[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-debt-restructuring-nl-2026":3},{"detail":4,"years":155},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":153,"page":14,"limit":154},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},36,"debt-restructuring-nl","Debt Restructuring","NL","2026-07-08T16:53:25.925Z",2026,[13,16,18,20,22,24,27,29,31,33,35,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":14},4,{"month":23,"count":15},5,{"month":25,"count":26},6,11,{"month":28,"count":14},7,{"month":30,"count":15},8,{"month":32,"count":15},9,{"month":34,"count":15},10,{"month":26,"count":15},{"month":37,"count":15},12,[39,53,62,72,82,89,96,104,113,120,128,136,144],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"997","ECLI:NL:RBMNE:2026:4006","ecli-nl-rbmne-2026-4006","",63,"2026-07-02T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nTeam Insolventie\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nzaaknummer: C\u002F16\u002F26\u002F1033 R\n\nuitspraakdatum: 2 juli 2026\n\nVonnis op grond van artikel 350 lid 3 Fw (tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling)\n\nIn de zaak van:\n\n [verzoeker] ,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nverzoeker,\n\nhierna te noemen: [verzoeker] ,\n\nadvocaat: mrs. A. Coppelmans en M.E.R. van Herpen, kantoorhoudend in Den Haag,\n\ntegen\n\n [verweerster] ,\n\nwonende op een, bij de rechtbank bekend, geheim adres,\n\nverweerster,\n\nhierna te noemen: [verweerster] ,\n\nadvocaat: mr. R. van Biezen, kantoorhoudend in Den Haag.\n\n1. Het procesverloop\n\nBij vonnis van 12 februari 2026 is ten aanzien van [verweerster] de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp) uitgesproken met benoeming van mr. G. Konings tot rechter-commissaris en dhr. B.L. Menting tot bewindvoerder.\n\nMet een verzoekschrift, gedateerd op 6 maart 2026, heeft [verzoeker] de rechtbank verzocht om de toepassing van de Wsnp tussentijds te beëindigen. Vervolgens is de mondelinge behandeling bepaald op 4 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft vóór de mondelinge behandeling kennisgenomen van de volgende stukken:\n\nverzoekschrift ingediend door [verzoeker] met bijlage 1 t\u002Fm 44;\n\nverweerschrift van [verweerster] met bijlage N01 t\u002Fm N05 en de referentieset;\n\nde aanvullende brief van [verzoeker] , ingekomen op 1 juni 2026 met bijlage 45 t\u002Fm 49;\n\nde aanvullende brief van [verzoeker] , ingekomen op 3 juni 2026 met bijlage 50;\n\nde aanvullende reactie van [verweerster] , ingekomen op 3 juni 2026 met bijlages N01 t\u002Fm N08;\n\nde nagestuurde referentieset bij het verweer van [verweerster] , ingekomen op 3 juni 2026.\n\nOp de mondelinge behandeling van 4 juni 2026 zijn [verzoeker] en zijn beide advocaten verschenen. Mr. Coppelmans heeft op schrift gestelde pleitaantekeningen voorgedragen en overgelegd. [verweerster] is eveneens verschenen en bijgestaan door haar advocaat voornoemd. [verweerster] heeft aan het einde van de mondelinge behandeling een “nadere toelichting”voorgedragen en overgelegd. Verder heeft [verweerster] nog een aan haar gerichte“werkgeversverklaring mbt reintegratie werkzaamheden”, gedateerd 3 juni 2026, overgelegd. Op de mondelinge behandeling is tenslotte nog verschenen dhr. B.L. Menting, bewindvoerder van [verweerster] .\n\nVonnis is bepaald op heden.\n\n2. Het geschil\n\n2.1.\n\n [verzoeker] verzoekt de rechtbank “de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van mevrouw [verweerster] , geboren op [geboortedatum] 1972, op grond van artikel 350 lid 3 sub e en\u002Fof sub f Fw tussentijds te beëindigen zonder toekenning van de schone lei.”\n\nIn zijn verzoekschrift voert [verzoeker] aan dat er sprake is van benadeling van schuldeisers en schulden te kwader trouw. Indien, aldus [verzoeker] , [verweerster] alle relevante informatie had gedeeld was de toepassing van de schuldsanering nimmer uitgesproken. De toepassing van de Wsnp dient dan ook tussentijds te worden beëindigd, zonder toekenning van de schone lei. [verzoeker] beroept zich op twee gronden:\n\ni) artikel 350, lid 3 sub e Fw: [verweerster] tracht haar schuldeisers te benadelen;\n\nii) artikel 350, lid 3 sub f Fw: er zijn feiten en omstandigheden bekend geworden die op het tijdstip van indiening van het verzoek tot toelating reeds bestonden en die reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen.\n\n2.2.\n\n [verweerster] verzoekt de rechtbank: “het verzoek tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling af te wijzen en het vonnis van 13 februari 2026, waarbij verweerster tot de wettelijke schuldsaneringsregeling is toegelaten, in stand te laten.”\n\nIn haar verweerschrift concludeert [verweerster] dat de door [verzoeker] , in zijn verzoekschrift, aangevoerde “feiten en omstandigheden” ofwel feitelijk onjuist zijn, ofwel niet onderbouwd, ofwel bekend waren bij de toelatingsrechter en bij de toelating zijn meegewogen. Er is geen sprake van benadeling van schuldeisers in de zin van artikel 350, lid 3 sub e Fw. Er zijn geen naderhand bekend geworden feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 350 lid 3 sub f Fw die tot afwijzing van het toelatingsverzoek hadden geleid. Het verzoek tot tussentijdse beëindiging is, aldus [verweerster] , niet gegrond en dient te worden afgewezen.\n\n3. De beoordeling van het verzoek\n\n3.1.\n\nBij de beoordeling van het verzoek gaat de rechtbank uit van de volgende vaststaande feiten.\n\n- Partijen zijn ex-echtelieden. Bij beschikking van de rechtbank Den Haag d.d.\n\n [datum echtscheiding] 2021 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.\n\nBij beschikking van 31 januari 2022 heeft de rechtbank Den Haag beslist over de vermogensrechtelijke afwikkeling van de echtscheiding.\n\nNadat [verzoeker] hoger beroep had ingesteld tegen voormelde beschikking van 31 januari 2022 en [verweerster] incidenteel hoger beroep had ingesteld heeft het gerechtshof Den Haag bij beschikking van 7 december 2022 de beschikking van de rechtbank Den Haag d.d. 31 januari 2022 vernietigd en -opnieuw rechtdoende- een andere wijze van verdeling gelast en [verweerster] veroordeeld tot betaling van een bedrag ad\n\n€ 278.372,50 aan [verzoeker] . Bij beschikking van 29 maart 2023 heeft het gerechtshof Den Haag de beschikking van 7 december 2022 verbeterd aldus dat het door [verweerster] aan [verzoeker] te betalen bedrag is bepaald op € 289.304,30.\n\nDirect ná de beschikking van 31 januari 2022 heeft [verweerster] diverse beslagen ten laste van [verzoeker] doen leggen. In de daarop volgende procedures zijn -voor zover einduitspraak is gedaan- de vorderingen van [verweerster] afgewezen.\n\nBij vonnis in kort geding d.d. 16 september 2024 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag alle ten laste van [verzoeker] gelegde beslagen opgeheven, [verweerster] verboden opnieuw executoriaal beslag te leggen ter zake partneralimentatie en - kort en zakelijk samengevat- [verweerster] veroordeeld mee te werken aan de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden zoals bepaald bij beschikking van\n\n7 december 2022 (en aangevuld en verbeterd bij beschikking van 29 maart 2023).\n\nEind 2024 heeft [verweerster] de rechtbank Midden-Nederland verzocht om toegelaten te worden tot de Wsnp.\n\nHet verzoek van [verweerster] om toegelaten te worden tot de Wsnp is door de rechtbank Midden-Nederland bij vonnis van 25 februari 2025 afgewezen. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 6 juni 2025 het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland d.d. 25 februari 2025 bekrachtigd.\n\nEind 2025 heeft [verweerster] zich opnieuw tot de rechtbank Midden-Nederland gewend met een verzoek toegelaten te worden tot de Wsnp.\n\nBij vonnis van 13 februari 2026 heeft de rechtbank Midden-Nederland [verweerster] toegelaten tot de Wsnp. Voor zover thans van belang heeft de rechtbank daarbij het volgende overwogen:\n\n“De rechtbank overweegt dat hetgeen het hof heeft overwogen over het gebrek aan goede trouw van [verweerster] ten aanzien van het laten ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoek is ingediend, in beginsel nog steeds in de weg staat aan toelating tot de Wsnp. [verweerster] heeft immers in augustus 2023 een recht van hypotheek aan [bedrijf 1] B.V. verstrekt. De in artikel 288, eerste lid, onder b, van de Faillissementswet opgenomen driejaarstermijn verstrijkt dus pas in augustus 2026.\n\nHoewel deze omstandigheid toelating tot de Wsnp in beginsel in de weg staat, is de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval op grond van de uitzichtloze situatie van [verweerster] en ter voorkoming van verdere neergang, een uitzondering moet worden gemaakt. De rechtbank zal evenwel ter compensatie van het geconstateerde verwijtbare handelen van [verweerster] , de duur van de schuldsanering verlengen en licht dit als volgt toe.”\n\nen verder:\n\n“De rechtbank is verder van oordeel dat, gelet op de uiteenzetting van [verweerster] in het verzoekschrift en de aanvullende stukken van 21 januari 2026 en 8 februari 2026 waarin [verweerster] aannemelijk heeft gemaakt welke gerechtelijke procedures er thans lopen en dat er voor haar geringe financiële risico’s aan zijn verbonden, dit aspect een toewijzing tot de Wsnp niet in de weg staat. De rechter-commissaris zal verder de voortzetting en aanvang van (nieuwe) procedures dienen te beoordelen.”\n\nBij arrest van het gerechtshof Den Haag van 24 maart 2026 heeft het gerechtshof het hiervoor vermelde kort geding vonnis van 16 september 2024 bekrachtigd met veroordeling van [verweerster] in de geliquideerde proceskosten. Daarbij heeft het gerechtshof Den Haag het volgende overwogen: “Het hof is van oordeel dat de vrouw de grens heeft bereikt met betrekking tot de procedures die zij tegen de man heeft gevoerd. Ook van haar kan worden verlangd dat zij op een correcte wijze uitvoering geeft aan rechterlijke beslissingen en van haar kan ook in redelijkheid worden verlangd dat zij niet nodeloos de man in rechte betrekt. Ook de advocaat van de vrouw heeft hier een rol in om nodeloze procedures te voorkomen. Gezien de proceshouding van de vrouw ziet het hof thans aanleiding haar in de proceskosten in hoger beroep te veroordelen. Het hof zal thans nog uitgaan van het liquidatietarief.”\n\nBij arrest van het gerechtshof Den Haag d.d. 2 juni 2026 -waarbij het gerechtshof de door [verweerster] bestreden vonnissen van de rechtbank Den Haag d.d. 21 februari 2024, 21 augustus 2024 en 25 september 2024 heeft bekrachtigd, is [verweerster] veroordeeld in de werkelijke proceskosten van [verzoeker] . Daarbij heeft het gerechtshof het volgende overwogen: “Uit de gewisselde stukken volgt dat [verweerster] een veelvoud aan procedures (waaronder naast bodemprocedures meerdere kortgedingen en beslagprocedures in twee instanties) tegen [verzoeker] heeft opgestart, waarop zij ook in eerdere procedures reeds onherroepelijk besliste geschilpunten veelal opnieuw -al dan niet in een andere vorm- naar voren brengt. Het hof concludeert dat [verweerster] , nadat zij daar al eerder op is gewezen, (ook) in deze procedure in hoger beroep weer een groot aantal stellingen naar voren brengt, zonder daarbij duidelijk aan te geven tegen welke oordelen zij zich richt en welke bezwaren (grieven) er precies tegen die oordelen worden aangevoerd, hetgeen de positie van de wederpartij onnodig verzwaart ook stelt het hof vast dat [verweerster] geen uitvoering heeft gegeven aan de in gezag van gewijsde gegane beschikkingen van dit hof van 7 december 2022 en 29 maart 2023, en ook niet aan een aantal andere onherroepelijke veroordelingen, al dan niet op straffe van een dwangsom opgelegd (bijvoorbeeld ten aanzien van het huisje in België). Daarmee bemoeilijkt ze de afronding van andere geschilpunten en procedures die tussen partijen lopen zonder dat daar een goede grond voor is gebleken. Ook zijn er beslagprocedures gevoerd, waarbij het door [verweerster] gelegde beslag moest worden opgeheven omdat daar geen of te weinig grondslag voor bleek te bestaan. Dit alles heeft geleid tot hoog opgelopen proceskosten voor [verzoeker] en nu ook de BV, die mede de oorzaak zijn voor het feit dat in de onderhavige procedure niet tot afstorting van pensioen kan worden overgegaan. Bij arrest van 26 maart 2026 van dit hof heeft het hof al overwogen dat de vrouw de grens heeft bereikt met betrekking tot het voeren van procedures tegen de man en heeft het hof de vrouw in de proceskosten veroordeeld, het hof verwijst naar productie 72 van de akte van geïntimeerden. Uit productie 73 van voormelde akte volgt dat [verweerster] op 7 april 2026 wederom in hoger beroep heeft gedagvaard met betrekking tot appel van een vonnis van 11 maart 2026. Er komt geen eind aan alle procedures die [verweerster] voert en blijft voeren. Gezien de proceshouding van [verweerster] is het hof van oordeel dat zij hiermee al met al misbruik van procesrecht maakt ten opzichte van [verzoeker] . Het hof zal [verweerster] veroordelen in de werkelijke proceskosten conform de opgave van de advocaat van geïntimeerden (….), nu deze opgave in hoger beroep onbestreden is gebleven. Het gaat dan om een bedrag van € 15.888,--, inclusief griffierecht ad € 6.803,--”.\n\nAlvorens de door [verzoeker] aangevoerde twee gronden voor tussentijdse beëindiging te\n\nbespreken overweegt de rechtbank het volgende.\n\nIn haar aan de toelating tot de Wsnp ten grondslag liggend verzoekschrift is het volgende verwoord:\n\n“Mevrouw [verweerster] is bij arrest van het gerechtshof van 29 maart 2023 veroordeeld tot betaling van een aanzienlijk bedrag aan haar ex-partner.\n\nNaar aanleiding van deze uitspraak is de heer [verzoeker] vanaf 1 oktober 2023 overgegaan tot het inhouden van een substantieel deel van de door hem verschuldigde partneralimentatie. Hierdoor is het inkomen van mevrouw [verweerster] drastisch gedaald.\n\nOm zich te verweren tegen de voortdurende juridische conflicten met haar ex-partner heeft mevrouw [verweerster] noodgedwongen verschillende deskundigen moeten inschakelen, waaronder advocaten, deurwaarders en pensioenadviseurs. De aanzienlijke kosten die hieruit zijn voortgevloeid hangen allemaal rechtstreeks samen met de te hoge verrekening van de partneralimentatie door de heer [verzoeker] en daarnaast ook door de onrechtmatige onttrekking van dividend, de weigering van [verzoeker] van de waardeoverdracht pensioenreserve naar een andere toegelaten pensioenaanbieder en zijn weigering tot medewerking aan de overname van het eigendomsaandeel van mevrouw [verweerster] van het chalet in de [plaats 1] als ook de medewerking van de verkoop aan derden.\n\nDeze schulden zijn dan ook niet het gevolg van verwijtbaar financieel gedrag, maar vinden hun oorsprong in omstandigheden die buiten de invloedssfeer van mevrouw [verweerster] liggen. In oktober 2024 heeft mevrouw [verweerster] , gelet op de uitzichtloze situatie waarin zij verkeert, een verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling ingediend. Dit verzoek is in zowel eerste aanleg als hoger beroep afgewezen.\n\nSinds die tijd is haar financiële positie verder verslechterd. De heer [verzoeker] is nog minder alimentatie gaan betalen, waardoor het inkomen van mevrouw [verweerster] verder is gedaald. Daarnaast is zij inmiddels arbeidsongeschikt geraakt door de langdurige financiële stress en onzekerheid. Ondanks deze omstandigheid blijft mevrouw [verweerster] zich volledig inspannen om haar lopende verplichtingen te voldoen.”\n\nDe rechtbank vindt dat [verweerster] met deze inleiding in haar verzoekschrift toelating Wsnp een vertekend beeld heeft gegeven van de werkelijkheid. Er zijn diverse procedures tussen partijen gevoerd (en er lopen nog procedures) die zijn begonnen nadat [verweerster] beslag en executiemaatregelen is gaan nemen op basis van de beschikking van de rechtbank Den Haag d.d. 31 januari 2022 wetende dat tegen deze beschikking hoger beroep was ingesteld. Hier komt bij dat, nadat de beschikking van de rechtbank Den Haag door het gerechtshof Den Haag was vernietigd en het gerechtshof een andere wijze van afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden had gelast, [verweerster] is doorgegaan met beslagen en executiemaatregelen, daarbij de inhoud van de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 7 december 2022 niet in acht nemend. Het beeld dat uit de vele procedures opkomt is dat [verweerster] geen uitvoering wenst te geven aan de onherroepelijke beschikking van het gerechtshof Den Haag van 7 december 2022 (aangevuld en verbeterd bij beschikking van 29 maart 2023), daarbij talloze procedures heeft geïnitieerd met als meest recente uitkomst twee proceskostenveroordelingen door het gerechtshof Den Haag .\n\nArtikel 350, lid 3 sub e Fw\n\n3.3.