[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-direct-taxation-nl-2024":3},{"detail":4,"years":102},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":27,"page":14,"limit":101},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},47,"direct-taxation-nl","Direct Taxation","NL","2026-07-08T16:53:53.141Z",2024,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":15},4,{"month":23,"count":15},5,{"month":25,"count":15},6,{"month":27,"count":19},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":21},12,[39,52,59,66,75,85,92],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":50,"updatedAt":51},"1364","ECLI:NL:GHSHE:2024:4081","ecli-nl-ghshe-2024-4081","",72,"2024-12-18T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nMeervoudige Belastingkamer\n\nNummers: 22\u002F2285 tot en met 22\u002F2291\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende 2] ,\n\nwonend in [woonplaats] (de Kanaaleilanden), domicilie gekozen hebbend in [plaats 1] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 12 oktober 2022, nummers BRE 18\u002F6587 t\u002Fm BRE 18\u002F6591, BRE 18\u002F6593 en BRE 18\u002F6594 in het geding tussen belanghebbende en\n\nde inspecteur van de Belastingdienst,\n\nhierna: de inspecteur.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De inspecteur heeft aan belanghebbende informatiebeschikkingen zoals bedoeld in artikel 52a, lid 1, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) gegeven over de jaren 2008 tot en met 2014.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard.\n\n1.3.. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep met betrekking tot de informatiebeschikkingen voor de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 niet-ontvankelijk verklaard en heeft het beroep met betrekking tot de jaren 2010, 2013 en 2014 gegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.\n\n1.6.. De zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2024 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende, tot bijstand vergezeld van haar partner, en haar gemachtigde, [gemachtigde] , en, namens de inspecteur, [inspecteur] . Belanghebbende, haar partner en haar gemachtigde hebben aan de zitting deelgenomen door middel van een directe beeld- en geluidsverbinding via Microsoft Teams. Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaken en de zaken met nummers 22\u002F2292 t\u002Fm 22\u002F2297 en de zaken met nummers 22\u002F2298 t\u002Fm 22\u002F2305.\n\n1.7.. Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.\n\n1.8.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n1.9.. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst dan wel aan partijen wordt verzonden.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Belanghebbende en haar partner woonden tot eind september 2013 in [plaats 2] , Nederland. Vanaf 1 september 2013 hebben zij een woning gehuurd op [woonplaats] . Op 14 oktober 2013 hebben zij zich met hun twee kinderen uitgeschreven in Nederland en zich ingeschreven op [woonplaats] .\n\n2.2.. De partner heeft ook na september 2013 de woning te [plaats 2] in eigendom gehouden. De partner verhuurde deze woning van 1 november 2013 tot 31 oktober 2014 aan een derde. Gedurende de periode van 1 augustus 2015 tot en met 31 juli 2016 verhuurde de partner de woning te [plaats 2] aan de heer en mevrouw [persoon 2] (eveneens derden). In de beide huurcontracten is een diplomatenclausule opgenomen, welke inhoudt dat de partner verklaart dat hij de vorige bewoner van het woonhuis is en dat hij de woning, na afloop van de overeengekomen huurperiode, zelf weer zal betrekken.\n\n2.3.. De partner hield in de onderhavige jaren 5 van de 225 aandelen in het aandelenkapitaal van [B Ltd] . [B Ltd] hield via [C Ltd] , [E Ltd] en [F Ltd] , 100% van de aandelen in het aandelenkapitaal in [G Ltd] .\n\n2.4.. Belanghebbende en de partner voerden gezamenlijk de directie over [G Ltd] . De partner is in de jaren 2011 en 2012 twee leningen van ieder € 200.000 bij [G Ltd] aangegaan.\n\n2.5.. Belanghebbende was in de onderhavige jaren werkzaam als IT-consultant. Tot begin 2008 verrichtte belanghebbende haar werkzaamheden als IT-consultant zelfstandig en deed daarvoor jaarlijks aangifte IB\u002FPVV ter zake van haar in het betreffende jaar genoten winst uit onderneming.\n\n2.6.. Belanghebbende heeft haar IT-werkzaamheden tot en met het jaar 2012 verricht voor [bank] . Vanaf het jaar 2013 verrichtte zij haar werkzaamheden uitsluitend voor [H BV] . Voormelde werkzaamheden heeft zij verricht via tussenkomst van een bemiddelaar. Tot eind 2008 was dit [I] en daarna achtereenvolgens [J] en [K] .\n\n2.7.. Op 31 maart 2008 heeft belanghebbende een arbeidsovereenkomst gesloten met [G Ltd] . Vanaf dat moment heeft [G Ltd] klanten gefactureerd voor de door belanghebbende verrichte werkzaamheden. [G Ltd] is eind 2013 geliquideerd. Vanaf het jaar 2013 heeft belanghebbende voormelde werkzaamheden via [L Ltd] verricht. Belanghebbende en de partner houden gezamenlijk 100% van de aandelen in [L Ltd] .\n\n2.8.. Belanghebbende heeft voor de jaren 2008 tot en met 2014 aangiften IB\u002FPVV gedaan.\n\n2.9.. De inspecteur heeft bij brief van 5 april 2016 belanghebbende verzocht om informatie voor de behandeling van de aangiften IB\u002FPVV 2010 tot en met 2014. De brief luidt, voor zover van belang, als volgt:\n\n‘Voor de behandeling van uw aangifte inkomstenbelasting over de jaren 2010, 2011, 2012, 2013 en 2014 heb ik additionele informatie nodig. Middels deze brief wil ik u verzoeken mij onderstaand genoemde informatie toe te zenden.\n\n- Kopie samenlevingscontract of vergelijkbaar indien opgemaakt;\n\n- Overzicht van aandelenbelangen, inclusief aan- en verkochte belangen;\n\n- Opgave van de waardering van de door u, niet als aanmerkelijk belang gehouden, aandelen (inclusief een kopie van onderliggende stukken);\n\n- Overzicht van kapitaalstortingen en\u002Fof terugbetalingen in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzichten ontvangen dividenden, welke betrekking hebben op de periode 2010 tot en met 2014 (inclusief de datum van ontvangst en opgave op welke bankrekening);\n\n- Overzicht van ontvangen en\u002Fof toegezegde schenkingen in de periode 2010 tot en met 2014 (inclusief de datum van ontvangst en opgave op welke bankrekening);\n\n- Bent u in de periode 2010 tot en met 2014 -in welke vorm dan ook- betrokken bij een afgezonderd particulier vermogen? Zo ja, dan graag een toelichting op de betreffende APV's en uw betrokkenheid bij deze(n), alsmede kopieën van de onderliggende stukken);\n\n- Kopie directie- en managementovereenkomsten welke door u zijn afgesloten en\u002Fof welke van kracht waren over de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht ontvangen directie en\u002Fof managementvergoedingen welke betrekking hebben op door u uitgevoerde werkzaamheden in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Kopie van uw arbeidscontracten welke door u zijn aangegaan en\u002Fof welke van kracht waren in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht ontvangen inkomsten (voordelen) op basis van voornoemde arbeidscontracten, welke betrekking hebben op door u uitgevoerde werkzaamheden in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht van eventueel overige bezoldigde en onbezoldigde functies die u in de periode 2010 tot en met 2014 hebt bekleed;\n\n- Kopie verkoopcontracten welke zijn gesloten en\u002Fof van kracht waren in de periode 2010 tot en met 2014 welke door u zijn gesloten in een andere hoedanigheid dan als directeur, bestuurder en\u002Fof medewerker van een rechtspersoon;\n\n- Documentatie waaruit uw verhuizing naar [woonplaats] , alsmede het moment van uw verhuizing naar [woonplaats] blijkt;\n\n- Leningenovereenkomsten (ontvangen en verstrekte gelden) met verbonden entiteiten zoals werkgevers of deelnemingen, welke zijn afgesloten en\u002Fof van kracht waren in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Verloopstaten van de rekening-couranten en leningen (ontvangen en verstrekte gelden) over de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht binnenlandse- en buitenlandse rekeningen, inclusief PayPal-, bitcointaccounts en dergelijke op eigen naam gehouden in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht binnenlandse- en buitenlandse rekeningen, inclusief PayPal-, bitcointaccounts niet op eigen naam, waarover u wel kunt beschikken in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht binnenland en buitenlands onroerend goed (mede) op uw naam in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht van hypotheken en leningen (akten en jaaropgaves) welke zijn afgesloten of van kracht waren in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht credit-, debit en overige paycards waarover u kon beschikken in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht pensioenproducten, lijfrentes etc;\n\n- Verhuurcontracten van onroerend goed (mede) op uw naam in Nederland aangegaan of van kracht in de periode 2010 tot en met 2015;\n\n- Overzicht ontvangen huren in Nederland aangegaan of van kracht in de periode 2010 tot en met 2015:\n\n- Kopie van uw aangifte(n) inkomstenbelasting in [woonplaats] over de periode 2010 tot en met 2015.\n\nGraag ontvang ik bovenstaande informatie vóór 2 mei 2016. Ik verzoek u bovenstaande informatie ook te verstrekken indien u van mening zou zijn dat deze informatie niet relevant is voor de Nederlandse belastingheffing. Ik wil dan tevens verzoeken uw standpunt nader te onderbouwen.\n\nWellicht ten overvloede wil ik u erop wijzen dat ingevolge artikel 47, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) een ieder verplicht is desgevraagd aan de inspecteur de gegevens en inlichtingen te verschaffen en bescheiden over te leggen die voor de belastingheffing ten zijnen aanzien van belang kan zijn en de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing te zijnen aanzien, voor dit doel beschikbaar te stellen. Ingevolge artikel 49 van de AWR dient het verstrekken van de inlichtingen en gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te geschieden.’\n\n2.10.. Belanghebbende heeft bij brief van 17 mei 2016 op de onder 2.9 vermelde vragenbrief van de inspecteur, als volgt gereageerd:\n\n‘Hieronder vindt u puntsgewijs antwoord op uw verzoek om informatie for de aangifte inkomstenbelastingen 2010, 2011, 2012, 2013 & 2014. Het volgende is daarbij in beschouwing genomen.\n\nA. In de genoemde jaren heeft de heer [persoon 5] van het kantoor [kantoornaam] te [plaats 2] de jaarlijkse inkomstenbelasting aangiftes opgesteld en ingediend bij de belastingdienst.\n\nB. Aangenomen wordt dat u beschikking heeft over de jaaraangiftes, aanslagen & definitieve aanslagen.\n\nC. Vanaf 21\u002F10\u002F2013 is [belanghebbende] en kinderen ((…) & (…)) woonachtig in [woonplaats] (Channel Islands).\n\nD. De heer [persoon 5] heeft voor het jaar 2013 de eerste negen maanden (1\u002F1\u002F2013 - 30\u002F09\u002F2013) meegenomen in de aangifte inkomstenbelasting. De [woonplaats] accountant is de inkomsten vanaf 1\u002F10\u002F2013 gaan administreren.\n\nE. Gelet op C & D, is [belanghebbende] niet belastingplichtig in Nederland voor inkomen uit werk & woning vanaf 1\u002F10\u002F2013. i.v.m. onroerend goed in Nederland ( [adres 1] , [postcode] [plaats 2] ) is aangifte ingediend voor 2014 en zal aangifte plaatsvinden voor 2015.\n\nF. Derhalve is inkomens gegevens toegevoegd voor de jaren 2010, 2011, 2012 en tot 30\u002F09\u002F2013 voor 2013.\n\nPuntsgewijs antwoordt op uw verzoek om informatie\n\n1. Samenlevingscontract met de partner (…) d.d. 8\u002F11\u002F2002 [notarissen] te [plaats 3] . Zie kopie toegevoegd.\n\n2. Overzicht van aandelenbelangen. Niet van toepassing. Zie kopien toegevoegd van aandelen [B Ltd] voor de jaren 2010, 2011, 2012 & 2013.\n\n3. Opgave van waarderingen aanmerkelijk belang. Niet van toepassing geweest.\n\n4. Overzicht van kapitaalstortingen. Niet van toepassing geweest.\n\n5. Overzicht ontvangen dividenden. Niet van toepassing geweest.\n\n6. Overzicht van ontvangen en\u002Fof toegezegde schenkingen. Niet van toepassing geweest.\n\n7. Betrokkenheid APV's. Niet van toepassing geweest.\n\n8. Kopie directive-managementovereenkomsten. Niet van toepassing geweest.\n\n9. Overzicht ontvangen directive en\u002Fof managementvergoedingen. Niet van toepassing geweest.\n\n10. Kopie arbeidscontracten. Zie kopie toegevoegd.\n\n11. Overzicht ontvangen inkomsten o.b.v. arbeidscontracten.\n\na) 2010 - € 52.693\n\nb) 2011 - € 50.822\n\nc) 2012 - € 52.036\n\nd) 2013 - € 37.818\n\n12. Overzicht overige bezoldigde functies. Niet van toepassing geweest.\n\n13. Kopie verkoopcontracten. Niet van toepassing geweest.\n\n14. Documentatie waaruit verhuizing naar [woonplaats] blijkt.\n\na. Zie kopie inschrijving gezinsleden [woonplaats] social security department St Helier , [woonplaats] op 21\u002F10\u002F2013.\n\nb. Zie kopie inschrijving kinderen (…) [school] autumn term 4\u002F11\u002F2013.\n\nc. Zie kopie Child health registration States of [woonplaats] [kinderen] op 21\u002F10\u002F2013.\n\nd. Zie verhuizingsfactuur van [verhuisbedrijf] . Een deel van de inboedel is verhuisd naar het vakantie huis Frankrijk en in dezelfde rit is het grootste deel van de inboedel naar [adres 2] , [plaats 4] , [woonplaats] verhuisd. Uitvoeringsdatum van verhuizing is opgenomen op factuur (12\u002F9\u002F2013).\n\ne. Zie kopie uitschrijvingen gemeente [plaats 2] van alle gezinsleden op 14\u002F10\u002F2013.\n\nf. Zie kopie huur contract [adres 2] [plaats 4] , […] , [woonplaats] per 1\u002F9\u002F2013.\n\n15. Leningenovereenkomsten.\n\na. Leningen overeenkomst 1st December 2011, welke is gewijzigd op 10th October 2012. Zie kopien toegevoegd.\n\nb. Leningen overeenkomst 4 September 2012, welke is gewijzid op 10 October 2012. Zie kopien toegevoegd.\n\n16. Verloopstaten van rekening-couranten. Zie overzichten per jaar aan eind van deze brief.\n\n17. Overzicht binnenlandse- en buitenlandse rekeningen op eigen naam.\n\nRekening\n\nRekening nummer\n\nBankcards nummer\n\nING Betaalrekening [belanghebbende] Creditcard\n\n [rekeningnummer 1]\n\n [nummer]\n\nING Betaalrekening [de partner] en\u002Fof [belanghebbende]\n\n [rekeningnummer 2]\n\n?? Rekening is opgeheven in\n\n2013\n\nING Betaalrekening [belanghebbende]\n\n [rekeningnummer 3]\n\n?? Rekening is opgeheven in\n\n2013\n\nCotes-D'Armor Frankrijk [belanghebbende] en\u002Fof [de partner]\n\n [rekeningnummer 4]\n\nMomenteel is nieuwe pas\n\naangevraagd.\n\nING Beleggings Hypotheek\n\n [rekeningnummer 5]\n\nNVT\n\nWestland Utrecht Garantie Fonds\n\n [rekeningnummer 6]\n\nNVT\n\n18. Overzicht binnenlandse- en buitenlandse rekeningen niet op eigen naam.\n\nRekening\n\nRekening nummer\n\nBankcards nummer\n\nRabo rekening courant zonder krediet - [G Ltd] Credit card\n\n [rekeningnummer 7]\n\n?? opgeheven 2013\n\n?? Opgeheven 2013\n\nRabo bedrijfstelerekening - [G Ltd]\n\n [rekeningnummer 8]\n\nNVT\n\nRabo rekeningen bedrijfstelerekening - [F Ltd]\n\n [rekeningnummer 9]\n\nNVT\n\nRabo rekening courant - [F Ltd]\n\n [rekeningnummer 10]\n\n?? Opgeheven 2013\n\n19. Overzicht binnenland en buitenlands onroerend goed.\n\na. Zie kopie hypotheekakte voor huis [adres 1] , [postcode] [plaats 2] op naam van [belanghebbende], 19\u002F10\u002F2001.\n\nb. ING Beleggershypotheek: [Bel. hypotheek nummer 1] was voorheen [Bel. hypotheek nummer 2] . ING heeft nummers gewijzigd in 2012.\n\nc. ING Aflossingsvrije Hypotheek [Afl. hypotheeknummer 1] was voorheen [Afl. hypotheeknummer 2] . ING heeft nummers gewijzigd in 2012.\n\nd. ING Aflossingsvrije Hypotheek [Afl. hypotheeknummer 3] was voorheen [Afl. hypotheeknummer 4] . ING heeft nummers gewijzigd in 2012.\n\ne. Zie tevens leenovereenkomsten bij punt 15.\n\n20. Overzicht credit-, debit & overage paycards. Zie tabelen bij 17 & 18.\n\n21. Overzicht pensioen, lijfrentes etc;\n\nf. AEGON lijfrente (polisnummer: [polisnummer 1] )\n\ng. Nationale Nederlanden – pensioen beleggingsverzekering ( [werkgever] werkgever) (polis: [polisnummer 2] )\n\n22. Verhuurcontracten van onroerend.\n\nh. Huis [adres 1] , [postcode] [plaats 2] staat op naam [belanghebbende]\n\ni. Zie huurovereenkomst mevr. [persoon 1] periode 1\u002F11\u002F2013 – 1\u002F07\u002F2015 opgesteld door [makelaar] .\n\nj. Zie huurovereenkomst mevr. [persoon 2] periode 1\u002F8\u002F2015 – heden, opgesteld door [makelaar] .\n\n23. Overzicht ontvangen huren in Nederland periode 2010 t\u002Fm 2015.\n\nk. Huurcontract mevr. [persoon 1] - periode 1\u002F11\u002F2013 – 1\u002F07\u002F2015. Huur ontvangen 2013 – € 4.350, 2014 – €17.400, 2015 – €5.852. Schuld achterstand\u002Fvordering bestaat nog van €6.292 voor periode 2015 zoals bepaald door gerechtelijk uitspraak. Deurwaarder procedure loopt.\n\nI. Huurcontract [persoon 2] – periode 1\u002F8\u002F2015 – 31\u002F12\u002F2015. Huur ontvangen € 6.750\n\n24. Kopie van aangiften inkomstenbelasting in [woonplaats] 2010 – 2015.\n\nm. [belanghebbende] was niet belastingplichting in periode 01\u002F01\u002F2010 – 30\u002F09\u002F2013 in [woonplaats] maar in Nederland.\n\nn. Aangezien [belanghebbende] niet woonachtig is Nederland vanaf 01\u002F10\u002F2013 maar in [woonplaats] , zijn de inkomsten gegevens uit werk vanaf 01\u002F10\u002F2013 niet relevant voor de Nederlandse belastingdienst.’\n\n2.11.. De inspecteur heeft bij brief van 8 september 2016, voor zover van belang, als volgt gereageerd:\n\n‘Per brief van 5 april 2016 heb ik u informatie gevraagd over de door u ingediende aangiften\n\ninkomstenbelasting 2010, 2011, 2012, 2013 en 2014. U hebt hierop gereageerd per brief van 17 mei 2016. Naar aanleiding van deze brief en de informatie verkregen uit een boekenonderzoek bij de vennootschappen waar u tot datum liquidatie benoemd was als directeur, vraag ik uw aandacht voor het volgende.\n\nIn mijn brief van 5 april 2016 heb ik u gevraagd om kopieën te verstrekken van de ingediende aangiften inkomstenbelasting in [woonplaats] . In uw brief van 17 mei reageert u op mijn verzoek als volgt:\n\n\"Aangezien [belanghebbende] niet woonachtig is Nederland vanaf 01\u002F10\u002F2013 maar in [woonplaats] , zijn de inkomsten gegevens uit werk vanaf 01\u002F10\u002F2013 niet relevant voor de Nederlandse belastingdienst.\"\n\nIn deze brief wil ik nader in gaan op het Nederlandse heffingsbelang ten aanzien van de periode vanaf 1 oktober 2013 en u om aanvullende inlichtingen en bescheiden verzoeken.\n\nHet Nederlandse heffingsbelang\n\nTheoretisch kader – heffingsbelang\n\nEr bestaat een wettelijke grondslag voor de opvraag van de informatie, welke (onder andere) is neergelegd artikel 47 Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). De grondslag van de verplichting tot overlegging van informatie ex artikel 47 AWR zal ik in dit onderdeel nader onderbouwen.\n\nIn artikel 47 AWR is onder andere het volgende bepaald:\n\n'Ieder is gehouden desgevraagd aan de inspecteur.\n\na. de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn\n\nb. de boeken en bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan - zulks ter keuze van de inspecteur - waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing te zijnen aanzien, voor dit doel beschikbaar te stellen'\n\nIn HR 18 april 2003, nr. 38 122, BNB 2003\u002F268, ECLI:NL:HR:2003:AF7498 is in r.o. 3.3. het navolgende opgenomen:\n\n3.3.. Het middel faalt ook voorzover daarin wordt betoogd dat belanghebbende niet verplicht was te antwoorden omdat hij nu eenmaal niet beschikte over een vaste inrichting of een vaste vertegenwoordiger hier te lande. Voor het bestaan van die verplichting was voldoende dat de Inspecteur zich — zoals het Hof heeft geoordeeld — op basis van de hem ter beschikking staande informatie in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat de gevraagde gegevens en inlichtingen van belang zouden kunnen zijn, omdat die opheldering zouden kunnen geven over de vraag of belanghebbende een vaste inrichting of een vaste vertegenwoordiger hier te lande had.\n\nUit het arrest van de Hoge Raad kan worden afgeleid, dat de informatie verstrekt moet worden door belastingplichtige als de inspecteur op basis van de hem ter beschikking staande gegevens in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen, dat de gevraagde inlichtingen en gegevens van belang zouden kunnen zijn voor de belastingheffing van belanghebbende. Voor de aanwezigheid van een belang in vorengenoemde zin is slechts vereist dat het gevraagde op zichzelf beschouwd van belang kan zijn voor de belastingheffing (Hoge Raad 8 januari 1986, nr. 23 034, BNB 1986\u002F126 alsmede HR 18 april 2003, nr. 38 122, BNB 20031268).\n\nDe inspecteur hoeft niet aan te tonen dat het gevraagde van belang is. Het inwinnen van informatie met een beroep op artikel 47 AWR is onder andere mogelijk indien de inspecteur zich een oordeel wilt vormen over de mogelijke belastingplicht van een (rechts)persoon. Dit oordeel kan betrekking hebben op zowel de objectieve als de subjectieve belastingplicht.[1]\n\nDe inspecteur moet wel over feitenmateriaal beschikken op grond waarvan hij in redelijkheid kan vermoeden dat mogelijk sprake is van belastingplicht.[2] Deze aanwijzingen mogen beperkt zijn, maar niet dusdanig beperkt dat het verder vragen van informatie een 'fishing expedition' wordt.[3] De inspecteur behoeft echter niet te bewijzen of belanghebbende daadwerkelijk inwoner is\u002Fwas van Nederland. Anders gezegd: niet van belang is dat de belastingplicht wordt aangetoond door de inspecteur. De opgevraagde gegevens zouden van belang kunnen zijn, omdat die opheldering zouden kunnen geven over de subjectieve en\u002Fof objectieve belastingplicht van belanghebbende in Nederland. Op de inspecteur rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat hij met zijn informatieverzoek niet de grenzen der redelijkheid heeft overschreden.\n\nVorenstaand kader is onlangs bevestigd in HR 18 december 2015, nr. 15\u002F00040 ECLI:NL:HR:2015:3603. Met name wordt in dit verband gewezen op no. 2.4.3.:\n\n2.4.3.. Het Hof heeft bij zijn beoordeling van het geschil in onderdeel 4.2 van zijn uitspraak terecht als uitgangspunt genomen het arrest BNB 2003\u002F268. Evenwel heeft het Hof in onderdeel 4.5, na te hebben geoordeeld dat op zijn minst twijfels bestaan over het antwoord op de vraag of de werkelijke leiding van belanghebbende bij het statutaire bestuur berustte, overwogen dat het erom gaat dat de Inspecteur een begin van bewijs levert op grond waarvan een vermoeden bestaat dat de werkelijke leiding in Nederland ligt. Vervolgens heeft het in onderdeel 4.6 van zijn uitspraak geoordeeld dat het in de stukken van het geding waarop de Inspecteur zich beroept ter staving van zijn vermoeden nog geen begin van bewijs heeft gezien dat de feitelijke leiding mogelijk aanwezig is in Nederland. Hetgeen het Hof in onderdeel 4.5 van zijn uitspraak heeft overwogen strookt niet met het in onderdeel 4.2 ervan verwoorde uitgangspunt, aangezien het in dat onderdeel 4.5 overwogene een verdergaande eis aan het door de Inspecteur te leveren bewijs behelst dan uit het in onderdeel 4.2 neergelegde uitgangspunt voortvloeit. Doordat onderdeel 4.5 van zijn uitspraak in dit opzicht niet overeenstemt met onderdeel 4.2 ervan kan uit 's Hofs uitspraak niet worden opgemaakt of het Hof een juiste rechtsopvatting ten grondslag heeft gelegd aan zijn oordeel in onderdeel 4.6 van zijn uitspraak. In het bijzonder kan uit 's Hofs uitspraak niet worden opgemaakt wat het Hof van de Inspecteur heeft verlangd voor het voeden van de veronderstelling dat belanghebbende belastingplichtig is in Nederland. Derhalve heeft het Hof onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang. Het middel slaagt in zoverre.\n\nTheoretisch kader toegepast op uw situatie.\n\nUit het arrest van de Hoge Raad van 18 december 2015 kan worden afgeleid, dat de informatie verstrekt moet worden door belastingplichtige als de inspecteur op basis van de hem ter beschikking staande gegevens in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen, dat de gevraagde inlichtingen en gegevens van belang zouden kunnen zijn voor de belastingheffing van belanghebbende.\n\nOp grond van de navolgende gegevens ben ik van mening dat ik aan u informatie kan op vragen op grond van artikel 47 AWR.\n\nIn artikel 10 lid 1 van de Wet op de loonbelasting is het volgende opgenomen:\n\n‘Loon is al hetgeen uit een dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking wordt genoten, daaronder mede begrepen hetgeen wordt vergoed of verstrekt in het kader van de dienstbetrekking.’\n\nAlle voordelen uit dienstbetrekking behoren tot het loon. Het voordeel behoeft daarbij niet steeds het resultaat van verrichte arbeid te zijn. De basis is de rechtsverhouding die als dienstbetrekking wordt aangemerkt. De ontvangen beloning moet gekoppeld kunnen worden aan de dienstbetrekking als bron van die beloning. Er is sprake van loon als het genoten voordeel, rekening houdend met de maatschappelijke opvattingen, geacht kan worden zakelijk aan de dienstbetrekking te kunnen worden toegerekend.\n\nMogelijk hebt u na liquidatie de van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen, voordelen ontvangen die, voortkomen uit de (voormalig) dienstbetrekking.\n\nIk ben van mening dat ik mij op het standpunt kan stellen dat er sprake is van een (mogelijk)\n\nNederlands heffingsbelang.\n\nVerzoek om informatie\n\nIk wil u verzoeken alle vragen zo uitgebreid mogelijk te beantwoorden en de antwoorden te voorzien van alle onderliggende communicatie. Daarmee bedoel ik (maar niet uitsluitend) agenda-items, telefoonnotities, emailverkeer, sms, notities, overeenkomsten, faxen, facturen en dergelijke.\n\n1. Kopie aangifte inkomstenbelasting 2013, 2014 en 2015 [woonplaats] .\n\n2. Kopie aanslagen inkomstenbelasting door u werden betaald in [woonplaats] .\n\n3 Kopie van opdrachtbevestigingen en contracten (eind)opdrachtgevers over de periode 2008 (eenmanszaak).\n\n3. Kopie bankrekening-mutaties van alle door u gehouden buitenlandse bankrekeningen 2013, 2014 en 2015 (van belang in verband met mogelijke betalingen welke verband houden met [E Ltd] en voortkomen uit het dienstverband met [F Ltd] ).\n\n4. Kopieën van mutaties op uw American Expresskaart 2011 tot en met 2015.\n\n5. Een overzicht van alle voordelen welke u direct of indirect hebt verkregen uit [F Ltd] tussen 19 maart 2008 en heden. Behoudens uw direct verloonde salaris.\n\n6. Overzicht van alle toezeggingen die u hebt verkregen van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen.\n\n7. Kopieën van alle communicatie vanuit privé met [E Ltd] (Cyprus) en vice versa.\n\n8. Kopieën van alle onderliggende stukken betreffende de inbreng van alle werkcontracten in [G Ltd] .\n\n9. Opgave van alle voordelen die u hebt genoten na aanleiding van liquidatie van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen met kopieën van alle onderliggende stukken.\n\n10. Kopie notariële akten betreffende de lening(en) verkregen van [E Ltd] en\u002Fof deelnemingen in Nederland ten behoeve van onroerend goed.\n\n11. Hebt u in de periode 2008 tot en met heden een schenking ontvangen van [E Ltd] en\u002Fof haar bovenliggende moedermaatschappijen en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen? Zo ja graag kopieën van alle onderliggende stukken en stortingsbewijs.\n\nAanmerkelijk belang\n\nIn hoofdstuk 4 van de Wet Inkomstenbelasting 2001 is een regeling opgenomen voor een\n\naandeelhouder met een 'aanmerkelijk belang' in een vennootschap. Op grond van deze wetgeving valt het inkomen dat een 'ab-houder' geniet uit zijn aanmerkelijk belang in box 2. Het belastingtarief van box 2 is 25%. In box 2 worden reguliere voordelen zoals dividend en andere winstuitkeringen belast maar ook vervreemdingsvoordelen.\n\nU hebt o.a. een aanmerkelijk belang als u, eventueel samen met uw fiscale partner, direct of indirect minimaal 5% had van:\n\nde aandelen (ook per soort) in een binnen- of buitenlandse vennootschap de winstbewijzen van een binnen- of buitenlandse vennootschap\n\nde genotsrechten (ook per soort) van de aandelen in een binnen- of buitenlandse vennootschap\n\nde genotsrechten (ook per soort) van de winstbewijzen in een binnen- of buitenlandse vennootschap.\n\nVraag:\n\nBent u en\u002Fof uw partner (…) op enig wijze de Ultimate Beneficiary Owner(s)\n\n(geweest) van [G Ltd] tussen 19 maart 2008 en opheffingsdatum. Graag met overzicht van de periode(n) waarin u de UBO bent geweest, alsmede de wijze waarop u UBO bent geweest.\n\nInformatie verplichting\n\nGewezen wordt op de toepassing van artikel 47, lid 1, onderdeel a en b van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR). Op grond van dit artikel bent u verplicht de gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken. In artikel 49 AWR is bepaald dat deze gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud moeten worden verstrekt op de aangegeven wijze en binnen een door de inspecteur te stellen termijn.\n\nIndien u de gevraagde gegevens en inlichtingen, onjuist of onvolledig verstrekt pleegt u een strafbaar feit als omschreven in artikel 68 en 69 AWR.\n\n[1] Rechtbank Gelderland 4 juni 2013, nr. AWB 12\u002F4041, LJN CA1899. ECLI:NL:RBGEL:2013:CA1899.\n\n[2] Hoge Raad 18 april 2003, nr. 38122, LJN AF7498, BNB 2003\u002F268, Hoge Raad 28 mei 1986, nr. 23784, LJN AW8017, BNB 1986\u002F238, Hoge Raad 8 januari 1986, nr. 23034, LJN AW8125, BNB 1986\u002F128.\n\n[3] Hof ’s-Hertogenbosch 28 november 2014, nr. 14-00447.’\n\n2.12.. Belanghebbende heeft bij brief van 27 september 2016 op de onder 2.11 vermelde brief, voor zover van belang, als volgt gereageerd:\n\nA. U geeft aan op pagina 3: \"Mogelijk hebt u na liquidatie de van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen, voordelen ontvangen die, voortkomen uit de (voormalig) dienstbetrekking.\n\n1. Ik heb begrepen dat [E Ltd] is opgeheven na 30\u002F9\u002F2013. Derhalve is uw standpunt niet relevant, gelet op het feit dat ik niet meer in Nederland woon (niet binnenlands belastingplichtig) per 1\u002F10\u002F2013.\n\n2. In uw brief heb ik niet kunnen achterhalen op basis van welk informatie u tot uw standpunt komt. Hierdoor geeft u mij geen mogelijkheid (bewust of onbewust) om u standpunt op gerichte wijze te weerleggen voorafgaand aan u verzoek te moeten voldoen om zeer persoonlijke gegevens te verstrekken over de periode dat ik niet in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig). Dit is mijn inziens onredelijk.\n\n3. U vraagt specifieke informatie (zie vraag 6) in dezelfde brief waarin u al een standpunt daarover heeft geformuleerd en waarbij u tevens geen aannamelijke onderbouwing geeft bij u ingenomen standpunt. Dit zou kunnen betekenen dat u weinig of geen aannamelijk onderbouwing heeft voor u ingenomen standpunt. Dit zou derhalve mijn inziens onredelijk zijn mede gelet op de zeer persoonlijke informatie (privacy) die u daarbij opvraagt (bijv. vraag 3 - alle bankrekening mutaties na 30\u002F9\u002F2013) over de periode dat ik niet meer in Nederland woonachtig ben.\n\n4. Gelet B. 1., B2. & B3., ben ik derhalve (principieel) van mening dat ik u geen informatie hoef te verstrekken m.b.t. de periode na 30\u002F9\u002F2013 voor standpund A. Hierdoor ben ik van oordeel dat u op een 'fishing expedition' uit bent m.b.t dit standpunt.\n\nB. Ik verzoek ik u in verdere correspondentie:\n\n1. Specifieker aan te geven waarom u vragen stelt over [G Ltd] en [F Ltd] (zie bijv. 3,4, 8, etc) in een brief die als doel heeft mijn aangifte inkomstenbelasting (prive persoon) te behandelen. Dit is (bewust of onbewust) onduidelijk en onzorgvuldig in u brief.\n\n2. Gelet op Bl., zou (bewust of onbewust) de indruk door u gewekt kunnen worden dat het boekenonderzoek van [F Ltd] integraal en\u002Fof vermengd kan worden met mijn aangifte inkomstenbelasting. Dit is (bewust of onbewust) onduidelijk en onzorgvuldig in u brief.\n\n3. Specifieker aan te geven waarom u bij sommige vragen (bijv. 3,4) informatie aanvraagt voorafgaand of na de periode waarover u de aangiften inkomstenbelasting in beschouwing neemt (2010 t\u002Fm 2014). Dit is (bewust of onbewust) onduidelijk en onzorgvuldig in u brief.\n\n4. Ik heb op de website van de belastingdienst vernomen \"U kunt een navorderingsaanslag krijgen binnen 5 jaar na het einde van het belastingtijdvak waarin uw belastingschuld is ontstaan (meestal het kalenderjaar).\"U heeft niet aangegeven in uw brieven waarom u m.b.t. de aangifte inkomstenbelasting het jaar 2010 in beschouwing neemt. Dit is (bewust of onbewust) onduidelijk en onzorgvuldig in u brieven.\n\n5. De rechtelijke uitspraken die u noemt verwijzen naar teksten welke vervolgens niet zijn opgenomen in uw brief. Dit maakt het kunnen beoordelen of het aan gedragen theoretisch kader uberhoudt relevant is (bewust of onbewust) erg moeilijk en tevens de indruk wekt dat alleen die teksten zijn opgenomen welk uw standpunt onderbouwd. Dit is (bewust of onbewust) onduidelijk en onzorgvuldig in u brief. Derhalve wordt verzocht alle relevante teksten op te nemen in uw toekomstige brieven. Ik zou het opprijs stellen als u dit alsnog zou kunnen doen m.b.t. uw brief van 8 september 2016.\n\n6. Een kopie mee te sturen van alle volledige rechterlijke uitspraken (BNB's) welk door u genoemd worden in uw brief en u toekomstige brieven als onderbouwing van uw standpunten. Dit gelet op het feit dat ik niet over een juridische bibliotheek bezit er derhalve niet kan beoordelen of de (volledige) rechterlijke uitspraken die u aandraagt daadwerklijk van toepassing kunnen zijn op u standpunt. Dit is mijn inziens onredelijk. Ik zou het opprijs stellen als u dit alsnog zou kunnen doen m.b.t. uw brief van 8 september 2016.\n\n7. Op pagina 4 geeft u aan \"!k wil u verzoeken all vragen zo uitgebreid mogelijk te beantwoorden en de antwoorden te voorzien van alle onderliggende communicatie. Daarmee bedoel ik (maar niet uitsluitend) agenda-items, telefoonnoties, emailverkeer, sms, notities, overeenkomsten, faxen, facturen en dergelijk.\"Gelet op het feit dat u for beide standpunten (A. & B.) geen concrete of aannamelijke onderbouwing aandraagt (zie o.a. A3, A4, B2 & B3) zou u verzoek om zo uitgebreid mogelijk te beantwoorden (bewust of onbewust) als het ware tot een sleepnet actie kunnen leiden. Indien uw standpunten (aannemelijk) onderbouwd werden, zou ik alleen die informatie hoeven aan te dragen welk specifiek en relevant zijn om u standpunten te weerleggen. U verzoek is derhalve mijn inziens onredelijk mede gelet op de zeer persoonlijke informatie (privacy) die u daarbij opvraagt (bijv. vraag 6 – alle bankrekening mutaties na 30\u002F9\u002F2013) over de periode dat ik niet meer in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig) alsmede de onduidelijke relevantie van een aantal van uw vragen (zie bijvoorbeeld B1, B2, B3, B4).\n\n8. Gelet op B1 t\u002Fm B7 leidt mij verder te beoordelen dat u op een fishing expedition uit bent m.b.t u standpunt genoemd in A.\n\nC. Gelet op punt A. 4. & B.8, zijn al u vragen in uw brief van 8 september 2016 en uw vorige brieven beantwoordt welke relevant zijn tot de periode 30\u002F9\u002F2013.\n\nDe vragen zoals door u gesteld, zijn hier beneden beantwoordt waarbij de hierboven beschreven punten (A, B & C) in rekening zijn genomen.\n\nZoals uit mijn vorige brieven en deze brief blijkt, wens ik mee te werken met uw aangiften inkomstenbelasting onderzoek.\n\n(…)\n\n1. Kopie aangifte inkomstenbelasting 2013, 2014 & 2015 [woonplaats] .\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt C. hierboven.\n\n• Niet relevant zie B3 hierboven\n\n• Voor periode 1\u002F1\u002F2011- 30\u002F9\u002F2013 is informatie al eerder aangeleverd.\n\n2. Kopie aanslagen inkomstenbelasting betaald in [woonplaats] .\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt C. hierboven.\n\n• Niet relevant zie B3 hierboven\n\n3. Overzicht opdrachtgevers na emigratie.\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt C. hierboven.\n\n• Niet relevant zie B3 hierboven\n\n4. Kopieen mutaties American Expresskaart 2011- 2015.\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt C. hierboven.\n\n• Niet relevant zie B1 t\u002Fm B4,\n\n5. Overzicht van alle voordelen verkregen uit [F Ltd] .\n\nBehoudens direct salaris tussen 19 maart 2008 en heden.\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt C. hierboven.\n\n• Niet relevant zie B3 & B4 hierboven.\n\n• Geen voor periode 1\u002F1\u002F2011 tot 30\u002F9\u002F2013.\n\n6. Overzicht van alle toezeggingen [E Ltd] .\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt C. hierboven.\n\n• Niet relevant zie B3& B4 hierboven.\n\n• Geen voor periode 1\u002F1\u002F2011 tot 30\u002F9\u002F2013.\n\n7. Kopieen van alle communicatie vanuit prive met [E Ltd] .\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt C. hierboven.\n\n• Niet relevant zie B5 & B6 hierboven.\n\n• Geen voor periode 1\u002F1\u002F2011 tot 30\u002F9\u002F2013\n\n8. Kopieen stukken betreffende de inbreng van alle werkcontracten.\n\n• Niet relevant zie B1 t\u002Fm B4\n\n9. Opgave van alle voordelen die u hebt genoten n.a.v. liquidatie [E Ltd] of Nederlandse deelnemingen.\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt C. hierboven.\n\n10. Kopie notariele akten leningen van [E] .\n\n• Er bestaan geen notariele akten.\n\n11. Hebt u in de periode 2008 tot op heden schenkingen ontvangen van [E Ltd]\n\n of bovenliggende moedermaatschappijen?\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt C. hierboven.\n\n• Nee.\n\n12. Bent u en\u002Fof partner ultimate beneficiary owner geweest van [G Ltd] tussen 19 maart 2008 en opheffing.\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt C. hierboven\n\n• Nee’\n\n2.13.. De inspecteur heeft bij brief van 13 oktober 2016, voor zover van belang, als volgt gereageerd:\n\n‘A. In mijn brief van 8 september 2016 heb ik aangegeven dat het mogelijk is dat u na liquidatie van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen, voordelen heeft ontvangen die voortkomen uit de (voormalig) dienstbetrekking. U reageert daar als volgt op.\n\n1. \"Ik heb begrepen dat [E Ltd] is opgeheven na 30\u002F9\u002F2013.\n\nDerhalve is uw standpunt niet relevant, gelet op het feit dat ik niet meer in Nederland woon (niet binnenlands belastingplichtig) per 1\u002F10\u002F2013.\"\n\nIk wil u erop attenderen dat ook voordelen uit een voormalige dienstbetrekking eveneens leiden tot fiscaal belast inkomen. Het opheffen van een entiteit leidt niet automatisch tot beëindiging van voordelen voorkomend uit (een dienstbetrekking bij) deze entiteit.\n\n2. \"In uw brief heb ik niet kunnen achterhalen op basis van welk informatie u tot uw\n\nstandpunt komt. Hierdoor geeft u mij geen mogelijkheid (bewust of onbewust) om u standpunt op gerichte wijze te weerleggen voorafgaand aan u verzoek te moeten voldoe om zeer persoonlijke gegevens te verstrekken over de periode dat ik niet in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig). Dit is mijn inziens onredelijk.\"\n\n3. \"U vraagt specifieke informatie (zie vraag 6) in dezelfde brief waarin u al een standpunt daarover heeft geformuleerd en waarbij u tevens geen aannemelijke onderbouwing geeft bij u ingenomen standpunt. Dit zou kunnen betekenen dat u weinig of geen aannemelijk onderbouwing heeft voor u ingenomen standpunt. Dit zou derhalve mijn inziens onredelijk zijn mede gelet op de zeer persoonlijke informatie (privacy) die u daarbij opvraagt (bijv. vraag 3- alle bankrekening mutaties na 3019\u002F2013) over de periode dat ik niet meer in Nederland woonachtig ben.\"\n\n4. “Gelet B. 1., B2. & B3., ben ik derhalve (principieel) van mening dat ik u geen informatie hoef te verstrekken m.b.t. de periode na 30\u002F9\u002F2013 voor standpund A. Hierdoor ben ik van oordeel dat u op een 'fishing expedition' uit bent m.b.t dit standpunt.\"\n\nIk merk op dat op basis van artikel 47 AWR u gehouden bent desgevraagd aan de inspecteur de gegevens en inlichten te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn. De onderbouwing van het mogelijk fiscaal belang heb ik reeds in mijn brief van 8 september 2016 aan u medegedeeld. Ik verwijs u dan ook naar mijn brief van 8 september 2016 en adviseer u, bij onduidelijkheid over uw juridische positie, advies in te winnen van een fiscaal adviseur.\n\nOnder B en C merk ik samengevat op, dat u stelt dat ik u onvoldoende informatie heb verstrekt om mijn standpunt te onderbouwen. Hierop herhaal ik dat ik het fiscaal belang in mijn brief van 8 september 2016 afdoende heb onderbouwd. De in mijn brief opgenomen jurisprudentie kunt u integraal op internet terugvinden onder de door mij opgenomen uitspraaknummers. Ik herhaal mijn advies dat u, bij onduidelijkheid over uw juridische positie, advies kan inwinnen bij een fiscaal adviseur.\n\nVoor de vragen die toezien op de periode van voor 2011, is het volgende van toepassing. De aandeelhouder van [F Ltd] Is een in Cyprus gevestigde entiteit. Indien de aandeelhouder u een beloning heeft verstrekt op basis van uw werkzaamheden voor [G Ltd] , dan is er mogelijk sprake van in het buitenland opgekomen inkomen, waarop de verlengde navorderingstermijn van 12 jaar van toepassing is.\n\nTen aanzien van de door mij in mijn brief van 8 september 2016 gestelde vragen, merk ik op dat u geen van de vragen heeft beantwoord, met uitzondering van vraag 10, 11 en 12 (ab vraag). Ik heb informatie ontvangen, welke tegenstrijdig is met de door u verstrekte antwoorden op vraag 12 (ab vraag).\n\nOm een lang correspondentietraject te voorkomen, roep ik u op voor een gesprek met u in persoon op het Belastingkantoor te Utrecht. Dit gesprek kan plaatsvinden op één van de navolgende datums:\n\n- 1 november 2016;\n\n- 3 november 2016;\n\n- 14 november 2016;\n\n- 15 november 2016; of\n\n- 17 november 2016.\n\nBij dit gesprek verzoek ik u om de navolgende informatie mee te nemen:\n\n1. Kopie aangifte inkomstenbelasting 2013, 2014 en 2015 [woonplaats] .\n\n2. Kopie aanslagen inkomstenbelasting door u werden betaald in [woonplaats] .\n\n3. Kopie bankrekening-mutaties van alle door u gehouden buitenlandse bankrekeningen 2013, 2014 en 2015 (van belang in verband met mogelijke betalingen welke verband houden met [E Ltd] en voortkomen uit het dienstverband met [F Ltd] ).\n\n4. Kopieën van mutaties op uw American Expresskaart 2011 tot en met 2015.\n\n5. Een overzicht van alle voordelen welke u direct of indirect hebt verkregen uit [F Ltd] tussen 19 maart 2008 en heden. Behoudens uw direct verloonde salaris.\n\n6. Overzicht van alle toezeggingen die u heeft verkregen van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen.\n\n7. Kopieën van alle communicatie vanuit prive met [E Ltd] (Cyprus) en vice versa.\n\n8. Kopieën van alle onderliggende stukken betreffende de inbreng van alle werkcontracten (bijvoorbeeld uw consultancy werkzaamheden voor de eindopdrachtgever ING ).\n\n9. Opgave van alle voordelen die u hebt genoten na aanleiding van liquidatie van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen met kopieën van alle onderliggende stukken.\n\n10. Deze vraag acht ik afdoende beantwoord.\n\n11. Hebt u in de periode 2008 tot en met heden een schenking ontvangen van [E Ltd] en\u002Fof haar bovenliggende moedermaatschappijen en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen? Zo ja graag kopieën van alle onderliggende stukken en stortingsbewijs.\n\n12. Bent u en\u002Fof uw partner (…) op enig wijze de Ultimate Beneficiary Owner(s) (geweest) van [G Ltd] tussen 19 maart 2008 en opheffingsdatum.\n\nGraag met overzicht van de periode(n) waarin u de UBO bent geweest, alsmede de wijze waarop u UBO bent geweest.\n\nInformatie verplichting\n\nGewezen wordt op de toepassing van artikel 47, lid 1, onderdeel a en b van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR). Op grond van dit artikel bent u verplicht de gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken. In artikel 49 AWR is bepaald dat deze gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud moeten worden verstrekt op de aangegeven wijze en binnen een door de inspecteur te stellen termijn.\n\nIndien u de gevraagde gegevens en inlichtingen, onjuist of onvolledig verstrekt pleegt u een strafbaar feit als omschreven in artikel 68 en 69 AWR.\n\nVerder wil ik u er graag op wijzen dat, indien u de gevraagde informatie niet (volledig) verstrekt, ik een informatiebeschikking ex art. 52a AWR op kan leggen.’\n\n2.14.. Belanghebbende heeft bij e-mail van 2 november 2016 de inspecteur om uitstel van vier weken verzocht voor het beantwoorden van de onder 2.13 vermelde brief.\n\n2.15.. De inspecteur heeft bij e-mail van 7 november 2016, voor zover van belang, als volgt gereageerd:\n\n“Helaas moet ik u berichten dat ik heb moeten constateren dat [de partner] en [belanghebbende] al geruime tijd niet aan hun informatieverplichting hebben voldaan. Ook de reactietermijn van mijn laatste brief, waarin ik [de partner] en [belanghebbende] heb opgeroepen voor een gesprek, is reeds ruimschoots verstreken zonder enige reactie van [de partner] en\u002Fof [belanghebbende].\n\nHoewel ik begrip heb voor uw behoefte om het dossier te kunnen bestuderen, ben ik van mening dat [de partner] en [belanghebbende] u dan hiervoor eerder de gelegenheid hadden moeten bieden. Dit risico komt mijns inziens voor rekening van [de partner] en [belanghebbende].\n\nGezien de reeds aan uw cliënten geboden termijnen, alsmede de gezien de aanslagtermijnen kan ik uw cliënten helaas geen uitstel meer verlenen.’\n\n2.16.. De inspecteur heeft met dagtekening 20 november 2016 de onderhavige informatiebeschikkingen gegeven. De inspecteur heeft de in de brief van 13 oktober 2016 vermelde vragen in de informatiebeschikkingen opgenomen (zie 2.13).\n\n2.17.. Op 14 maart 2017 heeft de inspecteur via de Central Liaison Office te Almelo ( CLO ) aan de bevoegde autoriteiten van [woonplaats] op de voet van artikel 4 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staten van [woonplaats] inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken(de Tax Information Exchange Agreement; hierna: TIEA) informatie gevraagd over belanghebbende, de partner en [L Ltd] . In het verzoek is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:\n\n‘On 14 October 2013, [de partner] and [belanghebbende] officially emigrated to [woonplaats] . As a result of an income tax audit it was established that [de partner] and possibly [belanghebbende] incorporated [L Ltd] and [O Ltd] prior to the emigration.\n\nIn addition, information available to the Netherlands Tax and Customs Administration (NTCA ) shows that after 14 October 2013, [de partner] and [belanghebbende] received a structural income from activities for an (end) customer in the Netherlands. These activities were performed at the workplace of the (end) customer in the Netherlands at least until 14 October 2013. These activities may be subject to Dutch taxation.\n\nIt is not clear if [belanghebbende] and [de partner] declare the income from these activities in their income tax returns in [woonplaats] . Perhaps they perform these activities via one of their companies. In that case there may be a permanent establishment in the Netherlands or perhaps the fiscal residence of the company is actually the Netherlands.\n\nDuring the audit by the NTCA it emerged that [de partner] at least has\u002Fhad a bank account with HSBC Bank Plc.\n\nInformation requested\n\n(…)\n\n[Belanghebbende]\n\nTo gain insight into the assets and interests of [belanghebbende] in 2013, and to gain insight into the income that [belanghebbende] declared in [woonplaats] , I would like to receive the following information from you:\n\n1. Copies of income tax returns and income tax assessments of [belanghebbende] regarding the period 2013 - 2015.\n\n2. Overview regarding the period 2013 - 2016 of interests held by [belanghebbende] in companies with start date and end date of the interest held.’\n\n2.18.. Na verdere correspondentie gedurende 2018 heeft het CLO van de bevoegde autoriteiten van [woonplaats] op 7 januari 2019 de ‘income tax returns’ van belanghebbende voor de jaren 2013 tot en met 2015 ontvangen. Verder heeft het CLO van de bevoegde autoriteiten van [woonplaats] op 22 februari 2019 informatie ontvangen afkomstig van HSBC Bank Plc [woonplaats] Branch, PKF BBA Limited en het Companies Registry at the [woonplaats] Financial Services Commission.\n\n2.19.. Op 21 februari 2018 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden.\n\n2.20.. Op 19 juni 2020 respectievelijk 20 oktober 2020 heeft de inspecteur de navorderingsaanslagen opgelegd voor 2008, 2009, 2011 en 2012.\n\n2.21.. De rechtbank heeft het beroep met betrekking tot de informatiebeschikkingen voor de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 niet-ontvankelijk verklaard, het beroep met betrekking tot de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar met betrekking tot de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 vernietigd en de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 gewijzigd in die zin dat alleen de vragen 1 tot en met 9 in stand blijven. Voorts heeft de rechtbank belanghebbende tot vier weken na verzending van deze uitspraak in de gelegenheid gesteld alsnog de gevraagde informatie aan de inspecteur te verstrekken. De rechtbank heeft de inspecteur in de voor bezwaar en beroep gemaakte proceskosten aan de zijde van belanghebbende veroordeeld tot het bedrag van € 2.430 en heeft gelast dat de inspecteur aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de rechtbank betaalde griffierecht ten bedrage van € 46 vergoedt.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:\n\nIs belanghebbende terecht niet-ontvankelijk verklaard met betrekking tot haar beroep tegen de informatiebeschikkingen over de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012? Indien deze vraag ontkennend moet worden beantwoord (dat wil zeggen: belanghebbende is ontvankelijk met betrekking tot haar beroep tegen de informatiebeschikkingen over de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012), zijn deze informatiebeschikkingen dan terecht aan belanghebbende gegeven?\n\nStaat artikel 6 Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) toepassing van de artikelen 47 en 52a AWR voor de jaren 2010, 2013 en 2014 in de weg?\n\nZijn de bevoegdheden uit hoofde van artikelen 47 en 52a AWR territoriaal begrensd?\n\nHeeft de inspecteur de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 terecht aan belanghebbende gegeven?\n\nHeeft de inspecteur de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden?\n\nHeeft de inspecteur artikel 8 EVRM geschonden en\u002Fof de artikelen 5, 9 en 17 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (hierna: BUPO), dan wel enig ander internationaal voorschrift geschonden?\n\nHeeft de inspecteur de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 gegeven in strijd met de TIEA?\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van haar hoger beroep en vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot ontvankelijkverklaring van haar beroep voor de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012, tot vernietiging van alle ten aanzien van haar genomen informatiebeschikkingen, tot veroordeling van de inspecteur in de werkelijke kosten van het geding bij dit hof en tot vergoeding van schade. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n3.3.. De inspecteur heeft ter zitting bij het hof zijn standpunt met betrekking tot de ontvankelijkheid van het hoger beroep van belanghebbende uitdrukkelijk en zonder voorbehoud ingetrokken.\n\n4. Gronden\n\nTen aanzien van het geschil\n\na) Ontvankelijkheid beroep met betrekking tot jaren 2008, 2009, 2011 en 2012\n\n4.1.. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat het beroep van belanghebbende met betrekking tot de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 terecht door de rechtbank niet-ontvankelijk is verklaard wegens een gebrek aan belang. De informatiebeschikkingen zijn vanwege het opleggen van de navorderingsaanslagen van rechtswege komen te vervallen. Belanghebbende stelt dat het beroep tegen de informatiebeschikkingen ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank had de informatiebeschikkingen dienen te vernietigen.\n\n4.2.. Volgens vaste jurisprudentie moet een bezwaar, beroep of (incidenteel) hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard als de indiener van dat rechtsmiddel geen belang daarbij heeft. Daarvan is sprake als het aanwenden van het rechtsmiddel, ongeacht de gronden waarop het steunt, hem niet in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende (rechterlijke) beslissingen zoals die met betrekking tot proceskosten en griffierecht. Als het aangewende rechtsmiddel de indiener ervan wel in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit dan wel eventuele bijkomende beslissingen en voldaan is aan de overige ontvankelijkheidsvereisten, moet het rechtsmiddel ontvankelijk worden geacht, moeten de door de indiener aangevoerde gronden worden onderzocht en moet worden beoordeeld of het rechtsmiddel wel of niet gegrond is. \n\n4.3.. Artikel 52a, lid 3, AWR, bepaalt dat de informatiebeschikking van rechtswege vervalt indien de inspecteur een navorderingsaanslag oplegt voordat de met betrekking tot die belastingaanslag genomen informatiebeschikking onherroepelijk is geworden. Niet in geschil is dat over de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 navorderingsaanslagen IB\u002FPVV zijn opgelegd. Dit brengt mee dat de informatiebeschikkingen voor die jaren van rechtswege zijn vervallen.