[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-consumer-law-nl-2026":3},{"detail":4,"years":216},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":39,"total":214,"page":14,"limit":215},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},29,"consumer-law-nl","Consumer Law","NL","2026-07-08T16:53:14.161Z",2026,[13,15,18,20,22,24,27,29,31,33,35,37],{"month":14,"count":14},1,{"month":16,"count":17},2,0,{"month":19,"count":16},3,{"month":21,"count":14},4,{"month":23,"count":19},5,{"month":25,"count":26},6,19,{"month":28,"count":17},7,{"month":30,"count":17},8,{"month":32,"count":17},9,{"month":34,"count":17},10,{"month":36,"count":17},11,{"month":38,"count":17},12,[40,54,63,73,81,90,99,108,116,124,132,140,149,157,166,173,180,188,197,206],{"id":41,"ecli":42,"slug":43,"caseNumber":44,"courtId":45,"decisionDate":46,"fullText":47,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":50,"sourceTimestamp":51,"parsedAt":52,"updatedAt":53},"751","ECLI:NL:GHDHA:2026:2200","ecli-nl-ghdha-2026-2200","",58,"2026-06-30T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nCiviel recht\n\nTeam Handel\n\nZaaknummer hof : 200.355.114\u002F01\n\nZaak- en rolnummer rechtbank : 11307689 \\ CV EXPL 24-23450\n\nArrest van 30 juni 2026 (bij vervroeging)\n\nin de zaak van\n\nMonuta [naam] B.V.,\n\ngevestigd in Capelle aan den IJssel,\n\nappellante,\n\nadvocaat: mr. C.A.M.H. Vink, kantoorhoudend in 's-Hertogenbosch,\n\ntegen\n\n [geïntimeerde],\n\nzonder bekende woon- of verblijfplaats,\n\ngeïntimeerde,\n\nniet verschenen.\n\nHet hof noemt partijen hierna Monuta en [geïntimeerde] .1. De zaak in het kort1.1. Monuta vordert in deze zaak betaling van een openstaande factuur voor de in opdracht van [geïntimeerde] verzorgde uitvaart van zijn moeder. [geïntimeerde] is niet verschenen. De kantonrechter heeft geconstateerd dat sprake is van een overeenkomst tussen een handelaar en een consument die op afstand of buiten de verkoopruimte is gesloten. Daarop heeft de kantonrechter ambtshalve onderzocht of Monuta aan haar informatieverplichting uit hoofde van art. 6:230m lid 1 BW heeft voldaan. De kantonrechter oordeelde dat Monuta niet heeft aangetoond dat zij heeft voldaan aan de verplichting de consument informatie te verstrekken over de voorwaarden, de termijn en de modaliteiten voor de uitoefening van het recht van ontbinding (art. 6:230m lid 1 onder h jo art. 6:230o BW). Met toepassing sanctierichtlijn heeft de kantonrechter de overeenkomst gedeeltelijk vernietigd, in die zin dat de betalingsverplichting van [geïntimeerde] is verminderd met 25%. De kantonrechter heeft 75% van de gevorderde hoofdsom, kosten, rente en proceskosten toegewezen.1.2. In hoger beroep voert Monuta aan dat uit de aard van de overeenkomst, de aard van de geleverde diensten en zaken, en de wettelijke termijn waarbinnen een overledene moet zijn gecremeerd of begraven volgt dat [geïntimeerde] geen recht van ontbinding had, zodat Monuta ook geen informatieplicht had. Zij meent daarom dat de kantonrechter ten onrechte haar vordering niet volledig heeft toegewezen. Het hof komt tot hetzelfde oordeel als de kantonrechter.1.3. De grief dat de kantonrechter ten onrechte niet de gevorderde contractuele rente heeft toegewezen en de proceskosten verkeerd heeft berekend, slaagt wel. Op dit punt wordt het bestreden vonnis vernietigd.2. Procesverloop in hoger beroep2.1. \n\nHet verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:\n\nde dagvaarding van 21 februari 2025, waarmee Monuta in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 11 december 2024, met bijlagen.2.2. \n [geïntimeerde] is in hoger beroep niet verschenen. Tegen hem is verstek verleend.3. Feitelijke achtergrond3.1. Monuta is een onderneming die zich, onder meer, bezighoudt met het (doen) verzorgen van uitvaarten.3.2. Op 21 maart 2023 heeft Monuta aan [geïntimeerde] een offerte\u002Fkostenbegroting met algemene voorwaarden gestuurd voor het verzorgen van de uitvaart van zijn overleden moeder.3.3. Bij e-mail van 22 maart 2023 heeft [geïntimeerde] zich hiermee akkoord verklaard. In de offerte\u002Fkostenbegroting is bepaald dat [geïntimeerde] (de toepasselijkheid van) de Algemene Voorwaarden van de Branchevereniging Gecertificeerde Nederlandse Uitvaarondernemingen (hierna: de algemene voorwaarden) aanvaardt.3.4. Monuta heeft de uitvaart, die plaatsvond op 27 maart 2023, overeenkomstig de opdracht verzorgd.3.5. Monuta heeft [geïntimeerde] hiervoor een factuur gedateerd 26 april 2023 gestuurd van € 4.632,10. Op grond van de algemene voorwaarden bedroeg de betalingstermijn twee weken. Ondanks herhaalde aanmaningen, sommaties en ingebrekestellingen is de factuur onbetaald gebleven.4. Procedure bij de rechtbank4.1. Monuta heeft [geïntimeerde] gedagvaard en gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen aan haar € 5.713,71 met rente en kosten te betalen.4.2. \n [geïntimeerde] is (ook in eerste aanleg) niet verschenen en tegen hem is verstek verleend.4.3. De kantonrechter heeft de vorderingen toegewezen tot een bedrag van € 4.323,11, vermeerderd met de wettelijke rente over € 3.474,08 vanaf 27 juni 2024 tot de dag van algehele voldoening en [geïntimeerde] veroordeeld in de proceskosten.4.4. De kantonrechter heeft daartoe overwogen dat de overeenkomst is gesloten op afstand of buiten de verkoopruimte tussen een handelaar en een consument. Bij of voorafgaand aan het sluiten van deze overeenkomsten moet de handelaar bepaalde informatie aan de consument verstrekken en deze informatie bevestigen op een duurzame gegevensdrager, aldus de kantonrechter. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677, beslist dat de rechter ambtshalve moet onderzoeken of aan een aantal informatieverplichtingen is voldaan. Het gaat dan om de informatie waaraan de wet een specifieke sanctie verbindt als deze niet wordt gegeven en om de informatie waaraan extra gewicht moet worden toegekend. Dit zijn de essentiële informatieverplichtingen. De Hoge Raad heeft ook beslist dat de rechter de overeenkomst geheel of gedeeltelijk moet vernietigen in die zin dat de betalingsverplichting van de consument wordt verminderd als sprake is van een voldoende ernstige schending van zo’n verplichting, aldus de kantonrechter.4.5. De kantonrechter heeft verder overwogen dat op grond van artikel 6:230m lid 1 onderdeel h BW de consument erop moet worden gewezen dat hij of zij het recht heeft om de overeenkomst binnen veertien dagen te ontbinden. De kantonrechter oordeelde dat Monuta niet heeft aangetoond dat aan deze informatieverplichting is voldaan en dat deze bepaling daarom was geschonden. Met toepassing van de door de rechtbanken opgestelde sanctierichtlijn heeft de kantonrechter de overeenkomst gedeeltelijk vernietigd, in die zin dat de betalingsverplichting van [geïntimeerde] is verminderd met 25%, en een bedrag van € 3.474,08 aan hoofdsom (75% van € 4.632,10), € 571,62 aan buitengerechtelijke kosten en € 277,41 aan vervallen wettelijke rente toegewezen.5. Beoordeling in hoger beroepGrieven5.1. Monuta is het niet eens met het vonnis van de kantonrechter en heeft daartegen drie grieven aangevoerd.5.2. Grief 1 is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat art. 6:230m onder h BW is geschonden en tegen de vermindering van de vordering met 25% overeenkomstig de sanctierichtlijn. Monuta stelt dat, hoewel haar specifieke dienstverlening niet expliciet in de wet is opgenomen, het gelet op het doel en de achtergrond van het ontbindingsrecht en de genoemde uitzonderingen daarop, overeenkomsten tot uitvaartverzorging behoren te zijn uitgezonderd van het ontbindingsrecht. In dit verband wijst zij op de uitzonderingen van art. 6:230p onder d, e en f BW en verder op de Wet op de Lijkbezorging die bepaalt dat de uitvaart maximaal zes dagen na het overlijden moet plaatsvinden. [geïntimeerde] heeft Monuta daarom verzocht om direct voor hem aan de slag te gaan. Er moest van alles geregeld, gereserveerd, gemaakt en besteld worden: opbaring en laatste verzorging van de overledene, het kiezen tussen begraven of cremeren, het bepalen van de locatie en de datum van de uitvaart, het versturen van rouwkaarten, het opstellen van een rouwadvertentie, het uitkiezen van een uitvaartkist, het regelen van het rouwvervoer en het vormgeven van de uitvaartdienst. Uit de aard van de overeenkomst, de aard van de geleverde diensten en zaken en de wettelijke termijn waarbinnen een overledene moet zijn gecremeerd of begraven volgt dat [geïntimeerde] geen ontbindingsrecht had. Daarom is art. 6:230m lid 1 onder h niet geschonden en bestond geen aanleiding voor het opleggen van een sanctie, aldus Monuta. De vordering is volgens haar ten onrechte met toepassing van de sanctierichtlijn met 25% verminderd.5.3. Grief 2 is gericht tegen de vermindering door de kantonrechter van de (toegewezen) buitengerechtelijke kosten en de (wettelijke) rente met 25% en grief 3 is gericht tegen de vermindering van de proceskostenveroordeling met 25%. Monuta voert aan dat, omdat geen sprake is van schending van de informatieplicht art. 6:230m lid 1 onder h BW, op de nevenvorderingen en de proceskosten eveneens ten onrechte een vermindering is toegepast.5.4. In grief 3 wordt verder nog geklaagd: - dat onder 2.12 van het bestreden vonnis het griffierecht ten onrechte is vastgesteld op € 496 (vordering met een waarde van € 2.500-€ 5.000) in plaats van € 524 (vordering met een waarde van € 5.000-€ 12.500); - dat onder 2.12 het salaris van de gemachtigde ten onrechte is vastgesteld op € 271 (hoofdsom, rente en buitengerechtelijke kosten tot en met € 5.000) in plaats van € 339 (hoofdsom, rente en buitengerechtelijke kosten tot en met € 10.000); en - dat ten onrechte zonder nadere motivering de subsidiair gevorderde wettelijke rente in plaats van de primair gevorderde contractuele rente van 7% per jaar is toegewezen. Informatieplichten ex art. 6:230m lid 1BW; toetsingskader5.5. Monuta stelt dat de overeenkomst tussen Monuta en [geïntimeerde] moet worden aangemerkt als een overeenkomst tussen een handelaar en een consument die buiten de verkoopruimte is gesloten. Dat is niet betwist, zodat het hof daarvan uitgaat. In een dergelijk geval moet de handelaar op grond van artikel 6:230m BW op een duidelijke en begrijpelijke wijze informatie verstrekken over een aantal voor de consument belangrijke zaken. In zijn prejudiciële beslissing van 12 november 2021 heeft de Hoge Raad bepaald dat de rechter ambtshalve moet onderzoeken of is voldaan aan de in artikel 6:230m lid 1 sub a, b, c, e, f, g, h, o en p BW neergelegde essentiële informatieplichten. Als aan één of meer van dergelijke essentiële precontractuele informatieverplichtingen niet is voldaan, moet de rechter een doeltreffende, evenredige en afschrikwekkende sanctie toepassen. Als sprake is van een voldoende ernstige schending van een of meer essentiële informatieplichten kan de rechter als sanctie de overeenkomst geheel of gedeeltelijk vernietigen. Bij gedeeltelijk vernietigen van de overeenkomst moet worden gedacht aan vermindering van de betalingsverplichting van de consument.Ontbindingsrecht; uitzonderingen5.6. \n\nOp grond van art. 6:230o lid 1, aanhef en onder a, BW kan de consument een op afstand of een buiten de verkoopruimte gesloten overeenkomst tot het verrichten van diensten zonder opgave van redenen ontbinden tot een termijn van veertien dagen is verstreken vanaf de dag waarop de overeenkomst is gesloten. Voor het geval dat een ontbindingsrecht bestaat, heeft de handelaar de verplichting de consument informatie te verstrekken over de voorwaarden, de termijn en de modaliteiten voor de uitoefening van dat recht (art. 6:230m lid 1 onder h jo art. 6:230o BW). Art. 6:230p BW voorziet in enkele uitzonderingen op het ontbindingsrecht (ook wel aangeduid als herroepingsrecht) in verband met de aard van de betrokken dienst of zaak. In de considerans van Richtlijn 2011\u002F83\u002FEU betreffende consumentenrechten worden die uitzonderingen als volgt toegelicht:\n\n‘(49) Bepaalde uitzonderingen op het herroepingsrecht moeten mogelijk zijn, zowel toe voor op afstand als voor buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten. Het is mogelijk dat een herroepingsrecht, bijvoorbeeld gezien de aard van de betrokken goederen of diensten, niet op zijn plaats is. Dat is bijvoorbeeld het geval voor overeenkomsten van speculatieve aard betreffende wijn die pas langere tijd na sluiting van een overeenkomst wordt geleverd, en waarbij de waarde afhangt van schommelingen van de markt (‘vin en primeur’). Het herroepingsrecht mag ook niet gelden voor volgens specificaties van de consument vervaardigde goederen of die duidelijk voor een specifieke persoon bestemd zijn, zoals op maat gemaakte gordijnen, noch voor de levering van bijvoorbeeld brandstof die, door zijn aard zelf, een goed is dat na levering niet meer te scheiden is van de andere goederen. Het toekennen van een herroepingsrecht aan de consument kan ook niet passend zijn in het geval van bepaalde diensten waarbij de sluiting van de overeenkomst impliceert dat er capaciteit wordt gereserveerd, waarvoor de handelaar bij de uitoefening van een herroepingsrecht mogelijk geen bestemming meer kan vinden. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer hotelkamers, vakantiewoningen of plaatsen voor culturele of sportieve evenementen worden gereserveerd.\n\n(50) Enerzijds moeten consumenten over een herroepingsrecht beschikken, ook als zij hebben verzocht om verrichting van de dienst voor het verstrijken van de herroepingstermijn. Anderzijds dient de handelaar, indien de consument zijn herroepingsrecht uitoefent, ook te kunnen rekenen op een passende betaling voor de dienst die hij heeft verricht. Bij de berekening van het evenredige bedrag dient te worden uitgegaan van de in de overeenkomst vastgestelde prijs, tenzij de consument kan aantonen dat die totale prijs zelf onevenredig is; in dat geval dient het te betalen bedrag te worden berekend op basis van de marktwaarde van de geleverde dienst. De marktwaarde moet worden vastgesteld door vergelijking met de prijs van een gelijkwaardige dienst, uitgevoerd door andere handelaren op het tijdstip van sluiting van de overeenkomst. Daarom moet de consument het verzoek dat een dienst vóór het verstrijken van de herroepingstermijn wordt verricht uitdrukkelijk formuleren en, bij buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten, op een duurzame gegevensdrager. Van zijn kant dient de handelaar de consument op een duurzame gegevensdrager te informeren over de verplichting om de pro rata kosten voor de reeds verrichte dienst te betalen. Bij overeenkomsten die zowel op goederen als op diensten betrekking hebben, dienen de in deze richtlijn opgenomen voorschriften inzake het terugzenden van goederen te gelden voor de goederenaspecten en dient de vergoedingsregeling voor diensten te gelden voor de dienstenaspecten.’\n\nGeldt een uitzondering voor de overeenkomst tot uitvaartverzorging?5.7. In deze zaak is aan de orde of [geïntimeerde] het recht had de overeenkomst met Monuta tot verzorging van de uitvaart van zijn moeder binnen veertien dagen na het sluiten daarvan (zonder opgave van redenen) te ontbinden. In dat geval had Monuta de verplichting [geïntimeerde] informatie te verstrekken over de voorwaarden, de termijn en de modaliteiten voor de uitoefening van dat recht (art. 6:230m lid 1 onder h jo art. 6:230o BW). Vast staat dat Monuta geen informatie over een (eventueel) ontbindingsrecht heeft verstrekt.5.8. In art. 6:230p BW, waarin is geregeld in welke gevallen de consument geen recht van ontbinding van de overeenkomst heeft, wordt de overeenkomst tot het verzorgen van een uitvaart niet genoemd, zoals Monuta ook erkent. In dit verband wijst zij op wel genoemde overeenkomsten waarvoor het ontbindingsrecht niet geldt. Naar Monuta stelt, heeft de consument geen recht van ontbinding bij een consumentenkoop betreffende de levering van volgens specificaties van de consument vervaardigde zaken, die niet geprefabriceerd zijn en die worden vervaardigd op basis van een individuele keuze of beslissing van de consument, of die duidelijk voor een specifiek persoon bestemd zijn (art. 6:230p, aanhef en onder f, 1°, BW), zonder dit verder toe te lichten. Monuta wijst ook nog op de uitzondering van art. 6:230p, aanhef en onder e, BW dat bepaalt dat de consument geen recht van ontbinding heeft bij een overeenkomst tot het verrichten van diensten die strekt tot, onder meer, de terbeschikkingstelling van accommodatie anders dan voor woondoeleinden, van autoverhuurdiensten en van catering, indien in de overeenkomst een bepaald tijdstip of een bepaalde periode van nakoming is voorzien. Ook bij deze verwijzing ontbreekt een toelichting. Het hof onderkent dat de overeenkomst tot het verzorgen van een uitvaart elementen van de verschillende, in deze bepalingen genoemde typen overeenkomsten bevat en dat in zoverre sprake is van een gemengde overeenkomst. Naar het oordeel van het hof kan dit niet ertoe toe leiden dat, zonder dat de wet hierin voorziet, voor een overeenkomst tot uitvaartverzorging het ontbindingsrecht in zijn geheel komt te vervallen. De totstandkomingsgeschiedenis van deze bepalingen biedt daarvoor ook geen aanknopingspunten.5.9. \n\nMonuta beroept zich verder op art. 6:230p, aanhef en onder d, BW dat luidt:\n\n‘De consument heeft geen recht van ontbinding bij:\n\n[…]\n\nd. een overeenkomst tot het verrichten van diensten, na nakoming van de overeenkomst, en voor zover de overeenkomst voor de consument een betalingsverplichting inhoudt, indien: 1° de nakoming is begonnen met uitdrukkelijke voorafgaande instemming van de consument; en 2° de consument heeft verklaard afstand te doen van zijn recht van ontbinding zodra de handelaar de overeenkomst is nagekomen’.\n\n Deze bepaling voorziet in een generiekeuitzondering voor overeenkomsten tot het verrichten van diensten.De consument heeft dus wel een ontbindingsrecht, maar dit vervalt als de overeenkomst volledig is nagekomen tijdens de termijn van veertien dagen waarbinnen kan worden ontbonden. Bij betaalde dienstverlening moet bovendien aan twee voorwaarden zijn voldaan: de consument moet hebben ingestemd met de uitvoering van de dienst tijdens de ontbindingstermijn én de consument moet uitdrukkelijk hebben verklaard dat hij afstand doet van het ontbindingsrecht nadat de dienst volledig zal zijn verricht. Monuta stelt, onder verwijzing naar alle diensten genoemd in de kostenbegroting, dat [geïntimeerde] haar heeft verzocht om direct voor hem aan de slag te gaan. Voor zover deze stelling zo moet worden begrepen dat de eerste voorwaarde is vervuld, heeft Monuta die stelling niet onderbouwd. Volgens de hiervoor geciteerde overweging 50 moet de consument het verzoek dat een dienst vóór het verstrijken van de herroepingstermijn wordt verricht immers uitdrukkelijk formuleren en, bij buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten, op een duurzame gegevensdrager. Wat daarvan zij, daarnaast geldt als voorwaarde dat de consument uitdrukkelijk heeft verklaard dat hij afstand doet van het ontbindingsrecht nadat de dienst volledig zal zijn verricht. Ontbreekt deze verklaring, dan kan de consument alsnog gebruik maken van zijn ontbindingsrecht. Monuta heeft hierover niets gesteld, zodat moet worden aangenomen dat deze voorwaarde niet is vervuld en dat het recht tot ontbinding in stand is gebleven. De conclusie is dan ook dat Monuta haar verplichting om [geïntimeerde] informatie te verstrekken over de voorwaarden, de termijn en de modaliteiten voor de uitoefening van recht tot ontbinding, niet is nagekomen.5.10. Het voorgaande wordt niet anders vanwege het voorschrift in de Wet op de Lijkbezorging dat de uitvaart maximaal zes dagen na het overlijden moet plaatsvinden. Het ligt op de weg van de uitvaartondernemer, in dit geval Monuta, om als voorwaarde voor het beginnen met de uitvoering van de overeenkomst, van de consument te verlangen dat hij zijn uitdrukkelijk voorafgaande toestemming met uitvoering binnen de ontbindingstermijn (schriftelijke) bevestigt en een verklaring ondertekent waarmee hij afstand doet van zijn ontbindingsrecht. Voor de uitvaartondernemer is dit een simpele handeling die ook niet anderszins bezwaarlijk voorkomt.5.11. Hieruit volgt dat grief 1 ongegrond is. Hetzelfde geldt voor de grieven 2 en 3, voor zover deze laatstgenoemde grief is gericht tegen de vermindering van de proceskostenveroordeling met 25%, die (wat betreft grief 3: in zoverre) geen zelfstandige betekenis hebben. Proceskostenveroordeling en rente in eerste aanleg5.12. Grief 3 is wel gegrond voor zover daarin wordt opgekomen tegen de toewijzing van de contractuele rente in plaats van de wettelijke rente.5.13. In artikel 9.4 van de algemene voorwaarden dat bij niet tijdige betaling, de uitvaartverzorger gerechtigd is rente in rekening te brengen met een maximum van 7% per jaar. Het hof acht dit percentage niet onevenredig hoog. Ter vergelijking: de wettelijke rente bedroeg in 2023 tot 1 juli 4% en vanaf 1 juli 6%, in 2024 6% en in 2025 7%. Van een onredelijk bezwarend beding is dus geen sprake. Dan valt niet in te zien waarom de primair gevorderde contractuele rente niet toewijsbaar is. Het hof zal alsnog de contractuele rente van 7% over de hoofdsom toewijzen.5.14. Grief 3 slaagt niet voor zover daarin wordt betoogd dat het griffierecht ten onrechte is vastgesteld op € 496 (zaken met een vordering of een verzoek van een waarden van meer dan € 2.500 en niet meer dan € 5.000, terwijl dit – volgens Monuta – het tarief voor vorderingen tussen de € 5.000 en € 10.000 had moeten zijn. Monuta stelt niet dat bij haar in eerste aanleg meer in rekening is gebracht dan het bedrag dat de kantonrechter heeft toegewezen aan vergoeding voor door haar betaald griffierecht. Het hof zal wel het salaris gemachtigde opnieuw begroten naar het tarief voor zaken met een geldwaarde tussen de € 5.000 en € 10.000.5.15. Het hof zal de proceskosten in eerste aanleg opnieuw (correct) vaststellen: kosten dagvaarding € 153,66 griffierecht € 496 salaris gemachtigde € 339 nakosten € 135 +totaal € 1.123,66Ambtshalve toetsing schending informatieplichten en onredelijke bedingen5.16. \n\nVoor het overige heeft het hof geen schending van informatieplichten of onredelijk bezwarende bedingen geconstateerd.\n\nConclusie en proceskosten5.17. De conclusie is dat het hoger beroep van Monuta wat betreft de toegewezen rente en de proceskostenveroordeling slaagt. Op dit punt zal het hof het bestreden vonnis vernietigen en voor het overige bekrachtigen. Ten behoeve van de leesbaarheid zal het hof het dictum opnieuw formuleren.5.18. Omdat de grieven slechts op een ondergeschikt punt slagen, ziet het hof aanleiding de kosten van het hoger beroep te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.6. Beslissing\n\nHet hof:\n\n- vernietigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 11 november 2024 en,\n\nopnieuw rechtdoende,\n\nveroordeelt [geïntimeerde] om aan Monuta tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen € 4.323,11, vermeerderd met de contractuele rente van 7% per jaar over € 3.474,08 vanaf 27 juni 2024 tot de dag van algehele voldoening;\n\nveroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van de procedure in eerste aanleg, die aan de kant van Monuta worden begroot op € 1.123,66;\n\ncompenseert de kosten van de procedure in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;\n\nverklaart deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad;\n\nwijst af het anders of meer gevorderde.\n\nDit arrest is gewezen door mr. C.J. Verduyn, mr. A.J.P. Schild en mr. H.J. van Harten en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier.\n\n HR 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677.\n\nTweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 520, nr. 3, p. 40.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2200","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:46.470Z",{"id":55,"ecli":56,"slug":57,"caseNumber":44,"courtId":58,"decisionDate":46,"fullText":59,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":52,"updatedAt":62},"1734","ECLI:NL:RBAMS:2026:6642","ecli-nl-rbams-2026-6642",56,"vonnis\n\nRECHTBANK AMSTERDAM\n\nAfdeling privaatrecht\n\nzaaknummer: 12228264 CV EXPL 26-6910\n\nvonnis van: 30 juni 2026\n\nfno.: 506\n\nvonnis van de kantonrechter\n\nI n z a k e\n\nde besloten vennootschap H & J Schipper B.V.\n\ngevestigd te Amstelveen\n\neisende partij\n\ngemachtigde: mr. M. van der Heijde (TienG Gerechtsdeurwaarders)\n\nt e g e n\n\n [gedaagde]\n\nwonende te [woonplaats]\n\ngedaagde partij\n\nniet verschenen\n\nVerloop van de procedure\n\nEisende partij heeft gedaagde partij gedagvaard. Gedaagde partij is niet verschenen. Tegen gedaagde partij is verstek verleend. De datum voor vonnis is bepaald op vandaag.\n\nGronden van de beslissing\n\n1. Eisende partij vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde alsmede betaling van de huurachterstand vermeerderd met rente en kosten.\n\nBesluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening\n\n2. De kantonrechter heeft vastgesteld dat eisende partij heeft voldaan aan de informatieplicht en de meldplicht als bedoeld in artikel 2 van Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening.\n\nAmbtshalve toetsing oneerlijke bedingen\n\n3. In deze procedure gaat het om een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93\u002F13 EG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). Als er oneerlijke bepalingen in de huurovereenkomst of de algemene voorwaarden staan, moet de kantonrechter deze buiten toepassing laten. Eisende partij mag die bepalingen dan niet gebruiken en zij mag ook geen beroep meer doen op aanvullend recht (zie ECLI:EU:C:2021:68).\n\n4. Eisende partij heeft de tussen partijen gesloten huurovereenkomst met betrekking tot de zelfstandige woonruimte aan het adres [adres] en de daarop van toepassing zijnde Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Woonruimte (ROZ) 20 maart 2017 (verder: de algemene bepalingen) in het geding gebracht.\n\n5. Eisende partij stelt zich in de dagvaarding op het standpunt dat er geen sprake is van oneerlijke bedingen in de zin van Richtlijn 93\u002F13.\n\n6. Het huurprijsbeding (artikel 4.5) in de huurovereenkomst is een kernbeding. Dit beding is transparant en op grond van artikel 4 lid 2 van de Richtlijn uitgesloten van verdere toetsing op oneerlijkheid.\n\n7. Het betreft geliberaliseerde huur. Artikel 5.2 (Huurprijswijziging) van de huurovereenkomst en artikel 16 (Huurprijswijziging) van de algemene bepalingen, zijn door de kantonrechter getoetst en worden niet oneerlijk bevonden.\n\n8. In artikel 12.16 van de huurovereenkomst staat voor zover relevant het volgende:\n\n\"Artikel 25.2, 17.1 en 17.4 van de Algemene Bepalingen Woonruimte 2017 zijn oneerlijke bedingen. De artikelen kunnen als doorgehaald worden beschouwd en zijn niet van toepassing op deze huurovereenkomst.\"\n\n9. Met betrekking tot dit artikel wordt het volgende overwogen.\n\n10. ROZ-modellen zijn modelcontracten voor de huur en verhuur van vastgoed, opgesteld door de Raad voor Onroerende Zaken (ROZ). In de handleiding die door het ROZ is opgesteld en gepubliceerd op haar website staat dat de algemene bepalingen niet mogen worden gewijzigd. Wijzigingen of toevoegingen van de algemene bepalingen dienen te worden opgenomen in artikel 13 en volgende van de modelhuurovereenkomst. Verder staat in de handleiding dat aangeraden wordt gebruik te maken van de meest recente versie van de modellen van de ROZ.\n\n11. Gelet op hetgeen hiervoor overwogen is de wijze waarop eiseres de toepasselijkheid van (o.a.) artikel 25.2 van de algemene bepalingen heeft uitgesloten goed verdedigbaar, ware het niet dat ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst (november 2024) al een aantal maanden een nieuwe versie van het ROZ-model woonruimte beschikbaar was. In deze nieuwe versie van de algemene bepalingen, vastgesteld op 25 juli 2024 en op 6 augustus 2024 gedeponeerd bij de griffie van de rechtbank te Den Haag, is het oneerlijke artikel 25.2 volledig weggelaten. Eiseres heeft er om haar moverende redenen kennelijk voor gekozen niet deze nieuwe versie van de algemene bepalingen op de huurovereenkomst van toepassing te laten zijn, maar een oud model waar een oneerlijk beding in staat en de toepasselijkheid daarvan middels een kruisverwijzing uit te sluiten.