[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-compulsory-care-nl-2026":3},{"detail":4,"years":206},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":39,"total":204,"page":14,"limit":205},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},56,"compulsory-care-nl","Compulsory Care","NL","2026-07-08T16:54:05.500Z",2026,[13,15,18,20,22,25,27,29,31,33,35,37],{"month":14,"count":14},1,{"month":16,"count":17},2,0,{"month":19,"count":17},3,{"month":21,"count":19},4,{"month":23,"count":24},5,17,{"month":26,"count":17},6,{"month":28,"count":17},7,{"month":30,"count":17},8,{"month":32,"count":17},9,{"month":34,"count":17},10,{"month":36,"count":17},11,{"month":38,"count":17},12,[40,54,63,70,80,88,95,104,111,118,125,132,141,148,155,162,169,179,187,197],{"id":41,"ecli":42,"slug":43,"caseNumber":44,"courtId":45,"decisionDate":46,"fullText":47,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":50,"sourceTimestamp":51,"parsedAt":52,"updatedAt":53},"619","ECLI:NL:RBDHA:2026:15461","ecli-nl-rbdha-2026-15461","",58,"2026-05-28T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nJeugd- en Zorgrecht\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F705617 \u002F JE RK 26-883\n\nDatum uitspraak: 28 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging gesloten jeugdhulp\n\nin de zaak van\n\nRaad voor de Kinderbeschermingte Den Haag,\n\nhierna te noemen: de Raad,\n\nover\n\n [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen: [de minderjarige] ,\n\nadvocaat mr. mr. J. Looman uit Wassenaar.\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder 1] ,\n\nhierna te noemen: [de moeder 1] ,\n\nen\n\n [de moeder 2] ,\n\nhierna te noemen: [de moeder 2] ,\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\nhierna ook tezamen te noemen: de ouders.\n\nDe kinderrechter merkt als informant aan:\n\nWilliam Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.\n\n1. Het verdere verloop van de procedure\n\n1.1.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 21 mei 2026 [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 4 juni 2026 en voor dezelfde duur een spoedmachtiging verleend [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp, met aanhouding van het overige deel van het verzoek.\n\n1.2.. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\n- de beschikking van 21 mei 2026 en de hierin genoemde stukken;\n\n- de instemmende verklaring van de gedragswetenschapper van 28 mei 2026.\n\n1.3.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 28 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\n- [de minderjarige] met haar advocaat;\n\n- de ouders;\n\n- [naam 1] , namens de Raad;\n\n [naam 2] , namens de gecertificeerde instelling;\n\nde ambulante opvoedondersteuner van Impegno, [naam 3] , als toehoorder.\n\n1.4.. De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover, voorafgaand aan de zitting en in het bijzijn van haar advocaat, een gesprek gevoerd met de kinderrechter. De kinderrechter heeft op verzoek van [de minderjarige] de inhoud van het gesprek vertrouwelijk gehouden.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [de minderjarige] verblijft bij [instelling] .\n\n2.2.. De kinderrechter verwijst voor een weergave van de overige feiten naar de beschikking van 21 mei 2026.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De Raad verzoekt [de minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de resterende duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ook verzoekt de Raad een machtiging te verlenen om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling. De Raad heeft het verzoek, samengevat en zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd.\n\n3.2.. Er zijn al langere tijd grote zorgen bestaan over de ontwikkeling en veiligheid van [de minderjarige] . [de minderjarige] vertoont fors zelfbepalend gedrag, loopt veelvuldig weg, houdt zich niet aan de afspraken en accepteert geen grenzen. Daarnaast zijn er signalen dat [de minderjarige] contacten heeft met meerderjarige mannen waarmee zij seksuele handelingen zou verrichten in ruil voor wiet en vapes en zijn er signalen dat zij zichzelf beschadigt. Aangezien de thuissituatie niet langer houdbaar was, verblijft [de minderjarige] sinds oktober 2025 bij Ipse de Bruggen. Bij Ipse de Bruggen, waar [de minderjarige] voorheen verbleef, zijn de zorgen de afgelopen periode echter steeds verder toegenomen. [de minderjarige] loopt ’s nachts steeds vaker weg en is dan nachten achtereen weg. Op die momenten is het onduidelijk met wie en waar zij is. [de minderjarige] brengt zichzelf in gevaarlijke en risicovolle situaties en zij lijkt vaker onder invloed te zijn van drugs en\u002Fof alcohol. Ook zijn er signalen dat in haar omgeving cocaïne wordt gebruikt. Er zijn tevens ernstige zorgen over haar sociale netwerk. [de minderjarige] en haar vriendje zouden samen een scooter hebben gestolen en zich hierop verplaatsen zonder helm en zonder rijbewijs. Ook zijn er zorgen dat [de minderjarige] beelden van zichzelf deelt op sociale media waarop zij seksuele handelingen uitvoert. Bij [de minderjarige] ontbreekt het aan probleeminzicht en zij is niet aanspreekbaar op haar gedrag. Hiernaast gaat zij ook niet meer naar school. De ouders zijn op dit moment wel bereid, maar niet, althans onvoldoende, in staat om de veiligheid van [de minderjarige] te waarborgen. Ook op de open groep lukt het niet meer om [de minderjarige] te begrenzen in haar gedrag en haar veiligheid voldoende te waarborgen. De betrokkenheid van een jeugdbeschermer is nodig om zicht te houden op de ontwikkeling en veiligheid van [de minderjarige] , regie te voeren over de (in te zetten) hulpverlening voor [de minderjarige] en de ouders te ondersteunen bij de beslissingen die genomen moeten worden in [de minderjarige] haar belang. Daarnaast is een gesloten plaatsing noodzakelijk omdat dit op dit moment de enige manier is om de veiligheid van [de minderjarige] te waarborgen en [de minderjarige] tot rust te laten komen en te stabiliseren.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. De advocaat van [de minderjarige] heeft naar voren gebracht dat hij de zorgen begrijpt. Beide moeders zijn erg betrokken en [de minderjarige] is een lief meisje en het is van belang dat zij weer rust en stabiliteit krijgen zodat een passend hulpverleningstraject kan worden gestart, om uiteindelijk weer tot de situatie te komen dat [de minderjarige] terug naar huis kan. Wel is het zorgelijk dat er zorgen worden uitgesproken over het rondgaan van filmpjes van [de minderjarige] waarop zij seksuele handelingen zou verrichten en dat [de minderjarige] mogelijk met meerderjarige mannen zou omgaan, terwijl er geen duidelijke bron voor deze zorgen in het rapport wordt vermeld en dat deze ook niet ter zitting kan worden genoemd. Dit is temeer vervelend omdat [de minderjarige] ontkent dat hier sprake van is.\n\n4.2.. De ouders hebben ingestemd met het verzoek. Zij maken zich zorgen om [de minderjarige] en hopen dat zij snel de hulp krijgt die zij nodig heeft.\n\n4.3.. De gecertificeerde instelling heeft zich achter het verzoek van de Raad geschaard.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan.Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [de minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [de minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten instelling noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [de minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die zij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen.\n\n5.2.. De kinderrechter overweegt daartoe dat er al lange tijd ernstige zorgen zijn over de veiligheid en ontwikkeling van [de minderjarige] , en dat deze in de afgelopen periode zelfs fors zijn toegenomen. [de minderjarige] gaat niet naar school, loopt weg en is soms nachten lang weg waarbij onduidelijk is met wie en waar zij is. Ook gebruikt zij middelen en alcohol. Hoewel [de minderjarige] ontkent dat er sprake zou zijn van (seksueel) contact met meerderjarige mannen en filmpjes hiervan, lijken er in ieder geval sprake te zijn van situaties waar [de minderjarige] haar veiligheid en ontwikkeling in gevaar komen en waarvan het noodzakelijk is dat er meer zicht op komt en onderzoek naar gedaan wordt. De kinderrechter ziet dat de ouders liefdevol en betrokken zijn, maar dat de band tussen hen en [de minderjarige] verstoord is, en gunt het hen dat zij weer als gezin liefdevol contact kunnen hebben om zo toe te werken naar een veilige thuisplaatsing. Tot die tijd is het noodzakelijk dat een jeugdbeschermer betrokken blijft en de noodzakelijke hulpverlening inzet voor [de minderjarige] . De komende periode is de gesloten plaatsing noodzakelijk met als doel de veiligheid te waarborgen, stabiliteit te creëren en passende behandeling mogelijk te maken.\n\n5.3.. Daarom stelt de kinderrechter [de minderjarige] voorlopig onder toezicht voor de resterende duur van drie maanden en verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad. Ook machtigt de kinderrechter de gecertificeerde instelling om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling.5.4.. De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.\n\n6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n6.1.. stelt [de minderjarige] voorlopig onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 4 juni 2026 tot 21 augustus 2026;\n\n6.2.. verleent een machtiging om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 4 juni 2026 tot 21 augustus 2026;\n\n6.3.. verklaart de beslissing onder 6.1. uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026 door mr. M.M.C. Limbeek, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. van Leeuwen als griffier, en op schrift gesteld op 5 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Artikel 1:257 BW.\n\n Artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet (Jw).\n\n Artikel 2 Besluit gezagsregisters.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:15461","2026-06-08T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:39.559Z",{"id":55,"ecli":56,"slug":57,"caseNumber":44,"courtId":45,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":52,"updatedAt":62},"950","ECLI:NL:RBDHA:2026:17307","ecli-nl-rbdha-2026-17307","2026-05-26T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\n Team Jeugd- en Zorgrecht\n\nZaak-\u002Frekestnr.: C\u002F09\u002F705623 \u002F FA RK 26-5081\n\nDatum beschikking: 26 mei 2026\n\nMachtiging tot voortzetting van de crisismaatregel\n\nBeschikkingnaar aanleiding van het op 22 mei 2026 door de officier van justitie ingediende verzoek tot voortzetting van een crisismaatregel, als bedoeld in artikel 7:7 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:\n\n [betrokkene],\n\nhierna te noemen: betrokkene,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats],\n\nwonende te [woonplaats],\n\nthans verblijvende in de accommodatie [zorginstelling], te [plaats],\n\nadvocaat: mr. A.G.P. de Boon te Zoetermeer.\n\nProcesverloop\n\nBij verzoekschrift heeft de officier van justitie verzocht om voortzetting van de op 21 mei 2026 genomen crisismaatregel.\n\nBij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:\n\neen afschrift van de beschikking van de burgemeester van de [gemeente] tot het nemen van de crisismaatregel;\n\neen op 21 mei 2026 ondertekende medische verklaring van [psychiater], psychiater, die betrokkene heeft onderzocht maar niet bij de behandeling betrokken was;\n\n- een brief van de officier van justitie van 22 mei 2026, waaruit blijkt dat er ten aanzien van betrokkene geen recente politiemutaties zijn en betrokkene geen justitiële documentatie heeft.\n\nDe mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 26 mei 2026. Daarbij zijn de volgende personen gehoord:\n\n- betrokkene, bijgestaan door haar advocaat;\n\n- de physician assistant, mevrouw [naam].\n\nOmdat door de officier van justitie een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig werd geacht en het de rechtbank ter zitting is gebleken dat diens aanwezigheid ook niet noodzakelijk was om tot een inhoudelijke beslissing te kunnen komen, is de officier van justitie niet gehoord.Beoordeling\n\nDaargelaten of er sprake is van sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel, veroorzaakt door gedrag dat voortvloeit uit een psychische stoornis, is ter zitting gebleken dat betrokkene zich niet langer verzet tegen de noodzakelijke zorg ter behandeling van het onmiddellijk dreigend ernstig nadeel.\n\nVoorafgaand aan de zitting heeft de physician assistant een overleg gepland met de ambulante psychiater van betrokkene. Op 29 mei 2026 zal worden besproken hoe de behandeling in het ambulante kader weer kan worden opgestart. De physician assistant heeft daarbij uitgesproken dat het de voorkeur heeft om de opname in de tussentijd op vrijwillig basis voort te zetten als een time-out. Betrokkene is hiermee ter zitting akkoord gegaan, mits zij kan worden overgeplaatst naar de Medium Care in [gemeente]. Bij navraag door de physician assistant is dit mogelijk gebleken.\n\nNu er geen sprake meer is van verzet tegen de zorg, is de rechtbank van oordeel dat niet is voldaan aan de wettelijke eisen voor het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling. Het verzoek zal dan ook worden afgewezen.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nwijst het verzoek af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, rechter, bijgestaan door K.S. Versteegen als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 26 mei 2026.\n\nDe schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 5 juni 2026.\n\nTegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17307","2026-06-26T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:56.310Z",{"id":64,"ecli":65,"slug":66,"caseNumber":44,"courtId":45,"decisionDate":58,"fullText":67,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":68,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":52,"updatedAt":69},"977","ECLI:NL:RBDHA:2026:17299","ecli-nl-rbdha-2026-17299","RECHTBANK DEN HAAG\n\n Team Jeugd- en Zorgrecht\n\nZaak-\u002Frekestnr.: C\u002F09\u002F705572 \u002F FA RK 26-5053\n\nDatum beschikking: 26 mei 2026\n\nMachtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling\n\nBeschikkingnaar aanleiding van het op 21 mei 2026 door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) ingediende verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling als bedoeld in artikel 37 van de Wet zorg en dwang (Wzd), ten aanzien van:\n\n [cliënt],\n\nhierna te noemen: cliënt,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1955 te [geboorteplaats], [geboorteland],\n\nwonende te [woonplaats],\n\nthans verblijvende in de accommodatie [zorginstelling 1], te [plaats],\n\nadvocaat: mr. M. van Olffen te Nootdorp.\n\nProcesverloop\n\nHet procesverloop blijkt uit het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 21 mei 2026.\n\nBij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:\n\n- de beschikking tot inbewaringstelling van de burgemeester van de [gemeente] van 20 mei 2026;\n\n- de op 20 mei 2026 ondertekende medische verklaring van een ter zake kundige arts, [naam 1], die cliënt met het oog op de machtiging kort tevoren heeft onderzocht, maar niet bij haar behandeling betrokken was;\n\n- een indicatiebesluit op grond van artikel 3.2.3 van de Wet langdurige zorg van 16 september 2024.\n\nDe mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 26 mei 2026. Daarbij zijn de volgende personen gehoord:\n\n- cliënt, bijgestaan door mr. P. Arkema-Hummel, waarnemend voor de advocaat;\n\n- de arts, mevrouw [naam 2].\n\nStandpunten ter zitting\n\nDe arts heeft ter zitting naar voren gebracht dat betrokkene zowel op de open afdeling van [zorginstelling 2] als in de huidige accommodatie momenten heeft met onrust en agitatie. Zij wil op deze momenten naar buiten en weigert te eten en drinken. De komende tijd is nodig om de situatie verder te laten kalmeren, waarna kan worden gekeken naar een passende plek bij [zorginstelling 2].\n\nBetrokkene heeft ter zitting geen uitdrukkelijk verweer gevoerd tegen het verzoek. Zij erkent verward te zijn geraakt. Zij wil het verblijf in de huidig instelling wel een kans geven, maar begrijpt dat een inbewaringstelling nodig is voor haar eigen veiligheid.\n\nBeoordeling\n\nUit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat er sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel waardoor een rechterlijke machtiging niet kan worden afgewacht. Het ernstig vermoeden bestaat dat het gedrag van cliënt als gevolg van een psychogeriatrische aandoening, te weten een ongespecificeerde neurocognitieve stoornis, dit ernstig nadeel veroorzaakt.\n\nHet onmiddellijk dreigend ernstig nadeel bestaat uit:\n\n- levensgevaar;\n\n- ernstig lichamelijk letsel;\n\n- ernstige materiële schade;\n\n- maatschappelijke teloorgang;\n\n- bedreiging van de veiligheid van cliënt al dan niet doordat hij onder invloed van een ander raakt;\n\n- de situatie dat cliënt met hinderlijk gedrag agressie van anderen oproept;\n\n- de situatie dat de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is.\n\nTijdens de opname op een open afdeling van een verpleeghuis voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft betrokkene zich suïcidaal geuit en met spullen door de kamer gegooid. Ook dwaalde zij door de zorginstelling en ging in de avonden zelfstandig naar buiten. Zij wordt echter niet in staat geacht om de weg terug naar het huis te vinden of aan anderen uit te leggen waar zij verblijft. Verder kan betrokkene achterdochtig zijn, waarbij zij onder meer verwijten maakt richting verplegend personeel en verbaal en fysiek agressief gedrag kon tonen. Ten slotte riep zij mogelijk de agressie van medebewoners op met haar gedrag, waaronder ongevraagd de kamer van anderen binnenlopen. Ook op de huidige afdeling worden momenten gezien waarbij betrokkene onrustig en geagiteerd gedrag toont.\n\nOm het onmiddellijk dreigend ernstig nadeel te voorkomen dan wel af te wenden is\n\nvoortzetting van de inbewaringstelling noodzakelijk. Dit middel is ook geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen dan wel af te wenden en er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben.\n\nGebleken is dat cliënt zich verzet tegen de voortzetting van het verblijf in een accommodatie. Betrokkene heeft tijdens haar verblijf op zowel de open afdeling als de gesloten afdeling verbaal verzet getoond tegen de opname. Ook heeft zij zich eerder suïcidaal geuit als de open opname zou worden gecontinueerd.\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat is voldaan aan de criteria voor een voortzetting van de inbewaringstelling. De machtiging zal worden verleend voor de duur van zes weken.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverleent een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling ten aanzien van:\n\n [cliënt],\n\ngeboren op [geboortedatum] 1955 te [geboorteplaats], [geboorteland],\n\nbepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 7 juli 2026.