[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-contract-law-nl-2026":3},{"detail":4,"years":203},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":39,"total":201,"page":14,"limit":202},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},50,"contract-law-nl","Contract Law","NL","2026-07-08T16:53:53.185Z",2026,[13,16,18,21,24,27,30,32,34,35,36,38],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":14},2,{"month":19,"count":20},3,9,{"month":22,"count":23},4,10,{"month":25,"count":26},5,12,{"month":28,"count":29},6,60,{"month":31,"count":22},7,{"month":33,"count":15},8,{"month":20,"count":15},{"month":23,"count":15},{"month":37,"count":15},11,{"month":26,"count":15},[40,53,62,70,79,88,95,104,112,120,127,135,142,151,158,165,172,180,187,194],{"id":41,"ecli":42,"slug":43,"caseNumber":44,"courtId":45,"decisionDate":46,"fullText":47,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":50,"sourceTimestamp":46,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"798","ECLI:NL:RBGEL:2026:5208","ecli-nl-rbgel-2026-5208","",81,"2026-07-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Apeldoorn\n\nZaaknummer: 11980673 \\ CV EXPL 25-3829\n\nVonnis van 1 juli 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nte [woonplaats 1] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\ngemachtigde: mr. M.J.A. Weda,\n\ntegen\n\n1. [gedaagde 1] V.O.F.,\n\nte [woonplaats 2] , 2. [gedaagde 2],\n\nte [woonplaats 2] , 3. [gedaagde 3],\n\nte [woonplaats 2] ,\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna afzonderlijk te noemen [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en gezamenlijk te noemen: [gedaagde partij] (in vrouwelijk enkelvoud),\n\ngemachtigde: mr. dr. P. Bavelaar, LL.M.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 18 februari 2026,\n\n- de akte wijziging eis,\n\n- de akte houdende inbreng van producties 5 tot en met 8 van [gedaagde 2] ,\n\n- de mondelinge behandeling van 1 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [gedaagde 1] houdt zich onder meer bezig met de verkoop van pony’s en paarden.\n\n2.2.. In oktober 2023 heeft [gedaagde 1] het in 2008 geboren springpaard met de naam ‘ [naam] en roepnaam ‘ [roepnaam paard] ’ (hierna: het paard) verkocht aan [naam] (hierna: [naam] ).\n\n2.3.. In het najaar van 2025 heeft [naam] aan [gedaagde 2] te kennen gegeven het paard te willen verkopen.\n\n2.4.. In of omstreeks oktober 2025 heeft [eiser] aan [gedaagde 2] gemeld dat zij op zoek was naar een geschikt paard voor haar dochter. [gedaagde 2] heeft [eiser] gewezen op het paard. [eiser] en haar dochter hebben het paard vervolgens twee keer bezichtigd op de stal van [naam] . [naam] was daarbij de eerste keer aanwezig en [gedaagde 2] was beide keren aanwezig.\n\n2.5.. Tijdens de tweede bezichtiging van het paard op 1 november 2025 is het paard verkocht voor een koopsom van € 9.500,00 (excl. btw).\n\n2.6.. Bij factuur van 1 november 2024 heeft [gedaagde 1] de koopsom van het paard ter hoogte van € 9.500,00 (excl. btw) aan [eiser] in rekening gebracht. In de factuur is het rekeningnummer van [gedaagde 1] vermeld. [bedrijf] B.V., de onderneming van de echtgenoot van [eiser] , heeft het factuurbedrag op dezelfde dag aan [gedaagde 2] betaald. Nadat ontvangst van deze betaling is het paard aan [eiser] geleverd.\n\n2.7.. De dochter van [eiser] is het paard gaan trainen en uitbrengen op wedstrijden in de klasse B-springen.\n\n2.8.. Op 28 mei 2025 is het paard kreupelheidsklachten gaan vertonen. [eiser] heeft het paard vervolgens in juni en juli 2025 laten behandelen.\n\n2.9.. \n\nOp 29 juli 2025 heeft [eiser] aan [gedaagde 2] per WhatsApp bericht: “(…)\n\nIn de praktijk blijkt helaas dat hij vanaf het begin al wat stijf liep liep … vooral in het begin met rijden, maar inmiddels is hij volledig kreupel. We hebben alles gedaan voor [roepnaam paard] om beter te worden, van onze eigen dierenarts tot een Duitse specialist maar het wordt niet beter. Zij hebben ook al aangegeven dat dit al veel langer zit . (…) [dochter] heeft er een aantal wedstrijden mee kunnen rijden maar het was eigenlijk al vanaf het begin niet goed. (…) Wij hebben netjes betaald voor een paard dat eigenlijk niet bruikbaar is, en ik wil graag samen kijken naar een oplossing. (…)”\n\n2.10.. \n\nOp 29 augustus 2025 heeft [eiser] het paard laten onderzoeken door drs. [dierenarts] , dierenarts van dierenkliniek [dierenkliniek] (hierna: [dierenarts] ). Op 28 september 2025 heeft [dierenarts] daarover bericht:\n\n“(…)\n\nBij anamnese komt naar voren dat het paard al maanden kreupel is en ondanks behandelingen niet opknapt. Bij lichamelijk onderzoek heeft het paard ernstige overvullingen van o.a. beide achterkogels met name van beide peesschede en in mindere mate van beide kootgewrichten.\n\nIn stap is het paard ernstig kreupel (2\u002F5) aan vooral linker achterbeen. In draf kan het paard bijna niet lopen (4\u002F5). Bij het passief buigen van linker achterkogel komt paard in verzet als gevolg van pijn. Besloten is om paard om voor verder onderzoek eerst röntgenfoto’s en een echo te maken.\n\nOp röntgenfoto’s komt een verkalking net distaal van de sesambenen en artrose van kroongewricht naar voren. Op echo is duidelijk een beschadiging van diepe buigpees net boven sesambenen zichtbaar.\n\nNa overleg met eigenaar besloten om nu eerst met verkoper te overleggen alvorens verdere te gaan met onderzoek.”\n\n2.11.. Bij brief van 1 oktober 2025 heeft de gemachtigde van [eiser] aan [gedaagde 1] bericht dat het paard niet beantwoordt aan de overeenkomst en dat sprake is van non-conformiteit en dwaling. In de brief is de koopovereenkomst namens [eiser] primair buitengerechtelijk ontbonden en subsidiair buitengerechtelijk vernietigd.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n\n [eiser] vordert (samengevat) na wijziging van eis dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nprimair1. de overeenkomst tussen partijen zal ontbinden,\n\nsubsidiair:\n\n2. de overeenkomst tussen partijen geheel of gedeeltelijk zal vernietigen,\n\nzowel primair als subsidiair:\n\n3. [gedaagde partij] (hoofdelijk) zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 19.547,36 + p.m., vermeerderd wettelijke rente,\n\n4. [gedaagde partij] zal veroordelen in de buitengerechtelijke incassokosten, 5. [gedaagde partij] zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten.\n\n3.2.. \n [gedaagde partij] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.\n\n3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Partijen verschillen allereerst van mening over de vraag tussen welke partijen de koopovereenkomst tot stand is gekomen. [eiser] stelt dat de koopovereenkomst tot stand is gekomen tussen [gedaagde 1] als verkoper en [eiser] als koper. [gedaagde 2] betwist dit en stelt dat [naam] de verkoper van het paard is en dat [bedrijf] B.V. de koper is. [gedaagde partij] voert daartoe aan dat [gedaagde 2] alleen heeft geholpen met de verkoop van het paard en dat hij op 1 november 2024 enkel de verkoop namens [naam] heeft afgerond omdat [naam] op dat moment in het buitenland verbleef. [bedrijf] B.V. heeft het paard gekocht omdat zij de koopsom aan [gedaagde 1] heeft betaald, aldus [gedaagde partij]\n\n4.2.. Vast staat dat [eiser] en [gedaagde 2] de koopovereenkomst op 1 november 2025 mondeling hebben gesloten. Dit betekent op zichzelf niet dat zij ook als contractspartij moeten worden aangemerkt. Het antwoord op de vraag of iemand jegens een ander bij het sluiten van een overeenkomst in eigen naam – dat wil zeggen als wederpartij van die ander – is opgetreden hangt namelijk af van hetgeen partijen daarover naar elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden (zie in dit verband HR 11 maart 1977, NJ 1977, 521).\n\nWie is koper van het paard?\n\n4.2.1.. Uit de hiervoor uiteengezette feiten blijkt dat het contact over de verkoop van het paard verliep tussen [eiser] en [gedaagde 2] . Niet gesteld of gebleken is dat de echtgenoot van [eiser] hierbij een rol heeft gespeeld of dat [eiser] op enig moment heeft verklaard dat zij de koopovereenkomst namens [bedrijf] B.V. sloot. Het was [gedaagde partij] voorts bekend dat het paard werd gekocht voor de dochter van [eiser] . [gedaagde 1] heeft verder in de factuur van 1 november 2025 de koopsom van het paard aan [eiser] in persoon in rekening gebracht. Uit deze feiten en omstandigheden had [gedaagde partij] redelijkerwijs moeten afleiden dat [eiser] de koopovereenkomst in eigen naam wilde sluiten en niet in naam van de onderneming van haar echtgenoot. Het enkele feit dat de koopsom is betaald door [bedrijf] B.V. is van onvoldoende gewicht om daaruit af te leiden dat [eiser] de koopovereenkomst namens [bedrijf] B.V. wilde sluiten. Als vaststaand wordt dan ook aangenomen dat [eiser] koper van het paard is.\n\nWie is verkoper van het paard?\n\n4.2.2.. Zoals hiervoor al is overwogen verliep het contact over de verkoop van het paard tussen [eiser] en [gedaagde 2] . [gedaagde 2] heeft de twee bezichtigingen geregeld en hij was daar ook beide keren bij aanwezig. Voorts staat vast dat [gedaagde 2] zich via zijn onderneming professioneel bezighoudt met de verkoop van paarden. [gedaagde 2] heeft bovendien zelf de koopsom van het paard aan [eiser] in rekening gebracht en in de factuur heeft [gedaagde 1] haar eigen bankrekening vermeld. De koopsom is vervolgens ook betaald aan [gedaagde 1] . [gedaagde partij] heeft gesteld dat [gedaagde 2] herhaaldelijk aan [eiser] heeft gemeld dat [naam] eigenaar en verkoper van het paard is maar zij heeft die stelling, hoewel dit op haar weg had gelegen, niet onderbouwd. Uit niets blijkt dat [gedaagde 2] voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst op enig moment aan [eiser] heeft verklaard dat hij optrad als tussenpersoon en dat [naam] de eigenlijke contractspartij van [eiser] was. Uit voormelde omstandigheden en gedragingen mocht [eiser] afleiden dat [gedaagde 2] de koopovereenkomst in naam van [gedaagde 1] heeft gesloten. Dat het paard ten tijde van de verkoop op de stal van [naam] stond, leidt – anders dan [gedaagde partij] meent – niet tot een ander oordeel. Het is immers niet ongebruikelijk dat een paardeneigenaar een paard, al dan niet tijdelijk, elders stalt. Uit dit enkele feit hoefde [eiser] dan ook niet af te leiden dat hij de overeenkomst eigenlijk met de eigenaar van de betreffende stal, in dit geval [naam] , sloot.\n\n4.2.3.. \n [gedaagde partij] heeft nog een aantal producties met interne correspondentie tussen [gedaagde 2] en [naam] ingebracht waaruit volgens [gedaagde partij] blijkt dat [naam] voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst eigenaar van het paard was en daarom als verkoper van het paard moet worden aangemerkt. Wat daar ook van zij, deze correspondentie was niet kenbaar voor [eiser] en kan daarom geen rol spelen bij de beantwoording van de vraag of sprake is van verklaringen of gedragingen waaruit [eiser] had moeten afleiden dat [gedaagde 2] de koopovereenkomst eigenlijk in naam van [naam] sloot. [gedaagde partij] heeft voorts nog een schriftelijke verklaring van 29 januari 2026 van [naam] overgelegd maar die verklaring wordt buiten beschouwing gelaten omdat [naam] deze verklaring later heeft ingetrokken.\n\n4.2.4.. Gelet op het voorgaande wordt als vaststaand aangenomen dat [gedaagde 2] de koopovereenkomst in naam van [gedaagde 1] heeft gesloten. Het verweer van [gedaagde partij] op dit punt faalt dan ook.\n\nConsumentenkoop\n\n4.3.. Aangezien [gedaagde 2] bij het sluiten van de koopovereenkomst handelde in de uitoefening van haar bedrijf en [eiser] daarbij handelde als consument, is sprake van een consumentenkoop als bedoeld in artikel 7:5 lid 1 BW. Dit brengt met zich dat in dit geval de consumentenbeschermende bepalingen van titel 7.1 BW van toepassing zijn.\n\nNon-conformiteit\n\n4.4.. \n [eiser] legt primair aan haar vordering ten grondslag dat de koopovereenkomst moet worden ontbonden omdat het paard bij aflevering niet aan de koopovereenkomst beantwoordde.\n\n4.5.. Eerst wordt ingegaan op het verweer van [gedaagde partij] dat [eiser] hem niet tijdig heeft geïnformeerd over de gestelde non-conformiteit van het paard en dat haar daarom op grond van artikel 7:23 lid 1 BW geen beroep op de non-conformiteit toekomt. Wanneer dit verweer slaagt, kan [eiser] namelijk geen beroep meer doen op de gestelde non-conformiteit van het paard.\n\n4.6.. Op grond van artikel 7:23 lid 1 BW kan een koper er geen beroep meer op doen dat het afgeleverde niet aan de overeenkomst beantwoordt als hij de verkoper daarvan niet binnen bekwame tijd nadat hij dit ontdekt of redelijkerwijs had behoren te ontdekken, kennis heeft gegeven. Bij een consumentenkoop – zoals in dit geval – begint de termijn waarbinnen geklaagd moet worden vanaf het moment van ontdekking (en niet eventueel het moment waarop de koper het gebrek had kunnen ontdekken) en wordt een kennisgeving binnen een termijn van twee maanden na de ontdekking als tijdig beschouwd.\n\n4.7.. Uit de hiervoor uiteengezette feiten blijkt dat het paard op 28 mei 2025 kreupelheidsklachten is gaan vertonen en dat [eiser] het paard hierna twee maanden heeft laten behandelen. [eiser] mocht enige tijd nemen voor deze behandeling omdat de effectiviteit van een bepaalde wijze van behandeling tijd vergt. Toen bleek dat de kreupelheid ondanks de behandeling bleef aanhouden, heeft [eiser] op 29 juli 2025 per WhatsApp aan [gedaagde 2] bericht dat het paard volledig kreupel is. [eiser] heeft dit bericht als productie 2 bij de akte wijziging van eis ingebracht en [gedaagde partij] heeft de juistheid van die productie vervolgens niet (gemotiveerd) betwist. Door op 29 juli 2025 aan [gedaagde 2] te melden dat het paard volledig kreupel is, heeft [eiser] tijdig bij [gedaagde partij] geklaagd over de gestelde non-conformiteit. Het beroep op artikel 7:23 lid 1 BW faalt dan ook.\n\n4.8.. Vervolgens ligt de vraag voor of het paard ten tijde van de aflevering aan de koopovereenkomst beantwoordde.\n\n4.9.. Op grond van artikel 7:17 lid 2 BW beantwoordt het afgeleverde (in dit geval het paard) niet aan de koopovereenkomst als mede gelet op de aard daarvan en de mededelingen die de verkoper daarover heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. De koper mag in elk geval verwachten dat het afgeleverde de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij of zij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen, alsmede de eigenschappen die nodig zijn voor een bijzonder gebruik dat bij de overeenkomst is voorzien.\n\n4.10.. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] het paard heeft gekocht met het doel om het paard door haar dochter als springpaard op amateurniveau te gebruiken. Dit betekent dat wanneer vast komt te staan dat het paard ten tijde van de aflevering was behept met een gebrek waardoor het paard niet kon worden gebruikt als springpaard op amateurniveau, het paard niet de eigenschappen bezit die [eiser] op grond van de koopovereenkomst en de gedane mededelingen mocht verwachten. In dat geval beantwoordt het paard dus niet aan de koopovereenkomst.\n\n4.11.. \n [eiser] stelt dat het paard ongeschikt is omdat het is behept met chronische gebreken die niet meer te herstellen zijn. Het paard is volgens [eiser] kreupel en kan niet meer ingezet worden. Ter onderbouwing van deze stellingen heeft [eiser] een verklaring van 28 september 2025 van [dierenarts] overgelegd (zie hiervoor 2.10). [gedaagde partij] heeft de juistheid van de bevindingen van [dierenarts] niet, althans niet gemotiveerd, weersproken. Daarmee staat als onweersproken vast dat het paard ernstig kreupel is, zodanig dat het in draf bijna niet kan lopen. Het is evident dat het paard als gevolg van deze ernstige kreupelheid niet geschikt is om als springpaard te gebruiken. De kreupelheid kan echter alleen non-conformiteit opleveren als de oorzaak daarvan al bij aflevering van het paard aanwezig was. [gedaagde partij] betwist dit.\n\n4.12.. In dit geval – waarin sprake is van een consumentenkoop en de kreupelheid zich binnen één jaar na levering heeft geopenbaard – geldt het bewijsvermoeden van artikel 7:18a lid 2 BW. Dit houdt in dat in beginsel wordt vermoed dat het paard ten tijde van de aflevering niet aan de koopovereenkomst beantwoordde. Dat is alleen anders als de aard van de zaak (in dit geval het paard) of de aard van de afwijking (de oorzaak van de ernstige kreupelheid) zich daartegen verzet. Niet gesteld of gebleken is dat sprake is van deze uitzonderingen. Bij deze stand van zaken geldt daarom het vermoeden dat de oorzaak van de kreupelheid al bij aflevering aanwezig was, tenzij [gedaagde partij] bewijs van het tegendeel van dit vermoeden levert.\n\n4.13.. \n\nHet is aan [gedaagde 2] om te bewijzen dat de oorzaak van de kreupelheid bij de aflevering op 1 november 2025 niet bestond. [gedaagde partij] is hierin vooralsnog niet geslaagd. Daarvoor is het volgende redengevend.\n\nAnders dan [gedaagde partij] meent, betekent het feit dat het paard in de eerste maanden na aflevering kon deelnemen aan wedstrijden en kennelijk geen verschijnselen van kreupelheid vertoonde, niet dat de oorzaak van de kreupelheid pas na aflevering kan zijn ontstaan. Het is immers mogelijk dat de kreupelheid wordt veroorzaakt door een aandoening die al wel aanwezig was bij aflevering maar in de eerste maanden na aflevering nog geen kreupelheid veroorzaakte. In dit verband wordt opgemerkt dat bij het paard onder meer artrose en een verkalking van de sesambenen is geconstateerd en dit mogelijke oorzaken kunnen zijn van kreupelheid. Het ontstaan van merkbare gevolgen van deze aandoeningen is doorgaans een langdurig en sluipend proces.\n\n [gedaagde partij] heeft voorts gesteld dat haar na overleg met [dierenarts] is gebleken dat de oorzaak van de kreupelheid ligt in een peesblessure. Die peesblessure kan volgens [gedaagde partij] door allerlei oorzaken zijn ontstaan, ook door een ondeskundige training of een val. [gedaagde 2] heeft gezien dat het paard tijdens een wedstrijd waar de dochter van [eiser] aan deelnam, hard ten val is gekomen, aldus [gedaagde partij] Gelet op de gemotiveerde betwisting van deze stellingen door [eiser] , had het op de weg van [gedaagde partij] gelegen die stellingen te onderbouwen. Zij heeft dat echter niet gedaan. Aldus staat niet vast dat de oorzaak van de kreupelheid een peesblessure is en dat die peesblessure na de levering waarschijnlijk tijdens een val op een wedstrijd is ontstaan.\n\n4.14.. \n\n [gedaagde partij] kan, desgewenst, in de gelegenheid worden gesteld bewijs van het tegendeel te leveren van het wettelijk vermoeden dat de oorzaak van de kreupelheid reeds aanwezig was bij aflevering van het paard. De zaak zal daartoe worden verwezen naar de hierna te melden rol voor het nemen van een akte door [gedaagde partij] In deze akte kan [gedaagde partij] aangeven of en zo ja, hoe, zij het tegendeel van het wettelijk vermoeden wil bewijzen. Als [gedaagde partij] getuigen wil horen moet zij haar verhinderdata en die van eventuele getuigen opgeven over de maanden oktober tot en met december 2026. Hierna zal een datum voor een eventueel getuigenverhoor worden bepaald. Ook [eiser] wordt verzocht de verhinderdata over te leggen over die periode.\n\nAls [gedaagde 2] het bewijs wil leveren door middel van een deskundigenrapportage dan dient [gedaagde 2] een opgave te geven van de voor die rapportage benodigde termijn.\n\n4.15.. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. laat [gedaagde partij] toe het tegendeel te bewijzen van het wettelijk vermoeden dat de oorzaak van de kreupelheid van het paard reeds aanwezig was bij aflevering van het paard,\n\n5.2.. verwijst de zaak naar de rolzitting van 29 juli 2026, voor het nemen van een akte als bedoeld in r.o. 4.14.,\n\n5.3.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M. Engelbert-Clarenbeek en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.\n\nlt","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5208","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:48.762Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":44,"courtId":57,"decisionDate":46,"fullText":58,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":60,"parsedAt":51,"updatedAt":61},"520","ECLI:NL:RBAMS:2026:6625","ecli-nl-rbams-2026-6625",56,"RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht, voorzieningenrechter\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F788058 \u002F KG ZA 26-413 NB\u002FMV\n\nVonnis in kort geding van 1 juli 2026\n\nin de zaak van\n\n1. MANYA HOLDING B.V.,\n\nte Amsterdam, 2. MANYA II B.V.,\n\nte Amsterdam, 3. MANYA MIP B.V.,\n\nte Amsterdam,\n\neisende partijen bij dagvaarding van 21 mei 2026,\n\nhierna samen en in enkelvoud ook te noemen: Manya,\n\nadvocaten: mr. J.L. Snijders en mr. J.X.J. Cremers,\n\ntegen\n\n1. de rechtspersoon naar buitenlands recht\n\nSITUS DEUTSCHLAND GMBH,\n\nte Frankfurt am Main (Duitsland), 2. de rechtspersoon naar buitenlands recht\n\nINFINITY HOLDCO PD I S.Á.R.L.,\n\nte Munsbach (Luxemburg),\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna te noemen: Situs en Infinity,\n\nadvocaten: mr. Th.P.J. Hanssen en mr. E.C. Kruisifikx.\n\n1. De procedure\n\nTijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 17 juni 2026 heeft Manya de dagvaarding toegelicht. Situs en Infinity hebben mede aan de hand van een vooraf ingediende conclusie van antwoord verweer gevoerd. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht. Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig:\n\naan de zijde van Manya: [naam 1] en [naam 2] met mr. Snijders en mr. Cremers;\n\naan de zijde van Situs en Infinity: [naam 3] , bijgestaan door E.A. Roest, tolk Nederlands\u002FDuits, met mr. Hanssen en mr. Kruisifikx. Na verder debat is vonnis bepaald op 1 juli 2026.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Manya Holding B.V., Manya II B.V. en Manya MIP B.V. houden gezamenlijk alle aandelen in Upforce Holding B.V. (hierna Upforce). Upforce houdt op haar beurt de aandelen in een aantal dochtervennootschappen, die actief zijn in de uitzendbranche.\n\n2.2.. VEP Fund 4 Coöperatief U.A. (hierna VEP) houdt (indirect) de meerderheid van de aandelen in Manya. VEP is een private equityinvesteerder.\n\n2.3.. Op 21 juni 2023 heeft Infinity een financiering van € 23.500.000 verstrekt aan de Upforce-groep op grond van een zogenoemde senior facilities agreeement(SFA). Tot zekerheid voor de nakoming van haar verplichtingen onder de SFA heeft de Upforce-groep pandrechten gevestigd op roerende zaken, vorderingen en intellectuele eigendomsrechten. Tevens heeft Manya ten behoeve van Infinity derdenzekerheid verstrekt in de vorm van een pandrecht op de aandelen die zij houdt in Upforce (hierna het Pandrecht).\n\n2.4.. Situs treedt op als agentensecurity agentvoor Infinity en houdt de op grond van de SFA gevestigde zekerheidsrechten, waaronder het Pandrecht.\n\n2.5.. Op 22 juni 2023 is het Pandrecht opgenomen in een pandakte. In artikel 8 van die akte staat onder meer dat Manya afstand doet van de beschermende wettelijke regelingen die voor derdenpandgevers gelden, waaronder artikel 3:234 BW. In artikel 15 staat onder meer dat Manya afstand doet van haar rechten op regres en subrogatie jegens Upforce.\n\n2.6.. Sinds het eerste half jaar van 2024 schiet Upforce tekort in de nakoming van haar verplichtingen onder de SFA. Naar aanleiding hiervan zijn gesprekken gevoerd tussen Infinity enerzijds en de (indirect) aandeelhouders van Upforce (Manya en VEP) anderzijds. Er is onder meer gesproken over het verstrekken van aanvullende financiering aan Upforce door haar aandeelhouders. Die gesprekken hebben niet tot een definitieve oplossing geleid.\n\n2.7.. Bij brief van 9 december 2025 hebben Infinity en Situs aan Manya bericht dat vanwege het voortdurende verzuim van Upforce onder de SFA de stemrechten verbonden aan de verpande aandelen in Upforce zijn overgegaan op Situs.\n\n2.8.. Nadien zijn de gesprekken over een oplossing van de betalingsachterstand voortgezet. In dit kader heeft VEP bij brief van 19 december 2025 onder meer bericht dat Upforce meer dan € 4.000.000 in kas heeft en dat dit bedrag kan worden aangewend om de schuld aan Infinity af te lossen. Daarnaast heeft VEP een voorstel gedaan dat onder meer inhield dat zij bereid was een garantie af te geven.\n\n2.9.. Op 21 januari 2026 hebben Upforce, Infinity en Situs een amendment and standstill agreementgesloten. Hieruit blijkt onder meer dat de betalingsachterstand van Upforce per die datum ongeveer € 3.400.000 bedroeg. In deze overeenkomst verplicht Infinity zich – kort gezegd – om de financiering tot 1 januari 2027 niet versneld bij Upforce op te eisen op basis van de bestaande achterstanden. In artikel 2.2 van die overeenkomst staat – kort gezegd – dat Infinity te allen tijde wèl bevoegd blijft, dus ook vóór 1 januari 2027, om het Pandrecht uit te winnen.\n\n2.10.. Bij brief van 28 januari 2026 heeft Infinity Manya en VEP gesommeerd om te bevestigen dat zij meewerken aan overdracht van alle aandelen in Upforce aan Infinity voor € 1,-, met finale kwijting over en weer. Bij het uitblijven van die bevestiging zal het Pandrecht worden uitgewonnen, aldus de brief van 28 januari 2026.\n\n2.11.. Bij brief van 4 februari 2026 heeft Manya bericht niet akkoord te gaan met overdracht van de aandelen tegen € 1,-. Verder staat in die brief dat het Pandrecht niet als acquisitiemiddel mag worden gebruikt en dat executie van het Pandrecht in de gegeven omstandigheden misbruik van recht oplevert.\n\n2.12.. Bij brief van 17 februari 2026 heeft VEP namens Manya nogmaals een voorstel gedaan tot onder meer aanvullende financiering van Upforce. Dit voorstel is gedaan onder de voorwaarde dat de achtergestelde leningen bij Upforce (vendor loans en earn-out) worden kwijtgescholden.\n\n2.13.. Bij brief van 30 april 2026 heeft Infinity het hiervoor genoemde voorstel van VEP afgewezen. In diezelfde brief kondigt Infinity aan een verzoekschrift op grond van artikel 3:251 BW in te dienen, tenzij VEP alsnog bevestigt de aandelen voor € 1,- over te dragen.\n\n2.14.. Bij brief van 6 mei 2026 heeft Manya bericht hiermee niet akkoord te gaan.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n\nManya vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: I. Infinity en Situs te verbieden over te gaan tot enige executiemaatregel met\n\nbetrekking tot het Pandrecht, waaronder doch niet beperkt tot (i) het indienen van een verzoekschrift ex artikel 3:251 BW en (ii) het houden van een openbare executieveiling, op straffe van een dwangsom van € 500.000 per overtreding;\n\nalthans Infinity en Situs te verbieden voornoemde executiemaatregelen te nemen tot 1 januari 2027, althans voor een door de voorzieningenrechter te bepalen termijn, op straffe van dezelfde dwangsom;\n\nII. Infinity en Situs te veroordelen in de proceskosten.\n\n3.2.. Manya legt aan haar vordering ten grondslag dat executie van het Pandrecht in de gegeven omstandigheden misbruik van recht oplevert (artikel 3:13 BW), in strijd is met de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:2 jo artikel 6:248 BW) en in strijd is met de maatschappelijke zorgvuldigheid en dus onrechtmatig is (artikel 6:162 BW).\n\n3.3.. Situs en Infiinity hebben verweer gevoerd.\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. In de SFA en pandakte is overeengekomen dat de rechtbank Amsterdam exclusief bevoegd is om van geschillen tussen partijen kennis te nemen.\n\n4.2.. Tussen partijen staat niet ter discussie dat Upforce jegens Infinity tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen onder de SFA. De achterstand (en volgens Infinity de gehele financiering) is daardoor opeisbaar. Infinity en Situs zijn (dus) bevoegd tot uitwinning van het Pandrecht. Manya heeft in dit kort geding op vijf gronden aangevoerd dat uitwinning van het Pandrecht in haar visie misbruik van recht oplevert, in strijd is met de redelijkheid en billijkheid dan wel onrechtmatig is. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat hiervan geen sprake is en licht dit als volgt toe.\n\n(1) de kaspositie van Upforce\n\n4.3.. De kaspositie van Upforce zou (ruim) voldoende zijn om de opeisbare schuld van Infinity te voldoen, aldus Manya. Upforce zou per 19 mei 2026 over een vrij beschikbare kaspositie beschikken van ongeveer € 5.100.000 (dus na aftrek van de gelden die op de G-rekening staan), terwijl de opeisbare achterstand ongeveer € 3.400.00 bedraagt. Daar komt bij dat VEP op 17 februari 2026 (zie 2.12) een voorstel heeft gedaan om € 1.250.000 aan kapitaal in te brengen in Upforce en een liquiditeitsfaciliteit van € 2.150.000 aan Upforce ter beschikking te stellen, waardoor de kaspositie van Upforce aanmerkelijk wordt versterkt. Omdat het stemrecht op de aandelen is overgegaan naar Infinity kan zij eenvoudigweg bewerkstelligen dat de achterstand uit de kaspositie wordt voldaan, dit alles aldus Manya.\n\n4.4.. Gezien het door Infinity en Situs gevoerde verweer op dit punt kan de voorzieningenrechter er voorshands niet van uitgaan dat de kaspositie van Upforce voldoende is, laat staan ruim voldoende, om de achterstand te voldoen. Overigens doet dit standpunt van Manya de vraag rijzen waarom die achterstand dan niet al (geheel of gedeeltelijk) is voldaan. Allereerst is de achterstand, aldus Infinity, per 16 juni 2026 opgelopen tot afgerond € 4.033.000. Infinity heeft verder aangevoerd en onderbouwd dat de vrij beschikbare gelden die onderdeel uitmaken van de kaspositie lager zijn en de gebonden gelden (op de G-rekening) hoger dan door VEP\u002FManya gesteld. Infinity heeft ook gewezen op een e-mail van 8 juni 2026 van de cfo van Upforce (geciteerd in de pleitnota van de advocaat van Infinity) waaruit volgt dat de vrij beschikbare gelden van de kaspositie niet in zijn geheel kunnen worden aangewend voor het voldoen van de achterstand aan Infinity omdat een bedrag van € 1.050.000 (exclusief de gelden op de G-rekening) beschikbaar moet blijven voor Upforce om haar activiteiten te kunnen ontplooien. Tot slot is van belang dat Upforce per 30 juni 2026 nog eens € 1.238.438 aan Infinity moet voldoen (rente over het tweede kwartaal 2026 en aflossingen), per 30 september 2026 € 340.130 (rente over het derde kwartaal 2026) en per 31 december 2026 € 1.210.592 (rente over het vierde kwartaal 2026 en aflossingen). Niet aannemelijk is dat Upforce uit haar kaspositie aan deze verplichtingen kan voldoen. Ook VEP gaat hier al langere tijd vanuit. In dit verband heeft Infinity verwezen naar een door haar in het geding gebrachte prognose van [naam 4] (Financial and Risk Advisory Solutions) waaruit kan worden afgeleid dat Upforce niet in staat is aan haar verplichtingen onder de SFA te voldoen, zonder in ernstige liquiditeitsproblemen te geraken en zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. Dat de cijfers waarop [naam 4] zich baseert achterhaald zouden zijn, zoals Manya beweert, doet niet af aan de strekking van haar prognose (die ook ziet op het verdere verloop van het jaar 2026). Dat Infinity over het stemrecht op de aandelen in Upforce beschikt en daarom kan bewerkstelligen dat de achterstand wordt voldaan, is voorshands onjuist. Gezien hetgeen Infinity hierover heeft aangevoerd kan niet worden uitgesloten dat dit leidt tot voor (de onderneming van) Upforce onaanvaardbare gevolgen. Dit druist in tegen het belang van alle betrokkenstakeholders.(2) behoorlijk aanbod van Manya tot zuivering van het verzuim\n\n4.5.. Manya stelt dat VEP, namens haar, vaker een volledig uitgewerkt voorstel tot zuivering van het verzuim heeft gedaan, voor het laatst op 17 februari 2026, en dat Infinity die voorstellen ten onrechte heeft afgewezen. Van belang hierbij is, aldus Manya, dat het verzuim niet aan haar is toe te rekenen, maar uitsluitend is ontstaan door het handelen van Upforce als hoofdschuldenaar. Bovendien moeten de voorstellen van VEP worden gezien tegen de achtergrond dat de uitwinning van het Pandrecht disproportioneel is jegens Manya omdat zij na die uitwinning geen recht heeft op regres en subrogatie jegens Upforce, aldus Manya.\n\n4.6.. De voorstellen die VEP in 2025 en voor het laatst op 17 februari 2026 heeft gedaan, waren – zoals Infinity en Situs terecht hebben aangevoerd – niet onvoorwaardelijk zodat geen sprake is van een aanbod in de zin van artikel 6:86 BW. Zo stelde VEP steeds de voorwaarden dat Infinity een deel van haar vordering moest afboeken, dat alle achtergestelde leningen (de vendor loans) zonder tegenprestatie geëlimineerd moesten worden, dat de SFA moest worden aangepast en heeft zij geen volledige vergoeding van schade en kosten aangeboden. Dat de financiële problemen enkel te wijten zouden zijn aan (het bestuur van) Upforce, maakt niet dat de door VEP (Manya) gedane voorstellen die zij als derdenpandgever heeft gedaan te gelden hebben als een volwaardig aanbod in de zin van artikel 6:86 BW.\n\n(3) Infinity kan haar vordering niet voldoen uit de opbrengst van de aandelen\n\n4.7.. Infinity meent dat de aandelen waarop het Pandrecht rust een negatieve waarde vertegenwoordigen, althans € 1,- waard zijn. Uitwinning van het Pandrecht heeft dus niet tot gevolg dat de vordering van Infinity kan worden voldaan, aldus Manya.\n\n4.8.. De voorzieningenrechter overweegt hierover dat een pandhouder andere legitieme doelen mag beogen met uitwinning van een pandrecht dan de opbrengst in geld. Het enkele feit dat de achterstand niet (geheel) zal kunnen worden voldaan uit de opbrengst van de aandelen brengt niet zonder meer mee dat sprake is van misbruik van recht, strijd met de redelijkheid en billijkheid of onrechtmatig handelen.\n\n(4) Infinity wil de eigendom van de aandelen en toekomstige kasstromen naar zich toe trekken\n\n4.9.. Manya voert hierover aan dat uit de brief van Infinity van 30 april 2026 (zie 2.13) kan worden afgeleid dat het doel van Infinity met uitwinning van het Pandrecht niet is verhaal voor haar vordering, maar het verkrijgen van de eigendom van de onderneming.\n\n4.10.. Ook hier geldt, net als in 4.8 overwogen, dat een pandhouder andere legitieme doelen mag beogen met uitwinning van een pandrecht dan verhaal voor zijn vordering. Een pandhouder mag beogen, als aandeelhouder, vat te krijgen op de onderneming met als doel in de toekomst (een deel van) zijn financiering terug te krijgen via de opbrengst van de aandelen. Dit op zich levert geen misbruik van recht, strijd met de redelijkheid en billijkheid of onrechtmatig handelen op.\n\n(5) de amendment and standstill agreement4.11. Hierover voert Manya aan dat Infinity in deamendment and standstill agreementvan 21 januari 2026 heeft toegezegd de financiering niet bij de schuldenaren (de verschillende vennootschappen binnen de Upforce-groep) op te eisen, maar nu wel aanklopt bij Manya als derdenpandgever. Dit maakt destandstillvoor Manya illusoir en dit is precies de situatie die artikel 3:234 lid 1 BW probeert te voorkomen. De contractuele uitsluiting van dit artikel in de pandakte laat de werking van het misbruikverbod onverlet; het misbruikverbod heeft een universeel karakter en kan niet worden weg gecontracteerd, aldus Manya.\n\n4.12.. Allereerst heeft Infinity terecht de vraag opgeworpen of de amendment and standstill agreementvan 21 januari 2026 nog wel van kracht is, aangezien die overeenkomst uitging van de toen bestaandeevents of defaulten zich na het sluiten van deze overeenkomst meerdere nieuweevents of defaulthebben voorgedaan. Zo is op 31 maart 2026 niet, zoals overeengekomen, de rente over het eerste kwartaal 2026 voldaan. Verder heeft Infinity er terecht op gewezen dat artikel 3:234 BW is uitgesloten in de pandakte. VEP heeft er dus bewust voor gekozen dat Infinity niet gehouden is eerst het pandrecht op de goederen van Upforce uit te winnen, alvorens zij het Pandrecht op de aandelen van Manya in Upforce kan uitwinnen. Van belang is dat dit een gebruikelijke afspraak is in zakelijke (acquisitie) financieringen waarmee VEP bekend is. De stelling dat artikel 3:234 BW niet kan worden weg gecontracteerd is onjuist.\n\ntot slot\n\n4.13.. Tot slot geldt dat Infinity heeft te gelden als professionele financier. Er mag van haar in die rol extra zorgvuldigheid worden verwacht alvorens zij overgaat tot uitwinning van een pandrecht op aandelen. In dit kort geding is niet gebleken van aanwijzingen dat zij in strijd met die zorgvuldigheid zou hebben gehandeld. Infinity heeft VEP ruim de tijd en de gelegenheid geboden om met oplossingen te komen. Dat niet is gekomen tot een voor beide partijen acceptabele oplossing, wil niet zeggen dat Infinity onzorgvuldig heeft gehandeld.\n\nconclusie en proceskosten\n\n4.14.. De conclusie is dat de vorderingen van Manya worden afgewezen. Manya is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Situs en Infinity worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n735,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.177,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.101,00\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n5.1.. weigert de gevraagde voorzieningen,\n\n5.2.. veroordeelt Manya in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Manya niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. N.C.H. Blankevoort, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Veraart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.\n\nColl: BB","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6625","2026-06-30T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:34.520Z",{"id":63,"ecli":64,"slug":65,"caseNumber":44,"courtId":57,"decisionDate":46,"fullText":66,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":67,"sourceTimestamp":68,"parsedAt":51,"updatedAt":69},"1091","ECLI:NL:RBAMS:2026:6728","ecli-nl-rbams-2026-6728","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F783043 \u002F HA ZA 26-105\n\nVonnis in incident van 1 juli 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [eiser 1] ,\n\n2. [eiser 2],\n\nbeiden wonende te [woonplaats 1] ,\n\neisers in de hoofdzaak,\n\nverweerders in het incident,\n\nhierna te noemen: afzonderlijk [eiser 1] en [eiser 2] en samen [eisers] ,\n\nadvocaat: mr. R. van Kersbergen,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nwonende te [woonplaats 2] ,\n\ngedaagde in de hoofdzaak,\n\neiser in het incident,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nadvocaat: mr. J.J.F. van de Voort.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nde dagvaarding van 29 januari 2026, met producties,\n\nde incidentele conclusie houdende exceptio plurium litis consortium,\n\nde conclusie van antwoord in het incident.\n\n1.2.. Daarna is bepaald dat vandaag een vonnis in het incident wordt uitgesproken.\n\n2. De vordering in de hoofdzaak\n\n2.1.. In de hoofdzaak vordert [eisers] kort gezegd terugbetaling van een viertal geldleningen van [gedaagde] , vermeerderd met rente en (beslag)kosten. Daaraan legt zij ten grondslag dat er vanaf 2020 drie leningen tussen [eiser 1] en [gedaagde] tot stand zijn gekomen (lening A t\u002Fm C) en één gezamenlijke lening (lening D) tussen enerzijds [eisers] en anderzijds [gedaagde] en zijn echtgenote, mevrouw [naam] (hierna: [naam] ). Volgens [eisers] zijn alle vier de leningen niet tijdig en niet volledig afgelost. [eisers] heeft in januari 2026, met verlof van de voorzieningenrechter te Amsterdam, conservatoir beslag gelegd op de bankrekeningen en (de onverdeelde helften van) de woning van [gedaagde] en [naam] , waarna zij [gedaagde] heeft gedagvaard.\n\n3. Het geschil in het incident\n\n3.1.. \n [gedaagde] vordert in het incident - samengevat - dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:\n\n [eisers] in de gelegenheid stelt om [naam] alsnog als partij in het geding in de hoofdzaak te betrekken door oproeping op de voet van artikel 118 Rv tegen een door de rechtbank te bepalen roldatum,\n\neen roldatum bepaalt op welke [gedaagde] de conclusie van antwoord dient te nemen,\n\n [eisers] veroordeelt in de kosten van het incident te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n3.2.. \n [eisers] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de incidentele vordering van [gedaagde] , met een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het incident te vermeerderen met de wettelijke rente. Verder verzoekt zij de rechtbank te bepalen dat [gedaagde] zijn conclusie van antwoord in de hoofdzaak binnen twee weken na de datum van dit vonnis dient te nemen, dan wel binnen een door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijn.\n\n3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling in het incident\n\n4.1.. \n [gedaagde] stelt dat [naam] alsnog bij de hoofdzaak moet worden betrokken, omdat ten aanzien van de gestelde lening D sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Het is namelijk noodzakelijk dat de beslissing ten aanzien van lening D voor alle betrokkenen in dezelfde zin luidt, net zoals de op grond daarvan ingestelde vordering zoals vergoeding van de beslagkosten. Daarnaast heeft [eisers] in de dagvaarding ook stellingen ingenomen over de juridische positie van [naam] en de door haar verrichte betalingen. Verder heeft [eisers] beslag gelegd ten laste van [naam] , terwijl de eis in de hoofdzaak daarna niet tegen haar is ingesteld. Door haar niet te dagvaarden, ontneemt [eisers] [naam] de mogelijkheid om bijvoorbeeld een reconventionele vordering in te stellen tegen het gelegde beslag, aldus steeds [gedaagde] .\n\n4.2.. \n [eisers] betwist dat er sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Zij stelt dat daarvan slechts sprake is als het rechtens noodzakelijk is dat de uitspraak voor alle betrokkenen gelijkluidend is. In deze zaak hebben [gedaagde] en [naam] zich hoofdelijk verbonden voor het terugbetalen van lening D. Deze hoofdelijkheid maakt dat [eisers] een zelfstandig vorderingsrecht heeft jegens [gedaagde] voor het geheel, ongeacht de (eventuele) interne draagplicht tussen [gedaagde] en [naam] . Voor zover er geen sprake zou zijn van hoofdelijkheid maar van pluraliteit van schuldenaren, geldt evenmin dat er sprake zou zijn van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. In dat geval kan de vordering jegens [gedaagde] (gedeeltelijk) toe- of afgewezen worden, zonder dat daarvoor een gelijkluidende beslissing ten aanzien van [naam] vereist is.\n\n4.3.. De rechtbank is van oordeel dat op de vorderingen van [eisers] beslist kan worden zonder dat [naam] bij de procedure betrokken wordt. Uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat sprake is van een zogeheten processueel ondeelbare rechtsverhouding als het rechtens noodzakelijk is dat de uitspraak voor alle bij die rechtsverhouding betrokkenen gelijkluidend is.In dat geval moeten ook alle bij die rechtsverhouding betrokken partijen in de procedure worden opgeroepen.\n\n4.4.. In dit geval is er echter geen sprake van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Dat [naam] (hoofdelijk) medeschuldenaar is van lening D maakt niet dat de rechtsverhouding processueel ondeelbaar is. Bij een vordering tegen meer dan één (hoofdelijk verbonden) schuldenaar hoeft namelijk niet tegen alle schuldenaren in gelijke zin te worden beslist.Ook de andere omstandigheden die [gedaagde] aanvoert maken niet dat sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Voor zover die omstandigheden van invloed zijn op de toewijsbaarheid van (delen van) de vordering, maakt dat niet dat het rechtens noodzakelijk is dat de uitspraak voor alle betrokkenen gelijkluidend is. Dat betekent dat het beroep van [gedaagde] op deexceptio plurium litis consortiumniet slaagt en [eisers] niet in de gelegenheid hoeft te worden gesteld om [naam] op te roepen op de voet van artikel 118 Rv.\n\nkosten van het incident\n\n4.5.. \n [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het incident worden veroordeeld. De kosten [eisers] worden begroot op:\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n653,00\n\n(1 punt × tarief II)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n842,00\n\n4.6.. De gevorderde wettelijke rente over de kosten van het incident wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\nvervolg van de hoofdzaak\n\n4.7.. De rechtbank ziet aanleiding om de termijn waarbinnen [gedaagde] zijn conclusie van antwoord in de hoofdzaak dient te nemen, vast te stellen op vier weken na de datum van dit vonnis.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin het incident\n\n5.1.. wijst het gevorderde af,\n\n5.2.. veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het incident van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de kosten van het incident als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\nin de hoofdzaak\n\n5.4.. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 29 juli 2026voor conclusie van antwoord.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. S.A.M. Groot, rechter, bijgestaan door mr. J.G.H. Tonnaer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.\n\n HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:411.\n\n Hof Arnhem-Leeuwarden 13 augustus 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5166 onder verwijzing naar HR 28 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2911 en HR 18 december 2005, ECLI:NL:HR:2015:3637.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6728","2026-07-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:03.551Z",{"id":71,"ecli":72,"slug":73,"caseNumber":44,"courtId":74,"decisionDate":46,"fullText":75,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":76,"sourceTimestamp":77,"parsedAt":51,"updatedAt":78},"655","ECLI:NL:RBNHO:2026:7520","ecli-nl-rbnho-2026-7520",67,"RECHTBANKNOORD-HOLLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nZaaknummer: 12012968 \\ CV EXPL 25-8446\n\nVonnis van 1 juli 2026 (bij vervroeging)\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nte [plaats 1] ,\n\neisende partij in conventie,\n\nverwerende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\ngemachtigde: mr. N. Claassen,\n\ntegen\n\nde besloten vennootschap,\n\nMOBILITY CAR LEASE B.V.,\n\nte Nieuw-Vennep,\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: MCL,\n\ngemachtigde: mr. S. Aartsen.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties;\n\n- de conclusie van antwoord met tegenvordering en producties;\n\n- de conclusie van antwoord in reconventie met een productie;\n\n- de mondelinge behandeling van 10 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt; - de pleitnota van MCL.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Op 13 september 2022 hebben partijen een leaseovereenkomst gesloten met betrekking tot een Volkswagen Golf met kenteken [kenteken 1] (hierna: de Volkswagen). Achter contractvorm is daarin vermeld “Netto operationeel”.\n\n2.2.. In diezelfde periode heeft MCL ook een auto (Citroën C3) aan mevrouw [betrokkene 1] (de toenmalige vriendin van [eiser] ) in lease gegeven.\n\n2.3.. MCL stond op dat moment onder leiding van statutair bestuurder en aandeelhouder [betrokkene 2] .\n\n2.4.. In 2024 is [betrokkene 3] (mede)aandeelhouder en statutair bestuurder van MCL geworden. [betrokkene 2] is in het laatste kwartaal van 2024 ontslagen als statutair bestuurder van MCL.\n\n2.5.. \n [eiser] is van september 2024 tot februari 2025 gedetineerd geweest.\n\n2.6.. Op 26 november 2024 heeft MCL aangifte gedaan van verduistering van de Volkswagen om deze te kunnen traceren.\n\n2.7.. Op 12 december 2024 heeft [betrokkene 4] (de neef van [eiser] ) namens [eiser] contact opgenomen met [betrokkene 2] en gevraagd of hij de afspraken die hij met [eiser] had gemaakt over de afkoop van de Golf aan zijn compagnon [betrokkene 3] had doorgegeven. [betrokkene 2] heeft hier als volgt op gereageerd: “Hi [betrokkene 4] , hij weet dat ik dat heb besproken in augustus. Maar zal hem dit nogmaals doorgeven. Of hij het er mee eens is is een tweede maar dat kun je het best met hem bespreken. Hij is niet onredelijk. Ik werk voorlopig helemaal niet dus kan het zelf niet meer afwikkelen.”\n\n2.8.. \n [betrokkene 3] heeft vervolgens dezelfde dag aan [betrokkene 4] laten weten dat hij het niet met de gemaakte afspraken eens is:\n\n“(…) ik zie niet in waarom ik een auto voor 10k zou verkopen die 25-30k waard is en waarbij er ook nog een opstaande vordering staat van bijna 20k. in mijn ogen loop ik dan bijna 40k mis?”“ik sta voor veel open maar ben niet de Sinterklaas van MCL! Ik eis dan ook bij deze op voorhand de auto met kenteken [kenteken 1] op zodat deze bij ons in het bezit komt!”2.9.. \n [betrokkene 4] heeft daarop aan [betrokkene 3] onder meer het volgende bericht:\n\n“Volgens mij heb je genoeg autos rijden, waarin sander dubieuze zaakjes heeft gedaa. (…) Wil je het opgelost hebben of niet? Je kan mij een auto “eisen” maar ik heb je auto niet (…) In mijn ogen kan je 10k krijgen, of een rare houding naar mij hebben en dsn heb je niks.Kan je een auto gestolen gana opgeven (…) Ook zit [eiser] nog wel een aantal jaartjes vast dus denk niet dat die wakker ligt van je aangifte over een gestolen auto. (…) Dus even een toontje lager zingen makker met je sinterklaas en eisen. (…) Ik ben geen straatschooier (…) Heb jou golfje niet nodig.(…) Misschien even 3 keer nadenken voor dat je degene die iedereen helpt een houdingkje geeft”\n\n2.10.. Eind januari 2025 heeft de politie de Volkswagen in [plaats 2] (voor de deur van het huis van de vader van [eiser] ) aangetroffen. De Volkswagen is vervolgens overgebracht van de politie Rotterdam naar Arnhem.\n\n2.11.. \n [betrokkene 4] heeft op 26 januari 2025 aan [betrokkene 3] bericht:\n\n“Hi [betrokkene 3] Ik heb van [eiser] begrepen dat jullie er uit zijn gekomen omtrent de auto Ik ben tm donderdag in nederland , dus ik kan morgrn of woensdag even langs je rijden Kan je een contract voorbereiden?”\n\n2.12.. \n [betrokkene 3] heeft hier op 27 januari 2025 als volgt op gereageerd: “Dag [betrokkene 4]Min of meer klopt dat inderdaad. De bank is donderdag middag akkoord gegaan met een verkoop van 12500 in in. Ik heb [eiser] daar nog niet over gesproken overigens. Wel is ook afgesproken dat de auto zal worden geëxporteerd en wij de documenten krijgen om de rest bpm terug te vorderen. Kan de auto op naam van [eiser] worden uitgevoerd of een andere naam en waar kan die factuur naar toe worden gestuurd?Betaling moet op onze DFM bank (…) worden bijgeschreven en dan geeft DFM mij de voorbehoud codes en kan ik tenaamstelling maken voor jullie. Gezien vakanties is er op dit moment niemand op kantoor. Ikzelf ben er donderdag weer. Hoor graag wat mogelijk is. Daarna vervallen alle vorderingen van MCL op [eiser] . Die van zijn vriendin blijft doorgaan.”\n\n2.13.. \n [betrokkene 4] heeft daarop dezelfde dag gereageerd:\n\n“Hi [betrokkene 3]Volgens mij is dat niet wat is besproken. Maargoed succes daarmee. Bel eerst maar met [eiser] en dan hoor ik het wel. (…)Maargoed dit is nu de 2e keer dat je me ontloopt als ik in nederland ben. Ik geef het door aan [eiser] . Zo belangrijk is hij niet voor je merk ik. Overigens zie ik eerst een contract tegemoet voordat je een faktuur stuurt. Maar wacht dasr maar mee Lijkt me goed dat je eerst met [eiser] belt. Want ik weet zeker dat hij van wat je nu zegt niet vrolijk word.”\n\n2.14.. \n [betrokkene 3] heeft nog diezelfde dag aan [betrokkene 4] uitgelegd dat de bank niet akkoord ging met een bedrag lager dan € 12.500,00 en dat hij [eiser] daarover had gesproken.\n\n2.15.. \n [betrokkene 4] reageert daarop met:\n\n“Ja dan zal ik je aan advies geven; dan kan je zelf ook de rest bijleggen.Je weet hoe [eiser] is :) Dat excuusje van de bank gaat er bij niemand in ha ha..”\n\n2.16.. Op 11 februari 2025 heeft [betrokkene 3] aan [betrokkene 4] bericht dat de auto terecht is en dat de volgende stap was om de status van de auto als gestolen voertuig eraf te krijgen. Hij bericht verder: “Kun jij laten regelen dat wij de sleutels van de auto Krijgen en dan naar de politie kunnen?? Hoor graag. Volgens mij waren die bij de pa van [eiser] ”En op 12 februari 2025 in antwoord op de vraag van [betrokkene 4] of hij met [eiser] een akkoord heeft omtrent de auto:“Ja 12500 vast bedrag. Maar moet de auto nu eerst vrij krijgen”.\n\n2.17.. Op 14 februari 2025 heeft de RDW de kentekenregistratie van de Volkswagen weer actief gemaakt.\n\n2.18.. Op 19 februari 2025 bericht [betrokkene 3] aan [betrokkene 4] : “Ik wacht nog op de sleutels en accu via zijn pa om alles vrij te krijgen. Politie Arnhem is reeds akkoord (…)”\n\n2.19.. Op 21 februari 2025 heeft [betrokkene 3] een verklaring opgesteld en ondertekend:\n\n“Hierbij verklaart ondergetekende het volgende wat wij gezamenlijk zijn overeengekomen. Mobility Car Lease BV (MCL) verkoopt aan u de Volkswagen Golf (5-d) 2.0tsi r 221kW 4-motion dsg met kenteken [kenteken 2] voor een bedrag van € 12.500 in de BTW in de BPM. Deze verkoop wordt beoogd rond 1 maart 2025 plaats te vinden. Tevens zal door het verkopen van deze auto uw openstaande debiteuren vordering komen te vervallen conform afspraak.De vordering op debiteur mevrouw [betrokkene 1] voor het kenteken [kenteken 3] vallen buiten deze regeling en zult u zoals besproken voldoen.Indien de auto verkocht gaat worden via een onderneming in Spanje, zoals dit is besproken, zal de verkoopprijs exclusief BTW plaatsvinden. Per 1 maart 2025 gaan we uit van een rest BPM bedrag van € 2.698. hierdoor zal de verkoopprijs aan een BTW plichtig ondernemer in Spanje afgerond € 10.800 Ex BTW in BPM bedragen. Wij ontvangen nog wel graag de autosleutels en accu zoals met elkaar besproken, zodat we de auto gezamenlijk met de politie weer bij RDW kunnen vrij krijgen. Deze laatste is inmiddels op de hoogte en zal hier ook aan meewerken.”\n\n2.20.. Op 22 februari 2025 heeft [betrokkene 3] deze verklaring via WhatsApp aan [betrokkene 4] toegezonden.2.21.. Op 22 en 23 februari 2025 heeft [betrokkene 4] namens [eiser] aan [betrokkene 3] gevraagd om de verklaring op meerdere punten te verduidelijken. Daarbij heeft [betrokkene 4] aangegeven “Verhaal th Verhulp hoeft niet in onze overeenkomst want heeft er niks mee te maken”.\n\n2.22.. Op 1 maart 2025 heeft [betrokkene 4] aan [betrokkene 3] bericht:\n\n“ [betrokkene 3] , zullen we deze zaak eens afronden? Je bent erg moeilijk te bereiken , en elke dag dat de auto daar staat komen er opsagkosten bij. En ik ga deze zeker niet betalen, omdat jij niet bereikbaar bent en de auto daar onnodig lang staat. Dus ik denk dat het in beide ons belang is dat we dit afronden”\n\n2.23.. Op 6 maart 2025 heeft [betrokkene 4] aan [betrokkene 3] bericht:\n\n“Me geduld is een beetje op aan t raken”\n\n“Ga je het nog regelen of heb je wat motivatie nodig?”\n\n2.24.. Op 7 maart 2025 heeft [eiser] aan [betrokkene 3] bericht:\n\n“Gaan we die golf regelen of ga je fratsen hebben”\n\n2.25.. \n [betrokkene 3] heeft vervolgens op 7 maart 2025 [eiser] bericht:\n\n“Ik heb intern alles geregeld. Heb alle openstaande vorderingen van [eiser] en Verhulp afgeboekt, totaal 30k. Er zijn geen openstaande schulden en of vorderingen meer over en weer. De Golf heb ik ook als verlies geboekt voor 28k, totaal dus 58k. Hiermee is voor mij het boek gesloten en zoekt de politie maar uit wat ze verder doen. Graag zou ik wel de C3 terug willen. Graag een adres doorsturen waar Autoinspectie deze kan gaan ophalen”\n\n(…)\n\n“Ik zou sleutels krijgen vd golf ik zou betalingen ontvangen etc. Allemaal niet gebeurd. Voor mij is nu het boek gesloten, en ga verder met de business. Alle contracten, als die er al waren, zijn hierbij klaar, en jij hebt geen openstaande facturen meer bij MCL.”\n\n2.26.. \n [eiser] bericht [betrokkene 3] daarna: “Dus je zegt nu dat de deal met de Golf niet doorgaat”, waarop [betrokkene 3] antwoordt:“Ja dat klopt, heb alles nu afgeboekt. boek gesloten.”\n\n2.27.. De Volkswagen is inmiddels in eigendom overgedragen aan een derde.\n\n3. Het geschil\n\nin conventie\n\n3.1.. \n [eiser] vordert na vermindering van eis - samengevat - veroordeling van MCL tot betaling van € 24.563,00, vermeerderd met rente en kosten.\n\n3.2.. \n [eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat MCL tekort is geschoten in haar verplichting tot levering van de Volkswagen, zoals deze uit de koopovereenkomst van 21 februari 2025 voortvloeit. Omdat nakoming van de koopovereenkomst niet langer mogelijk is, is MCL schadeplichtig.\n\n3.3.. MCL voert verweer en MCL concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] .\n\n3.4.. MCL voert aan dat het afgeven van de accu en de sleutels van de Volkswagen aan MCL, alsmede het door [eiser] voldoen van de vordering(en) van MCL op Verhulp, ontbindende voorwaarden waren voor de overdracht van de Volkswagen. [eiser] heeft daaraan niet voldaan en dus heeft MCL de koopovereenkomst op 7 maart 2025 rechtsgeldig buitengerechtelijk ontbonden.\n\n3.5.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\nin reconventie\n\n3.6.. MCL vordert (na verduidelijking van de eis ter zitting) - samengevat - een verklaring voor recht dat [eiser] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst van 21 februari 2025 en een veroordeling van [eiser] tot betaling van de openstaande schuld van Verhulp van € 6.220,97.\n\n3.7.. \n [eiser] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van MCL.\n\n3.8.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nin conventie\n\n4.1.. De kern van dit geschil gaat om de vraag of MCL gerechtigd was om de overeenkomst te ontbinden vanwege een tekortkoming van [eiser] , dan wel of MCL zelf tekort is geschoten door de overeenkomst niet na te komen. Daarvoor is allereerst van belang om vast te stellen wat partijen precies hebben afgesproken.\n\n4.2.. Het antwoord op de vraag wat partijen met elkaar hebben afgesproken, is afhankelijk van wat partijen over en weer hebben verklaard en wat zij in de gegeven omstandigheden uit elkaars verklaringen en gedragingen mochten afleiden. Ook gedragingen van partijen na het sluiten van de overeenkomst kunnen van belang zijn voor de aan de overeenkomst te geven uitleg. Dit wordt ook wel de Haviltex-maatstaf genoemd.\n\n4.3.. De kantonrechter stelt voorop dat de overeenkomst niet los kan worden gezien van de voorgeschiedenis tussen partijen. [eiser] stelt dat hij met [betrokkene 2] (de voormalig statutair bestuurder van MCL en de ex-compagnon van [betrokkene 3] ) in afwijking van gesloten leaseovereenkomst nadere afspraken had gemaakt over de (af)koop van de Volkswagen. [betrokkene 3] kende deze afspraken niet en wilde daar na het vertrek van [betrokkene 2] bij MCL aanvankelijk niets van weten. Dit heeft geleid tot een lange, moeizame, onprettige en op momenten zelfs dreigende discussie tussen partijen. Tegen die achtergrond heeft [betrokkene 3] uiteindelijk ingestemd met verkoop van de Volkswagen aan [eiser] voor een bedrag van € 12.500,00 en het vervallen van alle openstaande schulden van [eiser] bij MCL, kennelijk om een einde te maken aan de ontstane situatie en verdere confrontaties te voorkomen. Vast staat dat de Volkswagen op dat moment een aanzienlijk hogere waarde had. De kantonrechter leidt uit de omstandigheid dat de bank er desondanks mee instemde om de financiering van de auto te beëindigen door verkoop aan [eiser] voor € 12.500,00 af dat (ook) de bank de noodzaak tot snelle sluiting van dit dossier inzag.\n\n4.4.. \n [betrokkene 3] heeft de gemaakte afspraken vervolgens op papier gezet en in de schriftelijke verklaring van 21 februari 2025 (2.19) aangegeven dat MCL zoals besproken de autosleutels en de accu van de Volkswagen wenste te ontvangen, zodat partijen de Volkswagen (samen met de politie) bij de RDW vrij konden krijgen. Hoewel [betrokkene 4] (namens [eiser] ) meerdere opmerkingen over de inhoud van de verklaring heeft gemaakt en verschillende wijzigingen heeft voorgesteld, heeft hij geen bezwaar heeft gemaakt tegen de genoemde afgifte van de sleutels en de accu, zodat MCL ervan mocht uitgaan dat hierover overeenstemming tussen partijen bestond.\n\n4.5.. De kantonrechter is van oordeel dat de afspraak tot afgifte van de sleutels en de accu onlosmakelijk verbonden is met de verkoop van de Volkswagen en moest worden nagekomen voordat de auto aan [eiser] geleverd kon worden. Deze zaken waren immers noodzakelijk om de auto vrij te kunnen krijgen en vervolgens aan [eiser] te leveren. MCL heeft [eiser] daar (via [betrokkene 4] ) op 11, 12 en 19 februari 2025 ook op gewezen. Hoewel geen fatale termijn is overeengekomen, volgt uit de verklaringen van partijen dat zij de verkoop en overdracht van de Volkswagen snel, uiterlijk rond 1 maart 2025 wensten af te ronden.4.6.. Vaststaat dat [eiser] de sleutels en accu van de Volkswagen niet aan MCL heeft afgegeven. Dit levert een tekortkoming aan de zijde van [eiser] op. MCL heeft geen ingebrekestelling aan [eiser] gestuurd. In beginsel is een ingebrekestelling voor het intreden van verzuim wel vereist. De kantonrechter is echter van oordeel het in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs niet van MCL kon worden gevergd om [eiser] in gebreke te stellen. Daartoe is redengevend dat [eiser] zélf de nakoming van de koopovereenkomst heeft gefrustreerd door MCL de noodzakelijke medewerking te onthouden. MCL hoefde er, gezien de voorgeschiedenis en de toon van de herhaalde berichten van (en namens) [eiser] waarin werd aangedrongen op afronding en uitvoering van de overeenkomst, geen vertrouwen meer in te hebben dat [eiser] na ingebrekestelling alsnog tot afgifte van de sleutels en de accu van de Volkswagen zou overgaan. Ook de (dreigende) toon van de berichten van (en namens) [eiser] aan [betrokkene 3] (‘Ga je het nog regelen of heb je wat motivatie nodig?’ en‘of ga je fratsen hebben’) maakt dat van MCL naar redelijkheid en billijkheid geen ingebrekestelling kon worden verlangd. Het verzuim van [eiser] is daarom ingetreden zonder ingebrekestelling.\n\n4.7.. \n [betrokkene 3] stelt dat hij de overeenkomst op 7 maart 2025 buitengerechtelijk heeft ontbonden. [eiser] betwist dit weliswaar, maar de kantonrechter gaat daaraan voorbij. Het bericht van [betrokkene 3] aan [eiser] van 7 maart 2025 (2.25) moet gezien de inhoud daarvan en tegen de achtergrond van de verdere communicatie tussen partijen als een buitengerechtelijke ontbindingsverklaring worden beschouwd en [eiser] had dit redelijkerwijs ook zo moeten begrijpen. Dat heeft hij ook gedaan gezien zijn reactie ‘Dus je zegt nu dat de deal met de Golf niet doorgaat’(2.26).\n\n4.8.. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de tekortkoming van [eiser] ontbinding door MCL van de overeenkomst rechtvaardigde en dat MCL de overeenkomst daarmee op goede gronden buitengerechtelijk heeft ontbonden. De kantonrechter wijst de vordering van [eiser] in conventie dan ook af. De stelling van MCL dat [eiser] (ook) de afspraak dat hij de schuld van Verhulp aan MCL zou betalen moest nakomen voordat MCL de Volkswagen aan [eiser] zou leveren, behoeft in conventie daarom geen bespreking.