\n\n12. Gelet op het doel van de Richtlijn, dat erop gericht is oneerlijke bedingen uit overeenkomsten te verwijderen ter bescherming van de consument, acht de kantonrechter deze manier van uitsluiten van een oneerlijk beding in dit geval – vooral omdat er ook gekozen had kunnen worden voor een versie van de algemene bepalingen waarin dit beding volledig is weggelaten – op zichzelf oneerlijk.\n\n13. Zowel artikel 12.16 van de huurovereenkomst, als artikel 25.2 van de algemene bepalingen worden daarom vernietigd. De gevorderde buitengerechtelijke kosten worden afgewezen.\n\nDe vordering\n\n14. De vordering komt voorts niet onrechtmatig of ongegrond voor, behoudens hieronder met betrekking tot de ontruimingstermijn en de gevorderde machtiging om de ontruiming zelf uit voeren nog is overwogen.\n\n15. De ontruimingstermijn wordt gesteld op twee weken.\n\n16. Eisende partij heeft een machtiging gevorderd om zelf de ontruiming te bewerkstelligen. Dit is onverenigbaar met artikel 556 lid 1 Rv, dat voorschrijft dat de gedwongen ontruiming geschiedt door de deurwaarder. De deurwaarder zelf behoeft geen rechterlijke machtiging voor het inroepen van de hulp van de sterke arm. Die bevoegdheid ontleent hij rechtstreeks aan artikel 557 Rv, waarin artikel 444 Rv van overeenkomstige toepassing wordt verklaard. De door eisende partij gevorderde machtiging om de ontruiming zelf uit te voeren, zal dan ook worden afgewezen.\n\n17. Gedaagde partij wordt veroordeeld in de proceskosten.\n\nBESLISSING\n\nDe kantonrechter:\n\nontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de onroerende zaak (de zelfstandige woonruimte) aan het adres [adres];\n\nveroordeelt gedaagde partij om deze onroerende zaak met al wie en al wat zich daarin vanwege gedaagde partij bevindt, binnen twee weken na betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten en met overgifte van de sleutels geheel ter vrije beschikking van eisende partij te stellen, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het in artikel 555 e.v. jo. 444 Rv bepaalde;\n\nveroordeelt gedaagde partij om te betalen aan eisende partij:\n\n€ 2.756,28 ter zake van achterstallige huur, berekend tot en met 31 mei 2026, vermeerderd met de wettelijke rente over het voorgenoemde bedrag vanaf de dag der dagvaarding (4 mei 2026) tot de voldoening;\n\n€ 22,65 ter zake van wettelijke rente, berekend tot en met 3 mei 2026;\n\n€ 918,76 per maand vanaf 1 juni 2026 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt;\n\nveroordeelt de gedaagde partij in de kosten van het geding, aan de zijde van eisende partij tot aan deze uitspraak begroot op: € 153,02 aan explootkosten, € 253,00 aan salaris gemachtigde, € 529,00 aan griffierecht en € 72,00 aan nakosten voor zover van toepassing, inclusief BTW, te vermeerderen met de kosten van betekening, te voldoen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis;\n\nverklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;\n\nwijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6642","2026-07-01T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:36.300Z",{"id":64,"ecli":65,"slug":66,"caseNumber":44,"courtId":67,"decisionDate":68,"fullText":69,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":70,"sourceTimestamp":71,"parsedAt":52,"updatedAt":72},"1266","ECLI:NL:RBNHO:2026:7713","ecli-nl-rbnho-2026-7713",83,"2026-06-25T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nHandel, Kanton en Bewind\n\nlocatie Zaanstad\n\nZaaknr.\u002Frolnr.: 11750391 \\ CV EXPL 25-1801\n\nUitspraakdatum: 25 juni 2026\n\nVerstekvonnis van de kantonrechter in de zaak van:\n\nHealth & Lifestyle Milon Clubs B.V.\n\nte Heerhugowaard\n\nde eisende partij\n\ngemachtigde: [gemachtigde]\n\ntegen\n\n [gedaagde]\n\nte [plaats]\n\nde gedaagde partij\n\nniet verschenen\n\n1. De verdere procedure\n\n1.1.. In het tussenvonnis is de eisende partij in de gelegenheid gesteld om te reageren op het voorlopige oordeel van de kantonrechter over de oneerlijkheid van een aantal bedingen in haar algemene voorwaarden. De eisende partij heeft gereageerd met een akte.\n\n2. De verdere beoordeling\n\nAmbtshalve toetsing van de algemene voorwaarden\n\n2.1.. De kantonrechter ziet in de reactie van de eisende partij geen aanleiding om anders over de bedingen te denken dan hij in het tussenvonnis heeft geoordeeld. Over het rentebeding stelt de eisende partij dat zij alleen aanspraak heeft gemaakt op de wettelijke rente. Of de eisende partij de consument ook daadwerkelijk aan de bedongen afspraken houdt of in de praktijk alleen naleving van wettelijke bepalingen verlangt, is voor de beoordeling van de (on)eerlijkheid van algemene voorwaarden echter niet relevant. Het beding moet immers worden beoordeeld naar het moment waarop de overeenkomst is aangegaan en beslissend is daarom niet of en hoe de handelaar het beding heeft toegepast, maar hoe het zou kunnen worden toegepast. De kantonrechter vernietigt daarom het rentebeding.\n\n2.2.. Over het incassokostenbeding stelt de eisende partij eveneens dat zij heeft gehandeld conform de wet. Daarnaast stelt zij zich op het standpunt dat het beding niet oneerlijk is omdat daarin wordt verwezen naar de wettelijke regeling en omdat in lid 2 wordt bepaald dat de consument bij wanbetaling wordt ‘gewezen’ op zijn verplichting om te betalen en de consument in dat geval de mogelijkheid krijgt om alsnog binnen twee weken te betalen. Dit neemt echter niet weg dat het beding, zoals in het tussenvonnis overwogen, door haar formulering suggereert dat vanaf het moment van verzuim direct incassokosten zijn verschuldigd. Daarnaast kunnen er op grond van lid 2 al direct kosten in rekening worden gebracht bij het mislukken van de automatische incasso. Dat de eisende partij wel een veertiendagenbrief aan de gedaagde partij heeft verstuurd, doet daaraan niet af. Zoals hierboven overwogen, is de vraag of de eisende partij de consument ook daadwerkelijk aan de bedongen afspraken houdt, voor de beoordeling van de (on)eerlijkheid van het beding namelijk niet relevant. De kantonrechter vernietigt daarom ook dit beding.\n\nWat is toewijsbaar?\n\n2.3.. De vernietiging van de rente- en incassokostenbedingen heeft tot gevolg dat de gevorderde wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten zullen worden afgewezen.2.4.. De vordering wordt voor het overige toegewezen omdat deze de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt.\n\n2.5.. De gedaagde partij wordt (overwegend) in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten voor het opstellen van de akte komen echter voor rekening van de eisende partij omdat het aan haarzelf te wijten was dat het nodig was om deze kosten te maken. Daarbij wordt de gedaagde partij ook veroordeeld tot betaling van € 108,50 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door de eisende partij worden gemaakt.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n3.1.. veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 1.513,64;3.2.. \n\nveroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op:\n\ndagvaarding € 121,19;\n\ngriffierecht € 385,00;\n\nsalaris gemachtigde € 217,00;\n\n3.3.. veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van € 108,50 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door de eisende partij worden gemaakt;\n\n3.4.. verklaart de veroordeling(en) in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;3.5.. wijst de vordering voor het overige af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.\n\nDe griffier De kantonrechter","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7713","2026-06-26T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:12.904Z",{"id":74,"ecli":75,"slug":76,"caseNumber":44,"courtId":77,"decisionDate":68,"fullText":78,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":79,"sourceTimestamp":51,"parsedAt":52,"updatedAt":80},"1594","ECLI:NL:RBOVE:2026:3810","ecli-nl-rbove-2026-3810",57,"RECHTBANKOVERIJSSEL\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nZaaknummer: 12168256 \\ RR FORM 26-19\n\nVonnis van 25 juni 2026 in de experimentele procedure bij de kantonrechter als regelrechter\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonende in [woonplaats],\n\neisende partij, hierna te noemen: [eiser],\n\nprocederend in persoon,\n\ntegen\n\nde vennootschap onder firma [gedaagde V.O.F.], handelend onder de naam[bedrijf],\n\ngevestigd in [vestigingsplaats],\n\ngedaagde partij, hierna te noemen: [bedrijf],\n\nniet verschenen.\n\n1. De procedure\n\n1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het aanvraagformulier met bijlagen van [eiser];\n\n- de mondelinge behandeling van 11 juni 2026, waar de griffier aantekeningen heeft gemaakt van wat er is besproken;\n\n- het aan [bedrijf] verleende verstek.\n\n1.2. Ten slotte heeft de kantonrechter bepaald dat vonnis zal worden gewezen.\n\n2. Waar deze zaak over gaat\n\n2.1. \n [eiser] heeft met [bedrijf] een overeenkomst gesloten, op basis waarvan [bedrijf] rijlessen voor [eiser] zou verzorgen en voor het theorie- en praktijkexamen zou zorgen.\n\n2.2. \n [eiser] heeft vooraf € 2.025,00 betaald voor 30 rijlessen, het theorie-examen, het praktijkexamen en rijschoolkosten.\n\n2.3. \n [eiser] heeft 11,5 lessen bij [bedrijf] gevolgd. Daarna was de rij-instructeur van [bedrijf] niet of nauwelijks meer beschikbaar. Er was geen andere instructeur beschikbaar.\n\n2.4. \n [bedrijf] heeft [eiser] in verband met de niet genoten rijlessen en het niet afgelegde praktijkexamen een creditfactuur gezonden voor een bedrag van € 1.277,50. Op de creditfactuur staat vermeld dat [bedrijf] dit bedrag zo spoedig mogelijk aan [eiser] zal overmaken. [eiser] heeft het gecrediteerde bedrag niet ontvangen.\n\n2.5. \n [eiser] vordert in deze procedure dat [bedrijf] wordt veroordeeld om een bedrag van € 1.277,50 aan [eiser] te betalen. Dat bedrag bestaat uit € 1.073,00 voor de 18,5 rijlessen die [eiser] niet heeft kunnen volgen, € 136,50 voor het reeds betaalde CBR Praktijkexamen en € 148,50 voor de reeds betaalde rijschoolkosten voor het praktijkexamen.\n\n3. De beoordeling\n\n3.1. Bij het oproepen van [bedrijf] zijn de voorgeschreven formaliteiten in acht genomen. Aan [bedrijf] is daarom verstek verleend.\n\n3.2. Gelet op het verleende verstek zal de kantonrechter de vordering van [eiser] toewijzen tenzij de vordering hem onrechtmatig of ongegrond voorkomt.\n\n3.3. De vordering komt de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vordering zal dan ook worden toegewezen.\n\n3.4. \n\n [bedrijf] wordt in deze procedure in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [eiser] betalen. Daarnaast moet [bedrijf] de kosten van de eventuele betekening van dit vonnis betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:\n\nreis-, verblijf- en verletkosten € 50,00\n\ngriffierecht € 233,00\n\ntotaal € 283,00\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n4.1. veroordeelt [bedrijf] om een bedrag van € 1.277,50 aan [eiser] te betalen;\n\n4.2. veroordeelt [bedrijf] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] begroot op € 283,00;\n\n4.3. veroordeelt [bedrijf] tot betaling van de kosten van betekening als zij niet binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;\n\n4.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. H.J. Berends en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.(SB)","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3810","2026-07-13T00:29:28.830Z",{"id":82,"ecli":83,"slug":84,"caseNumber":44,"courtId":85,"decisionDate":86,"fullText":87,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":88,"sourceTimestamp":71,"parsedAt":52,"updatedAt":89},"1256","ECLI:NL:RBNHO:2026:7709","ecli-nl-rbnho-2026-7709",67,"2026-06-24T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nHandel, Kanton en Bewind\n\nlocatie Alkmaar\n\nZaaknr.\u002Frolnr.: 11884838 \\ CV EXPL 25-3312\n\nUitspraakdatum: 24 juni 2026\n\nVerstekvonnis van de kantonrechter in de zaak van:\n\nProfile Tyrecenter Groet B.V.,mede handelend onder de naam Profile Tyrecenter Den Helder\n\nte Den Helder\n\nde eisende partij\n\ngemachtigde: mr. G. David\n\ntegen\n\n [gedaagde]\n\nte [plaats]\n\nde gedaagde partij\n\nniet verschenen\n\n1. De verdere procedure\n\n1.1.. Bij tussenvonnis van 21 januari 2026 is de eisende partij in de gelegenheid gesteld om de toepasselijke algemene voorwaarden te overleggen en zich uit te laten over de (on)eerlijkheid van de daarin opgenomen bedingen. Ter uitvoering van dat tussenvonnis heeft de eisende partij een akte genomen.\n\n2. De verdere beoordeling\n\nAmbtshalve toetsing van de algemene voorwaarden\n\n2.1.. Uit de akte blijkt dat op de overeenkomst(en) de volgende algemene voorwaarden van de eisende partij van toepassing zijn verklaard: ‘Algemene voorwaarden consumenten van Vereniging VACO’ (hierna: de algemene voorwaarden).\n\n2.2.. Artikel 8 onder c van de algemene voorwaarden betreft een rente- en incassokostenbeding. Dat luidt als volgt: ‘c. Ingeval van wanbetaling van de consument heeft de VACO-leverancier het recht om aan de consument vanaf het moment van verzuim wettelijke rente in rekening te brengen. De consument is tevens incassokosten verschuldigd indien aan een schriftelijke aanmaning van de VACO-leverancier met een termijn van minimaal 14 dagen door de consument geen gehoor wordt gegeven, de incassokosten bedragen minimaal € 40,- en maximaal € 6.775,-, het exacte bedrag van de incassokosten vermeldt de VACO-leverancier in de aanmaning.’\n\n2.3.. Hoewel het beding enigszins onduidelijk is geformuleerd omdat in het algemeen spraakgebruik de term ‘incassokosten’ niet alleen gebruikt wordt in de zin van de wettelijke regeling voor incassokosten (artikel 6:96 lid 2 sub c BW en de leden 5 en 6 van datzelfde artikel) en de term ‘incassokosten’ in de wettelijke regeling ook niet voorkomt, blijkt uit de formulering van het beding voldoende dat de eisende partij heeft beoogd om daarmee aan te sluiten bij de wettelijke regeling. Daarom wordt er niet afgeweken van de wettelijke regeling en is het beding niet onredelijk bezwarend. De kantonrechter volgt de eisende partij dan ook in haar standpunt dat het beding niet oneerlijk is.\n\n2.4.. Het beding is ook een rentebeding. Dat gedeelte van het beding is door de kantonrechter getoetst en evenmin oneerlijk bevonden.\n\nWat is toewijsbaar?\n\n2.5.. Gelet op het voorgaande is een bedrag van € 1.455,23 aan hoofdsom toewijsbaar (€ 1.819,04 x 0.80).\n\n2.6.. De buitengerechtelijke kosten zijn toewijsbaar over deze hoofdsom, tot een bedrag van € 218,28.\n\n2.7.. De vordering tot vergoeding van de verschenen rente zal worden afgewezen, omdat de eisende partij die rente (gelet op de toewijsbare hoofdsom) over een te hoog bedrag heeft berekend. De wettelijke rente zal worden toegewezen over de toewijsbare hoofdsom vanaf de dag van de dagvaarding.2.8.. De gedaagde partij wordt grotendeels in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten voor het opstellen van de akte komen echter voor rekening van de eisende partij omdat het aan haarzelf te wijten was dat het nodig was om deze kosten te maken.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n3.1.. veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 1.673,51, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.455,23 vanaf 9 september 2025 tot aan de dag van de gehele betaling;3.2.. \n\nveroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op:\n\ndagvaarding € 120,78;\n\ngriffierecht € 385,00;\n\nsalaris gemachtigde € 217,00;\n\n3.3.. verklaart de veroordeling(en) in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;\n\n3.4.. wijst de vordering voor het overige af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.P.E. Oomens en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.\n\nDe griffier De kantonrechter","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7709","2026-07-13T00:29:12.390Z",{"id":91,"ecli":92,"slug":93,"caseNumber":44,"courtId":45,"decisionDate":94,"fullText":95,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":96,"sourceTimestamp":97,"parsedAt":52,"updatedAt":98},"1306","ECLI:NL:GHDHA:2026:1974","ecli-nl-ghdha-2026-1974","2026-06-23T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nCiviel recht\n\nTeam Handel\n\nZaaknummer hof : 200.356.553\u002F01\n\nZaak- en rolnummer rechtbank : 11382184 \\ CV EXPL 24-3697\n\nArrest van 23 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nLoodgieters- en Verwarmingsbedrijf Wijngaarden B.V.,\n\ngevestigd in Alphen aan den Rijn,\n\nappellante,\n\nadvocaat: mr. R.H. Steensma, kantoorhoudend in Rotterdam,\n\ntegen\n\n [geïntimeerde],\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\ngeïntimeerde,\n\nniet verschenen.\n\nHet hof noemt partijen hierna Wijngaarden B.V. en [geïntimeerde] .\n\n1. De zaak in het kort1.1. Wijngaarden B.V. vordert in dit geding de terugbetaling van een geldlening die zij heeft verstrekt aan [geïntimeerde] , toen hij een werknemer van haar was. De kantonrechter heeft de geldlening aangemerkt als een overeenkomst van consumentenkrediet. Gelet daarop was het aan Wijngaarden B.V. te stellen en te onderbouwen dat zij voorafgaand aan het sluiten van de geldlening aan haar informatieverplichtingen heeft voldaan en dat de kredietwaardigheidstoets is uitgevoerd. Omdat Wijngaarden B.V. dat niet heeft gedaan, heeft de kantonrechter haar vordering afgewezen.1.2. In hoger beroep betoogt Wijngaarden B.V. dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de geldlening kwalificeert als een overeenkomst van consumentenkrediet. Het hof is het echter met de kantonrechter eens en nu namens Wijngaarden B.V. ook in hoger beroep is nagelaten een andere grondslag voor haar vordering aan te voeren, bekrachtigt het hof het bestreden vonnis.2. Procesverloop in hoger beroep2.1. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:\n\nde dagvaarding van 26 juni 2025, waarmee Wijngaarden B.V. in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 8 mei 2025 (hierna: het bestreden vonnis);\n\nde memorie van grieven van Wijngaarden B.V., met bijlagen.2.2. \n [geïntimeerde] is in hoger beroep niet verschenen. Aan hem is verstek verleend.3. Feitelijke achtergrond3.1. Op of omstreeks 20 december 2023 is tussen Wijngaarden B.V., als werkgever, en [geïntimeerde] , als werknemer, een geldleningsovereenkomst gesloten voor een bedrag van € 50.000,00 met een jaarlijks rentepercentage van zeven procent (hierna: de geldlening).3.2. Volgens de geldlening mag Wijngaarden B.V. – indien [geïntimeerde] het bedrag dat hij onder de geldlening verschuldigd is niet tijdig betaalt – de onder de geldlening verschuldigde bedragen inhouden van zijn (eerstvolgende) salaris.3.3. De arbeidsovereenkomst van [geïntimeerde] met Wijngaarden B.V. is op enig moment na de totstandkoming van de geldlening geëindigd.3.4. \n [geïntimeerde] heeft niet voldaan aan zijn betalingsverplichtingen onder de geldlening.4. Procedure bij de kantonrechter4.1. Wijngaarden B.V. heeft [geïntimeerde] gedagvaard en gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van € 51.979,28.4.2. \n [geïntimeerde] is niet verschenen en de kantonrechter heeft aan hem verstek verleend.4.3. Bij rolbeslissing van 5 december 2024 heeft de kantonrechter Wijngaarden B.V. in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag of het geschil valt onder één van de categorieën als genoemd in artikel 93 sub c Rv en over zijn voornemen de zaak te verwijzen naar team handel van de rechtbank Den Haag.4.4. In haar akte uitlaten na rolbeslissing heeft Wijngaarden B.V. bericht dat de zaak volgens haar wel onder artikel 93 sub c Rv valt omdat de geldlening ‘enkel en alleen door partijen is aangegaan in het kader van hun arbeidsovereenkomst’ en dat Wijngaarden B.V. zich verder refereert aan het oordeel van de kantonrechter.4.5. Bij rolbeslissing van 13 maart 2025 heeft kantonrechter geoordeeld dat de vordering uit hoofde van de geldleningsovereenkomst geen vordering betreffende een arbeidsovereenkomst is, maar dat de kantonrechter wel bevoegd is om kennis te nemen van deze zaak indien de geldlening valt te kwalificeren als een overeenkomst van consumentenkrediet als bedoeld in artikel 7:57 BW. Wijngaarden B.V. is daarop in de gelegenheid gesteld zich daarover uit te laten.4.6. In reactie daarop heeft Wijngaarden B.V. gemeld dat dat de geldlening volgens haar geen overeenkomst is van consumentenkrediet.4.7. In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat de geldlening kwalificeert als een overeenkomst van consumentenkrediet en de vorderingen van Wijngaarden B.V. afgewezen omdat Wijngaarden B.V. niet had gesteld en onderbouwd dat zij voorafgaand aan het sluiten van de geldlening aan haar informatieverplichtingen heeft voldaan en dat ‘de kredietwaardigheidstoets’ is uitgevoerd, voor het verstrekken van de geldlening.5. Beoordeling in hoger beroep5.1. Wijngaarden B.V. bestrijdt met haar twee grieven – die zich lenen voor gezamenlijke behandeling – het oordeel van de kantonrechter dat de geldlening kwalificeert als een overeenkomst van consumentenkrediet. Wijngaarden B.V. wil dat het hof haar vorderingen alsnog toewijst.5.2. Volgens Wijngaarden B.V. is zij geen kredietgever in de zin van artikel 7:57 BW omdat zij de lening als werkgever heeft verstrekt aan [geïntimeerde] (als werknemer). De terugbetaling van de lening liep synchroon met de salarisbetalingen. Daarmee is de lening een onherroepelijk onderdeel geworden van de arbeidsovereenkomst, aldus Wijngaarden B.V.5.3. Bij de beoordeling wordt het volgende vooropgesteld.5.4. Artikel 7:57 lid 1 onder c BW definieert een (consumenten-)kredietovereenkomst als een overeenkomst “waarbij een kredietgever aan een consument krediet verleent of toezegt in de vorm van uitstel van betaling, een lening of een andere, soortgelijke betalingsfaciliteit, met uitzondering van overeenkomsten voor doorlopende dienstverlening en doorlopende levering van dezelfde goederen, waarbij de consument, zolang de diensten respectievelijk goederen worden geleverd, de kosten daarvan in termijnen betaalt”.5.5. Artikel 7:58 lid 2 onder f BW maakt een uitzondering voor “kredietovereenkomsten waarbij het krediet als nevenactiviteit door een werkgever rentevrij of tegen een jaarlijks kostenpercentage dat lager is dan gebruikelijk op de markt, aan zijn werknemers wordt toegekend, en die niet aan het publiek in het algemeen worden aangeboden”.5.6. De door Wijngaarden B.V. verstrekte lening valt binnen de in artikel 7:57 lid 1 onder c BW gegeven definitie van een consumentenkredietovereenkomst. De omstandigheid dat Wijngaarden B.V. niet alleen geldgever, maar toen ook de werkgever was van [geïntimeerde] , maakt niet dat zij in dit geval niet als een ‘kredietgever’ in de zin van deze bepaling (zie ook art. 7:57 lid 1 onder b BW) kan worden beschouwd. De wet voorziet immers in een regeling voor werkgevers die tevens krediet hebben verstrekt. In artikel 7:58 lid 2 onder f BW wordt de werkgever genoemd voor wie een uitzondering wordt gemaakt van de verplichtingen van onder meer art. 7:60 BW zolang het gaat om kredietovereenkomsten die werkgevers aan werknemers (als nevenactiviteit) verstrekken tegen een kostenpercentage dat lager is dan gebruikelijk is op de markt.5.7. Wijngaarden B.V. voert niet aan dat de door haar als werkgeefster aan [geïntimeerde] verstrekte geldlening tegen een jaarlijks kostenpercentage is verstrekt dat lager is dan gebruikelijk op de markt. Het rentepercentage van zeven procent valt ook op voorhand niet als kostenpercentage te beschouwen dat ‘lager dan gebruikelijk is op de markt’.5.8. De conclusie is dat het oordeel van de kantonrechter dat de geldlening een overeenkomst van consumentenkrediet is, voor juist moet worden gehouden.5.9. Voor zover Wijngaarden B.V. verder nog klaagt dat zij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om te kunnen reageren op de ‘kennelijk bij de kantonrechter levende gedachte’ dat sprake zou kunnen zijn van een overeenkomst van consumentenkrediet, geldt dat Wijngaarden B.V. in elk geval in hoger beroep in de gelegenheid is geweest om – in haar memorie van grieven – haar standpunt daarover toe te lichten.5.10. \n\nGelet op al het voorgaande falen beide grieven. Terzijde wordt nog opgemerkt dat door de kantonrechter reeds is overwogen dat Wijngaarden B.V. naast de geldleningsovereenkomst geen andere grondslag heeft aangevoerd voor haar vordering. Vastgesteld wordt dat Wijngaarden B.V. ook in hoger beroep geen andere grondslag heeft aangevoerd voor haar vordering tot (terug) betaling en het hof staat het niet vrij die ambtshalve te geven.\n\nConclusie en proceskosten5.11. De conclusie is dat het hoger beroep van Wijngaarden B.V. niet slaagt. Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen en Wijngaarden B.V. als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op nihil.6. Beslissing\n\nHet hof:\n\nbekrachtigt het bestreden vonnis;\n\nveroordeelt Wijngaarden B.V. in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. A.J.P. Schild, H.J. van Harten en R.F. Groos en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:1974","2026-06-16T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:15.067Z",{"id":100,"ecli":101,"slug":102,"caseNumber":44,"courtId":103,"decisionDate":94,"fullText":104,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":105,"sourceTimestamp":106,"parsedAt":52,"updatedAt":107},"1140","ECLI:NL:RBOVE:2026:3801","ecli-nl-rbove-2026-3801",69,"RECHTBANK OVERIJSSEL\n\nTeam kanton en handelsrecht\n\nZittingsplaats Almelo\n\nZaaknummer : 12126700 \\ RR FORM 26-5\n\nVonnis van 23 juni 2026 van de kantonrechter inzake het verzoek ex artikel 96 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering\n\nin de zaak van\n\n [eiser], wonende te [woonplaats],\n\neisende partij, hierna te noemen [eiser],\n\nprocederende in persoon,\n\ntegen\n\nVENITECH INSTALLATIEBEDRIJF, gevestigd te Hengevelde,\n\ngedaagde partij, hierna te noemen Venitech,\n\nniet verschenen, tegen gedaagde is verstek verleend.\n\n1. De procedure1.1. Deze zaak wordt behandeld door de kantonrechter op basis van het Tijdelijk besluit experiment regelrechter (hierna: Besluit).\n\n1.2. De regelrechter heeft van [eiser] een aanmeldformulier en producties ontvangen. Vervolgens heeft de kantonrechter beslist tot een mondelinge behandeling in het gebouw van de rechtbank Overijssel locatie Almelo, gehouden op 16 juni 2026 om 14.00 uur.\n\n1.3. Op de mondelinge behandeling is [eiser] verschenen. Venitech is tijdens de mondelinge behandeling niet verschenen. De kantonrechter heeft vervolgens tegen Venitech verstek verleend (artikel 14 lid 1 Besluit).\n\n1.4. Hierna heeft de regelrechter de datum voor het vonnis bepaald.\n\n2. De zaak in het kort\n\n2.1. Op 13 december 2024 heeft Venitech bij [eiser] een airco geplaatst. Op 6 februari 2026 heeft een reparatie plaatsgevonden. Hiervoor heeft Venitech aan [eiser] gefactureerd een bedrag van € 375,17. [eiser] betwist deze factuur. Hij beroept zich op de garantie en stelt dat een airco langere tijd goed moet kunnen functioneren.\n\n3. De beoordeling3.1. De kantonrechter moet in deze zaak beoordelen of [eiser] recht heeft op terugbetaling van een bedrag van € 375,17. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] recht heeft op terugbetaling.\n\n3.2. \n [eiser] heeft zich beroepen op een garantietermijn van 18 maanden zoals deze geldt ingevolge artikel 18 in de Algemene Voorwaarden Installatie Consumenten 2016 (AVIC). [eiser] wijst er op dat Venitech is aangesloten bij de beroepsvereniging “Techniek Nederland” en deze beroepsvereniging deze algemene voorwaarden hanteert. De airco is binnen deze termijn stuk gegaan. [eiser] wijst er verder op dat de Consumentenbond en de Europese regelgeving uitgaan van een garantietermijn van 2 jaar en op internet is te lezen dat Venitech een garantietermijn geeft van 2 jaar. Omdat het gebrek binnen 18 maanden is ingetreden meent [eiser] dat hij aanspraak kan maken op kosteloze reparatie.\n\n3.3. Venitech heeft geen verweer gevoerd tegen de vordering van [eiser].