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, rechter, bijgestaan door K.S. Versteegen als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 26 mei 2026.\n\nDe schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 5 juni 2026.\n\nTegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17299","2026-07-13T00:28:57.224Z",{"id":71,"ecli":72,"slug":73,"caseNumber":44,"courtId":74,"decisionDate":75,"fullText":76,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":77,"sourceTimestamp":78,"parsedAt":52,"updatedAt":79},"606","ECLI:NL:RBZWB:2026:5463","ecli-nl-rbzwb-2026-5463",62,"2026-05-21T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Middelburg\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F446676 \u002F JE RK 26-566\n\nDatum uitspraak: 21 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling\n\nin de zaak van\n\nde gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,\n\nhierna te noemen de GI,\n\nover\n\n [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2020 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige 1] ,\n\n [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2018 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige 2] ,\n\n [minderjarige 3], geboren op [geboortedag 3] 2016 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige 3] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nwonende in [woonplaats 1] ,\n\nadvocaat mr. D.J.A. Burlet te Oostburg,\n\n [minderjarige 1],\n\nhierna te noemen de vader,\n\nwonende in [woonplaats 2] ,\n\nadvocaat mr. W. van der Sande uit Goes.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. \n\nDe kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\n- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 31 maart 2026.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\n- de vader met zijn advocaat;\n\n- de moeder met haar advocaat;\n\n- twee vertegenwoordig(st)ers van de GI.1.3.. \n\nDe kinderrechter heeft [minderjarige 3] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 3] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 3] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.\n\n [minderjarige 2] heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om haar mening te geven.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De ouders zijn met elkaar gehuwd geweest.\n\n2.2.. \n [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn gedurende het huwelijk van de ouders geboren.\n\n2.3.. Het huwelijk van de ouders is op 20 juni 2025 door echtscheiding ontbonden.\n\n2.4.. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .\n\n2.5.. \n [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wonen bij hun vader.\n\n2.6.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 27 mei 2025 [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht gesteld tot 27 mei 2026.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. De GI handhaaft het verzoek en verwijst ter onderbouwing daarvan naar de overgelegde stukken. De doelen van de ondertoezichtstelling zijn nog niet behaald. Na het uitspreken van de ondertoezichtstelling in mei 2025 is de zaak opgepakt door het instroomteam van de GI. In die periode is de SCHIP-therapie opnieuw opgestart en is er voor de kinderen een kindbehartiger betrokken geraakt die sindsdien gesprekken voert met alle drie de kinderen afzonderlijk. Sinds november 2025 is de huidige, vaste jeugdbeschermer betrokken. In de afgelopen periode is het SCHIP-traject – voor een tweede keer – tijdelijk door de ouders afgebroken. Het lukte de ouders (opnieuw) niet om door fase twee van het SCHIP-traject, de verdiepende fase, te komen. Vermoedelijk spelen spanningsvolle momenten daarin een rol. Wanneer er spanningsvolle momenten zijn waarbij er belangrijke adviezen of beslissingen in aantocht zijn, welke invloed kunnen hebben op bijvoorbeeld de zorgregeling, lijken ouders terug te vallen in oude patronen. De strijd verergert, kinderen worden belast met volwassen zaken en het winnen en verliezen lijkt voorop te staan, waarbij de belangen van de kinderen uit het oog verloren worden. Ook lukt het ouders op deze momenten niet altijd om afspraken na te komen. Uiteindelijk is het in overleg met beide ouders toch gelukt om het SCHIP-traject door te zetten. Dat is knap. De GI ziet twee ouders die zich inzetten en ook dingen bespreekbaar durven te maken. De GI heeft de indruk dat het met de kinderen ook beter lijkt te gaan. [minderjarige 3] lijkt minder last te hebben van spanningen en lijkt zich meer uit te durven spreken. [minderjarige 2] heeft speltherapie afgerond. Met [minderjarige 1] lijkt het ook beter te gaan. De GI vindt het belangrijk dat de ondertoezichtstelling wordt verlengd, zodat de voortgang van het SCHIP-traject nauwkeurig door de GI kan worden gemonitord. Indien blijkt dat voortzetting van het SCHIP-traject toch te veel spanningen oproept, dan zal de GI met de ouders opnieuw om de tafel gaan om te kijken of bijvoorbeeld parallel ouderschap passender is. De GI herkent verder de zorgen die door de ouders over en weer worden geuit. Er zijn over en weer zorgen, waarin het hele systeem een rol lijkt te spelen. De GI schakelt hierover met de begeleiders van SCHIP, maar ook met de IPT’ers. Bij acute onveiligheid wordt daarop door de GI gehandeld. De GI voert hier strakke regie op.\n\n4.2.. Door en namens de vader is aangegeven dat hij instemt met een verlenging van de ondertoezichtstelling. Hij merkt dat er sprake is van een verbetering in de communicatie met de moeder, maar dat er nog wel veel winst te behalen is. Ook voor de kinderen is het belangrijk dat de ondertoezichtstelling doorloopt en dat er iemand is bij wie zij hun verhaal kwijt kunnen. Voor de vader voelt het wel dubbel. De hulpverlening is belastend en uitputtend, maar tegelijkertijd is de vader bang dat als de ondertoezichtstelling weg zou vallen de ouders terugvallen in oude patronen. Daarnaast heeft de vader, net als de moeder, zorgen, maar voelt hij zich niet gehoord. Het blijft moeilijk om die zorgen bespreekbaar te maken, terwijl die ruimte er wel zou moeten zijn. De vader hoopt dat daar iets mee wordt gedaan, zodat de ouders elkaar minder wantrouwend bekijken. De vader is blij dat het SCHIP-traject, dat zich nu in fase drie bevindt, wordt doorgezet. Hoewel de situatie nog pril is, worden er wel kleine stappen gezet. De vader hoopt dat deze lijn kan worden voortgezet. De kinderen ervaren meer rust nu. De vader merkt dat het beter met de kinderen gaat, zowel thuis als op school. Ook merkt de vader het aan de kinderen dat het bij de moeder thuis goed gaat.\n\n4.3.. Door en namens de moeder is naar voren gebracht dat ook zij instemt met een verlening van de ondertoezichtstelling. De situatie voor de kinderen lijkt iets stabieler te zijn. De kinderen genieten nu zichtbaar. Tegelijkertijd spelen er nog veel zaken waar de kinderen last van hebben. Het is duidelijk dat de kinderen nog klem zitten. Daarnaast is de echtscheidingsprocedure nog niet afgewikkeld. De moeder geeft regelmatig aan dat zij zich bij het SCHIP-traject niet prettig voelt. Voor haar is het lastig dat zij van verschillende professionals – de moeder heeft ook zelf een psycholoog – verschillende informatie krijgt over wat werkend is en wat niet. De moeder mist in de hulpverlening dat er weinig wordt gekeken naar de onderstromen die spelen, zoals de rol van opa en oma vaderszijde. Zij maakt zich zorgen over een aantal zaken, maar naar haar gevoel wordt daar niets mee gedaan. De moeder heeft dit bij SCHIP neergelegd, maar het wordt niet opgepakt. De moeder voelt zich daarin niet gehoord. Dit heeft volgens haar gevolgen voor de stappen die (kunnen) worden gezet. Het onderscheid tussen waar de ene ouder zich wel en niet mee mag bemoeien is lastig.\n\n4.4.. \n [minderjarige 3] heeft verteld dat het goed met hem gaat. De situatie is rustiger geworden. Hij vindt het zowel bij papa thuis als bij mama thuis gezellig. [minderjarige 3] vindt het fijn dat zijn ouders iets tegen elkaar zeggen bij het wisselen en dat ze zijn wens dat ze cadeaus voor elkaar kopen met moeder- en vaderdag bij moederdag zijn nagekomen. Ook is [minderjarige 3] blij dat zijn ouders samen naar een schoolgesprek zijn geweest. [minderjarige 3] vindt het goed als de GI langer betrokken blijft. Ook vindt hij de gesprekken met [persoon] (de kindbehartiger) op zich wel fijn. Vragen over vroeger vindt hij soms lastig. Wel maakt [minderjarige 3] zich zorgen over of hij van school moet wisselen. Hij zou graag willen weten of hij op zijn huidige school blijft of naar een andere school moet.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. Op basis van de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat het verzoek van de GI dient te worden toegewezen nu voldaan wordt aan de wettelijke criteria voor verlenging van de ondertoezichtstelling.Dit betekent dat het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling zal worden toegewezen voor de duur van één jaar. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.\n\n5.2.. Uit de overgelegde stukken en dat wat is besproken ter zitting is gebleken dat het inmiddels beter met de kinderen gaat. Ze doen het goed, zowel thuis bij beide ouders als op school. Tegelijkertijd moet worden vastgesteld dat er ook nog steeds zorgen zijn over de ontwikkeling van de kinderen. Die zorgen hebben vooral nog te maken met de manier waarop de ouders met elkaar communiceren, het onderlinge wantrouwen tussen de ouders en de onderstromen die kennelijk een rol spelen en waar vooralsnog onvoldoende aandacht voor lijkt te zijn geweest. De kinderrechter kan zich goed voorstellen dat de betrokken hulpverlening – op dit moment is dat SCHIP en IPT voor de ouders en een kindbehartiger voor de kinderen – door de ouders als veel wordt ervaren, zeker in combinatie met de eerdere hulpverlening aan de ouders en de kinderen. De kinderechter vindt het echter wel belangrijk dat deze hulpverlening ook komende tijd door blijft lopen. De ouders zijn op de goede weg, maar de situatie is nog niet stabiel en voldoende duurzaam. De doelen van de ondertoezichtstelling zijn nog niet behaald en er spelen nog te veel dingen om de ondertoezichtstelling nu af te kunnen sluiten. Daarom vindt de kinderrechter voortzetting van de betrokkenheid van de GI ook komend jaar nodig. In deze periode is het belangrijk dat de ouders door middel van SCHIP-therapie verder werken aan hun onderlinge communicatie. De ouders moeten daarbij de ruimte ervaren om hun zorgen bespreekbaar te maken. Ook de onderstromen die kennelijk een rol spelen moeten serieus genomen worden. Daarnaast is voortzetting van de gesprekken met de kinderen door de kindbehartiger noodzakelijk. Duidelijk moet worden hoe bepaalde verhalen bij de kinderen terecht komen en wat er bij de kinderen speelt, zodat uiteindelijk de misverstanden die er zijn uit de wereld geholpen kunnen worden. Mogelijk dat te zijner tijd, wanneer de situatie stabieler is, ook blijkt dat er aanvullende hulpverlening voor de kinderen dient te worden ingezet. Het is aan de GI om daar dan naar te handelen. Verder hoopt de kinderrechter dat er voor de ouders en de kinderen op korte termijn duidelijkheid komt in de echtscheidingsprocedure. Dit zal ook bijdragen aan de rust voor iedereen, maar vooral voor [minderjarige 3] die zich in het kindgesprek hier nadrukkelijk over heeft uitgesproken.\n\n5.3.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n6.1.. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] tot 27 mei 2027;6.2.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026 door mr. Zuijdweg, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Boomaars als griffier, en op schrift gesteld op 2 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Artikel 1:260 BW.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5463","2026-06-21T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:38.981Z",{"id":81,"ecli":82,"slug":83,"caseNumber":44,"courtId":84,"decisionDate":75,"fullText":85,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":86,"sourceTimestamp":78,"parsedAt":52,"updatedAt":87},"613","ECLI:NL:RBZWB:2026:5457","ecli-nl-rbzwb-2026-5457",64,"RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F445329 \u002F JE RK 26-303\n\nDatum uitspraak: 4 juni 2026\n\nNadere beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp\n\nin de zaak van\n\nHET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE TILBURG,\n\nhierna te noemen: het college,\n\nover\n\n [minderjarige],\n\ngeboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige] ,\n\nadvocaat: mr. V.C. Andeweg uit Breda.\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen: de moeder,\n\nwonende in [plaats 1] ,\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen: de vader,\n\nwonende in [plaats 2] (België).\n\n1. Het verdere verloop van de procedure\n\n1.1.. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\nde in deze zaak gegeven beschikking van 4 maart 2026 en de daarin genoemde stukken;\n\nde instemmende verklaring van de gekwalificeerde gedragswetenschapper van 20 mei 2026;\n\nhet bericht van het college van 20 mei 2026, inhoudende een voortgangsrapportage van [locatie] ;\n\nde schriftelijke toestemmingsverklaring van 28 mei 2026 van de vader van [minderjarige] .\n\n1.2.. Op 21 mei 2026 heeft de kinderrechter de zaak op zitting met gesloten deuren behandeld. Daarbij waren aanwezig:\n\ntwee vertegenwoordigers van het college;\n\nde advocaat van [minderjarige] ;\n\n- de moeder.\n\n1.3.. Van de advocaat van [minderjarige] heeft de kinderrechter vernomen dat [minderjarige] niet naar de rechtbank is gekomen, omdat zij het belangrijk vindt om naar school te gaan en ook omdat zij een verwachting heeft over de beslissing die de kinderrechter zal nemen. De kinderrechter heeft vastgesteld dat [minderjarige] op de juiste wijze is opgeroepen. De advocaat heeft op de zitting namens haar het woord gevoerd.\n\n1.4.. Van het college heeft de kinderrechter vernomen dat de vader niet naar de rechtbank komt in verband met een afspraak in het ziekenhuis. De kinderrechter heeft besloten de zitting voort te zetten bij afwezigheid van de vader. De overige aanwezigen hebben hiertegen geen bezwaar geuit.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\n2.2.. Bij de hiervoor genoemde beschikking van 4 maart 2026 heeft de kinderrechter voor [minderjarige] een machtiging gesloten jeugdhulp verleend met ingang van 5 maart 2026 tot 5 juni 2026.\n\n2.3.. \n [minderjarige] verblijft momenteel op basis van voornoemde machtiging bij [jeugdhulp] te [locatie] .\n\n3. Het (resterende) verzoek\n\n3.1.. Thans ligt het volgende resterende verzoek nog ter beoordeling voor. Het gaat daarbij om het verzoek van het college om een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van drie maanden.\n\n4. Het standpunt van het college\n\n4.1.. Ter onderbouwing van en in aanvulling op het schriftelijke verzoek voert het college, samengevat, het volgende aan. [minderjarige] verblijft sinds 27 november 2025 bij [jeugdhulp] in [locatie] . De ontwikkeling van [minderjarige] is kwetsbaar. Zij heeft moeite om anderen te vertrouwen. Ook erkent en herkent zij moeilijk de emoties van zichzelf en anderen. [minderjarige] heeft trauma’s en onveiligheidsgevoelens vanuit haar verleden. Zij heeft de neiging haar gevoelens en spanningen weg te stoppen en vindt het moeilijk hierover te praten. [minderjarige] zit nog veel in haar hoofd. Op de groep werd lange tijd gezien dat zij een passieve houding heeft en zij moeite heeft haar concentratie vast te houden. [minderjarige] heeft geregeld een weerwoord richting de begeleiding. Op het moment dat [minderjarige] daarop wordt aangesproken ervaart zij dit als een persoonlijke aanval of afwijzing.\n\n4.2.. \n\nBinnen de therapie en op de groep wordt ook gezien dat [minderjarige] positieve stappen zet in haar ontwikkeling. Zij maakt een gemotiveerde indruk en doet zichtbaar haar best. [minderjarige] is gegroeid in haar emotieregulatie, impulscontrole en durft voorzichtig meer te delen. [minderjarige] gaat naar school en zet zich in voor school. Ook in haar zelfzorg heeft [minderjarige] stappen gezet. Zij heeft verschillende vrijheden gekregen op de gesloten groep.\n\nZo heeft [minderjarige] een bijbaantje en gaat in de weekenden met verlof. Zij gaat dan zelfstandig naar haar moeder of haar vader toe.\n\n4.3.. Een volledige terugkeer naar de moeder behoort op dit moment nog niet tot de mogelijkheden. De verwerking van haar trauma’s vraagt nog veel tijd, vertrouwen en herhaling. Ook de emotieregulatie en het herkennen van emoties bij anderen blijven een aandachtspunt. Het college is op zoek naar een passende plek in een open setting voor [minderjarige] , waar zij voor langere tijd kan verblijven. Het aantal plekken is echter beperkt en de vader heeft geen toestemming gegeven om een plek buiten de regio te zoeken. Het college hoopt dat het [minderjarige] zo snel als mogelijk kan doorstromen naar een open behandelgroep. De situatie is schrijnend voor [minderjarige] . Het college gunt [minderjarige] een passende plek waar zij langdurig kan verblijven.\n\n5. De standpunten van belanghebbende\n\n5.1.. Namens [minderjarige] is, samengevat, naar voren gebracht dat zij zich kan vinden in het verlenen van de machtiging gesloten jeugdhulp voor nog eens drie maanden. Naar omstandigheden gaat het goed met [minderjarige] . Zij ervaart steun aan de begeleiding op de groep. De afgelopen periode was bedoeld om uit te zoeken naar welke open groep [minderjarige] zou kunnen gaan. Helaas is er nog geen alternatief voor [minderjarige] gevonden en een thuisplaatsing is op dit moment niet mogelijk. [minderjarige] blijft daarom liever op de gesloten groep, totdat er een passende plek voor haar is gevonden. Hoewel [minderjarige] enkele vrijheden heeft gekregen op de groep, blijft het echter wel een gesloten groep. [minderjarige] hoort niet gesloten geplaatst te zijn. Ook de groep geeft dat aan. Aan de andere kant is het ook niet in het belang van [minderjarige] als zij overhaast wordt geplaatst op een open groep die eigenlijk niet passend is. [minderjarige] wil graag dat er een goede, passende plek voor haar komt waar zij langdurig kan blijven en van waaruit stappen kunnen worden gezet om begeleid te gaan wonen en toe werken naar zelfstandigheid.\n\n5.2.. Door de moeder is, samengevat, naar voren gebracht dat zij zich kan vinden in het verzoek. De plaatsing is goed voor [minderjarige] . Het geeft rust. In de weekenden komt [minderjarige] naar de moeder toe. [minderjarige] werkt op zondag in de buurt van [locatie] , dus ze blijft niet bij haar moeder slapen. Ook gaat zij zelfstandig met de bus naar haar vader die in [plaats 2] woont.