\n\n4.4.. Gelet op het vorengaande heeft de rechtbank het beroep van belanghebbende met betrekking tot de informatiebeschikkingen over de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het hoger beroep van belanghebbende voor deze jaren is derhalve ongegrond.\n\n4.5.. De eerste vraag beantwoordt het hof bevestigend. De onder a) gestelde vervolgvraag behoeft in dat geval geen beantwoording.\n\nVraag b. Is er sprake van schending van artikel 6 EVRM?\n\n4.6.. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat artikel 6 EVRM is geschonden en voert daartoe, samengevat, het volgende aan. Als de informatiebeschikkingen over de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 van rechtswege zouden vervallen, kan de rechtmatigheid ervan niet meer worden getoetst. Het vervallen van de informatiebeschikking is in dat geval in strijd met het recht op een eerlijk proces zoals dat in artikel 6 EVRM is neergelegd. Door het vervallen van de informatiebeschikkingen, wordt belanghebbende een eerlijk proces ontnomen. Belanghebbende stelt dat artikel 6 EVRM in dit geval in de weg staat aan toepassing van nationaal recht, te weten artikel 52a, lid 3, AWR, omdat belanghebbende daarmee een eerlijk proces wordt ontnomen.\n\n4.7.. Uit vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) volgt dat artikel 6 EVRM niet ziet op belastingzaken, met uitzondering van boetes.Nu aan belanghebbende geen boete (‘criminal charge’) is opgelegd, faalt belanghebbendes beroep op artikel 6 EVRM reeds daarom.\n\n4.8.. Vraag b moet ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag c) Zijn de bevoegdheden uit hoofde van artikelen 47 en 52a AWR territoriaal begrensd?\n\n4.9.. In artikel 1, lid 1 AWR is bepaald dat de bepalingen van deze wet gelden in Nederland bij de heffing van rijksbelastingen. Op grond van artikel 47, lid 1, AWR is een iedergehouden desgevraagd aan de inspecteur de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn. Op grond van het bepaalde in artikel 52a AWR kan de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking vaststellen dat niet of niet volledig aan de verplichtingen van artikel 47 is voldaan (informatiebeschikking). Bij een eventueel bezwaar tegen een belastingaanslag wordt deze op grond van artikel 25, lid 3, AWR gehandhaafd als de daarop betrekking hebbende informatiebeschikking onherroepelijk is geworden, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de aanslag onjuist is. Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing in beroep en hoger beroep (artikel 27e AWR en artikel 27h AWR).\n\n4.10.. De informatieverplichting van artikel 47 AWR richt zich ook tot die gevallen waarin de informatie opheldering zouden kunnen geven over de vraag of een persoon in Nederland belastingplichtig is. De Hoge Raad oordeelde in dit kader als volgt:\n\n‘Bij de beoordeling van het middel wordt het volgende vooropgesteld. Voor het antwoord op de vraag of voor belanghebbende op grond van artikel 47 AWR een verplichting bestaat om aan de inspecteur desgevraagd gegevens en inlichtingen te verstrekken en\u002Fof boeken, bescheiden en andere gegevensdragers beschikbaar te stellen, is voldoende dat de inspecteur zich, gelet op de hem ter beschikking staande gegevens, in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de door hem gevraagde gegevens, inlichtingen, boeken, bescheiden en\u002Fof andere gegevensdragers van belang kunnen zijn om opheldering te krijgen over de vraag of belanghebbende in Nederland belastingplichtig is (vgl. het arrest BNB 2003\u002F268).’\n\n4.11.. Uit bovenstaande volgt dat de inspecteur voor een geval als het onderhavige gegevens en inlichtingen mag vragen die van belang kunnen zijn voor het antwoord op de vraag of en in hoeverre belanghebbende in Nederland belastingplichtig is. Voor het bestaan van een verplichting voor belanghebbende ingevolge artikel 47 van de AWR is voldoende dat de inspecteur zich op basis van de hem ter beschikking staande informatie in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de gevraagde gegevens en inlichtingen van belang zouden kunnen zijn, omdat die opheldering zouden kunnen geven over de vraag of belanghebbende in Nederland belastingplichtig is. De tekst van de artikelen 47 en 52a AWR noopt niet tot de conclusie dat deze artikelen zich niet uitstrekken tot (vermeend) buiten Nederland woonachtige of gevestigde (natuurlijke) personen. Ook uit de tekst van lid 1 van artikel 1 AWR kan niet worden afgeleid dat de bevoegdheid van de inspecteur om een mogelijke belastingplicht in Nederland voor rijksbelastingen te onderzoeken zich niet zou uitstrekken tot (vermeend) buiten Nederland woonachtige of gevestigde (natuurlijke) personen. Verdere steun hiervoor kan worden ontleend aan de parlementaire geschiedenis bij de totstandkoming van artikel 52a AWR:\n\n‘Voorts vragen de leden van de VVD-fractie of de indieners van het wetsvoorstel en de regering kunnen aangeven of en zo ja, in hoeverre het wetsvoorstel in strijd kan zijn met Europese wetgeving en bilaterale verdragen.\n\nHet uitwisselen van inlichtingen kan op drie manieren gebeuren: op verzoek, automatisch of spontaan. Bij het spontaan of automatisch uitwisselen van gegevens gaat het om gegevens die de Belastingdienst al in zijn bezit heeft. Het wetsvoorstel heeft daarmee geen invloed op deze gegevensverstrekking. Als er verzocht wordt om gegevens die de Belastingdienst niet in zijn bezit heeft dienen deze via de nationale wettelijke procedure opgevraagd te worden bij de belastingplichtige. In internationale situaties gaat het veelal om gegevens van derden (bijvoorbeeld inhoudingsplichtigen of banken). Omdat in het compromisvoorstel niet langer wordt voorgesteld de rechtsbescherming vooraf te doen geschieden maar achteraf bij wege van kostenvergoeding, is in deze gevallen geen sprake van spanning met internationale regelingen op het gebied van gegevensuitwisseling. De informatie moet dan immers wel worden verstrekt. Indien het gaat om informatie van de belastingplichtige zelf, worden de nationale regelingen in het algemeen gerespecteerd. Uit het overzicht internationale vergelijking blijkt dat verschillende landen ieder hun eigen rechtssystematiek kennen.’\n\n4.12.. Uit bovenstaande volgt verder dat, nu artikel 47 AWR niet territoriaal begrensd is, het de inspecteur in beginsel is toegestaan om aan belanghebbende een informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a AWR te geven.\n\n4.13.. Vraag c moet ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag d) zijn de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 terecht aan belanghebbende gegeven?\n\n4.14.. Belanghebbende stelt dat de informatiebeschikkingen ten onrechte zijn gegeven en in bezwaar en beroep ten onrechte zijn gehandhaafd.\n\n4.15.. Voor de beantwoording van deze vraag stelt het hof voorop dat de te verstrekken informatie niet daadwerkelijk tot heffing hoeft te leiden. Voor de aanwezigheid van een belang is vereist dat de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het gevraagde op zichzelf beschouwd van belang kan zijn voor de belastingheffing van betrokkene.Er is geen verplichting voor een belanghebbende om informatie te verstrekken voor zover de inspecteur zijn verzoek onvoldoende heeft onderbouwd of sprake is een zogenoemde ‘fishing expedition’. Dat is niet anders indien de inspecteur zijn bevoegdheden alleen voor heffingsdoeleinden aanwendt. De inspecteur zal derhalve aannemelijk moeten maken dat het gevorderde materiaal bestaat en dat de belastingplichtige daarover de beschikking heeft of, met de van hem redelijkerwijs te verwachten inspanning, kan verkrijgen.Als op een belastingplichtige de bewijslast rust met betrekking tot een feitelijke omstandigheid die, indien aannemelijk, tot geen of een lagere belasting van die belastingplichtige zou leiden, heeft het niet ingaan op een uitnodiging van de inspecteur nadere inlichtingen te verstrekken, geen gevolg voor de bewijslastverdeling. De bewijslast van die omstandigheden rustte immers al op de belastingplichtige. Bij het vragen van inlichtingen heeft de inspecteur dan niet een belang als waarop artikel 47 AWR ziet.\n\n4.16.. Op de inspecteur rust in dat kader derhalve de last feiten en omstandigheden te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken, op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de door hem van belanghebbende verlangde informatie van belang zou kunnen zijn voor een (mogelijke) belastingheffing van belanghebbende in Nederland. De inspecteur mag met zijn verzoek niet de grenzen der redelijkheid overschrijden en hij moet aannemelijk maken dat belanghebbende niet aan haar wettelijke informatieverplichting heeft voldaan.\n\n4.17.. De rechtbank heeft geoordeeld dat per vraag dient te worden beoordeeld of deze terecht in de informatiebeschikkingen is opgenomen. Voor zover de vragen in grote mate samenhangen, heeft de rechtbank deze gezamenlijk beoordeeld. Het hof volgt de rechtbank in deze en zal eveneens per vraag beoordelen of deze terecht in de informatiebeschikkingen is opgenomen, waarbij het hof de vragen ook gezamenlijk zal behandelen voor zover zij in grote mate samenhangen. Het hof zal daarbij het hiervoor beschreven rechtskader als uitgangspunt nemen.\n\n‘1. Kopie aangifte inkomstenbelasting 2013, 2014 en 2015 [woonplaats] ’ en\n\n‘2. Kopie aanslagen inkomstenbelasting door u werden betaald in [woonplaats] ’\n\n4.18.. De rechtbank heeft hierover als volgt geoordeeld.\n\n‘4.11.1. Belanghebbende heeft hierop geantwoord dat gelet op haar emigratie naar [woonplaats] , de gevraagde informatie voor de Nederlandse Belastingdienst niet relevant is vanaf 30 september 2013. Om die reden ziet zij geen aanleiding de gevraagde informatie te verstrekken. De inspecteur heeft in zijn verweerschrift geschreven dat gelet op de omstandigheid dat belanghebbende vanaf 1 oktober 2013 in Nederland aangifte als buitenlands belastingplichtige doet, hij het redelijk acht om te toetsen of zij in [woonplaats] als binnenlands belastingplichtige aangifte doet.\n\n4.11.2.. Met de inspecteur is de rechtbank van oordeel dat hij zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door hem gevraagde informatie van belang kon zijn voor de belastingheffing van belanghebbende. Die informatie zou immers licht kunnen werpen op de mogelijke (binnenlandse of buitenlandse) belastingplicht voor een bepaalde inkomensbron in Nederland. Hieraan doet niet af dat de inspecteur ter zitting heeft verklaard dat hij over de gevraagde informatie in vraag 1 reeds beschikt, aangezien die informatie niet door belanghebbende is overgelegd en zij daarmee niet aan haar informatieverplichting heeft voldaan. De informatiebeschikkingen zijn in zoverre terecht gegeven.’\n\n4.19.. Het hof acht deze overwegingen van de rechtbank juist, op goede gronden gegeven en maakt deze tot de zijne.\n\n‘3. Kopie bankrekening-mutaties van alle door u gehouden buitenlandse bankrekeningen 2013, 2014 en 2015 (van belang in verband met mogelijke betalingen welke verband houden met [E Ltd] en voortkomen uit het dienstverband met [F Ltd] )”,\n\n“4. Kopieën van mutaties op uw American Expresskaart 2011 tot en met 2015”,\n\n“5. Een overzicht van alle voordelen welke u direct of indirect hebt verkregen uit [F Ltd] tussen 19 maart 2008 en heden. Behoudens uw direct verloonde salaris”\n\n“6. Overzicht van alle toezeggingen die u heeft verkregen van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen”\n\n“7. Kopieën van alle communicatie vanuit privé met [E Ltd] (Cyprus) en vice versa”\n\n“8. Kopieën van alle onderliggende stukken betreffende de inbreng van alle werkcontracten in [G Ltd] ”\n\n“9. Opgave van alle voordelen die u hebt genoten na[ar] aanleiding van liquidatie van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen met kopieën van alle onderliggende stukken’\n\n4.20.. De rechtbank heeft hierover als volgt geoordeeld.\n\n‘4.12.1. De inspecteur heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gevraagde informatie van belang kon zijn voor de belastingheffing van belanghebbende. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat bij de inspecteur het vermoeden heerst dat [G Ltd] feitelijk in Nederland gevestigd was, zodat belanghebbende mogelijk een dienstbetrekking bij een Nederlandse werkgever had en een belang in het aandelenkapitaal van een in Nederland gevestigde vennootschap had dat dan kwalificeert als een aanmerkelijk belang. In dat kader wilde de inspecteur verifiëren of belanghebbende na liquidatie van [G Ltd] mogelijk nabetalingen van een salaris, dividenden of een liquidatie-uitkering heeft genoten.\n\n4.12.2.. Belanghebbende heeft deze vragen niet adequaat beantwoord. Hieraan doet niet af de stelling dat het niet duidelijk zou zijn wat de inspecteur heeft bedoeld met de gevraagde informatie met betrekking tot de buitenlandse bankrekeningen. De inspecteur heeft zijn vermoedens dat belanghebbende mogelijk in Nederland belastingplichtig is in zijn vragenbrieven duidelijk aan de orde gesteld, zodat niet valt in te zien dat belanghebbende in de veronderstelling is dat met de “buitenlandse bankrekeningen” de Nederlandse bankrekeningen wordt bedoeld. Het gaat hier immers om een verzoek om informatie van de Nederlandse Belastingdienst.\n\n4.12.3.. Wat betreft de stelling dat de door de inspecteur verzochte kopieën van de mutaties van belanghebbendes American Expresskaart voor de jaren 2011 tot en met 2015 (vraag 4) reeds zijn aangeleverd, kan de rechtbank haar niet volgen. In haar brief met dagtekening 27 september 2016 heeft belanghebbende op dit verzoek geantwoord dat gelet op haar inwonerschap in [woonplaats] vanaf 30 september 2013, voormelde kopieën niet relevant zijn voor de Nederlandse belastingheffing (zie 2.11). Verder is het de rechtbank ook uit de gedingstukken niet gebleken dat deze kopieën zijn overgelegd. De informatiebeschikkingen zijn in zoverre terecht gegeven.’\n\n4.21.. Het hof acht deze overwegingen van de rechtbank juist, op goede gronden gegeven en maakt deze tot de zijne. Het hof voegt hier nog het volgende aan toe.\n\n4.22.. Voor een informatiebeschikking is geen plaats indien niet aan de inlichtingenverplichting wordt voldaan, omdat de belanghebbende niet over de gevraagde gegevens beschikte of kon beschikken. Belanghebbende stelt dat de inspecteur geen redelijk vermoeden heeft dat de gevraagde informatie bestaat. De vragen zijn te ruim zijn gesteld en er is derhalve sprake is van een fishing expedition, aldus belanghebbende.\n\n4.23.. De inspecteur stelt dat belanghebbende tot begin 2008 haar consultancy-werkzaamheden zelfstandig verrichtte en dat zij daarvoor jaarlijks aangifte deed van winst uit onderneming. De inspecteur vermoedt dat belanghebbende deze activiteit begin 2008 heeft ingebracht in [G Ltd] ., aangezien belanghebbende dezelfde activiteiten vanaf dat moment via [G Ltd] . verricht. Een fors deel van de winst die belanghebbende tot 2008 in privé genoot, blijft vanaf dat moment achter in [G Ltd] . Dit valt niet te rijmen met belanghebbendes stelling dat zij (of haar partner) niet de Ultimate Beneficial Owner (UBO) van [G Ltd] . was, aldus de inspecteur. De inspecteur wenst daarom inzicht te krijgen in de daadwerkelijke verhoudingen tussen [G Ltd] en belanghebbende en daarmee ook vast te stellen of sprake is van een aanmerkelijk belang, en indien deze vraag bevestigend kan worden beantwoord, de hoogte van het genoten inkomen uit aanmerkelijk belang. De communicatie vanuit privé met [E Ltd] (Cyprus) en vice versa, alsmede de onderliggende stukken betreffende voormelde inbreng, kunnen hier volgens de inspecteur (mede) een licht op werpen.\n\n4.24.. Het hof stelt voorop dat een aantal vragen ziet op zaken waar belanghebbende in ieder geval rechtstreeks bij betrokken is geweest en dat zij, al dan niet als bestuurder van of gerechtigde tot het vermogen van [F Ltd] . en [E Ltd] ., over de desbetreffende gegevens zou moeten kunnen beschikken. Belanghebbende zou normaliter over deze gegevens hebben moeten beschikken dan wel zouden deze gegevens in de administratie van de vennootschappen aanwezig moeten zijn. Daarbij gaat het onder meer om de correspondentie van belanghebbende met [F Ltd] . (vragen 7 en 8) en de dividendstromen en overige voordelen en toezeggingen binnen de structuur (vragen 5 en 6) en de wijze van vereffening van het vermogen van de geliquideerde vennootschappen (vraag 9).\n\n4.25.. Gezien de aard van de gevraagde informatie en de onderbouwing van de inspecteur acht het hof aannemelijk dat deze documenten bestaan en dat belanghebbende met de van haar redelijkerwijs te verwachten inspanning, die informatie kan verkrijgen. Het gaat om een complexe structuurwijziging waarbij belanghebbende, kort samengevat, haar werkzaamheden inbrengt in een buiten Nederland gevestigde vennootschap, welke vennootschap enkele jaren later wordt geliquideerd. Dat ten aanzien hiervan geen, dan wel niet meer dan belanghebbende reeds heeft overgelegd, schriftelijke correspondentie heeft plaatsgevonden en documenten bestaan, acht het hof geenszins aannemelijk.\n\n4.26.. Belanghebbende stelt dat zij niet beschikte over een American Expresskaart in de periode 2011 tot en met 2015 en reeds daarom de verzochte gegevens niet heeft kunnen overleggen. In haar brief met dagtekening 27 september 2016 heeft belanghebbende aangegeven dat, gelet op haar inwonerschap in [woonplaats] vanaf 30 september 2013, voormelde kopieën niet relevant zijn voor de Nederlandse belastingheffing. Hieruit leidt het hof af dat deze kopieën wel beschikbaar zijn. Niet gebleken is dat belanghebbende deze kopieën reeds eerder heeft overgelegd, zodat de informatiebeschikking in zoverre terecht is gegeven.\n\n4.27. Gelet op het voorgaande is van een fishing expedition door de inspecteur geen sprake en zijn de vragen met betrekking tot de werkzaamheden vanuit [woonplaats] en de relatie met de vennootschappen op [woonplaats] legitiem en noodzakelijk voor de beoordeling van de belastingplicht van belanghebbende. Gelet op de in 2.10 en 2.12 vermelde reactie op de door de inspecteur gestelde vragen is het hof van oordeel dat de gestelde vragen niet adequaat zijn beantwoord en dat voorts de verzochte informatie niet is verstrekt. Belanghebbende heeft in reactie op het overgrote deel van de vragen vermeld dat de verzochte informatie niet relevant of niet van toepassing is, waarmee zij geen inhoudelijk antwoord heeft verstrekt. Hieruit volgt dat de informatiebeschikkingen in zoverre terecht zijn gegeven.\n\n4.28.. Vraag d moet bevestigend worden beantwoord.\n\nVraag e) Zijn de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden?\n\n4.29.. De inspecteur dient de op grond van artikel 47 AWR toegekende bevoegdheden in redelijkheid uit te oefenen. Dit betekent onder andere dat de inspecteur het zorgvuldigheidsbeginsel dient te respecteren. Hij zal een controle tijdig moeten aankondigen en de belastingplichtige een redelijke termijn moet gunnen op de gevraagde informatie aan te leveren. Ook moet de inspecteur het belang van de gevraagde informatie op grond van het motiveringsbeginsel kunnen motiveren als belastingplichtige daarom vraagt.\n\n4.30.. Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur niet gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. De informatiebeschikkingen zijn genomen na een uitgebreid en zorgvuldig onderzoek. Tijdens het onderzoek zijn diverse gesprekken met belanghebbende gevoerd en is belanghebbende diverse malen in de gelegenheid gesteld om alsnog de informatie aan te leveren.\n\n4.31.. Het hof is voorts van oordeel dat de verzoeken om informatie voldoende door de inspecteur zijn gemotiveerd. De inspecteur heeft omschreven op welke gegevens hij zijn verzoek heeft gebaseerd, en hij heeft daarbij steeds het heffingsbelang toegelicht. De gronden waarop de bezwaren van belanghebbende zijn afgewezen, blijken bovendien voldoende duidelijk uit de uitspraken op bezwaar.\n\n4.32.. Naar het oordeel van het hof kan belanghebbende evenmin met een beroep op het fairplaybeginsel weigeren aan haar uit de artikelen 47 AWR voortvloeiende verplichtingen te voldoen. De inspecteur heeft bij het nemen van de informatiebeschikking immers niet gehandeld in strijd met de wettelijke regeling waarin deze bevoegdheid aan hem is verleend.\n\n4.33.. Ook de door belanghebbende aangehaalde zinsnede in de statusupdate van [P] maakt niet dat er sprake is van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Uit dit bericht kan niet worden afgeleid dat de informatiebeschikkingen zijn opgelegd met het doel om de aanslagtermijn voor de op te leggen navorderingsaanslagen te verlengen.\n\n4.34.. Vraag e moet ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag f) Is er sprake van schending van artikel 8 van het EVRM, van de artikelen 5, 9 en 17 van het BUPO of enig ander verdrag of voorschrift?\n\n4.35.. Belanghebbende stelt dat de informatiebeschikkingen zijn opgelegd in strijd met artikel 8 EVRM, de artikelen 5, 9 en 17 van het BUPO en het nemo-tenetur-beginsel, mede onder verwijzing naar de zaak De Legé tegen Nederland.\n\n4.36.. In verband met het beroep van belanghebbende op het nemo-tenetur-beginsel geldt dat artikel 6 EVRM op de eerste plaats alleen van toepassing is in zogenoemde ‘criminal charge’-zaken. Belastingen vallen niet onder de reikwijdte van artikel 6 EVRM.Een informatiebeschikking vormt geen maatregel waarmee de verstrekking van die informatie wordt afgedwongen. Dat wordt niet anders doordat een dergelijke beschikking, indien zij onherroepelijk wordt, op grond van artikel 25, derde lid, van de AWR gepaard gaat met omkering en verzwaring van de bewijslast. Dit brengt mee dat het niet nodig is dat de inspecteur bij zijn informatiebeschikking, of de belastingrechter bij zijn oordeel omtrent die beschikking, een restrictie formuleert met betrekking tot het gebruik van wilsafhankelijke informatie voor sanctiedoeleinden. Zou het gevraagde materiaal in handen van de inspecteur komen en mede worden gebruikt voor fiscale beboeting of strafvervolging, dan komt het oordeel over de vraag in hoeverre het gaat om wilsafhankelijk materiaal en over de vraag welk gevolg moet worden verbonden aan schending van deze uit het EVRM voortvloeiende restrictie toe aan de rechter die over de beboeting of bestraffing beslist.Daarbij wijst het hof expliciet, voor wat betreft de eventuele ‘omkering en verzwaring van de bewijslast’, naar de op de voet van het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 2017 te maken belangenafweging.\n\n4.37.. Belanghebbende moet derhalve desgevraagd alle informatie verschaffen die van belang kan zijn voor een juiste belastingheffing, ongeacht of het gaat om wilsafhankelijke of wilsonafhankelijke informatie. Belanghebbende kan dus niet met een beroep op artikel 6 EVRM of enig ander voorschrift weigeren de gevraagde inlichtingen te verstrekken. De informatiebeschikkingen hoeven dan ook niet wegens strijd met het nemo-tenetur-beginsel te worden vernietigd.\n\n4.38.. Belanghebbende stelt voorts dat de informatiebeschikkingen zijn gegeven in strijd met het verbod op détournement de pouvoir. De inspecteur mag zijn bevoegdheid niet gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze is gegeven. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de inspecteur zijn bevoegdheden heeft ingezet met een ander doel dan de beoordeling van de belastingplicht van belanghebbende. In zoverre is er geen sprake van een handelen in strijd met het verbod op détournement de pouvoir.\n\n4.39.. Belanghebbende stelt verder dat de informatiebeschikkingen zijn gegeven in strijd met het recht op privacy van artikel 8 EVRM. Artikel 8 EVRM bepaalt dat geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van het recht van eenieder op respect voor zijn privéleven, dan voor zover bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.\n\n4.40.. Het hof stelt vast dat van enkele door de inspecteur verzochte gegevens gesteld kan worden dat het hier in beginsel een inmenging betreft in het recht van belanghebbende op respect voor zijn privéleven als bedoeld in artikel 8 EVRM. Om te beoordelen of deze inmenging aan het opvragen van de informatie in de weg staat, moet worden onderzocht of is voldaan aan de voorwaarden van artikel 8 EVRM die een inmenging kunnen rechtvaardigen.\n\n4.41.. De eerste voorwaarde die artikel 8 EVRM stelt is dat de inmenging bij wet is voorzien. De inspecteur heeft in het kader van artikel 47 AWR agenda-items, telefoonnotities, emailverkeer, sms, notities, overeenkomsten, faxen, facturen en dergelijke bij belanghebbende opgevraagd (zie 2.11). Nog daargelaten of het hier om een inmenging gaat als bedoeld in artikel 8 EVRM, is de wettelijke grondslag van deze inmenging gelegen in artikel 47 AWR. Dat is een voldoende wettelijke grondslag voor de inmenging. In voorkomende gevallen zoals bij inmenging in het privéleven waarbij sprake is van het systematisch verzamelen, vastleggen, bewerken, bewaren en\u002Fof gebruiken van gegevens kan weliswaar een meer specifieke grondslag vereist zijn, maar zo’n geval doet zich hier niet voor. Daarnaast is er sprake van een legitiem doel als bedoeld in artikel 8, lid 2 EVRM. Een maatregel waarmee wordt gewaarborgd dat belasting wordt betaald is namelijk in de regel noodzakelijk in het belang van het economisch welzijn van het land. Hier doet zich geen uitzondering op de regel voor. Nu het opvragen van deze gegevens bovendien proportioneel is in de gegeven omstandigheden, is er van een ongerechtvaardigde inbreuk op artikel 8 EVRM geen sprake.\n\n4.42.. Vraag f moet ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag g) Heeft de inspecteur de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 gegeven in strijd met de TIEA?\n\n4.43.. Op 1 maart 2008 is het TIEA in werking getreden. Op grond van artikel 11 TIEA mag Nederland in alle belastingzaken informatie opvragen aan [woonplaats] voor belastingtijdvakken die beginnen op of na de datum van inwerkingtreding. Voor de inkomstenbelasting is dat dus in beginsel vanaf 1 januari 2009.\n\n4.44.. Belanghebbende betoogt dat sprake is van een schending van de TIEA, dan wel dat de uitleg en toepassing daarvan te goeder trouw moet zijn. Meer in het bijzonder stelt belanghebbende dat de toepassing van artikel 47 AWR wordt beperkt door de TIEA en het nationale recht van [woonplaats] .\n\n4.45.. Artikel 4, lid 1 TIEA luidt als volgt:\n\n‘The competent authority of the requested party shall provide upon request by the requesting party information for the purposes referred to in Article 1. Such information shall be exchanged without regard to whether the requested party needs such information for its own tax purposes or the conduct being investigated would constitute a crime under the laws of the requested party if it had occurred in the territory of the requested party. The competent authority of the requesting party shall only make a request for information pursuant to this Article when it is unable to obtain the requested information by other means, except where recourse to such means would give rise to disproportionate difficulty.’\n\n4.46.. Uit de slotzin van de onder 4.45 genoemde passage volgt dat de bevoegde autoriteit van de verzoekende partij – in casu: Nederland – uitsluitend een verzoek om informatie op grond van dit artikel doet wanneer zij niet in staat is de gevraagde informatie op een andere manier te verkrijgen, behalve wanneer het gebruik van dergelijke middelen aanleiding zou geven tot onevenredige problemen.\n\n4.47.. Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of artikel 4, lid 1 TIEA – in een geval als het onderhavige waarin de belanghebbende stelt buiten Nederland woonachtig te zijn – de inspecteur verplicht om de gevraagde inlichtingen bij uitsluiting via artikel 4, lid 1 TIEA te verzoeken, of dat het de inspecteur ook toegestaan is om zich rechtstreeks tot belanghebbende te wenden. Op grond van het territorialiteitsbeginsel kan worden gesteld dat de inspecteur gehouden is – alvorens de belastingplichtige rechtstreeks te benaderen – de mogelijkheden uit de TIEA met het desbetreffende land volledig te benutten. Voorts kan worden gesteld dat de TIEA – bij het ontbreken van enige verwijzing daarnaar – toepassing van de bevoegdheden voortvloeiende uit de AWR verhindert.\n\n4.48.. Daar waar de inspecteur, min of meer, twee gelijkwaardige mogelijkheden tot zijn beschikking heeft, te weten de route via de TIEA en de rechtstreekse benadering van de belastingplichtige, acht het hof het niet ondenkbaar dat het territorialiteitsbeginsel vereist dat de inspecteur eerst, en wellicht uitsluitend, de mogelijkheden benut welke tot zijn beschikking staan op grond van de TIEA. Dit zou betekenen dat de door de inspecteur in de onderhavige zaak gegeven informatiebeschikkingen ten onrechte zijn gegeven. Anderzijds kan worden gesteld dat het de inspecteur vrij staat om de voor hem meeste geschikte route te benutten voor het vergaren van de gevraagde informatie. In beginsel is denkbaar dat de inspecteur ervoor kan kiezen de route via de TIEA te benutten, dan wel rechtstreeks de belastingplichtige te benaderen, dan wel om beide routes gelijktijdig te benutten.\n\n4.49.. Uit voorgaande volgt dat twijfel kan bestaan over de vraag of de inspecteur een keuzevrijheid heeft (gehad) ten aanzien van de hiervoor genoemde routes ter verkrijging van de door hem gewenste informatie. Alles overwegende komt het hof tot het oordeel dat het de inspecteur in beginsel vrij staat om bij belanghebbende informatie op te vragen die hij ook langs andere weg kan verkrijgen. Dit is anders indien het handelen van de inspecteur in strijd komt met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Van dat laatste is in het onderhavige geval niet gebleken (zie het antwoord op vraag e). Anders dan belanghebbende verdedigt staat ook de goede verdragstrouwniet in de weg aan het oordeel dat het de inspecteur in beginsel vrij staat om bij belanghebbende informatie op te vragen die hij ook langs andere weg kan verkrijgen. In het bijzonder gelet op de slotzin van lid 1 van artikel 4 TIEA past bij de uitleg van de TIEA juist dat de inspecteur eerst andere wegen moet bewandelen dan een beroep te doen op de TIEA. De conclusie is derhalve dat de TIEA er niet aan in de weg staat dat de inspecteur informatiebeschikkingen heeft gegeven aan belanghebbende.\n\n4.50.. Vraag g moet ontkennend worden beantwoord.\n\nNieuwe termijn\n\n4.51.. Zoals uit het voorgaande volgt, zijn de informatiebeschikkingen terecht gegeven. Het hof zal belanghebbende een nieuwe termijn stellen om alsnog de gevraagde informatie te verstrekken aan de inspecteur, en wel binnen een termijn van vier weken na verzending van deze uitspraak. Het hof wijst belanghebbende er op dat het niet verstrekken van de gevraagde informatie zoals nader volgt uit deze uitspraak, nadelige gevolgen kan hebben voor haar bewijspositie in de bezwaar- en beroepsfase tegen de navorderingsaanslagen.\n\nTussenconclusie\n\n4.52.. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.\n\n4.53.. Al hetgeen belanghebbende overigens nog heeft aangevoerd noopt niet tot een ander oordeel.\n\n4.54.. Voor het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad, waar belanghebbende om heeft verzocht, ziet het hof geen aanleiding.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.55.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.56.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.\n\nTen aanzien van het verzoek om schadevergoeding\n\n4.57.. Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van schade in verband met de van rechtswege vervallen informatiebeschikkingen met betrekking tot de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012. Op dit verzoek is in beginsel artikel 8:73 Awb (oud) van toepassing.\n\n4.58.. Omdat voor de informatiebeschikkingen met betrekking tot de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 het bij de rechtbank ingestelde beroep niet-ontvankelijk is verklaard, en niet gegrond, is een vergoeding van schade niet de aan de orde.\n\nOverschrijding van de redelijke termijn in de hogerberoepsfase\n\n4.59.. In beginsel is de bestuursrechter niet gehouden te toetsen of de redelijke termijn is overschreden wanneer in hoger beroep niet over de duur van de procedure wordt geklaagd. In dit geval is dit anders omdat het hof het onderzoek op 25 juli 2024 heeft gesloten en daarbij heeft bepaald dat binnen zes weken schriftelijk uitspraak wordt gedaan, welke datum ligt binnen de termijn van twee jaar. Er was dus op 25 juli 2024 geen overschrijding van de redelijke termijn en deze was, uitgaande van de in artikel 8:66 jo 8:108, lid 1, Awb neergelegde termijn voor het doen van een schriftelijke uitspraak, ook niet te voorzien, zodat er voor belanghebbende ook geen reden was daarover te klagen. Er is daarom aanleiding ambtshalve te beoordelen of de redelijke termijn is overschreden en of een vergoeding van immateriële schade moet worden toegekend.\n\n4.60.. Het hoger beroep is in deze procedure ingesteld op 1 december 2022. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat het hof in deze zaak uitspraak doet, levert wat de hogerberoepsfase betreft een overschrijding van de redelijke termijn op met niet meer dan zes maanden. Aangezien inzicht in het financiële belang van belanghebbende bij de onderhavige procedure ontbreekt, volstaat het hof met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.Aan belanghebbende komt geen vergoeding van immateriële schade toe.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep ongegrond;\n\nbevestigt de uitspraak van de rechtbank;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af;\n\nstelt belanghebbende tot vier weken na verzending van deze uitspraak in de\n\ngelegenheid alsnog de gevraagde informatie aan de inspecteur te verstrekken.\n\nDe uitspraak is gedaan door J. Wessels, voorzitter, P. Fortuin en I. Reijngoud, in tegenwoordigheid van R. Camps, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op\n\nen een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.\n\nDe griffier, De voorzitter,\n\nR. Camps J. Wessels\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag .Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staten van [woonplaats] inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken; (met Memorandum van Overeenstemming), Trb. 2007, 208 en 2008, 24.\n\n Vgl. HR 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:878, r.o. 3.4.2.\n\n HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3602 en Toelichting bij de Tweede nota van wijziging, Kamerstukken II, 2008\u002F09, 30 645, nr. 14, p. 10-11.\n\n EHRM 12 juli 2001, Ferrazzini vs. Italië, ECLI:CE:ECHR:2001:0712JUD004475998; HR 26 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1969 en HR 5 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0469.\n\n HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3603, r.o. 2.4.2.\n\n Kamerstukken II 2010\u002F11, 30645, nr D.\n\n HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3603.\n\n HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1117; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1129; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1130; HR 24 april 2015; ECLI:NL:HR:2015:1135; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1137; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1141.\n\n HR 3 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0821.\n\nEHRM van 4 oktober 2022 nr. 58342\u002F15, ECLI:CE:ECHR:2022:1004JUD005834215, De Legé tegen Nederland.\n\nEHRM 12 juli 2001, ECLI:CE:ECHR:2001:0712JUD004475998 (Ferrazzini\u002FItalië), HR 26 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1969 en HR 5 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0469.\n\n HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3640; HR 8 augustus 2014, ECLI:NL:HR:2014:2144; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1117; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1129; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1130; HR 24 april 2015; ECLI:NL:HR:2015:1135; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1137; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1141; vgl. HR 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1359.\n\n ECLI:NL:HR:2017:130, r.o. 3.3.5.\n\n Eerste tijdvak na inwerkingtreding op 1 maart 2008.\n\n Verdrag van Wenen inzake het Verdragenrecht, Trb. 1985, 79.\n\n Voor de inkomstenbelasting tot 1 januari 2029 van toepassing op grond van artikel V van de ‘Wet van 31 januari 2013 tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht met bepalingen over nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige overheidsdaad (Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten, Stb. 2013, 50)’, zoals gewijzigd bij artikel 3.4, onder A van de ‘Wet van 3 maart 2021 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht en enkele andere wetten in verband met het nieuwe omgevingsrecht en nadeelcompensatierecht’, Stb. 2021, 135, ‘Besluit van 6 oktober 2023 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van titel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht en daarmee samenhangende bepalingen uit de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten en de Wet van 3 maart 2021 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht en enkele andere wetten in verband met het nieuwe omgevingsrecht en nadeelcompensatierecht (Stb. 2021, 135)’, Stb. 2023, 236 en artikel 8:108 Awb. Vgl. HR 22 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7736.\n\n HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.4.3 en 3.5.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:4081","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:18.069Z",{"id":53,"ecli":54,"slug":55,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":56,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":57,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":50,"updatedAt":58},"1384","ECLI:NL:GHSHE:2024:4082","ecli-nl-ghshe-2024-4082","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nMeervoudige Belastingkamer\n\nNummers: 22\u002F2292 tot en met 22\u002F2297\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende 1] ,\n\nwonend in [woonplaats] (de Kanaaleilanden), domicilie gekozen hebbend in [plaats 1] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 12 oktober 2022, nummers BRE 18\u002F6597 t\u002Fm BRE 18\u002F6602, en BRE 18\u002F6604 in het geding tussen belanghebbende en\n\nde inspecteur van de Belastingdienst,\n\nhierna: de inspecteur.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De inspecteur heeft aan belanghebbende informatiebeschikkingen zoals bedoeld in artikel 52a, lid 1, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) gegeven over de jaren 2008 tot en met 2014.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard.\n\n1.3.. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep met betrekking tot de informatiebeschikkingen voor de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 niet-ontvankelijk verklaard en heeft het beroep met betrekking tot de jaren 2010, 2013 en 2014 gegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.\n\n1.6.. De zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2024 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende, tot bijstand vergezeld van zijn partner, en zijn gemachtigde, [gemachtigde] , en, namens de inspecteur, [inspecteur] . Belanghebbende, zijn partner en zijn gemachtigde hebben aan de zitting deelgenomen door middel van een directe beeld- en geluidsverbinding via Microsoft Teams. Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en de zaken met nummers 22\u002F2285 t\u002Fm 22\u002F2291 en de zaken met nummers 22\u002F2298 t\u002Fm 22\u002F2305.\n\n1.7.. Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.\n\n1.8.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n1.9.. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst dan wel aan partijen wordt verzonden.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Belanghebbende en zijn partner woonden tot eind september 2013 in [plaats 2] , Nederland. Vanaf 1 september 2013 hebben zij een woning gehuurd op [woonplaats] . Op 14 oktober 2013 hebben zij zich met hun twee kinderen uitgeschreven in Nederland en zich ingeschreven op [woonplaats] .\n\n2.2.. Belanghebbende heeft ook na september 2013 de woning te [plaats 2] in eigendom gehouden. Belanghebbende verhuurde deze woning van 1 november 2013 tot 31 oktober 2014 aan een derde. Gedurende de periode van 1 augustus 2015 tot en met 31 juli 2016 verhuurde belanghebbende de woning te [plaats 2] aan de heer en mevrouw [persoon 2] (eveneens derden). In de beide huurcontracten is een diplomatenclausule opgenomen, welke inhoudt dat belanghebbende verklaart dat hij de vorige bewoner van het woonhuis is en dat hij de woning, na afloop van de overeengekomen huurperiode, zelf weer zal betrekken.\n\n2.3.. Belanghebbende hield in de onderhavige jaren 5 van de 225 aandelen in het aandelenkapitaal van [B Ltd] . . [B Ltd] . hield via [C Ltd] , [E Ltd] . en [F Ltd] , 100% van de aandelen in het aandelenkapitaal in [G Ltd] .\n\n2.4.. Belanghebbende en de partner voeren gezamenlijk de directie over [G Ltd] . Belanghebbende is in de jaren 2011 en 2012 twee leningen van ieder € 200.000 bij [G Ltd] aangegaan.\n\n2.5.. Belanghebbende was in de onderhavige jaren werkzaam als IT-consultant. Tot begin 2008 verrichtte belanghebbende zijn werkzaamheden als IT-consultant als zelfstandige - in de vorm van een eenmanszaak via tussenkomst van een bemiddelaar, [J] BV - en deed daarvoor jaarlijks aangifte IB\u002FPVV ter zake van zijn in het betreffende jaar genoten winst uit onderneming. Vanaf oktober 2007 verrichtte belanghebbende zijn werkzaamheden als IT-consultant voor [H BV] .\n\n2.6.. Op 31 maart 2008 heeft belanghebbende een arbeidsovereenkomst gesloten met [G Ltd] . Vanaf dat moment heeft [G Ltd] klanten, via tussenkomst van [J] BV, gefactureerd voor de door belanghebbende verrichte werkzaamheden. [G Ltd] is eind 2013 geliquideerd.\n\n2.7.. Vanaf 1 oktober 2013 verricht belanghebbende zijn werkzaamheden voor [H] , via [Q BV] , door middel van tussenkomst van [L Ltd] . Belanghebbende en de partner houden gezamenlijk 100% van de aandelen in [L Ltd] .\n\n2.8.. Belanghebbende heeft voor de jaren 2008 tot en met 2014 aangiften IB\u002FPVV gedaan.\n\n2.9.. De inspecteur heeft bij brief van 5 april 2016 belanghebbende verzocht om informatie voor de behandeling van de aangiften IB\u002FPVV 2010 tot en met 2014. De brief luidt, voor zover van belang, als volgt:\n\n‘Voor de behandeling van uw aangifte inkomstenbelasting over de jaren 2010, 2011, 2012, 2013 en 2014 heb ik additionele informatie nodig. Middels deze brief wil ik u verzoeken mij onderstaand genoemde informatie toe te zenden.\n\n- Kopie samenlevingscontract of vergelijkbaar indien opgemaakt;\n\n- Overzicht van aandelenbelangen, inclusief aan- en verkochte belangen;\n\n- Opgave van de waardering van de door u, niet als aanmerkelijk belang gehouden, aandelen (inclusief een kopie van onderliggende stukken);\n\n- Overzicht van kapitaalstortingen en\u002Fof terugbetalingen in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzichten ontvangen dividenden, welke betrekking hebben op de periode 2010 tot en met 2014 (inclusief de datum van ontvangst en opgave op welke bankrekening);\n\n- Overzicht van ontvangen en\u002Fof toegezegde schenkingen in de periode 2010 tot en met 2014 (inclusief de datum van ontvangst en opgave op welke bankrekening);\n\n- Bent u in de periode 2010 tot en met 2014 -in welke vorm dan ook- betrokken bij een afgezonderd particulier vermogen? Zo ja, dan graag een toelichting op de betreffende APV's en uw betrokkenheid bij deze(n), alsmede kopieën van de onderliggende stukken);\n\n- Kopie directie- en managementovereenkomsten welke door u zijn afgesloten en\u002Fof welke van kracht waren over de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht ontvangen directie en\u002Fof managementvergoedingen welke betrekking hebben op door u uitgevoerde werkzaamheden in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Kopie van uw arbeidscontracten welke door u zijn aangegaan en\u002Fof welke van kracht waren in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht ontvangen inkomsten (voordelen) op basis van voornoemde arbeidscontracten, welke betrekking hebben op door u uitgevoerde werkzaamheden in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht van eventueel overige bezoldigde en onbezoldigde functies die u in de periode 2010 tot en met 2014 hebt bekleed;\n\n- Kopie verkoopcontracten welke zijn gesloten en\u002Fof van kracht waren in de periode 2010 tot en met 2014 welke door u zijn gesloten in een andere hoedanigheid dan als directeur, bestuurder en\u002Fof medewerker van een rechtspersoon;\n\n- Documentatie waaruit uw verhuizing naar [woonplaats] , alsmede het moment van uw verhuizing naar [woonplaats] blijkt;\n\n- Leningenovereenkomsten (ontvangen en verstrekte gelden) met verbonden entiteiten zoals werkgevers of deelnemingen, welke zijn afgesloten en\u002Fof van kracht waren in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Verloopstaten van de rekening-couranten en leningen (ontvangen en verstrekte gelden) over de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht binnenlandse- en buitenlandse rekeningen, inclusief PayPal-, bitcointaccounts en dergelijke op eigen naam gehouden in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht binnenlandse- en buitenlandse rekeningen, inclusief PayPal-, bitcointaccounts niet op eigen naam, waarover u wel kunt beschikken in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht binnenland en buitenlands onroerend goed (mede) op uw naam in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht van hypotheken en leningen (akten en jaaropgaves) welke zijn afgesloten of van kracht waren in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht credit-, debit en overige paycards waarover u kon beschikken in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht pensioenproducten, lijfrentes etc;\n\n- Verhuurcontracten van onroerend goed (mede) op uw naam in Nederland aangegaan of van kracht in de periode 2010 tot en met 2015;\n\n- Overzicht ontvangen huren in Nederland aangegaan of van kracht in de periode 2010 tot en met 2015:\n\n- Kopie van uw aangifte(n) inkomstenbelasting in [woonplaats] over de periode 2010 tot en met 2015.\n\nGraag ontvang ik bovenstaande informatie vóór 2 mei 2016. Ik verzoek u bovenstaande informatie ook te verstrekken indien u van mening zou zijn dat deze informatie niet relevant is voor de Nederlandse belastingheffing. Ik wil dan tevens verzoeken uw standpunt nader te onderbouwen.\n\nWellicht ten overvloede wil ik u erop wijzen dat ingevolge artikel 47, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) een ieder verplicht is desgevraagd aan de inspecteur de gegevens en inlichtingen te verschaffen en bescheiden over te leggen die voor de belastingheffing ten zijnen aanzien van belang kan zijn en de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing te zijnen aanzien, voor dit doel beschikbaar te stellen. Ingevolge artikel 49 van de AWR dient het verstrekken van de inlichtingen en gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te geschieden.’\n\n2.10.. Belanghebbende heeft bij brief van 17 mei 2016 op de onder 2.9 vermelde vragenbrief van de inspecteur, als volgt gereageerd:\n\n‘Hieronder vindt u puntsgewijs antwoord op uw verzoek om informatie for de aangifte inkomstenbelastingen 2010, 2011, 2012, 2013 & 2014. Het volgende is daarbij in beschouwing genomen.\n\nA. In de genoemde jaren heeft de heer [persoon 5] van het kantoor [kantoornaam] te [plaats 2] de jaarlijkse inkomstenbelasting aangiftes opgesteld en ingediend bij de belastingdienst.\n\nB. Aangenomen wordt dat u beschikking heeft over de jaaraangiftes, aanslagen & definitieve aanslagen.\n\nC. Vanaf 21\u002F10\u002F2013 is [belanghebbende] en kinderen ((…) & (…)) woonachtig in [woonplaats] (Channel Islands).\n\nD. De heer [persoon 5] heeft voor het jaar 2013 de eerste negen maanden (1\u002F1\u002F2013 - 30\u002F09\u002F2013) meegenomen in de aangifte inkomstenbelasting. De [woonplaats] accountant is de inkomsten vanaf 1\u002F10\u002F2013 gaan administreren.\n\nE. Gelet op C & D, is [belanghebbende] niet belastingplichtig in Nederland vanaf 1\u002F10\u002F2013.\n\nF. Derhalve is inkomens gegevens toegevoed voor de jaren 2010, 2011, 2012 en tot 30\u002F09\u002F2013 voor het jaar 2013.\n\nPuntsgewijs antwoordt op uw verzoek om informatie\n\n1. Samenlevingscontract met de partner () d.d. 8\u002F11\u002F2002 [notarissen]\n\n te [plaats 3] . Zie kopie toegevoegd.\n\n2. Overzicht van aandelenbelangen. Niet van toepassing. Zie kopien toegevoegd van aandelen [B Ltd] voor de jaren 2010, 2011, 2012 & 2013.\n\n3. Opgave van waarderingen aanmerkelijk belang. Niet van toepassing geweest.\n\n4. Overzicht van kapitaalstortingen. Niet van toepassing geweest.\n\n5. Overzicht ontvangen dividenden. Niet van toepassing geweest.\n\n6. Overzicht van ontvangen en\u002Fof toegezegde schenkingen. Niet van toepassing geweest.\n\n7. Betrokkenheid APV's. Niet van toepassing geweest.\n\n8. Kopie directive-managementovereenkomsten. Niet van toepassing geweest.\n\n9. Overzicht ontvangen directive en\u002Fof managementvergoedingen. Niet van toepassing geweest.\n\n10. Kopie arbeidscontracten. Zie kopie toegevoegd.\n\n11. Overzicht ontvangen inkomsten o.b.v. arbeidscontracten.\n\na) 2010 - € 52.693\n\nb) 2011 - € 50.822\n\nc) 2012 - € 52.036\n\nd) 2013 - € 37.818\n\n12. Overzicht overige bezoldigde functies. Niet van toepassing geweest.\n\n13. Kopie verkoopcontracten. Niet van toepassing geweest.\n\n14. Documentatie waaruit verhuizing naar [woonplaats] blijkt.\n\na. Zie kopie inschrijving gezinsleden [woonplaats] social security department St Helier, [woonplaats] op 21\u002F10\u002F2013.\n\nb. Zie kopie inschrijving kinderen (…) [school] autumn term 4\u002F11\u002F2013.\n\nc. Zie kopie Child health registration States of [woonplaats] [kinderen] op 21\u002F10\u002F2013.\n\nd. Zie verhuizingsfactuur van [verhuisbedrijf] . Een deel van de inboedel is verhuisd naar het vakantie huis Frankrijk en in dezelfde rit is het grootste deel van de inboedel naar [adres 2] , [plaats 4] , [woonplaats] verhuisd. Uitvoeringsdatum van verhuizing is opgenomen op factuur (12\u002F9\u002F2013).\n\ne. Zie kopie uitschrijvingen gemeente [plaats 2] van alle gezinsleden op 14\u002F10\u002F2013.\n\nf. Zie kopie huur contract [adres 2] [plaats 4] , […] , [woonplaats] per 1\u002F9\u002F2013.\n\n15. Leningenovereenkomsten.\n\na. Leningen overeenkomst V December 2011, welke is gewijzigd op 10th October 2012. Zie kopien toegevoegd.\n\nb. Leningen overeenkomst 4 September 2012, welke is gewijzid op 10 October 2012. Zie kopien toegevoegd.\n\n16. Verloopstaten van rekening-couranten. Zie overzichten per jaar aan eind van deze brief.\n\n17. Overzicht binnenlandse- en buitenlandse rekeningen op eigen naam.\n\nRekening\n\nRekening nummer\n\nBankcards nummer\n\nING Betaalrekening [belanghebbende] ING Creditcard\n\n [rekeningnummer 11]\n\n [bankkaartnummer]\n\nING Betaalrekening [belanghebbende] en\u002Fof de partner\n\n [rekeningnummer 2]\n\n?? Rekening is opgeheven in\n\n2013\n\nING Profijt rekening [belanghebbende]\n\n [rekeningnummer 11]\n\nNVT\n\nING beleggingsrekening [belanghebbende]\n\n [rekeningnummer 12]\n\nNVT\n\nABN-AMRO Direct beleggen & eurostyle rekening [kind]\n\n [rekeningnummer 13]\n\n??\n\nCotes-d’Armor Frankrijk de partner en\u002Fof [belanghebbende]\n\n [rekeningnummer 4]\n\nMomenteel is nieuwe pas aangevraagd.\n\nING Groeirekening [kind]\n\n [rekeningnummer 14]\n\nNVT\n\nING Groeirekening [kind]\n\n [rekeningnummer 15]\n\nNVT\n\n18. Overzicht binnenlandse- en buitenlandse rekeningen niet op eigen naam.\n\nRekening\n\nRekening nummer\n\nBankcards nummer\n\nRabo rekening courant zonder krediet [G Ltd] Credit card\n\n [rekeningnummer 7]\n\n?? opgeheven 2013\n\n?? Opgeheven 2013\n\nRabo bedrijfstelerekening - [G Ltd]\n\n [rekeningnummer 8]\n\nNVT\n\nRabo rekeningen bedrijfstelerekening - [F Ltd]\n\n [rekeningnummer 9]\n\nNVT\n\nRabo rekening courant - [F Ltd]\n\n [rekeningnummer 10]\n\n?? Opgeheven 2013\n\nPAYPAL [L] .nl\n\n [rekeningnummer 16]\n\nNVT\n\n19. Overzicht binnenland en buitenlands onroerend goed.\n\nA. Zie kopie hypotheekakte voor huis in Frankrijk ( [naam] ) van notaires [notaris] op naam van [belanghebbende], 17\u002F10\u002F2008.\n\nB. ING Lineaire hypotheek: [lineaire hypotheeknummer] . ING heeft de hypotheek nummers gewijzigd in 2012. Het nieuwe nummer werd: [huypotheeknummer] .\n\nC. ING aflossingsvrij hypotheek [Afl. hypotheeknummer 5] . ING heeft de hypotheek nummers gewijzigd in 2012.\n\nD. Zie tevens leenovereenkomsten bij punt 15.\n\n20. Overzicht credit-, debit & overage paycards. Zie tabelen bij 17 & 18.\n\n21. Overzicht pensioen, lijfrentes etc;\n\nA. AEGON lijfrente (polisnummer: [polisnummer 3] )\n\nB. Atos pensioenfonds (relatienummer: [relatienummer] )\n\nC. Centraal beheer (polisnummer: [polisnummer 4] )\n\nD. ABP (klantnummer [klantnummer] )\n\n22. Verhuurcontracten van onroerend. Niet van toepassing geweest.\n\n23. Overzicht ontvangen huren in Nederland periode 2010 t\u002Fm 2015. Niet van toepassing geweest.\n\n24. Kopie van aangiften inkomstenbelasting in [woonplaats] 2010 — 2015.