\n\nin reconventie\n\n4.9.. MCL legt aan haar vordering in reconventie ten grondslag dat [eiser] zich bij de overeenkomst van 21 februari 2025 heeft verplicht de openstaande schuld van Verhulp aan MCL voorafgaand aan de levering van de Volkswagen te betalen. Die verplichting is [eiser] niet nagekomen, op grond waarvan MCL de overeenkomst terecht heeft ontbonden. [eiser] is gehouden de schade die MCL daardoor heeft geleden aan haar te vergoeden. De schade van MCL bedraagt € 6.220,97, het bedrag van de nog altijd openstaande schuld van Verhulp aan MCL.\n\n4.10.. De kantonrechter stelt vast dat de aflossing van de schuld van Verhulp aan MCL door partijen buiten de ‘deal’ over de Volkswagen (waarbij [eiser] de Volkswagen mocht overnemen voor € 12.500,00 en MCL de openstaande vorderingen van MCL op [eiser] zou kwijtschelden) is gehouden. In de verklaring van 21 februari 2025 staat ook expliciet dat de vorderingen van MCL op Verhulp ‘buiten deze regeling vallen’. Dit blijkt verder uit de WhatsApp-correspondentie tussen [betrokkene 3] (17 januari 2025 (2.12): ‘Die [vordering] van zijn vriendin blijft doorgaan.’) en [betrokkene 4] (23 februari 2025 (2.21): ‘Verhaal th Verhulp (…) heeft er niks mee te maken’). De stelling van MCL dat [eiser] gehouden was eerst de schuld van Verhulp in te lossen voordat MCL de Volkswagen aan [eiser] zou (hoeven) leveren, kan de kantonrechter daarom niet volgen. De ontbinding van eerdergenoemde deal heeft dan ook voor deze afspraak geen gevolg gehad en de overeenkomst bestaat in zoverre nog. MCL vordert echter geen nakoming van de gestelde afspraak, maar schadevergoeding wegens toerekenbare tekortkoming door [eiser] . Zonder nadere onderbouwing kan de vordering op deze grondslag niet slagen.\n\n4.11.. De vordering kan ook om andere reden niet worden toegewezen. MCL heeft bij monde van [betrokkene 3] op 7 maart 2025 immers aan [eiser] laten weten dat hij (ook) de schuld van Verhulp heeft afgeboekt en dat hij de zaak daarmee als afgesloten beschouwt. Daarmee is juridisch gezien sprake van een kwijtschelding zoals bedoeld in artikel 6:160 van het Burgerlijk Wetboek. Het vorderingsrecht van MCL op [eiser] ter zake van de schuld van Verhulp is daarmee teniet gegaan. De vordering van MCL tot betaling van € 6.220,97 wordt daarom afgewezen.\n\nde proceskosten in conventie en in reconventie\n\n4.12.. De kantonrechter ziet gelet op de omstandigheden van het geval en het feit dat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, aanleiding om de proceskosten in conventie en reconventie te compenseren. Dat betekent dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\nin conventie\n\n5.1.. wijst de vorderingen van [eiser] af,\n\n5.2.. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,\n\n5.3.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\nin reconventie\n\n5.4.. wijst de vorderingen van MCL af,\n\n5.5.. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,\n\n5.6.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. E. Jochem en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.\n\nDe griffier De kantonrechter\n\n Hoge Raad 3 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 (Haviltex).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7520","2026-06-24T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:41.478Z",{"id":80,"ecli":81,"slug":82,"caseNumber":44,"courtId":83,"decisionDate":60,"fullText":84,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":85,"sourceTimestamp":86,"parsedAt":51,"updatedAt":87},"664","ECLI:NL:GHARL:2026:4226","ecli-nl-gharl-2026-4226",70,"GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden, afdeling civiel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.340.547\u002F01\n\nzaaknummer rechtbank Midden-Nederland 513216\n\narrest van 30 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [appellant]\n\ndie woont in [woonplaats1]\n\ndie hoger beroep heeft ingesteld en bij de rechtbank optrad als eiser\n\nhierna: [appellant]\n\nadvocaat: mr. J.A.I. Verheul te Amsterdam\n\ntegen\n\n1. [geïntimeerde1]\n\ndie woont in [woonplaats2]\n\ndie ook hoger beroep heeft ingesteld en bij de rechtbank optrad als gedaagde\n\nen2. Wiflo Holding B.V.3. Extreme Tenders Holding B.V.4. Extreme Tenders B.V.5. Xtenders Shipyard B.V.6. Xtenders Custom B.V.7. Xtenders Yard B.V.8. Xtenders Carbon Solutions B.V.9. Extreme Tenders Shipyard B.V.10. Extreme Tenders Yard B.V.11. Xtenders Design B.V.12. Xtenders Production B.V.13. Xtenders Superyacht Solutions B.V.14. Xtenders Services B.V.15. Extreme Electric B.V.\n\ndie allen zaken doen in Almere en die bij de rechtbank optraden als gedaagden\n\nhierna samen: [geïntimeerden]en ieder afzonderlijk[geïntimeerde1]enXtenders c.s.\n\nadvocaat: mr. L.M. Noordzij te Amsterdam\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\n [appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, op 11 oktober 2023tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:\n\n• de dagvaarding in hoger beroep\n\n• de memorie van grieven tevens houdende wijziging van eis\n\n• de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep\n\n• de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep\n\n• de akte overlegging producties van [geïntimeerden]\n\n• de akte overlegging producties van [appellant]\n\n• het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 12 mei 2026 is gehouden.\n\nNa de mondelinge behandeling hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.\n\n2. De kern van de zaak\n\n [appellant] had een overeenkomst tot de bouw van een schip op maat. Die overeenkomst is ontbonden en zijn vordering tot terugbetaling van het al betaalde bedrag is toegewezen. Omdat de bouwende vennootschap geen verhaal meer bood, is [appellant] een aansprakelijkheidsprocedure gestart tegen [geïntimeerde1] en Xtenders c.s. De rechtbank heeft geoordeeld dat [geïntimeerde1] persoonlijk een ernstig verwijt treft en hem veroordeeld tot betaling van een deel van het gevorderde bedrag. De rechtbank heeft de vordering tegen Xtenders c.s. afgewezen. [appellant] wil dat zijn vordering alsnog volledig wordt toegewezen, zowel tegen [geïntimeerde1] als tegen Xtenders c.s. [geïntimeerde1] wil dat de tegen hem toegewezen vordering alsnog volledig wordt afgewezen. Dit alles zal hierna worden beoordeeld. Eerst zal worden beschreven wat de relevante feiten zijn en wat bij de rechtbank aan de orde was en door haar is beslist.\n\n3. De feiten\n\nHet hof gaat uit van de volgende feiten.\n\n3.1. Extreme Tenders Custom B.V. (hierna: ETC) richt zich op het (op maat) bouwen en verkopen van vaartuigen, tenders geheten. Deze tenders worden gewoonlijk gebruikt door bezitters van (super)jachten om van en naar hun jacht te komen.\n\n3.2. \n [geïntimeerde1] is (enig) statutair bestuurder van ETC. Enig aandeelhouder van ETC is Extreme Tenders Holding. Enig aandeelhouder van Extreme Tenders Holding is Wiflo Holding. [geïntimeerde1] is enig aandeelhouder van Wiflo Holding en enig bestuurder van zowel Wiflo Holding als Extreme Tenders Holding.\n\n3.3. \n\nDe partijen 4. t\u002Fm 15. zijn zustervennootschappen van ETC. Ook van deze\n\nvennootschappen is [geïntimeerde1] enig bestuurder en, via Wiflo Holding en Extreme Tenders Holding, enig aandeelhouder.\n\n3.4. Op 18 maart 2018 heeft [appellant] met ETC een koopovereenkomst (hierna: ‘de koopovereenkomst’) gesloten. Daarbij heeft [appellant] van ETC gekocht een op maat te bouwen carbon vaartuig, de Custom XTender 12.3M, building [nummer] (hierna ‘het vaartuig’ te noemen). De koopprijs bedroeg € 800.013. ETC had op dat moment geen activiteiten.\n\n3.5. ETC was een ‘special purpose vehicle’ dat wil zeggen dat alleen de bouw van dit vaartuig daarin werd uitgevoerd. Alle betalingen door de klant zijn bestemd voor die bouw en alles wat wordt gebouwd, is bestemd voor de klant.\n\n3.6. In de koopovereenkomst (artikel A-4) is bepaald dat het vaartuig zal worden geleverd twaalf maanden nadat de eerste betaling is ontvangen. In artikel A-7 is een betaalschema opgenomen voor de termijnbetalingen die verschuldigd worden nadat een bepaalde fase in de bouw van het vaartuig is aangevangen of afgerond. De betreffende termijn moet betaald worden tien dagen na ontvangst van de factuur. Als tijdige betaling uitblijft, zo bepaalt dit artikel verder, mag ETC verdere werkzaamheden opschorten.\n\n3.7. \n\nHet eerste bedrag van € 80.000, dat na het tekenen van de koopovereenkomst\n\nverschuldigd werd, is door [appellant] betaald (betaling i.) en op 22 maart 2018 in goede orde door ETC ontvangen. De leverdatum van het vaartuig was daarmee aanvankelijk 22 maart 2019.\n\n3.8. Na de eerste betaling heeft [appellant] in de periode tot en met 11 februari 2019 nog vijf facturen van ETC betaald, in totaal € 520.000, te weten:\n\n 12 oktober 2018 t.b.v. ‘acceptance final design’ ad € 80.000\n\n 30 oktober 2018 t.b.v. ‘start carbon production’ ad € 160.000\n\n 14 januari 2019 t.b.v. ‘order engine’ ad € 80.000\n\n 14 januari 2019 t.b.v. ‘start paintjob hull’ ad € 120.000 en\n\n 11 februari 2019 t.b.v. ‘delivery engine’ ad € 80.000.\n\nIn totaal heeft [appellant] vanaf maart 2018 tot en met februari 2019 € 600.000 betaald.\n\n3.9. ETC heeft de door haar van [appellant] ontvangen bedragen – op € 1.026 na – vrijwel onmiddellijk overgemaakt aan Extreme Tenders Holding (partij 3.) en Extreme Tenders (partij 4.), te weten:\n\n€ 40.000 op 29 maart 2018 aan Extreme Tenders (na betaling i.)\n\n€ 39.974 op 3 april 2018 aan Extreme Tenders (na betaling i.)\n\n€ 80.000 op 12 oktober 2018 aan Extreme Tenders Holding (na betaling ii.)\n\n€ 159.000 op 31 oktober 2018 aan Extreme Tenders Holding (na betaling iii.)\n\n€ 200.000 op 6 februari 2019 aan Extreme Tenders Holding (na betalingen iv. en v.)\n\n€ 50.000 op 28 februari 2019 aan Extreme Tenders Holding (na betaling vi.) en\n\n€ 30.000 op 1 maart 2019 aan Extreme Tenders Holding (na betaling vi.).\n\n3.10. In februari en maart 2019 heeft [appellant] viermaal bij [geïntimeerde1] geïnformeerd naar de voortgang van de bouw van het vaartuig.\n\n3.11. Op 26 april 2019 heeft [appellant] bij [geïntimeerde1] aangedrongen om de huidige situatie toe te lichten. Op 29 april 2019 heeft [geïntimeerde1] aan [appellant] geantwoord dat aflevering in juli 2019 niet mogelijk is, dat de planning is aangepast en dat het vaartuig in december 2019 zal worden geleverd. [geïntimeerde1] stelt vervolgens voor dat [appellant] in het seizoen 2019 een ander vaartuig van hen gaat gebruiken.\n\n3.12. \n [appellant] heeft de koopovereenkomst in een e-mail aan [geïntimeerde1] van 1 mei 2019 ontbonden en aanspraak gemaakt op terugbetaling van het al betaalde bedrag.\n\n3.13. Op 4 juni 2019 heeft [appellant] rechterlijk verlof verkregen voor het leggen van conservatoir derdenbeslag op de bankrekening van ETC, waarop [appellant] de termijnbetalingen van in totaal € 600.000 had overgemaakt. Het beslag heeft geen doel getroffen omdat de bankrekening geen saldo had.\n\n3.14. Op 14 juni 2019 heeft [appellant] ETC gedagvaard voor de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam, en onder meer gevorderd een verklaring voor recht dat hij de koopovereenkomst terecht heeft ontbonden, en daarnaast veroordeling van ETC tot (terug)betaling van € 600.000 alsmede tot vergoeding van de door hem geleden schade.\n\n3.15. \n\nOp 23 januari 2020 heeft [appellant] rechterlijk verlof gekregen voor het (opnieuw) leggen van conservatoir derdenbeslag op de bankrekening van ETC en voor het leggen van conservatoire beslagen op het vaartuig, de daarbij horende bootmotoren en een drietal “pre-owned” vaartuigen. Op 27 januari 2020 is het conservatoir derdenbeslag gelegd op de\n\nbankrekening van ETC. Wederom heeft het beslag geen doel getroffen omdat er geen saldo was. Op 27 januari 2020 heeft de deurwaarder in de werkplaats van ETC conservatoir beslag gelegd op het in aanbouw zijnde vaartuig, type Xtenders 12.3M, waarop [nummer] was geschreven. De deurwaarder is er niet in geslaagd beslag te leggen op twee bootmotoren, omdat het hem niet duidelijk werd (gemaakt) waar deze zich bevonden. Op 29 januari 2020 heeft de deurwaarder in de Jachthaven [plaats1] conservatoir beslag gelegd op twee schepen (hierna: ‘de schepen’) die eerder door ETC op haar website te koop waren aangeboden. Het gaat om twee ‘pre-owned’ tenders, één type Xtenders 12.3m met [registratienummer1] , en één type Xtenders 8.3m, met [registratienummer2] . Op 6 maart 2020 heeft de deurwaarder geconstateerd dat de twee schepen waarop op 29 januari 2020 beslag was gelegd, uit de jachthaven waren verdwenen.\n\n3.16. Het onafgebouwde vaartuig met opschrift ‘ [nummer] ’ is door ETC op enig moment verkocht aan Xtenders Production B.V. (partij 12.) die daarbij een beroep heeft gedaan op verrekening van de koopprijs met een vordering op ETC. Het vaartuig is afgebouwd en vervolgens door Xtenders Yard B.V. (partij 7.) aan een ander verkocht.\n\n3.17. Op 21 juli 2020 heeft [appellant] verlof gekregen voor het leggen van conservatoir beslag onder ETC op roerende zaken. Op 30 juli 2020 heeft de deurwaarder beslag gelegd ten laste van ETC op in het proces-verbaal omschreven roerende zaken, waaronder gereedschappen, een tweetal tenders in aanbouw, drie voltooide tenders en boottrailers.\n\n3.18. Op 3 juli 2020 heeft [appellant] , na daartoe op 2 juli 2020 verkregen rechterlijk verlof, conservatoir derdenbeslag gelegd onder [geïntimeerde1] ten laste van Wiflo Holding.\n\n3.19. In een vonnisvan 23 oktober 2020 heeft de kantonrechter in Amsterdam de in rov. 3.14 weergegeven vorderingen toegewezen, onder veroordeling van ETC in de beslagkosten van € 1.104,46 en de proceskosten van € 5.989,51, te vermeerderen met nakosten van € 131 en € 68. Tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld. ETC biedt geen verhaal.\n\n4. Het geschil en de beslissing van de rechtbank\n\n4.1. \n [appellant] heeft bij de rechtbank gevorderd dat:\n\ni) [geïntimeerde1] en Xtenders c.s. hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van schade die [appellant] heeft geleden en nog zal lijden, primair tot een bedrag van € 600.000, te vermeerderen met rente vanaf de dag der dagvaarding en subsidiair nader op te maken bij staat;\n\nii) [geïntimeerde1] wordt veroordeeld tot betaling van beslagkosten van € 5.476,37;\n\niii) Wiflo Holding wordt veroordeeld tot betaling van beslagkosten van € 5.476,37;\n\nmet hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde1] en Wiflo Holding in de kosten van de procedure, een vergoeding voor nakosten daaronder begrepen, te vermeerderen met wettelijke rente.\n\n4.2. De rechtbank heeft op 11 oktober 2023 de vordering (i) tot een beloop van € 415.619,20, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 augustus 2020, tegen [geïntimeerde1] toegewezen. [geïntimeerde1] is verder veroordeeld in de beslagkosten en de proceskosten. De vorderingen zijn voor het overige afgewezen. [geïntimeerde1] heeft op 28 maart 2024 aan dit vonnis voldaan.\n\n4.3. De bedoeling van het hoger beroep van [appellant] is dat wat van zijn vorderingen is afgewezen, alsnog wordt toegewezen. [appellant] heeft daarbij zijn vordering gewijzigd en vermeerderd als het gaat om sub (i) de gevorderde ingangsdatum van de wettelijke rente en daarnaast (iv) gevorderd dat [geïntimeerde1] en Xtenders c.s. hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van de ten laste van ETC toegewezen vergoeding van beslag- en proceskosten van € 1.104,46, € 5.989,51, € 131 en € 68.\n\n4.4. De bedoeling van het hoger beroep van [geïntimeerde1] is dat de tegen hem toegewezen vorderingen alsnog worden afgewezen en dat [appellant] wordt veroordeeld tot terugbetaling van wat [geïntimeerde1] op basis van het vonnis van 11 oktober 2023 aan hem heeft betaald, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 28 maart 2024.\n\n5. Het oordeel van het hof\n\nInleiding\n\n5.1. Het hof zal oordelen dat het hoger beroep van [appellant] grotendeels slaagt en dat het gehele door hem aanbetaalde bedrag moet worden vergoed, maar niet door alle partijen die hij daarvoor aansprakelijk houdt. Dat wordt hierna uitgelegd. De bezwaren (grieven) van partijen zullen daarbij thematisch worden behandeld.\n\nBevoegdheid en toepasselijk recht\n\n5.2. Omdat [appellant] in [land1] woont, heeft deze zaak een internationaal karakter. De internationale bevoegdheidsregels zijn in procesrechtelijke zin van openbare orde. Het hof dient daarom eerst ambtshalve te onderzoeken of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vorderingen kennis te nemen. Aangezien de verwerende partijen [geïntimeerden] in een EU-land (Nederland) zijn gevestigd \u002F wonen, moet de vraag of de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegdheid toekomt, worden beantwoord aan de hand van de Verordening Brussel I-bis.Deze bevoegdheid kan in dit geval (onder meer) worden gebaseerd op artikel 4 Verordening Brussel I-bis. Partijen hebben ook niet iets anders gesteld. De Nederlandse rechter is daarmee bevoegd.\n\n5.3. Tegen de impliciete vaststelling van de rechtbank dat op dit geschil Nederlands recht van toepassing is, hebben de partijen geen bezwaar gericht. Partijen hebben ook zelf Nederlandse wetsartikelen ingeroepen. Het hof is met partijen van oordeel dat het Nederlands recht hier van toepassing isen het zal de zaak dan ook naar Nederlands recht beoordelen.\n\nWijziging van eis\n\n5.4. De in rov. 4.3 bedoelde eisvermeerdering heeft processueel op het juiste moment plaatsgevonden en [geïntimeerden] hebben daartegen als zodanig geen bezwaar gemaakt. Ook ambtshalve ziet het hof geen reden deze eiswijziging buiten beschouwing te laten.\n\nBestuurdersaansprakelijkheid [geïntimeerde1]\n\n5.5. \n [appellant] stelt allereerst dat [geïntimeerde1] als bestuurder van onder meer ETC op grond van onrechtmatige daad persoonlijk aansprakelijk moet worden gehouden voor het door de ETC onbetaald laten van de onherroepelijk door de kantonrechter toegewezen terugbetaling van € 600.000.\n\nMaatstaf aansprakelijkheid\n\n5.6. De vordering van [appellant] betreft een vordering jegens [geïntimeerde1] als bestuurder van ETC, omdat [appellant] benadeeld is door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van zijn vordering op ETC.\n\n5.7. Ter zake van deze benadeling zal naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt.In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijtkan worden gemaakt. Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt als zojuist bedoeld kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval.\n\n5.8. Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak de maatstaf aanvaard dat persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden. [appellant] heeft zijn vordering niet gebaseerd op schending van deze zogenoemde ‘Beklamel-norm’, zodat het hof die verder buiten beschouwing zal laten.\n\n5.9. In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen.In de onder (ii) bedoelde gevallen draait het, kort gezegd, om frustratie van betaling en verhaal.\n\nStelplicht en bewijslast\n\n5.10. De stelplicht en, bij betwisting, de bewijslast voor de feiten en omstandigheden waarop het beroep op bestuurdersaansprakelijkheid is gebaseerd, rusten in beginsel op [appellant] als partij die zich op deze grondslag beroept (artikel 150 Rv). In geval als dit, waarin een partij die schade lijdt door wanprestatie van een vennootschap daarom verhaal zoekt op de bestuurder tevens (middellijk) enig aandeelhouder van die vennootschap, geldt niet een bijzondere regel van bewijslastverdeling, die meebrengt dat degene die volledige zeggenschap over de vennootschap heeft, wordt belast met het bewijs.\n\nUitgangspunt\n\n5.11. De betalingsverplichting van ETC staat definitief vast. Die is in een vonnis van 23 oktober 2020 (zie rov. 3.19) vastgesteld en die beslissing is onherroepelijk geworden. Daarmee moet in deze procedure worden uitgegaan van de verschuldigdheid door ETC van het in dat vonnis toegewezen bedrag van € 600.000. [geïntimeerden] . kunnen in deze procedure niet opnieuw discussie voeren over de verschuldigdheid van dat bedrag omdat zij niet worden aangesproken voor dat verschuldigde bedrag als zodanig, maar voor de schade die [appellant] door hun handelen heeft geleden. Tegen dat laatste, op een onrechtmatig handelen gebaseerd verwijt kunnen en mogen zij zich ook ten volle verweren. Voor zover [geïntimeerden] menen dat niet van een betalingsverplichting van ETC kan worden uitgegaan en daarom al het verwijt van [appellant] onjuist is, faalt dat. Dat het in kracht van gewijsde gegane vonnis van 23 oktober 2020 tegenover [geïntimeerden] geen gezag van gewijsde heeft, maakt een en ander niet anders.\n\nOnrechtmatig handelen van [geïntimeerde1]\n\n5.12. Voorop staat dat het Xtender-concern in wezen een eenpersoonsconcern is. [geïntimeerde1] is van alle vennootschappen de enig bestuurder en via Wiflo Holding en Extreme Tenders Holding de enig aandeelhouder. Uit het navolgende blijkt ook dat de onderneming van [geïntimeerde1] om een ‘custom made’-vaartuig te bouwen, hoewel ingericht over meerdere vennootschappen, feitelijk één geheel is. Al deze vennootschappen treden naar buiten onder dezelfde handelsnaam en zijn gevestigd op hetzelfde adres en zijn bereikbaar via hetzelfde mailadres en telefoonnummer. Naar verklaring van [geïntimeerde1] tijdens de mondelinge behandeling wordt het terrein met bedrijfsgebouwen gehuurd door Extreme Tenders Holding die dat ter beschikking stelt aan de andere vennootschappen. Deze vennootschap heeft naar zeggen van [geïntimeerde1] ook de machines en de gereedschappen van de Xtenders-onderneming in eigendom. Het personeel van de onderneming is per 1 juni 2018 overgeheveld van Extreme Tenders (verwerende partij 4.) naar Xtenders Design (verwerende partij 11.). Via Xtenders Production (verwerende partij 12.) wordt de inkoop van al het benodigde materiaal gedaan en extern personeel ingeleend. De administratie van een en ander wordt op holding-niveau gedaan, waarna periodiek – zo blijkt ook uit de door [geïntimeerde1] overgelegde rapportages van de accountant – de doorbelasting van kosten e.d. via rekening-courantverhoudingen tussen de verschillende vennootschappen plaatsvindt. Alle hier niet-benoemde vennootschappen zijn volgens [geïntimeerde1] dan de ‘special purpose vehicles’, waarbinnen conform specifieke wensen van een klant een vaartuig wordt gebouwd.\n\n5.13. \n [appellant] heeft zijn overeenkomst gesloten met ETC, die is ingezet als zo’n ‘special purpose vehicle’ oftewel een projectvennootschap. In dat verband is overeengekomen dat [appellant] in termijnen de bouw van het vaartuig voorfinanciert. Hoewel geen bankgaranties of zekerheden zijn verstrekt, is, zo staat tussen partijen vast, met deze handelwijze bedoeld [appellant] te beschermen: zijn betalingen zijn alleen bedoeld voor de bouw van het vaartuig en alles wat gebouwd wordt, is voor hem bestemd. Dit betekent dat alles wat door [appellant] wordt betaald, aan de bouw van het vaartuig moet worden besteed. Het gegeven dat ETC een projectvennootschap was met bijhorende specifieke besteding van de ter beschikking gestelde gelden, die afhankelijk waren van de voortgang van de bouw (vgl. rov. 3.6) brengt mee dat verwacht mocht worden dat ETC een projectadministratie zou voeren en dienovereenkomstig verantwoording zou kunnen afleggen.\n\n5.14. In dit geval moet worden vastgesteld dat van meet af aan anders is gehandeld dan met [appellant] is afgesproken en hij redelijkerwijs mocht verwachten. De van [appellant] ontvangen gelden zijn onmiddellijk doorbetaald aan andere vennootschappen van de Xtender-onderneming. Uit de overgelegde rapportages van de accountant blijkt dat dit is gedaan om te voorzien in de liquiditeitsbehoefte van andere onderdelen van de onderneming. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is door [geïntimeerde1] verklaard dat ETC ten behoeve van de bouw geen projectadministratie bijhield. De administratie van de gehele onderneming werd op holding-niveau gedaan, waarna achteraf via de tussen de vennootschappen bestaande rekening-courantverhoudingen gemaakte kosten e.d. werd toe- en\u002Fof afgerekend. Op basis waarvan dat plaatsvond, is niet duidelijk geworden.\n\n5.15. Immers, niet kenbaar zijn vóóraf met de andere vennootschappen van de Xtender-onderneming die bij de bouw van het vaartuig betrokken werden, afspraken gemaakt over kosten, uren en tarieven e.d. Er is ook niet kenbaar vooraf een kostprijscalculatie van de bouw van het vaartuig gemaakt. Verder is de financiële verantwoording van een en ander zoals die blijkt uit de verkorte balansen van ETC aangaande 2018 en 2019 ondoorzichtig; op de balans 2018 staat in essentie niet meer dan dat ETC (aan actiefzijde) een voorraad had van € 319.211 en (aan passiefzijde) een schuld van € 320.000. Hoe zich dit per einde 2018 verhoudt tot de voortgang van de bouw van het vaartuig (zo werd de romp van carbon op dat moment geproduceerd bij een derde) en tot de omvang van wat [appellant] al had aanbetaald, is onduidelijk gebleven. Uit de balans 2018 blijkt verder dat ETC voorafgaand aan het sluiten met de overeenkomst met [appellant] op 18 maart 2018 een schuld\u002Fnegatief eigen vermogen had van € 13.285. Hoe zich dit verhoudt met de met [appellant] overeengekomen bescherming van alles wat hij zou aanbetalen zoals hiervoor in rov. 5.13 is uiteengezet, is niet door [geïntimeerde1] uitgelegd.\n\n5.16. Het voorgaande verklaart waarom de besteding van de door [appellant] aanbetaalde bedragen niet helder is geworden en dat [geïntimeerde1] (ook) daarover tegenstrijdige stellingen heeft ingenomen. In eerste instantie heeft [geïntimeerde1] met beroep op een op 10 februari 2021 opgestelde proef- en saldibalans betoogd dat (zeker) € 680.990,50 is besteed aan de bouw van het vaartuig, waarna de door hem ingeschakelde accountant heeft gesteld, na onder meer toerekening van uren en kosten – al dan niet op basis van schatting, dat uitgegaan moet worden van € 576.989 in totaal. In dat bedrag zijn begrepen, zo is tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep bevestigd, ook alle uren die volgens [geïntimeerde1] zijn besteed ter wijziging van het ontwerp nadat de overeenkomst met [appellant] was opgesteld. Over die extra uren is [geïntimeerde1] verder weinig helder geweest; eerst is gesteld dat die uren een waarde hadden van tenminste de omvang van de koopsom van € 139.128 voor de romp en de twee motoren, terwijl in zijn memorie van antwoord die extra kosten op € 113.000 worden gesteld. Volgens [geïntimeerde1] gaven die extra kosten\u002Furen hem het recht om bedoelde koopsom te verrekenen in plaats van feitelijk aan ETC te betalen. Volgens de opgaaf van zijn eigen accountant dekten de aanbetalingen van [appellant] van € 600.000 in totaal echter alles al wat aan materiaal, inkoop en uren was besteed aan de bouw van het vaartuig. Hierop komt het hof hierna in rov. 5.19 nog terug. Hoe dan ook zijn de stellingen over wat is besteed aan de bouw van het vaartuig, zo al niet tegenstrijdig, niet sluitend.\n\n5.17. Het onmiddellijk doorbetalen van de van [appellant] ontvangen bedragen maakt – naast de kennelijk ongestructureerde bouw van het vaartuig – in voldoende mate aannemelijk dat daardoor ook onmiddellijk vertraging in de voortgang van de bouw ontstond. Daardoor was van meet af aan voorzienbaar dat ETC niet op het afgesproken moment zou kunnen leveren. [geïntimeerde1] had er dus al vanaf de eerste doorbetaling serieus rekening mee moeten houden dat [appellant] de vertraging in de levering van het vaartuig niet zou accepteren en conform wat daarover in de overeenkomst was afgesproken, de overeenkomst zou ontbinden.\n\n5.18. Anders dan [geïntimeerde1] aanvoert, is de vertraging niet in relevante mate terug te voeren op door hem gestelde en door [appellant] bestreden (substantiële) wijzigingen in het ontwerp van het vaartuig. Allereerst geldt dat in het vonnis van 23 oktober 2020, dat ook op dit aspect het hof tot uitgangspunt dient, is beslist dat ETC nog in mails van 8 en 18 mei 2028 heeft bevestigd dat op 19 maart 2018 zou worden geleverd (rov. 19) en dat als onvoldoende onderbouwd moet worden voorbijgegaan aan de stelling van ETC dat partijen mondeling zijn overeengekomen dat de levering tot juli 2019 werd uitgesteld (rov. 21). Verder is in dat vonnis vastgesteld dat gesteld noch gebleken is dat ETC naar aanleiding van gestelde wijzigingen in het ontwerp [appellant] (schriftelijk) erop heeft gewezen dat de overeengekomen leverdatum hierdoor zou worden vertraagd en evenmin dat ETC voor de gestelde wijzigingen aan [appellant] extra kosten in rekening heeft gebracht en dat [appellant] in dat verband onbetwist heeft gesteld dat, in het geval ETC naar aanleiding van een verzochte wijziging heeft gezegd dat die wijziging tot extra kosten leidde, hij daarvan heeft afgezien (rov. 32). Het hof heeft, gezien het voorgaande, geen reden om in de aansprakelijkheidsprocedure tegen [geïntimeerde1] van iets anders uit te gaan. Het hof voegt daaraan nog toe dat uit de overeenkomst zelf volgt dat ná het sluiten daarvan per 18 maart 2018 nog ontwerpwerk verricht zou worden. In het in artikel A-7 van de overeenkomst opgenomen betaalschema is immers bepaald dat de tweede termijn van 10% van de koopsom ofwel € 80.000 moet worden betaald bij ‘acceptance final design’. Dat de wijzigingen in – en daarmee het finaliseren van – het ontwerp meer hebben omvat dan waarvan ten tijde van het sluiten van de overeenkomst werd uitgegaan, is onvoldoende toegelicht. Daaraan gaat het hof dan ook voorbij.\n\n5.19. Ten tijde van de ontbindingsverklaring door [appellant] per 1 mei 2019 behoorden in ieder geval de onafgebouwde, inmiddels wel gespoten romp van het vaartuig (met dekplaat, zwemplatform, achterbankdelen en console) en de twee daarvoor aangeschafte motoren tot het vermogen van ETC, zoals beschreven in het taxatierapport van [naam1] van 5 september 2019. De waarde van een en ander is daarbij getaxeerd op € 95.000 excl. btw voor de romp met componenten en € 44.128 excl. btw voor de zich nog in de originele verpakking bevindende motoren, in totaal € 139.128. Van welk waardebegrip daarbij is uitgegaan, blijkt niet uit het rapport, maar evident is dat een en ander voor [geïntimeerde1] als kort gezegd bouwer van tenders een grotere waarde had dan voor een willekeurige derde. Voor alleen al de productie van de carbon romp en het zwemplatform is door de Zweedse leverancier Marstrom € 180.000 en € 20.000 berekend, terwijl de leverancier voor de motoren kort voordien € 51.486 excl. btw heeft gefactureerd. [geïntimeerde1] heeft genoemde zaken door een andere vennootschap (Xtenders Production) van zijn eenpersoonssconcern laten overnemen voor de hiervoor genoemde lagere taxatiewaarde, en het vaartuig afgebouwd. [geïntimeerde1] heeft geen inzicht gegeven in die verdere afbouw, daaronder begrepen de verdere kosten daarvan en de uiteindelijke daarmee gerealiseerde opbrengst. Gelet op de voor Xtenders Production gehanteerde koopsom moet het er echter voor gehouden worden dat [geïntimeerde1] met deze transactie een aanzienlijke besparing op de bouwkosten van die andere tender heeft gerealiseerd, die hij anders – dus als [appellant] niet om reden van het tekortschieten van ETC de overeenkomst had ontbonden – niet had gerealiseerd. Het laten toevallen van dat voordeel aan een andere vennootschap van zijn onderneming in plaats van aan [appellant] aan wie hij – via ETC – had terug te betalen, maakt dat ook deze handelwijze verwijtbaar onzorgvuldig is geweest tegenover [appellant] . Daarbij komt dat [geïntimeerde1] de tot uitgangspunt genomen koopsom van € 139.128 niet aan ETC heeft betaald maar met een beroep op een tegenvordering door Xtenders Production heeft doen behouden. Die tegenvordering is echter gefingeerd. In rov. 5.16 is immers al vastgesteld dat [appellant] al meer ter voorfinanciering had aanbetaald dan wat door de accountant van [geïntimeerde1] aan kosten van materiaal, inkoop en bestede uren aan de bouw van het vaartuig is toegerekend, zodat geen tegenvordering bestond, nog daargelaten de wisselende bedragen die daarvoor zijn gesteld. Daarbij komt dat ETC een eventuele vergoeding voor meer bestede uren aan design en engineering in beginsel verschuldigd zou zijn aan Xtenders Design omdat naar [geïntimeerde1] zelf heeft verklaard zijn personeel in dienst is bij die vennootschap. Dat Xtenders Production dan toch daarvoor een vordering zou hebben, is van iedere uitleg verstoken gebleven. Een en ander kan naar het oordeel van het hof geen andere conclusie dragen dan dat [geïntimeerde1] welbewust zijn eigen belang voorop heeft gesteld door een andere vennootschap van hem te bevoordelen en ETC ten koste van [appellant] te ontdoen van voor verhaal vatbare goederen en\u002Fof middelen. [geïntimeerde1] heeft ook in dat opzicht hoogst onzorgvuldig en verwijtbaar gehandeld.\n\n5.20. In de gegeven omstandigheden wist [geïntimeerde1] al onmiddellijk na de ontvangst van de (eerste) betaling(en) van [appellant] , dan wel moest hij begrijpen, dat bij een ontbinding van de overeenkomst ETC een verplichting tot terugbetaling van alles wat [appellant] ter voorfinanciering van de bouw van het vaartuig ter beschikking had gesteld, niet zou kunnen nakomen en daarvoor geen verhaal zou bieden. Ook na de ontbindingsverklaring heeft [geïntimeerde1] hoogst onzorgvuldig gehandeld door ETC te ontdoen van haar laatste vermogensbestanddelen en door te handelen zoals hierna wordt omschreven in rov. 5.37 met betrekking tot frustratie van verhaal op hem persoonlijk. [geïntimeerde1] kan daarom in zijn hoedanigheid van bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt worden gemaakt. Hij heeft geen feiten aangevoerd die – indien bewezen – alsnog kunnen leiden tot het oordeel dat het aan hem te maken verwijt niet voldoende ernstig is. [geïntimeerde1] heeft aldus ernstig verwijtbaar onrechtmatig tegenover [appellant] gehandeld en is aansprakelijk voor de schade die [appellant] daardoor heeft geleden.\n\nRelativiteit\u002Fcausaal verband\u002Fschade\n\n5.21. Wat betreft de schade die [appellant] heeft geleden die aan [geïntimeerde1] moet worden toegerekend, geldt het volgende. De norm die door [geïntimeerde1] is geschonden, strekte bij uitstek tot bescherming van de (financiële) belangen van [appellant] . Doordat de voor de bouw van [appellant] ’s vaartuig betaalde bedragen onmiddellijk zijn doorgeleid naar andere vennootschappen om te voorzien in hun liquiditeitsbehoefte, konden die bedragen niet, zoals afgesproken, worden aangewend voor die bouw, zodat vertraging daarin voorzienbaar was en daarmee het niet halen van de afgesproken leverdatum en bijgevolg een ontbinding van de overeenkomst met een daaruit volgende verplichting tot terugbetaling. Daarmee is voldaan aan het zogeheten relativiteitsvereiste van artikel 6:163 BW.\n\n5.22. Het hof verwerpt verder het verweer van [geïntimeerde1] dat geen causaal verband bestaat tussen zijn onrechtmatig handelen en de door [appellant] gestelde schade. Als het onrechtmatig handelen van [geïntimeerde1] niet zou hebben plaatsgevonden, zou de bouw van het vaartuig niet zijn vertraagd en had ETC het vaartuig op de afgesproken leverdatum kunnen leveren. [appellant] zou daardoor niet de ontbinding van de overeenkomst hebben kunnen inroepen en dus was dan geen terugbetalingsverplichting ontstaan. Daarmee is het causaal verband aanwezig. [geïntimeerde1] heeft ook geen zodanige feiten of omstandigheden gesteld die dit causale verband zouden doorbreken.\n\n5.23. Doordat ETC – op € 1.026 na – alle van [appellant] ontvangen bedragen onmiddellijk heeft doorbetaald aan andere vennootschappen van de eenpersoons-onderneming van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde1] ETC – na de op goede grond ingeroepen ontbinding van de overeenkomst – de romp van het vaartuig, de twee motoren en de overige onderdelen heeft laten overdragen aan een zustervennootschap, onder verrekening van de bepaalde koopsom met, zoals hiervoor is vastgesteld, een fictieve tegenvordering, was daarmee gegeven dat ETC haar verplichting tot terugbetaling van alles wat ter voorfinanciering door [appellant] was betaald (zie rov. 3.7 en 3.8) niet kon nakomen. Dat uitblijvende bedrag is daarmee de omvang van de door [appellant] geleden schade.\n\nEigen schuld\n\n5.24. \n [geïntimeerden] beroepen zich op ‘eigen schuld’ (in de zin artikel 6:101 BW) van [appellant] , kennelijk met als doel dat de schade van [appellant] voor zijn eigen rekening moet worden gelaten. Op [geïntimeerden] rusten de stelplicht en de bewijslast van de feiten die zo’n beroep kunnen dragen.\n\n5.25. \n [geïntimeerden] beroepen zich daartoe op het niet door [appellant] accepteren van een volwaardig en redelijk alternatief voor de te late levering van het vaartuig in de vorm van een leen van een andere tender voor de zomer van 2019. Volgens [geïntimeerden] heeft [appellant] zelf schuld aan het intreden van zijn schade en heeft hij daarmee bovendien zijn plicht geschonden om zijn schade te beperken.\n\n5.26. [geïntimeerden] miskennen hiermee dat in het vonnis in de procedure tegen ETC onherroepelijk is vastgesteld dat [appellant] het recht had om de ontbinding van de overeenkomst met ETC in te roepen en dat [appellant] redelijkerwijs niet valt te verwijten dat hij niet alsnog is ingegaan op een aanbod tot tijdelijke bruikleen van een ander vaartuig (rov. 38. e.v.). Belangrijker is nog dat het hier gaat om een vanaf begin af aan ten onrechte negeren van de ter bescherming van [appellant] overeengekomen constructie om de bouw van het vaartuig onder te brengen in ETC als een ‘special purpose vehicle’. Van dat negeren is [geïntimeerde1] persoonlijk een ernstig verwijt te maken. Ook bij een aanbod als gesteld, had [geïntimeerde1] , zoals hiervoor is vastgesteld, niet mogen handelen zoals hij heeft gedaan, waarbij niet valt in te zien hoe [appellant] een verwijt van dát handelen valt te maken. Daarmee faalt het beroep op eigen schuld van [appellant] .\n\n5.27. Voor zover [geïntimeerden] met dit verweer ook het oog hebben op de omstandigheid dat [appellant] bij het aangaan van de overeenkomst met een daaruit volgende verplichting tot voorfinanciering van de bouw van het vaartuig, geen zekerheden heeft bedongen, faalt dat eveneens. [appellant] mocht immers verwachten dat ETC de aanbetaalde bedragen alleen zou gebruiken voor de bouw van het vaartuig. Hij mocht verder verwachten dat [geïntimeerde1] bij zijn onmiddellijk negeren van de overeengekomen specifieke besteding van de aanbetalingen ernstig rekening zou houden met het mogelijk ontstaan van vertraging in de bouw van het vaartuig met als gevolg een ingeroepen ontbinding en het ontstaan van een terugbetalings-verplichting. Dat [appellant] geen zekerheden voor terugbetaling heeft verkregen, doet daarom niets af van wat hij mocht verwachten en wat van [geïntimeerde1] mocht worden gevergd.\n\nBillijkheidscorrectie\n\n5.28. Daar waar geen eigen schuld van [appellant] kan worden aangenomen als bedoeld in artikel 6:101 BW en dus geen vergoedingsplicht wordt verminderd ofwel schade wordt verdeeld tussen [geïntimeerden] en [appellant] , bestaat er evenmin ruimte voor een billijkheidscorrectie op een verdeling van die schade. Ook dat beroep van [geïntimeerden] . faalt.\n\nMatiging\n\n5.29. Wat betreft het beroep van [geïntimeerden] op matiging van de schadevergoeding, geldt dat niet is onderbouwd dat zij hun vermogen zullen kwijtraken en zij hun zakelijke activiteiten zullen hebben te beëindigen bij toewijzing van de gevorderde schadevergoeding. De omstandigheid dat [appellant] vermogend is, acht het hof geen zelfstandige grond voor matiging. Het gevorderde bedrag komt het hof in de gegeven omstandigheden niet bovenmatig of onevenredig voor, in welk verband geldt dat het niet aannemelijk is (geworden) dat er oorzaken zijn voor de non-betaling door ETC die buiten de invloedsfeer van [geïntimeerde1] liggen. Het is wel aannemelijk dat de non-betaling is veroorzaakt door het handelen van [geïntimeerde1] als hiervoor is vastgesteld. Een en ander leidt ertoe dat het beroep op matiging van de schadevergoeding faalt.\n\nGroepsaansprakelijkheid\n\n5.30. \n [appellant] heeft aangevoerd dat naast [geïntimeerde1] ook Wiflo (als grootmoeder-vennootschap), Extreme Tenders Holding (als moedervennootschap) en de sub 4. tot en met 15. genoemde entiteiten als zustervennootschappen aansprakelijk zijn voor de door [appellant] geleden schade. In de kern voert [appellant] daartoe onder meer aan dat die vennootschappen hebben meegewerkt aan het onttrekken van alle middelen aan ETC.\n\n5.31. In de rechtspraak is aanvaarddat aansprakelijkheid bestaat voor schade die het gevolg is van in groepsverband verrichte handelingen. Daarvoor bestaat grond als de aangesproken groepsleden zich bewust moeten zijn geweest van de kans op schade als gevolg van het onrechtmatige groepsoptreden, wat hen van verdere deelname daaraan had moeten weerhouden. In dit verband is relevant dat wetenschap van een bestuurder van een rechtspersoon in beginsel wordt toegerekend aan die vennootschap.Voor handelingen van een bestuurder is dit niet anders.\n\n5.32. Zoals hiervoor in rov. 5.12 is vastgesteld, handelt [geïntimeerden] met zijn groep vennootschappen als een eenpersoonsconcern. In dat verband zijn door of op instructie van [geïntimeerde1] de door ETC ontvangen bedragen overgeheveld aan Extreme Tenders Holding en Extreme Tenders; dat gebeurde om te voorzien in de liquiditeitsbehoefte van die en andere vennootschappen van dat eenpersoonsconcern. Die vennootschappen profiteerden daarmee van voormelde schending van de aan [appellant] toegezegde bescherming. Hetzelfde geldt voor de overdracht van de romp van het vaartuig, de motoren en diverse onderdelen, aan Xtenders Production en de daaropvolgende doorlevering van een en ander (al dan niet in (geheel of gedeeltelijk) afgebouwde staat aan Xtenders Yard. Deze ook door [geïntimeerde1] geleide vennootschappen hebben geprofiteerd van het gegeven dat de romp en de motoren met diverse onderdelen tegen een lagere waarde zijn overgedragen dan zij ten behoeve van ETC zijn geproduceerd of ingekocht, waarbij de koopsom daarvoor niet feitelijk is betaald aan ETC maar is verrekend met een niet-bestaande tegenvordering. Ook op die wijze heeft [geïntimeerde1] met de niet anders dan als instrumenteel aan te merken inzet van Xtenders Production en Xtenders Yard, geprofiteerd van de ontstane situatie ter zake waarvan hem, zoals vastgesteld, een ernstig persoonlijk verwijt treft. Ook op die wijze is sprake geweest van een gezamenlijk optreden van genoemde vennootschappen via steeds [geïntimeerde1] , wier kennis en handelen aan hen moet worden toegerekend, dat heeft geresulteerd in het ontstaan en blijven voortbestaan van schade bij [appellant] .\n\n5.33. Met een en ander is er voldoende grond om ook de vennootschappen Extreme Tenders Holding, Extreme Tenders, Xtenders Yard en Xtenders Production (verwerende partijen 3., 4., 7. en 12.) aansprakelijk te houden voor de bij [appellant] veroorzaakte schade.\n\n5.34. Behoudens ten aanzien van grootmoedervennootschap Wiflo Holding heeft [appellant] geen steekhoudende reden aangevoerd om de andere zustervennootschappen (verwerende partijen 5., 6., 8 t\u002Fm 11., 13. t\u002Fm 15.) aansprakelijk te houden voor voormelde schade. Gesteld noch gebleken is dat die vennootschappen in enig opzicht hebben geprofiteerd en\u002Fof instrumenteel zijn ingezet als hiervoor is beschreven. In zoverre is de tegen hen gerichte vordering niet toewijsbaar en faalt het hoger beroep van [appellant] .\n\n5.35. Voor zover [appellant] zich richt tegen Wiflo Holding in verband met de onttrekking aan ETC van de door hem ontvangen gelden en\u002Fof van de romp van het vaartuig, de motoren en andere onderdelen, is dat vergeefs. Gesteld noch gebleken is dat deze vennootschap door toedoen van [geïntimeerde1] daarvan heeft geprofiteerd en\u002Fof daarvoor instrumenteel is ingezet.\n\n5.36. Voor zover [appellant] Wiflo Holding aansprakelijk houdt vanwege een schending van een bijzondere zorgplicht, erin bestaande dat zij gehouden was nieuwe opdrachten onder te brengen in ETC en\u002Fof ETC aanvullend had moeten financieren en\u002Fof ten behoeve van ETC kredietruimte had moeten benutten, kan hij daarin niet worden gevolgd. Wiflo Holding is immers (via Extreme Tenders Holding) alleen aandeelhouder en niet ook bestuurder van ETC. Gesteld noch gebleken is dat Wiflo Holding betrokken of ingezet is geweest bij de aan [geïntimeerde1] te verwijten handelwijze, daaronder begrepen de met [appellant] overgekomen inzet van ETC als hem te beschermen ‘special purpose vehicle’. Zonder bijkomende omstandigheden is dan het enkele feit dat Wiflo Holding concernleiding moet worden toegedicht onvoldoende om het onrechtmatig handelen van [geïntimeerde1] ook aan haar toe te rekenen. Daarnaast blijkt uit niets dat Wiflo Holding tegenover [appellant] instond voor kredietwaardigheid van ETC en\u002Fof voor terugbetaling van wat ETC eventueel aan hem verschuldigd zou worden. Ook zo bezien is er geen reden om Wiflo Holding (mede) aansprakelijk te houden voor de omstandigheid dat ETC – door verwijtbaar toedoen van [geïntimeerde1] – niet in staat is [appellant] terug te betalen.\n\n5.37. \n\nDat [geïntimeerde1] in verband met het in rov. 3.18 bedoelde conservatoir beslag een hypothecaire vordering van Wiflo Holding op hem, heeft overgedragen aan de oorspronkelijke geldschieter en die vordering, en daarmee ook de hypothecaire zekerheid met terugwerkende kracht uit het vermogen (van de vennootschap) van [geïntimeerde1] verdween – waarvoor [geïntimeerde1] inmiddels wegens valsheid in geschrift en onttrekken aan beslag strafrechtelijk is veroordeeld – moet Wiflo Holding wel worden aangerekend. De strafkamer van de rechtbank van Midden-Nederland heeft in dat verband in een vonnis van 14 november 2025 ( [parketnummer] )overwogen, waarbij voor verdachte [geïntimeerde1] moet worden gelezen:\n\n“De vordering van Wiflo op de verdachte was een vordering binnen het vermogen van de verdachte omdat hijzelf aandeelhouder\u002Fbestuurder van Wiflo was. Doordat aangever beslag had gelegd op het woonhuis ten laste van de verdachte en beslag op vorderingen van Wiflo op de verdachte bestond de kans dat de aangever bij winst van de civiele procedures tegen de verdachte en zijn vennootschappen, verhaal zou kunnen nemen op de woning van de verdachte. Door inschrijving van de akte van cessie later diezelfde dag, werd ervoor gezorgd dat de vordering van Wiflo op de verdachte met terugwerkende kracht tot 00.00 uur uit het vermogen van de verdachte verdween, en overging naar CRD; en dat ook de hypothecaire rechten met terugwerkende kracht tot 00.00 uur uit het vermogen van de (vennootschappen\n\nvan de) verdachte verdwenen. Beslag op de woning van de verdachte kwam toen dus na het recht van hypotheek, dat zich niet meer in het vermogen van de verdachte bevond.\n\nIn de akte van cessie van 3 juli 2020 staat dat al op 18 april 2019 zou zijn afgesproken om de lening van Wiflo aan CRD te cederen. Dat gelooft de rechtbank niet. Dat staat niet in de driepartijen-lening-overeenkomst, terwijl daarin wel een zogenaamde ‘entire agreement clause’ is opgenomen. Kortom: wat er niet staat, is niet afgesproken. Dat het niet was afgesproken wordt ook ondersteund door de hypothecaire inschrijving in december 2019 ten gunste van Wiflo en de verlenging van de driepartijen-overeenkomst in december 2019. Dat is allemaal totaal onlogisch als al in april 2018, althans uiterlijk in september 2019 cessie van de lening en de hypotheek zou zijn overeengekomen en met de notaris zou zijn gecommuniceerd.\n\nDe gang van zaken op 3 juli 2020 en de tekst van de akte van cessie van 3 juli 2020 vallen niet anders uit te leggen dan dat de notaris opdracht kreeg van de verdachte om het nodige te doen om de lening van Wiflo aan de verdachte en de rechten van hypotheek op de woning van de verdachte aan het beslag te onttrekken. De verdachte heeft daarbij minst genomen voorwaardelijk opzet gehad op het valselijk opmaken van de akte cessie en inschrijving daarvan.\n\nDe verklaring van de verdachte dat hij de notaris geen opdracht zou hebben gegeven en dat hij alleen heeft gebeld om te vragen wat hij in de verklaring derdenbeslag moest opnemen, gelooft de rechtbank niet. (…)”\n\nHet hof heeft, gelet op wat door partijen is aangevoerd, geen reden om er anders over te denken. Dit betekent dat als [geïntimeerde1] (als enig aandeelhouder en bestuurder van Wiflo Holding) die overdracht had nagelaten, [appellant] in dit verband een verhaalsmogelijkheid had gehad. Door (ook) deze verhaalsmogelijkheid te frustreren en Wiflo Holding daarvoor in te zetten, heeft [geïntimeerde1] ook in dat opzicht onzorgvuldig gehandeld. Er is, kortom, sprake van samenwerkende oorzakenvoor de onmogelijkheid bij [appellant] om verhaal te nemen. Een en ander leidt ertoe dat, omdat kennis en handelen van [geïntimeerde1] aan Wiflo Holding wordt toegerekend, ook Wiflo Holding aansprakelijk is.\n\n5.38. Gezien het voorgaande is de vordering van [appellant] ook tegen Wiflo Holding toewijsbaar en slaagt zijn hoger beroep.\n\nWettelijke rente\n\n5.39. De rechtbank heeft de door [appellant] gevorderde wettelijke rente toegewezen met ingang van de dag der dagvaarding van 7 augustus 2020. [appellant] heeft daartegen bezwaar gemaakt en gesteld dat de wettelijke rente verschuldigd is vanaf de data dat ETC de van [appellant] ontvangen bedragen heeft doorbetaald, dan wel vanaf het moment van ontbinding van de koop\u002Faanneemovereenkomst per vanaf 1 mei 2019.\n\n5.40. Het hof zal de wettelijke rente toewijzen vanaf 1 mei 2019. Hoewel het onrechtmatig handelen zich eerder heeft voorgedaan, is de schade daardoor pas ontstaan op het moment dat [appellant] – terecht, zoals onherroepelijk is vastgesteld – de overeenkomst met ETC ontbond en vergeefs aanspraak maakte op terugbetaling van wat hij had aanbetaald.\n\nBeslag- en executiekosten\n\n5.41. De rechtbank heeft aan beslagkosten € 5.790,37, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2020, aan [appellant] toegewezen. Dit gaat om kosten die [appellant] heeft gemaakt ter verzekering van zijn vordering op [geïntimeerden] In de formulering van zijn vordering aan het slot van zijn memorie van grieven komt deze vergoeding niet meer voor, maar het hof neemt aan dat dit op een vergissing berust. In die memorie zijn immers geen aanknopingspunten te vinden voor een aanname dat [appellant] geen aanspraak meer maakt of wil maken op deze vergoeding. Integendeel, [appellant] vordert in hoger beroep als vermeerdering van eis (ook) de vergoeding van de in de procedure tegen ETC gemaakte beslag- en proceskosten. Uit de memorie van antwoord is niet af te leiden dat [geïntimeerden] ervan uit zijn gegaan dat [appellant] zijn aanspraak op vergoeding van die kosten heeft laten varen. Tegen de toewijzing van deze kosten is door [geïntimeerden] ook geen afzonderlijk bezwaar gericht. Met deze post zal het hof dan ook rekening houden.\n\n5.42. \n [appellant] heeft in hoger beroep bij wege van vermeerdering van eis een vergoeding gevorderd voor de in de procedure tegen ETC toegewezen beslag- en proceskosten (inclusief nakosten) van € 7.297,97 in totaal. [geïntimeerden] hebben deze vordering in hun memorie van antwoord niet besproken en daarmee niet bestreden. Deze vordering zal dan ook worden toegewezen, daaronder begrepen de vanaf 4 juni 2019 over de beslagkosten van € 1.104,46 gevorderde wettelijke rente.\n\nHoofdelijke aansprakelijkheid\n\n5.43. Naar het oordeel van het hof zijn [geïntimeerde1] , Wiflo Holding, Extreme Tenders Holding, Extreme Tenders, Xtenders Yard en Xtenders Production (verwerende partijen 1. tot en met 4., 7. en 12.) ieder hoofdelijk voor het geheel aansprakelijk voor het aan [appellant] verschuldigde bedrag. Deze (hoofdelijke) aansprakelijkheid is gebaseerd op het volgende. [geïntimeerde1] is aansprakelijk op grond van artikel 6:162 BW wegens onrechtmatig handelen zoals hiervoor omschreven (zie rov. 5.20). Wiflo Holding, Extreme Tenders Holding, Extreme Tenders, Xtenders Yard en Xtenders Production hebben dit onrechtmatig handelen mede mogelijk gemaakt. Het hof kwalificeert hun handelen zoals beschreven in rov. 5.32, 5.33 en 5.37 als een bijdrage in de zin van artikel 6:166 BW (groepsaansprake-lijkheid). Zij zijn daarom op die grond aansprakelijk. Omdat het gaat om dezelfde schade worden zij daarom hoofdelijk veroordeeld.\n\nGeen bewijslevering\n\n5.44. \n [geïntimeerden] hebben nog bewijs aangeboden van hun stellingen. Voor zover dat ziet op het alsnog overleggen van stukken uit de administratie van de Xtenders-groep of het (laten) geven van toelichting daarop, wordt dat gepasseerd omdat [geïntimeerden] dat al eerder hadden kunnen en moeten doen. Dat aanbod wordt voor het overige gepasseerd. Enerzijds omdat die stellingen (m.b.t. tot wat aan het vaartuig is besteed en de getaxeerde waarde van de romp van het vaartuig en de motoren) al wegens een onvoldoende gemotiveerde betwisting zijn komen vast te staan. Anderzijds omdat die stellingen (m.b.t. de onbereidwilligheid van een kredietverschaffer om andere afspraken te maken of een aanvullend krediet te verlenen en\u002Fof de bereidheid van andere klanten om aanvullende kosten te betalen of een alternatief te accepteren bij vertraging van de bouw) niet relevant zijn voor de beoordeling.\n\nAndere gronden en verweren\n\n5.45. Wat partijen voor het overige hebben aangevoerd, kan gelet op het voorgaande onbesproken blijven.\n\nDe conclusie\n\n5.46. Het hoger beroep van [appellant] slaagt (deels) wel en dat van [geïntimeerden] niet. De vordering tot volledige vergoeding van de schade wordt toegewezen tegen [geïntimeerde1] , Wiflo Holding, Extreme Tenders Holding, Extreme Tenders, Xtenders Yard en Xtenders Production (verwerende partijen 1. tot en met 4., 7. en 12.) en afgewezen voor zover het de andere verwerende partijen betreft.5.47. Omdat in hoger beroep meer partijen worden veroordeeld om aan [appellant] een hoger bedrag aan schadevergoeding te betalen, zal voor alle duidelijkheid het bestreden vonnis in haar geheel worden vernietigd en zal het hof zijn beslissing daarvoor in de plaats stellen. Voor zich spreekt dat voor zover aan het bestreden vonnis is voldaan, niet opnieuw hoeft te worden betaald.\n\n5.48. Omdat [geïntimeerde1] , Wiflo Holding, Extreme Tenders Holding, Extreme Tenders, Xtenders Yard en Xtenders Production (verwerende partijen 1. tot en met 4., 7. en 12.) in het ongelijk worden gesteld, zal het hof hen tot betaling van de proceskosten veroordelen, zowel in die van beide hoger beroepen als in die bij de rechtbank. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.\n\n5.49. Omdat gesteld noch gebleken is dat de andere verwerende partijen meer of andere proceskosten hebben gemaakt dan die partijen waartegen de vordering van [appellant] wordt toegewezen, zal een veroordeling van [appellant] in de proceskosten van die andere verwerende partijen achterwege worden gelaten.\n\n5.50. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).\n\n6. De beslissing\n\nHet hof:\n\n6.1. vernietigt het vonnis van de rechtbank in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 11 oktober 2023 en beslist opnieuw als volgt:\n\n6.2. veroordeelt [geïntimeerde1] , Wiflo Holding, Extreme Tenders Holding, Extreme Tenders, Xtenders Yard en Xtenders Production (verwerende partijen 1. tot en met 4., 7. en 12.) hoofdelijk tot betaling van:\n\n€ 600.000, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2019 tot de dag van betaling;\n\n€ 5.790,37, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2020 tot de dag van betaling;\n\n€ 7.297,97, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.104,46 vanaf 4 juni 2019 tot de dag van betaling;\n\n6.3. veroordeelt [geïntimeerde1] , Wiflo Holding, Extreme Tenders Holding, Extreme Tenders, Xtenders Yard en Xtenders Production (verwerende partijen 1. tot en met 4., 7. en 12.) hoofdelijk tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant] tot aan de uitspraak van de rechtbank:\n\n€ 1.639,- aan griffierecht\n\n€ 83,38 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding\n\n€ 15.358,50 aan salaris van de advocaat van [appellant] (4,5 procespunten × tarief VII à € 3.413)\n\nen tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant] in hoger beroep:\n\n€ 2.053 aan griffierecht\n\n€ 112,37 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding\n\n€ 12.880 aan salaris van de advocaat van [appellant] (2,5 procespunten × appeltarief VII à € 5.152)\n\n6.4. bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;\n\n6.5. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;\n\n6.6. wijst af wat verder is gevorderd.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. W.F Boele, M. Aksu en M.L. Lennarts, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op\n\n30 juni 2026.\n\n Niet gepubliceerd.\n\n Niet gepubliceerd.\n\n Verordening (EU) nr. 1215\u002F2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking), PbEU 2012, L 351\u002F1 (Verordening Brussel I-bis).\n\n Conform artikel 14 van de Verordening (EG) nr. 864\u002F2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II).\n\n Vgl. HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 (Ontvanger\u002F [naam2] ).\n\n Vgl. HR 18 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4873 (New Holland).\n\n Zie HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627 (RCI) en HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2628 (Hezemans Air).\n\n HR 6 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9521, laatstelijk geduid in genoemd arrest van 5 september 2014.\n\n HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 (Ontvanger\u002F [naam2] ) en vergelijk laatstelijk de conclusie van de AG van 28 november 2025 (ECLI:NL:PHR:2025:1304).\n\n HR 10 juni 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1393 ( [naam3] \u002F [naam4] ).\n\n Vgl. HR 6 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:2914 (TVM).\n\n HR 11 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1413 (HDI\u002FTreston).\n\n HR 6 april 1979, NJ 1980\u002F34( [naam5] ), bevestigd in HR 11 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7344 (P&F Project Furniture).\n\n Vgl. HR 11 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH4033 (Comsys).\n\n Niet gepubliceerd.\n\n Vgl. HR 24 december 1999, NJ 2000, 351.\n\nHR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4226","2026-06-26T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:41.943Z",{"id":89,"ecli":90,"slug":91,"caseNumber":44,"courtId":83,"decisionDate":60,"fullText":92,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":93,"sourceTimestamp":86,"parsedAt":51,"updatedAt":94},"648","ECLI:NL:GHARL:2026:4229","ecli-nl-gharl-2026-4229","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.356.221\u002F01\n\nzaaknummer rechtbank Midden-Nederland 577570\n\narrest van 30 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [appellant1] LLC ( [appellant1] )\n\ndie is gevestigd te Koeweit\n\n2. [appellant2] LLC ( [appellant2] )\n\ndie is gevestigd in [vestigingsplaats1] (Verenigde Arabische Emiraten)\n\nadvocaat: mr. R.J.W. Pijls\n\nen\n\n [geïntimeerde] B.V. ( [geïntimeerde] )\n\ndie is gevestigd in [vestigingsplaats2]\n\nadvocaat: mr. S. Booij\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\n [appellant1] en [appellant2] , hierna gezamenlijk: [appellanten] , hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat op 12 februari 2025 tussen partijen is uitgesproken door de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad.Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:\n\n• de dagvaarding in hoger beroep\n\n• de memorie van grieven\n\n• de memorie van antwoord\n\n• een akte van [appellant1] en [appellant2] met de producties 22 tot en met 26\n\n• een akte van [appellant1] en [appellant2] met productie 27\n\n• een formulier van [geïntimeerde] met productie 7\n\n• het verslag van de mondelinge behandeling die op 14 april 2026 is gehouden (het proces-verbaal). Partijen hebben het hof aan het eind van de zitting gevraagd een arrest te wijzen.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1. \n [appellant2] heeft in maart 2022 voor een partij zogenaamde Pure Ghee Butter die zou moeten worden afgeleverd in Saoedi-Arabië een bestelling geplaatst bij [naam1] . In april 2022 heeft [appellant2] daarvoor € 126.282 betaald op een rekening van [naam1] . De levering is niet verricht. [appellant2] heeft in augustus 2022 een tweede bestelling geplaatst voor een bedrag van € 251.748. Zij heeft toen € 94.303,50 aan [naam1] betaald. Ook die bestelling heeft niet tot levering geleid. [appellant2] heeft daarna in december 2022 bij [geïntimeerde] een partij Ghee Butter besteld, die door [geïntimeerde] is afgeleverd in Koeweit. [appellant1] heeft daarvoor € 195.039 aan [geïntimeerde] betaald.\n\n2.2. \n [appellanten] stellen zich op het standpunt dat de levering door [geïntimeerde] een vervanging was van de niet-uitgevoerde bestellingen van maart en augustus 2022 en dat de door [geïntimeerde] geleverde producten al zijn betaald met wat eerder door [appellant2] aan [naam1] voor die bestellingen is voldaan. Volgens [appellanten] is daarmee de betaling door [appellant1] voor de wel geslaagde levering door [geïntimeerde] onverschuldigd, althans is [geïntimeerde] op grond van wanprestatie of onrechtmatig handelen jegens [appellant2] aansprakelijk voor de schade als gevolg van de niet-uitgevoerde maar wel betaalde bestellingen, althans is [geïntimeerde] ten koste van [appellanten] verrijkt doordat zij van [naam1] een betaling heeft ontvangen.\n\n2.3. \n [appellanten] hebben op deze gronden bij de rechtbank gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld, primair tot betaling aan [appellant1] van € 195.039, subsidiair tot betaling aan [appellant2] van € 220.585,50, meer subsidiair tot betaling aan [appellant1] of [appellant2] van € 75.524,40 althans door de rechtbank te bepalen bedragen, in alle gevallen te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 25 september 2023 of 4 januari 2024 of de dag van dagvaarding, en met een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten van € 2.725,39, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten, met nakosten en wettelijke rente.\n\n2.4. De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat de vorderingen alsnog worden toegewezen.\n\n2.5. Het hof zal beslissen, met vernietiging van het vonnis van de rechtbank, dat de vorderingen gedeeltelijk worden toegewezen en licht dat hierna toe.