\n\n6. De (nadere) beoordeling\n\nWettelijk kader6.1.. De kinderrechter dient de vraag te beantwoorden of een machtiging gesloten jeugdhulp gerechtvaardigd is. Gelet op het bepaalde in artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet, kan een machtiging om een jeugdige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven alleen worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter:\n\njeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren;\n\nde opneming en het verblijf noodzakelijk en geschikt zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken; en\n\ner geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn om de opgroei- en opvoedingsproblemen te behandelen.\n\nInhoudelijke beoordeling6.2.. Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat er nog steeds sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. [minderjarige] is een kwetsbaar meisje met een belast verleden. [minderjarige] heeft veel meegemaakt. In het verleden is gebleken dat zij niet altijd in staat is geweest om gezonde en veilige keuzes voor zichzelf te maken, waardoor ze zichzelf in risicovolle situaties bracht en een gevaar voor zichzelf was. [minderjarige] verblijft al enige tijd op de gesloten groep van [jeugdhulp] . De begeleiding van de groep ziet dat [minderjarige] veel in haar hoofd zit. Zij laat geen negatief gedrag zien, maar toont een passieve houding en heeft moeite haar concentratie vast te houden. De aandacht van [minderjarige] richting jongens is toegenomen. Dit zou zorgelijk kunnen worden, gelet op de eerdere zorgen over het seksueel wervende gedrag van [minderjarige] , het risico op slachtofferschap en het risico op zelfbeschadigend gedrag. Daarnaast heeft [minderjarige] moeite met haar emotieregulatie en het erkennen en herkennen van de emoties van zichzelf en anderen. Zij is geneigd haar gevoelens weg te stoppen, praat niet graag over de gebeurtenissen uit het verleden en heeft moeite om anderen te vertrouwen. [minderjarige] heeft daar nog veel stappen in te maken en heeft daarvoor hulpverlening nodig.\n\n6.3.. De kinderrechter ziet daarnaast ook dat sprake is van een positieve ontwikkeling van [minderjarige] . [minderjarige] is gemotiveerd en doet zichtbaar haar best. Zij stelt zich langzamerhand open voor de hulpverlening en neemt de hulpverleners in vertrouwen. Ook is zij gegroeid in haar emotieregulatie en impulscontrole. [minderjarige] doet daarnaast zichtbaar haar best voor school. Vanaf de start van het schooljaar in 2025 ging [minderjarige] niet meer naar school, maar sinds de gesloten plaatsing is haar aanwezigheid binnen het onderwijs toegenomen. Verder heeft [minderjarige] een bijbaantje gevonden en gaat zij zelfstandig naar haar ouders met verlof. [minderjarige] is goed op weg naar zelfstandigheid. Door de begeleiding van de groep wordt gezien dat [minderjarige] gebaat is bij de structuur, veiligheid en de rust die door de groep geboden wordt.\n\n6.4.. Met het college, de ouders en de advocaat van [minderjarige] is de kinderrechter van oordeel dat een gesloten plaatsing op dit moment nog steeds het enige alternatief is. [minderjarige] kan niet bij haar ouders terecht en geeft aan dit zelf ook niet te willen. Zowel het college als de advocaat van [minderjarige] hebben aangegeven dat het de voorkeur heeft dat [minderjarige] naar een plek in een open setting gaat, maar dat [minderjarige] er niet bij gebaat is als zij overhaast op een niet passende plek wordt geplaatst. Dit zou de kans dat zij de stijgende lijn niet kan vasthouden vergroten. Op dit moment acht de kinderrechter een gesloten plaatsing bij [jeugdhulp] dan ook gepast en noodzakelijk om de positieve van ontwikkeling van [minderjarige] voort te zetten. Hoewel een gesloten plaatsing een ingrijpende maatregel is en als ultimum remedium dient te gelden, bestaan er op dit moment zoals vermeld geen andere mogelijkheden voor de plaatsing van [minderjarige] . Het verzoek zal daarom worden toegewezen voor de duur van drie maanden, zoals is verzocht. Gelet op het karakter van de maatregel van de gesloten plaatsing is het wel noodzakelijk dat het college zo snel als mogelijk een passende plek binnen een open setting voor [minderjarige] vindt.\n\n6.5.. Het college heeft bij het verzoek een schriftelijke en door de onafhankelijke gedragswetenschapper, ondertekende verklaring overgelegd waaruit blijkt dat hij instemt met het verzoek tot het verlenen van een machtiging gesloten jeugdhulp voor de duur van drie maanden.\n\n6.6.. De kinderrechter merkt op dat er ten tijde van de zitting geen recente toestemmingsverklaring van de vader in het dossier zat en de vader was ook niet op de zitting aanwezig. Het college heeft de toestemmingsverklaring van de vader naderhand opgestuurd, zodat ook wat betreft de vader alsnog aan het vereiste van artikel 6.1.2, derde lid onder c, Jeugdwet is voldaan.\n\n6.7.. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.\n\n7. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n7.1.. verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 5 juni 2026 tot 5 september 2026.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Vos, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. Van Ham als griffier en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5457","2026-07-13T00:28:39.318Z",{"id":89,"ecli":90,"slug":91,"caseNumber":44,"courtId":84,"decisionDate":75,"fullText":92,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":93,"sourceTimestamp":78,"parsedAt":52,"updatedAt":94},"615","ECLI:NL:RBZWB:2026:5458","ecli-nl-rbzwb-2026-5458","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F448440 \u002F JE RK 26-891\n\nDatum uitspraak: 21 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een (spoed)machtiging gesloten jeugdhulp\n\nin de zaak van\n\nde gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam,\n\nhierna te noemen de GI,\n\nover\n\n [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige] ,\n\nadvocaat mr. P.F.M. Gulickx uit Breda.\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nwonende in [woonplaats 1] ,\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen de vader,\n\nwonende in [woonplaats 2] .\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:\n\n- het schriftelijke verzoek van de GI met bijlagen, ontvangen op 21 mei 2026;\n\n- de instemmende verklaring van de gedragswetenschapper van 17 mei 2026.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\n2.2.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 2 juni 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 6 juni 2026.\n\n2.3.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 11 mei 2025 de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 6 juni 2026.\n\n2.4.. Op basis van die machtiging verblijft [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De GI verzoekt een spoedmachtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.\n\n3.2.. De GI verzoekt daarnaast om aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp te verlenen voor de duur van zes maanden.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Gelet op het bepaalde in artikel 6.1.3, tweede lid, Jeugdwet kan een spoedmachtiging voor een gesloten plaatsing alleen worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter:\n\nonmiddellijke verlening van jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren;\n\nde opneming en het verblijf noodzakelijk en geschikt zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken; en\n\ner geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn om de opgroei- en opvoedingsproblemen te behandelen.\n\n4.2.. De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen. Op 11 mei 2026 is door de GI een regulier verzoek machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] ingediend. De zorgen over hem zijn de afgelopen dagen echter zodanig opgelopen dat nu een spoedverzoek is ingediend. [minderjarige] onttrekt zich van de groep, uit zich ernstig dreigend naar de groepsleiding en er is een vermoeden dat hij strafbare feiten pleegt. Ook heeft hij negatieve contacten met een ex-groepsgenoot, zo heeft hij deze groepsgenoot onrechtmatig toegang verleend tot de groep waardoor de veiligheid op de groep ernstig in het geding is gekomen. Er is een groot risico dat [minderjarige] tot onverantwoorde daden overgaat zoals bijvoorbeeld naar het buitenland vertrekken, dit mogelijk in samenspraak met deze groepsgenoot. Maatschappelijk Hulp met Daadkracht heeft op 21 mei 2026 aangegeven dat [minderjarige] ’s verblijf op de huidige behandelgroep per direct niet maar haalbaar is vanwege de veiligheid van het personeel en de andere jongeren. Ook hun zorgen over [minderjarige] en daarmee zijn veiligheid zijn toegenomen. Een time-out op een andere groep is als niet haalbaar ingeschat. Het gedrag van [minderjarige] is onvoorspelbaar en wordt steeds risicovoller doordat hij het gevoel heeft dat hij niets te verliezen heeft.\n\n4.3.. Op basis van deze informatie is de kinderrechter van oordeel dat onmiddellijke verlening van jeugdhulp noodzakelijk is. De kinderrechter heeft een ernstig vermoeden dat er ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen zijn die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten instelling noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die hij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen.\n\n4.4.. De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige] , nu [minderjarige] per direct niet meer op de groep kan verblijven en er een concrete dreiging bestaat dat [minderjarige] zal weglopen en mogelijk zelfs met de ex-groepsgenoot naar het buitenland vertrekt. Daarom machtigt de kinderrechter de GI om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van twee weken. Het resterende deel van het spoedverzoek alsmede het verzoek om een reguliere machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] te verlenen voor de duur van zes maanden, zal worden aangehouden tot de hierna te noemen zitting. De GI, [minderjarige] , zijn advocaat en de ouders worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. Op diezelfde zitting zal ook het eerder ingediende verzoek van de GI om een machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] te verlenen met zaaknummer C\u002F02\u002F448088 \u002F JE RK 26\u002F817 worden behandeld.\n\n4.5.. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n5.1.. verleent een spoedmachtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 21 mei 2026 tot 4 juni 2026;\n\n5.2.. houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan;\n\n5.3.. roept de GI, de vader, de moeder en [minderjarige] en zijn advocaat op voor de zitting van mr. Pellikaan op [datum] 2026 om [uur]uur in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, aan Stationslaan 10 in Breda;5.4.. bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting voor [minderjarige] , zijn advocaat mr. Gulickx, de ouders en de GI;\n\n5.5.. behoudt zich iedere verdere beslissing voor.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026 door mr. Tempel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Noort als griffier, en op schrift gesteld op 22 mei 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5458","2026-07-13T00:28:39.405Z",{"id":96,"ecli":97,"slug":98,"caseNumber":44,"courtId":84,"decisionDate":99,"fullText":100,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":101,"sourceTimestamp":102,"parsedAt":52,"updatedAt":103},"340","ECLI:NL:RBZWB:2026:5390","ecli-nl-rbzwb-2026-5390","2026-05-19T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F447976 \u002F FA RK 26-2383\n\nDatum uitspraak: 19 mei 2026\n\nBeschikking zorgmachtiging\n\nop het verzoek van de officier van justitie voor\n\n [betrokkene],\n\ngeboren op [geboortedag] 1992 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen betrokkene,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nadvocaat mr. Z. Yeral uit Roosendaal.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. \n\nDe rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\n- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 7 mei 2026.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\n- betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;\n\nmevrouw [persoon 1] , casemanager regioteam, behandelaar,\n\nmevrouw [persoon 2] , psycholoog regioteam,\n\nde heer [persoon 3] , Zorg en Veiligheidshuis.\n\n2. Het verzoek\n\n2.1.. De officier van justitie verzoekt de rechtbank een zorgmachtiging te verlenen voor de duur van zes maanden.\n\n3. De standpunten\n\n3.1.. Betrokkene geeft tijdens de zitting aan dat hij geen zorgmachtiging, behandeling of medicatie nodig heeft. Volgens hem is er geen sprake van een psychische stoornis maar van zwarte magie en personen die hem kwaad willen doen. Betrokkene herkent zich niet in hetgeen de behandelaar tijdens de zitting over hem vertelt. Hij merkt op dat hij enkel incidenteel cocaïne gebruikt. Daarnaast geeft betrokkene aan dat hij in het verleden altijd zelfstandig heeft gefunctioneerd en dat hij nu vooral behoefte heeft aan begrip.\n\n3.2.. De advocaat verzoekt primair om afwijzing van het verzoek omdat betrokkene zich niet herkent in de gestelde diagnose en onvoldoende duidelijk is of de psychotische klachten voortkomen uit een psychische stoornis dan wel uit middelengebruik. Volgens de advocaat ontbreekt daarmee een voldoende concreet causaal verband. Subsidiair verzoekt de advocaat de duur van de zorgmachtiging te beperken ook om te voorkomen dat betrokkene zijn woning verliest. Daarbij benadrukt de advocaat dat betrokkene wel altijd in gesprek blijft met de hulpverlening en openstaat voor ondersteuning vanuit de thuissituatie.\n\n3.3.. De behandelaar heeft naar voren gebracht dat er bij betrokkene sprake is van psychotische klachten waarbij hij volledig in beslag wordt genomen door wanen rondom zwarte magie. Hierdoor lukt het niet meer om zelfstandig en veilig te functioneren en veroorzaakt zijn gedrag ernstige overlast in de woonomgeving. De ambulante hulpverlening is onvoldoende gebleken omdat betrokkene zich verzet tegen een behandeling en geen structurele samenwerking aangaat. Daarom vindt de behandelaar een opname noodzakelijk zodat betrokkene kan stabiliseren en herstellen. Later kan dan behandeling en medicatie volgen vanuit een ambulante setting.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. De rechtbank verleent de gevraagde machtiging voor de duur van zes maanden. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.\n\n4.2.. De rechtbank is van oordeel dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis. Bij betrokkene is namelijk sprake van een psychotisch toestandsbeeld en een schizofreniespectrumstoornis waarbij middelengebruik een luxerende factor is.\n\n4.3.. Deze stoornis veroorzaakt ernstig nadeel. Dit nadeel bestaat uit:\n\n- ernstig lichamelijk letsel;\n\n- ernstige psychische schade;\n\n- ernstige verwaarlozing;\n\n- maatschappelijke teloorgang;\n\n- gevaar voor de algemene veiligheid van personen en goederen.\n\n4.4.. De rechtbank neemt hierbij in overweging dat betrokkene ernstig ontregeld gedrag laat zien voortvloeiend uit de psychotische klachten. Betrokkene heeft last van waangedachten en auditieve en visuele hallucinaties waarbij hij er onder meer overtuigd van is dat zwarte magie op hem wordt uitgevoerd en dat er een schorpioen in zijn hoofd zit. Daarnaast ziet hij lichtflitsen en overleden personen. Ook is er sprake van verwaarlozing en beschadiging van zijn woning en veroorzaakt zijn gedrag structurele geluidsoverlast waardoor het risico bestaat dat hij zijn woning zal verliezen.\n\n4.5.. Om het ernstig nadeel af te wenden of de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen heeft betrokkene zorg nodig.\n\n4.6.. Er zijn geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis. Betrokkene staat niet open voor behandeling en medicatie. Betrokkene wil naar de overkant van de oceaan worden gebracht omdat hij er van overtuigd is dat dat de enige manier is waarop zijn leven kan worden gered. Daarom is verplichte zorg nodig.\n\n4.7.. De rechtbank is op grond van het zorgplan, de medische verklaring, het advies van de geneesheer-directeur en de toelichting tijdens de zitting van oordeel dat de volgende vormen van verplichte zorg nodig zijn:\n\n- het toedienen van medicatie en het verrichten van medische controles;\n\n- het beperken van de bewegingsvrijheid;\n\n- onderzoek aan kleding of lichaam;\n\n- onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedragsbeïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen;\n\n- controleren op de aanwezigheid van gedragsbeïnvloedende middelen;\n\n- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;\n\n- opnemen in een accommodatie.\n\n4.8.. De door de officier verzochte vorm van verplichte zorg “uitoefenen van toezicht” wordt afgewezen omdat deze niet noodzakelijk is om het ernstig nadeel af te wenden.\n\n4.9.. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. De vormen van verplichte zorg die de rechtbank toewijst zijn evenredig en naar verwachting effectief. Bij het bepalen van de juiste vormen van zorg is rekening gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen en om te zorgen voor de veiligheid van betrokkene en zijn omgeving.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n5.1.. verleent een zorgmachtiging voor [betrokkene], geboren op [geboortedag] 1992 in [geboorteplaats] , wat inhoudt dat de maatregelen die in 4.7. staan kunnen worden toegepast;\n\n5.2.. bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 19 november 2026;\n\n5.3.. wijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026 door mr. Meyboom, rechter, in aanwezigheid van Van Dijke, griffier, en op schrift gesteld op 1 juni 2026.\n\nTegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5390","2026-06-19T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:25.190Z",{"id":105,"ecli":106,"slug":107,"caseNumber":44,"courtId":84,"decisionDate":99,"fullText":108,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":109,"sourceTimestamp":102,"parsedAt":52,"updatedAt":110},"349","ECLI:NL:RBZWB:2026:5381","ecli-nl-rbzwb-2026-5381","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F447840 \u002F FA RK 26-2307\n\nDatum uitspraak: 19 mei 2026\n\nBeschikking zorgmachtiging\n\nop het verzoek van de officier van justitie voor\n\n [betrokkene],\n\ngeboren op [geboortedag] 1988 in [geboorteplaats]\n\nhierna te noemen betrokkene,\n\nwonend in [plaats] ,\n\nadvocaat mr. J.J. Bronsveld uit Bergen op Zoom.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. \n\nDe rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\n- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 4 mei 2026.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\n- betrokkene (telefonisch), bijgestaan door haar advocaat, mr. Bronsveld;\n\nmevrouw [persoon 1] , verpleegkundig specialist in opleiding, behandelaar;\n\nmevrouw [persoon 2] , gz psycholoog,\n\nmevrouw [persoon 3] , verpleegkundig specialist,\n\nde moeder en stiefvader van betrokkene;\n\neen begeleidster van de instelling van betrokkene.\n\n2. Wat vaststaat\n\n2.1.. Door de rechtbank is op1 december 2025 een zorgmachtiging aan betrokkene verleend tot en met 1 juni 2026.