een overeenkomst van opdracht en duidelijk niet bij een arbeidsovereenkomst.\n\n8) de vraag of degene die de werkzaamheden verricht daarbij commercieel risico loopt\n\n3.36. \n [gedaagde] ontving wekelijks een vergoeding, behalve tijdens vakantie. In de overeenkomst is niks afgesproken over doorbetaling tijdens ziekte en die situatie heeft zich niet voorgedaan, maar de rechtbank gaat ervan uit dat [gedaagde] ook dan geen vergoeding zou ontvangen. In de overeenkomst is namelijk bepaald dat [gedaagde] zelf een verzekering voor arbeidsongeschiktheid moest afsluiten. Dit wijst in de richting van een overeenkomst van opdracht.\n\n3.37. Dat de overeenkomst slechts met inachtneming van een opzegtermijn van één maand kon worden opgezegd, is niet ongebruikelijk voor zzp’ers die afhankelijk zijn van de opdracht voor hun levensonderhoud. Doordat [gedaagde] 32 uur per week voor [eiser] werkte, kon hij niet ook andere opdrachten accepteren, althans niet voor veel uur in de week. Dit wijst in de richting van een arbeidsovereenkomst, maar sluit een overeenkomst van opdracht niet uit.\n\n9) ondernemerschap\n\n3.38. \n [gedaagde] heeft gedurende zijn werkzaamheden voor [eiser] geen opdrachten voor derden verricht. Wel staat vast dat [gedaagde] eerder in zijn loopbaan een onderneming had met 30 man personeel, en dat hij zowel vóór als na zijn tijd bij [eiser] werkzaam was als zzp’er. [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat hij, nadat hij weg was bij [eiser] , gewerkt heeft voor [bedrijf 3] , een concurrent van [eiser] , en dat hij dit (ook) deed als zzp’er. Aan dit gezichtspunt komt in dit geval dus niet zoveel waarde toe.\n\n10) contractuele bedingen\n\n3.39. In de overeenkomst staan geen contractuele bedingen die [gedaagde] beperken om anders dan voor [eiser] werkzaam te zijn. Hij had bijvoorbeeld geen relatiebeding en ook geen concurrentiebeding. Dit wijst in de richting van een overeenkomst van opdracht.\n\nHolistische weging\n\n3.40. Alle feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, waarderend komt de rechtbank tot het oordeel dat geen sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst. [gedaagde] kreeg de vrijheid om de werkzaamheden grotendeels naar eigen inzicht uit te voeren. Daarbij had [gedaagde] in grote mate de vrijheid om zelf te bepalen waar en wanneer hij de werkzaamheden uitvoerde, althans gaf hij zichzelf die vrijheid. Het is daarom niet gebleken dat [gedaagde] het werk uitvoerde ‘onder het gezag’ van [eiser] . Ook de totstandkoming van de overeenkomst, de beloning en de manier waarop die werd uitgekeerd, wijzen op een overeenkomst van opdracht. Alles tegen elkaar afgewogen, weegt het voorgaande zwaarder dan de enkele gezichtspunten die wel in de richting van een arbeidsovereenkomst wijzen.\n\nPrimaire vorderingen in reconventie over arbeidsovereenkomst worden afgewezen\n\n3.41. Omdat tussen partijen geen arbeidsovereenkomst heeft bestaan, heeft [gedaagde] geen recht op achterstallig loon en wettelijke verhoging.\n\n3.42. Overigens had [gedaagde] daar ook geen recht op gehad als wel sprake was van een arbeidsovereenkomst. [gedaagde] heeft niet tijdig de vernietiging van de opzegging verzocht bij de kantonrechter, want dit had binnen twee maanden na einde overeenkomst gemoeten.De overeenkomst is op 16 januari 2026 per direct opgezegd, waardoor deze is geëindigd. De stelling van [gedaagde] , dat de overeenkomst nog steeds doorloopt, omdat niet rechtsgeldig is opgezegd, is onjuist.\n\n3.43. De vordering van [gedaagde] tot opheffing van de gelegde beslagen wordt later in dit vonnis behandeld. Dat geldt ook voor de vordering tot veroordeling van [eiser] in de proceskosten.\n\nSubsidiaire vorderingen in reconventie wel deels toewijsbaar\n\nEen van de twee facturen moet [eiser] betalen\n\n3.44. Voor het geval geen sprake is van een arbeidsovereenkomst, vordert [gedaagde] betaling van twee facturen te vermeerderen met handelsrente. De eerste factuur ziet op week 52, toen [gedaagde] met vakantie was, en een indexering voor week 1 tot en met 8. Deze factuur bedraagt € 2.245,- exclusief btw. De tweede factuur ziet op de opzegtermijn en bedraagt € 7.705,- exclusief btw.\n\n3.45. \n [gedaagde] heeft geen recht op betaling van de eerste factuur. Hij heeft niet onderbouwd op grond waarvan hij recht zou hebben op betaling tijdens vakantie en\u002Fof een indexering vanaf januari 2025. Betaling hiervan blijkt niet uit de overeenkomst en wordt door [eiser] betwist. [eiser] heeft dit zelfs expliciet geweigerd waarna [gedaagde] , weliswaar onder protest, creditfacturen heeft gestuurd. Waarom hij nu alsnog recht zou hebben op betaling van deze bedragen, is niet gebleken. Dit deel van de vordering wordt daarom afgewezen.\n\n3.46. De tweede factuur, betaling van de opzegtermijn, is wel grotendeels toewijsbaar. [gedaagde] heeft op 28 januari 2025 een bedrag van € 7.705,- gefactureerd voor de opzegtermijn. Uit de factuur blijkt dat hij uitgaat van de periode 20 januari tot en met 19 februari 2025. Volgens [eiser] is dit onjuist, want de overeenkomst is opgezegd op 16 januari 2025. Ook het bedrag is volgens [eiser] lager, want het moet volgens haar € 7.258,33 zijn, althans dat is de stelling van [eiser] in conclusie van antwoord in reconventie. Waarop dit bedrag is gebaseerd, heeft [eiser] niet gemotiveerd. In de dagvaarding nam [eiser] nog de stelling in dat de opzegvergoeding € 7.417,86 bedraagt, want met dit bedrag wil [eiser] de door haar gevorderde boetes verminderen. Dit bedrag is door [eiser] wel gemotiveerd met een berekening, namelijk € 1.675 : 7 dagen x 31 dagen. [gedaagde] heeft in de eis in reconventie de hoogte van opzegtermijn niet nader onderbouwd. Daarom gaat de rechtbank ervan uit dat de opzegtermijn € 7.417,86 (exclusief btw) bedraagt en dat [eiser] dit bedrag moet betalen.\n\n3.47. Volgens [gedaagde] mag de factuur worden verrekend, mocht hij in conventie een bedrag aan [eiser] moeten betalen. Zoals hierna zal blijken, worden de vorderingen van [eiser] grotendeels afgewezen. Er is geen bedrag waarmee de factuur kan worden verrekend.\n\n3.48. \n [gedaagde] vordert de betaling van de hiervoor genoemde factuur te vermeerderen met de wettelijke handelsrente daarover vanaf 1 maart 2025. [eiser] heeft hiertegen geen verweer gevoerd en moet de gevorderde handelsrente betalen.\n\nVordering ter vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen\n\n3.49. \n [gedaagde] vordert betaling van de door hem gemaakte buitengerechtelijke incassokosten. Hij vordert een bedrag van € 895,39 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 24 december 2025. Ter onderbouwing verwijst [gedaagde] naar een e-mail van hem zelf van 24 februari 2025 waarin hij [eiser] tot de dag erna de tijd geeft om de factuur alsnog te voldoen, en dat hij de vordering anders uit handen geeft ter incasso. Het is niet gebleken dat [gedaagde] vervolgens daadwerkelijk de factuur uit handen heeft gegeven ter incasso. Dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht, is niet gesteld of gebleken. [gedaagde] heeft niet voldaan aan zijn stelplicht, waardoor de vordering wordt afgewezen.\n\nCONVENTIE\n\nFormeel verweer: belang bij vorderingen in conventie\n\n3.50. \n [gedaagde] stelt dat [eiser] geen belang heeft bij haar vorderingen in conventie, omdat [eiser] geen activiteiten meer zou hebben en in feite een lege huls is. [gedaagde] heeft die stelling niet onderbouwd, terwijl [eiser] de stelling gemotiveerd heeft betwist. Het is dus niet komen vast te staan dat [eiser] geen belang heeft bij haar vorderingen. Dit betekent dat de vorderingen hierna inhoudelijk worden beoordeeld.\n\nGeen overtreding geheimhoudingsbeding\n\n3.51. In artikel 9 van de overeenkomst staat dat [gedaagde] “is gehouden alle kennis, gegevens en informatie betreffende elkaar geheim te (doen) houden. De geheimhoudingsplicht geldt zowel tijdens de duur van de overeenkomst als na beëindiging daarvan, om welke reden dan ook”. Onder sub C van artikel 9 staat dat bij overtreding [gedaagde] een boete verbeurt van € 250.000,- per gebeurtenis, onverminderd het recht van [eiser] om via de rechter nakoming en\u002Fof aanvullende schadevergoeding te vorderen.\n\n3.52. \n [eiser] vordert betaling van acht boetes (totaal € 2.000.000,-), want [gedaagde] zou acht keer het geheimhoudingsbeding hebben overtreden.\n\n3.53. \n [eiser] stelt dat alle bedrijfsgegevens en bedrijfsinformatie onder het geheimhoudingsbeding vallen. Met verwijzing naar de eerdere samenwerking met [gedaagde] die in een geschil was geëindigd, heeft [eiser] gewild dat sprake was van volledige geheimhouding. Het praten over [eiser] met derden is volgens [eiser] al een overtreding van het geheimhoudingsbeding. De rechtbank is het daar niet mee eens. Er kan slechts iets geheim worden gehouden als het niet bij derden buiten het bedrijf bekend is of bekend kan zijn. Het moet dus gaan om geheime bedrijfsinformatie. Een andere lezing is moeilijk denkbaar, want dan zou het geheimhoudingsbeding te breed en vaag geformuleerd zijn.\n\n3.54. \n [eiser] heeft bewijsbeslag laten leggen op de gegevensdragers van [gedaagde] . Vervolgens heeft [eiser] toestemming gekregen van de rechter om de gegevensdragers van [gedaagde] in te zien aan de hand van vooraf bepaalde zoektermen. Uit het vonnis van 17 september 2025 blijkt dat [eiser] inzage mocht hebben in alle bestanden waar klantnamen van [eiser] in voor kwamen.\n\n3.55. Het is vervolgens niet komen vast te staan dat [gedaagde] geheime bedrijfsinformatie over [eiser] heeft gedeeld. De rechtbank zal dit toelichten.