\n\n3. De toelichting op de beslissing van het hof\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\n3.1. Het hof moet ambtshalve beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft vanwege de internationale aspecten van de zaak. [appellant1] en [appellant2] zijn immers gevestigd in Koeweit en de Verenigde Arabische Emiraten. Omdat [geïntimeerde] in Nederland is gevestigd is de Nederlandse rechter bevoegd van de tegen [geïntimeerde] ingestelde vorderingen kennis te nemen.3.2. Het hof gaat er met partijen vanuit dat het geschil moet worden beoordeeld met toepassing van het Nederlandse recht, omdat partijen niet hebben gegriefd tegen de toepassing van dat recht door de rechtbank.\n\nDe feiten\n\n3.3. \n [appellant1] en [appellant2] maken deel uit van een groep van vennootschappen. Aan het hoofd van die groep staat [naam2] (Holding), een vennootschap die is opgericht in de Verenigde Arabische Emiraten. Naast [appellant1] en [appellant2] maakt [naam3] . ( [naam3] ), die is gevestigd in Saoedi-Arabië, deel uit van deze groep. De kernactiviteit van deze groep is de productie van en de handel in bakkerij- en banketgrondstoffen en aanverwante machines.\n\n3.4. \n [geïntimeerde] is een in Nederland gevestigde vennootschap die is gespecialiseerd in de levering van zuivelproducten. [naam1] is ook een dergelijke vennootschap. Tussen deze vennootschappen, die niet tot hetzelfde concern of groep behoren, bestond sinds ongeveer begin 2022 een samenwerkingsverband, dat er in voorzag dat [naam1] als agent potentiële klanten aanbracht bij [geïntimeerde] , die vervolgens een overeenkomst met die partij kon sluiten. In een voor deze samenwerking opgesteld intern stuk staat daarover het volgende:\n\n“- Eindklant betaalt 100% verkoopprijs aan [geïntimeerde] [ [geïntimeerde] ; verduidelijking hof], facturatie door [geïntimeerde]\n\n- [naam1] factureert [geïntimeerde] een 'agent-commissie'. Deze commissie is het verschil tussen de\n\nverkoopprijs van [geïntimeerde] aan klant en de Kostprijs\u002Finkoopprijs van [geïntimeerde] van het betreffende product. [geïntimeerde] heeft het recht bij nog resterende openstaande schuld (een deel van) de gefactureerde commissie te verrekenen met deze schuld, e.e.a. in overleg met [naam1] ”.3.5. Vertegenwoordigers van [naam2] \u002F [appellant1] \u002F [appellant2] hebben in februari 2022 kennis gemaakt met [naam1] en [geïntimeerde] tijdens een tentoonstelling in Dubai. [naam1] en [geïntimeerde] hadden op die tentoonstelling een gezamenlijke stand. 3.6 [appellant2] heeft na die kennismaking op de tentoonstelling in Dubai een bestelling geplaatst bij [naam1] voor de levering van een partij Pure Butter Ghee ‘Natour’ voor een bedrag van € 126.282 (te weten 1560 boxes voor € 80,95 per box van 9 kg). Op de (pro forma) factuur van [naam1] voor die bestelling van 22 maart 2022 staan onder meer de bankgegevens van [naam1] , het logo van [naam1] en dat van [geïntimeerde] , en een stempel van [naam1] . [appellant2] heeft het gefactureerde bedrag op 7 april 2022 aan [naam1] betaald.\n\n3.7. De levering van het bestelde product zou moeten plaatsvinden bij [naam3] in Saoedi-Arabië, maar die levering heeft vanwege het ontbreken van een voor import in dat land noodzakelijk ‘halal-certificaat’ niet plaatsgevonden. Het daarvoor betaalde bedrag is niet aan [appellant2] terugbetaald.\n\n3.8. \n [appellant2] heeft in augustus 2022 een tweede bestelling bij [naam1] geplaatst voor hetzelfde product (te weten 25.200 kg voor € 9,99 per kg) en met dezelfde bestemming in Saoedi-Arabië. De prijs voor die bestelling was € 251.748. [appellant2] heeft daarvoor een factuur (‘Quotation’) ontvangen, met daarop onder meer de bankgegevens van [geïntimeerde] en de logo’s van [naam1] en [geïntimeerde] . [appellant2] heeft dit bedrag niet volledig voldaan. Zij heeft 11 oktober 2022 € 94.303,50, niet op de in de Quotation genoemde bankrekening van [geïntimeerde] , maar op een rekening van [naam1] betaald.\n\nAan die betaling gingen e-mails tussen [naam1] aan [naam2] van september\u002Foktober 2022 vooraf. In een e-mail van [naam1] van 27 september 2022 staat het volgende:\n\n“Dear [naam4] ,\n\nPlease to confirm as per below: and attached the Proforma lnvoice.\n\nPARTICULAR AMOUNT ACCOUNTS PAYABLE\n\nFIRST PAYMENT € 126.282,00\n\nFINAL QUOTATION -APPROVED € 251,748.00\n\n50% - DEPOSIT € 63,141.00\n\n505 - TO BE ADJUSTMENT IN FINAL ORDER € 63,141,00\n\nTOTAL PAYABLE € 188,607,00\n\nNOTE: APPROVED PRICE FOR C\u002FF-TO SAUDI ARABIA\n\nFor now, we will be preparing for the Booking schedule and your Product is fresh - production Date is\n\nSeptember 2022.\n\nOnce again, thank you so much”\n\nDoor [naam2] is daarop op diezelfde dag de volgende betaalinstructie gegeven:\n\n“Please proceed with the 50% payment of the remaining balance € 188,607 euro from attached order”.\n\n Ook de levering op basis van deze bestelling heeft, om dezelfde reden als voor de eerste bestelling, niet plaatsgevonden. Het door [appellant2] betaalde bedrag is niet aan haar terugbetaald.\n\n3.9. In oktober 2022 hebben [naam1] en [geïntimeerde] in e-mails over het uitblijven de leveringen contact gehad met elkaar. In een e-mail van 19 oktober 2022 van [geïntimeerde] ( [naam7] ) aan [naam1] staat onder meer, met als bijlagen een aantal contracten:\n\n“Dear [naam5] good evening,\n\nAttached you will find the contracts for the below first order for [naam2] \u002F [appellant2] .\n\nI have put shipment in November to Jeddah (exact date to be confirmed)\n\nFollowing actions to be done now:\n\n> transfer the prepayment of [naam2] \u002F [appellant2] already received by [naam1] to [geïntimeerde] with clear description that this concerns [naam2] \u002F [appellant2] prepayment of order [ordernummer]\n\n(…)\n\nChecking the stock level, I do not think there is enough pure butter ghee with the new label to fulfill this order, so some extra production to be scheduled on short term.\n\n(…) I will check with our QA department for the Halal certification that is also needed for this shipment (was scheduled for last or this week at [naam10] , so should be confirmed and documented soon) (…)”.\n\n3.10. Op 20 oktober 2022 heeft [naam1] op dit verzoek van [geïntimeerde] € 75.524,50 aan [geïntimeerde] doorbetaald. Op het betaalbewijs daarvan is bij de omschrijving verwezen naar ‘ [naam2] \u002F [appellant2] prepayment of order [ordernummer] ’. Dat bedrag correspondeert met 30% van het door [naam1] voor de tweede bestelling ontvangen bedrag.\n\n3.11. In december 2022 is vervolgens overleg geweest tussen [geïntimeerde] en [naam2] \u002F [appellant2] \u002F [appellant1] om alsnog een levering tot stand te brengen. Tussen een vertegenwoordiger van [naam2] ( [naam6] ) en van [geïntimeerde] ( [naam7] ) is daarover in december 2022 in e-mails over en weer gecommuniceerd.\n\n3.12. \n [geïntimeerde] heeft vervolgens een factuur van 4 januari 2023 op naam van [appellant2] verstrekt. Op de factuur is [appellant1] als ontvanger aangemerkt. Daarna is de partij bij [appellant1] in Koeweit afgeleverd. Volgens de factuur gaat het om 25.005 kilogram Ghee regular voor € 7,80 per kg, voor een totaalprijs van € 195.039,-. Als ‘payment terms’ is op de factuur vermeld dat 30% ‘in advance’ betaald moet worden en 70% ‘against copy of documents’. Op de factuur wordt verwezen naar het contractnummer [contractnummer] . [appellant1] heeft deze factuur op 23 januari 2023 aan [geïntimeerde] betaald.\n\n3.13. \n [naam1] is op 4 april 2023 failliet verklaard.\n\n3.14. \n\n [appellant1] en [appellant2] hebben [geïntimeerde] , voor het eerst op 25 september 2023 en daarna op\n\n11 maart 2024 en 14 maart 2024, gesommeerd tot terugbetaling van het aan haar betaalde bedrag.\n\nDe beoordeling\n\nonverschuldigde betaling\u002F wanprestatie\u002F onrechtmatig handelen?\n\n3.15. \n [appellanten] baseren hun vorderingen primair op onverschuldigde betaling: doordat [geïntimeerde] de bestellingen van maart 2022 en augustus 2022 niet had geleverd, is volgens hen de afspraak gemaakt (is overeengekomen) in december 2022 dat de levering van januari 2023 niet (nogmaals) betaald hoefde te worden omdat voor de eerdere niet-uitgevoerde leveringen al € 220.585,50 was betaald. De levering van januari 2023 verving aldus de niet-uitgevoerde maar wel betaalde eerdere bestellingen. Daarom moet [geïntimeerde] € 195.039 terugbetalen, aldus [appellanten]3.16. Op [appellanten] rust de bewijslast van de feiten en omstandigheden die de op deze grondslag ingestelde vordering kunnen dragen. Zij moet de feiten en omstandigheden stellen waaruit kan volgen dat de betaling van het bedrag van € 195.039 zonder rechtsgrondis gedaan. [geïntimeerde] heeft dat gemotiveerd betwist: volgens haar is de door [appellant1] gedane betaling gebaseerd op de overeenkomst die in december 2022 is gesloten.\n\n3.17. Voor het antwoord op de vraag of partijen de door [appellanten] gestelde afspraak hebben gemaakt komt het aan op een uitleg en waardering van de gedragingen en verklaringen van partijen jegens elkaar om vast te stellen wat zij op basis daarvan over en weer redelijkerwijs van elkaar hebben mogen verwachten. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang, waarbij ook aan de omstandigheden ten tijde van het sluiten van de overeenkomsten van maart en augustus 2022 en aan de rol en positie van [naam1] betekenis kan toekomen.\n\n3.18. Een bouwsteen in het betoog van [appellanten] dat sprake is van onverschuldigde betaling is dat [geïntimeerde] partij bij de niet-uitgevoerde overeenkomsten is (geworden) en op grond daarvan jegens [appellant2] een leveringsverplichting op zich heeft genomen. Ook het antwoord op de vraag of dat zo is vergt uitleg van de verklaringen en gedragingen van partijen conform de genoemde Haviltex-maatstaf, om vast te stellen wat zij op grond daarvan over en weer redelijkerwijs van elkaar hebben mogen verwachten. Ook gedragingen en verklaringen van na het sluiten van die overeenkomsten kunnen bijdragen aan de vraag wie partij daarbij is geworden, en wat de inhoud van die overeenkomsten is.\n\n3.19. \n [appellanten] hebben niet gesteld dat zij over de inhoud van de overeenkomst rechtstreeks met [geïntimeerde] hebben onderhandeld of anderszins contact hebben gehad; zij hebben in eerste aanleg verklaard dat zij alleen met [naam1] via e-mail contact hebben gehad. Dat sluit aan bij wat [geïntimeerde] daarover heeft aangevoerd. Volgens haar is zij pas in oktober 2022 door [naam1] over diens leveringsproblemen geïnformeerd en heeft zij voor het eerst in december 2022 contact gehad met de bestuurder van [naam2] , de moedermaatschappij van [appellanten] Van enige rechtstreekse betrokkenheid van [geïntimeerde] bij de totstandkoming van die overeenkomsten is niet gebleken.\n\n3.20. Ook anderszins zijn noch voor het eerste contract in maart 2022 noch voor het contract van augustus 2022 voldoende concrete en overtuigende feiten en omstandigheden gesteld of gebleken waaruit volgt dat toen op [geïntimeerde] jegens [appellant2] een leveringsverplichting is komen te rusten, bijvoorbeeld doordat [naam1] van [geïntimeerde] de bevoegdheid had gekregen haar te binden of dat [geïntimeerde] de schijn heeft gewekt dat van een dergelijke bevoegdheid sprake was. [appellanten] hebben in dat verband overigens gesteld dat zij van de interne afspraken van [naam1] en [geïntimeerde] niet op de hoogte waren. Het feit dat [naam1] en [geïntimeerde] een gezamenlijke stand op de tentoonstelling op de beurs hadden en de wijze van facturering van de eerste twee bestellingen bieden onvoldoende aanknopingspunten voor een dergelijke contractuele binding van [geïntimeerde] aan [appellant2] (of [appellant1] ). Dat op beide facturen voor die bestellingen het logo van [geïntimeerde] voorkomt is kennelijk te verklaren uit de samenwerking tussen die partijen, maar los daarvan, op dat logo kan als zodanig geen (schijn van) vertegenwoordigingsbevoegdheid of binding van [geïntimeerde] worden gebaseerd. Dat geldt ook voor het feit dat op de Quotation de bankgegevens van [geïntimeerde] staan. Dat gegeven is kennelijk voor [appellant2] geen reden geweest om dan ook aan [geïntimeerde] te betalen: zij betaalde het op die Quotation genoemde bedrag, dat door [naam1] en niet door [geïntimeerde] is berekend in de e-mail van 27 september 2022 (zie 3.8), aan [naam1] , net als de betaling voor de eerste bestelling. [appellant2] ging er dus kennelijk steeds vanuit dat [naam1] haar contractspartij was. Voorzover [appellant2] derhalve heeft gesteld dat zij er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat [naam1] ook [geïntimeerde] tot contractspartij maakte is daarvoor in deze feiten onvoldoende steun te vinden. Dat geldt ook voor de stelling dat [appellant2] voor deze bestellingen bevrijdend aan [geïntimeerde] heeft betaald, althans dat deze betalingen kunnen worden toegerekend aan de derde bestelling.\n\n3.21. Dat wordt niet anders als hierbij de e-mailwisseling in december 2022 tussen [geïntimeerde] en [naam2] wordt betrokken. Daarin leest het hof, anders dan [appellanten] doen, niet dat [geïntimeerde] daarmee te kennen heeft gegeven dat zij (alsnog) partij was bij de eerste twee, niet uitgevoerde, overeenkomsten. [appellanten] hebben daarbij vooral gewezen op de door [naam7] gekozen woorden ‘we have a contract’ en dat sprake was van een ‘closed and prepaid contract’ waaruit dat volgens [appellanten] zou volgen. Het hof legt de e-mails anders uit.\n\nDe relevante inhoud van e-mails is als volgt:\n\nIn een e-mail van 20 december 2022 (van [naam7] namens [geïntimeerde] ):\n\n“Dear [naam8] ,\n\nOnce again thanks for the teams call this morning.\n\nLike we discussed an issue occurred by the fact there is contracted 1 full container of Pure Butter Ghee at a price of € 9.99\u002Fkg CIF Jeddah.\n\nThis container was contracted at the beginning of this year and fully prepaid by [appellant2] but has not been delivered to Saudi Arabia because of missing Halal certification.\n\nMeanwhile this container has been produced and is ready for shipping as soon as Halal certification arrives (the company providing the certificates confirmed already all is ok verbally).\n\nThe situation we (you and me) are facing now is that Ghee is offered at lower levels, and we have a contract and costs price at higher levels. This we need to solve. You informed me already that most likely you will not ship the Ghee to Saudi Arabia anymore but towards Kuwait\u002F Lebanon or UAE, but you need a better price for that.\n\nFrom my side it will be difficult to adjust the price of a closed and prepaid contract.\n\nOn the other hand, 1 want to help you and I have a responsibility for that.\n\nTo solve the situation, 1 would like to propose as follows:\n\n1. container at € 9,99\u002Fkg (the pending order)\n\n2 containers at € 7.50\u002Fkg\n\nOn average the price will be 8.33\u002Fkg CIF tor these 3 containers (Kuwait \u002F Lebanon or UAE)\n\nDelivery shipment January \u002F February (depending on your instructions)\n\nTo prevent prepayments from your side in a way we had them in 2022, 1 would suggest in future prepayments of [appellant2] will be on our account 1 week prior to shipment. In this way we avoid a big part of the issues we have had during this year.\n\n [naam8] , note the above-mentioned solution is a losing operation for us, but I really believe in the fact that we will work together in a good and professional way. Therefore, I will take this loss in order to start building our relationship and do not want to stop it before it is started.\n\nFurthermore, I will inform you as soon as our Halal certification is finished, because than we could also consider shipments to Jeddah again.\n\nI am looking forward to your confirmation (hopefully before x-mas) on the above and hope this will be a start for a fruitful co-operation between us.”\n\n [naam2] is met het voorstel in deze e-mail niet akkoord gegaan, zo blijkt uit een e-mail van 20 december 2022:\n\n“Hi [naam9] ,\n\nThanks for your prompt reply,\n\nKindly note that this order is considered a trial order, hence I can not risk buying 3 containers for a product that I didn't try yet\n\nPlease note that I can not proceed with your offer, if you can amend the offer to somewhere between 7.5-7.8 per kg, I will ship it asap to end this dilemma”\n\nNa enig onderhandelen worden partijen het eens over een prijs van € 7,80 per kg.3.22. In de e-mail van [naam7] niet wordt gerefereerd aan de eerste bestelling, maar kennelijk alleen aan de tweede gezien de verwijzing naar de prijs per kilogram; een binding aan de eerste overeenkomst ligt om die reden al niet zonder meer voor de hand. Los daarvan, de mails zijn geschreven nadat [geïntimeerde] door [naam1] in oktober 2022 was geïnformeerd over de problemen met de levering van de tweede bestelling in Saoedi-Arabië, en [geïntimeerde] dat probleem wilde oplossen in lijn met de afspraken die zij in de samenwerkingsovereenkomst met [naam1] had gemaakt (en waarvan [appellanten] niet op de hoogte waren). [appellanten] hebben ook verder onvoldoende onderbouwd dat [geïntimeerde] op de hoogte was van de eerste bestelling waarvoor door [naam1] € 126.282 in rekening is gebracht.\n\n [appellant2] had over het op grond van de tweede bestelling te leveren product al prijsafspraken met [naam1] gemaakt en in verband daarmee € 94.303,50 aan [naam1] voldaan. Niet gesteld of gebleken is dat [geïntimeerde] van deze tweede bestelling en betaling op de hoogte was toen zij in oktober 2022 is geïnformeerd door [naam1] .\n\n [appellant2] wilde kennelijk een aanpassing van de prijs en daarover zijn onderhandelingen gevoerd. In het kader daarvan heeft [naam7] een aantal voorstellen gedaan, tegen de achtergrond dat sprake was van een contract dat ‘closed and prepaid’ was terwijl inmiddels de kostprijzen zijn veranderd. [naam7] doet daarom een voorstel voor drie verdere leveringen met als gevolg een middeling van de prijs. Het hof leest de woorden ‘we have a contract’ dan ook in het kader van deze onderhandelingen en niet zo letterlijk zoals [appellanten] dat doen en verbindt daaraan niet de conclusie dat [geïntimeerde] als contractspartij al een leveringsverplichting had jegens [appellant2] . Ook het feit dat [naam7] zich verantwoordelijk achtte (‘responsibility’) leidt niet tot die conclusie. De betaling van € 75.524,40 en het sales-contract met als datum 19 oktober 2022- een intern stuk tussen [geïntimeerde] en [naam1] - moeten eveneens worden bezien tegen de achtergrond dat [geïntimeerde] de leveringsproblemen van [naam1] wilde oplossen, en niet als een bevestiging dat [geïntimeerde] een overeenkomst met [appellant2] had. Dat [naam7] schrijft dat hij het verlies wil nemen (‘take this loss’) moet zo worden begrepen dat dit ziet op de het verschil tussen de productiekosten en dalende marktprijzen, waaraan hij in de eerste alinea van zijn e-mail refereert. Ter zitting bij het hof heeft [geïntimeerde] nader toegelicht dat zij de verzendkosten voor de levering in Koeweit voor haar rekening heeft genomen die in het algemeen voor rekening van de afnemer zouden zijn gekomen. Het verlies nemen waarover wordt gesproken moet ook tegen die achtergrond worden bezien. Uit de e-mails blijkt dat het voor [geïntimeerde] ging om het opbouw van een relatie (‘start building our relationship) en dat het voor [appellanten] . ging om een ‘trial order’. Ook dat wijst niet op een eerdere contractuele relatie.\n\n3.23. Het argument van [appellanten] dat sprake is van onverschuldigde betaling voor de uitgevoerde levering vanwege de contractuele binding van [geïntimeerde] aan de eerdere overeenkomsten is dus niet valide.\n\n3.24. Dat laat echter onverlet, althans dat sluit niet uit, dat ook zonder die binding de afspraak kan zijn gemaakt dat [geïntimeerde] voor de levering niet door [appellant2] of [appellant1] betaald kreeg.\n\n3.25. Uit wat door [appellanten] is gesteld en ter onderbouwing daarvan aan schriftelijke stukken is overgelegd valt niet af te leiden dat een afspraak met de door [appellanten] gestelde inhoud is gemaakt. Door [appellanten] wordt ook daarvoor sterk geleund op de e-mail van de zijde van [geïntimeerde] van 20 december 2022, waarvan de inhoud hiervoor in 3.21 is weergegeven en waaraan het hof hiervoor een uitleg heeft gegeven in het kader van de vraag of daaruit volgt dat [geïntimeerde] contractspartij was van [appellant2] bij de eerste overeenkomsten. Die uitleg is ook relevant voor de vraag of de gestelde afspraak is gemaakt. Ook die vraag beantwoordt het hof op basis van die uitleg ontkennend. Het hof voegt daaraan nog het volgende toe.\n\n3.26. In de e-mail wordt niet met zoveel woorden of anderszins specifiek stil gestaan bij de vraag of voor de levering betaald moet worden of niet, omdat die al eerder zou zijn betaald, of dat een beroep werd gedaan op verrekening met wat al eerder door [appellanten] was betaald aan [naam1] , bijvoorbeeld het bedrag van € 94.303,50. Woorden met die concrete inhoud of van die strekking zijn in de e-mails van 20 december 2022 en de reactie daarop van de zijde van [naam2] (optredende namens [appellanten] ) niet te lezen. Dat van de zijde van laatstgenoemde daaraan geen woord wordt gewijd is opvallend, omdat zij daarbij het meeste belang had, gezien de eerdere betalingen. Daarbij komt dat op initiatief van die zijde over een aanpassing van de prijs is onderhandeld, zoals onweersproken door [geïntimeerde] is gesteld, en dat daarover een akkoord is bereikt. Dat roept de – onbeantwoorde – vraag op waarom [naam2] het initiatief tot die onderhandeling om tot een lagere prijs te komen heeft genomen, indien zij ervan uitging dat de levering toch niet betaald hoefde te worden. [geïntimeerde] mocht er gezien die onderhandelingen redelijkerwijs op vertrouwen dat zij conform de uitonderhandelde prijs betaald zou krijgen, althans hebben [appellanten] onvoldoende onderbouwd op grond waarvan [geïntimeerde] heeft moeten begrijpen dat dit niet het geval was.\n\n3.27. \n\nDat wordt niet anders als daarbij acht wordt geslagen op de in verband met de levering in Koeweit opgemaakte stukken en dat geen aanbetaling is gevraagd, welke omstandigheden volgens [appellanten] hun standpunt ondersteunen. Volgens [appellanten] is de factuur van 4 januari 2023 slechts om administratieve redenen opgemaakt in verband met een andere prijs en bestemming en douaneformaliteiten. Dat kan uit de factuur zelf niet worden afgeleid; dat de factuur ook volgens [geïntimeerde] slechts deze functie had is ook verder onvoldoende onderbouwd; niet is gesteld of gebleken op grond waarvan ook [geïntimeerde] hiervan uitging. Dat op 19 januari 2023 in het Supplier Creation Formdat is opgemaakt om te voldoen aan invoerformaliteiten voor de levering in Koeweit als betalingsvoorwaarden ‘Prepayment’ zijn genoemd legt daarbij ook niet voldoende gewicht in de schaal, omdat door [geïntimeerde] onweersproken is gesteld dat dit formulier algemene informatie betreft en niet specifiek ziet op deze transactie. In het formulier wordt ook niet verwezen naar deze transactie.\n\nHet staat op zich vast dat geen aanbetaling is gevraagd, terwijl dat wel op de factuur van januari 2023 staat. Niet gesteld of gebleken is echter dat daarover in december 2022 is gesproken en op grond waarvan [geïntimeerde] bij [appellanten] het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat zij door het niet vragen van een aanbetaling helemaal van betaling af zou zien.\n\n3.28. \n [appellanten] hebben ook nog een beroep gedaan op een verklaring van de bestuurder van [naam1] . Ook met de inhoud van die verklaring heeft [appellanten] niet aannemelijk gemaakt dat de afspraak waarop [appellanten] zich beroept is gemaakt, deze verklaring zowel op zich zelf bezien als in samenhang met de andere gestelde feiten en omstandigheden. De verklaring luidt als volgt:\n\n“(…) In March\u002F April 2022, [appellant2] placed an order with [naam1] for an amount of € 126,282. That amount was prepaid by [appellant2] to [naam1] on April 7, 2022.\n\nDue to circumstances, this order was cancelled. From that moment on, [appellant2] had a credit on [naam1] of € 126,282 that would be settled with the next new order. [geïntimeerde] agreed.\n\nThe next order took a very long time due to [geïntimeerde] 's incorrect working method, but was completed through delivery and invoicing in January 2023. This resulted in an invoice from [geïntimeerde] to [appellant2] of € 195,039. [appellant2] had again paid an amount in advance to [naam1] on that invoice, i.e. € 94,303,50 on October 4, 2022. In accordance with agreement with [geïntimeerde] , € 75,524.40 of the latter advance payment was paid by [naam1] to [geïntimeerde] on 20 October 2022, on condition that delivery by [geïntimeerde] to [appellant2] would take place without [appellant2] having any payment obligation towards [geïntimeerde] .\n\nIn total, [appellant2] has therefore paid € 220,585.50 to [naam1] , [naam1] has settled with [geïntimeerde] in accordance with the agreement. The amount overpaid by [appellant2] , i.e. € 220,585.50 minus €195,039 = € 25,546.50 should have been repaid by [geïntimeerde] to [appellant2] . [naam11] has taken care of that amount without obligation by offsetting with [appellant2] and is trying to recover it from [geïntimeerde] . It now appears that [appellant2] also paid the latter invoice of € 195,039 to [geïntimeerde] , which is completely unjustified. [geïntimeerde] received that amount incorrectly. It would have been morally right for them to have returned that receipt immediately. Now that it appears that this has not happened, I advise [appellant2] to take immediate action against [geïntimeerde] , if necessary using all legal means. Where possible, I would like to support them wholeheartedly. In summary: [appellant2] paid twice, 1 time to [naam1] and 1 time to [geïntimeerde] . The payment to [naam1] has been accepted by [geïntimeerde] as payment of the delivery and has been incorporated into the current account relationship with [naam1] . After receiving that payment to [naam1] , [geïntimeerde] delivered to [appellant2] . After that, [appellant2] paid [geïntimeerde] again by mistake. [geïntimeerde] is therefore obliged to return this wrongful payment to [appellant2] .”\n\n3.29. Volgens [geïntimeerde] is deze bestuurder [geïntimeerde] niet goedgezind omdat [geïntimeerde] het faillissement van [naam1] heeft aangevraagd. Dat kan zo zijn, maar dat maakt de verklaring om die reden niet direct ongeloofwaardig. Belangrijker is dat [appellanten] niet hebben gesteld dat deze bestuurder betrokken is geweest bij de totstandkoming van de afspraken die in december 2022 zijn gemaakt, en welke rol hij daarbij heeft gespeeld en waaraan hij zijn wetenschap ontleent. Daarbij komt dat de verklaring op onderdelen in strijd is met de door [appellanten] zelf gestelde en vaststaande feiten. Zo verklaart de bestuurder dat B& F een aanbetaling op de factuur van [geïntimeerde] van januari 2023 heeft gedaan, terwijl die aanbetaling volgens [appellanten] betrekking heeft op de tweede bestelling. Verder is de verklaring een beschrijving van de gang van zaken, die in grote lijnen overeenstemt met de standpunten van partijen, en wat betreft de betaling van ruim € 75.000,- met het standpunt van [geïntimeerde] dat dat in lijn was met de afspraken tussen [naam1] en [geïntimeerde] . Maar uit de verklaring blijkt niet van enige afspraak tussen [geïntimeerde] en [appellanten] , noch dat [geïntimeerde] contractueel tot levering verplicht was als het gaat om de eerste twee bestellingen. De bestuurder heeft het in dat verband over een morele verplichting.\n\n3.30. Bij gebrek aan toereikende onderbouwing ziet het hof geen grond voor het honoreren van het bewijsaanbod van [appellanten] dat slechts inhoudt dat de bestuurder van [naam1] als getuige gehoord zou moeten worden. Dat aanbod is daarvoor bovendien niet specifiek genoeg. Er is gesteld dat deze bestuurder het nodige kan verklaren, maar niet is aangeboden feiten te bewijzen die, indien juist, tot een ander oordeel zouden leiden, dan wel is het aanbod niet ter zake dienend gelet op wat het hof al heeft geoordeeld over de door [appellanten] gestelde feiten.\n\nTussenconclusie\n\n3.31. Al het voorgaande betekent i) dat niet blijkt dat sprake is van onverschuldigde betaling en ii) dat niet blijkt dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de schade die een gevolg is van het niet uitvoeren van de eerste twee bestellingen. De op die grondslagen gebaseerde primaire en subsidiaire vorderingen zijn niet toewijsbaar. De schadevergoedingsvordering is dat ook niet voorzover die is gebaseerd op onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] . [appellanten] heeft niet voldoende gesteld om dat onrechtmatig handelen, dat niet zonder meer uit de feiten volgt, aan te nemen. De grievendie er toe strekken dat de vordering op deze grondslagen kunnen worden toegewezen falen.\n\nongerechtvaardigde verrijking\n\n3.32. De meer subsidiaire vordering tot betaling van € 75.524,40 is gebaseerd op ongerechtvaardigde verrijking. Die is toewijsbaar indien [geïntimeerde] ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van [appellant1] of [appellant2] (die zijn verarmd) zodat [geïntimeerde] , voorzover dit redelijk is, de schade die zij daardoor lijden moet vergoeden tot het bedrag van haar verrijking.\n\n3.33. \n [appellant2] (en niet [appellant1] ) heeft het genoemde bedrag aan [naam1] betaald zonder dat zij daarvoor een daarmee corresponderende tegenprestatie heeft ontvangen. Zij heeft dit bedrag niet terugontvangen. Aannemelijk is daarom dat [appellant2] door de betaling van het genoemde bedrag is verarmd. [geïntimeerde] heeft niet aangevoerd dat [appellant2] mogelijk nog een vordering op [naam1] heeft, maar dat gegeven betekent als zodanig niet dat [appellant2] niet kan zijn verarmd ( [naam1] biedt overigens geen verhaal voor die vordering, gezien de stand van zaken in dat faillissement, waarbij geen uitkering aan faillissementscrediteuren is te verwachten).\n\n3.34. \n [geïntimeerde] is er vanwege de samenwerkingsafspraken met [naam1] vanuit gegaan dat [naam1] het bedrag terug moest betalen aan [appellant2] en dat zij gehouden was het bedrag met dat doel aan [naam1] terug te betalen. Zij stelt dat te hebben gedaan doordat zij haar schuld (terugbetaling aan [naam1] ) heeft verrekend met een vordering van haar op [naam1] uit andere hoofde. Indien dat juist is betekent dat dat [geïntimeerde] is verrijkt: zij heeft daarmee immers een verrekeningsmogelijkheid gekregen en benut, die zij niet zou hebben gehad indien zij het bedrag van ruim 75.000, - niet zou hebben ontvangen. Zij heeft dit bedrag ontvangen waar volgens haar eigen stellingen geen tegenprestatie van haarzelf tegenover staat. [geïntimeerde] heeft de ruim € 75.000,- immers aan zichzelf laten overmaken als ‘prepayment’ (zie rov. 3.9), maar heeft vervolgens het volle afgesproken bedrag voor de levering van januari 2023 van [appellant1] ontvangen, zonder dat zij op die factuur het ten titel van aanbetaling van [naam1] ontvangen bedrag daarop in mindering heeft gebracht. Voor de ontvangst van de ruim € 75.000,- is dan ook geen rechtvaardiging te vinden in de met [appellant2] gesloten overeenkomsten. Tussen de verarming van [appellant2] en de verrijking van [geïntimeerde] bestaat daarmee voldoende verband. Het is in de gegeven omstandigheden redelijk dat [geïntimeerde] dit bedrag aan [appellant2] terugbetaalt; niet valt in te zien dat [appellant2] van de gang van zaken en van het faillissement van [naam1] de dupe moet worden.\n\n3.35. Het hof zal daarom de meer subsidiaire vordering toewijzen, met daarover de gevorderde en als zodanig niet bestreden wettelijke rente met ingang van 25 september 2023 tot aan de dag van algehele betaling. Met het oog daarop zal het bestreden vonnis van de rechtbank worden vernietigd.\n\n3.36. Ook de gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten (de vordering sub VIII in de akte vermeerdering eis van 25 november 2024) is, als zijnde niet weersproken, toewijsbaar. Naar aard en omvang voldoen deze kosten aan de dubbele redelijkheidstoets. Daarbij gaat het hof er, gelet op het vermelde in de inleidende dagvaarding onder 74 en 81, vanuit dat het in de akte genoemde bedrag van € 2.750,39 een verschrijving is en van het bedrag van € 2.725,39 moet worden uitgegaan.\n\nDe conclusie\n\n3.37. Het hoger beroep slaagt deels. Omdat [geïntimeerde] grotendeels in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [geïntimeerde] tot betaling van de proceskosten van [appellant2] zowel in hoger beroep als bij de rechtbank veroordelen. Daarbij gaat het hof wat betreft het salaris van de advocaat uit van het toegewezen bedrag. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.Deze uitspraak brengt mee dat [appellant2] de proceskosten voor de procedure in eerste aanleg niet meer verschuldigd zijn. Het kan zijn dat zij die inmiddels aan [geïntimeerde] heeft betaald, maar een vordering tot terugbetaling heeft zij niet ingesteld, zodat het hof [geïntimeerde] daartoe niet kan veroordelen.\n\n3.38. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).\n\n4. De beslissing\n\nHet hof:\n\n4.1. vernietigt het vonnis van de rechtbank in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad van 12 februari 2025 voorzover de vorderingen van [appellant2] zijn afgewezen, beslist in zoverre opnieuw, en bekrachtigt het vonnis voor het overige:\n\n4.2. veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant2] van € 75.524,40, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 september 2023 tot de dag van volledige betaling;\n\n4.3. veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant2] van € 2.725,39 als vergoeding voor buitengerechtelijke kosten;\n\n4.4. \n\nveroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant2] tot aan de uitspraak van de rechtbank:\n\n€ 6.617 aan griffierecht\n\n€ 115,12 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan [geïntimeerde]\n\n€ 2.428 aan salaris van de advocaat van [appellant2] (2 procespunten x het destijds geldende tarief in tariefgroep IV)\n\nen tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant2] in hoger beroep:\n\n€ 6.803 aan griffierecht\n\n€ 122,25 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan [geïntimeerde]\n\n€ 4.704 aan salaris van de advocaat van [appellant2] (2 procespunten x het per 1 februari 2026 geldende tarief in tariefgroep IV)\n\n4.5. bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;\n\n4.6. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;\n\n4.7. wijst af wat verder is gevorderd.\n\nDit arrest is gewezen door mr. J. Smit, mr. M.A.M. Essed en mr. A.L. Goederee, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op\n\n30 juni 2026.\n\n Het vonnis is gepubliceerd onder RBMNE:2025:323.\n\n Artikel 4 Brussel I bis (Verordening (EU) nr. 1215\u002F2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking).\n\n Artikel 6:203 BW\n\n Conform de zogenoemde Haviltex-maatstaf\n\n In de woorden [appellanten] : is toegetreden tot die overeenkomsten\n\n Productie 27\n\n Productie 25\n\n Grieven I-III, met subgrieven bij grief II, en grief V\n\n artikel 6:212 BW\n\n Grief IV, VI en VII treffen doel\n\nHR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4229","2026-07-13T00:28:40.986Z",{"id":96,"ecli":97,"slug":98,"caseNumber":44,"courtId":99,"decisionDate":60,"fullText":100,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":101,"sourceTimestamp":102,"parsedAt":51,"updatedAt":103},"751","ECLI:NL:GHDHA:2026:2200","ecli-nl-ghdha-2026-2200",58,"GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nCiviel recht\n\nTeam Handel\n\nZaaknummer hof : 200.355.114\u002F01\n\nZaak- en rolnummer rechtbank : 11307689 \\ CV EXPL 24-23450\n\nArrest van 30 juni 2026 (bij vervroeging)\n\nin de zaak van\n\nMonuta [naam] B.V.,\n\ngevestigd in Capelle aan den IJssel,\n\nappellante,\n\nadvocaat: mr. C.A.M.H. Vink, kantoorhoudend in 's-Hertogenbosch,\n\ntegen\n\n [geïntimeerde],\n\nzonder bekende woon- of verblijfplaats,\n\ngeïntimeerde,\n\nniet verschenen.\n\nHet hof noemt partijen hierna Monuta en [geïntimeerde] .1. De zaak in het kort1.1. Monuta vordert in deze zaak betaling van een openstaande factuur voor de in opdracht van [geïntimeerde] verzorgde uitvaart van zijn moeder. [geïntimeerde] is niet verschenen. De kantonrechter heeft geconstateerd dat sprake is van een overeenkomst tussen een handelaar en een consument die op afstand of buiten de verkoopruimte is gesloten. Daarop heeft de kantonrechter ambtshalve onderzocht of Monuta aan haar informatieverplichting uit hoofde van art. 6:230m lid 1 BW heeft voldaan. De kantonrechter oordeelde dat Monuta niet heeft aangetoond dat zij heeft voldaan aan de verplichting de consument informatie te verstrekken over de voorwaarden, de termijn en de modaliteiten voor de uitoefening van het recht van ontbinding (art. 6:230m lid 1 onder h jo art. 6:230o BW). Met toepassing sanctierichtlijn heeft de kantonrechter de overeenkomst gedeeltelijk vernietigd, in die zin dat de betalingsverplichting van [geïntimeerde] is verminderd met 25%. De kantonrechter heeft 75% van de gevorderde hoofdsom, kosten, rente en proceskosten toegewezen.1.2. In hoger beroep voert Monuta aan dat uit de aard van de overeenkomst, de aard van de geleverde diensten en zaken, en de wettelijke termijn waarbinnen een overledene moet zijn gecremeerd of begraven volgt dat [geïntimeerde] geen recht van ontbinding had, zodat Monuta ook geen informatieplicht had. Zij meent daarom dat de kantonrechter ten onrechte haar vordering niet volledig heeft toegewezen. Het hof komt tot hetzelfde oordeel als de kantonrechter.1.3. De grief dat de kantonrechter ten onrechte niet de gevorderde contractuele rente heeft toegewezen en de proceskosten verkeerd heeft berekend, slaagt wel. Op dit punt wordt het bestreden vonnis vernietigd.2. Procesverloop in hoger beroep2.1. \n\nHet verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:\n\nde dagvaarding van 21 februari 2025, waarmee Monuta in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 11 december 2024, met bijlagen.2.2. \n [geïntimeerde] is in hoger beroep niet verschenen. Tegen hem is verstek verleend.3. Feitelijke achtergrond3.1. Monuta is een onderneming die zich, onder meer, bezighoudt met het (doen) verzorgen van uitvaarten.3.2. Op 21 maart 2023 heeft Monuta aan [geïntimeerde] een offerte\u002Fkostenbegroting met algemene voorwaarden gestuurd voor het verzorgen van de uitvaart van zijn overleden moeder.3.3. Bij e-mail van 22 maart 2023 heeft [geïntimeerde] zich hiermee akkoord verklaard. In de offerte\u002Fkostenbegroting is bepaald dat [geïntimeerde] (de toepasselijkheid van) de Algemene Voorwaarden van de Branchevereniging Gecertificeerde Nederlandse Uitvaarondernemingen (hierna: de algemene voorwaarden) aanvaardt.3.4. Monuta heeft de uitvaart, die plaatsvond op 27 maart 2023, overeenkomstig de opdracht verzorgd.3.5. Monuta heeft [geïntimeerde] hiervoor een factuur gedateerd 26 april 2023 gestuurd van € 4.632,10. Op grond van de algemene voorwaarden bedroeg de betalingstermijn twee weken. Ondanks herhaalde aanmaningen, sommaties en ingebrekestellingen is de factuur onbetaald gebleven.4. Procedure bij de rechtbank4.1. Monuta heeft [geïntimeerde] gedagvaard en gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen aan haar € 5.713,71 met rente en kosten te betalen.4.2. \n [geïntimeerde] is (ook in eerste aanleg) niet verschenen en tegen hem is verstek verleend.4.3. De kantonrechter heeft de vorderingen toegewezen tot een bedrag van € 4.323,11, vermeerderd met de wettelijke rente over € 3.474,08 vanaf 27 juni 2024 tot de dag van algehele voldoening en [geïntimeerde] veroordeeld in de proceskosten.4.4. De kantonrechter heeft daartoe overwogen dat de overeenkomst is gesloten op afstand of buiten de verkoopruimte tussen een handelaar en een consument. Bij of voorafgaand aan het sluiten van deze overeenkomsten moet de handelaar bepaalde informatie aan de consument verstrekken en deze informatie bevestigen op een duurzame gegevensdrager, aldus de kantonrechter. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677, beslist dat de rechter ambtshalve moet onderzoeken of aan een aantal informatieverplichtingen is voldaan. Het gaat dan om de informatie waaraan de wet een specifieke sanctie verbindt als deze niet wordt gegeven en om de informatie waaraan extra gewicht moet worden toegekend. Dit zijn de essentiële informatieverplichtingen. De Hoge Raad heeft ook beslist dat de rechter de overeenkomst geheel of gedeeltelijk moet vernietigen in die zin dat de betalingsverplichting van de consument wordt verminderd als sprake is van een voldoende ernstige schending van zo’n verplichting, aldus de kantonrechter.4.5. De kantonrechter heeft verder overwogen dat op grond van artikel 6:230m lid 1 onderdeel h BW de consument erop moet worden gewezen dat hij of zij het recht heeft om de overeenkomst binnen veertien dagen te ontbinden. De kantonrechter oordeelde dat Monuta niet heeft aangetoond dat aan deze informatieverplichting is voldaan en dat deze bepaling daarom was geschonden. Met toepassing van de door de rechtbanken opgestelde sanctierichtlijn heeft de kantonrechter de overeenkomst gedeeltelijk vernietigd, in die zin dat de betalingsverplichting van [geïntimeerde] is verminderd met 25%, en een bedrag van € 3.474,08 aan hoofdsom (75% van € 4.632,10), € 571,62 aan buitengerechtelijke kosten en € 277,41 aan vervallen wettelijke rente toegewezen.5. Beoordeling in hoger beroepGrieven5.1. Monuta is het niet eens met het vonnis van de kantonrechter en heeft daartegen drie grieven aangevoerd.5.2. Grief 1 is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat art. 6:230m onder h BW is geschonden en tegen de vermindering van de vordering met 25% overeenkomstig de sanctierichtlijn. Monuta stelt dat, hoewel haar specifieke dienstverlening niet expliciet in de wet is opgenomen, het gelet op het doel en de achtergrond van het ontbindingsrecht en de genoemde uitzonderingen daarop, overeenkomsten tot uitvaartverzorging behoren te zijn uitgezonderd van het ontbindingsrecht. In dit verband wijst zij op de uitzonderingen van art. 6:230p onder d, e en f BW en verder op de Wet op de Lijkbezorging die bepaalt dat de uitvaart maximaal zes dagen na het overlijden moet plaatsvinden. [geïntimeerde] heeft Monuta daarom verzocht om direct voor hem aan de slag te gaan. Er moest van alles geregeld, gereserveerd, gemaakt en besteld worden: opbaring en laatste verzorging van de overledene, het kiezen tussen begraven of cremeren, het bepalen van de locatie en de datum van de uitvaart, het versturen van rouwkaarten, het opstellen van een rouwadvertentie, het uitkiezen van een uitvaartkist, het regelen van het rouwvervoer en het vormgeven van de uitvaartdienst. Uit de aard van de overeenkomst, de aard van de geleverde diensten en zaken en de wettelijke termijn waarbinnen een overledene moet zijn gecremeerd of begraven volgt dat [geïntimeerde] geen ontbindingsrecht had. Daarom is art. 6:230m lid 1 onder h niet geschonden en bestond geen aanleiding voor het opleggen van een sanctie, aldus Monuta. De vordering is volgens haar ten onrechte met toepassing van de sanctierichtlijn met 25% verminderd.5.3. Grief 2 is gericht tegen de vermindering door de kantonrechter van de (toegewezen) buitengerechtelijke kosten en de (wettelijke) rente met 25% en grief 3 is gericht tegen de vermindering van de proceskostenveroordeling met 25%. Monuta voert aan dat, omdat geen sprake is van schending van de informatieplicht art. 6:230m lid 1 onder h BW, op de nevenvorderingen en de proceskosten eveneens ten onrechte een vermindering is toegepast.5.4. In grief 3 wordt verder nog geklaagd: - dat onder 2.12 van het bestreden vonnis het griffierecht ten onrechte is vastgesteld op € 496 (vordering met een waarde van € 2.500-€ 5.000) in plaats van € 524 (vordering met een waarde van € 5.000-€ 12.500); - dat onder 2.12 het salaris van de gemachtigde ten onrechte is vastgesteld op € 271 (hoofdsom, rente en buitengerechtelijke kosten tot en met € 5.000) in plaats van € 339 (hoofdsom, rente en buitengerechtelijke kosten tot en met € 10.000); en - dat ten onrechte zonder nadere motivering de subsidiair gevorderde wettelijke rente in plaats van de primair gevorderde contractuele rente van 7% per jaar is toegewezen. Informatieplichten ex art. 6:230m lid 1BW; toetsingskader5.5. Monuta stelt dat de overeenkomst tussen Monuta en [geïntimeerde] moet worden aangemerkt als een overeenkomst tussen een handelaar en een consument die buiten de verkoopruimte is gesloten. Dat is niet betwist, zodat het hof daarvan uitgaat. In een dergelijk geval moet de handelaar op grond van artikel 6:230m BW op een duidelijke en begrijpelijke wijze informatie verstrekken over een aantal voor de consument belangrijke zaken. In zijn prejudiciële beslissing van 12 november 2021 heeft de Hoge Raad bepaald dat de rechter ambtshalve moet onderzoeken of is voldaan aan de in artikel 6:230m lid 1 sub a, b, c, e, f, g, h, o en p BW neergelegde essentiële informatieplichten. Als aan één of meer van dergelijke essentiële precontractuele informatieverplichtingen niet is voldaan, moet de rechter een doeltreffende, evenredige en afschrikwekkende sanctie toepassen. Als sprake is van een voldoende ernstige schending van een of meer essentiële informatieplichten kan de rechter als sanctie de overeenkomst geheel of gedeeltelijk vernietigen. Bij gedeeltelijk vernietigen van de overeenkomst moet worden gedacht aan vermindering van de betalingsverplichting van de consument.Ontbindingsrecht; uitzonderingen5.6. \n\nOp grond van art. 6:230o lid 1, aanhef en onder a, BW kan de consument een op afstand of een buiten de verkoopruimte gesloten overeenkomst tot het verrichten van diensten zonder opgave van redenen ontbinden tot een termijn van veertien dagen is verstreken vanaf de dag waarop de overeenkomst is gesloten. Voor het geval dat een ontbindingsrecht bestaat, heeft de handelaar de verplichting de consument informatie te verstrekken over de voorwaarden, de termijn en de modaliteiten voor de uitoefening van dat recht (art. 6:230m lid 1 onder h jo art. 6:230o BW). Art. 6:230p BW voorziet in enkele uitzonderingen op het ontbindingsrecht (ook wel aangeduid als herroepingsrecht) in verband met de aard van de betrokken dienst of zaak. In de considerans van Richtlijn 2011\u002F83\u002FEU betreffende consumentenrechten worden die uitzonderingen als volgt toegelicht:\n\n‘(49) Bepaalde uitzonderingen op het herroepingsrecht moeten mogelijk zijn, zowel toe voor op afstand als voor buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten. Het is mogelijk dat een herroepingsrecht, bijvoorbeeld gezien de aard van de betrokken goederen of diensten, niet op zijn plaats is. Dat is bijvoorbeeld het geval voor overeenkomsten van speculatieve aard betreffende wijn die pas langere tijd na sluiting van een overeenkomst wordt geleverd, en waarbij de waarde afhangt van schommelingen van de markt (‘vin en primeur’). Het herroepingsrecht mag ook niet gelden voor volgens specificaties van de consument vervaardigde goederen of die duidelijk voor een specifieke persoon bestemd zijn, zoals op maat gemaakte gordijnen, noch voor de levering van bijvoorbeeld brandstof die, door zijn aard zelf, een goed is dat na levering niet meer te scheiden is van de andere goederen. Het toekennen van een herroepingsrecht aan de consument kan ook niet passend zijn in het geval van bepaalde diensten waarbij de sluiting van de overeenkomst impliceert dat er capaciteit wordt gereserveerd, waarvoor de handelaar bij de uitoefening van een herroepingsrecht mogelijk geen bestemming meer kan vinden. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer hotelkamers, vakantiewoningen of plaatsen voor culturele of sportieve evenementen worden gereserveerd.\n\n(50) Enerzijds moeten consumenten over een herroepingsrecht beschikken, ook als zij hebben verzocht om verrichting van de dienst voor het verstrijken van de herroepingstermijn. Anderzijds dient de handelaar, indien de consument zijn herroepingsrecht uitoefent, ook te kunnen rekenen op een passende betaling voor de dienst die hij heeft verricht. Bij de berekening van het evenredige bedrag dient te worden uitgegaan van de in de overeenkomst vastgestelde prijs, tenzij de consument kan aantonen dat die totale prijs zelf onevenredig is; in dat geval dient het te betalen bedrag te worden berekend op basis van de marktwaarde van de geleverde dienst. De marktwaarde moet worden vastgesteld door vergelijking met de prijs van een gelijkwaardige dienst, uitgevoerd door andere handelaren op het tijdstip van sluiting van de overeenkomst. Daarom moet de consument het verzoek dat een dienst vóór het verstrijken van de herroepingstermijn wordt verricht uitdrukkelijk formuleren en, bij buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten, op een duurzame gegevensdrager. Van zijn kant dient de handelaar de consument op een duurzame gegevensdrager te informeren over de verplichting om de pro rata kosten voor de reeds verrichte dienst te betalen. Bij overeenkomsten die zowel op goederen als op diensten betrekking hebben, dienen de in deze richtlijn opgenomen voorschriften inzake het terugzenden van goederen te gelden voor de goederenaspecten en dient de vergoedingsregeling voor diensten te gelden voor de dienstenaspecten.’\n\nGeldt een uitzondering voor de overeenkomst tot uitvaartverzorging?5.7. In deze zaak is aan de orde of [geïntimeerde] het recht had de overeenkomst met Monuta tot verzorging van de uitvaart van zijn moeder binnen veertien dagen na het sluiten daarvan (zonder opgave van redenen) te ontbinden. In dat geval had Monuta de verplichting [geïntimeerde] informatie te verstrekken over de voorwaarden, de termijn en de modaliteiten voor de uitoefening van dat recht (art. 6:230m lid 1 onder h jo art. 6:230o BW). Vast staat dat Monuta geen informatie over een (eventueel) ontbindingsrecht heeft verstrekt.5.8. In art. 6:230p BW, waarin is geregeld in welke gevallen de consument geen recht van ontbinding van de overeenkomst heeft, wordt de overeenkomst tot het verzorgen van een uitvaart niet genoemd, zoals Monuta ook erkent. In dit verband wijst zij op wel genoemde overeenkomsten waarvoor het ontbindingsrecht niet geldt. Naar Monuta stelt, heeft de consument geen recht van ontbinding bij een consumentenkoop betreffende de levering van volgens specificaties van de consument vervaardigde zaken, die niet geprefabriceerd zijn en die worden vervaardigd op basis van een individuele keuze of beslissing van de consument, of die duidelijk voor een specifiek persoon bestemd zijn (art. 6:230p, aanhef en onder f, 1°, BW), zonder dit verder toe te lichten. Monuta wijst ook nog op de uitzondering van art. 6:230p, aanhef en onder e, BW dat bepaalt dat de consument geen recht van ontbinding heeft bij een overeenkomst tot het verrichten van diensten die strekt tot, onder meer, de terbeschikkingstelling van accommodatie anders dan voor woondoeleinden, van autoverhuurdiensten en van catering, indien in de overeenkomst een bepaald tijdstip of een bepaalde periode van nakoming is voorzien. Ook bij deze verwijzing ontbreekt een toelichting. Het hof onderkent dat de overeenkomst tot het verzorgen van een uitvaart elementen van de verschillende, in deze bepalingen genoemde typen overeenkomsten bevat en dat in zoverre sprake is van een gemengde overeenkomst. Naar het oordeel van het hof kan dit niet ertoe toe leiden dat, zonder dat de wet hierin voorziet, voor een overeenkomst tot uitvaartverzorging het ontbindingsrecht in zijn geheel komt te vervallen. De totstandkomingsgeschiedenis van deze bepalingen biedt daarvoor ook geen aanknopingspunten.5.9. \n\nMonuta beroept zich verder op art. 6:230p, aanhef en onder d, BW dat luidt:\n\n‘De consument heeft geen recht van ontbinding bij:\n\n[…]\n\nd. een overeenkomst tot het verrichten van diensten, na nakoming van de overeenkomst, en voor zover de overeenkomst voor de consument een betalingsverplichting inhoudt, indien: 1° de nakoming is begonnen met uitdrukkelijke voorafgaande instemming van de consument; en 2° de consument heeft verklaard afstand te doen van zijn recht van ontbinding zodra de handelaar de overeenkomst is nagekomen’.\n\n Deze bepaling voorziet in een generiekeuitzondering voor overeenkomsten tot het verrichten van diensten.De consument heeft dus wel een ontbindingsrecht, maar dit vervalt als de overeenkomst volledig is nagekomen tijdens de termijn van veertien dagen waarbinnen kan worden ontbonden. Bij betaalde dienstverlening moet bovendien aan twee voorwaarden zijn voldaan: de consument moet hebben ingestemd met de uitvoering van de dienst tijdens de ontbindingstermijn én de consument moet uitdrukkelijk hebben verklaard dat hij afstand doet van het ontbindingsrecht nadat de dienst volledig zal zijn verricht. Monuta stelt, onder verwijzing naar alle diensten genoemd in de kostenbegroting, dat [geïntimeerde] haar heeft verzocht om direct voor hem aan de slag te gaan. Voor zover deze stelling zo moet worden begrepen dat de eerste voorwaarde is vervuld, heeft Monuta die stelling niet onderbouwd. Volgens de hiervoor geciteerde overweging 50 moet de consument het verzoek dat een dienst vóór het verstrijken van de herroepingstermijn wordt verricht immers uitdrukkelijk formuleren en, bij buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten, op een duurzame gegevensdrager. Wat daarvan zij, daarnaast geldt als voorwaarde dat de consument uitdrukkelijk heeft verklaard dat hij afstand doet van het ontbindingsrecht nadat de dienst volledig zal zijn verricht. Ontbreekt deze verklaring, dan kan de consument alsnog gebruik maken van zijn ontbindingsrecht. Monuta heeft hierover niets gesteld, zodat moet worden aangenomen dat deze voorwaarde niet is vervuld en dat het recht tot ontbinding in stand is gebleven. De conclusie is dan ook dat Monuta haar verplichting om [geïntimeerde] informatie te verstrekken over de voorwaarden, de termijn en de modaliteiten voor de uitoefening van recht tot ontbinding, niet is nagekomen.5.10. Het voorgaande wordt niet anders vanwege het voorschrift in de Wet op de Lijkbezorging dat de uitvaart maximaal zes dagen na het overlijden moet plaatsvinden. Het ligt op de weg van de uitvaartondernemer, in dit geval Monuta, om als voorwaarde voor het beginnen met de uitvoering van de overeenkomst, van de consument te verlangen dat hij zijn uitdrukkelijk voorafgaande toestemming met uitvoering binnen de ontbindingstermijn (schriftelijke) bevestigt en een verklaring ondertekent waarmee hij afstand doet van zijn ontbindingsrecht. Voor de uitvaartondernemer is dit een simpele handeling die ook niet anderszins bezwaarlijk voorkomt.5.11. Hieruit volgt dat grief 1 ongegrond is. Hetzelfde geldt voor de grieven 2 en 3, voor zover deze laatstgenoemde grief is gericht tegen de vermindering van de proceskostenveroordeling met 25%, die (wat betreft grief 3: in zoverre) geen zelfstandige betekenis hebben. Proceskostenveroordeling en rente in eerste aanleg5.12. Grief 3 is wel gegrond voor zover daarin wordt opgekomen tegen de toewijzing van de contractuele rente in plaats van de wettelijke rente.5.13. In artikel 9.4 van de algemene voorwaarden dat bij niet tijdige betaling, de uitvaartverzorger gerechtigd is rente in rekening te brengen met een maximum van 7% per jaar. Het hof acht dit percentage niet onevenredig hoog. Ter vergelijking: de wettelijke rente bedroeg in 2023 tot 1 juli 4% en vanaf 1 juli 6%, in 2024 6% en in 2025 7%. Van een onredelijk bezwarend beding is dus geen sprake. Dan valt niet in te zien waarom de primair gevorderde contractuele rente niet toewijsbaar is. Het hof zal alsnog de contractuele rente van 7% over de hoofdsom toewijzen.5.14. Grief 3 slaagt niet voor zover daarin wordt betoogd dat het griffierecht ten onrechte is vastgesteld op € 496 (zaken met een vordering of een verzoek van een waarden van meer dan € 2.500 en niet meer dan € 5.000, terwijl dit – volgens Monuta – het tarief voor vorderingen tussen de € 5.000 en € 10.000 had moeten zijn. Monuta stelt niet dat bij haar in eerste aanleg meer in rekening is gebracht dan het bedrag dat de kantonrechter heeft toegewezen aan vergoeding voor door haar betaald griffierecht. Het hof zal wel het salaris gemachtigde opnieuw begroten naar het tarief voor zaken met een geldwaarde tussen de € 5.000 en € 10.000.5.15. Het hof zal de proceskosten in eerste aanleg opnieuw (correct) vaststellen: kosten dagvaarding € 153,66 griffierecht € 496 salaris gemachtigde € 339 nakosten € 135 +totaal € 1.123,66Ambtshalve toetsing schending informatieplichten en onredelijke bedingen5.16. \n\nVoor het overige heeft het hof geen schending van informatieplichten of onredelijk bezwarende bedingen geconstateerd.\n\nConclusie en proceskosten5.17. De conclusie is dat het hoger beroep van Monuta wat betreft de toegewezen rente en de proceskostenveroordeling slaagt. Op dit punt zal het hof het bestreden vonnis vernietigen en voor het overige bekrachtigen. Ten behoeve van de leesbaarheid zal het hof het dictum opnieuw formuleren.5.18. Omdat de grieven slechts op een ondergeschikt punt slagen, ziet het hof aanleiding de kosten van het hoger beroep te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.6. Beslissing\n\nHet hof:\n\n- vernietigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 11 november 2024 en,\n\nopnieuw rechtdoende,\n\nveroordeelt [geïntimeerde] om aan Monuta tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen € 4.323,11, vermeerderd met de contractuele rente van 7% per jaar over € 3.474,08 vanaf 27 juni 2024 tot de dag van algehele voldoening;\n\nveroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van de procedure in eerste aanleg, die aan de kant van Monuta worden begroot op € 1.123,66;\n\ncompenseert de kosten van de procedure in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;\n\nverklaart deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad;\n\nwijst af het anders of meer gevorderde.\n\nDit arrest is gewezen door mr. C.J. Verduyn, mr. A.J.P. Schild en mr. H.J. van Harten en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier.\n\n HR 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677.\n\nTweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 520, nr. 3, p. 40.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2200","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:46.470Z",{"id":105,"ecli":106,"slug":107,"caseNumber":44,"courtId":29,"decisionDate":60,"fullText":108,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":109,"sourceTimestamp":110,"parsedAt":51,"updatedAt":111},"374","ECLI:NL:GHARL:2026:4422","ecli-nl-gharl-2026-4422","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem, afdeling civiel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.333.323\n\nzaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, 535824\n\narrest van 30 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nBalm B.V.\n\ndie is gevestigd in Vianen\n\ndie hoger beroep heeft ingesteld\n\nen bij de rechtbank optrad als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie\n\nhierna: Balm\n\nadvocaat: mr. F.M.W. van Tol\n\ntegen\n\nde vereniging van eigenaars\n\nVereniging van Eigenaars Schaperstraat 2 tot en met 56\n\ndie is gevestigd in Dordrecht\n\nen bij de rechtbank optrad als eiseres in conventie, verweerster in reconventie\n\nhierna: de VvE\n\nadvocaat: mr. J.I. Jansen\n\n1. Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep\n\n1.1.. In het tussenarrest van 3 juni 2025 heeft het hof J.W.M. Bovend’Eerdt (hierna: de deskundige) benoemt tot deskundige. Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:\n\nhet definitief deskundigenbericht van 31 oktober 2025;\n\nde memorie na deskundigenbericht van de VvE;\n\nde memorie van antwoord na deskundigenbericht, tevens houdende een verzoek om terug te komen op bindende eindbeslissingen van Balm;\n\nde akte uitlating van de VvE.\n\n1.2.. Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.\n\n2. Het oordeel van het hof\n\nBindende eindbeslissingen\n\n2.1.. In het tussenarrest van 24 september 2024 (hierna: het tussenarrest) heeft het hof overwogen (i) dat er geen oplevering heeft plaatsgevonden op de door Balm gestelde data, (ii) dat de VvE tijdig heeft geklaagd en (iii) dat Balm haar waarschuwingsplicht heeft geschonden. Balm verzoekt het hof van deze eindbeslissingen terug te komen. Daaraan legt zij ten grondslag dat er sprake is van een nieuw feit en bewijsstuk en van feitelijke of juridische misslagen. Het hof ziet geen aanleiding terug te komen van de door Balm bedoelde eindbeslissingen en licht deze beslissing hierna toe.\n\nBeoordelingsmaatstaf\n\n2.2.. De rechter die in een tussenuitspraak een of meer geschilpunten uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft beslist, is hieraan in beginsel in het verdere verloop van de procedure gebonden. De eisen van een goede procesorde kunnen echter meebrengen dat de rechter aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen gelegenheid hebben gekregen zich daarover uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, om te voorkomen dat op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak wordt gedaan.Als het verzoek wordt gedaan door een procespartij, dan moet het verzoek worden gemotiveerd met een verwijzing naar relevante feiten en omstandigheden. Als een partij slechts verzoekt om terug te komen op een bindende eindbeslissing, zonder daarbij feiten of omstandigheden aan te dragen waaruit kan blijken dat die beslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, dan hoeft de rechter op zo'n verzoek niet in te gaan.In hoger beroep ligt in de eisen van een goede procesorde echter ook besloten het beginsel van concentratie van het processuele debat, zoals dat tot uitdrukking komt in de tweeconclusieregel. Dit beginsel kan meebrengen dat een verzoek om terug te komen van een eindbeslissing niet kan worden gebaseerd op stellingen of bewijsstukken die eerder hadden kunnen en moeten worden aangevoerd, ook als die stellingen niet kunnen worden aangemerkt als een nieuwe grief.\n\n(i) Geen oplevering op de door Balm gestelde datums\n\n2.3.. Balm heeft achtereenvolgens gesteld dat dat oplevering op 1 oktober 2019, 20 december 2019, dan wel 27 mei 2020 heeft plaatsgevonden. Het hof heeft overwogen dat op geen van die momenten sprake is geweest van een oplevering. Zo er al een oplevering heeft plaatsgevonden is dat na 27 mei 2020 geweest. Balm verzoekt het hof van die beslissing terug te komen omdat sprake is van een nieuw feit en bewijsstuk. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft dhr. [naam1] ( [functie] van de VvE) over de eindinspectie en goedkeuring door de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid (hierna: OZHZ) verklaard: “Van achter het bureau. Met ons is nooit contact opgenomen. Ze zijn ook niet komen kijken.”Op een later moment heeft Balm naar aanleiding van die uitspraak navraag gedaan bij de OZHZ, zo stelt zij. Als productie 5 heeft Balm een e-mail van 22 november 2024 van OZHZ overgelegd, waarin op vragen van Balm wordt gereageerd. Over de e-mail van Bam met haar vragen aan OZHZ beschikt het hof niet. De reactie van OZHZ houdt het volgende in:\n\n“Naar aanleiding van uw onderstaande vragen heb ik de bijbehorende dossiers van deze zaak geraadpleegd.\n\nUit het verslag van de toezichthouder maak ik op dat er vanaf 24-10-2018 t\u002Fm 08-10-2019 een tiental controlebezoeken zijn uitgevoerd tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden. Uit het bezoek van 03-06-2019 blijkt dat Balm volop bezig was met lijmen van ankers. Daarna zijn nog verschillende controles uitgevoerd (26-08-2019 en 09-09-2019). Op 08-10-2019 is een eindcontrole uitgevoerd. De herstelwerkzaamheden waren toen gereed en aannemer was reeds vertrokken.\n\nWat ik uit het verslag opmaak is dat in het hele traject op verschillende momenten contact is geweest met de heren [naam1] en [naam2] van de VvE. Dit is via telefoon of mail gegaan. Voor OZHZ is de aannemer (Balm) de te inspecteren en aan te spreken partij.\n\nNa afronding van het project is voor zover ik kan nagaan geen contact meer met de VvE geweest. Omdat de betrokken toezichthouder niet meer bij ons werkt is dit niet meer te verifiëren.”\n\nBalm stelt dat uit het bericht van OZHZ in ieder geval volgt dat (a) OZHZ een eindinspectie heeft uitgevoerd op 8 oktober 2019, (b) Balm op dat moment was vertrokken, (c) de VvE (lees: de heer [naam1] ) bij de inspectie aanwezig is geweest althans bekend was met de datum van de eindinspectie en (d) tussen de VvE en OZHZ was besproken dat correspondentie (vooral) zou plaatsvinden tussen Balm en OZHZ. Dat is volgens haar in dit verband van belang.\n\n2.4.. Het hof stelt voorop dat het op de weg van Balm had gelegen eerder duidelijkheid te verkrijgen en te verschaffen over de onderwerpen waarover zij nu vragen aan OZHZ heeft gesteld voor zover zij dat van belang acht voor de beoordeling of oplevering heeft plaatsgevonden. De e-mail van OZHZ geeft verder geen aanleiding terug te komen van de beslissing dat geen oplevering op of omstreeks 1 oktober 2019 heeft plaatsgevonden. De hierboven weergegeven uitlating van [naam1] ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep ligt niet aan die beslissing ten grondslag. Dat er in oktober 2019 een eindcontrole heeft plaatsgevonden was het hof wel duidelijk, hoe de verhoudingen tussen Balm, OZHZ en de VvE lagen ook. Bij de beantwoording van de vraag of oplevering op of omstreeks 1 oktober 2019 heeft plaatsgevonden heeft het hof in het tussenarrest onder 3.5 overwogen dat aan de goedkeuring van OZHZ in dit verband geen betekenis toekomt, nu dit geen mededeling of gedraging is tussen Balm en de VvE. De in dit late stadium overgelegde e-mail van OZHZ werpt daar geen ander licht op. Dat Balm voor OZHZ de te inspecteren en aan te spreken partij is, bevestigt dat de VvE daarbuiten stond en onderstreept het belang van een mededeling of gedraging van Balm die oplevering impliceert. Het hof heeft op diezelfde plaats verder overwogen dat uit berichten van de VvE bleek dat zij niet op de hoogte was van de goedkeuring. Uit de e-mail van OZHZ volgt ook niet zij daarvan wel op de hoogte was. Balm concludeert dat uit deze e-mail blijkt dat de VvE in de persoon van [naam1] bij de eindkeuring aanwezig is geweest, althans bekend was met de datum van de eindinspectie. Dat is niet wat OZHZ schrijft. Zij deelt mee dat op 8 oktober 2019 een eindcontrole heeft plaatsgevonden, toen de herstelwerkzaamheden gereed waren en de aannemer was vertrokken. Verder deelt zij mee dat in het hele traject op verschillende momenten contact is geweest met onder andere [naam1] van de VvE. Een verband tussen dat contact en de eindcontrole legt OZHZ niet. Bovendien volgt uit de e-mail van OZHZ geen bekendheid van de VvE met de goedkeuring door OZHZ.\n\n2.5.. In het tussenarrest onder 3.7 en 3.9 heeft het hof gemotiveerd waarom ook op 20 december 2019 en 27 mei 2020 geen oplevering heeft plaatsgevonden. Voor zover Balm in haar nadere akte verzoekt van die beslissing terug te komen, is dat processtuk een herhaling van zetten, zonder dat Balm daarbij feiten of omstandigheden aandraagt waaruit kan blijken dat die beslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag. Het hof volstaat met een verwijzing naar de al gegeven motivering voor de beslissing daarover.\n\n(ii) De VvE heeft tijdig geklaagd\n\n2.6.. Het hof heeft in het tussenarrest onder 3.10 overwogen dat de VvE met haar brief van 8 juni 2020 binnen een redelijke termijn over het ontbreken van een goed afschot heeft geklaagd. Balm stelt dat deze beslissing niet is gemotiveerd. Dat kan het hof niet goed volgen. Verwezen wordt naar de motivering zoals die is opgenomen in voornoemde overweging. Anders dan Balm in haar nadere akte lijkt te veronderstellen, gaat het niet om de vraag of de VvE al eerder bekend was met problemen met het afschot, maar is in het oordeel van het hof bepalend dat de VvE in afwachting was van het bezoek van Balm om de oplevering en de daarbij behorende gebreken te bespreken. Pas toen duidelijk werd dat Balm, op de herstelwerkzaamheden aan één van de balkons na, niet bereid was meer werkzaamheden te verrichten, bestond er aanleiding daarover te klagen. Dat heeft de VvE toen ook gedaan. Voor zover Balm stelt dat het feitelijk onjuist is dat de VvE op Balm aan het wachten was voor een bezoek met betrekking tot de oplevering, bouwt haar betoog kennelijk voort op de stelling dat oplevering al eerder op een van de door haar genoemde data heeft plaatsgevonden. Die stelling heeft het hof verworpen.\n\n(iii) Balm heeft haar waarschuwingsplicht geschonden\n\n2.7.. In het tussenarrest onder 3.15 heeft het hof toegelicht dat Balm haar waarschuwingsplicht heeft geschonden. Het ging daarbij om de vraag of Balm de VvE had moeten waarschuwen dat het niet mogelijk was een voldoende afschot aan te brengen zonder een nieuwe verhoogde schrobrand aan te brengen, zoals Balm stelt. Wat Balm in haar nadere akte aanvoert om van die beslissing terug te komen, gaat voorbij aan de inhoud van het deskundigenbericht. Het hof heeft aan de deskundige de vraag gesteld of voor het alsnog realiseren van het vereiste afschot noodzakelijk is dat de schrobranden van de balkons worden aangepast of dat deze kunnen worden gehandhaafd. De deskundige heeft daarop geantwoord dat aanpassing van de bestaande schrobranden bij de door hem voorgestelde herstelwerkzaamheden niet nodig is. Dat brengt mee dat bij de verdere beoordeling na deskundigenbericht de stellingen over en weer omtrent de waarschuwingsplicht niet langer van belang zijn.\n\n2.8.. Het voorgaande geldt ook voor de stelling van Balm dat sprake is van een juridische misslag in het tussenarrest, omdat daarin haar stellingen over de zogenaamde ‘sowiesokosten’ niet zijn meegenomen. Balm heeft eerder het standpunt ingenomen dat de herstelkosten ‘sowiesokosten’ zijn, omdat het om kosten gaat die de VvE ook had moeten maken als Balm haar had gewaarschuwd. Deze stelling is gebaseerd op haar aanname dat het aanbrengen van afschot (i) géén onderdeel van de opdracht was en (ii) niet mogelijk was vanwege de te lage schrobranden. Balm ziet eraan voorbij dat het hof in het tussenarrest heeft overwogen dat het aanbrengen van afschot wél onderdeel van de opdracht was en dat ten tijde van het wijzen van het tussenarrest nog niet duidelijk was of wat Balm stelde over de schrobranden juist was. Nu met het deskundigenbericht duidelijk is dat aanpassing van de bestaande schrobranden bij de door voorgestelde herstelwerkzaamheden niet nodig is, kan Balm ook niet worden gevolgd in haar stelling dat de herstelkosten ‘sowiesokosten’ zijn.\n\nDeskundigenbericht\n\n2.9.. De deskundige heeft - na analyse van het procesdossier - onderzoek op locatie uitgevoerd. Na een overleg met partijen zijn de 24 balkons visueel beoordeeld en is er een inmeting uitgevoerd. Daarbij is het afschot bepaald met waterpassen en met behulp van een 3D scanner. De meetresultaten zijn uitgewerkt in hoogtemetingen. Vervolgens is het afschot van de balkons beoordeeld om te bepalen welke herstelwerkzaamheden nodig zijn om de situatie te herstellen. Van de herstelwerkzaamheden is een kostenraming opgesteld.2.10.. Onder zijn algemene bevindingen vermeldt de deskundige, voor zover hier van belang:\n\n“a. Afschot en vlakheid\n\nTijdens de inspectie op locatie is met behulp van waterpassen (een lange en een korte) het afschot en de afwatering van de balkons in beeld gebracht. Wat daarbij opvalt is dat bij vrijwel alle balkons (m.u.v. huisnr. 22) het vloeroppervlak vanaf de gevel afloopt richting de voorzijde van het balkon.(…) Aan de voorzijde van het balkon is het afschot wisselend. Op een aantal plaatsen is het gericht naar de hemelwaterafvoer(…)maar er zijn ook plekken waar het oppervlak vrij vlak is of zelfs van de afvoer af loopt.(…) Op basis van de waarnemingen op locatie is een goed beeld verkregen van het afschot maar de metingen met de 3D scanner geven hierover meer inzicht in detail. Dat geldt tevens voor de lokaal aangetroffen onvlakheden (lokaal hoge en lage punten) in het oppervlak. Op een aantal balkons zijn deze lokale onvlakheden geconstateerd(…).\n\nb. Schrobranden\n\nBij het onderzoek is geconstateerd dat bij alle 24 balkons een schrobrand aanwezig is. De hoogte varieert van enkele mm’s tot meerdere cm’s en dat zal uit de metingen met de 3D scanner naar voren komen.(…)Bij sommige balkons is tegen de balustrade een aanvullende afscherming voorzien van bijvoorbeeld rieten matten of een tuinscherm. Hierdoor kon de hoogte van de schrobrand niet overal worden bepaald.(…)\n\nc. Afvoeren\n\nBij elk van de balkons is aan één zijde een hemelwaterafvoer aanwezig. Bij de inspectie op locatie is geconstateerd dat deze afvoeren soms zeer verschillend zijn gemaakt. Soms is er vlak tegen de afvoer aan gewerkt maar er zijn ook plekken waar op een kort afstand van de afvoer het oppervlak steil afloopt. De afwerking van het oppervlak is daar plaatselijk grof.(…) Bij de inspectie is geconstateerd dat de mate van vervuiling van de afvoeren sterk verschilt. Sommige\n\nafvoeren zijn schoon(…) maar er zijn ook afvoeren waar veel vervuiling aanwezig is. Deze afvoeren zijn mogelijk nog nooit schoongemaakt en dit zal de afwatering op sommige balkons hinderen.(…)\n\nd. Plaatdikte\n\nGedurende de inspectie is op verschillende plaatsen indicatief de dikte van de balkons (incl. de schrobrand) bepaald. Dit is gedaan door aan de buitenzijde met een rolmaat de dikte te meten. Hieruit volgt dat de dikte van de balkons enigszins varieert en grofweg tussen 150 en 165 mm bedraagt. Deze variatie in dikte is zeer waarschijnlijk veroorzaakt doordat het hier in het werk vervaardigde balkons betreft waar zeer waarschijnlijk in een later handmatig schrobranden op gemaakt zijn. Enige variatie in de plaatdikte en de schrobrandhoogte zorgt voor de gemeten verschillen.(…)\n\ne. Vervuiling balkonoppervlak\n\nOver het algemeen gezien oogt het oppervlak van de balkons vervuild en grauw. Het oppervlak is vies en toont op plaatsen een vlekkenpatroon (donkergrijs, groen) dat mogelijk kan worden gerelateerd aan water dat bij tijd en wijle op het oppervlak blijft staan. De mate van vervuiling verschilt per balkon maar het uiterlijk van de meeste balkons doet vermoeden dat het oppervlak nooit, of slechts zeer zelden wordt gereinigd.(…) Bij verschillende huizen is er gewoonlijk een afwerking op het balkonoppervlak aanwezig. Bijvoorbeeld kunststof tegels of kunstgras. Voor de uitvoering van de inspectie is dit verwijderd maar op een aantal balkons is daarvan nog een aftekening zichtbaar.(…)\n\nf. Ruwheid afwerking\n\nDe ruwheid van afwerking van het oppervlak van de balkons varieert over de balkons. Op een aantal plaatsen is het oppervlak ruw en plaatselijk grof.(…) Door deze ruwheid zal het oppervlak meer vervuild raken en kan niet worden uitgesloten dat makkelijker water blijft staan op het oppervlak.(…)\n\ng. Loslaten afwerklaag\n\nTijdens de inspectie is geconstateerd dat op enkele plaatsen de afwerklaag die aanwezig is op het oppervlak loslaat. Het betreft een gering aantal plekken(…).”\n\nVervolgens bespreekt de deskundige de bevindingen ten aanzien van de individuele balkons, waarbij wordt verwezen naar bijlage C, waarin deze bevindingen per balkon nader zijn uitgewerkt.\n\n2.11.. Aan de beantwoording van de door het hof gestelde vragen laat de deskundige een ‘Eigen beschouwing’ voorafgaan. Die ‘Eigen beschouwing’ houdt, voor zover hier van belang, onder 5.1.1 het volgende in over de beoordelingscriteria:\n\n“In de eerste vraag aan de deskundige wordt verzocht om een toetsing van het afschot op de balkons aan de‘ten tijde van de versterkingswerkzaamheden geldende norm of de eisen van goed en deugdelijk werk’. Om dit te beoordelen is inzicht in verschillende aspecten noodzakelijk.\n\na. Afschot, afwatering en vlakheid\n\nBij het beoordelen van afschot van in dit geval een balkonplaat is het van belang om een onderscheid te maken tussen verschillende begrippen; afschot, vlakheid en afwatering.\n\nAfschot is een bewust aangebrachte helling in een vlak met als doel om vloeistof af te voeren naar een bepaald punt. In feite betreft het de hellingshoek(…) tussen het hoogste en het laagste punt waarbij het laagste punt bedoeld is als de plek waar de vloeistof naartoe moet stromen. Voor de balkons betreft de afvoer (HWA) het gewenste laagste punt. Afschot is een van de middelen om als doel een gewenste afwatering (doel) te realiseren.\n\nVlakheid verwijst naar lokale afwijkingen in het vloeroppervlak. Het betreft oneffenheden (licht hogere en lagere punten) in het vlak(…). Onvlakheden kunnen, afhankelijk van de omvang, de afwatering negatief beïnvloeden. Een passende vlakheid, in relatie tot het afschot, is een voorwaarde om afwatering mogelijk te maken.\n\nAfwatering wordt gedefinieerd als het geheel van maatregelen en voorzieningen die ervoor zorgen dat water op een gecontroleerde manier van het oppervlak wordt afgevoerd. Om het doel van een goed werkende afwatering te bereiken wordt een combinatie van middelen zoals afschot, vlakheid en afvoersystemen ingezet.(…)\n\nBij het creëren van een goede afwatering is enerzijds het afschot van belang maar anderzijds ook de vlakheid, in relatie tot de hellingshoek. Een vloer met een correct afschot kan toch water vasthouden als er sprake is van (te) grote onvlakheid. Op plekken waar maar weinig of geen afschot mogelijk is, is het voor een goed werkende afwatering noodzakelijk dat de vloer geen of slechts geringe onvlakheden kent. Een oppervlak met een hoge vlakheid maakt het mogelijk om zelfs met een vloeroppervlak met een minimaal (of theoretisch gezien zelfs geen) afschot een voldoende goede afwatering te bereiken. Voor een goede afwatering moeten de aspecten afschot en vlakheid in balans zijn.\n\nb. Criteria en richtlijnen\n\nDe versterkingswerkzaamheden vonden plaats in 2019, toen het Bouwbesluit 2012 van kracht was. In artikel 6.15 is vermeld:‘Een bouwwerk heeft een zodanige voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater of hemelwater dat het water zonder nadelige gevolgen voor de gezondheid kan worden afgevoerd’.\n\nDe essentie daarvan is dat de afwatering zodanig moet functioneren dat er geen onveilige of ongewenste situaties ontstaan, waaronder ook gezondheidsrisico's vallen. Deze eis is functioneel, gericht op een resultaatsverplichting: het beschrijft wat bereikt moet worden, niethoe dat moet gebeuren. Het bouwbesluit schrijft geen specifieke technische oplossing voor en bevat ook geen expliciete eis voor het afschot (afschotpercentage) van constructies zoals balkons of galerijen.\n\nIn de praktijk wordt al decennialang een richtlijn voor het afschot van minimaal 1% tot 2% (oftewel 10-20 mm\u002Fm1) gehanteerd om regenwater effectief (deugdelijk) af te voeren en (langdurige) plasvorming te voorkomen. Dit is een breed geaccepteerde richtlijn (aanbeveling) binnen de bouwsector, maar is een richtlijn en geen wettelijke eis. Het is een vorm van handelingsadvies om problemen met afwatering in de praktijk zoveel mogelijk te voorkomen en aan de verwachting van een droog oppervlak binnen acceptabele tijd te voldoen. Omdat het geen wettelijke eis betreft, is een afschot van minder dan 10 mm\u002Fm¹ is niet per definitie een gebrek.\n\nBij het ontbreken van een specifiek criterium voor afwatering en afschot moeten we terugvallen op algemene criteria in lijn met het bouwbesluit. In beginsel geldt dat aandacht voor afwatering noodzakelijk is om ervoor te zorgen dat water adequaat kan worden afgevoerd. Daarnaast gelden de eisen van goed en deugdelijk werk waarbij functionele geschiktheid een bepalende rol speelt. Een balkon is gedefinieerd als een gebouwgebonden buitenruimte; een buitenruimte die verbonden is aan of deel uitmaakt van een gebouw (voorbeelden zijn een balkon, een veranda of een dakterras). Het maakt onderdeel uit van de woonfunctie en is dan ook bedoeld voor gebruik als buitenruimte bij een woning. Van een balkon mag worden verwacht dat de afwatering voldoende is, waardoor er mogelijk kortstondig wat water op het oppervlak blijft staan, maar dit water moet wel naar de afvoer kunnen stromen.\n\nDat is de eis van goed en deugdelijk werk. Daar wordt niet aan voldaan als het afschot zodanig is uitgevoerd dat het zijn functie - het afvoeren van hemelwater - niet kan vervullen, of wanneer het leidt tot schade, lekkage of (potentieel) onveilige situaties (bijv, gladheid). Een opdrachtgever mag redelijkerwijs verwachten dat een vakbekwame aannemer aandacht besteedt aan de afwatering en dergelijke risico's, zoveel als redelijkerwijs mogelijk, voorkomt.\n\nVoor een goed functionerende afwatering van balkons, waarbij afschot en vlakheid in balans zijn, gelden de volgende criteria als maatstaf voor goed en deugdelijk werk:\n\nHet vloeroppervlak bij de afvoerleiding moet het laagste punt zijn. Elders op het balkon moet het oppervlak minimaal even hoog of hoger liggen.\n\nEr zijn geen laaggelegen plekken in het oppervlak aanwezig zijn (dan bij het afvoerpunt) waar water zich kan verzamelen.\n\nEr zijn geen verhoogde delen in het oppervlak die de afvoer van water belemmeren of blokkeren.\n\nIn de memorie van Grieven [14] en de akte uitlating benoeming deskundige [26] is door Marxman advocaten verwezen naar de onderstaande tekst als de ‘BDA-regel\u002FBDA norm’.‘Een hoeveelheid water op het dak (direct na regen) van maximaal 5% van het dakoppervlak is toelaatbaar, mits deze hoeveelheid is verdeeld over meerdere plassen. De diepte van de plassen mag daarbij maximaal 5mm zijn’.\n\nOok dit betreft een richtlijn uit de praktijk (geen normtekst) die bedoeld is voor platte daken en met name in de beoordeling van de hoeveelheid water die direct na regenval op het oppervlak mag achterblijven. Een plat dak, zonder gebruiksfunctie als een dakterras of daktuin, wordt niet gezien als gebouwgebonden buitenruimte en is primair bedoeld als afscherming tegen weersinvloeden. Theoretisch gezien kan een balkon wellicht functioneren als een dak (voor de onderliggende bouwlaag) maar het heeft een andere primaire functie: een gebruik als toegankelijke buitenruimte. Hoewel er voor afschot van balkons geen specifieke eis is, kan de voornoemde BDA-richtlijn niet voor balkons van toepassing worden verklaard.”\n\n2.12.. Onder de ‘Eigen beschouwing’ onder 5.1.2 gaat de deskundige vervolgens in op het ontwerp van de versterking. Onder 5.1.3 is het volgende opgenomen over de praktijksituatie per balkon:\n\nIn deze paragraaf wordt het afschot (de afwatering) per balkon beoordeeld op basis van de hoogtemetingen en de bovengenoemde criteria. Daarbij wordt bekeken of het water vrij naar de afvoer kan lopen en het vloeroppervlak ter plaatse van de afvoer het laagste punt is. Verder wordt beoordeeld of er hoge plekken zijn die voorkomen dat het water naar de afvoer stroomt of juist lage plekken (anders dan de afvoer) waar het water heen kan stromen.\n\nEen balkon voldoet niet aan de criteria zoals benoemd in § 5.1.l.b indien:\n\nHet vloeroppervlak bij de afvoer niet het laagste punt is en er daardoor water kan blijven staan;\n\nIn het oppervlak lage plekken aanwezig zijn (anders dan richting de afvoer) waar het water naar toe stroomt. In dat geval is er sprake van tegenschot.\n\nIn het oppervlak (lokaal) hoge plekken aanwezig zijn die een obstructie vormen voor de afvoer van het water.\n\nHoewel dit de algemene eis is moet er rekening mee worden gehouden dat tijdens de uitvoering in de praktijk incidenteel afwijkingen kunnen ontstaan. Dit geldt in het bijzonder voor de uitvoering van deze specifieke versterkingsmaatregel die in feite per woning een maatwerkoplossing vereist. Van primair belang is de algehele afwatering van het balkonoppervlak. Wanneer in het oppervlak geringe afwijkingen zijn geconstateerd die de algehele afwatering van het balkon niet of nauwelijks beïnvloeden, worden deze niet als een gebrek beschouwd. Voor de balkons van bijvoorbeeld huisnummers 12, 16 en 34 betekent dit\n\ndat, ondanks de kleine afwijkingen, het oppervlak als voldoende is beoordeeld.\n\nDe individuele toetsing per balkon is beschreven in bijlage D. In de onderstaande tabel is deze beoordeling samengevat genummerd volgens de etages in het complex.\n\nUit de beoordeling volgt dat bij 17 van de 24 balkons het afschot over aanzienlijke delen van het oppervlak niet juist is gericht en het oppervlak daardoor niet goed kan afwateren. Daarmee wordt dus niet voldaan aan het in § 5.1.1.b beschreven criterium. Analyse van de balkonoppervlakken laat zien dat er tijdens de uitvoering wel aan gewerkt is om afschot te creëren maar over het geheel gezien is dit niet goed gelukt. Bij veel balkons is er toch ergens een (te) laag gebied aanwezig, ligt er ergens een hoge zone (die afwatering hindert), of is de afvoer niet het laagste punt. En daarmee wordt niet voldaan aan de in § 5.1.1.b vermelde criteria.\n\nAnalyse van de balkonoppervlakken en de nog resterende schrobranden laat ook zien dat met meer inspanning het afschot wel juist had kunnen worden gerealiseerd. Op alle balkons is verhoging van de lage plekken mogelijk zonder dat het oppervlak daarmee boven de schrobrand uitkomt. Ook is het zo dat de hogere plekken vooral zeer lokaal zijn waardoor het waarschijnlijk is dat enige verlaging van het oppervlak mogelijk is zonder de betondekking(mortel) op de aanwezige ankers negatief te beïnvloeden. Bovendien bevinden deze plekken zich op veel balkons nabij de schrobrand (de ankerstaven stoppen ca. 20 cm voor\n\nde schrobrand).\n\nDeze beoordeling is gebaseerd op de inmetingen van het oppervlak in combinatie met de eigen waarnemingen op locatie. Aspecten als de ruwheid van het oppervlak, vervuiling van het oppervlak en de afvoeren en de exacte afwerking van de vloeren bij de afvoeren zijn niet relevant voor het afschot en de algehele afwatering en zijn dan ook niet beoordeeld. Op een ruw oppervlak blijft theoretisch gezien wat meer water achter en zal wat meer vuil blijven liggen hetgeen kan betekenen dat het oppervlak vaker schoongemaakt dient te worden. Verder is het zo dat om ervoor te zorgen dat het balkonoppervlak goed kan afwateren het van belang is om de afvoer regelmatig schoon te maken.”\n\n2.13.. Onder 5.1.4 van de ‘Eigen beschouwing’ gaat de deskundige nader in op het herstel en de kosten daarvan.\n\n2.14.. Op de door het hof gestelde vragen heeft de deskundige de vervolgens volgende antwoorden gegeven:\n\nVraag 1\n\nOp welke balkons van de appartementen aan de Schaperstraat 2 tot en met 56 voldoet het afschot richting de hemelwaterafvoer niet aan de ten tijde van de versterkings-werkzaamheden geldende norm of de eisen van goed en deugdelijk werk? U dient daarbij uit te gaan van de versterkingswerkzaamheden zoals deze volgen uit de tussen de VvE en Balm gesloten overeenkomst en aan te geven welke norm voor het afschot u hanteert en waarop u deze norm baseert.\n\n“Bij 17 van de 24 balkons is het afschot op delen van het oppervlak niet juist gericht, waardoor het oppervlak niet goed kan afwateren. Het betreft de balkons van de huisnummers 10, 18, 22, 24, 26, 28, 30, 36, 38, 40, 42, 46, 48, 20, 52, 54, 56. Daarmee wordt niet voldaan aan de eisen van goed- en deugdelijk werk, en de functionele eis wat betreft afwatering uit het Bouwbesluit 2012. Er zijn geen wettelijke eisen voor afschot, ook niet specifiek voor balkons. Wel bestaat er een praktijkrichtlijn van 10 mm\u002Fm, bedoeld als handelingsadvies om afwateringsproblemen te voorkomen, maar deze geldt niet als toetsingscriterium.\n\nHet begrip afschot is onlosmakelijk verbonden aan het begrip afwatering. Voldoende afwatering is een doel waarbij afschot een van de middelen is om dat te bereiken. Een sterk afschot (de juiste kant op gericht) bevordert de afwatering, maar een beperkt afschot (of zelf een vlak oppervlak) hoeft geen probleem te zijn zolang de beoogde afwatering maar kan plaatsvinden. Voor een voldoende afwatering moeten de aspecten afschot en vlakheid in balans zijn. Aan de afwatering van een balkon, en als onderdeel daarvan het afschot, moet voldoende aandacht worden besteed om functioneel en veilig gebruik mogelijk te maken. Van een balkon mag worden verwacht dat het voldoende afwatert en er niet langdurig water kan blijven staan. Een opdrachtgever mag verwachten dat een vakbekwame aannemer aandacht besteedt aan de afwatering en redelijke maatregelen neemt om risico's te beperken.\n\nBij de uitgevoerde herstelwerkzaamheden werden aan de bovenzijde van de balkons versterkende ankers in de achterliggende vloerconstructie van het gebouw bevestigd. De hoogte van de ankers varieerde, wat invloed had op het realiseerbare afschot. In de praktijk is het afschot van de balkons van de gevel af gericht naar de schrobrand aan de voorzijde. Bij alle balkons is nog een schrobrand aanwezig en zou het water vanaf die zone naar de afvoer moeten stromen. Bij de uitvoering van de versterkingsmaatregelen is er zeer waarschijnlijk wel aan gewerkt om afschot te creëren maar over het geheel gezien is dat niet goed gelukt.\n\nDit blijkt uit de volgende warnemingen:\n\n■ Bij een aantal balkons is het vloeroppervlak bij de afvoer niet het laagste punt, waardoor afwatering gedeeltelijk wordt gehinderd;\n\n■ Bij een groot aantal balkons zijn laaggelegen plekken aanwezig (anders dan bij de afvoer) waar water naartoe stroomt en zich kan verzamelen.\n\n■ Bij een groot aantal balkons zijn hoger gelegen plekken aanwezig die de afvoer van water belemmeren of blokkeren.”\n\nVraag 2\n\nKan bij de balkons waar het afschot niet aan de geldende norm of de eisen van goed en deugdelijk werk voldoet, alsnog het vereiste afschot worden gerealiseerd? Zo ja, welke herstelwerkzaamheden zijn daarvoor nodig? U dient bij uw antwoord aan te geven of daarbij noodzakelijk is dat de schrobranden van de balkons worden aangepast of dat deze kunnen worden gehandhaafd.\n\n“Ja, bij balkons die niet voldoen aan de gestelde criteria kan alsnog voldoende afwatering worden gerealiseerd. Dit gebeurt door het plaatselijk verhogen en\u002Fof verlagen van het balkonoppervlak. Waar mogelijk is eerst gekeken naar het verhogen van het oppervlak om de betondekking op de aanwezige versterkende ankers niet negatief te beïnvloeden.\n\nVoor het verhogen van het oppervlak wordt, na het schoonmaken van de balkons, eerst de te verhogen zone gemarkeerd. Vervolgens wordt het oppervlak in deze zone geschuurd tot tenminste op (of net in) de aanwezig mortellaag. Na het aanbrengen van de juiste voorbehandelingsmaterialen wordt een laag materiaal aangebracht om het oppervlak op hoogte te brengen. Bij voorkeur wordt daarbij dezelfde K70-mortel gebruikt als in 2019, al is niet zeker of deze geschikt is voor dunne lagen (enkele mm’s dikte). Als dat niet het geval is moet een alternatief materiaal worden bepaald. Het ontstaan van naden tussen oud en nieuw materiaal moet daarbij zoveel mogelijk worden voorkomen. Na uitharding wordt het oppervlak voorbehandeld en voorzien van het carbonatatieremmende coatingsysteem (Grouttech Tricolastic).\n\nVoor het verlagen van het oppervlak wordt, na het schoonmaken van de balkons, eerst de te verlagen zone gemarkeerd. Vervolgens wordt het oppervlak in deze zone geschuurd tot de gewenste hoogte. Na het voorbehandelen van het oppervlak wordt aansluitend het carbonatatieremmende coatingsysteem (Grouttech Tricolastic) aangebracht.\n\nAanpassing van de bestaande schrobranden is bij deze herstelwerkzaamheden niet nodig. Bij het uitvoeren van de bewerkingen aan het oppervlak blijft de hoogte van het oppervlak lager dan de hoogte van de schrobranden.”\n\nVraag 3\n\nWelke kosten zijn gemoeid met de volgens u noodzakelijke herstelwerkzaamheden voor het alsnog realiseren van het vereiste afschot, gerekend naar het prijspeil op 21 december 2021? Indien de herstelwerkzaamheden per balkon verschillen, dient u de kosten per balkon aan te geven.\n\n“De kosten voor de herstelwerkzaamheden, gerekend naar het prijspeil van 21 december 2021, worden geraamd op € 20.145,79 incl. BTW. Dit is in §5.1.4.c toegelicht waarvan hieronder een samenvatting is gegeven.\n\nDe kosten voor de geadviseerde werkzaamheden zijn berekend door enerzijds de hoeveelheid (m2 oppervlak en m3 materiaal) werk per balkon te beschouwen. Daarvoor is de oppervlakte ingeschat (in m2) van het oppervlak dat zou moeten worden verhoogd of verlaagd. Anderzijds is de uitvoeringsduur beschouwd. In verhouding tot de benodigde uren voor herstel is de hoeveelheid materiaal en het te bewerken oppervlak beperkt. De tijd per balkon, gecombineerd met het verplaatsen van materiaal en materieel, is maatgevend voor de kosten. Uit de analyse volgt een geschatte uitvoeringsduur van 120 uur. Afgerond is dat 8 werkdagen met de ploeg van twee personen.\n\nDe samenvatting van de raming is als volgt waarbij tevens een raming tegen het prijspeil van 1 juli 2025 bijgevoegd:\n\nDe omvang van de maatregelen wisselen per balkon. Naar rato van de omvang zijn geraamde kosten per balkon als volgt:\n\nBij de bovenstaande kostenraming zijn in eerste instantie alleen de werkzaamheden voor de te behandelen delen van het oppervlak berekend. Bij lokaal herstel van de balkons ontstaan echter naden en overgangen in het oppervlak. Dit is niet alleen esthetisch minder fraai, maar vormt ook potentieel zwakke plekken die op termijn tot extra onderhoud kunnen leiden. Vanuit technisch oogpunt wordt daarom geadviseerd om alle balkons die behandeld worden volledig te voorzien van een nieuwe coating over het gehele vloeroppervlak binnen de schrobranden, ook op delen waar geen directe behandeling nodig is.\n\nVoor deze uitgebreidere werkzaamheden zijn de kosten als volgt geraamd op basis van prijspeil december 2021 en september 2025.\n\n”\n\nVraag 4\n\nAls het verhogen van de schrobranden behoort tot de noodzakelijke herstel werkzaamheden dient u de daaraan verbonden kosten, gerekend naar het prijspeil op 21 december 2021 afzonderlijk te benoemen.\n\n“Bij de uitvoering van de herstelwerkzaamheden is er bij géén van de balkons noodzaak om de schrobrand te verhogen. Het beantwoorden van deze vraag is dan ook niet aan de orde.”\n\nVraag 5\n\nIndien u tot een andere wijze van herstel of begroting van de kosten daarvan komt dan in het rapport van Top Expertise B. V. van 8 maart 2021 is vermeld, kunt u dan aangeven waarom u tot een ander oordeel komt? Kunt u beschrijven welke herstelwerkzaamheden Balm aan het balkon van de heer [naam2] (nummer 44) heeft verricht en toelichten of deze herstelwerkzaamheden afdoende zijn om de problemen op de andere balkons weg te nemen?\n\n“De werkzaamheden zoals beschreven komen op onderdelen overeen met hetgeen Top Expertise [9A] heeft benoemd maar wijken ook op punten af. Top Expertise beschrijft alleen het verhogen van het oppervlak, terwijl ook verlaging op diverse plekken noodzakelijk is. De beschrijving van Top Expertise omvat dus slechts een deel van de werkzaamheden.\n\nHet schuren en voorbehandelen van het oppervlak en het aanbrengen van een afschotlaag worden door Top Expertise ook benoemd en komen overeen. Daarna worden een aantal meer gedetailleerde zaken beschreven zoals het type afschotlaag (op basis van cement of epoxy) en de toepassing van een schraaplaag. Een schraaplaag kan één van de lagen in een toe te passen systeem zijn maar de noodzaak om deze toe te passen is afhankelijk van de keuze van het toe te passen systeem (epoxy-of cementgebonden materiaal). Meestal is een schraaplaag overigens een onder- of tussenlaag van 1-3 mm dik.\n\nHet is daarom essentieel eerst het toe te passen materiaal te kiezen, waarna bepaald kan worden welke lagen en behandelingen nodig zijn. In dit deskundigenbericht is uitgegaan van (zoveel als mogelijk) gebruik van de materialen die in 2019 zijn toegepast. En als dat niet kan heeft het de sterke voorkeur de te gebruiken materialen door de aannemer te laten bepalen omdat dit doorgaans tot (kwalitatief) de beste resultaten leidt.\n\nOok de kostenraming voor de herstelwerkzaamheden, zoals weergegeven in 5.1.4.C, wijken af van de kosten zoals berekend door Top Expertise. Op basis van de beperkte gegevens van de calculatie van Top Expertise is het lastig de oorzaak van dit verschil te duiden. In de calculatie die voor dit deskundigenbericht zijn gemaakt zijn reële kosten meegenomen volgens algemene ramingsmethodieken waarbij rekening is gehouden met directe kosten, indirecte kosten en onvoorziene kosten.\n\nNa melding van blaasvorming onder het beschermingssysteem voerder Balm in mei 2020 werkzaamheden uit aan het balkon van huisnummer 44. De blaasjes zijn verwijderd, de vloer is geschuurd en opnieuw voorzien van een coating. Deze werkzaamheden zijn beschreven in dossier [4A] en bevestigd door Balm tijdens het locatiebezoek voorafgaand aan het deskundigenonderzoek op locatie.\n\nDe uitgevoerde werkzaamheden zijn echter niet afdoende om de problemen op de andere balkons weg te nemen. De werkzaamheden benodigd om het afschot aan te passen gaan aanzienlijk verder dan hetgeen in mei 2020 is uitgevoerd bij huisnummer 44. Hoewel enkele bewerkingen gelijk zijn (schuren en opnieuw coaten) gaat het hier om werkzaamheden met een ander doel en zijn deze veel omvangrijker.”\n\nReactie VvE\n\n2.15.. De VvE sluit aan bij de bevindingen van de deskundige, maar vraagt het hof de schade in afwijking daarvan ex aequo et bonovast te stellen. Daarbij stelt zij voor uit te gaan van 1 juli 2025 als peildatum en naast de raming van de kosten door de deskundige bij de begroting van de herstelkosten ook een door de VvE overgelegde offerte van Betonrestore en de inhoud van het door haar eerder overlegde rapport van TopExpertise te betrekken. Op de daarin genoemde bedragen zou onder meer een inflatiecorrectie moeten worden toegepast over de periode tot de voorgestelde peildatum. Vervolgens noemt de VvE verschillende schadebedragen waarvan zou kunnen worden uitgegaan (primair€ 42.397,26, ca € 45.000 of in ieder geval € 40.250,subsidiairca. €35.000 tot €40.000).\n\n2.16.. De VvE kan hierin niet worden gevolgd. De rechtbank heeft de schade van de VvE begroot op € 40.250. De VvE heeft geen incidenteel hoger beroep ingesteld. Toewijzing van een hoger bedrag dan door de rechtbank vastgesteld, is daarom hoe dan ook niet aan de orde. De VvE ziet verder eraan voorbij dat in het tussenarrest onder 3.17 is overwogen en toegelicht dat voor de begroting van de herstelkosten moet worden uitgegaan van het prijspeil op 21 december 2021. Dat is ook in de vraagstelling aan de deskundige meegegeven. De deskundige heeft op eigen initiatief een tweede raming met als peildatum 1 juli 2025 gegeven. Daaraan zal het hof voorbijgaan. Het hof ziet ook in de overgelegde offerte van Betonrestore (die door de VvE ook veel eerder had kunnen worden overgelegd) en het rapport van TopExpertise geen aanleiding om af te wijken van de raming van de deskundige met als peildatum 21 december 2021. Betonrestore is - zoals de VvE zelf ook stelt - geen deskundige, maar een aannemer die niet over de informatie beschikte waarover de deskundige bij het opstellen van het deskundigenbericht heeft beschikt. Daarnaast had Betonrestore bij het opstellen van de offerte een eigen commercieel belang. In het tussenarrest onder 3.17 is voorts al toegelicht waarom niet kan worden uitgegaan van het rapport van TopExpertise. Onder andere is daar overwogen dat haar kostenopstelling onvoldoende inzichtelijk is, omdat niet duidelijk is waarop zij de door haar in aanmerking genomen bedragen baseert. Bovendien is zij uitgegaan van een onjuiste peildatum voor het te hanteren prijspeil.\n\nReactie Balm\n\n2.17.. Balm is het niet eens met de bevindingen van de deskundige. Zij concludeert dat de balkons niet gebrekkig zijn en dat zij geen schadevergoeding verschuldigd is. Als het hof oordeelt dat er wel een schadevergoeding verschuldigd is, moet het door de deskundige vastgestelde bedrag volgens Balm naar beneden worden gecorrigeerd. Hierna zal het hof bespreken wat Balm tegen het deskundigenbericht aanvoert en toelichten waarom dat het hof geen aanleiding geeft van het deskundigenbericht af te wijken.\n\n2.18.. Balm voert aan dat er altijd water kan en mag achterblijven op een balkon en dat de deskundige niet heeft aangegeven dat dit niet zo is. Volgens Balm is niet in te zien waarom de door haar genoemde richtlijn omtrent toegestane hoeveelheid plassen niet kan worden toegepast en voldoen alle balkons, althans in ieder geval de balkons waarbij de hemelwaterafvoer het laagste punt is, aan deze norm. Balm ziet eraan voorbij dat de deskundige heeft toegelicht dat dit een richtlijn uit de praktijk (geen normtekst) is, die is bedoeld voor platte daken en niet voor balkons van toepassing kan worden verklaard. Een plat dak zonder gebruiksfunctie is iets anders dan een balkon met gebruik als toegankelijke buitenruimte als functie. Het hof sluit aan bij het oordeel van de deskundige.\n\n2.19.. Het hof kan Balm ook niet volgen waar zij stelt dat de deskundige niet (in voldoende mate) heeft vastgesteld dat de afwatering incorrect zou zijn en het afwateren niet is onderzocht. De deskundige heeft ervoor gekozen het onderzoek uit te voeren met behulp van 3D scans en heeft op die manier een gedetailleerd beeld van de hoogteligging van het vloeroppervlak kunnen verkrijgen. De deskundige heeft ervoor kunnen kiezen het onderzoek niet te verrichten door water aan te brengen op het oppervlak van de balkons. Die keuze is door de deskundige ook toegelicht (“Dit onderzoek is echter veel lastiger uitvoerbaar, kost meer tijd, leidt potentieel tot hinder en is minder nauwkeurig”). Dat de deskundige (ook na regenval) geen plasvorming heeft waargenomen, zoals Balm aanvoert, doet niet af aan wat de deskundige wél heeft waargenomen. De deskundige heeft waargenomen (i) dat bij een aantal balkons het vloeroppervlak bij de afvoer niet het laagste punt is, waardoor afwatering gedeeltelijk wordt gehinderd, (ii) dat bij een groot aantal balkons laaggelegen plekken aanwezig zijn (anders dan bij de afvoer) waar water naar toestroomt en zich kan verzamelen en (iii) dat bij een groot aantal balkons hoger gelegen plekken aanwezig zijn die de afvoer van water belemmeren of blokkeren. Voldoende duidelijk is vervolgens waarom een aantal balkons wel en een aantal balkons niet als voldoende zijn beoordeeld. Het hof verwijst naar ‘Bijlage C, Inspectiebevindingen per balkon’ en ‘Bijlage D, Toetsing per balkon’ bij het deskundigenbericht. Omdat de waarnemingen van de deskundige berusten op 3D scans en niet op onderzoek door het aanbrengen van water op het oppervlak van de balkons, is voor de bevindingen niet van belang dat op balkons sprake is van vervuiling op de balkons en van de hemelwaterafvoer, zoals Balm benadrukt. Dat is door de deskundige in antwoord op vragen van Balm ook toegelicht. Anders dan Balm verder aanvoert, ligt in de conclusie van de deskundige besloten dat de huidige situatie een gevaar voor de gezondheid oplevert. In de ‘Eigen beschouwing’ onder ‘Criteria en richtlijnen’ citeert de deskundige artikel 6.15 van het Bouwbesluit 2012 (“Een bouwwerk heeft een zodanige voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater of hemelwater dat het water zonder nadelige gevolgen voor de gezondheid kan worden afgevoerd”) en gaat de deskundige in op de essentie daarvan en de eisen van goed en deugdelijk werk. Bij de beantwoording van ‘Vraag 1’ concludeert de deskundige dat niet wordt voldaan aan de eisen van goed- en deugdelijk werk, en de functionele eis wat betreft afwatering uit het Bouwbesluit 2012. De door de deskundige voorgestelde herstelwerkzaamheden onderstrepen dat het realiseren van een voldoende afschot voor Balm ook ondanks de te verrichten versterkingswerkzaamheden mogelijk moet zijn geweest. De deskundige schrijft“dat met meer inspanning het afschot wel juist had kunnen worden gerealiseerd.”\n\n2.20.. Balm heeft eerder herstelwerkzaamheden aan het balkon van nr. 44 verricht. Balm is het niet eens met het oordeel van de deskundige dat deze herstelwerkzaamheden niet afdoende zijn om de problemen op de andere balkons weg te nemen. Zij wijst erop dat uit het deskundigenbericht volgt dat aan dit balkon geen werkzaamheden hoeven te worden verricht en dat de bewoner van nr. 44 niet heeft geklaagd over plasvorming. Het hof kan Balm ook daarin niet volgen. Op het bedoelde balkon is het afschot, blijkens het deskundigenbericht, op orde. Dat is ook het geval op enkele andere balkons, waaraan door Balm geen herstelwerkzaamheden zijn verricht. Dat het afschot op het balkon bij nr. 44 in orde is als gevolg van de door Balm verrichte herstelwerkzaamheden is niet gebleken en tegen de achtergrond van wat de deskundige daarover heeft bericht ook niet aannemelijk. De deskundige heeft toegelicht dat op dit balkon geen werkzaamheden zijn verricht met het oog op het afschot, maar om blaasvorming te verwijderen en dat de werkzaamheden die benodigd zijn om afschot te realiseren aanzienlijk verder gaan. Hoewel enkele bewerkingen gelijk zijn (schuren en opnieuw coaten) gaat het hier om werkzaamheden met een ander doel en zijn deze werkzaamheden veel omvangrijker.\n\n2.21.. Balm voert verder aan dat de VvE ten aanzien van elke bewoner moet aangeven of deze bewoner herstelwerkzaamheden uitgevoerd wenst te zien. Dat is volgens Balm onderdeel van de op de VvE rustende schadebeperkingsplicht. Het hof neemt aan - heel duidelijk is dat niet - dat deze stelling ten grondslag ligt aan de conclusie dat de schadevergoeding naar beneden moet worden gecorrigeerd. Dit standpunt is te laat ingenomen. Balm had daarop al in haar memorie van grieven een beroep moeten doen, dat heeft zij niet gedaan. Daarbij komt dat de schade hier weliswaar concreet per balkon is begroot, maar dat de aard van de schade rechtvaardigt dat vervolgens wordt geabstraheerd van het antwoord op de vraag of alle bewoners daadwerkelijk tot herstel overgaan.\n\nDe conclusie\n\n2.22.. Het hoger beroep betreft alleen de beslissing van de rechtbank in conventie. De beslissing in reconventie ligt niet ter beoordeling voor. Uit het voorgaande volgt dat Balm tevergeefs opkomt tegen verklaring voor recht dat zij toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst tussen partijen en aansprakelijk is voor de schade die de VvE daardoor heeft geleden (dictum onder 3.1) en tegen de beslissingen omtrent de kosten (dictum in conventie onder 3.3-3.5). Wel heeft Balm op goede grond hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank toegewezen hoofdsom (dictum onder 3.2). Het in hoger beroep toe te wijzen bedrag ligt na deskundigenbericht aanzienlijk lager (€ 23.295,01). Het lag op de weg van de VvE de omvang van haar schade te onderbouwen. Dat heeft zij tot aan het deskundigenbericht onvoldoende gedaan. Het hof zal de kosten van de deskundige daarom gelijkelijk over partijen verdelen, zoals Balm heeft verzocht. De kosten van de deskundige zijn begroot op € 26.015 inclusief btw en zijn door de VvE bevoorschot. Balm zal worden veroordeeld tot betaling van € 13.007,50 aan de VvE ter zake de kosten van het deskundigenbericht. Het hof zal verder bepalen dat elke partij de eigen kosten van het hoger beroep moet dragen (compensatie van proceskosten) omdat partijen ieder deels ongelijk hebben gekregen.\n\n2.23.. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).\n\n3. De beslissing\n\nHet hof:\n\n3.1.. bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht van 28 juni 2023 voor zover in conventie gewezen, met uitzondering van de beslissing onder 3.2 die hierbij wordt vernietigd;\n\n3.2.. veroordeelt Balm tot betaling van € 23.295,01 aan de VvE, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 1 augustus 2021 tot de dag van volledige betaling;\n\n3.3.. bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van de procedure bij het hof;\n\n3.4.. veroordeelt Balm tot betaling van € 13.007,50 aan de VvE ter zake de door haar betaalde kosten van het deskundigenbericht;\n\n3.5.. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;\n\n3.6.. wijst af wat verder is gevorderd.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. W.C. Haasnoot, G.D. Hoekstra en V. van der Kuil, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.\n\n HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2800\n\n HR 12 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:869\n\n HR 8 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1224","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4422","2026-07-07T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:26.647Z",{"id":113,"ecli":114,"slug":115,"caseNumber":44,"courtId":99,"decisionDate":60,"fullText":116,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":117,"sourceTimestamp":118,"parsedAt":51,"updatedAt":119},"1002","ECLI:NL:GHDHA:2026:2023","ecli-nl-ghdha-2026-2023","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nCiviel recht\n\nTeam Handel\n\nZaaknummer hof : 200.351.028\u002F01\n\nZaak- en rolnummer rechtbank : C\u002F10\u002F667474 \u002F HA ZA 23-906\n\nArrest van 30 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nSelecta Infrastructuur B.V.,\n\ngevestigd in Rotterdam,\n\nappellante in principaal hoger beroep,\n\ngeïntimeerde in incidenteel hoger beroep,\n\nadvocaat: mr. M.C. Franken-Schoemaker, kantoorhoudend in Houten,\n\ntegen\n\nDelta Infratechniek B.V.,\n\ngevestigd in Rijssen,\n\ngeïntimeerde in principaal hoger beroep,\n\nappellante in incidenteel hoger beroep,\n\nadvocaat: mr. H.J. Ligtenbarg, kantoorhoudend in Velp.\n\nHet hof noemt partijen hierna Selecta en Delta.\n\n1. De zaak in het kort1.1. Selecta heeft van Delta opdracht gekregen een glasvezelnetwerk aan te leggen. In het kader daarvan heeft zij boorwerkzaamheden verricht in de omgeving van het Leppa Akwadukt in Friesland. Daarbij heeft zij een folielaag in de bodem, toebehorend aan Rijkswaterstaat, doorboord. Dit heeft de uitstroom van bodemwater en het wegspoelen van zand en grond tot gevolg gehad. Het gaat in deze zaak om de vraag of Selecta jegens Delta is tekortgeschoten en de door Delta als gevolg van dit voorval geleden en nog te lijden schade moet vergoeden.1.2. De rechtbank heeft de door Selecta gevorderde verklaringen voor recht en de verwijzing naar de schadestaatprocedure grotendeels toegewezen. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.2. Procesverloop in hoger beroep2.1. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:\n\nde dagvaarding van 19 december 2024, waarmee Selecta in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 2 oktober 2024 (niet gepubliceerd);\n\nde memorie van grieven van Selecta, met bijlagen;\n\nde memorie van antwoord in het principaal appel tevens houdende memorie van grieven in het incidenteel appel van Delta, met producties;\n\nde memorie van antwoord in het incidenteel appel van Selecta.3. Feitelijke achtergrond3.1. Nu daarover geen discussie bestaat, gaat het hof uit van de door de rechtbank in haar vonnis van 2 oktober 2024 vastgestelde feiten, met een gering aantal aanpassingen en toevoegingen. Het gaat in deze zaak om het volgende.3.2. Delta is een vennootschap binnen het concern van Delta Rijssen Holding B.V.. Binnen de groep geeft Delta opdracht tot de aanleg van glasvezelnetwerken. De eigendom van die glasvezelnetwerken berust na de aanleg bij Delta Rijssen Glasvezel Investeringen B.V., al dan niet indirect, via projectvennootschappen.3.3. Selecta is een aannemingsbedrijf. Delta en Selecta werken regelmatig samen sinds 2013.3.4. Op 14 mei 2020 hebben Delta (aangeduid als Opdrachtgever) en Selecta (aangeduid als Aannemer) een raamovereenkomst gesloten. In de raamovereenkomst staat, voor zover relevant:\n\n“5a. De Aannemer is gehouden de aanleg van de glasvezel netwerken goed en deugdelijk, naar de bepalingen van deze overeenkomst en met inachtneming van de voor de aan te leggen glasvezel netwerken van belang zijnde of toepasselijke wettelijke voorschriften en beschikkingen van overheidswege, uit te voeren.\n\n5b. Tot de verplichtingen van de Aannemer behoort het verkrijgen van de benodigde vergunningen, instemmingen, beschikkingen, meldingen, toestemmingen en ontheffingen voor het aan te leggen glasvezel netwerk. Opdrachtgever zal Aannemer (juridisch) ondersteunen bij het formaliseren en verkrijgen van de vereiste\u002Fbenodigde toestemmingen.\n\n5c. De Aannemer stelt zich voor de aanvang van de werkzaamheden op de hoogte van de ligging van bestaande kabels en leidingen.\n\n5d. De Aannemer is verplicht de Opdrachtgever bij het aangaan of het tijdens het uitvoeren van deze overeenkomst te waarschuwen voor fouten of gebreken in de door hem voorgeschreven plannen, tekeningen, berekeningen of uitvoeringsvoorschriften, voor tekortkomingen in de door hem gegeven orders of aanwijzingen, alsmede voor gebreken in door de Opdrachtgever ter beschikking gestelde zaken, voor zover de Aannemer deze onvolkomenheden kende of had behoren te kennen.\n\n5e. De Aannemer vrijwaart de Opdrachtgever voor aanspraken van derden tot vergoeding van schade indien deze schade door de uitvoering van de aanleg van de glasvezel netwerken is toegebracht en te wijten is aan nalatigheid, onvoorzichtigheid of verkeerde handelingen van de Aannemer, zijn personeel, zijn eventuele onderaannemers of zijn leveranciers.”3.5. Een van de projecten, waartoe Delta onder de raamovereenkomst opdracht heeft gegeven, is de aanleg van een glasvezelnetwerk ten noorden van Heerenveen in onder meer de dorpen Akkrum, Aldeboam, Haskerdijken, Luinjeberd, Nes en Tjalleberd alsmede het gebied tussen en rondom deze dorpen.3.6. In het uitvoeringsgebied van dit project bevindt zich het Leppa Akwadukt, dat nabij Akkrum de A32 overspant. Het Leppa Akwadukt en de omringende grond zijn eigendom van Rijkswaterstaat.3.7. Partijen hebben nadere afspraken over dit project vastgelegd in een projectovereenkomst van 9 februari 2021. In artikel 1 van deze projectovereenkomst is ‘het Werk’ omschreven. Artikel 2 gaat over de aanneemsom. In dit artikel staat voor zover van belang het volgende:\n\n“De overeengekomen aanneemsom is inclusief:\n\n- (…)\n\n- Verkrijgen vereiste vergunningen, ontheffingen, beschikkingen, meldingen en toestemmingen in het kader van het ontwerp en de aanleg van het glasvezel netwerk\n\n(…)\n\nDe overeengekomen aanneemsom is exclusief:\n\n- (…)\n\n- (…)\n\n- De kosten van de vergunning en uitvoering van vergunning plichtige boringen\n\n(…)\n\nMateriaal, POP stations, vergunning plichtige boringen en gemeentelijke leges worden verzorgd door de Opdrachtgever. (…)”\n\nIn artikel 4a van de projectovereenkomst staat dat de afspraken in de raamovereenkomst (voor het overige) volledig van toepassing zijn.3.8. Op 3 mei 2021 heeft Selecta bij de gemeente Heerenveen een vergunning aangevraagd voor het uitvoeren van graaf- en boorwerkzaamheden. Die vergunning is haar op 11 mei 2021 verleend.3.9. Delta heeft Selecta per e-mail van 13 juli 2021 als volgt bericht:\n\n“Wij hebben zoals te doen gebruikelijk bij de start van een project oriëntatieklics opgevraagd voor Heerenveen Noord. In de bijlage vinden jullie per klic de Eis-Voorzorgsmaatregelen. Gaan jullie pro-actief in gesprek met deze partijen? Daarnaast is een overzicht van partijen opgenomen die in de grond actief zijn. In de map ‘selecta en delta’ zijn de oriëntatieklics en onderliggende bestanden daarnaast te vinden. (…).”\n\nRijkswaterstaat was een van de partijen die stond vermeld op de lijst die als bijlage bij deze e-mail was gevoegd.3.10. Selecta heeft op 30 november 2021 een KLIC-melding (voluit: Kabels en Leidingen Informatie Centrum, dat is een graafmelding bij het kadaster) gedaan. Zij heeft in reactie op die graafmelding twee standaardbrieven van Rijkswaterstaat ontvangen, waarin onder meer staat:\n\n“In de situatie, waar het om werkzaamheden in een risicovol gebied gaat, ontvangt u geen tekening. Dit kan voorkomen bij werkzaamheden in de buurt van stormvloedkeringen, zeeweringen, dijken, rivieren of verkeerscentrales. Voor de exacte ligging van deze k&l binnen dit gebied (of aanvullende informatie) dient u contact op te nemen met de postbus (mailadres)AreaalgeqevensNN@rws.nl . Geeft u hierbij duidelijk aan om welke locatie dit gaat (b.v. situatieschets, straatnaam, Google maps plaatje en\u002Fof coördinaten).\n\nGraag willen wij u erop attenderen dat u over een vergunning\u002Fmelding op grond van de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken\u002FWaterwet moet beschikken om binnen het beheergebied van Rijkswaterstaat werkzaamheden uit te voeren. Meer informatie vindt u op de volgende links: (…).”3.11. En ook:\n\n“Kritisch Gebied\n\nOp basis van de door u verstrekte informatie bevindt uw melding zich in een kritisch gebied van Rijkswaterstaat. Gelieve contact op te nemen met de desbetreffende regio.”3.12. Op 21 december 2021 heeft Selecta in het kader van de opdracht van Delta boorwerkzaamheden uitgevoerd nabij het Leppa Akwadukt. Selecta beschikte op dat moment niet over een vergunning van Rijkswaterstaat als bedoeld in artikel 2 lid 1 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (Wbr).3.13. Bij die werkzaamheden heeft Selecta een folielaag in de bodem, die toebehoorde aan Rijkswaterstaat, op een of meerdere plaatsen doorboord. De folie dient ertoe de zandlaag waarop het Leppa Akwadukt is gebouwd te stabiliseren en te behoeden voor wegspoelen. Als gevolg van de doorboring is een mengsel van bodemwater, zand en grond door de folielaag gedrongen en naar de evenwijdig aan de A32 liggende secundaire weg gestroomd. Rijkswaterstaat heeft terstond noodmaatregelen getroffen, zoals bronbemaling, om de uitstroom van bodemwater en het wegspoelen van zand en grond te beperken. Het is niet duidelijk wanneer de definitieve herstelmaatregelen zullen zijn voltooid.4. Procedure bij de rechtbank4.1. Delta heeft gevorderd, verkort weergegeven en voor zover in hoger beroep nog van belang, (III) een verklaring voor recht dat Selecta toerekenbaar is tekortgeschoten onder de projectovereenkomst en de daarop van toepassing zijnde raamovereenkomst, (IV) een verklaring voor recht dat Selecta aansprakelijk is voor de schade die Delta heeft geleden en nog zal lijden en veroordeling van Selecta tot vergoeding van die schade, nader op te maken bij staat, (V) een verklaring voor recht dat Selecta op grond van de projectovereenkomst en de raamovereenkomst gehouden is om Delta te vrijwaren voor alle aanspraken van derden, waaronder doch niet uitsluitend van aanspraken van Rijkswaterstaat en (VI) een verklaring voor recht dat Selecta op grond van die vrijwaring gehouden is om alle bedragen die Delta betaalt en\u002Fof moet betalen ter zake de schade van Rijkswaterstaat binnen vijf dagen na een verzoek daartoe aan Delta te vergoeden.4.2. Aan deze vorderingen heeft Delta ten grondslag gelegd, samengevat, dat Selecta is tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen die volgen uit (onder meer) artikelen 5a, 5b, 5c en 5d van de raamovereenkomst en op grond van art. 6:74 BW aansprakelijk is voor de schade die Delta lijdt. Delta doet in dit verband een beroep op de verplichting tot vrijwaring die ingevolge artikel 5e van de raamovereenkomst op Selecta rust.4.3. Selecta betwist dat zij is tekortgeschoten. Selecta erkent dat voor de werkzaamheden die zij op 20 december 2021 op de schadelocatie heeft uitgevoerd een vergunning van Rijkswaterstaat nodig was. Zij meent echter dat het ontbreken van die vergunning niet aan haar kan worden toegerekend, omdat a) Delta steevast het initiatief nam en voorafgaand aan deze werkzaamheden niet aan haar heeft gevraagd om een vergunning aan te vragen bij Rijkswaterstaat, b) zij niet wist en niet hoefde te begrijpen dat zich daar een onderdeel van een waterstaatswerk bevond, c) zij niet uit ervaring wist dat in de omgeving van aquaducten folie in de ondergrond kan liggen, d) er ter plaatse geen waarschuwingsbordjes aanwezig waren die de aanwezigheid van folie in de ondergrond markeerden, terwijl dit bij andere aquaducten die bij Rijkswaterstaat in beheer zijn, wel het geval is en e) zij over een vergunning van de gemeente Heerenveen beschikte voor de werkzaamheden ter plaatse van de schadelocatie. Selecta doet evenals Delta een beroep op artikel 5e van de raamovereenkomst; volgens haar gaat het om een bepaling die haar aansprakelijkheid beperkt. Subsidiair heeft Selecta aangevoerd dat de schade deels voor rekening van Delta moet blijven, omdat de schade mede een gevolg is van omstandigheden die aan Delta zijn toe te rekenen. In dit verband heeft Selecta erop gewezen dat partijen zijn overeengekomen dat Selecta geen ‘vergunning plichtige boringen’ zou uitvoeren.4.4. De rechtbank heeft bij vonnis van 2 oktober 2024 de hiervoor onder 4.1 weergegeven vorderingen grotendeels toegewezen. Zij heeft overwogen dat Selecta in strijd heeft gehandeld met artikel 5a en artikel 5b van de raamovereenkomst en dat deze tekortkoming toerekenbaar is. Selecta heeft daadwerkelijk een graafmelding gedaan en dat wijst erop dat zij dit tot haar taak rekende. Zij heeft de twee brieven die zij van Rijkswaterstaat ontving, waarin duidelijk stond dat zij een vergunning nodig had, genegeerd. Selecta komt geen beroep toe op artikel 5e van de raamovereenkomst, omdat die bepaling niet kan worden aangemerkt als een ten behoeve van Selecta overeengekomen beperking van de aansprakelijkheid, maar als een bepaling die beoogt Delta in staat te stellen eventuele aanspraken van derden op Selecta af te wenden. Het beroep van Selecta op eigen schuld (artikel 6:101 en artikel 6:102 BW) gaat volgens de rechtbank niet op. Selecta heeft niet voldoende toegelicht dat de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan Delta kan worden toegerekend. Voor zover Delta al enige fout heeft gemaakt, is de ernst daarvan zo gering dat de billijkheid eist dat de vergoedingsplicht van Selecta geheel in stand blijft.4.5. Alleen de vordering van Delta tot een verklaring voor recht dat Selecta op grond van de verplichting tot vrijwaring die volgt uit artikel 5e van de raamovereenkomst gehouden is om binnen vijf dagen betalingsverzoeken van Delta te voldoen, is door de rechtbank afgewezen, omdat deze te ver strekt en onvoldoende steun vindt in de raamovereenkomst.4.6. Selecta is in de proceskosten veroordeeld.5. Beoordeling in hoger beroep5.1. Selecta heeft hoger beroep ingesteld. Zij vordert vernietiging van het vonnis van 2 oktober 2024 en veroordeling van Delta in de proceskosten.5.2. \n\nDelta heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar vordering onder VI (zie onder 4.5 hiervoor).\n\nPrincipaal hoger beroep5.3. Selecta heeft voorafgaand aan de genummerde grieven een overzicht van volgens haar relevante feiten en omstandigheden opgenomen. In dat overzicht zijn geen zelfstandige bezwaren opgenomen tegen het vonnis van de rechtbank. Het hof zal op deze feiten en omstandigheden, voor zover relevant, ingaan bij het bespreken van de grieven.5.4. Grief 1ziet op r.o. 4.9 van het vonnis. Selecta is van mening dat de rechtbank ten onrechte in het midden heeft gelaten of Delta grondroerder was. Volgens Selecta was Delta bij de uitvoering van de opdracht als hoofdaannemer aan te merken en dus tevens als grondroerder in de zin van artikel 1 van de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (WIBON). Daarom rustte op Delta een eigen verantwoordelijkheid voor wat betreftallegrondroerende werkzaamheden van het project. Selecta stelt in dit verband dat Delta op grond van artikel 2 WIBON verplicht was om voor aanvang van de grondroerende werkzaamheden een graafmelding te doen en onderzoek te verrichten naar de precieze ligging van de ondergrondse kabels.5.5. Het hof overweegt als volgt. Het doet er in de contractuele verhouding tussen Delta en Selecta niet toe of Delta wel of niet als grondroerder in de zin van de WIBON en\u002Fof als hoofdaannemer is aan te merken in het kader van de door Selecta verrichte werkzaamheden. Of Delta als zodanig is aan te merken kan wél van belang zijn in de verhouding tussen Delta en derden als Rijkswaterstaat die Delta tot schadevergoeding willen aanspraken en daarbij een beroep doen op verplichtingen die voor grondroerders uit de WIBON volgen. In de verhouding tussen Selecta en Delta echter gaat het erom of Selecta is tekortgeschoten in de nakoming van verplichtingen die volgen uit de tussen partijen gesloten projectovereenkomst en raamovereenkomst en uit dien hoofde aansprakelijk is voor de schade van Delta. Voor de beantwoording van die vraag is niet van belang of Delta grondroerder en\u002Fof hoofdaannemer is, nog daargelaten dat Delta in de verhouding Delta-Selecta evident opdrachtgever is en in die verhouding op Selecta de verantwoordelijkheid rustte om benodigde vergunningen aan te vragen. Grief 1 faalt derhalve.5.6. Grief 2is gericht tegen het oordeel van de rechtbank in r.o. 4.2 tot en met 4.5 van het vonnis dat Selecta toerekenbaar tekort is geschoten. Deze grief slaagt niet, om de hiernavolgende redenen.5.7. Selecta erkent dat zij een graafmelding heeft gedaan bij Rijkswaterstaat en dat zij naar aanleiding daarvan twee brieven heeft ontvangen van Rijkswaterstaat met de hiervoor onder 3.10 en 3.11 weergegeven tekst. Het hof is van oordeel dat de tekst van die brieven voor Selecta aanleiding gaf om op zijn minst voor mogelijk te houden dat een vergunning van Rijkswaterstaat nodig was voor het boren op de plek waar zij ook daadwerkelijk zou gaan boren, óók als de brieven niet specifiek betrekking hadden op de boring op de schadelocatie maar tevens op eventuele andere locaties in de zogeheten graafpolygoon. Selecta had navraag kunnen en moeten doen bij Rijkswaterstaat, waartoe de brief ‘Bijlage bij graafmelding’ ook uitnodigt. In weerwil van deze brieven heeft Selecta geen nader onderzoek verricht en geen vergunning bij Rijkswaterstaat aangevraagd. Door toch te boren en schade te veroorzaken, heeft Selecta in strijd gehandeld met artikel 5a, 5b en 5c van de raamovereenkomst.5.8. Het hof volgt dan ook niet het standpunt van Selecta dat zij niet toerekenbaar is tekortgeschoten omdat zij er niet op bedacht hoefde te zijn dat zij voor het boren op de schadelocatie een vergunning nodig had. De brieven van Rijkswaterstaat zijn duidelijk. In één van de brieven staat “Op basis van de door u verstrekte informatie bevindt uw melding zich in een kritisch gebied van Rijkswaterstaat.”Daarom kon Selecta niet zonder navraag te doen, ervan uitgaan dat de brieven van Rijkswaterstaat alleen gingen over de grond direct onder het Leppa Akwadukt. Zij kon niet aannemen dat de vergunning van de gemeente Heerenveen volstond en dat de afstand tussen de boorplek en het aquaduct zo groot was dat het boren niet in grond toebehorend aan Rijkswaterstaat zou plaatsvinden. Evenmin komt, gelet op de brieven van Rijkswaterstaat, betekenis toe aan het feit dat er ter plaatse van het folie geen waarschuwingsbordjes waren en dat Selecta geen ervaring had met het boren in de nabijheid van aquaducten.5.9. Dat Selecta op grond van artikel 2a van de projectovereenkomst geen verantwoordelijkheid droeg voor de uitvoering van ‘vergunning plichtige boringen’ (dat zijn zwaardere boringen met een grotere diameter en waarbij meer voorwerk nodig is), en dat Delta verantwoordelijk was voor dergelijke boringen, is niet van belang. Artikel 2a van de projectovereenkomst laat immers onverlet dat Selecta, bij boringen die zij wél uitvoert in het kader van de met Delta overeengekomen werkzaamheden, over de benodigde vergunning(en) moet beschikken. Dit volgt uit artikel 4a van de projectovereenkomst, op grond waarvan artikel 5a, 5b en 5c van de raamovereenkomst op de projectovereenkomst van toepassing zijn. Het hof volgt bovendien het standpunt van Delta dat de schadeveroorzakende boring niet een ‘vergunning plichtige boring’ in de zin van artikel 2a betrof. De ‘vergunning plichtige boring’ waarvoor Delta de verantwoordelijkheid droeg, betrof de boring exact onder het aquaduct (randnummer 29 memorie van antwoord, randnummer 2.19 memorie van grieven, alsmede productie 15 bij de memorie van grieven). De schadeveroorzakende boring van Selecta vond op enige afstand van het aquaduct plaats.5.10. Het hof behandelt hier ook de bij randnummer 2.33 van de memorie van grieven opgenomen stelling van Selecta dat de e-mail van Delta van 13 juli 2021 (zie 3.9 hiervoor) slechts het verzoek inhield om contact op te nemen met de partijen die een zogenoemde Eis-voorzorgsmaatregel hadden opgelegd. Deze stelling gaat niet op. In die e-mail staat de zin “Daarnaast is een overzicht van partijen opgenomen die in de grond actief zijn.”