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De officier van justitie verzoekt de rechtbank een zorgmachtiging te verlenen voor de duur van twaalf maanden.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. Betrokkene geeft tijdens de zitting telefonisch aan akkoord te zijn met een verlenging van de zorgmachtiging. Voor het overige heeft betrokkene geen nadere opmerkingen.\n\n4.2.. De advocaat voert aan dat aan de wettelijke vereisten voor het verlenen van een zorgmachtiging wordt voldaan en dat betrokkene zelf ook aangeeft de verplichte zorg nodig te hebben. Hij verzoekt wel om in het geval van toewijzing van het verzoek de vorm van verplichte zorg “medische controles” af te wijzen, omdat de noodzaak daarvan op dit moment onvoldoende concreet is.\n\n4.3.. De behandelaar van betrokkene licht tijdens de zitting toe dat bij betrokkene sprake is van angstklachten, stemmingswisselingen, psychotische kenmerken en problemen in de zelfzorg passend bij een bipolaire stoornis. Wanneer betrokkene langer met verlof is en haar medicatie onvoldoende inneemt, nemen de psychotische klachten en angsten toe. Volgens de behandelaar is toezicht op de medicatie-inname noodzakelijk en moet de mogelijkheid van klinische opname beschikbaar blijven gelet op het terugkerende risico op decompensatie bij middelengebruik. Betrokkene is aangemeld voor een verblijf bij [accommodatie] , wat ook haar wens is.\n\n4.4.. De ouders van betrokkene hebben naar voren gebracht dat betrokkene zich op haar huidige verblijfplaats niet veilig voelt en graag wil worden opgenomen bij [accommodatie] om af te kicken van de middelen. De ouders benadrukken dat middelengebruik thuis niet wordt toegestaan en dat zij streng toezien op de medicatie-inname van betrokkene.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. De rechtbank verleent de gevraagde machtiging voor de duur van twaalf maanden. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.\n\n5.2.. De rechtbank is van oordeel dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis. Bij betrokkene is namelijk sprake van een chronisch psychotisch toestandsbeeld waarbij in het verleden al de diagnose bipolaire stoornis, type schizo-affectieve stoornis, is vastgesteld.\n\n5.3.. Deze stoornis veroorzaakt ernstig nadeel. Dit nadeel bestaat uit:\n\n- ernstige psychische schade;\n\n- ernstige verwaarlozing;\n\n- maatschappelijke teloorgang;\n\n- bedreiging van de veiligheid van betrokkene al dan niet doordat betrokkene onder invloed van een ander raakt;\n\n- het oproepen van agressie van een ander door het vertonen van hinderlijk gedrag.\n\n5.4.. De rechtbank neemt hierbij in overweging dat betrokkene in het verleden meerdere malen is opgenomen vanwege psychotische decompensaties. Tijdens deze periodes was er sprake van ernstige zelfverwaarlozing en verwaarlozing van de woonomgeving van betrokkene waarbij zij ook geagiteerd kan reageren richting haar omgeving. Op dit moment verblijft betrokkene in een instelling waar het vermoeden bestaat dat zij seksuele contacten aangaat met medebewoners om in haar drugsgebruik te kunnen voorzien.\n\n5.5.. Om het ernstig nadeel af te wenden of de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen heeft betrokkene zorg nodig.\n\n5.6.. Er zijn geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis. Hoewel betrokkene heeft aangegeven in te stemmen met een verlenging van de zorgmachtiging, is het de rechtbank onvoldoende gebleken dat betrokkene vrijwillig en duurzaam bereid is de noodzakelijke zorg en behandeling te accepteren. Daarbij heeft betrokkene zich in het verleden meerdere keren aan de zorg onttrokken, haar medicatie niet adequaat ingenomen en zich onvoldoende gehouden aan gemaakte afspraken. Daarnaast ontbreekt ziektebesef en -inzicht waardoor niet kan worden vertrouwd op vrijwillige voortzetting van de behandeling. Daarom is verplichte zorg nodig.\n\n5.7.. De rechtbank is op grond van het zorgplan, de medische verklaring, het advies van de geneesheer-directeur en de toelichting tijdens de zitting van oordeel dat de volgende vormen van verplichte zorg nodig zijn:\n\n- het toedienen van medicatie;\n\n- het beperken van de bewegingsvrijheid;\n\n- onderzoek aan kleding of lichaam;\n\n- onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedragsbeïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen;\n\n- controleren op de aanwezigheid van gedragsbeïnvloedende middelen;\n\n- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;\n\n- opnemen in een accommodatie.\n\n5.8.. De door de officier verzochte vorm van verplichte zorg “medische controles” wordt door de rechtbank afgewezen, omdat deze niet noodzakelijk is om het ernstig nadeel af te wenden.\n\n5.9.. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. De vormen van verplichte zorg die de rechtbank toewijst zijn evenredig en naar verwachting effectief. Bij het bepalen van de juiste vormen van zorg is rekening gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen en om te zorgen voor de veiligheid van betrokkene en haar omgeving.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n6.1.. verleent een zorgmachtiging voor [betrokkene], geboren op [geboortedag] 1988 in [geboorteplaats] , wat inhoudt dat de maatregelen die in 5.7. staan kunnen worden toegepast;\n\n6.2.. bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 19 mei 2027;\n\n6.3.. wijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026 door mr. Meyboom, rechter, in aanwezigheid van Van Dijke, griffier, en op schrift gesteld op 1 juni 2026.\n\nTegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5381","2026-07-13T00:28:25.551Z",{"id":112,"ecli":113,"slug":114,"caseNumber":44,"courtId":84,"decisionDate":99,"fullText":115,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":116,"sourceTimestamp":102,"parsedAt":52,"updatedAt":117},"351","ECLI:NL:RBZWB:2026:5388","ecli-nl-rbzwb-2026-5388","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F448071 \u002F FA RK 26-2433\n\nDatum uitspraak: 19 mei 2026\n\nBeschikking zorgmachtiging\n\nop het verzoek van de officier van justitie voor\n\n [betrokkene],\n\ngeboren op [geboortedag] 1969 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen betrokkene,\n\nwonend in [plaats] ,\n\nadvocaat mr. E.J.L. Mulderink uit Breda.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. \n\nDe rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\n- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 12 mei 2026.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026. Daarbij zijn gehoord:\n\n- betrokkene, bijgestaan door mr. C. Gommers , waarnemend advocaat;\n\n- mevrouw [persoon] , psychiater, behandelaar.\n\n2. Wat vaststaat\n\n2.1.. Door de rechtbank is aan betrokkene een zorgmachtiging verleend tot en met 27 juni 2026.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De officier van justitie verzoekt de rechtbank een zorgmachtiging te verlenen voor de duur van twaalf maanden.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. Betrokkene geeft aan dat een zorgmachtiging niet langer nodig is omdat zij zich goed voelt en haar medicatie liever vrijwillig wil gebruiken. Zij vindt dat zij goed functioneert en bewuster en rustiger in het leven staat. Volgens betrokkene zijn eerdere ontregelingen mede veroorzaakt door middelengebruik. Zij gebruikt inmiddels geen harddrugs meer. Zij verzet zich met name tegen het gedwongen karakter van de behandeling en wenst haar behandeling op vrijwillige basis voort te zetten.\n\n4.2.. De advocaat verzoekt om afwijzing van het verzoek. Volgens de advocaat is er in de afgelopen periode bewust voor gekozen om een kortdurende zorgmachtiging te verlenen zodat daarna kon worden beoordeeld of betrokkene vrijwillige behandeling zou accepteren. De advocaat benadrukt dat betrokkene gemotiveerd is om haar behandeling vrijwillig voort te zetten en dat zij zelf ook ervaart baat te hebben bij de medicatie. Daarbij wordt volgens de advocaat te snel aangenomen dat er sprake is van weigering van de medicatie. Dit terwijl praktische omstandigheden zoals te laat verschijnen op afspraken hierin een rol spelen.\n\n4.3.. De behandelaar zegt dat voortzetting van de zorgmachtiging noodzakelijk is. Er is sprake geweest van herhaaldelijke weigering van de medicatie in de afgelopen maanden, waaronder de essentiële lithiumbehandeling. Volgens de behandelaar leidt het uitblijven van tijdige medicatie snel tot een ontregeling en een verslechtering van het psychiatrisch beeld bij betrokkene. Hoewel betrokkene op sommige momenten bereid lijkt tot vrijwillige inname van de medicatie wordt dit als wisselend en onvoldoende betrouwbaar gezien. De behandelaar benadrukt dat begeleiding en behandeling zorgvuldig worden ingezet om stabiliteit te behouden en verdere ontregeling te voorkomen bij betrokkene.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. De rechtbank verleent de gevraagde machtiging voor de duur van twaalf maanden. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.\n\n5.2.. De rechtbank is van oordeel dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis. Betrokkene is al jaren bekend met een bipolaire stoornis, type I. Daarnaast is sprake van een persoonlijkheidsstoornis. Het ontbreekt betrokkene aan ziekte-inzicht.\n\n5.3.. Deze stoornis veroorzaakt ernstig nadeel. Dit nadeel bestaat uit:\n\n- ernstig lichamelijk letsel;\n\n- ernstige psychische schade;\n\n- maatschappelijke teloorgang;\n\n- het oproepen van agressie van een ander door het vertonen van hinderlijk gedrag;\n\n5.4.. De rechtbank neemt hierbij in overweging dat betrokkene tijdens een manische episode geluidsoverlast veroorzaakt, er sprake is van (seksuele) ontremming en zij medebewoners er toe aan zet ook hun medicatie te staken. Met haar ontremde gedrag kan zij daarnaast agressie van anderen over zichzelf afroepen. Ook is er sprake van maatschappelijke teloorgang.\n\n5.5.. Om het ernstig nadeel af te wenden of de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen heeft betrokkene zorg nodig.\n\n5.6.. Er zijn geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis. Betrokkene is wisselend in haar bereidheid om medicatie en behandeling te accepteren. Ook geeft betrokkene aan enkel GGZ-zorg te accepteren zodat zij over huisvesting beschikt. Daarom is verplichte zorg nodig.\n\n5.7.. De rechtbank is op grond van het zorgplan, de medische verklaring, het advies van de geneesheer-directeur en de toelichting tijdens de zitting van oordeel dat de volgende vormen van verplichte zorg nodig zijn:\n\n- het toedienen van medicatie;\n\n- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen.\n\n5.8.. De overige door de officier verzochte vormen van verplichte zorg worden door de rechtbank afgewezen, omdat deze niet noodzakelijk worden geacht om het ernstig nadeel af te wenden.\n\n5.9.. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. De vormen van verplichte zorg die de rechtbank toewijst zijn evenredig en naar verwachting effectief. Bij het bepalen van de juiste vormen van zorg is rekening gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen en om te zorgen voor de veiligheid van betrokkene en haar omgeving.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n6.1.. verleent een zorgmachtiging voor [betrokkene], geboren op [geboortedag] 1969 in [geboorteplaats] , wat inhoudt dat de maatregelen die in 5.7. staan kunnen worden toegepast;\n\n6.2.. bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 19 mei 2027;\n\n6.3.. wijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026 door mr. Meyboom, rechter, in aanwezigheid van Van Dijke, griffier en op schrift gesteld op 2 juni 2026.\n\nTegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5388","2026-07-13T00:28:25.622Z",{"id":119,"ecli":120,"slug":121,"caseNumber":44,"courtId":84,"decisionDate":99,"fullText":122,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":123,"sourceTimestamp":102,"parsedAt":52,"updatedAt":124},"358","ECLI:NL:RBZWB:2026:5393","ecli-nl-rbzwb-2026-5393","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F448207 \u002F FA RK 26-2503\n\nDatum uitspraak: 19 mei 2026\n\nBeschikking voortzetting crisismaatregel\n\nop het verzoek van de officier van justitie voor\n\n [betrokkene],\n\ngeboren op [geboortedag] 1992 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen betrokkene,\n\nwonend in [plaats 1] ,\n\nnu verblijvende in de [accommodatie] te [plaats 2] ,\n\nadvocaat mr. A.A. Nunnikhoven uit Tilburg.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. \n\nDe rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\n- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 18 mei 2026.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\n- betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;\n\nde heer [persoon 1] , psychiater, behandelaar;\n\n [persoon 2] , verpleegkundige;\n\nmevrouw [persoon 3] , agoog.\n\n2. Wat vaststaat\n\n2.1.. Betrokkene verblijft met een crisismaatregel in [accommodatie] te [plaats 2] . De burgemeester van Tilburg heeft de crisismaatregel op 16 mei 2026 afgegeven.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De officier van justitie verzoekt de rechtbank een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel te verlenen voor de duur van drie weken.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. Betrokkene geeft tijdens de zitting aan dat de opname van de afgelopen dagen rust bij hem heeft gebracht, mede door de medicatie en het herstel van zijn knie. Betrokkene merkt verder op dat een langer verblijf in de instelling hem juist depressief zal maken. Volgens betrokkene is er geen sprake van een manische episode of verslavingsproblematiek. De problemen zijn pas ontstaan na zijn knieletsel, waardoor hij de dagelijkse structuur in zijn leven heeft verloren. Betrokkene wil dan ook niet langer opgenomen blijven en terug naar zijn ouders met duidelijke afspraken. Ook wil hij geen verdere verplichte behandeling.\n\n4.2.. De behandelaar zegt dat betrokkene een bipolaire stoornis heeft waarbij hij recent manisch is ontregeld, mede door middelengebruik en ernstig slaaptekort. Sinds de opname is het toestandsbeeld van betrokkene verbeterd door rust, structuur en medicatie. Van voldoende stabiliteit is echter nog geen sprake. De behandelaar vindt een voortzetting van de crisismaatregel noodzakelijk zodat betrokkene verder kan herstellen en stabiliseren. Daar komt bij dat betrokkene ook zijn huis is kwijtgeraakt, zorg mijdt en het risico bestaat op een depressieve episode na de manische ontregeling.\n\n4.3.. De advocaat voert aan dat betrokkene gemotiveerd is om terug te keren naar zijn ouders en dat van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel onvoldoende is gebleken. De advocaat zegt verder dat er volgens betrokkene nu geen sprake is van een manie of verslavingsproblematiek en dat de spanningen binnen het gezin steeds bespreekbaar zijn geweest. Omdat de crisismaatregel al rust heeft gebracht bij betrokkene verzoekt de advocaat dan ook het verzoek tot voortzetting af te wijzen.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. De rechtbank verleent de gevraagde machtiging voor de duur van drie weken. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.\n\n5.2.. Uit de overgelegde stukken en de zitting is gebleken dat er ten aanzien van betrokkene sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel, gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op:\n\n- ernstig lichamelijk letsel;\n\n- ernstige verwaarlozing;\n\n- maatschappelijke teloorgang;\n\n- het oproepen van agressie van een ander door het vertonen van hinderlijk gedrag;\n\n- gevaar voor de algemene veiligheid van personen en goederen.\n\n5.3.. De rechtbank neemt hierbij in overweging dat betrokkene ernstig ontremd en grensoverschrijdend gedrag vertoont. Betrokkene heeft zich agressief gedragen richting zijn omgeving, vernielingen aangericht en conflicten veroorzaakt, onder meer met zijn huisbaas, huisgenoten, ouders en personen op straat. Daarbij heeft betrokkene zichzelf en anderen in gevaar gebracht. Betrokkene blijft zijn knie ondanks het letsel daaraan belasten, slaapt niet en gebruikt aanhoudend verdovende middelen waaronder cocaïne. Daarnaast ontbreekt het betrokkene aan een stabiele huisvesting en adequate zelfzorg.\n\n5.4.. Vermoed wordt dat het ernstig nadeel wordt veroorzaakt door gedrag dat voortvloeit uit een psychische stoornis. Bij betrokkene is namelijk sprake van een manische episode bij een bipolaire stoornis gecombineerd met middelengebruik.\n\n5.5.. De crisissituatie is zo ernstig dat de procedure voor een zorgmachtiging niet kan worden afgewacht.\n\n5.6.. De rechtbank is op grond van de medische verklaring en de toelichting tijdens de zitting van oordeel dat de volgende vormen van verplichte zorg nodig zijn om het nadeel af te wenden:\n\n- het toedienen van medicatie;\n\n- het verrichten van medische controles;\n\n- het beperken van de bewegingsvrijheid;\n\n- insluiten;\n\n- onderzoek aan kleding of lichaam;\n\n- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;\n\n- opnemen in een accommodatie.\n\n5.7.. De overige door de officier verzochte vormen van verplichte zorg worden door de rechtbank afgewezen, omdat deze niet noodzakelijk worden geacht om het ernstig nadeel af te wenden.\n\n5.8.. Betrokkene verzet zich tegen de zorg. Hij wijst hulpverlening af.\n\n5.9.. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. De vormen van verplichte zorg die de rechtbank toewijst zijn evenredig en naar verwachting effectief. Bij het bepalen van de juiste vormen van zorg is rekening gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen en om te zorgen voor de veiligheid van betrokkene en zijn omgeving.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n6.1.. verleent een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel voor [betrokkene], geboren op [geboortedag] 1992 in [geboorteplaats] , wat inhoudt dat de volgende maatregelen kunnen worden toegepast:\n\n- het toedienen van medicatie;\n\n- het verrichten van medische controles;\n\n- het beperken van de bewegingsvrijheid;\n\n- insluiten;\n\n- onderzoek aan kleding of lichaam;\n\n- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;\n\n- opnemen in een accommodatie.\n\n6.2.. bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 9 juni 2026;\n\n6.3.. wijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026 door mr. Meyboom, rechter, in aanwezigheid van Van Dijke, griffier, en op schrift gesteld op 2 juni 2026.\n\nTegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5393","2026-07-13T00:28:25.955Z",{"id":126,"ecli":127,"slug":128,"caseNumber":44,"courtId":84,"decisionDate":99,"fullText":129,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":130,"sourceTimestamp":102,"parsedAt":52,"updatedAt":131},"386","ECLI:NL:RBZWB:2026:5389","ecli-nl-rbzwb-2026-5389","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F448044 \u002F FA RK 26-2418\n\nDatum uitspraak: 19 mei 2026\n\nBeschikking rechterlijke machtiging\n\nop het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor\n\n [betrokkene],\n\ngeboren op [geboortedag] 1962 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen betrokkene,\n\nwonend in [plaats 1] ,\n\nnu verblijvende in een [accommodatie] te [plaats 2] ,\n\nadvocaat mr. Z. Yeral uit Roosendaal.