\n\n [bedrijf 4] (1 boete)\n\n3.56. Eind februari 2025 is een dagvaarding aan [eiser] betekend door [bedrijf 4] , een onderaannemer van [eiser] . In die dagvaarding staat: “Een (voormalig) werknemer van [eiser] , [gedaagde] , heeft zelfs contact opgenomen met [bedrijf 4] in januari 2025 en aangegeven dat [eiser] na maart 2025 nog steeds werkzaamheden blijft verrichten voor [bedrijf 5] ”. Volgens [eiser] blijkt hieruit dat [gedaagde] zijn geheimhoudingsbeding heeft overtreden. [gedaagde] betwist dat hij geheime informatie heeft gedeeld met [bedrijf 4] . Dat [eiser] na maart 2025 nog steeds werkzaamheden zou blijven verrichten voor [bedrijf 5] is naar het oordeel van de rechtbank geen geheime bedrijfsinformatie. Het is daarnaast niet gebleken dat [gedaagde] die informatie heeft gedeeld. Dat [bedrijf 4] dit schrijft, betekent nog niet dat het zo is. Volgens [gedaagde] heeft hij – in het kader van zijn werkzaamheden voor [eiser] – tegen [bedrijf 4] gezegd dat [bedrijf 5] mondeling had opgezegd, maar dat er schriftelijk nog geen opzegging was gedaan. [bedrijf 4] zou daar kennelijk uit hebben opgemaakt dat er nog na maart 2025 werd doorgewerkt en dat er dus niet zou zijn opgezegd. [eiser] heeft niet nader onderbouwd wat en wanneer [gedaagde] heeft gedeeld met [bedrijf 4] . Het contact met [bedrijf 4] levert dus geen schending van het geheimhoudingsbeding op.\n\n [G.] (1 boete)\n\n3.57. \n [eiser] stelt dat [gedaagde] zijn geheimhoudingsbeding heeft overtreden door contact op te nemen met de heer [G.] , de voormalig boekhouder van [eiser] . [eiser] heeft nagelaten de rechtbank te informeren over welke informatie [gedaagde] met [G.] zou hebben gedeeld. [gedaagde] betwist dat hij geheime bedrijfsinformatie heeft gedeeld met [G.] . De rechtbank is daarom van oordeel dat [eiser] onvoldoende heeft gesteld om vast te stellen dat [gedaagde] zijn geheimhoudingsbeding heeft overtreden. Het enkele feit dat [gedaagde] contact heeft gehad met de heer [G.] is daarvoor onvoldoende.\n\n [C ] (1 boete)\n\n3.58. \n [eiser] stelt dat [gedaagde] op 24 februari 2025 contact heeft gehad met de heer [C ] , vertegenwoordiger van [bedrijf 6] ., een onderaannemer van [eiser] . [gedaagde] zou zich zeer negatief hebben uitgelaten over [eiser] . Ook zou [gedaagde] verteld hebben dat [eiser] hem niet meer betaalde. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] hierdoor zijn geheimhoudingsbeding overtreden. [gedaagde] betwist dat hij zijn geheimhoudingsbeding heeft overtreden. [gedaagde] erkent dat hij contact heeft gehad met de heer [C ] , maar hij betwist dat hij geheime bedrijfsinformatie heeft gedeeld. [gedaagde] heeft geïnformeerd naar eventuele steunvorderingen, zodat hij incassomaatregelen kon treffen, zoals een faillissementsaanvraag. [gedaagde] werd niet betaald door [eiser] . De rechtbank oordeelt dat het niet is gebleken dat [gedaagde] geheime bedrijfsinformatie heeft gedeeld. Dat [gedaagde] niet meer werd betaald door [eiser] , is geen geheime informatie. [gedaagde] had daarnaast belang bij die mededeling, want hij was op zoek naar een steunvordering. [eiser] heeft onvoldoende aangetoond dat dit geheime informatie betreft waarop het geheimhoudingsbeding van toepassing is.\n\n [D ] (1 boete)\n\n3.59. \n [eiser] verwijt [gedaagde] dat hij contact heeft gehad met de heer en mevrouw [D ] van [bedrijf 7] . [gedaagde] zou ook aan hen verteld hebben dat hij niet meer werd betaald door [eiser] . Zoals hiervoor overwogen, is dat naar het oordeel van de rechtbank geen geheime bedrijfsinformatie waarop het geheimhoudingsbeding van toepassing is. [gedaagde] was op zoek naar een steunvordering. Het is niet gebleken dat [gedaagde] zijn geheimhoudingsbeding heeft overtreden door contact te hebben met de heer en mevrouw [D ] . Daarvoor heeft [eiser] onvoldoende gesteld en aangetoond.\n\n [E ] (2 boetes)\n\n3.60. \n [eiser] verwijt [gedaagde] dat hij informatie heeft gedeeld met de heer [E ] (hierna: ‘ [E ] ’). [E ] en [A] zijn in conflict met elkaar. [A] heeft in 2021 de aandelen in [bedrijf 2] gekocht van [E ] . Sinds augustus 2024 bestaat tussen [A] en [E ] een geschil over het restant van de koopsom. Daarnaast heeft [E ] in februari 2025 [bedrijf 3] (hierna: ‘ [bedrijf 3] ’) opgericht, een concurrent van [eiser] . [gedaagde] is na zijn vertrek bij [eiser] gaan werken voor [bedrijf 3] . [gedaagde] had geen concurrentie- en\u002Fof relatiebeding, dus dat was hem toegestaan. Het was hem niet toegestaan geheime bedrijfsinformatie te delen met [E ] , maar niet is komen vast te staan dat hij dat heeft gedaan.\n\n3.61. \n [eiser] insinueert dat [gedaagde] foto’s van de financiële administratie van [eiser] heeft gedeeld met [E ] . [E ] heeft namelijk geen toegang tot de administratie, maar hij beschikte wel over foto’s van de facturatie aan de [gemeente] . Die foto’s heeft [E ] eind januari 2025 gebruikt in een beslagrekest om ten laste van [eiser] en [bedrijf 8] , een zustervennootschap van [eiser] , beslag te kunnen leggen. [E ] heeft de foto’s gekregen van iemand die op het kantoor van [eiser] toegang had tot Nocore (de financiële administratie). Kennelijk was er daarvoor een briefje met de inlogcode en het wachtwoord, waardoor een kwaadwillende heeft kunnen inloggen. [eiser] stelt niet dat [gedaagde] die kwaadwillende was, maar insinueert dat wel, en vordert in de dagvaarding betaling van € 250.000,- voor dit feit. [gedaagde] betwist dat hij die foto’s heeft gedeeld met [E ] . [eiser] heeft vervolgens niet aangetoond dat het [gedaagde] is geweest die de foto’s heeft gedeeld. Het kan dus ook iemand anders zijn geweest. De rechtbank beschikt alleen over de foto’s en niet over bewijs waaruit blijkt of en hoe die foto’s bij [E ] terecht zijn gekomen. Volgens het whatsappbericht van [A] aan [gedaagde] van 13 februari 2025 zijn er meerdere ‘ratjes’ in zijn onderneming die informatie hebben gedeeld met [E ] . Het is daarom onvoldoende onderbouwd dat [gedaagde] de foto’s heeft gedeeld met [E ] , waardoor niet is komen vast te staan dat [gedaagde] zijn geheimhoudingsbeding heeft geschonden.\n\n3.62. \n [eiser] stelt daarnaast dat [gedaagde] op 7 februari 2025 informatie heeft gedeeld met [E ] waardoor hij nog een boete zou hebben verbeurd. Het gaat om vertrouwelijke informatie over [bedrijf 9] , een onderneming die de vader van [A] tot circa 2015 heeft gehad. [A] heeft destijds dit bedrijf voor zijn vader gesaneerd en schuldenvrij gemaakt. [gedaagde] heeft onder andere een brief van de afdeling Bijzonder Beheer van de ABN AMRO bank over [bedrijf 9] gemaild naar [E ] . Dat [gedaagde] dit heeft gedaan staat vast. Maar, dit levert geen overtreding van het geheimhoudingsbeding op. Het is immers informatie over een voormalige vennootschap van de vader van [A] en niet informatie over [eiser] . Het geheimhoudingsbeding heeft alleen betrekking op [eiser] . Dat volgt uit de tekst van het geheimhoudingsbeding, want er wordt verwezen naar ‘informatie betreffende elkaar’. De overeenkomst is gesloten tussen [eiser] en [gedaagde] , dus met elkaar wordt enkel die partijen bedoeld. Als [eiser] ook andere gelieerde en inmiddels opgeheven vennootschappen onder het geheimhoudingsbeding had willen brengen, dan had zij dit expliciet in de tekst van het beding moeten opnemen. Dit heeft zij niet gedaan. Het oogmerk van [gedaagde] is weliswaar niet juist, want hij heeft andermans vertrouwelijke informatie gedeeld met [E ] , maar het valt niet onder de werkingssfeer van het geheimhoudingsbeding.\n\n3.63. Ook de omstandigheid dat [gedaagde] op 7 februari 2025 diverse documenten en informatie over vermeend paulianeus handelen heeft gedeeld met [E ] , levert naar het oordeel van de rechtbank geen schending van het geheimhoudingsbeding op. Het is namelijk niet komen vast te staan dat het om geheime informatie over [eiser] gaat. [eiser] heeft de e-mail van 7 februari 2025 overgelegd, waarin te zien is dat [gedaagde] verschillende documenten deelt met [E ] , maar de documenten zelf zijn (ten onrechte) niet met de rechtbank gedeeld. Welke informatie is gedeeld en of het geheime informatie over [eiser] betreft, kan dus niet worden vastgesteld. [eiser] verwijst ook naar een Excelbestand, waar [gedaagde] in een cel heeft geschreven “hier lees je hoe hij het bedrijf naar de afgrond brengt na de overname”, maar ook daaruit kan niet worden afgeleid dat het om [eiser] gaat. Het Excelbestand bevat verder geen bedrijfsinformatie. Uit de stellingen van [eiser] blijkt dat [gedaagde] informatie heeft gedeeld met [E ] met als doel om [A] persoonlijk te raken in het faillissement van [bedrijf 2] , dat later zou volgen. Informatie over [A] of informatie over [bedrijf 2] valt echter niet onder de werkingssfeer van het geheimhoudingsbeding, want dat ziet zoals hiervoor overwogen slechts op [eiser] .\n\n3.64. \n [gedaagde] betwist dat hij geheime bedrijfsinformatie over [eiser] heeft gedeeld met [E ] . [eiser] heeft dat vervolgens niet aangetoond. Dit betekent dat [eiser] niet heeft voldaan aan haar stelplicht, waardoor niet is komen vast te staan dat [gedaagde] het contractuele geheimhoudingsbeding heeft geschonden.\n\n3.65. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat het duidelijk is dat er een conflict bestaat tussen [A] en [E ] en dat [gedaagde] daarbij betrokken is geraakt. Ook is duidelijk dat [gedaagde] niet altijd de waarheid heeft gesproken richting [A] , bijvoorbeeld over het feit dat hij al langer in contact was met [E ] dan hij [A] deed geloven. Liegen valt echter niet onder de werking van het contractuele geheimhoudingsbeding.\n\n [bedrijf 3] (1 boete)\n\n3.66. \n [eiser] verwijt [gedaagde] dat hij vertrouwelijke gegevens heeft gedeeld met [bedrijf 3] . Ter onderbouwing wordt verwezen naar het contact dat [gedaagde] heeft gehad met [bedrijf 10] (hierna: ‘ [bedrijf 10] ’) en [F ] . Op 12 april 2025 heeft [gedaagde] contact opgenomen met [bedrijf 10] en [F ] , om hen te ronselen voor [bedrijf 3] . [bedrijf 10] is een klant van [eiser] en [F ] is een medewerker van [eiser] . Volgens [eiser] blijkt daaruit dat [gedaagde] klantinformatie en informatie over medewerkers van [eiser] heeft gedeeld met [bedrijf 3] . [eiser] stelt dat [gedaagde] hiermee zijn geheimhoudingsbeding heeft overtreden. De rechtbank is het daar niet mee eens.