\n\n3.4. Het gevorderde komt de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal worden toegewezen. [eiser] mocht van de airco verwachten dat deze langer meegaat dat ongeveer dertien maanden. Bovendien heeft [eiser] onweersproken gesteld dat door Venitech verkeerde koppelingen zijn gebruikt voor de airco die niet geschikt zijn voor warmte.\n\nProceskosten\n\n3.5. Venitech zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure worden veroordeeld. Op grond van artikel 238 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) zal aan reis-, verblijf-, en verletkosten een bedrag van € 50,00 worden toegekend. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:\n\n- griffierecht € 93,00\n\n- reis-, verblijf-, en verletkosten € 50,00\n\nTotaal € 143,00\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n4.1. Veroordeelt Venitech om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 375,17.\n\n4.2. Veroordeelt Venitech in de kosten van deze procedure tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op € 143,00.\n\nDit vonnis is gewezen te Almelo door mr. U. van Houten, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.\n\n(JHd(O)","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3801","2026-07-04T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:06.223Z",{"id":109,"ecli":110,"slug":111,"caseNumber":44,"courtId":58,"decisionDate":94,"fullText":112,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":113,"sourceTimestamp":114,"parsedAt":52,"updatedAt":115},"1085","ECLI:NL:RBAMS:2026:6721","ecli-nl-rbams-2026-6721","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZaaknummer: 11368298 \\ CV EXPL 24-13541\n\nVonnis van 23 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nDCB ENERGY B.V.,\n\ngevestigd te Spijkenisse,\n\neisende partij,\n\ngemachtigde: [gemachtigde],\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nniet verschenen.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 15 oktober 2024, met producties,\n\n- het tegen gedaagde partij verleende verstek.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De beoordeling\n\n2.1.. Eisende partij stelt dat partijen op 21 maart 2024 een overeenkomst hebben gesloten op grond waarvan eisende partij aan gedaagde partij een tankpas ter beschikking heeft gesteld, waarmee gedaagde partij op krediet kon tanken. Voor de tankpas was gedaagde partij een kaartbijdrage van € 5,00 per maand verschuldigd. Verder was gedaagde partij slechts de kosten verschuldigd van de brandstof die hij aan de reguliere pomp bij derden had getankt, die eisende partij had voorschoten.\n\n2.2.. Gedaagde partij heeft € 977,79 onbetaald gelaten. Dat bedrag wordt aan hoofdsom gevorderd, vermeerderd met rente, incassokosten en proceskosten.\n\n2.3.. De overeenkomst die aan de vordering ten grondslag is gelegd is gesloten tussen een handelaar en een consument. De kantonrechter moet in dat geval ambtshalve toetsen aan het consumentenrecht. Onderzocht moet worden of de informatieplichten zijn nageleefd. Daarnaast moet de overeenkomst worden getoetst aan Richtlijn 93\u002F13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).\n\n2.4.. De onderhavige overeenkomst wordt gekwalificeerd als een consumentenkredietovereenkomst, waarop Afdeling 2A van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing is. Het betreft namelijk een vorm van krediet, te weten uitgestelde betaling, waarvoor een jaarlijkse bijdrage verschuldigd is.\n\n2.5.. Nu het om een krediet gaat, is Afdeling 2b van Titel 5 van Boek 6 BW over de informatieplichten niet van toepassing, gelet op artikel 6:230h lid 2 onder b BW.\n\n2.6.. Eisende partij heeft in de dagvaarding niet gesteld hoe zij heeft voldaan aan de verplichtingen in het kader van de kredietverstrekking, zoals de precontractuele informatieplichten van artikel 7:60 BW en de kredietwaardigheidstoets. Hierover dient eisende partij de kantonrechter te informeren. Indien blijkt dat eisende partij deze verplichtingen niet (volledig) heeft nageleefd, maakt zij zich schuldig aan een oneerlijke handelspraktijk en is de overeenkomst vernietigbaar (artikel 7:60 lid 3 jo. artikel 6:193j lid 3 BW).\n\n2.7.. Voor zover eisende partij zich op het standpunt stelt dat vorenbedoelde verplichtingen voor haar niet gelden vanwege de uitzondering als bedoeld in artikel 7:58 lid 2 onder e BW, dan dient zij, in navolging van het arrest van de Hoge Raad van 27 juni 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1008, rechtsoverweging 3.4.1. e.v.), in te gaan op de kosten van het krediet, nu ook vertragingsrente en incassokosten zijn bedongen. Of deze bedongen kosten in aanmerking moeten worden genomen, hangt af van de vraag of eisende partij, teneinde een economisch voordeel te verkrijgen, er vanaf de sluiting van de kredietovereenkomst al op anticipeert dat de consument zijn betalingsverplichting niet zal nakomen. Eisende partij zal zich daarom moeten uitlaten over haar verdienmodel en dat verdienmodel ook inzichtelijk dienen te maken met een onderbouwing. De kantonrechter wijst de eisende partij in dit kader, gelet op de aard van de gevraagde gegevens, op het bepaalde in artikel 22 lid 2 en 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en 22a lid 3 Rv. Mocht de eisende partij daarop een beroep willen doen, dan moet zij dit motiveren.\n\n2.8.. Verder moet van alle afzonderlijke onderdelen van de vordering worden getoetst of hierover iets is geregeld in de overeenkomst, ongeacht of daarop een beroep wordt gedaan. Als het beding in de overeenkomst dat aan de vordering ten grondslag is óf kan worden gelegd oneerlijk is in de zin van de richtlijn, dan moet dat gedeelte van de vordering worden afgewezen. Ook als uitsluitend een beroep op de wettelijke regeling is gedaan. Dat volgt uit de arresten van het Europese Hof van Justitie van 27 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia) en 8 december 2022, ECLI:EU:C:2022:971 (Gupfinger).\n\n2.9.. Bij de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding gaat het erom of dat beding, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort (artikel 3 lid 1 van de richtlijn). Hierbij moeten alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst worden meegewogen en alle andere bedingen van de overeenkomst, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft, in aanmerking worden genomen. Daarbij moet worden uitgegaan van de datum waarop de overeenkomst is gesloten.\n\n2.10.. Eisende partij heeft zich nog niet uitgelaten over de (on)eerlijkheid van de bedingen die ten grondslag liggen of kunnen liggen aan de afzonderlijke onderdelen van de vordering. De bedingen die in ieder geval van belang zijn staan in artikel 13.8 en 13.9 van de algemene voorwaarden. Eisende partij wordt in de gelegenheid gesteld een standpunt in te nemen over de (on)eerlijkheid van deze bedingen.\n\n2.11.. De zaak wordt voor akte uitlating door eisende partij verwezen naar de rol.\n\n2.12.. Eisende partij dient de akte tenminste twee weken voor de hierna te bepalen rolzitting ook aan gedaagde partij te sturen, met de mededeling dat gedaagde partij op die rolzitting daarop mag reageren dan wel uitstel kan vragen en hoe en wanneer gedaagde partij uiterlijk moet reageren. Eisende partij wordt in dat kader verzocht om naast de akte ook de mededeling\u002Fbrief aan gedaagde partij in het geding te brengen. Wanneer niet kan worden vastgesteld dat de akte tijdig en\u002Fof met de juiste mededeling aan gedaagde partij is toegestuurd, wordt deze in beginsel buiten beschouwing gelaten.\n\n2.13.. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n3.1.. verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 21 juli 2026 om 10.00 uurvoor akte uitlating door eisende partij,\n\n3.2.. bepaalt dat eisende partij de akte aan gedaagde partij moet toesturen, overeenkomstig het bepaalde in overweging 2.12,\n\n3.3.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.\n\n991","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6721","2026-07-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:03.254Z",{"id":117,"ecli":118,"slug":119,"caseNumber":44,"courtId":120,"decisionDate":94,"fullText":121,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":122,"sourceTimestamp":46,"parsedAt":52,"updatedAt":123},"784","ECLI:NL:RBNNE:2026:2524","ecli-nl-rbnne-2026-2524",70,"RECHTBANKNOORD-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Leeuwarden\n\nZaaknummer: 11884450 \\ CV EXPL 25-5043\n\nVonnis van 23 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [eiser sub 1] ,\n\nte [plaats] ,\n\nhierna te noemen: [eiser sub 1] , 2. [eiser sub 2],\n\nen\n\n3. [eiser sub 3],\n\nbeiden te [plaats] ,\n\nhierna samen te noemen: [eiser sub 2 en 3] , 4. [eiser sub 4],\n\nte [plaats] ,\n\nhierna te noemen: [eiser sub 4] ,\n\neisende partijen in conventie,\n\nverwerende partijen in reconventie,\n\ngedaagden samen te noemen: de huurders,\n\ngemachtigde: mr. D. F. Briedé,\n\ntegen\n\nRECREATIECENTRUM DE HOLLE POARTE B.V.,\n\nte Makkum,\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: De Holle Poarte,\n\ngemachtigde: mr. S.J. van Susante.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding - de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie - de conclusie van antwoord in reconventie - de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie en vermeerdering van eis - de conclusie van dupliek in reconventie.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De zaak in het kort\n\n2.1.. Eisers huren een staanplaats op veld [nummer] van Recreatiecentrum De Holle Poarte te Makkum. De Holle Poarte wil het veld herstructureren en heeft - met inachtneming van de Recron-voorwaarden - de huurovereenkomsten met 50 huurders, waaronder eisers, opgezegd tegen 30 september 2026. De huurders stellen kortgezegd dat de opzegging in strijd is met Europese consumentenrecht en met de redelijkheid en billijkheid. Er wordt volgens de huurders onvoldoende rekening gehouden met de door hen gedane investeringen in de kampeermiddelen en de (financiële) gevolgen die de opzegging voor hen heeft. De kantonrechter is van oordeel dat De Holle Poarte de huurovereenkomsten rechtsgeldig heeft opgezegd en dat er geen aanleiding bestaat om op grond van de redelijkheid en billijkheid anders te oordelen en\u002Fof een aanvullende vergoeding aan de huurders toe te komen. De kantonrechter legt dat oordeel hierna uit.\n\n3. De achtergrond van het geschil\n\n3.1.. De huurders huren staanplaatsen op De Holle Poarte te Makkum. Het gaat hier om plaatsen op veld [letter] [eiser sub 4] huurt sinds 15 augustus 1997 staanplaats [staanplaats 1] , [eiser sub 2 en 3] huurt sinds 2011 staanplaats [staanplaats 2] en [eiser sub 1] huurt sinds 3 april 2023 staanplaats [staanplaats 3] . Huurders hebben bedragen variërend van € 20.000,00 tot € 37.500,00 besteed aan de aanschaf (overname) van kampeermiddelen (caravan\u002Fchalet).\n\n3.2.. Van de huurovereenkomst met [eiser sub 4] is geen schriftelijke overeenkomst voorhanden. In de schriftelijke overeenkomsten met [eiser sub 1] en [eiser sub 2 en 3] zijn de Recron-voorwaarden van toepassing verklaard. De Recron-voorwaarden bepalen onder meer:\n\n Artikel 11: Beëindiging door de ondernemer\n\n 1. De ondernemer kan de overeenkomst schriftelijk beëindigen indien:\n\n (…..)\n\n h. de ondernemer een herstructureringsplan voor (een deel van) het terrein tot uitvoering gaat brengen waarvoor de plaats van recreant, waarop een verplaatsbaar of niet meer verplaatsbaar kampeermiddel is geplaatst, nodig is.\n\nOm tot opzegging te kunnen overgaan, moet de ondernemer een concreet en uitvoerbaar plan hebben in die zin dat een eventueel benodigde vergunning, wijziging of ontheffing van het bestemmingsplan is verleend, dan wel op redelijke termijn te verwachten is.\n\n 2. (…..)\n\n3. Bij opzegging wegens herstructurering zoals vermeld onder sub h van het eerste lid dient de ondernemer een opzegtermijn van één jaar in acht te nemen voor afloop van het lopende overeenkomstjaar.\n\n(,,,,,)\n\nArtikel 12: Herstructurering\n\n (…..)\n\n3. In geval van herstructurering waarbij de ondernemer de overeenkomst beëindigt, is de ondernemer verplicht de recreant zo mogelijk een plaats (minimaal gelijkwaardig) op het terrein aan te bieden, tenzij het kampeermiddel gezien de leeftijd van het kampeermiddel en\u002Fof de staat waarin dit verkeert, niet meer op het terrein past.\n\n(…..)\n\n5. a. Indien sprake is van een verplaatsbaar kampeermiddel en een minimaal\n\n gelijkwaardige plaats niet op het terrein beschikbaar is, heeft de recreant de plaats te ontruimen en heeft hij recht op een tegemoetkoming in de verplaatsingskosten indien hij de plaats heeft ontruimd overeenkomstig artikel 15 lid 1. (…..)\n\n6. De tegemoetkoming in de verplaatsingskosten van het kampeermiddel als bedoeld in lid 5 onder a (…..) bedraagt € 1.482. (…..)\n\n7. (…..) De laatste 6 maanden van de opzegtermijn van één jaar kan de recreant gratis gebruik maken van de plaats. (…..)\n\n3.3.. In november 2023 heeft De Holle Poarte haar plannen voor een herstructurering van de camping aan de huurders bekend gemaakt en in een informatiebijeenkomst op 16 maart 2024 heeft zij haar plannen toegelicht. Blijkens de versie van 1 maart 2025 betreft de herstructurering de jaarplaatsen [nummer] t\u002Fm [nummer] en [nummer] t\u002Fm [nummer] . Deze jaarplaatsen voor chalets en stacaravans zullen worden gewijzigd in kampeervelden bestaande uit gras voor 40 toeristische kampeerplekken (waarvan acht met privé-sanitair) voor tenten, toercaravans of campers. Het herstructureringsplan vermeld voorts:\n\nGezien de gestegen en veranderende vraag, willen we daarom het toeristisch kamperen op onze camping graag anders indelen en in omvang uitbreiden. Tegelijkertijd is het [letter] -terrein naar onze mening erg verouderd en zijn de kleine, smalle jaarplaatsen niet meer van deze tijd, waardoor er op dit terreingedeelte naar onze mening veel ruimte voor verbetering is.\n\nBij het plan zijn ook een plattegrond en sfeerbeelden van de nieuwe situatie gevoegd.\n\n3.4.. Bij brief van 28 maart 2025 heeft De Holle Poarte de huurovereenkomsten met de huurders opgezegd op grond van artikel 11, lid 1 aanhef en h van de Recron-voorwaarden tegen 1 oktober 2026 in verband met de voorgenomen herstructurering van de camping. Daarbij is een vergoeding aangeboden op grond van de Recron-voorwaarden, bestaande uit een tegemoetkoming in de kosten van € 1.920,00 indien de staanplaats leeg en opgeruimd wordt opgeleverd. Daarnaast heeft De Holle Poarte aangeboden het staangeld over de laatste zes maanden van de huurperiode te restitueren bij tijdige en lege oplevering.\n\n3.5.. Het betreft de beëindiging van huurovereenkomsten voor vaste plaatsen op slechts een deel van het gehele terrein, te weten veld [letter] Daarbij gaat het om in totaal 50 huurders, waarvan 47 hebben ingestemd met de beëindiging van de huurovereenkomsten en de staanplaatsen hebben ontruimd\u002Fzullen ontruimen.\n\n3.6.. Bij brief van 23 april 2025 is namens de huurders bezwaar gemaakt tegen de opzegging. De Holle Poarte heeft hier bij brief van 8 mei 2025 op gereageerd.\n\n4. De vorderingen\n\nin conventie\n\n4.1.. \n [eisers] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:\n\nvoor zover Recron-voorwaarden niet van toepassing zijn:\n\n1. te verklaren voor recht dat De Holle Poarte onrechtmatig heeft gehandeld door bij aanvang van de huurovereenkomsten voor staanplaatsen met consument-huurders op onevenwichtige wijze voorwaarden te stellen, en\u002Fof zich schuldig heeft gemaakt aan oneerlijke handelspraktijken door geen rekening te houden met de gerechtvaardigde belangen van de huurders;\n\n2. te verklaren voor recht dat de huuropzegging door De Holle Poarte naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, zodat de huurovereenkomst dient voort te duren;\n\n3. voor het geval de opzegging in stand blijft of er opnieuw wordt opgezegd, of terugkeer van de huurder feitelijk onmogelijk wordt gemaakt, te verklaren voor recht dat De Holle Poarte gehouden is aan de huurder(s) schadevergoeding te betalen, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.\n\nvoor zover Recron-voorwaarden (analoog) van toepassing zijn:\n\nprimair:\n\n4. te verklaren voor recht dat de artikelen 11 lid 1 sub h, 11 lid 2-3 en 12 van de Recron-voorwaarden (herstructurering en beëindiging door de ondernemer) oneerlijke bedingen zijn in de zin van artikel 6:233 sub a BW juncto Richtlijn 93\u002F13\u002FEEG, en deze bepalingen te vernietigen wegens strijd met dwingendrechtelijke consumentenbescherming;\n\nsubsidiair:\n\n5. voor zover de artikelen niet volledig worden vernietigd, te verklaren voor recht dat genoemde bepalingen in dit concrete geval oneerlijk zijn en derhalve buiten toepassing blijven, met als gevolg dat beëindiging van de huurovereenkomst door De Holle Poarte op grond van herstructurering ongeldig is;\n\nmeer subsidiair:\n\n6. voor het geval de beëindiging van de huurovereenkomst door De Holle Poarte rechtsgeldig wordt geacht, te bepalen dat De Holle Poarte gehouden is tot volledige schadevergoeding van de door huurders gedane investeringen, nu het beding leidt tot een ongerechtvaardigde verschuiving van de financiële lasten van de ondernemer naar de consument, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;\n\nuiterst subsidiair:\n\n7. te verklaren voor recht dat De Holle Poarte gehouden is een billijke en evenredige compensatie te betalen aan de huurder(s) bij beëindiging wegens herstructurering, waarbij de tegemoetkoming zoals voorzien in artikel 12 lid 6 Recron (€ 1.482 \u002F\n\n€ 2.233) buiten toepassing blijft, voor zover deze kennelijk onredelijk is en strijdig met de vereisten van evenwicht en proportionaliteit uit Richtlijn 93\u002F13\u002FEEG;\n\nproceskosten\n\n8. De Holle Poarte te veroordelen in de kosten van de procedure, vermeerderd met de nakosten en de wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis.\n\n4.2.. De Holle Poarte voert verweer. De Holle Poarte concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.\n\n4.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\nin reconventie\n\n4.4.. \n\nDe Holle Poarte vordert bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren voor recht dat de huurovereenkomst met de huurders per 30 september 2026 is opgezegd en dat de huurders vanaf 1 oktober 2026 zonder recht of titel (jegens De Holle Poarte) op de betreffende jaarplaats verblijven, met veroordeling van de huurders in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\nBij conclusie van dupliek in conventie tevens repliek in reconventie heeft De Holle Poarte haar eis vermeerderd met een veroordeling van elk van de huurder om de door hen gehuurde staanplaats, met al degene die en al hetgeen - niet zijnde bij de kavel behorende zaken - dat zich daarin of daarop of elders op Recreatiecentrum De Holle Poarte bevinden respectievelijk bevindt, uiterlijk 1 oktober 2026, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, te verlaten en ontruimen en ter vrije en algehele beschikking aan De Holle Poarte te stellen, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag, of een gedeelte van een dag dat elk van de huurders in gebreke blijft om aan het in deze te wijzen vonnis te voldoen, met een maximum van\n\n€ 20.000,00, althans een dwangsom die de kantonrechter in goede justitie rechtmatig acht.\n\n4.5.. \n [eisers] voert verweer. [eisers] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van De Holle Poarte, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van De Holle Poarte in de kosten van deze procedure.\n\n4.6.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n5. De beoordeling\n\nin conventie en in reconventie\n\nDe vorderingen en de vermeerdering van eis\n\n5.1.. Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld. De huurders hebben geen conclusie van repliek in conventie genomen, maar gelet op hun verweer tegen de reconventionele vordering van De Holle Poarte, gaat de kantonrechter ervan uit dat zij hun vorderingen in conventie onverkort handhaven.\n\n5.2.. De Holle Poarte heeft bij conclusie van dupliek in conventie tevens repliek in reconventie haar eis vermeerderd met ontruiming door de huurders van de door hen gehuurde staanplaatsen. De kantonrechter zal deze eisvermeerdering toestaan, nu huurders hierdoor niet in hun verdediging zijn geschaad. Uit de gevorderde verklaring voor recht dat de huurovereenkomsten per 1 oktober zijn geëindigd vloeit immers de verplichting van de huurders tot ontruiming van het gehuurde voort.\n\nPrejudiciële vragen\n\n5.3.. Huurders hebben drie prejudiciële vragen geformuleerd. De kantonrechter ziet geen aanleiding om deze vragen aan de Hoge Raad voor te leggen. Er is niet sprake van een procedure waarin een rechtsvraag aan de orde is die ook de afhandeling van vele vergelijkbare geschillen kan bevorderen. Daarvoor zijn de procedures te casuïstisch en is de uitkomst afhankelijk van alle omstandigheden van het geval.\n\nHuurovereenkomsten voor onbepaalde tijd\n\n5.4.. De kantonrechter stelt vast dat de huurovereenkomsten niet zijn aangegaan met het doel om voor één bepaalde periode te gelden en dan te eindigen. Het gaat daarentegen om huurovereenkomsten die jaarlijks automatisch worden verlengd, die in de praktijk vele jaren tot tientallen jaren plegen te blijven bestaan en die op grond van de toepasselijke contractuele voorwaarden alleen door opzegging door de huurder of verhuurder kunnen eindigen. De huurovereenkomsten hebben daarmee het karakter van duurovereenkomsten voor onbepaalde tijd. De huurders sluiten ook niet jaarlijks een nieuwe overeenkomst met De Holle Poarte, althans dit is gesteld noch gebleken. De aan de huurders in eigendom toebehorende caravans en chalets blijven ook gewoon op de kavels staan.\n\nToetsingsmaatstaf opzegging\n\n5.5.. De huurovereenkomsten tussen de huurders en Holle Poarte hebben betrekking op de huur van onbebouwde grond (staanplaatsen voor caravans en chalets). De wettelijke regelingen die aan huurders bijzondere bescherming bieden, zoals huurbescherming en\u002Fof ontruimingsbescherming bij de huur van woonruimte en\u002Fof bedrijfsruimte, zijn op deze huurovereenkomsten niet van toepassing. Wel zijn van toepassing de algemene regels uit de huurtitel van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW), aangevuld met de gewone regels van het verbintenissenrecht.\n\n5.6.. Dit betekent dat op de beëindiging van de huurovereenkomsten artikel 7:228 BW van toepassing is. Volgens lid 2 van dit artikel eindigt een huur die voor onbepaalde tijd is aangegaan of voor onbepaalde tijd is verlengd, door opzegging met een opzegtermijn van tenminste één maand. Artikel 7:228 BW is echter van regelend recht. Dat betekent dat partijen over het beëindigen van de huurovereenkomst andere afspraken kunnen maken, waarbij zij afwijken van artikel 7:228 BW.\n\n5.7.. \n\nVoor zover de Recron-voorwaarden van toepassing zijn - waarover hierna meer - dan zijn in dit geval partijen in artikel 11 van de deze voorwaarden overeengekomen dat De Holle Poarte de huurovereenkomst kan opzeggen wanneer zij een herstructureringsplan voor (een deel van) het terrein tot uitvoering gaat brengen waarvoor de plaats van recreant, waarop een verplaatsbaar of niet meer verplaatsbaar kampeermiddel is geplaatst, nodig is.\n\nOm tot opzegging te kunnen overgaan, moet de ondernemer een concreet en uitvoerbaar plan hebben in die zin dat een eventueel benodigde vergunning, wijziging of ontheffing van het bestemmingsplan is verleend, dan wel op redelijke termijn te verwachten is. Bij die opzegging wegens herstructurering dient De Holle Poarte een opzegtermijn van één jaar in acht te nemen.\n\nDe Recron-voorwaarden\n\n5.8.. Vast staat de er geen schriftelijke overeenkomst is met [eiser sub 4] . Dat bij het sluiten van de overeenkomst met [eiser sub 4] de Recron-voorwaarden van toepassing zijn verklaard, kan dan ook niet worden vastgesteld. Gelet op de datum waarop de overeenkomst met [eiser sub 4] is gesloten, kan in ieder geval worden vastgesteld dat dit niet de Recron-voorwaarden zijn zoals die in werking zijn getreden per 1 maart 2016. Dat deze voorwaarden bepalen dat ze ook van toepassing zijn op lopende contracten, maakt dat niet anders. Desalniettemin is ook [eiser sub 4] regelmatig (bij de verlenging van de huurovereenkomst) over de Recron-voorwaarden geïnformeerd, zoals De Holle Poarte gemotiveerd heeft onderbouwd. Zo staat een verwijzing naar de Recron-voorwaarden op de jaarlijkse facturen, zodat [eiser sub 4] met de inhoud van de door De Holle Poarte gehanteerde Recron-voorwaarden bekend wordt verondersteld. Dat brengt echter nog geen toepasselijkheid met zich.\n\n5.9.. Op de overeenkomsten met [eiser sub 2 en 3] en [eiser sub 1] zijn de Recron-voorwaarden wel van toepassing verklaard, zij het dat het in de overeenkomst met [eiser sub 2 en 3] uitsluitend is geschied in de 'koopovereenkomst met behoud van staanplaats'. Met het verweer van [eiser sub 2 en 3] en [eiser sub 1] dat de Recron-voorwaarden niet van toepassing zijn omdat deze niet ter hand zijn gesteld, miskennen zij dat een wederpartij ook dan aan de algemene voorwaarden gebonden is als bij het sluiten van de overeenkomst de gebruiker (De Holle Poarte) begreep of moest begrijpen dat zij de inhoud daarvan niet kende. De Recron-voorwaarden zijn dus wel van toepassing.\n\n5.10.. Het niet ter hand stellen van de Recron-voorwaarden zou kunnen leiden tot vernietigbaarheid van (een) beding(en) in die voorwaarden. Zowel [eiser sub 2 en 3] als [eiser sub 1] hebben echter in de 'koopovereenkomst met behoud van staanplaats' verklaart te hebben ontvangen en kennis te hebben genomen van de op het recreatiebedrijf geldende regels, zoals de Recron-voorwaarden. Nu [eiser sub 2 en 3] en [eiser sub 1] deze koopovereenkomsten hebben ondertekend, levert die verklaring in die overeenkomst dwingend bewijs op dat zij de Recron-voorwaarden hebben ontvangen. Het is aan [eiser sub 2 en 3] en [eiser sub 1] om tegenbewijs aan te dragen, maar [eiser sub 2 en 3] en [eiser sub 1] hebben geen feiten of omstandigheden aangevoerd die hun stelling dat zij de Recron-voorwaarden desondanks niet hebben ontvangen onderbouwen. Het beroep op vernietigbaarheid omdat de Recron-voorwaarden niet ter hand zouden zijn gesteld gaat dan ook niet op.\n\n5.11.. Dat een redelijke mogelijkheid tot kennisneming is geboden om van de voorwaarden kennis te nemen als bedoeld in artikel 6:233 onderdeel b en artikel 6:234 BW, sluit niet uit dat in een concreet geval sprake is van strijd met het transparantievereiste, wat kan leiden tot het oordeel dat een beding oneerlijk is en vernietigbaar op grond van art. 6:233 onderdeel a BW.\n\n5.12.. Bij de beoordeling of daarvan sprake is stelt de kantonrechter voorop dat de Recron-voorwaarden zijn opgesteld door ondernemersorganisatie Recron en de Consumentenbond. Gelet op de betrokkenheid van de Consumentenbond dient als uitgangspunt te gelden dat de belangen van de consumenten met deze voorwaarden voldoende zijn geborgd. De kantonrechter volgt huurders niet in hun stelling dat de Consumentenbond zich inmiddels heeft gedistantieerd van deze voorwaarden omdat deze niet zouden voldoen aan de vereisten van Europese richtlijnen. Uit de door huurders overgelegde productie blijkt dat de Consumentenbond stopt met tweezijdige algemene voorwaarden omdat deze overbodig zijn geworden doordat de wettelijke rechten van consumenten de laatste jaren sterk zijn uitgebreid. Nu de Consumentenbond wel betrokken is geweest bij de totstandkoming van de Recron-voorwaarden, acht de kantonrechter de belangen van de huurders voldoende gewaarborgd door deze voorwaarden. Desalniettemin zal de kantonrechter het beroep van de huurders op de Europese consumentenbescherming en de implementatie van de desbetreffende richtlijnen in de Nederlandse wetgeving hierna bespreken.\n\nEuropese consumentenbescherming\n\n5.13.. De huurders doen een beroep op de wettelijke rechten van de consumenten. De huurders beroepen zich op de Richtlijn 2005\u002F29\u002FEG (oneerlijke handelspraktijken), de Richtlijn 93\u002F13\u002FEEG (oneerlijke bedingen) en de Richtlijn 2011\u002F83EU (informatie bij consumentenovereenkomsten). Volgens huurders ontbreekt in de huurovereenkomst een deugdelijk en transparant opzegbeding, hetgeen in verband met de aanzienlijke financiële belangen van de huurders en de bekendheid van De Holle Poarte met de aard van de investeringen bijzonder problematisch is. Ook de Recron-voorwaarden bieden geen evenwichtige opzegregeling die rekening houdt met de financiële belangen van de huurders.