. Dat overzicht vermeldt onder andere Rijkswaterstaat Noord-Nederland. Naar het oordeel van het hof heeft Delta hiermee aan Selecta duidelijk gemaakt dat zij in het kader van haar werkzaamheden voor het project ten noorden van Heerenveen rekening moest houden met mogelijke belangen van Rijkswaterstaat.5.11. Het hof verwerpt in dit kader ten slotte het standpunt van Selecta dat er een waarschuwingsplicht op Delta rustte. Het hof kan dat – niet of onvoldoende toegelichte – standpunt niet rijmen met de verplichtingen die uit hoofde van de raamovereenkomst op Selecta rustten, met de inhoud van de e-mail van Delta van 13 juli 2021 aan Selecta, met het feit dat Selecta op 30 november 2021 zelf een KLIC-melding heeft gedaan en evenmin met het feit dat Selecta naar aanleiding van die graafmelding (waarschuwende) brieven van Rijkswaterstaat heeft ontvangen.5.12. Grief 3houdt in dat de rechtbank in r.o. 4.7 van het vonnis ten onrechte heeft geoordeeld dat artikel 5e van de raamovereenkomst geen beperking van aansprakelijkheid behelst.Grief 4klaagt over het oordeel van de rechtbank dat de schade is te wijten aan nalatigheid, onvoorzichtigheid of verkeerde handelingen van Selecta.5.13. Bij de uitleg van artikel 5e van de raamovereenkomst komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepaling mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Het gaat hier om een overeenkomst tussen commerciële partijen (die zich, kort gezegd, bezig houden met de aanleg van glasvezelnetwerken). Daarom komt groot gewicht toe aan de taalkundige betekenis van de woorden van artikel 5e.5.14. Voor het leesgemak geeft het hof de tekst van artikel 5e nog eens weer:\n\n“5e. De Aannemer vrijwaart de Opdrachtgever voor aanspraken van derden tot vergoeding van schade indien deze schade door de uitvoering van de aanleg van de glasvezel netwerken is toegebracht en te wijten is aan nalatigheid, onvoorzichtigheid of verkeerde handelingen van de Aannemer, zijn personeel, zijn eventuele onderaannemers of zijn leveranciers.”5.15. Grief 3 faalt omdat artikel 5e van de raamovereenkomst Selecta uitdrukkelijk een verplichting oplegt tot vrijwaring van Delta voor aanspraken tot schadevergoeding van derden (“De Aannemer vrijwaart de Opdrachtgever (…)”). De omschrijving “nalatigheid, onvoorzichtigheid of verkeerde handelingen van de Aannemer, zijn personeel, zijn eventuele onderaannemers of zijn leveranciers” duidt niet op een (impliciete) beperking van aansprakelijkheid, maar juist op een omvangrijke vrijwaringsverplichting ten gunste van Delta omdat reeds een verkeerde handeling (met schade als gevolg) een verplichting tot vrijwaring kan doen ontstaan.5.16. Grief 4 faalt eveneens. Uit artikel 5e volgt als gezegd een omvangrijke vrijwaringsverplichting voor aanspraken van derden (als Rijkswaterstaat). Het hof is van oordeel dat op zijn minst sprake is geweest van een verkeerde handeling. Zoals de rechtbank heeft overwogen, is Selecta in strijd met de raamovereenkomst gaan boren in kritisch gebied, nadat zij door Rijkswaterstaat was gewaarschuwd om daarover eerst met Rijkswaterstaat contact op te nemen..5.17. Grief 5voert aan dat de rechtbank ten onrechte het beroep van Selecta op artikel 6:101 en artikel 6:102 BW heeft verworpen. Delta heeft immers evenmin onderkend dat een vergunning van Rijkswaterstaat vereist was, of wist dat wel maar heeft verzuimd om Selecta hiervan op de hoogte te brengen. Volgens Selecta is sprake van eigen schuld en\u002Fof medeschuld en behoort de schade in de interne draagplicht tussen Delta en Selecta voor een deel voor rekening van Delta te blijven.5.18. Ook deze grief faalt. Het was niet de taak van Delta om ten behoeve van de boring op de schadelocatie een vergunning aan te vragen. Uit artikel 5b van de raamovereenkomst volgt dat het tot de verplichtingen van Selecta behoort om benodigde vergunningen te verkrijgen. In de praktijk deed Selecta dat ook; Delta heeft bij akte ten behoeve van de mondelinge behandeling van 11 september 2024 een viertal vergunningsaanvragen van Selecta in de procedure gebracht (producties 26 t\u002Fm 29). Selecta heeft op 3 mei 2021 zelf een vergunning bij de gemeente Heerenveen aangevraagd, die haar op 11 mei 2021 is verleend (r.o. 2.7 vonnis). Voor de boring op de schadelocatie was het ook Selecta zelf die een graafmelding bij Rijkswaterstaat heeft gedaan. Het lag dus op de weg van Selecta om een vergunning aan te vragen, temeer na de ontvangst van de brieven van Rijkswaterstaat.5.19. Dat, zoals Selecta verder aanvoert ter onderbouwing van grief 5, de schade niet zou zijn ontstaan als Delta tijdig een onderaannemer had ingeschakeld voor het uitvoeren van de ‘vergunning plichtige boring’ waarmee de Boarn zou worden gekruist, omdat Selecta dan op de hoogte zou zijn gebracht van de folielaag in de grond, doet niet ter zake. Dit was, zoals Delta terecht heeft aangevoerd, een andere boring, op een andere plek en met een andere boortechniek. Het hof ziet onvoldoende verband tussen het door Selecta veronderstelde verzuim van Delta om tijdig een vergunning aan te vragen voor het boren onder de Boarn en de beslissing van Selecta om op enige afstand daarvan zonder vergunning te boren in grond van Rijkswaterstaat.5.20. Voor zover Selecta bedoelt dat Delta wist dat Selecta zonder de vereiste vergunning van Rijkswaterstaat zou gaan boren op de schadelocatie, en haar dus had moeten waarschuwen, heeft Selecta die stelling onvoldoende toegelicht.5.21. Grief 6klaagt over het oordeel van de rechtbank in r.o. 4.11 dat Delta voldoende belang heeft bij haar vorderingen onder III, IV en V van het petitum. Selecta wijst erop dat voor een verwijzing naar de schadestaatprocedure vereist is dat aannemelijk is dat schade is geleden of zal worden geleden. Rijkswaterstaat heeft Delta nog niet tot schadevergoeding aangesproken, en een eigenaar van een zonnepark die volgens Delta schade zou hebben geleden evenmin. Als Selecta al een verplichting heeft om Delta te vrijwaren, zou deze beperkt moeten zijn tot hetgeen waartoe Delta wordt veroordeeld. Delta kan niet een verklaring voor recht vorderen tot vrijwaring voor aanspraken van een onbeperkt aantal en niet nader gespecificeerde derden.5.22. Grief 7voert in het verlengde van grief 6 aan dat de rechtbank ten onrechte Selecta heeft veroordeeld om Delta te vrijwaren vooralleaanspraken van derden, waaronderaansprakenvan Rijkswaterstaat. Het gaat er volgens Selecta om of Deltagehoudenis deze aanspraken te vergoeden. De verklaring voor recht tot vrijwaring had daarom moeten worden begrensd tot ten hoogste datgene waartoe Delta jegens Rijkswaterstaat wordt veroordeeld.5.23. Ook deze grieven falen. Duidelijk is dat er schade is ontstaan door het doorboren van de folielaag bij het Leppa Akwaduct (zie onder meer productie 13 bij de akte overlegging producties van Delta). Het is bepaald niet denkbeeldig dat Rijkswaterstaat en eventuele andere derden op enig moment de schade proberen te verhalen op Delta als opdrachtgever van Selecta. Het hof acht het dus aannemelijk dat Delta schade zal lijden. De door de rechtbank uitgesproken verklaringen voor recht gaan niet te ver. Deze zijn beperkt tot de schade die het gevolg is van het doorboren van de folie van Rijkswaterstaat nabij het Leppa Akwadukt. Daarmee is de eventuele schadevergoedingsplicht van Selecta voldoende ingekaderd.5.24. De slotsom luidt dat geen van de grieven in het principaal hoger beroep doel treft.5.25. \n\nSelecta heeft in hoger beroep een bewijsaanbod gedaan. Zij heeft de namen van een groot aantal personen genoemd en daarbij in zijn algemeenheid vermeld over welke aspecten van het in deze procedure aan de orde zijnde project deze personen iets zouden kunnen verklaren, bijvoorbeeld “de communicatie tijdens de bouwvergaderingen”. Selecta heeft echter geen specifieke feiten en omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot een ander dan het hierboven weergegeven oordeel kunnen leiden. Haar bewijsaanbod wordt daarom als niet ter zake dienend gepasseerd.\n\nIncidenteel hoger beroep5.26. Grief 1van Delta – haar enige grief – noemt het oordeel van de rechtbank in r.o. 4.11 van het vonnis dat de vordering onder punt VI van het petitum niet kan worden toegewezen onbegrijpelijk. Volgens Delta vloeit deze vordering simpelweg voort uit de verplichting tot vrijwaring die op Selecta rust. Delta acht de gevorderde termijn van vijf dagen alleszins redelijk, maar kan leven met een door het hof te bepalen langere termijn. In een reguliere vrijwaringsprocedure moet de partij die moet vrijwaren het verschuldigde bedrag binnen twee dagen na betekening van het vonnis voldoen aan de gevrijwaarde partij. Delta biedt aan om de directeur van Delta te laten verklaren over de bedoelingen van partijen met betrekking tot de contractueel overeengekomen verplichting tot vrijwaring.5.27. Deze grief faalt. De termijn van vijf dagen vindt geen grondslag in de tussen Delta en Selecta gesloten overeenkomst(en). De vergelijking met de vrijwaringsprocedure (art. 210-216 Rv) gaat niet op. Het gaat hier om een contractuele verplichting tot vrijwaring; Selecta is niet betrokken in een door Rijkswaterstaat tegen Delta gestarte gerechtelijke procedure waarin schadevergoeding wordt gevorderd. Ten slotte kan ervan uitgegaan worden dat Delta voldoende uit de voeten kan met de door de rechtbank toegewezen vorderingen. Daarmee kan zij haar schade op Selecta verhalen, zo nodig in een volgende gerechtelijke procedure. In zoverre mist Delta dus belang bij de gevorderde verklaring voor recht.5.28. \n\nHet hof passeert het bewijsaanbod van Delta als niet ter zake dienend. Beslissend is wat in artikel 5e van de raamovereenkomst staat en hoe Selecta deze bepaling heeft mogen begrijpen. Delta heeft niet duidelijk gemaakt dat haar directeur iets kan verklaren dat tot een andere uitleg van artikel 5e kan leiden.\n\nConclusie en proceskosten5.29. De conclusie is dat noch het hoger beroep van Selecta, noch het hoger beroep van Delta slaagt. Daarom zal het hof het vonnis bekrachtigen. Het hof zal Selecta als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het principaal hoger beroep. Delta zal worden veroordeeld in de proceskosten van het incidenteel hoger beroep.5.30. Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van Delta in het principaal hoger beroep op:\n\ngriffierecht € 827,-\n\nsalaris advocaat € 1.290,- (1 punt × tarief II)\n\nnakosten € 189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal € 2.306,-5.31. De proceskosten van Selecta in het incidenteel hoger beroep worden begroot op € 645,- aan salaris advocaat (1 punt × 0,5 × tarief II).5.32. Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing.6. Beslissing\n\nHet hof:\n\nbekrachtigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 2 oktober 2024;\n\nveroordeelt Selecta in de kosten van de procedure in het principaal hoger beroep, aan de zijde van Delta tot op heden begroot op € 2.306, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als Selecta deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;\n\nbepaalt dat als Selecta niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, Selecta de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als Selecta deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;\n\nveroordeelt Delta in de kosten van het incidenteel hoger beroep, aan de zijde van Selecta tot op heden begroot op € 645,-;\n\nverklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;\n\nwijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd;\n\nDit arrest is gewezen door mrs. K. Engel, D.A. Schreuder en F.J. Verbeek en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2023","2026-06-23T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:58.376Z",{"id":121,"ecli":122,"slug":123,"caseNumber":44,"courtId":83,"decisionDate":60,"fullText":124,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":125,"sourceTimestamp":86,"parsedAt":51,"updatedAt":126},"368","ECLI:NL:GHARL:2026:4228","ecli-nl-gharl-2026-4228","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.354.361\u002F01\n\nzaaknummer rechtbank Overijssel 314333\n\narrest van 30 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [appellant]\n\n2. [appellante]\n\ndie beiden wonen in [woonplaats1]\n\nadvocaat: mr. A.A. Bos\n\nen\n\n [geïntimeede]\n\ndie woont in [woonplaats2]\n\nadvocaat: mr. D.A. IJpelaar\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\nNaar aanleiding van het arrest van 16 december 2025 heeft op 16 april 2026 een enkelvoudige mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1. \n [appellant] en [appellante] hebben een vakantiewoning op [eiland] van [geïntimeede] gekocht. Zij kregen de financiering niet rond en uiteindelijk heeft [geïntimeede] de koopovereenkomst ontbonden en op basis daarvan aanspraak gemaakt op betaling van een boete van € 65.000 door [appellant] en [appellante] .\n\n2.2. \n [geïntimeede] heeft bij de rechtbank gevorderd dat [appellant] en [appellante] hoofdelijk worden veroordeeld om de boete aan [geïntimeede] te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding. Daarnaast heeft [geïntimeede] gevorderd dat [appellant] en [appellante] de kosten van het geding voldoen te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n2.3. De rechtbank heeft deze vorderingen toegewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat die vorderingen alsnog worden afgewezen.\n\n2.4. Het hof zal beslissen dat het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd en dat de vorderingen van [geïntimeede] alsnog worden afgewezen. Nadat de relevante feiten zijn besproken, zal het hof uitleggen hoe het tot zijn oordeel is gekomen.\n\n3. De relevante feiten\n\n3.1. \n [geïntimeede] is eigenaar van een vakantiewoning, plaatselijk bekend als [adres] op [eiland] (hierna: de vakantiewoning). Zij heeft die woning te koop aangeboden. [naam4] B.V. (hierna: [naam4] ) trad voor haar op als verkoopbemiddelaar.\n\n3.2. \n [geïntimeede] heeft met [appellant] en [appellante] op 16 augustus 2023 een koopovereenkomst met betrekking tot de vakantiewoning gesloten. De koopprijs was € 650.000.\n\n3.3. In artikel 5 van de koopovereenkomst staat:\n\n“Deze koopovereenkomst kan door koper worden ontbonden indien uiterlijk: op 6 oktober 2023 koper voor de financiering van de onroerende zaak voor een bedrag van maximaal€ 455.000,-(…) geen bindend aanbod tot een hypothecaire geldlening van een geldverstrekkende bankinstelling heeft verkregen. (…). Koper verplicht zich al het redelijk mogelijke te doen ten einde het hierboven bedoelde te verkrijgen. Indien aanspraak wordt gedaan op hierboven genoemde ontbindende voorwaarden dient koper er zorg voor te dragen dat de mededeling dat de ontbinding wordt ingeroepen uiterlijk op de eerste werkdag na de datum waarvan in de betreffende ontbindende voorwaarde sprake is door de wederpartij of diens makelaar is ontvangen. Deze mededeling dient schriftelijk en goed gedocumenteerd via de gangbare communicatiemiddelen te geschieden. Indien koper de ontbinding wenst in te roepen als gevolg van het (tijdig) ontbreken van een financiering als bedoeld in artikel 15.1 onder sub b. wordt, tenzij partijen anders overeenkomen, onder ‘goed gedocumenteerd’ verstaan dat de afwijzing van de geldverstrekkende instelling aan verkoper of diens makelaar dient te worden overgelegd. (…)”\n\n3.4. In artikel 15 van de koopovereenkomst staat:\n\n“(…)\n\n2. Indien een van de partijen, na bij deurwaardersexploit in gebreke te zijn gesteld, gedurende acht dagen tekortschiet in de nakoming van een of meer van zijn verplichtingen is deze partij in verzuim en heeft de wederpartij de al dan niet subsidiaire keus tussen:\n\n(…)\n\nb. de overeenkomst door een schriftelijke verklaring voor ontbonden te verklaren en betaling van een onmiddellijk opeisbare boete te vorderen van tien procent (10%) van de koopprijs.(…)”\n\n3.5. \n [naam1] van [naam2] ! Pensioenen en Hypotheken B.V., gevestigd op [eiland] (hierna: [naam2] !) heeft voor [appellant] en [appellante] bemiddeld bij het tot stand brengen van een hypothecaire geldlening. Hij heeft op 21 september 2023 via de e-mail een financieringsaanvraag gedaan bij [bank1] op [eiland] .3.6. \n [appellant] en [appellante] hebben in een e-mail van 3 oktober 2023 aan [naam4] onder andere geschreven:\n\n“We hebben net met [naam1] gesproken. De bank op [eiland] heeft de financiering goedgekeurd. Dat is echt heel fijn.”\n\n3.7. \n [naam2] ! heeft op 6 oktober 2023 aan [naam4] geschreven:\n\n“Hierbij willen wij u op de hoogte stellen van de beslissing van de familie [appellant] om de aankoop van het pand [adres] (…) in te trekken op basis van de ontbindende voorwaarde zoals vastgelegd in Artikel 5 van genoemde koopovereenkomst. Helaas is het niet gelukt om een bindend financieringsaanbod te verkrijgen voor het bedrag van Euro 455.000.”\n\n3.8. \n [appellant] en [appellante] hebben een dag later aan [naam4] geschreven dat ze tot hun spijt van de koop moeten afzien omdat ze een financiële tegenvaller hebben gehad waardoor de koop niet kan doorgaan. [naam4] schrijft daarop op dezelfde datum:\n\n“Beste Roelie,\n\nZoals vanochtend telefonisch is besproken bevestigde jij nogmaals (…) dat de financiering op [eiland] van € 455.000,- t.b.v. de aankoop van [adres] akkoord is, maar dat jullie als gevolg van de afwijzing van een tweede financiering bij de Rabobank in Nederland toch van de verkoop zouden willen afzien.”\n\n3.9. \n [naam3] , Interim Retail Manager bij [bank1] heeft op 9 oktober 2023 in een e-mail aan [naam2] ! geschreven:\n\n“We hereby inform you that the mortgage request for Mr. [appellant] for the financing of [adres] has been declined as it does not sufficiently meet our credit criteria.”\n\n3.10. In een e-mail van 19 oktober 2023 heeft [geïntimeede] de koopovereenkomst met [appellant] en [appellante] ontbonden en aanspraak gemaakt op de contractuele boete van 10% van de verkoopprijs, dus op € 65.000.\n\n3.11. Op 30 oktober heeft de advocaat van [bank1] , mr. Braam, aan de advocaat van [appellant] en [appellante] bevestigd dat hun financieringsaanvraag voor een geldlening van Fl. 850.000 (het hof begrijpt: het equivalent van € 455.000) door [bank1] niet was goedgekeurd.\n\n3.12. Op 17 april 2024 is aan [appellant] en [appellante] een brief van de advocaat van [geïntimeede] betekend waarin hij hen sommeert om binnen acht dagen de koopovereenkomst na te komen door de woning alsnog af te nemen. In deze brief is [appellant] en [appellante] ook de contractuele boete aangezegd voor het geval door hen niet aan de sommatie zou worden voldaan.\n\n4. De beoordeling\n\nMochten [appellant] en [appellante] na 3 oktober 2023 nog een beroep op de ontbindende voorwaarde doen?\n\n4.1. Volgens [geïntimeede] is met de mededeling van [appellant] en [appellante] in de e-mail van 3 oktober 2023, zoals die hierboven in overweging 3.6 is weergegeven, de ontbindende voorwaarde uitgewerkt en konden [appellant] en [appellante] er daarna geen beroep meer op doen. Het hof begrijpt [geïntimeede] zo, dat [appellant] en [appellante] hun recht om dat te doen met die mededeling hebben verwerkt. Het hof gaat hier niet in mee.\n\n4.2. Voor het kunnen aannemen van rechtsverwerking (een bijzondere vorm van de in artikel 6:248 lid 2 BW geregelde beperkende werking van redelijkheid en billijkheid) is in een geval als hier aan de orde, vereist de aanwezigheid van een bijzondere omstandigheid als gevolg waarvan bij [geïntimeede] het gerechtvaardigd vertrouwen is ontstaan dat [appellant] en [appellante] hun recht om zich te beroepen op de ontbindende voorwaarde niet meer geldend zouden maken. Ook zou rechtsverwerking aan de orde kunnen zijn als door toedoen van [appellant] en [appellante] de positie van [geïntimeede] als wederpartij onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard als zij hun recht om de ontbindende voorwaarde in te roepen alsnog ten opzichte van [geïntimeede] zouden kunnen uitoefenen.\n\n4.3. Degene die een beroep op rechtsverwerking doet (in dit geval [geïntimeede] ) dient te stellen en zo nodig bewijzen dat en waarom van een van de hiervoor genoemde gevalstypen sprake is.\n\n4.4. Naar het oordeel van het hof is [geïntimeede] daarin niet geslaagd. Aan de enkele mededeling die [appellant] en [appellante] op 3 oktober 2023 aan [naam4] hebben gedaan, mocht [geïntimeede] , mede gelet op de losse en summiere formulering ervan en het feit dat deze niet verwijst naar de ontbindende voorwaarde, niet het vertrouwen ontlenen dat op die voorwaarde door hen geen beroep meer zou worden gedaan. Voor een dergelijk gerechtvaardigd vertrouwen is in een zaak als de onderhavige meer nodig en dat ‘meer’ is door [geïntimeede] niet aangevoerd. Dat [geïntimeede] in de gegeven omstandigheden onredelijk zou zijn benadeeld doordat enkele dagen na het genoemde mailtje door [appellant] en [appellante] wel een beroep op de ontbindende voorwaarde is gedaan, is gesteld noch gebleken Andere omstandigheden die een beroep op de rechtsverwerking zouden kunnen dragen, zijn evenmin door [geïntimeede] aan de orde gesteld.\n\nWaren [appellant] en [appellante] te laat met het inroepen van de ontbindende voorwaarde?\n\n4.5. \n\nOp grond van artikel 5 van de koopovereenkomst moest de mededeling dat de ontbindende voorwaarde werd ingeroepen uiterlijk de eerste werkdag na 6 oktober 2023 door [geïntimeede] of haar makelaar zijn ontvangen. Zoals [geïntimeede] ook heeft erkend, was dat niet\n\n7 oktober 2023, zoals de rechtbank heeft aangenomen, maar 9 oktober 2023. Dat is hier van bepalend belang: [naam2] ! heeft [naam4] op 6 oktober 2023 bericht dat het niet gelukt is om een bindend financieringsaanbod te verkrijgen voor € 455.000. [appellant] en [appellante] hebben dit zelf op 7 oktober 2023 ook aan [naam4] laten weten. De e-mail van [bank1] heeft [geïntimeede] , zo blijkt uit de memorie van antwoord, op 9 oktober 2023 ontvangen. [appellant] en [appellante] hebben dan ook tijdig een beroep gedaan op de ontbindende voorwaarde en eveneens tijdig de afwijzing van [bank1] aan [geïntimeede] gestuurd.4.6. Dan blijft de vraag over of artikel 5 van de koopovereenkomst vereist dat de mededeling van het inroepen van de ontbindende voorwaarde en het bericht van afwijzing door de geldverstrekker op hetzelfde moment moeten worden gestuurd, zoals de rechtbank heeft overwogen. Bij de uitleg van een bepaling in een overeenkomst als de onderhavige komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepaling mochten toekennen en op wat zij hierbij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (de Haviltex-maatstaf). Hierbij kunnen omstandigheden die zich hebben voorgedaan voor het sluiten van de overeenkomst een rol spelen, maar ook omstandigheden die zich daarna tussen partijen hebben voorgedaan.\n\n4.7. Het staat vast dat [appellant] en [appellante] enerzijds en [geïntimeede] anderzijds voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst op 16 augustus 2023 niet met elkaar hebben gesproken over de inhoud en de omvang van het financieringsvoorbehoud, behalve dan dat het financieringsvoorbehoud in de overeenkomst moet worden opgenomen. Partijen hebben ook niet onderhandeld over de tekst van het financieringsvoorbehoud.\n\n4.8. In artikel 5 van de koopovereenkomst staat niets meer en niets minder dan dat beide berichten (dus zowel de mededeling dat een beroep op de ontbindende voorwaarde wordt gedaan als de afwijzing van de geldverstrekker) uiterlijk op de eerste werkdag na 6 oktober 2023 (dus op 9 oktober 2023) door [geïntimeede] of haar makelaar moeten zijn ontvangen. Niet valt in te zien waarom die mededelingen gelijktijdig moeten worden gedaan, wil het inroepen van de ontbindende voorwaarde effect kunnen hebben. De ratio van de bepaling is immers dat de verkoper uiterlijk op de laatste dag van de overeengekomen termijn weet dat de koper de ontbindende voorwaarde inroept met als onderbouwing de afwijzende mededeling van de geldverstrekker en dat is hier gebeurd. Niet ter discussie staat dat het beroep op de ontbindende voorwaarde tijdig zou zijn gedaan als alle relevante mededelingen tegelijkertijd (pas) op 9 oktober 2023 zouden zijn gedaan. Ook in dat licht is er geen reden om aan te nemen dat niet aan de eisen van artikel 5 is voldaan wanneer een van die mededelingen een paar dagen aan de andere is voorafgegaan.\n\nKwalificeert het toesturen van de e-mail van 9 oktober 2023 door [bank1] aan [naam2] ! als “goed gedocumenteerd”?\n\n4.9. Volgens [geïntimeede] was de mededeling van [appellant] en [appellante] niet goed gedocumenteerd, omdat – zo begrijpt het hof – de e-mail van 9 oktober 2023 van [bank1] niet aan [appellant] en [appellante] is verstuurd maar aan [naam2] !. Volgens [geïntimeede] verlangt artikel 5 van de koopovereenkomst dat “tenminste de door aanvrager van de bank ontvangen afwijzing” wordt overgelegd.\n\n4.10. Zoals hiervoor al is overwogen, moet het hof deze bepaling uitleggen aan de hand van de Haviltex-maatstaf en hebben partijen over deze bepaling niet onderhandeld.\n\n4.11. In artikel 5 van de koopovereenkomst staat dat [appellant] en [appellante] schriftelijk en goed gedocumenteerd mededeling moeten doen van het inroepen van de ontbindende voorwaarde en dat onder “goed gedocumenteerd” wordt verstaan dat de afwijzing van een geldverstrekkende instelling aan verkoper moet worden overgelegd. Verder zijn geen eisen gesteld aan de afwijzing van de geldverstrekker, bijvoorbeeld inhoudende dat de afwijzing rechtstreeks aan [appellant] en [appellante] moet zijn gestuurd en door hen moet zijn ontvangen. Dat dit wel de bedoeling zou zijn is in deze zaak ook bepaald niet logisch, omdat de contacten met Orca Bank altijd via [naam2] ! zijn gelopen. Zij heeft de financieringsaanvraag ingediend met de daarbij behorende stukken en heeft dus ook de afwijzing ontvangen.\n\n4.12. Naar het oordeel van het hof volgt uit artikel 5 van de koopovereenkomst dan ook niet dat de afwijzing alleen goed gedocumenteerd is wanneer deze rechtstreeks aan [appellant] en [appellante] is gestuurd.\n\n4.13. Voor zover [geïntimeede] vindt dat de mededeling dat de ontbindende voorwaarde wordt ingeroepen niet goed gedocumenteerd is, omdat het een “eenregelige, niet aan hen gerichte, mail van een bankmedewerker met een onduidelijke positie” betreft, gaat zij er ten onrechte aan voorbij dat uit het overgelegde uittreksel uit de kamer van koophandel van [bank1] blijkt dat Giselle Groilo “Proxy holder” is met als “Title description” Interim Retail Manager, en kennelijk in die hoedanigheid bevoegd was om [bank1] te vertegenwoordigen. Dat [bank1] de hypotheekaanvraag inderdaad heeft afgewezen, staat bovendien niet ter discussie.\n\nStonden andere omstandigheden het inroepen van de ontbindende voorwaarde in de weg?\n\n4.14. \n [geïntimeede] heeft nog aangevoerd dat [appellant] en [appellante] wel degelijk de aankoop van de vakantiewoning konden financieren, maar dat het feit dat ze de koopovereenkomst wilden ontbinden een andere reden had. Dit is echter in tegenspraak met de e-mail van 9 oktober 2023 van [bank1] , zodat het hof aan deze stelling voorbij gaat.\n\n4.15. \n [geïntimeede] vindt daarnaast dat [appellant] en [appellante] niet al het redelijkerwijs mogelijke hebben gedaan om een bindend aanbod tot een hypothecaire geldlening te verkrijgen. De financieringsaanvraag is op 21 september 2023 gedaan en dat was volgens [geïntimeede] te laat, omdat de aanvraag daardoor niet op tijd is goedgekeurd door de bank. Naar het oordeel van het hof gaat ook dit argument niet op. Nog daargelaten dat [appellant] en [appellante] onweersproken hebben gesteld dat zij in de periode van 16 augustus 2023 tot 21 september 2023 bezig zijn geweest met het verzamelen van alle benodigde informatie die nodig was voor het opstellen van de financieringsaanvraag, verliest [geïntimeede] met deze stelling uit het oog dat [bank1] kennelijk genoeg tijd heeft gehad om de aanvraag te beoordelen en daarover een beslissing te nemen. Zij heeft deze immers afgewezen, en die afwijzing is tijdig doorgegeven.\n\nConclusie\n\n4.16. Uit wat het hof hiervoor heeft overwogen vloeit voort dat [appellant] en [appellante] op tijd en op de juiste manier aan [geïntimeede] hebben meegedeeld dat zij een beroep willen doen op de ontbindende voorwaarde en dat zij dus geen 10% van de verkoopprijs aan [geïntimeede] verschuldigd zijn geworden.\n\n4.17. Het hoger beroep slaagt dus. Omdat [geïntimeede] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [geïntimeede] tot betaling van de proceskosten zowel in hoger beroep als bij de rechtbank veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.4.18. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).\n\n5. De beslissing\n\nHet hof:\n\n5.1. vernietigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle van 15 januari 2025 en beslist dat de vorderingen van [geïntimeede] worden afgewezen;\n\n5.2. veroordeelt [geïntimeede] tot terugbetaling aan [appellant] en [appellante] van alles wat [appellant] en [appellante] op grond van het vonnis van 15 januari 2025 aan [geïntimeede] \u002Fhebben betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de betaling door [appellant] en [appellante] tot aan de dag van terugbetaling;\n\n5.3. \n\nveroordeelt [geïntimeede] tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant] en [appellante] tot aan de uitspraak van de rechtbank:\n\n€ 1.352,00 aan griffierecht\n\n€ 2.428,00 aan salaris van de advocaat van [appellant] en [appellante] (2,00 procespunten x het toepasselijke tarief VI € 1.214,00)\n\nen tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant] en [appellante] in hoger beroep:\n\n€ 827,00 aan griffierecht\n\n€ 145,45 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan [geïntimeede]\n\n€ 4.704,00 aan salaris van de advocaat van [appellant] en [appellante] (2 procespunten x het toepasselijke tarief IV € 2.352,00)\n\n5.4. bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;\n\n5.5. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.6. wijst af wat verder is gevorderd.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. C.P. Lunter, M.W. Zandbergen en P.S. Bakker en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op\n\n30 juni 2026.\n\n Dit betekent dat grieven 1 en 3 slagen en dat [appellant] en [appellante] geen belang meer hebben bij grief 2.\n\nHR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4228","2026-07-13T00:28:26.381Z",{"id":128,"ecli":129,"slug":130,"caseNumber":44,"courtId":131,"decisionDate":86,"fullText":132,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":133,"sourceTimestamp":86,"parsedAt":51,"updatedAt":134},"819","ECLI:NL:RBROT:2026:7461","ecli-nl-rbrot-2026-7461",61,"RECHTBANK ROTTERDAM\n\nlocatie Rotterdam\n\nzaaknummer: 11426273 CV EXPL 24-29911\n\ndatum uitspraak: 26 juni 2026\n\nVonnis van de kantonrechter\n\nin de zaak van\n\n [bedrijf 1] B.V.,\n\nvestigingsplaats: [plaats 1] ,\n\neiseres,\n\ngemachtigde: mr. G.H. Kroon,\n\ntegen\n\n [bedrijf 2] B.V., tevens handelend onder de naam[handelsnaam],\n\nvestigingsplaats: [plaats 2] ,\n\ngedaagde,\n\nvoormalig gemachtigde: mr. I. Rhodes.\n\nDe partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.\n\n1. De procedure1.1.. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:\n\nde dagvaarding van 7 november 2024, met bijlagen 1 t\u002Fm 9;\n\nhet antwoord;\n\nde brief van 18 februari 2026 van mr. Rhodes, waarbij hij zich als gemachtigde van [gedaagde] onttrekt;\n\nde brief van 15 mei 2026 met bijlage 10 van de kant van [eiseres] .\n\n1.2.. Op 28 mei 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren [persoon A] (directeur van [eiseres] ) en mr. Kroon aanwezig. Ook [gedaagde] was voor de zitting uitgenodigd, maar van haar kant is niemand verschenen zonder enig bericht.\n\n2. De beoordeling\n\nWaar gaat de zaak over?\n\n2.1.. \n [eiseres] eist € 12.500,00 van [gedaagde] . [eiseres] baseert die eis op een contract dat zij heeft gesloten op 19 januari 2024. Volgens [eiseres] is [gedaagde] gebonden aan het in dat contract opgenomen relatiebeding en dient zij op grond daarvan te worden veroordeeld tot betaling van een boete en bijkomende kosten. [gedaagde] betwist dat. De kantonrechter geeft [gedaagde] gelijk en wijst de eis af.\n\n [gedaagde] is niet gebonden aan het contract van [eiseres]\n\n2.2.. \n [eiseres] kan [gedaagde] niet aanspreken op basis van het contract. In de weg staat dat het contract niet door [gedaagde] is gesloten en, voor zover het contract zou zijn gesloten in naam van [gedaagde] , er geen sprake is van de schijn van vertegenwoordigings-bevoegdheid. Dat wordt hierna uitgelegd.\n\n2.3.. Het contract waar [eiseres] de eis op baseert, is volgens de tekst die in de kop van het contract staat, gesloten met:\n\n“ [opdrachtnemer] , kantoorhoudende te [plaats 2] ( [postcode] ) aan de\n\n [adres] ,dezen handelend onder de naam [handelsnaam]\n\ningeschreven in het handelsregister onder nummer KVK : [kvk-nummer] hierna te noemen ‘opdrachtnemer’.”\n\nHet KvK-nummer is van [gedaagde] , maar de handelsnaam is onjuist. De geregistreerde handelsnaam van [gedaagde] is ‘ [bedrijf 2] ’. Ook het adres dat wordt genoemd, is niet het adres van [gedaagde] dat in het handelsregister staat geregistreerd. Uit het handelsregister blijkt evenmin dat [opdrachtnemer] bevoegd was [gedaagde] te vertegenwoordigen.\n\nDe bepalingen van het contract duiden er daarnaast op dat [opdrachtnemer] werkzaam is als zelfstandige op het gebied van beveiliging en dat [eiseres] hem inhuurt om als zelfstandige beveiligingswerkzaamheden te doen. De directeur van [eiseres] heeft tijdens de zitting ook bevestigd dat hij [opdrachtnemer] als zelfstandige wilde inhuren. Weliswaar stelt [eiseres] dat zij [opdrachtnemer] heeft willen inhuren als zelfstandige onder zijn bedrijfsnaam – daarmee kennelijk doelend op “ [handelsnaam] ” – maar die bedrijfsnaam is niet dezelfde als de handelsnaam van [gedaagde] . De kantonrechter houdt het er daarom voor dat het contract is gesloten door [opdrachtnemer] en niet door [gedaagde] .\n\n2.4.. Voor zover aan het voorgaande voorbij zou moeten worden gegaan en het ervoor zou moeten worden gehouden dat het contract in naam van [gedaagde] is gesloten door [opdrachtnemer] , is [gedaagde] niet gebonden aan het contract. Er is namelijk geen sprake van de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid (artikel 3:61 lid 2 BW). Enig handelen van [gedaagde] als pseudo-volmachtgever op basis waarvan [eiseres] erop heeft mogen vertrouwen dat [opdrachtnemer] bevoegd was om [gedaagde] te vertegenwoordigen, ontbreekt namelijk. [eiseres] stelt weliswaar terecht dat ook in een niet-doen van de pseudo-volmachtgever een schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid besloten kan liggen, maar in dit geval is dat niet voldoende. Nergens blijkt namelijk uit dat [gedaagde] ervan op de hoogte was, laat staan dat zij ermee instemde, dat [opdrachtnemer] een contract met [eiseres] sloot in haar naam. [eiseres] heeft het in de dagvaarding wel over mailberichten van [eiseres] aan [gedaagde] waarop [gedaagde] geen rectificatie of reactie heeft gestuurd, maar die mails zitten niet in het dossier en ook heeft [eiseres] niet uitgelegd wat voor mails het betreft. Het had op de weg van [eiseres] gelegen om die mails in de procedure te overleggen, maar dat is niet gebeurd. Dat [opdrachtnemer] een mailadres van [gedaagde] heeft gebruikt om een mail te sturen naar een opdrachtgever van [eiseres] is ook onvoldoende voor het aannemen van de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid. Niet alleen betreft het slechts een handelen van de pseudo-gevolmachtigde zelf en niet van de pseudo-volmachtgever, ook betreft het geen mail aan [eiseres] . Dat [opdrachtnemer] het mailadres heeft gebruikt, laat zich mogelijk verklaren door de stelling van [eiseres] dat [opdrachtnemer] een relatie heeft (gehad) met de eigenaar van [gedaagde] , maar ook dat is onvoldoende om te kunnen oordelen dat [eiseres] er op heeft mogen vertrouwen dat [opdrachtnemer] bevoegd was om [gedaagde] te vertegenwoordigen.\n\nDe eisen worden afgewezen\n\n2.5.. De gevorderde contractuele boete is niet toewijsbaar, omdat [eiseres] [gedaagde] niet kan aanspreken op basis van het contract. De daarbij gevorderde rente en incassokosten zijn daarom ook niet toewijsbaar.\n\n [eiseres] moet de proceskosten betalen\n\n2.6.. De proceskosten komen voor rekening van [eiseres] , omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [eiseres] aan [gedaagde] moet betalen op € 432,00 aan salaris voor de gemachtigde (1 punt x € 432,00), omdat de voormalige gemachtigde van [gedaagde] het antwoord heeft ingediend voordat die zich heeft onttrokken. Bij deze kosten kan nog een bedrag komen als dit vonnis wordt betekend.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n3.1.. wijst de eis af;\n\n3.2.. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] worden begroot op € 432,00;\n\n3.3.. wijst al het andere af.\n\nDit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. F. Aukema-Hartog en in het openbaar uitgesproken.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7461","2026-07-13T00:28:49.636Z",{"id":136,"ecli":137,"slug":138,"caseNumber":44,"courtId":57,"decisionDate":86,"fullText":139,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":140,"sourceTimestamp":60,"parsedAt":51,"updatedAt":141},"1572","ECLI:NL:RBAMS:2026:6589","ecli-nl-rbams-2026-6589","RECHTBANKAMSTERDAM\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZaaknummer: 12024959 \\ CV EXPL 25-17715\n\nVonnis van 26 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nDE REGIEBEHANDELAARS B.V.,\n\ngevestigd te Waardenburg,\n\neiseres,\n\nhierna te noemen: De Regiebehandelaars,\n\ngemachtigde: In-Kas Intermediair BV,\n\ntegen\n\n1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\n [gedaagde 1] B.V.,\n\ngevestigd te [vestigingsplaats], 2. [gedaagde 2] ,\n\nwonende te [woonplaats 1], 3. [gedaagde 3],\n\nwonende te [woonplaats 2], 4. [gedaagde 4],\n\nwonende te [woonplaats 2],\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna te noemen: afzonderlijk [gedaagde 1], [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4] en samen [gedaagden],\n\ngemachtigde: mr. O. Planten.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 25 november 2025, met producties,\n\n- de conclusie van antwoord,\n\n- het tussenvonnis van 5 maart 2026, waarin de mondelinge behandeling is bepaald,\n\n- de akte houdende wijziging van eis en overlegging producties van De Regiebehandelaars,\n\n- de mondelinge behandeling van 26 mei 2026, waarvan de zittingsaantekeningen en de spreekaantekeningen van [gedaagden] zich in het dossier bevinden.\n\n1.2.. Daarna is bepaald dat vandaag een vonnis wordt uitgesproken.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De Regiebehandelaars is een werving- en selectiebureau voor personeel in de zorgsector.\n\n2.2.. \n [gedaagde 1] is een instelling die zich bezighoudt met psychiatrische zorg en verslavingszorg. [gedaagde 2] is samen met [gedaagde 3] en [gedaagde 4] bestuurder van [gedaagde 1].\n\n2.3.. Op 14 juni 2023 hebben [gedaagde 2] en (een medewerker van) De Regiebehandelaars een kennismakingsgesprek gevoerd. Nadat De Regiebehandelaars haar algemene voorwaarden had toegestuurd, heeft [gedaagde 2] gevraagd om de rest van de documenten, zodat hij die met zijn partners kon bespreken. Dezelfde dag heeft [gedaagde 2] per e-mail vacatureteksten toegestuurd aan De Regiebehandelaars, waarbij hij zijn mail heeft afgesloten met ‘Bestuurder [gedaagde 1]’.\n\n2.4.. Op 16 juni 2023 heeft [gedaagde 2] de door hem getekende samenwerkingsovereenkomst inclusief algemene voorwaarden (hierna: de overeenkomst) toegestuurd aan De Regiebehandelaars met als onderwerp ‘[gedaagde 1] [gedaagde 2]’. Op basis van de overeenkomst zou De Regiebehandelaars personeel gaan werven voor de opdrachtgever, die wordt omschreven als ‘nieuw op te starten organisatie ([gedaagde 2] )’.\n\n2.5.. In artikel 4 van de overeenkomst staat dat de opdrachtgever een ‘completion fee’ verschuldigd is aan De Regiebehandelaars als er een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht tussen een kandidaat en de opdrachtgever tot stand komt. De fee bij een arbeidsovereenkomst bedraagt drie maal het salaris van de kandidaat conform de bijpassende functieschaal van de actuele cao GGZ, exclusief btw. Verder bepaalt artikel 7.2 van de overeenkomst voor zover relevant het volgende:\n\n“Indien de Opdrachtgever een door De Regiebehandelaars geïntroduceerde Kandidaat afwijst of de Kandidaat een aanbod van de Opdrachtgever voor het sluiten van een arbeidsovereenkomst afwijst, waarna de Opdrachtgever vervolgens binnen 18 maanden na de introductie van de Kandidaat door De Regiebehandelaars alsnog een arbeidsovereenkomst dan wel andere contractuele relatie met de Kandidaat aangaat, (…) zal de Opdrachtgever gehouden zijn tot betaling van de totale kosten conform het in artikel 4 van deze Algemene Wervingsvoorwaarden bepaalde.”\n\n2.6.. De Regiebehandelaars heeft in de periode na het sluiten van de overeenkomst verschillende kandidaten geïntroduceerd bij [gedaagde 2], waarmee hij ook kennismakingsgesprekken heeft gevoerd.\n\n2.7.. \n\nIn een e-mail van 25 augustus 2023 heeft De Regiebehandelaars [gedaagde 2] gevraagd of zij twee kandidaten officieel kon bevestigen. In de e-mail staat verder voor zover relevant:\n\n“Dan zullen wij een margecontract met hen opstellen. Zij krijgen dan een overeenkomst van opdracht met [gedaagde 1] waarin het all-in tarief staat vermeld. (…)”\n\n2.8.. Op 29 augustus 2023 is [gedaagde 1] opgericht en op 31 augustus 2023 is zij ingeschreven in het handelsregister.\n\n2.9.. Op 14 september 2023 heeft De Regiebehandelaars het curriculum vitae van [naam] (hierna: [naam]) aan [gedaagde 2] gemaild. De week erna heeft er een kennismakingsgesprek plaatsgevonden tussen [gedaagde 2] en [naam].\n\n2.10.. Op 4 oktober 2023 heeft [gedaagde 2] aan De Regiebehandelaars gemaild dat de inhuur van twee van de aangedragen kandidaten niet door kan gaan omdat zijn partners – na een bestuursvergadering – ervan afzagen in verband met de kosten. Ook [naam] is uiteindelijk afgewezen.\n\n2.11.. De Regiebehandelaars heeft [gedaagde 2] dezelfde dag per e-mail laten weten dat zij niet blij was met de gang van zaken en stappen zal ondernemen als [gedaagde 1] buiten haar om zaken ging doen met kandidaten.\n\n2.12.. Op 29 december 2023 hebben [gedaagde 1] en [naam] een arbeidsovereenkomst getekend op grond waarvan [naam] in dienst trad als basispsycholoog voor een salaris van € 4.785 bruto per maand volgens cao GGZ schaal 60 trede 5\u002F42.\n\n2.13.. Op 24 september 2025 is De Regiebehandelaars bekend geraakt met de indiensttreding van [naam] bij [gedaagde 1]. Daarop heeft zij een factuur gestuurd aan [gedaagde 1] voor de fee voor [naam] ter hoogte van € 17.369,55 inclusief btw.\n\n2.14.. In reactie op een betaalherinnering van De Regiebehandelaars heeft [gedaagde 2] op 17 oktober 2025 per e-mail laten weten dat [gedaagde 1] in financieel zwaar weer verkeert en dat er geen middelen beschikbaar zijn om de fee te voldoen.\n\n2.15.. Vanaf 5 november 2025 heeft de gemachtigde van De Regiebehandelaars [gedaagde 1] meerdere keren gesommeerd om de factuur met rente en incassokosten te voldoen.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. De Regiebehandelaars vordert na eiswijziging – samengevat – dat de kantonrechter, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van:\n\n€ 17.369,55 aan hoofdsom;\n\n€ 253,24 aan wettelijke handelsrente tot aan de dag van de dagvaarding;\n\n€ 948,70 aan buitengerechtelijke incassokosten;\n\nde proceskosten.\n\n3.2.. De Regiebehandelaars legt aan haar vorderingen op [gedaagde 1] ten grondslag dat zij op grond van artikel 7.2 van de overeenkomt recht heeft op betaling van de fee. Tegenover [gedaagde 2] beroept zij zich op aansprakelijkheid op grond van artikel 2:203 lid 2 en 3 BW en bestuurdersaansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW. Bij dagvaarding had De Regiebehandelaars ook [gedaagde 3] en [gedaagde 4] aansprakelijk gesteld, maar deze vorderingen heeft zij bij eiswijziging ingetrokken.\n\n3.3.. \n [gedaagden] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van De Regiebehandelaars in de proceskosten. Zij voert daartoe kort gezegd aan dat [gedaagde 1] niet gebonden is aan de overeenkomst en dat uit artikel 7.2 in dit geval geen vergoedingsplicht volgt. Verder is van (bestuurders)aansprakelijkheid van [gedaagde 2] geen sprake, aldus [gedaagden]\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nde vorderingen op [gedaagde 1]\n\n4.1.. Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde 2] de overeenkomst heeft getekend vóór dat [gedaagde 1] eind augustus 2023 werd opgericht. De vraag is dus of [gedaagde 1] gebonden is aan de overeenkomst.\n\n4.2.. Artikel 2:203 lid 1 BW bepaalt dat uit rechtshandelingen, verricht namens een op te richten vennootschap, slechts rechten en verplichtingen voor de vennootschap ontstaan wanneer zij die rechtshandelingen na haar oprichting uitdrukkelijk of stilzwijgend bekrachtigt. Alleen de vennootschap die partijen op het oog hadden bij het aangaan van de rechtshandeling is bevoegd om deze rechtshandeling te bekrachtigen.\n\n4.3.. Partijen zijn het erover eens dat van een uitdrukkelijke bekrachtiging van de overeenkomst geen sprake is geweest. De Regiebehandelaars stelt dat [gedaagde 1] de overeenkomst stilzwijgend heeft bekrachtigd door uitvoering te geven aan de overeenkomst, en dat uit e-mails blijkt dat [gedaagde 2] steeds namens [gedaagde 1] handelde. [gedaagden] betwist dat [gedaagde 1] de overeenkomst heeft bekrachtigd en voert aan dat [gedaagde 2] de overeenkomst namens zichzelf heeft getekend.\n\n [gedaagde 1] heeft de overeenkomst stilzwijgend bekrachtigd\n\n4.4.. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde 1] gebonden is aan de overeenkomst omdat zij die na haar oprichting stilzwijgend heeft bekrachtigd. [gedaagde 2] heeft zowel voor als na de oprichting verwezen naar overleg met de andere bestuurders van [gedaagde 1] over de overeenkomst en het al dan niet accepteren van kandidaten (zie onder 2.3 en 2.10). Dat wijst erop dat niet [gedaagde 2] persoonlijk de ‘opdrachtgever’ was uit de overeenkomst, maar [gedaagde 1]. Uit de mail van 4 oktober 2023 blijkt immers dat het bestuur van [gedaagde 1] – kennelijk – de bevoegdheid had om kandidaten van De Regiebehandelaars af te wijzen, en niet alleen [gedaagde 2]. Bovendien volgt uit de overeenkomst en de e-mail genoemd onder 2.7 dat de kandidaten die De Regiebehandelaars had geworven in dienst zouden treden bij (of in opdracht zouden werken voor) [gedaagde 1], zodat De Regiebehandelaars ervan uit mocht gaan [gedaagde 1] ook de opdrachtgever was voor de werving en selectie van die kandidaten. Tot slot heeft [gedaagde 2] in zijn onder 2.14 genoemde e-mail namens [gedaagde 1] geschreven dat de vennootschap – en niet hijzelf – geen middelen had om de fee te voldoen.\n\n4.5.. Verder was [gedaagde 1] de vennootschap die partijen op het oog hadden bij het aangaan van de overeenkomst. [gedaagde 2] heeft de e-mail waarin hij de vacatureteksten heeft verstuurd namelijk ondertekend met ‘[gedaagde 2] , Bestuurder [gedaagde 1]’, een naam die sterk lijkt op de statutaire naam van het (later opgerichte) [gedaagde 1]. Ook staat in de vacatureteksten zelf dat het gaat om een baan in een nieuwe [gedaagde 1]-instelling die gespecialiseerd is in psychiatrie- en verslavingsproblematiek, wat overeenkomt met de activiteiten die [gedaagde 1] uitvoert. Tot slot heeft ook de e-mail waarmee [gedaagde 2] de getekende versie van de overeenkomst stuurde als onderwerp ‘[gedaagde 1] [gedaagde 2]’.\n\n4.6.. Uit het voorgaande blijkt dat [gedaagde 2] de overeenkomst namens [gedaagde 1] heeft gesloten en [gedaagde 1] de overeenkomst daarna stilzwijgend heeft bekrachtigd, zodat zij daaraan gebonden is. Hierna wordt beoordeeld of er ook een betalingsverplichting voor [gedaagde 1] volgt uit de overeenkomst.\n\n [gedaagde 1] moet de fee betalen met rente en kosten\n\n4.7.. Niet in geschil is dat [gedaagde 1] en [naam] op 29 december 2023 een arbeidsovereenkomst zijn aangegaan en dat dit binnen de in artikel 7.2 van de overeenkomst genoemde termijn van 18 maanden valt. Dat betekent in beginsel dat [gedaagde 1] de fee moet betalen aan De Regiebehandelaars.\n\n4.8.. \n [gedaagden] voert nog aan dat de aanstelling van [naam] niet leidt tot een fee, omdat er onvoldoende verband is tussen de introductie van [naam] en de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst. Dat verweer gaat niet op, omdat de overeenkomst een dergelijk (causaal) verband niet vereist. Voor de verschuldigdheid van de fee is immers alleen vereist dat een afgewezen kandidaat binnen 18 maanden alsnog in dienst treedt bij de opdrachtgever, wat hier is gebeurd.\n\n4.9.. \n [gedaagden] voert verder aan dat De Regiebehandelaars weinig heeft bijgedragen aan de arbeidsovereenkomst, zodat de betaling van de (volledige) fee naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De kantonrechter gaat hier niet in mee. De Regiebehandelaars heeft ter zitting voldoende toegelicht dat er (veel) werk zit in de werving en selectie van kandidaten. Als een in eerste instantie afgewezen kandidaat alsnog binnen 5 maanden aangenomen blijkt te zijn, is het dan ook niet onredelijk dat De Regiebehandelaars voor dat werk een vergoeding wil. Exclusiviteitsbedingen als artikel 7.2 zijn dan ook niet ongebruikelijk bij werving- en selectiebureaus en [gedaagde 2] is bovendien gewaarschuwd om niet buiten De Regiebehandelaars om zaken te doen met kandidaten. Onder die omstandigheden is betaling van de fee naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar.\n\n4.10.. Het voorgaande betekent dat op [gedaagde 1] onverkort de verplichting rust om de fee te betalen aan De Regiebehandelaars. De kantonrechter gaat voorbij aan de betwisting van de hoogte van de factuur, nu De Regiebehandelaars heeft onderbouwd dat de hoogte van de factuur overeenkomt met driemaal het salaris van [naam] conform de destijds geldende cao GGZ, en [gedaagden] daar niets tegenover heeft gesteld. Daarom wordt een bedrag van € 17.369,55 toegewezen.\n\nwettelijke handelsrente\n\n4.11.. De gevorderde wettelijke handelsrente van € 253,24 zal worden toegewezen. [gedaagde 1] heeft de factuur namelijk niet binnen de vervaltermijn betaald en is daarom in verzuim geraakt.\n\nbuitengerechtelijke incassokosten\n\n4.12.. De Regiebehandelaars vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De Regiebehandelaars heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De Regiebehandelaars heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 948,70 worden toegewezen.\n\nde vorderingen op [gedaagde 2]\n\n4.13.. De Regiehandelaars houdt (ook) [gedaagde 2] aansprakelijk voor betaling van de factuur, op grond van artikel 2:203 lid 2 en 3 BW en artikel 6:162 BW. De vorderingen tegenover [gedaagde 2] zullen worden afgewezen. Dat oordeel wordt hierna toegelicht.\n\n [gedaagde 2] is niet aansprakelijk op grond van artikel 2:203 lid 2 BW\n\n4.14.. Artikel 2:203 lid 2 BW bepaalt dat degene die een rechtshandeling namens een op te richten vennootschap verricht daaraan is verbonden, totdat de vennootschap na haar oprichting de rechtshandeling heeft bekrachtigd. Nu in het voorgaande is geoordeeld dat [gedaagde 1] de overeenkomst heeft bekrachtigd, betekent dit het einde van de persoonlijke verbondenheid van [gedaagde 2] aan de overeenkomst. Hij hoeft de overeenkomst dus niet na te komen.\n\n [gedaagde 2] is niet aansprakelijk op grond van artikel 2:203 lid 3 BW of artikel 6:162 BW\n\n4.15.. De Regiebehandelaars stelt dat [gedaagde 2] op het moment dat hij de arbeidsovereenkomst met [naam] ondertekende, wist dat [gedaagde 1] haar verplichtingen niet zou kunnen nakomen en daarom aansprakelijk is op grond van artikel 2:203 lid 3 BW. Bovendien is sprake van verhaalsfrustratie omdat [gedaagde 2] bewust betaling heeft achtergehouden, zodat hij ook op grond van 6:162 BW aansprakelijk is, aldus De Regiebehandelaars.\n\n4.16.. De kantonrechter stelt voorop dat indien de vennootschap haar verplichtingen niet nakomt, de bestuurder of degene die namens de op te richten vennootschap handelde aansprakelijk kan zijn voor de schade die een derde daardoor lijdt. Voor aansprakelijkheid op grond van artikel 2:203 lid 3 BW is vereist dat degene die handelde namens de vennootschap wist of redelijkerwijs kon weten dat de vennootschap haar verplichtingen niet zou kunnen nakomen. Voor bestuurdersaansprakelijkheid op grond van verhaalsfrustratie is vereist dat de bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt.\n\n4.17.. De Regiebehandelaars heeft voor beide vormen van aansprakelijkheid onvoldoende feiten aangevoerd. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde 1] tijdens het sluiten van de overeenkomst of het aangaan van de arbeidsovereenkomst geen middelen had. De e-mail van [gedaagde 2] genoemd onder 2.14 is daarbij niet relevant, omdat die pas op 17 oktober 2025 is verstuurd. Ook is het enkele feit dat [gedaagde 2] de factuur niet heeft betaald onvoldoende voor verhaalsfrustratie.\n\n4.18.. Nu [gedaagde 2] niet gebonden is aan de overeenkomst en niet persoonlijk aansprakelijk is tegenover De Regiebehandelaars, hoeft hij de factuur niet te betalen. De vorderingen op [gedaagde 2] worden dus afgewezen.\n\nproceskosten\n\n4.19.. \n [gedaagden] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom hoofdelijk de proceskosten van De Regiebehandelaars betalen. De proceskosten van De Regiebehandelaars worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n244,18\n\n- griffierecht\n\n€\n\n1.504,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n864,00\n\n(2 punten × € 432,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.756,18\n\nhoofdelijkheid\n\n4.20.. De proceskostenveroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. veroordeelt [gedaagde 1] om aan De Regiebehandelaars te betalen een bedrag van € 17.622,79,\n\n5.2.. veroordeelt [gedaagde 1] om aan De Regiebehandelaars te betalen een bedrag van € 948,70 aan buitengerechtelijke kosten,\n\n5.3.. veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.756,18, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.4.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.5.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. F.L. Bolkestein, kantonrechter, bijgestaan door mr. J.G.H. Tonnaer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6589","2026-07-13T00:29:27.658Z",{"id":143,"ecli":144,"slug":145,"caseNumber":44,"courtId":146,"decisionDate":147,"fullText":148,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":149,"sourceTimestamp":86,"parsedAt":51,"updatedAt":150},"280","ECLI:NL:RBROT:2026:7475","ecli-nl-rbrot-2026-7475",59,"2026-06-25T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nLocatie Dordrecht\n\nzaaknummer: 11971922 CV EXPL 25-4569\n\ndatum uitspraak: 25 juni 2026\n\nVonnis van de kantonrechter\n\nin de zaak van\n\n [bedrijf 1] B.V,\n\nvestigingsplaats: [plaats 1] ,\n\neiseres,\n\ndie zelf procedeert,\n\ntegen\n\n1. [bedrijf 2] V.O.F en haar vennoten2. [bedrijf 3] B.V.,3. [bedrijf 4] B.V.,4. [bedrijf 5] B.V.,\n\nvestigingsplaatsen: (1-3) [plaats 2] , [gemeente 1] ,\n\n (4) [plaats 3] , [gemeente 2] gedaagden,\n\n die zelf procederen,5. [bedrijf 6] B.V.\n\nvestigingsplaats: [plaats] [gemeente 3] ,\n\n gemachtigde: mr. drs. P.J.M. Veuger,\n\ngedaagden.\n\nDe partijen worden hierna [eiseres] , [gedaagden 1-4] (ook voor de vennoten) en [gedaagden 5] genoemd.\n\n1. De procedure1.1.. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:\n\nde dagvaardingen van 3 en 4 november 2025, met (aanvullende) bijlagen;\n\nde conclusies van antwoord van [gedaagden 1-4] , met bijlagen;\n\nde conclusie van antwoord van [gedaagden 5] , met bijlagen.\n\n1.2.. \n\nOp 27 mei 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig\n\n [persoon A] , [persoon B] en namens [gedaagden 5] [persoon C] en haar gemachtigde. [gedaagden 5] heeft tijdens de zitting nog een bijlage overgelegd, te weten een e-mail bericht van [bedrijf 7] van 24 maart 2026.\n\n2. De beoordeling\n\nWat is de kern?\n\n2.1.. \n [eiseres] heeft van [gedaagden 1-4] een Opel Vivaro, bouwjaar [bouwjaar] (hierna: de auto) voor een bedrag van € 16.940,- gekocht die op [datum] is geleverd. [gedaagden 5] heeft de auto gefinancierd; zij is juridisch eigenaar en zij heeft de auto aan [eiseres] ter beschikking gesteld en een deel van de koopprijs, te weten een bedrag van € 11.900,-, aan [gedaagden 1-4] betaald. [eiseres] heeft de resterende € 5.040,- aan [gedaagden 1-4] betaald. Als [eiseres] alle leasetermijnen aan [gedaagden 5] heeft betaald is de financiering afgelost en wordt zij eigenaar van de auto.\n\n2.2.. \n [eiseres] is niet tevreden over de auto en zij eist in deze procedure ontbinding van de koop-\u002Fleaseovereenkomst, terugbetaling van de koopprijs en leasetermijnen en een schadevergoeding. Gedaagden zijn het niet met deze eisen eens. [gedaagden 5] betwist dat de auto bij levering niet voldeed aan de overeenkomst en dat zij is tekortgekomen. [gedaagden 1-4] stelt dat de auto (opnieuw) volledig is hersteld.\n\n2.3.. \n [eiseres] krijgt van de kantonrechter ongelijk, dat betekent dat al haar eisen worden afgewezen. Deze beslissing wordt hieronder uitgelegd.\n\nWettelijk kader met betrekking tot non-conformiteit\n\n2.4.. Op grond van artikel 7:17 lid 2 BW mag een koper verwachten dat de gekochte zaak de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en over de aanwezigheid van die eigenschappen niet hoeft te twijfelen. In het geval van de koop van een (tweedehands) auto geldt kort gezegd als regel dat de auto niet voldoet aan de overeenkomst als het gebruik van de auto door een gebrek dat niet op eenvoudige wijze kan worden hersteld een gevaar voor de verkeersveiligheid oplevert.\n\nDe auto voldoet niet aan de koopovereenkomst\n\n2.5.. \n [gedaagden 1-4] en [gedaagden 5] erkennen dat de auto vrij snel na het in gebruik nemen door [eiseres] gebreken vertoonde waaronder het naar links trekken onder het rijden en het verschijnen van storingsmeldingen op het dashboard. [gedaagden 1-4] heeft daarom de auto teruggenomen en laten repareren bij [bedrijf 7] . In de daarop volgende maanden is de auto nog een aantal keren teruggenomen voor soortgelijke reparaties aan het motorische gedeelte. De auto voldeed dus niet aan de overeenkomst ten tijde van de levering. De verkopende partij is dan ook, zoals [eiseres] aanvoert, tekort geschoten in de nakoming van haar verplichting een auto te leveren die conform de overeenkomst is.\n\nMogelijkheden koper bij non-conformiteit\n\n2.6.. Artikel 7:21 lid 1 BW bepaalt dat de koper in geval van non-conformiteit kan eisen: a) aflevering van het ontbrekende, b) herstel van de afgeleverde zaak of c) vervanging van de afgeleverde zaak. Een vierde mogelijkheid is ontbinding van de koopovereenkomst, voor niet consumenten zoals [eiseres] is dat geregeld in artikel 6:265 lid 1 BW. Dit artikel bepaalt dat iedere tekortkoming in de nakoming de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst te ontbinden, behalve als de tekortkoming, gelet op haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Bij de beoordeling of de tekortkoming de ontbinding rechtvaardigt, kunnen, naast de bijzondere aard of geringe betekenis van de tekortkoming, alle omstandigheden van het geval van belang zijn.\n\n2.7.. \n\n [eiseres] eist in deze procedure ontbinding van de koopovereenkomst; zij wil van de auto af. [eiseres] is echter steeds akkoord gegaan met herstel van de autoen de auto is ook steeds hersteld. Pas nadat de auto op 18 september 2025 onder het rijden uitvalt laat [eiseres] [gedaagden 1-4] voor het eerst weten dat zij van de overeenkomst af wil of over wil gaan tot een kosteloze omruil (de enige twee voor haar nog aanvaardbare uitkomsten).