[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-customs-law-nl-2026":3},{"detail":4,"years":91},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":23,"page":14,"limit":90},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},82,"customs-law-nl","Customs Law","NL","2026-07-08T16:55:13.622Z",2026,[13,15,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":14},1,{"month":16,"count":17},2,0,{"month":19,"count":17},3,{"month":21,"count":16},4,{"month":23,"count":17},5,{"month":25,"count":14},6,{"month":27,"count":14},7,{"month":29,"count":17},8,{"month":31,"count":17},9,{"month":33,"count":17},10,{"month":35,"count":17},11,{"month":37,"count":17},12,[39,52,62,72,82],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":50,"updatedAt":51},"1607","ECLI:NL:RBGEL:2026:5217","ecli-nl-rbgel-2026-5217","",68,"2026-07-02T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Zutphen\n\nParketnummer: 05\u002F229359-25\n\nDatum uitspraak : 2 juli 2026\n\nTegenspraak\n\nvonnis van de meervoudige kamer\n\nin de zaak van\n\nde officier van justitie\n\ntegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedag] 1995 in [geboorteplaats] ,\n\nwonende aan [adres] in [woonplaats] .\n\nRaadsman: mr. J. van Wijk, advocaat in Eindhoven.\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 26 januari 2026 en 18 juni 2026.\n\n1. De inhoud van de tenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nhij op of omstreeks 29 augustus 2025 te Hattem, althans in Nederland, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer 200 kilogram, in elk geval een hoeveelheid hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 29 augustus 2025 te Hattem, althans in Nederland, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 200 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.\n\n2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde, te weten het binnen het grondgebied van Nederland brengen van 200 kilogram hennep.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat sprake is van détournement de pouvoir, omdat de politie bestuursrechtelijke controlebevoegdheden uitsluitend heeft gebruikt voor het verrichten van opsporingshandelingen. De raadsman heeft – kort en zakelijk weergegeven – bepleit dat dit een onherstelbaar vormverzuim oplevert en dat dit moet leiden tot uitsluiting van het bewijs dat ziet op het tenlastegelegde, gelet op het belang van het geschonden voorschrift en omdat dergelijke schendingen bij herhaling voorkomen. De raadsman heeft zich in dit verband subsidiair op het standpunt gesteld dat het vormverzuim moet leiden tot strafvermindering, waarbij hij heeft gewezen op een zaak waarin vanwege het vormverzuim artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) werd toegepast.\n\nDe raadsman heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde, omdat verdachte op verzoek van een ander het voertuig met daarin hennep in de buurt van Zwolle heeft opgehaald en dus niet binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht. De raadsman heeft zich in het verlengde hiervan meer subsidiair op het standpunt gesteld dat verdachte geen wetenschap had van ofwel opzet had op de aanwezigheid van hennep in de bus en ook om die reden vrijgesproken dient te worden.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nIn verband met de leesbaarheid van dit vonnis zal de rechtbank eerst de feiten en omstandigheden bespreken die hebben geleid tot het onderzoek aan de laadruimte van het voertuig dat verdachte bestuurde, waarna zij zal bespreken of sprake is van détournement de pouvoir en daarmee een onherstelbaar vormverzuim dat moet leiden tot bewijsuitsluiting of strafvermindering.\n\nOp 29 augustus 2025 kwam in de ochtend een melding van het ANPR-systeem binnen waaruit bleek dat een Ford Transit met kenteken [kenteken] over de A28 ter hoogte van Lankhorst reed. Deze Ford Transit was blijkens het ANPR-systeem eerder die ochtend om 8.29 uur op de A37 bij de grensovergang met Duitsland Nederland binnengekomen. Dit voertuig was met toestemming van een officier van justitie in het ANPR-systeem geplaatst met als doel dit voertuig te controleren in verband met ondermijnende criminaliteit. Verbalisanten zagen dit voertuig om. 9.19 uur vanaf de A28 ter hoogte van Zwolle de A50 oprijden.Dat is 50 minuten na de ANPR-hit. Volgens Google-Maps is de afgelegde afstand tussen de plek van de ANPR-hit en de plek waar het voertuig de A50 op reed, te rijden in 53 minuten.\n\nDe verbalisanten hebben beschreven dat bovenvermeld voertuig uitsluitend werd gebruikt voor het vervoer van goederen, zoals bedoeld in artikel 1.1 Wet wegvervoer goederen (hierna: Wwg). Eén van de verbalisanten zag dat de vering van het voertuig was ingezakt en daaruit maakte hij op dat het voertuig geladen was. Zij hielden het voertuig vervolgens in Hattem stil met als doel te onderzoeken of er voor het vervoer een vergunning dan wel een vrachtbrief vereist was. Deze verbalisant vroeg de bestuurder (verdachte) of het voertuig geladen was en daarop vertelde verdachte dat er spullen achterin lagen. Verdachte wilde verder geen antwoord meer geven op de vraag wat voor lading hij vervoerde en zei alleen maar “dan kan ik wel direct met jullie mee.” Vervolgens stapte verdachte uit en openden verbalisanten de laadruimte. Bij het openen van de laadruimte roken verbalisanten een henneplucht en zagen zij grote gesealde zakken in die ruimte liggen.\n\nDaarop stopten verbalisanten het onderzoek in het kader van de Wwg in samenhang met de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), deelden verdachte mee dat nu sprake was van verdenking van een strafbaar feit en doorzochten zij het voertuig op grond van artikel 96b van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).\n\nGeen vormverzuim\n\nDe rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of hier sprake is van détournement de pouvoir. Daarvan zou sprake kunnen zijn als verbalisanten controlebevoegdheden uitsluitend inzetten ten behoeve van opsporing.\n\nOp grond van artikel 5.1 van de Wwg jo. artikel 141 Sv en artikel 5:11 Awb zijn (onder meer) politieambtenaren als toezichthouder belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Wwg. In dit verband is de politieambtenaar als toezichthouder op grond van artikel 5:19 Awb bevoegd vervoermiddelen, waarmee naar zijn redelijk oordeel zaken worden vervoerd met betrekking waartoe hij een toezichthoudende taak heeft, op hun lading te onderzoeken.\n\nDe vaststelling dat sprake was van een voertuig dat enkel gebruikt werd voor het vervoer van goederen en dat blijkens de ingezakte vering kennelijk was geladen, bracht mee dat de politieambtenaren bevoegd waren ter controle op de naleving van de Wwg, in het bijzonder van het bepaalde in artikel 2.13 van die wet, na te gaan of sprake was van beroepsvervoer waarvoor een vrachtbrief of vergunning vereist was. In dat kader mochten de politieambtenaren het voertuig stilhouden en de lading aan een controle onderwerpen. Niet is gebleken of aannemelijk geworden dat de politieambtenaren de uitoefening van deze controlebevoegdheden op grond van de AWB en Wwg in de concrete bovenvermelde omstandigheden uitsluitend hebben aangewend met het oog op de opsporing in de zin van artikel 132a Sv. Van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv is dus geen sprake. Dat dit voertuig in juni 2025 naar voren kwam in een onderzoek naar vermoedelijke overtreding van de Opiumwet maakt dat niet anders. Ten eerste niet omdat niet aannemelijk is geworden dat deze informatie bekend was bij de verbalisanten die het voertuig controleerden. En ten tweede niet omdat dan nog steeds zou gelden dat de controlebevoegdheid die er was, niet uitsluitend is gebruikt met het oog op de opsporing. Er waren immers feiten en omstandigheden op grond waarvan de verbalisanten het voertuig mochten controleren. Omdat naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van een vormverzuim gaat zij niet over tot bewijsuitsluiting ofwel strafvermindering. Dit betekent dat de rechtbank de verweren van de raadsman die hierop zien verwerpt.\n\nBij doorzoeking van de laadruimte van het voertuig werden negen gevulde strijkzakken gevonden.In één zak zat een scheur en verbalisant herkende de inhoud op basis van de geur en uiterlijke kenmerken als zijnde hennep. Uit deze zak werd een monster genomen dat indicatief werd getest. Deze test gaf een indicatie voor de aanwezigheid van THC. Een verbalisant, opgeleid om verdovende middelen te onderzoeken, herkende de inhoud van de overige acht zakken op basis van de geur en uiterlijke kenmerken als zijnde hennep.De verbalisanten die de hennep vervoerden naar de plaats waar het vernietigd zou worden hebben voorafgaand aan het uitladen hun auto op een geijkte weegbrug gewogen. De inbeslaggenomen hennep werd vervolgens uitgeladen. De auto van verbalisanten werd vervolgens weer gewogen en na geijkte weging bleek dat de inbeslaggenomen strijkzakken met hennep in totaal 200 kilo wogen.\n\nDe rechtbank stelt op basis van bovenvermelde bewijsmiddelen vast dat in de laadruimte van het voertuig, waarvan verdachte de bestuurder en tevens enig inzittende was, 200 kilo hennep lag.\n\nVerdachte heeft op zitting voor het eerst een verklaring afgelegd over het tenlastegelegde. Verdachte heeft verklaard dat hij op 29 augustus 2025 door een vriend werd gevraagd om in de buurt van Zwolle een busje op te halen en naar Den Bosch te brengen. Hij wist niet dat er hennep in het busje lag. Verdachte wist ook niet waarom het busje opgehaald moest worden, heeft daar ook op geen enkel moment vragen over gesteld en wil niet verklaren welke vriend hem dat destijds heeft gevraagd te doen. Ook wil verdachte niet verklaren waar het busje precies heen gebracht moest worden. Verdachte heeft verder verklaard dat hij met een vriend van die vriend in de auto naar een parkeerplaats of tankstation in de buurt van Zwolle reed, hij weet niet precies waar, en vervolgens op die parkeerplaats of bij dat tankstation in het desbetreffende busje is overgestapt. Hij stapte in het busje, waarvan de sleutel nog in het contact zat, reed weg en werd kort daarna door de politie van de weg gehaald.\n\nDe verklaring van verdachte die inhoudt dat hij niets wist van de hennep en dat iemand anders het busje vanuit Duitsland Nederland in heeft gereden en dat verdachte pas is ingestapt in Zwolle, staat op zichzelf en wordt niet ondersteund door objectieve gegevens uit het dossier of anderszins. Uit de gegevens van Google Maps blijkt bijvoorbeeld ook niet dat het busje langer over de route heeft gedaan dan gebruikelijk. Omdat verdachte verder niets wil verklaren over wie hem dat zou hebben gevraagd te doen en waarom, is zijn verklaring daarnaast nauwelijks concreet en niet verifieerbaar. Feitelijk verklaart verdachte alleen dat hij voor iemand anders reed en blijft verder ieder detail achterwege. Bovendien wordt deze verklaring weersproken door het feit dat verdachte – voordat de laadruimte door de politie was geopend en hij uit de auto was gestapt – niet wilde antwoorden op de vraag wat voor lading hij vervoerde maar zei “dan kan ik wel direct met jullie mee.” Daaruit leidt de rechtbank af dat verdachte heel goed wist wat hij vervoerde.\n\nAlles afwegende staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat verdachte, als bestuurder en tevens enig inzittende van het voertuig, beschikkingsmacht en wetenschap van de lading in zijn voertuig heeft gehad en dat hij opzettelijk 200 kilo hennep binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht.\n\n3. De bewezenverklaring\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:\n\nhij op of omstreeks29 augustus 2025 te Hattem, althans in Nederland,opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer200 kilogram, in elk geval een hoeveelheidhennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II., dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\nWat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.\n\nVerdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\nopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.\n\n5. De strafbaarheid van het feit\n\nHet feit is strafbaar.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte\n\nVerdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.\n\n7. De overwegingen ten aanzien van straf en\u002Fof maatregel\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft bepleit dat bij de bepaling van de strafmaat aansluiting moet worden gezocht bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (hierna: LOVS), aangaande de straffen die doorgaans worden opgelegd voor het kweken van 500 hennepplanten. Daar wordt uitgegaan van taakstraffen. Verdachte had namelijk strijkzakken met volledige planten onder zich. De raadsman heeft verder gesteld dat het niet redelijk is om bij de strafbepaling uit te gaan van het brutogewicht van de planten, omdat ze vochtig waren.\n\nDe beoordeling door de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.