\n\n5.14.. \n\nDe kantonrechter overweegt als volgt.\n\nDe huurders hebben zich in algemene bewoorden beroepen op de regels van het Europees consumentenrecht zonder specifiek aan te geven welke bepalingen in de overeenkomst en\u002Fof de Recron-voorwaarden nietig of vernietigbaar zijn. De kantonrechter zal (ambtshalve) toetsen of er sprake is van strijd met voormelde richtlijnen. Daarbij zal de kantonrechter aansluiten bij recente jurisprudentie op dit punt in vergelijkbare zaken over de opzegging van huurovereenkomsten van staanplaatsen op recreatieparken.\n\n5.15.. Richtlijn 93\u002F13 EEG bepaalt in artikel 3 lid 1 dat een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld als oneerlijk wordt beschouwd indien dit beding, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoord. Deze regel is geïmplementeerd in artikel 6:233 van het Burgerlijk Wetboek (BW). In deze procedure staat niet ter discussie dat de huurders consument zijn en dat De Holle Poarte een professionele partij is in de zin van deze Richtlijnen. Beoordeeld dient te worden of het contractuele evenwicht tussen De Holle Poarte als professionele partij en huurders als consumenten aanzienlijk is verstoord met de in artikel 11 van de Recron-voorwaarden opgenomen opzeggingsregeling. Daarvan is niet gebleken. Vast staat immers dat de wet de huurder in gevallen als deze geen huurbescherming biedt. Als in dit geval de opzeggingsregels uit de Recron-voorwaarden niet zouden gelden, zou teruggevallen moeten worden op regelend recht. Onderdeel van dit regelend recht is artikel 7:228 lid 2 BW. Het gaat hier namelijk om een duurovereenkomst die voor onbepaalde tijd is aangegaan en de huur heeft betrekking op een onroerende zaak (de staanplaats) zonder gebouw. Er is volgens die regeling alleen de verplichting om, kort gezegd, een huurtermijn van een maand in acht te nemen. De kantonrechter volgt de huurders niet voor zover zij stellen dat de wettelijke regeling een impliciet beding behelst, dat een ernstige verstoring van het contractuele evenwicht oplevert.\n\n5.16.. In dit geval bevatten de Recron-voorwaarden in artikel 11 e.v. opzeggingsregels die voor de huurder gunstiger zijn dan de wettelijke regeling. Huurders hebben onvoldoende onderbouwd waarom de opzeggingsregeling niettemin oneerlijk is. Daarbij verwijst de kantonrechter nogmaals naar de betrokkenheid van de Consumentenbond bij de totstandkoming van de Recron-voorwaarden. Evenmin valt in te zien waarom het opzeggingsbeding als zodanig is aan te merken als een oneerlijke handelspraktijk in de zin van Richtlijn 2025\u002F29EG (en artikel 6:193a e.v. BW). Waarom sprake zou zijn van onjuiste of misleidende informatie hebben huurders ook niet nader toegelicht.\n\n5.17.. Het beroep van huurders op de Richtlijn informatieplichten wordt evenmin gevolgd. Deze richtlijn, in de Nederlandse wet geïmplementeerd in artikel 6:230h lid 2, aanhef en onder f BW, is niet van toepassing op overeenkomsten voor het doen ontstaan, het verkrijgen of het overdragen van onroerend goed of rechten op onroerend goed. Bij de huurovereenkomst op grond van een jaarplaats op een camping verkrijgt de huurder op grond van een overeenkomst het gebruiksrecht op een onroerende zaak, zodat de bepalingen voor overeenkomsten tussen handelaren en consumenten niet van toepassing zijn in deze situatie.\n\n5.18.. Het betoog dat de opzeggingsregeling nietig of vernietigbaar is in verband met Europese consumentenbescherming zoals neergelegd in de diverse richtlijnen en de Nederlandse wetgeving, wordt daarom verworpen.\n\nOpzegging conform de Recron-voorwaarden\n\n5.19.. Zoals hiervoor reeds is overwogen, bevatten de Recron-voorwaarden in artikel 11 opzeggingsregels die voor de huurder gunstiger zijn dan de wettelijke regeling. De kantonrechter zal bij de beoordeling dan ook tot uitgangspunt nemen de vraag of De Holle Poarte bij de opzegging van de huurovereenkomsten het bepaalde in artikel 11 van de Recron-voorwaarden in acht heeft genomen.\n\n5.20.. De kantonrechter is van oordeel dat De Holle Poarte voldoende heeft aangetoond dat zij ten tijde van de opzegging serieuze, concrete plannen had voor herstructurering van het terrein en dat zij daartoe de staanplaatsen nodig had. Dat er belemmeringen zijn die aan de realisatie van de herstructurering in de weg staan of zouden kunnen staan, is niet gebleken. Daarbij acht de kantonrechter met name van belang dat het uitsluitend een interne inrichting van een deel van het terrein (veld F) betreft, waarbij 50 vaste staanplaatsen ruimte moeten maken voor toeristische kampeerplekken. Dat De Holle Poarte bepaalde bouwactiviteiten uit de vergunningaanvraag heeft verwijderd, maakt dat naar het oordeel van de kantonrechter niet anders. Bovendien heeft De Holle Poarte gemotiveerd toegelicht dat bepaalde bouwwerken vergunningsvrij geplaatst kunnen worden en dat zij voor infrastructurele werkzaamheden (zekerheidshalve) een vergunning heeft aangevraagd. Uit de correspondentie met de gemeente blijkt ook genoegzaam dat er geen nadere vergunningsvereisten zijn die aan de realisatie in de weg staan of zouden kunnen staan. De huurders hebben ook niet nader onderbouwd waarom de plannen van De Holle Poarte desondanks niet voldoende concreet en\u002Fof niet uitvoerbaar zouden zijn.\n\n5.21.. De Holle Poarte heeft niet alleen de in de Recron-voorwaarden genoemde termijn van een jaar in acht genomen, zij heeft de huurders reeds in november 2023 geïnformeerd over de herstructureringsplannen, waardoor zij bijna drie jaar de tijd hebben (gehad) om te anticiperen op de gevolgen van de opzegging. Daarnaast heeft De Holle Poarte de huurders de tegemoetkoming als bedoeld in artikel 12 van de Recron-voorwaarden aangeboden.\n\n5.22.. De kantonrechter komt dan ook tot de slotsom dat de opzegging is geschied overeenkomstig de Recron-voorwaarden.\n\nRedelijkheid en billijkheid\n\n5.23.. In het Goglio-arrest (ECLI:NL:HR:2018:141) over duurovereenkomsten heeft de Hoge Raad overwogen dat indien wet en overeenkomst niet voorzien in een regeling van de opzegging, de overeenkomst in beginsel opzegbaar is. Op grond van art. 6:248 lid 1 BW kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien daarvoor een voldoende zwaarwegende grond bestaat. Die eisen kunnen voorts in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen òf dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding. Ook als de wet of een duurovereenkomst wel voorziet in een regeling van de opzegging, kunnen, indien de wet en hetgeen tussen partijen is overeengekomen daarvoor ruimte laten, de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval op grond van art. 6:248 lid 1 BW meebrengen dat aan de opzegging nadere eisen gesteld worden.\n\n5.24.. Dat de huurders belang hebben bij een ongewijzigde situatie, mede omdat zij met veel plezier om De Holle Poarte verblijven en ze de nodige kosten hebben gemaakt voor de aanschaf van hun kampeermiddel, staat niet ter discussie. Dat betekent echter niet dat De Holle Poarte handelt in strijd met de redelijkheid en billijkheid door de huurovereenkomsten conform de Recron-voorwaarden op te zeggen omdat ze wenst over te gaan tot herstructurering van een deel van de camping.\n\n5.25.. Het betoog van de huurders dat het herstructureringsplan geen 'voldoende zwaarwegende grond' oplevert, zal de kantonrechter als ongegrond passeren. Anders dan de huurders menen is daarvoor niet vereist dat er sprake is van een dwingende noodzaak zoals veiligheidstekorten, milieuvervuiling, structureel verval of een overheidsopdracht. Dat voor opzegging van een duurovereenkomst een noodsituatie vereist zou zijn, zoals de huurders betogen, blijkt niet uit vaste jurisprudentie hierover. Ook wanneer het recreatiebedrijf uit commerciële overwegingen haar bedrijfsvoering wenst aan te passen aan de ontwikkelingen in de toeristensector, dan staat haar dat in beginsel vrij. Wel moeten haar herstructureringsplannen voldoende concreet en uitvoerbaar zijn en dient zij een redelijke opzegtermijn in acht te nemen. Zoals hiervoor reeds is overwogen heeft De Holle Poarte hier aan voldaan.\n\n5.26.. Bij een overeenkomst als deze kan het voorkomen dat de partij tot wie de opzegging is gericht, met het oog op het voortduren van de overeenkomst investeringen heeft gedaan welke niet enkel worden gecompenseerd door, of verdisconteerd in een bepaalde opzegtermijn. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kunnen, ondanks de redelijke duur van de opzegtermijn, de eisen van redelijkheid en billijkheid nopen tot toekenning van een schadevergoeding. Volgens huurders brengt de redelijkheid en billijkheid met zich dat De Holle Poarte een gepast aanbod tot betaling van schadevergoeding heeft te doen. De huurders hebben investeringen in hun kampeermiddel gedaan en De Holle Poarte heeft dit bevorderd en ervan geprofiteerd, aldus huurders.\n\n5.27.. De kantonrechter is van oordeel dat uit de redelijkheid en billijkheid geen eisen voortvloeien waaraan De Holle Poarte niet heeft voldaan. Zoals hiervoor reeds is overwogen rechtvaardigt de door De Holle Poarte voorgenomen herstructurering van haar terrein en de daarbij gehanteerde opzegtermijn de opzegging van de overeenkomst. Deze voorgenomen herstructurering acht de kantonrechter voldoende zwaarwegend en de opzegtermijn alleszins redelijk. Bovendien heeft De Holle Poarte de huurders een tegemoetkoming in de verplaatsingskosten aangeboden. De kantonrechter volgt de huurders niet in hun betoog dat deze schadeloosstelling onvoldoende is. Het gaat om in beginsel verplaatsbare chalets en caravans die in eigendom toebehoren aan de huurders. Dat het kampeermiddel van [eiser sub 4] door zijn technische\u002Fconstructieve staat niet meer verplaatsbaar zou zijn, zoals van de zijde van huurders gesteld, kan De Holle Poarte niet worden tegengeworpen. Dat de door de huurders betaalde prijs voor de kampeermiddelen mede is bepaald door, en onlosmakelijk is verbonden met de staanplaats zelf, kunnen de huurders De Holle Poarte evenmin tegenwerpen. Dat De Holle Poarte daarvan zou hebben geprofiteerd, zoals de huurders aanvoeren, is door De Holle Poarte gemotiveerd betwist. De huurders hebben ook niet nader toegelicht op welke wijze De Holle Poarte betrokken zou zijn geweest bij de totstandkoming van de prijs die de huurders voor hun kampeermiddel hebben betaald, anders dan dat De Holle Poarte in het verleden wel hebben bemiddeld bij de totstandkoming van de koopovereenkomst met behoud van staanplaats. Dat het voor de huurders lastig is om voor hun kampeermiddel een andere plek te vinden en dat een verhuizing kosten met zich brengt, betekent echter niet dat De Holle Poarte verplicht is in deze kosten bij te dragen of anderszins een hogere vergoeding aan de huurders te betalen dan in de Recron-voorwaarden staat vermeld (geïndexeerd naar het prijspeil van 2025 een bedrag van € 1.920).\n\n5.28.. Voorts acht de kantonrechter van belang dat De Holle Poarte beschikbaar gekomen vervangende plekken op de camping aan de huurders heeft aangeboden. Dat De Holle Poarte daarbij voorrang heeft gegeven aan huurders van wie het kampeermiddel wel voldeed aan de richtlijnen van De Holle Poarte, levert, anders dan huurders stellen, geen willekeur op. Gelet op de leeftijd en uitstraling van het kampeermiddel van de huurders heeft De Holle Poarte aangegeven dat het kampeermiddel niet voor verplaatsing in aanmerking komt, maar dat de huurders een chalet dienen te plaatsen dat voldoet aan de richtlijnen van De Holle Poarte. De huurders hebben niet betwist dat hun kampeermiddel alle ten minste 30 jaar zijn en dat deze qua uitstraling niet voldoen aan de richtlijnen van De Holle Poarte. Evenmin hebben zij betwist dat De Holle Poarte een gerechtvaardigd belang heeft bij een goede uitstraling van de camping in zijn geheel. Dat de huurders niet in staat zijn om een nieuw of jong-gebruikt kampeermiddel aan te schaffen, maakt echter niet dat de opzegging door De Holle Poarte naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.\n\n5.29.. Met betrekking tot [eiser sub 1] overweegt de kantonrechter tot slot dat zij weliswaar redelijk recent (in 2023) het kampeermiddel heeft gekocht, maar [eiser sub 1] heeft niet betwist dat er op dat moment geen herstructureringsplannen met betrekking tot veld [letter] waren. De Holle Poarte kan dan ook niet verweten worden dat zij [eiser sub 1] daarover niet heeft geïnformeerd. Voorts acht de kantonrechter van belang dat zowel in de 'koopovereenkomst met behoud van staanplaats' en in het 'Mietvertrag' is verwezen naar de Recron-voorwaarden. In de Recron-voorwaarden staat uitdrukkelijk vermeld dat de koopprijs van het kampeermiddel niet meer kan zijn dan de waarde van het kampeermiddel zelf, dus zonder de grond, zonder vergoeding van het plekje, de ligging en het uitzicht. Dat De Holle Poarte op enige wijze betrokken is geweest bij de totstandkoming van de koopovereenkomst met [eiser sub 1] , is niet gebleken. Er bestaat naar het oordeel van de kantonrechter dan ook geen aanleiding om, ondanks de relatief korte periode dat [eiser sub 1] van haar kampeermiddel en staanplaats heeft kunnen genieten, een hogere schadevergoeding toe te kennen.\n\n5.30.. Het door de huurders gedane beroep artikel 6:248 BW slaagt dan ook niet.\n\nMisbruik van recht\u002Fonrechtmatige daad\n\n5.31.. Uit de overwegingen over de rechtsgeldigheid van de door Holle Poarte gedane opzeggingen volgt dat er geen sprake is van misbruik van recht. Evenmin hebben de huurders bijzondere omstandigheden aangevoerd die maken dat er binnen de contractuele relatie sprake is van een onrechtmatig handelen van De Holle Poarte jegens de huurders.\n\nSlotsom\n\n5.32.. Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat de alle vorderingen van de huurders, die er enerzijds op gericht zijn de rechtsgeldigheid van de opzegging van de huurovereenkomsten aan te tasten en anderzijds om een financiële schadevergoeding te bewerkstelligen, zullen worden afgewezen.\n\nProceskosten\n\n5.33.. De huurders zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van De Holle Poarte worden begroot op:\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n506,00\n\n(2 punten × € 253,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n126,50\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n632,50\n\nvoorts in reconventie\n\nEinde huurovereenkomst en ontruiming\n\n5.34.. De Holle Poarte vordert een verklaring voor recht dat de huurovereenkomsten per 30 september 2026 zijn opgezegd en dat de huurders vanaf 1 oktober 2026 zonder recht of titel op de betreffende jaarplaats verblijven. Bij vermeerdering van eis heeft De Holle Poarte daarnaast ontruiming van de gehuurde jaarplaatsen gevorderd. Nu er sprake is van een rechtsgeldige opzegging en de huurders geen aanspraak kunnen maken op een (schade)vergoeding die de aangeboden vergoeding op grond van de Recron-voorwaarden overstijgt, zijn de vorderingen toewijsbaar.\n\nUitvoerbaar bij voorraad\n\n5.35.. De veroordeling van huurders om de gehuurde staanplaatsen te ontruimen zal daarbij uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. De huurders hebben zich daartegen verzet, waarbij zij hebben verwezen naar het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 mei 2025, waarbij het hof oordeelde dat het recreatiebedrijf jegens bepaalde huurders schadeplichtig was op grond van onrechtmatige daad en dat ontruiming pas mocht plaatsvinden na betaling van de schadevergoeding. Van een vergelijkbare situatie is echter geen sprake. Voorts hebben de huurders nog verwezen naar een tussenarrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 31 december 2024, waarbij een belangenafweging is uitgevallen in het voordeel van de recreanten. Ook deze vergelijking gaat niet op, omdat in die zaak het recreatiebedrijf nog geen concrete plannen voor de betreffende staanplaatsen had zodat haar belang bij ontruiming van de staanplaatsen beperkt was. Bovendien bevond in die zaak de procedure in hoger beroep zich inmiddels in een vergevorderd stadium. In het onderhavige geval, waarbij er wel concrete plannen zijn en 47 van de 50 staanplaatsen wel per 1 oktober 2026 zullen zijn ontruimd, weegt naar het oordeel van de kantonrechter het belang bij De Holle Poarte om haar herstructureringsplannen te kunnen verwezenlijken zwaarder dan het belang van de huurders dat zich feitelijk vertaalt in een financieel belang.\n\nDwangsom\n\n5.36.. Met betrekking tot de door De Holle Poarte gevorderde dwangsom, die de huurders disproportioneel vinden, overweegt de kantonrechter tot slot dat hij deze zal matigen tot een bedrag van € 100,00 per dag dat de huurders na betekening van dit vonnis per 1 oktober 2026 in gebreke blijven met de ontruiming van de door hen gehuurde staanplaatsen. Uiteraard zijn [eiser sub 1] , [eiser sub 2 en 3] en [eiser sub 4] slechts gehouden de door henzelf gehuurde staanplaats te ontruimen. De kantonrechter zal hier een maximum aan verbinden van € 5.000,00. De kantonrechter acht dit een voldoende prikkel voor nakoming.\n\nProceskosten\n\n5.37.. \n\nDe huurders zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van De Holle Poarte worden begroot op\n\n€ 253,00 (0,5 x 2 punten x € 253,00) aan salaris gemachtigde.\n\n6. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\nin conventie\n\n6.1.. wijst de vorderingen van [eiser sub 1] , [eiser sub 2 en 3] en [eiser sub 4] af,\n\n6.2.. veroordeelt [eiser sub 1] , [eiser sub 2 en 3] en [eiser sub 4] in de proceskosten van € 632,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,\n\nin reconventie\n\n6.3.. verklaart voor recht dat de huurovereenkomst met [eiser sub 1] , [eiser sub 2 en 3] en [eiser sub 4] per 30 september 2026 is opgezegd en dat zij vanaf 1 oktober 2026 zonder recht of titel op de desbetreffende jaarplaatsen verblijven,\n\n6.4.. veroordeelt [eiser sub 1] , [eiser sub 2 en 3] en [eiser sub 4] om de door hen gehuurde staanplaatsen, met al degene die en al hetgeen - niet zijnde bij de kavel behorende zaken - dat zich daarin of daarop bevindt, uiterlijk 1 oktober 2026 te verlaten en te ontruimen en ter vrije en algehele beschikking aan De Holle Poarte te stellen,\n\n6.5.. veroordeelt [eiser sub 1] , [eiser sub 2 en 3] en [eiser sub 4] ieder om aan De Holle Poarte een dwangsom te betalen van € 100,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij na betekening van dit vonnis niet aan de hoofdveroordeling onder 6.4. met betrekking tot de ontruiming van de door hen gehuurde staanplaats voldoen, tot een maximum van € 5.000,00 is bereikt,\n\n6.6.. veroordeelt de huurders in de proceskosten van € 253,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,\n\nin conventie en in reconventie\n\n6.7.. veroordeelt de huurders tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, vermeerderd met de kosten van betekening als de huurders niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n6.8.. verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen onder 6.2. en 6.4 tot en met 6.7. uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.R. Gans en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.\n\n471\n\n Artikel 6: 232 Burgerlijk Wetboek (BW)\n\n Artikel 6: 233 BW\n\n Artikel 157 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)\n\n vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27 mei 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:3191), Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11 november 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:7084) en Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10 maart 2026 (ECLI:NL:GHARL:2026;1465).\n\n ECLI:NL:GHARL:2025:3191\n\n ECLI:NL:GHARL:2024:7991","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2524","2026-07-13T00:28:47.915Z",{"id":125,"ecli":126,"slug":127,"caseNumber":44,"courtId":128,"decisionDate":94,"fullText":129,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":130,"sourceTimestamp":106,"parsedAt":52,"updatedAt":131},"1678","ECLI:NL:RBOVE:2026:3798","ecli-nl-rbove-2026-3798",78,"RECHTBANK OVERIJSSEL\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Enschede\n\nZaaknummer: 12024571 \\ RR FORM 25-34\n\nVonnis van 23 juni 2026 in de experimentele procedure bij de kantonrechter als regelrechter\n\nin de zaak van\n\n [eiseres],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\neisende partij, hierna te noemen: [eiseres] ,\n\nprocederend in persoon,\n\ntegen\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,\n\nUNIQUE PRODUCTS INTERNATIONAL B.V.,h.o.d.n. PLEASUREMENTS,\n\ngevestigd te Hengelo,\n\ngedaagde partij, hierna te noemen: Pleasurements,\n\nvertegenwoordigd door [naam 2].\n\n1. De procedure\n\n1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het aanvraagformulier van [eiseres] ;\n\n- het reactieformulier van Pleasurements;\n\n- de mondelinge behandeling van 22 mei 2026.\n\n1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De zaak in het kort\n\n2.1. \n [eiseres] heeft een cadeaubon ter waarde van € 1.500,00 gekregen voor de aankoop van lingerie met daarbij persoonlijke service en een fles champagne. De fysieke winkel is vervolgens gesloten waardoor [eiseres] de cadeaubon niet meer in de winkel met persoonlijke service en champagne kon besteden. [eiseres] heeft daarom gevraagd om het geld terug te krijgen. Pleasurements heeft toegezegd daaraan te zullen voldoen, maar is niet tot betaling overgegaan.\n\n2.2. De regelrechter komt in deze zaak tot de conclusie dat Pleasurements de gedane toezeggingen – moet nakomen. Dit betekent dat Pleasurements het bedrag van € 1.500,00 aan [eiseres] moet betalen.\n\n3. De feiten\n\n3.1. \n [eiseres] heeft in 2023 een cadeaubon van Pleasurements ter waarde van € 1.500,00 gekregen van haar partner. Met deze bon zou [eiseres] twee uur de tijd krijgen om in de winkel – met een fles champagne en persoonlijke service – lingerie uit te kiezen.\n\n3.2. \n [eiseres] kwam medio april 2024 tot de ontdekking dat de winkel is gesloten. Zij nam daarover contact op met de klantenservice van Pleasurements:\n\n [eiseres] (11 april 2024)\n\n(…)\n\nIk zag dat jullie winkel gesloten is helaas. Ik heb nog een cadeaubon van €1500 van jullie…gekregen van mijn man.\n\nWat nu??\n\nHoor graag van jullie.\n\n(…)\n\nPleasurements (11 april 2024)\n\n‘(…) Terechte vraag zou ik zeggen :). En natuurlijk is die cadeaubon nog geldig, je kan bestellen via onze website en het nummer van de kadobon gebruiken. (…)’.\n\n [eiseres] (12 april 2024)\n\nIs er ook mogelijkheid tot teruggave van geld? Toch ook gedaan voor de hele ervaring met zn 2tjes. (…)’\n\nPleasurements (14 april 2024)\n\n‘(…) In principe geven we op een kadobon geen geld terug. In onze webshop kan je alles bestellen wat ook in de winkel verkrijgbar is. Voor het missen van de \"experience\" zal ik een extra kadobon van € 100,00 aanmaken, deze krijg je de komende dagen per email. (…)’\n\n [eiseres] (14 april 2024)\n\n‘(…) Dank voor antwoord! Ik snap dat en heel lief dat je extra kadobon wil geven. Maar zou toch echt liever het geld terug krijgen, ik wil graag alles passen en best lastig bestellen voor zo’n groot bedrag. (…)’\n\nPleasurements (17 april 2024)\n\n‘(…) We gaan de cadeaubon terugbetalen, alleen één klein administratief punt. Ik kan de bon de bon niet vinden op jou naam. Als je man de bon heeft besteld zal dit wellicht op zijn naam en mailadres zijn… :) … Als je dat doorgeeft maken we het in orde. (…) Team Pleasurements. [naam 1] . (…)’\n\nPleasurements 23 april 2024\n\n(…) Dank voor het opgestuurde betaalbewijs. Echter, op basis van de nu beschikbare informatie gaan we niet over tot terugbetaling van het bedrag. De cadeaubon is ruim een jaar geleden aangeschaft, dat betekent dat redelijkerwijs dat je tijd en ruimte voldoende hebt gehad om de bon in de winkel te besteden. (…)’\n\n3.3. \n [eiseres] heeft vervolgens geprobeerd de cadeaubon uit te geven op de webshop van Pleasurements. Dit is niet gelukt.\n\n3.4. Op 29 mei 2024 is de besloten vennootschap ‘Unique Products International B.V.’, handelend onder de naam ‘Pleasurements’, opgericht. [naam 1] (hierna: [naam 1] ) is sinds de oprichting enig aandeelhouder van Pleasurements.\n\n4. Het geschil\n\nDe vordering4.1. \n [eiseres] vordert – samengevat – veroordeling van Pleasurements tot betaling van een bedrag van € 1.500,00 en de proceskosten van € 226,00.\n\n4.2. \n [eiseres] legt aan het gevorderde ten grondslag dat Pleasurements heeft toegezegd het bedrag van € 1.500,00 terug te betalen. Pleasurements heeft zich niet aan deze toezegging gehouden.\n\nHet verweer4.3. Het voornaamste verweer van Pleasurements is, dat ‘Unique Products International B.V.’ h.o.d.n. Pleasurements, in mei 2024 de website en handelsactiviteiten heeft overgenomen. Deze overname heeft plaatsgevonden zonder overname van schulden, verplichtingen of aanspraken uit het verleden. Pleasurements is dus niet gebonden aan eventuele toezeggingen van haar voorganger.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1. Aan de orde is of [eiseres] nakoming van de toezegging kan vorderen van Pleasurements, nu [eiseres] haar vordering hierop heeft gegrond en Pleasurements de grond betwist.\n\n5.2. Pleasurements voert hiertoe aan dat – nadat [eiseres] contact heeft gehad met [naam 1] over de terugbetaling van de cadeaubon en [naam 1] de toezegging tot terugbetaling heeft gedaan – het bedrijf is overgegaan op ‘Unique Products International B.V.’. Deze overname heeft plaatsgevonden zonder overname van schulden, verplichtingen of aanspraken uit het verleden. Pleasurements is dus niet gebonden aan afspraken die voor de overname zijn gemaakt. [eiseres] heeft hiertegen verweer gevoerd. Zij stelt dat zij met Pleasurements een regeling heeft getroffen en nu vordert zij nakoming van Pleasurements van die regeling. Een overname doet hier niets aan af.\n\n5.3. De regelrechter overweegt als volgt. Vast staat dat [eiseres] in april 2024 e-mailcontact heeft gehad met [naam 1] , handelende namens ‘Pleasurements’. En dat [naam 1] [eiseres] de toezegging heeft gedaan om het bedrag terug te betalen. Vanuit welke rol of functie [naam 1] dat heeft gedaan is niet gesteld. Vervolgens heeft [naam 1] als enig aandeelhouder van ‘Unique Products International B.V.’ de activiteiten en handelsnaam van Pleasurements overgenomen. [naam 1] was zelf ter mondelinge behandeling niet aanwezig. Zij kon daarom niet verklaren waarom zij de door haar gedane toezegging vóór de overname niet is nagekomen. Ook is niet gebleken dat zij [eiseres] heeft geïnformeerd over de overname en heeft gewaarschuwd dat na de overname de toezegging van Pleasurements niet meer geldig zou zijn. Gelet hierop heeft [eiseres] er van uit mogen gaan dat [naam 1] haar namens Pleasurements gedane toezegging ook na de overname van Pleasurements zou nakomen.\n\n5.4. Daarnaast is ter zitting vast komen te staan dat alle cadeaubonnen na de overname gewoon nog konden worden besteed. Pleasurements kon alle gegevens van deze cadeaubonnen en de daarbij behorende klantgegevens ook terugvinden in het overgenomen klantenbestand. De toezegging dat de bonnen geldig zouden blijven en online besteed zouden kunnen blijven is ook aan [eiseres] meerdere keren gedaan. Nu alle cadeaubonnen na de overname hun geldigheid hebben behouden, en dus zijn overgenomen, is daarmee ook de toezegging van Pleasurements om de cadeaubon terug te betalen (zie 3.2.) blijven bestaan. Pleasurements dient deze toezegging alsnog na te komen. Pleasurements wordt veroordeeld tot betaling van dit bedrag aan [eiseres] . Alle overige verweren behoeven geen bespreking omdat deze niet tot een andere beslissing kunnen leiden.\n\nProceskosten5.5. Omdat Pleasurements in het ongelijk is gesteld, moet zij de proceskosten van [eiseres] betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op het griffierecht van € 226,00 en reis- en verletkosten van € 50,00.