\n\n [gedaagden 1-4] biedt aan de auto toch nog een keer te repareren nadat deze is bekeken door een derde partij, te weten [bedrijf 8] . [eiseres] gaat hiermee akkoord en de auto wordt conform de bevindingen van [bedrijf 8] door [bedrijf 7] hersteld. [eiseres] haalt de auto op 27 januari 2026 op maar deze valt weer uit op 6 februari 2026. Daarna besluiten partijen blijkbaar tot een nieuwe reparatie na een inspectie van de auto door\n\n [bedrijf 9] . De auto wordt gerepareerd, APK gekeurd en goed bevonden door [bedrijf 7]en staat tot op heden klaar om te worden opgehaald.\n\n [eiseres] heeft dus niet vastgehouden aan haar wens tot ontbinding van de overeenkomst of een kosteloze omruil maar is meegegaan in de reparatievoorstellen waardoor er op dit moment een volledig herstelde auto klaar staat voor haar. Dat maakt dat er op dit moment geen sprake meer is van een tekortkoming in de nakoming van de koopovereenkomst die zo ernstig is dat ontbinding is gerechtvaardigd. De koopovereenkomst wordt dan ook niet ontbonden. Omdat er nu niet ontbonden wordt, blijft de overeenkomst bestaan. [eiseres] kan de bus ophalen.\n\n2.8.. Bij een volgende uitval met betrekking tot dezelfde problemen die van het begin af aan tot reparaties hebben geleid, hoeft [eiseres] geen reparatie meer de accepteren en kan zij de overeenkomst buitengerechtelijk ontbinden door een brief te sturen aan [gedaagden 1-4] dat zij de overeenkomst ontbindt omdat de auto weer dezelfde gebreken vertoont.\n\n2.9.. \n\n [eiseres] heeft nog een beroep gedaan op dwaling. Volgens haar zijn er bij de aankoop gebreken en mogelijke schade aan de auto verzwegen. Zij stelt echter niet dat\n\n [gedaagden 1-4] en [gedaagden 5] wisten van de problemen die zich hebben voorgedaan en dat blijkt ook nergens uit. Daarom slaagt dit beroep op dwaling niet.\n\nSchadevergoeding\n\n2.10.. \n [eiseres] maakt aanspraak op schadevergoeding. Volgens [eiseres] lijdt zij schade doordat zij maanden niet over een bus heeft kunnen beschikken. [eiseres] heeft niet betwist dat zij steeds een leenbus heeft gekregen tijdens de reparaties. Daarom heeft zij niet voldoende uitgelegd dat zij toch schade heeft geleden. Bovendien noemt zij geen bedrag. Er wordt dus geen schadevergoeding toegewezen.\n\nIeder moet de eigen proceskosten dragen\n\n2.11.. Omdat partijen over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld moeten zij hun eigen proceskosten dragen.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n3.1.. wijst af de vorderingen van [eiseres] ;\n\n3.2.. compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\nDit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. J.C. Halk en in het openbaar uitgesproken.\n\n gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14 mei 2019, ECLI:NL:GHARL:2019: 4180\n\n zie haar e-mails van 2 en 9 mei 2025, 16 juli 2025 en 14 september 2025\n\n zie haar e-mail van 19 september 2025\n\n Zie haar e-mail van 24 maart 2026","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7475","2026-07-13T00:28:22.354Z",{"id":152,"ecli":153,"slug":154,"caseNumber":44,"courtId":131,"decisionDate":77,"fullText":155,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":156,"sourceTimestamp":147,"parsedAt":51,"updatedAt":157},"563","ECLI:NL:RBROT:2026:7412","ecli-nl-rbrot-2026-7412","RECHTBANK Rotterdam\n\nTeam handel & haven\n\nZaaknummer: C\u002F10\u002F700708 \u002F HA ZA 25-455\n\nVonnis van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nte [plaats 1] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\nadvocaat: mr. P.E. Epping,\n\ntegen\n\n1.. [gedaagde 1] ,\n\nte [plaats 2] ,\n\nhierna te noemen: [gedaagde 1] ,\n\nadvocaat: mr. S. de Wit, 2.[gedaagde 2], handelend onder de naam[handelsnaam],\n\nte [plaats 2] ,\n\nadvocaat: mr. T. Abbo,\n\nhierna te noemen: [gedaagde 2] ,\n\ngedaagde partijen.\n\n1. De zaak in het kort\n\n [eiser] heeft vorderingen ingesteld tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . [eiser] stelt dat hij recht had op hulp van die partijen en dat hij onvoldoende hulp van hen heeft gekregen. Daardoor heeft hij zijns inziens schade geleden. Hij grondt zijn vorderingen op wanprestatie, onrechtmatige daad en ongerechtvaardigde verrijking. De rechtbank wijst de vorderingen af omdat [eiser] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. Zijn vorderingen zijn niet deugdelijk onderbouwd. Daarom is het voor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] vrijwel onmogelijk om de aan hen gemaakte verwijten te onderzoeken en om daarover in rechte een zinvol debat te voeren. [eiser] wordt in de proceskosten veroordeeld. Hierna worden de genomen beslissingen nader toegelicht.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaardingen van 27 mei 2025, met producties 1 t\u002Fm 8; - de conclusie van antwoord van [gedaagde 2] , met producties 1 t\u002Fm 8;\n\n- de conclusie van antwoord van [gedaagde 1] , met producties 1 en 2; - de brieven van de rechtbank waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;\n\n- het bericht van 23 oktober 2025 van de rechtbank, waarbij partijen nader zijn geïnformeerd over de mondelinge behandeling;\n\n- de aanvullende producties 9 t\u002Fm 21 van [eiser] ;\n\n- de mondelinge behandeling van 21 mei 2026 en de ter gelegenheid daarvan overgelegde spreekaantekeningen van [eiser] .\n\n2.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. \n [eiser] is afkomstig uit Liberia, vanwaar hij is gevlucht voor een oorlog. In 2003 heeft hij zich in Nederland gevestigd. Hij is analfabeet, spreekt geen Nederlands en lijdt aan dyspraxie waardoor spreken überhaupt moeilijk is. In 2021 is hij gediagnosticeerd als autistisch.\n\n3.2.. Via het COA kwam [eiser] in 2006 terecht bij [gedaagde 2] . [eiser] en [gedaagde 2] hebben afspraken gemaakt op basis waarvan [gedaagde 2] – kort gezegd – [eiser] zou helpen bij zijn integratie in de maatschappij, onder andere door begeleiding bij het regelen van huisvesting en financiën.\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. \n [eiser] vordert een verklaring voor recht waaruit blijkt dat gedaagden zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk aansprakelijk zijn voor de geleden schade met verwijzing van de zaak naar een schadestaatprocedure, met veroordeling van gedaagden in de proceskosten.\n\n4.2.. \n [eiser] stelt zich op het standpunt dat hij onvoldoende hulp heeft gekregen van gedaagden. Hij benoemt in dat kader vijf voorbeelden, hieronder geciteerd uit de spreekaantekeningen van [eiser] :\n\n [eiser] moest op het kantoor van Woonbron tekenen voor een woning, die woning had hij nooit gezien. Van hem werd verwacht dat hij direct de huur zou voldoen. [eiser] was echter met lege handen bij de COA weggegaan en had geen inkomen of uitkering. [gedaagde 2] noch [gedaagde 1] hebben hem hierin bijgestaan;\n\n [eiser] kwam terecht in een woning zonder gas, water en licht. Onbekend met het systeem van Nederland en de taal heeft hij maandenlang zonder deze voorzieningen geleefd;\n\n [eiser] heeft van meet af aan te kennen gegeven dat hij een zoon heeft die hij naar Nederland wilde halen, hierin werd hem geen ondersteuning geboden terwijl [eiser] met eigen ogen heeft waargenomen dat derden deze hulp wel geboden kregen. Deze derden spraken de taal beter dan [eiser] ;\n\nDrie jaar lang heeft [eiser] van 50 euro per maand moeten leven vanwege een aanmelding bij de Kredietbank voor vele schulden, maar na die drie jaar waren de schulden niet opgelost, sterker nog, die waren alleen maar opgelopen;\n\nEr werd met de identiteit van [eiser] gefraudeerd. [eiser] moest zijn papieren\u002Fdocumenten inleveren bij [gedaagde 2] . Later zou hij van [gedaagde 1] een brief krijgen dat hij in Apeldoorn zou werken (terwijl hij in Rotterdam en\u002Fof Eindhoven woonde) en daarom geen uitkering kreeg. Het bedrijf in Apeldoorn kende hem echter niet. Het simpele antwoord van [gedaagde 2] en [gedaagde 1] was: “je bent een fraudeur, we kunnen je niet helpen.”\n\n4.3.. Aan zijn vorderingen legt [eiser] primair ten grondslag dat gedaagden toerekenbaar zijn tekortgeschoten in de nakoming van overeengekomen plannen. [eiser] stelt daardoor (vooral emotionele) schade te hebben geleden. Subsidiair grondt [eiser] zijn vordering op onrechtmatige daad. Daartoe stelt hij dat gedaagden in strijd met “de overeenkomst” hebben gehandeld en in strijd met ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer. Meer subsidiair voert [eiser] aan dat gedaagden, in het bijzonder [gedaagde 2] , ongerechtvaardigd is\u002Fzijn verrijkt ten koste van hem omdat [gedaagde 2] voor de hulpverlening budget heeft gekregen maar aan [eiser] geen hulp is verleend.\n\n4.4.. Gedaagden voeren verweer. Zij betwisten de stellingen van [eiser] , voeren aan dat [eiser] onvoldoende heeft gesteld en beroepen zich op verjaring. Gedaagden concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] in zijn vorderingen, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de proceskosten. [gedaagde 1] verzoekt de proceskosten te vermeerderen met wettelijke rente als die kosten niet binnen 14 dagen na het vonnis zijn betaald.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. De rechtbank wijst de vorderingen van [eiser] af. Voor de primaire en subsidiaire grondslag geldt dat [eiser] zijn stellingen onvoldoende concreet heeft onderbouwd. Voor de meer subsidiaire grondslag geldt dat de juridische redenering ondeugdelijk is. Dat wordt hierna toegelicht.\n\nPrimaire en subsidiaire grondslag: [eiser] voldoet niet aan zijn stelplicht\n\n5.2.. \n [eiser] stelt dat gedaagden toerekenbaar zijn tekortgeschoten dan wel onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld. Op hem rust de stelplicht. Dat houdt in dat hij alle feitelijke elementen moet stellen die benodigd zijn voor het intreden van de door hem beoogde rechtsgevolgen. Die stellingen moet hij in voldoende mate concretiseren. Anders gezegd: het is aan [eiser] om concreet te onderbouwen wat gedaagden verkeerd zouden hebben gedaan. Dat geldt temeer nu het gaat om vermeende tekortkomingen dan wel onrechtmatige daden uit een inmiddels vrij ver verleden. Dat brengt immers mee dat het voor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] uitermate lastig is om de relevante feiten te achterhalen.\n\n5.3.. \n [eiser] heeft niet aan zijn stelplicht voldaan. De voorbeelden die hij heeft genoemd zijn niet concreet genoeg. Zo blijkt nergens uit op wie van gedaagden welke specifieke contractuele verplichting rustte en waarom die gedaagde ten aanzien van die verplichting is tekortgekomen. [eiser] lijkt ervan uit te gaan dat ieder probleem waarop hij bij zijn inburgering is gestuit opgelost had moeten worden door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en dat waar dergelijke problemen niet of niet snel genoeg zijn opgelost dat per definitie een toerekenbare tekortkoming van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] oplevert. Hij heeft echter niet inzichtelijk gemaakt welke concrete contractuele verplichtingen van welke van gedaagden een dergelijk vergaande verantwoordelijkheid meebrengen. Hij heeft ook anderszins niet aangetoond welke afspra(a)k(en) gedaagden toerekenbaar zouden hebben geschonden. Ook blijft onduidelijk waar de vermeende onrechtmatige da(a)d(en) uit zou(den) hebben bestaan. Het had op de weg van [eiser] gelegen om duidelijk te maken wat hij gedaagden precies verwijt. [eiser] stelt dat er naast de door hem genoemde (maar niet voldoende uitgewerkte) voorbeelden nog “talloze voorbeelden” te noemen zijn, maar hij benoemt die voorbeelden vervolgens niet. Door zijn stellingen onvoldoende te concretiseren maakt [eiser] het vrijwel onmogelijk voor gedaagden om zich adequaat te verdedigen. Gedaagden hebben dus terecht aangevoerd dat [eiser] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan.\n\nMeer subsidiaire grondslag: de juridische redenering is ondeugdelijk\n\n5.4.. De vordering kan ook niet worden gegrond op ongerechtvaardigde verrijking zoals beschreven in artikel 6:212 BW. Daarvoor is immers onder meer vereist dat sprake is van verarming van [eiser] . Als [gedaagde 2] ten onrechte budget van [gedaagde 1] niet zou hebben gebruikt voor hulpverlening aan [eiser] (zoals [eiser] stelt), dan is er geen sprake van verarming van [eiser] in juridisch relevante zin. [eiser] heeft immers niet betaald voor de hulpverlening. Voor de stelling dat [gedaagde 1] ongerechtvaardigd is verrijkt heeft [eiser] in het geheel niets aangevoerd.\n\nTen slotte\n\n5.5.. In aanvulling op het voorgaande overweegt de rechtbank nog als volgt. Het komt de rechtbank voor dat de verwachtingen van [eiser] over de mogelijkheden van gedaagden om zijn problemen voor hem op te lossen, te optimistisch zijn geweest. [eiser] kwam in aanmerking voor zorg. Die is in uren geïndiceerd in WMO-beschikkingen. In sommige perioden was dat 0,5 uur en in sommige perioden 2 uur per week, zo heeft [gedaagde 2] tijdens de mondelinge behandeling onweersproken aangevoerd. De zorg die kon worden geboden was niet van zodanige omvang dat van een hulpverlenende instantie als [gedaagde 2] kon worden verwacht dat zij onder meer alle mogelijke praktische problemen zou oplossen. Dat is ook niet de taak van die instantie, noch van [gedaagde 1] .\n\n5.6.. \n [eiser] heeft aangevoerd dat zijn problemen zijn opgelost sinds hij zijn vrouw heeft leren kennen. Zijn vrouw is in feite zijn mantelzorger en biedt hem een mate van zorg en begeleiding die [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet (hebben) kunnen bieden, in ieder geval niet op basis van de gestelde WMO-indicaties. [eiser] had kennelijk behoefte aan een mate van zorg die niet door [gedaagde 1] en\u002Fof [gedaagde 2] wordt verleend. Dat het leven van [eiser] na zijn vestiging in Nederland niet is gelopen zoals hij had gewild, betekent niet dat hij schade heeft geleden waarvoor gedaagden uit wanprestatie of onrechtmatige daad aansprakelijk zijn.\n\n5.7.. Opmerking verdient dat [gedaagde 2] gemotiveerd heeft gesteld dat zij in de loop der jaren wel degelijk hulp heeft verleend aan [eiser] en dat [eiser] daar ook baat bij heeft gehad. [gedaagde 2] heeft in dat kader concrete voorbeelden genoemd die door [eiser] niet zijn weersproken. Nu [eiser] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan, zal de rechtbank echter niet inhoudelijk ingaan op wat partijen verder over en weer hebben aangevoerd.\n\nProceskosten\n\n5.8.. \n [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , ieder afzonderlijk, worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n714,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.306,00\n\n(2 punten × € 653,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.209,00\n\n5.9.. De door [gedaagde 1] gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n6.1.. wijst de vorderingen van [eiser] af,\n\n6.2.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.209,00, te betalen aan zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] , binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n6.3.. veroordeelt [eiser] tot betaling aan [gedaagde 1] van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n6.4.. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026. 3533 \u002F 1729","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7412","2026-07-13T00:28:36.905Z",{"id":159,"ecli":160,"slug":161,"caseNumber":44,"courtId":57,"decisionDate":77,"fullText":162,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":163,"sourceTimestamp":46,"parsedAt":51,"updatedAt":164},"494","ECLI:NL:RBAMS:2026:6634","ecli-nl-rbams-2026-6634","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F773119 \u002F HA ZA 25-1326\n\nVonnis van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nHOUTKOPER VASTGOED B.V.,\n\ngevestigd in Lienden,\n\neisende partij in conventie,\n\nverwerende partij in (voorwaardelijke) reconventie,\n\nhierna te noemen: Houtkoper,\n\nadvocaat: mr. O.B. Schoemaker,\n\ntegen\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\n1. [gedaagde 1] B.V.,\n\ngevestigd in [vestigingsplaats] ,\n\nhierna te noemen: [gedaagde 1] , 2. [gedaagde 2],\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\nhierna te noemen: [gedaagde 2] ,\n\ngedaagde partijen in conventie,\n\neisende partijen in (voorwaardelijke) reconventie,\n\nadvocaat: mr. G.A. van Gorcom.\n\n1. De kern van de zaak\n\n1.1.. Houtkoper heeft [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ingeschakeld voor het aanbrengen van gietvloeren en wandafwerkingen in meerdere vakantiewoningen. Houtkoper vindt het eindresultaat niet goed. Dat komt volgens expert TBA wat betreft de wandafwerking grotendeels doordat de ondergrond slecht was. Houtkoper verwijt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat zij niet vooraf hebben gewaarschuwd voor de gevolgen van die ondergrond. Houtkoper wil dat de rechtbank de overeenkomst met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ontbindt en bepaalt dat zij de door Houtkoper betaalde facturen van ongeveer € 46.000,- en schadevergoeding van ongeveer € 99.000,- moeten (terug)betalen.\n\n1.2.. \n [gedaagde 1] en [gedaagde 2] vinden dat de overeenkomst gesloten is met [gedaagde 1] en niet ook met (de eenmanszaak van) [gedaagde 2] . [gedaagde 1] vindt dat zij voldoende gewaarschuwd heeft voor de gevolgen van de ondergrond. Die gevolgen komen daarom voor rekening van Houtkoper. Daarnaast gaat het slechts om een aantal esthetische punten die eenvoudig konden worden opgelost, maar Houtkoper heeft [gedaagde 1] daarvoor geen gelegenheid geboden. Met de gietvloeren is volgens [gedaagde 1] niets mis. De vordering van Houtkoper moet dus worden afgewezen. Als de vordering (deels) wordt toegewezen beroept [gedaagde 1] zich op haar algemene voorwaarden en verrekening met de openstaande factuur. Als niet wordt verrekend vordert [gedaagde 1] ongeveer € 18.000,- aan nog openstaande aanneemsom min de volgens [gedaagde 1] maximale herstelkosten en de kosten die Houtkoper voor expert TBA heeft gemaakt.\n\n1.3.. De rechtbank oordeelt dat Houtkoper een overeenkomst heeft gesloten met [gedaagde 1] en niet ook met [gedaagde 2] . [gedaagde 1] heeft onvoldoende duidelijk gewaarschuwd voor de gevolgen van de slechte ondergrond, terwijl zij dat wel had moeten doen. De rechtbank ontbindt daarom de overeenkomst voor wat betreft de wandafwerking. Als gevolg hiervan moet [gedaagde 1] het deel dat Houtkoper daarvoor heeft betaald aan Houtkoper terugbetalen. Daarnaast moet [gedaagde 1] een deel van de gevorderde vertragingsschade, kosten voor TBA en buitengerechtelijke incassokosten vergoeden. De rechtbank oordeelt dat de algemene voorwaarden van [gedaagde 1] niet van toepassing zijn op de overeenkomst. De overige vorderingen van partijen worden afgewezen.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nde dagvaarding van 17 juli 2025, met producties,\n\nde conclusie van antwoord tevens eis in reconventie,\n\nde conclusie van antwoord in (voorwaardelijke) reconventie, met producties,\n\nhet tussenvonnis van 21 januari 2026, waarin een mondelinge behandeling is bepaald,\n\nhet verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 24 april 2026 en de daarin genoemde stukken.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. Houtkoper ontwikkelt een recreatiepark genaamd [naam villapark] .\n\n3.2.. \n [gedaagde 1] is onder andere actief in de (giet)vloerenbranche. De enig aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde 1] is [bedrijf 1] B.V. Daarvan is [gedaagde 2] op zijn beurt enig aandeelhouder en bestuurder.\n\n3.3.. \n [gedaagde 2] is daarnaast eigenaar van de eenmanszaak [bedrijf 2] . [bedrijf 2] houdt zich bezig met de verkoop en applicatie van naadloze, waterdichte en elastische biopolymeer wandafwerking systemen.\n\n3.4.. Houtkoper is akkoord gegaan met de offerte van 21 maart 2024 voor het aanbrengen van [bedrijf 2] wandafwerking en [gedaagde 1] gietvloeren in twaalf vakantiewoningen op het recreatiepark. Houtkoper had voor het project vooral contact met [gedaagde 2] en [naam] .\n\n3.5.. \n\nOp 30 april 2024 heeft een vooropname plaatsgevonden op het recreatiepark. [gedaagde 2] heeft hiervan op 1 mei 2024 een kort verslag per e-mail aan Houtkoper gestuurd. Daarin staat:\n\n“(…) Alle wanden moeten nog even door de stukadoor nagelopen worden. Dit houdt in dat het e.e.a. nog geschuurd moet worden en aansluitingen plafond en op de vloer strak, glad en gesloten. Verder volgen wij dan de gladheid \u002Fonvlakheid van de ondergrond. (…) De nog te stucen delen (tegels en\u002Fof gipsplaat) mag direct met Ardex Ri, (cement stuk is niet nodig) gedaan worden, graag glad en strak. (…)”3.6.. In mei 2024 zijn de werkzaamheden gestart.\n\n3.7.. Houtkoper heeft de facturen van 13 mei 2024 en 27 mei 2024 van in totaal € 46.164,- betaald. De laatste factuur van 19 juni 2024 van € 23.909,05 heeft Houtkoper niet betaald.\n\n3.8.. Houtkoper heeft zich herhaaldelijk tot [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gericht over de (kwaliteit) van de uitgevoerde werkzaamheden. Daarna zijn meermaals herstelwerkzaamheden uitgevoerd.\n\n3.9.. \n\nIn opdracht van Houtkoper heeft Technisch Bureau Afbouw (TBA) op 30 juli 2024 onderzoek gedaan naar de uitgevoerde werkzaamheden en daarvan een rapport opgesteld. In het rapport van 5 augustus 2024 staat als conclusie:\n\n“De door [gedaagde 1] geleverde- en aangebrachte pu-gietvloer voldoet aan de overeenkomst en van afkeur is op basis hiervan, en naar alle redelijkheid en billijkheid, geen sprake. Voor wat betreft de door [gedaagde 1] geleverde- en aangebrachte [bedrijf 2] wandafwerking dient gesteld te worden dat deze technisch gezien, voor zover als zicht- en\u002Fof meetbaar, voldoende van kwaliteit is aangebracht. Esthetisch gezien (…) bevat deze wandafwerking een aantal gebreken. Deze gebreken komen voort vanuit de gestucte ondergrond waarop het [bedrijf 2] wandsysteem is aangebracht. (…)”\n\n4. De vorderingen over en weer\n\nde vorderingen van Houtkoper (in conventie)\n\n4.1.. \n\nHoutkoper vordert na wijziging van eis dat de rechtbank:\n\nI. de overeenkomst tussen partijen ontbindt, in die zin dat Houtkoper de openstaande factuur van € 23.909,05 en de al betaalde facturen niet (meer) verschuldigd is en de door Houtkoper betaalde facturen van in totaal € 46.174,- worden terugbetaald door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , vermeerderd met de wettelijke rente,\n\nII. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 54.024,77 als schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente,\n\nIII. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 1.560,- aan schadevergoeding voor het schoonmaken van kozijnen, vermeerderd met btw en de wettelijke rente,\n\nIV. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 43.447,- aan vertragingsschade, vermeerderd met de wettelijke rente,\n\nV. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 1.776,98 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente,\n\nVI. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van de proces- en nakosten.\n\nHoutkoper verzoekt de rechtbank het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\nde tegenvordering van [gedaagde 1] (in voorwaardelijke reconventie)\n\n4.2.. \n [gedaagde 1]\n vordert dat de rechtbank Houtkoper veroordeelt tot betaling van € 17.989,70 voor zover deze vordering niet door verrekening in conventie teniet is gegaan, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 19 juli 2024 en de proces- en nakosten. Dit bedrag is gebaseerd op de openstaande factuur van € 23.909,05, min de kosten voor TBA en de maximale herstelkosten. Ook [gedaagde 1] verzoekt de rechtbank het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n5. De beoordeling\n\nin conventie en in reconventie\n\n5.1.. Gelet op de samenhang tussen de vorderingen van beide partijen behandelt de rechtbank ze gezamenlijk.\n\n [bedrijf 2] \u002F [gedaagde 2] is geen contractspartij\n\n5.2.. Partijen zijn het erover eens dat Houtkoper en [gedaagde 1] een overeenkomst hebben gesloten voor het aanbrengen van gietvloeren en wandafwerkingen in de vakantiewoningen. Houtkoper vindt dat zij de overeenkomst ook is aangegaan met [bedrijf 2] (en daarmee [gedaagde 2] als eigenaar van deze eenmanszaak). Houtkoper wijst in dat kader op het logo van [bedrijf 2] op de offerte en de facturen, en dat ook vanuit [bedrijf 2] is gemaild. De overeenkomst is tot stand gekomen omdat Houtkoper [bedrijf 2] , niet [gedaagde 1] , op een beurs zag staan. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] vinden dat steeds vanuit [gedaagde 1] is gehandeld. [bedrijf 2] wordt alleen als naam gebruikt van het product voor de wandafwerking.\n\n5.3.. De rechtbank oordeelt dat [bedrijf 2] (en dus [gedaagde 2] ) geen partij is bij de overeenkomst. Daarvoor heeft de rechtbank gekeken naar wat partijen tegen elkaar hebben gezegd en hoe zij zich hebben gedragen, en wat zij daaruit over en weer mochten afleiden. Ook omstandigheden van na het sluiten van de overeenkomst zijn daarbij betrokken.\n\n5.4.. Partijen hebben elkaar ontmoet op een beurs, waar op een stand het [bedrijf 2] product werd gepresenteerd, waarbij [gedaagde 2] en [naam] aanwezig waren. Volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] werden daarop ook gietvloeren van [gedaagde 1] gepresenteerd. In maart 2024 heeft Houtkoper contact met [naam] die vanaf een emailadres van [bedrijf 2] mailt ( [e-mailadres] ). [naam] stuurt een mailwisseling van hem en [gedaagde 2] mee. [gedaagde 2] mailt ook vanaf een emailadres van [bedrijf 2] . De mail van [gedaagde 2] wordt afgesloten met de bedrijfsgegevens van [gedaagde 1] . De mail van [naam] wordt afgesloten met de bedrijfsgegevens van [bedrijf 2] . Vervolgens heeft Houtkoper een offerte gekregen die zij telefonisch heeft geaccepteerd. Met welke contractspartij de overeenkomst werd gesloten is toen niet expliciet besproken. Houtkoper heeft op de zitting gezegd dat zij zich toen niet heeft bezig gehouden met de vraag of sprake was van meer dan één contractspartij. Op de offerte van 21 maart 2024 staat zowel het logo van [gedaagde 1] als dat van [bedrijf 2] en het adres waar volgens de KvK-inschrijvingen beide bedrijven gevestigd zijn. De offerte wordt niet afgesloten met de naam van een contractspartij of een bestuurder en is niet ondertekend. In de offerte wordt zowel [bedrijf 2] (voor de wandafwerking) als [gedaagde 1] (voor de gietvloeren) als productnaam gebruikt: “ [bedrijf 2] wandsystemen en [gedaagde 1] gietvloeren hebben een bijzonder lange levensduur, ze gaan gemakkelijk meer dan 10 jaar mee.”In de offerte staat ook: “Wat uw wensen ook zijn, [gedaagde 1] maakt ze waar (…) [gedaagde 1] ontwerpt, ontwikkelt en realiseert unieke gietvloeren en wandsystemen.”. Op nadien gestuurde facturen staan de logo’s en het adres van beide bedrijven, het KvK-nummer van [gedaagde 1] en worden beide namen als productnaam gebruikt.\n\n5.5.. De rechtbank concludeert hieruit dat [gedaagde 1] de uitvoerder is van de overeengekomen werkzaamheden en de overeenkomst met haar is gesloten. Houtkoper heeft uit de verklaringen en gedragingen van [gedaagde 1] , [naam] en [gedaagde 2] niet kunnen en mogen afleiden dat de overeenkomst met twee partijen en dus ook met [bedrijf 2] is gesloten. De offerte en de e-mails bieden daarvoor onvoldoende aanknopingspunten. Voor zover er vooraf onduidelijkheid was of er met [bedrijf 2] of [gedaagde 1] gecontracteerd werd, is die onduidelijkheid weggenomen met de bewoordingen in de offerte dat [gedaagde 1] de gietvloeren en de wandsystemen realiseert. De vorderingen tegen [gedaagde 2] worden daarom afgewezen. De rechtbank beoordeelt de vorderingen van Houtkoper hierna alleen voor zover gericht tegen [gedaagde 1] .\n\nDe overeenkomst wordt gedeeltelijk ontbonden\n\n5.6.. Houtkoper vordert onder andere ontbinding van de overeenkomst en schadevergoeding. Voor beide vorderingen is in elk geval nodig dat [gedaagde 1] haar verplichtingen uit de overeenkomst niet is nagekomen en dat [gedaagde 1] in verzuim is, tenzij nakoming blijvend onmogelijk is.\n\n [gedaagde 1] is wat betreft de wandafwerking tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst\n\n5.7.. Houtkoper stelt dat [gedaagde 1] op diverse punten tekort is geschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst. Het grootse punt is de wandafwerking: TBA heeft geconcludeerd dat de wandafwerking niet goed was, (deels) door de slecht gestucte ondergrond. [gedaagde 1] heeft niet gewaarschuwd voor de ondeugdelijkheid van deze ondergrond terwijl ze dat wel had moeten doen. Ook de gietvloeren zijn niet deugdelijk aangelegd. Daarnaast lijkt het erop dat voor de gietvloeren en de wandafwerking verkeerde producten zijn gebruikt. Zij verwijst daarbij naar overgelegde foto’s en technische datasheets. Bij de herstelwerkzaamheden van [gedaagde 1] zijn er klodders van het wandmateriaal op de plafonds, kozijnen, wanden, deuren en trappen terecht gekomen. Bovendien had [gedaagde 1] het werk op 23 of 24 juni 2024 moeten opleveren en heeft ze dat niet gedaan.\n\n5.8.. \n [gedaagde 1] vindt dat zij de werkzaamheden goed volgens afspraak heeft uitgevoerd. Voor zover sprake is van uiterlijke (‘esthetische’) gebreken aan de wandafwerking komt dat door de ondergrond die Houtkoper zelf door de stukadoor heeft laten aanbrengen. Dit komt dus voor haar rekening. Bovendien heeft [gedaagde 1] voldaan aan haar waarschuwingsplicht doordat zij Houtkoper erop heeft gewezen dat het werk van de stukadoor onvoldoende vlak was en de glad- en vlakheid van de ondergrond gevolgd zou worden. Volgens [gedaagde 1] was Houtkoper hier als professionele vastgoedpartij mee bekend en heeft zij te laat een stukadoor laten langs komen. Daar komt bij dat [gedaagde 1] met een extra laag [bedrijf 2] het eindresultaat, ondanks de ondergrond, alsnog netjes zou hebben kunnen maken. Met de gietvloeren is niets mis, zo heeft ook TBA geconcludeerd. [gedaagde 1] is alleen bekend met klachten over vervuiling op de kozijnen, de overige plekken weet zij niets van. Over de kozijnen heeft Houtkoper te laat geklaagd, bovendien is dat eenvoudig te herstellen. Partijen zijn geen fatale termijn overeengekomen voor het opleveren van het werk, dus ook op dat punt is geen sprake van een tekortkoming.\n\n5.9.. De rechtbank oordeelt dat [gedaagde 1] tekort is geschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst voor zover het gaat om de wandafwerking, omdat [gedaagde 1] niet aan haar waarschuwingsplicht heeft voldaan. De gevolgen van de ondeugdelijke ondergrond voor de wandafwerking komen daarom voor rekening van [gedaagde 1] . Houtkoper heeft de andere gestelde tekortkomingen onvoldoende onderbouwd.\n\nWandafwerking: Schending waarschuwingsplicht\n\n5.10.. Uit artikel 7:760 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat als het werk niet goed is vanwege ongeschiktheid van de ondergrond van de opdrachtgever dat in beginsel voor rekening van de opdrachtgever komt. Dit is anders als de aannemer niet heeft voldaan aan zijn waarschuwingsplicht als bedoeld in artikel 7:754 BW. Dat artikel schrijft voor dat een aannemer verplicht is de opdrachtgever te waarschuwen voor onjuistheden in de opdracht. Ook als een opdrachtgever voldoende deskundig is om de gevolgen van bepaalde werkzaamheden in een opdracht te kunnen overzien, brengt dat nog niet mee dat de aannemer is ontslagen van zijn waarschuwingsplicht.Het is aan de aannemer om te stellen en (zo nodig) te bewijzen dat hij heeft gewaarschuwd.Een waarschuwing moet voldoende concreet en duidelijk zijn, zodat de opdrachtgever de risico’s kan inschatten en kan bepalen of hij bereid is die risico’s te lopen.\n\n5.11.. De rechtbank oordeelt dat [gedaagde 1] in dit geval een waarschuwingsplicht had. Uit het rapport van TBA blijkt dat de uiterlijke gebreken in de wandafwerking het gevolg zijn van de slechte ondergrond. [gedaagde 1] heeft dit ook erkend. [gedaagde 1] had Houtkoper daar van tevoren voor moeten waarschuwen. De rechtbank vindt dat [gedaagde 1] dat onvoldoende heeft gedaan. [gedaagde 1] zegt dat zij Houtkoper mondeling tijdens de vooropname erop heeft gewezen dat de wanden niet in orde waren en beter gestuct moesten worden. Houtkoper zegt zich dit niet te kunnen herinneren, dat dit mogelijk aan de orde is geweest, maar zij in dat geval daar toen de urgentie niet van heeft ingezien. In de e-mail van 1 mei 2024 schrijft [gedaagde 1] aan Houtkoper: “Alle wanden moeten nog even door de stukadoor nagelopen worden. Dit houdt in dat het e.e.a. nog geschuurd moet worden en aansluitingen plafond en op de vloer strak, glad en gesloten. Verder volgen wij dan de gladheid\u002F onvlakheid van de ondergrond. (…) “De nog te stucen delen (…) graag glad en strak. (…)”.\n\n5.12.. Ook als de rechtbank er vanuit gaat dat een soortgelijke mededeling als in de e-mail ook al bij de vooropname is gedaan, heeft [gedaagde 1] daarmee niet aan haar waarschuwingsplicht voldaan, omdat die waarschuwingen onvoldoende concreet en duidelijk zijn. [gedaagde 1] had Houtkoper expliciet op de mogelijke gevolgen van een onvoldoende vlakke ondergrond moeten wijzen en zich ervan moeten vergewissen dat die gevolgen voor Houtkoper duidelijk waren. [gedaagde 1] heeft onvoldoende onderbouwd dat zij dat heeft gedaan. In tegendeel; [gedaagde 1] heeft op de zitting verklaard dat toen zij mondeling aan Houtkoper meldde dat de wanden niet in orde waren en beter gestukt moesten worden. Houtkoper zei toen dat ze dan wel iets anders met de wanden zou doen. De zin in de e-mail is volgens [gedaagde 1] zo geformuleerd om Houtkoper wat te temperen. De rechtbank leidt daaruit af dat er voor [gedaagde 1] juist aanknopingspunten waren te denken dat Houtkoper van het werk zou afzien als [gedaagde 1] de waarschuwing te scherp formuleerde. Voor zover er een mondelinge mededeling is gedaan en die scherper geformuleerd was dan de e-mail, is die dus ingehaald en afgezwakt door het bericht in de e-mail. Ook uit de reactie van Houtkoper en het feit dat zij naar aanleiding van de e-mail de stukadoor de opdracht heeft gegeven om een en ander bij te werken, kan niet worden afgeleid dat [gedaagde 1] aan haar waarschuwingsplicht heeft voldaan. Houtkoper heeft namelijk ook gezegd dat zij ervan uitging dat alles netjes was bijgewerkt. Van [gedaagde 1] mocht worden verwacht dat zij op het moment dat zij de wandwerkzaamheden daadwerkelijk gingen uitvoeren en zag dat de ondergrond nog steeds onvoldoende vlak was, bij Houtkoper zou navragen of het haar bedoeling was dat het werk op deze ondergrond zou worden voortgezet, ondanks de gevolgen voor het eindresultaat. Dat heeft [gedaagde 1] niet gedaan, waarmee zij Houtkoper de kans heeft ontnomen om voor een andere oplossing te kiezen. Dat Houtkoper deskundig zou zijn op het gebied van wandafwerking (wat zij heeft betwist) neemt zoals gezegd de waarschuwingsplicht van [gedaagde 1] niet weg.\n\n5.13.. Omdat uit het rapport van TBA blijkt dat de wandafwerking esthetische gebreken heeft door de ondeugdelijke ondergrond en [gedaagde 1] ten aanzien van die ondergrond niet aan haar waarschuwingsplicht heeft voldaan, levert dit een tekortkoming in de nakoming op.\n\n5.14.. \n [gedaagde 1] heeft op de zitting verklaard dat zij ongeacht de ondergrond alsnog tot een goed en deugdelijk werk had kunnen komen, omdat zij een tweede laag [bedrijf 2] kan aanbrengen en hiermee de slechte ondergrond kan worden hersteld. Wat daar ook van zij, die stelling doet niet af aan de conclusie van TBA, die ook door [gedaagde 1] wordt onderschreven, dat de wandafwerking uitgevoerd door [gedaagde 1] esthetisch gezien zeer matig tot onvoldoende was als gevolg van de slechte ondergrond, en de voorgaande vaststelling dat [gedaagde 1] daarvoor had moeten waarschuwen, maar dat niet (voldoende) heeft gedaan.\n\nAndere tekortkomingen: onvoldoende onderbouwd\n\n5.15.. De overige door Houtkoper gestelde tekortkomingen heeft [gedaagde 1] betwist en Houtkoper onvoldoende onderbouwd. Die tekortkomingen kunnen daarom niet worden vastgesteld. De rechtbank legt dit per gestelde tekortkoming uit.\n\n5.16.. Houtkoper stelt dat de gerealiseerde gietvloeren gebrekkig zijn, omdat er bijvoorbeeld (dode) vliegen op de vloeren aanwezig waren en de verhoging van de douchevloeren doorschenen. Dit heeft zij onvoldoende onderbouwd, omdat het door [gedaagde 1] wordt betwist en niet wordt ondersteund door het rapport van TBA. Daarin staat namelijk dat de gietvloer aan de overeenkomst voldoet, meer specifiek dat tijdens de inspectie geen insecten in de gietvloer zijn vastgesteld en ook het doorschijnen van de gietvloer niet is geconstateerd. Ook de foto’s die Houtkoper heeft overgelegd, vormen onvoldoende onderbouwing voor gebreken aan het werk. [gedaagde 1] heeft aangevoerd dat na het nemen van die foto’s nog herstelwerkzaamheden zijn verricht en deze punten toen zijn verholpen, zodat het daarom niet in het rapport van TBA is genoemd. Houtkoper heeft dit onvoldoende weersproken.\n\n5.17.. Houtkoper stelt dat het er alle schijn van heeft dat niet de producten zijn gebruikt die in de offerte staan en waar een wandproduct gebruikt had moeten worden een vloerproduct is gebruikt (en mogelijk andersom). Zij heeft daarbij gewezen op foto’s waarop geopende emmers te zien zouden zijn. Die foto’s zijn gemaakt toen er aan de wanden werd gewerkt, maar nog niet aan de vloeren. Uit de productnaam en de datasheets blijkt dat in de geopende emmers een vloerproduct zit, maar een ander product dan in de offerte staat, zo zegt steeds Houtkoper.\n\n5.18.. De rechtbank oordeelt dat Houtkoper hiermee onvoldoende heeft onderbouwd dat op dit punt sprake is van een tekortkoming in de nakoming. Uit de foto’s kan de rechtbank niet afleiden dat het om geopende emmers gaat en dat het materiaal daarin ten onrechte gebruikt zou zijn op de wanden. Wat daar verder ook van zij; TBA heeft geen gebreken aan de vloeren geconstateerd en geen andere gebreken aan de wanden dan hiervoor is besproken. Zelfs als wel zou kunnen worden vastgesteld dat ander materiaal is gebruikt, heeft Houtkoper daarom onvoldoende toegelicht waarom dat een tekortkoming in de nakoming oplevert.\n\n5.19.. Over de uitgevoerde (herstel)werkzaamheden heeft Houtkoper gesteld dat als gevolg daarvan diverse plekken in de vakantiewoningen beschadigd zijn geraakt door vervuiling. [gedaagde 1] heeft dit weersproken. Houtkoper verwijst in dit kader naar een aantal foto’s, maar de rechtbank kan daaruit niet opmaken dat de plafonds, kozijnen, wanden, deuren en trappen vervuild zijn geraakt, op welk moment en door wie. Daar komt bij dat enige sporen van het werk te verwachten zijn en een opdrachtgever daar rekening mee moet houden, binnen de grenzen van wat gebruikelijk en aanvaardbaar is. Voor zover er dus sporen van het werk aanwezig zijn, levert dit niet direct een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst op.\n\n5.20.. Tenslotte heeft Houtkoper ook de gestelde te late oplevering onvoldoende onderbouwd. [gedaagde 1] betwist dat partijen een fatale termijn hebben afgesproken. Houtkoper wijst op de offerte waarin staat dat de werkzaamheden voor de wanden en vloeren in totaal vier weken zouden duren. De rechtbank oordeelt dat hieruit niet kan worden afgeleid dat partijen een fatale termijn zijn overeengekomen. In de offerte is slechts een indicatie gegeven van hoe lang de werkzaamheden ongeveer zouden duren en in welke weken: “Uitvoeringsdatum: voornemens week 22-23 wanden, week 24-25 vloeren (in overleg) (…)”. Dat partijen hebben afgesproken dat het werk op een bepaalde datum uiterlijk af moest zijn (‘fatale termijn’) blijkt dus niet uit de offerte. Houtkoper heeft geen andere omstandigheden naar voren gebracht waaruit blijkt dat partijen bedoeld hebben een fatale termijn overeen te komen. Daarom is er dus ook geen sprake van een tekortkoming op dit punt.\n\nDe tekortkoming rechtvaardigt de gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst\n\n5.21.. Houtkoper wil dat de overeenkomst in zijn geheel ontbonden wordt, gezien de tekortkomingen die zij heeft gesteld. In het verlengde daarvan vordert zij terugbetaling van de betaalde aanneemsom van € 46.174,-. Als de rechtbank alleen voor de wandafwerking een tekortkoming vaststelt, vordert Houtkoper dat alleen dat deel van de overeenkomst wordt ontbonden en terugbetaling van bedrag dat zij daarvoor al heeft betaald.\n\n5.22.. \n [gedaagde 1] vindt dat de gebreken te klein zijn om de (hele) overeenkomst te ontbinden, omdat het om esthetische gebreken gaat die makkelijk kunnen worden verholpen.\n\n5.23.. De rechter kan op verzoek van een partij de ontbinding van een overeenkomst uitspreken als sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de wederpartij, tenzij die tekortkoming daarvoor te beperkt is.De rechtbank oordeelt dat [gedaagde 1] onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is van een zodanig beperkte tekortkoming. [gedaagde 1] heeft verzuimd (voldoende) te waarschuwen voor de gevolgen van de slechte ondergrond. Daarmee heeft zij Houtkoper de mogelijkheid ontnomen andere keuzes te maken. De stelling van [gedaagde 1] dat de gebreken eenvoudig verholpen kunnen worden, doet zoals gezegd niet af aan het niet nakomen van de waarschuwingsplicht en maakt die tekortkoming dus niet beperkt.\n\nNakoming is blijvend onmogelijk\n\n5.24.. Houtkoper stelt dat door het niet nakomen van de waarschuwingsplicht het verzuim direct intreedt. Daarnaast heeft zij [gedaagde 1] in gebreke gesteld en voldoende mogelijkheden tot herstel geboden. Ook daarom is [gedaagde 1] volgens Houtkoper dus in verzuim.\n\n5.25.. \n [gedaagde 1] voert aan dat zij niet in de gelegenheid is gesteld om de gebreken zoals genoemd in het rapport van TBA te herstellen en zij daarom niet in verzuim is geraakt.\n\n5.26.. De rechtbank oordeelt dat verzuim hier niet nodig is omdat juiste nakoming van de overeenkomst in dit geval betekent dat [gedaagde 1] wel op tijd zou hebben gewaarschuwd voor de ondeugdelijke ondergrond, en dat kan niet meer. (Juiste) nakoming is dus blijvend onmogelijk, waardoor Houtkoper bevoegd is de overeenkomst te ontbinden.\n\nDe gevolgen van de ontbinding van de overeenkomst over de wandafwerking\n\n5.27.. Door de gedeeltelijke ontbinding hoeven partijen op grond van artikel 6:271 BW de gemaakte afspraken over de wandafwerking niet meer na te komen. Dit betekent dat [gedaagde 1] voor zover de wandafwerking nog niet af was, dat niet meer hoeft af te maken, en Houtkoper de nog niet betaalde aanneemsom die ziet op de wandafwerking niet meer hoeft te betalen. Verplichtingen die partijen al zijn nagekomen, moeten ongedaan worden gemaakt. Als ongedaanmaking niet kan, zoals bij de werkzaamheden van [gedaagde 1] , komt daarvoor een waardevergoeding in de plaats. Uit artikel 6:272 lid 2 BW volgt dat als de prestatie niet aan de verbintenis beantwoordt, zoals hier, de waardevergoeding wordt beperkt tot de waarde die de prestatie voor Houtkoper in de gegeven omstandigheden werkelijk heeft gehad. De achterliggende gedachte van artikel 6:272 BW is dat de ontvanger van een prestatie ongerechtvaardigd zou worden verrijkt door wél de prestatie die hij uit de overeenkomst wilde, te ontvangen, maar na de ontbinding zijn eigen prestatie (volledig) kan terugvorderen.\n\nDe waarde van het verrichte werk\n\n5.28.. Volgens Houtkoper moet de waarde die het verrichte werk aan de wandafwerking voor haar heeft gehad worden vastgesteld op nul. Zij vordert daarom terugbetaling van het bedrag dat zij voor de wandafwerking aan [gedaagde 1] heeft betaald. Daartoe stelt Houtkoper dat zij aan een planning voor het project was gebonden en zij vanwege de ondeugdelijke uitvoering van het werk uiteindelijk wandpanelen heeft moeten plaatsen. Daardoor heeft de wandafwerking geen waarde voor Houtkoper.\n\n5.29.. \n [gedaagde 1] meent dat de waarde van het verrichte werk neerkomt op de aanneemsom min de maximaal redelijke herstelkosten. Zij vordert daarom op haar beurt het openstaande bedrag van de aanneemsom van € 23.909,05 min herstelkosten van maximaal € 5.000,-. [gedaagde 1] vindt dat het plaatsen van wandpanelen niet gerechtvaardigd was, omdat herstel tegen beperkte kosten mogelijk was. Die keuze van Houtkoper moet dus voor haar rekening blijven.\n\n5.30.. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering rusten stelplicht en bewijslast voor het bestaan en de omvang van een waardevergoedingsvordering op grond van artikel 6:272 BW bij de schuldeiser. Houtkoper moet dus feiten en omstandigheden aandragen waaruit blijkt dat de waarde van het verrichte werk aan de wandafwerking minder is dan wat zij daarvoor al heeft betaald. Tegelijkertijd geldt dat daar waar [gedaagde 1] nog betaling wil van facturen zij feiten en omstandigheden moet aandragen waaruit blijkt dat het werk aan de wandafwerking een waarde voor de Houtkoper vertegenwoordigt die hoger is dan het bedrag dat al voor de wandafwerking is betaald.\n\n5.31.. De rechtbank oordeelt dat Houtkoper voldoende heeft onderbouwd dat de wandafwerking voor haar feitelijk geen enkele waarde heeft. Houtkoper heeft als gevolg van de tekortkoming van [gedaagde 1] uiteindelijk gekozen voor het laten plaatsen van wandpanelen, die over de wandafwerking heen zijn aangebracht. Daardoor heeft zij achteraf niets aan de wandafwerking gehad. [gedaagde 1] heeft niet aangevoerd dat de wandafwerking, ondanks het gebruik van de wandpanelen, voor Houtkoper toch waarde heeft. [gedaagde 1] heeft alleen gewezen op de mogelijkheid en kosten van herstel. Maar dat herstel mogelijk was, maakt voor de werkelijke waarde van de prestatie voor Houtkoper niet uit. Door de tekortkoming van [gedaagde 1] en de blijvende onmogelijkheid van correcte nakoming stond het Houtkoper vrij om de keuze te maken voor wandpanelen. Gezien die omstandigheden kan niet gezegd worden dat Houtkoper door de gevolgen van de ontbinding, namelijk het behoud van de wandafwerking zonder daarvoor een vergoeding te betalen, ongerechtvaardigd verrijkt wordt.\n\n5.32.. Omdat de werkelijke waarde voor Houtkoper nul is, moet [gedaagde 1] de bedragen die Houtkoper voor de wandafwerking heeft betaald terugbetalen. De stelling van [gedaagde 1] dat Houtkoper voor de wandafwerking nog aan [gedaagde 1] zou moeten betalen, is daarmee tegelijkertijd onvoldoende onderbouwd. Dat betekent dat de tegenvorderingen van [gedaagde 1] worden afgewezen.\n\n [gedaagde 1] moet € 33.184,65 aan Houtkoper terugbetalen\n\n5.33.. De oorspronkelijke overeenkomst en de facturen zien op zowel de gietvloeren als op de wandafwerking. Houtkoper heeft daarvan een deel betaald. De overeenkomst wordt alleen voor wat betreft de wandafwerking ontbonden. Voor de gietvloeren moet Houtkoper dus gewoon betalen zoals afgesproken. Om te bepalen of en zo ja welk bedrag Houtkoper meer heeft betaald dan wat zij voor de gietvloeren verschuldigd is, stelt de rechtbank eerst vast welk bedrag Houtkoper voor de gietvloeren moet betalen. Wat Houtkoper meer heeft betaald dan dat bedrag moet [gedaagde 1] aan haar terugbetalen.\n\n5.34.. Partijen zijn het erover eens dat Houtkoper de eerste twee termijnfacturen van in totaal € 46.174,- heeft betaald en de laatste termijnfactuur van € 23.909,05 niet. Uit de offerte blijkt dat voor de gietvloeren een tarief van € 95,- per m2 is overeengekomen. Houtkoper heeft gewezen op een rekenfout in de factuur (“97 m2 x € 95 = € 9.695”) en verzocht tot verrekening daarvan. Dat is door [gedaagde 1] niet weersproken. [gedaagde 1] heeft gesteld dat de uiteindelijke oppervlakte van de gerealiseerde gietvloeren 113 m2 is. Houtkoper heeft die meting onvoldoende weersproken. In totaal moet Houtkoper voor de gietvloeren dus 113 m2 x € 95 = € 10.735 exclusief btw betalen. Inclusief 21% btw komt het bedrag voor de gietvloeren € 12.989,35. De rest van het bedrag dat Houtkoper heeft betaald ziet dus op de wandafwerking en moet [gedaagde 1] aan haar terugbetalen. Dat komt neer op een bedrag van (€ 46.174,00 - € 12.989,35=) € 33.184,65. De vordering onder I van Houtkoper wordt tot dit bedrag toegewezen en voor het overige afgewezen. De gevorderde wettelijke rente over dit bedrag wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5.35.. Voor zover Houtkoper heeft bedoeld in dit kader ook de betaalde kosten voor de overnachtingen terug te vorderen, wijst de rechtbank die vordering af. Partijen zijn het erover eens dat onderdeel van de afspraken tussen beiden was dat Houtkoper voor slaapgelegenheid voor [gedaagde 1] zou zorgen. Maar omdat de overeenkomst voor de gietvloeren in stand blijft en Houtkoper niet heeft gesteld dat deze kosten alleen voor de wandafwerking zijn gemaakt, heeft zij de terugvordering van dit bedrag onvoldoende onderbouwd.\n\n [gedaagde 1] moet Houtkoper een schadevergoeding betalen\n\n5.36.. Houtkoper vordert € 54.024,77, aan kosten voor het aanvankelijke stucwerk, de kosten voor het overspuiten van de plafonds alsmede het opnieuw moeten schilderen van diverse kozijnen, wanden, deuren en trappen, de kosten voor betaalde overnachtingen en de kosten voor het onderzoek van TBA (vordering II). Daarnaast vordert Houtkoper € 1.560,- voor het schoonmaken van kozijnen (vordering III). Ten slotte vordert Houtkoper vertragingsschade van € 43.447,- (vordering IV).\n\n5.37.. \n [gedaagde 1] betwist dat zij voor deze kosten (volledig) aansprakelijk is, waarbij zij zich beroept op haar algemene voorwaarden. [gedaagde 1] betwist verder de hoogte van de schade. Daarnaast vindt [gedaagde 1] dat de schade (deels) voor rekening van Houtkoper moet blijven, omdat sprake is van eigen schuld als bedoeld in artikel 6:101 BW.\n\n5.38.. De rechtbank oordeelt dat [gedaagde 1] zich niet kan beroepen op haar algemene voorwaarden, dat [gedaagde 1] vertragingsschade van € 20.000,- en de kosten van het onderzoek van TBA aan Houtkoper moet betalen en dat het beroep van [gedaagde 1] op eigen schuld van Houtkoper niet slaagt. De overige schadeposten van Houtkoper worden afgewezen. Hierna wordt dit uitgelegd.\n\nHet beroep van [gedaagde 1] op de algemene voorwaarden slaagt niet\n\n5.39.. \n [gedaagde 1] doet een beroep op haar algemene voorwaarden. Houtkoper betwist dat de algemene voorwaarden van toepassing zijn verklaard op de overeenkomst. Zouden de algemene voorwaarden al van toepassing zijn, moeten ze worden vernietigd, omdat ze niet voor of bij het sluiten van de overeenkomst aan haar ter hand zijn gesteld.\n\n5.40.. De rechtbank oordeelt dat de algemene voorwaarden op de overeenkomst tussen partijen van toepassing zijn. Partijen zijn het erover eens dat Houtkoper mondeling akkoord heeft gegeven op de schriftelijke offerte. Op die offerte staat onder andere dat op alle overeenkomsten van [gedaagde 1] haar algemene voorwaarden van toepassing zijn. Uit het mondelinge akkoord van Houtkoper heeft [gedaagde 1] dus mogen opmaken dat zij haar aanbod zoals verwoord in de offerte, dus inclusief de gelding van haar algemene voorwaarden, heeft aanvaard.\n\n5.41.. \n [gedaagde 1] kan echter geen beroep doen op de algemene voorwaarden omdat het beroep van Houtkoper op de vernietiging ervan slaagt. Op grond van artikel 6:233 aanhef en onder b BW is een beding in algemene voorwaarden vernietigbaar als de gebruiker, in dit geval [gedaagde 1] , aan de wederpartij geen redelijke mogelijkheid heeft geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen. In artikel 6:234 BW wordt geregeld dat die redelijke mogelijkheid is geboden als de algemene voorwaarden voor of bij het sluiten van de overeenkomst aan de wederpartij ter hand worden gesteld. Dat mag ook digitaal, in een bijlage of met een link, waarbij de wederpartij de mogelijkheid moet hebben de algemene voorwaarden op te slaan voor latere kennisneming. Als dit redelijkerwijs niet mogelijk is, volstaat dat de gebruiker van de algemene voorwaarden vóór totstandkoming aan zijn wederpartij bekendmaakt dat de algemene voorwaarden bij hem ter inzage liggen \u002F gedeponeerd zijn bij de KvK \u002F waar de algemene voorwaarden online te vinden zijn en op verzoek zullen worden toegezonden. De bewijslast dat de algemene voorwaarden voor of bij het sluiten van de overeenkomst ter hand zijn gesteld, of dat de wederpartij anderszins redelijke mogelijkheid is geboden daarvan kennis te nemen, rust op de gebruiker, in dit geval dus [gedaagde 1] .\n\n5.42.. \n\n [gedaagde 1] heeft onvoldoende onderbouwd dat zij Houtkoper een redelijke mogelijkheid heeft geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen. Partijen zijn het erover eens dat [gedaagde 1] de algemene voorwaarden niet aan Houtkoper heeft verstrekt, niet fysiek en ook niet digitaal. [gedaagde 1] heeft gewezen op deze passage onderaan de offerte: “Al deze overeenkomsten, aanbiedingen, leveringen en uitvoeringen geschieden op onze Algemene Voorwaarden. Vastgesteld door de Nederlandse Ondernemingsvereniging voor Afbouwbedrijven. Gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel te Utrecht onder nummer [nummer]”. [gedaagde 1] heeft daarnaast aangevoerd dat de algemene voorwaarden op haar website beschikbaar zijn. Daarmee heeft [gedaagde 1] echter niet voldaan aan de hiervoor genoemde wettelijke eisen van een redelijke mogelijkheid om kennis te nemen van de algemene voorwaarden. [gedaagde 1] heeft namelijk niet gesteld dat het niet mogelijk was de algemene voorwaarden voor of bij het sluiten van de overeenkomst ter hand te stellen. Ook heeft zij niet gesteld dat zij vóór totstandkoming van de overeenkomst voor de algemene voorwaarden naar haar website heeft verwezen. Dit alles brengt mee dat de algemene voorwaarden vernietigd worden en [gedaagde 1] zich daarop niet kan beroepen.\n\nDe door Houtkoper gevorderde schadeposten\n\n5.43.. Omdat [gedaagde 1] tekort is geschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst en nakoming van de waarschuwingsplicht blijvend onmogelijk is, komen de gevolgen van de ondeugdelijke ondergrond voor rekening van [gedaagde 1] . [gedaagde 1] is daarom aansprakelijk voor de schade die is veroorzaakt door het feit dat de wandafwerking op een ondeugdelijke ondergrond is aangebracht en daarmee zelf gebrekkig was.Om vast te stellen wat de schade van Houtkoper is vergelijkt de rechtbank de huidige situatie van de gebrekkige wandafwerking vanwege de ondeugdelijke ondergrond met de situatie waarin de ondergrond deugdelijk zou zijn geweest en daarom ook de wandafwerking geen gebreken zou vertonen.\n\nStucwerk\n\n5.44.. Houtkoper vordert € 47.544,92 aan kosten voor het stucwerk dat als ondergrond diende voor de wandafwerking. Daarvoor stelt Houtkoper dat dit werk waardeloos is geworden als gevolg van het door [gedaagde 1] ondeugdelijk aangebrachte product.\n\n5.45.. \n [gedaagde 1] vindt dat het aanbrengen van stucwerk als ondergrond hoe dan ook noodzakelijk was en dit daarom een waarde voor Houtkoper heeft gehad.\n\n5.46.. De rechtbank wijst deze schadepost af, omdat Houtkoper onvoldoende heeft onderbouwd dat deze kosten het gevolg zijn van de gebrekkige wandafwerking. In dit kader is het criterium niet wat de daadwerkelijke waarde van het stucwerk voor Houtkoper is (zoals bij de waardevergoeding in het kader van de ongedaanmakingsverplichtingen door de ontbinding). Bij het vaststellen van de (hoogte van de) schade beoordeelt de rechtbank of Houtkoper op dit punt in een slechtere vermogenspositie is gekomen door de gebrekkige wandafwerking. Ook als de wandafwerking geen gebreken had (en daarmee de overeenkomst dus goed was nagekomen) had Houtkoper kosten voor het stucwerk moeten maken.\n\nHet overspuiten \u002F schilderen van plafonds, kozijnen, wanden, deuren en trappen\n\n5.47.. Houtkoper vordert € 4.791,60 aan kosten voor het overspuiten en schilderen van diverse plekken in de vakantiewoningen. Houtkoper stelt dat als gevolg van de (herstel)werkzaamheden diverse plekken zodanig vervuild zijn geraakt dat deze opnieuw moesten worden gespoten en geschilderd.\n\n5.48.. Zoals hiervoor is overwogen (zie 5.19) zijn de door Houtkoper gestelde vervuilingen en daarmee de schade waarvan Houtkoper de herstelkosten vordert, onvoldoende komen vast te staan. Het gevorderde schadebedrag wordt daarom afgewezen.\n\nBetaalde overnachtingen\n\n5.49.. Houtkoper vordert schadevergoeding voor de kosten die zij heeft gemaakt voor de overnachtingen van [gedaagde 1] van € 677,90.\n\n5.50.. \n [gedaagde 1] voert aan dat onderdeel van de gemaakte afspraken was dat deze kosten door Houtkoper zouden worden gedragen, zodat [gedaagde 1] gedurende twee weken werk slaapgelegenheid had.\n\n5.51.. De rechtbank wijst deze schadepost af, omdat Houtkoper niet heeft toegelicht waarom deze kosten schade als gevolg van de tekortkoming betreffen. Ook voor deze kosten geldt ze ook zouden zijn gemaakt als de wandafwerking geen gebreken had (en daarmee de overeenkomst dus goed was nagekomen).\n\nOnderzoek TBA\n\n5.52.. Houtkoper vordert expertisekosten voor TBA van € 1.010,35. Deze kosten heeft Houtkoper onderbouwd met de factuur van TBA. [gedaagde 1] heeft niet bestreden dat Houtkoper die kosten heeft gemaakt voor het vaststellen van schade en aansprakelijkheid van [gedaagde 1] . [gedaagde 1] wijst erop dat TBA [gedaagde 1] in het rapport grotendeels gelijk geeft en dat Houtkoper het rapport onjuist kwalificeert. Daarom zouden volgens [gedaagde 1] de kosten gedeeld moeten worden. De rechtbank ziet daarvoor geen aanleiding. In dit vonnis wordt vastgesteld dat [gedaagde 1] aansprakelijk is tegenover Houtkoper en daarvoor heeft Houtkoper in redelijkheid TBA kunnen inschakelen. De kosten zelf vindt de rechtbank ook redelijk. Daarmee is voldaan aan de wettelijke eisen van artikel 6:96 lid 2 onder b BW en wordt het gevorderde bedrag toegewezen.\n\nSchoonmaken van de kozijnen\n\n5.53.. Houtkoper vordert € 1.560,- (te vermeerderen met de btw) aan kosten voor het schoonmaken van de kozijnen. Hiervoor stelt Houtkoper dat als gevolg van (herstel)werkzaamheden de kozijnen ernstig vervuild zijn geraakt door restanten van het gebruikte materiaal en dat het schoonmaken hiervan noodzakelijk was.\n\n5.54.. De rechtbank wijst deze schadepost af, gelet op wat hiervoor in 5.48 is overwogen. Dat oordeel geldt hier ook.\n\nVertragingsschade\n\n5.55.. Ten slotte vordert Houtkoper vergoeding voor vertragingsschade. Het gaat om een bedrag van € 43.447,- over de periode van 24 juni 2025 (de geplande oplevering) tot aan de oplevering van de wandpanelen op 10 november 2025. Uit de offerte volgt dat vier weken voor de uitvoering waren gepland. Uiteindelijk is [gedaagde 1] in week 22 van 2024 gestart en werd er nog herstel uitgevoerd tot en met week 29. Naast deze vertraging heeft het plaatsen van de wandpanelen ook nog eens acht weken geduurd. Gedurende deze periode liepen de rentebetalingen van de leningen van Houtkoper door. Voor de omvang van de rentelasten heeft Houtkoper verwezen naar een verklaring van haar accountant.\n\n5.56.. \n [gedaagde 1] betwist dat er sprake was van een vertraging in de planning. Voor zover daar wel sprake van is, is dit (alleen) aan Houtkoper zelf te wijten. Daarbij voert [gedaagde 1] aan dat het maanden heeft geduurd voordat de wandpanelen zijn geplaatst nadat het rapport van TBA was opgesteld. Dat moet voor rekening van Houtkoper blijven.\n\n5.57.. Zoals de rechtbank eerder onder 5.20 heeft overwogen zijn partijen geen fatale termijn overeengekomen en is op dat punt geen tekortkoming van [gedaagde 1] vastgesteld. Dat het verkoop klaar maken van de vakantiewoningen langer heeft geduurd, omdat de wandafwerking gebrekkig bleek, vindt de rechtbank op zich aannemelijk en heeft [gedaagde 1] onvoldoende betwist. Datzelfde geldt voor het daardoor langer doorlopen van de renteverplichtingen van Houtkoper. De rechtbank vindt alleen niet dat de hele periode aan vertraging zoals die door Houtkoper is berekend is toe te rekenen aan [gedaagde 1] . Omdat de berekening van deze kosten door Houtkoper niet is gespecificeerd, kan de rechtbank die berekening niet één op één toepassen op een kortere periode. De rechtbank maakt daarom gebruik van de schattingsbevoegdheid van artikel 6:97 BW en raamt de toewijsbare vertragingskosten op € 20.000,-. Daarbij heeft zij de volgende omstandigheden gewogen.\n\n5.58.. \n [gedaagde 1] is begin mei 2024 begonnen met de werkzaamheden. Uit de overgelegde stukken volgt dat [gedaagde 1] op 19 juni 2024 de laatste factuur heeft verzonden. Daarna hebben partijen gecorrespondeerd over dat het werk nog niet was afgerond en heeft [gedaagde 1] in verband daarmee de betalingstermijn van de laatste factuur twee weken opgeschoven. Daarna heeft [gedaagde 1] nog herstelwerkzaamheden uitgevoerd en hebben partijen hierover gecorrespondeerd. Dit heeft geduurd tot eind juli 2024. Vervolgens heeft Houtkoper TBA ingeschakeld. Na ontvangst van het rapport van TBA van 5 augustus 2024 heeft Houtkoper [gedaagde 1] op 20 augustus 2024 verzocht om een creditfactuur en later om terugbetaling van het door haar betaalde bedrag. Daarna moest Houtkoper op zoek naar een (andere) oplossing, zodat zij verder kon met het project. Dat is uiteindelijk het plaatsen van de wandpanelen geweest. De wandpanelen zijn volgens de toelichting van Houtkoper op de zitting op 16 september 2024 geplaatst. De accountant van Houtkoper verklaart in de stukken dat de rentelasten van Houtkoper voor de periode 24 juni 2024 t\u002Fm 10 november 2024 totaal € 43.447,- bedragen.\n\n5.59.. \n\nDe rechtbank vindt op basis van het voorgaande dat de vertraging in de periode vanaf medio juli 2024 (herstelpogingen blijken onvoldoende) tot 16 september 2024 (plaatsing van de wandpanelen) als gevolg van de tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst voor rekening van [gedaagde 1] komt. Voor die periode van in totaal dus ongeveer twee maanden (in plaats van de ca. 4,5 maand die Houtkoper heeft berekend) moet [gedaagde 1] de rentelasten van Houtkoper betalen. Partijen waren gezien de verlenging van de betalingstermijn door [gedaagde 1] kennelijk beiden in de veronderstelling dat het werk twee weken na 19 juni 2024 (dus op 3 juli 2024) af zou zijn. Daarna zijn er nog herstelpogingen gedaan. De rechtbank vindt dat in het hypothetische geval dat [gedaagde 1] in de twee weken daarna de wandafwerking goed zou hebben hersteld, zij de overeenkomst dan nog voldoende en vanwege het ontbreken van een fatale termijn op tijd zou zijn nagekomen. Vanaf medio juli 2024 geldt dat niet meer, omdat de herstelpogingen van [gedaagde 1] onvoldoende bleken. Vanaf dat moment komt de vertraging dus voor rekening van [gedaagde 1] . Dat in deze periode (ook) vertragingen aan Houtkoper te wijten zouden zijn is niet aannemelijk geworden. Van haar kon op dat moment niet worden verwacht al op zoek te gaan naar een andere oplossing. Pas met het TBA rapport van 5 augustus 2024 werd voor haar duidelijk welke gebreken er precies aan het werk kleefden en kon zij gaan nadenken over mogelijke oplossingen. Dat het vervolgens zoals op de zitting toegelicht tot 16 september 2024 heeft geduurd tot de wandpanelen zijn geplaatst, vindt de rechtbank niet onredelijk lang. [gedaagde 1] heeft dit niet onderbouwd. De rechtbank ziet dus geen aanleiding om een deel van die periode aan vertraging voor rekening van Houtkoper te laten. De stelling van Houtkoper in de stukken dat de oplevering van de wandpanelen acht weken zou hebben geduurd, waardoor zij de vertraging tot 10 november 2024 berekent, kan de rechtbank mede gezien de toelichting van Houtkoper op de zitting niet plaatsen en wordt dus niet gevolgd.