\n\nVerdachte heeft een grote hoeveelheid hennep vanuit het buitenland binnen het Nederlandse grondgebied gebracht. De bijdrage van de verdachte aan de invoer van softdrugs houdt de illegale handel in deze drugs in stand en veroorzaakt bovendien allerlei maatschappelijk ongewenste effecten. Het is algemeen bekend dat de verspreiding van deze grote hoeveelheden en de organisatie daaromheen leiden tot zeer grote nadelige gevolgen voor de volksgezondheid en voor de maatschappij, zoals zware criminaliteit en ondermijning van de samenleving. De verdachte heeft zich van dit alles geen rekenschap gegeven en heeft met zijn strafbare handelen – naar mag worden aangenomen – uitsluitend met het oog op persoonlijk financieel gewin de instandhouding van het criminele drugscircuit bevorderd.\n\nUit het strafblad van verdachte volgt dat hij in 2022 in België is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar vanwege de vervaardiging of productie van verdovende middelen. Oplegging van deze straf heeft verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw een ernstig drugsdelict te plegen.\n\nUit het reclasseringsadvies volgt dat de reclassering gelet op de bovenvermelde veroordeling een patroon in het plegen van drugsdelicten ziet. Zij schatten het risico op herhaling in als hoog, onder meer omdat verdachte blijkbaar niet heeft geleerd van de eerdere veroordeling. Omdat de reclassering geen contact met verdachte kreeg, is hen niets bekend over de verschillende leefgebieden van verdachte. Het opstellen van een plan van aanpak voor begeleiding of gedragsinterventie was daardoor niet mogelijk. Verdachte heeft ter zitting aangegeven geen behoefte te hebben aan reclasseringsbemoeienis, omdat hij zijn leven op orde heeft.\n\nAnders dan de raadsman ziet de rechtbank geen aanleiding aansluiting te zoeken bij de oriëntatiepunten van het LOVS voor het kweken van 500 hennepplanten, omdat nergens uit blijkt dat het in deze zaak ging om 500 planten en het bovendien gaat om een ander feit. In de oriëntatiepunten voor het aanwezig hebben van 25 tot 250 kilo softdrugs wordt uitgegaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden. In deze zaak heeft verdachte niet enkel een grote hoeveelheid hennep aanwezig gehad, maar deze hennep vanuit het buitenland ingevoerd. Bovendien is verdachte eerder veroordeeld voor een soortgelijk feit. Bij het bepalen van de strafmaat zal de rechtbank er rekening mee houden dat het in deze zaak gaat om een brutogewicht van vochtige hennep, terwijl vochtige hennep doorgaans vier keer zo zwaar is als droge hennep. Zij zal daarom uitgaan van het droge gewicht van deze hennep.\n\nAlles overwegende acht de rechtbank oplegging van een taakstraf en\u002Fof een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte niet passend, omdat het geen recht doet aan de ernst van het feit. De rechtbank is van oordeel dat de aard en ernst van het feit, in het bijzonder dat het gaat om invoer, in combinatie met het gegeven dat sprake is van recidive, tot gevolg moet hebben dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte wordt opgelegd. De rechtbank zal daarom een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden opleggen. Oplegging van een hogere gevangenisstraf, zoals door de officier van justitie gevorderd, acht de rechtbank niet passend gelet op straffen die doorgaans in vergelijkbare zaken worden opgelegd.\n\nTenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\n8. De toegepaste wettelijke bepalingen\n\nDe oplegging van de straf is gegrond op de artikelen:\n\n- 63 van het Wetboek van Strafrecht;\n\n- 3 en 11 van de Opiumwet.\n\n9. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;\n\n verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;\n\n verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;\n\n verklaart verdachte hiervoor strafbaar;\n\n veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. C.J.M. Vijftigschild (voorzitter), mr. S.C.A.M. Janssen en mr. R.M. Schoo, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Hessel, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 juli 2026.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de Landelijke Eenheid van de politie, team infrastructuur, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025415671, gesloten op 2 september 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 30-32.\n\n Afzonderlijk proces-verbaal van bevindingen PL0600-2025415671-22, p. 2\n\n Proces-verbaal van aanhouding verdachte, p. 39.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 31.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 6-7, gelezen in onderlinge samenhang met het bijschrift bij de fotobijlage op p. 9 en het proces-verbaal van bevindingen, p. 18-20.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 34.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5217","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:29.352Z",{"id":53,"ecli":54,"slug":55,"caseNumber":43,"courtId":56,"decisionDate":57,"fullText":58,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":60,"parsedAt":50,"updatedAt":61},"342","ECLI:NL:CBB:2026:289","ecli-nl-cbb-2026-289",58,"2026-06-23T00:00:00.000Z","uitspraak\n\nCOLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN\n\nzaaknummer: 26\u002F153\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2026 op het verzoek van\n [naam 1] , te [woonplaats] (verzoekster),\n\nom herziening van de uitspraak van het College 20 januari 2026, zaaknummer 24\u002F86.\n\nProcesverloop\n\nMet de uitspraak van 20 januari 2026 (ECLI:NL:CBB:2026:18) heeft het College het beroep van verzoekster tegen de beslissing op bezwaar van de staatssecretaris (voorheen de minister) van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 8 december 2023 ongegrond verklaard.\n\nVerzoekster heeft verzocht om herziening van de bestreden uitspraak.\n\nDe staatssecretaris heeft een reactie en een nadere reactie ingediend.\n\nDe zitting was op 19 mei 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen: verzoekster en de gemachtigde van de staatssecretaris, mr. P.M.M. van Bennekom. Ook hebben deelgenomen namens de staatssecretaris: de heer [naam 2] en mevrouw [naam 3] , beiden dierenartsen van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) op Schiphol.\n\nOverwegingen\n\nWettelijk kader\n\n1. Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:\n\na. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,\n\nb. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en\n\nc. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.\n\nDe uitspraak van 20 januari 2026\n\n2.1. Met zijn uitspraak van 20 januari 2026 heeft het College geoordeeld dat de staatssecretaris de kat en de twee honden van verzoekster op 9 augustus 2023 op Schiphol in beslag mocht nemen en dat de daarmee gemoeide kosten ter hoogte van € 967,33 op verzoekster verhaald mochten worden, omdat de dieren niet beschikten over een naar behoren ingevuld identificatiedocument waardoor niet was voldaan aan de eisen met betrekking tot de rabiësvaccinatie en de titreringstest op rabiësantilichamen.\n\n2.2. Daartoe heeft het College overwogen dat uit Verordening (EU) nr. 576\u002F2013 betreffende het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren (Verordening 576\u002F2013) volgt dat de vaccinatiegeschiedenis in het diergezondheidscertificaat had moeten worden opgenomen (‘het meecertificeren van de vaccinatiegeschiedenis’). Dit was niet gebeurd. De staatssecretaris was daarmee in beginsel bevoegd om de dieren op grond van Verordening 576\u002F2013 in quarantaine te plaatsen. Het College heeft ook geoordeeld dat de inbeslagname niet in strijd was met het evenredigheidsbeginsel. In dat kader had verzoekster onder meer gesteld dat de NVWA de regels met betrekking tot rabiës te streng toepaste, en dat het in quarantaine plaatsen van haar dieren niet noodzakelijk was, omdat zij met andere documentatie kon aantonen dat haar dieren aan de regels voldeden.\n\nVerzoek\n\n3.1. Verzoekster heeft na de uitspraak informatie ontvangen van de NVWA naar aanleiding van een door haar ingediend verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo). Deze informatie bestaat uit overzichten van aantallen en redenen voor weigering van honden en katten op basis van Verordening 576\u002F2013 op Schiphol over de jaren 2020-2024. Uit de overzichten blijkt hoeveel dieren, die niet voldeden aan de eisen uit Verordening 576\u002F2013, zijn teruggestuurd naar het land van herkomst, in quarantaine zijn geplaatst of doorgelaten. Verzoekster heeft deze informatie meermaals opgevraagd, maar uiteindelijk pas in 2026 ontvangen.\n\n3.2. Met deze nieuwe cijfers wil verzoekster haar in beroep ingenomen standpunt onderbouwen dat de NVWA te streng handhaaft, dan wel strenger is gaan handhaven en dat het in quarantaine plaatsen van haar dieren niet noodzakelijk was, omdat zij documentatie had waaruit de hele vaccinatiegeschiedenis van haar dieren bleek. Uit de door verzoekster ontvangen gegevens blijkt volgens verzoekster immers dat er in 2023 (het jaar waarin haar kat en twee honden op Schiphol in beslag waren genomen) in 85 gevallen dieren zijn aangehouden op Schiphol, omdat de vaccinatiegeschiedenis niet was meegecertificeerd. Van die 85 gevallen zouden alleen de dieren van verzoekster in quarantaine zijn geplaatst. In 2022 was het totaal aantal gevallen 35 waarin de vaccinatiegeschiedenis niet was meegecertificeerd. In dat jaar zijn in vier gevallen de dieren toen in quarantaine geplaatst, maar volgens verzoekster waren er in die gevallen ook andere omissies zoals een verkeerd paspoort of een pas na vaccinatie geplaatste chip.\n\n3.3. Volgens de staatssecretaris moet het verzoek worden afgewezen omdat geen sprake is van feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb.\n\nBeoordeling door het College\n\n4.1. Het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening strekt er in beginsel toe een rechterlijke uitspraak die berust op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt te herstellen. Bij de beoordeling van een verzoek om herziening wordt uitsluitend beoordeeld of sprake is van feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. Het College kan slechts rekening houden met feiten en omstandigheden die de verzoeker redelijkerwijs niet naar voren heeft kunnen brengen in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd. Het rechtsmiddel herziening is niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen. Het rechtsmiddel herziening is ook niet bedoeld om een partij de gelegenheid te bieden om stukken ter onderbouwing van een standpunt, die in een eerdere procedure hadden kunnen worden ingebracht, alsnog in te brengen en op die manier het debat te heropenen.\n\n4.2. Het College is van oordeel dat verzoekster geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb en overweegt daartoe als volgt.\n\n4.3. Duidelijk is dat verzoekster het niet eens is met de manier waarop de douane en de NVWA op Schiphol de Europese rabiësregelgeving handhaven. Volgens verzoekster wordt de dieren nodeloos leed aangedaan terwijl het niet meecertificeren van de vaccinatiegeschiedenis geen risico voor de volksgezondheid met zich meebrengt. Verzoekster was het daarom niet eens met de quarantainemaatregel die haar dieren is opgelegd. In de uitspraak waar het herzieningsverzoek op ziet, heeft het College – kort gezegd – geoordeeld dat de staatssecretaris bevoegd was om de quarantainemaatregel op te leggen en dat de staatssecretaris hier niet van af had hoeven zien. De reden hiervoor was niet gelegen in de manier van handhaven van de staatssecretaris (NVWA) (waar de door verzoekster overgelegde informatie over gaat), maar in Verordening 576\u002F2013. Die schrijft namelijk voor dat de vaccinatiegeschiedenis meegecertificeerd moet zijn, en als dat niet zo is (wat niet tussen partijen in geschil was), welke maatregelen er moeten worden genomen om het betreffende dier de toegang tot de Europese Unie te weigeren. Het opleggen van quarantaine is één van de op te leggen maatregelen, naast het terugsturen van het dier naar het land van herkomst of het euthanaseren van het dier. Kortom, het gevaar van rabiës, de handhaving van de rabiësregelgeving op Schiphol en de consequenties ervan voor de dieren zijn punten geweest die aan de orde zijn gekomen in de beroepsprocedure van verzoekster, maar het zijn geen punten geweest die doorslaggevend waren voor de uitkomst van de procedure. De uitkomst volgde uit de toets aan de Europese regelgeving. Hoewel dus wel sprake is van nieuwe feiten (de cijfers gaan over de periode van vóór de uitspraak van het College en ze waren niet bekend bij verzoekster en konden dat naar het oordeel van het College ook redelijkerwijs niet zijn), hadden deze feiten, als zij eerder bekend waren geweest, niet tot een andere uitkomst kunnen leiden. Er wordt dus niet voldaan aan de eisen van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb, waardoor het verzoek moet worden afgewezen. Ten overvloede overweegt het College dat tijdens de zitting is vastgesteld dat niet alleen in het geval van verzoekster de dieren in quarantaine zijn geplaatst. In 2023 is dat ook gebeurd in zeven andere gevallen. Ook heeft de staatssecretaris toegelicht onder welke omstandigheden dieren waarvan de vaccinatiegeschiedenis niet was meegecertificeerd, toch zijn doorgelaten. Vaststaat dat verzoeksters dieren niet aan deze voorwaarde voldeden.