\n\n6. De beslissing\n\nDe regelrechter:\n\n6.1. veroordeelt Pleasurements tot betaling van een bedrag van € 1.500,00 aan [eiseres] ;\n\n6.2. veroordeelt Pleasurements tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] begroot op € 276,00;\n\n6.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J.M. Marsman en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3798","2026-07-13T00:29:33.105Z",{"id":133,"ecli":134,"slug":135,"caseNumber":44,"courtId":58,"decisionDate":136,"fullText":137,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":138,"sourceTimestamp":114,"parsedAt":52,"updatedAt":139},"1082","ECLI:NL:RBAMS:2026:6723","ecli-nl-rbams-2026-6723","2026-06-19T00:00:00.000Z","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZaaknummer: 11958450 \\ CV EXPL 25-15555\n\nVonnis van 19 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser], wonende te [woonplaats 1] , rechtsopvolger onder bijzondere titel van\n\n [bedrijf 1] B.V., voorheen genaamd[bedrijf 2] B.V., rechtsopvolger onder algemene titel van[bedrijf 3] B.V.,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\ngemachtigde: [gemachtigde],\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nwonende te [woonplaats 2] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nniet verschenen.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 28 oktober 2025, met producties,\n\n- het tegen [gedaagde] verleende verstek.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De beoordeling\n\n2.1.. \n [eiser] vordert, uit hoofde van een tussen [bedrijf 3] B.V. (hierna: verhuurder) en [gedaagde] gesloten huurovereenkomst met betrekking tot een auto, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 194,13 aan hoofdsom, vermeerderd met wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.\n\n2.2.. \n [eiser] stelt de huurovereenkomst is gesloten in de verkoopruimte van verhuurder en dat is voldaan aan de informatieplichten van artikel 6:230l van het Burgerlijk Wetboek (BW). Op de overeenkomst zijn de Algemene Voorwaarden BOVAG verhuur- en deelautobedrijven van toepassing (hierna: de algemene voorwaarden). De verzekeraar betaalt volgens [eiser] geheel of gedeeltelijk de huur voor de huurperiode.\n\n2.3.. \n [gedaagde] heeft volgens [eiser] een factuur van € 194,13 onbetaald gelaten. Deze factuur bestaat uit drie posten: ‘Inzet huurauto klasse B – ongeoorloofd langer gebruik, Administratiekosten Verhuur en Verlaging eigen risico per dag (NL)’.\n\n2.4.. De overeenkomst die aan de vordering ten grondslag is gelegd is gesloten tussen een handelaar en een consument. De kantonrechter moet in dat geval ambtshalve toetsen aan het consumentenrecht. Onderzocht moet worden of de informatieplichten zijn nageleefd. Daarnaast moet de overeenkomst worden getoetst aan Richtlijn 93\u002F13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).\n\n2.5.. Bij de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding gaat het erom of dat beding, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort (artikel 3 lid 1 van de richtlijn). Hierbij moeten alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst worden meegewogen en alle andere bedingen van de overeenkomst, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft, in aanmerking worden genomen. Daarbij moet worden uitgegaan van de datum waarop de overeenkomst is gesloten. Irrelevant voor deze toets is de feitelijke toepassing en uitvoering van de bedingen, of een achteraf gegeven uitleg.\n\n2.6.. Op grond van de arresten van het Europese Hof van Justitie van 27 januari 2021, C-229\u002F19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia) en 8 december 2022, C-625\u002F21, ECLI:EU:C:2022:971 (Gupfinger) moet de kantonrechter, ook als [eiser] zich in de procedure niet beroept op een bepaald beding in de overeenkomst, maar op de wet, ambtshalve onderzoeken of het beding in de voorwaarden waarop zij zich had kunnen beroepen niet oneerlijk is in de zin van de richtlijn. Indien een beding als oneerlijk wordt aangemerkt, kan ingevolge deze arresten geen aanspraak meer worden gemaakt op de wettelijke regeling die zonder dat beding van toepassing zou zijn geweest en moet zijn vordering op dit punt worden afgewezen.\n\n2.7.. Over de specifieke contractuele grondslagen van de afzonderlijke onderdelen van de vordering heeft [eiser] zich in de dagvaarding niet uitgelaten. Daarmee wordt bedoeld de bedingen die ten grondslag (kunnen) liggen aan de afzonderlijke onderdelen van de facturen, waaronder de in rekening gebrachte kosten voor het ongeoorloofd langer gebruiken van de auto en de administratiekosten, maar ook de nevenvorderingen, zoals rente en incassokosten. [eiser] wordt opgedragen zich hierover bij akte uit te laten. Daarbij dient [eiser] een standpunt in te nemen over de (on)eerlijkheid van de bedingen die aan de afzonderlijke onderdelen van de vordering ten grondslag liggen of kunnen liggen.\n\n2.8.. \n [eiser] dient in de vorenbedoelde toelichting in het bijzonder in te gaan op artikel 6 lid 5 van de algemene voorwaarden, in combinatie met de omstandigheid dat de huurprijs niet in de huurovereenkomst staat.\n\n2.9.. De zaak wordt voor akte uitlating door [eiser] verwezen naar de rol.\n\n2.10.. \n [eiser] dient de akte tenminste twee weken voor de hierna te bepalen rolzitting ook aan [gedaagde] te sturen, met de mededeling dat [gedaagde] op die rolzitting daarop mag reageren dan wel uitstel kan vragen en hoe en wanneer [gedaagde] uiterlijk moet reageren. [eiser] wordt in dat kader verzocht om naast de akte ook de mededeling\u002Fbrief aan [gedaagde] in het geding te brengen. Wanneer niet kan worden vastgesteld dat de akte tijdig en\u002Fof met de juiste mededeling aan [gedaagde] is toegestuurd, wordt deze in beginsel buiten beschouwing gelaten.\n\n2.11.. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n3.1.. verwijst de zaak naar de rol van vrijdag 17 juli 2026 om 10.00 uurvoor akte uitlating door [eiser] ,\n\n3.2.. bepaalt dat [eiser] de akte aan [gedaagde] moet toesturen, overeenkomstig het bepaalde in overweging 2.10,\n\n3.3.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. C.W. Inden en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026.\n\n991","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6723","2026-07-13T00:29:03.121Z",{"id":141,"ecli":142,"slug":143,"caseNumber":44,"courtId":144,"decisionDate":145,"fullText":146,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":147,"sourceTimestamp":97,"parsedAt":52,"updatedAt":148},"830","ECLI:NL:RBROT:2026:6946","ecli-nl-rbrot-2026-6946",59,"2026-06-18T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nlocatie Dordrecht\n\nzaaknummer: 11728957 CV EXPL 25-2276\n\ndatum uitspraak: 18 juni 2026\n\nVonnis van de kantonrechter\n\nin de zaak van\n\n [eiseres],\n\nvestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,\n\neiseres,\n\ngemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.,\n\ntegen\n\n [gedaagde] , (mede) handelend onder de naam [handelsnaam],\n\nwoonplaats: [woonplaats] ,\n\ngedaagde,\n\ndie zelf procedeert.\n\nPartijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.\n\n1. De procedure1.1.. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:\n\nde dagvaarding van 26 mei 2025, met bijlagen;\n\nhet antwoord, met bijlagen;\n\nhet proces-verbaal van de zitting op 21 mei 2026.\n\n1.2.. Op 21 mei 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig [persoon A] namens [eiseres] met mr. D.A.M. Polderman en mr. J.A. Wesdijk namens de gemachtigde. [gedaagde] is, hoewel hij daarvoor op de juiste wijze is opgeroepen, zonder bericht, niet verschenen.\n\n2. De beoordeling\n\nWaar gaat de zaak over?2.1.. \n [gedaagde] heeft zijn auto ter reparatie aangeboden bij [eiseres] in verband met motorstoringen. Tussen partijen is gesproken over een geschatte reparatiesom van ongeveer € 4.000,00 voor een revisie\u002Freparatie van de huidige motor. [eiseres] heeft vervolgens een motorreparatie uitgevoerd en hiervoor een factuur gestuurd voor een totaalbedrag van € 9.269,23. [gedaagde] was het niet eens met de hoogte van deze factuur en heeft hier direct tegen geprotesteerd. Hij begon echter wel alvast met termijnbetalingen omdat hij vond dat hij in ieder geval een deel van de factuur verschuldigd was. Voorts is tussen partijen gesproken over een onjuiste diagnose met betrekking tot de LPG-installatie waarvoor [eiseres] [gedaagde] financieel heeft gecompenseerd. [gedaagde] heeft in de loop van de tijd in totaal € 4.769,33 aan [eiseres] betaald. [eiseres] eist nu dat hij het restant van € 4.499,90 betaalt, vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten van € 755,00 en rente die tot 25 mei 2025 € 322,45 bedraagt.\n\n2.2.. \n [gedaagde] is het niet eens met de vordering. Volgens hem hebben partijen een prijs van ongeveer € 4.000,00 afgesproken. [eiseres] heeft de uiteindelijke factuur zonder enig tussentijds overleg of waarschuwing laten oplopen tot € 9.269,23. Bovendien waren de klachten na de motorreparatie toen nog niet verholpen.\n\n2.3.. De kantonrechter wijst de vordering af. Hierna wordt uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen.\n\nDe prijs2.4.. De overeenkomst die partijen met elkaar hebben gesloten, kwalificeert als aanneming van werk (artikel 7:750 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). Vaststaat dat tussen partijen een richtprijs is besproken van ongeveer € 4.000,00. Op grond van artikel 7:752 lid 2 BW geldt dat indien een richtprijs is afgegeven, deze met niet meer dan 10% mag worden overschreden, tenzij de aannemer ( [eiseres] ) de opdrachtgever ( [gedaagde] ) tijdig heeft gewaarschuwd voor een waarschijnlijke overschrijding om zo de opdrachtgever de gelegenheid te geven de opdracht alsnog te beperken of te vereenvoudigen. [eiseres] heeft gesteld dat de meerkosten gaandeweg mondeling zijn besproken. [gedaagde] heeft gemotiveerd betwist dat dit het geval was. Het is dan aan [eiseres] om te onderbouwen dat de meerkosten zijn besproken en dat zij [gedaagde] hiervoor tijdig heeft gewaarschuwd maar dat heeft zij onvoldoende gedaan. Niet is gebleken dat [gedaagde] expliciet en tijdig is gewaarschuwd dat de kosten zouden oplopen tot € 9.269,23 en dat hij hiermee akkoord is gegaan. De kantonrechter zal daarom een redelijke prijs voor de verrichte werkzaamheden moeten vaststellen. Gelet op de aard van de werkzaamheden en de omstandigheid dat [gedaagde] uit eigen beweging inmiddels een totaalbedrag van € 4.769,33 heeft betaald, acht de kantonrechter het redelijk en billijk om de uiteindelijke som op exact dit reeds betaalde bedrag vast te stellen. Dit bedrag valt binnen de redelijke marge van de afgegeven richtprijs van “ongeveer € 4.000,00” plus 10%. Omdat [gedaagde] voornoemd bedrag inmiddels al volledig heeft betaald, is hij het restant van € 4.499,90 niet meer verschuldigd. De stelling van [eiseres] dat [gedaagde] de vordering zou hebben erkend door te betalen, wordt gepasseerd omdat uit de overgelegde stukken blijkt dat [gedaagde] direct en consistent heeft geprotesteerd tegen de hoogte van de factuur. De resterende hoofdsom van € 4.499,90 wordt dus afgewezen. Daarmee worden ook de gevorderde incassokosten en rente afgewezen.\n\nProceskosten2.5.. De proceskosten komen voor rekening van [eiseres] , omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). De kantonrechter begroot deze kosten aan de kant van [gedaagde] op nul, omdat hij zonder bijstand van een gemachtigde heeft geprocedeerd en niet is gebleken dat hij kosten heeft gemaakt voor deze procedure die voor vergoeding in aanmerking komen.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n3.1.. wijst de vordering af;\n\n3.2.. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] tot nu toe worden begroot op nul.\n\nDit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. C. van Steenderen-Koornneef en in het openbaar uitgesproken.\n\n53954","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:6946","2026-07-13T00:28:50.129Z",{"id":150,"ecli":151,"slug":152,"caseNumber":44,"courtId":58,"decisionDate":145,"fullText":153,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":154,"sourceTimestamp":155,"parsedAt":52,"updatedAt":156},"1908","ECLI:NL:RBAMS:2026:6092","ecli-nl-rbams-2026-6092","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F13\u002F783627 \u002F HA RK 26-55\n\nBeschikking van 18 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonende te [woonplaats],\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser],\n\nadvocaat: mr. M.A. Hupkes,\n\ntegen\n\n1. de vennootschap naar het recht van St. Vincent en de Grenadines KYRREX LTD,\n\ngevestigd te Kingstown, St. Vincent en de Grenadines, 2. de vennootschap naar Maltees recht REAL EXCHANGE (REX) LTD,\n\ngevestigd te Saint Julian, Malta,\n\nverwerende partijen,\n\nhierna te noemen Kyrrex Ltd en Rex Ltd,\n\nniet verschenen.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift, binnengekomen ter griffie op 19 februari 2026.\n\n1.2.. Er heeft geen mondelinge behandeling plaatsgevonden, omdat Kyrrex Ltd en Rex Ltd niet hebben gereageerd op het verzoek van de rechtbank te laten weten of zij gehoord wensen te worden op het verzoek van [eiser].\n\n1.3.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [eiser] is in de periode juni tot en met augustus 2025 slachtoffer geworden van online beleggingsfraude via het platform Horizons28. Nadat hij zich via de website van dat platform had aangemeld, is hij benaderd door personen die zich voordeden als medewerkers van Horizons28 en hem hebben bewogen aanzienlijke bedragen te investeren. Daarbij heeft [eiser] in totaal meer dan € 650.000,- overgemaakt ten behoeve van de aanschaf van cryptovaluta, die vervolgens naar door de fraudeurs aangewezen blockchainadressen zijn verzonden.\n\n2.2.. Toen [eiser] in augustus 2025 een deel van zijn vermeende belegging wilde opnemen, bleek dat niet mogelijk. Hij heeft daarop op 4 september 2025 aangifte gedaan van fraude.\n\n2.3.. \n [eiser] heeft vervolgens onderzoek laten verrichten naar de bestemming van de door hem verzonden cryptovaluta. Uit dat onderzoek blijkt volgens [eiser] dat een aanzienlijk deel van de cryptovaluta uiteindelijk terecht is gekomen op depositadressen die via een zogenoemde nested service-constructie zijn te herleiden tot het platform van Kyrrex, dat volgens [eiser] gezamenlijk door Kyrrex Ltd en Rex Ltd wordt geëxploiteerd.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. \n [eiser] verzoekt de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Kyrrex Ltd en Rex Ltd te bevelen binnen veertien dagen na de te geven beschikking in digitale vorm inzake het account dat is gekoppeld aan de volgende depositadressen:\n\n [depositiadres 1]\n\n [depositiadres 2]\n\n [depositiadres 3]\n\n [depositiadres 4]\n\n [depositiadres 5]\n\n [depositiadres 6]\n\n [depositiadres 7]\n\nalsmede de volgende transactiecodes:\n\n [transactiecode 1]\n\n [transactiecode 2]\n\n [transactiecode 3]\n\n [transactiecode 4]\n\n [transactiecode 5]\n\n [transactiecode 6]\n\n [transactiecode 7]\n\nde bij hen bekende identificerende gegevens te verstrekken, te weten:\n\n- de volledige voornamen en achternaam; - de geboortedatum; - het laatst bekende woonadres; - het bij de ‘onboarding’ gebruikte identiteitsbewijs;\n\n- de gezichtsscan en\u002Fof foto;\n\n- het IP-adres van het gebruikte apparaat;\n\n- telefoonnummer en emailadres;\n\nalsmede de mutatieoverzichten te verstrekken over de periode van 26 juni 2025 (de dag van de eerste overboeking naar de fraudeurs) tot en met de dag van de te geven beschikking.3.2.. Daarnaast verzoekt [eiser] de rechtbank te bepalen dat Kyrrex Ltd en Rex Ltd een dwangsom verschuldigd zijn van € 50.000,- indien niet binnen de termijn aan het bevel wordt voldaan, vermeerderd met € 50.000,- per dag zolang de overtreding voortduurt, met een maximum van € 500.000,-. Tot slot vraagt [eiser] de rechtbank om Kyrrex Ltd en Rex Ltd te veroordelen in de proceskosten.\n\n3.3.. Aan zijn verzoek legt [eiser] ten grondslag dat hij de gevraagde gegevens nodig heeft om zijn rechtspositie te kunnen bepalen en om te beoordelen of hij een civielrechtelijke procedure (op grond van onrechtmatige daad) kan instellen tegen de personen of entiteiten die de uit fraude afkomstige cryptovaluta hebben ontvangen, dan wel tegen Kyrrex Ltd en Rex Ltd zelf.\n\n4. De beoordeling\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\n4.1.. \n [eiser] woont in Nederland. Kyrrex Ltd is gevestigd in Saint Vincent en de Grenadines en Rex Ltd in Malta. De zaak heeft daarom een internationaal karakter. De rechtbank zal (ambtshalve) beoordelen of haar rechtsmacht toekomt en welk recht van toepassing is.4.2.. Op grond van artikel 3 sub a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de rechtbank rechtsmacht om kennis te nemen van het verzoek van [eiser] tegen Kyrrex Ltd.\n\n4.3.. De rechtsmacht ten aanzien van Rex Ltd moet worden beoordeeld aan de hand van Brussel I-bis, nu het geschil zowel formeel, materieel als temporeel onder het toepassingsgebied van die verordening valt. Rex Ltd is gevestigd in Malta. De aan het verzoek ten grondslag gelegde voorgenomen vordering betreft een vordering uit onrechtmatige daad. [eiser] stelt (onweersproken) dat de schade zich in Nederland heeft voorgedaan. Op grond van artikel 7 lid 2 Brussel I-bis is de Nederlandse rechter daarom bevoegd.\n\n4.4.. Het verzoek is gebaseerd op artikel 196 Rv. Dit betreft formeel procesrecht. Op grond van artikel 10:3 BW is Nederlands recht van toepassing.\n\nHet verzoek\n\n4.5.. Voordat een procedure aanhangig is, kan een belanghebbende de rechter verzoeken om inzage in, afschrift van of een uittreksel van gegevens (zie artikel 196 Rv). Het verzoekschrift voorlopige bewijsverrichtingen moet op grond van artikel 197 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) inhouden:\n\na. een kernachtige omschrijving van het geschil of de gebeurtenis waarop het verzoek betrekking heeft en de gronden van het verzoek,\n\nb. de aard en het beloop van de vordering,\n\nc. de naam en woonplaats van de wederpartij of de redenen waarom de wederpartij onbekend is.\n\n4.6.. \n [eiser] heeft aan de formele eisen van het verzoekschrift voldaan. Op grond van artikel 196 lid 2 Rv moet de rechtbank het verzoek toewijzen, tenzij zij van oordeel is dat:\n\n- de informatie die wordt verlangd, niet voldoende is bepaald\n\n- er onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat\n\n- het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde\n\n- er sprake is van misbruik van bevoegdheid of\n\n- als er andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting.\n\n4.7.. Omdat Kyrrex Ltd en Rex Ltd niet zijn verschenen, is geen beroep gedaan op één van voornoemde afwijzingsgronden. Dat betekent dat de rechtbank alleen kan toetsen of het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde (zie Parl. Gesch. Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht 2024\u002FII.33.5\u002FNota naar aanleiding van het Verslag, waarin wordt verwezen naar ECLI:NL:HR:2006:AX7774). Daarvan is geen sprake.\n\n4.8.. Op het verzoek om inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens zijn op grond van artikel 204 Rv, de artikelen 194 Rv, 195 en 195a Rv van overeenkomstige toepassing. In deze artikelen is geregeld dat een partij bij een rechtsbetrekking tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking recht op inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens heeft als zij daarbij voldoende belang heeft. Degene die over de gegevens beschikt, ook als dit een derde is die geen partij is bij de rechtsbetrekking waarop de gegevens betrekking hebben, is verplicht daarvan inzage, afschrift of uittreksel te verstrekken, tenzij hem een verschoningsrecht toekomt of gewichtige redenen zich daartegen verzetten.\n\n4.9.. \n [eiser] heeft onweersproken gesteld dat aan deze vereisten is voldaan. Gezien het voorgaande zal het verzoek om afgifte van de verzochte gegevens worden toegewezen voor zover dat betrekking heeft op informatie waarover Kyrrex Ltd en Rex Ltd zelf beschikken. Conform artikel 194 Rv moet [eiser] de kosten van Kyrrex Ltd en Rex Ltd dragen die voor de verstrekking moeten worden gemaakt.\n\nDwangsom\n\n4.10.. \n [eiser] heeft de rechtbank verzocht te bepalen dat Kyrrex Ltd en Rex Ltd bij gebrek aan tijdige of volledige nakoming van het bevel tot inzage\u002Fafschrift van de gevraagde gegevens een dwangsom verbeuren van € 50.000,- per dag zolang de overtreding voortduurt, met een maximum van € 500.000,-.\n\n4.11.. De rechtbank ziet gelet op de aard van de gevorderde inzage, het belang van [eiser] bij tijdige verkrijging van de gevraagde gegevens, het uitblijven van enig verweer van Kyrrex Ltd en Rex Ltd en de noodzaak de nakoming van het bevel voldoende te waarborgen, aanleiding de gevorderde dwangsom toe te wijzen. De rechtbank acht de hoogte van de gevorderde dwangsom, mede gelet op de ernst van de gestelde feiten en de hoogte van de vermeende schade, gerechtvaardigd.\n\nProceskosten\n\n4.12.. Nu het verzoek wordt toegewezen, zal de rechtbank Kyrrex Ltd en Rex Ltd, zoals verzocht, veroordelen in de proceskosten (inclusief nakosten). De proceskosten (inclusief nakosten) van [eiser] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n714,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n653,00\n\n(1 punt × € 653,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.556,00\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n5.1.. wijst het verzoek toe en beveelt Kyrrex Ltd en Rex Ltd inzake het account dat is gekoppeld aan de volgende depositadressen:\n\n [depositiadres 1]\n\n [depositiadres 2]\n\n [depositiadres 3]\n\n [depositiadres 4]\n\n [depositiadres 5]\n\n [depositiadres 6]\n\n [depositiadres 7]\n\nalsmede de volgende transactiecodes:\n\n [transactiecode 1]\n\n [transactiecode 2]\n\n [transactiecode 3]\n\n [transactiecode 4]\n\n [transactiecode 5]\n\n [transactiecode 6]\n\n [transactiecode 7]\n\nde bij haar bekende identificerende gegevens te verstrekken, te weten:\n\n- de volledige voornamen en achternaam; - de geboortedatum; - het laatst bekende woonadres; - het bij de ‘onboarding’ gebruikte identiteitsbewijs;\n\n- de gezichtsscan en\u002Fof foto;\n\n- het IP-adres van het gebruikte apparaat;\n\n- telefoonnummer en emailadres;\n\nalsmede de mutatieoverzichten te verstrekken over de periode van 26 juni 2025 (de dag van de eerste overboeking naar de fraudeurs) tot en met de dag van deze beschikking;\n\n5.2.. bepaalt dat het verstrekken van inzage in en afschrift van de gegevens moet plaatsvinden uiterlijk 15 dagen na betekening van deze beschikking in een digitaal en doorzoekbaar formaat;\n\n5.3.. veroordeelt Kyrrex Ltd en Rex Ltd tot betaling van een dwangsom van € 50.000,- voor iedere dag dat zij vanaf 15 dagen na betekening van deze beschikking niet aan het bevel in 5.1. voldoen, tot een maximum van € 500.000,- is bereikt;\n\n5.4.. bepaalt dat [eiser] aan Kyrrex Ltd en Rex Ltd de kosten zal vergoeden die zij eventueel moeten maken voor het verstrekken van de afschriften, binnen twee weken nadat Kyrrex Ltd en Rex Ltd, onderbouwd met stukken, aan [eiser] opgave van die kosten heeft gedaan;\n\n5.5.. veroordeelt Kyrrex Ltd en Rex Ltd hoofdelijk in de proceskosten van € 1.556,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Kyrrex Ltd en Rex Ltd niet tijdig aan deze proceskostenveroordeling voldoen en de beschikking daarna wordt betekend,\n\n5.6.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. M.E.M James-Pater, rechter, bijgestaan door mr. S.D. Gerick, griffier en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.\n\nde Verordening (EU) nr. 1215\u002F2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Brussel I-bis)","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6092","2026-06-15T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:44.919Z",{"id":158,"ecli":159,"slug":160,"caseNumber":44,"courtId":85,"decisionDate":161,"fullText":162,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":163,"sourceTimestamp":164,"parsedAt":52,"updatedAt":165},"1430","ECLI:NL:RBNHO:2026:7436","ecli-nl-rbnho-2026-7436","2026-06-17T00:00:00.000Z","RECHTBANKNOORD-HOLLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nZaaknummer: 12049496 \\ CV EXPL 26-165\n\nVonnis van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonende te [plaats],\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser],\n\nprocederend in persoon,\n\ntegen\n\nde stichting I RESPECT ANIMALS (SIRA)\n\ngevestigd te Lisserbroek,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: SIRA,\n\ngemachtigde: [gemachtigde].\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding; - de conclusie van antwoord; - de conclusie van repliek; - de conclusie van dupliek.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. \n [eiser] heeft via SIRA een herdershond genaamd Sombra gekocht voor een bedrag van € 535,00. In de koopovereenkomst staat (onder meer): “(…) Koper verklaart tevens:* Bekend en akkoord te zijn met de op deze overeenkomst van toepassing zijnde voorwaarden en verklaart een kopie van de voorwaarden en het en herroepingsformulier te hebben ontvangen.\n\n(…) Indien sprake is van een verkoop op afstand attenderen wij u op uw herroepingsrecht: U heeft recht op 14 dagen bedenktijd voor het retourneren, zonder opgaaf van redenen vanaf het moment van overdracht van de hond.”2.2.. In de plaatsingsvoorwaarden staat (voor zover relevant):\n\n“Herroeping\n\nDe wet ziet een dier helaas als een ding en daarmee kunt u dus gebruik maken van uw herroepingsrecht.\n\nUitleg herroepingsrecht: U heeft het recht om binnen een termijn van 14 dagen zonder opgave van redenen de overeenkomst te herroepen vanaf de datum van overdracht.\n\nOm gebruik te maken van uw herroepingsrecht kunt u het product (het dier) inclusief het ingevulde en ondertekende herroepingsrecht binnen uiterlijk 14 dagen na de overdracht dat u een beroep doet op uw herroepingsrecht terugsturen\u002Fgeven.\n\nTerugbetaling\n\nIn geval van een herroeping ontvangt u alle gemaakte kosten door het asiel inclusief leveringskosten en heenzending, zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen 14 dagen nadat u heeft aangegeven gebruik te willen maken van het herroepingsrecht.\n\nU heeft maximaal 14 dagen de tijd om het product (het dier) te retourneren aan Stichting I Respect Animals nadat u dat kenbaar heeft gemaakt.\n\nU draagt zelf de kosten voor de retourzending.\n\nDeze kosten bedragen €450,00 inclusief btw (retour Spanje of Portugal) en worden verrekend met de aankoopsom.”2.3.. Op 14 november 2025 heeft [betrokkene] (medewerkster van SIRA) aan [eiser] geschreven:\n\n“Goedemorgen, ben je wakker? Ze hebben me net gebeld van de dierenarts waar Sombra was. Gisterenmiddag toen ze haar aan me meegaven, was een van de medewerkers die er vandaag wel is, er niet. Hij heeft me gezegd dat ze twee kleine bultjes op haar buik heeft. Dat toen ze werd gered, ze dermatitis had en door het krabben heeft ze die bultjes gekregen, maar tot nu toe waren ze niet teruggekomen. En de medewerker van de dierenarts heeft gezien dat ze gisteren begonnen terug te komen. Hij heeft mij er niets over gezegd omdat hij dacht dat ik haar vandaag pas zou meenemen en hij het me dan wilde vertellen.\n\nJe weet dat ik de dingen graag goed doe. Hij heeft gezegd dat hij vanmorgen een verslag voor me maakt. Ik vind het niet prettig om honden te sturen die iets hebben zonder het te zeggen ☹. Als je wilt kan ik met het transport praten en haar ophalen, en wanneer ze helemaal genezen is kan ze reizen. Maar mijn dierenarts zegt dat het vanzelf weer opgenomen wordt.\n\nHet spijt me, het schijnt door het krabben te komen en het zal vanzelf weer wegtrekken, maar ik doe de dingen graag goed. Als ik Sombra moet ophalen, ga ik, geen probleem. Het spijt me echt dat ik het niet heb opgemerkt, je weet dat ik dingen altijd graag goed doe.”\n\n2.4.. \n [eiser] heeft de koopovereenkomst nog dezelfde dag ontbonden met een beroep op haar herroepingsrecht.2.5.. SIRA heeft een bedrag van € 85,00 aan [eiser] gerestitueerd.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n [eiser] stelt dat zij recht heeft op volledige terugbetaling van het aankoopbedrag van de hond, en vordert daarom veroordeling van SIRA tot betaling van € 450,00.