\n\nHet beroep van [gedaagde 1] op eigen schuld slaagt niet\n\n5.60.. \n [gedaagde 1] heeft aangevoerd dat (een deel van) de schade voor rekening van Houtkoper moet blijven. Houtkoper heeft namelijk pas een stukadoor langs gestuurd voor aanvullende werkzaamheden nadat [gedaagde 1] was gestart met de werkzaamheden. Dat was te laat en ontregelde het werk van [gedaagde 1] . Daarnaast vindt [gedaagde 1] dat Houtkoper als professionele vastgoedpartij op de hoogte was van de slechte ondergrond.\n\n5.61.. Omdat [gedaagde 1] de stelling inneemt dat (een deel van) de schade voor rekening van Houtkoper moet blijven, moet [gedaagde 1] feiten en omstandigheden aandragen waaruit blijkt dat de schade (ook) het gevolg is van omstandigheden die aan Houtkoper kunnen worden toegerekend. Dat heeft zij onvoldoende gedaan. Zoals hiervoor is overwogen (zie 5.11 en 5.12) heeft [gedaagde 1] haar waarschuwingsplicht met betrekking tot de ondergrond geschonden. Omdat [gedaagde 1] Houtkoper onvoldoende heeft gewaarschuwd, kon nu juist niet van Houtkoper worden verwacht dat zij maatregelen zou treffen. Bovendien had [gedaagde 1] , zoals gezegd, vóór aanvang van de werkzaamheden moeten controleren of de gevolgen voor haar duidelijk waren. [gedaagde 1] heeft dus onvoldoende onderbouwd dat Houtkoper zelf heeft bijgedragen aan het ontstaan van de schade of de schade deels had moeten voorkomen. Het beroep op eigen schuld slaagt daarom niet.\n\nBuitengerechtelijke incassokosten\n\n5.62.. Houtkoper vordert daarnaast € 1.776,98 aan buitengerechtelijke incassokosten; kosten die zij heeft gemaakt om haar vordering, vóór de gerechtelijke procedure, bij [gedaagde 1] te innen. Of die kosten voor vergoeding in aanmerking komen, moet in dit geval worden getoetst aan de eisen zoals geformuleerd in het Rapport BGK-integraal. Kort gezegd moet het gaan om daadwerkelijk gemaakte kosten voor werkzaamheden om de vordering buiten rechte te innen, terwijl die werkzaamheden niet verwaarloosbaar zijn en niet onder de proceskostenvergoeding vallen. De rechtbank vindt dat Houtkoper voldoende gesteld heeft dat in dit geval aan genoemde eisen is voldaan. Vervolgens moeten de gevraagde kosten in redelijkheid zijn gemaakt en moet de hoogte ervan ook redelijk zijn. Of aan deze ‘dubbele redelijkheidstoets’ is voldaan, beoordeelt de rechtbank aan de hand van de vaste tarieven die voor buitengerechtelijke incassokosten worden toegekend, die gekoppeld zijn aan de hoofdsom. Houtkoper heeft daar ook aansluiting bij gezocht, maar heeft daarbij een hogere hoofdsom als uitgangspunt genomen dan de rechtbank toewijst. De rechtbank vindt op basis van die tarieven een bedrag van € 1.316,95 redelijk, wijst dat bedrag toe en de rest van het gevorderde bedrag af.\n\nSlotsom\n\n5.63.. De slotsom van al het voorgaande is dat de rechtbank de tussen Houtkoper en [gedaagde 1] gesloten overeenkomst ontbindt, voor zover deze ziet op het plaatsen van de wandafwerking. De rechtbank wijst de vordering onder I van Houtkoper tot terugbetaling van het al betaalde deel van de aanneemsom toe tot een bedrag van € 33.184,65, omdat dit deel ziet op de wandafwerking. Verder wijst de rechtbank de vordering onder IV van Houtkoper toe tot een bedrag van € 20.000,- aan schadevergoeding. Daarnaast moet [gedaagde 1] de expertisekosten van € 1.010,35 en de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.316,95 vergoeden. De overige vorderingen van Houtkoper worden afgewezen. De conclusie over de vordering in conventie brengt tegelijkertijd mee dat Houtkoper de openstaande factuur niet hoeft te betalen. De tegenvordering in reconventie tot betaling van de openstaande factuur (min de herstel- en expertisekosten) van [gedaagde 1] wordt daarom afgewezen.\n\nProceskosten\n\nin conventie\n\n5.64.. \n [gedaagde 1] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van Houtkoper betalen. Houtkoper heeft haar vordering echter (veel) hoger ingestoken dan de rechtbank toewijst (ongeveer € 150.000 gevorderd en ongeveer € 55.000 toegewezen). Dat heeft in dit geval gevolgen gehad voor het griffierecht dat beide partijen hebben moeten betalen. Voor een vordering tot € 100.000 was het griffierecht € 2.995 (2025). Nadat Houtkoper de vordering met haar eiswijziging verhoogde tot boven de € 100.000 werd het griffierecht verhoogd naar € 7.062 (2026). De rechtbank ziet in deze gang van zaken aanleiding om [gedaagde 1] het lagere griffierecht te laten vergoeden en het door [gedaagde 1] meer betaalde griffierecht in mindering te brengen op de proceskostenvergoeding.\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n126,11\n\n- griffierecht Houtkoper\n\n€\n\n2.995,00\n\n- compensatie griffierecht [gedaagde 1]\n\n€\n\n-4.067,00\n\n(€ 7.062,00 - € 2.995,00)\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n2.580,00\n\n(2 punten × € 1.290,00)\n\n- nakosten (ook voor reconventie)\n\n€\n\n296,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.930,11\n\n5.65.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\nin reconventie\n\n5.66.. \n [gedaagde 1] is in het ongelijk gesteld en moet daarom ook de proceskosten betalen in reconventie, die vanwege de verwevenheid met de vordering in conventie worden gehalveerd. De proceskosten van Houtkoper worden begroot op: € 836,00 aan kosten advocaat (2 punten x 0,5 x € 836,00).\n\n5.67.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\nUitvoerbaar bij voorraad\n\n5.68.. De veroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit betekent dat de veroordelingen ook moeten worden uitgevoerd als tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld en zolang daarop nog niet is beslist.6. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin conventie\n\n6.1.. wijst de vorderingen voor zover gericht tegen [gedaagde 2] af,\n\n6.2.. ontbindt de tussen Houtkoper en [gedaagde 1] gesloten overeenkomst gedeeltelijk, voor zover deze ziet op het plaatsen van de wandafwerking,\n\n6.3.. veroordeelt [gedaagde 1] om aan Houtkoper binnen veertien dagen na dit vonnis te betalen:\n\n€ 33.184,65 bestaande uit terugbetaling van de reeds door Houtkoper aan [gedaagde 1] betaalde facturen voor zover die zien op de wandafwerking,\n\n€ 1.010,35 aan schadevergoeding voor expertisekosten,\n\n€ 20.000,00 aan schadevergoeding voor vertragingsschade,\n\nde wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over voornoemde drie bedragen als deze niet binnen veertien dagen zijn betaald, tot de dag van volledige betaling,\n\n€ 1.316,95 aan buitengerechtelijke incassokosten,\n\nde wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de buitengerechtelijke incassokosten vanaf 17 juli 2025 tot de dag van volledige betaling,\n\n6.4.. veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten van Houtkoper van € 1.930,11, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,\n\n6.5.. wijst het meer of anders gevorderde af,\n\nin reconventie\n\n6.6.. wijst de vorderingen van [gedaagde 1] af,\n\n6.7.. veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten van Houtkoper van € 836,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,\n\nin conventie en in reconventie\n\n6.8.. veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n6.9.. veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n6.10.. verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.2 t\u002Fm 6.4 en 6.7 t\u002Fm 6.9 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J. Huber, rechter, bijgestaan door mr. V.W. de Leeuw, griffier, en in het openbaar uitgesproken door mr. M.E.M. James-Pater op 24 juni 2026.\n\n Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat het vonnis meteen kan worden uitgevoerd, ook als de wederpartij in hoger beroep gaat, zolang daarop nog niet is beslist.\n\n Omdat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zich op het standpunt stellen dat [gedaagde 2] geen contractspartij is, gaat de rechtbank er vanuit dat de eis in reconventie alleen namens [gedaagde 1] is ingesteld.\n\n Artikel 6:265 en 6:74 van het Burgerlijk Wetboek (BW).\n\n Hoge Raad 18 september 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2705, r.o. 3.4.\n\n Kamerstukken II 1992\u002F93 23095, nr. 3 p. 32-33.\n\n Hof Den Bosch 13 september 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:3144.\n\n Artikel 6:265 en 6:267 BW.\n\n Zie Conclusie A-G Van Peursem 25 april 2025, ECLI:NL:PHR:2025:490 r.o. 3.7.\n\n Hoge Raad 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1394 r.o. 5.2.1.\n\n Artikel 6:74 en 7:760 BW.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6634","2026-07-13T00:28:33.315Z",{"id":166,"ecli":167,"slug":168,"caseNumber":44,"courtId":99,"decisionDate":77,"fullText":169,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":170,"sourceTimestamp":147,"parsedAt":51,"updatedAt":171},"1806","ECLI:NL:RBDHA:2026:17173","ecli-nl-rbdha-2026-17173","RECHTBANK Den Haag\n\nTeam handel\n\nzaak- \u002F rolnummer: C\u002F09\u002F691842 \u002F HA ZA 25\u002F823\n\nVonnis van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nDE BLOKWEG VASTGOED B.V.te Bergschenhoek\n\neiseres in conventie,\n\nverweerster in reconventie,\n\nadvocaat: mr. T.J. van Veen,\n\ntegen\n\n1. [gedaagden sub 1] te [woonplaats],\n\n2. [gedaagden sub 2]te [woonplaats],\n\ngedaagden in conventie,\n\neisers in reconventie,\n\nadvocaat: mr. K.W. Janssen.\n\nPartijen worden hierna ‘De Blokweg’ en ‘[gedaagden]’ genoemd.\n\n1. Samenvatting\n\n1.1.. De Blokweg heeft een kassencomplex gekocht van [gedaagden] die gedeeltelijk is geplaatst op een strook grond die deel uitmaakt van het woonperceel van [gedaagden] Tussen partijen is in geschil of deze strook grond aan De Blokweg is verkocht en geleverd. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is, omdat – samengevat – bij het sluiten van de koopovereenkomst een gemeenschappelijke partijbedoeling bestond om de kassen met ondergrond in eigendom over te dragen aan De Blokweg. Dat partijen bij de verkoop en levering niet expliciet hebben benoemd dat tot deze ondergrond ook een strook van het woonperceel van [gedaagden] behoorde, aangezien zij zich daar niet van bewust waren, doet daar niet aan af. Dat betekent dat De Blokweg eigenaar is geworden van de betreffende ondergrond. [gedaagden] worden veroordeeld medewerking te verlenen aan de aanpassing van de openbare registers aan de huidige eigendomsverhoudingen.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:\n\nde dagvaarding van 9 september 2025 met producties 1 tot en met 7;\n\nde conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie met producties 1 tot en met 7;\n\nde conclusie van antwoord in reconventie met producties 8 en 9.\n\n2.2.. Op 19 mei 2025 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Daarbij waren partijen aanwezig c.q. vertegenwoordigd, bijgestaan door hun advocaten.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. De Blokweg exploiteert een glastuinbouwbedrijf.\n\n3.2.. De Blokweg heeft, als koper, op 12 november 2012 een koopovereenkomst gesloten met [gedaagden] met betrekking tot een aantal percelen grond met daarop een kassencomplex, tegen een koopsom van € 2.700.000,-. In de tussen partijen gesloten schriftelijke koopovereenkomst is onder meer het volgende opgenomen:\n\n“Voornoemde ondergetekenden komen overeen: verkoper verkoopt aan koper, die van verkoper koopt:\n\nhet perceel tuinland, kadastraal bekend [kadastrale kenmerken] en [kadastraal kenmerk] gedeeltelijk (bijlage 2), (…) inclusief de hierop gestichte opstallen, glasopstanden en installaties, plaatselijk bekend [adres] te [plaats], (…).”\n\n3.3.. Ten aanzien van het gedeeltelijk in de verkoop betrokken [perceel 1] is in de koopovereenkomst in artikel 5.16 onder meer het volgende opgenomen:\n\n“de nieuwe grens bij het perceel kadastraal bekend [kadastraal kenmerk], gedeeltelijk ligt op de kasvoet van de gevel terplaatse. De eigendom van de kasvoet en gevel komt bij de notariële levering bij koper.”\n\n3.4.. \n [gedaagden] waren en zijn eigenaar (gebleven) van (onder meer) het aan de hiervoor bedoelde percelen grenzende perceel met – destijds – [perceel 2]. Op dat perceel is hun woonhuis gelegen. [perceel 2] ligt ten zuiden van [perceel 1], zoals zichtbaar is in de hiernaast weergegeven uitsnede uit een bij de koopovereenkomst gevoegd kaartje. Daarop is ook zichtbaar dat [perceel 1] om [perceel 2] heen loopt (zowel ten noorden als ten oosten daarvan ligt). De hiervoor bedoelde ‘nieuwe grens’ ligt op het gedeelte ten oosten van [perceel 2]: tot waar het kassencomplex ligt (inclusief kasvoet en gevel) wordt overgedragen (groen gearceerd), de rest van het perceel (niet groen gearceerd) blijft bij verkoper.\n\n3.5.. In de koopovereenkomst is verder onder meer het volgende opgenomen:\n\n“5.20.2 Wanneer koper c.q. diens rechtsopvolgers, een nieuwe kas bouwen op het verkochte en geen gebruik maken van de strook grond (…) ten noorden van perceel (…) [perceel 2], heeft verkoper c.q. diens rechtsopvolgers een recht van koop op deze strook tegen € 55,-- per m2 k.k. exclusief BTW.”\n\n3.6.. De levering heeft plaatsgevonden op 26 november 2012. In de notariële akte van levering is onder meer het volgende opgenomen:\n\n“Levering, Registergoed\n\nVerkoper heeft bij voornoemde koopovereenkomst aan koper verkocht en levert op grond daarvan (in eigendom) aan koper, die blijkens voormelde overeenkomst, van verkoper heeft gekocht en bij deze (in eigendom) aanvaardt:\n\nDe percelen tuinland, kadastraal bekend [kadastrale kenmerken] (…); en\n\neen gedeelte van het perceel kadastraal bekend [kadastraal kenmerk], dit gedeelte is ongeveer groot achtennegentig are twaalf centiare;\n\n(…);\n\ninclusief de hierop gestichte opstallen, glasopstanden en installaties, plaatselijk bekend als [adres] te [plaats], (…).\n\n(…)\n\nNieuwe grens\n\nDe nieuwe grens bij het perceel met nummer [kadastraal kenmerk] ligt op de kasvoet van de gevel ter plaatse. De eigendom van de kasvoet en gevel komt bij de koper. Partijen verklaren exact te weten waar de nieuwe te vormen erfgrens gelegen zal zijn zodat zij verder geen kaartje aan willen hechten of een nog gedetailleerdere omschrijving van deze nieuwe te vormen erfgrens nodig achten.”\n\n3.7.. In 2014 is bij een meting door het kadaster vastgesteld dat het kassencomplex ten hoogte van [perceel 1] oversteekt op [perceel 2]. Het betreft een strook grond van ongeveer 27 meter breed en 2 meter diep.\n\n4. Het geschil\n\nIn conventie\n\n4.1.. De Blokweg vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nPrimair\n\n- [gedaagden] veroordeelt om binnen 14 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis volledig medewerking te verlenen aan aanpassing van de openbare registers aldus dat daarin de eigendomssituatie van de percelen op 26 november 2012 kadastraal bekend [perceel 1] en [perceel 2], aldus zal worden weergegeven dat de eigendom tot en met de kasvoet van de gevels van de thans aanwezige kassen berust bij De Blokweg alsmede voor zover nodig volledig medewerking te verlenen aan de kadastrale splitsing van voormelde percelen;\n\nSubsidiair\n\n- [gedaagden] veroordeelt om binnen 14 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis volledig medewerking te verlenen aan het doen verlijden van een notariële akte van eigendomsoverdracht aan De Blokweg zodanig dat de eigendom van de percelen op 26 november 2012 kadastraal bekend [perceel 1] en [perceel 2], tot en met de kasvoet van de gevels van de thans aanwezige kassen zal komen te berusten bij De Blokweg;\n\nPrimair en subsidiair\n\nZulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat [gedaagden] voormelde medewerking niet verlenen met een maximum van € 500.000,00;\n\n [gedaagden] veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n4.2.. \n [gedaagden] concluderen tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van De Blokweg in de proceskosten.\n\n4.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\nIn reconventie\n\n4.4.. \n [gedaagden] vorderen dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nPrimair\n\n- De Blokweg veroordeelt om de op de grond van [gedaagden] geplaatste kas, binnen 28 dagen na het in deze te wijzen vonnis, althans binnen een door de rechtbank naar redelijkheid te bepalen termijn, te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of gedeelte van een dag met een maximum van € 25.000,-, dat De Blokweg geen of geen volledige uitvoering geeft aan hetgeen waartoe zij veroordeeld wordt;\n\nSubsidiair\n\n- Voor recht verklaart dat De Blokweg in het geval van verbouwing, sloop of verkoop van de kas gelegen op [perceel 2], het op [perceel 2] aanwezige gedeelte van de kas dient te verwijderen en de grond schoon dient op te leveren en ter beschikking aan [gedaagden] dient te stellen;\n\n4.5.. De Blokweg concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten.\n\n4.6.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n5. De beoordeling\n\nIn conventie en in reconventie\n\n5.1.. De rechtbank ziet aanleiding om de vorderingen in conventie en in reconventie gezamenlijk te bespreken.\n\n5.2.. De Blokweg stelt – samengevat – dat het bij het aangaan van de koopovereenkomst de bedoeling van partijen was om de kassen met de daarbij behorende ondergrond tot en met de kasvoet van de gevel in eigendom over te dragen aan De Blokweg. Partijen hebben daarbij niet geconstateerd dat een gedeelte van de verkochte kassen zich bevond op [perceel 2]. Nu [perceel 2] in zoverre gedeeltelijk aan hem is verkocht en geleverd, vordert De Blokweg primair – samengevat – dat [gedaagden] meewerken aan een correcte weergave hiervan in de openbare registers.\n\n5.3.. \n [gedaagden] betwisten dat de betreffende strook van [perceel 2] aan De Blokweg is verkocht en geleverd. In de tekst van de koopovereenkomst wordt dit perceel niet genoemd als over te dragen perceel. Daarnaast is uit de tekst van de koopovereenkomst af te leiden dat dit perceel eigendom van [gedaagden] blijft. Verder is er bij de koopovereenkomst een kaart gevoegd waarop de over te dragen grond is gearceerd. Uit die kaart blijkt dat de strook grond van [perceel 2] waar de kas op is geplaatst, niet is gearceerd en dus geen deel uitmaakte van de koopovereenkomst. Ook is er met betrekking tot [perceel 2] geen door partijen ondertekend kadastraal bericht bij de koopovereenkomst gevoegd, terwijl dit met betrekking tot alle over te dragen percelen wel is gedaan. [gedaagden] voeren tot slot aan dat partijen zijn overeengekomen dat wanneer de kas zou worden gesloopt, de nieuwe kas tot aan de erfgrens van [perceel 2] zou mogen worden gebouwd en dat, indien niet tot aan de erfgrens wordt gebouwd, [gedaagden] de onbebouwde grond van [perceel 1] in zoverre van de Blokweg zouden mogen kopen. Een dergelijke koopoptie is volgens [gedaagden] niet te verenigen met de door De Blokweg gegeven uitleg van de koopovereenkomst.\n\n5.4.. De rechtbank is van oordeel dat de strook grond van [perceel 2], voor zover die zich onder de kas bevindt, door [gedaagden] is verkocht aan De Blokweg. Daarvoor is van belang dat [gedaagden] ter zitting – samengevat – hebben verklaard dat zij met de verkoop beoogd hebben het gehele kassencomplex te verkopen en op dat moment niet wisten dat deze voor een deel op [perceel 2] stond. Ook namens De Blokweg is ter zitting verklaard dat De Blokweg beoogde het gehele kassencomplex te kopen en er op dat moment geen wetenschap bestond van de perceelsoverschrijding. Ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst bestond er dus een gemeenschappelijke partijbedoeling om de gehele kas met ondergrond te verkopen aan De Blokweg. Bij het vaststellen van de inhoud van de overeenkomst is die gemeenschappelijke partijbedoeling leidend. Aan uitleg van de overeenkomst (aan de hand van onder meer de tekst van de overeenkomst), wordt dan niet toegekomen.\n\n5.5.. Met de gemeenschappelijke partijbedoeling om de kas met ondergrond, die gedeeltelijk tot [perceel 2] behoort, in eigendom over te dragen aan De Blokweg is – anders dan [gedaagden] impliceren – niet onverenigbaar dat partijen een koopoptie zijn overeengekomen met betrekking tot een deel van [perceel 1] in geval de kas wordt afgebroken. Partijen hebben immers beiden verklaard dat zij zich er niet van bewust waren dat de kas gedeeltelijk op [perceel 2] ligt. Uit de koopoptie kan dus niet worden afgeleid dat partijen bewust het gedeelte van het kassencomplex dat op [perceel 2] ligt van de koop hebben willen uitsluiten.\n\n5.6.. De vervolgvraag is of de betreffende strook grond ook aan De Blokweg is geleverd. Bij de beantwoording van die vraag komt het aan op de in de notariële akte van levering tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling die moet worden afgeleid uit de in deze akte opgenomen, naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte uit te leggen omschrijving van de over te dragen onroerende zaak.\n\n5.7.. Hoewel in de notariële akte, evenals in de koopovereenkomst, [perceel 2] niet als (gedeeltelijk) over te dragen perceel is genoemd – wat logisch is nu partijen in de veronderstelling verkeerden dat de kas niet op dat perceel lag – is de rechtbank van oordeel dat het gedeelte van [perceel 2] waarop de kas ligt ook is geleverd. In de omschrijving van het verkochte in de akte verwijst immers ook naar ‘de gestichte opstallen, glasopstanden en installaties, plaatselijk bekend als [adres] te [plaats]’, en het is niet in geschil dat het gehele kassencomplex zowel voor als na de verkoop en levering plaatselijk bekend was als ‘[adres]’. Bovendien blijkt uit de hiervoor onder 3.6 (slot) weergegeven passage over de nieuwe erfgrens op [perceel 1] dat partijen hebben afgezien van een nauwkeurige omschrijving of aangehechte kaart omdat voor hen duidelijk was wat wel en wat niet werd geleverd: het kassencomplex. Mede in dat licht volgt uit de leveringsakte genoegzaam dat het gehele kassencomplex tot het geleverde behoort.\n\n5.8.. Ten overvloede overweegt de rechtbank als volgt voor het geval dat de betreffende strook grond niet rechtsgeldig aan De Blokweg zou zijn geleverd. In dat geval heeft De Blokweg zich terecht beroepen op verkrijgende verjaring door bezit te goeder trouw gedurende een onafgebroken periode van 10 jaar. Vaststaat dat De Blokweg de betreffende strook in bezit heeft genomen op 26 november 2012 (de datum van levering van het kassencomplex). [gedaagden] hebben de stelling van De Blokweg dat sprake is van bezit te goeder trouw onvoldoende betwist, in het licht van het feit dat partijen er beide vanuit gingen dat aan De Blokweg het gehele kassencomplex was geleverd en het – in die situatie - aan een gebrek in de levering is te wijten dat De Blokweg niet het eigendom heeft verkregen. Gesteld noch gebleken is dat het bezit van De Blokweg teniet is gegaan voor ommekomst van de verjaringstermijn van 10 jaar, zodat deze in dat geval is voltooid.\n\n5.9.. De primaire vordering van De Blokweg zal worden toegewezen. [gedaagden] zullen - samengevat - worden veroordeeld medewerking te verlenen aan de aanpassing van de openbare registers aan de huidige eigendomsverhoudingen. De aan deze veroordeling te verbinden dwangsom zal worden gematigd zoals vermeld in de beslissing.\n\n5.10.. Nu de grond onder het kassencomplex niet aan [gedaagden] toebehoort, zal hun primaire vordering tot verwijdering van de kassen worden afgewezen.\n\n5.11.. Ook de subsidiaire vordering van [gedaagden] zal worden afgewezen. [gedaagden] hebben aan deze vordering ten grondslag gelegd dat partijen hebben afgesproken dat de kas in geval van verbouwing, sloop of verkoop zou worden verwijderd van [perceel 2]. Het bestaan van deze afspraak is door De Blokweg betwist en in het licht van die betwisting onvoldoende door [gedaagden] onderbouwd.\n\n5.12.. \n [gedaagden] zijn in conventie in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van De Blokweg in conventie worden begroot op:\n\n- dagvaarding € 122,16\n\n- griffierecht € 714,00\n\n- salaris advocaat € 1.306,00 (2 punten X tarief II ad € 653,00)\n\n- nakosten € 148,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal € 2.290,16\n\n5.13.. \n [gedaagden] zijn in reconventie eveneens in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] in reconventie worden begroot op:\n\n- salaris advocaat € 326,50 (0,5 punt X tarief II ad € 653,00)\n\n- nakosten € 148,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal € 474,50\n\n5.14.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nin conventie\n\n6.1.. veroordeelt [gedaagden] om binnen 14 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis volledige medewerking te verlenen aan de aanpassing van de openbare registers, waarbij de eigendomssituatie van de percelen op 26 november 2012 kadastraal bekend [kadastraal kenmerk] en [perceel 2], aldus zal worden weergegeven dat de eigendom tot en met de kasvoet van de gevels van de thans aanwezige kassen berust bij De Blokweg alsmede, voor zover nodig, volledige medewerking te verlenen aan de kadastrale splitsing van deze percelen;\n\n6.2.. veroordeelt [gedaagden] om aan De Blokweg een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan waarop zij niet aan de hoofdveroordeling heeft voldaan, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt;\n\n6.3.. veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten van De Blokweg van € 2.290,16, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe en te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de dag waarop dit vonnis is gewezen;\n\n6.4.. wijst het meer of anders gevorderde af;\n\nin reconventie\n\n6.5.. wijst de vorderingen van [gedaagden] af;\n\n6.6.. veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten van De Blokweg van € 474,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe en te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de dag waarop dit vonnis is gewezen;\n\nin conventie en in reconventie\n\n6.7.. veroordeelt [gedaagden] tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend;\n\n6.8.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door (dhr.) mr. S.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.\n\n Vgl. HR 18 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:957 (Vereniging Albert Heijn Franchisenemers c.s.\u002FAlbert Heijn Franchising c.s.).\n\n HR 8 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8901.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17173","2026-07-13T00:29:39.852Z",{"id":173,"ecli":174,"slug":175,"caseNumber":44,"courtId":176,"decisionDate":77,"fullText":177,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":178,"sourceTimestamp":60,"parsedAt":51,"updatedAt":179},"1836","ECLI:NL:RBGEL:2026:5163","ecli-nl-rbgel-2026-5163",68,"RECHTBANKGELDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Zutphen\n\nZaaknummer: 11851903 \\ CV EXPL 25-2315\n\nVonnis van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nDEX CORPORATION B.V.,\n\nte Doetinchem,\n\neisende partij in conventie,\n\nverwerende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: Dex,\n\nprocederend bij haar directeur [directeur dex] ,\n\ntegen\n\n [naam gedaagde in conventie \u002F eisende in reconventie] B.V.,\n\nte [vestigingsplaats] ,\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [de gedaagde] ,\n\ngemachtigde: mr. T. Franzen.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 18 maart 2026,\n\n- de e-mail van 9 april 2026 met productie van de zijde van Dex,\n\n- de akte met producties van de zijde van [de gedaagde] .\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De verdere beoordeling in conventie en in reconventie\n\n2.1.. De kantonrechter blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in het tussenvonnis van 18 maart 2026. In dit tussenvonnis is overwogen dat [de gedaagde] is tekortgeschoten in haar verplichtingen uit de overeenkomst en dat zij is gehouden de kosten te vergoeden die Dex moet maken om het terras door een derde te laten herstellen. Dex is in de gelegenheid gesteld om bij akte de door haar gestelde herstelkosten nader en aan de hand van stukken (bijvoorbeeld offertes) te onderbouwen.\n\n2.2.. Dex heeft ter onderbouwing van de gevorderde herstelkosten een offerte van 8 april 2026 van [bouwbedrijf] b.v. (hierna: [bouwbedrijf] ) overgelegd. In die offerte heeft [bouwbedrijf] alle door Dex gewenste herstelwerkzaamheden uiteengezet en de kosten daarvan begroot op een bedrag van in totaal € 37.322,21 (incl. btw).\n\n2.3.. \n [de gedaagde] heeft bij antwoordakte verweer gevoerd tegen de verschuldigdheid van diverse door [bouwbedrijf] geoffreerde posten, dan wel tegen de hoogte daarvan. Zijn verweer zal hierna, voor ieder onderdeel afzonderlijk, aan de orde komen.\n\n- plaatselijk vervangen van het tegelwerk\n\n2.3.1.. In de offerte van [bouwbedrijf] zijn kosten begroot voor het vervangen van de volledige tegelvloer. [de gedaagde] betwist dat alle tegels moeten worden vervangen. Volgens [de gedaagde] kan worden volstaan met het enkel vervangen van de tegels tussen de bestaande trap en de nog aan te brengen draingoot. Dit betreft een kwart van het totale tegelwerk, aldus [de gedaagde] .\n\n2.3.2.. Het verweer van [de gedaagde] faalt. Uit de rapportage 31 november 2025 van [bedrijf] blijkt dat zij als hersteloplossing heeft aangedragen: “alle tegels en dekvloer verwijderen”en“geheel nieuw tegelwerk aanbrengen”. In het tussenvonnis van 18 maart 2026 is ook overwogen dat het voor de hand ligt dat de door [bedrijf] aangedragen hersteloplossing tot uitgangspunt wordt genomen. In het licht van deze omstandigheden had het op de weg van [de gedaagde] gelegen de stelling dat ook kan worden volstaan met plaatselijk herstel, verder te onderbouwen. Die onderbouwing ontbreekt echter. Uit niets blijkt dat kan worden volstaan met het plaatselijk vervangen van het tegelwerk. Deze wijze van herstel ligt ook niet voor de hand in verband met het naar alle waarschijnlijkheid optredende kleurverschil tussen oude en de nieuwe tegels, ook wanneer deze tegels van hetzelfde merk en type zijn als de oorspronkelijke tegels. Uitgangspunt is dan ook dat alle tegels moeten worden verwijderd en dat geheel nieuw tegelwerk moet worden aangebracht.\n\n- ander merk en type tegel\n\n2.3.3.. In de offerte van [bouwbedrijf] zijn andere tegels begroot (Ceramax og. keramische tegels, totaalprijs € 2.420,00) dan de tegels die [de gedaagde] heeft geleverd en heeft gelegd (Gambini Jelling, totaalprijs € 1.544,47). De door [bouwbedrijf] begrote tegels zijn niet alleen zwaarder en hoger maar ook duurder dan de tegels die [de gedaagde] heeft gelegd. Uitgangspunt is echter dat Dex na herstel van de tegelvloer in de toestand wordt gebracht zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest indien de tekortkoming in de nakoming niet zou hebben plaatsgevonden. Dat betekent in dit geval de levering en deugdelijke plaatsing van de tegels van het merk Gambini Jelling, dan wel een soortgelijke tegel. Rekening houdend met een geschatte prijsstijging van 10% sinds 2023, worden de kosten voor het nogmaals aanschaffen van soortgelijke tegels geschat op een bedrag van € 1.698,92. Dit bedrag is voor de aanschaf van nieuwe tegels toewijsbaar.\n\n2.3.4.. Het voorgaande brengt met zich dat de kosten voor de huur van een vacuümheffer in verband met de zwaardere tegels niet voor toewijzing in aanmerking komen omdat deze kosten niet gemaakt hoeven te worden als uitgegaan wordt van de oorspronkelijke tegels.\n\n- muurafdekkers\n\n2.3.5.. In de offerte van [bouwbedrijf] zijn kosten begroot voor het verwijderen, leveren en aanbrengen van muurafdekkers, inclusief de daarvoor bijkomende kosten voor de aanschaf van lijm en zaag-, voeg-, stuc- en kitwerkzaamheden. Uit de offerte blijkt dat deze werkzaamheden volgens [bouwbedrijf] moeten worden verricht in verband met de nieuwe hoogte van de tegels (de nieuwe tegels zijn hoger dan de oorspronkelijke tegels). Zoals hiervoor al is overwogen, is [de gedaagde] niet gehouden om kosten aan Dex te betalen die het gevolg zijn van de aanschaf van een andere soort tegel dan de tegel die door [de gedaagde] is geleverd en geplaatst. Alle in de offerte begrote kosten die verband houden met het verwijderen, leveren en aanbrengen van de muurafdekkers komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking.\n\n- AK 5% en W+R 3%\n\n2.3.6.. \n [de gedaagde] stelt dat in de offerte een aantal zaken is begroot die eigenlijk onder de posten AK (Algemene Kosten) en W+R (Winst en Risico) vallen, zoals de posten ‘autokosten’ en ‘opname, calculatie, werkvoorbereiding’. Dit verweer slaagt deels. Autokosten zijn kosten die in beginsel vallen onder de post AK (dit zijn eigen apparaatskosten van een aannemer die niet direct aan een bouwproject zijn toe te rekenen). Door Dex is niet gesteld en evenmin is gebleken waarom in dit geval op dit uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt. De autokosten ter hoogte van € 730,00 zijn daarom onvoldoende onderbouwd en niet toewijsbaar. De overige door [de gedaagde] genoemde kosten (opname, calculatie en werkvoorbereiding) vallen niet onder de posten AK en W&R en is [de gedaagde] in beginsel aan Dex verschuldigd.\n\n- overige posten\n\n2.3.7.. Omdat niet alle in de offerte begrote werkzaamheden voor vergoeding in aanmerking komen, is het uit te voeren herstelwerk minder omvangrijk dan waar de offerte van uitgaat. Om deze reden zullen de navolgende posten uit de offerte worden geschat op 75% van de daarvoor begrote kosten:\n\n- opname, calculatie en werkvoorbereiding,\n\n- afwerken terras en tuinmuur,\n\n- stelpost diamantzaagwerk terrastegels en muurafdekkers,\n\n- stelpost kitwerk terrastegels en muurafdekkers,\n\n- opleveren en opruimen.\n\n- Btw\n\n2.3.8.. Dex is geen btw-plichtige ondernemer en hoeft dus de door [bouwbedrijf] begrote btw van 21% niet te betalen. Dit onderdeel van de vordering is daarom niet toewijsbaar.\n\n- Hoogte van begrote posten\n\n2.3.9.. \n [de gedaagde] heeft ten slotte in het algemeen gesteld dat [bouwbedrijf] de herstelkosten te hoog heeft geoffreerd maar heeft die stelling onvoldoende toegelicht en onderbouwd. De daartoe door [de gedaagde] overgelegde offertes van andere aannemers is daarvoor in elk geval niet voldoende. Weliswaar zijn in die offerte de herstelkosten op een lager bedrag begroot dan de offerte van [bouwbedrijf] maar in de door [de gedaagde] overgelegde offertes is uitgegaan van plaatselijk herstel van de tegelvloer terwijl uitgangspunt is dat de tegelvloer volledig moet worden vervangen. Deze offertes worden daarom buiten beschouwing gelaten.\n\n2.4.. Met inachtneming van het voorgaande zullen de totale herstelkosten worden vastgesteld op een bedrag van in totaal € 19.835,73. Dit bedrag is aan de hand van de offerte van [bouwbedrijf] als volgt opgebouwd:\n\nOpname, calculatie en werkvoorbereiding (75% van € 1.210,00)\n\n€ 907,50\n\nPlaatsen schaftkeet en huur chemisch toilet\n\n€ 740,00\n\nAfdekken bestaande hardstenen trap met underlayment og\n\n€ 560,00\n\nSloopwerk bestaande tegelvloer en afvoeren naar container\n\n€ 1.690,00\n\nSloopwerk bestaande cd-legbed en afvoeren naar container\n\n€ 1.690,00\n\nContainerkosten\n\n€ 750,00\n\nStellen hoogte regel voor dubbel afschot\n\n€ 290,00\n\nAanbrengen drainagemortel-legbed\n\n€ 3.020,00\n\nAanbrengen verzinkte krimnetjes in de drainagemortel-vloer\n\n€ 680,00\n\nLeveren tegels merk Gambini Jelling (zie hiervoor r.o. 2.3.3.)\n\n€ 1.698,92\n\nLeveren speciale flexibele lijm\n\n€ 500,00\n\nAanbrengen tegels\n\n€ 2.650,00\n\nInvoegen tegels\n\n€ 610,00\n\nStelpost diamantzaagwerk terrastegels en muurafdekkers (75% van € 750,00\n\n€ 562,50\n\nStelpost kitwerk terrastegels en muurafdekkers (75% € 500,00)\n\n€ 375,00\n\nAfwerken terras en tuinmuur (75% van € 1.460,00)\n\n€ 1.095,00\n\nOpleveren en opruimen (75% van € 730,00)\n\n€ 547,50\n\n Subtotaal\n\n€ 18.366,42\n\nAK 5%\n\n€ 918,32\n\nW+R 3%\n\n€ 550,99\n\n Totaal\n\n€ 19.835,73\n\n2.5.. De conclusie is dat de door Dex gevorderde hoofdsom toewijsbaar is tot een bedrag van € 19.835,73.\n\n2.6.. Dex vordert ook vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. In overeenstemming met het tarief dat is weergegeven in het (niet rechtstreeks van toepassing zijnde) Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en dat geacht wordt redelijk te zijn, is dan ook een bedrag van € 973,36 aan buitengerechtelijke incassokosten toewijsbaar.\n\n2.7.. De door Dex gevorderde onderzoekskosten van [bedrijf] ad € 785,12 zijn aan te merken als kosten ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid en komen op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b BW voor vergoeding in aanmerking.\n\n2.8.. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vordering in conventie toewijsbaar is tot een bedrag van in totaal € 21.594,21 (€ 19.835,73 + € 973,36 + € 785,12).\n\n2.9.. \n [de gedaagde] heeft in conventie een beroep gedaan op verrekening met een tegenvordering die hij stelt te hebben op Dex en waarvan hij tevens in reconventie betaling vordert. Het gaat hierbij om de laatste termijn van de aanneemsom ter hoogte van € 1.866,68.\n\n2.10.. Dex is op grond van de overeenkomst tussen partijen – die niet is ontbonden – nog bedrag van € 1.866,68 verschuldigd aan [de gedaagde] . Dit is tussen partijen ook niet in geschil. Voorts is voldaan aan de vereisten van artikel 6:127 BW. Het beroep op verrekening slaagt dan ook. Zoals hiervoor al is overwogen is [de gedaagde] gehouden om een bedrag van € 21.594,21 aan Dex te voldoen. Na verrekening resteert een door [de gedaagde] aan Dex te betalen bedrag van in totaal € 19.727,53 (€ 21.594,21 -\u002F- € 1.866,68). Dit bedrag zal in conventie worden toegewezen.\n\n2.11.. De vordering in reconventie die strekt tot betaling van het bedrag van € 1.866,68 is tenietgegaan door verrekening en zal daarom worden afgewezen. Omdat het beroep op verrekening slaagt is Dex geen wettelijke rente aan [de gedaagde] verschuldigd.\n\n2.12.. \n [de gedaagde] is zowel in conventie als in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat Dex niet bij gemachtigde procedeert, is [de gedaagde] geen salaris gemachtigde verschuldigd. In plaats daarvan zal een bedrag van € 50,00 aan verletkosten worden toegewezen. Van de gevorderde nakosten zullen enkel de kosten van betekening worden toegewezen.\n\n2.12.1.. De proceskosten van Dex in conventie worden vastgesteld en begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n122,35\n\n- griffierecht\n\n€\n\n1.461,00\n\n- verletkosten\n\n€\n\n50,00\n\nTotaal\n\n€\n\n1.633,35\n\n2.12.2.. Gelet op de uitkomst van de procedure in reconventie zullen de proceskosten in reconventie worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\nin conventie\n\n3.1.. verklaart voor recht dat [de gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verbintenissen uit de overeenkomst,\n\n3.2.. veroordeelt [de gedaagde] om aan Dex te betalen een bedrag van € 19.727,53,\n\n3.3.. veroordeelt [de gedaagde] in de proceskosten van € 1.633,35, te vermeerderen met de kosten van betekening,\n\n3.4.. wijst het meer of anders gevorderde af,\n\nin reconventie\n\n3.5.. wijst de vordering af,\n\n3.6.. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, zodat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\nDit vonnis is gewezen en in het openbaar uitgesproken door mr. S.E. Sijsma op 24 juni 2026.\n\nBij afwezigheid van mr. S.E. Sijsma is dit vonnis ondertekend door\n\nmr. M. Engelbert-Clarenbeek, kantonrechter.\n\nlt","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5163","2026-07-13T00:29:41.181Z",{"id":181,"ecli":182,"slug":183,"caseNumber":44,"courtId":176,"decisionDate":77,"fullText":184,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":185,"sourceTimestamp":60,"parsedAt":51,"updatedAt":186},"1834","ECLI:NL:RBGEL:2026:5160","ecli-nl-rbgel-2026-5160","RECHTBANK GELDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Zutphen\n\nZaaknummer: 12018926 \\ CV EXPL 25-3465\n\nVonnis van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [naam eiser],\n\nte [woonplaats] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [de eiser] ,\n\ngemachtigde: mr. K. Colakoglu,\n\ntegen\n\n [naam gedaagde],\n\nte [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [de gedaagde] ,\n\ngemachtigde: mr. M.H. Hogeman.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 4 maart 2026,\n\n- de voorafgaand aan de mondelinge behandeling door mr. Hogeman overgelegde aanvullende productie,\n\n- de mondelinge behandeling van 26 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [de gedaagde] is eigenaar van een bedrijfsruimte gelegen aan de [adres] . [de gedaagde] heeft in het verleden een winkel in deze bedrijfsruimte geëxploiteerd.\n\n2.2.. Partijen hebben een huurovereenkomst met elkaar gesloten op grond waarvan [de gedaagde] met ingang van 1 januari 2024 voormelde bedrijfsruimte (hierna: het gehuurde) casco verhuurt aan [de eiser] voor een periode van tien jaar voor een huurprijs van € 15.000,00 per jaar.\n\n2.3.. \n\nOp de huurovereenkomst zijn de ALGEMENE BEPALINGEN HUUROVEREENKOMST WINKELRUIMTE en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW (hierna: de algemene bepalingen) van toepassing. Artikel 13.3 van de algemene bepalingen luidt als volgt:\n\n“Verhuurder is niet aansprakelijk voor schade als gevolg van een gebrek en huurder kan in geval van een gebrek geen aanspraak maken op huurprijsvermindering en verrekening, behoudens de bevoegdheid tot verrekening als bedoeld in artikel 7:206 lid 3 Burgerlijk Wetboek.”\n\n2.4.. Het gehuurde heeft een kelder onder de gehele begane grond. De kelder bestaat uit twee ruimtes, een grote ruimte waar de trap op uitkomt en een kleine ruimte. In de kleine ruimte staat een compressor voor de waterafvalscheiding en is een professionele afzuiginstallatie aanwezig.\n\n2.5.. Op 2 of 3 januari 2024 is de kelder onder water komen te staan. Kort hierna heeft [vochtweringsbedrijf] Vochtbestrijding B.V. (hierna: [vochtweringsbedrijf] ) in opdracht van [de gedaagde] de kelder met een waterstofzuiger en bouwdrogers droog gemaakt.\n\n2.6.. Begin 2024 heeft [de gedaagde] het gehuurde met toestemming van [de eiser] verbouwd tot een tandartspraktijk.\n\n2.7.. In maart 2024 heeft [vochtweringsbedrijf] de kelder gesaneerd. Daarbij heeft zij een bekuiping, vochtwerende mortel, aquastuc op de wanden en een vloeistofdichte vloer in de kelder aangebracht.\n\n2.8.. In april en mei 2024 is tussen partijen discussie ontstaan over de uitvoering van de verdere herstelwerkzaamheden in de kelder, bestaande uit het sauzen, het aanleggen van extra ventilatie en het aanbrengen van twee radiatoren in de kelder. [de eiser] heeft aangegeven eerst de kelder te willen laten beoordelen door een deskundige voordat in deze ruimte verdere werkzaamheden worden verricht.\n\n2.9.. \n\nOp 1 oktober 2024 heeft Bureau voor Bouwpathologie in opdracht van [de eiser] de kelder van het gehuurde onderzocht. In de daarvan opgestelde rapportage van 27 november 2024 is onder meer het volgende vermeld:\n\n“(…)\n\nWAARNEMINGEN\n\n(…)\n\nKleine kelderruimte\n\n6. De vloer is zichtbaar verkleurd door vocht (…)\n\n7. De wanden hebben vochtschade (…)\n\n8. De wanden zijn over verschillende plekken aan de onderzijde nat gemeten (…)\n\n9. De vloer is nat gemeten (…)\n\n10. Aan de bovenzijde is zichtbaar dat de aangebrachte stuclaag stopt (…)\n\n11. De aangebrachte stuclaag is ook niet aangebracht bij de riolerings- en verwarmingsbuizen (…)\n\n12. De wand waar geen laag stucwerk is aangebracht meet nat tot zeer nat (…)\n\n(…)\n\n14. De relatieve luchtvochtigheid in de kleine ruimte is 84,8 % gemeten (…)\n\n(…)\n\nGrote kelderruimte\n\n18. De wanden hebben vochtschade (…)\n\n19. De vloer heeft zoutuitslag (…)\n\n(…)\n\n21. De wanden zijn over verschillende plekken aan de onderzijde vochtig tot nat gemeten en verder naar boven droog tot vochtig (…)\n\n22. Het kalkzandsteen buitenspouwblad is nat (…)\n\n24. Er zijn voldoende ventilatieopeningen in de gevel (…)\n\n25. Aan de bovenzijde is zichtbaar dat de aangebrachte stuclaag stopt (…)\n\n26. De relatieve luchtvochtigheid in de grote ruimte is 84,0% gemeten (…)\n\nBuitenzijde\n\n27. Aan de buitenzijde zijn de ventilatieopeningen van de kelder zichtbaar afgedekt met een rooster (…)\n\nVRAAGBEANTWOORDING\n\n(…)\n\nVraag 1:\n\nWaardoor is de waterschade ontstaan, waardoor er lekkages zijn en er zich ook vocht en schimmel vorm?\n\nAntwoord:\n\nUit de bouwaanvraag d.d. 13 april 1987 blijkt dat er oorspronkelijk geen kelder onder de winkelruimte was bedoelt. Er zijn geen gegevens over de kelder op de bouwaanvraagtekeningen bekent. In Advies konstructie van [naam] d.d. 2 maart 1987 staat een doorsnede en berekening van de kelder (bijlage 2). Tijdens het onderzoek was zichtbaar dat de kelderwand opgebouwd is uit twee kalkzandsteenwanden met een ps isolatie strak ertussen. Uit de doorsnede is op te maken dat de kelder gebouwd is op een betonnen plaat met massief gemetselde wanden tot een bepaalde hoogte, wat overgaat in een spouwmuurconstructie. Op het binnenspouwblad ligt de begane grond vloer. Het grondwater zit op 1,6 meter onder maaiveld. De kelderwanden zijn aan de binnenzijde waterdicht gemaakt met cementstuc.\n\nEr zijn op twee plekken lekkages te herleiden in de kelder:\n\nOp maaiveldhoogte zijn er aan de buitenzijde gevelopeningen welke uitkomen in de spouw en bij openingen in het binnenspouwblad welke zorgen voor de ventilatie in de kelder. Op de ontvangen foto’s is de toestand te zien voor de werkzaamheden. Hierop is duidelijk een lijn te zien met natte wanden onder de lijn en droge wanden boven de lijn. De lijn is de overgang van de massief gemetselde wand op de spouwconstructie. Het hemelwater kan via de ventilatieopeningen de spouwconstructie in, maar ook door vochtdoorslag. Het hemelwater kan niet de spouw uit en hoopt zich aan de onderzijde op in de spouw. Het hemelwater trekt in en door het massief gemetselde wanden als een spons. De cementstuc moet voor de waterdichting zorgen. Dit functioneert niet naar behoren, waardoor de kelderwanden vochtig zijn en er schimmel kan ontstaan. Tijdens de herstelwerkzaamheden is AquaStuc gipspleister op de cementstuc aangebracht. AquaStuc pleister is speciaal voor natte ruimtes en is waterafstotend, maar zorgt niet voor de waterdichting.\n\nDe kim is niet waterdicht, waardoor het grondwater tussen de kelderplaat en de massief gemetselde wand door kan. Dit zorgt voor de natte kelderplaat tegen en rondom de wanden en de zoutafzetting op de kelderplaat.\n\nVraag 2:\n\nWat zijn de kosten voor herstel en\u002F of eventueel hersteladvies is?\n\nAntwoord:\n\nDoor de aanwezige PS isolatie in de spouw kan er geen waterdichte kering en spouwlood op maaiveldhoogte gemaakt worden. Een vlakafdichting aan de buitenzijde is niet mogelijk, omdat de kelder niet volledig vrij gegraven kan worden. Daarom is de mogelijke hersteloptie alleen een gietafdichting aan de binnenzijde. Deze methode wordt gekozen bij kalkzandsteen. Kalkzandsteen is niet of nauwelijks geschikt om een afdichtingslaag op aan te brengen. Deze steen accepteert geen primers. Er wordt bij deze methode een muur aan de binnenzijde tegen de wand gemetseld. De ruimte tussen de twee muren wordt gevuld met waterdichte gietmortel. De kelderruimte wordt hierdoor welk kleiner. De nieuwe kelderwanden moeten na de werkzaamheden worden gestuct en gesausd.\n\nDe kosten voor bovenstaande werkzaamheden worden geraamd op€ 73.500,- excl. B.T.W..\n\n2.10.. \n\nIn maart 2025 hebben [vochtweringsbedrijf] en [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ) een onderzoek uitgevoerd naar de door [de eiser] gestelde vochtproblemen in de kelder. Bij brief van 10 april 2025 heeft [vochtweringsbedrijf] daarover aan [de gedaagde] bericht:\n\n“(…)\n\n1. Algemeen\n\n(…) De kelder is in mei 2024 opgeleverd zonder vochtproblemen. Tijdens dit onderzoek zijn uitgebreide vochtmetingen en thermografische inspecties verricht. De toegestane vochtwaarde van 12,8% is alleen overschreden in de kleine ruimte waar tandarts apparatuur staat die veel vocht uitstoot.\n\n2. Bevindingen\n\n Kimnaden zijn visueel onderzocht en met thermovisuele apparatuur. Er is géén lekkage waargenomen. De kimnaden zijn droog.\n\n De muren zijn blok voor blok gemeten met een vochtmeter en gescand met thermovisuele apparatuur. Ook hier is géén vocht vastgesteld. De muren zijn droog en daarmee is de conclusie dat de schimmelvorming het gevolg zou zijn van optrekkend vocht niet houdbaar.\n\n Vloer is eveneens over een langere periode middels een datalog stabiel gemeten, zonder signalen van optrekkend vocht.\n\n Ventilatie en verwarming zijn cruciale factoren: meetapparatuur (…) registreerde tussen 3 en 17 maart een gemiddelde temperatuur van 14,8 °C en een relatieve luchtvochtigheid van ca. 65%. Dit zijn suboptimale waarden voor een kelderruimte. Volgens de richtlijnen dient de temperatuur minimaal 18°C à 19°C te bedragen, ook is de luchtvochtigheid te hoog, deze zou rond de 50 tot max 55% mogen liggen.\n\n De vloerverwarming is aanwezig, maar wordt niet gebruikt door de huurder.\n\n De professionele ventilatie is uitgeschakeld door huurder. Hierdoor kan vochtige lucht niet worden afgevoerd, wat schimmelgroei in de hand werkt.\n\n In de ruimte met de tandartsmachine stijgt de luchtvochtigheid bij gebruik zelfs naar 74% (…) – wederom zonder afvoermechanisme vanwege de niet-functionerende ventilatie.\n\n3. Toelichting op de conclusies in het rapporthet rapport van Bureau voor Bouwpathologie, toevoeging kantonrechter]\n\nHet rapport stelt dat de kelderwand vocht doorlaat vanwege een gebrekkige binnenafdichting. Echter:\n\n Er is geen sprake van lekkage of optrekkend vocht zoals het rapport beweert.\n\n De schade die zichtbaar is, is veroorzaakt door interne factoren zoals onvoldoende ventilatie en verwarming.\n\n De aangebracht stuclaag en kitnaden zijn correct uitgevoerd en functioneren naar behoren. Er is geen visuele of meetbare schade aan deze afdichting.\n\n Het loslatende schilderwerk wordt veroorzaakt door schimmelvorming. Deze is mogelijk door de lage temperatuur, gebrekkige ventilatie en hoge luchtvochtigheid.\n\n4. Verantwoording en hersteladvies\n\nDe huidige situatie is het gevolg van het gedrag van de huurder:\n\n Het uitzetten van de ventilatie\n\n Het niet activeren van de vloerverwarming\n\n Het structureel niet openen van de trapdeur, waardoor luchtcirculatie wordt belemmerd\n\nOnder de huidige omstandigheden is sprake van gebruiksschade en achterstallig onderhoud door de huurder. Er is geen sprake van constructieve gebreken of gebrekkige waterafdichting.\n\n(…)”\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n [de eiser] vordert, samengevat, dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\n1. [de gedaagde] zal veroordelen om de gebreken aan\u002Fin het gehuurde zoals omschreven in het rapport van Bureau voor Bouwpathologie d.d. 27 november 2024 volledig en duurzaam te herstellen, uiterlijk binnen een termijn van één maand na betekening van het in deze te wijzen vonnis,\n\n2. de huurprijs van het gehuurde met ingang van 1 januari 2024, of een nader door de kantonrechter te bepalen datum, te verminderen met 25% of een nader door de kantonrechter vast te stellen percentage, tot en met het daadwerkelijk herstel van de genoemde gebreken,\n\n3. [de gedaagde] zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 7.524,62, vermeerderd met de wettelijk rente vanaf de respectievelijke vervaldata, 4. [de gedaagde] zal veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.\n\n3.2.. \n [de gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de eiser] in de kosten van deze procedure.\n\n3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. \n [de eiser] stelt zich op het standpunt dat het gehuurde diverse gebreken heeft en vordert in deze procedure herstel van die gebreken (artikel 7:206 BW), een vermindering van de huurprijs tot het moment dat de gestelde gebreken door [de gedaagde] zijn verholpen (artikel 7:207 BW) en vergoeding van de schade die [de eiser] stelt te hebben geleden (7:208 BW).\n\n4.2.. Allereerst moet worden beoordeeld of sprake is van één of meerdere gebreken aan het gehuurde als bedoeld in artikel 7:204 lid 2 BW. In dit artikel is een gebrek omschreven als een staat of eigenschap van de zaak of een andere niet aan de huurder toe te rekenen omstandigheid, waardoor de zaak aan de huurder niet het genot kan verschaffen dat een huurder bij het aangaan van de overeenkomst mag verwachten van een goed onderhouden zaak van de soort als waarop de overeenkomst betrekking heeft. De vraag of sprake is van een gebrek moet aan de hand van objectieve verifieerbare feitelijke gegevens worden vastgesteld.\n\n4.3.. \n [de eiser] stelt dat de kelder van het gehuurde ernstige gebreken heeft, namelijk vochtproblemen, lekkages en schimmelvorming. [de gedaagde] betwist dit en voert daartoe aan dat de muren van de kelder droog zijn en dat de hoge luchtvochtigheid in de kelder wordt veroorzaakt omdat [de eiser] het gehuurde onvoldoende verwarmt en ventileert.\n\n4.4.. De stelplicht en bewijslast van de stelling dat sprake is van lekkages en optrekkend vocht in de kelder, rusten op [de eiser] omdat zij zich op de rechtsgevolgen van die stelling beroept. [de eiser] heeft ter onderbouwing van de gestelde gebreken de rapportage van 27 november 2024 van Bureau voor Bouwpathologie (zie hiervoor 2.9.) overgelegd. Daarin is, kort gezegd, vermeld dat tijdens het onderzoek ter plaatse op 1 oktober 2024 de wanden en vloer in de kelder vochtig tot nat zijn gemeten en dat waterschade in de kelder is ontstaan omdat enerzijds hemelwater via de ventilatieopeningen in de spouwconstructie van de kelder terechtkomt en anderzijds hemelwater door de buitenmuren naar binnen trekt (optrekkend vocht).\n\n4.5.. \n [de gedaagde] betwist de juistheid van de bevindingen van Bureau voor Bouwpathologie. Ter onderbouwing van die betwisting verwijst zij naar de brief van 10 april 2025 van [vochtweringsbedrijf] (zie hiervoor 2.10.). In deze brief is, kort gezegd, vermeld dat [vochtweringsbedrijf] en [bedrijf] tijdens een verrichte contra-expertise in maart 2025 geen lekkages en vocht in de wanden of vloer hebben waargenomen en dat de zichtbare waterschade in de kelder wordt veroorzaakt door onvoldoende ventilatie en verwarming door [de eiser] .\n\n4.6.. De kantonrechter is van oordeel dat [de gedaagde] de juistheid van de bevindingen van Bureau voor Bouwpathologie voldoende gemotiveerd heeft weersproken door het laten uitvoeren van een contra-expertise door [vochtweringsbedrijf] en [bedrijf] . Het bewijs van de stelling dat in de kelder van het gehuurde sprake is van lekkages en optrekkend vocht, is daarom niet reeds op voorhand geleverd op grond van de door [de eiser] overgelegde rapportage van Bureau voor Bouwpathologie. Omdat evenmin uit de overige door [de eiser] overgelegde stukken voldoende bewijs is te putten, zal zij conform het door haar gedane aanbod tot bewijslevering worden toegelaten van haar stelling dat sprake is van lekkages en optrekkend vocht in de kelder.\n\n4.7.. Het ligt in de rede dat, gelet op de aard van het door [de eiser] te leveren bewijs, een deskundigenbericht wordt ingewonnen. Een onafhankelijke deskundige kan beoordelen of en in hoeverre sprake is van lekkages en optrekkend vocht in de kelder en zo ja, op welke wijze en tegen welke kosten deze gebreken hersteld kunnen worden. Alvorens tot benoeming van een deskundige wordt overgegaan, zal de kantonrechter de zaak naar de hierna te melden rol verwijzen opdat partijen zich kunnen uitlaten over de wenselijkheid van het deskundigenonderzoek, de persoon\u002Fpersonen van de te benoemen deskundige(n) en de aan deze voor te leggen vragen. Indien partijen zich wensen uit te laten over de persoon\u002Fpersonen van de te benoemen deskundige(n), wordt van partijen verwacht dat zij daarover met elkaar zullen overleggen en dat zij zoveel mogelijk een met elkaar overeenstemmend voorstel zullen voorleggen.\n\n4.8.. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 22 juli 2026voor het nemen van een akte door beide partijen als bedoeld in r.o. 4.7.,\n\n5.2.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. I.C.J.I.M. van Dorp en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.\n\nlt","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5160","2026-07-13T00:29:41.097Z",{"id":188,"ecli":189,"slug":190,"caseNumber":44,"courtId":57,"decisionDate":77,"fullText":191,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":192,"sourceTimestamp":147,"parsedAt":51,"updatedAt":193},"629","ECLI:NL:RBAMS:2026:6444","ecli-nl-rbams-2026-6444","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F772249 \u002F HA ZA 25-1270\n\nVonnis van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\neiser,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\nadvocaat: mr. M.W.J. Ariëns,\n\ntegen\n\n1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\n [gedaagde 1] B.V.,\n\ngevestigd te [vestigingsplaats 1] , 2. [gedaagde 2],\n\nwonende te [woonplaats 2] ,\n\ngedaagden,\n\nhierna te noemen: afzonderlijk [gedaagde 1] (1) en [gedaagde 2] (2) en samen [gedaagden 1 & 2] .,\n\nadvocaat: mr. H.C. Bijleveld,\n\n3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\n [gedaagde 3] B.V.,\n\ngevestigd te [vestigingsplaats 2] , 4. [gedaagde 4],\n\nwonende te [woonplaats 3] ,\n\ngedaagden,\n\nhierna te noemen: afzonderlijk [gedaagde 3] (3) en [gedaagde 4] (4) en samen [gedaagden 3 & 4]\n\nadvocaat: mr. G.C. Endedijk,\n\n1. De zaak en de beslissingen van de rechtbank in het kort\n\n1.1.. \n [eiser] werkte als directielid bij [bedrijf] . Hij is vanaf 2021 verdacht geweest van het mededelen van voorwetenschap. Het naar hem in dat verband verrichte strafrechtelijk onderzoek is geëindigd in een transactie met het Openbaar Ministerie, waarbij [eiser] een boete van € 20.000,00 heeft betaald. Op [datum 1] 2024 heeft het Openbaar Ministerie daarover een anoniem persbericht op haar website geplaatst.\n\n1.2.. Op [datum 2] 2024 heeft een journalist van het FD contact opgenomen met [eiser] en aan hem medegedeeld dat op maandag [datum 5] (op de website van het FD) en dinsdag [datum 6] 2024 (in de papieren krant van het FD) een artikel zou worden gepubliceerd over onder meer voornoemde gebeurtenissen. De journalist heeft [eiser] toen ook – in het kader van wederhoor – gevraagd of hij voorafgaand aan voornoemde publicatie commentaar wilde geven.\n\n1.3.. Daarop heeft [eiser] [gedaagde 1] en [gedaagde 3] ingeschakeld als respectievelijk communicatieadviseur en advocaat om hem te adviseren over de vraag of en zo ja welk commentaar hij zou moeten geven aan de journalist. Vervolgens hebben partijen verschillende conceptcommentaren uitgewisseld. In de middag van [datum 4] 2024 heeft [eiser] een commentaar aan de journalist gestuurd.\n\n1.4.. In de middag van [datum 5] 2024 is op de website van het FD een artikel over onder meer [eiser] verschenen. Op [datum 6] 2024 is datzelfde artikel in de papieren krant van het FD verschenen.\n\n1.5.. Intussen is [eiser] op [datum 5] 2024 door [bedrijf] op non-actief gesteld. Enige tijd later is hij op staande voet ontslagen. Na een daaropvolgend mediationtraject hebben [eiser] en [bedrijf] uiteindelijk een beëindigingsovereenkomst gesloten.\n\n1.6.. Volgens [eiser] hebben [gedaagden 1 & 2] en [gedaagden 3 & 4] hem ondeugdelijk geadviseerd over het door hem aan de journalist te geven commentaar en is hij als gevolg daarvan zijn baan bij [bedrijf] kwijtgeraakt. In deze procedure stelt [eiser] [gedaagden 1 & 2] en [gedaagden 3 & 4] daarvoor met verschillende vorderingen aansprakelijk.\n\n1.7.. De rechtbank wijst de vorderingen van [eiser] tegen [gedaagde 2] en [gedaagde 4] af. De redenen daarvoor zijn dat i) [eiser] geen overeenkomsten met hen persoonlijk heeft gesloten en ii) niet kan worden vastgesteld dat zij als bestuurders van hun vennootschappen onrechtmatig tegenover [eiser] hebben gehandeld.\n\n1.8.. De rechtbank wijst ook de vorderingen van [eiser] tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 3] af, omdat hij onvoldoende heeft onderbouwd dat zij – als respectievelijk communicatieadviseur en advocaat – zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen tegenover hem.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 26 juni 2025, met producties 1 – 33,\n\n- de incidentele conclusie houdende verzoek als bedoeld in artikel 195 Rv van [gedaagden 3 & 4] , met producties 1 – 2,\n\n- de conclusie van antwoord in incident, met producties 34 – 35,\n\n- de akte houdende vermindering van eis in het incident tot nihil van [gedaagden 3 & 4] ,\n\n- de conclusie van antwoord van [gedaagden 1 & 2] , met producties 1 – 5,\n\n- de conclusie van antwoord van [gedaagden 3 & 4] , met producties 3 – 4,\n\n- het tussenvonnis van 21 januari 2026 waarbij de mondelinge behandeling is bepaald,\n\n- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 13 mei 2026 en de daarin genoemde stukken,\n\n- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van 13 mei 2026 die zich in het dossier bevinden.\n\n2.2.. Daarna is bepaald dat vandaag een vonnis wordt uitgesproken.\n\n3. De feiten\n\nDe betrokken partijen\n\n3.1.. \n [eiser] is op 16 mei 2018 in dienst getreden bij [bedrijf] . [eiser] heeft bij [bedrijf] de functie van Algemeen Directeur [dochterbedrijf] bekleed.\n\n3.2.. \n ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] (hierna: ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] ) is getrouwd met de broer van de echtgenote van [eiser] en was werkzaam bij een bank.\n\n3.3.. \n [gedaagde 2] is een communicatieadviseur en reputatiestrateeg, gespecialiseerd op het gebied van crisismanagement. [gedaagde 2] is bestuurder van [gedaagde 1] .\n\n3.4.. \n [gedaagde 4] is bestuurder van [gedaagde 3] en werkt daar als advocaat.\n\nDe verdenking van [eiser]\n\n3.5.. De vader van ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] (hierna: [de vader van schoonzus] ) heeft op enig moment gebeld met een vermogensbeheerder van Van Lanschot Bankiers en gezegd dat hij aandelen in [bedrijf] wilde kopen, omdat hij van zijn dochter had begrepen dat er goede kwartaalcijfers en een deal met een Chinese entiteit aan zaten te komen. Voornoemde vermogensbeheerder heeft dit telefoongesprek vervolgens gemeld bij de Autoriteit Financiële Markten (hierna: de AFM).