\n\nVoor zijn beroep op artikel 350, lid 3 sub e Fw heeft [verzoeker] aangevoerd dat [verweerster] :\n\n- vermogen heeft verschoven naar derden via een web van ondernemingen, stichtingen en tussengeplaatste personen. In haar Wsnp-verzoek heeft [verweerster] als onderneming uitsluitend [bedrijf 1] B.V. opgegeven en KvK-uittreksels van [bedrijf 1] B.V., [bedrijf 2] , [bedrijf 3] B.V. en [bedrijf 4] overgelegd. Uit deze uittreksels volgt enkel dat [naam 1] bestuurder is. Hiermee poogt [verweerster] , aldus [verzoeker] , haar betrokkenheid bij deze vennootschappen te verbergen. Eerst na haar toelating tot de Wsnp is [verzoeker] gebleken Dat [bedrijf 1] B.V. onder [bedrijf 2] hangt welke stichting voorheen gevestigd was op het woonadres van de ouders van [verweerster] . Op 23 maart 2024 heeft [verweerster] [bedrijf 5] B.V. opgericht van welke B.V. de dochter van partijen, [naam 2] , sedert 17 mei 2024 enig aandeelhouder is. [naam 2] was op dat moment 18 jaar en was bezig met het afronden van de middelbare school in Italië. Op 18 april 2025 is [bedrijf 5] B.V. enig aandeelhouder geworden van [bedrijf 5] B.V., eveneens gevestigd op het adres van de ouders van [verweerster] . Eveneens op naam van dochter [naam 2] is op\n\n26 april 2024 [bedrijf 6] B.V. opgericht, ook gevestigd op het adres van de ouders van [verweerster] . [bedrijf 6] B.V. is enig aandeelhouder van [bedrijf 7] B.V. en [bedrijf 8] B.V. Deze laatste B.V. heeft als omschrijving: handel in onroerend goed en bemiddeling in en beheer van onroerend goed voor een vast bedrag dan wel bedrag op contractbasis. Dit past bij [verweerster] die makelaar is, niet bij [naam 2] die -voor zover [verzoeker] bekend- nog student is aan de [onderwijsinstelling] . Op 15 februari 2022 heeft [verweerster] [bedrijf 3] B.V. opgericht en één dag later [bedrijf 9] B.V. waarvan [bedrijf 3] B.V. enig aandeelhouder is. Sinds 2023 is mevrouw [naam 1] (bestuurder van [bedrijf 1] B.V.) bestuurder van de B.V. en is de [bedrijf 4] enig aandeelhouder van de B.V. en de deelnemingen. Het is onbekend of [verweerster] haar aandelen heeft verkocht en, zo ja, voor welk bedrag. Ook is onbekend of [verweerster] nog inkomen ontvangt uit deze ondernemingen. En tenslotte: [verweerster] was haar opheffing op 15 oktober 2024 gevolmachtigde van [bedrijf 10] B.V., gevestigd op het adres van haar ouders. Het is onbekend wat de rol van [verweerster] is geweest;\n\ndrie percelen grond in Italië heeft verkocht aan een offshore entiteit in een niet transparante jurisdictie. In mei 2022, slechts enkele dagen nadat [verzoeker] hoger beroep had ingesteld, heeft [verweerster] drie percelen grond in Italië verkocht aan [bedrijf 11] , gevestigd te [plaats 2] en [plaats 3] . Niet duidelijk is onder welke voorwaarden deze verkoop heeft plaatsgevonden. In haar verzoekschrift toelating Wsnp vermeldt [verweerster] dat zij een bedrag ad € 120.000,-- heeft ontvangen maar dat is niet geloofwaardig nu in de procedure bij het gerechtshof Den Haag de onroerende zaken zijn gewaardeerd op € 384.000,--. De verkoop aan een offshore entiteit in een niet-transparante jurisdictie, kort ná aanvang van het hoger beroep, was kennelijk gericht op het onttrekken van vermogen aan het verhaal van schuldeisers;\n\nonrechtmatig hypotheek heeft gevestigd op een woning die reeds aan [verzoeker] was toegedeeld. In haar Wsnp-verzoek stelt [verweerster] dat [verzoeker] weigert zijn medewerking te verlenen aan de overname van het eigendomsdeel van [verweerster] dan wel het verkopen aan derden. Het tegendeel is echter het geval, aldus [verzoeker] . [verweerster] is, eerst vanwege de beschikking van 7 december 2022 en later het vonnis van 16 september 2024, gehouden tot het verlenen van haar medewerking aan toedeling van het chalet in België aan [verzoeker] . [verweerster] heeft echter (i) geen enkele actie ondernomen om tot doorhaling van de hypotheek op de woning te komen en (ii) heeft door het weigeren van medewerking een bedrag ad € 60.000,-- aan dwangsommen verbeurd;\n\nde beslagvrije voet kunstmatig hoog gehouden door structureel onjuiste en onvolledige inkomensgegevens te verstrekken, waardoor het voor verrekening beschikbare gedrag werd geminimaliseerd en [verzoeker] als schuldeiser direct werd benadeeld;\n\nde aard van haar schulden onjuist voorgesteld door haar eigen agressieve processtrategie en onrechtmatig handelen te presenteren als noodzakelijk verweer.\n\nDit alles, aldus [verzoeker] , levert in samenhang en los bezien een grond op voor tussentijdse beëindiging op grond van artikel 350, lid 3 sub e Fw.\n\nDe rechtbank oordeelt dat het beroep van [verzoeker] op artikel 350, lid 3 sub e Fw opgaat. Bij de toepassing van artikel 350, lid 3 sub e Fw gaat het in wezen om gedrag dat in de gegeven omstandigheden niet als te goeder trouw kan worden geschetst. Daarvan is in ieder geval sprake bij de hiervoor in 3.3. eerste, derde en vijfde gedachtestreepje genoemde handelingen en nalatigheden. Voor wat betreft het hiervoor genoemde “web van ondernemingen, stichtingen en tussengeplaatste personen” blijkt uit het verzoekschrift toelating Wsnp in ieder geval dat [verweerster] onvolledig is geweest. Dat had wel gemoeten met een deugdelijke toelichting waarom meerdere vennootschappen waarbij [verweerster] betrokken was over zijn gegaan naar een medewerker van haar vennootschap en de net meerderjarige dochter van [verzoeker] en [verweerster] . Door aldus te handelen heeft [verweerster] objectief de schijn gewekt vermogen achter te houden en daarmee haar schuldeisers, waaronder [verzoeker] , te benadelen.\n\nVan benadeling van schuldeisers, althans schuldeiser [verzoeker] , is in ieder geval ook sprake voor zover het betreft de vakantiewoning in België. Nu uit de beschikking van het gerechtshof Den Haag d.d. 7 december 2022 volgt dat partijen het eens zijn dat de vakantiewoning wordt toegedeeld aan [verzoeker] heeft [verweerster] deze toedeling gefrustreerd door een recht van hypotheek te vestigen op het door haar aan [verzoeker] over te dragen aandeel in de woning. Onbegrijpelijk is dat [verweerster] nog steeds niets heeft gedaan om tot doorhaling van de hypotheek te komen.\n\nVan benadeling van schuldeisers, althans schuldeiser [verzoeker] , is verder sprake voor zover het betreft de recente proceskostenveroordelingen. Dit betreffen nieuwe schulden aan [verzoeker] . De in de door [verweerster] overgelegde “werkgeversverklaring mbt reïntegratie werkzaamheden” genoemde schenking maakt dit niet anders. De schenking is immers gedaan onder de voorwaarde dat [verweerster] in de Wsnp blijft en dat is niet het geval zoals hierna zal worden beslist.\n\nArtikel 350, lid 3 sub f Fw\n\n3.5.\n\nVoor zijn beroep op artikel 350, lid 3 sub f Fw heeft [verzoeker] aangevoerd dat [verweerster] :\n\nondernemingen heeft verzwegen. [verweerster] heeft in het Wsnp-verzoek als (ex-)onderneming uitsluitend [bedrijf 1] B.V. opgegeven. Ten tijde van de toelating was [verweerster] echter (in)direct betrokken bij meerdere vennootschappen. Van [bedrijf 3] B.V. is weliswaar een KvK-uittreksel bijgevoegd, maar uitsluitend in de huidige staat (met [bedrijf 4] als bestuurder), zonder enige toelichting op de eerdere betrokkenheid van [verweerster] . Hiermee poogt [verweerster] haar eerdere betrokkenheid bij deze vennootschap te verhullen;\n\ncruciale gerechtelijke uitspraken niet in het Wsnp-verzoek heeft opgenomen. Het betreft:\n\n(i) het vonnis in kort geding van 16 september 2024, waarin alle beslagen ten laste van [verzoeker] zijn opgeheven, [verweerster] diverse ge- en verboden zijn opgelegd (waaronder een verbod tot het leggen van executoriaal beslag voor partneralimentatie, versterkt met dwangsommen tot € 75.000 respectievelijk € 60.000 en een gebod tot medewerking aan levering van aandelen en de woning in België);\n\n(ii) het vonnis van 21 augustus 2024, waarin de pensioenvordering van [verweerster] is afgewezen en de reconventionele vorderingen van [verzoeker] (onverschuldigde betaling ad € 123.336,44 en proceskosten ad € 4.437,00 zijn toegewezen);\n\n(iii) de beslissing van het Tribunal de Premiere Instance du Luxembourg, Division Neufchateau, van 23 april 2023, waarbij het verzoek van [verweerster] tot openbare verkoop van de woning in België is afgewezen en [verweerster] is veroordeeld in de proceskosten;\n\n(iv) de beschikking van 26 juni 2023, waarbij het verzoek van [verweerster] tot openbare verkoop van de aandelen in [bedrijf 12] B.V. is afgewezen en zij is veroordeeld in de proceskosten.\n\nIn het bijzonder, aldus [verzoeker] , is het vonnis van 16 september 2024 van groot belang, nu daaruit een patroon blijkt van onrechtmatige beslaglegging, het frustreren van gerechtelijke uitspraken en de noodzaak tot het opleggen van ge- en verboden versterkt met aanzienlijke dwangsommen. Indien deze uitspraken bij de toelating bekend waren geweest, hadden zij aanleiding gegeven het verzoek af te wijzen wegens het ontbreken van goede trouw.\n\nDe rechtbank oordeelt dat het beroep van [verzoeker] op artikel 350, lid 3 sub f Fw opgaat.\n\nZoals de rechtbank hiervoor in 3.4. heeft overwogen heeft [verweerster] met “het web van ondernemingen, stichtingen en tussengeplaatste personen” de schijn gewekt vermogen achter te houden. Daarmee ontbreekt in ieder geval de goede trouw zoals vereist voor toelating tot de Wsnp. Dat geldt ook voor wat betreft het onvolledig zijn met betrekking tot het vermelden van gerechtelijke procedures in haar verzoek om toelating tot de Wsnp. De rechtbank is met [verzoeker] van oordeel dat vermelding en bespreking van in ieder geval het kort geding vonnis van 16 september 2024 niet had mogen ontbreken. Met dit vonnis en de daarmee niet strokende inleiding van haar verzoek tot toelating Wsnp (zie hiervoor 3.2) zou [verweerster] niet zijn toegelaten tot de Wsnp.\n\n3.7.\n\nHet vorenstaande leidt tot toewijzing van het verzoek zoals hierna in het dictum van dit vonnis verwoord. De rechtbank merkt hierbij overigens nog het volgende op.\n\nAan dit vonnis ligt ten grondslag de in 1.3. genoemde stukken en het verhandelde van 4 juni 2026. De rechtbank heeft geenkennis van andere stukken zoals bijvoorbeeld de aantekeningen van de zitting van 14 januari 2026.\n\n4. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- beëindigt de toepassing van de schuldsaneringsregeling en bepaalt dat de schuldsaneringsregeling zal eindigen na het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis;\n\n- stelt het salaris van de bewindvoerder, dhr. Menting, vast op € 3.052,50 incl. btw en voorschotten, voor zover het boedelactief toereikend is.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. R.W.J. van Veen, rechter, in samenwerking met de griffier, R.A. Oelen, en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.\n\nHoger beroep tegen dit vonnis kan alleen worden ingesteld door een advocaat bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De termijn van hoger beroep is acht dagen, te rekenen vanaf de dag na de datum van de uitspraak van dit vonnis.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4006","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:58.121Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":58,"parsedAt":51,"updatedAt":61},"297","ECLI:NL:GHARL:2026:4281","ecli-nl-gharl-2026-4281",60,"2026-06-30T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem, afdeling civiel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.368.921\n\nrekestnummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, [zaaknummer]\n\narrest van 30 juni 2026\n\nin de zaak van:\n\n [appellant] ( [appellant] )\n\ndie woont in [woonplaats]\n\nadvocaat: mr. J.A.M. Kuijlaars\n\n1. De procedure bij de rechtbank\n\nDe rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, heeft bij vonnis van 7 mei 2026 het verzoek van [appellant] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (de wsnp) afgewezen.\n\n2. De procedure bij het hof\n\n2.1.. Bij op 13 mei 2026 bij het hof binnengekomen beroepschrift heeft [appellant] hoger beroep ingesteld tegen dat vonnis. [appellant] verzoekt het hof het vonnis te vernietigen en alsnog het verzoek om toelating tot de wsnp toe te wijzen.\n\n2.2.. Het hof heeft kennisgenomen van:\n\nhet tijdig ingediend beroepschrift met producties;\n\nde brief van 19 juni 2026 van mr. Kuijlaars met producties.\n\n2.3.. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 juni 2026. Hierbij is [appellant] verschenen, bijgestaan door mr. Kuijlaars.\n\n3. De feiten, het oordeel van de rechtbank en het standpunt van [appellant]\n\nDe feiten\n\n3.1.. Als gevolg van psychische en lichamelijke klachten ontvangt [appellant] een (oude) Wajong-uitkering van het UWV. Zij heeft schulden laten ontstaan die in mei 2023 zijn opgelost door een (eerder, minnelijk) schuldsaneringstraject. In dat kader stond zij tot 1 september 2023 onder beschermingsbewind. In deze periode is [appellant] , met toestemming van het UWV en met behoud van haar Wajong-uitkering, gestart met de (online) opleiding tot fitnesstrainer A en voedingsdeskundige. Het UWV heeft met [appellant] afgesproken dat zij deze opleiding op haar eigen tempo kan volgen zonder dat zij hiernaast betaald werk hoeft te verrichten.\n\n3.2.. Niet alle schulden waren in het schuldsaneringstraject van mei 2023 in de schuldenlijst opgenomen, waardoor een aanzienlijke schuld (op dit moment de grootste) is blijven bestaan en [appellant] het overzicht over haar financiën kwijtraakte en nieuwe schulden zijn ontstaan. [appellant] heeft zich daarvoor bij de gemeentelijke schuldhulpverlening gemeld. [appellant] heeft geprobeerd om met haar schuldeisers een minnelijke schuldregeling overeen te komen, maar niet alle schuldeisers zijn akkoord gegaan. Volgens het overgelegde crediteurenoverzicht heeft [appellant] een totale schuldenlast van € 20.288,74 bij diverse schuldeisers. Aangezien [appellant] over onvoldoende middelen beschikt om haar schuldeisers te voldoen, heeft zij op 19 januari 2026 een verzoek om toelating tot de wsnp ingediend bij de rechtbank.\n\nHet oordeel van de rechtbank\n\n3.3.. De rechtbank heeft het verzoek afgewezen, omdat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij alle verplichtingen die horen bij de wsnp naar behoren zal nakomen. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat één van die verplichtingen de arbeids- en sollicitatieplicht is die meebrengt dat een schuldenaar fulltime beschikbaar moet zijn voor de arbeidsmarkt. Doordat [appellant] een voltijdopleiding volgt is zij naar verwachting voor een jaar niet beschikbaar voor betaalde arbeid en kan zij niet voldoen aan deze inspanningsverplichting. Het feit dat [appellant] door het UWV is ontheven van haar arbeidsverplichting betekent niet dat vooraf vaststaat dat zij van de arbeidsverplichting in de wsnp zal worden ontheven. Indien de schuldenaar niet in staat is om te werken, bestaat de inspanningsverplichting erin dat de schuldenaar zich dient in te spannen om weer arbeidsgeschikt te worden.\n\nHet standpunt van [appellant]\n\n3.4.. \n [appellant] kan zich niet verenigen met dit oordeel van de rechtbank. Zij is van mening dat zij wel aan haar inspanningsverplichting kan voldoen. Doordat haar opleiding een flexibele thuisopleiding is, betekent het volgen daarvan niet dat zij niet kan werken. Volgens de Recofa-richtlijnen is het toegestaan om een opleiding te volgen gedurende de wsnp en het is zeer waarschijnlijk dat [appellant] in de wsnp zal worden ontheven van de sollicitatieverplichting. Bovendien geldt voor haar Wajong-uitkering dat, om ervoor in aanmerking te komen, er nooit meer gewerkt kan worden vanwege een ziekte of handicap en er een re-integratieplicht bestaat die niet specifiek beschikbaarheid voor betaald werken impliceert. Door het volgen van een opleiding spant [appellant] zich maximaal in om haar arbeidsperspectief te verbeteren. Tot slot zou het verrichten van betaalde arbeid verrekend worden met haar Wajong-uitkering, waardoor betaalde arbeid niet leidt tot een hogere uitdeling aan de schuldeisers. Het gaat bij de inspanningsverplichting niet om het financiële resultaat, maar om de mate van inspanning, aldus [appellant] .\n\n4. Motivering van de beslissing in hoger beroep\n\nJuridisch kader\n\n4.1.. Een verzoek om toelating tot de wsnp wordt op grond van artikel 288 lid 1 Fw slechts toegewezen als de schuldenaar voldoende aannemelijk maakt dat de schuldenaar:\n\nniet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden;\n\nten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoek is ingediend, te goeder trouw is geweest; en\n\nde uit de wsnp voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.