\n\n3.2.. SIRA voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser]. Zij voert aan dat Sombra zich ten tijde van de herroeping reeds in transit naar Nederland bevond. [eiser] is conform de ondertekende overeenkomst en bijbehorende voorwaarden verantwoordelijk voor de kosten van de retourzending.\n\n3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. \n\nDe kantonrechter stelt voorop dat de vordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen een handelaar (SIRA) en een consument ([eiser]). Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet ter bescherming van de consument aan de bepalingen van Boek 6, titel 5, afdeling 2B van het Burgerlijk Wetboek (BW) worden voldaan. Dat houdt onder meer het volgende in.\n\nOp grond van artikel 6:230m lid 1 onder h BW moet de consument erop worden gewezen dat hij het recht heeft om de overeenkomst binnen veertien dagen te ontbinden. Daarbij moet worden gewezen op de voorwaarden, termijn en modaliteiten voor het herroepingsrecht en dient het modelformulier verstrekt te worden. Daarnaast moet de consument op grond van artikel 6:230m lid 1 onder i BW worden gewezen op de kosten van terugzending van zaken bij ontbinding.\n\n4.2.. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] het herroepingsrecht tijdig heeft ingeroepen. Dat betekent dat de koopovereenkomst rechtsgeldig is ontbonden en [eiser] in beginsel recht heeft op volledige terugbetaling van het aankoopbedrag van de hond. Het antwoord op de vraag of sprake is van dwaling en of non-conformiteit, kan dan ook in het midden blijven.\n\n4.3.. De volgende vraag die voorligt, is of [eiser] de retourkosten van € 450,- aan SIRA dient te vergoeden. SIRA heeft in dit verband verwezen naar de plaatsingsvoorwaarden, waarin staat dat de koper bij retourzending verantwoordelijk is voor de kosten daarvan (zie 2.2). De kantonrechter overweegt daarover als volgt.\n\n4.4.. Op grond van het Tiketa-arrestmag precontractuele informatie (zoals informatie over de kosten bij retourzending) weliswaar in de (algemene) voorwaarden worden opgenomen, maar dan moet de consument daar wel op actieve wijze zijn of haar goedkeuring aan verlenen en moet die informatie op duidelijke en begrijpelijke wijze ter kennis van de consument worden gebracht. Dat betekent dat de consument erop moet worden gewezen dát (en waar) deze informatie in de algemene voorwaarden te vinden is. Gesteld noch gebleken is dat dit is gebeurd. [eiser] is tijdens het aankoopproces onvoldoende concreet gewezen op het feit dat (en waar) voormelde informatie over de kosten bij retour in de plaatsingsvoorwaarden te vinden is. Ook is in de schriftelijke koopovereenkomst geen informatie (en\u002Fof een concrete verwijzing naar een onderdeel van de plaatsingsvoorwaarden) te vinden over de kosten in het geval van een retourzending. Het voorgaande heeft tot gevolg dat de retourkosten niet zijn verschuldigd. De conclusie is dan ook dat SIRA de retourkosten ten onrechte heeft verrekend met de te ontvangen terugbetaling.\n\n4.5.. De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van [eiser] zal toewijzen.\n\n4.6.. SIRA is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n148,04\n\n- griffierecht\n\n€\n\n93,00\n\nTotaal\n\n€\n\n241,04\n\n4.7.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. veroordeelt SIRA om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 450,00,\n\n5.2.. veroordeelt SIRA in de proceskosten van € 241,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als SIRA niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. veroordeelt SIRA tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n5.4.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.\n\nDe griffier De kantonrechter\n\n HvJ EU 24 februari 2022, ECLI:EU:C:2022:112.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7436","2026-06-22T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:20.705Z",{"id":167,"ecli":168,"slug":169,"caseNumber":44,"courtId":85,"decisionDate":161,"fullText":170,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":171,"sourceTimestamp":161,"parsedAt":52,"updatedAt":172},"990","ECLI:NL:RBNHO:2026:7233","ecli-nl-rbnho-2026-7233","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nHandel, Kanton en Insolventie\n\nlocatie Haarlem\n\nZaaknr.\u002Frolnr.: 11210520 \\ CV EXPL 24-4951\n\nUitspraakdatum: 17 juni 2026\n\nTussenvonnis van de kantonrechter in de zaak van:\n\n[eiser 1][eiser 2]\n\n[eiser 3]allen wonende te [plaats]\n\neisers\n\ngemachtigde: mr. R. Bos (ProBe-ASP B.V., handelende onder de naam Aviclaim)\n\ntegen\n\nde vennootschap naar buitenlands recht\n\nSingapore Airlines Ltd.\n\ngevestigd te Singapore\n\ngedaagde\n\nhierna te noemen: de vervoerder\n\ngemachtigde: mr. J.J. Croon (Croon Aviation Lawyers)\n\n1. Het verdere procesverloop\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 27 augustus 2025;\n\n- de akte uitlating prejudiciële vragen van de vervoerder;\n\n- de akte uitlating prejudiciële vragen van eisers.1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.2. Inleiding2.1.. In het tussenvonnis van 27 augustus 2025 heeft de kantonrechter geoordeeld dat er aanleiding bestaat om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) en dat alle beslissingen in deze procedure worden aangehouden in afwachting van het oordeel van het Hof.\n\n2.2.. In het tussenvonnis zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de formulering van de prejudiciële vragen die de kantonrechter in het tussenvonnis heeft voorgesteld. Eisers en de vervoerder hebben daarop bij akte gereageerd. In dit vonnis zal de kantonrechter de definitieve vragen formuleren en het Hof verzoeken om een prejudiciële beslissing te nemen .3. De feiten3.1.. Eisers hebben een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 11 juli 2022 vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport (hierna: de luchthaven), via Singapore, naar Cebu City, Filipijnen, met vluchtcombinatie SQ323 en SQ8556.3.2.. In de periode april 2022 tot eind 2022 had de luchthaven te kampen met een personeelstekort bij de beveiligingsbalies. Hierdoor ontstonden lange wachtrijen op de luchthaven, die tot buiten de terminal reikten.3.3.. De luchthaven heeft daarom vanaf juni 2022 haar capaciteit voor het aantal vertrekkende passagiers beperkt. Van deze capaciteitsbeperking heeft zij via Airport Coordination Netherlands (hierna: ACNL) mededeling gedaan aan de betrokken luchtvaartmaatschappijen.3.4.. ACNL heeft in opdracht van de luchthaven een maximumaantal vertrekkende passagiers per dag per luchtvaartmaatschappij opgelegd. Ook de vervoerder moest als gevolg hiervan op 11 juli 2022 het aantal vertrekkende passagiers beperken.3.5.. Het aantal boekingen voor vlucht SQ323 van Amsterdam naar Singapore van 11 juli 2022 (hierna: de vlucht) overschreed het maximumaantal passagiers dat door ACNL was opgelegd. De vervoerder heeft aan de reductieverplichting van ACNL voldaan door het aantal boekingen voor de vlucht in kwestie te verminderen. De vlucht is niet geannuleerd.3.6.. Op 30 juni 2022 zijn de bevestigde boekingen van eisers voor de vlucht geannuleerd en zijn zij geïnformeerd dat zij niet mee mochten vliegen met de vlucht.3.7.. Eisers hebben daarom compensatie van de vervoerder gevorderd.3.8.. De vervoerder heeft niet uitbetaald.4. Het geschil\n\n4.1.. Eisers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van: - € 1.800,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van de vertraagde aankomst van de vlucht tot aan de dag der algehele voldoening; - € 270,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente; - de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente; - de nakosten.4.2.. Eisers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261\u002F2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof. Eisers stellen dat de vervoerder hen vanwege een instapweigering op de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 600,- per persoon.4.3.. De vervoerder voert verweer. Hij voert aan dat de instapweigering was gebaseerd op redelijke gronden.Hij stelt zich op het standpunt dat de verplichting van de luchthaven om het aantal passagiers op de vlucht te beperken, geldt als een redelijke grond voor de instapweigering.5. De beoordeling\n\n5.1.. De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.5.2.. Zowel de vordering van eisers als het verweer van de vervoerder zijn direct en uitsluitend gebaseerd op de Verordening. Er zijn geen nationale bepalingen op de zaak van toepassing.5.3.. Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een instapweigering die recht geeft op compensatie in de zin van de Verordening, moet in dit geval uitsluitend worden beoordeeld of de vervoerder redelijke gronden had om eisers de instap te weigeren.Deze redelijke gronden kunnen onder meer redenen zijn die te maken hebben met gezondheid, veiligheid of beveiliging of ontoereikende reisdocumenten.Het Hof heeft geoordeeld dat het hierbij gaat om een niet-limitatieve lijst.5.4.. Een relevante nationale uitspraak betreft het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland van 27 november 2024.Daarin oordeelde deze dat een door de luchthaven opgelegde doelstelling om het aantal passagiers te verminderen, een grond voor instapweigering betrof die te maken had met de veiligheid op de luchthaven en daarmee een redelijke grond voor een instapweigering was.5.5.. Eisers stellen dat geen sprake was van redelijke gronden voor de instapweigering. Zij voeren aan dat het bij redelijke gronden moet gaan om redenen die toerekenbaar zijn aan de passagier die niet mocht instappen. In dit geval was het niet aan eisers toerekenbaar dat zij niet in mochten stappen. De vervoerder stelt dat wel sprake was van redelijke gronden voor de instapweigering. Hij voert aan dat de door ACNL doorgevoerde capaciteitsbeperking in het belang van de veiligheid op de luchthaven was en hem niet kan worden verweten.5.6.. De kantonrechter ziet zowel aanknopingspunten voor de conclusie dat de uitleg die eisers voorstaan juist is, als voor de conclusie dat de uitleg die de vervoerder voorstaat juist is. Het Hof heeft over de context en doelstellingen van artikel 2 aanhef en onder j van de Verordening geoordeeld dat de bedoeling van de Uniewetgever was om het aantal passagiers dat tegen hun wil niet aan boord mocht gaan te verminderen, en dat deze daarom elke verwijzing heeft weggelaten naar de reden waarom een luchtvaartmaatschappij een passagier niet aan boord laat gaan.Tegen die achtergrond heeft het Hof de zienswijze dat enkel de gevallen van overboeking onder het begrip instapweigering vallen afgewezen, omdat die tot gevolg heeft dat passagiers die zich in een niet aan hen toerekenbare situatie zoals overboeking om economische redenen bevinden, elke vorm van bescherming verliezen.5.7.. Eveneens heeft het Hof geoordeeld dat een reorganisatie in vluchten vanwege buitengewone omstandigheden niet vergelijkbaar is met die welke uitdrukkelijk in artikel 2, sub j, van verordening nr. 261\u002F2004 zijn vermeld, aangezien deze niet toerekenbaar is aan de passagier die niet mocht instappen.In het licht hiervan heeft het Hof, onder verwijzing naar haar vaste rechtspraak dat uitzonderingen op bepalingen die rechten verlenen aan passagiers strikt moeten worden uitgelegd,geoordeeld dat niet kan worden aanvaard dat een luchtvaartmaatschappij zich kan bevrijden van haar verplichting tot compensatie bij instapweigering op de grond dat deze weigering voortvloeit uit de reorganisatie van haar vluchten wegens buitengewone omstandigheden.Dit pleit er naar het oordeel van de kantonrechter voor om het begrip ‘redelijke gronden’ strikt uit te leggen, in die zin dat daarvan alleen sprake is in het geval van redenen die toerekenbaar zijn aan de passagier die niet mocht instappen.5.8.. De hiervoor weergegeven context en doelstellingen van artikel 2 aanhef en onder j van de Verordening laten echter de mogelijkheid open van een uitleg waarbij een reden die niet toerekenbaar is aan de passagier die niet mocht instappen, maar ook niet verwijtbaar is aan de vervoerder, geldt als een redelijke grond als bedoeld in artikel 2 aanhef en onder j van de Verordening. Een instapweigering die voortvloeit uit een aan de vervoerder door de leiding van een luchthaven opgelegde verplichting om het aantal passagiers in verband met de veiligheid te beperken, is naar het oordeel van de kantonrechter niet verwijtbaar aan de vervoerder. Van een instapweigering in de zin van voormelde bepaling zou in gevallen als deze alleen sprake zijn indien geoordeeld moet worden dat de instapweigering niettemin aan de vervoerder moet worden toegerekend.5.9.. Gelet op het bovenstaande rijst de vraag hoe de begrippen ‘instapweigering’ en ‘redelijke gronden’ in de zin van artikel 2 aanhef en onder j van de Verordening moeten worden uitgelegd, meer specifiek of daarvan sprake kan zijn als een luchtvaartmaatschappij een passagier de instap weigert op een vlucht omdat de luchthaven hem in verband met de veiligheid op de luchthaven heeft verplicht om het aantal passagiers op die dag te verminderen.5.10.. Zoals hierboven is toegelicht volgt het antwoord niet uit de bestaande rechtspraak van het Hof en is de juiste uitleg van de Verordening niet evident. De kantonrechter ziet hierin aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof over de uitleg van de artikelen 2 en 4 van de Verordening.\n\n5.11.. In afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen door het Hof wordt iedere verdere beslissing aangehouden.\n\n6. De beslissing De kantonrechter:6.1.. verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Unie om bij wege van een prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de volgende vragen:\n\n1. Verzet artikel 2 aanhef en onder j, gelezen in samenhang met artikel 4 van de Verordening zich tegen een uitleg waarbij van ‘instapweigering’ die recht geeft op compensatie sprake is in alle gevallen waarin de redenen van instapweigering niet toerekenbaar zijn aan de passagiers die tegen hun wil de toegang tot een vlucht is geweigerd?\n\nIndien het antwoord op vraag 1 bevestigend luidt:\n\n2. Verzet artikel 2 aanhef en onder j van de Verordening zich in die gevallen tegen een uitleg waarbij voor het ontbreken van ‘redelijke gronden’ van ‘instapweigering’ in ieder geval is vereist dat die gronden verwijtbaar zijn aan de luchtvaartmaatschappij?\n\nIndien het antwoord op vraag 2 bevestigend luidt:\n\n3. Verzet artikel 2 aanhef en onder j van de Verordening zich in die gevallen tegen een uitleg waarbij voor het ontbreken van ‘redelijke gronden’ van ‘instapweigering’ in ieder geval is vereist dat die gronden aan de luchtvaartmaatschappij moeten kunnen worden toegerekend?6.2.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.W. Koenis, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.\n\nDe griffier De kantonrechter\n\n Artikel 2 aanhef en onder j, artikel 4 lid 3 en artikel 7 lid 1 aanhef en onder c van de Verordening.\n\n Artikel 2, aanhef en onder j van de Verordening.\n\n HvJEU 26 oktober 2023, C-238\u002F22, ECLI:EU:C:2023:815, punt 39.\n\n Artikel 2, aanhef en onder j van de Verordening.\n\n HvJEU 4 oktober 2012, C-22\u002F11, ECLI:EU:C:2012:604, punt 30.\n\n Rb. Noord-Holland 27 november 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:12628.\n\n Rb. Noord-Holland 27 november 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:12628, ro. 4.10.\n\n HvJEU 4 oktober 2012, C-22\u002F11, ECLI:EU:C:2012:604, punt 20 en 21.\n\n HvJEU 4 oktober 2012, C-22\u002F11, ECLI:EU:C:2012:604, punt 24.\n\n HvJEU 4 oktober 2012, C-22\u002F11, ECLI:EU:C:2012:604, punt 33.\n\n HvJEU 22 december 2008, C-549\u002F07, ECLI:EU:C:2008:771, punt 17.\n\n HvJEU 4 oktober 2012, C-22\u002F11, ECLI:EU:C:2012:604, punt 38.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7233","2026-07-13T00:28:57.807Z",{"id":174,"ecli":175,"slug":176,"caseNumber":44,"courtId":58,"decisionDate":97,"fullText":177,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":178,"sourceTimestamp":114,"parsedAt":52,"updatedAt":179},"1081","ECLI:NL:RBAMS:2026:6722","ecli-nl-rbams-2026-6722","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZaaknummer: 11088217 \\ CV EXPL 24-4296\n\nVonnis van 16 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\n [eiser] B.V.,\n\nhandelend onder de naam [bedrijf],\n\ngevestigd te [vestigingsplaats],\n\neisende partij,\n\ngemachtigde: BvCM Collections B.V.,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nwonende te [woonplaats],\n\ngedaagde partij,\n\nniet verschenen.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 17 april 2024, met producties,\n\n- het tegen gedaagde partij verleende verstek.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De beoordeling\n\n2.1.. \n\nEisende partij stelt dat partijen op 5 november 2022 een overeenkomst hebben gesloten met betrekking tot het stallen van een boot, met een looptijd van 12 maanden.\n\nOp de overeenkomst zijn stallingsvoorwaarden van eisende partij van toepassing. De overeenkomst is gesloten in de verkoopruimte van eisende partij en eisende partij stelt te hebben voldaan aan de informatieplichten van artikel 6:230l van het Burgerlijk Wetboek (BW).\n\n2.2.. Eisende partij vordert veroordeling van gedaagde partij tot betaling van € 520,19 aan hoofdsom, vermeerderd met rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten.\n\n2.3.. De overeenkomst die aan de vordering ten grondslag is gelegd is gesloten tussen een handelaar en een consument. De kantonrechter moet in dat geval ambtshalve toetsen aan het consumentenrecht. Onderzocht moet worden of de informatieplichten zijn nageleefd. Daarnaast moet de overeenkomst worden getoetst aan Richtlijn 93\u002F13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).\n\n2.4.. Eisende partij baseert haar vordering op de met gedaagde partij overgelegde overeenkomst en daarop van toepassing verklaarde algemene voorwaarden. Hierin staat echter geen prijs vermeld. Weliswaar volgt uit artikel 14 van de algemene voorwaarden dat de prijs wordt berekend aan de hand van de grootte van de boot, maar welke prijs daaruit voortvloeit of wat de grootte van de boot doet met welke prijs, blijkt daar verder niet uit.\n\n2.5.. Eisende partij heeft zich op dit moment niet (voldoende) uitgelaten over de transparantie van het prijsbeding (artikel 4 lid 2 van de richtlijn). Voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst heeft gedaagde partij kennis moeten kunnen nemen van de kosten daarvan, in lijn van het arrest van het Europese Hof van 12 januari 2023 (ECLI:EU:C:2023:14). Uit voornoemd arrest volgt dat de handelaar de consument, vóórdat de overeenkomst wordt gesloten, informatie moet verstrekken die hem in staat stelt om bij benadering de totale kosten van de diensten te ramen. Anders gezegd, gedaagde partij moet voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst hebben kunnen voorzien dat de opdracht (ongeveer) zoveel zou gaan kosten als uit de factuur blijkt. Als voor het sluiten van de overeenkomst over de prijs geen of onvoldoende informatie is verstrekt, zal het prijsbeding op oneerlijkheid in de zin van de richtlijn moeten worden getoetst. Eisende partij krijgt de gelegenheid zich hierover bij akte (nader) uit te laten, waarbij zij ook zal moeten betrekken wat is overwogen in overweging 2.4.\n\n2.6.. Als niet kan worden vastgesteld dat de (bij benadering te verwachten) prijs voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst aan gedaagde partij kenbaar is gemaakt, dan is het prijsbeding niet transparant en hoogstwaarschijnlijk ook oneerlijk. Eisende partij zal dus voldoende gemotiveerd en onderbouwd moeten stellen dat gedaagde partij wist tegen welke prijs hij zijn boot zou stallen.\n\n2.7.. Verder moet beoordeeld worden welke bedingen aan de vordering ten grondslag zijn of kunnen worden gelegd. Deze bedingen moeten namelijk worden getoetst op oneerlijkheid. Op grond van de arresten van het Europese Hof van Justitie van 27 januari 2021, C-229\u002F19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia) en 8 december 2022, C-625\u002F21, ECLI:EU:C:2022:971 (Gupfinger) moet de kantonrechter immers, ook als eisende partij zich in de procedure niet beroept op een bepaald beding in de overeenkomst, maar op de wet, ambtshalve onderzoeken of het beding in de voorwaarden waarop zij zich had kunnen beroepen niet oneerlijk is in de zin van de richtlijn. Indien een beding als oneerlijk wordt aangemerkt, kan ingevolge deze arresten geen aanspraak meer worden gemaakt op de wettelijke regeling die zonder dat beding van toepassing zou zijn geweest en moet haar vordering op dit punt worden afgewezen.\n\n2.8.. Uit de facturen leidt de kantonrechter af dat eisende partij haar prijzen heeft verhoogd. In het jaar 2022 wordt immers voor een jaar stalling een bedrag van € 199,69 gefactureerd en in het jaar 2023 is dat een bedrag van € 213,00. De bevoegdheid om de prijzen te verhogen ontleent eisende partij aan het prijswijzigingsbeding in artikel 14.3 van de algemene voorwaarden. Dat artikel luidt:\n\n14.3.. Het is [bedrijf] toegestaan om de stallingsprijzen jaarlijks te wijzigen c.q. te verhogen volgens het Prijsindexcijfer van gezinsconsumptie van het Centraal Bureau voor de Statistiek van het voorafgaande jaar, dan wel volgens een naar eigen inzicht van [bedrijf] te bepalen berekening. Van een dergelijke wijziging zal [bedrijf] 2 weken voorafgaand aan een nieuw kalenderjaar via de website stallingnemers informeren. Indien de stallingnemer niet akkoord gaat met een prijsverhoging, dan kan de stallingnemer voor de inwerkingtreding van de nieuwe overeenkomst de overeenkomst schriftelijk opzeggen.\n\n2.9.. Het hiervoor geciteerde prijswijzigingsbeding wordt als oneerlijk aangemerkt, omdat het eisende partij de bevoegdheid geeft om de prijzen jaarlijks naar eigen inzichten te wijzigen, zonder dat hiervoor een geldige reden in het beding staat. Weliswaar wordt verwezen naar de CPI, maar nu eisende partij zichzelf de bevoegdheid heeft gegeven om in plaats daarvan zelf een berekening te bepalen voor het wijzigen van de prijs, zijn eventuele prijswijzigingen niet voorzienbaar of inzichtelijk voor de stallingnemers. Bovendien worden stallingnemers niet geïnformeerd over eventuele prijswijzigingen, nu het beding bepaalt dat die uitsluitend kenbaar worden gemaakt op de website.\n\n2.10.. Verder doet eisende partij een beroep, althans zou zij een beroep kunnen doen op een beding met betrekking tot rente (artikel 11.7 van de algemene voorwaarden) en bedingen met betrekking tot buitengerechtelijke en gerechtelijke kosten (artikel 11.8 van de algemene voorwaarden). Deze bedingen luiden als volgt.\n\n11.7.. Bij overschrijding van de betalingstermijn is de stallingnemer onmiddellijk en van rechtswege in verzuim. Alsdan is de stallingnemer aan [bedrijf] vanaf de vervaldag wettelijke rente, vermeerderd met 2% contractuele rente over de hoofdsom, verschuldigd.\n\n11.8.. Alle kosten van invordering zowel gerechtelijk als buitengerechtelijk, komen ten laste van de stallingnemer. De buitengerechtelijke incassokosten worden vastgesteld op 15% van de hoofdsom over de eerste € 2.500,-, op 10% van de hoofdsom over de volgende € 2.500,- en op 5% van de hoofdsom over de volgende € 5.000,- met een minimum van € 40,-.\n\n2.11.. Nu de bedingen in deze bepalingen geen zodanig verband met elkaar hebben dat zij niet van elkaar kunnen worden gescheiden zonder de inhoud van de bedingen te herzien, worden deze afzonderlijk getoetst. Alle hiervoor aangehaalde bedingen worden als oneerlijk aangemerkt.\n\n2.12.. Hoewel een bepaalde opslag op de wettelijke rente een rentebeding niet per definitie oneerlijk maakt, wordt het onderhavige rentebeding in artikel 11.7 wel als oneerlijk aangemerkt. Het rentebeding maakt namelijk niet duidelijk per welke periode de opslag van 2% bovenop de wettelijke rente geldt. Daar zijn verschillende lezingen over mogelijk. Als 2% per dag, per week of per maand in rekening wordt gebracht, is het een onevenredig hoge schadevergoeding. Nu het beding dat niet duidelijk maakt en daardoor voor meerdere uitleggen vatbaar is – ook een uitleg die een te groot nadeel voor de consument teweeg kan brengen – is het beding oneerlijk.\n\n2.13.. Het beding met betrekking tot buitengerechtelijke incassokosten wijkt ten nadele af van de wettelijke regeling, omdat geen vruchteloze aanmaning in de zin van artikel 6:96 lid 6 BW wordt vereist en deze kosten dus direct verschuldigd worden na het overtreden van een betalingstermijn. Daarmee wordt ten nadele van de consument afgeweken van de wettelijke regeling, die van dwingend recht is. Als wordt afgeweken van dwingend recht, levert dat oneerlijkheid op (zie ECLI:NL:HR:2023:198).\n\n2.14.. Het beding over gerechtelijke kosten geeft eisende partij de mogelijkheid om alle door haar gemaakte kosten in rechte bij de consument in rekening te brengen. Dus ook de volledige kosten van bijvoorbeeld een advocaat. Dat is normaal gesproken slechts het geval wanneer sprake is van misbruik van recht of onrechtmatig handelen. Het beding is daarom oneerlijk, zoals ook door de Hoge Raad is bevestigd (ECLI:NL:HR:2025:820). Ondanks dat de Hoge Raad in het aangehaalde arrest de vraag over de gevolgen daarvan op zijn beurt heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, is de kantonrechter voornemens de proceskosten af te wijzen, gelet op artikel 6 lid 1 van Richtlijn 93\u002F13\u002FEG en de vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie over de ‘terugvalleer’ (o.a. ECLI:EU:C:2021:68 en ECLI:EU:C:2022:971).\n\n2.15.. Voordat de kantonrechter de hiervoor besproken bedingen die als oneerlijk zijn aangemerkt buiten toepassing laat, mag eisende partij zich over de oneerlijkheid en de gevolgen daarvan uitlaten.\n\n2.16.. De zaak wordt voor akte uitlating eisende partij verwezen naar de rol. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n3.1.. verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 14 juli 2026 om 10.00 uurvoor akte uitlating eisende partij,\n\n3.2.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. C.W. Inden en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.\n\n991","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6722","2026-07-13T00:29:03.087Z",{"id":181,"ecli":182,"slug":183,"caseNumber":44,"courtId":184,"decisionDate":155,"fullText":185,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":186,"sourceTimestamp":97,"parsedAt":52,"updatedAt":187},"1229","ECLI:NL:RBLIM:2026:5759","ecli-nl-rblim-2026-5759",74,"RECHTBANKLIMBURG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nZaaknummer: 12202038 \\ CV EXPL 26-2292\n\nVonnis in kort geding van 15 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [persoon 1],\n\nte [plaats 1] ,\n\neisende partij in conventie,\n\nverwerende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [persoon 1] ,\n\ngemachtigde: mr. A. Afzali,\n\ntegen\n\n [persoon 2] H.O.D.N. [bedrijf],\n\nte [plaats 2] ,\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [bedrijf] ,\n\ngemachtigde: mr. J.W.J. Schoonbrood.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het exploot van dagvaarding d.d. 1 mei 2026 met producties 1 tot en met 7; - de conclusie van antwoord met productie 1, tevens eis in reconventie; - de mondelinge behandeling van 1 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.2. De feiten\n\n2.1.. \n [persoon 1] is bezitter van een personenauto van het merk: Mercedes, model: E200 CDI met (Roemeens) kenteken: [kenteken] (hierna: ‘de auto’). De eigendom van de auto berust bij haar partner, de heer [persoon 3] . [persoon 1] heeft met haar partner een bruikleenovereenkomst gesloten op grond waarvan [persoon 1] de auto mag gebruiken.\n\n2.2.. \n [persoon 1] heeft de auto op 19 december 2025 bij [bedrijf] achtergelaten voor een inspectie.\n\n2.3.. \n [bedrijf] heeft een inspectie uitgevoerd en vastgesteld dat een nieuwe motor nodig was. [bedrijf] heeft [persoon 1] hiertoe een aanbieding gedaan, welke [persoon 1] te duur vond. Partijen zijn overeengekomen dat [persoon 1] zelf een passende motor zou zoeken. De auto is op het terrein van [bedrijf] blijven staan.\n\n2.4.. Nadat [persoon 1] een nieuwe motor had gevonden verzocht zij [bedrijf] om garantie te verlenen op de door hem te verrichten werkzaamheden. [bedrijf] heeft dit geweigerd, waarna [persoon 1] heeft besloten de werkzaamheden elders te laten uitvoeren.