\n\n3.6.. In maart 2021 heeft de AFM aangifte gedaan bij het Functioneel Parket van het Openbaar Ministerie (hierna: het OM) van een vermoedelijke overtreding van het verbod op handel met voorwetenschap.\n\n3.7.. Naar aanleiding van die aangifte is het OM een strafrechtelijk onderzoek gestart naar onder meer [eiser] . Eind september 2021 heeft het OM aan [eiser] laten weten dat hij werd verdacht van het mededelen van en handelen met voorwetenschap. Het strafrechtelijk onderzoek naar [eiser] is uitgevoerd door de Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdienst (hierna: de FIOD).\n\n3.8.. In een brief van 15 november 2021 heeft [bedrijf] [eiser] onder meer gewaarschuwd voor het meermaals overtreden van het interne Reglement Voorwetenschap van [bedrijf] . In deze brief staat verder het volgende:\n\n“Daarnaast heeft u recent met [naam 1] [de chief executive officer (CEO) van [bedrijf] , toevoeging rechtbank] en met [naam 2] [ compliance officer van [bedrijf] , toevoeging rechtbank] besproken dat u door het Openbaar Ministerie verdacht wordt van het wederrechtelijk mededelen van voorwetenschap. U heeft in dat gesprek uitdrukkelijk aangegeven dat deze verdenking onterecht is, en dat u ter dezer zake geen enkel verwijt treft. Indien in de toekomst toch mocht blijken dat deze bevestiging van uw zijde onjuist was en\u002Fof dat u wel degelijk betrokken bent bij het wederrechtelijk mededelen van voorwetenschap die betrekking heeft op [bedrijf] NV, dan wel indien in het kader van het strafrechtelijke traject andere zaken naar voren komen die het in u gestelde vertrouwen nog verder beschadigen, zal zulks niet zonder gevolgen voor uw dienstverband kunnen blijven. Wij behouden ons voor die gevallen alle rechten voor, het recht tot onmiddellijke beëindiging van uw dienstverband daaronder uitdrukkelijk begrepen.”\n\n3.9.. Begin december 2023 is [eiser] met het OM een transactie aangegaan. Als onderdeel daarvan heeft hij een boete van € 20.000,00 betaald.\n\n3.10.. Op [datum 1] 2024 heeft het OM een persbericht op haar website gepubliceerd waarin onder meer het volgende staat:\n\n“Geldboetes voor handel met voorwetenschap\n\n(…)\n\nHet Openbaar Ministerie (OM) heeft voor het opzettelijk mededelen van voorwetenschap en het opzettelijk handelen met voorwetenschap twee zaken buitengerechtelijk afgedaan met geldboetes van 25.000 euro en 20.000 euro.\n\nAanleiding strafzaak\n\nDoor de Autoriteit Financiële Markten (AFM) is in maart 2021 bij het Functioneel Parket van het OM aangifte gedaan van een vermoedelijke overtreding van het verbod op handel met voorwetenschap. De AFM had van een oplettende vermogensbeheerder een melding (…) binnengekregen over een cliënt met opvallend beleggingsgedrag. Uit een opgenomen telefoongesprek bij de bank waar de vermogensbeheerder werkzaam was, bleek dat er mogelijk sprake was van het mededelen van voorwetenschap door een persoon binnen een Nederlands beursgenoteerd bedrijf.\n\nOnderzoek FIOD\n\nUit het strafrechtelijk onderzoek dat is uitgevoerd door de FIOD is gebleken dat er tussen de persoon bij het beursgenoteerde bedrijf, die daar een managementfunctie vervulde, en bij degene die handelde in de aandelen van dat bedrijf familiaire banden bestonden. Het door het OM verweten mededelen van voorwetenschap en daarop gevolgde handelen zag op kwartaalcijfers van het bedrijf en het bekendmaken van een deal met een buitenlandse partij.”\n\nHet eerste contact tussen [eiser] en een journalist van het FD\n\n3.11.. Op vrijdag [datum 2] 2024 heeft een journalist van het Financieele Dagblad (hierna: het FD) – de heer [naam 3] (hierna: [naam 3] ) – contact opgenomen met [eiser] . Hij heeft toen aan [eiser] medegedeeld dat op maandag [datum 5] 2024 op de website van het FD en op dinsdag [datum 6] 2024 in de papieren krant van het FD een artikel zou verschijnen over onder meer de verdenking van [eiser] en de door hem gesloten transactie met het OM. [naam 3] heeft [eiser] – in het kader van wederhoor – gevraagd of hij voorafgaand aan de publicatie van het artikel commentaar wilde geven.\n\nHet eerste contact tussen partijen\n\n3.12.. Op zaterdag [datum 3] 2024 heeft [eiser] gebeld met [gedaagde 2] en daarbij gevraagd te adviseren over de vraag of en zo ja, welk commentaar hij zou moeten geven met betrekking tot het door [naam 3] aangekondigde artikel. [gedaagde 2] heeft zich daartoe bereid verklaard.\n\n3.13.. Diezelfde dag heeft [gedaagde 2] – met instemming van [eiser] – [gedaagde 4] gebeld en hem gevraagd of hij bereid en beschikbaar was om zaterdag [datum 3] en zondag [datum 4] 2024 [eiser] mede te adviseren. [gedaagde 4] heeft zich daartoe bereid en beschikbaar verklaard. Daarna heeft [gedaagde 4] op [datum 5] 2024 een opdrachtbevestiging vanuit [gedaagde 3] aan [eiser] gemaild.\n\nDe correspondentie tussen partijen: [datum 3] 2024\n\n3.14.. In de middag van [datum 3] 2024 hebben partijen een telefonisch groepsgesprek gevoerd.\n\n3.15.. Daarna is een WhatsApp-groep tussen partijen aangemaakt. In een groepsgesprek hebben zij onder meer als volgt gecorrespondeerd:\n\n“[ [datum 3] -2024, 16:04:39] [gedaagde 4]: Concept\n\nGeachte heer [naam 3] ,\n\nNaar aanleiding van uw vragen bericht ik u als volgt. Ik heb mij niet zich schuldig gemaakt aan de genoemde strafbare feiten. Door een wat onhandige gang van zaken ben ik, samen met mijn schoonzus, enkele jaren geleden verdacht geraakt. Er was geen sprake van het bewust wisselen of gebruik maken van verboden informatie, maar een vermogend familielid heeft destijds toch gehandeld op basis van een onschuldig bedoeld gesprek. Omdat ik mijzelf, mijn naasten en mijn werkgever, een jarenlange procedure, die gepaard zou gaan met grote kosten, onzekerheid en reputatieschade, wilde besparen heb ik, hoewel ik absoluut van mening ben dat ik zou worden vrijgesproken, ingestemd met een schikking. Hiermee konden ik en de hiervoor bedoelde personen de zaak afuiten en door met ons leven. Ook mijn werkgever heeft aangedrongen op het aanvaarden van de schikking omdat zij publicataire schade vreesde. Alles is uitdrukkelijk geschied zonder schulderkenning en ook onder de voorwaarde dat daaraan geen ruchtbaarheid zou worden gegeven. Ik constateer nu dat deze vervelende zaak toch bij u terecht is gekomen en dat betreur ik. Ik hoop dat u zo prudent wilt zijn mijn naam niet of niet volledig te vermelden omdat ik anders online tot in de lengte der dagen vindbaar ben met iets dat ik niet heb gedaan. De officier van justitie is hiervoor ook gevoelig gebleken en heeft ingestemd met een anoniem persbericht. Ik hoop dat u dit wilt respecteren. Uiteraard ben ik graag tot een nadere (telefonische) toelichting bereid.”\n\n[ [datum 3] -2024, 16:05:23] [gedaagde 4]: Dit is maar een opzet uiteraard die ook moet worden afgestemd met jouw advocaat en mogelijk moet worden veranderd naar gelang de vragen van [naam 3] .\n\n[ [datum 3] -2024, 16:07:07] [gedaagde 4]: Maar dan hebben we vast een 'werktekst'”\n\nDe correspondentie tussen partijen: [datum 4] 2024\n\n3.16.. In de ochtend van zondag [datum 4] 2024 heeft [naam 3] [eiser] onder meer als volgt bericht:\n\n“Ha [eiser] , ik zou graag antwoord krijgen op de volgende vragen, vóór vandaag 17u.\n\n1. Je reactie op de betaling van €25.000 aan justitie vanwege delen van voorkennis?\n\n2. Wat is het gevolg geweest van de voorkennis-affaire voor jouw dienstverband met [bedrijf] ?\n\nEn\u002Fof werk je er nog?\n\n3. Wat was voor jou de reden om de koersgevoelige informatie over de deal met China en\n\nkwartaalcijfers te delen met ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] en\u002Fof haar vader?\n\n4. Bij welke gelegenheid en op welke datum heb je die informatie met hen gedeeld?\n\n5. waarom heeft [bedrijf] geen melding gemaakt van het justitiële onderzoek en de handel met voorkennis? Was [bedrijf] daartoe niet verplicht?”\n\n3.17.. \n [eiser] heeft voornoemd bericht van [naam 3] per WhatsApp aan [gedaagde 2] en [gedaagde 4] doorgestuurd. Daarna hebben partijen onder meer als volgt gecorrespondeerd:\n\n“[ [datum 4] -2024, 11:25:32] [eiser]: FYI mijn boet was 20k\n\n[ [datum 4] -2024, 11:26:00] [gedaagde 4]: Yes maar hij heeft veel kennis. Kennelijk heeft hij het\n\ndossier.\n\n[ [datum 4] -2024, 11:28:37] [eiser]: Ja ik denk een gedeelte blijkbaar. Want in het gehele\n\ndossier komt na getuigen verklaringen etc wel naar voren dat delen van cijfers zo goed als niet mogelijk was.\n\n[ [datum 4] -2024, 11:29:17] [eiser]: Maar goed, ik wacht even op jullie reactie.\n\n[ [datum 4] -2024, 11:30:19] [gedaagde 2]: We gaan het antwoord even ombouwen en\n\nverzakelijken. [naam 3] [ [naam 3] , toevoeging rechtbank] weet te veel dus kunnen het niet zomaar afdoen.\n\n[ [datum 4] -2024, 11:31:25] [eiser]: Begrijp ik. En fyi mbt de handel met China dat was al gepubliceerd in de half jaar verslagen van [bedrijf] paar maanden daar voor die publieke zijn.\n\n[ [datum 4] -2024, 11:57:54] [gedaagde 2]: Geachte heer [naam 3] , Naar aanleiding van uw vragen\n\nbericht ik u als volgt. Ik heb mij niet schuldig gemaakt aan hetgeen u beweert. Door een wat\n\nonhandige gang van zaken ben ik, samen met mijn schoonzus, enkele jaren geleden verdachte geworden en heeft een onderzoek plaatsgevonden. Er was geen sprake van het bewust delen of gebruik maken van verboden informatie. Maar een familielid heeft destijds zonder mijn medeweten helaas toch gehandeld op basis van een onschuldig bedoeld gesprek. Omdat ik mijzelf, mijn naasten en mijn werkgever, een jarenlange procedure wilde besparen, die gepaard zou gaan met grote kosten, onzekerheid en reputatieschade, heb ik ingestemd met een schikking. Ik wil wel benadrukken dat ik van mening ben dat ik in een procedure uiteindelijk zou worden vrijgesproken. Maar door te schikken konden ik en de hiervoor bedoelde personen de zaak snel afsluiten. Een en ander is afgestemd met mijn werkgever. Alles is uitdrukkelijk geschied zonder schulderkenning en ook onder de voorwaarde dat daaraan geen ruchtbaarheid zou worden gegeven. Ik constateer nu dat deze vervelende zaak toch bij u terecht is gekomen en dat betreur ik. Ook omdat de officier van justitie heeft ingestemd met een geanonimiseerd persbericht. Dat was voor mij een belangrijke voorwaarde om deze schikking aan te gaan. De boete was overigens 20.000 euro. Ik ga ervan uit dat u prudent met mijn personalia zult omgaan.”\n\n3.18.. Intussen heeft [eiser] het commentaar– zoals opgenomen in voornoemd bericht van [gedaagde 2] van 11:57:54 – per WhatsApp met zijn broer – [broer eiser] – gedeeld. In reactie daarop heeft [broer eiser] de passage “Maar een familielid heeft destijds zonder mijn medeweten helaas toch gehandeld op basis van een onschuldig bedoeld gesprek” rood omcirkeld en aan [eiser] gevraagd: “Ik ken het dossier onvoldoende maar is dit niet toch bekennen?” [eiser] heeft die vraag van [broer eiser] vervolgens doorgestuurd aan [gedaagde 2] en [gedaagde 4] .\n\n3.19.. Daarna hebben partijen onder meer als volgt gecorrespondeerd:\n\n“[ [datum 4] -2024, 12:30:23] [gedaagde 2]: dan zetten we er ‘kennelijk’ voor. Dan nemen we nog meer afstand. En dat je het weet moge wel duidelijk zijn na deze zaak: Naar aanleiding van uw vragen bericht ik u als volgt. Ik heb mij niet schuldig gemaakt aan hetgeen u beweert. Door een wat onhandige gang van zaken ben ik, samen met mijn schoonzus, enkele jaren geleden verdachte geworden en heeft een onderzoek plaatsgevonden. Er was geen sprake van het bewust delen of gebruik maken van verboden informatie. Maar een familielid heeft destijds kennelijk zonder mijn medeweten helaas toch gehandeld op basis van een onschuldig bedoeld gesprek. Omdat ik mijzelf, mijn naasten en mijn werkgever, een jarenlange procedure wilde besparen, die gepaard zou gaan met grote kosten, onzekerheid en reputatieschade, heb ik ingestemd met een schikking. Ik wil wel benadrukken dat ik van mening ben dat ik in een procedure uiteindelijk zou worden vrijgesproken. Maar door te schikken konden ik en de hiervoor bedoelde personen de zaak snel afsluiten. Een en ander is afgestemd met mijn werkgever. Alles is uitdrukkelijk geschied zonder schulderkenning en ook onder de voorwaarde dat daaraan geen ruchtbaarheid zou worden gegeven. Ik constateer nu dat deze vervelende zaak toch bij u terecht is gekomen en dat betreur ik. Ook omdat de officier van justitie heeft ingestemd met een geanonimiseerd persbericht. Dat was voor mij een belangrijke voorwaarde om deze schikking aan te gaan. De boete was overigens 20.000 euro. Ik ga ervan uit dat u prudent met mijn personalia zult omgaan.\n\n[ [datum 4] -2024, 12:45:43] [eiser]: Hi [gedaagde 2] [ [gedaagde 2] , toevoeging rechtbank],\n\n (…)\n\n1: kan je nog een keer het gehele final bericht in apart appje sturen zodat het een geheel is\n\n(…)\n\n[ [datum 4] -2024, 12:47:17] [eiser]: Laatste vraag: is schoonzus wel het juiste woord? Is dat ook schoonzus of iets meer in de richting van aangetrouwde familie om meer afstand te creëren?\n\n[ [datum 4] -2024, 12:49:19] [gedaagde 4]: Aangetrouwd familielid?\n\n[ [datum 4] -2024, 12:49:23] [gedaagde 4]: Ook prima.\n\n(…)\n\n[ [datum 4] -2024, 13:30:23] [gedaagde 2]: Aangepast statement: Beste [naam 3] ,\n\nNaar aanleiding van jouw vragen bericht ik je het volgende. Ik heb mij niet schuldig gemaakt aan hetgeen jij beweert. Door een wat onhandige gang van zaken ben ik, samen met een aangetrouwd familielid, enkele jaren geleden verdachte geworden en heeft een onderzoek plaatsgevonden. Er was geen sprake van het bewust delen of gebruik maken van verboden informatie. Maar dat familielid heeft destijds zonder mijn medeweten helaas toch gehandeld op basis van een onschuldig bedoeld gesprek. Omdat ik mijzelf, mijn naasten en mijn werkgever, een jarenlange procedure wilde besparen, die gepaard zou gaan met grote kosten, onzekerheid en reputatieschade, heb ik ingestemd met een schikking. Ik wil wel benadrukken dat ik van mening ben dat ik in een procedure uiteindelijk zou worden vrijgesproken. Maar door te schikken konden we de zaak snel afsluiten. Dit is afgestemd met mijn werkgever. Alles is uitdrukkelijk geschied zonder schulderkenning en ook onder de voorwaarde dat daaraan geen ruchtbaarheid zou worden gegeven. Ik constateer nu dat deze vervelende zaak toch bij jou terecht is gekomen en dat betreur ik. Ook omdat de officier van justitie heeft ingestemd met een geanonimiseerd persbericht. Dat was voor mij een belangrijke voorwaarde om deze schikking aan te gaan. De boete was overigens 20.000 euro. Ik ga ervan uit dat je met respect voor mijn privacy met mijn naamgegevens zult omgaan.\n\n (…)\n\n[ [datum 4] -2024, 13:33:14] [gedaagde 4]:\n\n[ [datum 4] -2024, 13:36:05] [eiser]: Thanks\n\n[ [datum 4] -2024, 13:40:05] [eiser]: Done.”\n\n3.20.. Intussen heeft [eiser] de tekst zoals opgenomen in het WhatsApp-bericht van [gedaagde 2] van 13:30:23 – met uitzondering van de woorden “Aangepast statement” – aan [naam 3] doorgestuurd.\n\nHet artikel in het FD\n\n3.21.. In de middag van [datum 5] 2024 is op de website van het FD een artikel verschenen dat onder meer als volgt luidt:\n\n“OM beboet [bedrijf] - directeur en ABN AMRO-bankier in voorkenniszaak\n\nEen directeur van de groothandelstak van [bedrijf] en een afdelingshoofd van ABN Amro zijn door het Openbaar Ministerie bestraft voor handel met voorkennis. Er werd koersgevoelige informatie gedeeld over kwartaalcijfers en een op handen zijnde distributiedeal van het beddenconcern in China in 2020.\n\nNa onderzoek heeft het OM de zaak buiten de rechtbank om afgedaan met geldboetes. De [bedrijf] - manager , die leiding geeft aan dochterbedrijf [dochterbedrijf] , betaalt €20.000 voor het opzettelijk delen van voorwetenschap. De ABN Amro-bankier, een familielid van de directeur , betaalt €25.000 vanwege handelen met voorkennis. De twee erkennen geen schuld. ABN Amro heeft de vrouwelijke bankier ontslagen, en een melding gedaan bij de tuchtcommissie voor banken.\n\nHet OM maakte de boetes afgelopen week bekend via een geanonimiseerd persbericht. Uit onderzoek van het FD blijkt dat de zaak draait om het onlangs van de beurs gehaalde [bedrijf] en [eiser] , die bij [dochterbedrijf] nog altijd verantwoordelijk is voor de internationale uitbreiding van het beddenconcern.\n\n [eiser] bevestigt na vragen van deze krant dat hij een schikking heeft getroffen met justitie. ‘Om zo mijzelf, mijn naasten en mijn werkgever een jarenlange procedure te besparen, die gepaard zou gaan met grote kosten, onzekerheid en reputatieschade’, legt hij uit.\n\nDe directeur schuift de schuld grotendeels op het bord van de bankier: ‘Door een wat onhandige gang van zaken, ben ik samen met een aangetrouwd familielid enkele jaren geleden verdachte geworden.’ Volgens hem ‘was geen sprake van het bewust delen of gebruik maken van verboden informatie. Maar dat familielid heeft destijds zonder mijn medeweten helaas toch gehandeld op basis van een onschuldig bedoeld gesprek.’\n\nMet de informatie heeft de bejaarde vader van de bankier gehandeld in aandelen van [bedrijf] . Het aandeel steeg 10% op een dag in oktober 2020 nadat het bedrijf een deal in China had bekendgemaakt. De zaak tegen de nu 77-jarige vader is geseponeerd vanwege ‘persoonlijke omstandigheden’, bevestigt het OM.\n\n [eiser] stelt zich op het standpunt dat hij in een rechtszaak zou worden vrijgesproken. ‘Maar door te schikken konden we de zaak snel afsluiten. Dit is afgestemd met mijn werkgever.’ Een woordvoerder van [bedrijf] stelt dat het concern geen reactie kan geven, omdat sprake is van een privékwestie.”\n\n3.22.. Op [datum 6] 2024 is voornoemd artikel ook in de papieren krant van het FD verschenen.\n\nHet einde van het dienstverband van [eiser] bij [bedrijf]\n\n3.23.. In de ochtend van [datum 5] 2025 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen [eiser] en [bedrijf] .\n\n3.24.. In een brief van diezelfde dag is [eiser] door [bedrijf] met onmiddellijke ingang op non-actief gesteld. In die brief staat onder meer het volgende:\n\n“Deze ordemaatregel treffen wij naar aanleiding van recente ontwikkelingen rond de tegen u bestaande verdenking van het wederrechtelijk delen van voorkennis. Zoals u weet, hebben wij eind 2021 met u gesproken over die verdenking. U heeft ons toen uitdrukkelijk aangegeven dat u op dat punt geen enkel verwijt zou treffen en dat de betreffende verdenking geheel onterecht zou zijn (zie de waarschuwingsbrief van 15 november 2021). Inmiddels is ons, eind vorige week, gebleken dat u ter zake van onder meer deze verdenking een transactie bent aangegaan met het OM. Daar komt bij, dat u mij gisteren heeft bevestigd dat u wel degelijk kennis die als voorwetenschap kan worden geduid heeft gedeeld, maar dat u daarvan geen verwijt zou treffen, omdat het — ik vat het samen in mijn eigen woorden — een ongelukkige samenloop van omstandigheden is geweest, waarbij u niet “bewust” informatie heeft gedeeld, maar anderen misbruik hebben gemaakt van informatie over [bedrijf] die u hen heeft gegeven. Dit valt voor ons niet te rijmen met uw eerdere bevestiging dat u geen enkel verwijt treft en er niets ontoelaatbaars is gebeurd. We willen u graag op zo kort mogelijke termijn horen over een en ander en nodigen u daarom uit voor een gesprek op woensdag 17 januari as, om 9.00 uur bij ons op kantoor. (….)”\n\n3.25.. In een brief van 29 januari 2024 heeft [bedrijf] [eiser] op staande voet ontslagen. In die brief staat – samengevat – dat [bedrijf] het ontslag van [eiser] grondt op de volgende vijf redenen:\n\n [eiser] heeft voorkennis over [bedrijf] gedeeld met een derde.\n\n [eiser] heeft niet de waarheid verteld, toen [bedrijf] eind 2021 met hem heeft gesproken over de verdenkingen van het OM en [eiser] heeft verklaard dat die verdenkingen onterecht waren en hem ter zake geen enkel verwijt trof.\n\nIn de reactie van [eiser] op het FD is ten onrechte gesteld dat hij de transactie met het OM na afstemming met [bedrijf] heeft gesloten.\n\nOp [datum 4] 2024 heeft [eiser] een aantal e-mails met bedrijfsvertrouwelijke informatie over [bedrijf] verstuurd van zijn zakelijke e-mailaccount naar een privé e-mailaccount, waaronder een groot contract met een toeleverancier en financiële cijfers (vanaf 2020) van [bedrijf] .\n\n [eiser] heeft – in het licht van het hiervoor in 1 tot en met 4 genoemde – geen open kaart gespeeld en heeft ongeloofwaardige verklaringen gegeven en mist in ernstige mate de betrouwbaarheid die als eigenschap vereist is om als leidinggevende functionaris binnen [bedrijf] werkzaam te kunnen zijn.\n\n3.26.. Daarna heeft een mediationtraject plaatsgevonden tussen [eiser] en [bedrijf] . Dit heeft ertoe geleid dat zij op 8 mei 2024 een overeenkomst hebben gesloten, waarbij de arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en [bedrijf] met wederzijds goedvinden per 1 augustus 2024 werd beëindigd.\n\nDe facturen van [gedaagde 1] en [gedaagde 3]\n\n3.27.. Op 18 januari 2024 heeft [gedaagde 1] € 3.025,00 aan [eiser] gefactureerd. [eiser] heeft die factuur betaald.\n\n3.28.. Op 2 februari 2024 heeft [gedaagde 3] € 1.500,64 aan [eiser] gefactureerd. [eiser] heeft die factuur betaald.\n\nDe aansprakelijkstelling van [gedaagden 1 & 2] en [gedaagden 3 & 4] door [eiser]\n\n3.29.. In brieven van 5 september 2024 en 15 november 2024 heeft [eiser] respectievelijk [gedaagden 3 & 4] en [gedaagden 1 & 2] aansprakelijk gesteld voor door hem geleden en nog te lijden schade.\n\n3.30.. \n [gedaagden 3 & 4] en [gedaagden 1 & 2] hebben in brieven van respectievelijk 22 oktober 2024 en 19 december 2024 aan [eiser] aansprakelijkheid van de hand gewezen.\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. \n [eiser] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:\n\nprimair:\n\nde door [eiser] met [gedaagde 3] gesloten overeenkomst ontbindt,\n\n [gedaagde 3] veroordeelt tot betaling van € 1.500,64, te vermeerderen met de wettelijke rente,\n\nde door [eiser] met [gedaagde 1] gesloten overeenkomst ontbindt,\n\n [gedaagde 1] veroordeelt tot betaling van € 3.025,00, te vermeerderen met de wettelijke rente,\n\nvoor recht verklaart dat [gedaagde 3] jegens [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen,\n\n [gedaagde 3] veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,\n\nvoor recht verklaart dat [gedaagde 4] jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld,\n\n [gedaagde 4] veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,\n\nvoor recht verklaart dat [gedaagde 1] jegens [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen,\n\n [gedaagde 1] veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,\n\nvoor recht verklaart dat [gedaagde 2] jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld,\n\n [gedaagde 2] veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,\n\nsubsidiair:\n\n13. de door [eiser] met [gedaagde 4] gesloten overeenkomst ontbindt,\n\n13. [gedaagde 4] veroordeelt tot betaling van € 1.500,64, te vermeerderen met de wettelijke rente,\n\n13. de door [eiser] met [gedaagde 2] gesloten overeenkomst ontbindt,\n\n13. [gedaagde 2] veroordeelt tot betaling van € 3.025,00, te vermeerderen met de wettelijke rente,\n\n13. voor recht verklaart dat [gedaagde 4] jegens [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen,\n\n13. [gedaagde 4] veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,\n\n13. voor recht verklaart dat [gedaagde 2] jegens [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen,\n\n13. [gedaagde 2] veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,\n\nzowel primair als subsidiair:\n\n21. gedaagden hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n4.2.. \n [gedaagden 1 & 2] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid dan wel afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n4.3.. \n [gedaagden 3 & 4] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid dan wel afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de proceskosten, waaronder de proceskosten in het incident, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n4.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, indien nodig, ingegaan.\n\n5. De beoordeling\n\nInleiding\n\n5.1.. Het kernverwijt dat [eiser] aan [gedaagden 1 & 2] en [gedaagden 3 & 4] maakt, is dat zij hem – als respectievelijk communicatieadviseur en advocaat – ondeugdelijk hebben geadviseerd over het door hem aan [naam 3] te geven commentaar. [eiser] heeft daartoe gewezen op de volgende passage (hierna: de passage) in dat commentaar:\n\n“Er was geen sprake van het bewust delen of gebruik maken van verboden informatie. Maar dat familielid heeft destijds zonder mijn medeweten helaas toch gehandeld op basis van een onschuldig bedoeld gesprek.”\n\n5.2.. \n [naam 3] heeft de passage verwerkt in zijn artikel dat in het FD is verschenen (zie 3.21, vijfde alinea). [eiser] heeft toegelicht dat de passage kon worden begrepen als een bekentenis dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het mededelen van voorwetenschap. Volgens [eiser] heeft [bedrijf] de passage ook zo heeft begrepen en is hij daardoor zijn baan bij [bedrijf] is kwijtgeraakt.\n\n5.3.. \n [eiser] stelt [gedaagden 1 & 2] en [gedaagden 3 & 4] daarvoor in deze procedure aansprakelijk en heeft daartoe verschillende vorderingen tegen hen ingesteld. Een aantal van deze vorderingen is gericht tegen [gedaagde 2] en [gedaagde 4] persoonlijk. De rechtbank bespreekt hierna eerst die vorderingen en vervolgens de vorderingen van [eiser] tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 3] .\n\nDe vorderingen tegen [gedaagde 2] en [gedaagde 4] worden afgewezen\n\nGeen onrechtmatig handelen door [gedaagde 2] en [gedaagde 4] tegenover [eiser]\n\n5.4.. \n [eiser] verwijt [gedaagde 2] en [gedaagde 4] onder meer dat zij onrechtmatig tegenover hem hebben gehandeld. In dit verband heeft [eiser] toegelicht dat hen – met name na de door hem doorgestuurde opmerking van zijn broer (zie 3.18) – ernstig te verwijten valt dat zij hebben nagelaten bij hem door te vragen althans de passage te schrappen dan wel aan te passen.\n\n5.5.. Voor zover [eiser] met die toelichting bedoelt dat [gedaagde 2] en [gedaagde 4] in hun hoedanigheid van bestuurders van respectievelijk [gedaagde 1] en [gedaagde 3] aansprakelijk zijn tegenover hem, gaat dat niet op. Uit vaste rechtspraak volgt dat indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, uitgangspunt is dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden kan – naast de vennootschap – ook de bestuurder worden aangesproken. Voor het aannemen van bestuurdersaansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. De lat voor het aannemen van bestuurdersaansprakelijkheid ligt dus hoog en die wordt hier niet gehaald. Het enkele feit dat [gedaagde 2] en [gedaagde 4] – na de door [eiser] doorgestuurde opmerking van zijn broer (zie 3.18) – de passage niet hebben geschrapt of aangepast, is daarvoor onvoldoende.\n\n5.6.. Andere omstandigheden die maken dat [gedaagde 2] en [gedaagde 4] onrechtmatig tegenover [eiser] hebben gehandeld, heeft [eiser] niet gesteld en zijn ook niet gebleken.\n\n5.7.. Al het voorgaande brengt mee dat de rechtbank niet kan vaststellen dat [gedaagde 2] en [gedaagde 4] onrechtmatig hebben gehandeld tegenover [eiser] . De primaire vorderingen van [eiser] die gegrond zijn op onrechtmatig handelen door [gedaagde 2] en [gedaagde 4] (zie 4.1 onder 7, 8, 11 en 12) worden daarom afgewezen.\n\nGeen overeenkomsten tussen [eiser] en [gedaagde 2] en [gedaagde 4] persoonlijk\n\n5.8.. \n [eiser] heeft verder subsidiaire vorderingen tegen [gedaagde 2] en [gedaagde 4] ingesteld die gegrond zijn op door hem gestelde overeenkomsten tussen hemzelf en [gedaagde 2] en [gedaagde 4] persoonlijk (zie 4.1 onder 13 tot en met 20). [gedaagde 2] en [gedaagde 4] betwisten dat [eiser] overeenkomsten met hen persoonlijk heeft gesloten.\n\n5.9.. Partijen zijn het erover eens dat [eiser] met [gedaagde 1] en [gedaagde 3] overeenkomsten heeft gesloten die strekten tot het geven van advies met betrekking tot het door hem te geven commentaar op het door [naam 3] aangekondigde artikel in het FD.\n\n5.10.. Partijen twisten evenwel over de vraag of [eiser] daartoe ook overeenkomsten met [gedaagde 2] en [gedaagde 4] persoonlijk heeft gesloten. De rechtbank oordeelt van niet. De facturen aan [eiser] – met betrekking tot de hiervoor bedoelde advisering – waren afkomstig van [gedaagde 1] en [gedaagde 3] en [eiser] heeft die ook heeft betaald (zie 3.27 en 3.28). Daarbij komt dat [gedaagde 4] op [datum 5] 2024 vanuit [gedaagde 3] een opdrachtbevestiging heeft gestuurd (zie 3.13). De rechtbank leidt uit deze gang van zaken af dat [eiser] alleen met [gedaagde 1] en [gedaagde 3] overeenkomsten heeft gesloten. Dit is ook volstrekt gebruikelijk bij dergelijke advisering. Omstandigheden die maken dat [eiser] erop mocht vertrouwen dat hij (ook) overeenkomsten met [gedaagde 2] en [gedaagde 4] persoonlijk had gesloten, heeft [eiser] niet gesteld en zijn ook niet gebleken.\n\n5.11.. Het oordeel dat [eiser] geen overeenkomsten heeft gesloten met [gedaagde 2] en [gedaagde 4] persoonlijk, brengt mee dat de subsidiaire vorderingen van [eiser] die gegrond zijn op die door hem gestelde overeenkomsten (zie 4.1 onder 13 tot en met 20), moeten worden afgewezen.\n\nOok de vorderingen tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 3] worden afgewezen\n\n5.12.. \n [eiser] vordert verder i) ontbinding van de overeenkomsten tussen hem en [gedaagde 1] en [gedaagde 3] , ii) terugbetaling van de reeds door hem aan [gedaagde 1] en [gedaagde 3] betaalde bedragen, iii) verklaringen voor recht dat [gedaagde 1] en [gedaagde 3] zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen tegenover hem en iv) veroordelingen van [gedaagde 1] en [gedaagde 3] tot betaling van schadevergoedingen, nader op te maken bij staat.\n\n5.13.. \n\nDe vraag die met betrekking tot al deze vorderingen moet worden beantwoord is of\n\n [gedaagde 1] en [gedaagde 3] – als respectievelijk communicatieadviseur en advocaat – zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen tegenover [eiser] . De rechtbank oordeelt van niet en legt hierna uit waarom.\n\n5.14.. De vraag of [gedaagde 1] – als communicatieadviseur – is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen tegenover [eiser] , moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 6:74 Burgerlijk Wetboek (BW). In dit wetsartikel staat onder meer dat iedere tekortkoming in de nakoming van een verbintenis de schuldenaar verplicht de schade die de schuldeiser daardoor lijdt te vergoeden, tenzij de tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend.\n\n5.15.. De vraag of [gedaagde 3] – in haar advocatenadvies – is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen tegenover [eiser] , moet worden beoordeeld aan de hand van vaste rechtspraak. Uit die rechtspraak volgt dat moet worden beoordeeld of de advocaat als beroepsbeoefenaar de zorgvuldigheid heeft betracht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. Suboptimaal handelen is daarbij onvoldoende om aansprakelijkheid aan te nemen. Vereist is een duidelijk ondermaats optreden. Anders gezegd, het moet gaan om een evidente omissie van de advocaat in de wijze waarop zij haar cliënt heeft bijgestaan.\n\n5.16.. Voorop staat dat partijen het erover eens zijn dat [gedaagde 2] op zaterdag [datum 3] 2024 aan [eiser] heeft medegedeeld dat hij volledige en juiste informatie moest verstrekken over de feitelijke gang van zaken waarop het door [naam 3] aangekondigde artikel betrekking had, zodat kon worden bepaald of en zo ja, welk commentaar [eiser] zou moeten geven aan [naam 3] .\n\n5.17.. \n [gedaagde 1] en [gedaagde 3] hebben verder toegelicht dat [eiser] – na de hiervoor geschetste mededeling van [gedaagde 2] – tijdens het telefonische groepsgesprek van zaterdag [datum 3] 2024 (zie 3.14) heeft gezegd dat hij op een familiefeestje had gesproken met ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] over de kwartaalcijfers van [bedrijf] en over een op handen zijnde deal van [bedrijf] met een Chinese entiteit, maar dat deze informatie niet kwalificeerde als voorwetenschap en dat hij ook nooit opzettelijk informatie heeft gedeeld die wel als voorwetenschap kwalificeert. [gedaagde 4] heeft ter zitting verklaard dat zij hebben doorgevraagd en “hem[ [eiser] , rechtbank]hebben gevraagd bij welke gelegenheid hij dat gesprek[met ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] , rechtbank]dan heeft gevoerd”, dat“Alle per WhatsApp gewisselde conceptreacties aan [naam 3] tot stand zijn gekomen op basis van de toelichtingen van [eiser] .”en“Ik ben er altijd vanuit gegaan dat het klopte wat ik had begrepen. Ik ben namelijk ook nooit gecorrigeerd.”.[gedaagde 1] heeft tijdens de zitting verklaard dat [eiser] toen ook heeft gezegd dat hij voornoemde mededelingen beter niet had kunnen doen. Kort na dat telefoongesprek heeft [gedaagde 4] een eerste conceptcommentaar opgesteld en dat in het WhatsApp-groepsgesprek tussen partijen gedeeld in zijn bericht van 16:04:39 (zie 3. 15 ). De inhoud van het eerste conceptcommentaar strookt ook met wat [eiser] – volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 3] – in het daaraan voorafgaande telefoongesprek tegen hen heeft gezegd. Daarin staat onder meer het volgende:\n\n“Door een onhandige gang van zaken ben ik, samen met mijn schoonzus, enkele jaren geleden verdacht geraakt. Er was geen sprake van het bewust wisselen of gebruik maken van verboden informatie, maar een vermogend familielid heeft destijds toch gehandeld op basis van een onschuldig bedoeld gesprek.”\n\n5.18.. Tegenover deze door [gedaagde 1] en [gedaagde 3] gestelde gang van zaken, is de kale stellingname van [eiser] dat hij tijdens voornoemd telefoongesprek heeft gezegd dat hij nooit de business van [bedrijf] met ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] heeft besproken van onvoldoende gewicht. Dat strookt namelijk niet met de inhoud van het eerste conceptcommentaar dat is opgesteld op basis van de door [eiser] zelf aan [gedaagde 1] en [gedaagde 3] verstrekte informatie. Als [eiser] meende dat hij expliciet tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 3] gezegd had dat hij nooit de business van [bedrijf] met ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] had besproken, had het voor de hand gelegen dat hij dit – meteen nadat het eerste conceptcommentaar werd gedeeld – bij hen had aangekaart, maar dat heeft hij niet gedaan.\n\n5.19.. Verder geldt dat na voornoemd eerste conceptcommentaar verschillende conceptcommentaren tussen partijen zijn uitgewisseld in hun WhatsApp-groepsgesprek en dat [eiser] daarop ook gedetailleerde input heeft gegeven.\n\n5.20.. Naar aanleiding van de door [eiser] doorgestuurde vragen van [naam 3] , heeft [gedaagde 2] op zondag [datum 4] 2024 een tweede conceptcommentaar in het WhatsApp-groepsgesprek gedeeld (zie 3.17). Dat tweede conceptcommentaar heeft [eiser] voorgelegd aan zijn broer, die daarop opmerkte dat de daarin opgenomen zin “Maar een familielid heeft destijds zonder mijn medeweten toch gehandeld op basis van een onschuldig bedoeld gesprek” kon worden begrepen als een bekentenis van schuld aan het mededelen van voorwetenschap (zie 3.18). [eiser] heeft die opmerking van zijn broer vervolgens in het WhatsApp-groepsgesprek gedeeld. Daarop heeft [gedaagde 2] gesuggereerd aan die zin het woord ‘kennelijk’toe te voegen, zodat die – in het derde conceptcommentaar van zijn hand – als volgt kwam te luiden: “Maar een familielid heeft destijds kennelijk zonder mijn medeweten helaas toch gehandeld op basis van een onschuldig bedoeld gesprek” (zie het bericht van [gedaagde 2] van [datum 4] 2024 van 12:30:23 in 3.19).\n\n5.21.. Naar aanleiding van dat derde conceptcommentaar is het steeds gebruikte woord ‘schoonzus’ op initiatief van [eiser] gewijzigd in ‘aangetrouwd familielid’ in het vierde conceptcommentaar zoals opgenomen in het bericht van [gedaagde 2] van [datum 4] 2024 van 13:30:23 (zie 3.19).\n\n5.22.. \n [eiser] heeft er in dit verband op gewezen dat het door [gedaagde 2] gesuggereerde woord ‘kennelijk’in het derde conceptcommentaar, niet is overgenomen in het vierde conceptcommentaar (vergelijk de berichten van [gedaagde 2] van [datum 4] 2024 van 12:30:23 en 13:30:23 in 3.19). Volgens [eiser] had het woord ‘kennelijk’niet mogen worden weggelaten, omdat zonder dat relativerende woord de passage nog stelliger als schuldbekentenis kon worden gelezen. Voor zover [eiser] bedoelt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 3] hierdoor zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen tegenover hem, wordt hij daarin niet gevolgd. Uit de brieven van [bedrijf] van 15 november 2021 en [datum 5] 2024 (zie 3.8 en 3.24) blijkt afdoende dat deze passage niet redengevend is geweest voor het ontslag.\n\n5.23.. Bovendien heeft [eiser] ook in de correspondentie over het tweede tot en met het vierde conceptcommentaar niet aan [gedaagde 1] en [gedaagde 3] duidelijk gemaakt dat de inhoud en strekking daarvan volgens hem niet klopte.\n\n5.24.. \n [eiser] heeft tijdens de zitting nog verklaard dat hij dacht dat het in de passage genoemde “onschuldig bedoelde gesprek” niet zag op een gesprek tussen hemzelf en ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] , maar op het gesprek tussen [de vader van schoonzus] en zijn vermogensbeheerder (zie 3.5), omdat hij gedurende het strafrechtelijk onderzoek meermaals geluidsopnamen heeft gehoord van dat gesprek.\n\n5.25.. Deze verklaring roept vragen op en is niet overtuigend. Uit de tussen partijen gewisselde conceptcommentaren en de daarover gevoerde correspondentie valt namelijk op geen enkele manier af te leiden dat het in de passage genoemde “onschuldig bedoelde gesprek” zag op het gesprek tussen [de vader van schoonzus] en zijn vermogensbeheerder. Uit die correspondentie blijkt wel dat partijen hebben gesproken over het gebruik van het woord ‘schoonzus’(zie 3.19). Verder heeft [gedaagde 1] onweersproken toegelicht dat [eiser] een telefoongesprek met [gedaagde 2] ook over het gebruik van het woord ‘schoonzus’heeft gesproken. Partijen zijn het erover eens dat het woord ‘schoonzus’in de eerste drie conceptcommentaren werd gebruikt om ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] aan te duiden en dat dit – op initiatief van [eiser] – is veranderd in ‘aangetrouwd familielid’. Dit alles wijst erop dat het in de passage genoemde “onschuldig bedoelde gesprek” zag op een gesprek tussen [eiser] zelf en ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] . Bij deze stand van zaken valt dan ook niet in te zien dat [eiser] heeft mogen begrijpen dat het in de passage genoemde “onschuldig bedoelde gesprek” zag op het gesprek tussen [de vader van schoonzus] en zijn vermogensbeheerder.\n\n5.26.. Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat [gedaagde 1] en [gedaagde 3] – als respectievelijk communicatieadviseur en advocaat – zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen tegenover hem. Dit brengt mee dat de vorderingen van [eiser] tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 3] (zie hiervoor 4.1 onder 1 tot en met 6, 9 en 10) moeten worden afgewezen.\n\n5.27.. Gezien het hiervoor gegeven oordeel komt de rechtbank niet meer toe een bespreking van wat partijen verder nog naar voren hebben gebracht.\n\nConclusie\n\n5.28.. De conclusie is dat alle vorderingen van [eiser] worden afgewezen.\n\nDe proceskosten en de daarover gevorderde wettelijke rente\n\n5.29.. \n [eiser] krijgt dus ongelijk en moet daarom de proceskosten van [gedaagden 1 & 2] en [gedaagden 3 & 4] betalen.\n\n5.30.. De proceskosten van [gedaagden 1 & 2] worden begroot op:\n\n- griffierecht: € 2.995,00\n\n- salaris advocaat: € 1.306,00 (2,0 punten x tarief II: € 653,00)\n\n- nakosten: € 189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\n- totaal: € 4.490,00\n\n5.31.. De proceskosten van [gedaagden 3 & 4] worden begroot op:\n\n- griffierecht: € 2.995,00\n\n- salaris advocaat: € 1.959,00 (3,0 punten x tarief II: € 653,00)\n\n- nakosten: € 189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\n- totaal: € 5.143,00\n\n5.32.. De reden dat [gedaagden 3 & 4] een hoger bedrag aan salaris advocaat toegewezen krijgt dan [gedaagden 1 & 2] , is dat [gedaagden 3 & 4] een incidentele vordering heeft moeten instellen om de beschikking te krijgen over stukken die [eiser] desgevraagd eerder niet vrijwillig aan haar wilde verstrekken. Voor de in dat verband door [gedaagden 3 & 4] gemaakte kosten, wordt daarom één (extra) punt aan salaris advocaat toegekend.\n\n5.33.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals hierna in de beslissing is vermeld.\n\nUitvoerbaarheid bij voorraad\n\n5.34.. De veroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit betekent dat de veroordelingen ook moeten worden uitgevoerd als tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld en zolang daarop niet anders is beslist.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n6.1.. wijst de vorderingen van [eiser] af,\n\n6.2.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [gedaagden 1 & 2] , begroot op € 4.490,00. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,\n\n6.3.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [gedaagden 3 & 4] , begroot op € 5.143,00. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,\n\n6.4.. veroordeelt [eiser] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten (zie 6.2 en 6.3) als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,\n\n6.5.. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. de Koning, rechter, bijgestaan door mr. L.J.P.C. Silven, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6444","2026-07-13T00:28:40.048Z",{"id":195,"ecli":196,"slug":197,"caseNumber":44,"courtId":57,"decisionDate":77,"fullText":198,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":199,"sourceTimestamp":77,"parsedAt":51,"updatedAt":200},"718","ECLI:NL:RBAMS:2026:6434","ecli-nl-rbams-2026-6434","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht, voorzieningenrechter\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F787825 \u002F KG ZA 26-398 MdV\u002FKH\n\nVonnis in kort geding van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nGRAND RELOCATION B.V.,\n\nte Amsterdam,\n\neisende partij bij gelijkluidende dagvaardingen van 22 mei 2026,\n\nhierna te noemen: Grand Relocation,\n\nadvocaten: mr. I.A. Hoedemaeker en mr. G.T. Poolman,\n\ntegen\n\n1. [gedaagde 1] , handelend onder de naam [handelsnaam gedaagde 1] ,\n\nte [plaats 1] , 2. [gedaagde 2],handelend onder de naam [handelsnaam gedaagde 2],\n\nte [plaats 2] , 3. [gedaagde 3], handelend onder de naam [handelsnaam gedaagde 3],\n\nte [plaats 3] ,\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna samen te noemen: gedaagden,\n\nadvocaat: mr. Y. Moszkowicz.\n\n1. De procedure\n\nTer zitting van 10 juni 2026 heeft Grand Relocation de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. Namens gedaagden is verweer gevoerd. Grand Relocation heeft producties ingediend en beide partijen hebben een pleitnota voorgedragen. Na verder debat is vonnis bepaald op vandaag. Ter zitting waren, voor zover relevant, aanwezig:\n\nnamens Grand Relocation: [naam 1] ( [functie 1] ) en [naam 2] ( [functie 2] ) met mr. Hoedemaeker en mr. Poolman,\n\nnamens gedaagden: mr. Moszkowicz.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Grand Relocation is een onderneming die zich richt op beheersactiviteiten, exploitatie van onroerend goed, bemiddeling bij de (ver)huur van woonruimte en verwerving, restauratie en instandhouding van beschermde monumenten.\n\n2.2.. Gedaagden zijn voormalig medewerkers van Grand Relocation. [gedaagde 3] heeft er vijf jaar gewerkt, [gedaagde 1] acht jaar en [gedaagde 2] meer dan tien jaar.\n\n2.3.. De eenmanszaak van [gedaagde 1] , [handelsnaam gedaagde 1] , is opgericht op 4 oktober 2020. De eenmanszaak van [gedaagde 3] , [handelsnaam gedaagde 3] , op 26 oktober 2023 en de eenmanszaak van [gedaagde 2] , [handelsnaam gedaagde 2] , op 1 januari 2024.\n\n2.4.. \n [gedaagde 3] is per 1 november 2024 uit dienst getreden. [gedaagde 2] is op 11 juni 2025 op staande voet ontslagen. [gedaagde 1] is op diezelfde datum op non-actief gesteld en na onderzoek is op 13 juni 2025 ook hij op staande voet ontslagen. In de ontslagbrieven aan [gedaagde 2] en [gedaagde 1] staat in het kort dat Grand Relocation documenten heeft aangetroffen op een aan haar toebehorende computer, waaruit zij heeft opgemaakt dat vanuit ongelieerde eenmanszaken ( [handelsnaam gedaagde 2] resp. [handelsnaam gedaagde 3] ) facturen zijn verzonden aan klanten van Grand Relocation, die vanuit Grand Relocation verzonden hadden moeten worden. Het zou gaan om een bedrag van ten minste € 26.266,24. In de brief aan [gedaagde 1] staat verder dat is gebleken dat zijn naam meerdere keren terugkomt in relatie tot de operaties van [handelsnaam gedaagde 3] .\n\n2.5.. Op 29 oktober 2025 stuurt Grand Relocation een brief aan gedaagden. Daarin staat samengevat dat zij zich gezamenlijk schuldig hebben gemaakt aan het wegsluizen van klanten, opdrachten en omzet van Grand Relocation naar hun eigen eenmanszaken. Zij stelt hen aansprakelijk voor de door haar geleden schade. Om de volledige schade te kunnen vaststellen verzoekt zij hun uiterlijk binnen 14 dagen verschillende stukken met betrekking tot de administratie van [handelsnaam gedaagde 1] , [handelsnaam gedaagde 3] en [handelsnaam gedaagde 2] te verstrekken. Tot op heden zijn de gevraagde stukken niet aangeleverd.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n\nGrand Relocation vordert, na eiswijziging, om bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:\n\nI. gedaagden, zowel gezamenlijk als ieder voor zich, te verbieden om fysieke of digitale administratie, e-mails, chats, cloudbestanden, facturen, bankmutaties en agenda's met betrekking tot de in de dagvaarding omschreven activiteiten (waaronder in ieder geval de eenmanszaken [handelsnaam gedaagde 1] , [handelsnaam gedaagde 2] en [handelsnaam gedaagde 3] ) te verwijderen, te wijzigen of ontoegankelijk te maken;\n\nPrimair\n\nII. gedaagden op straffe van een dwangsom te veroordelen om binnen 3 werkdagen na betekening van dit vonnis aan Grand Relocation afschrift te verstrekken van de navolgende 'Stukken' ten aanzien van hun eigen respectievelijke entiteiten ( [gedaagde 1] voor [handelsnaam gedaagde 1] , [gedaagde 2] voor [handelsnaam gedaagde 2] en [gedaagde 3] voor [handelsnaam gedaagde 3] ):\n\na. De Excel-, CSV- en boekhoudbestanden (waaronder in ieder geval, maar niet uitsluitend, bestanden vergelijkbaar met \" [documentnaam 1] \" en \" [documentnaam 2] \") opgemaakt of gewijzigd in de periode 1 januari 2022 (de voorzieningenrechter begrijpt: 2021, zie verderop) tot de dag van dit vonnis, waarin omzet, fee, commissie, winstverdeling, namen of initialen van gedaagden of klanten en betaalstatus zijn opgenomen;\n\nb. De bankafschriften over de periode 1 januari 2021 tot de dag van dit vonnis van bankrekeningen (waaronder mede begrepen Revolut-rekeningen) voor zover deze zijn gebruikt ten behoeve van de genoemde entiteiten;\n\nc. De overeenkomsten aangaande vastgoedbemiddeling of beheer die in de periode 1 januari 2021 tot de dag van dit vonnis zijn gesloten met derden;\n\nd. De (e-mail)correspondentie en chatberichten (waaronder WhatsApp) verzonden of ontvangen in de periode 1 januari 2021 tot de dag van dit vonnis met derden die tevens relatie zijn of zijn geweest van Grand Relocation;\n\ne. De aangifte inkomstenbelasting van [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , en [gedaagde 3] voor zover deze betrekking hebben op [handelsnaam gedaagde 1] , [handelsnaam gedaagde 2] resp. [handelsnaam gedaagde 3] vanaf 1 januari 2021 tot datum heden.\n\nIII. gedaagden op straffe van een dwangsom te veroordelen om, binnen voormelde termijn, een schriftelijke en gespecificeerde opgave te doen aan Grand Relocation van klanten, adressen, deals, ontvangen bedragen, gebruikte bankrekeningen, contante ontvangsten en de onderlinge winstverdeling ter zake van de omschreven werkzaamheden over de periode 1 januari 2021 tot de dag van dit vonnis;\n\nSubsidiair\n\nIV. ieder van de gedaagden op straffe van een dwangsom te veroordelen tot afgifte van de onder II. genoemde Stukken ten aanzien van de ándere in deze dagvaarding genoemde entiteiten, voor zover zij daarover uit hoofde van hun samenwerking feitelijk beschikken dan wel de beschikkingsmacht hebben;\n\nMeer subsidiair\n\nV. gedaagden op straffe van een dwangsom te veroordelen om binnen 3 werkdagen na betekening van dit vonnis schriftelijk en gemotiveerd (voorzien van bewijsstukken) op te geven over welke van de onder II genoemde Stukken zij wél en niet beschikken, waar deze zich bevinden en via welke (cloud\u002Fmail\u002Fboekhoud) omgevingen deze toegankelijk zijn;\n\nIn alle gevallen\n\nVI. gedaagden, zowel gezamenlijk als ieder voor zich, met onmiddellijke ingang te verbieden om nog langer gebruik te maken van bedrijfsvertrouwelijke informatie, leads, modellen, templates en klantgegevens van Grand Relocation, op straffe van een dwangsom;\n\nVII. gedaagden, zowel gezamenlijk als ieder voor zich, met onmiddellijke ingang te verbieden om, met gebruikmaking van bedrijfsvertrouwelijke informatie, leads, klantgegevens, modellen of templates afkomstig van Grand Relocation, relaties van Grand Relocation te benaderen voor het aanbieden van diensten aangaande vastgoedbemiddeling, exploitatie of -beheer, op straffe van een dwangsom;\n\nVIII. gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n3.2.. Grand Relocation licht haar vordering als volgt toe. Zij heeft op 10 juni 2025 op een van haar computers documenten aangetroffen. Daaruit blijkt dat gedaagden ten tijde van hun dienstverband, naar het lijkt al sinds 2021, in georganiseerd verband een schaduwonderneming hebben opgezet en die meerdere jaren hebben geëxploiteerd. Zij hebben klanten, opdrachten en omzet van Grand Relocation naar hun eigen eenmanszaken en privérekeningen weggesluisd. In de aangetroffen documenten is een taakverdeling tussen gedaagden aangetroffen, zijn facturen gezien die vanuit de verschillende eenmanszaken werden verzonden, is een overzicht gevonden van hoe de winst werd verdeeld (en grotendeels cash werd uitbetaald), en is gezien dat voor een email-account van een van de eenmanszaken een wachtwoord werd gebruikt dat bestaat uit de drie voornamen van gedaagden. Ook zijn er e-mails aangetroffen waaruit blijkt dat klanten van Grand Relocation werden doorverwezen naar [handelsnaam gedaagde 3] . Dit is in strijd met het met gedaagden overeengekomen nevenwerkzaamhedenbeding en geheimhoudingsbeding. Ook los daarvan is het handelen van gedaagden onrechtmatig. Hierdoor heeft Grand Relocation schade geleden. Om te kunnen zien om hoeveel schade het gaat en om die schade op gedaagden te kunnen verhalen in een bodemprocedure, heeft zij de opgevraagde stukken nodig. Verder zijn de vorderingen erop gericht dat het onrechtmatig handelen stopt.\n\n3.3.. Gedaagden voeren verweer. Er is geen sprake van een spoedeisend belang, nu Grand Relocation pas een jaar na het laatste contact een kort geding start. Daarnaast is artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) geschonden door te stellen dat ‘tot op heden geen inhoudelijk verweer is gevoerd’, terwijl dat wel het geval was, en doordat mr. Moszkowicz niet is betrokken als advocaat van gedaagden, maar de stukken rechtstreeks aan gedaagden verzonden zijn. Ook zijn de aangetroffen documenten op de werkcomputer van [gedaagde 2] onrechtmatig verkregen, nu deze beveiligd was met een persoonlijk wachtwoord dat uitsluitend bij haar bekend was. Toegang is verkregen door dat persoonlijke account te omzeilen en vervolgens haar persoonlijke cloudopslag en zelfs privémail te openen. Daar is geen toestemming voor verleend. Dit is in strijd met de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Ook levert dit een strafbaar feit op in de zin van artikel 138ab, 350a Sr en 272 Wetboek van Strafrecht. Dit verkregen bewijs dient daarom buiten beschouwing te blijven. Tot slot is nakoming van de vorderingen onmogelijk, nu de door Grand Relocation gevorderde stukken niet bestaan. Grand Relocation baseert dat ook slechts op een vermoeden. Voor zover wel wordt toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen, geldt dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 194 en 195 Rv. Ook een belangenafweging zou tot afwijzing moeten leiden.\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. In dit kort geding gaat het in het kort om de vraag of gedaagden gehouden zijn om de opgevraagde stukken beschikbaar te houden en over te leggen. Gedaagden hebben daartegen vooral formele bezwaren opgeworpen. Die zullen hierna eerst worden besproken, waarna een inhoudelijke beoordeling volgt.\n\n4.2.. Grand Relocation heeft haar eis gewijzigd in een door haar ter zitting deels voorgedragen pleitnota. Gedaagden hebben daartegen bezwaar gemaakt omdat wijziging van eis volgens hen per akte moet plaatsvinden. De eiswijziging wordt toegestaan, nu deze voldoet aan artikel 10.1 van het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken, waarin staat dat eiswijziging schriftelijk moet (en ook nog ter zitting mag worden gedaan met pen en papier, zonder dat ondertekening vereist is). Inhoudelijk worden gedaagden door de eiswijziging niet in hun belangen geschaad. Bij de beoordeling wordt daarom uitgegaan van de gewijzigde eis.\n\n4.3.. Volgens gedaagden is daarnaast geen sprake van een spoedeisend belang omdat Grand Relocation zelf pas een jaar na het einde van de arbeidsovereenkomsten actie onderneemt door dit kort geding te starten. Daarin worden gedaagden niet gevolgd. Grand Relocation heeft ter zitting toegelicht dat zij in dat jaar bezig is geweest om de benodigde informatie van gedaagden te krijgen, een dossier op te bouwen en heeft geprobeerd om de kwestie zonder rechterlijke tussenkomst op te lossen. Dat zij een jaar heeft stilgezeten voordat zij actie ondernam, is dus feitelijk niet juist. Voor het overige volgt de spoedeisendheid voldoende uit de vorderingen zelf.\n\n4.4.. Verder voeren gedaagden aan dat artikel 21 Rv is geschonden, omdat hun advocaat niet (tijdig) is betrokken bij dit kort geding, terwijl duidelijk was dat mr. Moszkowicz hen bijstaat gelet op eerdere correspondentie. Dat levert geen schending op van artikel 21 Rv, maar zou hooguit kunnen resulteren in een aanhouding van de zaak om mr. Moszkowicz in de gelegenheid te stellen om zich in te lezen. Aanhouding is echter niet gevraagd. Er moet dan ook van worden uitgegaan dat gedaagden zich voldoende hebben kunnen voorbereiden.\n\n4.5.. Daarnaast zijn de stukken waarop Grand Relocation haar vorderingen baseert volgens gedaagden onrechtmatig verkregen, reden waarom die volgens hen buiten beschouwing zouden moeten blijven. Deze (betwiste) stelling wordt niet gevolgd. De documenten zijn aangetroffen op een computer die eigendom is van Grand Relocation. Als het bewijs al onrechtmatig verkregen zou zijn, betekent dat in het civiele recht niet zonder meer dat de (voorzieningen)rechter dit bewijs niet aan haar oordeel ten grondslag mag leggen. Dat geldt te meer in dit geval nu uit de stukken vrij evident volgt dat gedaagden zich ten tijde van hun dienstverband hebben beziggehouden met concurrerende werkzaamheden, wat op zichzelf ook niet gemotiveerd door gedaagden wordt betwist. De stelling van gedaagden dat zij toestemming hadden, is op geen enkele manier onderbouwd en is niet geloofwaardig.\n\n4.6.. Ten aanzien van [gedaagde 2] stellen gedaagden dat geen ondertekende arbeidsovereenkomst is overgelegd waaruit blijkt dat een nevenwerkzaamhedenbeding en\u002Fof een geheimhoudingsbeding met haar is overeengekomen. Ook dat baat gedaagden niet, nu Grand Relocation haar vorderingen niet uitsluitend baseert op de stelling dat in strijd met de arbeidsovereenkomst nevenwerkzaamheden zijn verricht of bedrijfsgevoelige informatie is gebruikt, maar ook op de stelling dat gedaagden in algemene zin onrechtmatig hebben gehandeld.\n\n4.7.. Op grond van de overgelegde stukken die Grand Relocation heeft achterhaald, is voorshands aannemelijk dat gedaagden zich hebben beziggehouden met onrechtmatig concurrerende activiteiten. De stukken waarvan afgifte wordt gevorderd zijn van belang voor het in kaart brengen van de omvang daarvan en de schade die als gevolg daarvan is geleden. Dat gedaagden de stukken niet hebben, is niet aannemelijk gelet op de administratieplicht die voor de eenmanszaken geldt, en strookt overigens ook niet met hun andere stelling dat de vorderingen moeten worden afgewezen vanwege privacy-redenen. Daarbij hebben gedaagden ook niet onderbouwd welke stukken niet zouden kunnen worden overgelegd gelet op de AVG. De stukken zijn verder voldoende bepaald; van een fishing expedition zoals gedaagden stellen is geen sprake.\n\n4.8.. Een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel. Het belang van Grand Relocation bij het achterhalen van de omvang van de concurrerende werkzaamheden en de daaruit voortvloeiende schade weegt zwaarder dan het belang van gedaagden om die informatie voor zichzelf te houden vanwege het feit dat dit hun persoonlijke levenssfeer in vergaande mate zou raken, zoals zij menen.\n\n4.9.. \n\nGelet op voorgaande worden de (primaire) vorderingen I tot en met III en de vorderingen VI tot en met VIII toegewezen. In haar eiswijziging heeft Grand Relocation beschreven dat in vordering II onder b, c en d en vordering III overal waar 1 januari 2022 staat, 1 januari 2021 moet worden gelezen omdat de concurrerende werkzaamheden volgens haar begonnen in 2021. Die eiswijziging heeft geen betrekking op vordering II sub a, maar dat wordt – gelet op de motivering dat de werkzaamheden in 2021 zijn gestart – als een kennelijke verschrijving gezien. Dat onderdeel van vordering II wordt daarom ook toegewezen over de periode 1 januari 2021 tot aan de dag van het vonnis.\n\nVerder wordt bij vordering II en III een termijn van vijf dagen gehanteerd. Aan de toegewezen vorderingen zal ook een dwangsom worden verbonden, nu er gelet op de houding van gedaagden niet op kan worden vertrouwd dat zij daaraan vrijwillig zullen voldoen. De gevorderde dwangsom wordt gematigd zoals hierna bij de beslissing bepaald .\n\n4.10.. Gedaagden zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Grand Relocation worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n388,62\n\n- griffierecht\n\n€\n\n735,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.177,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.489,62\n\n4.11.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n4.12.. De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n5.1.. verbiedt gedaagden om fysieke of digitale administratie, e-mails, chats, cloudbestanden, facturen, bankmutaties en agenda's met betrekking tot de in de dagvaarding omschreven activiteiten (waaronder in ieder geval de eenmanszaken [handelsnaam gedaagde 1] , [handelsnaam gedaagde 2] en [handelsnaam gedaagde 3] ) te verwijderen, te wijzigen of ontoegankelijk te maken,\n\n5.2.. \n\nveroordeelt gedaagden om binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis aan Grand Relocation afschrift te verstrekken van de navolgende 'Stukken' ten aanzien van hun eigen respectievelijke entiteiten ( [gedaagde 1] voor [handelsnaam gedaagde 1] , [gedaagde 2] voor [handelsnaam gedaagde 2] en [gedaagde 3] voor [handelsnaam gedaagde 3] ):\n\na. de Excel-, CSV- en boekhoudbestanden (waaronder in ieder geval, maar niet uitsluitend, bestanden vergelijkbaar met \" [documentnaam 1] \" en \" [documentnaam 2] \") opgemaakt of gewijzigd in de periode 1 januari 2021 tot de dag van dit vonnis, waarin omzet, fee, commissie, winstverdeling, namen of initialen van gedaagden of klanten en betaalstatus zijn opgenomen,\n\nb. de bankafschriften over de periode 1 januari 2021 tot de dag van dit vonnis van bankrekeningen (waaronder mede begrepen Revolut-rekeningen) voor zover deze zijn gebruikt ten behoeve van de genoemde entiteiten,\n\nc. de overeenkomsten aangaande vastgoedbemiddeling of beheer die in de periode 1 januari 2021 tot de dag van dit vonnis zijn gesloten met derden,\n\nd. de (e-mail)correspondentie en chatberichten (waaronder WhatsApp) verzonden of ontvangen in de periode 1 januari 2021 tot de dag van dit vonnis met derden die tevens relatie zijn of zijn geweest van Grand Relocation,\n\ne. de aangifte inkomstenbelasting van [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] voor zover deze betrekking hebben op [handelsnaam gedaagde 1] , [handelsnaam gedaagde 2] resp. [handelsnaam gedaagde 3] vanaf 1 januari 2021 tot datum heden,\n\n5.3.. veroordeelt gedaagden om binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis, een schriftelijke en gespecificeerde opgave te doen aan Grand Relocation van klanten, adressen, deals, ontvangen bedragen, gebruikte bankrekeningen, contante ontvangsten en de onderlinge winstverdeling ter zake van de omschreven werkzaamheden over de periode 1 januari 2021 tot de dag van dit vonnis,\n\n5.4.. verbiedt gedaagden met onmiddellijke ingang om nog langer gebruik te maken van bedrijfsvertrouwelijke informatie, leads, modellen, templates en klantgegevens van Grand Relocation,\n\n5.5.. verbiedt gedaagden met onmiddellijke ingang om, met gebruikmaking van bedrijfsvertrouwelijke informatie, leads, klantgegevens, modellen of templates afkomstig van Grand Relocation, relaties van Grand Relocation te benaderen voor het aanbieden van diensten aangaande vastgoedbemiddeling, exploitatie of -beheer,\n\n5.6.. veroordeelt gedaagden om aan Grand Relocation een dwangsom te betalen van € 250 per persoon, voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij\u002Fzij niet aan de veroordelingen onder 5.1 tot en met 5.5 voldoet, tot een maximum van € 50.000 per persoon is bereikt,\n\n5.7.. veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de proceskosten van € 2.489,62,\n\n5.8.. veroordeelt gedaagden, als zij niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en het vonnis vervolgens wordt betekend, in de extra proceskosten van € 98 plus de kosten van betekening,\n\n5.9.. veroordeelt gedaagden tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald en tot betaling van de wettelijke rente over € 98 plus de kosten van betekening vanaf veertien dagen na die betekening,\n\n5.10.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.11.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. W.M. de Vries, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. K. Hogeman, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.\n\nColl: EB","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6434","2026-07-13T00:28:44.583Z",96,20,[11,204,205],2025,2024]