\n\nSlotsom\n\n5 Het verzoek om herziening moet worden afgewezen.\n\n6 Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nHet College wijst het verzoek om herziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. C. de Kruif, in aanwezigheid van R. Hosseinollahi, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.\n\nw.g. C. de Kruif w.g. R. Hosseinollahi","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2026:289","2026-06-22T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:25.260Z",{"id":63,"ecli":64,"slug":65,"caseNumber":43,"courtId":66,"decisionDate":67,"fullText":68,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":69,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":50,"updatedAt":71},"780","ECLI:NL:GHAMS:2026:1775","ecli-nl-ghams-2026-1775",56,"2026-04-23T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nkenmerk 25\u002F736\n\n23 april 2026\n\nuitspraak van de meervoudige douanekamer\n\nop het hoger beroep van\n\n [X BV] ,gevestigd te [Z], belanghebbende,\n\n(gemachtigde: J.E. Mahulete en N. Egberts)\n\ntegen de uitspraak van 23 december 2024 in de zaak met kenmerk HAA 22\u002F3403 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen\n\nbelanghebbende\n\nen\n\nde inspecteur van de Douane, de inspecteur.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de afwijzing van haar bezwaar tegen een beschikking inzake een bindende tariefinlichting (hierna: BTI) ongegrond verklaard.\n\n1.2.. Na het instellen van hoger beroep op naam van belanghebbende hebben partijen de volgende stukken ingediend:\n\neen verweerschrift door de inspecteur;\n\neen nader stuk door belanghebbende.\n\n1.3.. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld, waarbij de inspecteur wordt aangeduid als “verweerder” en belanghebbende als “eiseres”:\n\n“1. Eiseres heeft op 6 november 2021 een BTI-aanvraag ingediend voor een artikel met de handelsnaam “ [knikkerbaanset] ” (hierna: het product). In de aanvraag wordt het product als volgt omschreven:\n\n“Electronisch knikkerspel met motorisch en wedstrijd element. Het is gemaakt van kunstoog en kent een gemotoriseerd rad en diverse geluid- en licht effecten”.\n\nEiseres heeft in haar aanvraag verzocht om indeling van het product onder GN- postonderverdeling 9504 90 80 als gezelschapsspel, “andere”. Daarbij hoort een tarief van 0%.\n\n2. Op 8 november 2021 heeft verweerder ten aanzien van eiseres een BTI met kenmerk NL BTI 2021-0641 gegeven. Het product is daarin als volgt omschreven:\n\n“Een combinatie van speelgoed, bestaande uit constructiespeelgoed en knikkers met -volgens opgave - de volgende kenmerken en eigenschappen:\n\n- ontworpen voor ontspanning en vermaak;\n\n- voor het maken van verschillende knikkerbanen van een oplopend behendigheidsniveau;\n\n- hoofzakelijk vervaardigd van kunststof;\n\n- 135 delen in 26 verschillende vormen variërend van grondplaten, steunen, baandelen, acrobatische delen en een knikkervangscherm;\n\n- 10 knikkers in 5 verschillende kleuren;\n\n- een vel met stickers voor het decoreren van baandelen;\n\n- een boekwerk met bouwinstructies;\n\n- bedoeld voor kinderen van 4 jaar en ouder;\n\n- kan door 1 speler worden gespeeld.\n\nHet geheel wordt aangeboden in een bedrukte kartonnen doos tezamen met een niet karakterbepalende gebruiksaanwijzing.”\n\n3. Het product is, met verwijzing naar de algemene regels 1 en 6 voor de interpretatie van de GN, ingedeeld onder onderverdeling 9503 00 70 van de GN, als ander speelgoed, aangeboden in assortimenten of in stellen. De motivering daarbij is dat het product niet als een artikel voor gezelschapsspellen, als bedoeld bij post 9504 van het Geharmoniseerd Systeem (hierna: GS) kan worden aangemerkt omdat het spel met één speler kan worden gespeeld. De artikelen in de doos vervullen verschillende op elkaar afgestemde functies, zodat het geheel als een stel is aan te merken. Bij de indeling behoort een tarief van 4,7 %.\n\n2.2.. Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden zal ook het Hof daarvan uitgaan.\n\n3. Geschil in hoger beroep\n\nTussen partijen is in geschil de indeling van het product in de Gecombineerde Nomenclatuur (GN).\n\n4. Juridisch kader\n\n4.1.. Post 9503 van de GN luidt, voor zover van belang, als volgt:\n\n9503 00 Driewielers, autopeds, pedaalauto's en dergelijk speelgoed op wielen; poppenwagens; poppen; ander speelgoed; modellen op schaal en dergelijke modellen voor ontspanning, ook indien bewegend; puzzels van alle soorten:\n\n(…)\n\n9503 00 30 – elektrische treinen, daaronder begrepen rails, signalen en ander\n\n toebehoren; zelfbouwmodellen op schaal, ook indien bewegend vrij\n\n – andere bouwdozen en ander constructiespeelgoed:\n\n9503 00 35 – – van kunststof 4,7\n\n9503 00 39 – – van andere stoffen vrij\n\n(…)\n\n9503 00 70 – ander speelgoed, aangeboden in assortimenten of in stellen 4,7\n\n(…)\n\n – ander:\n\n(…) (…)\n\n – – ander:\n\n9503 00 95 – – – van kunststof 4,7\n\n9503 00 99 – – – ander vrij\n\n4.2.. De GS-toelichting op post 9503 luidt, voor zover hier van belang:\n\nThis group covers toys intended essentially for the amusement of persons (children or adults).\n\n(…)\n\n(D) Other toys.\n\n(…)\n\nThese include:\n\n(…)\n\n(iii) Constructional toys (construction sets, building blocks, etc.).;\n\n(…)\n\n(xxi) Toy marbles (e.g., veined glass marbles put up in any form, or glass balls of any kind put up in packets for the amusement of children).\n\n(…)\n\nCertain of the above articles (toy arms, tools, gardening sets, tin soldiers, etc.) are often put up in sets.\n\n(…)\n\n4.3.. De GN-toelichting op post 9503 luidt, voor zover hier van belang:\n\nDe onderverdelingen 9503 0035 en 9503 0039 omvatten, met uitzondering van zelfbouwmodellen op schaal, andere bouwdozen en ander constructiespeelgoed die het karakter van speelgoed hebben. Deze goederen hebben de volgende kenmerken:\n\n- zij bestaan uit verschillende individuele componenten die tezamen worden aangeboden in een verpakking;\n\n- de individuele elementen zijn afgestemd op elkaar en zijn ieder op zich niet geschikt om mee te spelen. Een zelfbouwinstructie kan zijn bijgevoegd bij deze bouwdozen;\n\n- het uitgangspunt is dat de bouw\u002Fmontage zelf het belangrijkste doel van het speelgoed is.\n\nTot deze onderverdelingen behoren niet goederen die worden aangeboden in niet-gemonteerde staat (algemene bepaling voor de toepassing van de gecombineerde nomenclatuur 2, letter a), bijvoorbeeld voor verpakkingsdoeleinden, die pas na montage als speelgoed kunnen dienen.\n\n4.4.. De GN-toelichting op GN-onderverdeling 9503 00 70 luidt, voor zover van belang:\n\n„Assortimenten” van deze onderverdeling bestaan uit twee of meer verschillende soorten artikelen (hoofdzakelijk voor amusement), aangeboden in dezelfde verpakking voor de kleinhandel zonder herverpakking.\n\nArtikelen van dezelfde onderverdeling, behalve diegene die vallen onder onderverdelingen 9503 00 95 of 9503 00 99 (aangezien daaronder diverse artikelen van verschillende soorten kunnen vallen), worden niet als verschillende soorten artikelen aangemerkt.\n\nEen enkel artikel (“hoofdartikel”) in combinatie met:\n\na. a) een of meer accessoires die bedoeld zijn om samen met het “hoofdartikel” te worden gebruikt, of\n\nb) een of meer ondergeschikte\u002Fbijkomstige artikelen (zie ook mutatis mutandis de richtsnoeren voor de indeling in de gecombineerde nomenclatuur van goederen in stellen of assortimenten opgemaakt voor de verkoop in het klein, deel B (III) (3))\n\nvormt geen “stel of assortiment” en de combinatie wordt ingedeeld onder de GN-code voor het “hoofdartikel”.\n\nAls “accessoires” in de zin van deze onderverdeling worden artikelen aangemerkt die zijn ontworpen om samen met het “hoofdartikel” te worden gebruikt, maar die niet gelijkwaardig zijn aan dat artikel wat betreft grootte, ontwerp of complexiteit (zij bevatten bijvoorbeeld geen beweegbare of scharnierende onderdelen of mechanische elementen). Doorgaans is er een duidelijk te onderscheiden wisselwerking tussen beide.\n\nVoorbeelden van dergelijke accessoires zijn: kleding, schoenen, hoeden, tassen en toiletartikelen voor poppen (zie ook de GS-toelichting bij post 9503, C), poppen), namaakvoeding voor speelgoed (bijvoorbeeld een wortel of hooi van kunststof voor speelgoeddieren), borstels en zadels voor speelgoeddieren enz.\n\n4.5.. Post 9504 van de GN luidt als volgt:\n\n9504 Consoles en machines voor videospellen, artikelen voor gezelschapsspellen, daaronder begrepen spellen met motor of met drijfwerk, biljarten, speciale tafels voor casinospellen en automatische bowlinginstallaties\n\n9504 20 00 – biljarten van alle soorten, alsmede toebehoren daarvoor\n\n9504 30 – andere spellen, werkende op munten, bankbiljetten, bankkaarten, penningen of door middel van een andere wijze van betaling, andere dan automatische bowlinginstallaties\n\n9504 30 10 – – spellen met beeldscherm\n\n9504 30 20 – – andere spellen\n\n9504 30 90 – – delen\n\n9504 40 00 – speelkaarten\n\n9504 50 00 – consoles en machines voor videospellen, andere dan die bedoeld bij onderverdeling 9504 30\n\n9504 90 – andere\n\n9504 90 10 – – elektrische autobanen, voor het houden van wedstrijden\n\n9504 90 80 – – andere”\n\n4.6.. De GS-toelichting op post 9504 luidt, voor zover het artikelen voor gezelschapsspellen betreft:\n\nThis heading includes:\n\n(…)\n\n(5) Table football or similar games.\n\n(…)\n\n(8) Skittles and indoor croquet requisites.\n\n(9) Sets comprising slot‑racing motor cars with their track layouts, having the character of competitive games.\n\n(10) Dartboards and darts.\n\n(11) Card games of all kinds (bridge, tarot, “lexicon”, etc.).\n\n(12) Boards and pieces (chessmen, draughtsmen, etc.) for games of chess, draughts, dominoes, mah‑jong, halma, ludo, snakes and ladders, etc.\n\n(13) Certain other accessories common to a number of games of this heading, for example, dice, dice boxes, counters, suit indicators, specially designed playing cloths (e.g., for roulette).\n\n5. Beoordeling van het geschil\n\n5.1.. Het in te delen goed bestaat uit een doos met daarin 135 onderdelen van kunststof waarmee een knikkerbaan kan worden gebouwd, alsmede tien knikkers, een stickervel en een boekje met bouwinstructies. Indien de meest complete knikkerbaan wordt gebouwd (variant 3 in de meegeleverde bouwinstructies), dan worden alle 135 onderdelen gebruikt en ontstaat de hier getoonde knikkerbaan:\n\n[afbeelding]\n\nTer zitting in hoger beroep hebben partijen zich eenparig op het standpunt gesteld dat sprake is van een knikkerbaan in niet-gemonteerde staat. Het Hof zal partijen hierin volgen, omdat het dit standpunt juist acht. Het voorgaande brengt met zich dat voor de beoordeling welke tariefpost van toepassing is, dient te worden uitgegaan van de knikkerbaan in gemonteerde staat (hierna ook: het product), op grond van het bepaalde in algemene indelingsregel 2 a), tweede volzin.\n\n5.2.. Partijen houdt verdeeld of indeling van het product dient plaats te vinden onder post 9503 (standpunt inspecteur) als “ander speelgoed” (autres jouets\u002Fother toys), dan wel onder post 9504 (standpunt belanghebbende) als “artikelen voor gezelschapsspellen” (jeux de société\u002F table or parlour games).\n\n5.3.. Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld in zijn uitspraken van 30 november 2004, 04\u002F3956 DK, ECLI:NL:GHAMS:2004:AR6815, r.o. 6.4 en 31 december 2004, 00\u002F90122 DK, ECLI:NL:GHAMS:2004:AT3155, r.o. 6.11, volgt uit de opsomming van artikelen in de GS-toelichting bij post 9504 (zie 4.6) dat met een “gezelschapsspel” in de zin van deze post wordt bedoeld een spel met het karakter van een wedstrijd, dat met meer deelnemers wordt gespeeld. Zie in gelijke zin Tariefcommissie 7 november 2000, 0115\u002F97 TC, UTC 2001\u002F4.\n\n5.4.. Het onderhavige product mist dit specifieke karakter: het heeft slechts één parcours met één startpunt en heeft reeds daarom niet inherent de kenmerken van een gezelschapsspel als bedoeld bij post 9504. Dat wordt niet anders doordat het product de mogelijkheid biedt om er samen mee te spelen en samen te aanschouwen welke van twee of meer achtereenvolgens in de starttrechter geworpen knikkers als eerste beneden is, mede na beïnvloeding door (niet door de gebruikers beïnvloedbare) wisselaars (switches) die in de baan zijn opgenomen. In de meegeleverde bouwinstructie wordt weliswaar beschreven hoe een “Competition Set” kan worden gebouwd, met twee startpunten, twee door de spelers handmatig te bedienen kanonnen waarmee zij de knikkers in een trechter moeten schieten, en een duidelijk eindpunt, maar daarbij is in een voetnoot vermeld “Voor het bouwen van deze Competition Set zijn onderdelen gebruikt van [het in te delen product] en de [set 2] .” Indeling van het product onder post 9504 als “gezelschapsspel” is daarom naar ’s Hofs oordeel niet mogelijk, wat er ook zij van de door belanghebbende genoemde vermeldingen op de verpakking.