\n\n2.5.. \n [persoon 1] verzocht afgifte van de auto. [bedrijf] weigerde afgifte totdat een bedrag van € 500,00 exclusief btw (€ 605,00 inclusief btw) voor de verrichte werkzaamheden alsmede een bedrag van € 50,00 per dag aan stallingskosten zouden zijn betaald.\n\n2.6.. Op 4 maart 2026 heeft [persoon 1] [bedrijf] bezocht en een voorstel gedaan tot betaling van € 300,00 ter finale kwijting. [bedrijf] heeft dit voorstel afgewezen.\n\n2.7.. Op 26 maart 2026 heeft [persoon 1] [bedrijf] aangeschreven en afgifte van de auto verzocht. [bedrijf] heeft hier op 26 maart 2026 en op 31 maart 2026 op gereageerd en aangegeven dat hij niet tot afgifte overgaat zolang zijn vorderingen niet zijn voldaan. Op 1 april 2026 heeft [persoon 1] nogmaals schriftelijk afgifte van de auto gevorderd, onder aankondiging dat bij het uitblijven daarvan een kortgedingprocedure zou worden gestart. [bedrijf] heeft [persoon 1] op 12 april 2026 gesommeerd om de diagnosekosten en de stallingskosten te betalen.\n\n3. Het geschil\n\nin conventie en in reconventie\n\n3.1.. \n\n [persoon 1] vordert - samengevat – bij vonnis, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad, om [bedrijf] :\n\nI. [bedrijf] te bevelen om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis aan [persoon 1] toegang te verlenen tot de auto en deze auto aan [persoon 1] , als bezitter, af te geven;\n\nII. te bevelen om binnen dezelfde termijn de in de auto aanwezige persoonlijke documenten van [persoon 1] aan haar af te geven en gelijktijdig schriftelijk te bevestigen dat (a) geen brandstof, onderdelen of andere componenten uit de auto zijn verwijderd, en (b) de auto zich in dezelfde stat bevindt als ten tijde van afgifte door [persoon 1] ;\n\nIII. te bevelen volledige medewerking te verlenen aan een opname van de staat van de auto en een inventarisatie van de aanwezige onderdelen\u002Finhoud door een door eiseres in te schakelen gerechtsdeurwaarder, die daarvan proces-verbaal van constatering mag opmaken, een en ander bij afgifte;\n\nIV. te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 500,00 per dag of dagdeel dat hij in gebreke blijft aan de gevorderde bevelen te voldoen, met een maximum van € 25.000,00, althans een in goede justitie te bepalen dwangsom en\u002Fof maximumbedrag;\n\nV. te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.\n\n3.2.. \n [persoon 1] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [persoon 1] heeft als bezitter van de auto recht op afgifte daarvan. De gevorderde kosten voor inspectie zijn evident disproportioneel en niet overeengekomen. Ook zijn er geen afspraken gemaakt over stallingskosten of toepasselijke algemene voorwaarden. [bedrijf] heeft derhalve geen (opeisbare) vordering op [persoon 1] op basis waarvan hij zich kan beroepen op retentierecht.\n\n3.3.. \n [bedrijf] voert verweer. [bedrijf] concludeert primair tot niet-ontvankelijkheid van [persoon 1] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [persoon 1] , subsidiair te bepalen dat afgifte van de auto uitsluitend plaatsvindt tegen betaling van de openstaande vorderingen dan wel tegen adequate zekerheidsstelling en meer subsidiair een zodanige voorziening te treffen als de voorzieningenrecht in goede justitie passend acht, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [persoon 1] in de kosten van deze procedure.\n\n3.4.. \n [bedrijf] voert daartoe het volgende aan. [bedrijf] beroept zich op zijn retentierecht. [persoon 1] heeft de auto aangeboden ter diagnose en [bedrijf] heeft werkzaamheden verricht ter vaststelling van de technische gebreken aan de auto. Nu hierover geen prijsafspraak is gemaakt heeft [bedrijf] hiervoor recht op een redelijk loon. Ook heeft de auto vanaf 19 december 2025 op het terrein van [bedrijf] gestaan waardoor hij deze bedrijfsruimte niet heeft kunnen gebruiken voor andere voertuigen en werkzaamheden. [persoon 1] heeft de auto niet tijdig opgehaald ondanks verzoeken daartoe. Het is derhalve redelijk dat [bedrijf] aanspraak maakt op stallingsvergoeding. [bedrijf] houdt de auto onder zich totdat betaling van deze openstaande vorderingen plaatsvindt dan wel daarvoor voldoende zekerheid wordt gesteld.\n\n3.5.. Op zijn beurt vordert [bedrijf] in reconventie - samengevat - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [persoon 1] tot betaling van diagnosekosten ad € 605,00 inclusief btw en stallingskosten ad € 8.200,00, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, alsmede veroordeling in de proceskosten.\n\n3.6.. \n [persoon 1] voert verweer.\n\n3.7.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nin conventie en in reconventie\n\n4.1.. Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie, zal de kantonrechter deze vorderingen gezamenlijk behandelen.\n\nSpoedeisend belang en het toetsingskader\n\n4.2.. Een vordering in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt daarbij een spoedeisend belang heeft. Verder is voor toewijzing van de vordering in kort geding vereist dat de feiten en omstandigheden die aan de vordering ten grondslag zijn gelegd, voldoende aannemelijk zijn. Ook moet in voldoende mate waarschijnlijk zijn dat de vordering in een nog te voeren gewone procedure zal worden toegewezen, zodat het gerechtvaardigd is hierop vooruit te lopen door het treffen van een voorlopige voorziening. Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering door bijvoorbeeld getuigen is in dit kort geding geen plaats. Dat moet gebeuren in een eventuele bodemprocedure. De beoordeling in dit kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.\n\n4.3.. Het spoedeisend belang van de vordering in conventie vloeit voort uit de aard daarvan, nu [persoon 1] inmiddels geruime tijd geen beschikking meer heeft over die auto en de daarin aanwezige persoonlijke documenten. In reconventie vordert [bedrijf] betaling voor haar werkzaamheden en stalling van de auto op haar terrein alvorens de auto af te willen geven. Gezien de hierdoor ontstane, inmiddels maanden durende, impasse en de verwevenheid van beide vorderingen, acht de kantonrechter ook de vorderingen van [bedrijf] in reconventie ontvankelijk wegens spoedeisendheid.\n\nDiagnose- en stallingskosten\n\n4.4.. \n [persoon 1] heeft op 19 december 2025 haar defecte auto doen afslepen naar [bedrijf] , teneinde [bedrijf] in ieder geval de oorzaken van dit defect te laten onderzoeken. [bedrijf] heeft de auto vervolgens ook onderzocht, de aard van het defect vastgesteld en [persoon 1] daarover geïnformeerd. Daarmee staat vast dat tussen partijen ter zake een overeenkomst van opdracht is gesloten. Partijen verschillen verder van mening over de omvang van de verrichtte werkzaamheden, de tussen hen gemaakte afspraken en de verschuldigdheid van loon en van stallingskosten.\n\n4.5.. \n [bedrijf] heeft op grond van de wet recht op loon voor de door hem verrichtte werkzaamheden.Partijen hebben voorafgaand aan het onderzoek geen afspraak gemaakt over de hoogte van dat loon. Bij het ontbreken van een prijsafspraak is [persoon 1] in ieder geval een op de gebruikelijke wijze berekend of redelijk loon verschuldigd.[persoon 1] stelt dat door [bedrijf] minimale werkzaamheden zijn verricht en dat de inspectie, in haar bijzijn, slechts enkele minuten heeft geduurd. [bedrijf] betwist dat de inspectie in het bijzijn van [persoon 1] heeft plaatsgevonden en stelt dat het onderzoek 10 tot 11 uren zou hebben geduurd. [bedrijf] vordert in reconventie derhalve een bedrag van € 605,00 inclusief btw aan loon voor verrichte werkzaamheden.\n\n4.6.. \n [bedrijf] heeft geen factuur en\u002F of specificatie van diens werkzaamheden ingebracht. Gezien de betwisting door [persoon 1] mocht dat wel van hem worden verwacht. De aard en omvang van die werkzaamheden komt daarmee niet vast te staan. Gelet op het ontbreken van enige onderbouwing acht de kantonrechter het eerder door [persoon 1] aangeboden bedrag van € 300,00 exclusief btw een redelijk loon voor het door [bedrijf] verrichte onderzoek. Dit bedrag zal dan ook in reconventie aan diagnosekosten worden toegewezen.\n\n4.7.. \n [bedrijf] vordert in reconventie verder een bedrag van € 8.200,00 aan stallingskosten voor de tijd dat de auto op zijn terrein heeft gestaan. [bedrijf] stelt dat hij heeft aangegeven dat als de auto door hem gerepareerd zou worden [persoon 1] geen stallingskosten verschuldigd zou zijn en dat in het andere geval er stallingskosten van € 50,00 per dag in rekening zouden worden gebracht. [persoon 1] betwist dat partijen hebben gesproken over stallingskosten. Ook hier geldt dat [bedrijf] haar vorderingen niet heeft onderbouwd met een factuur of iets dergelijks. Daarmee is niet komen vast te staan dat er afspraken zijn gemaakt over kosten voor het stallen van de auto. De kantonrechter wijst deze vordering in reconventie daarom af.\n\nAfgifte van de auto en persoonlijke eigendommen aan [persoon 1] en dwangsom\n\n4.8.. \n [persoon 1] vordert in conventie afgifte van de auto door [bedrijf] . [bedrijf] heeft niet betwist dat [persoon 1] als bezitter van de auto recht heeft op afgifte daarvan, zij het na betaling van de kosten. Nu in reconventie betaling door [persoon 1] van € 300,00 exclusief BTW wordt toegewezen, zal de kantonrechter de vordering tot afgifte van de auto toewijzen, met dien verstande dat [bedrijf] tot afgifte van de auto moet overgaan nadat [persoon 1] het bedrag van € 300,00 exclusief BTW aan loon heeft betaald.\n\n4.9.. \n [persoon 1] vordert verder in conventie [bedrijf] te bevelen volledige medewerking te verlenen aan een opname (door een gerechtsdeurwaarder) van de staat van de auto en een inventarisatie daarvan, alsookschriftelijk te bevestigen dat geen brandstof, onderdelen of andere componenten uit de auto zijn verwijderd en dat de auto zich in dezelfde staat bevindt als ten tijde van afgifte door [persoon 1]. Deze vorderingen zullen worden afgewezen wegens gebrek aan enig gesteld belang. Na afgifte van de auto door [bedrijf] kan indien dan nog gewenst een deurwaarder een dergelijk proces-verbaal opstellen. Daar is de medewerking van [bedrijf] niet voor nodig. Daarbij zal van zelf blijken of de auto zich in dezelfde staat bevindt als bij afgifte door [persoon 1] .\n\n4.10.. Ook vordert [persoon 1] in conventie veroordeling van [bedrijf] tot betaling van een dwangsom voor de tijd dat hij in gebreke blijft met het voldoen aan de veroordelingen in dit vonnis. [bedrijf] vindt de dwangsom, mede gelet op de leeftijd en de beperkte waarde van de auto, exorbitant hoog. De kantonrechter zal evenwel de gevorderde dwangsom toewijzen als hierna in het dictum aangegeven, te meer nu [bedrijf] deze pas verschuldigd wordt als hij in gebreke blijft met voldoening aan de veroordelingen nadat [persoon 1] het bedrag van € 300,00 exclusief BTW heeft betaald.\n\nProceskosten\n\n4.11.. In conventie is [bedrijf] grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [persoon 1] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [bedrijf] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten.De proceskosten van [persoon 1] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n93,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n865,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\nTotaal\n\n€\n\n1.102,00\n\n4.12.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten in conventie wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n4.13.. In reconventie is [persoon 1] grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [bedrijf] worden begroot op:\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n865,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.009,00\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\nin conventie\n\n5.1.. veroordeelt [bedrijf] om, binnen 24 uur na ontvangst van [persoon 1] van het in reconventie aan [bedrijf] toegewezen bedrag zoals hierna opgenomen onder 5.7, aan [persoon 1] toegang te verlenen tot de auto (merk: Mercedes, model E200CDI, (Roemeens) [kenteken] en [chassisnummer] en deze auto aan [persoon 1] af te geven, alsook de in de auto aanwezige persoonlijke documenten,\n\n5.2.. veroordeelt [bedrijf] om aan [persoon 1] een dwangsom te betalen van € 100,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de veroordeling onder 5.1 voldoet, tot een maximum van € 5.000,00 is bereikt,\n\n5.3.. veroordeelt [bedrijf] in de proceskosten van € 1.102,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,\n\n5.4.. veroordeelt [bedrijf] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n5.5.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.6.. wijst het meer of anders gevorderde af,\n\nin reconventie\n\n5.7.. veroordeelt [persoon 1] om aan [bedrijf] te betalen een bedrag van € 300,00 exclusief btw,\n\n5.8.. veroordeelt [persoon 1] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [persoon 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.9.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.10.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Otto en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2026.\n\n Artikel 7:405 lid 1 Burgerlijk Wetboek\n\n Artikel 7:405 lid 2 Burgerlijk Wetboek.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5759","2026-07-13T00:29:11.143Z",{"id":189,"ecli":190,"slug":191,"caseNumber":44,"courtId":184,"decisionDate":192,"fullText":193,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":194,"sourceTimestamp":195,"parsedAt":52,"updatedAt":196},"1682","ECLI:NL:RBLIM:2026:5452","ecli-nl-rblim-2026-5452","2026-06-10T00:00:00.000Z","RECHTBANKLIMBURG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nZaaknummer: 12102489 \\ CV EXPL 26-848\n\nVonnis van 10 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nBILLINK FINANCE B.V. h.o.d.n. BILLINK,\n\nte Gouda,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: Billink,\n\ngemachtigde: Van Lith Gerechtsdeurwaarders en Incasso,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nte [plaats 1],\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde],\n\nprocederend in persoon.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 4 februari 2026 met producties 1 tot en met 5 - de schriftelijke weergave van het antwoord met ongenummerde producties - de conclusie van repliek tevens houdende vermeerdering van eis met producties 6 tot en met 9 - de conclusie van dupliek met ongenummerde producties.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. Het geschil\n\n2.1.. Billink vordert - samengevat en na eisvermeerdering - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 96,42 (€ 56,31 aan hoofdsom, de buitengerechtelijke incassokosten van € 40,00 en € 0,11 aan wettelijke rente tot aan de dag van dagvaarding), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding en de proceskosten.\n\n2.2.. Billink legt het volgende aan haar vordering ten grondslag. [gedaagde] heeft op 16 januari 2025 via de webwinkel “[webwinkel]” (hierna: de webwinkel) in totaal 12 producten besteld. Op de koopovereenkomst zijn de algemene voorwaarden van toepassing. [gedaagde] heeft bij het afrekenen van de online bestelling gekozen voor de betaalmogelijkheid “achteraf betalen” via Billink. Door deze keuze werd de vordering op [gedaagde] tot betaling van de koopprijs direct door de webwinkel in eigendom overgedragen aan Billink middels cessie ex artikel 3:94 BW. Billink heeft op 16 januari 2025 een factuur verstuurd voor een totaalbedrag van € 278,33. De betaling diende plaats te vinden vóór 30 januari 2025. [gedaagde] heeft twee producten gehouden en de rest van de bestelling geretourneerd. Voor de producten die [gedaagde] gehouden heeft, is zij een bedrag verschuldigd van € 46,39. [gedaagde] is daarnaast de retourkosten van € 9,92 verschuldigd. [gedaagde] is dus in totaal € 56,31 aan hoofdsom verschuldigd. Billink heeft meerdere aanmaningen verstuurd, maar [gedaagde] heeft niet betaald. [gedaagde] dient dan ook de buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke rente te betalen.\n\n2.3.. \n [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat zij alle 12 ontvangen producten tijdig heeft geretourneerd. [gedaagde] heeft bevestigingen van die retournering ontvangen van de webwinkel en deze bevestigingen overgelegd. Uit die bevestigingen volgt dat de webwinkel de producten op 11 februari 2025 heeft ontvangen en op 13 februari 2025 de retourzending verwerkt heeft. [gedaagde] heeft op 3 februari 2025 per e-mail een betalingsherinnering ontvangen van Billink. [gedaagde] ging ervan uit dat de retourzending nog verwerkt moest worden en achtte deze e-mail daarom niet relevant. Volgens [gedaagde] heeft zij op 24 februari 2026 contact gehad met Billink en toen werd aan haar medegedeeld dat er geen probleem was met haar dossier. [gedaagde] voert aan dat zij verder nooit aanmaningen heeft ontvangen, maar dat dit wellicht kan komen omdat zij in de tussentijd verhuisd is. Volgens [gedaagde] is zij rauwelijks gedagvaard.\n\n2.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n3. De beoordeling\n\nAmbtshalve toetsing informatieverplichtingen en bedingen in algemene voorwaarden\n\n3.1.. De vordering is gebaseerd op een overeenkomst op afstand tussen een handelaar (de webwinkel) en een consument ([gedaagde]). Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet ter bescherming van de consument aan de essentiële wettelijke (pre)contractuele informatieverplichtingen van de artikelen 6:230m lid 1 BW en 6:230v BW worden voldaan. De kantonrechter oordeelt, gelet op de stellingen van Billink en de bij de dagvaarding overgelegde producties, dat is voldaan aan de voornoemde verplichtingen.\n\n3.2.. Billink vordert betaling van de wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter dient ambtshalve te toetsen of in de algemene voorwaarden een oneerlijke rente- of bikbeding is opgenomen. De kantonrechter merkt op dat in de overgelegde algemene voorwaarde geen rente- of bikbeding is opgenomen.\n\nDe hoofdsom\n\n3.3.. De stelling van [gedaagde] dat zij rauwelijks gedagvaard is wordt bij de beoordeling van de hoofdsom onbesproken gelaten. Mocht sprake zijn van rauwelijks dagvaarden, dan kan dit hoogstens gevolgen hebben voor de proceskostenveroordeling.\n\n3.4.. Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] een bestelling heeft geplaatst bij de webwinkel ter waarde van € 278,33 en dat [gedaagde] daarbij heeft gekozen voor achteraf betalen, waarbij de vordering over is gegaan op Billink. Ook staat tussen partijen vast dat [gedaagde] de bestelde producten heeft ontvangen. Dit maakt dat het risico voor de producten overeenkomstig artikel 7:11 lid 1 BW vanaf het moment van ontvangst bij [gedaagde] ligt. In het geschil is of [gedaagde] alle producten heeft geretourneerd. Mocht dat zo zijn, dan is [gedaagde] niets meer verschuldigd aan Billink.\n\n3.5.. \n [gedaagde] stelt dat zij alle 12 producten geretourneerd heeft. Op grond van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is het aan [gedaagde] om te stellen en te onderbouwen dat zij de volledige bestelling retour heeft gezonden en dat de bestelling ook volledig is ontvangen door de webwinkel. Zoals [gedaagde] ook al zelf aankaart, kan [gedaagde] dat niet omdat in de bevestigingen van de webwinkel geen specifieke producten genoemd zijn. Billink heeft daarentegen na het uitbrengen van de dagvaarding navraag gedaan bij de webwinkel en deze heeft bevestigd dat 10 van de 12 producten geretourneerd zijn. Het voorgaande leidt ertoe dat de vordering van Billink van € 46,39 met betrekking tot de twee niet geretourneerde producten toewijsbaar is.\n\n3.6.. Voorts moet worden beoordeeld of [gedaagde] de retourkosten ter hoogt van € 9,92 aan Billink dient te vergoeden. Op grond van artikel 6:230s lid 2 BW draagt de consument de kosten van het terugzenden van de zaak, tenzij de handelaar heeft nagelaten de consument mede te delen dat hij deze kosten moet dragen. Uit het door Billink overgelegde voorbeeld van het bestelproces (productie 1) blijkt dat op de website onder “Retourneren” het volgende is opgenomen: “Servicepoint EUR 2,99 incl. eerste 3 items + EUR 0,99 per extra item”. De webwinkel heeft er dan ook op gewezen dat de consument de retourkosten moet dragen. Op grond van het voorgaande worden de gevorderde retourkosten toegewezen.\n\nWettelijke rente\n\n3.7.. Billink vordert de wettelijke rente vanaf de vervaldata van de factuur (30 januari 2025). [gedaagde] verkeert vanaf voornoemde datum in verzuim en [gedaagde] heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen de gevorderde rente. De wettelijke rente is toewijsbaar zoals gevorderd.\n\nBuitenrechtelijke incassokosten\n\n3.8.. Billink vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is. Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Billink heeft op 3 februari 2025 aan [gedaagde] een aanmaning verstuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. [gedaagde] erkent deze aanmaning te hebben ontvangen. Daarom zal het gevorderde bedrag van € 40,00 worden toegewezen.\n\nProceskosten\n\n3.9.. Volgens [gedaagde] heeft zij na de aanmaning van 3 februari 2025 niets meer vernomen van Billink en is zij een jaar later dan ook rauwelijks gedagvaard. Billink betwist dit. Uit de door Billink overgelegde stukken blijkt dat Billink meerdere e-mails heeft verstuurd aan het bekende e-mailadres van [gedaagde]. Billink heeft daarnaast op 27 maart 2025 een laatste aanmaning per post verstuurd naar het bij Billink bekende adres te [plaats 2]. Billink heeft een uittreksel van de Basisregistratie Personen (BRP) overgelegd als productie 7 en daaruit volgt dat [gedaagde] op 29 september 2025, dus een half jaar na de laatste aanmaning, is verhuisd naar een adres te [plaats 1]. De kantonrechter kan op grond van het voorgaande dan ook niet concluderen dat [gedaagde] rauwelijks gedagvaard is. Er is dan ook geen aanleiding om af te wijken van de hoofdregel van artikel 237 Rv dat de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten wordt veroordeeld. [gedaagde] is de in het ongelijk gestelde partij en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Billink worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n127,08\n\n- griffierecht\n\n€\n\n139,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n86,00\n\n(2 punten × € 43,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n21,50\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n373,58\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n4.1.. veroordeelt [gedaagde] om aan Billink te betalen een bedrag van € 96,42, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 46,39, met ingang van 4 februari 2026, tot de dag van volledige betaling,\n\n4.2.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 373,58, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n4.3.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Otto en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5452","2026-06-04T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:33.311Z",{"id":198,"ecli":199,"slug":200,"caseNumber":44,"courtId":201,"decisionDate":202,"fullText":203,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":204,"sourceTimestamp":46,"parsedAt":52,"updatedAt":205},"1958","ECLI:NL:RBMNE:2026:3771","ecli-nl-rbmne-2026-3771",84,"2026-06-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nkantonrechter\n\nlocatie Amersfoort\n\nzaaknummer: 12028160 AC EXPL 25-2930\n\nVonnis van 3 juni 2026\n\ninzake\n\n1. [eiser sub 1] ,\n\n2. [eiseres sub 2],\n\nbeiden wonende te [plaats 1] ,\n\nverder ook samen te noemen [eiser sub 1] c.s. (aangeduid in mannelijk enkelvoud),\n\neisende partij in conventie in de hoofdzaak,\n\nverwerende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,\n\ngemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces,\n\ntegen:\n\nde besloten vennootschap\n\nDexia Nederland B.V.,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\nhierna te noemen: Dexia\n\ngedaagde partij in conventie in de hoofdzaak,\n\neisende partij in reconventie in de hoofdzaak en verzoekende partij in het incident,\n\ngemachtigde: USG Legal Professionals.1. Kern van de zaak1.1. \n [eiser sub 1] c.s. heeft via een tussenpersoon een of meer effectenleaseovereenkomsten gesloten met (de rechtsvoorganger van) Dexia. Die overeenkomst(en) hield(en) het volgende in. [eiser sub 1] c.s. leende geld van Dexia en met dat geld kocht Dexia aandelen. [eiser sub 1] c.s. betaalde met name rente (inleg) per maand of ineens vooruit. Aan het einde van de overeenkomst(en) werden de aandelen verkocht en moest [eiser sub 1] c.s. het geleende bedrag terugbetalen. In dit geval was de waarde van die aandelen bij verkoop zodanig dat [eiser sub 1] c.s. verlies heeft geleden. In deze zaak gaat het om de vraag of Dexia de door [eiser sub 1] c.s. geleden schade helemaal moet vergoeden.1.2. Er is al veel rechtspraak over overeenkomsten zoals hier aan de orde en de kantonrechter sluit in deze zaak daarbij aan. Dat betekent dat Dexia de door [eiser sub 1] c.s. geleden schade helemaal moet vergoeden.\n\n2. De procedure\n\n2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nde dagvaarding van 17 december 2025;\n\nde conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, met een incidenteel verzoek;\n\nde conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie;\n\nde conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie;\n\nde conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte uitlating producties.\n\n2.2. De bij de laatste conclusie overgelegde producties zijn buiten beschouwing gelaten. Het was daarom niet nodig Dexia hierop nog te laten reageren\n\n2.3. Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen.\n 3 De feiten\n\n3.1. \n [eiser sub 1] c.s. heeft de volgende leaseovereenkomst (verder: de overeenkomst) ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia:\n\nNr.\n\nContractnr.\n\nDatum\n\nNaam overeenkomst\n\nI.\n\n [contractnummer]\n\n21-05-2001\n\nProfit Effect\n\n3.2. Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomst een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:\n\nNr.\n\nDatum eindafrekening\n\nResultaat\n\nBetaald\n\nI.\n\n12-07-2005\n\n- € 3.063,97\n\nJa\n\n3.3. Volgens opgave van Dexia heeft [eiser sub 1] c.s. op grond van de overeenkomst – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 2.014,42 aan maandtermijnen en een bedrag van € 3.063,97 wegens restschuld aan Dexia betaald. Volgens die opgave heeft [eiser sub 1] c.s. € 339,80 aan dividenden ontvangen en € 73,38 aan fiscaal voordeel genoten. Op 4 februari 2012 heeft Dexia een bedrag van € 2.722,51 aan [eiser sub 1] c.s. uitgekeerd, volgens Dexia tweederde van de restschuld inclusief reeds verschenen rente. Op 15 januari 2025 heeft Dexia € 2.300,26, inclusief rente, als ‘onverplichte uitbetaling’ aan [eiser sub 1] c.s. betaald.\n\n3.4. De gemachtigde van [eiser sub 1] c.s., Leaseproces, heeft bij brief van 13 maart 2006 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en\u002Fof misleidende reclame. Tevens wordt het recht voorbehouden daartoe ook andere gronden nog aan te voeren.\n\n4. De vordering en het verweer in de hoofdzaak en het verzoek in het incident\n\n4.1. \n [eiser sub 1] c.s. vordert (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\n- in de hoofdzaak:\n\n voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser sub 1] c.s. en\u002Fof toerekenbaar is tekort geschoten,\n\n voor recht zal verklaren dat [eiser sub 1] c.s. schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,\n\n Dexia zal veroordelen tot voldoening aan [eiser sub 1] c.s. van al datgene dat [eiser sub 1] c.s. aan Dexia heeft betaald onder de overeenkomst, vermeerderd met de wettelijke rente daarover,\n\n Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van [eiser sub 1] c.s., met rente,\n\n Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, met rente.\n\n4.2. Dexia voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een tegenvordering met een voorwaardelijk verzoek dat als onvoorwaardelijk verzoek wordt aangemerkt, waarbij Dexia vordert, dan wel verzoekt (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\n- in het incident:\n\n [eiser sub 1] c.s. zal veroordelen om aan Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier, althans van andere schriftelijke documenten waar de door Leaseproces namens [eiser sub 1] c.s. in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen aan zijn ontleend,\n\n- in de hoofdzaak:\n\n voor recht zal verklaren dat Dexia niets meer aan [eiser sub 1] c.s. verschuldigd is,\n\n [eiser sub 1] c.s. zal veroordelen in de proceskosten, met rente.