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. \n\nDe rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\n- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 11 mei 2026.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\n- betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;\n\nmevrouw [persoon 1] , specialist ouderengeneeskunde, behandelaar;\n\nmevrouw [persoon 2] , verpleegkundige.\n\n1.3.. De rechtbank constateert bij aanvang van de zitting dat betrokkene niet is verschenen. Uit artikel 38 lid 3 Wzd volgt dat de rechtbank, voordat zij beslist op het verzoek tot het verlenen van een rechterlijke betrokkene hoort, tenzij zij vaststelt dat deze niet in staat of niet bereid is zich te doen horen. De rechter is daarom samen met de behandelaar en de advocaat naar betrokkene toe gelopen. Betrokkene verbleef in de huiskamer van de instelling omdat hij niet bij de zitting aanwezig kon zijn vanwege zijn toestandsbeeld. Betrokkene heeft op de vragen van de rechter geen reactie gegeven en verdere communicatie bleek niet mogelijk. Gezien de reactie van betrokkene heeft de rechter hem verder met rust gelaten. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat betrokkene niet in staat is om zich te doen horen. De rechtbank heeft de zitting – met instemming van de advocaat van betrokkene en de behandelaar - voortgezet buiten de aanwezigheid van betrokkene.\n\n2. Wat vaststaat\n\n2.1.. Door de rechtbank is aan betrokkene een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling verleend tot en met 11 mei 2026.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. Het CIZ verzoekt de rechtbank een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf te verlenen voor de duur van zes maanden.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. De advocaat verzoekt om afwijzing van het verzoek. Hij merkt op dat communicatie met betrokkene nauwelijks tot niet mogelijk is en dat hij zijn standpunt daarom baseert op het dossier. Volgens de advocaat verzet betrokkene zich tegen de opname en wenst hij geen rechterlijke machtiging.\n\n4.2.. De behandelaar van betrokkene heeft toegelicht dat er bij betrokkene sprake is van dementie met een progressief beeld waardoor hij voortdurend intensieve zorg nodig heeft. Hij heeft veel sturing nodig, laat verzorging regelmatig niet toe en vertoont ontremd en dwaalgedrag. Daarnaast is communicatie vrijwel onmogelijk mede vanwege de taalbarrière (Servische taal). Volgens de behandelaar is een plaatsing binnen een voorziening met 24-uurszorg noodzakelijk waarbij wordt gehoopt dat het verzet in de toekomst zal afnemen.\n\n4.3.. De verpleegkundige heeft gezegd dat betrokkene slechts beperkt lijkt te begrijpen wat tegen hem wordt gezegd en voornamelijk communiceert met gebaren en onverstaanbare woorden. Het zorgteam probeert zo voorspelbaar mogelijk te handelen en instructies veelvuldig te herhalen. Volgens de verpleegkundige laat betrokkene verzorging soms kortdurend toe, maar is dit meestal moeilijk uitvoerbaar vanwege zijn verzet.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. De rechtbank verleent de gevraagde machtiging voor de duur van zes maanden. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.\n\n5.2.. De rechtbank is van oordeel dat betrokkene lijdt aan een psychogeriatrische aandoening. Bij betrokkene is namelijk sprake van frontotemporale dementie. Het ontbreekt betrokkene aan ziekte-inzicht en ziektebesef.\n\n5.3.. Het gedrag dat voortvloeit uit deze aandoening leidt tot ernstig nadeel, namelijk:\n\n- levensgevaar;\n\n- ernstig lichamelijk letsel;\n\n- ernstige psychische schade;\n\n- ernstige verwaarlozing;\n\n- maatschappelijke teloorgang;\n\n- het oproepen van agressie van een ander door het vertonen van hinderlijk gedrag;\n\n- gevaar voor de algemene veiligheid van personen en goederen.\n\n5.4.. De rechtbank neemt hierbij in overweging dat betrokkene ernstig ontregeld gedrag vertoont als gevolg van zijn aandoening. Betrokkene dwaalt veelvuldig rond, heeft een sterke loopdrang en toont geen inzicht in verkeerssituaties waardoor er sprake is van een risico voor de verkeersveiligheid. Daarnaast is betrokkene niet georiënteerd in tijd, plaats en persoon. Verder is sprake van ernstige zelfverwaarlozing, ontremd gedrag en decorumverlies. Zo eet en drinkt betrokkene ook niet-eetbare producten, urineert en spuugt hij op de grond en vertoont hij gedrag waaruit het lijkt dat hij terug gaat naar de kindertijd.\n\n5.5.. De opname en het verblijf zijn noodzakelijk en geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden. Betrokkene verzet zich hiertegen. Betrokkene wil steeds naar buiten en zoekt naar openingen in de omheining van het terrein.\n\n5.6.. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. Betrokkene heeft 24 uurs zorg nodig die hem in de thuissituatie niet geboden kan worden. Daarbij is het steunsysteem van betrokkene inmiddels ernstig overbelast geraakt.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n6.1.. verleent een machtiging tot opname en verblijf voor [betrokkene], geboren op [geboortedag] 1962 in [geboorteplaats] ;\n\n6.2.. bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 19 november 2026.\n\nDeze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026 door mr. Meyboom, rechter, in aanwezigheid van Van Dijke, griffier, en op schrift gesteld op 1 juni 2026.\n\nTegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5389","2026-07-13T00:28:27.166Z",{"id":133,"ecli":134,"slug":135,"caseNumber":44,"courtId":84,"decisionDate":136,"fullText":137,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":138,"sourceTimestamp":139,"parsedAt":52,"updatedAt":140},"1751","ECLI:NL:RBZWB:2026:5339","ecli-nl-rbzwb-2026-5339","2026-05-18T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F447938 \u002F FA RK 26-2357\n\nDatum uitspraak: 18 mei 2026\n\nBeschikking rechterlijke machtiging\n\nop het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor\n\n [betrokkene],\n\ngeboren op [geboortedag] 1938 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen betrokkene,\n\nwonend in [plaats] ,\n\nadvocaat mr. P. Doorakkers uit Oosterhout.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. \n\nDe rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\n- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 7 mei 2026.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 mei 2026. Daarbij zijn gehoord:\n\nbetrokkene, bijgestaan door haar advocaat;\n\n [persoon] , verpleegkundige huisartsenpraktijk;\n\nde zoon van betrokkene;\n\nde schoondochter van betrokkene.\n\n2. Het verzoek\n\n2.1.. Het CIZ verzoekt de rechtbank een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf te verlenen voor de duur van zes maanden.\n\n3. De standpunten\n\n3.1.. Betrokkene geeft aan dat het vrij goed met haar gaat en dat zij thuis wil blijven wonen. Zij raakt zeer geagiteerd wanneer er gesproken wordt over een mogelijke opname in een instelling en loopt de tuin in.\n\n3.2.. De verpleegkundige brengt, samengevat, naar voren dat betrokkene niemand toelaat voor haar persoonlijke verzorging. Het ziekte-inzicht is niet aanwezig bij betrokkene en haar ziekte is ook niet bespreekbaar met haar. Betrokkene ontving hulp van [hulpverlening] maar de zorg wordt zwaarder, mede vanwege de achterdocht van betrokkene. Volgens de verpleegkundige gaat het om de onvoorspelbaarheid van het gedrag van betrokkene (en dan vooral het dwaalgedrag in de nacht, haar groeiende achterdocht en de agressie richting echtgenoot) en de zorgen die daarbij komen kijken, die maken dat betrokkene niet meer thuis kan blijven.\n\n3.3.. De zoon van betrokkene verklaart dat zijn vader met één oog open licht ’s nachts. Voor hem vormt de situatie inmiddels ook een (te) zware belasting, mede gezien zijn eigen groeiende fysieke kwetsbaarheid. Betrokkene kan zichzelf niet meer wassen, andere dagelijkse handelingen m.b.t. bijvoorbeeld aankleden, eten en drinken niet meer uitvoeren en heeft continu aandacht en zorg nodig om dit nog enigszins in goede banen te leiden.\n\n3.4.. De advocaat bepleit afwijzing van het verzoek gelet op de nadrukkelijke wens van betrokkene om niet naar een verpleeghuis te hoeven verhuizen. Betrokkene herkent zich niet in het beeld wat van haar geschetst wordt.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. De rechtbank verleent de gevraagde machtiging voor de duur van zes maanden. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.\n\n4.2.. Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychogeriatrische aandoening, te weten dementie.\n\n4.3.. Het gedrag dat voortvloeit uit deze aandoening leidt tot ernstig nadeel. Dit nadeel bestaat uit levensgevaar, ernstig lichamelijk letsel, ernstige psychische schade, ernstige materiële schade, ernstige verwaarlozing, maatschappelijke teloorgang en het oproepen van agressie van een ander door het vertonen van hinderlijk gedrag. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat betrokkene sinds enkele maanden geen seconde meer alleen kan worden gelaten. Betrokkene is namelijk al driemaal uit het huis weggeglipt en buiten in de winter gaan dwalen zonder jas. Daarnaast is betrokkene niet in staat bij een (medisch) noodgeval anderen te alarmeren, hetgeen niet alleen een gevaar vormt voor betrokkene zelf maar ook voor haar echtgenoot. Voorts is betrokkene wegens het snel geagiteerde gedrag en het weigeren van thuiszorg, huishoudelijke hulp en echtgenoot, niet langer in staat zichzelf te verzorgen. Vanuit de agitatie maakt betrokkene slaande bewegingen, balt zij haar vuisten en tracht zij met spullen te gooien of de tafel om te gooien. De echtgenoot van betrokkene is inmiddels ernstig overbelast.\n\n4.4.. De opname en het verblijf zijn noodzakelijk en geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden. Er is voldoende gebleken dat de thuissituatie van betrokkene onhoudbaar is. Betrokkene heeft 24-uurs zorg nodig en die kan in de thuissituatie niet worden geboden. De feitelijke zorg zal (indien nodig) onder dwang uitgevoerd moeten worden om agitatie en agressie te verminderen en verdere zelfverwaarlozing en maatschappelijke teloorgang te voorkomen.\n\n4.5.. Betrokkene verzet zich hiertegen. Betrokkene wil pertinent niets horen over dementie aangezien er niks mis zou zijn met haar geheugen. Wanneer gesproken wordt over het niet meer thuis kunnen wonen of verhuizen naar een accommodatie neemt het verzet alleen maar meer toe. Mevrouw wordt dan ontzettend boos en begint te schreeuwen.\n\n4.6.. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. Uit de overgelegde stukken blijkt dat in de thuissituatie niet meer de benodigde 24-uurs zorg kan worden geleverd. De inzet van thuiszorg wordt door betrokkene geweigerd, waarbij zij geagiteerd raakt, hen de deur wijst en zelf wegloopt. De thuissituatie is reeds langere tijd aan het escaleren, ondanks de inzet van mantelzorg en thuiszorg. Er is dan ook geen ander alternatief dan opname van betrokkene.\n\n4.7.. Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor verlening van een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf als bedoeld in de Wzd. De machtiging zal worden verleend voor de verzochte duur van zes maanden.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n5.1.. verleent een machtiging tot opname en verblijf voor [betrokkene], geboren op [geboortedag] 1938 in [geboorteplaats] ;\n\n5.2.. bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 18 november 2026.\n\nDeze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026 door mr. Janssen, rechter, in aanwezigheid van Vermare, griffier en op schrift gesteld op 29 mei 2026.\n\nTegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5339","2026-06-18T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:36.999Z",{"id":142,"ecli":143,"slug":144,"caseNumber":44,"courtId":84,"decisionDate":136,"fullText":145,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":146,"sourceTimestamp":139,"parsedAt":52,"updatedAt":147},"1822","ECLI:NL:RBZWB:2026:5341","ecli-nl-rbzwb-2026-5341","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F447936 \u002F FA RK 26-2355\n\nDatum uitspraak: 18 mei 2026\n\nBeschikking rechterlijke machtiging\n\nop het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor\n\n [betrokkene],\n\ngeboren op [geboortedag] 1948 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen betrokkene,\n\nwonend in [plaats] ,\n\nadvocaat mr. C.J.M. Veth uit Rijen.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. \n\nDe rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\n- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 7 mei 2026.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 mei 2026. Daarbij zijn gehoord:\n\nbetrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;\n\nmevrouw [naam 1] , mentor;\n\nmevrouw [naam 2] , casemanager;\n\nmevrouw [naam 3] , huishoudelijke coach;\n\nmevrouw [naam 4] , ambulant begeleider [hulpverlening].\n\n2. Wat vaststaat\n\n2.1.. Voor betrokkene is mentorschap ingesteld.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. Het CIZ verzoekt de rechtbank een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf te verlenen voor de duur van zes maanden.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. Betrokkene geeft aan dat het goed met hem gaat en dat hij liever thuis wil blijven wonen. Betrokkene is van mening dat hij geen mensen nodig heeft.\n\n4.2.. De casemanager verklaart dat het niet goed met betrokkene gaat en dat zijn spraakvermogen achteruitgaat. Betrokkene brengt veel tijd door op bed en de laatste periode is er veel bier aanwezig in het huis. Betrokkene doucht niet, is incontinent en valt regelmatig. Bovendien eet betrokkene rauw en bedorven voedsel. Voorts geeft de casemanager aan dat betrokkene de thuiszorg weigert.\n\n4.3.. De mentor verklaart dat betrokkene heel zorgmijdend is.\n\n4.4.. De huishoudelijke coach brengt, samengevat, naar voren dat betrokkene niet meer alert is, bijna niet meer buiten komt, vooral op bed ligt en onder de ontlasting zit. Betrokkene eet rauw en bedorven eten.\n\n4.5.. De ambulant begeleider vult de huishoudelijke coach aan door te verklaren dat betrokkene geen motivatie laat zien.\n\n4.6.. De advocaat bepleit afwijzing van het verzoek omdat betrokkene niet opgenomen wenst te worden.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. De rechtbank verleent de gevraagde machtiging voor de duur van zes maanden. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.\n\n5.2.. Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychogeriatrische aandoening, te weten dementie. Ook is er sprake van zwakbegaafdheid.\n\n5.3.. Het gedrag dat voortvloeit uit deze aandoening leidt tot ernstig nadeel. Dit nadeel bestaat uit ernstig lichamelijk letsel, ernstige verwaarlozing en maatschappelijke teloorgang. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat betrokkene zichzelf niet meer verzorgt en verzorging door het wijkteam niet toestaat. Sinds januari is betrokkene niet meer gedoucht of gewassen. Daarbij kan betrokkene zichzelf niet verzorgen na toiletgang waardoor hij geregeld onder de ontlasting wordt aangetroffen. Voorts lijkt betrokkene onvoldoende en bedorven voeding tot zich te nemen waarbij hij niks wil weggooien. Sinds een aantal weken haalt betrokkene grote hoeveelheden halve liters bier waarbij er geregeld open blikjes bier op tafel staan. Het geautomatiseerde medicatiesysteem geeft regelmatig een alarmmelding (i.v.m. niet of niet tijdig innemen van medicatie) waardoor het wijkteam langs moet komen. Voorts valt betrokkene geregeld wanneer hij uit bed komt en is hij niet in staat mensen of ziekenhuis te alarmeren bij een medisch noodgeval.\n\n5.4.. De opname en het verblijf zijn noodzakelijk en geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden. Er is voldoende gebleken dat de thuissituatie van betrokkene inmiddels onhoudbaar is geworden. Betrokkene heeft 24-uurs zorg nodig en die kan in de thuissituatie niet worden geboden.\n\n5.5.. Betrokkene verzet zich hiertegen. Betrokkene blijft herhaaldelijk aangeven niet opgenomen te willen worden. Hierbij kan hij niet aangeven waarom hij dit niet wil.\n\n5.6.. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. Uit de overgelegde stukken blijkt dat in de thuissituatie niet de benodigde zorg kan worden geleverd. Betrokkene weigert vrijwel alle aangeboden professionele zorg en ondersteuning en laat onbekenden niet binnen. Er is dan geen ander alternatief dan opname van betrokkene.\n\n5.7.. Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor verlening van een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf als bedoeld in de Wzd. De machtiging zal worden verleend voor de verzochte duur van zes maanden.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n6.1.. verleent een machtiging tot opname en verblijf voor [betrokkene], geboren op [geboortedag] 1948 in [geboorteplaats] ;\n\n6.2.. bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 18 november 2026.\n\nDeze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026 door mr. Janssen, rechter, in aanwezigheid van Vermare, griffier en op schrift gesteld op 29 mei 2026.\n\nTegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5341","2026-07-13T00:29:40.480Z",{"id":149,"ecli":150,"slug":151,"caseNumber":44,"courtId":74,"decisionDate":136,"fullText":152,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":153,"sourceTimestamp":139,"parsedAt":52,"updatedAt":154},"1821","ECLI:NL:RBZWB:2026:5336","ecli-nl-rbzwb-2026-5336","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Middelburg\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F448079 \u002F FA RK 26-2439\n\nDatum uitspraak: 18 mei 2026\n\nBeschikking voortzetting crisismaatregel\n\nop het verzoek van de officier van justitie voor\n\n [betrokkene],\n\ngeboren op [geboortedag] 1957 in [geboorteplaats],\n\nhierna te noemen betrokkene,\n\nwonend in [plaats],\n\nadvocaat mr. W. van der Sande uit Goes.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\nhet verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 13 mei 2026;\n\nhet e-mailbericht van [accommodatie] van 15 mei 2026 met bijlage.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 mei 2026. Daarbij zijn gehoord:\n\nbetrokkene, bijgestaan door haar advocaat;\n\nde heer [naam 1], behandelaar;\n\nmevrouw [naam 2], verpleegkundige;\n\nde partner van betrokkene.\n\n2. Wat vaststaat\n\n2.1.. Betrokkene verblijft met een crisismaatregel in [accommodatie]. De burgemeester van de gemeente Goes heeft de crisismaatregel op 12 mei 2026 afgegeven.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De officier van justitie verzoekt de rechtbank een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel te verlenen voor de duur van drie weken.