\n\nA. [Belanghebbende] was niet belastingplichting in [woonplaats] in de periode 01\u002F01\u002F2010 —30\u002F09\u002F2013 maar in Nederland.\n\nB. Aangezien [belanghebbende] niet woonachtig is Nederland vanaf 01\u002F10\u002F2013 maar in [woonplaats] , zijn de inkomsten gegevens vanaf 30\u002F09\u002F2013 niet relevant voor de Nederlandse belastingdienst.’\n\n2.11.. De inspecteur heeft bij brief van 8 september 2016, voor zover van belang, als volgt gereageerd:\n\n‘Per brief van 5 april 2016 heb ik u informatie gevraagd over de door u ingediende aangiften\n\ninkomstenbelasting 2010, 2011, 2012, 2013 en 2014. U hebt hierop gereageerd per brief van 17 mei 2016. Naar aanleiding van deze brief en de informatie verkregen uit een boekenonderzoek bij de vennootschappen waar u tot datum liquidatie benoemd was als directeur, vraag ik uw aandacht voor het volgende.\n\nIn mijn brief van 5 april 2016 heb ik u gevraagd om kopieën te verstrekken van de ingediende aangiften inkomstenbelasting in [woonplaats] . In uw brief van 17 mei reageert u op mijn verzoek als volgt:\n\n‘Aangezien [belanghebbende] niet woonachtig is Nederland vanaf 01\u002F10\u002F2013 maar in [woonplaats] , zijn de inkomsten gegevens uit werk vanaf 01\u002F10\u002F2013 niet relevant voor de Nederlandse belastingdienst.’\n\nIn deze brief wil ik nader in gaan op het Nederlandse heffingsbelang ten aanzien van de periode vanaf 1 oktober 2013 en u om aanvullende inlichtingen en bescheiden verzoeken.\n\nHet Nederlandse heffingsbelang\n\nTheoretisch kader – heffingsbelang\n\nEr bestaat een wettelijke grondslag voor de opvraag van de informatie, welke (onder andere) is neergelegd artikel 47 Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). De grondslag van de verplichting tot overlegging van informatie ex artikel 47 AWR zal ik in dit onderdeel nader onderbouwen.\n\nIn artikel 47 AWR is onder andere het volgende bepaald:\n\n'Ieder is gehouden desgevraagd aan de inspecteur.\n\na. de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn\n\nb. de boeken en bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan - zulks ter keuze van de inspecteur - waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing te zijnen aanzien, voor dit doel beschikbaar te stellen'\n\nIn HR 18 april 2003, nr. 38 122, BNB 2003\u002F268, ECLI:NL:HR:2003:AF7498 is in r.o. 3.3. het navolgende opgenomen:3.3.. Het middel faalt ook voorzover daarin wordt betoogd dat belanghebbende niet verplicht was te antwoorden omdat hij nu eenmaal niet beschikte over een vaste inrichting of een vaste vertegenwoordiger hier te lande. Voor het bestaan van die verplichting was voldoende dat de Inspecteur zich — zoals het Hof heeft geoordeeld — op basis van de hem ter beschikking staande informatie in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat de gevraagde gegevens en inlichtingen van belang zouden kunnen zijn, omdat die opheldering zouden kunnen geven over de vraag of belanghebbende een vaste inrichting of een vaste vertegenwoordiger hier te lande had.\n\nUit het arrest van de Hoge Raad kan worden afgeleid, dat de informatie verstrekt moet worden door belastingplichtige als de inspecteur op basis van de hem ter beschikking staande gegevens in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen, dat de gevraagde inlichtingen en gegevens van belang zouden kunnen zijn voor de belastingheffing van belanghebbende. Voor de aanwezigheid van een belang in vorengenoemde zin is slechts vereist dat het gevraagde op zichzelf beschouwd van belang kan zijn voor de belastingheffing (Hoge Raad 8 januari 1986, nr. 23 034, BNB 1986\u002F126 alsmede HR 18 april 2003, nr. 38 122, BNB 2003\u002F268).\n\nDe inspecteur hoeft niet aan te tonen dat het gevraagde van belang is. Het inwinnen van informatie met een beroep op artikel 47 AWR is onder andere mogelijk indien de inspecteur zich een oordeel wilt vormen over de mogelijke belastingplicht van een (rechts)persoon. Dit oordeel kan betrekking hebben op zowel de objectieve als de subjectieve belastingplicht. [1]\n\nDe inspecteur moet wel over feitenmateriaal beschikken op grond waarvan hij in redelijkheid kan vermoeden dat mogelijk sprake is van belastingplicht. [2]. Deze aanwijzingen mogen beperkt zijn, maar niet dusdanig beperkt dat het verder vragen van informatie een 'fishing expedition' wordt. [3] De inspecteur behoeft echter niet te bewijzen of belanghebbende daadwerkelijk inwoner is\u002Fwas van Nederland. Anders gezegd: niet van belang is dat de belastingplicht wordt aangetoond door de inspecteur. De opgevraagde gegevens zouden van belang kunnen zijn, omdat die opheldering zouden kunnen geven over de subjectieve en\u002Fof objectieve belastingplicht van belanghebbende in Nederland. Op de inspecteur rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat hij met zijn informatieverzoek niet de grenzen der redelijkheid heeft overschreden.\n\nVorenstaand kader is onlangs bevestigd in HR 18 december 2015, nr. 15\u002F00040 ECLI:NL:HR:2015:3603. Met name wordt in dit verband gewezen op no. 2.4.3.:2.4.3.. Het Hof heeft bij zijn beoordeling van het geschil in onderdeel 4.2 van zijn uitspraak terecht als uitgangspunt genomen het arrest BNB 2003\u002F268. Evenwel heeft het Hof in onderdeel 4.5, na te hebben geoordeeld dat op zijn minst twijfels bestaan over het antwoord op de vraag of de werkelijke leiding van belanghebbende bij het statutaire bestuur berustte, overwogen dat het erom gaat dat de Inspecteur een begin van bewijs levert op grond waarvan een vermoeden bestaat dat de werkelijke leiding in Nederland ligt. Vervolgens heeft het in onderdeel 4.6 van zijn uitspraak geoordeeld dat het in de stukken van het geding waarop de Inspecteur zich beroept ter staving van zijn vermoeden nog geen begin van bewijs heeft gezien dat de feitelijke leiding mogelijk aanwezig is in Nederland. Hetgeen het Hof in onderdeel 4.5 van zijn uitspraak heeft overwogen strookt niet met het in onderdeel 4.2 ervan verwoorde uitgangspunt, aangezien het in dat onderdeel 4.5 overwogene een verdergaande eis aan het door de Inspecteur te leveren bewijs behelst dan uit het in onderdeel 4.2 neergelegde uitgangspunt voortvloeit. Doordat onderdeel 4.5 van zijn uitspraak in dit opzicht niet overeenstemt met onderdeel 4.2 ervan kan uit 's Hofs uitspraak niet worden opgemaakt of het Hof een juiste rechtsopvatting ten grondslag heeft gelegd aan zijn oordeel in onderdeel 4.6 van zijn uitspraak. In het bijzonder kan uit 's Hofs uitspraak niet worden opgemaakt wat het Hof van de Inspecteur heeft verlangd voor het voeden van de veronderstelling dat belanghebbende belastingplichtig is in Nederland. Derhalve heeft het Hof onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang. Het middel slaagt in zoverre.\n\nTheoretisch kader toegepast op uw situatie.\n\nUit het arrest van de Hoge Raad van 18 december 2015 kan worden afgeleid, dat de informatie verstrekt moet worden door belastingplichtige als de inspecteur op basis van de hem ter beschikking staande gegevens in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen, dat de gevraagde inlichtingen en gegevens van belang zouden kunnen zijn voor de belastingheffing van belanghebbende.\n\nOp grond van de navolgende gegevens ben ik van mening dat ik aan u informatie kan op vragen op grond van artikel 47 AWR.\n\nIn artikel 7.1 van de Wet Inkomstenbelasting 2001 is de volgende bepaling opgenomen:\n\n“Ten aanzien van de buitenlandse belastingplichtige wordt de inkomstenbelasting geheven over het door hem in het kalenderjaar genoten:\n\na. belastbare inkomen uit werk en woning in Nederland;\n\nb. belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap en\n\nc. belastbare inkomen uit sparen en beleggen in Nederland.\"\n\nIn artikel 7.2 Wet IB is dit nader uitgewerkt:\n\n\"1.Het belastbare inkomen uit werk en woning in Nederland is het inkomen uit werk en woning in Nederland verminderd met de verliezen uit werk en woning, berekend overeenkomstig de regels van hoofdstuk 3 en verminderd, met overeenkomstige toepassing van de artikelen 6.2., 6.2a en 6.31, met uitgaven voor monumentenpanden.\n\n2. Het inkomen uit werk en woning in Nederland is het gezamenlijke bedrag van:\n\na.de belastbare winst uit Nederlandse onderneming, dat is de belastbare winst, bedoeld in de\n\nartikelen 3.2 en 3.3 uit een onderneming die, of het gedeelte van een onderneming dat wordt\n\ngedreven met behulp van een vaste inrichting in Nederland of een vaste vertegenwoordiger in\n\nNederland (Nederlandse onderneming);...”\n\nUit informatie verkregen uit een derdenonderzoek is gebleken dat u via een Nederlandse\n\ntussenpersoon (onderneming) bij een Nederlandse eindopdrachtgever consultancywerkzaamheden (heeft) verricht.\n\nIn artikel 10 lid 1 van de Wet op de loonbelasting is het volgende opgenomen:\n\n\"Loon is al hetgeen uit een dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking wordt genoten, daaronder mede begrepen hetgeen wordt vergoed of verstrekt in het kader van de dienstbetrekking.\"\n\nAlle voordelen uit dienstbetrekking behoren tot het loon. Het voordeel behoeft daarbij niet steeds het resultaat van verrichte arbeid te zijn. De basis is de rechtsverhouding die als dienstbetrekking wordt aangemerkt. De ontvangen beloning moet gekoppeld kunnen worden aan de dienstbetrekking als bron van die beloning. Er is sprake van loon als het genoten voordeel, rekening houdend met de maatschappelijke opvattingen, geacht kan worden zakelijk aan de dienstbetrekking te kunnen worden toegerekend.\n\nMogelijk hebt u na liquidatie de van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen, voordelen ontvangen die, voortkomen uit de (voormalig) dienstbetrekking.\n\nIk ben van mening dat ik mij op het standpunt kan stellen dat er sprake is van een (mogelijk)\n\nNederlands heffingsbelang.\n\nVerzoek om informatie\n\nIk wil u verzoeken alle vragen zo uitgebreid mogelijk te beantwoorden en de antwoorden te voorzien van alle onderliggende communicatie. Daarmee bedoel ik (maar niet uitsluitend) agenda-items, telefoonnotities, emailverkeer, sms, notities, overeenkomsten, faxen, facturen en dergelijke.\n\n1. Kopie aangifte inkomstenbelasting 2013, 2014 en 2015 [woonplaats] .\n\n2. Kopie aanslagen inkomstenbelasting door u werden betaald in [woonplaats] .\n\n3. Overzicht van opdrachtgevers waarvoor u consultancywerkzaamheden heeft verricht in de periode na uw emigratie naar [woonplaats] tot heden, inclusief plaats van tewerkstelling en onderbouwende documentatie waaruit de opdrachtgever (en eindopdrachtgever) blijkt, de vestigingsplaats van de opdrachtgever (en eindopdrachtgever) blijkt.\n\n4. Kopie van opdrachtbevestigingen en contracten (eind)opdrachtgevers over de periode 2008 (eenmanszaak) en na 1 oktober 2013 tot heden.\n\n5. Hebt u de consultancywerkzaamheden na verhuizing naar [woonplaats] in dienstverband verricht voor een werkgever?\n\na. Zo ja; gegevens van de werkgever\u002Fvennootschap;\n\nb. Kopie arbeidscontract;\n\nc. Hebt u een aanmerkelijk belang in deze vennootschap? Zo ja: kopie jaarrekeningen vanaf datum oprichting tot en met heden danwel liquidatiedatum.\n\n6. Kopie bankrekening-mutaties van alle door u gehouden buitenlandse bankrekeningen 2013, 2014 en 2015 (van belang in verband met mogelijke betalingen welke verband houden met [E Ltd] en voortkomen uit het dienstverband met [F Ltd]\n\n ).\n\n7. Kopieën van mutaties op uw American Expresskaart 2011 tot en met 2015.\n\n8. Een overzicht van alle voordelen welke u direct of indirect hebt verkregen uit [F Ltd] tussen 19 maart 2008 en heden. Behoudens uw direct verloonde salaris.\n\n9. Overzicht van alle toezeggingen die u heeft verkregen van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen.\n\n10. Kopieën van alle communicatie vanuit privé met [E Ltd] (Cyprus) en vice versa.\n\n11. Kopieën van alle onderliggende stukken betreffende de oprichting van [F Ltd] .\n\n12. Kopieën van alle onderliggende stukken betreffende de inbreng van alle werkcontracten (bijvoorbeeld uw consultancy werkzaamheden voor de eindopdrachtgever [H] ).\n\n13. Kopieën van alle onderliggende stukken en communicatie betreffende de verkoop van de aandelen [F Ltd] .\n\n14. Een onderbouwing van de verkoopprijs aandelen waarbij u ook een toelichting geeft op de hoogte van de verkoopprijs aandelen in relatie met het toegekende (interim)dividend van\n\n2008 ad € 100.000,= en 2009 ad € 12.000,=.\n\n15. Kopie van het bankafschrift waar de ontvangst van verkoopprijs aandelen in is vermeld. 16. Is het toegekende dividend in 2008 en 2009 ook als lening door [E Ltd] aan u verstrekt? Zo ja;\n\na. Kopieën van banafschrift(en) waarop lening(en) is (zijn) gestort;\n\nb. Kopie leningsovereenkomsten;\n\nc. Kopieën van alle onderliggende stukken en communicatie betreffende deze leningen.\n\n17. Voor zover u deze niet al heeft verstrekt bij uw brief van 17 mei 2016: Alle lening overeenkomsten afgesloten met [E Ltd] en\u002Fof haar bovenliggende moedermaatschappijen en\u002Fof haar deelnemingen in Nederland vanaf datum\n\noprichting tot en met afwikkeling van de leningen danwel tot op heden.\n\n18. Kopieën van alle communicatie met [E Ltd] (Cyprus) en\u002Fof haar bovenliggende moedermaatschappijen inzake het aangaan, de rentebetalingen en afwikkeling van de leningen.\n\n19. Bankafschriften van alle rentebetalingen die zijn gedaan voor alle leningen ontvangen van [E Ltd] en\u002Fof haar deelnemingen in Nederland.\n\n20. Kopieën van alle communicatie rondom overdracht en\u002Fof afwikkeling van de leningen na liquidatiedatum van [E Ltd] en haar deelnemingen in Nederland.\n\n21. Opgave van alle voordelen die u hebt genoten na aanleiding van liquidatie van [E Ltd]\n\n en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen met\n\nkopieën van alle onderliggende stukken.\n\n22. Kopie notariële akten lening verkregen van [E Ltd] en\u002Fof deelnemingen in Nederland ten behoeve van onroerend goed.\n\n23. Hebt u in de periode 2008 tot en met heden een schenking ontvangen van [E Ltd] en\u002Fof haar bovenliggende moedermaatschappijen en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen? Zo ja graag kopieën van alle onderliggende stukken en stortingsbewijs.\n\n24. U hebt in box 3 aandelen in [B] verantwoord;\n\na. Kopieën betreffende alle onderliggende stukken en communicatie betreffende de verwerving van deze aandelen;\n\nb. Welke rechten zijn aan deze aandelen verbonden, graag kopieën van alle onderliggende stukken.\n\nc. Specificatie van de voordelen verkregen uit deze aandelen en kopieën van alle onderliggende stukken.\n\nAanmerkelijk belang\n\nIn hoofdstuk 4 van de Wet Inkomstenbelasting 2001 is een regeling opgenomen voor een aandeelhouder met een 'aanmerkelijk belang' in een vennootschap. Op grond van deze wetgeving valt het inkomen dat een 'ab-houder' geniet uit zijn aanmerkelijk belang in box 2. Het belastingtarief van box 2 is 25%. In box 2 worden reguliere voordelen zoals dividend en andere winstuitkeringen belast maar ook vervreemdingsvoordelen. U hebt o.a. een aanmerkelijk belang als u, eventueel samen met uw fiscale partner, direct of indirect minimaal 5% had van:\n\n- de aandelen (ook per soort) in een binnen- of buitenlandse vennootschap de winstbewijzen van een binnen- of buitenlandse vennootschap\n\n- de genotsrechten (ook per soort) van de aandelen in een binnen- of buitenlandse vennootschap\n\n- de genotsrechten (ook per soort) van de winstbewijzen in een binnen- of buitenlandse vennootschap.\n\nVraag:\n\n25. Bent u en\u002Fof uw partner (…) op enig wijze de Ultimate Beneficiary Owner(s) (geweest) van [G Ltd] tussen 19 maart 2008 en opheffingsdatum. Graag met overzicht van de periode(n) waarin u de UBO bent geweest, alsmede de wijze waarop u UBO bent geweest.\n\nInformatie verplichting\n\nGewezen wordt op de toepassing van artikel 47, lid 1, onderdeel a en b van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR). Op grond van dit artikel bent u verplicht de gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken. In artikel 49 AWR is bepaald dat deze gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud moeten worden verstrekt op de aangegeven wijze en binnen een door de inspecteur te stellen termijn.\n\nIndien u de gevraagde gegevens en inlichtingen, onjuist of onvolledig verstrekt pleegt u een strafbaar feit als omschreven in artikel 68 en 69 AWR.\n\n[1] Rechtbank Gelderland 4 juni 2013, nr. AWB 12\u002F4041, LJN CA1899, ECLI:NL:RBGEL:2013:CA1899.\n\n[2] Hoge Raad 18 april 2003, nr. 38122, LJN AF7498, BNB 2003\u002F268, Hoge Raad 28 mei 1986, nr. 23784, LJN AW8017, BNB 1986\u002F238, Hoge Raad 8 januari 1986, nr. 23034, LJN AW8125, BNB 1986\u002F128.\n\n[3] Hof ’s-Hertogenbosch 28 november 2014, nr. 14-00447.’\n\n2.12.. Belanghebbende heeft bij brief van 27 september 2016 op de onder 2.11 vermelde brief, voor zover van belang, als volgt gereageerd:\n\n‘A. Op pagina 3 geeft uw aan:\" Uit informatie verkregen uit een derdenonderzoek is gebleken dat u via een Nederlandse tussenpersoon (onderneming) bij een Nederlandse eindopdrachtgever consultancywerkzaamheden (heeft) verricht\".Vervolgens geeft u uitleg over al hetgeen dat onder loon kan worden verstaan.\n\n1. Ik werkte inderdaad vanuit [woonplaats] waar ik woon via een in Nederland gevestigde tussenpersoon. De werkzaamheden werden in [woonplaats] uitgevoerd met behulp van collaboration\u002Fvirtual tools (internet). Fysieke aanwezigheid in Nederland werd niet verlangt van de eindopdrachtgever. Derhalve, ik heb niet \"bij een Nederlandse eindopdrachtgever consultancywerkzaameheden verricht\" maar voor een Nederlandse eindopdrachtgever werkzaamheden verricht. De eindopdrachtgever is een internationaal bedrijf met veel kantoren in diverse landen, een bewust beleid heeft gevoerd om interne en externe medewerkers zoveel mogelijk thuis te laten werken om kantoorkosten te verminderen en om de work\u002Fhealth balance van medewerkers te ondersteunen.\n\n2. Zie mijn brief van 17 mei 2016 waarin ik heb aangegeven niet meer in Nederland te wonen vanaf 30\u002F9\u002F2013 waarvoor tevens bewijs (bijlagen) zijn aangeleverd. Indien u het hier niet mee eens bent, verzoek u ik dit gaarne te onderbouwen.\n\n3. Ik constateer verder dat u zeer persoonlijke gegevens (privacy) opvraagt van mij over de periode na 30\u002F9\u002F2013 (bijv. alle bankrekening mutaties na 30\u002F9\u002F2013) wanneer ik niet meer in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig), zonder eerst (bewust of onbewust) uw standpunt A. te veriferen bij mij of deze (bewust of onbewust) enigzins concreet aannemelijk te maken. Dit is mijn inziens onredelijk welk wordt bevestigd door mijn onderbouwing aangegeven in A.1.\n\n4. U geeft aan tot uw standpunt te komen o.b.v. informatie verkregen uit een\n\nderdenonderzoek. In uw brief geeft u geen verdere gedetailleerde informatie hierover. Bijvoorbeeld de bronen van de verkregen informatie of de documenten\u002Fbewijsmaterialen welk zijn verkregen uit het derdenonderzoek waarop u uw standpunt heeft gebaseerd. Ik constateer verder dat u zeer persoonlijke gegevens (privacy) opvraagt van mij over de periode na 30\u002F9\u002F2013 (bijv. alle bankrekening mutaties na 30\u002F9\u002F2013) wanneer ik niet meer in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig) zonder de betrouwbaarheid en\u002Fof de bewijsstukken van deze informatie eerst door mij te laten veriferen of te weerleggen. Dit is mijn inziens onredelijk welk wordt bevestigd door mijn onderbouwing aangegeven in A.1.\n\n5. Op basis van punten A.1., A.2., A.3. & A.4. ben ik derhalve (principieel) van mening dat ik u geen informatie hoef te verstrekken m.b.t. de periode na 30\u002F9\u002F2013 aangezien ik niet in Nederland binnenlands belastingplichtig ben. Hierdoor ben ik van oordeel dat u op een 'fishing expedition' uit bent m.b.t. dit standpunt.\n\nB. U geeft aan op pagina 4: \"Mogelijk hebt u no liquidatie de van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen, voordelenontvangen die, voortkomen uit de (voormalig) dienstbetrekking\".\n\n1. Ik heb begrepen dat [E Ltd] is opgeheven na 30\u002F9\u002F2013. Derhalve is uw standpunt niet relevant, zie punt A. 2. hierboven.\n\n2. In uw brief heb ik niet kunnen achterhalen op basis van welk informatie u tot uw standpunt komt. Hierdoor geeft u mij geen mogelijkheid (bewust of onbewust) om u standpunt op gerichte wijze te weerleggen voorafgaand aan u verzoek te moeten voldoen om zeer persoonlijke gegevens te verstrekken over de periode dat ik niet in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig). Dit is mijn inziens onredelijk.\n\n3. U vraagt specifieke informatie (zie vraag 21) in dezelfde brief waarin u al een standpunt daarover heeft geformuleerd en waarbij u tevens geen aannamelijke onderbouwing geeft bij u ingenomen standpunt. Dit zou kunnen betekenen dat u weinig of geen aannamelijk onderbouwing heeft voor u ingenomen standpunt. Dit is derhalve mijn inziens onredelijk mede gelet op de zeer persoonlijke informatie (privacy) die u daarbij opvraagt (bijv. vraag 6 - alle bankrekening mutaties na 30\u002F9\u002F2013) over de periode dat ik niet meer in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig).\n\n4. Gelet B. 1., B2. & B3., ben ik derhalve (principieel) van mening dat ik u geen informatie hoef te verstrekken m.b.t. de periode na 30\u002F9\u002F2013 voor standpund B. Hierdoor ben ik van oordeel dat u op een 'fishing expedition' uit bent m.b.t dit standpunt.\n\nC. Ik verzoek ik u in verdere correspondentie:\n\n1. Specifieker aan te geven welke wetten of rechtelijke uitspraken (\"Theoretisch kaderheffingsbelang') volgens u van toepassing zijn (\"theoretisch kader toegepast op uw situatie\") voor elk standpunt dat u aandraagt (zie hierboven A. & B.). Dit is (bewust of onbewust) onduidelijk en onzorgvuldig in u brief.\n\n2. Specifieker aan te geven welke vragen volgens u corresponderen met elk standpunt die u aandraagt. Dit is (bewust of onbewust) onduidelijk en onzorgvuldig in u brief.\n\n3. Specifieker aan te geven waarom u vragen stelt over [G Ltd] en [F Ltd] (zie bijv. 4, 7, 11, 12, 13, 14,15 etc) in een brief die als doel heeft mijn aangifte inkomstenbelasting (prive persoon) te behandelen. Dit is (bewust of onbewust) onduidelijk en onzorgvuldig in u brief.\n\n4. Gelet op C3., zou (bewust of onbewust) de indruk door u gewekt kunnen worden dat het boekenonderzoek van [F Ltd] integraal en\u002Fof vermengd kan worden met mijn aangifte inkomstenbelasting. Dit is (bewust of onbewust) onduidelijk en onzorgvuldig in u brief.\n\n5. Specifieker aan te geven waarom u bij sommige vragen (bijv. 4, 8, 17) informatie aanvraagt voorafgaand of na de periode waarover u de aangiften inkomstenbelasting in beschouwing neemt (2010 t\u002Fm 2014). Dit is (bewust of onbewust) onduidelijk en onzorgvuldig in u brief.\n\n6. Ik heb op de website van de belastingdienst vernomen \"U kunt een navorderingsaanslag krijgen binnen 5 jaar na het einde van het belastingtijdvak waarin uw belastingschuld is ontstaan (meestal het kalenderjaar).' U heeft niet aangegeven in uw brieven waarom u m.b.t. de aangifte inkomstenbelasting het jaar 2010 in beschouwing neemt. Dit is (bewust of onbewust) onduidelijk en onzorgvuldig in u brieven.\n\n7. De rechtelijke uitspraken die u noemt verwijzen naar teksten welke vervolgens niet zijn opgenomen in uw brief. Dit maakt het kunnen beoordelen of het aan gedragen theoretisch kader uberhoudt relevant is (bewust of onbewust) erg moeilijk en tevens de indruk wekt dat alleen die teksten zijn opgenomen welke uw standpunten onderbouwen. Dit is (bewust of onbewust) onduidelijk en onzorgvuldig in u brief. Derhalve wordt verzocht alle relevante teksten op te nemen in uw toekomstige brieven.. Ik zou het opprijs stellen als u dit alsnog zou kunnen doen m.b.t. uw brief van 8 september 2016.\n\n8. Een kopie mee te sturen van alle volledige rechterlijke uitspraken (BNB's) welk door u genoemd worden in uw brief en u toekomstige brieven als onderbouwing van uw standpunten. Dit gelet op het feit dat ik niet over een juridische bibliotheek bezit er derhalve niet kan beoordelen of de (volledige) rechterlijke uitspraken die u aandraagt om u standpunt te onderbouwen daadwerklijk van toepassing kunnen zijn. Dit is mijn inziens onredelijk. Ik zou het opprijs stellen als u dit alsnog zou kunnen doen m.b.t. uw brief van 8 september 2016.\n\n9. Op pagina 4 geeft u aan \"Ik wil u verzoeken all vragen zo uitgebreid mogelijk te beantwoorden en de antwoorden te voorzien van alle onderliggende communicatie. Daarmee bedoel ik (maar niet uitsluitend) agenda-items, telefoonnoties, emailverkeer, sms, notities, overeenkomsten, foxen, facturen endergelijk.' Gelet op het feit dat u for beide standpunten (A. & B.) geen concrete of aannamelijke onderbouwing aandraagt (zie o.a. A3, A4, B2 & B3) zou u verzoek omzo uitgebreid mogelijkte beantwoorden (bewust of onbewust) als het ware tot een sleepnet actie kunnen leiden. Indien uw standpunten (aannemelijk) onderbouwd werden, zou ik alleen die informatie hoeven aan te dragen welk specifiek en relevant zijn om u standpunten te weerleggen. U verzoek is derhalve mijn inziens onredelijk mede gelet op de zeer persoonlijke informatie (privacy)b die u daarbij opvraagt (bijv. vraag 6 – alle bankrekening mutaties na 30\u002F9\u002F2013) over de periode dat ik niet meer in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig) alsmede de onduidelijke relevantie van een aantal van uw vragen (zie bijvoorbeeld C3, C4, C5, C6).\n\n10. Gelet op D 1 t\u002Fm D 9 leidt mij verder te beoordelen dat u op een fishing expedition uit bent m.b.t u standpunten genoemd in A & B.\n\nD. Gelet op punt A. 4., B.4. & C.10, zijn al uw vragen in uw brief van 8 september 2016 en uw vorige brieven beantwoordt welke relevant zijn tot de periode 30\u002F9\u002F2013.\n\nDe vragen zoals door u gesteld, zijn hier beneden beantwoordt waarbij de hierboven beschreven punten (A, B & C) in rekening zijn genomen.\n\nZoals uit mijn vorige brieven en deze brief blijkt, wens ik mee te werken met uw aangiften inkomstenbelasting onderzoek.\n\n(…)\n\n1. Kopie aangifte inkomstenbelasting 2013, 2014 & 2015 [woonplaats] .\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie C5 hierboven\n\n• Voor periode 1\u002F1\u002F2011- 30\u002F9\u002F2013 is informatie al eerder aangeleverd.\n\n2. Kopie aanslagen inkomstenbelasting betaald in [woonplaats] .\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie C5 hierboven\n\n3. Overzicht opdrachtgevers na emigratie.\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie C5 hierboven\n\n4. Kopie opdrachtbevestigingen en contracten 2008 t\u002Fm heden.\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie C3, C4, C5 & C6 hierboven.\n\n• Opdrachten\u002Fcontracten van [G Ltd] zijn in de brief van 29 augustus 2016 reeds aangeleverd mbt boekenonderzoek [E Ltd] .\n\n5. Consultancywerkzaamheden na verhuizing naar [woonplaats] .\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D hierboven.\n\n• Niet relevant zie C5 hierboven.\n\n6. Kopie bankrekeningen mutaties 2013-2015\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie C5.\n\n• Voor 2013 (tot 30\u002F9\u002F2013) is in mijn vorige brief van 17 mei 2016 de verloopstaten van de Franse bankrekening als bijlage opgenomen.\n\n7. Kopieen mutaties American Expresskaart 2011-2015.\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie C3, C4, C5 & C6.\n\n8. Overzicht van alle voordelen verkregen uit [F Ltd] .\n\nBehoudens direct salaris tussen 19 maart 2008 en heden.\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie CS & C6 hierboven.\n\n• Geen voor periode 1\u002F1\u002F2011 tot 30\u002F9\u002F2013.\n\n9. Overzicht van alle toezeggingen [E Ltd] .\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie C5& C6 hierboven.\n\n• Geen voor periode 1\u002F1\u002F2011 tot 30\u002F9\u002F2013.\n\n10. Kopieen van alle communicatie vanuit prive met [E Ltd] .\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Zie mijn eerdere brief 17 mei 2016 (leningsoverenkomsten) voor periode 1\u002F1\u002F2011 tot 30\u002F9\u002F2013\n\n11. Kopieen onderliggende stukken betreffende de oprichting [F Ltd]\n\n .\n\n• Niet relevant zie C3, C4, CS & C6 hierboven.\n\n12. Kopieen stukken betreffende de inbreng van alle werkcontracten.\n\n• Niet relevant zie C3, C4, CS & C6 hierboven.\n\n13. Kopieen stukken beftreffende de verkoop van de aandelen [F Ltd]\n\n .\n\n• Niet relevant zie C3, C4, CS & C6 hierboven.\n\n• Onduidelijk over welke verkoopprijs van de aandelen u op doelt?\n\n14. Onderbouwing van de verkoopprijs aandelen en toelichting hoogte verkoopprijs aandelen in relatie dividend van 2008 & 2009.\n\n• Niet relevant zie C3, C4, CS & C6 hierboven\n\n• Onduidelijk over welke verkoopprijs van de aandelen u op doelt?\n\n15. Kopie van het bankafschrift waar de ontvangst van de verkoopprijs aandelen is vermeld.\n\n• Niet relevant zie D3, D4, DS & D6 hierboven\n\n• Onduidelijk over welke verkoopprijs van de aandelen u op doelt?\n\n16. Is het dividend in 2008 en 2009 ook als lening aan u vestrekt door [E Ltd] ?\n\n• Niet relevant zie CS & C6 hierboven.\n\n17. Alle leningsovereenkomsten afgesloten met [E] .\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie CS & C6\n\n• Zie brief 17 mei 2016 voor de periode tot 1\u002F1\u002F2011 tot 30\u002F9\u002F2013 (leningsovereenkomsten).\n\n18. Kopieen van alle communicatie rente betalingen en afwikkeling leningen met [E Ltd]\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie CS & C6\n\n• Zie brief 17 mei 2016 voor de periode 1\u002F1\u002F2011 tot 30\u002F9\u002F2013 (leningsovereenkomsten).\n\n19. Bankafschriften van rentebetalingen leningen [E Ltd] .\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie CS & C6\n\n• Zie bijlagen voorde periode 1\u002F1\u002F2011 tot 30\u002F9\u002F2013\n\n20. Kopieen van alle communicatie van leningen na liquidatiedatum [E Ltd] .\n\n• Ik heb begrepen dat [E Ltd] is opgeheven na 30\u002F9\u002F2013.\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n21. Opgave van alle voordelen die u hebt genoten n.a.v. liquidatie [E Ltd] of Nederlandse deelnemingen.\n\n• Zie vraag 20.\n\n• Zie vraag 8\n\n22: Kopie notariele akten leningen van [E] .\n\n• Er bestaan geen notariele akten.\n\n23. Hebt u in de periode 2008 tot op heden schenkingen ontvangen van [E Ltd]\n\n of bovenliggende moedermaatschappijen?\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Nee.\n\n24. Aandelen [B]\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven\n\n• Niet relevant zie C4 & C5\n\n• Zie bijlage\n\n25. Bent u en\u002Fof partner ultimate beneficiary owner geweest van [G Ltd] tussen 19 maart 2008 en opheffing.\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven\n\n• Nee”\n\n2.13.. De inspecteur heeft bij brief van 13 oktober 2016, voor zover van belang, als volgt gereageerd:\n\n‘A. Met betrekking tot de informatie welke ik heb verkregen uit een derdenonderzoek, waaruit blijkt dat u na opheffing van [G Ltd] op 1 oktober 2013 via dezelfde Nederlandse tussenpersoon bij dezelfde Nederlandse eindopdrachtgever dezelfde consultacywerkzaamheden bent blijven uitvoeren, stelt u het volgende:\n\n1. \"Ik werkte inderdaad vanuit [woonplaats] waar ik woon via een in Nederland gevestigde tussenpersoon. De werkzaamheden werden in [woonplaats] uitgevoerd met behulp van collaboration\u002Fvirtual tools (internet). Fysieke aanwezigheid in Nederland werd niet verlangt van de eindopdrachtgever. Derhalve, ik heb niet \"bij een Nederlandse eindopdrachtgever consultancywerkzaameheden verricht maar voor een Nederlandse eindopdrachtgever werkzaamheden verricht. De eindopdrachtgever is een internationaal bedrijf met veel kantoren in diverse landen, een bewust beleid heeft gevoerd om interne en externe medewerkers zoveel mogelijk thuis te laten werken om kantoorkosten te verminderen en work\u002Fhealth balance balance van medewerkers te ondersteunen.\"\n\nUit mijn informatie blijkt dat u tot 1 oktober 2013 woon-werkverkeer heeft gedeclareerd, welke is onderbouwd als dagelijks reizen naar de werkplek in [plaats 1] . Uit onze informatie blijkt dat uw werkzaamheden ook in [plaats 1] plaats hebben gevonden. Uit verdere informatie is geen wijziging opgetreden ten aanzien van de plaats van tewerkstelling. Ik moet dan verder constateren dat u uw stelling van thuiswerken niet heeft onderbouwd met documentatie, waaruit blijkt dat u vanaf 1 oktober 2013 voor uw werkzaamheden niet langer op de werkplek in [plaats 1] aanwezig hoefde te zijn. Ik verzoek u dan ook uw stelling met documentatie te onderbouwen.\n\n2. \"Zie mijn brief van 17 mei 2016 waarin ik heb aangegeven niet meer in Nederland te wonen vanaf 30\u002F9\u002F2013 waarvoor tevens bewijs (bijlagen) zijn aangeleverd. Indien u het hier niet mee eens bent, verzoek u ik dit gaarne te onderbouwen.\"\n\nVooralsnog volg ik u in uw stelling dat u vanaf 1 oktober 2013 in [woonplaats] woonachtig bent. Dit laat onverlet dat inkomsten uit werkzaamheden in Nederland na 1 oktober 2013 mogelijk in Nederland belast zijn. Indien deze werkzaamheden door u in [woonplaats] over de jaren 2013 en verder zijn aangegeven, zou dit een nadere onderbouwing kunnen zijn voor het uitvoeren van de werkzaamheden door u in [woonplaats] en de belastbaarheid van deze werkzaamheden in [woonplaats] .\n\n3. “Ik constateer verder dat u zeer persoonlijke gegevens (privacy) opvraagt van mij over de periode na 30\u002F9\u002F2013 (bijv. alle bankrekening mutaties na 30\u002F9\u002F2013) wanneer ik niet meer in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig), zonder eerst (bewust of onbewust) uw standpunt A. te veriferen bij mij of deze (bewust of onbewust) enigzins concreet aannemelijk te maken. Dit is mijn inziens onredelijk welk wordt bevestigd door mijn onderbouwing aangegeven in A.1.\"\n\n4. \"U geeft aan tot uw standpunt te komen o.b.v. informatie verkregen uit een derdenonderzoek. In uw brief geeft u geen verdere gedetailleerde informatie hierover. Bijvoorbeeld de bronen van de verkregen informatie of de documenten\u002Fbewijsmaterialen welk zijn verkregen uit het derdenonderzoek waarop u uw standpunt heeft gebaseerd. Ik constateer verder dat u zeer persoonlijke gegevens (privacy) opvraagt van mij over de periode na 30\u002F9\u002F2013 (bijv. alle bankrekening mutaties na 30\u002F9\u002F2013) wanneer ik niet meer in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig) zonder de betrouwbaarheid en\u002Fof de bewijsstukken van deze informatie eerst door mij te laten veriferen of te weerleggen. Dit is mijn inziens onredelijk welk wordt bevestigd door mijn onderbouwing aangegeven in A. 1.\"\n\n5. \"Op basis van punten A. 1., A. 2., A.3. & A.4. ben ik derhalve (principieel) van mening dat ik u geen informatie hoef te verstrekken m.b.t. de periode na 30\u002F9\u002F2013 aangezien ik niet in Nederland binnenlands belastingplichtig ben. Hierdoor ben ik van oordeel dat u op een 'fishing expedition' uit bent m.b.t. dit standpunt.\"\n\nIk merk op dat u op basis van artikel 47 AWR gehouden bent desgevraagd aan de inspecteur de gegevens en inlichten te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn. De onderbouwing van het mogelijk fiscaal belang heb ik reeds in mijn brief van 8 september 2016 aan u medegedeeld. Ik verwijs u hiervoor dan ook naar mijn brief van 8 september 2016 en adviseer u, bij onduidelijkheid over uw juridische positie, advies in te winnen van een fiscaal adviseur.\n\nB. Ten aanzien van de mogelijk ontvangen voordelen voortkomend uit de (voormalige)\n\ndienstbetrekking, heeft u het volgende medegedeeld:\n\n1. \"Ik heb begrepen dat [E Ltd] is opgeheven na 30\u002F9\u002F2013. Derhalve is uw standpunt niet relevant, zie punt A. 2. hierboven. \"\n\nIk wil u erop attenderen dat ook voordelen uit een voormalige dienstbetrekking eveneens leiden tot fiscaal belast inkomen. Het opheffen van een entiteit leidt niet automatisch tot beëindiging van voordelen voorkomend uit (een (voormalige) dienstbetrekking bij) deze entiteit.\n\n2. \"In uw brief heb ik niet kunnen achterhalen op basis van welk informatie u tot uw standpunt komt. Hierdoor geeft u mij geen mogelijkheid (bewust of onbewust) om u standpunt op gerichte wijze te weerleggen voorafgaand aan u verzoek te moeten voldoen om zeer persoonlijke gegevens te verstrekken over de periode dat ik niet in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig). Dit is mijn inziens onredelijk.\"\n\n3. \"U vraagt specifieke informatie (zie vraag 21) in dezelfde brief waarin u al een standpunt daarover heeft geformuleerd en waarbij u tevens geen aannamelijke onderbouwing geeft bij u ingenomen standpunt. Dit zou kunnen betekenen dat u weinig of geen aannamelijk onderbouwing heeft voor u ingenomen standpunt. Dit is derhalve mijn inziens onredelijk mede gelet op de zeer persoonlijke informatie (privacy) die u daarbij opvraagt (bijv. vraag 6- alle bankrekening mutaties na 30\u002F9\u002F2013) over de periode dat ik niet meer in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig).\"\n\n4. \"Gelet B. 1., B2. & 83., ben ik derhalve (principieel) van mening dat ik u geen informatie hoef te verstrekken m.b.t. de periode na 30\u002F9\u002F2013 voorstandpund B. Hierdoorben ik van oordeel dat u op een 'fishing expedition' uit bent m.b.t dit standpunt.\"\n\nIk herhaal hetgeen in onder A3, A4 en A5 reeds heb opgemerkt.\n\nOnder C. en D. merk ik samengevat op, dat u stelt dat ik u onvoldoende informatie heb verstrekt om mijn standpunt te onderbouwen. Hierop herhaal ik dat ik het fiscaal belang in mijn brief van 8 september 2016 afdoende heb onderbouwd. De in mijn brief opgenomen jurisprudentie kunt u integraal op internet terugvinden onder de door mij opgenomen uitspraaknummers.\n\nIk herhaal mijn advies dat u, bij onduidelijkheid over uw juridische positie, advies kan inwinnen bij een fiscaal adviseur.\n\nTen aanzien van de door mij in mijn brief van 8 september 2016 gestelde vragen, merk ik op dat u geen van de vragen heeft beantwoord, met uitzondering van vraag 22, 23 en 25. Met betrekking tot uw antwoorden op vraag 23 en 25 merk ik op dat ik informatie heb ontvangen, welke tegenstrijdig is met de door u verstrekte antwoorden op vraag 23 en 25.\n\nVoor de vragen die toezien op de periode van voor 2011, is het volgende van toepassing. De aandeelhouder van [F Ltd] is een in Cyprus gevestigde entiteit. Indien de aandeelhouder u een beloning heeft verstrekt op basis van uw werkzaamheden voor [G Ltd] , dan is er mogelijk sprake van in het buitenland opgekomen inkomen, waarop de verlengde navorderingstermijn van 12 jaar van toepassing is.\n\nOm een lang correspondentietraject te voorkomen, roep ik u op voor een gesprek met u in persoon op het Belastingkantoor te Utrecht. Dit gesprek kan plaatsvinden op één van de navolgende datums:\n\n 1 november 2016;\n\n 3 november 2016;\n\n 14 november 2016;\n\n 15 november 2016; of\n\n 17 november 2016.\n\nBij dit gesprek verzoek ik u om de navolgende informatie mee te nemen:\n\n1. Kopie aangifte inkomstenbelasting 2013, 2014 en 2015 [woonplaats] .\n\n2. Kopie aanslagen inkomstenbelasting door u werden betaald in [woonplaats] .\n\n3. Overzicht van opdrachtgevers waarvoor u consultancywerkzaamheden heeft verricht in de periode na uw emigratie naar [woonplaats] tot heden, inclusief plaats van tewerkstellingen onderbouwende documentatie waaruit de opdrachtgever (en eindopdrachtgever) blijkt, de vestigingsplaats van de opdrachtgever (en eindopdrachtgever) en de plaats van tewerkstelling blijkt.\n\n4. Kopie van opdrachtbevestigingen en contracten (eind)opdrachtgevers over de periode 2008 (eenmanszaak) van [belanghebbende] en na 1 oktober 2013 tot heden.\n\n5. Hebt u de consultancywerkzaamheden na verhuizing naar [woonplaats] in dienstverband verricht voor een werkgever?\n\na. Zo ja; gegevens van de werkgever\u002Fvennootschap;\n\nb. Kopie arbeidscontract;\n\nc. Hebt u een aanmerkelijk belang in deze vennootschap? Zo ja: kopie jaarrekeningen vanaf datum oprichting tot en met heden danwel liquidatiedatum.\n\n6. Kopie bankrekening-mutaties van alle door u gehouden buitenlandse bankrekeningen 2013, 2014 en 2015 (van belang in verband met mogelijke betalingen welke verband houden met [E Ltd] en voortkomen uit het dienstverband met [F Ltd] ).\n\n7. Kopieën van mutaties op uw American Expresskaart 2011 tot en met 2015.\n\n8. Een overzicht van alle voordelen welke u direct of indirect hebt verkregen uit [F Ltd] tussen 19 maart 2008 en heden. Behoudens uw direct verloonde salaris.\n\n9. Overzicht van alle toezeggingen die u heeft verkregen van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen.\n\n10. Kopieën van alle communicatie vanuit privé met [E Ltd] (Cyprus) en vice versa.\n\n11. Kopieën van alle onderliggende stukken betreffende de oprichting van [F Ltd] .\n\n12. Kopieën van alle onderliggende stukken betreffende de inbreng van alle werkcontracten (bijvoorbeeld uw consultancy werkzaamheden voor de eindopdrachtgever [H] ).\n\n13. Kopieën van alle onderliggende stukken en communicatie betreffende de verkoop van de aandelen [F Ltd] .\n\n14. Een onderbouwing van de verkoopprijs van de aandelen waarbij u ook een toelichting geeft op de hoogte van de verkoopprijs aandelen in relatie met het toegekende (interim)dividend van 2008 ad € 100.000,= en 2009 ad 12 000,=.\n\n15. Kopie van het bankafschrift waar de ontvangst van verkoopprijs aandelen in is vermeld.\n\n16. Is het toegekende dividend in 2008 en 2009 ook als lening door [E Ltd] aan u verstrekt? Zo ja;\n\na. Kopieën van banafschrift(en) waarop lening(en) is (zijn) gestort;\n\nb. Kopie leningsovereenkomsten;\n\nc. Kopieën van alle onderliggende stukken en communicatie betreffende deze leningen.\n\n17. Voor zover u deze niet al heeft verstrekt bij uw brief van 17 mei 2016: Alle leningovereenkomsten afgesloten met [E Ltd] en\u002Fof haar bovenliggende moedermaatschappijen en\u002Fof haar deelnemingen in Nederland vanaf datum oprichting tot en met afwikkeling van de leningen danwel tot op heden.\n\n18. Kopieën van alle communicatie met [E Ltd] (Cyprus) en\u002Fof haar bovenliggende moedermaatschappijen inzake het aangaan, de rentebetalingen en afwikkeling van de leningen.\n\n19. Bankafschriften van alle rentebetalingen die zijn gedaan voor alle leningen ontvangen van [E Ltd] en\u002Fof haar deelnemingen in Nederland.\n\n20. Kopieën van alle communicatie rondom overdracht en\u002Fof afwikkeling van de leningen na liquidatiedatum van [E Ltd] en haar deelnemingen in Nederland.\n\n21. Opgave van alle voordelen die u hebt genoten na aanleiding van liquidatie van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen met kopieën van alle onderliggende stukken.\n\n22. Deze vraag acht ik afdoende beantwoord.\n\n23. Hebt u in de periode 2008 tot en met heden een schenking ontvangen van [E Ltd] en\u002Fof haar bovenliggende moedermaatschappijen en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen? Zo ja graag kopieën van alle onderliggende stukken en stortingsbewijs.\n\n24. U hebt in box 3 aandelen in [B] verantwoord;\n\na. Kopieën betreffende alle onderliggende stukken en communicatie betreffende de\n\nverwerving van deze aandelen;\n\nb. Welke rechten zijn aan deze aandelen verbonden, graag kopieën van alle\n\nonderliggende stukken.\n\nc. Specificatie van de voordelen verkregen uit deze aandelen en kopieën van alle\n\nonderliggende stukken.\n\nHierbij verwacht ik tenminste de navolgende documenten:\n\nKopie letter of wishes, overeenkomst 'success by sharing' formule en de hierbij horende relevante communicatie.\n\n25. Bent u en\u002Fof uw partner [de echtgenote] op enig wijze de Ultimate Beneficiary Owner(s) (geweest) van [G Ltd] tussen 19 maart 2008 en opheffingsdatum.\n\nGraag met overzicht van de periode(n) waarin u de UBO bent geweest, alsmede de wijze waarop u UBO bent geweest.\n\nInformatie verplichting\n\nGewezen wordt op de toepassing van artikel 47, lid 1, onderdeel a en b van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR). Op grond van dit artikel bent u verplicht de gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken. In artikel 49 AWR is bepaald dat deze gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud moeten worden verstrekt op de aangegeven wijze en binnen een door de inspecteur te stellen termijn.\n\nIndien u de gevraagde gegevens en inlichtingen, onjuist of onvolledig verstrekt pleegt u een strafbaar feit als omschreven in artikel 68 en 69 AWR.\n\nVerder wil ik u er graag op wijzen dat, indien u de gevraagde informatie niet (volledig) verstrekt, ik een informatiebeschikking ex art. 52a AWR op kan leggen.’\n\n2.14.. Belanghebbende heeft bij e-mail van 2 november 2016 de inspecteur om uitstel van vier weken verzocht voor het beantwoorden van de onder 2.13 vermelde brief.\n\n2.15.. De inspecteur heeft bij e-mail van 7 november 2016, voor zover van belang, als volgt gereageerd:\n\n‘Helaas moet ik u berichten dat ik heb moeten constateren dat [belanghebbende] en [de partner] al geruime tijd niet aan hun informatieverplichting hebben voldaan. Ook de reactietermijn van mijn laatste brief, waarin ik [belanghebbende] en [de partner] heb opgeroepen voor een gesprek, is reeds ruimschoots verstreken zonder enige reactie van de heer [belanghebbende] en\u002Fof [de partner].\n\nHoewel ik begrip heb voor uw behoefte om het dossier te kunnen bestuderen, ben ik van mening dat [belanghebbende] en [de partner] u dan hiervoor eerder de gelegenheid hadden moeten bieden. Dit risico komt mijns inziens voor rekening van [belanghebbende] en [de partner].\n\nGezien de reeds aan uw cliënten geboden termijnen, alsmede de gezien de aanslagtermijnen kan ik uw cliënten helaas geen uitstel meer verlenen.’\n\n2.16.. De inspecteur heeft met dagtekening 22 november 2016 de onderhavige informatiebeschikkingen gegeven. De inspecteur heeft de in de brief van 13 oktober 2016 vermelde vragen in de informatiebeschikkingen opgenomen (zie 2.13).\n\n2.17.. Op 14 maart 2017 heeft de inspecteur via de Central Liaison Office te Almelo ( CLO ) aan de bevoegde autoriteiten van [woonplaats] op de voet van artikel 4 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staten van [woonplaats] inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken(de Tax Information Exchange Agreement; hierna: TIEA) informatie gevraagd over belanghebbende, [de partner] en [L Ltd] . In het verzoek is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:\n\n‘On 14 October 2013, [belanghebbende] and [de partner] officially emigrated to [woonplaats] . As a result of an income tax audit it was established that [belanghebbende] and possibly [de partner] incorporated [L Ltd] and [O Ltd] prior to the emigration.\n\nIn addition, information available to the Netherlands Tax and Customs Administration (NTCA ) shows that after 14 October 2013, [belanghebbende] and [de partner] received a structural income from activities for an (end) customer in the Netherlands. These activities were performed at the workplace of the (end) customer in the Netherlands at least until 14 October 2013. These activities may be subject to Dutch taxation.\n\nIt is not clear if [belanghebbende] and [de partner] declare the income from these activities in their income tax returns in [woonplaats] . Perhaps they perform these activities via one of their companies. In that case there may be a permanent establishment in the Netherlands or perhaps the fiscal residence of the company is actually the Netherlands.\n\nDuring the audit by the NTCA it emerged that [belanghebbende] at least has\u002Fhad a bank account with HSBC Bank Plc.\n\nInformation requested\n\n(…)\n\n[belanghebbende]\n\nTo gain insight into the assets and interests of [belanghebbende] in 2013, and to gain insight into the income that [belanghebbende] declared in [woonplaats] , I would like to receive the following information from you:\n\n1. Copies of income tax returns and income tax assessments of [belanghebbende] regarding the period 2013 - 2015.\n\n2. Overview regarding the period 2013 - 2016 of interests held by [belanghebbende] in companies with start date and end date of the interest held.’\n\n2.18.. Na verdere correspondentie gedurende 2018 heeft het CLO van de bevoegde autoriteiten van [woonplaats] op 7 januari 2019 de ‘income tax returns’ van belanghebbende voor de jaren 2013 tot en met 2015 ontvangen. Verder heeft het CLO van de bevoegde autoriteiten van [woonplaats] op 22 februari 2019 informatie ontvangen afkomstig van HSBC Bank Plc [woonplaats] Branch, [R Ltd] en het [commission] .\n\n2.19.. Op 21 februari 2018 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden.\n\n2.20.. Op 19 juni 2020 respectievelijk 20 oktober 2020 heeft de inspecteur de navorderingsaanslagen opgelegd voor 2008, 2009, 2011 en 2012.\n\n2.21.. De rechtbank heeft het beroep met betrekking tot de informatiebeschikkingen voor de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 niet-ontvankelijk verklaard, het beroep met betrekking tot de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar met betrekking tot de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 vernietigd en de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 gewijzigd in die zin dat alleen de vragen 1 tot en met 21 en 24 in stand blijven. Voorts heeft de rechtbank belanghebbende tot vier weken na verzending van deze uitspraak in de gelegenheid gesteld alsnog de gevraagde informatie aan de inspecteur te verstrekken. De rechtbank heeft de inspecteur in de voor bezwaar en beroep gemaakte proceskosten aan de zijde van belanghebbende veroordeeld tot het bedrag van € 2.430 en heeft gelast dat de inspecteur aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de rechtbank betaalde griffierecht ten bedrage van € 46 vergoedt.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:\n\nIs belanghebbende terecht niet-ontvankelijk verklaard met betrekking tot zijn beroep tegen de informatiebeschikkingen over de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012? Indien deze vraag ontkennend moet worden beantwoord (dat wil zeggen: belanghebbende is ontvankelijk met betrekking tot zijn beroep tegen de informatiebeschikkingen over de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012), zijn deze informatiebeschikkingen dan terecht aan belanghebbende gegeven?\n\nStaat artikel 6 Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) toepassing van de artikelen 47 en 52a AWR voor de jaren 2010, 2013 en 2014 in de weg?\n\nZijn de bevoegdheden uit hoofde van artikelen 47 en 52a AWR territoriaal begrensd?\n\nHeeft de inspecteur de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 terecht aan belanghebbende gegeven?\n\nHeeft de inspecteur de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden?\n\nHeeft de inspecteur artikel 8 EVRM geschonden en\u002Fof de artikelen 5, 9 en 17 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (hierna: BUPO), dan wel enig ander internationaal voorschrift geschonden?\n\nHeeft de inspecteur de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 gegeven in strijd met de TIEA?\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van zijn hoger beroep en vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot ontvankelijkverklaring van zijn beroep voor de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012, tot vernietiging van alle ten aanzien van zijn genomen informatiebeschikkingen, tot veroordeling van de inspecteur in de werkelijke kosten van het geding bij dit hof en tot vergoeding van schade. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n3.3.. De inspecteur heeft ter zitting bij het hof zijn standpunt met betrekking tot de ontvankelijkheid van het hoger beroep van belanghebbende uitdrukkelijk en zonder voorbehoud ingetrokken.\n\n4. Gronden\n\nTen aanzien van het geschil\n\na) Ontvankelijkheid beroep met betrekking tot jaren 2008, 2009, 2011 en 2012\n\n4.1.. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat het beroep van belanghebbende met betrekking tot de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 terecht door de rechtbank niet-ontvankelijk is verklaard wegens een gebrek aan belang. De informatiebeschikkingen zijn vanwege het opleggen van de navorderingsaanslagen van rechtswege komen te vervallen. Belanghebbende stelt dat het beroep tegen de informatiebeschikkingen ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank had de informatiebeschikkingen dienen te vernietigen.\n\n4.2.. Volgens vaste jurisprudentie moet een bezwaar, beroep of (incidenteel) hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard als de indiener van dat rechtsmiddel geen belang daarbij heeft. Daarvan is sprake als het aanwenden van het rechtsmiddel, ongeacht de gronden waarop het steunt, hem niet in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende (rechterlijke) beslissingen zoals die met betrekking tot proceskosten en griffierecht. Als het aangewende rechtsmiddel de indiener ervan wel in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit dan wel eventuele bijkomende beslissingen en voldaan is aan de overige ontvankelijkheidsvereisten, moet het rechtsmiddel ontvankelijk worden geacht, moeten de door de indiener aangevoerde gronden worden onderzocht en moet worden beoordeeld of het rechtsmiddel wel of niet gegrond is. \n\n4.3.. Artikel 52a, lid 3, AWR, bepaalt dat de informatiebeschikking van rechtswege vervalt indien de inspecteur een navorderingsaanslag oplegt voordat de met betrekking tot die belastingaanslag genomen informatiebeschikking onherroepelijk is geworden. Niet in geschil is dat over de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 navorderingsaanslagen IB\u002FPVV zijn opgelegd. Dit brengt mee dat de informatiebeschikkingen voor die jaren van rechtswege zijn vervallen.