\n\n5.5.. Bij deze stand van het geding is tussen partijen niet in geschil dat indeling dient plaats te vinden onder post 9503, als “ander speelgoed”, hetgeen het Hof juist acht. Ten aanzien van de binnen deze post toepasselijke onderverdeling heeft de inspecteur primair betoogd dat – conform de BTI – indeling dient plaats te vinden in onderverdeling 9503 0070 (ander speelgoed, aangeboden in assortimenten of in stellen) en subsidiair dat indeling dient plaats te vinden in GN-onderverdeling 9503 0095 (ander speelgoed; ander; ander; van kunststof, zie 4.1). Belanghebbende betwist dat indeling in GN-onderverdeling 9503 0070 mogelijk is, omdat, naar zij stelt, geen sprake is van een stel of assortiment.\n\n5.6.. Het gelijk is in zoverre aan belanghebbende. Zoals reeds vastgesteld onder 5.1 is sprake van één product (een knikkerbaan in niet-gemonteerde staat) en niet van een “stel” of een “assortiment” bestaande uit twee of meer verschillende soorten artikelen. Het eveneens in de verpakking aanwezige stickervel (om de kunststofdelen van de knikkerbaan te verfraaien) en de bijgevoegde bouwinstructies, zijn ondergeschikte\u002Fbijkomstige artikelen en dergelijke artikelen vormen, zo volgt uit de GN-toelichting op onderverdeling 9503 0070 (zie 4.4), niet tezamen met het “hoofdartikel” een stel of assortiment. Indeling dient daarom naar ’s Hofs oordeel plaats te vinden in de (rest) onderverdeling 9503 0095.\n\nSlotsom5.7.. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd.\n\n6. Kosten\n\nHet Hof vindt aanleiding voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet.\n\nVoor toekenning van een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase is geen aanleiding, omdat daar niet om is verzocht. Voor beroepsmatige rechtsbijstand in beroep en hoger beroep kent het Hof, ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit, een vergoeding toe van 4 [beroepschrift, hogerberoepschrift en zitting bij rechtbank en Hof] x € 934 x 1 (gewicht van de zaak) = € 3.736.\n\n7. Beslissing\n\nHet Hof:\n\n- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt de uitspraak op bezwaar;\n\n- vernietigt de bindende tariefinlichting;\n\n- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 3.736;\n\n- gelast de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht ad € 365 (beroep bij de rechtbank) en € 579 (hoger beroep bij het Hof), in totaal € 944 te vergoeden.\n\nDe uitspraak is gedaan door mrs. B.A. van Brummelen, voorzitter, C.J. Hummel en W.J. Blokland, leden van de douanekamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen, als griffier. De beslissing is op 23 april 2026 in het openbaar uitgesproken.\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\n1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;\n\n2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\n3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\n a. de naam en het adres van de indiener;\n\n b. de dagtekening;\n\n c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\n d. de gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.\n\nToelichting rechtsmiddelverwijzing\n\nPer 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.\n\nDigitaal procederen\n\nHet webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u opwww.hogeraad.nl.\n\nNiet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.\n\nPer post procederen\n\nAlleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.\n\nEen afschrift van deze uitspraak is aangetekend per post verzonden op:","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1775","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:47.711Z",{"id":73,"ecli":74,"slug":75,"caseNumber":43,"courtId":76,"decisionDate":77,"fullText":78,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":79,"sourceTimestamp":80,"parsedAt":50,"updatedAt":81},"341","ECLI:NL:RBNHO:2026:3804","ecli-nl-rbnho-2026-3804",67,"2026-04-03T00:00:00.000Z","Rechtbank noord-holland\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: HAA 19\u002F3113uitspraak van de meervoudige douanekamer van 3 april 2026 in de zaak tussen\n\n [eiseres] LLC, gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres\n\n(advocaat: mr. ing. B.J.B. Boersma RB)\n\nen\n\nde ontvanger van de Douane, verweerder\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank een verzoek van eiseres om rentevergoeding vanwege terugbetaalde invoerrechten.\n\nVerweerder heeft op 30 april 2019 het verzoek van eiseres om rentevergoeding afgewezen.\n\nEiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt. Op verzoek van eiseres en met instemming van verweerder heeft de rechtbank het bezwaar aangemerkt als rechtstreeks beroep in de zin van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).\n\nDe rechtbank heeft bij brief van 29 september 2023 de behandeling van het beroep aangehouden in verband met de prejudiciële vragen die de rechtbank Gelderland had gesteld aan het Hof van Justitie. Het Hof van Justitie heeft die vragen bij arrest van op 22 februari 2024 beantwoord. Partijen hebben gebruik gemaakt van de gelegenheid om schriftelijk te reageren op dit arrest.\n\nBij brief van 24 juli 2025 heeft de rechtbank eiseres en verweerder uitgenodigd voor de zitting van 16 december 2025. Op 29 september 2025 heeft eiseres de rechtbank verzocht de zaak zonder zitting af te doen. Verweerder heeft zich bij dit verzoek aangesloten. De rechtbank heeft geen gevolg gegeven aan dit verzoek.\n\nBij brief van 25 november 2025 heeft de rechtbank aan de advocaat vragen gesteld over de identiteit van eiseres en diens beroepsgerechtigheid in de zin van artikel 44 van het Douanewetboek van de Unie (DWU). In de brief heeft de rechtbank de advocaat erop gewezen dat bij het uitblijven van een antwoord de rechtbank daaruit de gevolgtrekkingen kan maken die haar geraden voorkomen. Op 8 december 2025 heeft eiseres gereageerd op de vragen van de rechtbank.\n\nOp 16 december 2025 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Namens eiseres is verschenen haar advocaat. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam] . De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en partijen in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken. Op 14 januari 2026 heeft de rechtbank partijen het proces-verbaal van de zitting toegestuurd. Op 22 januari 2026 heeft eiseres nadere gegevens verstrekt. Verweerder heeft hierop gereageerd, waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten.\n\nAmbtshalve\n\nWie is procespartij?\n\n1. Bij brief van 7 juni 2019 heeft de advocaat namens ‘ [eiseres] ’ rechtstreeks beroep ingesteld tegen de afwijzing van een verzoek om rentevergoeding van verweerder van 30 april 2019. De afwijzing betreft het verzoek om rentevergoeding dat namens ‘ [eiseres] ’ is ingediend. Bij het rechtstreekse beroep heeft de advocaat een machtiging, ondertekend namens ‘ [eiseres] ’, en twee uittreksels uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel overgelegd. Het eerste uittreksel is van [bedrijfsnaam 1] LLC, van wie een van de handelsnamen ‘ [eiseres] ’ is. Het tweede uittreksel is van ‘ [eiseres] B.V.’ De twee entiteiten zijn gevestigd op hetzelfde adres in [vestigingsplaats] .\n\n2. Bij brief van 25 november 2025 en ter zitting heeft de rechtbank aan de advocaat gevraagd namens welke entiteit hij rechtstreeks beroep heeft ingesteld. Eerst ter zitting heeft de advocaat verklaard dat het gaat om [eiseres] B.V. Verweerder heeft dit niet weersproken.\n\n3. In zijn brief van 22 januari 2026 heeft de advocaat gesteld dat de belanghebbende partij in deze zaak [bedrijfsnaam 1] LLC is. Ter onderbouwing van deze stelling heeft hij gegevens verstrekt over de uitbetalingen van terugbetaalde invoerrechten die verweerder heeft gedaan aan [bedrijfsnaam 1] LLC. Ook heeft hij een afschrift van een beslissing op een verzoek om terugbetaling overgelegd, geadresseerd aan ‘ [bedrijfsnaam 2] B.V. p\u002Fa [bedrijfsnaam 1] ’. Verweerder heeft bij e-mail van 27 januari 2026 de inhoud van de brief van de advocaat onderschreven.\n\n4. Voor zover de advocaat met zijn nadere gegevens heeft bedoeld zijn verklaring ter zitting dat hij beroep heeft ingesteld namens [eiseres] B.V. te rectificeren zal de rechtbank de advocaat volgen en het beroep aanmerken als te zijn ingediend namens [bedrijfsnaam 1] LLC.\n\nFeiten\n\n5. Op 30 april 2018 heeft de advocaat een verzoek om vergoeding van rente ingediend bij verweerder, met de volgende bewoordingen:\n\n“(…) [eiseres] (…) verzocht mij haar belangen te behartigen. Een volmacht, alsmede een uittreksel uit het handelsregister voeg ik bij (…).\n\n [eiseres] heeft namens aangever [belanghebbende] , in deze ook de feitelijk belanghebbende, hierna aangeduid als “Belanghebbende”, 103 verzoeken om terugbetaling ingediend bij de inspecteur van de Nederlandse douane. Deze verzoeken zagen op de onjuiste classificatie op de invoeraangiften van “op afstand bedienbare modelauto’s”\n\n(…)\n\nMiddels deze brief, op te vatten als een formeel verzoek, dien ik namens Belanghebbende het verzoek in, en voor zover nodig vorder ik, met betrekking tot de in de toelichting genoemde transacties en terugbetaalde bedragen dat de inspecteur overgaat tot vergoeding van rente (…)”\n\n6. Bij beschikking van 30 april 2019 heeft verweerder het verzoek afgewezen. De beschikking was geadresseerd aan (een collega van) de advocaat en had betrekking op het namens eiseres ingediende verzoek om rentevergoeding. Tegen deze beschikking heeft eiseres rechtstreeks beroep ingesteld bij de rechtbank.\n\n7. Tijdens de mondelinge behandeling op 16 december 2025 is de vraag aan de orde geweest of eiseres belanghebbende is in de zin van artikel 44 van het DWU. De rechtbank heeft aan verweerder gevraagd om aan de rechtbank te verstrekken:\n\n- het verzoek om terugbetaling,\n\n- de beslissing op het verzoek van de Douane,\n\n- en de volmacht van [belanghebbende] aan eiseres ten aanzien van het verzoek om terugbetaling.\n\n8. Eiseres heeft bij brief van 22 januari 2026 als nadere informatie onder meer verstrekt:\n\n- gegevens over uitbetalingen door verweerder op de bankrekening van eiseres, en\n\n- een afschrift van een beslissing op een verzoek om terugbetaling van [bedrijfsnaam 2] B.V.\n\nDaarbij heeft eiseres opgemerkt dat het feit dat alle bedragen aan de LLC zijn terugbetaald, erop duidt dat sprake is van betrokkenheid bij de aangiften en wel in indirecte vertegenwoordiging en dat wanneer de LLC als indirect vertegenwoordiger in eigen naam aangiften heeft gedaan, zij gerechtigd is om terugbetalingsverzoeken in te dienen. Verweerder heeft de rechtbank bericht dat hij instemt met de inhoud van de brief van eiseres.\n\nBeoordeling van het geschil\n\n9. Tussen partijen is in geschil of verweerder terecht het verzoek om rentevergoeding van eiseres heeft afgewezen. Partijen houdt verdeeld of het Communautair Douanewetboek (CDW) en het DWU ruimte bieden voor het vergoeden van rente over de terugbetaalde invoerrechten. De rechtbank ziet zich echter eerst ambtshalve geplaatst voor de vraag of eiseres beroepsgerechtigd is in de zin van artikel 44 van het DWU.\n\n10. Uit de gegevens die eiseres op 22 januari 2026 heeft verstrekt blijkt dat aan het verzoek om rentevergoeding dat eiseres op 30 april 2018 heeft ingediend meerdere beslissingen op verzoeken om terugbetaling ten grondslag liggen. Eiseres heeft één beslissing aan de rechtbank verstrekt. Het betreft de hiervoor onder 3 genoemde beslissing van de inspecteur van de Douane van 14 november 2017, die is gericht aan ‘ [bedrijfsnaam 2] B.V. p\u002Fa [bedrijfsnaam 1] ’. In de beoordeling van het verzoek om terugbetaling overweegt de inspecteur onder meer als volgt:\n\n“(…) Voor de aangiften gedaan namens [belanghebbende] te [stad] in [land] in indirecte vertegenwoordiging door [bedrijf] B.V., welke u heeft gemachtigd om namens hen op te treden, heeft u verzoeken om terugbetaling ingediend. Het betreft aangiften gedaan in de jaren 2014, 2015 en 2016 (…)\n\nHet volgende bedrag zal aan [eiseres] (…) worden terugbetaald dan wel kwijtgescholden (…)”\n\n11. Anders dan eiseres in haar brief van 22 januari 2026 heeft gesteld, is zij niet opgetreden als aangever of als (in)direct vertegenwoordiger. De beslissing van de inspecteur is niet anders te begrijpen dan dat [belanghebbende] de aangever was en [bedrijf] B.V. de indirect vertegenwoordiger. Dit betekent dat [belanghebbende] en [bedrijf] door de beslissing van 14 november 2017 rechtstreeks en individueel geraakt zijn in de zin van artikel 44 van het DWU. De beslissing is gericht aan Morrison Nederland B.V., die blijkens de hiervoor genoemde overweging van de inspecteur gemachtigd was op te treden namens [belanghebbende] en\u002Fof [bedrijf] .\n\nUit de beslissing van de inspecteur blijkt niet dat eiseres, als aangever of indirect vertegenwoordiger, rechtstreeks en individueel geraakt is door de uitnodigingen tot betaling en dus ook niet dat zij belanghebbende is in de zin van artikel 44 van het DWU bij het verzoek om vergoeding van rente vanwege terugbetaalde invoerrechten. Van een machtiging van eiseres om inzake vergoeding van deze rente voor een belanghebbende op te treden, is niet gebleken.