\n\nNiet kunnen voortgaan met betalen\n\n4.2.. Volgens het overgelegde crediteurenoverzicht heeft [appellant] een totale schuldenlast van € 20.288,74 bij diverse schuldeisers. Zij ontvangt een Wajong-uitkering van ongeveer € 1.350 netto per maand. Naar het oordeel van het hof is het voldoende aannemelijk dat [appellant] met deze uitkering niet zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden.\n\nTe goeder trouw\n\n4.3.. Het hof stelt vast dat de grootste schuld van [appellant] (€ 9.576,94) is ontstaan op 1 januari 2015 en dus meer dan drie jaar voorafgaand aan de dag waarop [appellant] haar verzoekschrift tot toepassing van de wsnp heeft ingediend. Dit betekent dat het ontstaan van deze schuld niet in de weg staat aan toelating van [appellant] tot de wsnp. Bovendien heeft [appellant] voldoende toegelicht dat deze schuld in mei 2023 al gesaneerd zou zijn als die toen door de beschermingsbewindvoerder was meegenomen in dat schuldsaneringstraject. Daarnaast heeft [appellant] toegelicht dat zij door het feit dat deze schuld nog bestond en door het begin van haar opleiding veel stress heeft ervaren en het overzicht over haar financiële situatie heeft verloren. De overige schulden die binnen de driejaarstermijn zijn ontstaan zijn gelet op de beperkte omvang en de aard van deze schulden niet zodanig aan [appellant] te verwijten dat die aan toelating tot de schuldsaneringsregeling in de weg staan. [appellant] heeft hulp gezocht bij het oplossen van haar financiële situatie door zich te melden bij de gemeentelijke schuldhulpverlening en gebruik te maken van een budgetbeheerder en een budgetcoach. Deze hulp heeft ertoe geleid dat [appellant] sinds 30 juni 2025 heeft gespaard voor haar schuldeisers en dat de afgelopen zestien maanden geen nieuwe schulden zijn ontstaan. Voor het inlopen van haar huurachterstand is een betaalplan gemaakt, dat [appellant] nakomt. De schuld aan haar zorgverzekeraar wordt betaald via beslag op haar Wajong-uitkering, waardoor die ook wordt ingelopen. Gelet op het voorgaande heeft [appellant] voldoende aannemelijk gemaakt dat zij te goeder trouw is ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden.\n\nNakoming wsnp-verplichtingen\n\n4.4.. Het hof is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat [appellant] in staat zal zijn de uit de wsnp voorvloeiende verplichtingen naar behoren na te komen en dat zij zich voldoende zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Ten aanzien van de inspanningsverplichting oordeelt het hof als volgt. [appellant] volgt momenteel een thuisopleiding. Deze opleiding mag er niet aan de in weg staan dat zij voldoet aan haar arbeids- en sollicitatieplicht. [appellant] heeft er in dat kader terecht op gewezen dat het volgen van deze opleiding geen nadelige gevolgen heeft voor haar Wajong-uitkering. Het UWV heeft haar opleiding bekostigd en [appellant] behoudt haar volledige uitkering gedurende de opleiding. Dat volgt ook uit het werkplan dat [appellant] heeft overgelegd en op de mondelinge behandeling bij het hof heeft toegelicht. Daarnaast heeft [appellant] toegelicht dat de (oude) Wajong-uitkering van [appellant] in beginsel een levenslange uitkering is waarbij het UWV geen mogelijkheden ziet voor betaalde arbeid. Het hof heeft op de mondelinge behandeling benadrukt dat het oordeel van het UWV dat zij geen arbeid kan verrichten niet per definitie wil zeggen dat zij een ontheffing krijgt van haar sollicitatieplicht in het kader van de wsnp. [appellant] heeft daarop verklaard bereid te zijn om gedurende de wsnp een nieuwe arbeidsgeschiktheidskeuring te ondergaan en te solliciteren, zolang de rechter-commissaris geen ontheffing verleent van de sollicitatieplicht.\n\n4.5.. Op de mondelinge behandeling heeft [appellant] op de vraag van het hof ook verklaard dat zij alle relevante informatie aan de bewindvoerder zal verstrekken. Zij heeft daarbij verklaard dat zij nu ook steeds alle relevante informatie aan de betrokken hulpverleners verstrekt en dat zij dit ook logisch vindt om te doen. Ook heeft zij toegelicht dat zij gebruik zal blijven maken van de budgetcoach om te voorkomen dat er nieuwe schulden ontstaan. Gelet op dit alles is het hof van oordeel dat [appellant] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij zal doen wat binnen haar vermogen ligt om aan haar verplichtingen uit de wsnp te voldoen.\n\nHet alternatieve aanvangsmoment\n\n4.6.. De termijn van de wsnp bedraagt anderhalf jaar (artikel 349a lid 1 Fw). Die termijn begint (a) op de dag van de uitspraak tot toepassing van de wsnp of (b) de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de minnelijke schuldregeling (het alternatieve aanvangsmoment). Het gaat bij het bepalen van het alternatieve aanvangsmoment om de dag waarop de eerste aflossing is gedaan tijdens het minnelijke traject van schuldhulpverlening. Als ‘eerste aflossing’ is onder andere aan te merken een aflossing die ten goede is gekomen aan de gezamenlijke schuldeisers. Een aflossing aan één of enkele schuldeisers uit hoofde van een ten laste van de schuldenaar gelegd beslag kan ook als een eerste aflossing worden aangemerkt. Dat geldt ook voor een eerste bedrag dat wordt gespaard tijdens het minnelijke traject van schuldhulpverlening.\n\n4.7.. Om in aanmerking te komen voor het alternatieve aanvangsmoment, moet de schuldenaar tijdens het minnelijke traject van schuldhulpverlening hebben voldaan aan de verplichtingen die uit dat traject voortvloeien. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke traject van schuldhulpverlening maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag, moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Als aan de geldende voorwaarden is voldaan moet de rechter het alternatieve aanvangsmoment ambtshalve toepassen, aldus de Hoge Raad.\n\n4.8.. Uit de overgelegde stukken is gebleken dat [appellant] tussen 30 juni 2025 en 30 november 2025 op basis van het vrij te laten bedrag maximaal heeft gespaard voor haar schuldeisers. Op 30 januari 2026 kon [appellant] niet meer sparen voor de schuldeisers, omdat op die datum beslag gelegd is op haar Wajong-uitkering inzake haar schuld aan de zorgverzekeraar. Op de mondelinge behandeling bij het hof heeft [appellant] verklaard dat de door haar ontvangen belastingteruggave ook volledig is gespaard. Het hof kan op basis van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, vaststellen dat [appellant] vanaf 30 juni 2025 begon met sparen voor haar schuldeisers en dat zij vervolgens de aflossing heeft voortgezet via het beslag. Het hof is van oordeel dat [appellant] zich daarmee maximaal heeft ingespannen om zoveel mogelijk baten voor haar schuldeisers te verwerven en dat [appellant] tijdens het minnelijk traject van schuldhulpverlening heeft voldaan aan de verplichtingen die uit dat traject voortvloeien.\n\n4.9.. Het voorgaande brengt mee dat [appellant] zal worden toegelaten tot de wsnp. Het aanvangsmoment wordt vastgesteld op 30 juni 2025.\n\nConclusie\n\n4.10.. Het hoger beroep slaagt. Het hof zal beslissen zoals hierna is vermeld.\n\n5. De beslissing\n\nHet hof:\n\n5.1.. vernietigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 7 mei 2026 en beslist als volgt:\n\n5.2.. verklaart de wsnp van toepassing ten aanzien van [appellant] , met 30 juni 2025 als aanvangsmoment;\n\n5.3.. verwijst de zaak ter verdere afdoening naar de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, ter uitvoering van die regeling.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. M.P.M. Hennekens, G.P. Oosterhoff en J.G.B. Pikkemaat en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 juni 2026.\n\n Hoge Raad 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1913.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4281","2026-07-13T00:28:23.225Z",{"id":63,"ecli":64,"slug":65,"caseNumber":43,"courtId":66,"decisionDate":67,"fullText":68,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":69,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":51,"updatedAt":71},"985","ECLI:NL:RBLIM:2026:6577","ecli-nl-rblim-2026-6577",74,"2026-06-26T00:00:00.000Z","RECHTBANK Limburg\n\nTeam Insolventie\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nRekestnummers: NL:TZ:2615347:R-RK en NL:TZ:2615362:R-RK\n\nUitspraak van 26 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker],\n\ngeboren op [geboortedatum 1] 1979 te [geboorteplaats 1]\n\nen\n\n [verzoekster] ,\n\ngeboren op [geboortedatum 2] 1977 te [geboorteplaats 2] ,\n\nbeiden wonende te [adres 1] , [woonplaats] ,\n\nhierna te noemen verzoekers\n\ntegen\n\n [verweerster],\n\ngevestigd te [adres 2] , [vestigingsplaats] ,\n\ngemachtigde: mr. D.E.M. Ghijsen,\n\nhierna te noemen verweerster,\n\ntot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 287 lid 4 Faillissementswet (Fw).\n\nSamenvatting\n\nEr is verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\nDe rechtbank wijst de verzoeken af.\n\n1. De procedure1.1.. Verzoekers hebben bij verzoek ingekomen op 16 juni 2026 verzocht om de vaststelling van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 287 lid 4 Fw en vervolgens de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit te spreken.\n\n1.2.. \n\nTer zitting van 23 juni 2026 zijn verschenen:\n\n- verzoekers;\n\n- [naam 1] , namens Kredietbank Limburg;\n\n- [naam 2] namens verweerster, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. D.E.M. Ghijsen;\n\n- [naam 3] namens de beschermingsbewindvoerder.\n\n1.3.. Verweerster heeft ter zitting een verweerschrift overgelegd.1.4.. \n\nDe uitspraak is bepaald op vandaag.\n\n2. Het verzoek\n\n2.1.. De rechtbank is verzocht om verweerster gedurende een termijn van zes maanden te verbieden om het beslag op het loon en de openbare verkoop van de woning van verzoekers, met het adres [adres 1] , [woonplaats] , voort te zetten.\n\n2.2.. Ter zitting is hier naar aanleiding van het verweer nog aan toegevoegd dat de opbrengst van de verkoop van het bedrijf ca. € 120.000,- is geweest en dat daarvan in eerste instantie € 80.000,- en later nog eens € 27.000,- naar de belastingdienst zijn gegaan. Van het restant is een auto voor verzoekster gekocht voor € 9.000,-. De rest is gebruikt om van te leven. De privéonttrekkingen hebben daar ook betrekking op. Na de opheffing van het bedrijf is verzoeker per 1 april 2023 als ZZP’er gaan werken onder hetzelfde KvK-nummer.\n\n2.3.. \n\nVerzoeker heeft als ZZP’er nimmer fulltime gewerkt. In de periode dat verzoeker nog door het Leger des Heils werd ingehuurd (tot begin dit jaar) kwam hij samen met de uren voor Zo Wonen gemiddeld op 25-30 uur per week. Per 7 mei 2026 is verzoeker vervolgens via uitzendbureau Job Place gaan werken, maar dit was maar van korte duur. Deze week heeft verzoeker een dag meegelopen bij Jeugdzorg en dat gaat hij nog twee dagen doen. De vooruitzichten voor verzoeker zijn goed: hij kan er een opleiding volgen en het is het werkgebied waarin verzoeker graag zou willen werken. Verzoeker ontkent dat er sprake is van een alcoholverslaving. Hij zou niet bij Jeugdzorg kunnen werken als hij verslaafd is. In de periode dat verzoeker thuis zat, maakte hij hoogstens 1-1,5 fles wijn per dag open, maar dan is er geen sprake van een verslaving, aldus verzoeker.\n\nInmiddels is er nog maar één auto. De motor en scooter die op naam van verzoeker staan, zijn van familieleden.\n\n2.4.. Verzoekster werkt 24 tot 28 uur per week bij Vivantes en heeft daarnaast nog een eigen nagelstudio waar zij gemiddeld 17 klanten per maand ontvangt. Zelf heeft zij berekend dat zij 13 uur per week werkzaam is in haar nagelstudio. Per klant is verzoekster ca. 2 uur bezig. Als de rechter haar voorhoudt dat zij volgens een berekening gemiddeld 7,75 uur per week besteedt aan klanten, geeft verzoekster aan dat zij toch wel 13 uur per week zit. Van haar inkomen kan verzoekster ondanks het beslag toch alle vaste lasten betalen. Er blijft echter niet veel geld over.\n\n3. Het verweer\n\n3.1.. Verweerster stelt zich op het standpunt dat het verzoek dient te worden afgewezen.\n\n3.2.. Hiertoe is door verweerster aangevoerd dat de ontstaansgeschiedenis van de vordering van verweerster anders is dan wordt vermeld in het verzoek. De vordering van verweerster is oorspronkelijk ontstaan bij [naam BV] . Doordat verzoeker niet reageerde op betalingsverzoeken is er op 11 oktober 2024 een notariële akte opgemaakt. Het was dus niet allemaal zo vrijblijvend als verzoekers aangeven in het verzoek. Ook daarna heeft verzoeker opnieuw niet voldaan aan de in de notariële akte opgenomen betalings-regeling. Ook op andere momenten toen verzoeker de beschikking moet hebben gehad over financiële middelen, zoals na de verkoop van het bedrijf omstreeks april 2023 met een opbrengst van vermoedelijk tussen de € 100.000,- en € 150.000,- of na de verkoop van 1200 banden die bij [naam BV] zijn afgenomen en waarvan mag worden aangenomen dat die zijn doorverkocht, is er niets terugbetaald van de vordering.\n\n3.3.. Met betrekking tot het juridisch kader wordt aangevoerd dat:\n\ner geen deugdelijk minnelijk traject is doorlopen nu alleen aan verweerster een aanbod van € 25.000,- is gedaan zonder dat er een berekening van de afloscapaciteit is gemaakt en er geen pro-rato aanbod aan alle schuldeisers is gedaan;\n\nhet onaannemelijk is dat verzoekers toegelaten zullen gaan worden tot de Wsnp, aangezien de goede trouw ontbreekt. Vóór de verkoop van zijn onderneming heeft verzoeker zeer veelvuldig en omvangrijke bestellingen geplaatst zonder daarvoor te betalen. Het ging om ca. 1200 banden. De geschatte omzet van de verkoop van deze banden van ca. € 300.000,- is niet gebruikt om de vordering (deels) af te lossen. Ook de opbrengst van de verkoop van het bedrijf is niet gebruikt voor betaling van de vordering;\n\nhet niet aannemelijk is dat verzoekers de Wsnp-verplichtingen gaan nakomen. De continuïteit van het inkomen van verzoeker is niet onderbouwd, stukken worden niet op tijd aangeleverd en verzoeker kampt met een alcoholprobleem. De verklaring van verzoekster dat de alcoholverslaving onder controle zou zijn nu verzoeker weer werkt, is geen verklaring van een hulpverlener zoals vereist in de Wsnp;\n\ner geen serieuze intentie is om tot een minnelijke regeling te komen.\n\n3.4.. Daar komt bij dat het belang van verweerster zwaarwegend is. Verweerster wordt geconfronteerd met een schuldenaar die zijn verplichtingen gedurende meerdere jaren niet nakomt (de vordering is ontstaan in 2022-2023), waardoor er hoge kosten zijn gemaakt nu de hele executieprocedure is doorlopen, meerdere beslagen zijn gelegd en de veiling is georganiseerd. Als er een Wsnp wordt ingesteld vervalt het beslag van verweerster van rechtswege en wordt haar vordering concurrent en zal verweerster slechts een fractie van haar vordering ontvangen, terwijl de woning de enige substantiële verhaalsmogelijkheid is en overwaarde aanwezig is. Daarnaast is het zeer aannemelijk dat de woning alsnog in het Wsnp-traject verkocht moet worden.\n\n3.5.. Verder wordt er nog melding gemaakt dat er naast twee auto’s ook nog een motor en een scooter in bezit zijn van verzoekers. Tevens wordt er gewezen op de privéonttrekkingen die er blijkens de jaarcijfers hebben plaatsgevonden. In de periode 2023 t\u002Fm 2025 betreft het ruim € 169.000,-.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. De rechtbank wijst de verzoeken af, omdat het heel onaannemelijk is dat de schuldsaneringsverzoeken gaan slagen. Er heeft geen minnelijk traject plaatsgevonden en schulden lijken niet te goeder trouw onbetaald te zijn gelaten. Dit blijkt onder andere doordat van een deel van de verkoopopbrengst van het bedrijf een auto is gekocht, terwijl de enkele reisafstand naar het werk van verzoekster slechts 7 km bedraagt, er al langere tijd niet fulltime is gewerkt door beiden. Dit terwijl er geen beperkingen zijn. Ook zijn er ca 1200 banden verkocht, maar hiermee is niet een deel van de vordering van verweerster betaald. Daarnaast is het de vraag of verzoekers klaar zijn voor een Wsnp, aangezien het aanleveren van een ID-bewijs bij de beschermingsbewindvoerder nu al niet is gelukt, waardoor de beschermingsbewindvoerder haar werkzaamheden niet kan starten.\n\n4.2.. Verder is het niet mogelijk om de woning te behouden. Ook in de schuldsanerings-regeling dient de woning te worden verkocht. Het kan immers niet zo zijn dat een schuldenaar na het verkrijgen van de schone lei nog een zo waardevol vermogensbestand-deel heeft met een overwaarde van vermoedelijk ca. € 150.000,-.\n\n4.3.. Daar komt nog bij dat verweerster een zwaarwegend belang heeft. Bij een Wsnp moet de opbrengst van de woning worden gedeeld met de andere schuldeisers, maar nu mag verweerster de gehele opbrengst zelf houden. Het belang van verzoekers is om de woning te behouden, maar dat mag dus ook in de Wsnp niet. Bij verweerster zou het niet doorzetten van de veiling te veel financieel nadeel opleveren. Het belang van verweerster weegt daarom zwaarder dan dat van verzoekers.4.4.. Met betrekking tot het beslag op het inkomen ziet de rechtbank ook niet dat de belangen van verzoekers zwaarder wegen. Helemaal nu verzoekers hun vaste lasten van het overgebleven inkomen kunnen betalen.