\n\n4.4.. Gelet op het vorengaande heeft de rechtbank het beroep van belanghebbende met betrekking tot de informatiebeschikkingen over de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het hoger beroep van belanghebbende voor deze jaren is derhalve ongegrond.\n\n4.5.. De eerste vraag beantwoordt het hof bevestigend. De onder a) gestelde vervolgvraag behoeft in dat geval geen beantwoording.\n\nVraag b. Is er sprake van schending van artikel 6 EVRM?\n\n4.6.. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat artikel 6 EVRM is geschonden en voert daartoe, samengevat, het volgende aan. Als de informatiebeschikkingen over de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 van rechtswege zouden vervallen, kan de rechtmatigheid ervan niet meer worden getoetst. Het vervallen van de informatiebeschikking is in dat geval in strijd met het recht op een eerlijk proces zoals dat in artikel 6 EVRM is neergelegd. Door het vervallen van de informatiebeschikkingen, wordt belanghebbende een eerlijk proces ontnomen. Belanghebbende stelt dat artikel 6 EVRM in dit geval in de weg staat aan toepassing van nationaal recht, te weten artikel 52a, lid 3, AWR, omdat belanghebbende daarmee een eerlijk proces wordt ontnomen.\n\n4.7.. Uit vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) volgt dat artikel 6 EVRM niet ziet op belastingzaken, met uitzondering van boetes.Nu aan belanghebbende geen boete (‘criminal charge’) is opgelegd, faalt belanghebbendes beroep op artikel 6 EVRM reeds daarom.\n\n4.8.. Vraag b moet ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag c) Zijn de bevoegdheden uit hoofde van artikelen 47 en 52a AWR territoriaal begrensd?\n\n4.9.. In artikel 1, lid 1 AWR is bepaald dat de bepalingen van deze wet gelden in Nederland bij de heffing van rijksbelastingen. Op grond van artikel 47, lid 1, AWR is een iedergehouden desgevraagd aan de inspecteur de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn. Op grond van het bepaalde in artikel 52a AWR kan de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking vaststellen dat niet of niet volledig aan de verplichtingen van artikel 47 is voldaan (informatiebeschikking). Bij een eventueel bezwaar tegen een belastingaanslag wordt deze op grond van artikel 25, lid 3, AWR gehandhaafd als de daarop betrekking hebbende informatiebeschikking onherroepelijk is geworden, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de aanslag onjuist is. Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing in beroep en hoger beroep (artikel 27e AWR en artikel 27h AWR).\n\n4.10.. De informatieverplichting van artikel 47 AWR richt zich ook tot die gevallen waarin de informatie opheldering zouden kunnen geven over de vraag of een persoon in Nederland belastingplichtig is. De Hoge Raad oordeelde in dit kader als volgt:\n\n‘Bij de beoordeling van het middel wordt het volgende vooropgesteld. Voor het antwoord op de vraag of voor belanghebbende op grond van artikel 47 AWR een verplichting bestaat om aan de inspecteur desgevraagd gegevens en inlichtingen te verstrekken en\u002Fof boeken, bescheiden en andere gegevensdragers beschikbaar te stellen, is voldoende dat de inspecteur zich, gelet op de hem ter beschikking staande gegevens, in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de door hem gevraagde gegevens, inlichtingen, boeken, bescheiden en\u002Fof andere gegevensdragers van belang kunnen zijn om opheldering te krijgen over de vraag of belanghebbende in Nederland belastingplichtig is (vgl. het arrest BNB 2003\u002F268).’\n\n4.11.. Uit bovenstaande volgt dat de inspecteur voor een geval als het onderhavige gegevens en inlichtingen mag vragen die van belang kunnen zijn voor het antwoord op de vraag of en in hoeverre belanghebbende in Nederland belastingplichtig is. Voor het bestaan van een verplichting voor belanghebbende ingevolge artikel 47 van de AWR is voldoende dat de inspecteur zich op basis van de hem ter beschikking staande informatie in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de gevraagde gegevens en inlichtingen van belang zouden kunnen zijn, omdat die opheldering zouden kunnen geven over de vraag of belanghebbende in Nederland belastingplichtig is. De tekst van de artikelen 47 en 52a AWR noopt niet tot de conclusie dat deze artikelen zich niet uitstrekken tot (vermeend) buiten Nederland woonachtige of gevestigde (natuurlijke) personen. Ook uit de tekst van lid 1 van artikel 1 AWR kan niet worden afgeleid dat de bevoegdheid van de inspecteur om een mogelijke belastingplicht in Nederland voor rijksbelastingen te onderzoeken zich niet zou uitstrekken tot (vermeend) buiten Nederland woonachtige of gevestigde (natuurlijke) personen. Verdere steun hiervoor kan worden ontleend aan de parlementaire geschiedenis bij de totstandkoming van artikel 52a AWR:\n\n‘Voorts vragen de leden van de VVD-fractie of de indieners van het wetsvoorstel en de regering kunnen aangeven of en zo ja, in hoeverre het wetsvoorstel in strijd kan zijn met Europese wetgeving en bilaterale verdragen.\n\nHet uitwisselen van inlichtingen kan op drie manieren gebeuren: op verzoek, automatisch of spontaan. Bij het spontaan of automatisch uitwisselen van gegevens gaat het om gegevens die de Belastingdienst al in zijn bezit heeft. Het wetsvoorstel heeft daarmee geen invloed op deze gegevensverstrekking. Als er verzocht wordt om gegevens die de Belastingdienst niet in zijn bezit heeft dienen deze via de nationale wettelijke procedure opgevraagd te worden bij de belastingplichtige. In internationale situaties gaat het veelal om gegevens van derden (bijvoorbeeld inhoudingsplichtigen of banken). Omdat in het compromisvoorstel niet langer wordt voorgesteld de rechtsbescherming vooraf te doen geschieden maar achteraf bij wege van kostenvergoeding, is in deze gevallen geen sprake van spanning met internationale regelingen op het gebied van gegevensuitwisseling. De informatie moet dan immers wel worden verstrekt. Indien het gaat om informatie van de belastingplichtige zelf, worden de nationale regelingen in het algemeen gerespecteerd. Uit het overzicht internationale vergelijking blijkt dat verschillende landen ieder hun eigen rechtssystematiek kennen.’\n\n4.12.. Uit bovenstaande volgt verder dat, nu artikel 47 AWR niet territoriaal begrensd is, het de inspecteur in beginsel is toegestaan om aan belanghebbende een informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a AWR te geven.\n\n4.13.. Vraag c moet ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag d) zijn de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 terecht aan belanghebbende gegeven?\n\n4.14.. Belanghebbende stelt dat de informatiebeschikkingen ten onrechte zijn gegeven en in bezwaar en beroep ten onrechte zijn gehandhaafd.\n\n4.15.. Voor de beantwoording van deze vraag stelt het hof voorop dat de te verstrekken informatie niet daadwerkelijk tot heffing hoeft te leiden. Voor de aanwezigheid van een belang is vereist dat de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het gevraagde op zichzelf beschouwd van belang kan zijn voor de belastingheffing van betrokkene.Er is geen verplichting voor een belanghebbende om informatie te verstrekken voor zover de inspecteur zijn verzoek onvoldoende heeft onderbouwd of sprake is een zogenoemde ‘fishing expedition’. Dat is niet anders indien de inspecteur zijn bevoegdheden alleen voor heffingsdoeleinden aanwendt. De inspecteur zal derhalve aannemelijk moeten maken dat het gevorderde materiaal bestaat en dat de belastingplichtige daarover de beschikking heeft of, met de van hem redelijkerwijs te verwachten inspanning, kan verkrijgen.Als op een belastingplichtige de bewijslast rust met betrekking tot een feitelijke omstandigheid die, indien aannemelijk, tot geen of een lagere belasting van die belastingplichtige zou leiden, heeft het niet ingaan op een uitnodiging van de inspecteur nadere inlichtingen te verstrekken, geen gevolg voor de bewijslastverdeling. De bewijslast van die omstandigheden rustte immers al op de belastingplichtige. Bij het vragen van inlichtingen heeft de inspecteur dan niet een belang als waarop artikel 47 AWR ziet.\n\n4.16.. Op de inspecteur rust in dat kader derhalve de last feiten en omstandigheden te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken, op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de door hem van belanghebbende verlangde informatie van belang zou kunnen zijn voor een (mogelijke) belastingheffing van belanghebbende in Nederland. De inspecteur mag met zijn verzoek niet de grenzen der redelijkheid overschrijden en hij moet aannemelijk maken dat belanghebbende niet aan haar wettelijke informatieverplichting heeft voldaan.\n\n4.17.. De rechtbank heeft geoordeeld dat per vraag dient te worden beoordeeld of deze terecht in de informatiebeschikkingen is opgenomen. Voor zover de vragen in grote mate samenhangen, heeft de rechtbank deze gezamenlijk beoordeeld. Het hof volgt de rechtbank in deze en zal eveneens per vraag beoordelen of deze terecht in de informatiebeschikkingen is opgenomen, waarbij het hof de vragen ook gezamenlijk zal behandelen voor zover zij in grote mate samenhangen. Het hof zal daarbij het hiervoor beschreven rechtskader als uitgangspunt nemen.\n\n‘1. Kopie aangifte inkomstenbelasting 2013, 2014 en 2015 [woonplaats] ’en\n\n‘2. Kopie aanslagen inkomstenbelasting door u werden betaald in [woonplaats] ’\n\n4.18.. De rechtbank heeft hierover als volgt geoordeeld.\n\n‘4.11.1. Belanghebbende heeft hierop geantwoord dat gelet op zijn emigratie naar [woonplaats] , de gevraagde informatie voor de Nederlandse Belastingdienst niet relevant is vanaf 30 september 2013. Om die reden ziet hij geen aanleiding de gevraagde informatie te verstrekken. De inspecteur heeft in zijn verweerschrift geschreven dat gelet op de omstandigheid dat belanghebbende vanaf 1 oktober 2013 in Nederland aangifte als buitenlands belastingplichtige doet, hij het redelijk acht om te toetsen of hij in [woonplaats] als binnenlands belastingplichtige aangifte doet.\n\n4.11.2.. Met de inspecteur is de rechtbank van oordeel dat hij zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door hem gevraagde informatie van belang kon zijn voor de belastingheffing van belanghebbende. Die informatie zou immers licht kunnen werpen op de mogelijke (binnenlandse of buitenlandse) belastingplicht voor een bepaalde inkomensbron in Nederland. Hieraan doet niet af dat de inspecteur ter zitting heeft verklaard dat hij over de gevraagde informatie in vraag 1 reeds beschikt, aangezien die informatie niet door belanghebbende is overgelegd en hij daarmee niet aan zijn informatieverplichting heeft voldaan. De informatiebeschikkingen zijn in zoverre terecht gegeven.’\n\n4.19.. Het hof acht deze overwegingen van de rechtbank juist, op goede gronden gegeven en maakt deze tot de zijne.\n\n‘3. Overzicht van opdrachtgevers waarvoor u consultancywerkzaamheden heeft verricht in de periode na uw emigratie naar [woonplaats] tot heden, inclusief plaats van tewerkstelling en onderbouwende documentatie waaruit de opdrachtgever (en eindopdrachtgever) blijkt, de vestigingsplaats van de opdrachtgever (en eindopdrachtgever) en de plaats van tewerkstelling blijkt’,\n\n‘4. Kopie van opdrachtbevestigingen en contracten (eind)opdrachtgevers over de periode 2008 (eenmanszaak) van [belanghebbende] en na 1 oktober 2013 tot heden’,\n\n‘5. Hebt u de consultancywerkzaamheden na verhuizing naar [woonplaats] in dienstverband verricht voor een werkgever?\n\na. Zo ja; gegevens van de werkgever\u002Fvennootschap;\n\nb. Kopie arbeidscontract;\n\nc. Hebt u een aanmerkelijk belang in deze vennootschap? Zo ja: kopie jaarrekeningen vanaf datum oprichting tot en met heden danwel liquidatiedatum.’\n\n4.20.. De rechtbank heeft hierover als volgt geoordeeld.\n\n‘4.12. De inspecteur vermoedt dat belanghebbende na 1 oktober 2013 (nagenoeg) uitsluitend voor de eindopdrachtgever [H BV] heeft gewerkt. Om die reden wenst hij te onderzoeken of Nederland over de daarmee verband houdende inkomsten mogelijk een heffingsrecht heeft. Gelet hierop kon de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat de gevraagde informatie van belang kon zijn voor belastingheffing van belanghebbende. Belanghebbende heeft de vragen niet beantwoord. De informatiebeschikkingen zijn in zoverre terecht gegeven.’\n\n4.21.. Het hof acht deze overwegingen van de rechtbank juist, op goede gronden gegeven en maakt deze tot de zijne, en voegt daar het volgende aan toe.\n\n4.22.. Belanghebbende stelt geen consultancywerkzaamheden te hebben verricht als zelfstandige (natuurlijk persoon) na zijn verhuizing. Belanghebbende stelt in dienst te zijn geweest bij een derde, [L Ltd] . Het is geheel onduidelijk welk doel de inspecteur zou hebben om informatie te ontvangen van alle opdrachtgevers hierin, aldus belanghebbende. Als de inspecteur een vermoeden heeft dat er werkzaamheden zouden hebben plaatsgevonden voor een Nederlandse opdrachtgever, dan zouden specifieke vragen over deze desbetreffende Nederlandse opdrachtgever afdoende kunnen zijn en niet die informatie van alle overige niet Nederlandse opdrachtgevers.\n\n4.23.. Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het gevraagde op zichzelf beschouwd van belang kan zijn voor de belastingheffing van belanghebbende. De inspecteur heeft met zijn verzoek niet de grenzen der redelijkheid overschreden.\n\n‘6. Kopie bankrekening-mutaties van alle door u gehouden buitenlandse bankrekeningen 2013, 2014 en 2015 (van belang in verband met mogelijke betalingen welke verband houden met [E Ltd] en voortkomen uit het dienstverband met [F Ltd] )’,\n\n‘7. Kopieën van mutaties op uw American Expresskaart 2011 tot en met 2015’,,\n\n‘8. Een overzicht van alle voordelen welke u direct of indirect hebt verkregen uit [F Ltd] tussen 19 maart 2008 en heden. Behoudens uw direct verloonde salaris’,\n\n‘9. Overzicht van alle toezeggingen die u heeft verkregen van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen’en\n\n‘21. Opgave van alle voordelen die u hebt genoten na[ar] aanleiding van liquidatie van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen met kopieën van alle onderliggende stukken’\n\n4.24.. De rechtbank heeft hierover als volgt geoordeeld.\n\n‘4.13.1. De inspecteur heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gevraagde informatie van belang kon zijn voor de belastingheffing van belanghebbende. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat bij de inspecteur het vermoeden heerst dat [G Ltd] feitelijk in Nederland gevestigd was, zodat belanghebbende mogelijk een dienstbetrekking bij een Nederlandse werkgever had en een belang in het aandelenkapitaal van een in Nederland gevestigde vennootschap had dat dan kwalificeert als een aanmerkelijk belang. In dat kader wilde de inspecteur verifiëren of belanghebbende na liquidatie van [G Ltd] mogelijk nabetalingen van een salaris, dividenden of een liquidatie-uitkering heeft genoten.\n\n4.13.2.. Belanghebbende heeft deze vragen niet adequaat beantwoord. Hieraan doet niet af de stelling dat het niet duidelijk zou zijn wat de inspecteur heeft bedoeld met de gevraagde informatie met betrekking tot de buitenlandse bankrekeningen. De inspecteur heeft zijn vermoedens dat belanghebbende mogelijk in Nederland belastingplichtig is in zijn vragenbrieven duidelijk aan de orde gesteld, zodat niet valt in te zien dat belanghebbende in de veronderstelling is dat met de “buitenlandse bankrekeningen” de Nederlandse bankrekeningen wordt bedoeld. Het gaat hier immers om een verzoek om informatie van de Nederlandse Belastingdienst. De informatiebeschikkingen zijn in zoverre terecht gegeven.’\n\n4.25.. Het hof acht deze overwegingen van de rechtbank juist, op goede gronden gegeven en maakt deze tot de zijne, en voegt daar met betrekking tot vraag 7 het volgende aan toe.\n\n4.26.. Belanghebbende stelt dat hij niet beschikte over een American Expresskaart na 2012 en reeds daarom de verzochte gegevens niet over heeft kunnen leggen. In zijn brief met dagtekening 27 september 2016 heeft belanghebbende aangegeven dat, gelet op zijn inwonerschap in [woonplaats] vanaf 30 september 2013, voormelde kopieën niet relevant zijn voor de Nederlandse belastingheffing. Hieruit leidt het hof af dat deze kopieën wel beschikbaar zijn. Niet gebleken is dat belanghebbende deze kopieën reeds eerder heeft overgelegd, zodat de informatiebeschikking in zoverre terecht is gegeven. De door belanghebbende overgelegde brief van American Express leidt niet tot een ander oordeel. De brief van American Express bevestigt enkel dat er geen gegevens van belanghebbende bekend zijn ten tijde van de verzending van de brief (14 december 2016). De brief vermeldt tevens dat de gegevens uit het verleden niet meer traceerbaar zijn, zodat de brief in zoverre geen duidelijkheid verschaft over het niet-bestaan van een American Expresskaart in de periode voor 14 december 2016.\n\n‘10. Kopieën van alle communicatie vanuit privé met [E Ltd] (Cyprus) en vice versa’,\n\n‘11. Kopieën van alle onderliggende stukken betreffende de inbreng van alle werkcontracten in [G Ltd] ’,\n\n‘12. Kopieën van alle onderliggende stukken betreffende de inbreng van alle werkcontracten (bijvoorbeeld uw consultancy werkzaamheden voor de eindopdrachtgever [H] )’,\n\n‘13. Kopieën van alle onderliggende stukken en communicatie betreffende de verkoop van de aandelen [F Ltd] ’,\n\n‘14. Een onderbouwing van de verkoopprijs van de aandelen waarbij u ook een toelichting geeft op de hoogte van de verkoopprijs aandelen in relatie met het toegekende (interim)dividend van 2008 ad €100.000,= en 2009 ad 12 000,=’ en\n\n‘15. Kopie van het bankafschrift waar de ontvangst van verkoopprijs aandelen in is vermeld’\n\n4.27.. De rechtbank heeft hierover als volgt geoordeeld.\n\n‘4.14.1. Bij de inspecteur heerst het vermoeden dat belanghebbende zijn werkzaamheden als IT-consultant begin 2008 in [G Ltd] heeft ingebracht. Dit vermoeden is gebaseerd op de omstandigheid dat belanghebbende dezelfde werkzaamheden, na het aangaan van een arbeidsovereenkomst met [G Ltd] , via deze vennootschap is blijven verrichten. Omdat belanghebbende zichzelf daarvoor een laag salaris heeft toegekend ten opzichte van de door [G Ltd] behaalde omzet, is een fors deel van de met die werkzaamheden behaalde winst in [G Ltd] achtergebleven, aldus de inspecteur.De inspecteur wenst daarom inzicht te krijgen in de daadwerkelijke verhoudingen tussen [G Ltd] en belanghebbende en daarmee ook vast te stellen of sprake is van een aanmerkelijk belang, en indien deze vraag bevestigend kan worden beantwoord, de hoogte van het genoten inkomen uit aanmerkelijk belang. De communicatie vanuit privé met [E Ltd] (Cyprus) en vice versa, alsmede de onderliggende stukken betreffende voormelde inbreng, kunnen hier volgens de inspecteur (mede) een licht op werpen.\n\n4.14.2.. Naar het oordeel van de rechtbank kon de inspecteur zich op grond hiervan in redelijkheid op het standpunt stellen dat de door hem gevraagde informatie van belang kon zijn voor de belastingheffing van belanghebbende.\n\n4.14.3.. Belanghebbende heeft de vragen niet beantwoord. Dat belanghebbende met betrekking tot de vraag over de vermoedelijke inbreng van zijn werkzaamheden in [G Ltd] niet zou begrijpen wat ermee wordt bedoeld, doet hieraan niet af. In zijn brief met dagtekening 27 september 2016 staat vermeld dat hij hierop heeft geantwoord dat hij de verstrekking van die informatie niet relevant acht, onder meer omdat hij in twijfel trekt waarom hij informatie met betrekking tot [G Ltd] dient te verstrekken (zie 2.11). Hieruit volgt dat hij wel degelijk kon begrijpen dat de inspecteur vermoedt dat hij zijn werkzaamheden in [G Ltd] heeft ingebracht. De informatiebeschikkingen zijn in zoverre terecht gegeven.’\n\n4.28.. Het hof acht deze overwegingen van de rechtbank juist, op goede gronden gegeven en maakt deze tot de zijne, en voegt hier het volgende aan toe.\n\n4.29.. Voor een informatiebeschikking is geen plaats indien niet aan de inlichtingenverplichting wordt voldaan, omdat de belanghebbende niet over de gevraagde gegevens beschikte of kon beschikken. Belanghebbende stelt dat de inspecteur geen redelijk vermoeden heeft dat de gevraagde informatie bestaat. De vragen zijn te ruim zijn gesteld en er is derhalve sprake is van een fishing expedition, aldus belanghebbende.\n\n4.30.. De inspecteur stelt dat belanghebbende tot begin 2008 zijn consultancy-werkzaamheden zelfstandig verrichtte en dat hij daarvoor jaarlijks aangifte deed van winst uit onderneming. De inspecteur vermoedt dat belanghebbende deze activiteit begin 2008 heeft ingebracht in [G Ltd] ., aangezien belanghebbende dezelfde activiteiten vanaf dat moment via [G Ltd] . verricht. Een fors deel van de winst die belanghebbende tot 2008 in privé genoot, blijft vanaf dat moment achter in [G Ltd] . Dit valt niet te rijmen met belanghebbendes stelling dat hij (of zijn partner) niet de Ultimate Beneficial Owner (UBO) van [G Ltd] . was, aldus de inspecteur. De inspecteur wenst daarom inzicht te krijgen in de daadwerkelijke verhoudingen tussen [G Ltd] en belanghebbende en daarmee ook vast te stellen of sprake is van een aanmerkelijk belang, en indien deze vraag bevestigend kan worden beantwoord, de hoogte van het genoten inkomen uit aanmerkelijk belang. De communicatie vanuit privé met [E Ltd] (Cyprus) en vice versa, alsmede de onderliggende stukken betreffende voormelde inbreng, kunnen hier volgens de inspecteur (mede) een licht op werpen.\n\n4.31.. Het Hof stelt voorop dat een aantal vragen ziet op zaken waar belanghebbende in ieder geval rechtstreeks bij betrokken is geweest en dat hij, al dan niet als bestuurder van of gerechtigde tot het vermogen van [F Ltd] . en [E Ltd] , over de desbetreffende gegevens zou moeten kunnen beschikken. Deze gegevens zouden aanwezig moeten zijn (geweest) in zijn eigen administratie dan wel in de administratie van de vennootschappen. Daarbij gaat het onder meer om de correspondentie van belanghebbende met [E Ltd] (Cyprus) en [G Ltd] (vragen 10 en 11) en de informatie betreffende de verkoop van [G Ltd] (vragen 13, 14 en 15).\n\n4.32.. Gezien de aard van de gevraagde informatie en de onderbouwing van de inspecteur acht het hof aannemelijk dat deze documenten bestaan en dat belanghebbende met de van hem redelijkerwijs te verwachten inspanning, die informatie kan verkrijgen. Het gaat om een complexe structuurwijziging waarbij belanghebbende, kort samengevat, zijn werkzaamheden inbrengt in een buiten Nederland gevestigde vennootschap, welke vennootschap enkele jaren later wordt geliquideerd. Dat ten aanzien hiervan geen, dan wel niet meer dan belanghebbende reeds heeft overgelegd, schriftelijke correspondentie heeft plaatsgevonden en documenten bestaan, acht het hof geenszins aannemelijk. Van een ‘fishing expedition’ door de inspecteur is geen sprake.\n\n‘16. Is het toegekende dividend in 2008 en 2009 ook als lening door [E Ltd] aan u verstrekt? Zo ja;\n\na. Kopieën van banafschrift(en) waarop lening(en) is (zijn) gestort,\n\nb. Kopie leningsovereenkomsten;\n\nc. Kopieën van alle onderliggende stukken en communicatie betreffende deze leningen’,\n\n‘17. Voor zover u deze niet al heeft verstrekt bij uw brief van 17 mei 2016: Alle lening overeenkomsten afgesloten met [E Ltd] en\u002Fof haar bovenliggende moedermaatschappijen en\u002Fof haar deelnemingen in Nederland vanaf datum oprichting tot en met afwikkeling van de leningen danwel tot op heden’,\n\n‘18. Kopieën van alle communicatie met [E Ltd] (Cyprus) en\u002Fof haar bovenliggende moedermaatschappijen inzake het aangaan, de rentebetalingen en afwikkeling van de leningen’,\n\n‘19. Bankafschriften van alle rentebetalingen die zijn gedaan voor alle leningen ontvangen van [E Ltd] en\u002Fof haar deelnemingen in Nederland’ en\n\n‘20. Kopieën van alle communicatie rondom overdracht en\u002Fof afwikkeling van de leningen na liquidatiedatum van [E Ltd] en haar deelnemingen in Nederland’\n\n4.33.. De rechtbank heeft hierover als volgt geoordeeld.\n\n‘4.15.1. De inspecteur vermoedt dat de door belanghebbende bij [G Ltd] aangegane leningen van ieder € 200.000 slechts dienden om voordelen uit aanmerkelijk belang te verhullen en de aanzienlijke vermogensoverschotten die in [G Ltd] zijn ontstaan onbelast te onttrekken. De inspecteur vermoedt dat in werkelijkheid geen sprake van een terugbetalingsverplichting is geweest (zie 2.3). De inspecteur vermoedt dat in de jaren 2008 en 2009 ook dergelijke gelden bij [G Ltd] zijn geleend en dat daarop evenmin is afgelost.\n\n4.15.2.. De inspecteur kon zich op grond hiervan in redelijkheid op het standpunt stellen dat de gevraagde informatie van belang kon zijn voor de belastingheffing van belanghebbende. Belanghebbende heeft voormelde vragen niet beantwoord. De informatiebeschikkingen zijn in zoverre terecht gegeven.’\n\n4.34.. Het hof acht deze overwegingen van de rechtbank juist, op goede gronden gegeven en maakt deze tot de zijne.\n\n‘24. U hebt in box 3 aandelen in [B] verantwoord;\n\na. Kopieën betreffende alle onderliggende stukken en communicatie betreffende de verwerving van deze aandelen;\n\nb. Welke rechten zijn aan deze aandelen verbonden, graag kopieën van alle onderliggende stukken.\n\nc. Specificatie van de voordelen verkregen uit deze aandelen en kopieën van alle onderliggende stukken. Hierbij verwacht ik tenminste de navolgende documenten: Kopie letter of wishes, overeenkomst `success by sharing' formule en de hierbij horende relevante communicatie’\n\n4.35.. De rechtbank heeft hierover als volgt geoordeeld.\n\n‘4.16.1. De inspecteur vermoedt dat het aandelenbelang van belanghebbende in [B Ltd] niet in box 3, maar in box 2 in aanmerking moet worden genomen. Volgens de inspecteur zou sprake kunnen zijn van een indirect aanmerkelijk belang in [G Ltd] , dat vermoedelijk recht geeft op haar volledige waardeontwikkeling en winst. Dit zou kunnen via een side letter of enige andere overeenkomst, waarin staat vermeld dat bijzondere rechten aan het belang in [B Ltd] zijn verbonden, aldus de inspecteur.\n\n4.16.2.. Naar het oordeel van de rechtbank kon de inspecteur gelet op het hiervoor vermelde zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat de gevraagde informatie van belang kon zijn voor de belastingheffing van belanghebbende. Belanghebbende heeft deze vragen niet adequaat beantwoord. De informatiebeschikkingen zijn in zoverre terecht gegeven.’\n\n4.36.. Het hof acht deze overwegingen van de rechtbank juist, op goede gronden gegeven en maakt deze tot de zijne.\n\n4.37.. Gelet op het voorgaande zijn de vragen met betrekking tot de werkzaamheden vanuit [woonplaats] en de relatie met de vennootschappen op [woonplaats] legitiem en noodzakelijk voor de beoordeling van de belastingplicht van belanghebbende. Gelet op de in 2.10 en 2.12 vermelde reactie op de door de inspecteur gestelde vragen is het hof van oordeel dat de gestelde vragen niet adequaat zijn beantwoord en dat voorts de verzochte informatie niet is verstrekt. Belanghebbende heeft in reactie op het overgrote deel van de vragen vermeld dat de verzochte informatie niet relevant of niet van toepassing is, waarmee hij geen inhoudelijk antwoord heeft verstrekt. Hieruit volgt dat de informatiebeschikkingen in zoverre terecht zijn gegeven.\n\nVraag e) Zijn de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden?\n\n4.38.. De inspecteur dient de op grond van artikel 47 AWR toegekende bevoegdheden in redelijkheid uit te oefenen. Dit betekent onder andere dat de inspecteur het zorgvuldigheidsbeginsel dient te respecteren. Hij zal een controle tijdig moeten aankondigen en de belastingplichtige een redelijke termijn moet gunnen op de gevraagde informatie aan te leveren. Ook moet de inspecteur het belang van de gevraagde informatie op grond van het motiveringsbeginsel kunnen motiveren als belastingplichtige daarom vraagt.\n\n4.39.. Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur niet gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. De informatiebeschikkingen zijn genomen na een uitgebreid en zorgvuldig onderzoek. Tijdens het onderzoek zijn diverse gesprekken met belanghebbende gevoerd en is belanghebbende diverse malen in de gelegenheid gesteld om alsnog de informatie aan te leveren.\n\n4.40.. Het hof is voorts van oordeel dat de verzoeken om informatie voldoende door de inspecteur zijn gemotiveerd. De inspecteur heeft omschreven op welke gegevens hij zijn verzoek heeft gebaseerd, en hij heeft daarbij steeds het heffingsbelang toegelicht. De gronden waarop de bezwaren van belanghebbende zijn afgewezen, blijken bovendien voldoende duidelijk uit de uitspraken op bezwaar.\n\n4.41.. Naar het oordeel van het hof kan belanghebbende evenmin met een beroep op het fairplaybeginsel weigeren aan haar uit de artikelen 47 AWR voortvloeiende verplichtingen te voldoen. De inspecteur heeft bij het nemen van de informatiebeschikking immers niet gehandeld in strijd met de wettelijke regeling waarin deze bevoegdheid aan hem is verleend.\n\n4.42.. Ook de door belanghebbende aangehaalde zinsnede in de statusupdate van [P] maakt niet dat er sprake is van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Uit dit bericht kan niet worden afgeleid dat de informatiebeschikkingen zijn opgelegd met het doel om de aanslagtermijn voor de op te leggen navorderingsaanslagen te verlengen.\n\n4.43.. Vraag e moet ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag f) Is er sprake van schending van artikel 8 van het EVRM, van de artikelen 5, 9 en 17 van het BUPO of enig ander verdrag of voorschrift?\n\n4.44.. Belanghebbende stelt dat de informatiebeschikkingen zijn opgelegd in strijd met artikel 8 EVRM, de artikelen 5, 9 en 17 van het BUPO en het nemo-tenetur-beginsel, mede onder verwijzing naar de zaak De Legé tegen Nederland.\n\n4.45.. In verband met het beroep van belanghebbende op het nemo-tenetur-beginsel geldt dat artikel 6 EVRM op de eerste plaats alleen van toepassing is in zogenoemde ‘criminal charge’-zaken. Belastingen vallen niet onder de reikwijdte van artikel 6 EVRM.Een informatiebeschikking vormt geen maatregel waarmee de verstrekking van die informatie wordt afgedwongen. Dat wordt niet anders doordat een dergelijke beschikking, indien zij onherroepelijk wordt, op grond van artikel 25, derde lid, van de AWR gepaard gaat met omkering en verzwaring van de bewijslast. Dit brengt mee dat het niet nodig is dat de inspecteur bij zijn informatiebeschikking, of de belastingrechter bij zijn oordeel omtrent die beschikking, een restrictie formuleert met betrekking tot het gebruik van wilsafhankelijke informatie voor sanctiedoeleinden. Zou het gevraagde materiaal in handen van de inspecteur komen en mede worden gebruikt voor fiscale beboeting of strafvervolging, dan komt het oordeel over de vraag in hoeverre het gaat om wilsafhankelijk materiaal en over de vraag welk gevolg moet worden verbonden aan schending van deze uit het EVRM voortvloeiende restrictie toe aan de rechter die over de beboeting of bestraffing beslist.Daarbij wijst het hof expliciet, voor wat betreft de eventuele ‘omkering en verzwaring van de bewijslast’, naar de op de voet van het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 2017 te maken belangenafweging.\n\n4.46.. Belanghebbende moet derhalve desgevraagd alle informatie verschaffen die van belang kan zijn voor een juiste belastingheffing, ongeacht of het gaat om wilsafhankelijke of wilsonafhankelijke informatie. Belanghebbende kan dus niet met een beroep op artikel 6 EVRM of enig ander voorschrift weigeren de gevraagde inlichtingen te verstrekken. De informatiebeschikkingen hoeven dan ook niet wegens strijd met het nemo-tenetur-beginsel te worden vernietigd.\n\n4.47.. Belanghebbende stelt voorts dat de informatiebeschikkingen zijn gegeven in strijd met het verbod op détournement de pouvoir. De inspecteur mag zijn bevoegdheid niet gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze is gegeven. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de inspecteur zijn bevoegdheden heeft ingezet met een ander doel dan de beoordeling van de belastingplicht van belanghebbende. In zoverre is er geen sprake van een handelen in strijd met het verbod op détournement de pouvoir.\n\n4.48.. Belanghebbende stelt verder dat de informatiebeschikkingen zijn gegeven in strijd met het recht op privacy van artikel 8 EVRM. Artikel 8 EVRM bepaalt dat geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van het recht van eenieder op respect voor zijn privéleven, dan voor zover bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.\n\n4.49.. Het hof stelt vast dat van enkele door de inspecteur verzochte gegevens gesteld kan worden dat het hier in beginsel een inmenging betreft in het recht van belanghebbende op respect voor zijn privéleven als bedoeld in artikel 8 EVRM. Om te beoordelen of deze inmenging aan het opvragen van de informatie in de weg staat, moet worden onderzocht of is voldaan aan de voorwaarden van artikel 8 EVRM die een inmenging kunnen rechtvaardigen.\n\n4.50.. De eerste voorwaarde die artikel 8 EVRM stelt is dat de inmenging bij wet is voorzien. De inspecteur heeft in het kader van artikel 47 AWR agenda-items, telefoonnotities, emailverkeer, sms, notities, overeenkomsten, faxen, facturen en dergelijke bij belanghebbende opgevraagd (zie 2.11). Nog daargelaten of het hier om een inmenging gaat als bedoeld in artikel 8 EVRM, is de wettelijke grondslag van deze inmenging gelegen in artikel 47 AWR. Dat is een voldoende wettelijke grondslag voor de inmenging. In voorkomende gevallen zoals bij inmenging in het privéleven waarbij sprake is van het systematisch verzamelen, vastleggen, bewerken, bewaren en\u002Fof gebruiken van gegevens kan weliswaar een meer specifieke grondslag vereist zijn, maar zo’n geval doet zich hier niet voor. Daarnaast is er sprake van een legitiem doel als bedoeld in artikel 8, lid 2 EVRM. Een maatregel waarmee wordt gewaarborgd dat belasting wordt betaald is namelijk in de regel noodzakelijk in het belang van het economisch welzijn van het land. Hier doet zich geen uitzondering op de regel voor. Nu het opvragen van deze gegevens bovendien proportioneel is in de gegeven omstandigheden, is er van een ongerechtvaardigde inbreuk op artikel 8 EVRM geen sprake.\n\n4.51.. Vraag f moet ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag g) Heeft de inspecteur de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 gegeven in strijd met de TIEA?\n\n4.52.. Op 1 maart 2008 is het TIEA in werking getreden. Op grond van artikel 11 TIEA mag Nederland in alle belastingzaken informatie opvragen aan [woonplaats] voor belastingtijdvakken die beginnen op of na de datum van inwerkingtreding. Voor de inkomstenbelasting is dat dus in beginsel vanaf 1 januari 2009.\n\n4.53.. Belanghebbende betoogt dat sprake is van een schending van de TIEA, dan wel dat de uitleg en toepassing daarvan te goeder trouw moet zijn. Meer in het bijzonder stelt belanghebbende dat de toepassing van artikel 47 AWR wordt beperkt door de TIEA en het nationale recht van [woonplaats] .\n\n4.54.. Artikel 4, lid 1 TIEA luidt als volgt:\n\n‘The competent authority of the requested party shall provide upon request by the requesting party information for the purposes referred to in Article 1. Such information shall be exchanged without regard to whether the requested party needs such information for its own tax purposes or the conduct being investigated would constitute a crime under the laws of the requested party if it had occurred in the territory of the requested party. The competent authority of the requesting party shall only make a request for information pursuant to this Article when it is unable to obtain the requested information by other means, except where recourse to such means would give rise to disproportionate difficulty.’\n\n4.55.. Uit de slotzin van de onder 4.54 genoemde passage volgt dat de bevoegde autoriteit van de verzoekende partij – in casu: Nederland – uitsluitend een verzoek om informatie op grond van dit artikel doet wanneer zij niet in staat is de gevraagde informatie op een andere manier te verkrijgen, behalve wanneer het gebruik van dergelijke middelen aanleiding zou geven tot onevenredige problemen.\n\n4.56.. Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of artikel 4, lid 1 TIEA – in een geval als het onderhavige waarin de belanghebbende stelt buiten Nederland woonachtig te zijn – de inspecteur verplicht om de gevraagde inlichtingen bij uitsluiting via artikel 4, lid 1 TIEA te verzoeken, of dat het de inspecteur ook toegestaan is om zich rechtstreeks tot belanghebbende te wenden. Op grond van het territorialiteitsbeginsel kan worden gesteld dat de inspecteur gehouden is – alvorens de belastingplichtige rechtstreeks te benaderen – de mogelijkheden uit de TIEA met het desbetreffende land volledig te benutten. Voorts kan worden gesteld dat de TIEA – bij het ontbreken van enige verwijzing daarnaar – toepassing van de bevoegdheden voortvloeiende uit de AWR verhindert.\n\n4.57.. Daar waar de inspecteur, min of meer, twee gelijkwaardige mogelijkheden tot zijn beschikking heeft, te weten de route via de TIEA en de rechtstreekse benadering van de belastingplichtige, acht het hof het niet ondenkbaar dat het territorialiteitsbeginsel vereist dat de inspecteur eerst, en wellicht uitsluitend, de mogelijkheden benut welke tot zijn beschikking staan op grond van de TIEA. Dit zou betekenen dat de door de inspecteur in de onderhavige zaak gegeven informatiebeschikkingen ten onrechte zijn gegeven. Anderzijds kan worden gesteld dat het de inspecteur vrij staat om de voor hem meeste geschikte route te benutten voor het vergaren van de gevraagde informatie. In beginsel is denkbaar dat de inspecteur ervoor kan kiezen de route via de TIEA te benutten, dan wel rechtstreeks de belastingplichtige te benaderen, dan wel om beide routes gelijktijdig te benutten.\n\n4.58.. Uit voorgaande volgt dat twijfel kan bestaan over de vraag of de inspecteur een keuzevrijheid heeft (gehad) ten aanzien van de hiervoor genoemde routes ter verkrijging van de door hem gewenste informatie. Alles overwegende komt het hof tot het oordeel dat het de inspecteur in beginsel vrij staat om bij belanghebbende informatie op te vragen die hij ook langs andere weg kan verkrijgen. Dit is anders indien het handelen van de inspecteur in strijd komt met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Van dat laatste is in het onderhavige geval niet gebleken (zie het antwoord op vraag e). Anders dan belanghebbende verdedigt staat ook de goede verdragstrouwniet in de weg aan het oordeel dat het de inspecteur in beginsel vrij staat om bij belanghebbende informatie op te vragen die hij ook langs andere weg kan verkrijgen. In het bijzonder gelet op de slotzin van lid 1 van artikel 4 TIEA past bij de uitleg van de TIEA juist dat de inspecteur eerst andere wegen moet bewandelen dan een beroep te doen op de TIEA. De conclusie is derhalve dat de TIEA er niet aan in de weg staat dat de inspecteur informatiebeschikkingen heeft gegeven aan belanghebbende.\n\n4.59.. Vraag g moet ontkennend worden beantwoord.\n\nNieuwe termijn\n\n4.61.. Zoals uit het voorgaande volgt, zijn de informatiebeschikkingen terecht gegeven. Het hof zal belanghebbende een nieuwe termijn stellen om alsnog de gevraagde informatie te verstrekken aan de inspecteur, en wel binnen een termijn van vier weken na verzending van deze uitspraak. Het hof wijst belanghebbende er op dat het niet verstrekken van de gevraagde informatie zoals nader volgt uit deze uitspraak, nadelige gevolgen kan hebben voor zijn bewijspositie in de bezwaar- en beroepsfase tegen de navorderingsaanslagen.\n\nTussenconclusie\n\n4.62.. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.\n\n4.63.. Al hetgeen belanghebbende overigens nog heeft aangevoerd noopt niet tot een ander oordeel.\n\n4.64.. Voor het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad, waar belanghebbende om heeft verzocht, ziet het hof geen aanleiding.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.65.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.66.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.\n\nTen aanzien van het verzoek om schadevergoeding\n\n4.67.. Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van schade in verband met de van rechtswege vervallen informatiebeschikkingen met betrekking tot de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012. Op dit verzoek is in beginsel artikel 8:73 Awb (oud) van toepassing.\n\n4.68.. Omdat voor de informatiebeschikkingen met betrekking tot de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 het bij de rechtbank ingestelde beroep niet-ontvankelijk is verklaard, en niet gegrond, is een vergoeding van schade niet de aan de orde.\n\nOverschrijding van de redelijke termijn in de hogerberoepsfase\n\n4.69.. In beginsel is de bestuursrechter niet gehouden te toetsen of de redelijke termijn is overschreden wanneer in hoger beroep niet over de duur van de procedure wordt geklaagd. In dit geval is dit anders omdat het hof het onderzoek op 25 juli 2024 heeft gesloten en daarbij heeft bepaald dat binnen zes weken schriftelijk uitspraak wordt gedaan, welke datum ligt binnen de termijn van twee jaar. Er was dus op 25 juli 2024 geen overschrijding van de redelijke termijn en deze was, uitgaande van de in artikel 8:66 jo 8:108, lid 1, Awb neergelegde termijn voor het doen van een schriftelijke uitspraak, ook niet te voorzien, zodat er voor belanghebbende ook geen reden was daarover te klagen. Er is daarom aanleiding ambtshalve te beoordelen of de redelijke termijn is overschreden en of een vergoeding van immateriële schade moet worden toegekend.\n\n4.70.. Het hoger beroep is in deze procedure ingesteld op 1 december 2022. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat het hof in deze zaak uitspraak doet, levert wat de hogerberoepsfase betreft een overschrijding van de redelijke termijn op met niet meer dan zes maanden. Aangezien inzicht in het financiële belang van belanghebbende bij de onderhavige procedure ontbreekt, volstaat het hof met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.Aan belanghebbende komt geen vergoeding van immateriële schade toe.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep ongegrond;\n\nbevestigt de uitspraak van de rechtbank;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af;\n\nstelt belanghebbende tot vier weken na verzending van deze uitspraak in de\n\ngelegenheid alsnog de gevraagde informatie aan de inspecteur te verstrekken.\n\nDe uitspraak is gedaan door J. Wessels, voorzitter, P. Fortuin en I. Reijngoud, in tegenwoordigheid van R. Camps, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2024 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.\n\nDe griffier, De voorzitter,\n\nR. Camps J. Wessels\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag .Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staten van Jersey inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken; (met Memorandum van Overeenstemming), Trb. 2007, 208 en 2008, 24.\n\n Vgl. HR 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:878, r.o. 3.4.2.\n\n HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3602 en Toelichting bij de Tweede nota van wijziging, Kamerstukken II, 2008\u002F09, 30 645, nr. 14, p. 10-11.\n\n EHRM 12 juli 2001, Ferrazzini vs. Italië, ECLI:CE:ECHR:2001:0712JUD004475998; HR 26 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1969 en HR 5 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0469.\n\n HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3603, r.o. 2.4.2.\n\n Kamerstukken II 2010\u002F11, 30645, nr D.\n\n HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3603.\n\n HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1117; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1129; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1130; HR 24 april 2015; ECLI:NL:HR:2015:1135; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1137; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1141.\n\n HR 3 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0821.\n\nEHRM van 4 oktober 2022 nr. 58342\u002F15, ECLI:CE:ECHR:2022:1004JUD005834215, De Legé tegen Nederland.\n\nEHRM 12 juli 2001, ECLI:CE:ECHR:2001:0712JUD004475998 (Ferrazzini\u002FItalië), HR 26 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1969 en HR 5 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0469.\n\n HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3640; HR 8 augustus 2014, ECLI:NL:HR:2014:2144; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1117; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1129; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1130; HR 24 april 2015; ECLI:NL:HR:2015:1135; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1137; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1141; vgl. HR 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1359.\n\n ECLI:NL:HR:2017:130, r.o. 3.3.5.\n\n Eerste tijdvak na inwerkingtreding op 1 maart 2008.\n\n Verdrag van Wenen inzake het Verdragenrecht, Trb. 1985, 79.\n\n Voor de inkomstenbelasting tot 1 januari 2029 van toepassing op grond van artikel V van de ‘Wet van 31 januari 2013 tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht met bepalingen over nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige overheidsdaad (Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten, Stb. 2013, 50)’, zoals gewijzigd bij artikel 3.4, onder A van de ‘Wet van 3 maart 2021 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht en enkele andere wetten in verband met het nieuwe omgevingsrecht en nadeelcompensatierecht’, Stb. 2021, 135, ‘Besluit van 6 oktober 2023 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van titel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht en daarmee samenhangende bepalingen uit de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten en de Wet van 3 maart 2021 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht en enkele andere wetten in verband met het nieuwe omgevingsrecht en nadeelcompensatierecht (Stb. 2021, 135)’, Stb. 2023, 236 en artikel 8:108 Awb. Vgl. HR 22 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7736.\n\n HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.4.3 en 3.5.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:4082","2026-07-13T00:29:19.111Z",{"id":60,"ecli":61,"slug":62,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":63,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":64,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":50,"updatedAt":65},"1385","ECLI:NL:GHSHE:2024:4083","ecli-nl-ghshe-2024-4083","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nMeervoudige Belastingkamer\n\nNummers: 22\u002F2298 tot en met 22\u002F2305\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende] ,\n\ngevestigd in [vestigingsplaats] (de Kanaaleilanden), domicilie gekozen hebbend in [plaats 1] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 12 oktober 2022, nummers BRE 18\u002F7946 t\u002Fm BRE 18\u002F7953 in het geding tussen belanghebbende en\n\nde inspecteur van de Belastingdienst,\n\nhierna: de inspecteur.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De inspecteur heeft aan belanghebbende informatiebeschikking zoals bedoeld in artikel 52a, lid 1, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) gegeven over de jaren 2013 tot en met 2016 (de informatiebeschikking).\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.\n\n1.3.. \n\nBelanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.\n\nDe rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.\n\n1.6.. De zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2024 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen, namens belanghebbende, na te noemen belanghebbende 1 en na te noemen belanghebbende 2 en de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde] , en, namens de inspecteur, [inspecteur] . Belanghebbende heeft aan de zitting deelgenomen door middel van een directe beeld- en geluidsverbinding via Microsoft Teams. Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en de zaken met nummers 22\u002F2292 t\u002Fm 22\u002F2297 (hierna: belanghebbende 1) en de zaken met nummers 22\u002F2285 t\u002Fm 22\u002F2291(hierna: belanghebbende 2).\n\n1.7.. Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.\n\n1.8.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n1.9.. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst dan wel aan partijen wordt verzonden.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Belanghebbende is op [oprichtingsdatum] 2013 opgericht naar het recht van [vestigingsplaats] , en heeft de rechtsvorm Limited. Het statutaire adres van belanghebbende bevindt zich op [vestigingsplaats] .\n\n2.2.. De aandelen in belanghebbende werden gehouden door belanghebbende 1 en belanghebbende 2, elk voor 50%. Belanghebbende 1 en belanghebbende 2 voerden gezamenlijk de directie over belanghebbende. Zij waren tevens werknemer van belanghebbende.\n\n2.3.. De activiteiten van belanghebbende bestonden uit ICT-dienstverlening en projectmanagement. Hiertoe werden belanghebbende 1 en belanghebbende 2 gedetacheerd. De diensten werden sinds begin 2013 verricht via tussenkomst van [J BV] , [S Ltd] , [T Ltd] en [F Ltd] . De uiteindelijke opdrachtgever van belanghebbende was [H BV] .\n\n2.4.. Vanaf begin 2008 tot oprichting van belanghebbende in 2013 hadden belanghebbende 1 en belanghebbende 2 een arbeidsovereenkomst gesloten met [G Ltd] . In die periode heeft [G Ltd] klanten gefactureerd voor de door belanghebbende 1 en belanghebbende 2 verrichte werkzaamheden. [G Ltd] is eind 2013 geliquideerd. Tot begin 2008 verrichtten belanghebbende 1 en belanghebbende 2 hun werkzaamheden als zelfstandige.\n\n2.5.. Belanghebbende 1 en belanghebbende 2 woonden tot eind september 2013 in [plaats 2] , Nederland. Vanaf 1 september 2013 hebben zij een woning gehuurd op [vestigingsplaats] . Op 14 oktober 2013 hebben zij zich met hun twee kinderen uitgeschreven in Nederland en zich ingeschreven op [vestigingsplaats] .\n\n2.6.. Met dagtekening 21 maart 2018 heeft de inspecteur aan belanghebbende een vragenbrief gestuurd. De inspecteur heeft belanghebbende verzocht haar volledige administratie, inclusief e-mailverkeer, over 2013 tot de datum van dagtekening van de brief binnen vier weken na dagtekening over te leggen. Ook heeft de inspecteur belanghebbende uitgenodigd voor een gesprek.\n\n2.7.. Bij e-mail van 11 april 2018 heeft belanghebbendes gemachtigde gereageerd op de vragenbrief van de inspecteur. Belanghebbende heeft onder meer betwist dat de werkzaamheden van belanghebbende 1 en belanghebbende 2 na de verhuizing in Nederland hebben plaatsgevonden, dat de aan de inspecteur ter beschikking staande gegevens correct zijn en heeft vermeld dat belanghebbende inzage wenste te krijgen in deze gegevens. De door de inspecteur gevraagde informatie is niet overgelegd.\n\n2.8.. Bij e-mail van 13 april 2018 heeft de inspecteur gereageerd op belanghebbendes e-mailbericht en heeft hij zijn verzoek om informatie herhaald.\n\n2.9.. Bij e-mail van 24 april 2018 heeft belanghebbendes gemachtigde gereageerd. De gemachtigde heeft onder meer geschreven dat belanghebbende druk doende was om informatie te verzamelen die de aan de inspecteur ter beschikking staande gegevens kunnen weerleggen en heeft verzocht inzage te verstrekken in de gegevens die de inspecteur beweert te hebben ontvangen van derden. Belanghebbende heeft tevens verzocht met inachtneming van nader over te leggen gegevens het vermoeden van een heffingsbelang gemotiveerd te heroverwegen. Verder was volgens de gemachtigde niet duidelijk wat de over te leggen administratie inhoudt. De gevraagde informatie is niet verstrekt.\n\n2.10.. Bij brief van 28 mei 2018 heeft de inspecteur een herhaald verzoek om inlichtingen en bescheiden naar belanghebbende verstuurd. In dit verzoek stond onder meer het volgende:\n\n‘U stelt dat onduidelijk is wat administratie inhoudt, nu in [vestigingsplaats] andere administratieve eisen gelden. [Belanghebbende] verzoekt helderheid te verstrekken ter voorkoming van het risico niet te kunnen voldoen aan de informatieverplichting.\n\nAls onderdeel van die administratie beschouw ik onder meer:\n\n1. (Concept-)Jaarrekeningen 2013 tot heden van [belanghebbende] of andere stukken die inzicht geven in de financiele positie per balansdatum en de betreffende accountantsrapporten;\n\n2. een beschrijving van de administratieve organisatie en interne beheersing van [belanghebbende] waarin is opgenomen hoe\n\na. telefoonverkeer, e-mailverkeer, communicatie via sms\u002Fskype\u002Ffacetime\u002Fwhatsapp of via overige communicatiekanalen moeten worden vastgelegd en geadministreerd;\n\nb. het proces en de vastleggingen rond aandeelhoudersvergaderingen is beschreven;\n\nc. het proces en de vastleggingen rond bestuursvergaderingen is beschreven; en\u002Fof\n\nd. het proces rond binnenkomende inkoopfacturen is beschreven.