\n\n3.67. In de overeenkomst met [gedaagde] is geen anti-ronselbeding opgenomen. Dat [gedaagde] namens de concurrent ronselde, kan hem dus niet contractueel worden verweten. Het is daarnaast niet bekend welke informatie [gedaagde] heeft gedeeld met [bedrijf 3] . Dat heeft [eiser] niet aangetoond. Deze stelling van [eiser] lijkt gebaseerd op aannames. Het is daarom onvoldoende onderbouwd dat [gedaagde] geheime bedrijfsinformatie heeft gedeeld met [bedrijf 3] . Het gesprek met [F ] is door haar opgenomen en gedeeld met [eiser] . Uit de transcriptie volgt dat [gedaagde] praat over torenhoge schulden van [bedrijf 2] en [eiser] en dat hij niet meer werd betaald. Maar, naar het oordeel van de rechtbank is dat geen geheime bedrijfsinformatie. Dat [bedrijf 10] een klant is van [eiser] en dat [F ] werkt bij [eiser] , zijn verder geen geheime gegevens. Ook ten aanzien van [bedrijf 3] is dus niet gebleken dat [gedaagde] zijn geheimhoudingsbeding heeft geschonden.\n\n [bedrijf 11] (1 boete)\n\n3.68. \n [eiser] stelt dat [gedaagde] zijn geheimhoudingsbeding heeft geschonden door informatie te delen met een advocaat van het advocatenkantoor [bedrijf 11] . Deze advocaat heeft namens drie partijen het faillissement van [eiser] verzocht. Tijdens de faillissementszitting was [gedaagde] aanwezig met de mededeling dat hij de vertegenwoordiger was van die drie partijen. [gedaagde] is dus betrokken bij een poging om [eiser] failliet te laten verklaren. Volgens [eiser] is de conclusie dat [gedaagde] zijn geheimhoudingsbeding heeft geschonden, want hij heeft informatie over openstaande vorderingen gedeeld met een advocaat waarmee hij geen cliëntrelatie had. De rechtbank is het daar niet mee eens. Het gaat immers om vorderingen van derden partijen op [eiser] en niet om vorderingen van [eiser] op derde partijen. Het gaat dus niet om geheime bedrijfsinformatie van of over [eiser] . Wederom gaat het om steunvorderingen, en in dit geval het samenbrengen van partijen, in een poging om [eiser] failliet te verklaren. Maar, dat valt niet onder de reikwijdte van het geheimhoudingsbeding. Het is dan ook niet gebleken dat [gedaagde] hiermee zijn geheimhoudingsbeding heeft geschonden.\n\nWel schending artikel 10 overeenkomst van opdracht\n\n3.69. \n [eiser] vordert een verklaring voor recht dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst door zich bedrijfseigendommen van [eiser] toe te eigenen. In artikel 10 van de overeenkomst van opdracht staat dat [gedaagde] is verboden om (a) bedrijfseigendommen toe te eigenen, (b) kopieën te maken van vertrouwelijke documenten en (c) bedrijfseigendommen mee naar huis te nemen. [gedaagde] heeft dit artikel geschonden.\n\nZakelijke bestanden naar privé mailadres gestuurd\n\n3.70. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] het klantenbestand en een groot aantal bestanden naar zijn privé-mail gestuurd. [eiser] heeft dit niet aangetoond, want zij heeft hiervan geen bewijsstukken overgelegd, maar het is door [gedaagde] ook niet weersproken. [gedaagde] erkent dat hij bestanden naar zijn privémail heeft gestuurd. Zijn verklaring hiervoor is dat hij dit deed dit zodat hij vanuit huis kon werken. [eiser] stelt dat [gedaagde] niet thuis mocht werken en dat het dus niet de bedoeling was dat hij zakelijke bestanden naar zijn privé mailadres stuurde. Dit zou volgen uit artikel 1 van de overeenkomst, waar staat dat de werkzaamheden fysiek op kantoor worden verricht, en uit artikel 10, waar staat dat het verboden is om bedrijfseigendommen mee naar huis te nemen. [gedaagde] beroept zich op toestemming, maar hij heeft die toestemming niet aangetoond. [gedaagde] verwijst naar een Whatsappbericht van [B] van 6 december 2024 en een e-mail van [H.] van 20 november 2024, maar daaruit blijkt geen toestemming om thuis te werken en\u002Fof om bedrijfsgegevens naar privé te mailen. Bovendien had [gedaagde] daarvoor, op 9 oktober 2024, al zakelijke bestanden (de rayonindeling) naar zijn privé gemaild. Dat hij hiervoor toestemming had, is niet gebleken. Omdat in de overeenkomst staat dat het niet is toegestaan om bedrijfseigendommen toe te eigenen en\u002Fof mee naar huis te nemen, had [gedaagde] die bestanden (waaronder het klantenbestand) niet, althans niet zonder toestemming, naar zichzelf mogen mailen. Dat hij dit toch heeft gedaan, levert daarom een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst op.\n\n3.71. Daar komt bij dat [gedaagde] ook nadat hij al op non-actief was gesteld een zakelijke mail naar zijn privé mailadres heeft gestuurd. [gedaagde] is op 15 januari 2025 om 21.11 uur via Whatsapp op non-actief gesteld. Die avond, om 23.14 uur, stuurt hij een zakelijk bestand naar zijn privé mailadres. Daarvoor is geen goede verklaring gegeven door [gedaagde] . Het staat dus vast dat [gedaagde] artikel 10 van de overeenkomst heeft geschonden.\n\n3.72. Verder stelt [eiser] dat [gedaagde] vervolgens in de nacht van 15 op 16 januari 2025 circa 3.800 e-mails heeft verwijderd, ‘om zijn sporen te verhullen’, maar dat is niet gebleken. [eiser] heeft wel aangetoond dat de IT-beheerder op 16 januari 2025 ongeveer 3.800 heeft teruggeplaatst, maar het is niet aangetoond wanneer de mails zijn verwijderd. [gedaagde] betwist dat hij in de nacht van 15 op 16 januari 2025 zijn mailbox heeft gewist.\n\nFoto’s van het notitieboekje\n\n3.73. \n [eiser] heeft, na inzage in de bestanden die onderdeel waren van het bewijsbeslag, gezien dat [gedaagde] een PDF bestand heeft met 31 foto’s van het notitieboekje dat [gedaagde] gebruikte op zijn werk bij [eiser] . De inhoud van het notitieboekje betreft volgens [eiser] bedrijfsinformatie van [eiser] , zoals telefoonnummers van klanten, contactpersonen, tarieven en zelfs een analyse van de omzet en winstgroei die [eiser] voor ogen heeft. [eiser] stelt dat [gedaagde] met het bezit hiervan artikel 10 van de overeenkomst heeft overtreden. [eiser] heeft echter alleen de eerste twee foto’s van het notitieboekje in het geding gebracht. Daaruit kan de rechtbank niet afleiden dat [gedaagde] kopieën heeft gemaakt van vertrouwelijke documenten. Die eerste twee pagina’s bevatten namelijk geen vertrouwelijke informatie. [eiser] had dus alle 31 foto’s moeten overleggen om de rechtbank te kunnen overtuigen dat sprake is van een schending van artikel 10 van de overeenkomst. Ook is geen sprake van het toe-eigenen of mee naar huis nemen van bedrijfseigendommen, want het notitieboekje is van [gedaagde] zelf. De foto’s van het notitieboekje leveren dus geen tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst op.\n\nDe zwarte harde schijf\n\n3.74. \n [eiser] stelt dat [gedaagde] een zwarte externe harde schijf heeft ontvreemd uit de kast in de werkkamer van [A] . Dit zou namelijk blijken uit het feit dat op de gegevensdragers van [gedaagde] informatie is aangetroffen die enkel was opgeslagen op deze harde schijf. De harde schijf is verdwenen. Volgens [eiser] kan het niet anders dan dat [gedaagde] de harde schijf heeft gestolen, dan wel de informatie op de harde schijf heeft gestolen. De rechtbank gaat hier niet in mee. [gedaagde] betwist dat hij de zwarte harde schijf heeft gestolen. [eiser] heeft niet aangetoond dat [gedaagde] de harde schijf heeft ontvreemd. Het kan dus ook iemand anders zijn geweest. Zoals [A] zelf schreef in een Whatsappbericht aan [gedaagde] , zijn er meerdere ‘ratjes’ in zijn onderneming. Dat [gedaagde] informatie van de harde schijf op zijn gegevensdragers had staan, levert ook geen schending van artikel 10 van de overeenkomst op. Het is niet gebleken dat [gedaagde] de informatie heeft toegeëigend, gekopieerd, of mee naar huis heeft genomen.. Daarnaast is niet gebleken dat het om informatie over [eiser] gaat. [eiser] heeft alleen laten zien dat [gedaagde] vertrouwelijke informatie over [bedrijf 9] in zijn bezit had en heeft gedeeld met [E ] . Artikel 10 ziet alleen op de bedrijfseigendommen en vertrouwelijke informatie van [eiser] . Het is niet gesteld of gebleken dat dit artikel een ruimer bereik heeft.\n\nGeen boete gekoppeld aan overtreding van artikel 10\n\n3.75. In de overeenkomst is geen boete gekoppeld aan overtreding van artikel 10. De rechtbank zal verklaren dat [gedaagde] artikel 10 heeft geschonden door zakelijke bestanden naar zijn privé mail te sturen, maar daar kan geen directe (financiële) consequentie aan worden verbonden.\n\nGeen onrechtmatige daad vastgesteld\n\n3.76. \n [eiser] vordert een verklaring voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld indien mocht blijken dat [gedaagde] bedrijfsgegevens van [eiser] heeft gedeeld met derden. [eiser] heeft deze stelling niet nader onderbouwd. Zoals hiervoor overwogen bij de bespreking van het geheimhoudingsbeding, is niet komen vast te staan dat dat [gedaagde] vertrouwelijke bedrijfsinformatie van [eiser] heeft gedeeld met derden.\n\n3.77. Voor zover [eiser] doelt op de faillissementsaanvragen die zijn gedaan en waar [gedaagde] bij betrokken was, dan geldt ook dan dat [eiser] niet heeft voldaan aan haar stelplicht. Dat [gedaagde] geprobeerd heeft om [eiser] en de andere ondernemingen van [A] failliet te krijgen (al dan niet op verzoek van [E ] ) is onvoldoende om een onrechtmatige daad vast te stellen. Daarvoor is meer vereist, zoals een onrechtmatige gedraging, schade en causaal verband. Dat is niet gesteld of gebleken.\n\n3.78. Voor zover [eiser] doelt op de anonieme bedreiging van een belangrijke klant van [eiser] , dan is niet gebleken dat [gedaagde] dit heeft gedaan. [eiser] vermoedt dat [gedaagde] dit heeft gedaan, maar zij heeft dit niet concreet gemaakt en [gedaagde] betwist dat hij een klant van [eiser] heeft bedreigd.\n\nSchade niet concreet gemaakt\n\n3.79. \n [eiser] vordert een verklaring voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade als gevolg van de hiervoor genoemde tekortkoming en\u002Fof onrechtmatige daad. Van een onrechtmatige daad is zoals hiervoor overwogen geen sprake, maar [gedaagde] is wel tekortgeschoten in de nakoming van artikel 10 van de overeenkomst. [eiser] heeft echter niet concreet gemaakt dat zij schade heeft gelegen door deze tekortkoming van [gedaagde] . De schade is niet aannemelijk gemaakt of onderbouwd met stukken. [gedaagde] betwist dat [eiser] schade heeft geleden. Op [eiser] rust de verplichting om de gestelde schade concreet te maken. Dat is niet gebeurd, waardoor de gevorderde verklaring voor recht zal worden afgewezen.