\n\n4.5.. Verzoekers wordt verzocht om uiterlijk 10 juli 2026 aan te geven of zij hun verzoeken tot toelating tot de schuldsaneringsregeling nog ter zitting behandeld willen hebben of dat zij deze verzoeken intrekken. In afwachting van dit bericht worden de verzoeken tot toelating tot de schuldsaneringsregeling aangehouden.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n5.1.. wijst de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening af;\n\n5.2.. houdt de verzoeken tot toelating tot de schuldsaneringsregeling aan in afwachting van de reactie van verzoekers uiterlijk 10 juli 2026.\n\nDit is de beslissing van mr. G.M. Drenth, rechter, in samenwerking met N.W.M. Clement, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2026.\n\nHoger beroep\n\nTegen deze uitspraak kan verzoek(st)er en door de in de procedure verschenen belanghebbenden hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden bij het gerechtshof dat van de zaak kennis moet nemen, te rekenen van de dag van de uitspraak en door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6577","2026-07-07T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:57.531Z",{"id":73,"ecli":74,"slug":75,"caseNumber":43,"courtId":76,"decisionDate":77,"fullText":78,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":79,"sourceTimestamp":80,"parsedAt":51,"updatedAt":81},"880","ECLI:NL:RBNNE:2026:2688","ecli-nl-rbnne-2026-2688",80,"2026-06-22T00:00:00.000Z","RECHTBANK Noord-Nederland\n\nTeam Insolventie\n\nZittingsplaats Assen\n\nZaaknummer: C\u002F18\u002F26\u002F1199 R\n\nVonnis van 22 juni 2026\n\nop het verzoek van\n\n [verzoekster],\n\ngeboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats],\n\nwonende aan [adres],\n\nhierna te noemen verzoekster,\n\ntot toepassing van de schuldsaneringsregeling.\n\nSamenvatting\n\n [verzoekster] heeft verzocht om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.\n\nDe rechtbank wijst het verzoek toe.\n\n1. PROCESGANG\n\n1.1.. Verzoekster heeft op 5 maart 2026 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.\n\n1.2.. Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 15 juni 2026. Daarbij is verzoekster verschenen tezamen met [beschermingsbewindvoerders namens bewindvoeringsbedrijf] B.V., beschermingsbewindvoerder.\n\n2. RECHTSOVERWEGINGEN\n\n2.1.. De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Verordening 2015\u002F848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoekster in Nederland ligt.\n\n2.2.. Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.\n\n2.3.. Gebleken is dat verzoekster in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat zij niet zal kunnen voortgaan met betaling van haar schulden.2.4.. Op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Faillissementswet (Fw) wordt een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoekster ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.2.5.. Verzoekster heeft een schuldenlast van in totaal € 27.202,57, waaronder schulden aan het UWV, de Belastingdienst en het CJIB. De schulden van verzoekster zijn ontstaan in de periode van januari 2022 tot en met juli 2024. Door het overlijden van haar opa, die als een tweede vader voor haar was, is verzoekster in een depressie geraakt. Door haar depressie kon het haar allemaal niet meer schelen en is zij goederen gaan bestellen zonder te betalen, wat mede geleid heeft tot het ontstaan van haar schulden. Verzoekster zag op enig moment door de bomen het bos niet meer en heeft ingezien dat het zo niet langer kon en is in 2024 hulp gaan zoeken bij de gemeente voor haar financiële problemen.\n\n2.6.. Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat zij momenteel alles weer goed op de rit heeft en dat zij inmiddels voor 32 uur in de week aan het werk is.\n\n2.7.. De beschermingsbewindvoerder heeft ter zitting verklaard dat er sinds het uitspreken van het beschermingsbewind op 9 augustus 2024 geen nieuwe schulden zijn ontstaan en dat verzoekster de afgelopen jaren geen bestellingen meer heeft gedaan bij postorderbedrijven. Het beschermingsbewind verloopt mede door de opstelling van verzoekster goed.\n\n2.8.. De rechtbank stelt vast dat verzoekster ten aanzien van de schulden aan het UWV, de Belastingdienst en het CJIB niet als te goeder trouw kan worden aangemerkt, omdat deze zijn ontstaan in de afgelopen drie jaar.\n\n2.9.. Het verzoek om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling kan echter, ondanks het feit dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 288, lid 1, aanhef en onder b Fw zich voordoet, op grond van artikel 288 lid 3 Fw toch worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoekster de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden, onder controle heeft gekregen (de zogenaamde hardheidsclausule).\n\n2.10.. De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule in ieder geval aannemelijk dient te zijn dat de oorzaak van de problematiek die tot de schulden heeft geleid onder controle is. Er dient met andere woorden sprake te zijn van een bestendige gedragsverandering waardoor in redelijkheid kan worden aangenomen dat de problematiek zich niet zal herhalen, omdat de oorzaak daarvan is weggenomen.\n\n2.11.. Naar het oordeel van de rechtbank is uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting genoegzaam gebleken dat de situatie waarin verzoekster nu verkeert zodanig anders is dan ten tijde van het ontstaan van de schulden dat gesproken kan worden van “een keer ten goede”. Verzoekster heeft aangetoond dat van de situatie zoals die was ten tijde van het ontstaan van haar schulden geen sprake meer is. Sinds het uitspreken van het beschermings-bewind op 9 augustus 2024 zijn er geen schulden meer ontstaan en het beschermingsbewind loopt goed. Ook de omstandigheid dat verzoekster momenteel werkzaam is, waardoor er meer ruimte in het budget is ontstaan, maakt dat de rechtbank het verzoek zal toewijzen.\n\n2.12.. De Wsnp duurt in principe 18 maanden. Artikel 349a lid 1 Fw bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling begint op de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling indien die eerder is gelegen.\n\n2.13.. \n\nVerzoekster heeft verzocht om de Wsnp eerder in te laten gaan, te weten vanaf\n\n9 januari 2025 omdat zij vanaf dat moment heeft afgedragen. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om de ingangsdatum op de verzochte datum te bepalen, omdat ter zitting is gebleken dat verzoekster gedurende het minnelijk traject niet heeft voldaan aan de sollicitatieplicht. Om die reden voldoet zij niet aan de vereisten voor een eerdere toelating en zal het verzoek daartoe worden afgewezen.\n\n3. 3. BESLISSING\n\nDe rechtbank:\n\n3.1.. spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:\n\n [verzoekster],\n\n geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats],\n\n wonende aan [adres];\n\n3.2.. stelt de termijn van de regeling vast op 18 maanden te rekenen vanaf de datum van dit vonnis;\n\n3.3.. wijst het verzoek om een eerdere toelatingsdatum af;\n\n3.4.. \n\nbenoemt tot rechter-commissaris mr. H.J. Idzenga,\n\nen tot bewindvoerder [bewindvoerder],\n\ngevestigd te [adres];\n\n3.5.. geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenares gerichte brieven en telegrammen.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. C.H. Beuker en in het openbaar uitgesproken op\n\n22 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.\n\nTegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2688","2026-07-08T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:52.609Z",{"id":83,"ecli":84,"slug":85,"caseNumber":43,"courtId":76,"decisionDate":77,"fullText":86,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":87,"sourceTimestamp":80,"parsedAt":51,"updatedAt":88},"890","ECLI:NL:RBNNE:2026:2691","ecli-nl-rbnne-2026-2691","RECHTBANK Noord-Nederland\n\nTeam Insolventie\n\nZittingsplaats Assen\n\nZaaknummer: C\u002F18\u002F26\u002F1198 R\n\nVonnis van 22 juni 2026\n\nop het verzoek van\n\n [verzoekster],\n\ngeboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats],\n\nwonende aan [adres],\n\nhierna te noemen: verzoekster,\n\ntot toepassing van de schuldsaneringsregeling.\n\nSamenvatting\n\nHutten heeft verzocht om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.\n\nDe rechtbank wijst het verzoek toe.\n\n1. PROCESGANG\n\n1.1.. Verzoekster heeft op 23 februari 2026 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.\n\n1.2.. Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 15 juni 2026. Daarbij is verzoekster verschenen tezamen met [schuldhulpverlener], als schuldhulpverlener werkzaam bij Stichting de Gemeentelijke Kredietbank (GKB).\n\n2. RECHTSOVERWEGINGEN\n\n2.1.. De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Verordening 2015\u002F848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoekster in Nederland ligt.\n\n2.2.. Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.\n\n2.3.. Gebleken is dat verzoekster in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat zij niet zal kunnen voortgaan met betaling van haar schulden.2.4.. Op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Faillissementswet (Fw) wordt een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoekster ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.2.5.. Verzoekster heeft een schuldenlast van in totaal € 15.988,98, waaronder schulden aan de Belastingdienst en het CJIB. De schulden van verzoekster zijn ontstaan in de periode van april 2024 tot en met mei 2025. Door een turbulente periode in haar privéleven is verzoekster mentaal langzaam bergafwaarts gegleden. Verzoekster is verslaafd geraakt en is haar fulltimebaan verloren, waardoor de schulden zijn ontstaan.\n\n2.6.. Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat de schuld aan de Belastingdienst middels verrekening met een teruggave is opgelost. Zij is inmiddels meer dan vier maanden clean en gaat binnenkort in behandeling voor haar problemen uit het verleden, ook om een herhaling te voorkomen. Daarna wil zij zo snel mogelijk weer aan het werk. Met een oud-werkgever heeft zij inmiddels contact gelegd.\n\n2.7.. De schuldhulpverlener heeft ter zitting verklaard dat verzoekster goed bezig is geweest om alles weer op de rit te krijgen. Het budgetbeheer verloopt goed en er zijn sindsdien geen nieuwe schulden ontstaan. De schuldhulpverlener heeft er vertrouwen in dat de behandeling bij de verslavingszorg goed zal uitpakken. Hij heeft er alle vertrouwen in dat verzoekster de Wsnp met goed gevolg zal doorlopen, ook omdat verzoekster in het verleden een goede baan heeft gehad en dus verdiencapaciteit heeft.\n\n2.8.. De rechtbank stelt vast dat verzoekster ten aanzien van de schulden aan de Belastingdienst en het CJIB niet als te goeder trouw kan worden aangemerkt, omdat deze zijn ontstaan in de afgelopen drie jaar.\n\n2.9.. Het verzoek om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling kan echter, ondanks het feit dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 288, lid 1, aanhef en onder b Fw zich voordoet, op grond van artikel 288 lid 3 Fw toch worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoekster de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden, onder controle heeft gekregen (de zogenaamde hardheidsclausule).\n\n2.10.. De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule in ieder geval aannemelijk dient te zijn dat de oorzaak van de problematiek die tot de schulden heeft geleid onder controle is. Er dient met andere woorden sprake te zijn van een bestendige gedragsverandering waardoor in redelijkheid kan worden aangenomen dat de problematiek zich niet zal herhalen, omdat de oorzaak daarvan is weggenomen.\n\n2.11.. Naar het oordeel van de rechtbank is uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting genoegzaam gebleken dat de situatie waarin verzoekster nu verkeert zodanig anders is dan ten tijde van het ontstaan van de schulden dat gesproken kan worden van “een keer ten goede”. Verzoekster heeft hard aan zichzelf gewerkt, wat ertoe heeft geleid dat zij inmiddels clean en stabiel is. Het budgetbeheer verloopt goed, waardoor er al geruime tijd geen nieuwe schulden meer zijn ontstaan. Ook de omstandigheid dat verzoekster binnenkort weer werkzaam zal zijn, waardoor er meer ruimte in het budget zal ontstaan, maakt dat de rechtbank het verzoek zal toewijzen.\n\n2.12.. De Wsnp duurt in principe 18 maanden. Artikel 349a lid 1 Fw bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling begint op de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling indien die eerder is gelegen.\n\n2.13.. De rechtbank stelt vast dat verzoekster niet heeft verzocht om een eerdere ingangsdatum. Aan de hand van de ingediende stukken en hetgeen ter zitting is besproken ziet de rechtbank geen aanleiding om een eerdere ingangsdatum te bepalen, temeer nu verzoekster gedurende het minnelijk traject niet heeft voldaan aan de sollicitatieplicht.\n\n3. 3. BESLISSING\n\nDe rechtbank:\n\n3.1.. spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:\n\n [verzoekster],\n\n geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats],\n\n wonende aan [adres];\n\n3.2.. stelt de termijn van de regeling vast op 18 maanden te rekenen vanaf de datum van dit vonnis;\n\n3.3.. \n\nbenoemt tot rechter-commissaris mr. H.J. Idzenga,\n\nen tot bewindvoerder [bewindvoerder],\n\ngevestigd te [adres];\n\n3.4.. geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenares gerichte brieven en telegrammen.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. C.H. Beuker en in het openbaar uitgesproken op\n\n22 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.\n\nTegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2691","2026-07-13T00:28:53.132Z",{"id":90,"ecli":91,"slug":92,"caseNumber":43,"courtId":76,"decisionDate":77,"fullText":93,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":94,"sourceTimestamp":80,"parsedAt":51,"updatedAt":95},"886","ECLI:NL:RBNNE:2026:2690","ecli-nl-rbnne-2026-2690","RECHTBANK Noord-Nederland\n\nTeam Insolventie\n\nZittingsplaats Assen\n\nZaaknummer: C\u002F18\u002F26\u002F1201 R\n\nVonnis van 22 juni 2026\n\nop het verzoek van\n\n [verzoeker],\n\ngeboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats],\n\nwonende aan [adres],\n\nhierna te noemen: verzoeker,\n\ntot toepassing van de schuldsaneringsregeling.\n\nSamenvatting\n\nHajjar heeft verzocht om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.\n\nDe rechtbank wijst het verzoek toe.\n\n1. PROCESGANG\n\n1.1.. Verzoeker heeft op 4 mei 2026 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.\n\n1.2.. Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 15 juni 2026. Daarbij is verzoeker verschenen tezamen met [schuldhulpverlener], als schuldhulpverlener werkzaam bij Stichting de Gemeentelijke Kredietbank (GKB).\n\n2. RECHTSOVERWEGINGEN\n\n2.1.. De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Verordening 2015\u002F848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoeker in Nederland ligt.\n\n2.2.. Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.\n\n2.3.. Gebleken is dat verzoeker in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met betaling van zijn schulden.2.4.. Op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Faillissementswet (Fw) wordt een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.2.5.. Verzoeker is 35 jaar en heeft een eenmanszaak gehad handelend onder de naam [bedrijf]. Verzoeker dreef deze onderneming vanaf 11 december 2020. Volgens verzoeker heeft hij de onderneming in 2022 laten uitgeschreven uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel en heeft hij de Belastingdienst op de hoogte gesteld van het eindigen van de onderneming. De schuldenlast van verzoeker bedraagt € 50.817,23. Een groot deel van de schulden zijn ontstaan uit de onderneming van verzoeker, waaronder een deel van de belastingschulden. Verder heeft verzoeker schulden laten ontstaan aan het CJIB.\n\n2.6.. Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat de onderneming door de Corona maatregelen niet meer liep en dat hij daardoor niet meer aan zijn financiële verplichten kon voldoen. Ook lag verzoeker ten tijde van het ontstaan van zijn schulden in echtscheiding. Dit alles bij elkaar bezorgde verzoeker veel stress. Verzoeker is nu in rustiger vaarwater beland, zodat het naar omstandigheden goed met hem gaat. Verzoeker wil graag weer aan het werk, maar kampt met lichamelijke klachten waardoor werken momenteel niet lukt.