\n\n3. (een digitale kopie van) de volledige administratie (in de meest ruime zin van het woord) van [belanghebbende] over de periode van 2013 tot heden. Onder de volledige administratie versta ik alle gegevens over [belanghebbende] die zijn vastgelegd, zowel op papier als in digitale vorm. Dit zijn onder meer, doch zeker niet uitputtend, de volgende stukken:\n\na. De (digitale) financiele administratie;\n\nb. Alle (e-mailcorrespondentie met [Belanghebbende 1] en [Belanghebbende 2] , inbrengers van vermogen, debiteuren, banken, financiers, autoriteiten, de vertegenwoordiger(s) namens [belanghebbende];\n\nc. Verslagen en\u002Fof notulen van bestuursvergaderingen en -overleggen;\n\nd. Bestuursbesluiten;\n\ne. Tussentijds gemaakte (klad)-berekeningen;\n\nf. In- en verkoopfacturen en overige facturen;\n\ng. Alle bankafschriften;\n\nh. Leningsovereenkomsten en een overzicht van de rekening-courantrekening(en);\n\ni. Verslagen van aandeelhoudersvergaderingen van [belanghebbende] en verslagen van aandeelhoudersvergaderingen van (eventuele) deelnemingen;\n\nj. Documenten waaruit blijkt op welk moment [belanghebbende] belastingplichtig is geworden voor de winstbelasting van [vestigingsplaats]\n\nk. Winstbelastingaangiften en -aanslagen van de jaren 2013 tot heden van [belanghebbende].\n\n4. Het tijdschrijven (of de urenverantwoording) van de medewerkers en de directie van [belanghebbende] ten behoeve van [belanghebbende] en ten behoeve van klanten van [belanghebbende].\n\nIndien de (e-mail)correspondentie fiscale adviezen bevat, mogen de adviesdelen van die correspondentie onleesbaar gemaakt worden.\n\n(…)\n\nBij deze wil ik u nogmaals in de gelegenheid stellen om te reageren op de brief van 21 maart 2018. Ik geef u de gelegenheid tot 19 juni 2018.’\n\n2.11.. Bij e-mail van 19 juni 2018 heeft belanghebbendes gemachtigde gereageerd op de vragenbrief van de inspecteur. Belanghebbende heeft haar standpunten uit de mail van 24 april 2018 gehandhaafd. De gevraagde informatie is niet verstrekt.\n\n2.12.. Bij e-mail van 2 juli 2018 heeft belanghebbende aan de inspecteur een tweetal verklaringen gestuurd van de Comptroller of Taxes van [vestigingsplaats] van 18 januari 2017, ten aanzien van belanghebbende 1 en belanghebbende 2, waarin het volgende is opgenomen:\n\n‘I confirm that you are resident and paying taxes in [vestigingsplaats] for [vestigingsplaats] Income Tax purposes since October 2013.’\n\n2.13.. Op 3 juli 2018 heeft de inspecteur aan belanghebbende de informatiebeschikking gegeven. Deze heeft betrekking op de heffing van omzetbelasting en vennootschapsbelasting over de jaren 2013, 2014, 2015 en 2016. De informatiebeschikking vermeldt, voor zover van belang, het volgende:\n\n‘(…)\n\n2. Omvang en tijdstip informatieverzoek\n\nDe inspecteur heeft informatie ontvangen met betrekking tot de vennootschap [belanghebbende]. [Belanghebbende] is een naar het recht van [vestigingsplaats] opgericht lichaam. Bestuurders en aandeelhouders van deze Limited zijn [Belanghebbende 1] en [Belanghebbende 2].\n\nPer brief van 21 maart 2018 heb ik [belanghebbende] om informatie gevraagd. In de hiervoor genoemde brief heb ik een beschouwing gegeven over het theoretisch kader van het Nederlands heffingsbelang met een verwijzing naar artikel 47 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen en het arrest van de Hoge Raad van 18 april 2003, nr. 38 122, BNB 2003\u002F268. Daarnaast heb ik in mijn brief het theoretische kader toegepast op de feiten en omstandigheden inzake [belanghebbende]. Ik heb u medegedeeld dat ik informatie heb ontvangen van derden inzake de werkzaamheden in Nederland bij Nederlandse eindopdrachtgevers door de bestuurders van [belanghebbende].\n\nUit informatie die de inspecteur van derden heeft gekregen, valt af te leiden dat [Belanghebbende 2] namens [belanghebbende] werkzaamheden in Nederland heeft uitgevoerd.\n\n[Belanghebbende 1] heeft na zijn formele vertrek naar [vestigingsplaats] namens [belanghebbende] in voortdurendheid werkzaamheden voor een Nederlandse eindopdrachtgever verricht. [Belanghebbende 1] was bij deze eindopdrachtgever voor vertrek naar [vestigingsplaats] ook werkzaam. De plaats van werkzaamheden was op dat moment gelegen in Nederland, waarvoor door [Belanghebbende 1] kosten voor dagelijks woon-werkverkeer is geclaimd. Volgens verkregen informatie van derden zou er bij de werkzaamheden voor deze eindopdrachtgever na vertrek van [Belanghebbende 1] naar [vestigingsplaats] niets zijn veranderd.\n\nOp basis van deze informatie lijkt het aannemelijk dat de feitelijke vestigingsplaats van [belanghebbende] in Nederland is gelegen, danwel dat er sprake is van een vaste inrichting in Nederland of dat er sprake is van een vaste vertegenwoordiging in Nederland. Deze feiten leiden tot een fiscaal Nederlands heffingsbelang bij [belanghebbende]. In redelijkheid heb ik mij daardoor op het standpunt gesteld dat de gevraagde inlichtingen en gegevens van belang zouden kunnen zijn voor de belastingheffing van belanghebbende.\n\nGevraagde informatie\n\nPer brief van 21 maart 2018 heb ik u verzocht om de volledige administratie (inclusief afschriften van alle e-mailverkeer, contracten en overeenkomsten, bankafschriften etc.) van de vennootschap in te zenden over 2013 tot en met heden. Kopie van deze brief heb ik bijgevoegd als bijlage 1.\n\nAls alternatief heb ik [Belanghebbende 1] en [Belanghebbende 2], in hun hoedanigheid als bestuurders van [belanghebbende], op grond van artikel 41 AWR, opgeroepen voor een gesprek in persoon op het Belastingkantoor te Utrecht en ze in de gelegenheid te stellen om de administratie persoonlijk te overhandigen en toe te lichten. In mijn brief heb ik 16 april 2018; 17 april 2018; 23 april 2018; 24 april 2018 en 26 april 2018 als beschikbare datum voorgesteld. Ik heb belanghebbenden gevraagd binnen 2 weken na dagtekening van de brief te reageren op het verzoek om een afspraak te maken en ik heb verzocht binnen 4 weken na dagtekening van de brief de administratie te verstrekken.\n\nUw reactie\n\n(…)\n\nTot slot zou het belanghebbende onduidelijk zijn wat ik onder ‘administratie’ versta. In [vestigingsplaats] zouden andere administratieve eisen worden gesteld dan in Nederland. Belanghebbende verzocht mij helderheid te verstrekken ter voorkoming van het risico niet te kunnen voldoen aan de informatieverplichting, zonder overigens eerst enige documentatie te overleggen. In mijn reactie van 28 mei 2018 heb ik een opsomming gegeven van wat ik ondermeer onder administratie beschouw. Daar ik tot op heden nog geen enkel stuk heb ontvangen zal ik deze opsomming hieronder nogmaals\n\ngeven:\n\n1. (Concept-)Jaarrekeningen 2013 tot heden van [belanghebbende] of andere stukken die inzicht geven in de financiele positie per balansdatum en de betreffende accountantsrapporten;\n\n2. een beschrijving van de administratieve organisatie en interne beheersing van [belanghebbende] waarin is opgenomen hoe\n\na. telefoonverkeer, e-mailverkeer, communicatie via sms\u002Fskype\u002Ffacetime\u002Fwhatsapp of via overige communicatiekanalen moeten worden vastgelegd en geadministreerd;\n\nb. het proces en de vastleggingen rond aandeelhoudersvergaderingen is beschreven;\n\nc. het proces en de vastleggingen rond bestuursvergaderingen is beschreven; en\u002Fof\n\nd. het proces rond binnenkomende inkoopfacturen is beschreven.\n\n3. (een digitale kopie van) de volledige administratie (in de meest ruime zin van het woord) van [belanghebbende] over de periode van 2013 tot heden. Onder de volledige administratie versta ik alle gegevens over [belanghebbende] die zijn vastgelegd, zowel op papier als in digitale vorm. Dit zijn onder meer, doch zeker niet uitputtend, de volgende stukken:\n\na. De (digitale) financiele administratie;\n\nb. Alle (e-mailcorrespondentie met de heer Belanghebbende 1 en mevrouw Belanghebbende 2, inbrengers van vermogen, debiteuren, banken, financiers, autoriteiten, de vertegenwoordiger(s) namens [belanghebbende];\n\nc. Verslagen en\u002Fof notulen van bestuursvergaderingen en - overleggen;\n\nd. Bestuursbesluiten;\n\ne. Tussentijds gemaakte (klad)-berekeningen;\n\nf. In- en verkoopfacturen en overige facturen;\n\ng. Alle bankafschriften;\n\nh. Leningsovereenkomsten en een overzicht van de rekening-courantrekening(en);\n\ni. Verslagen van aandeelhoudersvergaderingen van [belanghebbende] en verslagen van aandeelhoudersvergaderingen van (eventuele) deelnemingen;\n\nj. Documenten waaruit blijkt op welk moment [belanghebbende] belastingplichtig is geworden voor de winstbelasting van [vestigingsplaats]\n\nk. Winstbelastingaangiften en -aanslagen van de jaren 2013 tot heden van [belanghebbende].\n\n4. Het tijdschrijven (of de urenverantwoording) van de medewerkers en de directie van [belanghebbende] ten behoeve van [belanghebbende] en ten behoeve van klanten van [belanghebbende].\n\nIndien de (e-mail)correspondentie fiscale adviezen bevat, mogen de adviesdelen van die\n\ncorrespondentie onleesbaar gemaakt worden.\n\n(…)\n\n3. Conclusie\n\nOp dit moment is voldoende dat ik mij, gelet op de bij mij bekende gegevens, op het standpunt kan stellen dat de door mij gevraagde gegevens, inlichtingen, bescheiden en\u002Fof andere gegevensdragers van belang kunnen zijn voor de belastingheffing van [belanghebbende]. In mijn e-mail van 13 april 2018 heb ik u al medegedeeld dat ik pas kan beoordelen of er sprake is van een reële heffing en tot welke omvang, als ik over alle feiten en omstandigheden beschik.\n\nIk stel vast dat ik de verzochte informatie, genoemd in onderdeel 2, niet heb ontvangen. Daarom ontvangt u bij deze een informatiebeschikking. Deze beschikking is gebaseerd op artikel 52a van de AWR en wordt aan u afgegeven omdat u ook na herhaalde verzoeken, niet heeft voldaan aan uw informatieverplichtingen van artikel 47 eerste lid letter a en b en artikel 49 van de AWR. Deze informatiebeschikking heeft betrekking op de omzetbelasting en vennootschapsbelasting van het jaar 2013, 2014, 2015 en 2016.\n\nU kunt, naar aanleiding van deze beschikking, ervoor kiezen om alsnog aan de informatieverplichting(en) te voldoen. In dat geval verzoek ik u om spoedig doch binnen 2 weken na dagtekening van deze informatiebeschikking met mij contact op te nemen.\n\n(…)’\n\n2.14.. Op 14 maart 2017 heeft de inspecteur via de Central Liaison Office te Almelo (CLO) aan de bevoegde autoriteiten van [vestigingsplaats] op de voet van artikel 4 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staten van [vestigingsplaats] inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken(de TIEA) informatie gevraagd over belanghebbende, belanghebbende 1 en belanghebbende 2. In het verzoek is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:\n\n“On 14 October 2013, [Belanghebbende 1] and [Belanghebbende 2] officially emigrated to [vestigingsplaats] . As a result of an income tax audit it was established that [Belanghebbende 1] and possibly [Belanghebbende 2] incorporated [belanghebbende] and [O Ltd] prior to the emigration.\n\nIn addition, information available to the Netherlands Tax and Customs Administration (NTCA) shows that after 14 October 2013, [Belanghebbende 1] and [Belanghebbende 2] received a structural income from activities for an (end) customer in the Netherlands. These activities were performed at the workplace of the (end) customer in the Netherlands at least until 14 October 2013. These activities may be subject to Dutch taxation.\n\nIt is not clear if [Belanghebbende 2] and [Belanghebbende 1] declare the income from these activities in their income tax returns in [vestigingsplaats] . Perhaps they perform these activities via one of their companies. In that case there may be a permanent establishment in the Netherlands or perhaps the fiscal residence of the company is actually the Netherlands.\n\nDuring the audit by the NTCA it emerged that [Belanghebbende 1] at least has\u002Fhad a bank account with HSBC Bank Plc.\n\nInformation requested\n\n(…)\n\n [belanghebbende]\n\nTo gain insight into the fiscal residence of the company and to determine whether there is a permanent establishment in the Netherlands. In addition, there may be activities by [Belanghebbende 1] and\u002For [Belanghebbende 2] via [belanghebbende], that are subject to income tax in the Netherlands. I would like to receive the following information from you:\n\n1. Copies of corporation tax returns and assessments of [belanghebbende] for the years 2013 - (…) 2015.\n\n2. Overview of declared and paid wages tax regarding the years 2013 - 2016.\n\n3. Financial statements of [belanghebbende] regarding the years 2013 - 2015.\n\n4. Copies of invoices sent by [belanghebbende] and a specification of the performed activities\u002Fservices for the years 2013 -2016.”\n\n2.15.. Na verdere correspondentie gedurende 2018 heeft het CLO van de bevoegde autoriteiten van [vestigingsplaats] op 7 januari 2019 de ‘company tax returns and assessments’ voor de jaren 2013 tot en met 2015 ontvangen. Verder heeft het CLO van de bevoegde autoriteiten van [vestigingsplaats] op 22 februari 2019 informatie ontvangen afkomstig van HSBC Bank Plc [vestigingsplaats] Branch, [R Ltd] en het [commission] .\n\n2.16.. De rechtbank heeft het beroep met betrekking tot de informatiebeschikking voor de jaren 2013 tot en met 2016 ongegrond verklaard en heeft belanghebbende voorts tot vier weken na verzending van deze uitspraak in de gelegenheid gesteld alsnog de gevraagde informatie aan de inspecteur te verstrekken.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:\n\nStaat artikel 6 Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) toepassing van de artikelen 47 en 52a AWR voor de jaren 2013 tot en met 2016 in de weg?\n\nZijn de bevoegdheden uit hoofde van artikelen 47 en 52a AWR territoriaal begrensd?\n\nHeeft de inspecteur de informatiebeschikking voor de jaren 2013 tot en met 2016 terecht aan belanghebbende gegeven?\n\nHeeft de inspecteur de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden?\n\nHeeft de inspecteur artikel 8 EVRM geschonden en\u002Fof de artikelen 5, 9 en 17 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (hierna: BUPO), dan wel enig ander internationaal voorschrift geschonden?\n\nHeeft de inspecteur de informatiebeschikking voor de jaren 213 tot en met 2016 gegeven in strijd met de TIEA?\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van haar hoger beroep en vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot vernietiging van de ten aanzien van haar genomen informatiebeschikking en tot veroordeling van de inspecteur in de werkelijke kosten van het geding bij dit hof. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n3.3.. De inspecteur heeft ter zitting bij het hof zijn standpunt met betrekking tot de ontvankelijkheid van het hoger beroep van belanghebbende uitdrukkelijk en zonder voorbehoud ingetrokken.\n\n4. Gronden\n\nVraag a. Is er sprake van schending van artikel 6 EVRM?\n\n4.1.. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat artikel 6 EVRM is geschonden.\n\n4.2.. Uit vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) volgt dat artikel 6 EVRM niet ziet op belastingzaken, met uitzondering van boetes.Nu aan belanghebbende geen boete (‘criminal charge’) is opgelegd, faalt belanghebbendes beroep op artikel 6 EVRM reeds daarom.\n\n4.3.. Vraag a moet ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag b) Zijn de bevoegdheden uit hoofde van artikelen 47 en 52a AWR territoriaal begrensd?\n\n4.4.. In artikel 1, lid 1 AWR is bepaald dat de bepalingen van deze wet gelden in Nederland bij de heffing van rijksbelastingen. Op grond van artikel 47, lid 1, AWR is een iedergehouden desgevraagd aan de inspecteur de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn. Op grond van het bepaalde in artikel 52a AWR kan de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking vaststellen dat niet of niet volledig aan de verplichtingen van artikel 47 is voldaan (informatiebeschikking). Bij een eventueel bezwaar tegen een belastingaanslag wordt deze op grond van artikel 25, lid 3, AWR gehandhaafd als de daarop betrekking hebbende informatiebeschikking onherroepelijk is geworden, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de aanslag onjuist is. Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing in beroep en hoger beroep (artikel 27e AWR en artikel 27h AWR).\n\n4.5.. De informatieverplichting van artikel 47 AWR richt zich ook tot die gevallen waarin de informatie opheldering zouden kunnen geven over de vraag of een persoon in Nederland belastingplichtig is. De Hoge Raad oordeelde in dit kader als volgt:\n\n‘Bij de beoordeling van het middel wordt het volgende vooropgesteld. Voor het antwoord op de vraag of voor belanghebbende op grond van artikel 47 AWR een verplichting bestaat om aan de inspecteur desgevraagd gegevens en inlichtingen te verstrekken en\u002Fof boeken, bescheiden en andere gegevensdragers beschikbaar te stellen, is voldoende dat de inspecteur zich, gelet op de hem ter beschikking staande gegevens, in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de door hem gevraagde gegevens, inlichtingen, boeken, bescheiden en\u002Fof andere gegevensdragers van belang kunnen zijn om opheldering te krijgen over de vraag of belanghebbende in Nederland belastingplichtig is (vgl. het arrest BNB 2003\u002F268).’\n\n4.6.. Uit bovenstaande volgt dat de inspecteur voor een geval als het onderhavige gegevens en inlichtingen mag vragen die van belang kunnen zijn voor het antwoord op de vraag of en in hoeverre belanghebbende in Nederland belastingplichtig is. Voor het bestaan van een verplichting voor belanghebbende ingevolge artikel 47 van de AWR is voldoende dat de inspecteur zich op basis van de hem ter beschikking staande informatie in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de gevraagde gegevens en inlichtingen van belang zouden kunnen zijn, omdat die opheldering zouden kunnen geven over de vraag of belanghebbende in Nederland belastingplichtig is. De tekst van de artikelen 47 en 52a AWR noopt niet tot de conclusie dat deze artikelen zich niet uitstrekken tot (vermeend) buiten Nederland woonachtige of gevestigde (natuurlijke) personen. Ook uit de tekst van lid 1 van artikel 1 AWR kan niet worden afgeleid dat de bevoegdheid van de inspecteur om een mogelijke belastingplicht in Nederland voor rijksbelastingen te onderzoeken zich niet zou uitstrekken tot (vermeend) buiten Nederland woonachtige of gevestigde (natuurlijke) personen. Verdere steun hiervoor kan worden ontleend aan de parlementaire geschiedenis bij de totstandkoming van artikel 52a AWR:\n\n‘Voorts vragen de leden van de VVD-fractie of de indieners van het wetsvoorstel en de regering kunnen aangeven of en zo ja, in hoeverre het wetsvoorstel in strijd kan zijn met Europese wetgeving en bilaterale verdragen.\n\nHet uitwisselen van inlichtingen kan op drie manieren gebeuren: op verzoek, automatisch of spontaan. Bij het spontaan of automatisch uitwisselen van gegevens gaat het om gegevens die de Belastingdienst al in zijn bezit heeft. Het wetsvoorstel heeft daarmee geen invloed op deze gegevensverstrekking. Als er verzocht wordt om gegevens die de Belastingdienst niet in zijn bezit heeft dienen deze via de nationale wettelijke procedure opgevraagd te worden bij de belastingplichtige. In internationale situaties gaat het veelal om gegevens van derden (bijvoorbeeld inhoudingsplichtigen of banken). Omdat in het compromisvoorstel niet langer wordt voorgesteld de rechtsbescherming vooraf te doen geschieden maar achteraf bij wege van kostenvergoeding, is in deze gevallen geen sprake van spanning met internationale regelingen op het gebied van gegevensuitwisseling. De informatie moet dan immers wel worden verstrekt. Indien het gaat om informatie van de belastingplichtige zelf, worden de nationale regelingen in het algemeen gerespecteerd. Uit het overzicht internationale vergelijking blijkt dat verschillende landen ieder hun eigen rechtssystematiek kennen.’\n\n4.7.. Uit bovenstaande volgt verder dat, nu artikel 47 AWR niet territoriaal begrensd is, het de inspecteur in beginsel is toegestaan om aan belanghebbende een informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a AWR te geven.\n\n4.8.. Vraag b moet ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag c) is de informatiebeschikking terecht aan belanghebbende gegeven?\n\n4.9.. Belanghebbende stelt dat de informatiebeschikking ten onrechte is gegeven en in bezwaar en beroep ten onrechte is gehandhaafd.\n\n4.10.. Voor de beantwoording van deze vraag stelt het hof voorop dat de te verstrekken informatie niet daadwerkelijk tot heffing hoeft te leiden. Voor de aanwezigheid van een belang is vereist dat de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het gevraagde op zichzelf beschouwd van belang kan zijn voor de belastingheffing van betrokkene.Er is geen verplichting voor een belanghebbende om informatie te verstrekken voor zover de inspecteur zijn verzoek onvoldoende heeft onderbouwd of sprake is een zogenoemde ‘fishing expedition’. Dat is niet anders indien de inspecteur zijn bevoegdheden alleen voor heffingsdoeleinden aanwendt. De inspecteur zal derhalve aannemelijk moeten maken dat het gevorderde materiaal bestaat en dat de belastingplichtige daarover de beschikking heeft of, met de van hem redelijkerwijs te verwachten inspanning, kan verkrijgen.Als op een belastingplichtige de bewijslast rust met betrekking tot een feitelijke omstandigheid die, indien aannemelijk, tot geen of een lagere belasting van die belastingplichtige zou leiden, heeft het niet ingaan op een uitnodiging van de inspecteur nadere inlichtingen te verstrekken, geen gevolg voor de bewijslastverdeling. De bewijslast van die omstandigheden rustte immers al op de belastingplichtige. Bij het vragen van inlichtingen heeft de inspecteur dan niet een belang als waarop artikel 47 AWR ziet.\n\n4.11.. Op de inspecteur rust in dat kader derhalve de last feiten en omstandigheden te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken, op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de door hem van belanghebbende verlangde informatie van belang zou kunnen zijn voor een (mogelijke) belastingheffing van belanghebbende in Nederland. De inspecteur mag met zijn verzoek niet de grenzen der redelijkheid overschrijden en hij moet aannemelijk maken dat belanghebbende niet aan haar wettelijke informatieverplichting heeft voldaan.\n\n4.12.. Voor een informatiebeschikking is geen plaats indien niet aan de inlichtingenverplichting wordt voldaan, omdat de belanghebbende niet over de gevraagde gegevens beschikte of kon beschikken. Belanghebbende stelt dat de inspecteur geen redelijk vermoeden heeft dat de gevraagde informatie bestaat. De vragen zijn te ruim zijn gesteld en er is derhalve sprake van een fishing expedition, aldus belanghebbende.\n\n4.13.. De inspecteur stelt dat de gevraagde informatie van belang kan zijn voor de belastingheffing van belanghebbende, omdat de inspecteur aannemelijk acht dat hij aan de hand van belanghebbendes administratie in staat zal zijn om de subjectieve belastingplicht van belanghebbende vast te stellen en, indien van toepassing, tevens de objectieve belastingplicht van belanghebbende. Tevens meent de inspecteur, aan de hand van de administratie van belanghebbende, te kunnen beoordelen of belanghebbende over de betreffende jaren omzetbelasting is verschuldigd. De omstandigheden op basis waarvan de inspecteur zich op het standpunt heeft gesteld dat hij opheldering wenst te verkrijgen over de belastingplicht van belanghebbende zijn onder meer de volgende:\n\n- Belanghebbende is, voor zover bekend, uitsluitend actief op de Nederlandse markt en heeft uitsluitend Nederlandse afnemers, zoals [H] ;\n\n- De enige bekende werknemers van belanghebbende, belanghebbende 1 en belanghebbende 2, hebben de Nederlandse nationaliteit en woonden, in ieder geval tot september 2013, in Nederland;\n\n- De inspecteur beschikt over aanwijzingen dat de werknemers van belanghebbende ook na september 2013 hun werkzaamheden geheel of gedeeltelijk in Nederland verrichtten:\n\n- Ten aanzien van belanghebbende 2 wordt op 3 januari 2017 namens [S Ltd] . verklaard dat zij haar werkzaamheden voor de eindopdrachtgever [H] uitsluitend in Nederland verricht;\n\n- Ten aanzien van de belanghebbende 1 verklaart mevrouw [persoon 6] van [J BV] op 15 december 2016 dat de plaats van werkzaamheden niet is gewijzigd ten tijde van de verhuizing van belanghebbende 1 naar [vestigingsplaats] en dat dit vermoedelijk [plaats 1] is;\n\n- Belanghebbende maakt gebruik van een Nederlandse bankrekening en verzoekt [J BV] op 7 oktober 2013 om de gefactureerde bedragen naar deze Nederlandse bankrekening over te maken;\n\n- Op 20 december 2013 ondertekent belanghebbende 1, namens belanghebbende, een overeenkomst met IT-Staffing. De overeenkomst vermeldt dat deze is ondertekend te [plaats 5] .\n\n4.14.. Om vast te stellen of belanghebbende in Nederland belastingplichtig is, beschikt de inspecteur over de in artikel 47 AWR vastgelegde bevoegdheid om algemene inlichtingen in te winnen. De verplichting die inlichtingen te verstrekken is zeer ruim. Indien een (rechts)persoon niet voldoet aan die op haar rustende inlichtingenverplichtingen, kan de inspecteur dat vastleggen in een informatiebeschikking en, zodra die beschikking definitief is, aanslagen opleggen waarna de belastingplichtige in beginsel moet bewijzen (overtuigend aantonen) dat de aanslagen onjuist zijn, bijvoorbeeld omdat zij niet in Nederland is gevestigd. Gelet op de onder 4.13 vermelde omstandigheden zijn de door de inspecteur gestelde vragen en verzoek om inlichtingen legitiem en noodzakelijk voor de beoordeling van de belastingplicht van belanghebbende. Op grond van deze omstandigheden heeft de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door hem gevraagde gegevens, inlichtingen, boeken, bescheiden en\u002Fof andere gegevensdragers van belang kunnen zijn om opheldering te krijgen over de vraag of belanghebbende in Nederland belastingplichtig is.Belanghebbende heeft in reactie op de vragen geen inhoudelijk antwoord verstrekt. Hieruit volgt dat de informatiebeschikkingen in zoverre terecht zijn gegeven.\n\n4.15.. Vraag c moet bevestigd worden beantwoord.\n\nVraag d) Zijn de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden?\n\n4.16.. De inspecteur dient de op grond van artikel 47 AWR toegekende bevoegdheden in redelijkheid uit te oefenen. Dit betekent onder andere dat de inspecteur het zorgvuldigheidsbeginsel dient te respecteren. Hij zal een controle tijdig moeten aankondigen en de belastingplichtige een redelijke termijn moet gunnen op de gevraagde informatie aan te leveren. Ook moet de inspecteur het belang van de gevraagde informatie op grond van het motiveringsbeginsel kunnen motiveren als belastingplichtige daarom vraagt.\n\n4.17.. Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur niet gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. De informatiebeschikkingen zijn genomen na een uitgebreid en zorgvuldig onderzoek. Tijdens het onderzoek zijn diverse gesprekken met belanghebbende gevoerd en is belanghebbende diverse malen in de gelegenheid gesteld om alsnog de informatie aan te leveren.\n\n4.18.. Het hof is voorts van oordeel dat de verzoeken om informatie voldoende door de inspecteur zijn gemotiveerd. De inspecteur heeft omschreven op welke gegevens hij zijn verzoek heeft gebaseerd, en hij heeft daarbij steeds het heffingsbelang toegelicht. De gronden waarop de bezwaren van belanghebbende zijn afgewezen, blijken bovendien voldoende duidelijk uit de uitspraken op bezwaar.\n\n4.19.. Naar het oordeel van het hof kan belanghebbende evenmin met een beroep op het fairplaybeginsel weigeren aan haar uit de artikelen 47 AWR voortvloeiende verplichtingen te voldoen. De inspecteur heeft bij het nemen van de informatiebeschikking immers niet gehandeld in strijd met de wettelijke regeling waarin deze bevoegdheid aan hem is verleend.\n\n4.20.. Ook de door belanghebbende aangehaalde zinsnede in de statusupdate van [P] maakt niet dat er sprake is van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Uit dit bericht kan niet worden afgeleid dat de informatiebeschikking is opgelegd met het doel om de aanslagtermijn voor de op te leggen navorderings- dan wel naheffingsaanslagen te verlengen.\n\n4.21.. Vraag d moet ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag e) Is er sprake van schending van artikel 8 van het EVRM, van de artikelen 5, 9 en 17 van het BUPO of enig ander verdrag of voorschrift?\n\n4.22.. Belanghebbende stelt dat de informatiebeschikkingen zijn opgelegd in strijd met artikel 8 EVRM, de artikelen 5, 9 en 17 van het BUPO en het nemo-tenetur-beginsel, mede onder verwijzing naar de zaak De Legé tegen Nederland.\n\n4.23.. In verband met het beroep van belanghebbende op het nemo-tenetur-beginsel geldt dat artikel 6 EVRM op de eerste plaats alleen van toepassing is in zogenoemde ‘criminal charge’-zaken. Belastingen vallen niet onder de reikwijdte van artikel 6 EVRM.Een informatiebeschikking vormt geen maatregel waarmee de verstrekking van die informatie wordt afgedwongen. Dat wordt niet anders doordat een dergelijke beschikking, indien zij onherroepelijk wordt, op grond van artikel 25, derde lid, van de AWR gepaard gaat met omkering en verzwaring van de bewijslast. Dit brengt mee dat het niet nodig is dat de inspecteur bij zijn informatiebeschikking, of de belastingrechter bij zijn oordeel omtrent die beschikking, een restrictie formuleert met betrekking tot het gebruik van wilsafhankelijke informatie voor sanctiedoeleinden. Zou het gevraagde materiaal in handen van de inspecteur komen en mede worden gebruikt voor fiscale beboeting of strafvervolging, dan komt het oordeel over de vraag in hoeverre het gaat om wilsafhankelijk materiaal en over de vraag welk gevolg moet worden verbonden aan schending van deze uit het EVRM voortvloeiende restrictie toe aan de rechter die over de beboeting of bestraffing beslist.Daarbij wijst het hof expliciet, voor wat betreft de eventuele ‘omkering en verzwaring van de bewijslast’, naar de op de voet van het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 2017 te maken belangenafweging.\n\n4.24.. Belanghebbende moet derhalve desgevraagd alle informatie verschaffen die van belang kan zijn voor een juiste belastingheffing, ongeacht of het gaat om wilsafhankelijke of wilsonafhankelijke informatie. Belanghebbende kan dus niet met een beroep op artikel 6 EVRM of enig ander voorschrift weigeren de gevraagde inlichtingen te verstrekken. De informatiebeschikking hoeft dan ook niet wegens strijd met het nemo-tenetur-beginsel te worden vernietigd.\n\n4.25.. Belanghebbende stelt voorts dat de informatiebeschikking is gegeven in strijd met het verbod op détournement de pouvoir. De inspecteur mag zijn bevoegdheid niet gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze is gegeven. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de inspecteur zijn bevoegdheden heeft ingezet met een ander doel dan de beoordeling van de belastingplicht van belanghebbende. In zoverre is er geen sprake van een handelen in strijd met het verbod op détournement de pouvoir.\n\n4.26.. Belanghebbende stelt verder dat de informatiebeschikking is gegeven in strijd met het recht op privacy van artikel 8 EVRM. Artikel 8 EVRM bepaalt dat geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van het recht van eenieder op respect voor zijn privéleven, dan voor zover bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.\n\n4.27.. Het hof stelt vast dat van enkele door de inspecteur verzochte gegevens gesteld kan worden dat het hier in beginsel een inmenging betreft in het recht van belanghebbende op respect voor zijn privéleven als bedoeld in artikel 8 EVRM. Om te beoordelen of deze inmenging aan het opvragen van de informatie in de weg staat, moet worden onderzocht of is voldaan aan de voorwaarden van artikel 8 EVRM die een inmenging kunnen rechtvaardigen.\n\n4.28.. De eerste voorwaarde die artikel 8 EVRM stelt is dat de inmenging bij wet is voorzien. De inspecteur heeft in het kader van artikel 47 AWR agenda-items, telefoonnotities, emailverkeer, sms, notities, overeenkomsten, faxen, facturen en dergelijke bij belanghebbende opgevraagd (zie 2.11). Nog daargelaten of het hier om een inmenging gaat als bedoeld in artikel 8 EVRM, is de wettelijke grondslag van deze inmenging gelegen in artikel 47 AWR. Dat is een voldoende wettelijke grondslag voor de inmenging. In voorkomende gevallen zoals bij inmenging in het privéleven waarbij sprake is van het systematisch verzamelen, vastleggen, bewerken, bewaren en\u002Fof gebruiken van gegevens kan weliswaar een meer specifieke grondslag vereist zijn, maar zo’n geval doet zich hier niet voor. Daarnaast is er sprake van een legitiem doel als bedoeld in artikel 8, lid 2 EVRM. Een maatregel waarmee wordt gewaarborgd dat belasting wordt betaald is namelijk in de regel noodzakelijk in het belang van het economisch welzijn van het land. Hier doet zich geen uitzondering op de regel voor. Nu het opvragen van deze gegevens bovendien proportioneel is in de gegeven omstandigheden, is er van een ongerechtvaardigde inbreuk op artikel 8 EVRM geen sprake.\n\n4.29.. Vraag e moet ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag f) Heeft de inspecteur de informatiebeschikking gegeven in strijd met de TIEA?\n\n4.30.. Op 1 maart 2008 is het TIEA in werking getreden. Op grond van artikel 11 TIEA mag Nederland in alle belastingzaken informatie opvragen aan [vestigingsplaats] voor belastingtijdvakken die beginnen op of na de datum van inwerkingtreding.\n\n4.31.. Belanghebbende betoogt dat sprake is van een schending van de TIEA, dan wel dat de uitleg en toepassing daarvan te goeder trouw moet zijn. Meer in het bijzonder stelt belanghebbende dat de toepassing van artikel 47 AWR wordt beperkt door de TIEA en het nationale recht van [vestigingsplaats] .\n\n4.32.. Artikel 4, lid 1 TIEA luidt als volgt:\n\n‘The competent authority of the requested party shall provide upon request by the requesting party information for the purposes referred to in Article 1. Such information shall be exchanged without regard to whether the requested party needs such information for its own tax purposes or the conduct being investigated would constitute a crime under the laws of the requested party if it had occurred in the territory of the requested party. The competent authority of the requesting party shall only make a request for information pursuant to this Article when it is unable to obtain the requested information by other means, except where recourse to such means would give rise to disproportionate difficulty.’\n\n4.33.. Uit de slotzin van de onder 4.32 genoemde passage volgt dat de bevoegde autoriteit van de verzoekende partij – in casu: Nederland – uitsluitend een verzoek om informatie op grond van dit artikel doet wanneer zij niet in staat is de gevraagde informatie op een andere manier te verkrijgen, behalve wanneer het gebruik van dergelijke middelen aanleiding zou geven tot onevenredige problemen.\n\n4.34.. Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of artikel 4, lid 1 TIEA – in een geval als het onderhavige waarin de belanghebbende stelt buiten Nederland woonachtig te zijn – de inspecteur verplicht om de gevraagde inlichtingen bij uitsluiting via artikel 4, lid 1 TIEA te verzoeken, of dat het de inspecteur ook toegestaan is om zich rechtstreeks tot belanghebbende te wenden. Op grond van het territorialiteitsbeginsel kan worden gesteld dat de inspecteur gehouden is – alvorens de belastingplichtige rechtstreeks te benaderen – de mogelijkheden uit de TIEA met het desbetreffende land volledig te benutten. Voorts kan worden gesteld dat de TIEA – bij het ontbreken van enige verwijzing daarnaar – toepassing van de bevoegdheden voortvloeiende uit de AWR verhindert.\n\n4.35.. Daar waar de inspecteur, min of meer, twee gelijkwaardige mogelijkheden tot zijn beschikking heeft, te weten de route via de TIEA en de rechtstreekse benadering van de belastingplichtige, acht het hof het niet ondenkbaar dat het territorialiteitsbeginsel vereist dat de inspecteur eerst, en wellicht uitsluitend, de mogelijkheden benut welke tot zijn beschikking staan op grond van de TIEA. Dit zou betekenen dat de door de inspecteur in de onderhavige zaak gegeven informatiebeschikking ten onrechte is gegeven. Anderzijds kan worden gesteld dat het de inspecteur vrij staat om de voor hem meeste geschikte route te benutten voor het vergaren van de gevraagde informatie. In beginsel is denkbaar dat de inspecteur ervoor kan kiezen de route via de TIEA te benutten, dan wel rechtstreeks de belastingplichtige te benaderen, dan wel om beide routes gelijktijdig te benutten.\n\n4.36.. Uit voorgaande volgt dat twijfel kan bestaan over de vraag of de inspecteur een keuzevrijheid heeft (gehad) ten aanzien van de hiervoor genoemde routes ter verkrijging van de door hem gewenste informatie. Alles overwegende komt het hof tot het oordeel dat het de inspecteur in beginsel vrij staat om bij belanghebbende informatie op te vragen die hij ook langs andere weg kan verkrijgen. Dit is anders indien het handelen van de inspecteur in strijd komt met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Van dat laatste is in het onderhavige geval niet gebleken (zie het antwoord op vraag d). Anders dan belanghebbende verdedigt staat ook de goede verdragstrouwniet in de weg aan het oordeel dat het de inspecteur in beginsel vrij staat om bij belanghebbende informatie op te vragen die hij ook langs andere weg kan verkrijgen. In het bijzonder gelet op de slotzin van lid 1 van artikel 4 TIEA past bij de uitleg van de TIEA juist dat de inspecteur eerst andere wegen moet bewandelen dan een beroep te doen op de TIEA. De conclusie is derhalve dat de TIEA er niet aan in de weg staat dat de inspecteur de informatiebeschikking heeft gegeven aan belanghebbende.\n\n4.37.. Vraag f moet ontkennend worden beantwoord.\n\nNieuwe termijn\n\n4.38.. Zoals uit het voorgaande volgt, is de informatiebeschikking terecht gegeven. Het hof zal belanghebbende een nieuwe termijn stellen om alsnog de gevraagde informatie te verstrekken aan de inspecteur, en wel binnen een termijn van vier weken na verzending van deze uitspraak. Het hof wijst belanghebbende er op dat het niet verstrekken van de gevraagde informatie zoals nader volgt uit deze uitspraak, nadelige gevolgen kan hebben voor haar bewijspositie in de bezwaar- en beroepsfase tegen de navorderings- dan wel naheffingsaanslagen.\n\nTussenconclusie\n\n4.39.. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.\n\n4.40.. Al hetgeen belanghebbende overigens nog heeft aangevoerd noopt niet tot een ander oordeel.\n\n4.41.. Voor het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad, waar belanghebbende om heeft verzocht, ziet het hof geen aanleiding.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.42.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.43.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.\n\nOverschrijding van de redelijke termijn in de hogerberoepsfase\n\n4.44.. In beginsel is de bestuursrechter niet gehouden te toetsen of de redelijke termijn is overschreden wanneer in hoger beroep niet over de duur van de procedure wordt geklaagd. In dit geval is dit anders omdat het hof het onderzoek op 25 juli 2024 heeft gesloten en daarbij heeft bepaald dat binnen zes weken schriftelijk uitspraak wordt gedaan, welke datum ligt binnen de termijn van twee jaar. Er was dus op 25 juli 2024 geen overschrijding van de redelijke termijn en deze was, uitgaande van de in artikel 8:66 jo 8:108, lid 1, Awb neergelegde termijn voor het doen van een schriftelijke uitspraak, ook niet te voorzien, zodat er voor belanghebbende ook geen reden was daarover te klagen. Er is daarom aanleiding ambtshalve te beoordelen of de redelijke termijn is overschreden en of een vergoeding van immateriële schade moet worden toegekend.\n\n4.45.. Het hoger beroep is in deze procedure ingesteld op 1 december 2022. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat het hof in deze zaak uitspraak doet, levert wat de hogerberoepsfase betreft een overschrijding van de redelijke termijn op met niet meer dan zes maanden. Aangezien inzicht in het financiële belang van belanghebbende bij de onderhavige procedure ontbreekt, volstaat het hof met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.Aan belanghebbende komt geen vergoeding van immateriële schade toe.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep ongegrond;\n\nbevestigt de uitspraak van de rechtbank;\n\nstelt belanghebbende tot vier weken na verzending van deze uitspraak in de\n\ngelegenheid alsnog de gevraagde informatie aan de inspecteur te verstrekken.\n\nDe uitspraak is gedaan door J. Wessels, voorzitter, P. Fortuin en I. Reijngoud, in tegenwoordigheid van R. Camps, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2024 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.\n\nDe griffier, De voorzitter,\n\nR. Camps J. Wessels\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag .Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staten van Jersey inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken; (met Memorandum van Overeenstemming), Trb. 2007, 208 en 2008, 24.\n\n EHRM 12 juli 2001, Ferrazzini vs. Italië, ECLI:CE:ECHR:2001:0712JUD004475998; HR 26 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1969 en HR 5 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0469.\n\n HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3603, r.o. 2.4.2.\n\n Kamerstukken II 2010\u002F11, 30645, nr D.\n\n HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3603.\n\n HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1117; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1129; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1130; HR 24 april 2015; ECLI:NL:HR:2015:1135; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1137; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1141.\n\n HR 3 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0821.\n\n HR 18 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7498 en HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3603.\n\nEHRM van 4 oktober 2022 nr. 58342\u002F15, ECLI:CE:ECHR:2022:1004JUD005834215, De Legé tegen Nederland.\n\nEHRM 12 juli 2001, ECLI:CE:ECHR:2001:0712JUD004475998 (Ferrazzini\u002FItalië), HR 26 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1969 en HR 5 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0469.\n\n HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3640; HR 8 augustus 2014, ECLI:NL:HR:2014:2144; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1117; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1129; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1130; HR 24 april 2015; ECLI:NL:HR:2015:1135; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1137; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1141; vgl. HR 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1359.\n\n ECLI:NL:HR:2017:130, r.o. 3.3.5.\n\n Verdrag van Wenen inzake het Verdragenrecht, Trb. 1985, 79.\n\n HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.4.3 en 3.5.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:4083","2026-07-13T00:29:19.174Z",{"id":67,"ecli":68,"slug":69,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":70,"fullText":71,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":72,"sourceTimestamp":73,"parsedAt":50,"updatedAt":74},"852","ECLI:NL:GHSHE:2024:4140","ecli-nl-ghshe-2024-4140","2024-12-17T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH\n\nParketnummer : 20-002537-19\n\nUitspraak : 17 december 2024\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 31 juli 2019, in de strafzaak met parketnummer 02-996007-10 tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum in het jaar] 1961,\n\nvolgens opgave ter terechtzitting in hoger beroep wonende te:\n\n [woonplaats] (Spanje, provincie [provincie] ), [woonadres] .\n\nHoger beroep\n\nBij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de dagvaarding partieel nietig verklaard, namelijk voor zover die betrekking heeft op de onder feit 1 vermelde zinsnede ‘en\u002Fof een of meer (andere) natuurlijke perso(o)n(en) en\u002Fof (rechts)perso(o)n(en)’, het onder feit 1, feit 2, feit 3 en feit 4 tenlastegelegde bewezenverklaard, de verdachte ter zake van het onder feit 4 sub A bewezenverklaarde ontslagen van alle rechtsvervolging, de overige bewezenverklaarde feiten gekwalificeerd als:\n\n‘deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, van welke organisatie hij leider is’ (feit 1);\n\n‘valsheid in geschrift, meermalen gepleegd’ (feit 2);\n\n‘opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd’ (feit 3) en\n\n‘medeplegen van een gewoonte maken van het plegen van witwassen’ (feit 4),\n\nde verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van het voorarrest.\n\nNamens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren met aftrek van het voorarrest.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft primair integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd.\n\nOntvankelijkheid van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank partieel vrijgesproken van het in de tenlastelegging onder feit 3 impliciet cumulatief opgenomen strafbare verwijt met betrekking tot het onjuist doen van aangifte omzetbelasting over september 2006. Het hof is van oordeel dat deze partiële vrijspraak als een beschermde vrijspraak moet worden beschouwd.\n\nTegen het vonnis is bij akte van 7 augustus 2019 namens de verdachte onbeperkt hoger beroep ingesteld.\n\nIngevolge artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte geen hoger beroep open tegen het vonnis voor zover hij van het tenlastegelegde is vrijgesproken.\n\nHet hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep, voor zover dat tegen de beschermde vrijspraak is gericht.\n\nAl hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het bestreden vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissingen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover thans nog aan de orde in hoger beroep – tenlastegelegd dat:\n\n1. hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 7 december 2010 te Veen, gemeente Aalburg en\u002Fof in de gemeente(n) Heusden en\u002Fof Veghel en\u002Fof Zundert en\u002Fof Vianen en\u002Fof Hardinxveld-Giessendam en\u002Fof Oud-Beijerland en\u002Fof Sliedrecht en\u002Fof (elders) in Nederland en\u002Fof Duitsland en\u002Fof België en\u002Fof Spanje (telkens) heeft deelgenomen aan een organisatie, die werd gevormd door hem verdachte, en\u002Fof - [medeverdachte 1] en\u002Fof - [medeverdachte 2] en\u002Fof - [medeverdachte 3] en\u002Fof - [medeverdachte 4] en\u002Fof - [autobedrijf 1] B.V. en\u002Fof - [medeverdachte 5] en\u002Fof - [autobedrijf 2] B.V. en\u002Fof - [medeverdachte 6] en\u002Fof - [autobedrijf 3] B.V. en\u002Fof - [medeverdachte 7] en\u002Fof - [autobedrijf 4] B.V. ( [autobedrijf 4] 2) en\u002Fof [autobedrijf 4] B.V. (per 22-01-2009) en\u002Fof - [autobedrijf 4] B.V. ( [autobedrijf 4] 3) en\u002Fof - [medeverdachte 8] en\u002Fof een of meer (andere) natuurlijke perso(o)n(en) en\u002Fof (rechts)perso(o)n(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk: - het plegen van valsheid in geschrift (art. 225, lid 1 WvSr) en\u002Fof - het opzettelijk doen van onjuiste en\u002Fof onvolledige aangiften met betrekking tot de omzetbelasting (art. 69, lid 2 AWR) en\u002Fof - het opzettelijk niet doen van aangiften met betrekking tot de omzetbelasting (art. 69, lid 1 AWR) en\u002Fof - het opzettelijk niet voeren van een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen en\u002Fof het opzettelijk niet bewaren van boeken, bescheiden en\u002Fof andere gegevensdragers (art. 68, lid 1 sub d en sub e jo. art. 69 lid 1 AWR) en\u002Fof - witwassen van (een) geldbedrag(en) (art. 420ter, art. 420bis Sr), zulks terwijl hij, verdachte, van bedoelde organisatie oprichter en\u002Fof leider en\u002Fof bestuurder was;\n\n2. hij, verdachte, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 7 december 2010 te Veen, in de gemeente Aalburg, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (een deel van) de (bedrijfs)administratie van zijn, verdachtes, onderneming, handelend onder de naam [autobedrijf verdachte] , zijnde (dat deel van) de (bedrijfs)administratie voornoemd, (telkens) een (samenstel van) geschrift(en) die\u002Fdat bestemd waren\u002Fwas om tot bewijs van enig feit te dienen, (telkens) valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft\u002Fhebben hij, verdachte, en\u002Fof (een of meer van) zijn medeverdachte(n), (telkens) opzettelijk valselijk en\u002Fof in strijd met de waarheid – zakelijk weergegeven – in (dat deel van) die (bedrijfs)administratie voornoemd opgenomen en\u002Fof verwerkt en\u002Fof doen en\u002Fof laten opnemen en\u002Fof verwerken, (circa) 1475 valse of vervalste inkoopfacturen en\u002Fof (circa) 1184 valse en\u002Fof vervalste verkoopfacturen, althans een (groot) aantal valse of vervalste (inkoop- en\u002Fof verkoop)facturen, waaronder * 3, in elk geval een of meer (inkoop)facturen, uit de periode 1 juni 2006 tot en met 31 december 2006 (te weten: F\u002F2527, F\u002F2528 en\u002Fof F-2536), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [onderneming 1] en (telkens) gericht aan [autobedrijf verdachte] en\u002Fof * 4, in elk geval een of meer (inkoop)facturen, uit de maand oktober 2006 (waaronder F\u002F2529 en\u002Fof F\u002F2530), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [onderneming 2] en (telkens) gericht aan [autobedrijf verdachte] en\u002Fof * 3, in elk geval een of meer (inkoop)facturen, uit de periode maart 2006 tot en met maart 2007 (waaronder F\u002F2511, F\u002F2503 en\u002Fof F\u002F1512), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [onderneming 3] B.V. en (telkens) gericht aan [autobedrijf verdachte] en\u002Fof * 6, in elk geval een of meer (inkoop)facturen, uit de periode van januari 2007 tot en met juli 2007 (waaronder F\u002F2062, F\u002F2082, F\u002F2104, F\u002F2139, F\u002F2137 en\u002Fof F\u002F2155), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [onderneming 4] B.V. en (telkens) gericht aan [autobedrijf verdachte] en\u002Fof * 8, in elk geval een of meer (inkoop)facturen, uit de periode juli 2007 tot en met april 2008 (waaronder F\u002F1708, F\u002F1976, F\u002F1898 , F\u002F1670, F\u002F1827, F\u002F1787, F\u002F1924 en\u002Fof F\u002F1869), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [onderneming 5] B.V. en (telkens) gericht aan [autobedrijf verdachte] en\u002Fof * 2, in elk geval een of meer (inkoop)facturen, uit de periode april 2008 tot en met mei 2008 (waaronder F\u002F2431 en\u002Fof F\u002F2441), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [onderneming 6] B.V. en (telkens) gericht aan [autobedrijf verdachte] en\u002Fof * 8, in elk geval een of meer (inkoop)facturen, uit de periode mei 2008 tot en met februari 2009 (waaronder F\u002F1488, F\u002F1494, F\u002F1502, F\u002F1530, F\u002F1577, F\u002F1573, F\u002F1558 en\u002Fof 1599), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van (ZAP) [onderneming 7] B.V. en (telkens) gericht aan [autobedrijf verdachte] en\u002Fof * 8, in elk geval een of meer (inkoop)facturen, uit de periode van februari 2009 tot en met september 2009 (waaronder F\u002F1344, F\u002F1375, F\u002F1399, F\u002F1401, F\u002F1414, F\u002F1425, F\u002F1440 en\u002Fof F\u002F1460), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [onderneming 8] B.V. (h.o.d.n. [onderneming 8] ) en (telkens) gericht aan [autobedrijf verdachte] en\u002Fof * 8, in elk geval een of meer (inkoop)facturen, uit de periode van juli 2009 tot en met december 2009 (waaronder F\u002F1244, F\u002F1307, F\u002F1316 en\u002Fof F\u002F2335), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [onderneming 9] B.V. en (telkens) gericht aan [autobedrijf verdachte] en\u002Fof * 8, in elk geval een of meer (inkoop)facturen, uit de periode van december 2009 tot en met november 2010 (waaronder F\u002F0969, F\u002F0902, F\u002F1093, F\u002F1146, F\u002F1165, F\u002F1202, F\u002F1237 en\u002Fof F\u002F2266), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [onderneming 10] B.V. en (telkens) gericht aan [autobedrijf verdachte] en\u002Fof * 8, in elk geval een of meer (verkoop)facturen, uit de periode van augustus 2006 tot en met november 2008 (waaronder F\u002F3391, F\u002F3389, F\u002F3416, F\u002F3400, F\u002F3570, F\u002F4012, F\u002F4464 en\u002Fof F\u002F4560), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [autobedrijf verdachte] en (telkens) gericht aan [autobedrijf 1] B.V. en\u002Fof * 10, in elk geval een of meer (verkoop)facturen, uit de periode januari 2009 tot en met december 2010 (waaronder F\u002F3731, F\u002F4960, F\u002F5249, F\u002F5322, F\u002F5420, F\u002F5439, F\u002F6782, F\u002F6855, F\u002F6889 en\u002Fof F\u002F7006), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [autobedrijf verdachte] en (telkens) gericht aan [autobedrijf 2] B.V., terwijl een inkoop van auto's en\u002Fof een verkoop van auto's zoals op die facturen vermeld, in werkelijkheid (telkens) niet tussen die voornoemde onderneming(en) heeft\u002Fhebben plaatsgevonden en\u002Fof terwijl in werkelijkheid geen sprake was van tussen die ondernemingen overeengekomen transacties zoals gebruikelijk in het handelsverkeer en\u002Fof terwijl in werkelijkheid sprake was van door die onderneming(en) opgezette (schijn)transacties met het (vooropgezette) doel om (in het kader van een internationale BTW-fraude) de Nederlandse Staat financieel te benadelen (op het terrein van omzetbelasting) en\u002Fof zichzelf\u002Fhenzelf financieel te bevoordelen ten koste van de Nederlandse Staat, zulks met het oogmerk om die\u002Fdat (samenstel van) geschrift(en) (telkens) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;\n\n3. hij, verdachte, op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juni 2006 tot en met 31 december 2010 in de gemeente(n) Sprang-Capelle en\u002Fof Breda en\u002Fof Apeldoorn en\u002Fof (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), te weten aangifte(n) voor de omzetbelasting op naam van [verdachte] , als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) over het\u002Fde (maandelijkse) aangiftetijdvak(ken) - maanden oktober 2006 tot en met december 2006 en\u002Fof - maanden januari 2007 tot en met december 2007 en\u002Fof - maanden januari 2008 tot en met december 2008 en\u002Fof - maanden januari 2009 tot en met december 2009 en\u002Fof - maanden januari 2010 tot en met oktober 2010, onjuist en\u002Fof onvolledig heeft gedaan, althans doen of laten doen, immers heeft\u002Fhebben hij, verdachte, en\u002Fof (een of meer van) zijn medeverdachte(n), toen aldaar (telkens) opzettelijk op\u002Fin het\u002Fde bij de inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Breda en\u002Fof Apeldoorn, in elk geval in Nederland, (langs elektronische weg) ingeleverde aangiftebiljet(ten) omzetbelasting over genoemd(e) aangiftetijdvak(ken) – zakelijk weergegeven – - (telkens) een te hoog bedrag aan voorbelasting opgegeven, althans doen of laten opgeven, en\u002Fof - (telkens) een te laag belastbaar bedrag en\u002Fof een te laag\u002Fonjuist bedrag aan verschuldigde omzetbelasting opgegeven, althans doen of laten opgeven, terwijl die\u002Fdat feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven;\n\n4. hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 2 april 2006 tot en met 22 oktober 2010 te Veen, gemeente Aalburg, en\u002Fof in de gemeente(n) Veghel en\u002Fof in Vianen en\u002Fof Zundert en\u002Fof (elders) in Nederland, en\u002Fof in Duitsland en\u002Fof in Spanje en\u002Fof in België, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft\u002Fhebben gemaakt, althans zich schuldig heeft\u002Fhebben gemaakt aan witwassen, immers heeft\u002Fhebben hij, verdachte, en\u002Fof (een of meer van) zijn mededader(s), (uit hoofde van die gewoonte) (telkens) in voornoemde periode van (een) voorwerp(en), te weten een of meer van de\u002Fhet navolgende geldbedrag(en), de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en\u002Fof de verplaatsing verborgen en\u002Fof verhuld, en\u002Fof (van) (een) voorwerp(en), te weten een of meer van de navolgende geldbedrag(en), (telkens) verworven en\u002Fof voorhanden gehad en\u002Fof overgedragen en\u002Fof omgezet en\u002Fof gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte, en\u002Fof zijn verdachtes mededader(s) (telkens) wist(en) dat die\u002Fdat voorwerp(en) en\u002Fof dat\u002Fdie geldbedrag(en), geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was\u002Fwaren uit enig misdrijf, door:\n\nA) vanaf de\u002Feen bankrekening (nr. [rekeningnummer 1] ) ten name van [verdachte] (h.o.d.n. [autobedrijf verdachte] ) een (totaal)bedrag groot (circa) € 702.098,00, althans enig(e) geldbedrag(en), in contanten op te nemen en\u002Fof laten opnemen en\u002Fof pinbetalingen te verrichten en\u002Fof te laten verrichten vanaf die bankrekening en\u002Fof\n\n B) (een of meer van) de navolgende geldbedrag(en) als kasopname\u002Fkasuitgave in het kasboek van (het [autobedrijf verdachte] ) [verdachte] jaar 2008 te boeken en\u002Fof te laten boeken met als verantwoording \" [onderneming 6] BV\" en\u002Fof \" [onderneming 6] \", terwijl die \" [onderneming 6] BV \"en\u002Fof \" [onderneming 6] \" als onderneming(en) rechtens niet bestond(en), (het betrof(fen) het\u002Fde navolgende geboekte geldbedrag(en) (in euro's): - april 24 58.000,00 en\u002Fof - april 25 110.500,00 en\u002Fof - april 29 158.250,00 en\u002Fof - mei 6 55.050,00 en\u002Fof - mei 7 39.000, - mei 8 62.500,00 en\u002Fof\n\nC) vanaf de\u002Feen bankrekening (nr. [rekeningnummer 1] ) ten name van [verdachte] (h.o.d.n. [autobedrijf verdachte] ) een of meer van de navolgende geldbedrag(en) over te boeken en\u002Fof te laten overboeken naar en\u002Fof te ontvangen op de\u002Feen bankrekening(en) ten name gesteld van het\u002Fde navolgende (plof)bedrijf\u002Fbedrijven, te weten: - in het jaar 2007 naar [onderneming 11] B.V. een (totaal)bedrag groot (circa) € 12.035.500,00, althans (een) geldbedrag(en), en\u002Fof - in het jaar 2008 naar [onderneming 11] B.V. een (totaal)bedrag groot (circa) € 8.304.200,00, althans (een) geldbedrag(en), en\u002Fof - in de periode van 1 december 2009 tot en met 24 december 2010 naar [onderneming 10] B.V. een (totaal)bedrag groot (circa) € 13.816.350,00, althans (een) geldbedrag(en), en\u002Fof - in de periode van 1 januari 2009 tot en met 30 juni 2009 naar [onderneming 12] , een (totaal)bedrag groot (circa) € 2.804.600,00, althans (een) geldbedrag(en), en\u002Fof\n\nJ) vanaf de\u002Feen bankrekening (nr. [rekeningnummer 2] ) ten name gesteld van [onderneming 10] B.V. in de periode van 1 december 2009 tot en met 24 december 2010 een (totaal)bedrag groot (circa) € 8.896.670,00, althans enig(e) geldbedrag(en), over te boeken en\u002Fof te laten overboeken naar en\u002Fof te ontvangen op de\u002Feen (Belgische) bankrekening(en) ( [rekeningnummer 3] ) (DEXIA) ten name gesteld van [onderneming 13] BVBA en\u002Fof ( [rekeningnummer 4] (ING) ten name gesteld van [onderneming 13] BVBA, en\u002Fof\n\nL) vanaf de\u002Feen bankrekening ( [rekeningnummer 5] ) ten name gesteld van [onderneming 12] in de periode van 1 februari 2009 tot en met 30 juni 2010: - een (totaal)bedrag groot (circa) € 2.630.700,00, althans enig(e) geldbedrag(en), over te boeken en\u002Fof te laten overboeken naar en\u002Fof te ontvangen op de\u002Feen (Duitse) bankrekening ( [rekeningnummer 6] ) ten name gesteld van, althans in gebruik bij, [onderneming 14] (GmbH & Co KG) en\u002Fof - een (totaal)bedrag groot (circa) € 59.500,00, althans enig(e) geldbedrag(en), over te boeken en\u002Fof te laten overboeken naar en\u002Fof te ontvangen op de\u002Feen (Duitse) bankrekening ( [rekeningnummer 7] ) ten name gesteld van [onderneming 15] .