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. Betrokkene stelt dat het beter gaat met haar. Ze krijgt momenteel medicatie, maar als ze dit niet meer wil, hoeft ze het niet meer te nemen. Er is geen directe aanleiding geweest voor haar terugval en betrokkene wil dan ook graag weer naar huis.\n\n4.2.. De advocaat stelt dat het verzoek primair moet worden afgewezen. Betrokkene wil naar huis en wil geen medicatie meer nemen. Hiernaast heeft ze een zelfbindingsverklaring waarin wordt vermeld dat ze opgenomen wil worden en medicatie wil ontvangen op het moment dat het noodzakelijk is. Subsidiair kan het verzoek worden toegewezen met de vormen van verplichte zorg zoals de behandelaar tijdens de zitting noodzakelijk heeft geacht.\n\n4.3.. De behandelaar stelt dat betrokkene een katatoon beeld liet zien toen ze werd ogenomen. Er is medicatie gestart en sindsdien is dit beeld verbeterd. Echter is het ziektebesef en het ziekte-inzicht nog zeer beperkt. Ook is betrokkene nog erg zorgbehoeftig; er is bijna één op één begeleiding nodig. Echter wil betrokkene niet opgenomen zijn en neemt ze liever haar medicatie niet in. Haar medicatie neemt ze momenteel onder dwang. Opname in een klinische setting is momenteel nog noodzakelijk. Voor wat betreft de vormen van verplichte zorg zijn alleen de vormen ‘het toedienen van medicatie’, ‘het verrichten van medische controles’, ‘het beperken van de bewegingsvrijheid’ en ‘het opnemen in een accommodatie’ noodzakelijk. De overige vormen zijn niet nodig. Betrokkene heeft een zelfbindingsverklaring, maar omdat er (soms actief) verzet is, kan hier momenteel geen gebruik van worden gemaakt.\n\n4.4.. De verpleegkundige stelt dat de zelfzorg van betrokkene iets is verbeterd ten opzichte van toen ze net werd opgenomen. Ze krijgt ook lorazepam en dit werkt goed voor haar.\n\n4.5.. De partner van betrokkene heeft aangegeven dat hij het niet ziet zitten als betrokkene op dit moment naar huis komt. Ze heeft op bepaalde momenten medicatie nodig en dit kan haar niet altijd op de juiste momenten in de thuissituatie geboden worden. Zonder medicatie gaat het niet goed met betrokkene.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. De rechtbank verleent de gevraagde machtiging voor de duur van drie weken. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.\n\n5.2.. Uit de overgelegde stukken en de zitting is gebleken dat er ten aanzien van betrokkene sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel, gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op:\n\n- ernstig lichamelijk letsel;\n\n- ernstige psychische schade;\n\n- ernstige verwaarlozing;\n\n- maatschappelijke teloorgang;\n\n- het oproepen van agressie van een ander door het vertonen van hinderlijk gedrag.\n\n5.3.. Sinds ongeveer vier weken is er sprake van een terugval in klachten bij betrokkene; ze spendeert uren voor de kledingkast waarbij zij repetitieve, niet doelgerichte handelingen uitvoert om haar kledingkast op orde te maken. Ze kwam niet meer uit de woning en deed dwanghandelingen, waarbij ze vergeet te eten en te drinken. Onder dwang van haar partner neemt zij minimaal eten en drinken tot zich, waardoor ze enkele kilo’s is afgevallen. Daarnaast slaapt betrokkene nauwelijks en put ze zichzelf uit. De thuissituatie is voor zowel haar als de partner niet meer houdbaar.5.4.. Vermoed wordt dat het ernstig nadeel wordt veroorzaakt door gedrag dat voortvloeit uit psychische stoornissen. Betrokkene heeft namelijk neurobiologische ontwikkelingsstoornissen (o.a. verstandelijke beperkingen en autismespectrumstoornissen), depressieve-stemmingsstoornissen en overige DSM-5 stoornissen.\n\n5.5.. De crisissituatie is zo ernstig dat de procedure voor een zorgmachtiging niet kan worden afgewacht.\n\n5.6.. De rechtbank is op grond van de medische verklaring en de toelichting tijdens de zitting van oordeel dat de volgende vormen van verplichte zorg nodig zijn om het nadeel af te wenden:\n\n- het toedienen van medicatie;\n\n- het verrichten van medische controles;\n\n- het beperken van de bewegingsvrijheid;\n\n- opnemen in een accommodatie.\n\n5.7.. De overige door de officier verzochte vormen van verplichte zorg worden door de rechtbank niet noodzakelijk geacht, omdat de noodzakelijkheid daarvan niet (afdoende) is gemotiveerd en de behandelaar tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat deze niet nodig zijn om het ernstig nadeel af te wenden.\n\n5.8.. Betrokkene verzet zich tegen de zorg.\n\n5.9.. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. De vormen van verplichte zorg die de rechtbank toewijst zijn evenredig en naar verwachting effectief. Bij het bepalen van de juiste vormen van zorg is rekening gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen en om te zorgen voor de veiligheid van betrokkene en haar omgeving.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n6.1.. verleent een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel voor [betrokkene], geboren op [geboortedag] 1957 in [geboorteplaats], wat inhoudt dat de maatregelen die in 5.6. staan kunnen worden toegepast;\n\n6.2.. bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 8 juni 2026;\n\n6.3.. wijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026 door mr. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van drs. Swint, griffier en op schrift gesteld op 1 juni 2026.\n\nTegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5336","2026-07-13T00:29:40.435Z",{"id":156,"ecli":157,"slug":158,"caseNumber":44,"courtId":84,"decisionDate":136,"fullText":159,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":160,"sourceTimestamp":139,"parsedAt":52,"updatedAt":161},"1114","ECLI:NL:RBZWB:2026:5338","ecli-nl-rbzwb-2026-5338","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F448132 \u002F FA RK 26-2461\n\nDatum uitspraak: 18 mei 2026\n\nBeschikking voortzetting inbewaringstelling\n\nop het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor\n\n [betrokkene],\n\ngeboren op [geboortedag] 1947 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen betrokkene,\n\nwonend in [plaats] ,\n\nverblijvende in een [accommodatie] te [plaats] ,\n\nadvocaat mr. H. van der Sluis-Westerlaan uit Oosterhout.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. \n\nDe rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\n- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 13 mei 2026.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 mei 2026. Daarbij zijn gehoord:\n\nbetrokkene, bijgestaan door haar advocaat;\n\nmevrouw [persoon 1] , specialist ouderengeneeskunde;\n\nmevrouw [persoon 2] , dochter van betrokkene.\n\n2. Wat vaststaat\n\n2.1.. Betrokkene verblijft met een inbewaringstelling in de [accommodatie] te [plaats] . De burgemeester van de gemeente Breda heeft de inbewaringstelling op 12 mei 2026 afgegeven.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. Het CIZ verzoekt de rechtbank een machtiging tot voorzetting van de inbewaringstelling te verlenen voor de duur van zes weken.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. Betrokkene brengt, samengevat, naar voren dat het prima met haar gaat en zij gewoon naar huis wil. Volgens betrokkene is er niks met haar aan de hand en geneest de wond vanzelf weer. Zij herhaalt een aantal keer, met stemverheffing, dat zij gewoon naar huis gaat en absoluut niet wil verblijven in de instelling.\n\n4.2.. De specialist ouderengeneeskunde verklaart dat het redelijk met betrokkene gaat. Betrokkene wil met momenten weg, uit dit verbaal, echter daarbij maakt zij geen aanstalten daadwerkelijk te vertrekken. Verder laat betrokkene zich moeilijk verzorgen, hetgeen ook het grootste probleem in de thuissituatie was. Voorts geeft de specialist ouderengeneeskunde aan dat de huidige afdeling waar betrokkene verblijft een tijdelijke plek is om te kijken waar betrokkene terecht kan gezien haar lichamelijke staat. Dit kan een hospice of een andere afdeling zijn omdat betrokkene stervende is.\n\n4.3.. De dochter van betrokkene verklaart dat betrokkene een heel zelfstandig type is. De dochter is zich ervan bewust dat haar moeder in een stervensfase zit en daarbij is zorg heel belangrijk. Tevens wil de dochter de wens van haar moeder respecteren zodat zij haar laatste tijd thuis kan verblijven.\n\n4.4.. De advocaat bepleit primair afwijzing van het verzoek omdat duidelijk is dat betrokkene naar huis wil. Aan de andere kant begrijpt de advocaat heel goed dat het nadeel zo ernstig is dat dit niet kan.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. De rechtbank verleent de gevraagde machtiging voor de duur van zes weken. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.\n\n5.2.. Uit de overgelegde stukken en de zitting is gebleken dat er ten aanzien van betrokkene sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel, gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op levensgevaar, ernstig lichamelijk letsel en ernstige verwaarlozing. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat betrokkene ontkent een wond te hebben, deze niet verzorgt of laat verzorgen, terwijl ze beweert dit wel te doen of niet nodig te vinden. Daarnaast houdt betrokkene dagenlang dezelfde kleding aan, verschoont zich niet en vergeet te eten. Betrokkene houdt alle hulp af, waarbij de thuisverpleging verbaal agressief wordt bejegend tot deze weggaat. Dit heeft er inmiddels toe geleid dat de wond reeds maden en tekenen van necrose bevat, waarbij betrokkene het risico loopt te overlijden ten gevolge van sepsis.\n\n5.3.. Thans wordt vermoed dat het ernstig nadeel wordt veroorzaakt door gedrag dat voortvloeit uit een psychogeriatrische aandoening, te weten Alzheimer.\n\n5.4.. Het ernstig nadeel is zodanig onmiddellijk dreigend dat een rechterlijke machtiging niet kan worden afgewacht.\n\n5.5.. Voortzetting van de inbewaringstelling is noodzakelijk en geschikt om het onmiddellijk dreigend ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden. Betrokkene houdt in de thuissituatie alle hulp af. Het niet met regelmaat laten verzorgen van de wond onder haar arm verhoogt het risico om te overlijden ten gevolge van sepsis. Door de wond te verzorgen in een gedwongen kader wordt het risico op sepsis vermeden. Ook kan betrokkene begeleiding krijgen bij de zelfzorg, zoals persoonlijke verzorging en het eten. Zodra betrokkene stabiel functioneert zal gekeken worden of zij naar huis of hospice kan gaan om daar haar laatste levensfase door te brengen.\n\n5.6.. Betrokkene verzet zich hiertegen. Betrokkene geeft aan dat er niets aan de hand is en geen hulp nodig te hebben. Betrokkene blijft aangeven naar huis te willen.\n\n5.7.. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. Betrokkene houdt alle hulp af.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n6.1.. verleent een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling voor [betrokkene], geboren op [geboortedag] 1947 in [geboorteplaats] ;\n\n6.2.. bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 29 juni 2026.\n\nDeze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026 door mr. Janssen, rechter, in aanwezigheid van Vermare, griffier en op schrift gesteld op 29 mei 2026.\n\nTegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5338","2026-07-13T00:29:04.855Z",{"id":163,"ecli":164,"slug":165,"caseNumber":44,"courtId":74,"decisionDate":136,"fullText":166,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":167,"sourceTimestamp":139,"parsedAt":52,"updatedAt":168},"1126","ECLI:NL:RBZWB:2026:5329","ecli-nl-rbzwb-2026-5329","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Middelburg\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F447752 \u002F FA RK 26-2262\n\nDatum uitspraak: 18 mei 2026\n\nBeschikking rechterlijke machtiging\n\nop het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor\n\n [betrokkene],\n\ngeboren op [geboortedag] 1963 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen betrokkene,\n\nwonend in [plaats] ,\n\nadvocaat mr. J.E.S. de Rechter uit Hulst.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. \n\nDe rechtbank neemt het volgende stuk mee in de beoordeling:\n\n- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 30 april 2026.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 mei 2026. Daarbij zijn gehoord:\n\nbetrokkene, bijgestaan door haar advocaat;\n\nmevrouw [persoon 1] , casemanager;\n\nde heer [persoon 2] , huisarts.\n\nOok aanwezig, maar niet gehoord is:\n\n- de heer [persoon 3] , partner van betrokkene.\n\n2. Het verzoek\n\n2.1.. Het CIZ verzoekt de rechtbank een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf te verlenen voor de duur van zes maanden.\n\n3. De standpunten\n\n3.1.. Betrokkene stelt dat ze niet wil worden opgenomen. Ze kan makkelijk alleen thuis zijn.\n\n3.2.. De advocaat stelt dat betrokkene wil dat het verzoek wordt afgewezen. Echter hoort de advocaat ook de zorgen en om die reden refereert ze zich aan het oordeel van de rechtbank.\n\n3.3.. De casemanager voert aan dat het thuis onhoudbaar wordt, met name voor de partner van betrokkene. Hij werkt fulltime, maar draagt ook de volledige zorg voor betrokkene. Op het moment dat de partner niet thuis is, zijn er zo veel als mogelijk zorgmomenten gepland. Echter weigert betrokkene deze zorg in toenemende mate; ze doet de deur niet open of ze wordt erg boos. Betrokkene kan echter niet alleen zijn. Ze gaat erg hard achteruit, is onder meer slecht ter been, is incontinent en kan niet alleen naar het toilet, ze gaat zonder jas naar buiten en dwaalt dagelijks over straat waarna ze haar woning niet meer terug kan vinden. Er is van alles geprobeerd, zoals de inzet van een psycholoog, dagopvang en medicatie, maar dit is niet voldoende om de situatie te verbeteren.\n\n3.4.. De huisarts stelt dat zowel Haldol als Risperidon is ingezet. Hier reageerde betrokkene niet goed op. Ook weigert ze haar medewerking te verlenen, is ze enorm achterdochtig en reageert ze boos.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. De rechtbank verleent de gevraagde machtiging voor de duur van zes maanden. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.\n\n4.2.. De rechtbank is van oordeel dat betrokkene lijdt aan een psychogeriatrische aandoening. Betrokkene heeft namelijk Young-onset Alzheimer.\n\n4.3.. Het gedrag dat voortvloeit uit deze aandoening leidt tot ernstig nadeel. Dit nadeel bestaat uit:\n\n- ernstig lichamelijk letsel;\n\n- ernstige psychische schade;\n\n- ernstige verwaarlozing;\n\n- maatschappelijke teloorgang;\n\n- gevaar voor de algemene veiligheid van personen en goederen.\n\n4.4.. Gebleken is dat betrokkene in toenemende mate aan het dwalen is. Betrokkene heeft geen inzicht meer in verkeersregels, waardoor het dwalen ook gevaarlijk is. Hierbij kan ze bevuilt of deels ontbloot rondlopen, weet ze de weg naar huis niet meer te vinden of herkent haar huis niet meer. Ook heeft betrokkene zich de afgelopen periode meerdere malen buitengesloten. Hiernaast is er sprake van een verhoogd risico op valincidenten, mede door knieklachten en doordat betrokkene te groot schoeisel aandoet en hierin niet te corrigeren is. Ook is betrokkene incontinent van urine en ontlasting en kan ze zichzelf niet adequaat verschonen. Ze eet en drinkt zelfstandig niets; ze moet hierin gestuurd worden door haar partner. Inmiddels wordt betrokkene volledig door haar partner verzorgd, omdat ze dit niet meer zelf kan. De partner is nog fulltime werkzaam en heeft al veel verzuimd door mantelzorgtaken. De thuiszorg is inmiddels gestopt; dit leidde tot meer onrust en agitatie bij betrokkene. Ze kan namelijk met agitatie en agressie reageren op zorgverleners, bezorgers, maar ook op haar partner. De thuissituatie is voor zowel betrokkene als haar partner onhoudbaar geworden.\n\n4.5.. De opname en het verblijf zijn noodzakelijk en geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden. Betrokkene verzet zich hiertegen. Ondanks uitgebreide inzet van formele en informele zorgverleners is thuis wonen met vergevorderde dementie niet langer haalbaar. Het dwaalgedrag, decorumverlies, onvermogen tot alarmeren, agitatie, onveilig handelen en weigeren van zorg maakt dat een opname noodzakelijk is geworden. Betrokkene heeft behoefte aan 24 uur per dag passende zorg, structurering en begeleiding binnen een veilige woonomgeving met zorg in nabijheid. Deze zorg kan een in een Wzd-accommodatie geboden worden. Betrokkene reageert vanuit onbegrip en angst met geagiteerd gedrag en verzet. Het geagiteerde gedrag is dagelijks en meerdere malen per dag aanwezig, vooral in situaties die betrokkene door haar dementie niet begrijpt, maar soms ook zonder duidelijke aanleiding, waardoor betrokkene onvoorspelbaar is.\n\n4.6.. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. Deze zijn al geprobeerd (door de inzet van medicatie, dagbehandeling en thuiszorg) zonder of met averechts effect. Er sprake is van een vergevorderde dementie, waardoor ambulante zorg niet meer goed te bieden is en ook niet uit te breiden is.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n5.1.. verleent een machtiging tot opname en verblijf voor [betrokkene], geboren op [geboortedag] 1963 in [geboorteplaats] ;\n\n5.2.. bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 18 november 2026.\n\nDeze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026 door mr. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van drs. Swint, griffier en op schrift gesteld op 1 juni 2026.\n\nTegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5329","2026-07-13T00:29:05.434Z",{"id":170,"ecli":171,"slug":172,"caseNumber":44,"courtId":173,"decisionDate":174,"fullText":175,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":176,"sourceTimestamp":177,"parsedAt":52,"updatedAt":178},"1268","ECLI:NL:RBOBR:2026:4795","ecli-nl-rbobr-2026-4795",72,"2026-05-13T00:00:00.000Z","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie 's-Hertogenbosch\n\nZaaknummer: C\u002F01\u002F425155 \u002F FA RK 26-1524\n\nDatum uitspraak: 13 mei 2026\n\nBeschikking over een zorgmachtiging\n\nop het verzoek van de officier van justitie voor\n\n [betrokkene],\n\ngeboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen betrokkene,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nadvocaat mr. A.A.W.A. Vissers uit 's-Hertogenbosch.\n\n1. De verdere procedure\n\n1.1.. Deze beschikking volgt op de beschikking van deze rechtbank van 29 april 2026. Zij heeft daarin – kort gezegd – de beslissing op het verzoek aangehouden en de officier van justitie verzocht een nieuwe medische verklaring over te leggen.\n\n1.2.. De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\nhet verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 10 april 2026;\n\nhet bericht van de mentor van betrokkene van 24 april 2026;\n\nde nieuwe medische verklaring van 4 mei 2026;\n\nde reactie van de advocaat van betrokkene van 8 mei 2025.\n\n1.3.. De rechtbank acht zich, gelet op de nader ingekomen stukken, voldoende voorgelicht om de zaak zonder hervatting van de zitting af te doen. De rechtbank heeft de beschikking bepaald op vandaag.