\n\n2.7.. De schuldhulpverlener heeft ter zitting verklaard dat de belastingschulden ouder zijn dan uit het verzoekschrift volgt. Wellicht dat er op een later moment iets is geregistreerd, maar schulden zijn van voor de start van het budgetbeheer. Verzoeker is gemotiveerd om van zijn schulden af te komen. Het budgetbeheer verloopt prima en nieuwe schulden zijn al geruime tijd niet meer ontstaan.\n\n2.8.. De rechtbank stelt vast dat verzoekster ten aanzien van de schulden aan de Belastingdienst en het CJIB niet als te goeder trouw kan worden aangemerkt, omdat deze zijn ontstaan in de afgelopen drie jaar.\n\n2.9.. Het verzoek om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling kan echter, ondanks het feit dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 288, lid 1, aanhef en onder b Fw zich voordoet, op grond van artikel 288 lid 3 Fw toch worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoeker de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen (de zogenaamde hardheidsclausule).\n\n2.10.. De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule in ieder geval aannemelijk dient te zijn dat de oorzaak van de problematiek die tot de schulden heeft geleid onder controle is. Er dient met andere woorden sprake te zijn van een bestendige gedragsverandering waardoor in redelijkheid kan worden aangenomen dat de problematiek zich niet zal herhalen, omdat de oorzaak daarvan is weggenomen.\n\n2.11.. Naar het oordeel van de rechtbank is uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting genoegzaam gebleken dat de situatie waarin verzoeker nu verkeert zodanig anders is dan ten tijde van het ontstaan van de schulden dat gesproken kan worden van “een keer ten goede”. Verzoeker heeft aangetoond dat van de situatie zoals die was ten tijde van het ontstaan van zijn schulden geen sprake meer is. Zo heeft verzoeker zijn bedrijfsactiviteiten gestaakt en zijn er na het starten van het budgetbeheer bij de GKB op 4 januari 2024 alleen in het begin nog wat schulden ontstaan. Het budgetbeheer verloopt nu goed. De rechtbank zal het verzoek dan ook toewijzen.\n\n2.12.. De Wsnp duurt in principe 18 maanden. Artikel 349a lid 1 Fw bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling begint op de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling indien die eerder is gelegen.\n\n2.13.. De rechtbank stelt vast dat verzoeker niet heeft verzocht om een eerdere ingangsdatum. Aan de hand van de ingediende stukken en hetgeen ter zitting is besproken ziet de rechtbank geen aanleiding om een eerdere ingangsdatum te bepalen.\n\n3. BESLISSING\n\nDe rechtbank:\n\n3.1.. spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:\n\n [verzoeker],\n\n geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats],\n\n wonende aan [adres];\n\n3.2.. \n\nstelt de termijn van de regeling vast op 18 maanden te rekenen vanaf de datum van\n\n dit vonnis;\n\n3.3.. \n\nbenoemt tot rechter-commissaris mr. M.C. Groenewegen,\n\nen tot bewindvoerder [bewindvoerder],\n\ngevestigd te [adres];\n\n3.4.. \n\ngeeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenaar gerichte\n\n brieven en telegrammen.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. C.H. Beuker en in het openbaar uitgesproken op\n\n22 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.\n\nTegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2690","2026-07-13T00:28:52.991Z",{"id":97,"ecli":98,"slug":99,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":100,"fullText":101,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":102,"sourceTimestamp":100,"parsedAt":51,"updatedAt":103},"314","ECLI:NL:GHARL:2026:4028","ecli-nl-gharl-2026-4028","2026-06-18T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem, afdeling civiel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.355.784\n\n(zaaknummer rechtbank Gelderland 11502484)\n\nbeschikking van 18 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nZ&H Bewind B.V.(Z&H Bewind),\n\ndie is gevestigd in Harderwijk ,\n\nadvocaat: mr. L.H.S. de Baar,\n\ndie bewindvoerder was van\n\n [de rechthebbende](de rechthebbende),\n\ndie woont in [woonplaats] ,\n\nen de belanghebbende in hoger beroep,\n\nLicht Twee B.V.(Licht Twee),\n\ndie is gevestigd in Kampen,\n\ndie nu bewindvoerder is van de rechthebbende.\n\n1. Samenvatting\n\nDe kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, heeft op 18 april 2025 Z&H Bewind ambtshalve ontslagen en Licht Twee tot opvolgend bewindvoerder benoemd. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Op 30 augustus 2018 heeft de kantonrechter in de rechtbank Gelderland een bewind ingesteld over alle goederen die de rechthebbende (zullen) toebehoren, vanwege verkwisting of het hebben van problematische schulden.\n\n2.2.. Op 12 augustus 2021 heeft de kantonrechter de grondslag van het bewind gewijzigd naar bewind als gevolg van de geestelijke of lichamelijke toestand.\n\n3. De procedure bij de kantonrechter\n\n3.1.. De kantonrechter heeft op 18 april 2025 Z&H Bewind ambtshalve ontslagen als bewindvoerder, met ingang van 1 mei 2025.\n\n3.2.. In die beschikking heeft de kantonrechter Licht Twee tot opvolgend bewindvoerder benoemd. Daarnaast heeft de kantonrechter bepaald dat de beloning voor aanvangswerkzaamheden van Licht Twee door Z&H Bewind moet worden vergoed en dat Z&H Bewind geen beloning ontvangt voor het opmaken van de eindrekening en verantwoording.\n\n4. De procedure bij het hof\n\n4.1.. Z&H Bewind is het niet eens met de beslissing van de kantonrechter. Zij komt daarvan in hoger beroep. Z&H Bewind wil dat het hof voor recht verklaart dat het ontslag van Z&H Bewind als bewindvoerder onterecht is. Verder wil zij dat het hof bepaalt dat:\n\n- de beloning voor de aanvangswerkzaamheden van Licht Twee niet door de Z&H Bewind hoeft te worden vergoed, en\n\n- Z&H Bewind een beloning toekomt voor het opmaken van de eindrekening en verantwoording van € 300,08 inclusief btw.\n\nDe informatie die het hof heeft ontvangen\n\n4.2.. Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:\n\nhet beroepschrift, ingekomen op 15 juli 2025;\n\neen brief namens Z&H Bewind van 5 september 2025;\n\neen bericht namens Z&H Bewind van 30 april 2026.\n\n4.3.. De zitting bij het hof was op 11 mei 2026. Een vertegenwoordiger van Z&H Bewind en haar advocaat waren daarbij aanwezig.\n\n4.4.. Tijdens de zitting heeft Z&H Bewind productie 18 (‘rapport inzake overeengekomen werkzaamheden 2024’ van de accountant) ingediend. Gelet op de inhoud van de productie wordt dit stuk aan het dossier toegevoegd.\n\n5. Het oordeel van het hof\n\nWat in de wet staat\n\n5.1.. De kantonrechter kan een bewindvoerder ontslaan vanwege gewichtige redenen (artikel 1:448 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek).\n\nHet standpunt van Z&H Bewind\n\n5.2.. Z&H Bewind voert aan dat haar ontslag onterecht is. Het hoger beroep is door haar echter niet ingesteld om het ontslag terug te draaien, omdat zij het niet in het belang van de rechthebbende vindt als weer een wisseling van bewindvoerder plaatsvindt. Z&H Bewind wil echter wel dat het hof voor recht verklaart dat er geen gewichtige redenen zijn (geweest) voor haar ontslag als bewindvoerder. Zij betwist dat sprake was van disfunctioneren, zoals in de beschikking van de kantonrechter omschreven. Volgens Z&H Bewind heeft zij niet alles goed gedaan, maar is haar door de kantonrechter onvoldoende tijd gegeven om het functioneren van haar bedrijf te verbeteren. Z&H Bewind heeft op verzoek van de kantonrechter drie keer een plan van aanpak ingediend, met door te voeren verbeteringen. Deze plannen zijn vooraf besproken met de branchevereniging. Zij vond de plannen er goed uitzien. Volgens de kantonrechter waren de plannen niet voldoende, maar Z&H Bewind kreeg geen advies over de verbeteringen die zij moest doorvoeren. Verder voert Z&H Bewind aan dat de bewindvoering niet tot financiële schade bij cliënten heeft geleid. De rechthebbende had de wens om Z&H Bewind als bewindvoerder te houden. Dat gold ook voor andere rechthebbenden bij wie Z&H Bewind als bewindvoerder is ontslagen. Inmiddels heeft Z&H Bewind haar zaken op orde gekregen. Termijnen worden weer gehaald en de computersystemen zijn goed ingericht. Zij is nog steeds bewindvoerder voor twee rechthebbenden in Utrecht . Wel bestaat ook in die zaken het voornemen tot ambtshalve ontslag. De kantonrechter laat dat afhangen van de uitkomst van de onderhavige procedure. Volgens Z&H Bewind had de door de kantonrechter gemaakte belangenafweging anders moeten uitvallen en had zij de bewindvoering moeten kunnen voortzetten.\n\nHet oordeel van het hof\n\nDe gewichtige redenen voor ontslag\n\n5.3.. De kantonrechter heeft in januari 2023 geconstateerd dat in verschillende dossiers sprake was van achterstanden in het aanleveren van de jaarlijkse rekening en verantwoording en de vijfjaarlijkse evaluaties. In mei 2023 heeft hierover een gesprek met Z&H Bewind plaatsgevonden. Daarnaast heeft de kantonrechter een melding vanuit het Landelijk Kwaliteitsbureau (LKB) ontvangen. Z&H Bewind heeft op 26 januari 2024 het handhavingsverzoek over 2022 ingediend. Een professioneel bewindvoerder moet ieder jaar een handhavingsverzoek bij het LKB indienen, zodat kan worden gecontroleerd of wordt voldaan aan de kwaliteitseisen. Na de inhoudelijke beoordeling van het handhavingsverzoek is Z&H Bewind op 30 januari 2024, 28 februari 2024, 14 maart 2024 en 5 juli 2024 verzocht om aanvullende informatie aan te leveren. Z&H Bewind heeft hier niet op gereageerd, waardoor het handhavingsverzoek over 2022 door het LKB is afgewezen.\n\n5.4.. Verder heeft de kantonrechter klachten ontvangen van een gemeente over een dossier van een rechthebbende, waarin Z&H Bewind bewindvoerder was. Z&H Bewind heeft herhaaldelijk de gevraagde documenten niet aangeleverd, waardoor de aanvraag kwijtschelding gemeentebelastingen over verschillende jaren is afgewezen, schulden zijn opgelopen en de PW-uitkering van de betreffende rechthebbende is opgeschort. Z&H Bewind kreeg de opdracht voor 4 oktober 2024 een plan van aanpak met verbeteringen in het bewindvoerderskantoor in te dienen, zodat kon worden voorkomen dat achterstanden ontstaan en dat niet op verzoeken van de kantonrechter wordt gereageerd. Het plan van aanpak van Z&H Bewind was onvoldoende concreet. In het plan van aanpak werd niet omschreven welke maatregelen worden genomen om direct te voorkomen dat er opnieuw achterstanden ontstaan. Z&H Bewind heeft vervolgens de kans gekregen om een verbeterd plan van aanpak aan te leveren, maar Z&H Bewind heeft dit pas na de afgesproken termijn aangeleverd.\n\n5.5.. Z&H Bewind heeft bovendien meermalen niet tijdig de jaarlijkse rekening en verantwoording ingediend. Daarnaast heeft zij niet gereageerd op verzoeken van het LKB om aanvullende informatie, die het LKB nodig had om het ingediende handhavingsverzoek over 2022 te beoordelen. Deze manier van handelen zorgt ervoor dat de kantonrechter en het LKB worden belemmerd in het uitoefenen van hun toezichthoudende taak. Z&H Bewind voert aan dat de kantonrechter niet in voldoende mate duidelijk heeft gemaakt welke verbeteringen van haar werden verwacht. Het hof gaat hier niet in mee. Hoewel het niet de taak is van de kantonrechter om Z&H Bewind uit te leggen hoe zij haar taken als bewindvoerder moet uitvoeren, heeft de kantonrechter wel voldoende duidelijk gemaakt wat van Z&H Bewind werd verwacht. De kantonrechter heeft in de brief van 11 november 2024 beschreven dat concrete maatregelen worden verwacht om te voorkomen dat opnieuw achterstanden ontstaan. In het plan van aanpak ontbraken ook concrete maatregelen om ervoor te zorgen dat op vragen en verzoeken van de kantonrechter tijdig wordt gereageerd of op tijd uitstel wordt gevraagd. Z&H Bewind heeft nagelaten om deze maatregelen te nemen en het verbeterde plan van aanpak op tijd aan te leveren.\n\n5.6.. Uit het dossier en ook tijdens de zitting bij het hof is het hof gebleken dat Z&H Bewind niet inziet dat haar wijze van handelen zodanig is dat de kantonrechter niet in staat is om adequaat toezicht te houden en te controleren of zij haar taken als bewindvoerder naar behoren uitvoert. Dit maakt dat Z&H Bewind niet geschikt is als bewindvoerder. Gelet op het voorgaande is het hof, net als de kantonrechter, van oordeel dat er gewichtige redenen zijn om Z&H Bewind als bewindvoerder te ontslaan. Het hof zal de beschikking van de kantonrechter daarom op dit onderdeel bekrachtigen.\n\nDe vergoedingen voor de eindrekening en verantwoording en aanvangswerkzaamheden\n\n5.7.. De kantonrechter heeft bepaald dat Z&H Bewind geen beloning toekomt voor het opmaken van de eindrekening en verantwoording en dat zij de beloning voor aanvangswerkzaamheden van de opvolgend bewindvoerder aan de rechthebbende moet vergoeden. In de Aanbevelingen Meerderjarigenbewind, Curatele en Mentorschap is niet opgenomen dat deze kosten voor rekening van een ambtshalve ontslagen bewindvoerder (zouden kunnen) komen. In recente uitspraken in zaken waarin een bewindvoerder ambtshalve is ontslagen, is bepaald dat de ontslagen bewindvoerder geen kosten in rekening mag brengen voor het opmaken van de eindrekening en verantwoording.Het hof zal in diezelfde lijn beslissen en bepaalt dat Z&H Bewind geen beloning toekomt voor het opmaken van de eindrekening en verantwoording. Op dat punt zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.\n\n5.8.. In die zaken is ook bepaald dat de opvolgend bewindvoerder de vergoeding voor aanvangswerkzaamheden in rekening mag brengen. Die kosten komen dan voor rekening van de betreffende rechthebbende, niet voor de ontslagen bewindvoerder. Het hof volgt de lijn in die uitspraken en bepaalt dat de beloning voor de aanvangswerkzaamheden van Licht Twee niet door Z&H Bewind hoeft te worden vergoed. Op dit onderdeel zal het hof de beschikking van de kantonrechter vernietigen.\n\n6. De beslissing\n\nHet hof, beschikkende in hoger beroep:\n\nvernietigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 18 april 2025, voor zover het de beslissing betreft dat de beloning voor aanvangswerkzaamheden van Licht Twee door Z&H Bewind moet worden vergoed;\n\nbepaalt in plaats daarvan dat Licht Twee gerechtigd is om een éénmalige vergoeding voor aanvangswerkzaamheden in rekening te brengen conform artikel 3 lid 5 sub a van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren;\n\nbekrachtigt de beschikking voor het overige;\n\nwijst af wat verder is verzocht.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, J.H. Lieber en\n\nR. Prakke-Nieuwenhuizen, bijgestaan door mr. T.F. de Ruiter als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.\n\n ECLI:NL:GHARL:2025:1363, ECLI:NL:RBDHA:2025:5607 en ECLI:NL:GHDHA:2021:1545.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4028","2026-07-13T00:28:24.042Z",{"id":105,"ecli":106,"slug":107,"caseNumber":43,"courtId":108,"decisionDate":109,"fullText":110,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":111,"sourceTimestamp":80,"parsedAt":51,"updatedAt":112},"854","ECLI:NL:RBNNE:2026:2687","ecli-nl-rbnne-2026-2687",65,"2026-06-15T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nAfdeling Privaatrecht\n\nLocatie: Assen\n\nzaaknummer: NL:TZ:2607580:R-RK\n\nvonnis van 15 juni 2026\n\nin de zaak van:\n\n [verzoekster], geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats], wonende op een geheim adres,\n\nverzoekster, hierna te noemen: [verzoekster],\n\ntegen\n\nBelastingdienst, Postbus 100, 6400 AC te Heerlen,\n\nverweerster, hierna te noemen: de Belastingdienst,\n\nen\n\nIB-Krediet B.V., vertegenwoordigd door Vesting Finance, [adres],\n\nverweerster, hierna te noemen: IB-Krediet.\n\nPROCESGANG\n\nOp 25 maart 2026 heeft de griffie van deze rechtbank een verzoekschrift tot vaststelling van een dwangakkoord als bedoeld in artikel 287a Faillissementswet (Fw)en tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp) ontvangen. Beide verzoeken zijn ingediend door Bresz.\n\nOp 30 april 2026 heeft de rechtbank een verweerschrift van IB-Krediet ontvangen.\n\nOp 6 mei 2026 heeft de rechtbank een verweerschrift met bijlagen van de Belastingdienst ontvangen.\n\nDe schuldhulpverlener heeft op 7 mei 2026 correspondentie met de Belastingdienst en betaalbewijzen van betalingen aan de Belastingdienst nagezonden.\n\nHet verzoekschrift tot vaststelling van een dwangakkoord is behandeld ter zitting van\n\n7 mei 2026. Hierbij is verzoekster tezamen met de heer [schuldhulpverlener van schuldhulpbedrijf] (hierna te noemen: de schuldhulpverlener) verschenen. Namens de Belastingdienst zijn verschenen, mevrouw [naam 1] en mevrouw [naam 2].\n\nDe behandeling is vervolgens aangehouden om [verzoekster] de gelegenheid te geven om nadere stukken aan de Belastingdienst te verstrekken en de Belastingdienst in de gelegenheid te stellen om aan de hand van die stukken haar definitieve standpunt te bepalen.