\n\n3.80. Daarnaast vordert [eiser] een verklaring voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade die optreedt indien de Arbeidsinspectie boetes oplegt aan [eiser] voor het inzetten van illegale medewerkers van [bedrijf 12] en [eiser] deze boetes en de door haar aan [bedrijf 12] betaalde rente en buitengerechtelijke kosten niet zou kunnen verhalen op [bedrijf 12] . [bedrijf 12] is een onderaannemer van [eiser] . [eiser] en [bedrijf 12] hebben een geschil over de inzet van illegale medewerkers. Er dreigen nu grote boetes voor [eiser] door de Arbeidsinspectie. Ook zou de inzet van een medewerker van [bedrijf 12] ertoe geleid hebben dat [eiser] een grote klant is kwijtgeraakt. Volgens [eiser] moet [bedrijf 12] schade vergoeden, terwijl [bedrijf 12] ook een vordering had op [eiser] . [eiser] wilde dat verrekenen, maar vanwege de faillissementsaanvraag – die door [gedaagde] is georkestreerd – heeft [eiser] een bedrag moeten betalen aan [bedrijf 12] inclusief rente en kosten. Bij verrekening waren de rente en kosten niet aan de orde geweest. Daarnaast vreest [eiser] dat zij eventuele boetes van de Arbeidsinspectie niet kan verhalen op [bedrijf 12] , bijvoorbeeld vanwege een faillissement van [bedrijf 12] . [eiser] verwijt [gedaagde] dat hij samen met [bedrijf 12] het faillissement van [eiser] heeft aangevraagd, waardoor zij nu wellicht geschaad wordt in haar verhaalspositie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] echter totaal niet concreet gemaakt waarom en op grond waarvan [gedaagde] deze onzekere toekomstige vorderingen moet betalen. [eiser] heeft haar stellingen niet onderbouwd. [eiser] gaat uit van een vanzelfsprekendheid dat [gedaagde] hiervoor (wat dat ook mag zijn) moet opdraaien, omdat hij – al dan niet via andere partijen – het faillissement van [eiser] heeft aangevraagd. Het is echter niet gebleken dat dit laatste een onrechtmatige daad oplevert, want daarvoor heeft [eiser] onvoldoende gesteld. De gevraagde verklaring voor recht zal worden afgewezen.\n\nVerbod om kennis, gegevens of informatie te delen\n\n3.81. \n [eiser] wil dat de rechtbank [gedaagde] verbiedt om kennis, gegevens of informatie van of over [eiser] te delen met derden. Hieronder valt dan ook de informatie afkomstig van de zwarte harde schijf. Volgens [gedaagde] is een dergelijk verbod niet nodig. Inmiddels zou er geen vertrouwelijke informatie van [eiser] meer op zijn computer staan. [eiser] heeft deze stelling vervolgens niet weersproken, waardoor de rechtbank aanneemt dat [gedaagde] niet langer in het bezit is van informatie van [eiser] . Dat [gedaagde] in het bezit is van de zwarte harde schijf is niet komen vast te staan. Bovendien bevat de overeenkomst van opdracht een geheimhoudingsbeding dat nog steeds van kracht is. De rechtbank wijst de vordering daarom af vanwege een gebrek aan belang.\n\nDe zwarte harde schijf\n\n3.82. \n [eiser] vordert dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot het persoonlijk terugbrengen van de zwarte harde schijf die verdwenen is uit de werkkast van [A] . De rechtbank kan dit niet toewijzen, want [eiser] heeft niet aangetoond dat de zwarte harde schijf in het bezit is van [gedaagde] . [gedaagde] betwist dat hij de harde schijf heeft.\n\nVerwijderen gegevens (via IT specialist Digijuris)\n\n3.83. \n [eiser] vordert daarnaast dat [gedaagde] wordt veroordeeld om:\n\nmedewerking te verlenen aan Digijuris om alle documenten die door [gedaagde] zijn gekopieerd van de zwarte harde schijf terug te krijgen;\n\nmedewerking te verlenen aan Digijuris bij het nagaan welke documenten van de harde schijf op de gegevensdragers van [gedaagde] staan;\n\nmedewerking te verlenen aan Digijuris bij het verwijderen van de documenten van de harde schijf op de gegevensdragers van [gedaagde] ;\n\nmedewerking te verlenen aan Digijuris bij het verwijderen van alle overige informatie van [eiser] ,\n\no het voorgaande op straffe van een dwangsom van € 10.000,- per dag met een maximum van € 500.000,-.\n\no alsmede [gedaagde] te veroordelen om de kosten van Digijuris te betalen.\n\n3.84. \n [gedaagde] betwist dat hij vertrouwelijke informatie van [eiser] op zijn computer heeft staan. Volgens [gedaagde] zijn alle gegevens al verwijderd en [eiser] heeft die stelling vervolgens niet weersproken. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om [gedaagde] te veroordelen om op zijn kosten door Digijuris onderzoek te laten doen en gegevens te laten verwijderen.\n\n3.85. \n [eiser] vordert ook nog een verklaring voor recht dat [gedaagde] geen gegevens van [eiser] meer mag hebben op zijn gegevensdragers. [eiser] heeft echter niet onderbouwd waarom zij belang heeft bij een dergelijke verklaring voor recht. De gevorderde verklaring wordt daarom afgewezen.\n\nCONSERVATOIR BEWIJSBESLAG\n\nOpheffen beslag\n\n3.86. \n [gedaagde] vordert in reconventie opheffing van het bewijsbeslag. Volgens [gedaagde] heeft het beslag geen bewijs opgeleverd van de stellingen van [eiser] , waardoor het bewijsbeslag op grond van artikel 704 lid 2 Rv moet worden opgeheven. Daarnaast vordert [gedaagde] dat [eiser] wordt veroordeeld om Digijuris instructie te geven om alle gegevens te verwijderen die zij in het kader van het bewijsbeslag onder zich heeft.\n\n3.87. Of het beslag geen bewijs heeft opgeleverd van de stellingen van [eiser] , kan de rechtbank niet vaststellen. Wel is duidelijk dat [eiser] geen inzage heeft gehad in bewijs dat [gedaagde] zijn geheimhoudingsbeding heeft geschonden, dan wel dat zij dat wel heeft gehad, maar die bewijsstukken vervolgens niet in deze procedure heeft gebracht. [eiser] is terughoudend in het overleggen van bewijsstukken, omdat [gedaagde] dezelfde advocaat heeft als [E ] . [eiser] wil voorkomen dat [E ] beschikt over stukken die hij tegen [A] kan gebruiken. Of de afwijzing van de vorderingen van [eiser] over schending van het geheimhoudingsbeding ertoe leidt dat het bewijsbeslag moet worden opgeheven, wordt beoordeeld aan de hand van het procesrecht zoals dat geldt sinds 1 januari 2025 (artikel 205 en 206 Rv). Het bewijsbeslag is namelijk in maart 2025 gelegd.\n\n3.88. In artikel 206 lid 3 Rv staat het volgende: “Heeft de rechter beslist dat recht op kennisneming bestaat, dan vervalt het beslag van rechtswege zodra het vonnis of de beschikking in de procedure waarin de in beslag genomen gegevens of zaken tot bewijs kunnen dienen, in kracht van gewijsde is gegaan. De in beslag genomen gegevens of zaken worden onverwijld teruggegeven aan degene onder wie het beslag is gelegd onder gelijktijdige vernietiging van alle kopieën. Als de in beslag genomen gegevens of zaken in gerechtelijke bewaring zijn gegeven, is de bewaarder verplicht tot afgifte daarvan aan degene onder wie het beslag is gelegd. De rechter kan op verzoek van partijen of ambtshalve anders bepalen en nadere aanwijzingen geven.”\n\n3.89. Kracht van gewijsde is de situatie dat tegen een vonnis geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat, zoals hoger beroep. Het vonnis moet dus onaantastbaar zijn en pas dan vervalt het bewijsbeslag van rechtswege. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt uit de wet. Dit betekent dat de rechtbank de vordering van [gedaagde] tot opheffing van het bewijsbeslag zal afwijzen, want partijen kunnen nog in hoger beroep tegen dit vonnis. Hieruit volgt dat Digijuris de gegevens (nog) niet hoeft te verwijderen en dat ook dit gedeelte van de vordering van [gedaagde] wordt afgewezen.\n\nBeslagkosten\n\n3.90. \n [eiser] vordert betaling van de beslagkosten door [gedaagde] . In het vonnis in incident van 17 september 2025 is daarover geen beslissing genomen. De beslagkosten bedragen volgens [eiser] inmiddels € 15.358,50 ex btw voor Digijuris, € 6.219,75 ex btw voor de deurwaarder ( [deurwaarder] en Partners) en € 714,- griffierecht voor het beslagrekest. Ter onderbouwing heeft [eiser] facturen overgelegd. [gedaagde] verweert zich hiertegen met de stelling dat geen bewijs is aangetroffen van de beschuldigingen aan [gedaagde] , en dat het beslag onrechtmatig en onnodig is gebleken. In dat geval is hij niet gehouden om beslagkosten te betalen op grond van artikel 706 Rv.\n\n3.91. In artikel 706 Rv staat dat de kosten van het beslag van de beslagene kunnen worden teruggevorderd, tenzij het beslag nietig, onnodig of onrechtmatig was. Een vordering wordt als onrechtmatig aangemerkt als de vordering waarvoor beslag is gelegd niet toewijsbaar is.\n\n3.92. \n [eiser] heeft in dit geval beslag gelegd ter onderbouwing van haar vorderingen dat [gedaagde] zijn contractuele verplichtingen heeft geschonden en dat hij daardoor boetes heeft verbeurd. De vorderingen die zien op het geheimhoudingsbeding en de boetes zijn niet toewijsbaar, maar de vordering dat [gedaagde] artikel 10 van de overeenkomst heeft geschonden, wel. [gedaagde] heeft namelijk zakelijke mails naar zijn privé mail gestuurd, wat hem was verboden. Om dat te bewijzen had [eiser] echter geen bewijsbeslag nodig, want zij beschikte al over de zakelijke mails van [gedaagde] . Die waren namelijk op 16 januari 2025 al teruggeplaatst in de zakelijke mailbox door de IT-beheerder van [eiser] . Omdat dit de enige vordering van [eiser] is die wordt toegewezen, kan de rechtbank niet anders dan de vordering van [eiser] tot betaling van de beslagkosten afwijzen.\n\nPROCESKOSTEN\n\nin conventie\n\n3.93. \n [eiser] is in conventie grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n2.723,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n9.262,00\n\n(2 punten × € 4.631,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n12.174,00\n\n3.94. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\nin reconventie\n\n3.95. \n [gedaagde] is in reconventie grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n4.631,00\n\n(2 punten × factor 0,5 × € 4.631,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n4.820,00\n\n3.96. \n [eiser] heeft in reconventie geen wettelijke rente gevorderd over de proceskosten, waardoor de rechtbank die niet kan toewijzen.\n\n4. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin conventie\n\n4.1. verklaart voor recht dat [gedaagde] in de nakoming van de overeenkomst is tekortgeschoten door het toezenden van enkele zakelijke e-mails naar zijn privé mailadres waarmee hij zich in strijd met artikel 10 van de overeenkomst tussen partijen bedrijfseigendommen van [eiser] heeft toegeëindigd,\n\n4.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 12.174,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n4.3. veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald\n\n4.4. verklaart dit vonnis wat betreft de onder 4.2 en 4.3 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,\n\n4.5. wijst het meer of anders gevorderde af,\n\nin reconventie\n\n4.6. veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 7.417,86 exclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, vanaf 1 maart 2025 tot de dag van volledige betaling,\n\n4.7. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 4.820,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend\n\n4.8. verklaart dit vonnis wat betreft de onder 4.6 en 4.7 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,\n\n4.9. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door C.J.M. Hendriks en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.\n\nSB5790\n\n zie 7:686a BW\n\n artikel 7:681 BW jo. 7:686a BW.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3733","2026-06-28T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:42.532Z",{"id":96,"ecli":97,"slug":98,"caseNumber":43,"courtId":99,"decisionDate":100,"fullText":101,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":102,"sourceTimestamp":103,"parsedAt":50,"updatedAt":104},"1696","ECLI:NL:RBZWB:2026:5281","ecli-nl-rbzwb-2026-5281",62,"2026-06-10T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nCivielrecht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nzaak\u002Frolnr.: 12031538 CV EXPL 25-4632\n\nvonnis van 10 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser] B.V.,\n\nte [plaats 1] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\ngemachtigde: [gemachtigde] ,\n\nt e g e n :\n\n [gedaagde] ,\n\nhandelende onder de naam\n\n [bedrijf 1] ,\n\nte [plaats 2] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nin persoon.\n\n1. het verloop van de procedure\n\nDe procedure is als volgt verlopen:\n\n- dagvaarding van 12 december 2025,\n\n- conclusies van antwoord, repliek en dupliek.\n\n2. het geschil\n\n2.1.. \n [eiser] vordert de veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 948,30 te vermeerderen met de wettelijke rente over € 668,79 vanaf 11 december 2025 en de proceskosten inclusief de nakosten. Het bedrag van € 948,30 bestaat uit een hoofdsom van € 668,79, € 155,82 aan rente daarover vanaf 11 januari 2024 tot en met 10 december 2025 en € 123,69 als vergoeding van buitengerechtelijke kosten.\n\n2.2.. Als grond van haar vordering tot betaling van de hoofdsom voert [eiser] aan dat [bedrijf 2] op 11 januari 2024 € 677,32 onverschuldigd heeft betaald door dit bedrag over te maken van de bankrekening ten name van [stichting] naar de bankrekening van [gedaagde] . De oorspronkelijke eigenaar van de onverschuldigd betaalde gelden is inmiddels schadeloos gesteld. [eiser] heeft de vordering bij akte van cessie verkregen. [gedaagde] is bij brief van 1 oktober 2025 in kennis gesteld van deze overdracht.\n\n2.3.. Samengevat komt het verweer van [gedaagde] op het volgende neer. Voor deze procedure was [gedaagde] al twee keer gedagvaard voor dezelfde vordering. In de eerste zaak was [bedrijf 2] de eisende partij. Die zaak is niet aangebracht bij de rechtbank. In de tweede zaak trad [b.v.] op als eisende partij. Die zaak heeft niet tot een uitspraak geleid omdat [b.v.] het griffierecht niet had betaald. [bedrijf 2] heeft € 677,37 op [gedaagde] bankrekening gestort. Het rekeningnummer waarvan het geld kwam stond op naam van een stichting die [gedaagde] onbekend was. Na ontvangst van een brief van [bedrijf 2] in december 2024 nam [gedaagde] contact op. Hij wilde het bedrag terugbetalen als [bedrijf 2] hem schriftelijk de bankgegevens zou geven en de finale kwijting zou bevestigen nadat hij had betaald.\n\n3. de beoordeling\n\n3.1.. Als gemachtigde van [eiser] treedt op “ [gemachtigde] ”. Dit is niet de naam van een natuurlijk persoon. Ten onrechte is in de dagvaarding niet de rechtsvorm van [gemachtigde] vermeld. [eiser] krijgt de gelegenheid bij akte hierover alsnog duidelijkheid geven. [gemachtigde] is geen advocaat of deurwaarder. Daarom moet [eiser] een schriftelijke en namens haar ondertekende volmacht overleggen waaruit ondubbelzinnig blijkt dat [gemachtigde] in deze rechtszaak als haar gemachtigde optreedt.\n\n3.2.. Op de zakelijke bankrekening van [gedaagde] is een bedrag van € 668,79 bijgeschreven. Volgens het afschrift van die bankrekening was dit bedrag afkomstig van een bankrekening op naam van [naam 1] . Alleen al deze cryptische omschrijving maakt aannemelijk dat het [gedaagde] onduidelijk was wie deze betaling had gedaan.\n\n3.3.. \n [bedrijf 2] schreef op 2 december 2024 [gedaagde] aan tot terugbetaling van een onverschuldigde betaling van € 677,32. Daarnaast maakte zij aanspraak op € 74,93 aan rente daarover en € 101,60 aan buitengerechtelijke incassokosten. [bedrijf 2] vroeg aan [gedaagde] het totaalbedrag van € 853,85 over te maken op de bankrekening van [stichting] . Het nummer van deze bankrekening komt overeen met dat van de bankrekening waarvan de storting van € 668,79 op de bankrekening van [gedaagde] afkomstig was.\n\n3.4.. In haar brief van 2 december 2024 verlangde [bedrijf 2] ten onrechte rente over het onverschuldigd betaalde bedrag en incassokosten. De wettelijke rente zou verschuldigd kunnen zijn indien [gedaagde] het ontvangen bedrag te kwader trouw zou hebben aangenomen. In dat geval zou zijn verzuim zijn ingetreden zonder ingebrekestelling. Dat is niet aan de orde omdat hij na ontvangst van de betaling contact heeft opgenomen met de bank. Onweersproken stelt hij dat volgens de bank degene die de fout had gemaakt deze betaling te doen, wel contact met hem zou opnemen. Dat gebeurde dus voor het eerst op 2 december 2024. Ook bestond toen nog geen recht op vergoeding van incassokosten.\n\n3.5.. Het verlangen van [gedaagde] dat hem schriftelijk bevestigd werd dat hij bevrijdend zou terugbetalen wat hem onverschuldigd was betaald, is dan ook begrijpelijk.\n\n3.6.. \n [eiser] stelt nu dat [bedrijf 2] ( [b.v.] ) haar vordering wegens onverschuldigde betaling op [gedaagde] heeft overgedragen aan [eiser] en dat daarvan aan [gedaagde] mededeling is gedaan bij brief van 1 oktober 2025.\n\n3.7.. \n [eiser] heeft diverse brieven van [bedrijf 2] overgelegd. Volgens deze brieven is [bedrijf 2] de handelsnaam van [b.v.] (hierna: [b.v.] ). Voor overdracht aan [eiser] van de vordering wegens onverschuldigde betaling op [gedaagde] is nodig een akte tot levering van de vordering en mededeling daarvan aan hem door de vervreemder of de verkrijger van de vordering (artikel 3:94 BW).\n\n3.8.. Als mededeling van de overdracht van de vordering merkt [eiser] aan de niet ondertekende brief van 1 oktober 2025. [eiser] licht niet toe waarom deze brief kan gelden als de wettelijk vereiste mededeling van de cessie door [bedrijf 2] \u002F [b.v.] als vervreemder of door [eiser] als verkrijger. De afzender van deze brief is “ [naam 2] ”. In deze brief is ten onrechte de rechtsvorm van [naam 2] niet vermeld. Mogelijk verstuurde [naam 2] de brief van 1 oktober 2025 ter uitvoering van een volmacht van [b.v.] en\u002Fof [eiser] . In dat geval staat [naam 2] jegens [gedaagde] in voor het bestaan en de omvang van de gestelde volmacht (artikel 3:70 BW). Daarom dient ook de rechtsvorm van [naam 2] te worden opgehelderd.\n\n3.9.. In het verweer ligt besloten dat [gedaagde] een uittreksel verlangt van de akte tot overdracht van de vordering wegens onverschuldigde betaling en van haar titel. Dit uittreksel moet zijn gewaarmerkt door [bedrijf 2] \u002F [b.v.] als vervreemder (artikel 3:94 lid 4 BW).\n\n3.10.. De kantonrechter verwijst de zaak naar de rolzitting zodat [eiser] bij akte van de volgende stukken kan overleggen:\n\n- een stuk waaruit ondubbelzinnig blijkt van de rechtsvorm van [gemachtigde] , bijvoorbeeld een actueel uittreksel uit het handelsregister,\n\n- een schriftelijke volmacht waaruit ondubbelzinnig blijkt dat [gemachtigde] in deze rechtszaak als gemachtigde van [eiser] optreedt,\n\n- een stuk waaruit ondubbelzinnig blijkt van de rechtsvorm van [naam 2] , bijvoorbeeld een actueel uittreksel uit het handelsregister,\n\n- een stuk waaruit ondubbelzinnig blijkt dat de brief van 1 oktober 2025 van [naam 2] aan [gedaagde] kan gelden als de wettelijk vereiste mededeling van de cessie door [b.v.] als vervreemder of door [eiser] als verkrijger,\n\n- een uittreksel van de akte tot overdracht van de vordering wegens onverschuldigde betaling door [bedrijf 2] \u002F [b.v.] aan [eiser] en van haar onderliggende titel. Dit uittreksel moet zijn gewaarmerkt door [bedrijf 2] \u002F [b.v.] als vervreemder.\n\n3.11.. Indien [eiser] niet of onvoldoende gebruik maakt van de mogelijkheid stukken over te leggen, moet zij er rekening mee houden dat de kantonrechter daaraan de gevolgen kan verbinden die hem geraden voorkomen.\n\n3.12.. Als [eiser] een akte neemt, mag [gedaagde] daarop reageren bij antwoordakte.\n\n3.13.. Om een praktische oplossing van deze zaak te bevorderen en te voorkomen dat voor dezelfde vordering wegens onverschuldigde betaling een vierde dagvaarding wordt uitgebracht, overweegt de kantonrechter nog het volgende.\n\n3.14.. Nog steeds is onduidelijk wie de rechthebbende is op de vordering tot terugbetaling van het onverschuldigd betaalde bedrag. [gedaagde] komt dan ook de bevoegdheid toe die terugbetaling op te schorten (artikel 6:37 BW). Als gevolg van de opschorting is er geen sprake van een toerekenbare tekortkoming van [gedaagde] in de nakoming van de verbintenis tot terugbetaling. Dit brengt mee dat de rechthebbende op de vordering tot betaling nu geen aanspraak toekomt tot vergoeding van rente en buitengerechtelijke incassokosten. Als de rechthebbende wel recht zou hebben op rente, zou dat de wettelijke rente zijn en niet, zoals [eiser] kennelijk aanneemt, contractuele rente of de wettelijke handelsrente.