\n\nDe in de tenlastelegging voorkomende taal- en\u002Fof schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nPartiële nietigheid van de dagvaarding\n\nHet onder feit 1 tenlastegelegde, voor zover het de zinsnede ‘en\u002Fof een of meer (andere) natuurlijke perso(o)n(en) en\u002Fof (rechts)perso(o)n(en)’ betreft, behelst naar het oordeel van het hof, gelijk de rechtbank heeft geoordeeld, een onduidelijkheid, aangezien niet duidelijk is op welke (rechts)personen de steller der tenlastelegging doelt. De tenlastelegging is op dit punt in hoger beroep niet anders komen te luiden.\n\nNu in zoverre niet is voldaan aan de aan een dagvaarding te stellen eisen voor wat betreft duidelijkheid, is het hof mitsdien van oordeel dat de tenlastelegging, zoals vervat in de inleidende dagvaarding, voor wat betreft voormelde zinsnede, niet voldoet aan de daaraan in artikel 261, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering gestelde eisen. Het hof zal derhalve, evenals de rechtbank, de dagvaarding in zoverre nietig verklaren.\n\nVrijspraak van het onder feit 1 tenlastegelegde\n\nDe verdachte staat ingevolge hetgeen aan hem onder feit 1 ten laste is gelegd terecht ter zake van het deelnemen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten valsheid in geschrift, belastingfraude en witwassen, terwijl de verdachte daarvan leider was.\n\nHet hof stelt op grond van het onderzoek ter terechtzitting vast dat er meer dan voldoende bewijs voorhanden is dat in de tenlastegelegde periode sprake is geweest van een grootschalige BTW-fraude in de autohandel. Die fraude heeft niet anders dan binnen een crimineel samenwerkingsverband kunnen plaatsvinden. Uit de heden eveneens uitgesproken en ten laste van medeverdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] gewezen arresten komt naar voren dat zij een rol binnen dat samenwerkingsverband hebben gehad, welke rol in strafrechtelijke zin als deelneming aan een criminele organisatie moet worden aangemerkt. Uit het procesdossier komt verder naar voren dat medeverdachte [medeverdachte 1] een leidende rol binnen de gepleegde BTW-fraude heeft vervuld.\n\nIn de onderhavige zaak dient het hof evenwel de vraag te beantwoorden of het handelen van de verdachte kan worden aangemerkt als deelneming aan deze criminele organisatie. Van deelneming is in objectieve zin sprake indien een persoon behoort tot de organisatie en een aandeel heeft in gedragingen, dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.\n\nUit het onderzoek ter terechtzitting is dienaangaande het volgende naar voren gekomen. Medeverdachte [medeverdachte 9] heeft verklaard dat hij onder meer voor de verdachte rechtstreeks auto’s heeft opgehaald bij [onderneming 15] in Duitsland. Medeverdachte [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij eveneens voor de verdachte auto’s bij dat Duitse bedrijf heeft opgehaald, meestal met een transporter van de verdachte, waarvoor hij door de verdachte contant werd betaald.\n\nDe directeur van [onderneming 15] , [directeur onderneming 15] , heeft als getuige verklaard dat de verdachte telefonisch contact met zijn [autobedrijf verdachte] had om te informeren naar bepaalde voertuigen. De verdachte zou ook voertuigen hebben besteld en hebben gemeld welke firma de voertuigen kwam afhalen en op welke firma de voertuigen moesten worden gefactureerd. De verdachte zou volgens [directeur onderneming 15] de auto’s zelf hebben uitgezocht. Medeverdachte [medeverdachte 1] kocht ook vaak bij hem in, aldus getuige [directeur onderneming 15] .\n\nDe verdachte heeft de verklaring van [directeur onderneming 15] waaruit zijn betrokkenheid bij het inkopen van auto’s in Duitsland ten overstaan van het hof ten stelligste bestreden. De verdachte stelt dat hij nimmer zelf voertuigen bij [onderneming 15] heeft ingekocht, maar dat hijzelf zijn voertuigen alleen inkocht via medeverdachte [medeverdachte 1] . De verdachte voelt zich misbruikt door medeverdachte [medeverdachte 1] en stelt dat [medeverdachte 1] en [directeur onderneming 15] de schuld op hem proberen af te schuiven, nadat zij zijn geconfronteerd met belastingcontroles. In dat verband heeft de verdachte aangevoerd dat [directeur onderneming 15] in 2010, nadat de FIOD bij de verdachte een inval had gedaan en [onderneming 15] onderzocht werd door de Duitse fiscus, bij hem op zijn bedrijf is geweest met een stapel door [medeverdachte 1] te tekenen koopcontracten om zijn administratie kloppend te maken. Bij die gelegenheid zou [directeur onderneming 15] de verdachte een beloning van € 25.000,00 in het vooruitzicht hebben gesteld als hij hem in contact zou kunnen brengen met [medeverdachte 1] om dit te bewerkstelligen.\n\nHet hof stelt vast dat getuige [directeur onderneming 15] pas in zijn tweede verhoor en in vrij algemene zin heeft verklaard over de rol van de verdachte en dat die verklaring geen nadere steun vindt in andere bewijsmiddelen. Weliswaar lijken de in 2010 aangetroffen voorraadlijsten van [autobedrijf verdachte] met daarop handgeschreven (inkoop)bedragen op het eerste gezicht steun te bieden aan de verklaring van [directeur onderneming 15] , doch het hof heeft geconstateerd dat de daarop vermelde auto’s afkomstig zijn van [onderneming 14] in Duitsland en niet van [onderneming 15] . Daarbij komt dat [directeur onderneming 14] van [onderneming 14] als getuige niet heeft verklaard over de verdachte als zijnde de persoon die bij [onderneming 14] de auto’s inkocht. Dat was immers steeds medeverdachte [medeverdachte 1] . In de getuigenverklaring van [directeur onderneming 14] is aldus veeleer ondersteuning te vinden voor de verklaring van de verdachte, dan dat deze getuigenverklaring de verklaring van [directeur onderneming 15] ondersteunt.\n\nVoorts heeft het hof acht geslagen op de inhoud van de getuigenverklaring van [getuige 1] , echtgenote van [echtgenoot getuige 1] , die heeft verklaard dat [directeur onderneming 15] haar – bij afwezigheid van haar echtgenoot omdat hij in de gevangenis zat – thuis onder druk heeft gezet om papieren met betrekking tot auto’s (onder meer afhaalverklaringen) te tekenen.\n\nHet voorgaande maakt dat er bij het hof twijfels zijn gerezen over de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring van [directeur onderneming 15] . Om die reden kan niet zonder meer, zonder nadere ondersteuning, van de juistheid van zijn belastende getuigenverklaring met betrekking tot de rol van de verdachte uit worden gegaan, zodat die verklaring naar ’s hofs oordeel niet in doorslaggevende zin tot het bewijs in deze zaak kan bijdragen.\n\nMet betrekking tot een mogelijke betrokkenheid van de verdachte bij de gebruikte plofbedrijven die in de constructie van de BTW-fraude een essentiële rol hebben gespeeld heeft medeverdachte [medeverdachte 4] verklaard dat zij de bankrekening van [onderneming 10] B.V. op haar naam heeft laten zetten op verzoek van medeverdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en de verdachte. Het procesdossier ontbeert verdere concrete aanknopingspunten op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de verdachte gedragingen heeft verricht in relatie tot de plofbedrijven die bij de BTW-fraude zijn gebruikt.\n\nHet hof is van oordeel dat aan de hiervoor beschreven gedragingen van de verdachte niet het wettige bewijs kan worden ontleend dat die gedragingen strekten tot of rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het oogmerk van de criminele organisatie. Dat maakt dat het bewijs ervoor tekort schiet om tot een bewezenverklaring van het onder feit 1 tenlastegelegde te kunnen komen. Het hof zal de verdachte derhalve daarvan vrijspreken.\n\nPartiële vrijspraak van het onder feit 2 tenlastegelegde\n\nUit het onderzoek ter terechtzitting is naar voren gekomen dat er met betrekking tot de in- en verkoop van auto’s, waarop de onder feit 2 bedoelde facturen zien, grootschalige BTW-fraude is gepleegd. Om tot een bewezenverklaring van het onder feit 2 tenlastegelegde te kunnen komen is onder meer vereist dat in rechte kan worden vastgesteld dat de verdachte opzet had op de valsheid van de facturen betreffende de transactie(s) met betrekking tot een bepaalde auto. Daarvoor is noodzakelijk dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte wetenschap had van de valsheid van die betreffende facturen. Indien blijkt dat de verdachte wist dat in een opeenvolging van transacties met betrekking tot een bepaalde auto bij een transactie met betrekking tot die auto (in betrekkelijk korte tijd) sprake was van een prijsval ten opzichte van een eerdere transactie met betrekking tot diezelfde auto, dan draagt dat bij tot het bewijs daarvoor. In het handelsverkeer is immers een prijsdaling bij opvolgende verkooptransacties met betrekking tot hetzelfde voorwerp (auto) zonder dat concreet sprake is van een (aanwijsbare oorzaak voor een) waardedaling van dat voorwerp, zeer ongewoon. Het hof heeft daarom bij de in verband met de in de tenlastelegging opgenomen facturen aan de orde zijnde in- of verkooptransacties ten aanzien van desbetreffende voertuigen afzonderlijk beoordeeld of sprake is geweest van een dergelijke prijsval.\n\nHet hof is allereerst met de rechtbank van oordeel dat de onder feit 2 in de tenlastelegging genoemde verkoopfacturen (laatste twee gedachtestreepjes) niet als vals kunnen worden aangemerkt. De met [autobedrijf 1] B.V. en [autobedrijf 2] B.V. gesloten verkopen waren voor de verdachte een middel om financiering te verkrijgen voor de aankopen die hij deed. Welke vennootschappen hem in dat kader financierden en op welke wijze zij die financiering regelden, was voor de verdachte niet belangrijk. [autobedrijf 1] B.V. en [autobedrijf 2] B.V. zijn bij de litigieuze autotransacties betrokken geraakt door de relatie die zij hadden met [medeverdachte 8] , met wie de verdachte zaken deed. In de onherroepelijke vonnissen, door de rechtbank gewezen in de zaken tegen [autobedrijf 1] B.V. en [autobedrijf 2] B.V., heeft de rechtbank geconcludeerd dat deze beide vennootschappen geacht moeten worden de beschikkingsmacht te hebben gehad over de door hen bij de verdachte gekochte auto’s, dat zij niet bekend waren met het bestaan van een prijsval of met de prijzen die in Duitsland werden betaald en dat zij geen wetenschap hadden van de BTW-fraude en tenslotte dat van een valselijk opgemaakte administratie bij deze vennootschappen geen sprake is. Op grond daarvan dienen de tussen de verdachte en [autobedrijf 1] B.V. respectievelijk [autobedrijf 2] B.V. gesloten verkopen als in het handelsverkeer gebruikelijke transacties te worden beschouwd. Het hof zal de verdachte derhalve vrijspreken van de in de tenlastelegging bedoelde verkoopfacturen.\n\nMet betrekking tot de inkoopfacturen geldt het volgende. Tijdens het vooronderzoek zijn voorraadlijsten van [autobedrijf verdachte] uit de periode van 2 maart tot en met 6 december 2010 in beslag genomen, waarop in de linkermarge met pen handgeschreven bedragen zijn vermeld. Aan de hand van die voorraadlijsten met auto’s, van welke auto’s het merendeel is ingekocht bij [onderneming 14] in Duitsland en welke auto’s via de in de tenlastelegging genoemde (plof)bedrijven zijn verkocht aan [autobedrijf verdachte] , heeft het hof onderzocht of sprake was van een prijsval en of de verdachte daar wetenschap van had. Het hof heeft, zoals hierna onder B.4 en B.5 zal worden overwogen, met betrekking tot de voorraadlijst die in de jaszak van de verdachte is aangetroffen en waarvan aldus – in combinatie met de vaststelling dat het zijn handschrift betreft – kan worden vastgesteld dat hij daar gebruik van heeft gemaakt, geconcludeerd dat ter zake van vijf transacties sprake is geweest van een prijsval aan de inkoopzijde én dat de verdachte daarvan wetenschap moet hebben gehad. Het hof heeft die conclusie niet kunnen trekken ten aanzien van overige tenlastegelegde inkoopfacturen. Daarvoor is het wettige bewijs namelijk niet toereikend. In zoverre zal het hof de verdachte dan ook vrijspreken van het onder feit 2 tenlastegelegde.\n\nPartiële vrijspraak van het onder feit 3 tenlastegelegde\n\nNu, behoudens de hierna te bespreken vijf inkoopfacturen, het bewijs ervoor tekort schiet om te kunnen oordelen dat de onder feit 2 in de tenlastelegging genoemde facturen vals zijn en dat met het opnemen daarvan (een deel van) de bedrijfsadministratie van [autobedrijf verdachte] valselijk is opgemaakt, kan evenmin wettig en overtuigend worden bewezen dat de aangiften omzetbelasting over de maanden oktober 2006 tot en met april 2010 en juni 2010 tot en met oktober 2010 onjuist zijn gedaan. Die facturen liggen immers aan de aangiften over de genoemde aangiftetijdvakken ten grondslag. Het hof zal de verdachte dan ook partieel vrijspreken van het onder feit 3 tenlastegelegde.\n\nPartiële vrijspraak van het onder feit 4 tenlastegelegde\n\nAangezien de verdachte partieel zal worden vrijgesproken van het onder feit 2 en onder feit 3 tenlastegelegde is het hof van oordeel dat de grondslag aan de witwasverdenking, zoals onder feit 4 in de aanhef en sub B, C, J en L aan de verdachte ten laste is gelegd, komt te ontvallen. Dat maakt dat het onder feit 4 tenlastegelegde in zoverre niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, reden waarom het hof de verdachte daarvan zal vrijspreken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 2, feit 3 en feit 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:\n\n2. hij, verdachte, op tijdstippen in de periode van 24 november 2010 tot en met 7 december 2010 te Veen, in de gemeente Aalburg, een deel van de bedrijfsadministratie van zijn onderneming, handelend onder de naam [autobedrijf verdachte] , zijnde een samenstel van geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk valselijk in die bedrijfsadministratie voornoemd doen of laten opnemen en\u002Fof verwerken, 5 valse inkoopfacturen, waaronder 2 inkoopfacturen uit de periode van november 2010, volgens factuuropdruk telkens afkomstig van [onderneming 10] B.V. en telkens gericht aan [autobedrijf verdachte] , terwijl in werkelijkheid geen sprake was van tussen die ondernemingen overeengekomen transacties zoals gebruikelijk in het handelsverkeer en terwijl in werkelijkheid sprake was van door die ondernemingen opgezette transacties met het doel om henzelf financieel te bevoordelen ten koste van de Nederlandse Staat, zulks met het oogmerk om dat samenstel van geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;\n\n3. hij, verdachte, op 25 juni 2010 in Nederland opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, te weten aangifte voor de omzetbelasting op naam van [verdachte] , als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten over het maandelijkse aangiftetijdvak mei 2010, onjuist heeft laten doen, immers heeft hij, verdachte, toen aldaar opzettelijk in het bij de inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Apeldoorn langs elektronische weg ingeleverde aangiftebiljet omzetbelasting over genoemd aangiftetijdvak een te hoog bedrag aan voorbelasting doen of laten opgeven en een te laag\u002Fonjuist bedrag aan verschuldigde omzetbelasting doen of laten opgeven, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven;\n\n4.\n\nhij, verdachte, in de periode van 25 juni 2010 tot en met 22 oktober 2010 in Nederland zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft hij, verdachte, in voornoemde periode een voorwerp, te weten een bedrag groot € 207.371,00, althans enig geldbedrag, voorhanden gehad en omgezet en daarvan gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte, wist dat dat geldbedrag geheel onmiddellijk afkomstig was uit enig misdrijf, door vanaf de bankrekening (nr. [rekeningnummer 1] ) ten name van [verdachte] (h.o.d.n. [autobedrijf verdachte] ) geldbedragen in contanten op te nemen en\u002Fof laten opnemen en\u002Fof pinbetalingen te verrichten en\u002Fof te laten verrichten vanaf die bankrekening.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewijsmiddelen\n\nDe beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna in de voetnoten genoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd. Daarin wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de Belastingdienst\u002FFIOD, kantoor Rotterdam, op ambtsbelofte opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , opsporingsambtenaren van de Belastingdienst\u002FFIOD, dossiernummer 45590, onderzoek ‘Kameleon’, gesloten d.d. 17 januari 2012, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van de Belastingdienst\u002FFIOD met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde dossierpagina’s 1-6299.\n\nBewijsoverwegingen\n\nA.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit van het onder feit 2, feit 3 en feit 4 tenlastegelegde. Daartoe is – op de gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – in de kern het volgende aangevoerd.\n\nDe verdachte kocht auto’s in bij de bedrijven van medeverdachte [medeverdachte 1] . De verdachte had geen wetenschap van de Duitse aankoopprijzen van die auto’s die [medeverdachte 1] bij de Duitse autohandelaren had betaald. Er zijn voorts in de visie van de verdediging verklaarbare legale redenen voor een prijsval in de facturenketen, waardoor de tussenverkopers (waaronder de verdachte) en de uiteindelijke afnemers van de auto’s geen argwaan hoefden te hebben dat er sprake zou zijn van fraude. Tevens is er volgens de raadsman geen bewijs voor de wetenschap aan de zijde van de verdachte dat de plofbedrijven betrokken waren bij BTW-fraude en evenmin dat hij op enigerlei wijze daarbij was betrokken. Het feit dat er uit de getapte telefoongesprekken van de verdachte niet valt op te maken dat prijsafspraken in het kader van BTW-fraude zijn gemaakt, is wat de raadsman betreft een sterke contra-indicatie voor hetgeen de verdachte wordt verweten. Het is in de visie van de verdediging juist medeverdachte [medeverdachte 1] geweest die de kwade genius was achter de BTW-fraude, waarbij hij door de zijnen werd geholpen.\n\nDe verdachte stelt zich op het standpunt dat de handgeschreven bedragen op de voorraadlijst van 6 december 2010 (documentnummer D-0059-c, dossierpagina 2777) – anders dan de rechtbank heeft geoordeeld – niet de Duitse inkoopprijzen van de auto’s betreffen, maar de inkoopprijs die de verdachte heeft betaald aan de in de onder feit 2 in de tenlastelegging genoemde en aan medeverdachte [medeverdachte 1] gelieerde bedrijven. De raadsman van de verdachte heeft het hof verzocht om de FIOD opdracht te geven om aan de hand van de chassisnummers de facturen van de betreffende transacties en de betalingen van de verdachte aan de betreffende bedrijven na te gaan om de stelling van de verdachte te kunnen verifiëren.\n\nMet betrekking tot het onder feit 3 tenlastegelegde heeft de verdediging aangevoerd dat de Belastingdienst bij het autobedrijf van de verdachte een boekenonderzoek heeft ingesteld en daarvoor meerdere keren bij het autobedrijf langs is geweest. De fiscus heeft echter nimmer onregelmatigheden in de facturen opgemerkt. De verdachte heeft telkens BTW teruggevraagd en teruggekregen van de Belastingdienst. Tegen die achtergrond vermag de verdediging niet in te zien waarom de verdachte het verwijt van het doen van onjuiste aangiften voor de omzetbelasting kan worden gemaakt.\n\nHet hof overweegt dienaangaande als volgt.\n\nB.\n\nUit het onderzoek ter terechtzitting en de inhoud van het procesdossier zijn met betrekking tot het onder feit 2, feit 3 en onder feit 4 tenlastegelegde de volgende feiten en omstandigheden naar voren gekomen. Het hof zal hierna tevens ingaan op de door de verdediging gevoerde bewijsverweren.\n\nB.1Aanleiding onderzoek KameleonDe Belastingdienst heeft een controle in het kader van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme ingesteld bij [autobedrijf verdachte] , de eenmanszaak van de verdachte. Daarbij zijn in 2008 inkoopfacturen ten name van een aantal bedrijven meegenomen. Onderzoek naar deze facturen leverde het strafrechtelijke vermoeden op dat er sprake zou kunnen zijn van valse facturen en fiscale fraude. Daaropvolgend is op 3 juni 2010 onder leiding van de officier van justitie bij het Functioneel Parket door de FIOD een strafrechtelijk onderzoek gestart met de onderzoeksnaam ‘Kameleon’. Tijdens het onderzoek ontstond de verdenking dat auto’s die door [autobedrijf verdachte] werden ingekocht in Duitsland via een fictieve dan wel valse facturenstroom aan [autobedrijf verdachte] werden doorgefactureerd. Daarbij zouden de Duitse leveranciers tegen het 0% BTW-tarief – vanwege de omstandigheid dat het intracommunautaire leveringen betrof – factureren aan zogenoemde (Nederlandse) plofbedrijven, zijnde niet daadwerkelijk bestaande dan wel daadwerkelijk handelende bedrijven. Die bedrijven deden over de door hen bij verkoop van die ingekochte auto’s verkregen behaalde omzet – waarbij BTW aan de kopers in rekening werd gebracht – geen of onjuiste aangiften omzetbelasting en droegen verschuldigd geworden omzetbelasting niet op aangifte af. Op naam van deze plofbedrijven zouden de auto’s inclusief BTW worden gefactureerd aan [autobedrijf verdachte] , waarmee de plofbedrijven verlies zouden lijden aangezien deze bedrijven een netto-verkoopprijs (prijs exclusief BTW) hanteerden die lager lag dan hun inkoopprijs bij de Duitse leveranciers. Hierdoor ontstond een prijsval, omdat de plofbedrijven de verschuldigde BTW niet afdroegen, terwijl [autobedrijf verdachte] de aan hem in rekening gebrachte BTW wel als voorbelasting in aftrek bracht bij zijn aangiften omzetbelasting.\n\nB.2Voorraadlijsten van [autobedrijf verdachte]\n\nDe verdachte heeft ten overstaan van het hof verklaard dat er binnen zijn autobedrijf gewerkt werd met voorraadlijsten. De lijsten met het opschrift ‘Voorrraadlijst’ komen hem bekend voor. De verdachte gebruikte die lijsten bij de verkooponderhandelingen met zijn afnemers. De verdachte was degene die steeds onderweg was om in auto’s te handelen. De broer van de verdachte, [broer verdachte] , deed op het autobedrijf van de verdachte in [plaats] de administratie en hij verwerkte de inkoopfacturen daarin. De verdachte gaf altijd aan zijn broer door welke prijs hij voor een auto had betaald. De verdachte keek ook wel eens naar een ingekomen factuur, maar heeft zich naar eigen zeggen niet met elke factuur bemoeid. De verdachte deed veel zaken met [medeverdachte 1] . De verdachte kreeg voor de auto’s die hij bij [medeverdachte 1] had gekocht van hem per fax een factuur toegestuurd. Die facturen waren volgens de verdachte afkomstig van de bedrijven van [medeverdachte 1] , waaronder [onderneming 10] B.V. en [onderneming 13] BVBA.\n\nUit het procesdossier komt naar voren dat er tijdens het vooronderzoek op 9 december 2010 in de woning van [zoon verdachte] , de zoon van de verdachte, aan de [adres] een doorzoeking heeft plaatsgevonden. Bij die gelegenheid is in de jaszak van de verdachte een uitgeprinte of getypte voorraadlijst aangetroffen en in beslag genomen. Die voorraadlijst bestond uit twee pagina’s en had als opschrift ‘Voorrraadlijst 02-12-2010’.Op de voorraadlijst is per auto ‘opgetypt’ om welk merk, welk type, welke kleur, welk bouwperiode (maand en jaar), welke kilometerstand, welk chassisnummer en welke verkoopprijs c.q. vraagprijs het gaat. Bij elke auto is voorts in de linkermarge telkens handgeschreven een andere prijs vermeld. Die prijs is steeds aanmerkelijk lager dan de getypte verkoopprijs c.q. vraagprijs.\n\nB.3Voorraadlijst van 2 december 2010 en het daarop vermelde handschrift\n\nHet hof acht, gezien de locatie waar de voorraadlijst van 2 december 2010 is aangetroffen (te weten in de jaszak van de verdachte), met name die voorraadlijst van belang in relatie tot hetgeen de verdachte onder feit 2 ten laste is gelegd. In dat verband heeft het hof zich de vraag gesteld of het handschrift waarmee de handgeschreven bedragen in de linkermarge zijn geschreven het handschrift van de verdachte betreft. Het hof acht dat aannemelijk en overweegt daartoe als volgt.\n\nAan getuige [getuige 2] is door de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Middelburg, een voorraadlijst getoond die in gebruik was bij het [autobedrijf verdachte] van de verdachte.Getuige [getuige 2] heeft daarop verklaard dat hij die voorraadlijsten herkende als lijsten waarmee ‘ [broer verdachte] ’ bij het [autobedrijf verdachte] waar hij werkzaam was kwam om te kijken of zij in één of meer van de op die lijst vermelde auto’s geïnteresseerd waren.Het hof stelt vast dat in plaats van [broer verdachte] de verdachte bedoeld zal zijn, gelet op de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep dat hij steeds op weg was om in auto’s te handelen en in aanmerking genomen dat zijn broer [broer verdachte] uitsluitend de administratie van het [autobedrijf verdachte] verzorgde.\n\nVoorts zijn aan de getuige [getuige 2] lijsten getoond met bijlagenummers D-04 en D-05.Getuige [getuige 2] heeft daarop verklaard dat die lijsten hem bekend voorkomen. Daarop staan auto’s die van [verdachte] waren gekocht. Die lijst werd door [verdachte] gemaakt, aldus getuige [getuige 2] .\n\nHet hof heeft in raadkamer het handschrift in de tabellen op de lijsten met bijlagenummers D-04 en D-05 vergeleken met het handschrift op de voorraadlijst van 2 december 2010 en heeft geconstateerd dat daarin dusdanig grote overeenkomsten zijn te zien, dat met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden vastgesteld dat sprake is van hetzelfde handschrift. Daarbij heeft het hof onder meer acht geslagen op de kenmerkende wijze waarop de cijfers 7, 8 en 9 zijn geschreven. Gezien de verklaring van getuige [getuige 2] dat de verdachte deze lijsten heeft gemaakt en in aanmerking genomen dat hetzelfde handschrift te zien is op een door het [autobedrijf verdachte] van de verdachte per fax verstuurde handgeschreven notitie waarop zeven auto’s staan vermeld, is het hof van oordeel dat het steeds gaat om het handschrift van de verdachte. Het andersluidende standpunt van de verdachte, meer bepaald dat opsporingsambtenaren van de FIOD deze bedragen op de lijsten hebben bijgeschreven, welke stelling op geen enkele wijze is onderbouwd, wordt derhalve door het hof als zijnde onaannemelijk verworpen.\n\nHet voorgaande leidt het hof tot het oordeel dat genoegzaam is gebleken dat de verdachte van de voorraadlijst van 2 december 2010 gebruik heeft gemaakt, aangezien hij de handgeschreven bedragen op de voorraadlijst heeft geschreven en die lijst bij zich heeft gedragen. Dat laat naar ’s hofs oordeel geen andere conclusie toe dan dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de op die lijst vermelde gegevens.\n\nB.4Transacties met betrekking tot vijf op de voorraadlijst van 2 december 2010 vermelde auto’s\n\nHet hof heeft in raadkamer een nader onderzoek ingesteld naar de inkoopzijde van de op de voorraadlijst van 2 december 2010 vermelde auto’s en daarmee samenhangende facturenstroom. In dat kader is gebruik gemaakt van het door de FIOD opgestelde digitale Excelbestand.In het digitale bestand zijn de gegevens met betrekking tot alle tijdens het vooronderzoek aangetroffen facturen en koopovereenkomsten (onder de nummers F\u002F0001 t\u002Fm F\u002F7475) van de bij het strafrechtelijk onderzoek betrokken bedrijven en personen opgenomen, waaronder de herkomst van de betreffende factuur, de meldcode van de op de factuur vermelde auto (de laatste 4 cijfers van het chassisnummer) en de op de factuur genoemde prijs (al dan niet inclusief BTW). Deze gegevens zijn overgenomen van de aan- en verkoopfacturen en koopovereenkomsten van de betrokken bedrijven en (mede)verdachte(n). Aan de hand van dit bestand zijn per auto dan wel per meldcode transacties geselecteerd en geanalyseerd, zodat telkens kon worden vastgesteld via welke facturenstroom een auto is verkocht. De tijdens het vooronderzoek aangetroffen facturen en koopovereenkomsten hebben betrekking op 1663 auto’s in de periode van 2006 tot en met 2010, bijna allemaal afkomstig uit Duitsland en voornamelijk van het merk Mercedes. De hierna te noemen auto’s die op de voorraadlijst van 2 december 2010 staan vermeld zijn ook te vinden in het digitale Excelbestand, edoch het hof heeft geconstateerd dat de facturen van de verkopen van die auto’s zelf door de officier van justitie niet aan het dossier zijn toegevoegd.\n\nHet hof heeft bij vorenbedoeld onderzoek in raadkamer geconstateerd dat vijf auto’s, via [onderneming 10] B.V. dan wel via [onderneming 13] BVBA, afkomstig zijn van [onderneming 14] in Duitsland en waarbij de handgeschreven bedragen in de linkermarge gelijkluidend zijn aan de prijzen waarvoor de auto door [onderneming 14] in Duitsland is verkocht. De bevindingen aangaande die auto’s zijn als volgt:\n\ni. De eerste auto is een Mercedes E 200 CDI, kleur zwart\u002Fzwart, bouwperiode 04\u002F10, kilometerstand 22000, met chassisnummer [chassisnummer 1] en een vraagprijs van € 31.500,00 inclusief BTW.Met pen is in de linkermarge door de verdachte een bedrag van € 26.500,00 vermeld.Deze auto is afkomstig van [onderneming 14] in Duitsland en is blijkens de daarvan opgemaakte factuur met nummer 6202590 (in het dossier aangeduid als: F-2634) op 30 november 2010 verkocht door [onderneming 14] aan [onderneming 10] B.V. voor een bedrag van € 26.500,00.\n\nii. De tweede auto is een Mercedes E 250 T CGI, kleur zwart\u002Fzwart, bouwperiode 03\u002F10, kilometerstand 25500, met chassisnummer [chassisnummer 2] en een vraagprijs van € 34.750,00 inclusief BTW. Met pen is in de linkermarge door de verdachte een bedrag van € 30.600,00 vermeld.Deze auto is afkomstig van [onderneming 14] in Duitsland en is blijkens de daarvan opgemaakte factuur met nummer 6202570 (in het dossier aangeduid als: F-2627) op 24 november 2010 verkocht door [onderneming 14] aan [onderneming 10] B.V. voor een bedrag van € 30.600,00.\n\niii. De derde auto is een Mercedes E 350 CGI, kleur wit\u002Fzwart, bouwperiode 10\u002F09, kilometerstand 20000, met chassisnummer [chassisnummer 3] en een vraagprijs van € 47.500,00 inclusief BTW. Met pen is in de linkermarge door de verdachte een bedrag van € 42.600,00 vermeld.Deze auto is afkomstig van [onderneming 14] in Duitsland en is blijkens de daarvan opgemaakte factuur met nummer 6202198 (in het dossier aangeduid als: F-2726) op 11 mei 2010 verkocht door [onderneming 14] aan [onderneming 13] BVBA voor een bedrag van € 42.600,00.\n\niv. De vierde auto is een Mercedes E 350 CGI, kleur wit\u002Fzwart, bouwperiode 11\u002F09, kilometerstand 12000, met chassisnummer [chassisnummer 4] en een vraagprijs van € 47.500,00 inclusief BTW. Met pen is in de linkermarge door de verdachte een bedrag van € 43.000,00 vermeld.Deze auto is afkomstig van [onderneming 14] in Duitsland en is blijkens de daarvan opgemaakte factuur met nummer 6202245 (in het dossier aangeduid als: F-2727) op 28 mei 2010 verkocht door [onderneming 14] aan [onderneming 13] BVBA voor een bedrag van € 43.000,00.\n\nv. De vijfde auto is een Mercedes CL 500, kleur zwart\u002Fzwart, bouwperiode 10\u002F09, kilometerstand 17800, met chassisnummer [chassisnummer 5] en een vraagprijs van € 85.000,00 inclusief BTW. Met pen is in de linkermarge door de verdachte een bedrag van € 74.700,00 vermeld.Deze auto is afkomstig van [onderneming 14] in Duitsland en is blijkens de daarvan opgemaakte factuur met nummer 1209030 (in het dossier aangeduid als: F-2753) op 14 mei 2010 verkocht door [onderneming 14] aan [onderneming 13] BVBA voor een bedrag van € 74.700,00.\n\nB.5Prijsval en valselijk opmaken van (een deel van) de bedrijfsadministratie\n\nWezenskenmerk van BTW-fraude is dat in de fraudeketen in de regel één keer een prijsdaling of prijsval plaatsvindt, waarbij door een ondernemer wordt verkocht voor een lagere nettoprijs dan waarvoor hij heeft ingekocht (exclusief BTW). De prijsval treedt veelal op bij het plofbedrijf, dat de BTW welke dat bedrijf in rekening brengt op zijn verkoop niet afdraagt aan de Belastingdienst. Door het niet afdragen van de BTW is het plofbedrijf, ondanks het verlies waarmee hij doorlevert, in staat om alsnog (een kleine) winst te maken.\n\n [onderneming 10] B.V. en [onderneming 13] BVBA hebben de betreffende auto’s volgens de daarvan opgemaakte facturen telkens ingekocht bij [onderneming 14] . Uit het vorenoverwogene volgt naar het oordeel van het hof dat de verdachte in ieder geval op de hoogte was van de inkoopprijzen van de vijf genoemde auto’s bij [onderneming 14] in Duitsland. De omstandigheid dat de door de verdachte handgeschreven bedragen met betrekking tot de vijf auto’s exact overeenkomen met de uit het dossier naar voren komende Duitse inkoopprijzen, laat immers geen andere conclusie toe dan dat de verdachte van die inkoopprijzen op de hoogte was. Het hof stelt aan de hand van de gehanteerde prijzen vast dat bij [onderneming 10] B.V. en [onderneming 13] BVBA een prijsval moet hebben opgetreden, omdat het verschil van de Duitse inkoopprijs en de door de verdachte gehanteerde verkoopprijs steeds minder dan 19% (zijnde het toentertijd geldende BTW-tarief) bedraagt en de door de verdachte gehanteerde verkoopprijzen exclusief BTW telkens lager zijn dan de Duitse inkoopprijs. Nu de verdachte wetenschap had van de Duitse inkoopprijs, kan het niet anders zijn dan dat hij – zeker als door de wol geverfde autohandelaar – moet hebben geweten dat de tussen de betrokken ondernemingen overeengekomen prijzen niet tot stand kunnen zijn gekomen op een wijze als gebruikelijk is in het handelsverkeer en waarbij aldus een prijsval moet zijn opgetreden. Daarmee heeft hij minstgenomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij betrokken is geraakt in een BTW-fraudeketen, waarbij in werkelijkheid sprake was van door die ondernemingen opgezette transacties met het doel om henzelf financieel te bevoordelen ten koste van de Nederlandse Staat.\n\nDe door de raadsman ten verwere aangevoerde omstandigheid dat uit de getapte telefoongesprekken van de verdachte niet valt op te maken dat hijzelf prijsafspraken in het kader van BTW-fraude zou hebben gemaakt kan aan het voorgaande niet afdoen. Voorts zijn naar het oordeel van het hof geen aanknopingspunten in het procesdossier te vinden die de conclusie kunnen wettigen dat sprake zou zijn van ‘legale redenen’ voor de prijsval, zoals de verdediging heeft beweerd. Nu dergelijke redenen ook overigens op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk zijn geworden, kan de conclusie geen andere zijn dan dat die prijsval heeft plaatsgehad in het kader van strafbare BTW-fraude.\n\n De inkoopfacturen afkomstig van de plofbedrijven [onderneming 10] B.V. en [onderneming 13] BVBA zijn naar het oordeel van het hof als intellectueel vals in de zin der wet aan te merken. De inhoud van die facturen stemt immers niet overeen met hoe een gebruikelijke transactie in het handelsverkeer tot stand zou zijn gekomen en de opmaak van die factuur heeft mede tot doel gehad om een frauduleuze prijsval te creëren teneinde, aan de hand van die facturen, BTW-fraude te kunnen plegen.\n\nDoor onder voormelde omstandigheden de valse facturen te doen of laten opnemen in de bedrijfsadministratie, is het hof van oordeel dat een deel van die administratie opzettelijk valselijk is opgemaakt. Daarmee komt het hof tot een bewezenverklaring van het onder feit 2 tenlastegelegde, voor zover dat betrekking heeft op de hiervoor aangehaalde facturen van [onderneming 10] B.V. (2 stuks) en [onderneming 13] BVBA (3 stuks).\n\nB.6Verzoek opdracht aan FIOD om de voorraadlijst van 6 december 2010 te controlerenHet verzoek om de FIOD aan de hand van de inkoopfacturen en betaalstromen te laten controleren of de handgeschreven bedragen op de voorraadlijst van 6 december 2010 de Duitse inkoopprijzen van de auto’s betreffen, of – zoals de verdachte beweert – de inkoopprijs die hij heeft betaald aan de in de onder feit 2 in de tenlastelegging genoemde en aan medeverdachte [medeverdachte 1] gelieerde bedrijven, wordt door het hof als niet noodzakelijk zijnde afgewezen, aangezien enerzijds de op die voorraadlijst vermelde transacties geen verband houden met hetgeen onder feit 2 bewezen zal worden verklaard en anderzijds omdat het hof in raadkamer zelf in staat is geweest om de (on)juistheid van de stelling van de verdachte te onderzoeken.\n\nB.7Onjuiste aangifte omzetbelasting over mei 2010Uit het procesdossier komt naar voren dat fiscaal adviesbureau [fiscaal adviesbureau] de administratie van [autobedrijf verdachte] over de jaren 2006 tot en met 2010 verzorgde. Uit daarnaar ingesteld onderzoek volgt dat onder meer over de maand mei 2010 op aangifte teruggave van voorbelasting is verzocht op basis van facturen afkomstig van [onderneming 10] B.V.De aangifte over dat tijdvak is op 25 juni 2010 elektronisch binnengekomen bij de centrale administratie van de Belastingdienst te Apeldoorn.\n\nGetuige [getuige 3] van het gelijknamige fiscaal adviesbureau heeft verklaard dat in opdracht van de verdachte de aangiften omzetbelasting voor [autobedrijf verdachte] werden verzorgd. Er werd maandelijks aangifte gedaan via de computer. De bescheiden werden altijd aangeleverd door zijn broer [broer verdachte] .\n\nDe broer van de verdachte, [broer verdachte] , heeft als getuige verklaard dat de administratieve gegevens door hem werden gebracht naar [fiscaal adviesbureau] . Het kwam ook voor dat de administratie werd opgehaald. [broer verdachte] legde de administratieve bescheiden op volgorde en deed de bankbetalingen en de kasadministratie. De verkoopfacturen werden door hem opgemaakt. Dit alles gebeurde volgens hem in opdracht van de verdachte.\n\nHet hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat de verdachte de aangifte omzetbelasting over mei 2010 ten name van hemzelf (zijn eenmanszaak) heeft laten doen. Die aangifte is onjuist gedaan, omdat ten onrechte tegen het tarief van 19% BTW voor een bedrag van € 207.371,00 aan voorbelasting in aftrek is genomen met betrekking tot de facturen die afkomstig waren van [onderneming 10] B.V.Als sprake is van fraude, zoals in casu aan de orde, had de verdachte – die bovendien van die fraude af heeft geweten, althans heeft moeten weten – niet dat bedrag aan voorbelasting in aftrek mogen nemen. Immers, naar bestendige jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie dient aan een belastingplichtige de toepassing te worden geweigerd van het recht op aftrek, vrijstelling of teruggaaf van de BTW, indien aan de hand van objectieve gegevens vast komt te staan dat deze belastingplichtige wist of had moeten weten dat hij met de handeling waarvoor aanspraak op het betrokken recht wordt gemaakt, deelnam aan fraude ter zake van de BTW in het kader van een keten van leveringen. Dit geldt niet alleen wanneer de belastingplichtige zich zelf schuldig maakt aan belastingfraude, maar ook wanneer een belastingplichtige wist of had moeten weten dat de handeling waaraan hij deelnam, onderdeel was van BTW-fraude door de leverancier of een andere ondernemer die in een eerder of later stadium van de toeleveringsketen actief was.Mutatis mutandis is eveneens een te laag bedrag aan verschuldigde omzetbelasting opgegeven. In aanmerking genomen dat de verdachte, zoals hiervoor onder B.5 is overwogen, wetenschap heeft gehad van de valsheid van de inkoopfacturen van [onderneming 10] B.V., kan naar ’s hofs oordeel eveneens worden vastgesteld dat de aan de hand van die facturen gedane aangifte omzetbelasting opzettelijk onjuist is gedaan. Het hof komt aldus eveneens tot een gedeeltelijke bewezenverklaring van het onder feit 3 tenlastegelegde.\n\nDe verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep nog aangevoerd dat de Belastingdienst in 2007 en 2008 een boekenonderzoek heeft uitgevoerd en toen geen onregelmatigheden heeft geconstateerd. Ter adstructie daarvan is een rapport van de fiscus overgelegd. Nog afgezien van het feit dat dit boekenonderzoek voornamelijk tot doel heeft om te controleren of de administratie aansluit op de ingediende aangiften omzetbelasting, behoeft dit verweer geen nadere bespreking omdat dit boekenonderzoek betrekking had op de aangiften omzetbelasting en inkomstenbelasting over de jaren 2003 tot en met 2006, terwijl de onjuiste aangifte ziet op het tijdvak mei 2010.\n\nB.8Witwassen van een bedrag van € 207.371,00\n\nHet hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen van het onder feit 4 sub A in de tenlastelegging genoemde geldbedrag. In dat verband overweegt het hof als volgt.\n\nVoor een veroordeling ter zake van witwassen is vereist dat voldoende in rechte komt vast te staan dat het desbetreffende geldbedrag afkomstig is uit enig misdrijf.\n\nHet hof is van oordeel dat sprake is van voldoende bewijs op grond waarvan een rechtstreeks verband valt te leggen tussen (een deel van) het tenlastegelegde geldbedrag, te weten tot een bedrag van € 207.371,00, en een bepaald misdrijf. De verdachte heeft zich namelijk schuldig gemaakt aan het opzettelijk onjuist doen van aangifte omzetbelasting over mei 2010. Er is bij het doen van die aangifte op 25 juni 2010 ten onrechte voor een bedrag van € 207.371,00 aan voorbelasting in aftrek genomen. Daarmee heeft de verdachte eveneens een te laag bedrag aan verschuldigde omzetbelasting opgegeven. Het hof stelt vast dat de verdachte aldus een besparing heeft gerealiseerd, omdat hij – na aftrek van de voorbelasting waarop hij geen recht had – slechts een bedrag een € 3.884,00 aan verschuldigde omzetbelasting aan de fiscus op aangifte heeft afgedragen, terwijl dat een bedrag van € 211.255,00 had moeten zijn.Hiermee is sprake van een gronddelict voor het witwassen.\n\nNiettegenstaande dat de Belastingdienst, naar aanleiding van de onjuist gedane aangifte omzetbelasting over mei 2010, geen gelden aan de verdachte heeft betaald omdat het saldo van de aangifte resulteerde in een positief en dus af te dragen bedrag aan omzetbelasting, is het hof van oordeel dat het niet aan de fiscus afgedragen bedrag (de hiervoor bedoelde besparing) kan worden aangemerkt als een ‘voorwerp onmiddellijk of middellijk afkomstig uit enig misdrijf’ in de zin van artikel 420bis en artikel 420quater van het Wetboek van Strafrecht, welk voorwerp kan worden witgewassen. De verdachte is aldus, door het (laten) doen van onjuiste aangifte omzetbelasting over mei 2010, over een vermogensbestanddeel ter waarde van de ontdoken omzetbelasting de beschikking blijven houden, terwijl hij daartoe niet gerechtigd was. Dat niet afgedragen vermogensbestanddeel is daarmee als ware ‘van kleur verschoten’, te weten van – verondersteld – legaal geld naar crimineel geld. Daarmee is het bedrag van € 207.371,00 naar ’s hofs oordeel onmiddellijk afkomstig uit enig misdrijf.\n\nBij de Rabobank werd door de verdachte, handelend onder de naam [autobedrijf verdachte] , een bankrekening aangehouden met nummer [rekeningnummer 1] .Het van misdrijf afkomstige geldbedrag ad € 207.371,00 is vermengd geraakt met de overige geldbedragen op die rekening die door middel van (verondersteld) legale activiteiten zijn verkregen, waardoor het aldus vermengde vermogen – en nadien elke betaling en opname daaruit – kan worden aangemerkt als gedeeltelijk van misdrijf afkomstig.\n\nUit de bewijsmiddelen komt naar voren dat van voormelde bankrekening in 2010 contante geldopnamen zijn gedaan ten bedrage van € 195.830,00 en in datzelfde jaar betalingen bij betaalautomaten zijn gedaan ten bedrage van € 12.557,00.Voorts heeft in 2010 met betrekking tot die bankrekening tot een bedrag van € 87.500,00 aan contante kasopnamen bij de bank plaatsgevonden.Deze vaststellingen zijn gedaan aan de hand van de bankafschriften, waarvan de laatste is gedateerd op 22 oktober 2010.\n\nDe verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg voor de rechtbank verklaard dat de contante opnamen van zijn rekening werden gedaan door zijn broer, in opdracht van hemzelf. Contante betalingen werden gedaan door hemzelf of door zijn broer, in zijn opdracht.\n\nHet hof is van oordeel, gelet op de omstandigheden dat het de bankrekening betrof van de eenmanszaak van de verdachte waarover hij als gerechtigde tot die bankrekening als heer en meester kon beschikken, hij het geldbedrag van € 207.371,00 voorhanden heeft gehad. Ten minste een deel van dit bedrag is eveneens omgezet, doordat de verdachte in ieder geval geldbedragen van zijn bankrekening heeft opgenomen, althans laten opnemen, en de bedragen daarmee van chartaal naar giraal geld heeft omgezet. Voorts zijn bij betaalautomaten betalingen gedaan vanaf de bankrekening.\n\nGelet op het voorgaande zien de witwashandelingen van de verdachte naar het oordeel van het hof zowel op het voorhanden hebben, omzetten als gebruik maken van het geldbedrag van € 207.371,00, althans in ieder geval van een deel daarvan. Het onder feit 4 tenlastegelegde kan dan ook wettig en overtuigend worden bewezen.\n\nC.\n\nAldus falen alle tot vrijspraak strekkende verweren. Het hof verwerpt mitsdien de verweren van de verdediging in al hun onderdelen.\n\nResumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien en slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 2, feit 3 en feit 4 tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nAangezien, zoals hiervoor onder B.8 is overwogen, naast het voorhanden hebben van het uit eigen misdrijf afkomstige geldbedrag ad € 207.371,00, eveneens sprake is geweest van omzettingshandelingen en van het gebruik maken van dat geldbedrag, vindt de kwalificatieuitsluitingsgrond ter zake van witwassen geen toepassing. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld en waartoe de advocaat-generaal heeft gerequireerd, zal het hof de verdachte dan ook niet in zoverre van het onder feit 4 tenlastegelegde ontslaan van alle rechtsvervolging.\n\nEr zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.\n\nHet bewezenverklaarde van het onder feit 2 tenlastegelegde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\nvalsheid in geschrift.\n\nHet bewezenverklaarde van het onder feit 3 tenlastegelegde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\nopzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.\n\nHet bewezenverklaarde van het onder feit 4 tenlastegelegde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\nwitwassen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.\n\nOp te leggen straf\n\nHet hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nTen laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift, het opzettelijk onjuist doen van een belastingaangifte en witwassen.\n\nDe verdachte was werkzaam als autohandelaar. Hij heeft vijf valse inkoopfacturen die te maken hadden met grootschalige BTW-fraude in zijn administratie laten opnemen en daarmee (een deel van) zijn bedrijfsadministratie valselijk opgemaakt. Voorts heeft de verdachte een onjuiste aangifte omzetbelasting laten doen. Bij die aangifte is voor een bedrag van € 207.371,00 aan voorbelasting in aftrek genomen, terwijl de verdachte daartoe niet gerechtigd was. Dat bedrag is vervolgens door de verdachte witgewassen, doordat hij dat bedrag – dat zich heeft vermengd met het overige aanwezige banksaldo – voorhanden heeft gehad, heeft omgezet en daarvan gebruik heeft gemaakt.