\n\n12. De omstandigheid dat de terugbetaalde bedragen aan douanerechten aan eiseres zijn uitbetaald is onvoldoende om haar reeds daarom aan te merken als belanghebbende in de zin van artikel 44 van het DWU, nu niet is gebleken in welke hoedanigheid zij die bedragen heeft ontvangen. Hierdoor kan ook niet worden gesteld dat zij de justitiabele is die verliezen heeft geleden in de zin van r.o. 21 van het Irimie-arrest.\n\n13. Omdat eiseres geen belanghebbende is, kan zij ook niet met recht een verzoek om rentevergoeding doen ter zake van de terugbetaalde invoerrechten. Gelet hierop heeft verweerder haar verzoek om rentevergoeding ten onrechte inhoudelijk afgewezen op grond van het ontbreken van strijd met het Unierecht. Dit leidt echter niet tot vernietiging van de afwijzing. Eiseres heeft geen redelijk belang bij een wijziging van de beslissing van verweerder van een inhoudelijke afwijzing naar een afwijzing omdat eiseres geen belanghebbende is.\n\nConclusie\n\n14. Gelet op bovenstaande dient het beroep van eiseres ongegrond te worden verklaard.\n\nVergoeding immateriële schade\n\n15. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens de overschrijding van de redelijke termijn.\n\n16. De redelijke termijn is aangevangen met de ontvangst van het bezwaarschrift door verweerder op 7 juni 2019 en is geëindigd met de uitspraak van de rechtbank op 24 maart 2026. De redelijke termijn van twee jaar (voor de bezwaar- en beroepsfase) is dus overschreden met 58 (82 -\u002F- 24) maanden. Hoewel de rechtbank het beroep heeft aangehouden in afwachting van de beantwoording van prejudiciële vragen van de rechtbank Gelderland en verweerder moeilijk bereikbaar is geweest voor de rechtbank, ziet de rechtbank hierin geen aanleiding om de redelijke termijn te verlengen, zodat aan eiseres een vergoeding van immateriële schade toekomt van € 5.000. De termijnoverschrijding is volledig toe te rekenen aan de beroepsfase. Gelet hierop zal de rechtbank de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) veroordelen tot het betalen van de schadevergoeding.\n\nProceskosten en griffierecht\n\n17. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op afgerond € 233,50 (1 punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding met een waarde van € 934 en een wegingsfactor 0,25), nu de proceskostenvergoeding uitsluitend wordt toegekend vanwege de vergoeding van door eiseres geleden immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.\n\n18. Eiseres heeft haar verzoek om vergoeding van immateriële schade ingediend op 7 juni 2019. Dit is voor de datum van het arrest van de Hoge Raad op 31 mei 2024. Op 31 mei 2024 was de redelijke termijn al overschreden. Daarom bestaat op grond van het door de Hoge Raad gecreëerde overgangsrechtrecht op vergoeding van het griffierecht. Aan eiseres zal dus ook het griffierecht van € 345 worden vergoed.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- veroordeelt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de aan de beroepsfase toerekenbare immateriële schade vastgesteld op een bedrag van € 5.000;\n\n- veroordeelt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 233,50;\n\n- veroordeelt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van het griffierecht voor een bedrag van € 345.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. W.M.C. Schipper, voorzitter, en mr. C.A. Schreuder en mr. C.M. van Wechem, leden in aanwezigheid van drs. M.A.J. Arts, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 april 2026.\n\ngriffier voorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de douanekamer van het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam, waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Arrest van het Hof van Justitie C-674\u002F22 van 22 februari 2024, ECLI:EU:C:2024:147.\n\n Vgl. Hoge Raad 1 december 2006, 40231, ECLI:NL:HR:2006:AR4027, r.o. 4 en Hoge Raad 24 november 2023, 21\u002F03894, ECLI:NL:HR:2023:1626, r.o. 4.3 en 4.6.\n\n Hof van Justitie 18 april 2013, C-565\u002F11, ECLI:EU:C:2013:250.\n\n Vgl Hoge Raad 8 juli 2022, 21\u002F04695, ECLI:NL:HR:2022:1033, r.o. 3.3 en 8 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:238, r.o. 4.1.5.\n\n Zie het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024, overweging 7.1.2.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:3804","2026-04-09T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:25.226Z",{"id":83,"ecli":84,"slug":85,"caseNumber":43,"courtId":66,"decisionDate":86,"fullText":87,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":88,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":50,"updatedAt":89},"414","ECLI:NL:GHAMS:2026:1765","ecli-nl-ghams-2026-1765","2026-01-19T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nkenmerken 24\u002F3524 tot en met 24\u002F3526\n\n20 januari 2026\n\nuitspraak van de meervoudige douanekamer\n\nop het hoger beroep van\n\nde inspecteur van de Douane, de inspecteur,\n\nalsmede op het incidenteel hoger beroep van\n\n [X], gevestigd te [Y] , belanghebbende,\n\n(gemachtigde: R.F.R. Hoekstra)\n\ntegen de uitspraak van 30 augustus 2024 in de zaken met de kenmerken HAA 22\u002F3811 tot en met HAA 22\u002F3814, HAA\u002F5082 en HAA 23\u002F3003 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen\n\nbelanghebbende\n\nen\n\nde inspecteur.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. \n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende de volgende zes uitnodigingen tot betaling\n\n(hierna: de utb’s) uitgereikt:\n\nnummer\n\ndatum\n\nbedrag\n\nzaaknummer rb\n\n kenmerk Hof\n\nutb 1\n\n [# 1]\n\n5-11-2021\n\n€ 7.281,74\n\nHAA 22\u002F3811\n\n24\u002F3524\n\nutb 2\n\n [# 2]\n\n26-11-2022\n\n€ 6.607,19\n\nHAA 22\u002F3812\n\n-\n\nutb 3\n\n [# 3]\n\n21-12-2021\n\n€ 7.570,38\n\nHAA 22\u002F3813\n\n-\n\nutb 4\n\n [# 4]\n\n26-1-2022\n\n€ 5.657,00\n\nHAA 22\u002F3814\n\n-\n\nutb 5\n\n [# 5]\n\n4-5-2022\n\n€ 2.935,88\n\nHAA 22\u002F5082\n\n24\u002F3525\n\nutb 6\n\n [# 6]\n\n17-10-1022\n\n€ 11.474,82\n\nHAA 23\u002F3003\n\n24\u002F3526\n\n1.2.. De tegen de utb’s gemaakte bezwaren zijn door de inspecteur afgewezen.\n\n1.3.. Op de daartegen ingestelde beroepen heeft de rechtbank als volgt beslist, waarbij de inspecteur wordt aangeduid als “verweerder” en belanghebbende als “eiseres”:\n\n“De rechtbank:\n\nverklaart de beroepen met de zaaknummers HAA 22\u002F3812, HAA 22\u002F3813 en HAA 22\u002F3814 ongegrond;\n\nverklaart de beroepen met de zaaknummers HAA 22\u002F3811, HAA 22\u002F5082 en\n\nHAA 23\u002F3003 gegrond;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar van 9 juni 2022 inzake de utb met nummer [# 1] ;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar van 19 juli 2022 inzake de utb met nummer [# 5] ;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar van 10 februari 2023 inzake de utb met nummer [# 6] ;\n\nvermindert de utb met nummer [# 1] tot € 1.723,49, vermindert de utb met nummer [# 5] tot € 1.801,98 en vermindert de utb met nummer [# 6] tot € 9.449,09 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;\n\nveroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.750;\n\ndraagt verweerder op het betaalde griffierecht van in totaal € 1.095 aan eiseres te vergoeden.”\n\n1.4.. \n\nDe inspecteur heeft tijdig hoger beroep ingesteld. Na het instellen van het hoger beroep zijn de volgende stukken ingediend:\n\n- een aanvulling van de gronden van het hoger beroep door de inspecteur;\n\n- een bericht van belanghebbende waarin de ontvangst van het hoger beroep wordt bevestigd en waarin wordt verzocht om verlenging van de termijn voor het indienen van het verweerschrift;\n\n- een verweerschrift annex incidenteel hogerberoepschrift door belanghebbende;\n\n- een pleitnota door belanghebbende.\n\n1.5.. Partijen zijn uitgenodigd voor het onderzoek ter zitting op 13 januari 2026, maar hebben het Hof vooraf meegedeeld niet te zullen verschijnen. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. \n\nDe rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld:\n\n“1. Eiseres importeert schoenen uit [land] . [bedrijf] heeft als direct vertegenwoordiger in naam en voor rekening van eiseres (douanevertegenwoordiger) de volgende douaneaangiften ingediend voor de douaneregeling in het vrije verkeer brengen. De datum van aanvaarding van de aangiften is steeds gelijk aan de datum van indiening daarvan:\n\n aangifte\n\n Datum indiening\n\n Aangiftenummer\n\n productnummer\n\n zaaknummer\n\n Aangifte 1\n\n 13-1-2021\n\n [# 1]\n\n [product 1]\n\n HAA 22\u002F3811\n\n Aangifte 2\n\n 9-9-2020\n\n [# 2]\n\n [product 2]\n\n [product 3]\n\n [product 4]\n\n [product 5]\n\n [product 6]\n\n [product 7]\n\n [product 8]\n\n HAA 22\u002F3812\n\n Aangifte 3\n\n 18-12-2020\n\n [# 3]\n\n [product 9]\n\n [product 10]\n\n HAA 22\u002F3813\n\n Aangifte 4\n\n 19-8-2020\n\n [# 4]\n\n [product 2]\n\n [product 3]\n\n [product 4]\n\n [product 5]\n\n [product 11]\n\n [product 9]\n\n [product 6]\n\n [product 8]\n\n [product 7]\n\n HAA 22\u002F3814\n\n Aangifte 5\n\n 5-2-2021\n\n [# 5]\n\n [product 1]\n\n [product 12]\n\n [product 13]\n\n [product 14]\n\n HAA 22\u002F5082\n\n Aangifte 6\n\n 21-7-2021\n\n [# 6]\n\n [product 15]\n\n [product 16]\n\n HAA 23\u002F3003\n\nIn de aangiften heeft eiseres de betreffende schoenen ingedeeld onder de codes 6405 2099 00, 6405 9090 00 of 6405 1000 00 van het geïntegreerd tarief van de Gemeenschappen (Taric).\n\nZaak HAA 22\u002F3811 (aangifte en utb 1)\n\n2. Deze aangifte heeft uitsluitend betrekking op de schoen met productnummer [product 1] . Eiseres heeft de schoen in de aangifte ingedeeld onder Taric-code 6405 2099 00 (tarief 4%).\n\n3. In Plato-opdracht met [plato nummer 1] staat vermeld dat deze schoen aan een fysieke controle is onderworpen op 18 januari 2021 op het toenmalige bedrijfsadres van eiseres ( [straat] te [Y] ) en dat verweerder daarvoor op 13 januari 2021 contact heeft gehad met de douanevertegenwoordiger. Er was bij de fysieke controle geen aangever\u002Fvertegenwoordiger aanwezig. Er is geen monster genomen van de schoen.\n\n4. Een schoen met hetzelfde productnummer is ook opgenomen in een eerdere aangifte van eiseres met nummer [# 7] ( [aangifte] ). In de Plato-opdrachten die betrekking hebben op die eerdere aangifte (nummers [plato nummer 2] en [plato nummer 3] ) staat vermeld dat op 1 februari 2021 een fysieke controle heeft plaatsgevonden op het toenmalige bedrijfsadres van eiseres. Tijdens deze fysieke controle was een loodsmedewerker aanwezig. Hij wilde niet tekenen voor akkoord met de fysieke controle, omdat hij daartoe niet gemachtigd was. Naar aanleiding van deze controle heeft het douanelaboratorium de schoen onderzocht en daarvan op 14 september 2021 een rapport opgemaakt met [rapport nummer] . In dat rapport staat – voor zover van belang – dat het materiaal van de buitenzool kunststof of rubber en textiel is. Verder wordt daarin vastgesteld dat de textielvezels zich niet in de zool bevinden en de textiellaag niet duurzaam is. Het douanelaboratorium adviseert de schoen in te delen onder code 6404 1990 van de Gecombineerde Nomenclatuur (GN).\n\n5. Verweerder heeft op grond van dit laboratoriumonderzoek de indeling van de schoen in aangifte 1 gecorrigeerd naar Taric-code 6404 1990 00 (tarief 16,9%).\n\nHAA 22\u002F3812 (aangifte en utb 2)\n\n6. Deze aangifte ziet op schoenen met de productnummers [product 2] , [product 3] , [product 4] , [product 5] , [product 6] , [product 4] (aangegeven onder artikel 2 met Taric-code 6405 2099 00, tarief 4%) en op schoenen met de productnummers [product 7] en [product 8] (aangegeven onder artikel 3 met Taric-code 6405 9090 00, tarief 4%).\n\n7. In de Plato-opdrachten met nummers [plato nummer 4] en [plato nummer 5] staat vermeld dat de schoenen op 15 september 2020 aan een fysieke controle zijn onderworpen op het toenmalige bedrijfsadres van eiseres en dat er loodspersoneel aanwezig was bij die controle. In de Plato-opdracht met nummer [plato nummer 5] staat verder dat voor de controle geen contact is geweest met de aangever of diens vertegenwoordiger. In de Plato-opdracht met nummer [plato nummer 4] staat vermeld dat verweerder op 10 september 2020 per e-mail contact heeft gehad met de aangever of diens vertegenwoordiger. Van de schoenen met productnummers [product 5] , [product 17] en [product 7] zijn monsters genomen en deze zijn onderzocht door het douanelaboratorium.\n\n8. In het rapport van het douanelaboratorium met nummer [douane nummer 1] met betrekking tot schoen [product 5] staat – voor zover van belang – vermeld dat het materiaal van de buitenzool van de schoen kunststof of rubber is, dat de textielvezels zich niet in de zool bevinden en dat de textiellaag niet duurzaam is. Het douanelaboratorium adviseert deze schoen in te delen onder GN-code 6404 1990. Verweerder heeft dit advies overgenomen en de indeling van deze schoen in aangifte 2 gecorrigeerd naar Taric-code 6404 1990 00 (tarief 16,9%).\n\n9. In het rapport van het douanelaboratorium met nummer [douane nummer 2] met betrekking tot schoen [product 6] staat – voor zover van belang – vermeld dat het materiaal van de buitenzool van de schoen van kunststof of rubber en textiel is, dat de textielvezels zich niet in de zool bevinden en dat de textiellaag niet duurzaam is. Het douanelaboratorium adviseert deze schoen in te delen onder GN-code 6402 9190. Verweerder heeft voor deze schoen geen correctie aangebracht in aangifte 2.