\n\n3.15.. Mogelijk lukt het partijen met deze handreiking hun geschil onderling op te lossen zonder verdere voortzetting van de procedure.\n\n4. de beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n4.1.. verwijst de zaak naar de rolzitting van 1 juli 2026 om 09.00 uur zodat [eiser] bij akte de volgende stukken kan overleggen:\n\n- een stuk waaruit ondubbelzinnig blijkt van de rechtsvorm van [gemachtigde] , bijvoorbeeld een actueel uittreksel uit het handelsregister,\n\n- een schriftelijke volmacht waaruit ondubbelzinnig blijkt dat [gemachtigde] in deze rechtszaak als gemachtigde van [eiser] optreedt,\n\n- een stuk waaruit ondubbelzinnig blijkt van de rechtsvorm van [naam 2] , bijvoorbeeld een actueel uittreksel uit het handelsregister,\n\n- een stuk waaruit ondubbelzinnig blijkt dat de brief van 1 oktober 2025 van [naam 2] aan [gedaagde] kan gelden als de wettelijk vereiste mededeling van de cessie door [b.v.] als vervreemder of door [eiser] als verkrijger,\n\n- een uittreksel van de akte tot overdracht van de vordering wegens onverschuldigde betaling door [bedrijf 2] \u002F [b.v.] aan [eiser] en van haar onderliggende titel. Dit uittreksel moet zijn gewaarmerkt door [bedrijf 2] \u002F [b.v.] als vervreemder;\n\n4.2.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Kool, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5281","2026-06-16T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:34.088Z",{"id":106,"ecli":107,"slug":108,"caseNumber":43,"courtId":56,"decisionDate":109,"fullText":110,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":111,"sourceTimestamp":112,"parsedAt":50,"updatedAt":113},"1382","ECLI:NL:RBNHO:2026:7433","ecli-nl-rbnho-2026-7433","2026-06-03T00:00:00.000Z","RECHTBANKNOORD-HOLLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nZaaknummer: 12107095 \\ CV EXPL 26-1044\n\nVonnis van 3 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonende te [plaats],\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser],\n\ngemachtigde: IP Nederland Incasso & Juristen,\n\ntegen\n\nde besloten vennootschap, NINA CARE B.V.,\n\ngevestigd te Haarlem,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: Nina Care,\n\nverschenen bij haar directeur, [gemachtigde].\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding; - de conclusie van antwoord; - de conclusie van repliek; - de conclusie van dupliek.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. Het geschil\n\n2.1.. \n [eiser] vordert - samengevat - veroordeling van Nina Care tot betaling van € 2.245,00 aan hoofdsom, vermeerderd met rente en kosten.\n\n2.2.. \n [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat Nina Care tekort is geschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst, op grond waarvan Nina Care een au pair zou leveren aan [eiser]. Er is sprake van een blijvende onmogelijkheid aan de zijde van Nina Care, aangezien de IND de vergunning van het au-pair-bureau heeft ingetrokken. [eiser] vordert daarom terugbetaling van de Self Match Fee (€ 1.705,00) en de verzekering (€ 540,00).2.3.. Nina Care heeft de vordering erkend, maar beroept zich op haar slechte financiële situatie en acute liquiditeitsdruk. Er maken meerdere schuldeisers aanspraak op betaling. Nina Care heeft daarom bewust gekozen voor een uniforme refundregeling met als uitgangspunt gelijke behandeling van schuldeisers. Nina Care verzoekt dan ook om de zaak aan te houden teneinde ruimte te bieden voor een collectieve oplossing, de toewijzing niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren dan wel een betalingsregeling of nadere termijn te bepalen die aansluit bij de bestaande refundregeling.\n\n2.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n3. De beoordeling\n\n3.1.. Nina Care heeft de vordering tot betaling van de hoofdsom erkend, zodat deze in beginsel voor toewijzing gereed ligt.\n\n3.2.. De kantonrechter stelt vast dat Nina Care op dit moment niet in staat van faillissement verkeert. Dat betekent dat het [eiser] vrijstaat om zijn individuele vordering direct op te eisen. Hij hoeft dus niet te wachten op een collectieve oplossing en is ook niet gebonden aan de door Nina Care eenzijdig opgestelde rangregeling (refundregeling).\n\n3.3.. Nina Care heeft om een betalingsregeling verzocht. [eiser] heeft aangegeven dat hij geen betalingsregeling wil treffen. De wet biedt de kantonrechter niet de mogelijkheid om Nina Care toch een betalingsregeling op te leggen. Dat betekent dat zij het gehele bedrag aan [eiser] moet betalen. De vordering van [eiser] wordt dan ook integraal toegewezen.\n\n3.4.. \n [eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Omdat [eiser] geen ondernemer is, wordt de vergoeding verhoogd met btw. Daarom zal een bedrag van € 407,47 worden toegewezen.\n\n3.5.. Nina Care is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n155,67\n\n- griffierecht\n\n€\n\n265,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n506,00\n\n(2 punten × € 253,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n126,50\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.053,17\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n4.1.. veroordeelt Nina Care om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.317,58, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 2.245,00, met ingang van 3 februari 2026, tot de dag van volledige betaling,4.2.. veroordeelt Nina Care om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 407,47 aan buitengerechtelijke kosten,\n\n4.3.. veroordeelt Nina Care in de proceskosten van € 1.053,17, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Nina Care niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n4.4.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J.J. Dijk en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.\n\nDe griffier De kantonrechter","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7433","2026-06-22T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:19.003Z",{"id":115,"ecli":116,"slug":117,"caseNumber":43,"courtId":56,"decisionDate":118,"fullText":119,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":120,"sourceTimestamp":121,"parsedAt":50,"updatedAt":122},"1894","ECLI:NL:RBNHO:2026:3891","ecli-nl-rbnho-2026-3891","2026-04-16T00:00:00.000Z","RECHTBANK Noord-Holland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nZaaknummer: C\u002F15\u002F375029 \u002F KG ZA 26-86\n\nVonnis in kort geding van 16 april 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [eiser 1],\n\nwonende te [plaats 1], 2. [eiser 2],\n\nwonende te [plaats 2], 3. [eiser 3],\n\nwonende te [plaats 1],\n\n4. [eiser 4],\n\nwonende te [plaats 3],\n\neisende partijen,\n\nhierna samen te noemen: [eisers],\n\nadvocaat: mr. T.G. Griffith,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\ngevestigd te [plaats 2],\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: de VvE,\n\nadvocaat: mr. R.J.A.M. Besselink.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met 13 producties. - de producties 1 t\u002Fm 9 van de VvE - de mondelinge behandeling van 18 maart 2026 - de pleitnota van [eisers] - de pleitnota van de VvE.\n\n1.2.. Voor de mondelinge behandeling op 18 maart 2026 zijn verschenen [eisers], vergezeld van de echtgenote van [betrokkene 1] en bijgestaan door mr. Griffith voornoemd en namens de VvE [betrokkene 2] (bestuurder), bijgestaan door mr. Besselink voornoemd.\n\n1.3.. Nadat partijen het woord gevoerd hebben is de verdere behandeling van de zaak pro forma aangehouden voor de duur van twee weken in afwachting van uitlating namens [eisers] over de gewenste voortgang van de zaak.\n\n1.4.. Bij brief van 1 april 2026 heeft mr. Griffith meegedeeld dat partijen ondanks serieuze inspanningen geen overeenstemming hebben kunnen bereiken en verzocht om vonnis te wijzen.\n\n1.5.. Tenslotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [eisers] zijn allen eigenaar van een appartementsrecht in het appartementengebouw [naam] te [plaats 2] en derhalve lid van de VvE.\n\n2.2.. De VvE is op 30 november 2020 opgericht bij akte van ondersplitsing in appartementsrechten. Het beheer van de VvE wordt sinds de oprichting verzorgd door [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1]).\n\n2.3.. Op 8 oktober 2025 heeft een algemene ledenvergadering (ALV) plaatsgevonden. Tijdens deze vergadering zijn onder meer besluiten genomen tot benoeming van nieuwe bestuursleden, de aanstelling van [bedrijf 2] als nieuwe beheerder van de VvE, aanstelling van [betrokkene 3] voor tuinonderhoud, aanschaf van een weersensor, het lidmaatschap van VvE Belang, de aanschaf van nieuwe mededelingenborden, het afschalen van Intersafe, de af te sluiten nieuwe verzekering en het aanstellen van een nieuw schoonmaakbedrijf.\n\n2.4.. \n\nVoor bepaalde besluiten werd volgens het bestuur het vereiste quorum niet behaald.\n\nOp 27 oktober 2025 is een tweede ALV gehouden waarin de betreffende agendapunten opnieuw ter stemming zijn gebracht.\n\n2.5.. Twee eigenaren hebben als de zogenoemde controlecommissie de rechtsgeldigheid van de uitgebrachte stemmen gecontroleerd. Zij hebben geconcludeerd dat een aantal stemmen als ongeldig moet worden beschouwd, vanwege ontbrekende handtekeningen op volmachten, ontbrekende handtekeningen op de presentielijst en onvoldoende koppeling tussen de stem en een geldig vertegenwoordigd appartementsrecht. De twee eigenaren hebben in een e-mail van 9 november 2025 de gevolgen voor de genomen besluiten als volgt weergegeven:\n\nOm de besluitvorming zorgvuldig en transparant af te ronden, wordt voorgesteld om onderscheid te maken tussen besluiten waarbij de ongeldige stemmen geen materiële invloed hebben op de uitslag, en besluiten waarbij dit wel het geval is.