\n\nDoor de bedrijfsadministratie valselijk op te maken heeft de verdachte misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer pleegt te worden gesteld in schriftelijke stukken met bewijsbestemming. Het hof rekent het de verdachte eveneens aan dat hij een aangifte omzetbelasting onjuist heeft ingediend. Bij belastingheffing zijn immers in het algemeen gewichtige gemeenschapsbelangen betrokken. Met belastingheffing wordt beoogd de Staat der Nederlanden en de Europese Unie geldmiddelen te verschaffen die voor hun instandhouding en taakvervulling noodzakelijk zijn. De verdachte heeft door zijn handelwijze deze gemeenschapsbelangen geschonden. Dergelijk strafbaar gedrag leidt er uiteindelijk toe dat bonafide belastingplichtigen meer belasting moeten betalen. Voorts is het voor een goede werking van het systeem voor de heffing van omzetbelasting essentieel dat uitgegaan kan worden van de betrouwbaarheid, juistheid en volledigheid van de aangiften. Het systeem van de omzetbelasting is immers mede gebaseerd op het vertrouwen dat de ondernemer een juiste aangifte doet en dat de Belastingdienst op basis daarvan de verschuldigde omzetbelasting of teruggave daarvan vaststelt. De verdachte heeft hiervan misbruik gemaakt. Door een aangifte te doen die niet strookt met de werkelijkheid, wordt het systeem van de heffing van omzetbelasting ondergraven. Met het witwassen van criminele gelden, waaraan de verdachte zich eveneens schuldig heeft gemaakt, wordt getracht om illegaal verkregen geld in het legale circuit te brengen. Dat vormt een bedreiging voor de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan.\n\nHet hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 23 september 2024, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij voorafgaand aan het bewezenverklaarde onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld, zij het niet voor soortgelijke feiten als de onderhavige.\n\nVoorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij thans samen met zijn vrouw woonachtig is in Spanje, hij vier kinderen heeft die niet meer thuis wonen, zijn autobedrijf ten onder is gegaan als gevolg van deze zaak, er naheffingsaanslagen voor de omzetbelasting aan hem zijn opgelegd en nog niet zijn afgewikkeld, hij zijn eigen woning heeft moeten verkopen en dat hij met het verrichten van diverse hand- en spandiensten zijn inkomen vergaart. De verdachte stelt voorts overspannen te zijn geraakt door deze strafzaak en heeft daardoor een tijd te kampen gehad met psychische klachten.\n\nAlles afwegende acht het hof in beginsel oplegging van een taakstraf voor de duur van 150 uren subsidiair 75 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht overeenkomstig de maatstraf van twee uren per in verzekering doorgebrachte dag, passend en geboden.\n\nHet hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak evenwel nog het volgende. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in de fase van eerste aanleg is overschreden. De redelijke termijn in eerste aanleg is aangevangen op 24 mei 2011, te weten de dag waarop de verdachte voor de eerste keer door de FIOD als verdachte is gehoord. De rechtbank heeft op 31 juli 2019 vonnis gewezen. Derhalve is sprake van een overschrijding van 6 jaren en ruim 2 maanden. Daarnaast is het hof gebleken dat ook de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden. Namens de verdachte is immers op 7 augustus 2019 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof heden – op 17 december 2024 en derhalve niet binnen twee jaren na het instellen van het hoger beroep – eindarrest wijst. De redelijke termijn in hoger beroep is daarmee met ongeveer 3 jaren en iets meer dan 4 maanden overschreden. De totale overschrijding bedraagt aldus om en nabij 9 jaren en 6 maanden.\n\nBij de beoordeling of de redelijke termijn is overschreden kunnen bijzondere omstandigheden een rol spelen, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en\u002Fof zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Hoewel de onderhavige zaak zeer omvangrijk en complex van aard is en de verdediging diverse (door de rechtbank en het hof gehonoreerde) onderzoekswensen heeft ingediend, is het hof van oordeel dat die redenen niet het gehele tijdsverloop kunnen rechtvaardigen. Het hof zal de aanzienlijke overschrijding van de redelijk termijn mitsdien ten faveure van de verdachte verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat de op te leggen taakstraf zal worden gematigd met 25 uren.\n\nHet voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 125 uren subsidiair 62 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht overeenkomstig de maatstaf van twee uren per in verzekering doorgebrachte dag.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 57, 63, 225 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, alsmede op artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nverklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beschermde partiële vrijspraak van het onder feit 3 tenlastegelegde, namelijk voor zover dat ziet op de aangifte omzetbelasting over september 2006;\n\nvernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nverklaart de dagvaarding partieel nietig, namelijk voor zover die betrekking heeft op de onder feit 1 vermelde zinsnede ‘en\u002Fof een of meer (andere) natuurlijke perso(o)n(en) en\u002Fof (rechts)perso(o)n(en)’;\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte het onder feit 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;\n\nverklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder feit 2, feit 3 en feit 4 tenlastegelegde heeft begaan;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij;\n\nverklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van125 (honderdvijfentwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door62 (tweeënzestig) dagen hechtenis;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. J. Platschorre, voorzitter,\n\nmr. J.M. van der Vegt en mr. W.F. Koolen, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. lic. J.N. van Veen, griffier,\n\nen op 17 december 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nMr. Van der Vegt voornoemd is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.\n\n Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, derde meervoudige kamer voor strafzaken, van 19 november 2024, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] .\n\n Proces-verbaal van aantreffen voorraadlijsten in pand [adres] AH-126-a, p. 1645; Proces-verbaal van doorzoeking [adres] , AH-18-b, p. 1136-1137; D-0059-b, p. 2775-2776; Bewijzen van inbeslaggenomen voorwerpen [adres] , AH-018-b-1, p. 1141.\n\n Voorraadlijst met documentnummer D-03-B, 49412 1\u002F2, p. 653.\n\n Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] d.d. 9 mei 2016, p. 6 met bijlagen.\n\n Handgeschreven lijsten met documentnummers D-04, 49412, p. 669 en D-05, 4912, p. 670.\n\n Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] d.d. 9 mei 2016, p. 6 met bijlagen.\n\n Handgeschreven notitie met zeven auto’s, per fax verstuurd vanuit [autobedrijf verdachte] , D-0140-C, p. 3184.\n\n Excelbestand met de naam ‘45590 Facturen.XLS’, welk bestand onderdeel uitmaakt van het procesdossier.\n\n De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat indien sprake was van een personenauto (zoals hier telkens aan de orde), de prijzen altijd inclusief BTW waren. Zie het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, derde meervoudige kamer voor strafzaken, van 19 november 2024, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] .\n\n Voorraadlijst van 2 december 2010, D-0059-b, p. 2775.\n\n Excelbestand met de naam ‘45590 Facturen.XLS’, herkomst D-31, regel 3060. Het genoemde bedrag betreft hier een intracommunautaire levering vanuit Duitsland naar Nederland, belast tegen 0% BTW. Het gaat dus om een bruto-nettoprijs.\n\n Voorraadlijst van 2 december 2010, D-0059-b, p. 2775.\n\n Excelbestand met de naam ‘45590 Facturen.XLS’, herkomst D-31, regel 3053. Het genoemde bedrag betreft hier een intracommunautaire levering vanuit Duitsland naar Nederland, belast tegen 0% BTW. Het gaat dus om een bruto-nettoprijs.\n\n Voorraadlijst van 2 december 2010, D-0059-b, p. 2775.\n\n Excelbestand met de naam ‘45590 Facturen.XLS’, herkomst D-36, regel 3152. Het genoemde bedrag betreft hier een intracommunautaire levering vanuit Duitsland naar België, belast tegen 0% BTW. Het gaat dus om een bruto-nettoprijs.\n\n Voorraadlijst van 2 december 2010, D-0059-b, p. 2776.\n\n Excelbestand met de naam ‘45590 Facturen.XLS’, herkomst D-36, regel 3153. Het genoemde bedrag betreft hier een intracommunautaire levering vanuit Duitsland naar België, belast tegen 0% BTW. Het gaat dus om een bruto-nettoprijs.\n\n Voorraadlijst van 2 december 2010, D-0059-b, p. 2776.\n\n Excelbestand met de naam ‘45590 Facturen.XLS’, herkomst D-36, regel 3179. Het genoemde bedrag betreft hier een intracommunautaire levering vanuit Duitsland naar België, belast tegen 0% BTW. Het gaat dus om een bruto-nettoprijs.\n\n Overzichtsproces-verbaal, p. 20.\n\n Proces-verbaal van nadeelberekening [autobedrijf verdachte] , AH-171, p. 1912-1916; Jaaroverzicht omzetbelasting 2006, B-0081-aa en Aangiftenoverzicht omzetbelasting B-0081-a, p. 5392-5397.\n\n Ambtsedige verklaring omzetbelasting januari 2006 tot en met juli 2010, B-0081, p. 5388-5391.\n\n Proces-verbaal van getuigenverhoor van [getuige 3] d.d. 12 juli 2011, p. 2603-2604.\n\n Proces-verbaal van getuigenverhoor van [broer verdachte] d.d. 6 juli 2011, p. 2427.\n\n Aangiftenoverzichten omzetbelasting, B-0081-a, p. 5395 in combinatie met het proces-verbaal inzake nadeelberekening [verdachte] , AH-171, p. 1912-1916.\n\n Vgl. Hof van Justitie van de EU 6 juli 2006, Kittel en Recolta, C-439\u002F04 en C-440\u002F04, ECLI:EU:C:2006:446, punten 45, 46, 56 en 61; Hof van Justitie van de EU 6 december 2012, Bonik, ECLI:EU:C:2012:774, punten 38‑40; Hof van Justitie van de 18 december 2014, Italmoda, ECLI:EU:C:2014:2455.\n\n Aangiftenoverzichten omzetbelasting, B-0081-a, p. 5395.\n\n Vgl. Hoge Raad 7 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2774 en de daaraan voorafgaande conclusie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad van 27 mei 2008, ECLI:NL:PHR:2008:BD2774, i.h.b. r.o. 11, 12 en 20, alsmede de conclusie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad van 5 maart 2019, ECLI:NL:PHR:2019:516, i.h.b. r.o. 40-44.\n\n Proces-verbaal onderzoek bankrekening [rekeningnummer 1] t.n.v. [verdachte] , AH-124, p. 1630-1631.\n\n Vgl. Hoge Raad 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0578.\n\n Proces-verbaal onderzoek naar opnamen bij geldautomaat en betalingen bij betaalautomaat, AH-124-b, p. 1634-1635.\n\n Proces-verbaal onderzoek naar kasopnamen bij de bank, AH-124-c, p. 1636.\n\n Proces-verbaal onderzoek bankrekening [rekeningnummer 1] t.n.v. [verdachte] , AH-124, p. 1630.\n\n Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda van 13 mei 2019, 15 mei 2019 en 31 juli 2019, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [verdachte] , p. 8.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:4140","2024-12-20T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:51.279Z",{"id":76,"ecli":77,"slug":78,"caseNumber":43,"courtId":79,"decisionDate":80,"fullText":81,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":82,"sourceTimestamp":83,"parsedAt":50,"updatedAt":84},"1363","ECLI:NL:GHDHA:2024:1586","ecli-nl-ghdha-2024-1586",58,"2024-07-17T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nTeam Belastingrecht\n\nmeervoudige kamer\n\nnummer BK-23\u002F174\n\nUitspraak van 17 juli 2024\n\nin het geding tussen:\n\nWoningstichting [X] te [Z] , belanghebbende,\n\n(gemachtigde: G.J.W. de Ruiter)\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,\n\n(vertegenwoordiger: […] )\n\nop het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 10 januari 2023 met zaaknummer SGR 22\u002F7620.\n\nProcesverloop\n\n1.1.. Belanghebbende heeft voor het jaar 2020 op aangifte een bedrag van € 10.145.675 aan verhuurderheffing voldaan.\n\n1.2.. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar tegen de op aangifte voldane verhuurderheffing ongegrond verklaard.\n\n1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank Gelderland ingesteld. De rechtbank Gelderland heeft de zaak op verzoek van partijen overgedragen aan de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 359. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 548. De Inspecteur heeft op 8 augustus 2023 een nader stuk, getiteld verweerschrift 2020, ingediend. Beide partijen hebben ter zitting een pleitnota overgelegd.\n\n1.5.. \n\nDe mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het Hof op 4 juni 2024. Partijen zijn verschenen. Ter zitting zijn ook de zaken met de nummers BK-23\u002F171, 23\u002F172, 23\u002F175 tot en met 23\u002F180, 23\u002F183 tot en met 23\u002F197, 23\u002F199 tot en met 23\u002F219, 23\u002F222 en 23\u002F223 behandeld. Hetgeen in de ene zaak is aangevoerd en overgelegd wordt geacht te zijn aangevoerd en overgelegd in de andere zaken, tenzij hetgeen is aangevoerd en overgelegd uitsluitend op die ene zaak betrekking heeft. Van het verhandelde ter zitting is één proces-verbaal opgemaakt. Beide partijen hebben ter zitting een pleitnota overgelegd.\n\nFeiten\n\n2.1.. Belanghebbende is op 1 januari 2020 enig-eigenaar van meer dan 50 huurwoningen als bedoeld in artikel 1.2 van de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II (de Wmw). De huurwoningen zijn opgenomen in de aangifte verhuurderheffing van belanghebbende over het jaar 2020.\n\n2.2.1.. De Belastingdienst heeft na het arrest van de Hoge Raad van 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:846, BNB 2018\u002F144 (hierna ook: het arrest van 8 juni 2018) op zijn website de volgende tekst gepubliceerd:\n\n“Bent u gezamenlijk eigenaar van een huurwoning? Dan hoeft u deze woning niet op te nemen in de aangifte verhuurderheffing.”\n\n2.2.2.. De tekst stond tot 24 december 2019 op de website van de Belastingdienst.\n\nOordeel van de Rechtbank\n\n3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:\n\n“Beoordeling van het geschil\n\nTerugwerkende kracht reparatiewetgeving\n\n4. De reparatiewetgeving ziet uitsluitend op de situatie van mede-eigendom waarvan bij eiseres geen sprake is. Of aan die wetgeving terugwerkende kracht mocht worden toegekend, is voor de positie en de belastingplicht als zodanig van eiseres dus niet van belang. Ook indien de reparatiewetgeving pas per 14 juli 2020 geacht moet worden in werking te zijn getreden, heeft dat voor haar op zichzelf geen gevolgen. Dat zou alleen anders kunnen zijn wanneer sprake zou zijn van schending van het gelijkheidsbeginsel. Zoals hierna wordt uiteengezet volgt de rechtbank eiseres niet in haar stelling dat voor het jaar 2019 sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel kan van een voortbestaan in 2020 van zo’n schending evenmin sprake zijn. Hetgeen eiseres heeft aangevoerd over de ongeoorloofde terugwerkende kracht bij de invoering van de reparatiewet verhuurderheffing behoeft daarom geen verdere behandeling.\n\nSchending gelijkheidsbeginsel\n\n5. Van schending van het gelijkheidsbeginsel is primair sprake wanneer gevallen die feitelijk en rechtens gelijk zijn ongelijk worden behandeld. Naar het oordeel van de rechtbank behoren mede-eigenaren en volle eigenaren niet zowel feitelijk als rechtens tot dezelfde groep en is geen sprake van feitelijk en rechtens gelijke gevallen. Artikel 1.4 van de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II (de Wet) maakt weliswaar geen onderscheid tussen mede-eigenaren en volle eigenaren, maar in artikel 1.3 van de Wet wordt tussen hen wel een onderscheid gemaakt. Deze bepaling ziet immers uitsluitend op mede-eigenaren. Er is dus sprake van subjectgebonden omstandigheden die zich niet voordoen en zich ook niet voor kunnen doen bij volle eigenaren. Het arrest van de Hoge Raad ziet uitsluitend op artikel 1.3 van de Wet en dus op de situatie van mede-eigendom. Nu de hier in geding zijnde voldoening van verhuurderheffing door eiseres alleen betrekking heeft op onroerende zaken die eiseres in vol eigendom heeft, is geen sprake van ongelijke behandeling van gelijke gevallen. De rechtbank volgt eiseres evenmin in haar stelling dat sprake is van ongelijke gevallen die onevenredig ongelijk worden behandeld. Daarbij overweegt de rechtbank dat de ongelijke behandeling een direct uitvloeisel is van de gevolgen van het arrest van de Hoge Raad van 8 juni 2018. Dat maakt dat geen sprake is van de vermeende (ongeoorloofde) onevenredige behandeling. Dat de ongelijke behandeling verder gaat dan die voortvloeit uit dit arrest heeft eiseres niet concreet aangevoerd en\u002Fof inzichtelijk gemaakt en is ook overigens niet gebleken.\n\nBegunstigend beleid\n\n6. Onder begunstigend beleid moet worden verstaan dat verweerder voor bepaalde gevallen bewust een standpunt inneemt dat voor deze groep gunstiger is dan wanneer de wet op de normale manier wordt toegepast. Het arrest van de Hoge Raad van 8 juni 2018 heeft tot gevolg dat artikel 1.3 van de Wet buiten toepassing dient te blijven. Als gevolg daarvan kan geen sprake meer zijn van een “normale” toepassing van de wet. Dat de belastingdienst in dat kader heeft meegedeeld dat onroerende zaken die in mede-eigendom zijn niet meer in de aangifte voor de verhuurdersheffing behoeven te worden opgenomen, is het rechtstreekse gevolg van dat arrest. Een dergelijke mededeling kan niet worden aangemerkt als begunstigend beleid.\n\nVerzoek stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad\n\n7. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om over te gaan tot het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. De rechtbank is niet verplicht tot het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad en ziet in hetgeen eiseres heeft aangevoerd daartoe ook geen reden.\n\n8. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.\n\nProceskosten\n\n9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”\n\nGeschil in hoger beroep en conclusies van partijen\n\n4.1.1.. Tussen partijen is in geschil of aan de Wijziging van de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II (reparatie verhuurderheffing bij gedeeld genot huurwoningen), Stb. 2020 nr. 243 van 8 juli 2020 (de reparatiewet) terugwerkende kracht mocht worden toegekend. Als geen terugwerkende kracht mocht worden toegekend, dan is in geschil of de heffing van verhuurderheffing ten aanzien van belanghebbende in strijd is met het gelijkheidsbeginsel zoals dat voortvloeit uit artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM) en artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM dan wel het gelijkheidsbeginsel zoals dat voortvloeit uit de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.\n\n4.1.2.. Belanghebbende stelt dat aan de reparatiewet geen terugwerkende kracht mocht worden toegekend en dat, als het Hof tot dat oordeel komt, primair sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen, omdat huurwoningen van enig-eigenaren wel in de aangifte verhuurderheffing dienden te worden opgenomen en huurwoningen van mede-eigenaren als gevolg van het vervallen van de terugwerkende kracht niet. Belanghebbende stelt subsidiair dat als aan de reparatiewet geen terugwerkende kracht mocht worden toegekend sprake is van ongelijke gevallen die niet evenredig aan die ongelijkheid ongelijk worden behandeld.4.1.3.. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de wetgever aan de reparatiewet terugwerkende kracht heeft mogen toekennen en dat geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel.\n\n4.2.. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, tot teruggaaf van de op aangifte voldane verhuurderheffing en tot toekenning van een proceskostenvergoeding.\n\n4.3.. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.\n\nBeoordeling van het hoger beroep\n\nJuridisch kader\n\n5.1.. Met ingang van 1 januari 2013 is de Wet Verhuurderheffing, Stb. 2013, nr. 285 (de Wvh) ingevoerd. Artikel 3 Wvh luidde als volgt:\n\nIndien er ter zake van een huurwoning meer dan één genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is, wordt voor de verhuurderheffing de huurwoning in aanmerking genomen bij degene aan wie de beschikking, bedoeld in artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken, ter zake van die huurwoning op de voet van artikel 24, derde en vierde lid, van de Wet waardering onroerende zaken is bekendgemaakt.\n\n5.2.. Artikel 4 Wvh luidde als volgt:\n\nBelastingplichtig voor de verhuurderheffing is degene die op 1 januari 2013 het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht heeft van meer dan 10 huurwoningen.\n\n5.3.. De Wvh is met ingang van 1 januari 2014 vervallen. Met ingang van 1 januari 2014 is de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II, Stb. 2013 nr. 583 (de Wmw) ingevoerd. Artikel 1.3 Wmw (tekst 2019) luidde als volgt:\n\nIndien er ter zake van een huurwoning meer dan één genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is, wordt voor de verhuurderheffing de huurwoning in aanmerking genomen bij degene aan wie de beschikking, bedoeld in artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken, ter zake van die huurwoning op de voet van artikel 24, derde en vierde lid, van die wet is bekendgemaakt.\n\n5.4.. Artikel 1.4 Wmw luidde als volgt:\n\nBelastingplichtig voor de verhuurderheffing is de natuurlijke persoon, de rechtspersoon of de groep die bij aanvang van het kalenderjaar het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht heeft van meer dan vijftig huurwoningen.\n\n5.5.. De Hoge Raad heeft op 8 juni 2018 in de arresten ECLI:NL:HR:2018:846, BNB 2018\u002F144 en ECLI:NL:HR:2018:847 geoordeeld over de heffing van verhuurderheffing in geval van mede-eigendom, waarbij het laatstgenoemde arrest verwijst naar het eerstgenoemde arrest. In het arrest ECLI:NL:HR:2018:846, BNB 2018\u002F144 is onder meer het volgende overwogen:\n\n“2.4.3. In gevallen waarin er ter zake van een huurwoning meer dan één genothebbende is, wordt de huurwoning op grond van artikel 3 Wvh in aanmerking genomen bij degene aan wie de beschikking, bedoeld in artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ), ter zake van die huurwoning op de voet van artikel 24, leden 3 en 4, Wet WOZ is bekendgemaakt. Artikel 24, lid 3, letter a, Wet WOZ bepaalt dat de bekendmaking van de WOZ-beschikking geschiedt door toezending aan degene die aan het begin van het kalenderjaar het genot heeft van de onroerende zaak. Indien met betrekking tot een zelfde onroerende zaak meer dan één genothebbende kan worden aangewezen, kan bekendmaking op grond van artikel 24, lid 4, Wet WOZ plaatsvinden aan één van hen. Deze bepaling verleent de gemeente vrijheid voor het ontwikkelen van beleid met betrekking tot het bekendmaken van WOZ-beschikkingen indien sprake is van verschillende genothebbenden van een zelfde onroerende zaak (vgl. Kamerstukken II 1996\u002F97, 25 037, nr. 6, blz. 20).\n\nTijdens de parlementaire behandeling van de Wet maatregelen woningmarkt 2014, de opvolger van de Wvh, is onderkend dat in gevallen waarin met betrekking tot een zelfde onroerende zaak meer dan één genothebbende kan worden aangewezen, de keuze voor de genothebbende die de WOZ-beschikking ontvangt afhankelijk is van het beleid van de gemeente waarin die woning zich bevindt, en dat in die situatie in de meeste gemeenten de oudste genothebbende de WOZ-beschikking ontvangt (zie Kamerstukken II 2013\u002F14, 33 756, nr. 3, blz. 31, en Kamerstukken II 2013\u002F14, 33 756, nr. 12, blz. 3-4).\n\n2.4.4.. De toerekeningssystematiek die besloten ligt in de hiervoor in 2.4.3 besproken bepalingen brengt mee dat voor toepassing van de verhuurderheffing een verschil in behandeling ontstaat tussen rechtens en feitelijk vergelijkbare gevallen, te weten het geval van de medegenothebbende van huurwoningen die een WOZ-beschikking met betrekking tot die woning ontvangt, zoals belanghebbende, en het geval van de medegenothebbende bij wie dat niet het geval is, zoals de broers van belanghebbende. De mate waarin deze ongelijke behandeling zich voordoet, is onder meer afhankelijk van het door de desbetreffende gemeente gevoerde beleid ter zake van de bekendmaking van WOZ-beschikkingen.\n\n2.4.5.. Het effect van de hiervoor in 2.4.4 beschreven ongelijke behandeling kan worden versterkt doordat de belastingplicht voor de verhuurderheffing aangrijpt bij het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van meer dan tien huurwoningen. Dat versterkte effect doet zich onder meer voor in gevallen als het onderhavige, waarin meer personen gezamenlijk het genot hebben van meer dan tien huurwoningen en het door de betrokken gemeente(n) gevoerde beleid ter zake van de bekendmaking van WOZ-beschikkingen, in combinatie met het eventuele genot van andere huurwoningen dat zij hebben, tot gevolg heeft dat een deel van hen buiten de verhuurderheffing kan blijven.\n\n2.4.6.. De in artikel 3 Wvh gebezigde bewoordingen “in aanmerking nemen” vormen niet een toereikende grond om aan te nemen dat ook andere gerechtigden dan degene aan wie de WOZ-beschikkingen zijn bekendgemaakt, ter zake van die woningen zijn onderworpen aan de verhuurderheffing of voor de heffing ter zake van die woningen draagplichtig zouden zijn, nog daargelaten de vraag voor welk deel zij dan draagplichtig zouden moeten zijn, gelet op de drempel van tien woningen uit artikel 4 Wvh. Er is ook geen ander wettelijk voorschrift aan te wijzen waaruit voor de belastingplichtige de waarborg voortvloeit dat bij mede-eigendom van huurwoningen de ter zake daarvan verschuldigde verhuurderheffing door alle genothebbenden wordt gedragen.\n\nDe verhuurderheffing is om die reden (en ook in verband met de drempel van tien woningen uit artikel 4 Wvh) niet aan te merken als een op een huurwoning rustende last die zonder meer overeenkomstig het bepaalde in Titel 7, Afdeling 1, Boek 3 BW door alle genothebbenden naar evenredigheid van hun aandeel moet worden gedragen.\n\n2.4.7.. Tijdens de parlementaire behandeling van de hiervoor reeds genoemde Wet maatregelen woningmarkt 2014, is opgemerkt dat medegenothebbenden van een zelfde huurwoning “in een privaatrechtelijke relatie tot elkaar staan voor wat betreft de lusten en de lasten van de huurwoningen” (Kamerstukken II 2013\u002F14, 33 756, nr. 6, blz. 43-44; vgl. ook Kamerstukken II 2013\u002F14, 33 756, nr. 12, blz. 3). Een “privaatrechtelijke relatie” houdt, gelet op hetgeen in 2.4.6 is overwogen, niet in dat de voor de verhuurderheffing als belastingplichtige aangemerkte mede-eigenaar ten aanzien van andere genothebbenden een verhaalsrecht geldend kan maken. Daarom getuigt ’s Hofs uitspraak van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het Hof uit die tijdens de parlementaire behandeling gemaakte opmerking heeft afgeleid dat het privaatrecht voldoende zekerheid biedt dat de gevolgen van de ongelijke behandeling van een voor de verhuurderheffing als belastingplichtige aangemerkte mede-eigenaar ongedaan worden gemaakt. Om dezelfde reden heeft het Hof ten onrechte betekenis toegekend aan het door de Inspecteur ingenomen standpunt “dat medegerechtigden de lasten van de verhuurderheffing in de praktijk ook daadwerkelijk dienovereenkomstig dragen”.\n\n2.4.8.. De hier toepasselijke verdragsbepalingen, artikel 26 IVBPR, artikel 14 EVRM in samenhang gelezen met artikel 1 EP, en artikel 1 Twaalfde Protocol bij het EVRM, verbieden niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen, doch alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd omdat een redelijke en objectieve rechtvaardiging ervoor ontbreekt. Daarbij is uitgangspunt dat op het terrein van de fiscale wetgeving de wetgever in het algemeen een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of gevallen voor de toepassing van deze verdragsbepalingen als gelijk moeten worden beschouwd en of, indien die vraag bevestigend moet worden beantwoord, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen (vgl. onder meer EHRM 29 april 2008, Burden tegen het Verenigd Koninkrijk, no. 13378\u002F05, EHRC 2008\u002F80, paragraaf 60 en EHRM 22 juni 1999, no. 46757\u002F99, Della Ciaja en anderen tegen Italië, BNB 2002\u002F398). Het ontbreken van zo een objectieve en redelijke rechtvaardiging kan alleen worden aangenomen indien de keuze van de wetgever evident van redelijke grond is ontbloot (“manifestly without reasonable foundation”, zie EHRM 7 juli 2011, Stummer tegen Oostenrijk, no. 37452\u002F02, paragraaf 89, met verdere verwijzingen).\n\n2.4.9.. Het hiervoor in 2.4.3 genoemde gemeentelijke beleid ten aanzien van de bekendmaking van WOZ-beschikkingen pleegt, hoezeer het bij mede-eigendom van huurwoningen ook bepalend is voor de ongelijkheid in de behandeling van de genothebbenden, geen verband te houden met de doelstellingen van de verhuurderheffing. Daarin is reeds een aanwijzing te vinden dat de in de Wvh opgenomen regeling van onderworpenheid aan die heffing ten aanzien van huurwoningen met meer dan één genothebbende een redelijke grond ontbeert.\n\n2.4.10.. Ter rechtvaardiging van het aansluiten bij de basisregistratie WOZ in de verhuurderheffing heeft de regering erop gewezen dat dit tot lagere administratieve lasten en uitvoeringskosten leidt en voor eenvoudige en eenduidige wetgeving zorgt, waarbij alle belastingplichtigen baat hebben (Kamerstukken II 2013\u002F14, 33 756, nr. 12, blz. 3-4), dat het benutten van authentieke gegevens uit basisregistraties bij het vormgeven van nieuwe wetgeving een “best practice” is en dat daarmee eenduidige, objectieve wetgeving en efficiëntiewinst voor alle betrokken partijen worden beoogd (Kamerstukken II 2013\u002F14, 33 756, nr. 6, blz. 43). De onderhavige zaak illustreert dat de op deze argumenten berustende keuze van de wetgever erin kan resulteren dat een belanghebbende de verhuurderheffing moet voldoen als ware hij de enige genothebbende van de huurwoningen, terwijl de andere genothebbenden – zoals in deze zaak belanghebbendes broers die elk voor een zelfde aandeel als belanghebbende eigenaar van de huurwoningen zijn – ter zake van die woningen in het geheel niet in de heffing worden betrokken. Deze uitkomst is ten aanzien van overigens in dezelfde positie verkerende genothebbenden als willekeurig te beschouwen. Redenen van praktische uitvoerbaarheid kunnen een dergelijke uitkomst niet rechtvaardigen.\n\n2.5.1.. Het hiervoor overwogene voert tot de slotsom dat, ook met inachtneming van de ruime beoordelingsmarge die aan de fiscale wetgever toekomt, voor de ongelijke behandeling die belanghebbende ten deel is gevallen geen toereikende rechtvaardiging is aan te wijzen. In zoverre veroorzaakt de toepassing van de Wvh ten aanzien van belanghebbende een inbreuk op diens in de hiervoor genoemde verdragsbepalingen gewaarborgde rechten.\n\nDaarom rijst de vraag of, en zo ja op welke wijze, de rechter ter zake van de hiermee verband houdende schending van de hiervoor genoemde verdragsbepalingen effectieve rechtsbescherming kan bieden. In het algemeen dient de rechter bij schending van verdragsrechtelijk gewaarborgde rechten aanstonds zelf in het rechtstekort te voorzien indien zich uit het stelsel van de wet, de daarin geregelde gevallen en de daaraan ten grondslag liggende beginselen, of de wetsgeschiedenis, voldoende duidelijk laat afleiden hoe dit dient te geschieden.\n\n2.5.2.. In het onderhavige geval laten zich diverse mogelijkheden denken om de geconstateerde schending van het verbod van discriminatie op te heffen (vgl. de onderdelen 7.29 tot en met 7.33 van de conclusie van de Advocaat-Generaal).\n\n2.5.3.. Bij afweging van dit een en ander ziet de Hoge Raad, gelet op de te dezen geboden terughoudendheid, geen grond zelf een rechtsregel te formuleren om in het door de discriminerende regeling veroorzaakte rechtstekort te voorzien. Die keuze moet aan de wetgever worden overgelaten. Wel ziet de Hoge Raad in de willekeurige aanwijzing van belanghebbende als belastingplichtige aanleiding de verhuurderheffing ten aanzien van hem buiten toepassing te laten.”\n\n5.6.. De wetgever heeft in navolging van het arrest van 8 juni 2018 de reparatiewet ingevoerd. De reparatiewet is bij brief van 20 december 2019 aangekondigd (Kamerstukken II 2019\u002F20, 27 926, nr. 315) en op 8 juli 2020 in het staatsblad gepubliceerd. De reparatiewet heeft terugwerkende kracht tot 1 januari 2020.\n\n5.7.. Artikel 1.3 Wmw is als gevolg van de reparatiewet vervallen. Daarnaast is een nieuw artikel 1.6a ingevoegd dat luidde als volgt:\n\nVoor de toepassing van de artikelen 1.4 en 1.6 wordt een huurwoning waarvan het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht wordt gedeeld door twee of meer natuurlijke personen, rechtspersonen of groepen, in aanmerking wordt genomen bij elk van deze natuurlijke personen, rechtspersonen of groepen, naar rato van de mate van de eigendom, onderscheidenlijk het bezit of het beperkt recht.\n\n5.8.. De Afdeling advisering van de Raad van State heeft op 30 januari 2020 advies uitgebracht over het wetsvoorstel voor de reparatiewet. Het advies is op 10 maart 2020 gepubliceerd (Kamerstukken II 2019\u002F20, 35409, nr. 4). Ten aanzien van de terugwerkende kracht is het volgende opgemerkt:\n\nDe Afdeling onderschrijft de opmerking in de toelichting dat terughoudend moet worden omgegaan met het toekennen van terugwerkende kracht aan wettelijke regelingen. De voorgestelde bepaling is een belastende maatregel. Zoals uit adviezen in het verleden al is gebleken, is de Afdeling van oordeel dat aan belastende maatregelen geen terugwerkende kracht dient te worden gegeven, tenzij bijzondere omstandigheden een afwijking van deze regel rechtvaardigen (zie onder meer de adviezen van de Afdeling advisering van de Raad van State van 7 september 2015 over het Belastingplan 2016, (W06.15.0275\u002FIII), Kamerstukken II 2015\u002F16, 34 302, nr. 4, van 24 juli 2013 over de Wet compartimenteringsreserve, (W06.13.0221\u002FIII), Kamerstukken II 2012\u002F13, 33 713, nr. 4, en van 10 januari 2013 over het voorstel van wet tot wijziging van de Wet verhuurderheffing, (W04.12.0513\u002FI), Kamerstukken II 2012\u002F13, 33 515, nr. 4. Zie ook aanwijzing 167 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.).\n\nDie omstandigheden kunnen worden gevormd door een omvangrijk oneigenlijk gebruik of misbruik van een wettelijke voorziening of door aanmerkelijke aankondigingseffecten. Bij een eventuele terugwerkende kracht dient de maatregel voor belastingplichtigen voldoende kenbaar te zijn.\n\nDe Afdeling merkt op dat met het persbericht en de brief aan de Tweede Kamer van 20 december 2019 (Kamerstukken II 2019\u002F20, 27 926, nr. 315) aan de eis van kenbaarheid is voldaan.\n\nMet betrekking tot de hierboven genoemde bijzondere omstandigheden merkt de Afdeling het volgende op. De genoemde arresten van de Hoge Raad zijn van 8 juni 2018. De Staatssecretaris van Financiën schreef op 22 oktober 2019 dat de regering naar aanleiding van deze arresten van de Hoge Raad aan een wetswijziging werkt en dat het streven is om deze maatregel met ingang van 1 januari 2021 in werking te laten treden. Dit betekent dat er blijkbaar aanvankelijk geen noodzaak werd gevoeld tot grote spoed. Ook de noodzaak tot het gebruik van terugwerkende kracht is blijkbaar pas na 22 oktober 2019 ontstaan.\n\nDe toelichting motiveert de terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2020 door te wijzen op het risico dat de volledige voor het jaar 2020 geraamde opbrengst van de verhuurderheffing (€ 1,8 miljard) wordt misgelopen. Dat is alleen het geval als:\n\na. alle belastingplichtigen gaan procederen tegen de verhuurderheffing over het jaar 2020,\n\nb. ze daarbij aanvoeren dat het in de verhuurderheffing betrekken van huurwoningen in volle eigendom leidt tot strijd met het gelijkheidsbeginsel, en\n\nc. de uitkomst van die procedures zou zijn dat over het jaar 2020 in het geheel geen verhuurderheffing mag worden geheven.\n\nDat lijkt de Afdeling zeer onwaarschijnlijk. Los daarvan ziet de Afdeling niet hoe het starten van dergelijke procedures door belastingplichtigen met huurwoningen in volle eigendom kan worden gezien als omvangrijk oneigenlijk gebruik of misbruik van een wettelijke voorziening of als aanmerkelijk aankondigingseffect.\n\nDe toelichting motiveert daarnaast dat het toekennen van terugwerkende kracht het creëren van mede-eigendomssituaties, en daarmee een lagere opbrengst voor het heffingsjaar 2020, voorkomt. De omvang van die lagere opbrengst wordt echter niet inzichtelijk gemaakt. Mede gelet op de genoemde budgettaire gevolgen (€ 2 miljoen voor de periode van de arresten van de Hoge Raad tot 1 januari 2020) roept dit de vraag op of wel sprake is van een aankondigingseffect dat «aanmerkelijk» is en of wel sprake is van een «omvangrijk» oneigenlijk gebruik of misbruik van de wettelijke regeling dat een terugwerkende kracht zou rechtvaardigen.\n\nDaar komt bij dat indien daadwerkelijk sprake zou zijn van een omvangrijk oneigenlijk gebruik of misbruik, van de wetgever verwacht had mogen worden dat deze eerder had ingegrepen. Dat is echter niet gebeurd; de regeling en de uitleg door de Hoge Raad bestaan al langere tijd.\n\nGelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat genoemde omstandigheden onvoldoende rechtvaardiging vormen voor de voorgestelde terugwerkende kracht. De Afdeling adviseert daarom de terugwerkende kracht te schrappen.\n\n5.9.. De Minister voor Milieu en Wonen heeft in navolging van het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State de achtergrond van en noodzaak voor de spoedreparatie met terugwerkende kracht nader toegelicht als volgt (Kamerstukken II 2019\u002F20, 35409, nr. 4):\n\nAls gevolg van de door de Afdeling genoemde arresten van de Hoge Raad kunnen mede-eigenaren de huurwoningen die zij in mede-eigendom hebben buiten aanmerking laten in de aangifte voor de verhuurderheffing. Over deze huurwoningen wordt dan ook geen verhuurderheffing geheven. Dat heeft voor de heffingsjaren 2018 en 2019 geleid tot een derving van de opbrengst van de verhuurderheffing van € 1 miljoen per heffingsjaar. Het belang van reparatie van de mede-eigendomsbepaling is reeds in juni 2018 onderkend. De oplossingsrichting was echter nog niet meteen duidelijk. Ook waren bij de Belastingdienst op dat moment nog geen signalen binnengekomen dat de arresten potentieel een substantiëler derving tot gevolg zouden kunnen hebben. Hierdoor was het spoedeisende karakter niet evident. Daardoor is de reparatie van de mede-eigendomsbepaling aanvankelijk voorzien met ingang van 1 januari 2021, oftewel het heffingsjaar 2021.\n\nMedio november 2019 is dit beeld echter drastisch veranderd. Er is duidelijk geworden dat een reëel risico is ontstaan op procedures over het heffingsjaar 2019, en daarmee ook op procedures over het heffingsjaar 2020. Met deze procedures is een zeer groot budgettair belang gemoeid. Voor het heffingsjaar 2020 gaat het om maximaal € 1,8 miljard (de gehele opbrengst van de verhuurderheffing).\n\nOp 22 oktober 2019 was de noodzaak tot spoedreparatie van de mede-eigendomsbepaling met terugwerkende kracht derhalve nog niet duidelijk. Dit is te verklaren door het feit dat de aangiftetermijn voor het heffingsjaar 2019 is verstreken op 30 september 2019. Uiterlijk op deze datum moest de aangifte voor de verhuurderheffing over 2019 zijn ingediend en de verhuurderheffing over dat jaar zijn voldaan. De bezwaartermijn tegen deze aangifte is derhalve uiterlijk medio november verstreken. Veel belastingplichtigen hebben in eerste instantie een pro-formabezwaarschrift ingediend, waardoor niet aanstonds duidelijk was dat (i) deze bezwaarschriften zouden worden gemotiveerd met een beroep op het gelijkheidsbeginsel en dat (ii) het met deze bezwaarschriften gemoeide budgettaire belang zou kunnen oplopen tot € 1,2 miljard voor het heffingsjaar 2019 (ruim 70% van de geraamde opbrengst van € 1,7 miljard).\n\nTegen de geschetste achtergrond is aannemelijk dat ten minste evenveel – en waarschijnlijk zelfs meer – belastingplichtigen een bezwaarschift tegen de verschuldigde verhuurderheffing over het heffingsjaar 2020 zullen indienen en zich daarin eveneens zullen beroepen op het gelijkheidsbeginsel. Het lijkt mij daarbij niet onwaarschijnlijk dat deze belastingplichtigen vervolgens gaan procederen. Ingeval de uiteindelijke uitkomst van de procedures is dat de belastingheffing niet kan worden geëffectueerd bij volle eigenaren, wordt de Staat geconfronteerd met een derving van 70% tot 100% van de geraamde opbrengst van de verhuurderheffing voor het heffingsjaar 2020 (€ 1,3 miljard tot maximaal € 1,8 miljard).\n\nOngeacht de vraag of er daadwerkelijk strijd is met het gelijkheidsbeginsel, is het budgettaire belang dat in het geding is van een dusdanige omvang, dat ook als het risico laag wordt ingeschat, het van belang is dat dit risico wordt uitgesloten voor het heffingsjaar 2020. Daartoe is het toekennen van terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2020 aan de voorgestelde regeling noodzakelijk. Het budgettaire risico dat de Staat loopt, is dus de reden voor de terugwerkende kracht. In het licht van de opmerkingen van de Afdeling heb ik de andere reden die eerder is genoemd, te weten dat voorkomen wordt dat mede-eigendomssituaties worden gecreëerd, geschrapt.\n\nHoewel geen sprake is van omvangrijk oneigenlijk gebruik of misbruik van een wettelijke voorziening dan wel van een aanmerkelijk aankondigingseffect, acht ik het niettemin gerechtvaardigd om in dit specifieke geval terugwerkende kracht toe te kennen, teneinde het risico op een zeer grote budgettaire derving uit te sluiten. Er is dan ook geen gevolg gegeven aan het advies de terugwerkende kracht te schrappen. Een en ander laat overigens onverlet dat ik het uitgangspunt dat terughoudend moet worden omgegaan met het toekennen van terugwerkende kracht uiteraard onderschrijf.\n\nGedingstukken\n\n5.10.. Belanghebbende heeft eerst ter zitting gesteld dat de Inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd en toegelicht waarom hij dat pas op de zitting van het Hof aan de orde heeft gesteld. Het gaat om alle stukken die betrekking hebben op de totstandkoming en de verwijdering van de onder 2.2.1 opgenomen tekst op de website van de Belastingdienst. De Inspecteur heeft gesteld dat hij niet beschikt over dergelijke informatie en dat deze daarom ook niet bij de totstandkoming van de uitspraak op bezwaar een rol heeft gespeeld.\n\n5.11.. Het Hof komt alles overziend tot de conclusie dat de stukken die een licht werpen op de totstandkoming en verwijdering van de onder 2.2.1 opgenomen tekst op de website van de Belastingdienst, wat er verder ook van zij, gelet op hetgeen onder 5.20 is overwogen niet van belang zijn voor de beslissing op een of meer van de geschilpunten en zal de zaak dus op basis van de thans ter beschikking staande gedingstukken beoordelen.\n\nTerugwerkende kracht\n\n5.12.. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de terugwerkende kracht van de reparatiewet in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (EP) en dat alsdan de verhuurderheffing ten aanzien van belanghebbende in strijd komt met het gelijkheidsbeginsel (het discriminatieverbod) dan wel het gelijkheidsbeginsel zoals dat voortvloeit uit de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.\n\n5.13.. Het Hof stelt voorop dat belanghebbende alleen een belang bij de grieven zou kunnen hebben, indien aan de reparatiewet geen terugwerkende kracht mocht worden toegekend. Immers als het Hof zou oordelen dat er geen beletsel is aan de reparatiewet terugwerkende kracht toe te kennen, is er van enige discriminatie in het geheel geen sprake. Het Hof zal dan ook eerst het geschilpunt van de terugwerkende kracht beoordelen.\n\n5.14.. Bij de beoordeling wordt het volgende vooropgesteld. Belastingen vormen in beginsel een inmenging in het door artikel 1 EP gegarandeerde ongestoorde genot van eigendom. De tweede alinea van deze bepaling echter voorziet uitdrukkelijk in een algemene rechtvaardigingsgrond voor de inmenging die wordt veroorzaakt door de toepassing van fiscale maatregelen (EHRM 29 april 2008, nr. 13378\u002F05, Burden and Burden tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2008:0429JUD001337805, NJ 2008\u002F306, r.o. 59). Dit neemt niet weg dat ook op het terrein van de belastingen de inmenging volgens vaste rechtspraak van het EHRM ‘lawful’ moet zijn, een ‘legitimate aim’ moet dienen en een ‘fair balance’ tussen de belangen van het betrokken individu en het algemene belang moet respecteren. Bij de beoordeling van de vraag of aan de laatstgenoemde voorwaarde is voldaan, moet de wetgever op fiscaal gebied een ruime beoordelingsmarge worden gelaten (EHRM 14 mei 2013, nr. 66529\u002F11, N.K.M. tegen Hongarije, ECLI:CE:ECHR:2013:0514JUD006652911, FED 2013\u002F79, r.o. 57 en 61).\n\n5.15.. Wanneer, zoals in het onderhavige geval, de gestelde strijdigheid van een heffing met de door artikel 1 EP beschermde uitoefening van het eigendomsrecht gebaseerd wordt op het betoog dat bij de invoering van de desbetreffende belastingmaatregel de gerechtvaardigde verwachtingen van de betrokkenen zijn geschonden, komt het erop aan of bij die invoering de zojuist genoemde “fair balance” in acht is genomen (zie r.o. 61 van het zojuist genoemde arrest van het EHRM in de zaak N.K.M. tegen Hongarije). Deze balans ontbreekt indien de desbetreffende maatregel in de omstandigheden van het concrete geval voor de belastingplichtige leidt tot een individuele en buitensporige last ('individual and excessive burden'). Daartoe dient te worden beoordeeld wat de gevolgen zijn van die terugwerkende kracht op de positie van de belanghebbende. Bij het oordeel of sprake is van een 'fair balance' speelt verder een rol om welke redenen de wetswijziging met terugwerkende kracht is ingevoerd (vgl. EHRM 10 juni 2003, nr. 27793\u002F95, zaak M.A. en anderen tegen Finland, V-N 2003\u002F52.2 en HR 2 oktober 2009, nr. 07\u002F13624, ECLI:NL:HR:2009:BI1909, BNB 2011\u002F48).\n\n5.16.. Ten aanzien van de verwachtingen die belanghebbende mocht hebben in het onderhavige geval, moet worden vastgesteld dat op het moment waarop de verhuurderheffing verschuldigd werd (1 januari 2020), als gevolg van de onder 5.6 genoemde brief van 20 december 2019 voor belanghebbende kenbaar was dat de regering met terugwerkende kracht tot 1 januari 2020 reparatiewetgeving wenste door te voeren. De inhoud van de reparatiewet werd in dit persbericht ook voldoende duidelijk weergegeven. De verschuldigdheid van de verhuurderheffing was dan ook in voldoende mate te voorzien op het moment waarop het belastbare feit plaatsvond.\n\n5.17.. De reparatiewet is met terugwerkende kracht ingevoerd, omdat de regering het risico dat enig-eigenaren zich voor het jaar 2020 met succes zouden beroepen op het gelijkheidsbeginsel wilde uitsluiten. De Staat zou namelijk kunnen worden geconfronteerd met een derving van 70% tot 100% van de geraamde opbrengst van de verhuurderheffing voor het heffingsjaar 2020 (€ 1,3 miljard tot maximaal € 1,8 miljard), indien dat risico, waarvan de aard en omvang pas in november 2019 duidelijk werd, zou materialiseren (zie de onder 5.9 opgenomen toelichting van de Minister voor Milieu en Wonen). Deze reden is niet van redelijke grond ontbloot.\n\n5.18.. \n\nVoorts is ten aanzien van belanghebbende geen sprake van een individuele en buitensporige last. De reparatiewet behelst in feite namelijk de beëindiging van een niet door de wetgever beoogd fiscaal privilege voor de mede-eigenaar dat is ontstaan als gevolg van de discriminatoire toerekeningssystematiek van artikel 1:3 Wmw en het arrest van 8 juni 2018.\n\nDe reparatiewet en de terugwerkende kracht daarvan hebben bovendien geen gevolgen gehad voor de belastingplicht van belanghebbende als enig-eigenaar van huurwoningen als zodanig.\n\n5.19.. Gelet op het vorenstaande vormt de reparatiewet en de daaraan verbonden terugwerkende kracht in het geval van belanghebbende geen inbreuk op artikel 1 EP noch komt deze in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur, zodat de stelling van belanghebbende faalt.\n\n5.20.. De overige stellingen van belanghebbende zijn gebaseerd op het uitgangspunt dat aan de reparatiewet geen terugwerkende kracht mocht worden toegekend en behoeven daarom geen behandeling.\n\nSlotsom\n\n5.21.. Gelet op het voorgaande is het hoger beroep ongegrond.\n\nProceskosten\n\n6. Het Hof ziet geen aanleiding een partij te veroordelen in de proceskosten.\n\nBeslissing\n\nHet Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.\n\nDeze uitspraak is vastgesteld door L.D.M.A Reijs, Chr.Th.P.M. Zandhuis en T.A. de Hek, in tegenwoordigheid van de griffier M.G. Kastelein. De beslissing is op 17 juli 2024 in het openbaar uitgesproken.\n\nEen afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.\n\nAlle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\n a. - de naam en het adres van de indiener;\n\n b. - de dagtekening;\n\n c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\n d. - de gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2024:1586","2024-09-16T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:17.973Z",{"id":86,"ecli":87,"slug":88,"caseNumber":43,"courtId":79,"decisionDate":80,"fullText":89,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":90,"sourceTimestamp":83,"parsedAt":50,"updatedAt":91},"1362","ECLI:NL:GHDHA:2024:1587","ecli-nl-ghdha-2024-1587","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nTeam Belastingrecht\n\nmeervoudige kamer\n\nnummers BK-23\u002F171 en BK-23\u002F172\n\nUitspraak van 17 juli 2024\n\nin het geding tussen:\n\nStichting [X] te [Z] , belanghebbende,\n\n(gemachtigde: G.J.W. de Ruiter)\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,\n\n(vertegenwoordiger: […] )\n\nop het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 10 januari 2023 met zaaknummers SGR 22\u002F4187 en 22\u002F4188.\n\nProcesverloop\n\n1.1.1.. Belanghebbende heeft voor de jaren 2019 en 2020 op aangifte een bedrag van respectievelijk € 3.850.288 en € 4.062.304 aan verhuurderheffing voldaan.\n\n1.1.2.. Belanghebbende heeft een gecorrigeerde aangifte ingediend.\n\n1.1.3.. De Inspecteur heeft op grond van de gecorrigeerde aangifte en rekening houdend met een hogere heffingsvermindering bij beschikking de verhuurderheffing over 2019 verminderd tot € 3.660.288.\n\n1.2.. Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar tegen de op aangifte voldane verhuurderheffing ongegrond verklaard.\n\n1.3.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant ingesteld. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 365. De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft de zaken op verzoek van partijen overgedragen aan de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 548. De Inspecteur heeft op 8 augustus 2023 een nader stuk, getiteld verweerschrift 2019, en een nader stuk, getiteld verweerschrift 2020, ingediend.\n\n1.5.. De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgevonden ter zitting van het Hof op 4 juni 2024. Partijen zijn verschenen. Ter zitting zijn ook de zaken met de nummers BK-23\u002F174 tot en met 23\u002F180, 23\u002F183 tot en met 23\u002F197, 23\u002F199 tot en met 23\u002F219, 23\u002F222 en 23\u002F223 behandeld. Hetgeen in de ene zaak is aangevoerd en overgelegd wordt geacht te zijn aangevoerd en overgelegd in de andere zaken, tenzij hetgeen is aangevoerd en overgelegd uitsluitend op die ene zaak betrekking heeft. Van het verhandelde ter zitting is één proces-verbaal opgemaakt. Beide partijen hebben ter zitting een pleitnota overgelegd.\n\nFeiten\n\n2.1.. Belanghebbende is op 1 januari 2019 en 1 januari 2020 enig-eigenaar van meer dan 50 huurwoningen als bedoeld in artikel 1.2 van de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II (de Wmw). De huurwoningen zijn opgenomen in de aangifte verhuurderheffing van belanghebbende over het jaar 2019 en 2020.\n\n2.2.1.. De Belastingdienst heeft na het arrest van de Hoge Raad van 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:846, BNB 2018\u002F144 (hierna ook: het arrest van 8 juni 2018) op zijn website de volgende tekst gepubliceerd:\n\n“Bent u gezamenlijk eigenaar van een huurwoning? Dan hoeft u deze woning niet op te nemen in de aangifte verhuurderheffing.”\n\n2.2.2.. De tekst stond tot 24 december 2019 op de website van de Belastingdienst.