\n\n2. Wat vaststaat\n\n2.1.. Voor betrokkene is een mentorschap ingesteld.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De officier van justitie verzoekt de rechtbank een zorgmachtiging te verlenen voor de duur van zes maanden.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. De officier van justitie heeft naar aanleiding van de beschikking van 29 april 2026 een nieuwe medische verklaring van een andere onafhankelijke psychiater overgelegd. Deze psychiater heeft betrokkene in persoon onderzocht en komt tot de diagnose dat bij betrokkene sprake is van een ernstige stoornis in het gebruik van alcohol in combinatie met een uitgebreide neurocognitieve stoornis.\n\n4.2.. In reactie hierop betwist de advocaat van betrokkene dat de onafhankelijk psychiater de stoornis in het gebruik van alcohol rechtstreeks heeft waargenomen. Daarnaast stelt de advocaat dat onvoldoende is onderbouwd dat de verslaving van zodanige ernst is dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen daardoor zo ingrijpend wordt beïnvloed dat sprake is van een psychische stoornis. Verder valt de neurocognitieve stoornis volgens de advocaat van betrokkene onder de reikwijdte van de Wet zorg en dwang (Wzd) en staat de inbreuk op de vrijheid van betrokkene niet in een redelijke verhouding tot het doel van de zorgmachtiging.\n\n4.3.. De rechtbank is zich ervan bewust dat deze zaak zich beweegt op het grensvlak tussen de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), Wzd en vrijwilligheid. Dat heeft er in het verleden toe geleid dat verzoeken niet zijn toegewezen. Uit de stukken en de toelichting van de zorgverleners is gebleken dat er pas duidelijkheid kan komen over de aard van de neurocognitieve stoornis als de alcohol-afhankelijkheid van betrokkene is teruggedrongen. Daarom zal de rechtbank – nu de onafhankelijk psychiater een stoornis in de zin van de Wvggz aanneemt – de gevraagde machtiging voor zes maanden verlenen. De rechtbank zal hierna verder uitleggen waarom zij deze beslissing neemt.\n\n4.4.. De rechtbank is van oordeel dat de stoornis deugdelijk is vastgesteld door de onafhankelijk psychiater. De onafhankelijk psychiater heeft voldoende aanleiding gezien in het gesprek met betrokkene en in het dossier om aan te nemen dat bij betrokkene sprake is van een ernstige stoornis in het gebruik van alcohol. Betrokkene koopt wekelijks grote hoeveelheden alcohol en lijkt niet zonder te kunnen. Hieraan doet niet af dat betrokkene op het moment van de onafhankelijke beoordeling niet duidelijk onder invloed van alcohol was. Temeer niet nu deze beoordeling plaatsvond op een maandag (4 mei 2026). Uit het zorgplan blijkt immers dat betrokkene op woensdag zijn weekgeld ontvangt en dan veel drinkt totdat het geld en de alcohol op is. Dan stopt hij met drinken totdat hij opnieuw weekgeld ontvangt. Dit kan ook verklaren waarom betrokkene tijdens de zitting niet zichtbaar onder invloed van alcohol was. De zitting vond namelijk plaats op een dinsdag (28 april 2026). Bovendien zou een diagnose – als de redenering van de advocaat wordt gevolgd – in alle gevallen onderuit gehaald kunnen worden door ofwel tijdelijk abstinent te zijn dan wel min of meer toevallig een goede dag te hebben. Het is – zeker in deze zaak – belangrijk om het geheel aan informatie te beschouwen en daar conclusies aan te verbinden.\n\n4.5.. Ten aanzien van de stoornis is volgens de rechtbank voldoende onderbouwd dat de stoornis betrokkene in zijn greep heeft. Het veroorzaakte gevaar kan hem niet worden aangerekend, omdat de stoornis de gevaarvolle daden van de betrokkene overwegend beheerst. Uit de nieuwe medische verklaring volgt dat betrokkene wantrouwend en paranoïde is naar de instanties. Hij geeft aan bang te zijn dat de instanties zijn woning willen afnemen. Tijdens de zitting gaf betrokkene ook aan bang te zijn dat de medewerkers van Novadic Kentron zijn platencollectie in beslag willen nemen. De rechtbank heeft dus ook zelf de onrealistische gedachten van betrokkene gehoord. Hoewel nader onderzoek zal moeten plaatsvinden, lijkt het erop dat deze gedachten ontstaan onder invloed van de verslaving en dat betrokkene hier niet zelf de regie over heeft. Daarbij komt dat de mentor zich grote zorgen maakt. De mentor geeft in een uitgebreide brief aan dat betrokkene zich uitstekend kan verwoorden, maar niet in staat is om hetgeen hij zegt tot uitvoering te brengen. De mentor maakt zich ernstige zorgen over het welzijn van betrokkene. Deze mentor heeft bij uitstek zicht op betrokkene, kent betrokkene goed en kan dus ook met argument pleiten voor een opname. Aan deze brief kan daarom niet zomaar voorbij worden gegaan.4.6.. De rechtbank ziet in de paranoïde gedachten en de door de mentor geuite zorgen voldoende aanleiding om aan te nemen dat betrokkene zodanig wordt beïnvloed door zijn stoornis dat hij niet langer in staat is om de gevolgen van zijn handelingen en uitspraken te overzien, waardoor er gevaarlijke situaties voor hemzelf en anderen ontstaan. Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat betrokkene als een ‘willoos werktuig’ van zijn verslaving kan worden beschouwd.\n\n4.7.. De rechtbank is dan ook, anders dan de advocaat, van oordeel dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, namelijk een ernstige stoornis in het gebruik van alcohol in combinatie met een uitgebreide neurocognitieve stoornis. Uit de stukken volgt dat de stoornis in het gebruik van alcohol op dit moment op de voorgrond staat. Er dient namelijk eerst een klinische detox en uitgebreid diagnostisch onderzoek plaats te vinden, waarna vastgesteld kan worden welke vorm van nazorg het meest passend is. Dat kan in theorie ook betekenen dat zal blijken dat een Wzd-machtiging nodig is. 4.8. De rechtbank verwijst in dit verband naar onderdeel 2.8 van de conclusie van A-G Lückers van 29 juli 2022 (te vinden op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:PHR:2022:728) waarin onder meer het volgende is overwogen: “De onduidelijkheid waar het middel naar verwijst (…) en waarvoor observatie en diagnostiek nodig is, ziet - na bestudering van het dossier en de bestreden uitspraak - niet zo zeer op de vraag óf er sprake is van een geestelijke stoornis (…), maar op onderzoek naar de oorzaak van de geestelijke stoornis en welke behandeling betrokkene adequate hulp kan geven en verandering kan bewerkstellingen (…). Die vraag kan alleen beantwoord worden door opname van betrokkene (observatie) en stabilisatie (….). De onduidelijkheid over de psychiatrische kwalificatie, over de oorzaken van de psychische stoornis en over de behandeling hoeft de verlening van een zorgmachtiging niet in de weg te staan. Dit volgt ook uit de wetsgeschiedenis waarin is overwogen dat in de medische verklaring moet worden ingegaan op de symptomen en, zo mogelijk, een diagnose moet worden gesteld. Een (definitieve) diagnose is niet altijd direct te stellen en vergt vaak - na opname - nadere observatie en stabilisatie van betrokkene.” De rechtbank leest hierin steun voor haar oordeel ten aanzien van de onduidelijkheid van de herkomst van de cognitieve stoornis en de noodzaak van diagnostiek. Een diagnose hoeft – kort gezegd - nog niet 100% duidelijk te zijn bij afgifte van een zorgmachtiging. Soms is (verdere) diagnostisering nodig na afgifte. 4.9. De stoornis veroorzaakt ernstig nadeel. Dit nadeel bestaat uit:\n\n- ernstig lichamelijk letsel;\n\n- ernstige psychische schade;\n\n- ernstige verwaarlozing;\n\n- maatschappelijke teloorgang;\n\n- gevaar voor de algemene veiligheid van personen en goederen.\n\n.4.10.. Er is bij betrokkene sprake van zelfverwaarlozing en vervuiling. Betrokkene lijkt al langere tijd niet goed in staat om voor zichzelf en voor zijn leefomgeving te zorgen. Zijn woning is met tijden zeer vervuild, zijn kleding is vuil en kapot en in de zomer klagen de buren vanwege ernstige stankoverlast door urine. De onafhankelijk psychiater heeft onlangs het bed van betrokkene vervuild met urine aangetroffen. Bovendien bestaat er een risico op brand doordat betrokkene onder invloed van alcohol brandende sigaretten laat vallen, waarvoor al meerdere keren de brandweer is gebeld. Betrokkene is verder wantrouwend, paranoïde en denigrerend richting de thuiszorg en verslavingszorg. Hij laat medewerkers van Novadic Kentron niet binnen in zijn woning en is bijzonder vocaal richting die medewerkers. Dit is ook tijdens de zitting gebleken. Betrokkene wilde pertinent niet dat de zitting zou plaatsvinden in aanwezigheid van hulpverleners van Novadic Kentron. Uit de stukken volgt ook dat betrokkene bedreigingen heeft geuit naar hulpverleners en dat hij regelmatig suïcidale uitspraken doet. De mentor van betrokkene maakt zich ernstige zorgen en geeft aan dat de huidige zelfstandige woonsituatie niet langer veilig en verantwoord is.\n\n4.11.. Om het ernstig nadeel af te wenden of de geestelijke gezondheid en de door de stoornis bedreigde of aangetaste fysieke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen heeft betrokkene zorg nodig.\n\n4.12.. Er zijn geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis. Er is herhaaldelijk geprobeerd om de zorg op een vrijwillige basis vorm te geven, maar dit is onvoldoende toereikend gebleken. Betrokkene weigert structureel zorg en diagnostiek. Daarbij laat betrokkene hulpverleners niet binnen. Daarom is verplichte zorg nodig.\n\n4.13.. De rechtbank is op grond van het zorgplan, de medische verklaring, het advies van de geneesheer-directeur en de toelichting tijdens de zitting van oordeel dat de volgende vormen van verplichte zorg nodig zijn:\n\n- het toedienen van medicatie;\n\n- het verrichten van medische controles;\n\n- het verrichten van andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;\n\n- het beperken van de bewegingsvrijheid;\n\n- uitoefenen van toezicht op betrokkene;\n\n- onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen;\n\n- controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen;\n\n- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;\n\n- opnemen in een accommodatie.\n\n4.14.. De verzochte vorm van verplichte zorg ‘het toedienen van vocht en voeding’ zal worden afgewezen, omdat niet is gebleken dat deze vorm noodzakelijk is om het ernstig nadeel af te wenden. Tegen de overige vormen van verplichte zorg is geen verweer gevoerd.\n\n4.15.. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. De vormen van verplichte zorg die de rechtbank toewijst zijn evenredig en naar verwachting effectief. Bij het bepalen van de juiste vormen van zorg is rekening gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen en om te zorgen voor de veiligheid van betrokkene en zijn omgeving. De voorgenomen klinische detox en de daaropvolgende diagnostiek zijn passend en noodzakelijk en rechtvaardigen – anders dan door de advocaat betoogd – de inbreuk op de rechten van betrokkene. 4.16. Zoals aan het begin van deze beschikking is overwogen zit deze casus op de grenzen van de verschillende wettelijke stelsels. Ook zijn er – afhankelijk van de belichtingswijze – andere pleitbare standpunten mogelijk. Dat hoeft volgens A-G Lückers (zie de eerder genoemde conclusie, onderdeel 2.9) niet te betekenen dat het oordeel van een rechtbank onjuist is:\n\n“Het is aan de rechtbank als feitenrechter voorbehouden welke waardering wordt gegeven aan de verklaringen van de verschillende partijen bij de verlening van de zorgmachtiging. Die vrijheid in de feitelijke afweging van de rechter brengt met zich mee dat - anders dan het middel stelt - de rechtbank ook niet in hoeft te gaan op elke verklaring die andersluidend is dan het oordeel, zoals de mening van de zorgverantwoordelijke (subonderdeel 2.1) 12, die overigens op p. 7 van het zorgplan heeft aangekruist dat is voldaan aan alle criteria voor verplichte zorg en dat de doelen van verplichte zorg zijn het afwenden van ernstig nadeel en het stabiliseren lichamelijke gezondheid. Het oordeel van de rechtbank dat aan de vereisten van artikel 2:1 Wvggz wordt voldaan (rov. 2.2 en 2.10), waaronder ook vallen effectiviteit, doelmatigheid en proportionaliteit van de verplichte zorg, kon mijns inziens op basis van de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting worden gedragen en is geenszins onbegrijpelijk. Dat een andere feitelijke beoordeling mogelijk was op basis van een opmerking van de zorgverantwoordelijke in het zorgplan\u002Fbehandelplan, maakt het oordeel van de rechtbank niet onbegrijpelijk of onjuist.”\n\n4.17. \n\nTot slot wil de rechtbank betrokkene nog het volgende meegeven. Betrokkene geeft aan dat het zijn keuze is om zijn leven te leiden zoals hij dat nu doet. De rechtbank vindt de autonomie ten aanzien van het eigen leven een groot goed en kan het tot op zekere hoogte eens zijn met betrokkene. Die autonomie moet zo lang mogelijk in stand gehouden worden, maar het hierboven omschreven ernstig nadeel rechtvaardigt een begrenzing van de autonomie ter bescherming van op de eerste plaats zijn psychische en fysieke gezondheid, zijn veiligheid en zijn maatschappelijke status. In de tweede plaats gaat het om de veiligheid van omwonenden en eigendommen van derden. De rechtbank gunt iedereen zijn leven. De rechtbank moet ook scherp in de gaten houden wanneer daarin een grens is bereikt. De rechtbank spreekt de hoop uit dat betrokkene hier – ook al is hij nu mordicus tegen verplichte zorg – uiteindelijk beter uit komt.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n5.1.. verleent een zorgmachtiging voor [betrokkene] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] , wat inhoudt dat de maatregelen die in paragraaf 4.13. staan kunnen worden toegepast;\n\n5.2.. bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 13 november 2026;\n\n5.3.. wijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. M. de Vries, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026, in aanwezigheid van de griffier.\n\nTegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4795","2026-07-07T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:13.026Z",{"id":180,"ecli":181,"slug":182,"caseNumber":44,"courtId":173,"decisionDate":183,"fullText":184,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":185,"sourceTimestamp":177,"parsedAt":52,"updatedAt":186},"1113","ECLI:NL:RBOBR:2026:4794","ecli-nl-rbobr-2026-4794","2026-04-29T00:00:00.000Z","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie 's-Hertogenbosch\n\nZaaknummer: C\u002F01\u002F425155 \u002F FA RK 26-1524\n\nDatum uitspraak: 29 april 2026\n\nBeschikking zorgmachtiging\n\nop het verzoek van de officier van justitie voor\n\n [betrokkene],\n\ngeboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen betrokkene,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nadvocaat mr. A.A.W.A. Vissers uit 's-Hertogenbosch.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. \n\nDe rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\n- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 10 april 2026.\n\n1.2.. De zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2026. Daarbij zijn gehoord:\n\nbetrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;\n\n [zorgverantwoordelijke 1] , zorgverantwoordelijke;\n\nJ [zorgverantwoordelijke 2] , zorgverantwoordelijke.\n\n1.3.. De mentor is, hoewel correct opgeroepen, niet verschenen tijdens de mondelinge behandeling. Zij heeft per e-mail haar zienswijze kenbaar gemaakt aan de rechtbank.\n\n2. Wat vaststaat\n\n2.1.. Voor betrokkene is een mentorschap ingesteld.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De officier van justitie verzoekt de rechtbank een zorgmachtiging te verlenen voor de duur van zes maanden.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. De advocaat heeft tijdens de mondelinge behandeling de deugdelijkheid van de medische verklaring betwist, omdat de onafhankelijk psychiater niet met betrokkene heeft gesproken en ook onvoldoende heeft gedaan om betrokkene te spreken. De psychiater is samen met zorgmedewerkers van Novadic Kentron bij betrokkene aan de deur geweest. Betrokkene is echter zeer wantrouwig ten opzichte van Novadic Kentron en is om die reden niet in gesprek gegaan met de psychiater. De psychiater heeft daarna niet nogmaals een poging gedaan om betrokkene, buiten de aanwezigheid van de medewerkers van Novadic Kentron, te spreken. De advocaat heeft aangegeven dat betrokkene wel bereid zou zijn om in gesprek te gaan met de psychiater als er geen medewerkers van Novadic Kentron bij zijn.4.2.. De rechtbank ziet in deze gang van zaken een zorgvuldigheidsgebrek. Een persoonlijk gesprek tussen betrokkene en een psychiater is van belang om diverse redenen. Betrokkene moet met een medicus kunnen praten over wat er speelt in zijn leven, waarbij de psychiater hem in direct contact spreekt en observeert. Diezelfde medicus moet op basis van dat gesprek kunnen adviseren en een medische verklaring opstellen. Dat luistert extra nauw nu de machtiging zoals gevraagd niet gering is qua duur en omvang. Er zal dus een nieuwe onafhankelijke beoordeling moeten komen, waarbij het voorgaande in acht wordt genomen en geen medewerkers van Novadic Kentron betrokken zijn.\n\n4.3.. De rechtbank ziet dan ook aanleiding de officier van justitie te verzoeken om een nieuwe medische verklaring te laten opmaken en over te leggen, waarbij betrokkene wordt onderzocht door een andere onafhankelijk psychiater en buiten de aanwezigheid van medewerkers van Novadic Kentron.\n\n4.4.. De rechtbank zal de zaak, gelet op het voorgaande en gelet op het bepaalde in artikel 6:1, vijfde lid Wvggz, aanhouden en de officier van justitie verzoeken en in de gelegenheid stellen om uiterlijk op 6 mei 2026 een nieuwe medische verklaring bij de rechtbank in te dienen. De rechtbank zal vervolgens partijen in de gelegenheid stellen om binnen een week op die verklaring schriftelijk te reageren en hen verzoeken om daarbij aan te geven of de onderhavige zaak verder wel of niet schriftelijk kan worden afgehandeld.\n\n4.5.. Gelet op het bepaalde in artikel 6:2, vierde lid, Wvggz wordt de beslistermijn tot 22 mei 2026 verlengd.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n5.1.. houdt de beslissing op het verzoek aan en verzoekt de officier van justitie om uiterlijk 6 mei 2026 een nieuwe medische verklaring over te leggen.\n\nDeze beschikking is gegeven op 29 april 2026 door mr. M. de Vries, rechter, in aanwezigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.\n\nTegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4794","2026-07-13T00:29:04.814Z",{"id":188,"ecli":189,"slug":190,"caseNumber":44,"courtId":191,"decisionDate":192,"fullText":193,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":194,"sourceTimestamp":195,"parsedAt":52,"updatedAt":196},"1845","ECLI:NL:RBROT:2026:7852","ecli-nl-rbrot-2026-7852",61,"2026-04-07T00:00:00.000Z","Rechtbank Rotterdam\n\nTeam straf 2\n\nParketnummer: 10\u002F700023-20\n\nDatum uitspraak: 7 april 2026\n\nBeslissing van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, met betrekking tot de terbeschikkingstelling van:\n\n [ter beschikking gestelde](de ter beschikking gestelde),\n\ngeboren op [geboorteland] op [geboortedatum] 1985,\n\nverblijvende in [tbs kliniek] te [plaats 1] (de instelling),\n\nraadsman mr. J.J. Lieftink, advocaat te Amsterdam.1. Inleiding\n\nBij arrest van het gerechtshof Den Haag van 15 maart 2024 is de terbeschikkingstelling van [ter beschikking gestelde] gelast en is zijn verpleging van overheidswege (dwangverpleging) bevolen.