\n\nBesluiten die kunnen worden vastgesteld (minder dan 5.000 tegenstemmen):\n\nNieuwe bestuursleden\n\nNieuwe beheerder ([bedrijf 2])\n\nTuinonderhoud [betrokkene 3]\n\nWeersensor\n\nLidmaatschap VvE Belang\n\nNieuwe mededelingenborden\n\nBesluiten die opnieuw besluitvorming vereisen (invloed van ongeldige stemmen):\n\nIntersafe\n\nNieuwe verzekering\n\nSchoonmaakbedrijf\n\n2.6.. Op 11 november 2025 heeft een bestuursvergadering plaatsgevonden en heeft een groot deel van de bestuursleden, zijnde [eisers], hun taken per direct neergelegd. Op 12 november 2025 heeft [bedrijf 1] de eigenaren per brief hierover geïnformeerd.\n\n2.7.. Op 16 maart 2026 is op een ALV [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]) benoemd tot bestuurder.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n\n [eisers] vorderen - samengevat –voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. aanstelling van [bedrijf 2], althans een beheerder, als tijdelijk bestuur van de VvE voor een termijn van twee jaar, althans een termijn de voorzieningenrechter zal vermenen te behoren, totdat in een ALV definitief over de aanstelling van een bestuur kan worden gestemd;\n\nII. te bepalen dat de voorgedragen bestuursleden, althans onder meer de volgende bestuursleden [betrokkene 4], [betrokkene 5], [betrokkene 6], [betrokkene 7], [betrokkene 8], [betrokkene 9] en [betrokkene 10], voorlopig geen deel zullen uitmaken van het nieuw te vormen bestuur;\n\nIII. te bepalen dat voorlopig geen ALV-vergadering zal plaatsvinden, althans dat tijdens de vergadering geen besluiten kunnen worden genomen over de benoeming van bestuursleden;\n\nIV. te bepalen dat de rechtsgeldige besluiten (tot benoeming van nieuwe bestuursleden, de aanstelling van [bedrijf 2] als nieuwe beheerder van de VvE, aanstelling van [betrokkene 3] voor tuinonderhoud, aanschaf van een weersensor, lidmaatschap VvE Belang, aanschaf van nieuwe mededelingenborden) die tijdens de ALV vergadering van 8 oktober 2025 zijn genomen, binnen een termijn van 14 dagen na betekening van het vonnis zullen worden uitgevoerd;\n\nV. te bepalen dat de rechtsgeldige besluiten (tot het afschalen van Intersafe, de af te sluiten nieuwe verzekering en het aanstellen van een nieuw schoonmaakbedrijf) die tijdens de ALV vergadering van 8 oktober 2025 zijn genomen, binnen een termijn van 14 dagen na betekening van het vonnis zullen worden uitgevoerd;\n\nVI. de VvE te veroordelen om binnen 14 dagen opdracht te geven aan [bedrijf 1] om tijdelijk de taken neer te leggen en overdracht te doen aan [bedrijf 2] van onder andere de boekhouding en alles wat daarbij hoort opdat een VvE-beheerder haar taken naar behoren kan uitvoeren;\n\nVII. een dwangsom op te leggen van € 1.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat gedaagde in gebreke blijft met de nakoming van het onder I tot en met VI gevorderde, met een maximum van € 50,000,-;\n\nVIII. de VvE te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf zeven dagen na het vonnis tot de dag van algehele voldoening.\n\n3.2.. \n [eisers] leggen aan de vordering het volgende ten grondslag. De rechtsgeldig genomen besluiten op de ALV van 8 en 27 oktober 2025 dienen te worden uitgevoerd. ***\n\n3.3.. VvE voert verweer. VvE concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisers], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisers], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.\n\n3.4.. VvE voert het volgende aan.\n\n3.5.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nSpoedeisend belang\n\n4.1.. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eisers] daarbij een spoedeisend belang hebben. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.\n\n4.2.. \n [eisers] hebben in de dagvaarding van 9 maart 2026 gesteld dat zij spoedeisend belang hebben bij hun vorderingen omdat een goed functionerend bestuur van de VvE ontbreekt en er onduidelijkheid bestaat over het financieel beheer, wat risico’s meebrengt voor de leden van de VvE. Daarbij hebben zij aangevoerd dat een nog te plannen ALV zal plaatsvinden met leden die nauw verbonden zijn met het voormalig bestuur en dat uitvoering van rechtsgeldige besluiten uitblijft.\n\n4.3.. Tijdens de mondelinge behandeling van 18 maart 2026 is aan de orde geweest dat [betrokkene 2] in een op 16 maart 2026 gehouden ALV met overgrote meerderheid van stemmen is benoemd tot nieuwe voorzitter van de VvE. Dit betekent dat ten tijde van de mondelinge behandeling op rechtsgeldige en democratische wijze was voorzien in het bestuur van de VvE, zodat [eisers] niet langer spoedeisend belang hebben bij toewijzing van hun vorderingen. Dat [eisers] het mogelijk niet eens zijn met de benoeming van deze nieuwe bestuurder, maakt dit niet anders.\n\n4.4.. Beide partijen zijn er momenteel het meest bij gebaat dat de onderlinge communicatie binnen de VvE weer in meer normale banen gebracht zal worden, op de wijze als in de statuten voorzien. Aan [betrokkene 2] moet enige tijd gegund worden om dat doel te bereiken.\n\n4.5.. Dit betekent dat de vorderingen worden afgewezen bij gebrek aan spoedeisend belang.\n\n4.6.. \n [eisers] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de VvE worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n735,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.177,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.101,00\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n5.1.. wijst de vorderingen van [eisers] af,\n\n5.2.. veroordeelt [eisers] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.4.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026.\n\n1604","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:3891","2026-04-13T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:44.205Z",{"id":124,"ecli":125,"slug":126,"caseNumber":43,"courtId":127,"decisionDate":128,"fullText":129,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":130,"sourceTimestamp":131,"parsedAt":50,"updatedAt":132},"515","ECLI:NL:RBGEL:2026:5273","ecli-nl-rbgel-2026-5273",68,"2026-03-04T00:00:00.000Z","RECHTBANK Gelderland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Zutphen\n\nZaaknummer: C\u002F05\u002F460393 \u002F HZ ZA 25-358\n\nVonnis in incident van 4 maart 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [naam eisend vennootschap] ,\n\nte [vestigingsplaats] , 2. [naam eiser in hoofdzaak sub. 2],\n\nte [woonplaats] , 3. [naam eiser in hoofdzaak sub. 3],\n\nte [woonplaats] ( [land] ),\n\neisende partijen in de hoofdzaak,\n\nverwerende partijen in het incident,\n\nhierna samen te noemen: [de eiser in de hoofdzaak] ,\n\nadvocaat: mr. E. Baldan,\n\ntegen\n\n [naam gedaagde in de hoofdzaak],\n\nte [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij in de hoofdzaak,\n\neisende partij in het incident,\n\nhierna te noemen: [de gedaagde in de hoofdzaak] ,\n\nadvocaat: mr. E.F.E. van Essen.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de verzetdagvaarding - de incidentele conclusie tot niet-ontvankelijkheid in het ingestelde verzet\n\n- de conclusie van antwoord in het incident\n\n2. Het geschil in de incidenten\n\n2.1.. \n [de eiser in de hoofdzaak] heeft bij verzetdagvaarding een incident opgeworpen teneinde de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis van 10 september 2025 te schorsen tot in de hoofdzaak wordt beslist, met veroordeling van [de gedaagde in de hoofdzaak] in de kosten van het incident.\n\n2.2.. \n [de gedaagde in de hoofdzaak] heeft het recht om te reageren op de incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis van 10 september 2025 voorbehouden. [de gedaagde in de hoofdzaak] heeft als reactie op het incident van [de eiser in de hoofdzaak] een incident ingesteld, inhoudende dat [de eiser in de hoofdzaak] niet-ontvankelijk wordt verklaard in het ingestelde verzet, met veroordeling van [de eiser in de hoofdzaak] in de kosten van dit incident.\n\n2.3.. \n [de eiser in de hoofdzaak] concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [de gedaagde in de hoofdzaak] in het incident, althans zijn vordering af te wijzen, met veroordeling van [de gedaagde in de hoofdzaak] in de kosten van het incident.\n\n2.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n3. De beoordeling in de incidenten\n\nInternationaal karakter\n\n3.1.. \n [naam eiser in hoofdzaak sub. 3] , eiser sub 3, is woonachtig in [land] en [de gedaagde in de hoofdzaak] , gedaagde, is woonachtig in Nederland. Voordat de rechtbank toekomt aan de beoordeling van dit incident, zal zij vanwege het internationale karakter van het geschil eerst toetsen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en welk recht op het geschil van toepassing is.\n\n3.2.. \n [de gedaagde in de hoofdzaak] is woonachtig in Nederland, een lidstaat van de Europese Unie, en de vordering betreft een burgerlijke of handelszaak die is ingesteld na 10 januari 2015. Dit betekent dat de vraag of de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht heeft, beantwoord wordt aan de hand van de Verordening (EU) nr. 1215\u002F2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking) (hierna: Brussel I-bis). Volgens de in artikel 4 Brussel I-bis vastgelegde hoofdregel zijn internationaal bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de gedaagde partij woonplaats heeft. Nu [de gedaagde in de hoofdzaak] woonachtig is in Nederland, is de Nederlandse rechter bevoegd om kennis te nemen van het geschil.\n\nToepasselijk recht\n\n3.3.. \n\nTussen partijen is discussie over hoe de in het geschil zijnde overeenkomst gekwalificeerd dient te worden. [de gedaagde in de hoofdzaak] stelt dat sprake is van een samenwerkingsovereenkomst, bestaande uit onder meer – zo begrijpt de rechtbank – dienstverlening, aanneming en verhuur. [de eiser in de hoofdzaak] voert aan dat sprake is van een turnkey aannemingsovereenkomst. De kwalificatie van de overeenkomst kan voor de beoordeling van het toepasselijk recht in het midden blijven, nu vaststaat dat sprake is van een verbintenis uit overeenkomst in een burgerlijke of handelszaak. Het toepasselijke recht wordt in dat geval vastgesteld aan de hand van de Verordening (EG) nr. 593\u002F2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (hierna: Rome I). Op grond van artikel 4 lid 2 Rome I wordt indien de overeenkomst niet onder lid 1 valt (zoals ingeval van aanneming) of de bestanddelen van de overeenkomst onder meer dan een van de punten a tot en met h van lid 1 vallen (zoals ingeval van dienstverlening en huur), de overeenkomst beheerst door het recht van het land waar de partij die de kenmerkende prestatie van de overeenkomst moet verrichten, haar gewone verblijfplaats heeft. Nu alle prestaties die op grond van de overeenkomst verricht dienden te worden zijn verricht door [de gedaagde in de hoofdzaak] en [naam eisend vennootschap] en beide partijen hun verblijfplaats hebben in Nederland, is Nederlands recht van toepassing op dit geschil.