\n\n10. In het rapport van het douanelaboratorium met nummer [douane nummer 3] met betrekking tot schoen [product 7] staat – voor zover van belang – vermeld dat het materiaal van de buitenzool kunststof of rubber en textiel is, dat de textielvezels zich niet in de zool bevinden en dat aan het einde van een slijtagetest het textiel volledig is weggesleten. Er is volgens de onderzoekers geen sprake van een duurzame zool. Het douanelaboratorium adviseert de schoen in te delen onder GN-code 6402 9996. Verweerder heeft dit advies overgenomen en de indeling van de schoen in aangifte 2 gecorrigeerd naar Taric-code 6402 9996 00 (tarief 16,8%).\n\n11. Van de schoenen met productnummers [product 2] , [product 3] en [product 4] zijn geen monsters genomen en deze schoenen zijn niet in het kader van aangifte 2 door het douanelaboratorium onderzocht. Schoenen met dezelfde artikelnummers zijn echter ook opgenomen in aangifte 4 en in dat kader onderzocht (Plato-opdrachten met nummers [plato nummer 6] , [plato nummer 7] en [plato nummer 8] ). Zie daarover hierna onder 18 e.v.. Op grond van de bevindingen naar aanleiding van aangifte 4 heeft verweerder de indeling van deze schoenen in aangifte 2 gecorrigeerd naar Taric-code 6404 1990 00 (tarief 16,9%).\n\n12. Wat betreft de schoen met productnummer [product 8] heeft verweerder geen monsteronderzoek laten uitvoeren door het douanelaboratorium, omdat deze schoen volgens verweerder – afgezien van de kleur – identiek is aan de schoen met productnummer [product 7] , die wel is onderzocht door het douanelaboratorium zoals hiervoor onder punt 10 staat vermeld. Ook voor deze schoen heeft verweerder de indeling daarom gecorrigeerd naar Taric-code 6402 9996 00 (16,8%).\n\nHAA 22\u002F3813 (aangifte en utb 3)\n\n13. Deze aangifte ziet op schoenen met productnummers [product 9] en [product 10] aangegeven onder Taric-code 6405 9090 00 (tarief 4%).\n\n14. In de Plato-opdracht met nummer [plato nummer 9] staat vermeld dat de schoenen op 24 december 2020 aan een fysieke controle zijn onderworpen op het toenmalige bedrijfsadres van eiseres en dat verweerder daarvoor op 21 december 2021 contact heeft gehad met de aangever of diens vertegenwoordiger. Bij de fysieke controle waren eiseres noch de douanevertegenwoordiger aanwezig. Van de schoenen zijn monsters genomen en deze zijn onderzocht door het douanelaboratorium.\n\n15. In het rapport van het douanelaboratorium met nummer [douane nummer 4] van 3 mei 2021 staat – voor zover van belang – vermeld dat het materiaal van de buitenzool van de schoen met artikelnummer [product 10] rubber of kunststof en textiel is. Verder wordt vastgesteld dat de textielvezels zich niet in de zool lijken te bevinden. Het douanelaboratorium adviseert de schoenen in te delen onder GN-code 6405 9090. Verweerder heeft voor deze schoen geen correctie toegepast.\n\n16. In het rapport van het douanelaboratorium met nummer [douane nummer 5] van 3 mei 2021 staat – voor zover van belang – vermeld dat het materiaal van de buitenzool van de schoen met artikelnummer [product 9] rubber en textiel is, dat de textielvezels zich niet in de zool bevinden en dat op twee derde van een slijtagetest het textiel volledig is weggesleten. Er is volgens de onderzoekers geen sprake van een duurzame zool. Het douanelaboratorium adviseert de schoen in te delen naar het materiaal rubber onder GN-code 6402 9190. Verweerder heeft dit advies overgenomen en de indeling van schoen [product 9] in aangifte 3 gecorrigeerd naar Taric-code 6402 9190 00 (tarief 16,9%).\n\nHAA 22\u002F3814 (aangifte en utb 4)\n\n17. Deze aangifte heeft betrekking op schoenen met de productnummers [product 2] , [product 3] , [product 4] , [product 5] en [product 18] (aangegeven onder artikel 1 met Taric-code 6405 2099 00, tarief 4%) en op schoenen met de productnummers [product 9] en [product 6] , [product 8] en [product 7] (aangegeven onder artikel 2 met Taric-code 6405 9090 00, tarief 4%).\n\n18. In de Plato-opdracht met nummer [plato nummer 10] staat vermeld dat de schoenen aan een fysieke controle zijn onderworpen op 2 september 2020 op het toenmalige bedrijfsadres van eiseres en dat verweerder daarvoor op 21 augustus 2020 per e-mail contact heeft gehad met de aangever of diens vertegenwoordiger. Tijdens deze fysieke controle was loodspersoneel aanwezig, dat akkoord is gegaan met de representativiteit van de monsterneming. Van de schoenen met productnummers [product 2] , [product 3] , [product 4] zijn monsters genomen die zijn onderzocht door het douanelaboratorium.\n\n19. In het rapport van het douanelaboratorium met nummer [douane nummer 6] van 10 mei 2021 voor de schoen met productnummer [product 2] staat – voor zover van belang – vermeld dat het materiaal van de buitenzool kunststof of rubber en textiel is. In het rapport met nummer [douane nummer 7] van 3 mei 2021 voor de schoen met productnummer [product 4] staat over het materiaal van de buitenzool “deel voorvoet en deel hak textiel deel voorvoet, deel hak kunststof of rubber”. In beide rapporten staat verder dat de textielvezels zich niet in de zool bevinden en dat aan het eind van een slijtagetest het textiele deel van de zool is weggesleten. Er is volgens de onderzoekers geen sprake van duurzame zolen.\n\n20. In het rapport van het douanelaboratorium met nummer [douane nummer 8] van 23 augustus 2021 voor de schoen met productnummer [product 3] staat – voor zover van belang – vermeld dat het materiaal van de buitenzool kunststof of rubber is, dat de textielvezels zich niet in de zool bevinden en dat de textiellaag niet duurzaam is.\n\n21. Het douanelaboratorium adviseert de schoenen in te delen onder GN-code 6404 1990. Verweerder heeft overeenkomstig dit advies de indeling van de schoenen met productnummers [product 2] , [product 19] en [product 3] gecorrigeerd naar Taric-code 6404 1990 00 (tarief 16,9%).\n\n22. Van de overige schoenen, met productnummers [product 5] , en [product 11] , [product 9] en [product 6] , [product 8] en [product 7] , zijn geen monsters genomen en deze schoenen zijn niet in het kader van aangifte 4 door het laboratorium onderzocht. Schoenen met dezelfde productnummers zijn wel onderzocht in het kader van aangifte 2 dan wel aangifte 3 (Plato-opdrachten met nummers [plato nummer 4] , [plato nummer 5] en [plato nummer 9] ). Zie hiervoor onder 7 en 14. Op grond van die bevindingen heeft verweerder de indeling van de schoenen met productnummers [product 5] , [product 9] en [product 6] , [product 8] en [product 7] in aangifte 4 gecorrigeerd naar Taric-codes 6404 1990 00 (tarief 16,9%), 6402 9190 00 (tarief 16,9%) en 6402 9996 00 (tarief 16,8%).\n\nHAA 22\u002F5082 (aangifte en utb 5)\n\n23. Deze aangifte ziet op schoenen met de productnummers [product 1] , [product 12] , [product 13] en [product 14] aangegeven onder Taric-code 6405 1000 00 (tarief 3,5%).\n\n24. Van deze schoenen zijn geen monsters genomen en deze schoenen zijn evenmin in het kader van aangifte 5 door het douanelaboratorium onderzocht. Schoenen met hetzelfde productnummer zijn ook opgenomen in de [aangifte] en in dat kader ook onderzocht (Plato-opdrachten met nummers [plato nummer 2] en [plato nummer 3] ). Zie hiervoor bij punt 4.\n\n25. In de rapporten van het douanelaboratorium met de nummers [douane nummer 9] (schoen [product 1] ) en [douane nummer 10] (schoen [product 13] ) van 23 augustus 2021 en met de nummers [douane nummer 11] (schoen [product 12] ) en [douane nummer 12] (schoen [product 14] ) van 12 mei 2021 staat – voor zover van belang – vermeld dat het materiaal van de buitenzool van de schoen kunststof of rubber is ( [douane nummer 11] en [douane nummer 10] ) dan wel kunststof of rubber en textiel ( [douane nummer 12] en [douane nummer 9] ). Verder wordt in deze rapporten vastgesteld dat de textielvezels zich niet in de zool bevinden en in de rapporten [douane nummer 10] en [douane nummer 9] dat de textiellaag niet duurzaam is. Het douanelaboratorium adviseert de schoenen in te delen onder GN-code 6404 1990 ( [douane nummer 9] en [douane nummer 11] ) dan wel 6403 9998 ( [douane nummer 10] en [douane nummer 12] ). Verweerder heeft op grond van die rapporten de indeling van de schoenen gecorrigeerd naar Taric-codes 6404 1990 00 (tarief 16,9%) en 6403 9998 00 (tarief 7%).\n\nHAA 23\u002F3003 (aangifte en utb 6)\n\n26. Deze aangifte heeft (onder meer) betrekking op schoenen met de productnummers [product 15] en op [product 16] (aangegeven in artikel 3 onder Taric-code 6405 9090 00, tarief 4%).\n\n27. In de Plato-opdracht met nummer [plato nummer 11] staat vermeld dat een fysieke controle heeft plaatsgevonden op 2 augustus 2021 op het toenmalige bedrijfsadres van eiseres. Bij de controle is [naam] , medewerker van eiseres, aanwezig geweest. Het in het dossier aanwezige formulier “Akkoordverklaring Representativiteit monsterneming \u002F fysieke controle” is daarbij wegens de geldende coronamaatregelen niet door hem ondertekend. Van de schoen met productnummer [product 20] is een monster genomen dat is onderzocht door het douane-laboratorium.\n\n28. In het rapport van het douanelaboratorium met nummer [douane nummer 13] van 7 oktober 2021 staat – voor zover van belang – vermeld dat het materiaal van de buitenzool van de schoen kunststof\u002Frubber en textiel is. Verder wordt vastgesteld dat de textielvezels zich niet in de buitenzool bevinden en dat uit een slijtagetest bleek dat de textiellaag niet duurzaam is. Het douanelaboratorium adviseert de schoenen in te delen onder GN-code 6402 9190.\n\n29. Wat betreft de schoen met productnummer [product 16] heeft verweerder geen monsteronderzoek in laten stellen door het douanelaboratorium omdat deze schoen volgens verweerder – afgezien van de kleur – identiek is aan de schoen met productnummer [product 15] waar het rapport met nummer [douane nummer 13] (zie punt 28) van het douanelaboratorium op ziet.\n\n30. Naar aanleiding van het monsteronderzoek heeft verweerder besloten artikel 3 in de aangifte te splitsen, waarbij de schoenen met productnummers [product 15] en [product 16] zijn overgebracht naar artikel 4 en zijn ingedeeld onder Taric-code 6402 9190 00 (tarief 16,9%).\n\nAlle zaken\n\n31. In de productnummers staat de letter B voor het merk [X] , de twee cijfers na de B staan voor het productieseizoen, de volgende twee cijfers staan voor de fabrikant, de twee d aaropvolgende cijfers zijn vrij en de laatste twee cijfers geven een kleur aan.\n\n32. Ter zitting heeft verweerder voor alle voorliggende douaneaangiften een overzicht overgelegd van het elektronisch berichtenverkeer in het elektronisch aangiftesysteem AGS (AGS). Een van de codes die is gezonden aan de indiener van de douaneaangiften is de code “DMSCTL”. Volgens de toelichting van de soorten mededelingen staat dit voor “Communication intended control, Bericht waarmee de aangever\u002Fvertegenwoordiger wordt geïnformeerd over de fysieke controle van de goederen.”\n\n2.2.. Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden zal ook het Hof daarvan uitgaan.\n\n3. Geschil in hoger beroep\n\n3.1.. Het hoger beroep van de inspecteur richt zich tegen het oordeel van de rechtbank in de beroepen met zaaknummers HAA 22\u002F3811, HAA 22\u002F5082 en HAA 23\u002F3003, dat de inspecteur voor de zendingen begrepen in de utb’s 1, 5 en 6 niet heeft voldaan aan op hem rustende bewijslast dat hij de aangever in kennis heeft gesteld van zijn voornemen tot monsterneming.\n\n3.2.. Het incidenteel hoger beroep van belanghebbende richt zich in de eerste plaats tegen het oordeel van de rechtbank dat de resultaten van een monsteronderzoek ook de grondslag kunnen vormen voor de correctie van andere aangiften dan de aangifte die is gedaan voor de zending waaruit het monster is genomen, indien het om artikelen met hetzelfde artikelnummer gaat (door de rechtbank aangeduid als: “extrapolatie”). Daarnaast komt belanghebbende in haar incidenteel hoger beroep op tegen het oordeel van de rechtbank over haar grief dat ten aanzien van sommige in de utb’s begrepen schoenen in het verleden na fysieke controle geen correctie van de goederencode heeft plaatsgevonden (punten 57 t\u002Fm 60).\n\n4. Overwegingen van de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft ten aanzien van het geschil als volgt overwogen:\n\n“Monsterneming\n\n36. Met het oog op de verificatie van de juistheid van de in de aanvaarde douaneaangifte vermelde gegevens kunnen douaneautoriteiten de goederen aan een onderzoek onderwerpen (artikel 188, aanhef en onder c, van het DWU) en monsters nemen voor een analyse of grondige controle van de goederen (artikel 188, aanhef en onder d, van het DWU). De aangever heeft op grond van artikel 189, tweede lid, van het DWU het recht daarbij aanwezig te zijn of zich daarbij te laten vertegenwoordigen. Uit artikel 238 van de UVo.DWU volgt dat wanneer het bevoegde douanekantoor heeft besloten de goederen aan een onderzoek te onderwerpen of monsters te nemen, het douanekantoor hiervoor het tijdstip en de plaats aanwijst en de aangever hiervan in kennis stelt. Op verzoek van de aangever kan het bevoegde douanekantoor ook een andere plaats aanwijzen dan een douanekantoor. Uit artikel 240, eerste lid, van de UVo.DWU volgt dat wanneer het douanekantoor besluit monsters te nemen van de goederen, het de aangever daarvan in kennis stelt.