\n\nDe terbeschikkingstelling is gelast ter zake van poging tot doodslag, meermalen gepleegd. De termijn van de terbeschikkingstelling is aangevangen op 5 april 2024.2. Procesverloop\n\nDe rechtbank heeft op 19 februari 2026 van het openbaar ministerie een vordering ontvangen tot verlenging van de terbeschikkingstelling. De vereiste stukken zijn bijgevoegd dan wel toegezonden.\n\nDe vordering is op de openbare terechtzitting van 7 april 2026 behandeld. De officier van justitie mr. E. ter Braak, de ter beschikking gestelde, bijgestaan door zijn raadsman, en als deskundige [deskundige] , werkzaam bij de instelling, zijn gehoord.3. Adviezen\n\nAdvies instelling\n\nDe instelling adviseert in het rapport, gedateerd 26 januari 2026, de terbeschikkingstelling te verlengen met twee jaren.\n\nBij de ter beschikking gestelde is sprake van een licht verstandelijke beperking, persoonlijkheidsproblematiek met antisociale kenmerken en verslavingsproblematiek.\n\nHet recidiverisico in geval van onmiddellijke beëindiging van de terbeschikkingstelling wordt ingeschat als hoog en matig tot hoog bij voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging.\n\nDe ter beschikking gestelde bevindt zich in de delictgerelateerde behandeling, begeleide verloven zijn opgestart en hij laat geruime periode zien goed in behandeling te zijn, voldoende openheid te geven en adequate coping in te zetten. Hij is gebaat bij duidelijkheid en een aantal steunfiguren, waar hij zich veilig bij voelt en zaken mee deelt. De risicofactoren zijn in de huidige context verminderd actueel. In de huidige situatie lijkt een verlenging van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging nog steeds vereist, echter gericht op (stapsgewijze) uitbreiding van vrijheden en resocialisatie, aansluitend bij het lage niveau van emotioneel functioneren en beperkte cognitieve capaciteiten. In het verleden, binnen de eerste tbs-behandeling, is gebleken dat hij in zijn resocialisatie in eerste instantie aan de oppervlakte stabiel blijft functioneren. Echter, onderliggend is er sprake van het mijden van zorg, het ontbreken van openheid, zich niet houden aan afspraken en drugsgebruik, uiteindelijk leidend tot een ernstig recidive en een tweede tbs-oplegging.\n\nHij heeft laten zien dat hij geen middelen gebruikt en de afgelopen periode is er geen\n\nsprake van (fysieke) agressie geweest. Wel blijven het geringe oplossend vermogen en\n\nwantrouwen naar de omgeving belangrijke factoren waar aandacht voor moet zijn gedurende het traject. Zijn valkuil is om situaties negatief in te kleuren, wat kan leiden tot\n\nmoeilijkheden in de samenwerking. Een actieve en presente benadering is hierin helpend\n\ngebleken en noodzakelijk voor het verdere verloop van de behandeling. Er zal verder aandacht worden gegeven aan het bestendigen van arbeidsvaardigheden, een zinvolle daginvulling, het omgaan met stress en spanning en het inzetten en bestendigen van adequate copingvaardigheden. De huidige context waarin hij verblijft is beschermend, maar minder noodzakelijk om terugvallen in probleemgedrag, zoals agressie en middelengebruik te voorkomen. Het behandelteam is daarom voornemens om op termijn stappen te zetten richting onbegeleid verlof en vervolgens richting uitstroom te werken. De komende periode zal de behandeling van de ter beschikking gestelde zich hierop richten.\n\nOp de terechtzitting gegeven advies\n\nDe deskundige [deskundige] , als GZ-psycholoog verbonden aan de instelling, heeft het verlengingsadvies op de zitting toegelicht. Zij heeft onder meer verklaard – zakelijk weergegeven – dat voortzetting van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging nog is vereist, mede gelet op de ernst van het indexdelict, en zij niet verwacht dat over een jaar al kan worden gedacht aan voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging. Het is volgens haar een te grote stap om vanuit begeleid verlof toe te werken naar voorwaardelijke beëindiging. Zij acht meerdere tussenstappen nodig. De koers is dat hij onbegeleid verlof zal krijgen en vervolgens richting uitstroom zal worden gewerkt. Hij is recent overgegaan naar de uitstroomafdeling en het gaat daar goed. Op 13 april 2026 zal onbegeleid verlof worden aangevraagd. De instelling vindt het belangrijk dat daarna transmuraal verlof zal volgen en hij van daaruit naar begeleid wonen gaat. Hij wil echter geen transmuraal verlof. Een andere mogelijkheid is dat hij naar een woning op het terrein van de instelling gaat. Er is daarvoor wel een wachtlijst, maar als er vanuit de instelling urgentie wordt gevraagd, kan dat wel worden versneld. Hij zou dan vanuit begeleid wonen kunnen doorstromen naar een zelfstandige woning. Het is van belang dat deze stappen gecontroleerd worden gezet om hem goed te laten uitstromen, zeker omdat dit zijn tweede tbs-behandeling betreft en hij tijdens zijn eerste tbs-behandeling na lange tijd te zijn behandeld opnieuw de keuze heeft gemaakt om een delict te plegen. Dat is gebeurd toen hij terug was gegaan naar [plaats 2] , waar zijn oude vrienden zijn. Tijdens die tbs-behandeling is ook gebleken dat hij ‘onder water’ dingen bleef doen, zoals het in verkeerde milieus en in een verkeerde woning verblijven. Het zou kunnen zijn dat er toen een bepaalde mate van schijnaanpassing is geweest. Ook nu is hij niet altijd open. Soms is hij het ergens niet mee eens, maar zegt hij dat niet. De inschatting is dat hij ook wel beïnvloedbaar is. De inschatting is daarnaast dat als er meer ruimte in zijn leven komt, er ook meer uitdagingen komen. Het mooie van deze terbeschikkingstelling is dat hij nu wel echt ervaart dat het verstandig is om een bepaalde verbinding met iemand aan te gaan. Dat heeft hij nu gedaan met de therapeut en hij ziet in dat het verstandig is om dat ook te doen met de behandelaren in de instelling en daarnaast contact met familie op te bouwen. Hij wil in [plaats 1] blijven. Dat is belangrijk, want dan is er minder risico dat hij opnieuw de fout gaat, omdat hij daar geen oude vrienden heeft en daar wel familieleden van hem wonen.\n\nDe deskundige blijft gelet hierop bij het advies tot verlenging van de terbeschikkingstelling met twee jaren. Wel schat zij in dat over twee jaren mogelijk aan voorwaardelijke beëidinging van de dwangverpleging kan worden, als het blijft gaan zoals het nu gaat. Daarvoor is het ook wel nodig dat het contact met de reclassering tegen die tijd al wordt opgebouwd.4. Standpunt van partijen\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft geconcludeerd tot verlenging van de termijn van de terbeschikkingstelling met twee jaren.\n\nStandpunt van de ter beschikking gestelde\n\nDe ter beschikking gestelde en de raadsman hebben zich niet verzet tegen verlenging van de termijn van de terbeschikkingstelling met twee jaren. De raadsman heeft opgemerkt dat de ter beschikking gestelde in korte tijd al veel stappen heeft weten te zetten en het is mooi dat de instelling daaraan heeft meegewerkt en dus ook snelheid betracht. Er is door de deskundige een heel reëel tijdspad geschetst voor het vervolgtraject en het is goed om in die twee jaar in rust toe te werken naar een voorwaardelijke beëindiging.5. Beoordeling\n\nOp grond van het advies van de instelling en wat verder naar voren is gekomen op de terechtzitting is de rechtbank van oordeel dat:\n\n- er nog steeds sprake is van een gebrekkige ontwikkeling en\u002Fof ziekelijke stoornis van de geestvermogens van de ter beschikking gestelde;\n\n- de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen eist dat de termijn van de terbeschikkingstelling met twee jaar wordt verlengd.\n\nDe rechtbank ziet dat de terbeschikking gestelde zich goed inzet en hij snel stappen heeft gezet in de behandeling. Het is van belang dat hij ditmaal goed uitstroomt en niet opnieuw zal recidiveren. Daarvoor is het van belang dat de vervolgstappen gecontroleerd worden gezet. Als alles goed blijft gaan is het de verwachting dat in deze periode zal worden toegewerkt naar voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging. Daarvoor is wel van belang dat de ter beschikking gestelde ook de openheid zal geven die nodig is.\n\n6. Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverlengtde termijn van de terbeschikkingstelling met2 (twee)jaren.\n\nDeze beslissing is genomen door:\n\nmr. W.A.F. Damen, voorzitter,\n\nen mrs. J. van de Klashorst en E. Kranendonk, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. A.K. van Zanten, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting.\n\nDe oudste rechter, de jongste rechter en griffier zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.\n\nTegen deze beslissing kan het openbaar ministerie binnen veertien dagen na de uitspraak en de ter beschikking gestelde binnen veertien dagen na betekening daarvan beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7852","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:41.657Z",{"id":198,"ecli":199,"slug":200,"caseNumber":44,"courtId":191,"decisionDate":192,"fullText":201,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":202,"sourceTimestamp":195,"parsedAt":52,"updatedAt":203},"1846","ECLI:NL:RBROT:2026:7853","ecli-nl-rbrot-2026-7853","Rechtbank Rotterdam\n\nTeam straf 2\n\nParketnummer: 10\u002F267714-21\n\nDatum uitspraak: 7 april 2026\n\nBeslissing van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, met betrekking tot de terbeschikkingstelling van:\n\n [ter beschikking gestelde](de ter beschikking gestelde),\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,\n\nverblijvende in [tbs kliniek 1] te [locatie] (hierna ook: de instelling),\n\nraadsvrouw mr. L. Schouten, advocaat te Amsterdam.1. Inleiding\n\nBij vonnis van deze rechtbank van 29 maart 2022 is de terbeschikkingstelling van [ter beschikking gestelde] gelast en is zijn verpleging van overheidswege (dwangverpleging) bevolen.\n\nDe terbeschikkingstelling is gelast ter zake van poging tot zware mishandeling. De termijn van de terbeschikkingstelling is aangevangen op 30 maart 2022.\n\nBij beslissing van deze rechtbank van 13 maart 2024 is de terbeschikkingstelling verlengd met twee jaar.2. Procesverloop\n\nDe rechtbank heeft op 19 februari 2026 van het openbaar ministerie een vordering ontvangen tot verlenging van de terbeschikkingstelling. De vereiste stukken zijn bijgevoegd dan wel toegezonden.\n\nDe vordering is op de openbare terechtzitting van 7 april 2026 behandeld. De officier van justitie mr. E. ter Braak, de ter beschikking gestelde (via videoverbinding), bijgestaan door zijn raadsvrouw, en als deskundige [deskundige] , werkzaam bij de instelling, zijn gehoord.3. Adviezen\n\nAdvies instelling\n\nDe instelling adviseert in het rapport, gedateerd 17 februari 2026, de terbeschikkingstelling te verlengen met twee jaren.\n\nDe ter beschikking gestelde is op 10 november 2025 vanuit [tbs kliniek 2] overgeplaatst naar [tbs kliniek 1] voor een tweede behandelpoging. Aanleiding hiervoor was een incident op 18 september 2025 waarbij hij naar eigen zeggen een telefoon van een medepatiënt zou hebben gebruikt om kinderporno te downloaden en te bekijken. Als gevolg van dit incident was het voor hem niet meer veilig om onder medepatiënten in de instelling te verblijven, waardoor een duurzame behandeling niet meer mogelijk was.\n\nIn [tbs kliniek 2] is na psychologisch onderzoek geconcludeerd dat bij de ter beschikking gestelde sprake is van een autismespectrumstoornis, een anders gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale en borderline trekken, een stoornis in cannabisgebruik (matig tot ernstig) en een stoornis in alcoholgebruik (matig en in remissie in een gereguleerde omgeving). De in het verleden gestelde diagnose ADHD is verworpen, omdat het hyperactieve en impulsieve gedrag van de ter beschikking gestelde tevens kan worden verklaard vanuit de gestelde stoornissen en het psychologisch onderzoek onvoldoende aanwijzingen opleverde voor deze diagnose.\n\nIn [tbs kliniek 1] wordt na onderzoek een aanpassing van de diagnostiek overwogen. Zo worden er vragen gesteld bij de verworpen ADHD-diagnose, gezien het hyperactieve en impulsieve gedrag van de ter beschikking gestelde wat op de voorgrond staat. Verder wordt ook gezien dat sprake is van seksuele problematiek bij de ter beschikking gestelde. Hij heeft in gesprekken aangegeven last te hebben van agressieve en seksuele fantasieën. Hij worstelt met zijn seksualiteit en identiteit en heeft moeite met het aangeven van grenzen en het respecteren van andermans grenzen vanuit zijn problematiek. Gelet op hetgeen daarover is geconcludeerd in het rapport van [psychiater] , zal ook nog worden onderzocht of sprake is van een parafiele stoornis.\n\nHet recidiverisico in geval van onmiddellijke beëindiging van de terbeschikkingstelling en voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging is hoog. Bij volledig verval van zorg en toezicht is het risico op terugval in gewelddadig gedrag matig tot hoog. Er zijn dan weinig beschermende factoren, omdat die dan grotendeels wegvallen. Het risicomanagement verloopt voorlopig vooral extern. De ter beschikking gestelde heeft zonder toezicht en structuur beperkte zelfcontrole. Als zorg wegvalt, neemt het risico op destabilisatie toe. Er bestaat een grote kans dat hij zonder externe sturing terugvalt in disfunctionele coping (zoals middelengebruik, zich sociaal terugtrekken en agressie). Hij is bovendien sterk gevoelig voor negatieve invloeden van anderen. Naarmate spanningen toenemen, neigt hij steeds sterker naar (seksueel) agressieve fantasieën en impulsief gedrag. Er is sprake van verhoogde impulsiviteit en de copingvaardigheden zijn onvoldoende toereikend, waarmee de kans op nieuw gewelddadig delictgedrag sterk aanwezig is en ook het risico op seksueel recidive toeneemt.\n\nDe verwachting is dat het behandel- en resocialisatietraject van de ter beschikking gestelde nog enkele jaren in beslag zal nemen, ook omdat de huidige tweede behandelpoging nog in de kinderschoenen staat. Door de overplaatsing naar [tbs kliniek 1] zal de koers opnieuw moeten worden bepaald en de hierbij bijbehorende prognose. Via begeleid-, onbegeleid- en transmuraal verlof zal hij mogelijk kunnen doorstromen\n\nnaar een FPA waar hij wederom fases zal moeten doorlopen, om vervolgens te kunnen worden geplaatst op een beschermd wonen voorziening.\n\nAdvies psychiater\n\n [psychiater] adviseert in het rapport, gedateerd 20 december 2025, de terbeschikkingstelling te verlengen met twee jaren.\n\nAnders dan de instelling expliciteert de psychiater de seksuele problematiek van de ter beschikking gestelde binnen de DSM-classificatie, als een (mogelijk) met de autismespectrumstoornis samenhangende ongespecificeerde parafiele stoornis, waarbij men gaandeweg het behandeltraject wellicht tot een meer gespecificeerde classificatie zou kunnen komen.\n\nAdvies psycholoog\n\n [psycholoog] adviseert in het rapport, gedateerd 26 januari 2026, de termijn van de terbeschikkingstelling te verlengen met twee jaren.\n\nOok de psycholoog classificeert de seksuele problematiek als een ongespecificeerde parafiele stoornis. Hij doet geen uitspraken over het risico op seksueel agressieve delicten, omdat het geen indexdelict betreft en omdat hij over onvoldoende valide informatie beschikt om het instrument voor het inschatten van dit risico te scoren.\n\nOp de terechtzitting gegeven advies\n\n [deskundige] , als verpleegkundig specialist GGZ en hoofd behandeling verbonden aan de instelling, heeft het verlengingsadvies op de zitting toegelicht. Zij heeft onder meer verklaard – zakelijk weergegeven – dat de instelling de parafilie ziet vanuit de autismespectrumstoornis van de ter beschikking gestelde. In de behandeling moet meer\n\ninzicht worden verkregen in zijn seksuele problematiek en de oorzaken voor zijn gewelddadige gedrag en seksuele problematiek. Dit is ook nodig om in te kunnen schatten of het alleen blijft bij gedachten en waar het mogelijk kan leiden tot handelen. Er is gestart met medicatie om zijn seksuele gedachten te remmen. De hoop is dat dat effect heeft,dat hij dan ook vaardigheden kan gaan aanleren en dat er meer intrinsieke motivatie zal volgen. Dat wordt nu ook al bij de ter beschikking gestelde gezien. Zij is positief over hoe hij de tweede behandelpoging is gestart. Voor het indienen van de aanvraag voor begeleid verlof moest worden afgewacht wat met de aangifte met betrekking tot het incident in [tbs kliniek 2] zou worden gedaan. Nu de officier van justitie op de zitting heeft opgemerkt dat deze zaak is geseponeerd, omdat er geen kinderporno op de telefoon is aangetroffen, kan deze aanvraag worden ingediend.4. Standpunt van partijen\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft geconcludeerd tot verlenging van de termijn van de terbeschikkingstelling met twee jaren.\n\nStandpunt van de ter beschikking gestelde\n\nDe ter beschikking gestelde en de raadsvrouw hebben zich niet verzet tegen verlenging van de termijn van de terbeschikkingstelling met twee jaren.5. Beoordeling\n\nOp grond van de adviezen van de instelling, de psychiater en de psycholoog en wat verder naar voren is gekomen op de terechtzitting is de rechtbank van oordeel dat:\n\n- er nog steeds sprake is van een gebrekkige ontwikkeling en\u002Fof ziekelijke stoornis van de geestvermogens van de ter beschikking gestelde;\n\n- de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen eist dat de termijn van de terbeschikkingstelling met twee jaar wordt verlengd.\n\nDe totale duur van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging gaat door de verlenging een periode van vier jaar te boven. Verlenging is niettemin mogelijk, omdat de terbeschikkingstelling is opgelegd voor een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen.6. Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverlengtde termijn van de terbeschikkingstelling met2 (twee)jaren.\n\nDeze beslissing is genomen door:\n\nmr. W.A.F. Damen, voorzitter,\n\nen mrs. J. van de Klashorst en J.C. Rous, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. A.K. van Zanten, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting.\n\nDe griffier is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.\n\nTegen deze beslissing kan het openbaar ministerie binnen veertien dagen na de uitspraak en de ter beschikking gestelde binnen veertien dagen na betekening daarvan beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7853","2026-07-13T00:29:41.698Z",21,20,[11]]