\n\nOp 19 mei 2026 heeft [verzoekster] de rechtbank de nadere stukken gestuurd en verzocht om op het verzoek te beslissen.\n\nDe Belastingdienst heeft op 22 mei 2026 haar definitieve standpunt aan de rechtbank doorgegeven.\n\nTen slotte is vonnis bepaald op heden.\n\nRECHTSOVERWEGINGEN\n\nHet aanbod en de toelichting daarop\n\n [verzoekster] heeft op 19 september 2025 een schuldregeling aan haar schuldeisers aangeboden. Dit akkoord houdt – samengevat – in: [verzoekster] zal gedurende 18 maanden haar afloscapaciteit van € 1.125,94 per maand ten behoeve van haar schuldeisers sparen tegen finale kwijting voor het restant. Op basis van de huidige inkomenssituatie is prognose dat er 65,70% aan de preferente schuldeiser en 32,85% aan de concurrente schuldeisers kan worden uitgekeerd.\n\nUit de bij de aangeboden schuldregeling gevoegde toelichting blijkt dat [verzoekster] inkomsten uit een eigen onderneming verkrijgt. [verzoekster] werkt gemiddeld 35 uur per week. Op de zitting heeft [verzoekster] nader toegelicht dat zij soms 35 uur en soms 40 uur per week werkt. Verder is [verzoekster] alleenstaand moeder van twee kinderen van twee en vijf jaar oud. Uit de bij het verzoekschrift gevoegde vergelijkingstool blijkt dat de schuldeisers in de Wsnp een lagere uitkering zullen ontvangen. Omdat [verzoekster] een onderneming heeft, zijn de kosten die aan het Wsnp-traject zijn verbonden veel hoger dan de kosten van het minnelijk traject. Volgens [verzoekster] is het aanbod dan ook het maximaal haalbare.\n\nDe weigerachtige schuldeisers\n\nDe schuldregeling is door alle schuldeisers behalve de Belastingdienst en IB-Krediet aanvaard.\n\nHet verweer van IB-KredietIB-Krediet heeft aan haar weigering ten grondslag gelegd dat het aanbod niet in verhouding staat tot de hoogte van de vordering. Daarbij voert IB-Krediet aan dat een dwangakkoord niet is bedoeld voor situaties waarin de weigerachtige schuldeiser het grootste deel van de schuldenlast vertegenwoordigt. Daarnaast is IB-Krediet van mening dat de schuldenlast niet problematisch is. Gelet op de leeftijd, het aantal arbeidsjaren dat in het verschiet ligt en de huidige afloscapaciteit, zou [verzoekster] de totale schuldenlast in 5 jaar kunnen afbetalen.\n\nHet verweer van de Belastingdienst\n\nDe Belastingdienst gaat niet akkoord, omdat zij van mening is dat zij over onvoldoende stukken en informatie beschikt om te kunnen beoordelen of de onderneming van [verzoekster] levensvatbaar is of niet. Zo is er geen liquiditeitsprognose van de komende twee jaren verstrekt. Verder ontbreekt de jaarrekening van 2023, waardoor de Belastingdienst de cijfers van 2023 niet kan vergelijken met die van 2024. Ook komen volgens de Belastingdienst de jaarstukken van 2024 en 2025 niet overeen met de gegevens die in de vtlb-berekening zijn opgenomen. In de vtlb-berekening wordt namelijk uitgegaan van een maandinkomen inclusief vakantiegeld van € 3.078,00, wat neerkomt op circa € 36.936,00 per jaar, terwijl uit de jaarstukken een lager jaarinkomen blijkt. De Belastingdienst vindt verder de onderbouwing van de verwachte omzet voor 2026 onvoldoende inzichtelijk. Gelet op de al ingediende aangifte omzetbelasting over het eerste kwartaal van 2026 is de verwachte omzet volgens de Belastingdienst niet aannemelijk. Daarbij komt [verzoekster] tot op heden de lopende verplichtingen niet na, want [verzoekster] betaalt de openstaande belastingschulden niet of niet tijdig. Ook heeft [verzoekster] voor het jaar 2026 nog geen voorlopige aanslag Inkomstenbelasting\u002FPremie Volksverzekeringen aangevraagd. Hierdoor voldoet [verzoekster] niet aan de lopende verplichtingen wat volgens de Belastingdienst een indicatie is dat de onderneming niet levensvatbaar is.\n\nDaarnaast stelt de Belastingdienst zich op het standpunt dat het aanbod niet het maximaal haalbare is, omdat [verzoekster] op peildatum 31 december 2025 over een spaarvermogen beschikte dat niet in het aanbod van de schuldeisers is meegenomen. In het voorstel wordt niet vermeld hoe de schulden zijn ontstaan. Ook heeft de Belastingdienst geconstateerd dat [verzoekster] tijdens het minnelijk traject een auto van het merk Ford Focus heeft ingeruild tegen een auto (Opel Mervia) met een hogere dagwaarde, terwijl een toelichting hierop ontbreekt.\n\nNa de zitting van 7 mei 2026 heeft de Belastingdienst na ontvangst van nadere informatie van [verzoekster] aan de rechtbank laten weten dat zij haar weigering om in te stemmen handhaaft. De Belastingdienst is van mening dat er tot op heden stukken ontbreken om akkoord te kunnen gaan alsmede dat de omzet uit 2025 niet correspondeert met de aangeleverde gegevens en de aangifte omzetbelasting van het eerste kwartaal van 2026.\n\nDe reactie van [verzoekster] op het verweer van de Belastingdienst\n\n [verzoekster] heeft aangevoerd dat zij voldoende stukken c.q. informatie heeft verstrekt aan de Belastingdienst om het aanbod te kunnen beoordelen. [verzoekster] verwijst daarbij naar de jaarrekening van 2024, waarin een vergelijking met 2023 is opgenomen. Hieruit blijkt dat de omzet van [verzoekster] in 2024 serieus is gestegen en ook dat deze stijgende lijn zich voortzet in 2025. De omzet voor 2026 wordt geschat op € 40.000,00. Onder verwijzing naar de al ingediende en opgelegde aanslag omzetbelasting over het eerste kwartaal van 2026 stelt [verzoekster] zich op het standpunt dat zij op schema ligt. Ten aanzien van de geschatte omzet voor 2026 van € 40.000,00 heeft de schuldhulpverlener op de zitting verklaard dat [verzoekster] door een fout van hun kantoor niet met btw belaste omzet heeft gehad, waardoor de aanslag op 0 is uitgekomen. Ter onderbouwing van de geschatte omzet heeft [verzoekster] gegevens van de boekhouder overgelegd, waaruit blijkt dat de omzet over het eerste kwartaal een ruime € 15.000,00 euro was. Op verzoek van de Belastingdienst heeft [verzoekster] na de zitting nog de liquiditeitsprognoses van 2026 en 2027 overgelegd. De kosten uit de onderneming bedragen maximaal € 3.000,00 op jaarbasis. [verzoekster] heeft aangevoerd dat zij in staat is om rond te blijven komen met de inkomsten uit haar onderneming. Zij heeft inmiddels 12 maanden afgedragen boven het vrij te laten bedrag. Daarbij heeft [verzoekster] binnen het vtlb zelfs nog extra voor de schuldeisers gespaard, doordat het vtlb te laag is vastgesteld. Het lukt [verzoekster] om maandelijks van dit vtlb rond te komen.\n\n [verzoekster] betwist dat zij de lopende verplichtingen niet kan nakomen. Zij heeft betalingsbewijzen overgelegd, waaruit betalingen uit 2025 en 2026 blijken aangaande de aanslagen Zorgverzekeringswet 2025 en de Kinderopvangtoeslag 2025. Daarbij heeft [verzoekster] opgemerkt dat de Kinderopvangtoeslag 2025 bijna is afbetaald en dat de aanslag Zorgverzekeringswet 2025 uiterlijk op 31 december 2026 moet zijn betaald. Op beide aanslagen wordt maandelijks afbetaald. Ook heeft [verzoekster] een betalingsbewijs overgelegd, waaruit blijkt dat zij de voorlopige aanslag inkomstenbelasting van 2026 betaalt.\n\n [verzoekster] heeft over het spaarsaldo op 31 december 2025 verklaard dat zij op dat moment nog samen was met haar ex-partner met wie zij toen nog fiscaal partner was. Het deel van het spaarsaldo dat aan [verzoekster] toebehoorde is volgens [verzoekster] meegenomen in de schuldregeling.\n\n [verzoekster] stelt zich op het standpunt dat het minnelijk traject gunstiger is voor de schuldeisers vanwege haar inkomen uit ondernemerschap, omdat zij daarmee maandelijks een aanzienlijke afdracht voor haar schuldeisers kan sparen. Wanneer [verzoekster] tot de Wsnp zou worden toegelaten, zal zij moeten stoppen met haar onderneming en in loondienst moeten gaan werken. [verzoekster] heeft aangevoerd dat zij door haar ondernemerschap flexibele werktijden heeft, waarmee zij de zorg voor haar jonge kinderen goed kan combineren met haar werk. Het aanbod is volgens [verzoekster] dan ook het maximaal haalbare.\n\n [verzoekster] heeft de rechtbank verzocht om het verzoek toe te wijzen. Dat zij een levensvatbare onderneming heeft blijkt volgens [verzoekster] niet alleen uit de liquiditeitsprognoses van 2026 en 2027, maar ook uit het feit dat [verzoekster] al lange tijd conform de vastgestelde vtlb-berekening afdraagt.\n\n DE BEOORDELING\n\nDe rechtbank stelt voorop dat het een schuldeiser in beginsel vrijstaat zijn medewerking aan een door de schuldenaar aangeboden schuldregeling – waarbij hij slechts een (beperkt) deel van zijn vordering betaald krijgt en voor het restant afstand moet doen van zijn recht op voldoening – te weigeren en dat bij toewijzing van een bevel tot instemming terughoudendheid geboden is. Slechts onder zeer bijzondere omstandigheden kan er plaats zijn voor een bevel tot instemming waarbij het in beginsel op de weg van de schuldenaar ligt de specifieke feiten en omstandigheden te stellen en, zo nodig, te bewijzen, waaruit kan worden afgeleid dat de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met het akkoord heeft kunnen komen. Daarbij zal mede in aanmerking worden genomen de (on)evenredigheid tussen het belang dat de schuldeiser heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van de schuldenaar of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad.\n\nBlijkens de wetsgeschiedenis (MvT Kamerstukken II 2004\u002F05, 29 942, nr. 3 p. 18) bij de totstandkoming van art. 287a Fw kan een groot aantal toetsingscriteria van belang zijn bij de beantwoording van de vraag of de desbetreffende weigerende schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen.\n\nZo is onder meer van belang:\n\nof het voorstel is getoetst door een onafhankelijke en deskundige partij (bijvoorbeeld een gemeentelijke kredietbank);\n\nof het voorstel goed en betrouwbaar is gedocumenteerd;\n\nof voldoende duidelijk is dat het bod dat is gedaan het uiterste is waartoe verzoeker financieel in staat moet worden geacht;\n\nof het alternatief van faillissement of schuldsanering enig uitzicht biedt voor de schuldeisers en hoe groot de kans is dat zij in dat geval dan evenveel of meer zullen ontvangen;\n\nhoe groot het aandeel van de weigerachtige schuldeiser(s) in de totale schuldenlast is.\n\nAllereerst stelt de rechtbank vast dat het voorstel is getoetst door een onafhankelijke en deskundige partij, te weten Brezs.\n\nDaarnaast is de rechtbank van oordeel dat het voorstel goed en betrouwbaar is gedocumenteerd. In het aanbod aan de schuldeisers van 19 september 2025 is namelijk informatie gegeven over de hoogte van de schuldenlast, het aantal schuldeisers, het ontstaan van de schulden, de ondernemingsactiviteiten en de persoonlijke situatie van [verzoekster]. Daarbij is een berekening van het vrij te laten bedrag bij het voorstel gevoegd. Na de zitting heeft [verzoekster] nadere informatie over haar onderneming toegezonden, waaronder de liquiditeitsprognoses van 2026 en 2027 en een verklaring van haar boekhouder. Hieruit volgt dat de onderneming van [verzoekster] positieve resultaten behaalt en dat er vanaf 2024 sprake is van een stijgende lijn die zich tot op heden voortzet. De rechtbank concludeert hieruit dat [verzoekster] gedurende 18 maanden in staat zal zijn om voor haar schuldeisers te sparen. Het verweer van de Belastingdienst dat [verzoekster] niet aan haar lopende verplichtingen kan voldoen, is door [verzoekster] onderbouwd weersproken, zodat de rechtbank aan dit verweer voorbij zal gaan.\n\nDe rechtbank stelt verder vast dat [verzoekster] nu al ruim 12 maanden maandelijks fors aflost voor de schuldeisers. Ter zitting heeft de schuldhulpverlener hierover verklaard dat het vtlb voor de zekerheid iets lager is vastgesteld, zodat er extra voor de schuldeisers kan worden gespaard. Het lukt [verzoekster] om van dit lager vastgestelde vtlb rond te komen. Ook heeft de schuldhulpverlener nader toegelicht dat de vtlb-berekening uitgaat van een gemiddeld bedrag. [verzoekster] heeft een prognoseakkoord aangeboden wat betekent dat de schuldhulpverlener om de zoveel maanden het inkomen controleert en narekent wat er precies voor de schuldeisers had moeten worden afgedragen. De rechtbank acht de kans dat de schuldeisers een hogere uitkering tegemoet zullen zien wanneer op [verzoekster] de Wsnp van toepassing is uiterst gering. Niet alleen vanwege de hogere kosten die aan het Wsnp-traject zijn verbonden, maar ook doordat in de Wsnp ondernemerschap slechts in zeer uitzonderlijke gevallen wordt toegestaan. [verzoekster] is in de huidige situatie in staat om als alleenstaande moeder van twee jonge kinderen gemiddeld genomen 35 uur per week te werken, omdat zij flexibele werktijden heeft. Gelet op de gezinssituatie en de hulpverlening die bij verzoekster betrokken is, acht de rechtbank niet aannemelijk dat [verzoekster] hetzelfde aantal uren zal maken wanneer zij in loondienst werkt, omdat zij in die situatie aan vaste werktijden gebonden zal zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is het aanbod dan ook het maximaal haalbare.\n\nDe rechtbank stelt vast dat de Belastingdienst en IB-Krediet het merendeel van de totale schuldenlast vertegenwoordigen, te weten 58,5%. Zoals hierboven uiteengezet is het totale aandeel van de weigerachtige schuldeisers in de totale schuldenlast één van de punten is die rechtbank in haar oordeel betrekt. Dat betekent echter niet dat dit punt altijd doorslaggevend hoeft te zijn. De rechtbank vindt in dit geval doorslaggevend dat de schuldeisers een veel hogere uitkering tegemoet kunnen zien in het minnelijk traject door het inkomen dat [verzoekster] als ondernemer verkrijgt.\n\nOok voor het overige ziet de rechtbank geen feiten of omstandigheden die tot afwijzing van het verzoek zouden moeten leiden. Wat betreft het verweer van Vesting Finance over de problematische schuldenlast merkt de rechtbank op dat er sinds de wetswijziging van juli 2023 van moet worden uitgegaan dat een schuldenlast als problematisch wordt beschouwd wanneer deze niet binnen 18 maanden kan worden afbetaald. Aan dat criterium is in dit geval voldaan, zodat dit verweer geen stand kan houden.\n\nOver het spaarsaldo is ter zitting verklaard dat dit grotendeels toebehoorde aan de ex-partner van [verzoekster] en dat het deel dat aan [verzoekster] toebehoorde is meegenomen in de schuldregeling. Ook hierin ziet de rechtbank geen reden voor afwijzing van het verzoek. Evenmin ziet de rechtbank reden om het verzoek af te wijzen, omdat [verzoekster] haar auto zou hebben ingeruild tegen een auto met een dagwaarde die € 1.500,00 hoger is, al dient de schuldhulpverlener dit punt wel nader te onderzoeken en te betrekken in het minnelijk traject.\n\nGelet op het bovenstaande zal de rechtbank het verzoek toewijzen.\n\nAangezien het primaire verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord zal worden toegewezen, kan behandeling van het subsidiaire verzoek tot toelating tot de Wsnp achterwege blijven. De rechtbank beschouwt dit verzoek tot toelating tot de Wsnp als zijnde ingetrokken.\n BESLISSING\n\nDe rechtbank\n\n- beveelt de Belastingdienst en IB-Krediet in te stemmen met de hierboven genoemde schuldregeling.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.C. Groenewegen, en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.\n\nTegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2687","2026-07-13T00:28:51.379Z",{"id":114,"ecli":115,"slug":116,"caseNumber":43,"courtId":108,"decisionDate":109,"fullText":117,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":118,"sourceTimestamp":80,"parsedAt":51,"updatedAt":119},"853","ECLI:NL:RBNNE:2026:2686","ecli-nl-rbnne-2026-2686","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nAfdeling Privaatrecht\n\nLocatie: Groningen\n\nzaaknummer: NL:TZ:2608415:R-RK\n\nvonnis van 15 juni 2026\n\nin de zaak van:\n\n [verzoeker], geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats], wonende te [adres],\n\nhierna te noemen: verzoeker,\n\ntegen\n\n [verweerster] B.V., vertegenwoordigd door Levelink Gerechtsdeurwaarders en Incasso, gevestigd te [adres], hierna te noemen: verweerster.\n\nPROCESGANG\n\nOp 2 april 2026 heeft de griffie van deze rechtbank een verzoekschrift tot vaststelling van een dwangakkoord als bedoeld in artikel 287a Faillissementswet (Fw). Het verzoek is ingediend door de Kredietbank Midden-Groningen (hierna te noemen: de Kredietbank). In het verzoekschrift wordt verwezen naar het Wsnp-verzoekschrift dat op 16 september 2025 is ingediend.\n\nOp 2 april 2026 heeft de rechtbank een verweerschrift van verweerster ontvangen.\n\nHet verzoekschrift tot vaststelling van een dwangakkoord is behandeld ter zitting van 28 mei 2026. Hierbij zijn verschenen:\n\n- verzoeker, voornoemd, tezamen met zijn vader;\n\n- de heer [schuldhulpverlener], schuldhulpverlener bij de Kredietbank;\n\n- mevrouw [directrice], directrice van [verweerster] B.V.;\n\n- mr. [juriste], juriste bij [verweerster] B.V.