\n\n37. Eiseres betwist in alle zaken in kennis te zijn gesteld van de voorgenomen monsterneming. Het is dan aan verweerder om aannemelijk te maken dat dit wel is gebeurd (vgl. Gerechtshof Amsterdam 14 juni 2004, ECLI:NL:GHAMS:2004:AQ6558, r.o. 7.2 en Gerechtshof Amsterdam 19 december 2006, ECLI:NL:GHAMS:2006:AZ6338, r.o. 6.2).\n\n38. Verweerder heeft daartoe, onder verwijzing naar het overzicht van het elektronisch berichtenverkeer AGS, aangevoerd dat in alle zaken de douanevertegenwoordiger vooraf is geïnformeerd dat de Douane de goederen aan een onderzoek, in de Plato-opdrachten geduid als een fysieke controle, zal onderwerpen en dat monsters doorgaans ook op datzelfde moment worden genomen. Uit dat overzicht volgt dat in alle zaken de code “DMSCTL” is verstuurd, wat inhoudt dat de aangever of een douanevertegenwoordiger wordt geïnformeerd over de fysieke controle van de goederen. Standaard is dat een douanevertegenwoordiger\u002Findiener van de douaneaangifte na het ontvangen van het DMSCTL-bericht contact opneemt met het “ werkverdeelpunt Douane\u002FMoerdijk ” om afspraken te maken over de locatie en het tijdstip van de fysieke controle. Verweerder acht het niet aannemelijk dat in de onderhavige zaken van deze standaardprocedure is afgeweken. Dat contact is geweest tussen de douanevertegenwoordiger en de Douane wordt volgens verweerder bevestigd door het feit dat de fysieke controle is verlegd naar de locatie van de aangever bij deze douaneaangiften. Hiervoor heeft de douanevertegenwoordiger telkens met het “ werkverdeelpunt Douane\u002FMoerdijk ” een afspraak moeten maken. Logischerwijs moet de douanevertegenwoordiger dus bekend zijn geweest met het tijdstip en de plaats van de fysieke controle, aldus verweerder, en had hij daarbij aanwezig kunnen zijn. De onderhavige fysieke controles en monsternemingen zijn vervolgens uitgevoerd op de locatie van de aangever en onder begeleiding van een medewerker van de aangever. Deze werkwijze voldoet volgens verweerder aan de vereisten van artikel 240 van de UVo.DWU.\n\nZaken HAA 22\u002F3811 (aangifte en utb 1) en HAA 22\u002F5082 (aangifte en utb 5)\n\n39. In de aangiften 1 en 5 zijn in het kader van die aangiften geen monsters genomen maar heeft verweerder de goederencodes gecorrigeerd op basis van rapporten van het douanelaboratorium inzake monsterneming van schoenen met betrekking tot de douaneaangifte van eiseres met het nummer [aangifte] (de eerdere douaneaangifte). De onderhavige beroepen zien echter niet op de eerdere douaneaangifte en het door verweerder overgelegde overzicht van het elektronisch berichtenverkeer met de douanevertegenwoordiger, heeft ook geen betrekking op de eerdere douaneaangifte. Uit de stukken van het geding blijkt niet dat de aangever bij de monsterneming in het kader van de eerdere douaneaangifte in kennis is gesteld van de monsterneming, het tijdstip of de plaats daarvan. Verder blijkt uit de Plato-opdrachten met de nummers [plato nummer 2] en [plato nummer 3] die betrekking hebben op de eerdere douaneaangifte ook niet dat de desbetreffende fysieke controle van tevoren is aangekondigd. Het enkele feit dat de monsterneming heeft plaatsgevonden op de locatie van de aangever is onvoldoende om aan te nemen dat de aangever vooraf in kennis is gesteld van de monsterneming en van het tijdstip waarop en de plaats waar die monsterneming zou plaatsvinden. Bovendien volgt uit die Plato-opdrachten dat de tijdens de fysieke controle aanwezige loodsmedewerker niet wilde tekenen voor akkoord met de fysieke controle, omdat hij daartoe niet gemachtigd was. Dat vormt een verdere aanwijzing dat een zodanige kennisgeving vooraf juist niet heeft plaatsgevonden.\n\nZaak 23\u002F3003 (aangifte en utb 6)\n\n40. Uit een e-mailbericht van 7 oktober 2022 van eiseres, in reactie op het voornemen van verweerder van 8 september 2022 tot het uitreiken van utb 6, heeft eiseres aan verweerder laten weten nooit te zijn geïnformeerd dat een monsterneming zou plaatsvinden, dan wel in de gelegenheid te zijn gesteld om daarbij aanwezig te zijn. Uit de Plato-opdracht met nummer [plato nummer 11] blijkt niet dat verweerder vooraf contact heeft gelegd met de aangever dan wel de douanevertegenwoordiger. Bij aanwezigheid van die contra-indicaties acht de rechtbank de omstandigheden dat de code “DMSCTL” is gezonden aan de douanevertegenwoordiger van eiseres en dat de controle en monsterneming hebben plaatsgevonden op het bedrijfsadres van eiseres onvoldoende om aan te nemen dat de aangever vooraf in kennis is gesteld van het tijdstip waarop en de plaats waar de fysieke controle en de monsterneming plaats zouden vinden.\n\n41. Gelet op het voorgaande heeft verweerder voor de utb’s 1, 5 en 6 niet aannemelijk gemaakt dat hij overeenkomstig de voorgeschreven werkwijze van artikel 189 van het DWU juncto artikelen 238 en 240 van de UVo.DWU heeft gehandeld. Dat betekent dat verweerder een essentiële voorwaarde in een dwingend voorgeschreven procedure heeft geschonden met als gevolg dat de uitslagen van de monsternemingen terzijde moeten worden gesteld (zie Gerechtshof Amsterdam 19 december 2006, ECLI:NL:GHAMS:2006:AZ6338, r.o. 6.6).\n\n42. Aangezien verweerder wenst af te wijken van de douaneaangiften van eiseres, rust op hem de bewijslast voor de door hem voorgestane indeling van de schoenen. Nu verweerder zich voor de aangiften 1, 5 en 6 niet meer kan beroepen op de uitslagen van de monsternemingen, voldoet hij voor die aangiften niet aan die bewijslast. De beroepen van eiseres in de zaken met zaaknummers HAA 22\u002F3811, HAA 22\u002F5082 en HAA 23\u002F3003 zijn daarom gegrond. De rechtbank komt in deze zaken daarom niet meer toe aan de overige beroepsgronden.\n\nHAA 22\u002F3812 (aangifte en utb 2), HAA 22\u002F3813 (aangifte en utb 3) en HAA 22\u002F3814 (aangifte en utb 4)\n\n43. De rechtbank acht aannemelijk dat de code “DMSCTL” zoals die volgens het elektronisch berichtenverkeer AGS aan de douanevertegenwoordiger is gezonden de door verweerder beschreven betekenis heeft, dat met de verzending van die code de eveneens door hem beschreven standaardprocedure in werking is gesteld en dat de douanevertegenwoordiger van eiseres dus contact heeft opgenomen met het “ werkverdeelpunt Douane\u002FMoerdijk ” om afspraken te maken over de plaats en het tijdstip van de fysieke controle. Dit volgt ook uit de Plato-dossiers die op de aangiften 2, 3 en 4 betrekking hebben en waarin is vermeld dat verweerder vooraf contact heeft gehad met de vertegenwoordiger van eiseres. Het wordt tevens bevestigd door het feit dat de controle én de monsterneming hebben plaatsgevonden op het bedrijfsadres van eiseres.\n\n44. Wat betreft aangifte 2 (zaaknummer HAA 22\u002F3812) is sprake van twee Plato-opdrachten ( [plato nummer 4] en [plato nummer 5] ). Uit Plato-opdracht [plato nummer 4] blijkt dat met betrekking tot deze douaneaangifte verweerder voorafgaand aan de controle van 15 september 2020 op 10 september 2020 per e-mail contact heeft gehad met de douanevertegenwoordiger. In Plato-opdracht [plato nummer 5] staat weliswaar dat er voor de controle geen contact is geweest met de aangever, maar nu deze opdracht ziet op dezelfde douaneaangifte en de controle op hetzelfde moment heeft plaatsgevonden, is eiseres voldoende op de hoogte gebracht van deze fysieke controle en monsterneming. In Plato-opdracht [plato nummer 9] met betrekking tot aangifte 3 (zaaknummer HAA 22\u002F3813) en in Plato-opdracht [plato nummer 10] met betrekking tot aangifte 4 (zaaknummer HAA 22\u002F3814) staat dat verweerder voorafgaand aan de fysieke controle per e-mail contact heeft gehad met de aangever of diens vertegenwoordiger. Uit Plato-opdracht [plato nummer 10] blijkt verder dat er bij de monsterneming loodspersoneel aanwezig was.\n\n45. Weliswaar blijkt uit de hiervoor aangehaalde Plato-opdrachten niet expliciet dat eiseres dan wel de douanevertegenwoordiger is geïnformeerd dat naast een fysieke controle ook monsters zouden worden genomen, maar gelet op het DMSCTL-bericht en de procedure die daarop pleegt te volgen acht de rechtbank aannemelijk dat het voor eiseres duidelijk moet zijn geweest dat met de aankondiging van de fysieke controle, ook geacht werd de monsterneming te zijn aangekondigd. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat al eerder bij eiseres controles zijn aangekondigd waarbij monsters zijn genomen van schoenen, zodat zij kon verwachten dat dit ook nu weer het geval zou zijn. Hierbij speelt ook de aard van de goederen een rol. Voor de beoordeling van de indeling in het gebruikstarief zijn immers ook de bestanddelen aan de binnenkant van de goederen van belang wat meebrengt dat een fysieke controle niet in alle gevallen afdoende is voor de beoordeling van de goederen.\n\n46. Uit artikelen 238 en 240 van de UVo.DWU volgt dat de Douane de aangever in kennis dient te stellen van de monsterneming en het tijdstip en de locatie ervan. Deze verplichting bestaat naast de verplichting de aangever in te kennis te stellen van een fysieke controle. Verweerder heeft gelet op wat hiervoor is overwogen in de zaken HAA 22\u002F3812, HAA 22\u002F3813 en HAA 22\u002F3814 niet in strijd gehandeld met voornoemde artikelen. De rechtbank slaat daarbij acht op het doel van de kennisgeving. Immers, indien een belanghebbende van een monsterneming op de hoogte is, dan kan deze ervoor kiezen zijn aanwezigheidsrecht uit te oefenen, bijvoorbeeld om te controleren of het monster representatief is of om een contra-monster aan te vragen. Dit belang weegt bij de goederen die in geschil zijn minder zwaar omdat eiseres (via zijn douanevertegenwoordiger) in kennis is gesteld van de fysieke controle, en de monsterneming daarmee gelijktijdig is uitgevoerd, en uit een lading schoenen met een bepaald productnummer telkens een of meer hele schoenen – en dus niet slechts een gedeelte daarvan – als monster worden genomen en niet is gebleken dat onder hetzelfde productnummer verschillende soorten schoenen zijn ingevoerd. Dat ligt ook niet voor de hand nu het productnummer ook door de fabrikant op de facturen wordt gebruikt ter identificatie van de schoenen.\n\n47. De enkele verwijzing door eiseres naar de SAMANCTA-normen leidt niet tot een ander oordeel reeds omdat die normen slechts een aanbeveling zijn (vgl. Gerechtshof Den Haag 15 april 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1058, r.o. 5.11).\n\nExtrapolatie\n\n48. Uit punt 31 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 27 februari 2014, C-517\u002F12 Greencarrier Freight Services Latvia SIA, ECLI:EU:C2014:102 (het arrest-Greencarrier) blijkt dat het bij extrapolatie van onderzoeksbevindingen moet gaan om identieke goederen. Verder is in deze rechtsoverweging te lezen dat de voorwaarde wordt gesteld dat identieke goederen afkomstig zijn van dezelfde fabrikant, dezelfde benaming en samenstelling hebben en er hetzelfde uitzien als de goederen waarop de eerdere douaneaangiften betrekking hadden. De vaststelling dat het identieke goederen betreft, kan met name gebaseerd zijn op de controle van de handelsdocumenten en gegevens aangaande de in of uitvoertransacties ten aanzien van de betrokken goederen en aangaande de handelstransacties die later in verband met deze goederen plaatsvinden.\n\nHAA 22\u002F3812 (aangifte 2)\n\n49. De rechtbank stelt vast en eiseres heeft ter zitting erkend dat verweerder bij de schoenen met productnummers [product 5] en [product 7] uit aangifte 2 geen extrapolatie heeft toegepast. De correctie van de indeling van deze schoenen is immers gebaseerd op uitslagen van het monsteronderzoek van monsters die in het kader van aangifte 2 zijn genomen (rapporten van het douanelaboratorium met nummers [douane nummer 1] en [douane nummer 3] ).\n\n50. Van de schoenen met productnummers [product 2] , [product 3] en [product 4] zijn in het kader van aangifte 2 geen monsters genomen. Verweerder heeft de uitslagen van de monsteronderzoeken in het kader van aangifte 4 (rapporten van het douanelaboratorium met nummers [douane nummer 6] , [douane nummer 8] en [douane nummer 7] ) geëxtrapoleerd naar aangifte 2.\n\n51. De rechtbank stelt vast dat de rapporten van het douanelaboratorium met de nummers [douane nummer 6] , [douane nummer 8] en [douane nummer 7] betrekking hebben op exact hetzelfde productnummer als de schoenen die niet in het kader van aangifte 2 zijn onderzocht. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat een schoen met eenzelfde productnummer andere eigenschappen en kenmerken zou hebben met betrekking tot de zool. Uit de toelichting van eiseres over de betekenis van de productnummers blijkt immers dat schoenen met hetzelfde productnummer zijn gemaakt door dezelfde fabrikant, geproduceerd voor hetzelfde seizoen, hetzelfde merk betreffen en dezelfde kleur hebben. Dat zij een ander uiterlijk of een andere samenstelling zouden hebben, blijkt nergens uit en ligt ook niet in de rede. Gelet daarop is sprake van identieke goederen in de zin van het arrest-Greencarrier. Verder is het tijdsverloop tussen de datum van aangifte 2 (9 september 2020) en de datum van monsterneming betreffende aangifte 4 (2 september 2020) dermate kort dat niet aannemelijk is dat sprake zou zijn van verschillende producten. De stelling van eiseres dat dezelfde schoen meerdere productnummers kan hebben, doet in dit verband niet ter zake. Tijdens de zitting heeft eiseres namelijk bevestigd dat verschillende type schoenen niet met hetzelfde productnummer worden aangegeven. Dat betekent dat ingevoerde schoenen met hetzelfde productnummer onderling geen relevante verschillen vertonen.\n\n52. Van de schoenen met productnummer [product 8] is geen monster genomen en deze schoenen zijn niet door het douanelaboratorium onderzocht. Verweerder heeft de uitslag van het monsteronderzoek van productnummer [product 7] dat in het kader van aangifte 2 is opgemaakt (het rapport van het douanelaboratorium met nummer [douane nummer 3] ), geëxtrapoleerd naar productnummer [product 8] .\n\nBeide schoenen zijn opgenomen in aangifte 2 en alleen de laatste twee cijfers van het productnummer verschillen. Niet in geschil is dat dit verschil in de laatste twee cijfers enkel de kleur betreft. Voor het overige zijn de schoenen gemaakt door dezelfde fabrikant, geproduceerd voor hetzelfde seizoen en betreffen zij hetzelfde merk. Hoewel vanwege het kleurverschil geen sprake is van identieke goederen, heeft verweerder de extrapolatie mogen toepassen. Immers, de goederen zijn ingedeeld op basis van de kenmerken en eigenschappen van de zool. Gesteld noch gebleken is dat de schoen met artikelnummer [product 8] andere eigenschappen en kenmerken zou hebben met betrekking tot de zool dan de schoen met artikelnummer [product 7] . Het kleurverschil is van zodanig ondergeschikte aard dat het voor de indeling niet van belang is en dus niet in de weg staat aan extrapolatie.\n\nHAA 22\u002F3813 (aangifte 3)\n\n53. De rechtbank stelt vast dat verweerder voor de schoenen met productnummers [product 9] en [product 10] uit aangifte 3 geen extrapolatie heeft toegepast. Van deze schoenen zijn in het kader van deze aangifte monsters genomen die door het douanelaboratorium zijn onderzocht (rapport van het douanelaboratorium met nummers [douane nummer 5] en [douane nummer 4] ). Het beroep dat ten onrechte extrapolatie is toegepast kan reeds daarom niet slagen. Overigens heeft verweerder voor de schoen met productnummer [product 10] de indeling niet gecorrigeerd.\n\nHAA 22\u002F3814 (aangifte 4)\n\n54. De rechtbank stelt vast dat verweerder voor de schoenen met productnummers [product 2] , [product 21] en [product 4] geen extrapolatie heeft toegepast, omdat van deze schoenen in het kader van aangifte 4 monsters zijn genomen die door het douanelaboratorium zijn onderzocht. De uitslagen van de monsteronderzoeken zijn opgenomen in de rapporten van het douanelaboratorium met nummers [douane nummer 6] , [douane nummer 8] en [douane nummer 7] . Het beroep dat ten onrechte extrapolatie is toegepast kan reeds daarom niet slagen.\n\n55. Van de schoenen met productnummers [product 5] , en [product 11] , [product 9] en [product 6] , [product 8] en [product 7] uit aangifte 4 zijn in het kader van deze aangifte geen monsters genomen. Schoenen met dezelfde productnummers zijn ook opgenomen in de aangiften 2 en 3. In het kader van die aangiften zijn wel monsters genomen. Verweerder heeft de uitslagen van die monsteronderzoeken (rapporten van het douanelaboratorium met de nummers [douane nummer 1] , [douane nummer 5] , [douane nummer 2] en [douane nummer 3] ) geëxtrapoleerd naar de schoenen uit aangifte 4.\n\n56. De rechtbank stelt vast dat de rapporten van het douanelaboratorium met de nummers [douane nummer 1] , [douane nummer 5] , [douane nummer 2] en [douane nummer 3] betrekking hebben op exact dezelfde productnummers als de schoenen die niet in het kader van aangifte 4 zijn onderzocht. Verder is het tijdsverloop tussen de datum van aangifte 4 (19 augustus 2020) en de datum van monsterneming betreffende aangiften 2 en 3 (15 september 2020 en 24 december 2020) beperkt. Hiervoor geldt dan ook hetzelfde als hiervoor onder 51 is overwogen.\n\nEerdere onderzoeken\n\n57. Eiseres heeft aangevoerd dat in de afgelopen jaren bij haar verschillende fysieke controles zijn uitgevoerd. Dit heeft voor een aantal productnummers die hier in geschil zijn in het verleden niet geleid tot een wijziging van de indeling. Ook bestaat in een aantal gevallen voor dezelfde schoen een afwijkende laboratoriumuitkomst die niet heeft geleid tot een correctie. Eiseres heeft als voorbeelden de schoenen met productnummers [product 9] , [product 1] en [product 12] gegeven.\n\n58. Voor de schoen met productnummer [product 9] heeft eiseres een laboratoriumuitkomst van 2 oktober 2020 met nummer [douane nummer 14] overgelegd ( [plato nummer 12] ) waarin staat dat indeling dient plaats te vinden onder GN-code 6405 9090.\n\nDe rechtbank stelt vast dat de uitslag van het laboratoriumonderzoek waar eiseres naar verwijst ouder is dan de laboratoriumuitslag van 3 mei 2021 waarop verweerder de indeling van deze schoen heeft gebaseerd en dat dit laatstgenoemde onderzoek specifiek betrekking heeft op de zool. Verweerder heeft onweersproken verklaard dat voorheen door het douanelaboratorium een andere onderzoeksmethode werd gebruikt en dat alle laboratoriumonderzoeken die hij ten grondslag heeft gelegd aan de hier in geding zijnde utb’s zijn uitgevoerd volgens een nieuwe, verbeterde methode. Gelet hierop staat de oude laboratoriumuitslag niet in de weg aan het toepassen van extrapolatie. Het beroep op de oude laboratoriumuitslag kan daarom niet slagen.\n\n59. Voor de schoen met productnummer [product 1] heeft eiseres gewezen op de Plato-onderzoeken met nummers [plato nummer 13] en [plato nummer 14] waarna de douaneaangiften niet zijn gecorrigeerd. In de uitspraak op bezwaar in de zaak met zaaknummer HAA 22\u002F3811 staat dat ten aanzien van deze schoen met productnummer [product 1] weliswaar eerder een fysieke controle is uitgevoerd, maar dat er toen geen zicht- of laboratoriummonsters zijn genomen en geen monsteronderzoek heeft plaatsgevonden. Aangezien de samenstelling van de schoen en daarmee van de zool toen niet is beoordeeld, was er geen reden om de aangegeven goederencode te corrigeren. Eiseres heeft dit niet weersproken. Nu er van deze schoen thans wel een uitslag van een laboratoriumonderzoek bekend is, kan het beroep van eiseres op deze Plato-opdrachten ten aanzien van deze schoen niet slagen.\n\n60. Ten aanzien van de schoen met productnummer [product 12] heeft eiseres gewezen op het Plato-onderzoek met nummer [plato nummer 14] en gesteld dat de desbetreffende douaneaangifte niet is gecorrigeerd. Voor zover voor deze schoen na die eerdere Plato-opdracht door verweerder geen correctie is toegepast, dan wel van deze schoen een oudere laboratoriumuitslag bekend is, verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor is overwogen.\n\n61. Eiseres heeft ter illustratie van de onduidelijkheid rond de monsteronderzoeken nog verwezen naar een bindende tariefinlichting met nummer [BTI nummer] (de bti) die aan haar is afgegeven en waarin de indeling van schoenen met productnummer [product 22] was gebaseerd op een zool van textiel, ervan uitgaande dat die zool duurzaam en slijtvast was. Later is het douanelaboratorium tot andere inzichten gekomen. De bti leidt niet tot andere uitkomsten, omdat de bti ziet op schoenen met een ander productnummer dan in deze beroepen voorliggen. De rechtbank neemt hierbij mede in aanmerking wat verweerder heeft verklaard over de gewijzigde onderzoeksmethode van het douanelaboratorium.\n\nConclusie\n\n62. De beroepen met de zaaknummers HAA 22\u002F3812 tot en met HAA 22\u002F3814 zijn ongegrond.\n\nDe beroepen met de zaaknummers HAA 22\u002F3811, HAA 22\u002F5082 en HAA 23\u002F3003 zijn gegrond. Verweerder heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat in dat geval de correcties moeten worden verminderd van 16,9% naar 4%. Aangezien de goederen in de zaak HAA 22\u002F5082 zijn aangegeven naar een tarief van 3,5% en er enerzijds is gecorrigeerd naar een tarief van 7% en anderzijds naar een tarief van 16,9%, gaat de rechtbank er vanuit dat in die zaak de correcties moeten worden teruggebracht naar 3,5%.\n\nVoor de zaak HAA 22\u002F3811 betekent dit dat utb 1 moet worden verminderd van € 7.281,74 naar € 1.723,49. In de zaak HAA 22\u002F5082 bestaat de utb voor een bedrag van € 1.215,66 uit heffing naar het tarief van 16,9% en voor een bedrag van € 339,99 uit heffing naar het tarief van 7%. Dat betekent dat utb 5 moet worden verminderd van € 2.935,88 naar € 1.801,98. In de zaak HAA 23\u002F3003 is niet in geschil dat het bestreden bedrag € 2.025,73 is zodat utb 6 moet worden verminderd van € 11.474,82 naar € 9.449,09.\n\n5. Beoordeling van het geschil\n\nOntvankelijkheid incidenteel hoger beroep belanghebbende5.1.. Ingevolge artikel 8:110, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient een incidenteel hoger beroep ingesteld te worden binnen zes weken nadat de hogerberoepsrechter de gronden van het hoger beroep aan de desbetreffende partij heeft verzonden. De gronden van het hoger beroep zijn bij brief van 4 december 2024 verzonden aan belanghebbende. Dit betekent dat het incidenteel hoger beroep uiterlijk op 15 januari 2025 ingediend had moeten worden. Het incidenteel hoger beroep is ontvangen op 26 februari 2025.\n\n5.2.. Ingevolge artikel 8:110, lid 4, Awb, kan het Hof de hiervoor vermelde termijn verlengen, maar van die bevoegdheid heeft hij in deze zaken geen gebruik gemaakt. Daar is ook niet om verzocht. Belanghebbende heeft weliswaar bij brief van 7 januari 2025 verzocht om verlenging van de in artikel 8:42, lid 1, van de Awb gestelde termijn (van vier weken) voor het indienen van een verweerschrift, maar niet om verlenging van de termijn voor het indienen van een incidenteel hoger beroep.\n\n5.3.. Gelet op het vorenoverwogene dient het incidenteel hoger beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk te worden verklaard.\n\nHoger beroep inspecteur5.4.. Het hoger beroep van de inspecteur richt zich tegen de beslissing van de rechtbank, in de punten 39 tot en met 42 van haar uitspraak, dat de inspecteur voor de goederen die zijn begrepen in de utb’s 1, 5 en 6 niet heeft voldaan aan op hem rustende bewijslast aannemelijk te maken dat hij de aangever in kennis heeft gesteld van zijn voornemen tot monsterneming (zaaknummers HAA 22\u002F3811, HAA 22\u002F5082 en HAA 23\u002F3003).\n\n5.5.. Naar ’s Hofs oordeel heeft de rechtbank in de punten 39 tot en met 42 van haar uitspraak op goede gronden een juiste beslissing genomen. Het Hof neemt deze beslissing en de gronden waarop zij berust over en maakt deze tot de zijne. Al hetgeen de inspecteur in hoger beroep heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.\n\nSlotsom5.6.. Het hoger beroep is ongegrond en het incidenteel hoger beroep is niet-ontvankelijk. De uitspraak van de rechtbank betreffende de zaken HAA 22\u002F3811, HAA 22\u002F5082 en HAA 23\u002F3003 dient te worden bevestigd.\n\n6. Kosten\n\nHet Hof vindt aanleiding voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). Voor het onderhavige geval zijn dat de in onderdeel a vermelde kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit stelt het Hof het bedrag van deze kosten overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief op: 1 [verweerschrift] x € 934 x 1 (wegingsfactor) = € 934.\n\n7. Beslissing\n\nHet Hof:\n\nbevestigt de uitspraak van de rechtbank voor zover deze ziet op de beroepen met de zaaknummers HAA 22\u002F3811, HAA 22\u002F5082 en HAA 23\u002F3003;\n\nverklaart het incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk;\n\nveroordeelt de inspecteur in de kosten van belanghebbende voor het hoger beroep tot een bedrag van € 934;\n\nbepaalt dat van de inspecteur een griffierecht wordt geheven van € 559.\n\nDe uitspraak is gedaan door mrs. B.A. van Brummelen, voorzitter, C.J. Hummel en\n\nJ-P.R. van den Berg, leden van de douanekamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen, als griffier. De beslissing is op 20 januari 2026 in het openbaar uitgesproken.\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\n1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;\n\n2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\n3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\n a. de naam en het adres van de indiener;\n\n b. de dagtekening;\n\n c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\n d. de gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.\n\nToelichting rechtsmiddelverwijzing\n\nPer 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.\n\nDigitaal procederen\n\nHet webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u opwww.hogeraad.nl.\n\nNiet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.\n\nPer post procederen\n\nAlleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1765","2026-07-13T00:28:28.730Z",20,[11]]