\n\n4.3. \n\nOp de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.\n\n5 De beoordeling van de vorderingen in de hoofdzaak en het verzoek in het incidentalgemeen5.1 Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen decennia zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [eiser sub 1] c.s..\n\n5.2. De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend.Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.5.3. Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:\n\ner is sprake van huurkoop;\n\ner is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en\u002Fof misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;\n\nDexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;\n\n [eiser sub 1] c.s. heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld;\n\ner is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.\n\nverjaring5.4. Voor zover Dexia stelt dat een eventuele vordering van [eiser sub 1] c.s. inmiddels is verjaard, wordt dit verweer niet gevolgd. In de jurisprudentie zijn bestendige oordelen te vinden voor wat betreft de stellingen en verweren van partijen die zien op de verjaring.Voor zover in deze zaak geen andere, afwijkende standpunten zijn ingenomen door één van de partijen, wordt op de aan (de gemachtigden van) partijen bekende overwegingen, ook in deze zaak geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de verweren omtrent de verjaring doel treffen.\n\ntussenpersoon5.5. \n [eiser sub 1] c.s. heeft de overeenkomst met Dexia afgesloten via de tussenpersoon [onderneming] (verder ook: de tussenpersoon). Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven. De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd.5.6. De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon [eiser sub 1] c.s. heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon [eiser sub 1] c.s., anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [eiser sub 1] c.s. als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [eiser sub 1] c.s. gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn. Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [eiser sub 1] c.s. in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomst en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.5.7. \n [eiser sub 1] c.s. stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende:\n\n [eiser sub 1] c.s. werd telefonisch benaderd door een adviseur van [onderneming] , te weten de heer\n\n [A] (hierna te noemen: adviseur). De adviseur stelde voor om een afspraak te maken voor een huisbezoek om de financiële situatie van [eiser sub 1] c.s. door te nemen. [eiser sub 1] c.s. heeft hiermee ingestemd. Tijdens het eerste huisbezoek heeft de adviseur geïnformeerd naar de wensen en de financiële situatie van [eiser sub 1] c.s. Zo is met de adviseur gesproken over het spaargeld, het koophuis en de bestaande hypotheek van [eiser sub 1] c.s. Daarnaast is met de adviseur gesproken over de wens van [eiser sub 1] c.s. om een financiële reserve op te bouwen waaruit onder andere het opknappen van zijn huis kon worden betaald. De adviseur gaf aan dat het mogelijk was om dit doel te bereiken en dat hij hier een geschikt product voor wist. De adviseur adviseerde [eiser sub 1] c.s. om meerdere financiële producten en investeringen af te sluiten, waaronder investeringen in een resort in Costa Rica en in een teakplantage in Costa Rica. Daarnaast adviseerde de adviseur [eiser sub 1] c.s. om een Profit Effect overeenkomst van Bank Labouchere af te sluiten met een vooruitbetaling van ongeveer NLG 4.320,-. [eiser sub 1] c.s. diende voor deze financiële producten de overwaarde op zijn woning op te nemen middels een hypothecaire lening en deze aan te wenden voor de vooruitbetaling van de Profit Effect overeenkomst, en de betalingen voor de andere financiële producten. Volgens de adviseur\n\nzou [eiser sub 1] c.s. op deze wijze aanzienlijk vermogen opbouwen, waardoor [eiser sub 1] c.s. een financiële reserve kon opbouwen om zijn huis op te knappen op termijn.\n\nDe adviseur heeft [eiser sub 1] c.s. niet geïnformeerd over de specifieke risico’s. Zo heeft hij er niet op gewezen dat met geleend geld werd belegd en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen, de inleg geheel verloren kon gaan, de hypotheek niet kon worden afgelost en er bovendien een schuld kon ontstaan uit hoofde van de effectenleaseovereenkomst. Als [eiser sub 1] c.s. op deze risico’s gewezen was had hij de Profit Effect overeenkomst nooit afgesloten. [eiser sub 1] c.s. had geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en vertrouwde daarom volledig op de deskundigheid van de adviseur en zijn advies. Om deze reden heeft [eiser sub 1] c.s. het advies van de adviseur opgevolgd. De aanvraag voor de verhoging van de hypotheek en de Profit Effect overeenkomst is door de adviseur in orde gemaakt en de uiteindelijke overeenkomst is op een later moment ondertekend.\n\nDe hypotheek is overgesloten en is via een lening bij de Postbank verhoogd. [eiser sub 1] c.s. heeft, conform het advies van de adviseur, een Profit Effect overeenkomst met een vooruitbetaling van NLG 4.242.76,- afgesloten. De hypothecaire lening is aangewend voor de vooruitbetaling. Het overige deel van de opgenomen overwaarde is ingelegd in andere, door de adviseur geadviseerde financiële producten en investeringen.5.8. \n [eiser sub 1] c.s. heeft, ter onderbouwing van zijn stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht: - een kopie van het aanvraagformulier Profit Effect op naam van [eiser sub 1] c.s., waarop een stempel is geplaatst met de tekst “[onderneming] [plaats 2](…)”en ATP-nummer [nummer] is ingevuld,\n\n- een kopie van de overeenkomst van 21 mei 2001 met contractnummer [contractnummer] , voorzien van de tekst: “Adviseur ATP [nummer] - [onderneming] ”, - de hypotheekakte van 14 mei 2001 productie C, waaruit blijkt dat een hypothecaire lening van € 195.125,49 bij de Postbank is afgesloten door [eiser sub 1] c.s.,\n\n- een kopie van een uittreksel van de KvK van [onderneming] met als beschrijving van de werkzaamheden ‘Financieel adviesbureau’,\n\n- schermafbeeldingen van de website van [onderneming] waarop destijds onder andere te lezen was: “ We zorgen ervoor dat u snel een goed advies krijgt en dat u op korte termijn uw offerte of polis in huis hebt. We onderscheiden ons daarbij vooral in de persoonlijke aanpak. Die aanpak gaat bij ons veel verder dan een goed gesprek. We kijken nauwkeurig naar uw toekomst en uw financiële wensen en mogelijkheden.”\n\naanhoudingsverzoek5.9. Dexia heeft grote bezwaren tegen de – door haar zo genoemde – ‘bewijsconstructie’ omtrent de advisering door tussenpersonen die in de jurisprudentie van de rechtbanken vaak wordt gehanteerd. Voor het geval de kantonrechter bij de beoordeling van deze zaak het voornemen heeft gebruik te maken van diezelfde constructie\u002Fredenering, heeft Dexia verzocht om de zaak aan te houden in verband met door haar ingestelde cassatieberoepen tegen drie arresten van de gerechtshoven ’s-Hertogenbosch en Arnhem-Leeuwarden. De bewuste redenering omtrent het bewijs is onderwerp van deze cassatieberoepen.5.10. \n\nHet verzoek van Dexia wordt niet gehonoreerd, omdat de jurisprudentie van de gerechtshoven op dit punt de juistheid van de door de rechtbanken gevolgde redenering vooralsnog bevestigt. Er is bovendien geen concrete indicatie dat de Hoge Raad de betreffende arresten mogelijk gaat vernietigen.\n\n(nieuwe) argumenten Dexia5.11. Dexia heeft tegen de bewuste redenering (nieuwe) argumenten aangevoerd. Die komen er, kort gezegd, op neer:\n\ndat ten onrechte de gemachtigde van de afnemer op zijn woord wordt geloofd;\n\ndat zonder verder bewijs wordt aangenomen dat sprake is geweest van advisering door de tussenpersoon;\n\ndat ten onrechte wordt aangenomen dat op Dexia een onderzoeks- en vastleggingsplicht rust, en\n\ndat Dexia ten onrechte niet wordt toegelaten tot (tegen)bewijs.5.12. \n\nDeze argumenten gaan niet op. Bij de beoordeling van deze zaak geldt – evenals in vergelijkbare zaken – als uitgangspunt dat, zoals [eiser sub 1] c.s. onderbouwd heeft gesteld en Dexia onvoldoende heeft weersproken, tussenpersonen een gebruikelijke werkwijze hadden. Daarbij bracht de adviseur van de tussenpersoon steeds de situatie en de wensen van een klant in kaart en stelde in aansluiting daarop een bepaald effectenleaseproduct als geschikt voor. Dexia wist dat.Met de stellingen omtrent de concrete feiten en omstandigheden ten aanzien van de advisering in zijn geval heeft [eiser sub 1] c.s., tegen de achtergrond van de beschreven gebruikelijke werkwijze, voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dat betekent dat Dexia, om tot (tegen)bewijs te worden toegelaten, niet kan volstaan met een betwisting in algemene termen van de door [eiser sub 1] c.s. geschetste gang van zaken. Zij had daarvoor meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds in dit geval geen sprake is geweest van advisering, door uiteen te zetten op welke wijze de overeenkomst dan wel tot stand was gekomen. Nu zij dat niet heeft gedaan, heeft zij de stelling van [eiser sub 1] c.s. dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering onvoldoende gemotiveerd weersproken. Deze stelling moet daarom als vaststaand worden aangenomen. Daarom wordt niet aan bewijslevering toegekomen. Dat de gemachtigde van [eiser sub 1] c.s. in een andere zaak mogelijk in de processtukken een onjuiste weergave van de geschetste gang van zaken heeft opgenomen, betekent niet zonder meer dat zij in alle zaken een onbetrouwbare weergave van de feiten geeft. Van Dexia mag worden verwacht dat zij toelicht waarom daarvan in dit specifieke geval sprake is. Als de door de afnemer beschreven wijze van advisering niet klopt, kan Dexia dit immers weerspreken door te omschrijven hoe het volgens haar is gegaan. Dat Dexia dat volgens haar stellingen niet kan, omdat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [eiser sub 1] c.s. en de adviseur van de tussenpersoon, komt voor haar rekening en risico. Zij heeft er destijds immers van afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten zoals [eiser sub 1] c.s. en gebruik gemaakt van tussenpersonen voor de afzet van haar producten. Anders dan Dexia meent betekent het voorgaande niet dat op haar een onderzoeks- of vastleggingsplicht rust, maar slechts dat het mogelijk ontbreken van onderbouwing van haar betwisting, voor haar rekening en risico komt.\n\nwetenschap Dexia5.13. In dit geval is niet gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van de tussenpersoon aan [eiser sub 1] c.s.. Zij had die wetenschap echter wel behoren te hebben. Ten eerste had zij, nu zij gebruik maakte van tussenpersonen, moeten weten wat hun gebruikelijke werkwijze was. Daarnaast lag het op de weg van Dexia om voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst met een klant actief navraag te doen bij de tussenpersoon of de desbetreffende klant de overeenkomst zou aangaan op advies van de tussenpersoon. Aan de hand van de in dat verband ontvangen informatie had Dexia kunnen en moeten beoordelen of zij de overeenkomst met [eiser sub 1] c.s. kon en mocht sluiten. Dat Dexia in deze zaak enig concreet hierop gericht onderzoek heeft verricht, is gesteld noch gebleken. Dat moet, gelet op het voorgaande, voor haar rekening en risico blijven. De betwisting door Dexia van de stelling dat zij kon weten dat sprake was van vergunningplichtige advisering is dan ook onvoldoende onderbouwd. Daardoor komt de geobjectiveerde wetenschap ook in dit concrete geval vast te staan. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. Voor zover Dexia, zoals zij stelt, destijds niet wist dat de advisering vergunningplichtig was, leidt dat niet tot een andere uitkomst. Zo’n rechtsdwaling blijft in verhouding tot [eiser sub 1] c.s. voor rekening van Dexia.\n\naansprakelijkheid Dexia5.14 Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met [eiser sub 1] c.s. de overeenkomst is aangegaan, heeft zij jegens [eiser sub 1] c.s. onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan [eiser sub 1] c.s. omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft.Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.\n\nvorderingen van [eiser sub 1] c.s.5.15 De door [eiser sub 1] c.s. gevorderde verklaringen voor recht zullen daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [eiser sub 1] c.s. heeft gehandeld door [eiser sub 1] c.s. als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [eiser sub 1] c.s. niet alleen als klant aanbracht maar [eiser sub 1] c.s. tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat.\n\n5.16. De als gevolg hiervan door [eiser sub 1] c.s. geleden schade kunnen partijen inmiddels berekenen. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door de afnemer betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen) en het niet vergoede gedeelte van de (fictieve) restschuld. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder daadwerkelijk ontvangen dividenduitkeringen, fiscale voordelen en een eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten. Een en ander volgens het door Dexia overgelegde financiële overzicht waarvan de juistheid door [eiser sub 1] c.s. niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist. In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:7910). Dit geldt ook voor de betaling die door Dexia is gedaan op 15 januari 2025. De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL: HR:2015:1198) en HR 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3).\n\n5.17. Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.5.18. Gelet op het voorgaande behoeven de andere door [eiser sub 1] c.s. aangevoerde gronden geen nadere bespreking.\n\nhet incidentele verzoek van Dexia5.19. Dexia verzoekt dat [eiser sub 1] c.s. wordt veroordeeld het intakeformulier, dan wel een ander schriftelijk document van haar gemachtigde aan Dexia te verstrekken waaraan de door de gemachtigde ingenomen stellingen zijn ontleend.\n\n5.20. Dexia wil kennelijk weten welke gegevens [eiser sub 1] c.s. destijds aan Leaseproces heeft verstrekt en vervolgens in het dossier van Leaseproces terecht zijn gekomen. Het verstrekken van informatie aan een rechtsbijstandverlener over een geschil door middel van een gesprek of een intake- of vragenformulier of anderszins dient onbelemmerd te kunnen plaatsvinden. Daarvan is geen sprake meer als een rechtzoekende er rekening mee moet houden dat de aan zijn rechtsbijstandverlener verstrekte gegevens bij zijn wederpartij terecht kunnen komen. Het is van groot belang dat het vertrouwelijke karakter van de informatie-uitwisseling tussen de rechtzoekende en diens rechtsbijstandverlener blijft bestaan. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een hoge uitzondering die maakt dat in dít geval van de beroepsbeoefenaar kan worden verlangd zich niet op zijn verschoningsrecht te beroepen. Al met al oordeelt de kantonrechter dat het incidentele verzoek van Dexia moet worden afgewezen.\n\n5.21. De proceskosten van dit incident komen voor rekening van Dexia omdat zij in het ongelijk wordt gesteld. De proceskosten aan de zijde van [eiser sub 1] c.s. worden begroot op € 87,00.\n\nvorderingen Dexia5.22. \n\nGelet op de beoordeling in conventie worden de vorderingen van Dexia afgewezen.\n\nproceskosten5.23. Omdat [eiser sub 1] c.s. inhoudelijk grotendeels gelijk krijgt, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [eiser sub 1] c.s. gevallen. Omdat het partijdebat in reconventie is samengevallen met het debat in conventie worden de kosten in reconventie tot op heden begroot op nihil. De proceskosten van [eiser sub 1] c.s. worden begroot op:\n\n- dagvaarding € 144,47\n\n- griffierecht € 90,00\n\n- salaris gemachtigde € 576,00 2 x tarief € 288,00)\n\n- nakosten € 144,00\n\nTotaal € 954,47.\n\n5.24. De gevorderde rente over de proceskosten zal als na te melden worden toegewezen.\n\n6. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\nin het incident van Dexia\n\n6.1. wijst het verzoek af,\n\n6.2. veroordeelt Dexia in proceskosten van [eiser sub 1] c.s., tot op heden begroot op € 87,00,\n\nin conventie6.3. verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [eiser sub 1] c.s. heeft gehandeld door [eiser sub 1] c.s. als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [eiser sub 1] c.s. niet alleen als klant aanbracht maar [eiser sub 1] c.s. tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat,\n\n6.4. verklaart voor recht dat [eiser sub 1] c.s. schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,\n\n6.5. veroordeelt Dexia om aan [eiser sub 1] c.s. te betalen de schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover een en ander zoals weergegeven in r.o. 5.16,\n\n6.6. veroordeelt Dexia in de proceskosten van € 954,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen,\n\n6.7. veroordeelt Dexia in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,\n\n6.8. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,\n\n6.9. wijst het meer of anders gevorderde af,\n\nin reconventie\n\n6.10. wijst de vorderingen af,\n\n6.11. veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eiser sub 1] c.s. gevallen, tot op heden begroot op nihil.\n\nAldus gewezen door mr. A. van Dijk, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.\n\nIn het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135).\n\n zie onder meer gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 november 2020 ECLI:NL:GHARL:2020:8992, gerechtshof Amsterdam, 25 januari 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1462, gerechtshof Den Bosch 10 januari 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:23 en de arresten van Hof Arnhem-Leeuwarden van 11 februari 2025 waaronder ECLI:NL:GHARL:2025:684.\n\n Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI :NL:HR:2022:862.\n\n Vergelijk gerechtshof Arnhem Leeuwarden 16 mei 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:4177, gerechtshof ’s Hertogenbosch 10 december 2024 ECLI:NL:GHSCHE:2024:3936, gerechtshof Arnhem Leeuwarden 11 februari 2025 ECLI:NL:GHARL:2025:684, ECLI:NL:GHARL:2025:686, ECLI:NL:GHARL:2025:687, ECLI:NL:GHARL:2025:688 en ECLI:NL:GHARL:2025:689, gerechtshof Amsterdam 11 februari 2025 ECLI:NL:GHAMS:2025:379.\n\n Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882.\n\n Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 r.o. 5.6 en 5.7. Deze lijn is nadien bevestigd in de arresten van de Hoge Raad van 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, en van 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3771","2026-07-13T00:29:47.355Z",{"id":207,"ecli":208,"slug":209,"caseNumber":44,"courtId":58,"decisionDate":210,"fullText":211,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":212,"sourceTimestamp":114,"parsedAt":52,"updatedAt":213},"993","ECLI:NL:RBAMS:2026:6700","ecli-nl-rbams-2026-6700","2026-05-26T00:00:00.000Z","RECHTBANKAMSTERDAM\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZaaknummer: 11948366 \\ CV EXPL 25-15047\n\nVonnis van 26 mei 2026\n\nin de zaak van\n\nQ-PARK OPERATIONS NETHERLANDS B.V.,\n\nte Maastricht,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: Q-Park,\n\ngemachtigde: mr. C.F.P.M. Spreksel,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nte [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nprocederend in persoon.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 28 oktober 2025, met producties\n\n- het proces-verbaal van het mondelinge antwoord,\n\n- het tussenvonnis van 25 november 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald.\n\n1.2.. De mondelinge behandeling vond plaats op 13 april 2026. Namens de gemachtigde van Q-Park waren aanwezig [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]. [gedaagde] is ook verschenen. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [gedaagde] heeft op 9 augustus 2025 geparkeerd op parkeeraccommodatie Emmen- Wildlands. Zij is zonder te betalen direct achter een voorganger onder de slagboom doorgereden.\n\n2.2.. Q-Park heeft [gedaagde] op 21 augustus 2025 aangeschreven om aan Q-Park te betalen het verschuldigde parkeergeld van € 10,45 en een schadevergoeding van € 382,41. [gedaagde] heeft dit bedrag niet betaald.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. Q-Park vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 451,79, vermeerderd met rente en kosten.\n\n3.2.. Q-Park legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] op 9 augustus 2025 treintje heeft gereden en dat zij daarom op grond van de algemene voorwaarden het parkeergeld en een schadevergoeding verschuldigd. Omdat zij deze bedragen niet heeft betaald, moet [gedaagde] ook de wettelijke rente hierover en de gemaakte buitengerechtelijke kosten betalen.\n\n3.3.. Volgens Q-Park is het bedrag aan parkeergeld berekend aan de hand van het parkeertarief per uur in de betreffende parkeergarage, uitgaande van het tijdstip waarop het voertuig is binnen gereden en het tijdstip van de gedraging. De schadevergoeding is gebaseerd op de schade die Q-Park lijdt wanneer parkeerders treintje rijden, onder andere vanwege omzetderving, gemaakte kosten, uitgevoerde werkzaamheden, gedane en toekomstige investeringen en het inschakelen van derden. In veel gevallen is ook schade toegebracht aan de slagboom, aldus Q-Park.\n\n3.4.. \n [gedaagde] voert verweer. Zij voert aan dat zij contant wilde betalen bij de parkeerautomaat maar dat dit niet mogelijk was. Zij is vervolgens naar de slagboom gereden in de hoop daar een medewerker tegen te komen. Die was er niet, en bij de hulpknop kreeg zij een ingesprektoon. [gedaagde] had een zieke dochter op de achterbank en gefrustreerde automobilisten achter zich, zodat zij uiteindelijk in paniek besloot achter iemand anders aan het parkeerterrein af te rijden. Zij vindt het onterecht dat het bedrag verhoogd wordt, aangezien zij wel heeft geprobeerd te betalen. Bovendien vindt zij de schadevergoeding erg hoog en kan zij het gevorderde bedrag niet in een keer betalen.\n\n3.5.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nAmbtshalve toetsing\n\n4.1.. De overeenkomst waarop Q-Park zich beroept, is gesloten met een consument. In dat geval moet de kantonrechter ambtshalve onderzoeken of Q-Park de informatieplichten ten tijde van het sluiten van de overeenkomst heeft nageleefd.\n\n4.2.. De overeenkomst is tot stand is gekomen binnen de verkoopruimte. Q-Park heeft voldoende onderbouwd gesteld dat zij voldaan heeft aan de informatieplichten die zij heeft op grond van artikel 6:230l BW.4.3.. De kantonrechter moet ook uit eigen beweging beoordelen of de bedingen in de overeenkomst en de algemene voorwaarden oneerlijk zijn in de zin van Richtlijn 93\u002F13\u002FEEG (de richtlijn oneerlijke bedingen, hierna: de richtlijn). Zoals al eerder is geoordeeld, worden de voor de beoordeling van de vordering van belang zijnde bedingen in de algemene voorwaarden (versie 02.2025) niet oneerlijk bevonden (zie bijvoorbeeld het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 11 december 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:10294).\n\nBeoordeling van de vordering\n\n4.4.. \n [gedaagde] betwist niet dat zij treintje heeft gereden. Treintje rijden is volgens de algemene voorwaarden niet toegestaan en Q-Park kan dan op grond van de overeenkomst en de algemene voorwaarden het verschuldigd parkeergeld en een schadevergoeding vorderen.\n\n4.5.. Hoewel de kantonechter begrip kan opbrengen voor de omstandigheden waarin [gedaagde] zich volgens haar zeggen bevond, rechtvaardigt dit nog niet de keus van [gedaagde] om de parkeerplaats te verlaten door middel van treintje rijden. Q-Park heeft uitgelegd dat dit voor kosten, overlast en ongemak zorgt. Bovendien treft zij maatregelen om te voorkomen dat treintje rijden nodig is. Zo is er zowel bij de parkeerautomaat als bij de uitrijterminal de mogelijkheid om contact te zoeken met de klantenservice van Q-Park, die 24 uur per dag bereikbaar is. Als de hulpknop bezet is, staat op de informatieborden ook het telefoonnummer van Q-Park. Onbetwist is gebleven dat uit het logsysteem van Q-Park blijkt dat de klantenservice rondom het tijdstip van uitrijden door [gedaagde] bereikbaar was. Ook heeft Q-Park onweersproken gesteld dat uit deze loggegevens niet kan worden opgemaakt dat [gedaagde] contact heeft gezocht met de klantenservice. Daarnaast heeft Q-Park tijdens de zitting verklaard dat gebruikers ook nog binnen drie dagen na het treintje rijden contact kunnen opnemen met Q-Park om de gedraging te corrigeren. Ook dit heeft [gedaagde] niet gedaan.\n\n4.6.. \n [gedaagde] heeft nog de hoogte van de schadevergoeding betwist. Maar deze enkele betwisting is, zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, onvoldoende. Gelet op wat Q-Park heeft gesteld, is de kantonrechter van oordeel dat de hoogte van de schadevergoeding in redelijke verhouding staat tot de (te verwachten) schade door de gedraging waarop de vergoeding is gebaseerd.\n\n4.7.. Verder lijkt [gedaagde] de kantonrechter nog te verzoeken, gezien haar financiële situatie, de schadevergoeding te matigen. De in artikel 6:94 lid 1 BW opgenomen maatstaf dat voor matiging slechts reden kan zijn als de billijkheid dit klaarblijkelijk eist, brengt mee dat de rechter pas van zijn bevoegdheid tot matiging gebruik mag maken als de toepassing van een beding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt en noopt de rechter aldus tot terughoudendheid. Er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden die maken dat inroeping van het beding tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Met de enkele stelling dat [gedaagde] niet de financiële middelen heeft om de hele vordering te voldoen, heeft zij onvoldoende bijzondere omstandigheden aangevoerd om het beroep op matiging te honoreren.\n\n4.8.. De kantonrechter gaat dan ook voorbij aan het verweer van [gedaagde] . Dit betekent dat de vorderingen van Q-Park tot betaling van het verschuldigd parkeergeld van € 10,45 en de schadevergoeding van € 382,41 toewijsbaar zijn. Omdat [gedaagde] deze bedragen niet op tijd heeft betaald en zij de hoogte hiervan niet heeft betwist, is ook de gevorderde wettelijke rente over deze bedragen toewijsbaar vanaf de datum van de gedraging (9 augustus 2025).\n\n4.9.. Q-Park vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Q-Park heeft aan [gedaagde] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Daarom zal een bedrag van € 58,93 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen. Omdat Q-Park niet heeft gesteld dat de schade (de buitengerechtelijke incassokosten) al eerder dan op de datum van de dagvaarding is geleden, zal de gevorderde rente worden toegewezen vanaf de dag van dagvaarding.\n\n4.10.. \n [gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Q-Park worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n120,78\n\n- griffierecht\n\n€\n\n135,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n174,00\n\n(2 punten × € 87,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n43,50\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n473,28\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. veroordeelt [gedaagde] om aan Q-Park te betalen een bedrag van € 392,86, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 9 augustus 2025, tot de dag van volledige betaling,\n\n5.2.. veroordeelt [gedaagde] om aan Q-Park te betalen een bedrag van € 58,93 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,\n\n5.3.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 473,28, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.4.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.5.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. B.T. Beuving en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.\n\n57327","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6700","2026-07-13T00:28:57.967Z",26,20,[11,217],2025]