\n\nHet incident tot niet-ontvankelijkheid\n\n3.4.. \n\n [de gedaagde in de hoofdzaak] stelt in het incident tot niet-ontvankelijkheid in het verzet dat de wettelijke verzettermijn van vier weken op grond van artikel 143 lid 3 jo. 144 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is aangevangen op 30 september 2025, zodat de door\n\n [de eiser in de hoofdzaak] op 26 november 2025 betekende verzetdagvaarding te laat is ingediend en [de eiser in de hoofdzaak] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar verzet.\n\n3.5.. Op grond van artikel 143 lid 3 Rv vangt de termijn waarbinnen het verzet moet worden gedaan aan op de dag waarop het vonnis ten uitvoer is gelegd. Op grond van artikel 144 aanhef en onder b Rv wordt in geval van derdenbeslag op een vordering, het vonnis geacht ten uitvoer te zijn gelegd na de uitbetaling aan de beslaglegger. Betreft het een derdenbeslag op een vordering tot periodieke betalingen, dan wordt het vonnis geacht ten uitvoer te zijn gelegd na de eerste uitbetaling (ECLI:NL:HR:2004:AM2341). In deze zaak is executoriaal derdenbeslag gelegd onder mevrouw [huurster] (hierna: “ [huurster] ”), voormalig huurster van [de eiser in de hoofdzaak] [de gedaagde in de hoofdzaak] stelt dat [huurster] op 30 september 2025 een bedrag van € 2.000,00 als deelbetaling heeft betaald aan [de gedaagde in de hoofdzaak] . [de eiser in de hoofdzaak] betwist dat [huurster] de betaling heeft verricht.\n\n3.6.. \n\n [de gedaagde in de hoofdzaak] heeft een door [huurster] ingevulde verklaring derdenbeslag overgelegd, waaruit volgt dat [huurster] verklaart dat zij op 30 september 2025 een huurachterstand had van € 7.000,00 en dat zij een bedrag van € 2.000,00 in mindering op de schuld heeft betaald. Daarnaast heeft [de gedaagde in de hoofdzaak] een kwitantie overgelegd waaruit volgt dat [huurster] op 30 september 2025 een bedrag van € 2.000,00 heeft betaald. [de eiser in de hoofdzaak] heeft daartegen een mail van de deurwaarder van 24 november 2025 overgelegd waarin de deurwaarder een specificatie van de schuld van [de eiser in de hoofdzaak] op grond van het verstekvonnis heeft opgesteld per 24 november 2025. In de specificatie is de betaling van [huurster] niet opgenomen en is de schuld sinds het verstekvonnis ook niet met € 2.000,00 verminderd, zodat de betaling niet op 30 september 2025 is verricht, aldus\n\n [de eiser in de hoofdzaak] Daar komt bij dat enerzijds [de gedaagde in de hoofdzaak] een Whatsappbericht van [huurster] heeft overgelegd waarin zij verklaart dat zij aan hem de eerste betaling heeft gedaan op 30 september 2025 en anderzijds [de eiser in de hoofdzaak] een geluidsopname met transcripties heeft overgelegd waarin [huurster] verklaart dat zij de betaling van\n\n€ 2.000,00 in maart 2025 heeft verricht en geen verdere betalingen heeft gedaan. De rechtbank is gelet op deze omstandigheden van oordeel dat zonder nadere bewijslevering – waarvoor dit incident zich niet leent – niet kan worden vastgesteld of [huurster] de betaling van € 2.000,00 op 30 september 2025 heeft verricht. Nu dit bepalend is voor de vraag of [de eiser in de hoofdzaak] binnen de verzettermijn in verzet is gegaan, en dus of zij ontvankelijk is in de hoofdzaak, ziet de rechtbank aanleiding om nadere inlichtingen te verzoeken op de mondelinge behandeling en de ontvankelijkheid van [de eiser in de hoofdzaak] in het verzet tegelijk met de hoofdzaak te behandelen.\n\n3.7.. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.\n\nHet incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis\n\n3.8.. \n [de eiser in de hoofdzaak] heeft bij verzetdagvaarding een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis van 10 september 2025 ingesteld. [de gedaagde in de hoofdzaak] heeft geen conclusie van antwoord in dit incident genomen. De rechtbank is van oordeel dat [de gedaagde in de hoofdzaak] hiermee zijn recht op het nemen van een conclusie van antwoord in dit incident heeft verspeeld. De door [de gedaagde in de hoofdzaak] ingestelde incidentele vordering tot niet-ontvankelijkheid is niet in de wet geregeld, zodat evenmin wettelijk is voorgeschreven dat op deze vordering eerst en vooraf moet worden beslist, in die zin dat eerst op de incidentele vordering wordt beslist voordat de hoofdzaak (of het eerder opgeworpen incident) wordt behandeld. In een dergelijk geval geldt de maatstaf van artikel 209 Rv, inhoudende dat op de incidentele vordering eerst en vooraf wordt beslist indien de zaak dat medebrengt. Door [de gedaagde in de hoofdzaak] zijn geen omstandigheden aangedragen op grond waarvan de zaak meebrengt dat eerst op zijn incident tot niet-ontvankelijkheid dient te worden beslist voordat op het incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het verstek kan worden beslist. Daar komt bij dat de incidentele vordering van [de eiser in de hoofdzaak] tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis is gebaseerd op artikel 223 Rv. Voor een provisionele vordering in de zin van artikel 223 Rv is vereist dat degene die zich op het artikel beroept belang heeft bij de vordering, in die zin dat van hem niet kan worden gevergd dat hij de afloop van de bodemzaak afwacht. Het ligt daarom voor de hand om op een dergelijk incident voorafgaand aan de hoofdzaak te beslissen. Met het oordeel dat de ingestelde incidentele vordering van [de gedaagde in de hoofdzaak] niet noodzaakt tot een voorafgaande behandeling aan de ingestelde incidentele vordering van [de eiser in de hoofdzaak] , staat achteraf bezien vast dat [de gedaagde in de hoofdzaak] de proceshandeling waarvoor de zaak eigenlijk stond, de conclusie van antwoord in het incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis, ten onrechte niet heeft verricht. De rechtbank is daarom van oordeel dat zijn recht om deze proceshandeling te verrichten is vervallen op grond van artikel 133 lid 4 Rv.\n\n3.9.. Het voorgaande brengt mee dat [de gedaagde in de hoofdzaak] de stellingen van [de eiser in de hoofdzaak] in het incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis niet heeft betwist. Voor een provisionele vordering als bedoeld in artikel 223 Rv is – naast samenhang met de vordering in de hoofdzaak – vereist dat de eisende partij voldoende belang bij de vordering heeft. Daarnaast moet de rechter de wederzijdse belangen afwegen. Nu [de eiser in de hoofdzaak] in de hoofdzaak vordert dat zij zal worden ontheven van de tegen haar bij verstekvonnis van 10 september 2025 uitgesproken veroordelingen, is met de gevorderde schorsing van de tenuitvoerlegging van dit verstekvonnis sprake van samenhang met de vordering in de hoofdzaak. Verder stelt [de eiser in de hoofdzaak] dat [naam eiser in hoofdzaak sub. 2] , eiser sub 2, en zijn vrouw dakloos zullen raken door de executoriale verkoop van hun woning en dat de verkoop tegen een lagere prijs tot onomkeerbare schade zal leiden. Daarnaast stelt [de eiser in de hoofdzaak] dat sprake is van een groot restitutierisico. Nu deze stellingen niet door [de gedaagde in de hoofdzaak] zijn betwist, is de rechtbank van oordeel dat [de eiser in de hoofdzaak] voldoende belang heeft bij haar incidentele vordering en dat de belangenafweging in haar voordeel uitvalt. De rechtbank zal de incidentele vordering tot het schorsen van het verstekvonnis van 10 september 2025 daarom toewijzen. Of [de gedaagde in de hoofdzaak] misbruik maakt van recht – zoals door [de eiser in de hoofdzaak] is gesteld – kan in het midden blijven.\n\nProceskosten\n\n3.10.. De incidentele vordering van [de eiser in de hoofdzaak] wordt toegewezen, zodat [de gedaagde in de hoofdzaak] heeft te gelden als de in het ongelijk gestelde partij. [de gedaagde in de hoofdzaak] zal daarom in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. De kosten van [de eiser in de hoofdzaak] worden begroot op € 842,00 (€ 653,00 aan salaris advocaat (1 punt, tarief II) + € 189,00 aan nakosten) plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing.\n\n4. De beoordeling in de hoofzaak\n\n4.1.. \n [de eiser in de hoofdzaak] heeft bij haar verzetdagvaarding reconventionele vorderingen ingesteld. Door [de gedaagde in de hoofdzaak] is nog niet geconcludeerd voor antwoord in reconventie in de hoofdzaak, zodat de rechtbank de zaak op de rol zal plaatsen van 15 april 2026 voor conclusie van antwoord in reconventie in de hoofdzaak door [de gedaagde in de hoofdzaak] .\n\n4.2.. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin het incident tot niet-ontvankelijkheid\n\n5.1.. houdt iedere beslissing aan,\n\nin het incident tot schorsing van het verstekvonnis\n\n5.2.. schorst de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis van 10 september 2025 tot in de hoofdzaak wordt beslist,\n\n5.3.. \n\nveroordeelt [de gedaagde in de hoofdzaak] in de kosten van het incident, aan de zijde van\n\n [de eiser in de hoofdzaak] tot op tot op heden begroot op € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [de eiser in de hoofdzaak] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\nin de hoofdzaak\n\n5.4.. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 15 april 2026 voor conclusie van antwoord in reconventie in de hoofdzaak door [de gedaagde in de hoofdzaak] ,\n\n5.5.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. P.F.A. Bierbooms en in het openbaar uitgesproken op\n\n4 maart 2026.\n\nJV\u002FPB","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5273","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:34.252Z",20,[11,135],2024]