\n\nOp 1 juni 2026 heeft de Kredietbank de rechtbank de bankafschriften van verzoeker toegezonden.\n\nTen slotte is vonnis bepaald op heden.\n\nRECHTSOVERWEGINGEN\n\nVerzoeker heeft op 16 december 2025 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers dat gebaseerd is op de JPF-aanpak van de Kredietbank. Het akkoord houdt in dat de Kredietbank een saneringskrediet van € 1.231,98 ter beschikking stelt, waarmee de (concurrente) schuldeisers 3,38% van hun vordering ineens tegemoet kunnen zien tegen finale kwijting voor het restant. De JPF-aanpak is bedoeld om schulden zo snel mogelijk op te lossen om jongeren tussen de 18 en 27 jaar met problematische schulden direct te kunnen ondersteunen bij het opbouwen van een schuldenvrije zelfstandige toekomst. De jongere in kwestie volgt een intensief begeleidingstraject en betaalt de schuld aan de gemeente terug door een maatschappelijke tegenprestatie te leveren.\n\nDe schuldregeling is door alle schuldeisers behalve verweerster aanvaard. Verweerster heeft geweigerd om met het aanbod in te stemmen, omdat het aanbod niet in verhouding staat tot de hoogte van haar vordering. De schuld van verweerster vertegenwoordigt ruim 30% van de totale schuldenlast. Verder betaalt verzoeker de huurtermijnen sinds het toegewezen moratoriumvonnis nog steeds niet tijdig en vervuilt hij de huurwoning. Verweerster heeft verzocht om het verzoek daarom af te wijzen.\n\nVerzoeker heeft de rechtbank verzocht verweerster te bevelen in te stemmen met de aangeboden schuldregeling. Uit de bij de aangeboden schuldregeling gevoegde toelichting blijkt dat verzoeker uitkering op grond van de Participatiewet ontvangt. Op basis van deze inkomenssituatie heeft verzoeker geen afdrachtplicht.\n\nBEOORDELING\n\nDe rechtbank stelt voorop dat het een schuldeiser in beginsel vrijstaat zijn medewerking aan een door de schuldenaar aangeboden schuldregeling – waarbij hij slechts een (beperkt) deel van zijn vordering betaald krijgt en voor het restant afstand moet doen van zijn recht op voldoening – te weigeren en dat bij toewijzing van een bevel tot instemming terughoudendheid geboden is. Slechts onder zeer bijzondere omstandigheden kan er plaats zijn voor een bevel tot instemming waarbij het in beginsel op de weg van de schuldenaar ligt de specifieke feiten en omstandigheden te stellen en, zo nodig, te bewijzen, waaruit kan worden afgeleid dat de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met het akkoord heeft kunnen komen. Daarbij zal mede in aanmerking worden genomen de (on)evenredigheid tussen het belang dat de schuldeiser heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van de schuldenaar of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad.\n\nBlijkens de wetsgeschiedenis (MvT Kamerstukken II 2004\u002F05, 29 942, nr. 3 p. 18) bij de totstandkoming van art. 287a Fw kan een groot aantal toetsingscriteria van belang zijn bij de beantwoording van de vraag of de desbetreffende weigerende schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen.\n\nZo is onder meer van belang:\n\nof het voorstel goed en betrouwbaar is gedocumenteerd;\n\nof voldoende duidelijk is dat het bod dat is gedaan het uiterste is waartoe verzoeker financieel in staat moet worden geacht;\n\nof het alternatief van faillissement of schuldsanering enig uitzicht biedt voor de schuldeisers en hoe groot de kans is dat zij in dat geval dan evenveel of meer zullen ontvangen.\n\nDe rechtbank stelt vast dat het voorstel gebaseerd is op een nieuw project van de Kredietbank dat bedoeld is om jongeren met schuldenproblematiek te helpen. Hoewel de rechtbank het doel en de intenties van dit project kan begrijpen, blijft ook in die gevallen maatwerk van toepassing. Nu een saneringskrediet wordt aangeboden, waarbij schuldeisers genoegen moeten nemen met een gering percentage van hun vordering, dient verzoeker te onderbouwen waarom er de komende 18 maanden geen zicht is op betaald werk. In onderhavig verzoek ontbreekt die (medische) onderbouwing, terwijl uit het Wsnp-verzoekschrift juist blijkt dat verzoeker in juni 2025 nog loon ontving. Ter zitting is namens verzoeker aangegeven dat hij nog geen behandeling krijgt voor zijn trauma. Nu een nadere toelichting op de arbeidssituatie ontbreekt, kan de rechtbank niet beoordelen of het aanbod het uiterste is waartoe verzoeker financieel in staat moet worden geacht en ook niet of een alternatief traject evenveel of meer zal opleveren voor de schuldeisers.\n\nGelet op het bovenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerster in redelijkheid tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen. Het verzoek zal dus worden afgewezen. De rechtbank weegt ook mee dat op de bankafschriften die in het Wsnp-verzoekschrift zijn opgenomen alsmede de bankafschriften die na de zitting van 28 mei 2026 zijn overgelegd tot op heden uitgaven staan die zich moeilijk laten rijmen met het aanbod dat voorligt. De rechtbank vraagt zich dan ook af of de situatie van verzoeker voldoende gestabiliseerd is en of budgetbeheer afdoende is.\n\nVerzoeker dient binnen twee weken na de datum van dit vonnis bij de rechtbank aan te geven of hij zijn verzoek tot toelating tot de Wsnp handhaaft. Wanneer de rechtbank na ommekomst van deze termijn geen reactie heeft ontvangen, zal dit verzoek als ingetrokken worden beschouwd. Wanneer het Wsnp-verzoek wordt gehandhaafd, zal op dit verzoek bij afzonderlijk vonnis worden beslist.\n\nBESLISSING\n\nDe rechtbank:\n\n- wijst het verzoek af.\n\nDit vonnis is gewezen door M.C. Groenewegen, en in het openbaar uitgesproken op\n\n15 juni 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.\n\nTegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2686","2026-07-13T00:28:51.331Z",{"id":121,"ecli":122,"slug":123,"caseNumber":43,"courtId":108,"decisionDate":124,"fullText":125,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":126,"sourceTimestamp":80,"parsedAt":51,"updatedAt":127},"848","ECLI:NL:RBNNE:2026:2685","ecli-nl-rbnne-2026-2685","2026-06-11T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nAfdeling Privaatrecht\n\nLocatie: Groningen\n\nzaaknummers: C\u002F18\u002F25\u002F230-231 F en C\u002F18\u002F26\u002F1187-1188 R\n\nvonnis van 11 juni 2026\n\nin de zaak van:\n\n [schuldenaar 1], geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] , en\n\n [schuldenaar 2], geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] ,\n\n beiden wonende te [adres] , voormalig vennoten van [bedrijf] V.O.F.,\n\nvoorheen gevestigd te [adres] ,\n\nmet als correspondentieadres [adres] ,\n\ningeschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer [nummer] ,\n\nhierna te noemen: de schuldenaren.\n\nPROCESGANG\n\nBij vonnis van deze rechtbank van 5 augustus 2025 zijn de schuldenaren in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr. H.J. Idzenga tot rechter-commissaris en aanstelling van mr. G.W. Breuker tot curator.\n\nDe schuldenaren hebben een verzoekschrift ingediend tot opheffing van hun op 5 augustus 2026uitgesproken faillissement onder het gelijktijdig uitspreken van de wettelijke schuldsaneringsregeling.\n\nIn de faillissementen is op grond van artikel 15b Fw geen verificatievergadering gehouden.\n\nDe rechter-commissaris heeft bovenvermelde faillissementen voorgedragen voor opheffing.\n\nDe rechtbank heeft het verzoekschrift en de voordracht behandeld op de zitting van\n\n28 mei 2026, alwaar zijn verschenen de schuldenaren voornoemd tezamen met hun [schuldhulpverlener van schuldhulpbedrijf] . Namens de curator is verschenen,\n\nmr. T. van Dijken, advocaat te Groningen.\n\nTenslotte is vonnis bepaald op heden.\n\nRECHTSOVERWEGINGEN\n\nDe rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Verordening 2015\u002F848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaren in Nederland ligt.\n\nHet verzoekschrift van de schuldenaren voldoet aan de daaraan gestelde eisen. Er is geen grond gebleken voor afwijzing van het verzoek. De rechtbank zal het faillissement opheffen onder het gelijktijdig uitspreken van de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van de schuldenaren.\n\nDe schuldenaren hebben de rechtbank verzocht om de schuldsaneringsreling te laten aanvangen op 1 oktober 2025, omdat er sinds die datum is afgedragen in het faillissement. De curator heeft aangegeven dat de schuldenaren sinds 1 oktober 2025 ononderbroken een maandelijkse boedelbijdrage ex artikel 21 Fw. hebben gedaan. De schuldenaar heeft vanaf die datum fulltime gewerkt. Ten aanzien van de schuldenares is een uitgebreide medische documentatie ontvangen, waaruit blijkt dat zij in die periode niet kon werken. De rechtbank ziet daarom aanleiding om de aanvangsdatum van de schuldsaneringsregeling van de schuldenaren te bepalen op 1 oktober 2025.\n\nDe rechtbank zal het bedrag van de faillissementskosten en het salaris van de curator vaststellen. Voor zover de kosten van de in het faillissement bevolen publicaties niet uit de boedel kunnen worden voldaan, komen deze ten laste van de Staat.\n\nBESLISSING\n\nDe rechtbank:\n\n- beveelt de opheffing van bovenvermelde faillissementen;\n\n- stelt het salaris en de verschotten van de curator, mr. G.W. Breuker, in bovenvermelde faillissementen vast op € 8.484,23 exclusief omzetbelasting, te vermeerderen met eventueel terug te ontvangen rente;\n\n- spreekt de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van\n\n [schuldenaar 1], geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] , en[schuldenaar 2], geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] , beiden wonende te [adres] ;\n\n- bepaalt de duur van de schuldsaneringsregelingen op 18 maanden, te rekenen vanaf 1 oktober 2025;\n\n- benoemt tot rechter-commissaris mr. H.J. Idzenga en tot bewindvoerder [bewindvoerder] , correspondentieadres [adres] , tel.nr. [telefoonnummer] ;\n\n- geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenaren gerichte brieven en telegrammen.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.C. Groenewegen en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2685","2026-07-13T00:28:51.037Z",{"id":129,"ecli":130,"slug":131,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":132,"fullText":133,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":134,"sourceTimestamp":132,"parsedAt":51,"updatedAt":135},"682","ECLI:NL:GHARL:2026:3739","ecli-nl-gharl-2026-3739","2026-06-09T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem, afdeling civiel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.367.988\n\nzaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht 2604692\n\narrest van 9 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [appellant]\n\ndie woont in [woonplaats]\n\ndie hoger beroep heeft ingesteld\n\nhierna: [de schuldenaar]\n\nadvocaat: mr. E.R. Butin Bik\n\n1. De procedure bij de rechtbank\n\n1.1.. De Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Beroepsvervoer over de Weg (het pensioenfonds) heeft een verzoek ingediend tot faillietverklaring van [de schuldenaar] . Hierop heeft [de schuldenaar] op 12 februari 2026 bij de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht een voorwaardelijk verzoek ingediend om ten aanzien van hem de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (wsnp) uit te spreken. De faillissementsprocedure is geschorst totdat onherroepelijk is beslist op het schuldsaneringsverzoek.\n\n1.2.. Bij vonnis van 17 april 2026 heeft de rechtbank [de schuldenaar] niet-ontvankelijk verklaard in zijn (voorwaardelijke) verzoek om te worden toegelaten tot de wsnp.\n\n2. De procedure bij het hof\n\n2.1.. Door middel van een op 27 april 2026 bij het hof binnengekomen beroepschrift heeft [de schuldenaar] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 17 april 2026. [de schuldenaar] wil met zijn hoger beroep bereiken dat zijn (voorwaardelijke) verzoek om te worden toegelaten tot de wsnp alsnog wordt toegewezen. Het verzoek van [de schuldenaar] tot toelating tot de wsnp is voorwaardelijk, namelijk op voorwaarde dat is komen vast te staan dat zijn poging om een minnelijke schuldregeling tot stand te brengen niet is geslaagd.\n\n2.2.. Het hof heeft naast het beroepschrift met producties kennisgenomen van de tijdens de mondelinge behandeling bij het hof overgelegde brief van 24 april 2026 aan de belastingdienst.\n\n2.3.. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 juni 2026. Hierbij is [de schuldenaar] verschenen, bijgestaan door mr. Butin Bik .\n\n3. De motivering van de beslissing in hoger beroep\n\nDe feiten\n\n3.1.. \n [de schuldenaar] heeft in de vorm van een eenmanszaak een transportbedrijf onder de naam [naam1] . Vanuit deze eenmanszaak verzorgt [de schuldenaar] als zzp-er transportopdrachten voor diverse bedrijven. Naast zijn werkzaamheden als zzp-er is [de schuldenaar] op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gedurende 32 uur per week werkzaam als nachtplanner. [de vof] , waarvan [de schuldenaar] vennoot was, is niet meer actief en de onderneming is uitgeschreven bij het Handelsregister van de Kamer van Koophandel.\n\n3.2.. \n [de schuldenaar] heeft een aanzienlijke schuldenlast. Hiervoor heeft hij in augustus 2025 de hulp ingeschakeld van Advocatenkantoor Moerdijk als schuldbemiddelaar. Mr. Butin Bik is als advocaat verbonden aan dit kantoor. In een poging om een minnelijke schuldsaneringsregeling tot stand te brengen heeft [de schuldenaar] op 22 januari 2026, via zijn schuldbemiddelaar, een betalingsvoorstel gedaan aan de bij hem bekende schuldeisers waaronder het pensioenfonds en de belastingdienst.\n\n3.3.. In haar reactie op het betalingsvoorstel heeft het pensioenfonds, naar [de schuldenaar] heeft verklaard, op 28 januari 2026 aan de schuldbemiddelaar laten weten in plaats van het in het betalingsvoorstel opgenomen percentage van 13,21%, een bedrag gelijk aan een percentage van 20% van haar vordering te willen ontvangen.\n\n3.4.. Kort daarvoor had het pensioenfonds een verzoekschrift tot faillietverklaring van [de schuldenaar] ingediend. Vervolgens heeft [de schuldenaar] op 12 februari 2026 zijn (voorwaardelijke) verzoek om toelating tot de wsnp gedaan.\n\n3.5.. Op 17 februari 2026 heeft de rechtbank [de schuldenaar] in de gelegenheid gesteld om in verband met zijn (voorwaardelijke) toelatingsverzoek nadere stukken aan te leveren. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling op 30 maart 2026, heeft (de raadsman van) [de schuldenaar] om uitstel gevraagd om een minnelijke regeling met zijn schuldeisers te kunnen bereiken. In reactie hierop heeft de rechtbank [de schuldenaar] en zijn raadsman erop gewezen dat het verzoek om toelating tot de wsnp moest worden aangevuld met de noodzakelijke stukken. Op 13 april 2026 heeft (de raadsman van) [de schuldenaar] opnieuw een verzoek ingediend om de behandeling van zijn toelatingsverzoek uit te stellen.\n\n3.6.. De belastingdienst heeft in reactie op het betalingsvoorstel van [de schuldenaar] met zijn brief van 3 april 2026 om aanvullende informatie verzocht. Met zijn brief van 24 april 2026 heeft (de schuldbemiddelaar van) [de schuldenaar] deze nadere gegevens aan de belastingdienst verstrekt. Op 29 mei 2026 heeft de belastingdienst aan de schuldbemiddelaar laten weten nog zo’n zes tot acht weken nodig te hebben om op het betalingsvoorstel te kunnen reageren.\n\nHet oordeel van de rechtbank\n\n3.7.. De rechtbank heeft [de schuldenaar] niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om te worden toegelaten tot de wsnp omdat [de schuldenaar] , ondanks dat de rechtbank hem meerdere keren heeft gevraagd de ontbrekende stukken aan te vullen, geen compleet toelatingsverzoek heeft ingediend. Daar komt bij dat het naar het oordeel van de rechtbank niet past bij het karakter van de faillissementsprocedure en het in verband daarmee ingediende verzoek tot toepassing van de wsnp om de termijn die is bestemd voor het indienen van nadere stukken ten behoeve van de behandeling van het wsnp-verzoek te gebruiken om een minnelijke regeling te treffen, en met het oog op zo’n regeling, nogmaals nader uitstel te vragen.\n\nDe grieven van [de schuldenaar]\n\n3.8.. \n [de schuldenaar] kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank. Gelet op het feit dat hij op 26 maart en 13 april 2026 aanvullende stukken heeft ingediend, heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de ontbrekende stukken waar zij [de schuldenaar] om heeft gevraagd niet zijn ontvangen. Daar komt bij dat de rechtbank het verzoek ook zonder de ontbrekende stukken had kunnen beoordelen althans dat zij had moeten aangeven welke bijlagen essentieel waren om het verzoek inhoudelijk te kunnen beoordelen, aldus [de schuldenaar] . Volgens [de schuldenaar] was zijn aanhoudingsverzoek gerechtvaardigd omdat het minnelijk traject nog niet was afgerond. Bovendien heeft de rechtbank nagelaten te omschrijven wat met ‘het karakter van de faillissementsprocedure’ wordt bedoeld en heeft zij dit karakter miskent door toe te staan dat het pensioenfonds de faillissementsaanvraag als oneigenlijk pressiemiddel en \u002Fof incassomiddel heeft gebruikt, aldus [de schuldenaar] . Ook voert [de schuldenaar] aan dat rechtbank het voorwaardelijke karakter van het toelatingsverzoek ten onrechte niet in acht heeft genomen door dit niet pas te behandelen nadat het minnelijk traject is afgerond.\n\nHet oordeel van het hof\n\n3.9.. Het hof zal de beslissing van de rechtbank om [de schuldenaar] niet-ontvankelijk te verklaren bekrachtigen en licht hierna toe hoe het tot dat oordeel komt.\n\n3.10.. Het hof stelt vast dat het toelatingsverzoek van [de schuldenaar] ook in hoger beroep nog niet compleet is doordat [de schuldenaar] niet alle informatie heeft verstrekt die is voorgeschreven in artikel 285 lid 1 Faillissementswet (Fw). Zo ontbreken in elk geval een gespecificeerde opgave van de inkomsten van [de schuldenaar] als zzp-er (artikel 285 lid 1 onder c Fw) en een gespecificeerde opgave van zijn vaste lasten (artikel 285 lid 1 onder d Fw). Overigens ontbreken ook zijn bankafschriften van de laatste drie maanden en de financiële informatie over de onderneming(en) van [de schuldenaar] in het licht van artikel 285 lid 1 onder i Fw.\n\n3.11.. Onder de ontbrekende gegevens valt ook een met redenen omklede verklaring dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen zoals opgenomen in artikel 285 lid 1 onder f Fw. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft [de schuldenaar] toegelicht dat hij zo’n groot mogelijk deel van zijn schulden wil aflossen. Om die reden wil hij een minnelijke regeling treffen waarbij zijn schuldeisers een groter deel van hun vordering vergoed krijgen dan zij bij toelating van [de schuldenaar] tot de wsnp zullen ontvangen, doordat hij langer dan 18 maanden zal sparen en aflossen. Zo’n minnelijke regeling zal gelet op de mededeling van de belastingdienst van 29 mei 2026 nog tenminste zes weken op zich laten wachten. Voor die tijd kan hij geen verklaring zoals bedoeld in artikel 285 lid 1 onder f Fw overleggen, aldus [de schuldenaar] .\n\n3.12.. \n [de schuldenaar] heeft verklaard dat hij met deze procedure wil bereiken dat hij voldoende tijd krijgt om een minnelijke regeling tot stand te brengen. Dat is de reden waarom hij om aanhouding van zijn wsnp-verzoek heeft gevraagd zodat hierop pas wordt beslist als duidelijk is dat er geen minnelijke regeling kan worden gerealiseerd.\n\n3.13.. Het hof ziet en begrijpt de goede intentie van [de schuldenaar] om zoveel mogelijk te willen aflossen. De oplossing die [de schuldenaar] voorstaat past echter niet in het systeem van de Faillissementswet. De behandeling van een faillissementsaanvraag, die met de meeste spoed moet plaatsvinden, wordt geschorst totdat (onherroepelijk) is beslist op een door de schuldenaar (tijdig) gedaan verzoek om toelating tot de wsnp (artikelen 3 en 3a Fw). Daarbij is het de verantwoordelijkheid van de schuldenaar om zijn verzoek te voorzien van de informatie vermeld in artikel 285 lid 1 Fw. Verstrekt de schuldenaar in (de bijlagen bij) zijn verzoekschrift niet al deze gegevens dan kan de rechter hem een termijn van ten hoogste een maand bieden om zijn verzoekschrift aan te vullen. Is het verzoek ook daarna niet compleet, dan wordt de schuldenaar niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om toelating tot de wsnp (artikel 287 lid 2 Fw). De wet voorziet niet in de mogelijkheid om de schuldenaar na het indienen van zijn wsnp-verzoek een termijn te gunnen voor het beproeven van een minnelijke regeling. Dit betekent dat wat [de schuldenaar] wil bereiken, te weten het aanhouden van de toelatingsprocedure, en daarmee dus ook de faillissementsprocedure, voor de periode die nodig is om duidelijkheid te verkrijgen over de haalbaarheid van de minnelijke regeling, niet kan worden bereikt in deze procedure.\n\n3.14.. Ook het bezwaar dat [de schuldenaar] aanvoert tegen het gebruik (en handhaving) van de faillissementsaanvraag door het pensioenfonds als middel om in de betalingsregeling een hoger percentage van haar vordering vergoed te krijgen, leidt niet tot een ander oordeel. Dit argument van misbruik van recht hoort thuis in de faillissementsprocedure waarin, anders dan in deze wsnp-procedure, ook het pensioenfonds de gelegenheid heeft op het verwijt van [de schuldenaar] te reageren.\n\n3.15.. Uit het voorgaande blijkt, en [de schuldenaar] erkent dat ook, dat [de schuldenaar] tot op heden niet alle gegevens zoals bedoeld in artikel 285 lid 1 Fw heeft verstrekt. [de schuldenaar] is daarom niet-ontvankelijk in zijn wsnp-verzoek. Een nadere motivering met betrekking tot de ontbrekende informatie is daarvoor, anders dan [de schuldenaar] aanvoert, niet vereist.\n\n4. De beslissing\n\nHet hof, recht doende in hoger beroep:\n\nbekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 17 april 2026.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. N.M. Brouwer, G.P. Oosterhoff en M.P.M. Hennekens en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:3739","2026-07-13T00:28:43.035Z",{"id":137,"ecli":138,"slug":139,"caseNumber":43,"courtId":108,"decisionDate":140,"fullText":141,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":142,"sourceTimestamp":80,"parsedAt":51,"updatedAt":143},"845","ECLI:NL:RBNNE:2026:2684","ecli-nl-rbnne-2026-2684","2026-06-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK Noord-Nederland\n\nTeam Insolventie\n\nZittingsplaats Groningen\n\nRekestnummer: NL:TZ:2609501:R-RK\n\nUitspraak van 8 juni 2026\n\nIn de zaak van\n\n [verzoeker],\n\ngeboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] ,\n\nwonende te [adres] ,\n\nverzoeker, hierna te noemen [verzoeker] ,\n\ntegen\n\nNijestee,\n\ngevestigd en kantoorhoudende te Groningen,\n\ngemachtigde: Flanderijn,\n\nhierna te noemen Nijestee,\n\ntot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 287b lid 1 Faillissementswet (Fw).\n\nSamenvatting\n\n [verzoeker] heeft verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\nDe rechtbank wijst het verzoek toe.\n\n1. De procedure1.1. \n\nDe procedure bestaat uit:\n\n- het verzoek voorlopige voorziening op grond van artikel 287b lid 1 van de Fw inclusief bijlagen, waaronder het ontruimingsvonnis van 17 maart 2026 en het exploot van waarin de ontruiming is aangezegd tegen 31 maart 2026, ingediend samen met een verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling;\n\n- het tussenvonnis van de rechtbank van 22 april 2026, waarbij de aangezegde ontruiming (voorlopig) is verboden onder de voorwaarde dat de lopende verplichtingen door [verzoeker] worden nagekomen;\n\n- de zitting van donderdag 28 mei 2026, waarbij aanwezig waren:\n\n- de heer [verzoeker] , voornoemd;\n\n- de heer [naam 1] , namens de Groningse Kredietbank;\n\n- mevrouw [naam 2] , namens Nijestee;\n\n- de heer [naam 3] , namens Nijestee.\n\n1.2. De uitspraak is bepaald op vandaag.\n\n2. Het verzoek\n\n2.1. \n [verzoeker] verzoekt de rechtbank om te verbieden over te gaan tot de tenuitvoerlegging van het ontruimingsvonnis van 17 maart 2026. [verzoeker] heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd dat hij probeert tot een minnelijke schuldregeling met zijn schuldeisers te komen.\n\n2.2. Uit het tussentijds verslag van de Groningse Kredietbank is gebleken dat de huur van mei 2026 tijdig en volledig is voldaan. Op de zitting is hieraan toegevoegd dat verzoeker inmiddels budgetbeheer heeft en dat er beschermingsbewind is aangevraagd.\n\n3. Het verweer\n\n3.1. Nijestee stelt zich op het standpunt dat het verzoek van [verzoeker] dient te worden afgewezen, omdat [verzoeker] overlast veroorzaakt. Daarnaast wil Nijestee de huurovereenkomst niet voortzetten vanwege dreigende taal door [verzoeker] richting medewerkers van Nijestee. Desgevraagd is namens Nijestee op de zitting bevestigd dat de huur sinds het tussenvonnis tijdig en volledig is betaald.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1. De rechtbank is van oordeel dat de gevraagde voorziening noodzakelijk en gerechtvaardigd is om [verzoeker] in staat te stellen in het minnelijk traject tot overeenstemming te komen met de schuldeisers over een minnelijke schuldregeling. Van een situatie waarbij op voorhand duidelijk is dat de kans dat een minnelijke schuldregeling, gelet op de aard en de omvang van de schulden, tot stand komt zo klein is dat een moratorium niet gerechtvaardigd is, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De rechtbank stelt weliswaar vast dat er een huurachterstand is ontstaan, maar constateert op basis van het verslag van de Groningse Kredietbank dat de huur tijdig en volledig is voldaan. Daarbij heeft [verzoeker] nu budgetbeheer en heeft hij beschermingsbewind aangevraagd, zodat betaling van de toekomstige huur lijkt te zijn gewaarborgd. De rechtbank merkt daarbij nog op dat de discussie of al dan niet sprake is van overlast door [verzoeker] in een andere procedure moet worden gevoerd.\n\n4.2. Door de toewijzing van het verzoek is Nijestee de komende zes maanden niet bevoegd om de door [verzoeker] gehuurde woning vanwege de huidige huurachterstand te ontruimen. Wel geldt de uitdrukkelijke voorwaarde dat de huur [verzoeker] de huur vanaf nu steeds tijdig en volledig voldoet. Als [verzoeker] hier niet aan voldoet, kan Nijestee de ontruiming opnieuw aanzeggen.\n\n4.3. Op het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling zal nu nog niet worden beslist. De mondelinge behandeling van dit verzoek zal plaatsvinden op een nader te bepalen datum en tijdstip.\n\n4.4. Als [verzoeker] tijdens de looptijd van dit moratorium een minnelijke schuldregeling met zijn schuldeisers tot stand brengt, moet hij dit uiterlijk vier weken voor het aflopen van de voorziening aan de rechtbank melden en daarbij het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling intrekken. Indien er geen minnelijke schuldregeling tot stand wordt gebracht en het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling vervolgens behandeling behoeft, dient dit ook uiterlijk vier weken voor het aflopen van de voorziening aan de rechtbank te worden gemeld.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n5.1. schorst de tenuitvoerlegging van het op 17 maart 2026 door de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland gewezen vonnis tot ontruiming van de woning aan het adres [adres] voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;\n\n5.2. \n\nbepaalt dat deze voorziening slechts geldt onder de voorwaarde dat de periodiek\n\nverschuldigde huurtermijnen tijdig en volledig zullen worden voldaan;\n\n5.3. bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van maximaal zes maanden met ingang van 22 april 2026;5.4. bepaalt dat de voorziening in elk geval vervalt op het moment dat het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt ingetrokken, dan wel dat een beslissing daarop in kracht van gewijsde is gegaan;5.5. bepaalt dat de Groningse Kredietbank, die namens [verzoeker] de buitengerechtelijke schuldregeling uitvoert, uiterlijk vier weken voor het aflopen van de voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b lid 6 Fw.\n\nDit is de beslissing van mr. M.C. Groenewegen, rechter, bijgestaan door de griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2684","2026-07-13T00:28:50.853Z",{"id":145,"ecli":146,"slug":147,"caseNumber":43,"courtId":148,"decisionDate":149,"fullText":150,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":151,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":51,"updatedAt":152},"1039","ECLI:NL:RBNNE:2026:2631","ecli-nl-rbnne-2026-2631",70,"2026-04-22T00:00:00.000Z","RECHTBANK Noord-Nederland\n\nAfdeling Privaatrecht\n\nLokatie Leeuwarden\n\nRekestnummer: NL:TZ:2609978:R-RK\n\nUitspraak van 22 april 2026\n\nIn de zaak van\n\n [verzoekster],\n\ngeboren op [geboortedatum] 1958 te [geboorteplaats],\n\nwonende te [adres],\n\nverzoekster, hierna te noemen [verzoekster],\n\ntegen\n\nIntrum Justitia, vertegenwoordigd door LAVG Gerechtsdeurwaarders, correspondentieadres: Postbus 774, 9700 AT Groningen\n\nen\n\nZiggo, vertegenwoordigd door LAVG Gerechtsdeurwaarders, correspondentieadres:\n\nPostbus 774, 9700 AT Groningen\n\nSamenvatting\n\n [verzoekster] heeft een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening.\n\nDe rechtbank wijst het verzoek toe.\n\n1. Het verzoek1.1. \n [verzoekster] heeft op 17 april 2026 bij de rechtbank een verzoek gedaan om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). Ook heeft [verzoekster] op 17 april 2026 een verzoek gedaan waarin zij de rechtbank vraagt een voorlopige voorziening te treffen.\n\n1.2. Deze voorziening houdt in dat de rechtbank de uitoefening van het door LAVG namens Intrum Justitia en Ziggo gelegde derdenbeslag op het inkomen van verzoekster zal schorsen voor de periode dat de rechtbank nog niet heeft beslist op het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.1.3. Op basis van de stukken is besloten het verzoek zonder zitting te behandelen\n\n1.4. De uitspraak is bepaald op vandaag.\n\n2. De beoordeling\n\n2.1. Positie [verzoekster]\n\n is alleenstaand en gepensioneerd en kampt met een schuldenlast van € 46.674,66. [verzoekster] ontvangt sinds 12 mei 2025 een AOW uitkering en pensioen. Verzoekster heeft aangegeven dat zij diverse medische problemen heeft, waaronder diabetes en hartproblemen en dat zij daarvoor bij diverse specialisten onder controle staat. De kosten van bijvoorbeeld een controle bij de cardioloog en de reiskosten (eigen bijdrage taxipas) kunnen door het beslag niet worden betaald. Dit geldt volgens verzoekster ook voor de gemeentelijke heffingen, waarvoor het verzoek om kwijtschelding is afgewezen door de gemeente omdat er geen rekening is gehouden met het loonbeslag. Het loonbeslag drukt zwaar op het budget.\n\n2.2. Positie Intrum Justitia en Ziggo\n\n Bij vonnis van 7 mei 2014 is [verzoekster] veroordeeld om aan Intrum Justitia\n\n € 6.40,65 (exclusief rente en (proces)kosten) te betalen. Bij vonnis van 24 juli 2012\n\n is [verzoekster] veroordeeld om aan Ziggo € 101,35 (exclusief rente en\n\n (proces)kosten) te betalen. Bij exploot van 4 december 2025 heeft LAVG het\n\n exploot betekend van het op 1 december 2025 door LAVG op verzoek van Ziggo en Intrum Justitia onder de Sociale Verzekeringsbank gelegde executoriaal derdenbeslag op de uitkering van verzoekster.\n\nHet vrij te laten bedrag vanaf 1 januari 2026 bedraagt € 1.654,53. Via loonbeslag wordt maandelijks € 577,15 ingehouden op de AOW uitkering. Hierdoor heeft verzoekster een besteedbaar inkomen van € 1.427,21 per maand. Dat is € 227,00 minder dan het vrij te laten bedrag.\n\n2.3. \n\nHet verzoek van [verzoekster] zal worden toegewezen omdat de rechtbank van\n\n oordeel is dat de gevraagde voorziening spoedeisend is. Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op het feit dat er door het beslag niet kan worden gereserveerd voor betaling van schuldeisers, alsmede dat er een situatie dreigt te ontstaan waarin niet alle vaste lasten kunnen worden voldaan en waarin (reis)kosten voor noodzakelijke medische afspraken niet betaald kunnen worden, sprake is van een bedreigende en spoedeisende situatie. [verzoekster] is bezig haar schulden te saneren. In dat kader mag van een schuldeiser verwacht worden dat hij een pas op de plaats maakt.\n\n2.4. Op het verzoek tot toelating tot de Wsnp zal op een later moment worden beslist.\n\n2.5. Dit leidt tot de volgende beslissing\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n3.1. bepaalt dat het op 1 december 2025 door LAVG namens Ziggo en Intrum Justitia onder de Sociale Verzekeringsbank gelegde beslag voor de duur van deze voorziening wordt opgeschort;\n\n3.2. bepaalt dat deze voorziening geldt totdat de uitspraak op het schuldsaneringsverzoek onherroepelijk is geworden of dit verzoek is ingetrokken;\n\n3.3. \n\nbepaalt dat de behandeling van het schuldsaneringsverzoek zal plaatsvinden op een\n\n nader te bepalen datum;\n\n3.4. verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit is de beslissing van mr. H.J. Idzenga, rechter, in samenwerking met L. Nijenhuis, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026 .\n\nHoger beroep\n\nTegen deze uitspraak kan verzoek(st)er en door de in de procedure verschenen belanghebbenden hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden bij het gerechtshof dat van de zaak kennis moet nemen, te rekenen van de dag van de uitspraak en door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2631","2026-07-13T00:29:00.720Z",13,20,[11]]