\n\nOordeel van de Rechtbank\n\n3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:\n\n“Beoordeling van het geschil\n\nSchending gelijkheidsbeginsel\n\n5. Van schending van het gelijkheidsbeginsel is primair sprake wanneer gevallen die feitelijk en rechtens gelijk zijn ongelijk worden behandeld. Naar het oordeel van de rechtbank behoren mede-eigenaren en volle eigenaren niet zowel feitelijk als rechtens tot dezelfde groep en is geen sprake van feitelijk en rechtens gelijke gevallen. Artikel 1.4 van de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II (de Wet) maakt weliswaar geen onderscheid tussen mede-eigenaren en volle eigenaren, maar in artikel 1.3 van de Wet wordt tussen hen wel een onderscheid gemaakt. Deze bepaling ziet immers uitsluitend op mede-eigenaren. Er is dus sprake van subjectgebonden omstandigheden die zich niet voordoen en zich ook niet voor kunnen doen bij volle eigenaren. Het arrest van de Hoge Raad ziet uitsluitend op artikel 1.3 van de Wet en dus op de situatie van mede-eigendom. Nu de hier in geding zijnde voldoening van verhuurderheffing door eiseres alleen betrekking heeft op onroerende zaken die eiseres in vol eigendom heeft, is geen sprake van ongelijke behandeling van gelijke gevallen. De rechtbank volgt eiseres evenmin in haar stelling dat sprake is van ongelijke gevallen die onevenredig ongelijk worden behandeld. Daarbij overweegt de rechtbank dat de ongelijke behandeling een direct uitvloeisel is van de gevolgen van het arrest van de Hoge Raad van 8 juni 2018. Dat maakt dat geen sprake is van de vermeende (ongeoorloofde) onevenredige behandeling. Dat de ongelijke behandeling verder gaat dan die voortvloeit uit dit arrest heeft eiseres niet concreet aangevoerd en\u002Fof inzichtelijk gemaakt en is ook overigens niet gebleken.Begunstigend beleid\n\n6. Onder begunstigend beleid moet worden verstaan dat verweerder voor bepaalde gevallen bewust een standpunt inneemt dat voor deze groep gunstiger is dan wanneer de wet op de normale manier wordt toegepast. Het arrest van de Hoge Raad van 8 juni 2018 heeft tot gevolg dat artikel 1.3 van de Wet buiten toepassing dient te blijven. Als gevolg daarvan kan geen sprake meer zijn van een “normale” toepassing van de wet. Dat de belastingdienst in dat kader heeft meegedeeld dat onroerende zaken die in mede-eigendom zijn niet meer in de aangifte voor de verhuurdersheffing behoeven te worden opgenomen, is het rechtstreekse gevolg van dat arrest. Een dergelijke mededeling kan niet worden aangemerkt als begunstigend beleid.\n\nTerugwerkende kracht reparatiewetgeving\n\n7. De reparatiewetgeving ziet uitsluitend op de situatie van mede-eigendom waarvan bij eiseres geen sprake is. Of aan die wetgeving terugwerkende kracht mocht worden toegekend, is voor de positie en de belastingplicht als zodanig van eiseres dus niet van belang. Ook indien de reparatiewetgeving pas per 14 juli 2020 geacht moet worden in werking te zijn getreden, heeft dat voor haar op zichzelf geen gevolgen. Dat zou alleen anders kunnen zijn wanneer sprake zou zijn van schending van het gelijkheidsbeginsel. Nu de rechtbank eiseres niet volgt in haar stelling dat voor het jaar 2019 sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel kan van een voortbestaan in 2020 van zo’n schending evenmin sprake zijn. Hetgeen eiseres heeft aangevoerd over de ongeoorloofde terugwerkende kracht bij de invoering van de reparatiewet verhuurderheffing behoeft daarom geen verdere behandeling.\n\nVerzoek stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad\n\n8. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om over te gaan tot het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. De rechtbank is niet verplicht tot het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad en ziet in hetgeen eiseres heeft aangevoerd daartoe ook geen reden.\n\n9. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.\n\nProceskosten\n\n10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”\n\nGeschil in hoger beroep en conclusies van partijen\n\n4.1.1.. Voor het jaar 2019 is in geschil of de heffing van verhuurderheffing ten aanzien van belanghebbende in strijd is met het gelijkheidsbeginsel (het discriminatieverbod) zoals dat voortvloeit uit artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM) en artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM dan wel het gelijkheidsbeginsel zoals dat voortvloeit uit de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.\n\n4.1.2.. Belanghebbende stelt primair dat tussen enig-eigenaren en mede-eigenaren sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen, omdat huurwoningen van enig-eigenaren wel in de aangifte verhuurderheffing dienden te worden opgenomen en huurwoningen van mede-eigenaren niet. Belanghebbende stelt subsidiair dat sprake is van ongelijke gevallen die niet evenredig aan die ongelijkheid ongelijk worden behandeld.\n\n4.1.3.. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel.\n\n4.2.1.. Voor het jaar 2020 is in geschil of aan de Wijziging van de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II (reparatie verhuurderheffing bij gedeeld genot huurwoningen), Stb. 2020 nr. 243 van 8 juli 2020 (de reparatiewet) terugwerkende kracht mocht worden toegekend. Als geen terugwerkende kracht mocht worden toegekend, dan is evenals over 2019 in geschil of de heffing van verhuurderheffing ten aanzien van belanghebbende in strijd is met het gelijkheidsbeginsel zoals dat voortvloeit uit artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM) en artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM dan wel het gelijkheidsbeginsel zoals dat voortvloeit uit de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.\n\n4.2.2.. Belanghebbende stelt dat aan de reparatiewet geen terugwerkende kracht mocht worden toegekend en dat, als het Hof tot dat oordeel komt, primair sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen, omdat huurwoningen van enig-eigenaren wel in de aangifte verhuurderheffing dienden te worden opgenomen en huurwoningen van mede-eigenaren als gevolg van het vervallen van de terugwerkende kracht niet. Belanghebbende stelt subsidiair dat als aan de reparatiewet geen terugwerkende kracht mocht worden toegekend sprake is van ongelijke gevallen die niet evenredig aan die ongelijkheid ongelijk worden behandeld.\n\n4.3. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de wetgever aan de reparatiewet terugwerkende kracht heeft mogen toekennen en dat geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel.\n\n4.4.. Belanghebbende concludeert voor beide jaren tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, tot teruggaaf van de op aangifte voldane verhuurderheffing en tot toekenning van een proceskostenvergoeding.\n\n4.5.. De Inspecteur concludeert voor beide jaren tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.\n\nBeoordeling van het hoger beroep\n\nJuridisch kader\n\n5.1.. Met ingang van 1 januari 2013 is de Wet Verhuurderheffing, Stb. 2013, nr. 285 (de Wvh) ingevoerd. Artikel 3 Wvh luidde als volgt:\n\nIndien er ter zake van een huurwoning meer dan één genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is, wordt voor de verhuurderheffing de huurwoning in aanmerking genomen bij degene aan wie de beschikking, bedoeld in artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken, ter zake van die huurwoning op de voet van artikel 24, derde en vierde lid, van de Wet waardering onroerende zaken is bekendgemaakt.\n\n5.2.. Artikel 4 Wvh luidde als volgt:\n\nBelastingplichtig voor de verhuurderheffing is degene die op 1 januari 2013 het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht heeft van meer dan 10 huurwoningen.\n\n5.3.. De Wvh is met ingang van 1 januari 2014 vervallen. Met ingang van 1 januari 2014 is de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II, Stb. 2013 nr. 583 (de Wmw) ingevoerd. Artikel 1.3 Wmw (tekst 2019) luidde als volgt:\n\nIndien er ter zake van een huurwoning meer dan één genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is, wordt voor de verhuurderheffing de huurwoning in aanmerking genomen bij degene aan wie de beschikking, bedoeld in artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken, ter zake van die huurwoning op de voet van artikel 24, derde en vierde lid, van die wet is bekendgemaakt.\n\n5.4.. Artikel 1.4 Wmw luidde als volgt:\n\nBelastingplichtig voor de verhuurderheffing is de natuurlijke persoon, de rechtspersoon of de groep die bij aanvang van het kalenderjaar het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht heeft van meer dan vijftig huurwoningen.\n\n5.5.. De Hoge Raad heeft op 8 juni 2018 in de arresten ECLI:NL:HR:2018:846, BNB 2018\u002F144 en ECLI:NL:HR:2018:847 geoordeeld over de heffing van verhuurderheffing in geval van mede-eigendom, waarbij het laatstgenoemde arrest verwijst naar het eerstgenoemde arrest. In het arrest ECLI:NL:HR:2018:846, BNB 2018\u002F144 is onder meer het volgende overwogen:\n\n“2.4.3. In gevallen waarin er ter zake van een huurwoning meer dan één genothebbende is, wordt de huurwoning op grond van artikel 3 Wvh in aanmerking genomen bij degene aan wie de beschikking, bedoeld in artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ), ter zake van die huurwoning op de voet van artikel 24, leden 3 en 4, Wet WOZ is bekendgemaakt. Artikel 24, lid 3, letter a, Wet WOZ bepaalt dat de bekendmaking van de WOZ-beschikking geschiedt door toezending aan degene die aan het begin van het kalenderjaar het genot heeft van de onroerende zaak. Indien met betrekking tot een zelfde onroerende zaak meer dan één genothebbende kan worden aangewezen, kan bekendmaking op grond van artikel 24, lid 4, Wet WOZ plaatsvinden aan één van hen. Deze bepaling verleent de gemeente vrijheid voor het ontwikkelen van beleid met betrekking tot het bekendmaken van WOZ-beschikkingen indien sprake is van verschillende genothebbenden van een zelfde onroerende zaak (vgl. Kamerstukken II 1996\u002F97, 25 037, nr. 6, blz. 20).\n\nTijdens de parlementaire behandeling van de Wet maatregelen woningmarkt 2014, de opvolger van de Wvh, is onderkend dat in gevallen waarin met betrekking tot een zelfde onroerende zaak meer dan één genothebbende kan worden aangewezen, de keuze voor de genothebbende die de WOZ-beschikking ontvangt afhankelijk is van het beleid van de gemeente waarin die woning zich bevindt, en dat in die situatie in de meeste gemeenten de oudste genothebbende de WOZ-beschikking ontvangt (zie Kamerstukken II 2013\u002F14, 33 756, nr. 3, blz. 31, en Kamerstukken II 2013\u002F14, 33 756, nr. 12, blz. 3-4).\n\n2.4.4.. De toerekeningssystematiek die besloten ligt in de hiervoor in 2.4.3 besproken bepalingen brengt mee dat voor toepassing van de verhuurderheffing een verschil in behandeling ontstaat tussen rechtens en feitelijk vergelijkbare gevallen, te weten het geval van de medegenothebbende van huurwoningen die een WOZ-beschikking met betrekking tot die woning ontvangt, zoals belanghebbende, en het geval van de medegenothebbende bij wie dat niet het geval is, zoals de broers van belanghebbende. De mate waarin deze ongelijke behandeling zich voordoet, is onder meer afhankelijk van het door de desbetreffende gemeente gevoerde beleid ter zake van de bekendmaking van WOZ-beschikkingen.\n\n2.4.5.. Het effect van de hiervoor in 2.4.4 beschreven ongelijke behandeling kan worden versterkt doordat de belastingplicht voor de verhuurderheffing aangrijpt bij het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van meer dan tien huurwoningen. Dat versterkte effect doet zich onder meer voor in gevallen als het onderhavige, waarin meer personen gezamenlijk het genot hebben van meer dan tien huurwoningen en het door de betrokken gemeente(n) gevoerde beleid ter zake van de bekendmaking van WOZ-beschikkingen, in combinatie met het eventuele genot van andere huurwoningen dat zij hebben, tot gevolg heeft dat een deel van hen buiten de verhuurderheffing kan blijven.\n\n2.4.6.. De in artikel 3 Wvh gebezigde bewoordingen “in aanmerking nemen” vormen niet een toereikende grond om aan te nemen dat ook andere gerechtigden dan degene aan wie de WOZ-beschikkingen zijn bekendgemaakt, ter zake van die woningen zijn onderworpen aan de verhuurderheffing of voor de heffing ter zake van die woningen draagplichtig zouden zijn, nog daargelaten de vraag voor welk deel zij dan draagplichtig zouden moeten zijn, gelet op de drempel van tien woningen uit artikel 4 Wvh. Er is ook geen ander wettelijk voorschrift aan te wijzen waaruit voor de belastingplichtige de waarborg voortvloeit dat bij mede-eigendom van huurwoningen de ter zake daarvan verschuldigde verhuurderheffing door alle genothebbenden wordt gedragen.\n\nDe verhuurderheffing is om die reden (en ook in verband met de drempel van tien woningen uit artikel 4 Wvh) niet aan te merken als een op een huurwoning rustende last die zonder meer overeenkomstig het bepaalde in Titel 7, Afdeling 1, Boek 3 BW door alle genothebbenden naar evenredigheid van hun aandeel moet worden gedragen.\n\n2.4.7.. Tijdens de parlementaire behandeling van de hiervoor reeds genoemde Wet maatregelen woningmarkt 2014, is opgemerkt dat medegenothebbenden van een zelfde huurwoning “in een privaatrechtelijke relatie tot elkaar staan voor wat betreft de lusten en de lasten van de huurwoningen” (Kamerstukken II 2013\u002F14, 33 756, nr. 6, blz. 43-44; vgl. ook Kamerstukken II 2013\u002F14, 33 756, nr. 12, blz. 3). Een “privaatrechtelijke relatie” houdt, gelet op hetgeen in 2.4.6 is overwogen, niet in dat de voor de verhuurderheffing als belastingplichtige aangemerkte mede-eigenaar ten aanzien van andere genothebbenden een verhaalsrecht geldend kan maken. Daarom getuigt ’s Hofs uitspraak van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het Hof uit die tijdens de parlementaire behandeling gemaakte opmerking heeft afgeleid dat het privaatrecht voldoende zekerheid biedt dat de gevolgen van de ongelijke behandeling van een voor de verhuurderheffing als belastingplichtige aangemerkte mede-eigenaar ongedaan worden gemaakt. Om dezelfde reden heeft het Hof ten onrechte betekenis toegekend aan het door de Inspecteur ingenomen standpunt “dat medegerechtigden de lasten van de verhuurderheffing in de praktijk ook daadwerkelijk dienovereenkomstig dragen”.\n\n2.4.8.. De hier toepasselijke verdragsbepalingen, artikel 26 IVBPR, artikel 14 EVRM in samenhang gelezen met artikel 1 EP, en artikel 1 Twaalfde Protocol bij het EVRM, verbieden niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen, doch alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd omdat een redelijke en objectieve rechtvaardiging ervoor ontbreekt. Daarbij is uitgangspunt dat op het terrein van de fiscale wetgeving de wetgever in het algemeen een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of gevallen voor de toepassing van deze verdragsbepalingen als gelijk moeten worden beschouwd en of, indien die vraag bevestigend moet worden beantwoord, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen (vgl. onder meer EHRM 29 april 2008, Burden tegen het Verenigd Koninkrijk, no. 13378\u002F05, EHRC 2008\u002F80, paragraaf 60 en EHRM 22 juni 1999, no. 46757\u002F99, Della Ciaja en anderen tegen Italië, BNB 2002\u002F398). Het ontbreken van zo een objectieve en redelijke rechtvaardiging kan alleen worden aangenomen indien de keuze van de wetgever evident van redelijke grond is ontbloot (“manifestly without reasonable foundation”, zie EHRM 7 juli 2011, Stummer tegen Oostenrijk, no. 37452\u002F02, paragraaf 89, met verdere verwijzingen).\n\n2.4.9.. Het hiervoor in 2.4.3 genoemde gemeentelijke beleid ten aanzien van de bekendmaking van WOZ-beschikkingen pleegt, hoezeer het bij mede-eigendom van huurwoningen ook bepalend is voor de ongelijkheid in de behandeling van de genothebbenden, geen verband te houden met de doelstellingen van de verhuurderheffing. Daarin is reeds een aanwijzing te vinden dat de in de Wvh opgenomen regeling van onderworpenheid aan die heffing ten aanzien van huurwoningen met meer dan één genothebbende een redelijke grond ontbeert.\n\n2.4.10.. Ter rechtvaardiging van het aansluiten bij de basisregistratie WOZ in de verhuurderheffing heeft de regering erop gewezen dat dit tot lagere administratieve lasten en uitvoeringskosten leidt en voor eenvoudige en eenduidige wetgeving zorgt, waarbij alle belastingplichtigen baat hebben (Kamerstukken II 2013\u002F14, 33 756, nr. 12, blz. 3-4), dat het benutten van authentieke gegevens uit basisregistraties bij het vormgeven van nieuwe wetgeving een “best practice” is en dat daarmee eenduidige, objectieve wetgeving en efficiëntiewinst voor alle betrokken partijen worden beoogd (Kamerstukken II 2013\u002F14, 33 756, nr. 6, blz. 43). De onderhavige zaak illustreert dat de op deze argumenten berustende keuze van de wetgever erin kan resulteren dat een belanghebbende de verhuurderheffing moet voldoen als ware hij de enige genothebbende van de huurwoningen, terwijl de andere genothebbenden – zoals in deze zaak belanghebbendes broers die elk voor een zelfde aandeel als belanghebbende eigenaar van de huurwoningen zijn – ter zake van die woningen in het geheel niet in de heffing worden betrokken. Deze uitkomst is ten aanzien van overigens in dezelfde positie verkerende genothebbenden als willekeurig te beschouwen. Redenen van praktische uitvoerbaarheid kunnen een dergelijke uitkomst niet rechtvaardigen.\n\n2.5.1.. Het hiervoor overwogene voert tot de slotsom dat, ook met inachtneming van de ruime beoordelingsmarge die aan de fiscale wetgever toekomt, voor de ongelijke behandeling die belanghebbende ten deel is gevallen geen toereikende rechtvaardiging is aan te wijzen. In zoverre veroorzaakt de toepassing van de Wvh ten aanzien van belanghebbende een inbreuk op diens in de hiervoor genoemde verdragsbepalingen gewaarborgde rechten.\n\nDaarom rijst de vraag of, en zo ja op welke wijze, de rechter ter zake van de hiermee verband houdende schending van de hiervoor genoemde verdragsbepalingen effectieve rechtsbescherming kan bieden. In het algemeen dient de rechter bij schending van verdragsrechtelijk gewaarborgde rechten aanstonds zelf in het rechtstekort te voorzien indien zich uit het stelsel van de wet, de daarin geregelde gevallen en de daaraan ten grondslag liggende beginselen, of de wetsgeschiedenis, voldoende duidelijk laat afleiden hoe dit dient te geschieden.\n\n2.5.2.. In het onderhavige geval laten zich diverse mogelijkheden denken om de geconstateerde schending van het verbod van discriminatie op te heffen (vgl. de onderdelen 7.29 tot en met 7.33 van de conclusie van de Advocaat-Generaal).\n\n2.5.3.. Bij afweging van dit een en ander ziet de Hoge Raad, gelet op de te dezen geboden terughoudendheid, geen grond zelf een rechtsregel te formuleren om in het door de discriminerende regeling veroorzaakte rechtstekort te voorzien. Die keuze moet aan de wetgever worden overgelaten. Wel ziet de Hoge Raad in de willekeurige aanwijzing van belanghebbende als belastingplichtige aanleiding de verhuurderheffing ten aanzien van hem buiten toepassing te laten.”\n\n5.6.. De wetgever heeft in navolging van het arrest van 8 juni 2018 de reparatiewet ingevoerd. De reparatiewet is bij brief van 20 december 2019 aangekondigd (Kamerstukken II 2019\u002F20, 27 926, nr. 315) en op 8 juli 2020 in het staatsblad gepubliceerd. De reparatiewet heeft terugwerkende kracht tot 1 januari 2020.\n\n5.7.. Artikel 1.3 Wmw is als gevolg van de reparatiewet vervallen. Daarnaast is een nieuw artikel 1.6a ingevoegd dat luidde als volgt:\n\nVoor de toepassing van de artikelen 1.4 en 1.6 wordt een huurwoning waarvan het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht wordt gedeeld door twee of meer natuurlijke personen, rechtspersonen of groepen, in aanmerking wordt genomen bij elk van deze natuurlijke personen, rechtspersonen of groepen, naar rato van de mate van de eigendom, onderscheidenlijk het bezit of het beperkt recht.\n\n5.8.. De Afdeling advisering van de Raad van State heeft op 30 januari 2020 advies uitgebracht over het wetsvoorstel voor de reparatiewet. Het advies is op 10 maart 2020 gepubliceerd (Kamerstukken II 2019\u002F20, 35409, nr. 4). Ten aanzien van de terugwerkende kracht is het volgende opgemerkt:\n\nDe Afdeling onderschrijft de opmerking in de toelichting dat terughoudend moet worden omgegaan met het toekennen van terugwerkende kracht aan wettelijke regelingen. De voorgestelde bepaling is een belastende maatregel. Zoals uit adviezen in het verleden al is gebleken, is de Afdeling van oordeel dat aan belastende maatregelen geen terugwerkende kracht dient te worden gegeven, tenzij bijzondere omstandigheden een afwijking van deze regel rechtvaardigen (zie onder meer de adviezen van de Afdeling advisering van de Raad van State van 7 september 2015 over het Belastingplan 2016, (W06.15.0275\u002FIII), Kamerstukken II 2015\u002F16, 34 302, nr. 4, van 24 juli 2013 over de Wet compartimenteringsreserve, (W06.13.0221\u002FIII), Kamerstukken II 2012\u002F13, 33 713, nr. 4, en van 10 januari 2013 over het voorstel van wet tot wijziging van de Wet verhuurderheffing, (W04.12.0513\u002FI), Kamerstukken II 2012\u002F13, 33 515, nr. 4. Zie ook aanwijzing 167 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.).\n\nDie omstandigheden kunnen worden gevormd door een omvangrijk oneigenlijk gebruik of misbruik van een wettelijke voorziening of door aanmerkelijke aankondigingseffecten. Bij een eventuele terugwerkende kracht dient de maatregel voor belastingplichtigen voldoende kenbaar te zijn.\n\nDe Afdeling merkt op dat met het persbericht en de brief aan de Tweede Kamer van 20 december 2019 (Kamerstukken II 2019\u002F20, 27 926, nr. 315) aan de eis van kenbaarheid is voldaan.\n\nMet betrekking tot de hierboven genoemde bijzondere omstandigheden merkt de Afdeling het volgende op. De genoemde arresten van de Hoge Raad zijn van 8 juni 2018. De Staatssecretaris van Financiën schreef op 22 oktober 2019 dat de regering naar aanleiding van deze arresten van de Hoge Raad aan een wetswijziging werkt en dat het streven is om deze maatregel met ingang van 1 januari 2021 in werking te laten treden. Dit betekent dat er blijkbaar aanvankelijk geen noodzaak werd gevoeld tot grote spoed. Ook de noodzaak tot het gebruik van terugwerkende kracht is blijkbaar pas na 22 oktober 2019 ontstaan.\n\nDe toelichting motiveert de terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2020 door te wijzen op het risico dat de volledige voor het jaar 2020 geraamde opbrengst van de verhuurderheffing (€ 1,8 miljard) wordt misgelopen. Dat is alleen het geval als:\n\na. alle belastingplichtigen gaan procederen tegen de verhuurderheffing over het jaar 2020,\n\nb. ze daarbij aanvoeren dat het in de verhuurderheffing betrekken van huurwoningen in volle eigendom leidt tot strijd met het gelijkheidsbeginsel, en\n\nc. de uitkomst van die procedures zou zijn dat over het jaar 2020 in het geheel geen verhuurderheffing mag worden geheven.\n\nDat lijkt de Afdeling zeer onwaarschijnlijk. Los daarvan ziet de Afdeling niet hoe het starten van dergelijke procedures door belastingplichtigen met huurwoningen in volle eigendom kan worden gezien als omvangrijk oneigenlijk gebruik of misbruik van een wettelijke voorziening of als aanmerkelijk aankondigingseffect.\n\nDe toelichting motiveert daarnaast dat het toekennen van terugwerkende kracht het creëren van mede-eigendomssituaties, en daarmee een lagere opbrengst voor het heffingsjaar 2020, voorkomt. De omvang van die lagere opbrengst wordt echter niet inzichtelijk gemaakt. Mede gelet op de genoemde budgettaire gevolgen (€ 2 miljoen voor de periode van de arresten van de Hoge Raad tot 1 januari 2020) roept dit de vraag op of wel sprake is van een aankondigingseffect dat «aanmerkelijk» is en of wel sprake is van een «omvangrijk» oneigenlijk gebruik of misbruik van de wettelijke regeling dat een terugwerkende kracht zou rechtvaardigen.\n\nDaar komt bij dat indien daadwerkelijk sprake zou zijn van een omvangrijk oneigenlijk gebruik of misbruik, van de wetgever verwacht had mogen worden dat deze eerder had ingegrepen. Dat is echter niet gebeurd; de regeling en de uitleg door de Hoge Raad bestaan al langere tijd.\n\nGelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat genoemde omstandigheden onvoldoende rechtvaardiging vormen voor de voorgestelde terugwerkende kracht. De Afdeling adviseert daarom de terugwerkende kracht te schrappen.\n\n5.9.. De Minister voor Milieu en Wonen heeft in navolging van het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State de achtergrond van en noodzaak voor de spoedreparatie met terugwerkende kracht nader toegelicht als volgt (Kamerstukken II 2019\u002F20, 35409, nr. 4):\n\nAls gevolg van de door de Afdeling genoemde arresten van de Hoge Raad kunnen mede-eigenaren de huurwoningen die zij in mede-eigendom hebben buiten aanmerking laten in de aangifte voor de verhuurderheffing. Over deze huurwoningen wordt dan ook geen verhuurderheffing geheven. Dat heeft voor de heffingsjaren 2018 en 2019 geleid tot een derving van de opbrengst van de verhuurderheffing van € 1 miljoen per heffingsjaar. Het belang van reparatie van de mede-eigendomsbepaling is reeds in juni 2018 onderkend. De oplossingsrichting was echter nog niet meteen duidelijk. Ook waren bij de Belastingdienst op dat moment nog geen signalen binnengekomen dat de arresten potentieel een substantiëler derving tot gevolg zouden kunnen hebben. Hierdoor was het spoedeisende karakter niet evident. Daardoor is de reparatie van de mede-eigendomsbepaling aanvankelijk voorzien met ingang van 1 januari 2021, oftewel het heffingsjaar 2021.\n\nMedio november 2019 is dit beeld echter drastisch veranderd. Er is duidelijk geworden dat een reëel risico is ontstaan op procedures over het heffingsjaar 2019, en daarmee ook op procedures over het heffingsjaar 2020. Met deze procedures is een zeer groot budgettair belang gemoeid. Voor het heffingsjaar 2020 gaat het om maximaal € 1,8 miljard (de gehele opbrengst van de verhuurderheffing).\n\nOp 22 oktober 2019 was de noodzaak tot spoedreparatie van de mede-eigendomsbepaling met terugwerkende kracht derhalve nog niet duidelijk. Dit is te verklaren door het feit dat de aangiftetermijn voor het heffingsjaar 2019 is verstreken op 30 september 2019. Uiterlijk op deze datum moest de aangifte voor de verhuurderheffing over 2019 zijn ingediend en de verhuurderheffing over dat jaar zijn voldaan. De bezwaartermijn tegen deze aangifte is derhalve uiterlijk medio november verstreken. Veel belastingplichtigen hebben in eerste instantie een pro-formabezwaarschrift ingediend, waardoor niet aanstonds duidelijk was dat (i) deze bezwaarschriften zouden worden gemotiveerd met een beroep op het gelijkheidsbeginsel en dat (ii) het met deze bezwaarschriften gemoeide budgettaire belang zou kunnen oplopen tot € 1,2 miljard voor het heffingsjaar 2019 (ruim 70% van de geraamde opbrengst van € 1,7 miljard).\n\nTegen de geschetste achtergrond is aannemelijk dat ten minste evenveel – en waarschijnlijk zelfs meer – belastingplichtigen een bezwaarschift tegen de verschuldigde verhuurderheffing over het heffingsjaar 2020 zullen indienen en zich daarin eveneens zullen beroepen op het gelijkheidsbeginsel. Het lijkt mij daarbij niet onwaarschijnlijk dat deze belastingplichtigen vervolgens gaan procederen. Ingeval de uiteindelijke uitkomst van de procedures is dat de belastingheffing niet kan worden geëffectueerd bij volle eigenaren, wordt de Staat geconfronteerd met een derving van 70% tot 100% van de geraamde opbrengst van de verhuurderheffing voor het heffingsjaar 2020 (€ 1,3 miljard tot maximaal € 1,8 miljard).\n\nOngeacht de vraag of er daadwerkelijk strijd is met het gelijkheidsbeginsel, is het budgettaire belang dat in het geding is van een dusdanige omvang, dat ook als het risico laag wordt ingeschat, het van belang is dat dit risico wordt uitgesloten voor het heffingsjaar 2020. Daartoe is het toekennen van terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2020 aan de voorgestelde regeling noodzakelijk. Het budgettaire risico dat de Staat loopt, is dus de reden voor de terugwerkende kracht. In het licht van de opmerkingen van de Afdeling heb ik de andere reden die eerder is genoemd, te weten dat voorkomen wordt dat mede-eigendomssituaties worden gecreëerd, geschrapt.\n\nHoewel geen sprake is van omvangrijk oneigenlijk gebruik of misbruik van een wettelijke voorziening dan wel van een aanmerkelijk aankondigingseffect, acht ik het niettemin gerechtvaardigd om in dit specifieke geval terugwerkende kracht toe te kennen, teneinde het risico op een zeer grote budgettaire derving uit te sluiten. Er is dan ook geen gevolg gegeven aan het advies de terugwerkende kracht te schrappen. Een en ander laat overigens onverlet dat ik het uitgangspunt dat terughoudend moet worden omgegaan met het toekennen van terugwerkende kracht uiteraard onderschrijf.\n\nGedingstukken\n\n5.10.. Belanghebbende heeft eerst ter zitting gesteld dat de Inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd en toegelicht waarom hij dat pas op de zitting van het Hof aan de orde heeft gesteld. Het gaat om alle stukken die betrekking hebben op de totstandkoming en de verwijdering van de onder 2.2.1 opgenomen tekst op de website van de Belastingdienst. De Inspecteur heeft gesteld dat hij niet beschikt over dergelijke informatie en dat deze daarom ook niet bij de totstandkoming van de uitspraak op bezwaar een rol heeft gespeeld.\n\n5.11.. Het Hof komt alles overziend tot de conclusie dat de stukken die een licht werpen op de totstandkoming en verwijdering van de onder 2.2.1 opgenomen tekst op de website van de Belastingdienst, wat er verder ook van zij, gelet op hetgeen onder 5.22 ten aanzien van het ontbreken van beleidsruimte bij de Belastingdienst is overwogen, niet van belang zijn voor de beslissing op een of meer van de geschilpunten en zal de zaak dus op basis van de thans ter beschikking staande gedingstukken beoordelen.\n\nGelijkheidsbeginsel (discriminatieverbod) (2019)\n\n5.12.. Belanghebbende stelt primair dat tussen enig-eigenaren en mede-eigenaren sprake is van een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling van gelijke gevallen, omdat huurwoningen van enig-eigenaren wel in de aangifte verhuurderheffing dienden te worden opgenomen en huurwoningen van mede-eigenaren niet. Belanghebbende stelt subsidiair dat sprake is van ongelijke gevallen die niet evenredig aan die ongelijkheid ongelijk worden behandeld.\n\n5.13.. Voorop moet worden gesteld dat een ongelijke behandeling van twee met elkaar vergeleken gevallen slechts in strijd met het gelijkheidsbeginsel kan zijn, indien de met elkaar vergeleken gevallen\n\n- in juridisch en in feitelijk opzicht gelijk zijn; of\n\n- in juridisch en in feitelijk opzicht ongelijk zijn en niet naar de mate van hun ongelijkheid ongelijk worden behandeld.\n\n5.14.. De hier toepasselijke verdragsbepalingen, artikel 26 IVBPR, artikel 14 EVRM in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (EP), en artikel 1 Twaalfde Protocol bij het EVRM, verbieden niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen, doch alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd omdat een redelijke en objectieve rechtvaardiging ervoor ontbreekt. Daarbij is uitgangspunt dat op het terrein van de fiscale wetgeving de wetgever in het algemeen een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of gevallen voor de toepassing van deze verdragsbepalingen als gelijk moeten worden beschouwd en of, indien die vraag bevestigend moet worden beantwoord, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen (vgl. onder meer EHRM 29 april 2008, Burden tegen het Verenigd Koninkrijk, no. 13378\u002F05, EHRC 2008\u002F80, paragraaf 60 en EHRM 22 juni 1999, no. 46757\u002F99, Della Ciaja en anderen tegen Italië, BNB 2002\u002F398). Het ontbreken van zo een objectieve en redelijke rechtvaardiging kan alleen worden aangenomen indien de keuze van de wetgever evident van redelijke grond is ontbloot (“manifestly without reasonable foundation”, zie EHRM 7 juli 2011, Stummer tegen Oostenrijk, no. 37452\u002F02, paragraaf 89, met verdere verwijzingen).\n\n5.15.. Hetgeen onder 5.14 is overwogen over de ongelijke behandeling van gelijke gevallen geldt, mutatis mutandis, eveneens voor de onevenredig ongelijke behandeling van ongelijke gevallen.\n\n5.16.. Belanghebbende stelt primair dat sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Enig-eigenaren en mede-eigenaren zijn voor de toepassing van de verhuurderheffing naar het oordeel van het Hof echter niet gelijk. Naast de feitelijke en juridische verschillen geldt de toerekeningssystematiek van artikel 1:3 Wmw (tekst 2019) namelijk uitsluitend voor mede-eigenaren. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat, anders dan belanghebbende stelt, de Hoge Raad artikel 3 Wvh in het arrest van 8 juni 2018 niet onverbindend heeft verklaard. De Hoge Raad heeft weliswaar geoordeeld dat artikel 3 Wvh discriminatoir is, maar heeft geen rechtsregel geformuleerd om in het door de discriminerende regeling veroorzaakte rechtstekort te voorzien en geoordeeld dat de verhuurderheffing ten aanzien van de mede-eigenaar in die procedure buiten toepassing moet blijven (r.o. 2.5.3 van het arrest). Hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen over artikel 3 Wvh geldt, mutatis mutandis, eveneens voor artikel 1.3 Wmw (tekst 2019). Aan het vorenstaande doet niet af dat enig-eigenaren en mede-eigenaren gelet op het doel van de verhuurderheffing vergelijkbare gevallen zijn.\n\n5.17.1.. Het Hof overweegt als volgt ten aanzien van de subsidiaire stelling van belanghebbende dat sprake is van ongelijke gevallen die niet evenredig aan die ongelijkheid ongelijk worden behandeld. Uit doel en strekking van de Wmw volgt dat zowel huurwoningen van enig-eigenaren als huurwoningen van mede-eigenaren in de heffing worden betrokken, waarbij de huurwoningen van mede-eigenaren op basis van de toerekeningssystematiek van artikel 1:3 Wmw worden toegerekend aan de mede-eigenaar aan wie de WOZ-beschikking is bekendgemaakt. Als gevolg van het arrest van 8 juni 2018 is over het jaar 2019 echter uitsluitend verhuurderheffing geheven van de enig-eigenaren en niet van de mede-eigenaren over een evenredig deel van de WOZ-waarde. Daardoor is sprake van een ongelijke behandeling van ongelijke gevallen.\n\n5.17.2.. Niet elke wettelijke regeling waarin ongelijke gevallen niet naar de mate van hun ongelijkheid ongelijk worden behandeld, is in strijd met het verdragsrechtelijke gelijkheidsbeginsel. Dat doet zich slechts voor bij een overduidelijke onevenredigheid (HR 21 oktober 1992, nr. 28548, ECLI:NL:HR:1992:ZC5139, BNB 1993\u002F29). Dit geldt, mutatis mutandis, eveneens voor ongelijke gevallen die niet naar de mate van hun ongelijkheid ongelijk worden behandeld vanwege de toepassing die, als gevolg van het arrest van 8 juni 2018, aan een wettelijke regeling moet worden gegeven.\n\n5.17.3.. Bij de ongelijke behandeling van enig-eigenaren en mede-eigenaren, zoals die is ontstaan na het arrest van 8 juni 2018, is sprake van een overduidelijke onevenredigheid, omdat huurwoningen van enig-eigenaren over het jaar 2019 in de heffing worden betrokken en huurwoningen van mede-eigenaren in het geheel niet.\n\n5.17.4.. Een wettelijke regeling die, zoals de onderhavige, leidt tot een overduidelijke onevenredigheid van de behandeling van de met elkaar vergeleken ongelijke gevallen kan, gelet op onder 5.14 vermelde jurisprudentie, toch door de beugel van artikel 14 van het EVRM en artikel 26 van het IVBPR, in verbinding met artikel 1 van het EP, indien er voor deze overduidelijke onevenredige behandeling een objectieve en redelijke rechtvaardiging is. Aan de nationale wetgever komt, zoals eveneens uit deze jurisprudentie volgt, een ruime beoordelingsvrijheid toe bij het beantwoorden van de vraag of een objectieve en redelijke rechtvaardiging in de zo-even bedoelde zin zich voordoet. In een situatie als de onderhavige, waarin een overduidelijke onevenredigheid van de behandeling van de met elkaar vergeleken ongelijke gevallen niet uit de wettelijke regeling volgt, maar uit de toepassing van die wettelijke regeling als gevolg van een arrest van de Hoge Raad, is naar het oordeel van het Hof van belang of er een objectieve en redelijke rechtvaardiging is voor het feit dat de wetgever de ongelijke behandeling (nog) niet had weggenomen op het moment van verschuldigdheid van de verhuurderheffing.\n\n5.17.5.. Het is niet evident van redelijke grond ontbloot dat de wetgever de ongelijke behandeling tussen enig-eigenaren en mede-eigenaren van huurwoningen niet eerder heeft weggenomen. De wetgever mocht namelijk enige tijd nemen voor de reparatiewetgeving en bij de prioritering van de wetgevingsagenda rekening houden met het budgettaire, politieke of maatschappelijke belang (vgl. conclusie A-G Wattel van 26 april 2024, ECLI:NL:PHR:2024:467). Hierbij neemt het Hof in aanmerking dat de wetgever twee andere opties voor de reparatiewet heeft overwogen en dat het budgettaire belang van de reparatiewet aanvankelijk als relatief beperkt werd ingeschat, omdat er bij de Belastingdienst nog geen signalen waren binnengekomen dat het arrest van 8 juni 2018 een substantiële derving van belastinginkomsten tot gevolg zou hebben (Kamerstukken II 2019\u002F20, 35409, nr. 4).\n\n5.18.. Gelet op het vorenstaande heeft het arrest van 8 juni 2018 weliswaar geleid tot een tijdelijke onevenredige ongelijke behandeling van enig-eigenaren en mede-eigenaren, maar is een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor de ongelijke behandeling aanwezig. Het gelijkheidsbeginsel (discriminatieverbod) is dan ook niet geschonden.\n\nGelijkheidsbeginsel. Beleid? (2019)\n\n5.19.. Belanghebbende stelt ter onderbouwing van haar standpunt dat het gelijkheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur is geschonden dat sprake is van begunstigend beleid, omdat de Belastingdienst na het arrest van 8 juni 2018 op zijn website de volgende tekst heeft gepubliceerd:\n\nBent u gezamenlijk eigenaar van een huurwoning? Dan hoeft u deze woning niet op te nemen in de aangifte verhuurderheffing.\n\n5.20.. Belanghebbende voert aan dat de Hoge raad artikel 1:3 Wmw in het arrest van 8 juni 2018 onverbindend heeft verklaard, dat mede-eigenaren op grond van artikel 1:4 Wmw belastingplichtig zijn en dat de Belastingdienst een voortdurende ongelijke behandeling had kunnen voorkomen door mede-eigenaren in de heffing te betrekken naar rato van de mate van de eigendom van de huurwoningen waarvan zij bij aanvang van het kalenderjaar mede-eigenaar zijn.\n\n5.21.. Het Hof heeft onder 5.16 overwogen dat de Hoge Raad artikel 1:3 Wmw niet onverbindend heeft verklaard. Voor het jaar 2019 geldt dat een huurwoning op grond van de toerekeningssystematiek van artikel 1:3 Wmw uitsluitend in aanmerking kan worden genomen bij de mede-eigenaar aan wie de WOZ-beschikking is bekendgemaakt. Vervolgens moet rekening worden gehouden met de discriminatie van die mede-eigenaar ten opzichte van de mede-eigena(a)r(en) aan wie de WOZ-beschikking niet is bekendgemaakt. De Hoge Raad heeft de discriminatie in het arrest van 8 juni 2018 weggenomen door de verhuurderheffing buiten toepassing te laten ten aanzien van de desbetreffende belanghebbende\u002Fmede-eigenaar aan wie de WOZ-beschikking is bekendgemaakt (r.o. 2.5.3 van het arrest).\n\n5.22.. Gelet op het vorenstaande had de Belastingdienst de facto geen beleidsruimte om huurwoningen van mede-eigenaren in de heffing van verhuurderheffing over het jaar 2019 te betrekken. Het zou namelijk van onbehoorlijk bestuur hebben getuigd als de Belastingdienst de uitkomsten van het arrest van 8 juni 2018 zou hebben genegeerd ten aanzien van andere mede-eigenaren aan wie de WOZ-beschikking is bekendgemaakt. Voor het naar evenredigheid in de heffing betrekken ontbrak - anders dan belanghebbende betoogt - een wettelijke bepaling. En tot een verdergaand fiscaal privilege, bestaande uit het eveneens buiten de heffing laten van enig-eigenaren, dwong het arrest niet en die keuze zou bovendien evident aan de wetgever zijn (vgl. conclusie A-G Wattel van 26 april 2024, ECLI:NL:PHR:2024:467, r.o. 8.7). Het gelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur is daarom evenmin geschonden.\n\nTerugwerkende kracht en gelijkheidsbeginsel (2020)\n\n5.23.. Belanghebbende stelt zich ten aanzien van het jaar 2020 op het standpunt dat de terugwerkende kracht van de reparatiewet in strijd is met artikel 1 EP en dat alsdan de verhuurderheffing ten aanzien van belanghebbende - evenals in 2019 - in strijd komt met het gelijkheidsbeginsel (het discriminatieverbod) dan wel het gelijkheidsbeginsel zoals dat voortvloeit uit de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.\n\n5.24.. Het Hof stelt voorop dat belanghebbende alleen een belang bij de grieven zou kunnen hebben, indien aan de reparatiewet geen terugwerkende kracht mocht worden toegekend. Immers als het Hof zou oordelen dat er geen beletsel is aan de reparatiewet terugwerkende kracht toe te kennen, is er van enige discriminatie in het geheel geen sprake meer. Het Hof zal dan ook eerst het geschilpunt van de terugwerkende kracht beoordelen.\n\n5.25.. Bij de beoordeling wordt het volgende vooropgesteld. Belastingen vormen in beginsel een inmenging in het door artikel 1 EP gegarandeerde ongestoorde genot van eigendom. De tweede alinea van deze bepaling echter voorziet uitdrukkelijk in een algemene rechtvaardigingsgrond voor de inmenging die wordt veroorzaakt door de toepassing van fiscale maatregelen (EHRM 29 april 2008, nr. 13378\u002F05, Burden and Burden tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2008:0429JUD001337805, NJ 2008\u002F306, r.o. 59). Dit neemt niet weg dat ook op het terrein van de belastingen de inmenging volgens vaste rechtspraak van het EHRM ‘lawful’ moet zijn, een ‘legitimate aim’ moet dienen en een ‘fair balance’ tussen de belangen van het betrokken individu en het algemene belang moet respecteren. Bij de beoordeling van de vraag of aan de laatstgenoemde voorwaarde is voldaan, moet de wetgever op fiscaal gebied een ruime beoordelingsmarge worden gelaten (EHRM 14 mei 2013, nr. 66529\u002F11, N.K.M. tegen Hongarije, ECLI:CE:ECHR:2013:0514JUD006652911, FED 2013\u002F79, r.o. 57 en 61).\n\n5.26.. Wanneer, zoals in het onderhavige geval, de gestelde strijdigheid van een heffing met de door artikel 1 EP beschermde uitoefening van het eigendomsrecht gebaseerd wordt op het betoog dat bij de invoering van de desbetreffende belastingmaatregel de gerechtvaardigde verwachtingen van de betrokkenen zijn geschonden, komt het erop aan of bij die invoering de zojuist genoemde “fair balance” in acht is genomen (zie r.o. 61 van het zojuist genoemde arrest van het EHRM in de zaak N.K.M. tegen Hongarije). Deze balans ontbreekt indien de desbetreffende maatregel in de omstandigheden van het concrete geval voor de belastingplichtige leidt tot een individuele en buitensporige last ('individual and excessive burden'). Daartoe dient te worden beoordeeld wat de gevolgen zijn van die terugwerkende kracht op de positie van de belanghebbende. Bij het oordeel of sprake is van een 'fair balance' speelt verder een rol om welke redenen de wetswijziging met terugwerkende kracht is ingevoerd (vgl. EHRM 10 juni 2003, nr. 27793\u002F95, zaak M.A. en anderen tegen Finland, V-N 2003\u002F52.2 en HR 2 oktober 2009, nr. 07\u002F13624, ECLI:NL:HR:2009:BI1909, BNB 2011\u002F48).\n\n5.27.. Ten aanzien van de verwachtingen die belanghebbende mocht hebben in het onderhavige geval, moet worden vastgesteld dat op het moment waarop de verhuurderheffing verschuldigd werd (1 januari 2020), als gevolg van de onder 5.6 genoemde brief van 20 december 2019 voor belanghebbende kenbaar was dat de regering met terugwerkende kracht tot 1 januari 2020 reparatiewetgeving wenste door te voeren. De inhoud van de reparatiewet werd in dit persbericht ook voldoende duidelijk weergegeven. De verschuldigdheid van de verhuurderheffing was dan ook in voldoende mate te voorzien op het moment waarop het belastbare feit plaatsvond.\n\n5.28.. De reparatiewet is met terugwerkende kracht ingevoerd, omdat de regering het risico dat enig-eigenaren zich voor het jaar 2020 met succes zouden beroepen op het gelijkheidsbeginsel wilde uitsluiten. De Staat zou namelijk kunnen worden geconfronteerd met een derving van 70% tot 100% van de geraamde opbrengst van de verhuurderheffing voor het heffingsjaar 2020 (€ 1,3 miljard tot maximaal € 1,8 miljard), indien dat risico, waarvan de aard en omvang pas in november 2019 duidelijk werd, zou materialiseren (zie de onder 5.9 opgenomen toelichting van de Minister voor Milieu en Wonen). Deze reden is niet van redelijke grond ontbloot.\n\n5.29.. Voorts is ten aanzien van belanghebbende geen sprake van een individuele en buitensporige last. De reparatiewet behelst in feite namelijk de beëindiging van een niet door de wetgever beoogd fiscaal privilege voor de mede-eigenaar dat is ontstaan als gevolg van de discriminatoire toerekeningssystematiek van artikel 1:3 Wmw en het arrest van 8 juni 2018. De reparatiewet en de terugwerkende kracht daarvan hebben bovendien geen gevolgen gehad voor de belastingplicht van belanghebbende als enig-eigenaar van huurwoningen als zodanig.\n\n5.30.. Gelet op het vorenstaande vormt de reparatiewet en de daaraan verbonden terugwerkende kracht in het geval van belanghebbende geen inbreuk op artikel 1 EP noch komt deze in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur, zodat de stelling van belanghebbende faalt.\n\n5.31.. De overige stellingen van belanghebbende met betrekking tot de schending van het gelijkheidsbeginsel zijn gebaseerd op het uitgangspunt dat aan de reparatiewet geen terugwerkende kracht mocht worden toegekend en behoeven daarom geen behandeling.\n\nSlotsom\n\n5.32.. Gelet op het voorgaande is het hoger beroep ongegrond.\n\nProceskosten\n\n6. Het Hof ziet geen aanleiding een partij te veroordelen in de proceskosten.\n\nBeslissing\n\nHet Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.\n\nDeze uitspraak is vastgesteld door L.D.M.A Reijs, Chr.Th.P.M. Zandhuis en T.A. de Hek, in tegenwoordigheid van de griffier M.G. Kastelein. De beslissing is op 17 juli 2024 in het openbaar uitgesproken.\n\nEen afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.\n\nAlle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\n a. - de naam en het adres van de indiener;\n\n b. - de dagtekening;\n\n c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\n d. - de gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2024:1587","2026-07-13T00:29:17.887Z",{"id":93,"ecli":94,"slug":95,"caseNumber":43,"courtId":96,"decisionDate":97,"fullText":98,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":99,"sourceTimestamp":97,"parsedAt":50,"updatedAt":100},"946","ECLI:NL:RBZWB:2024:4492","ecli-nl-rbzwb-2024-4492",64,"2024-07-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBelastingrecht\n\nzaaknummers: BRE 23\u002F1090 tot en met 23\u002F1093, 23\u002F1095, 23\u002F1097, 23\u002F1098 en 23\u002F1100\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2024 in de zaak tussen\n \n [belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,\n\n(gemachtigde: mr. M.F.P. de Clercq),\n\nen\n\nde inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 12 januari 2023.\n\n1.1.. De inspecteur heeft aan belanghebbende de volgende (navorderings)aanslagen opgelegd:\n\neen navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) voor het jaar 2014 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 89.524. Gelijktijdig met de navorderingsaanslag is een vergrijpboete opgelegd van € 12.411 en is belastingrente van € 6.206 in rekening gebracht (zaaknummer 23\u002F1090);\n\neen navorderingsaanslag in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringwet (Zvw) voor het jaar 2014 naar een bijdrage-inkomen van € 37.351. Daarbij is € 315 belastingrente in rekening gebracht (zaaknummer 23\u002F1091);\n\neen aanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2015 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 108.004. Daarbij is € 405 belastingrente in rekening gebracht (zaaknummer 23\u002F1092);\n\neen aanslag Zvw voor het jaar 2015 naar een bijdrage-inkomen van € 37.783. Daarbij is € 2 belastingrente in rekening gebracht (zaaknummer 23\u002F1093);\n\neen aanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2016 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 98.969 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.576. Gelijktijdig met de aanslag is een vergrijpboete opgelegd van € 14.349 en is belastingrente in rekening gebracht van € 4.600 (zaaknummer 23\u002F1095);\n\neen aanslag Zvw voor het jaar 2016 naar een maximum bijdrage-inkomen van € 38.214. De in rekening gebrachte belastingrente bedraagt € 34 (zaaknummer 23\u002F1097);\n\neen aanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2017 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 58.883 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 20.570. Gelijktijdig met de aanslag is een vergrijpboete opgelegd van € 8.709 en belastingrente in rekening gebracht van € 1.484 (zaaknummer 23\u002F1098);\n\neen aanslag Zvw 2017 naar een maximum bijdrage-inkomen van € 38.947. Daarbij is € 124 belastingrente in rekening gebracht (zaaknummer 23\u002F1100).\n\n1.2.. De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende voor de jaren 2014 en 2015 ongegrond verklaard. Hij heeft daarbij de (navorderings)aanslagen, de boetebeschikking voor 2014 en de belastingrentebeschikkingen gehandhaafd.\n\n1.3.. De inspecteur heeft het bezwaar voor het jaar 2016 gegrond verklaard. De inspecteur heeft het belastbaar inkomen uit werk en woning ongewijzigd gelaten en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen verlaagd naar € 4.544. De belastingrentebeschikking is verminderd naar € 4.526. De vergrijpboete is in stand gelaten.\n\n1.4.. Het bezwaar voor 2017 is ook gegrond verklaard. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is verlaagd naar € 50.939 en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is verlaagd naar € 6.909. De vergrijpboete is in zijn geheel vernietigd en de belastingrente is verminderd naar € 830.\n\n1.5.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroepen ingesteld. Daarbij is door de griffier in alle zaaknummers griffierecht geheven. De rechtbank stelt vast dat sprake is van samenhang zodat in zaaknummers 23\u002F1091, 23\u002F1093, 23\u002F1097 en 23\u002F1100 het griffierecht door de griffier aan belanghebbende moet worden terugbetaald.\n\n1.6.. De rechtbank heeft de beroepen op 14 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en mr. A.F.J.P. Thielemans namens de inspecteur.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt of de opgelegde (navorderings)aanslagen en de belastingrentebeschikkingen terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Verder beoordeelt de rechtbank of de vergrijpboetes terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n2.1.. De rechtbank is van oordeel dat de de (navorderings)aanslagen en de belastingrentebeschikkingen terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. De boetes moeten wel worden verminderd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nFeiten\n\n3. Belanghebbende exploiteert gedurende meer dan 40 jaar een autosloperij. Op 11 juli 2017 is in het kader van een strafrechtelijk onderzoek de woning en het terrein rondom de woning van belanghebbende doorzocht. Daarbij is een bedrag van € 235.715,69 aan contant geld gevonden en sieraden ter waarde van € 29.175. Bij vonnis van 22 juli 2020 van deze rechtbank is belanghebbende vrijgesproken van witwassen.\n\n3.1.. Belanghebbende heeft voor de jaren 2014 tot en met 2017 aangiften IB\u002FPVV ingediend. Naar aanleiding van de aangetroffen contante gelden heeft de inspecteur het standpunt ingenomen dat deze gelden inkomen vormen en daarom moeten worden aangemerkt als belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden. Hij heeft het totaalbedrag van € 235.715 over vier jaren verdeeld en voor alle vier de jaren het inkomen uit werk en woning verhoogd. Voor de jaren 2016 en 2017 is eveneens het inkomen uit sparen en beleggen gecorrigeerd.\n\n3.2.. \n\nDe bezwaren tegen de (navorderings)aanslagen voor de jaren 2014 en 2015 zijn ongegrond verklaard. De bezwaren tegen de aanslagen voor de jaren 2016 en 2017 zijn gegrond verklaard. Voor 2016 is het inkomen uit werk en woning in stand gelaten en is het inkomen uit sparen en beleggen verminderd. De vergrijpboete voor 2016 is daarbij abusievelijk niet verminderd. Zoals de inspecteur terecht heeft gesteld dient dit in beroep te worden gecorrigeerd.\n\nVoor het jaar 2017 zijn zowel het inkomen uit werk en woning als het inkomen uit sparen en beleggen verminderd, en is de vergrijpboete in zijn geheel vernietigd.\n\n3.3.. De rechtbank heeft dit cijfermatig samengevat in onderstaande tabel.\n\n€\n\n2014\n\n2015\n\n2016\n\n2017\n\nAangegeven belastbaar inkomen box 1\n\n22.177\n\n40.657\n\n31.622\n\n25.209\n\nCorrectie ROW (totaal € 235.715)\n\n67.347\n\n67.347\n\n67.347\n\n33.674\n\nVastgesteld belastbaar inkomen box 1\n\n89.524\n\n108.004\n\n98.969\n\n58.883\n\nAangegeven vermogen box 3\n\n0\n\n0\n\n0\n\n241.889\n\nCorrectie grondslag box 3\n\n0\n\n0\n\n164.402\n\n233.455\n\nVastgestelde grondslag box 3\n\n0\n\n0\n\n164.402\n\n475.344\n\nVergrijpboete\n\n12.411\n\ngeen\n\n14.349\n\n8.709\n\nUitspraak op bezwaar\n\nongegrond\n\nongegrond\n\ngegrond\n\ngegrond\n\nBelastbaar inkomen box 1\n\nongewijzigd\n\n50.939\n\nVastgestelde grondslag box 3\n\n113.614\n\n201.451\n\nVergrijpboete\n\nongewijzigd\n\nvernietigd\n\nMotivering\n\nIs de vereiste aangifte gedaan?\n\n4. Indien de vereiste aangifte niet is gedaan wordt het beroep ongegrond verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraken op het bezwaar onjuist zijn (‘omkering en verzwaring van de bewijslast’).\n\n4.1.. Bij inhoudelijke gebreken in een aangifte wordt alleen aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Ook is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden voor de toepassing van deze regels slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast.\n\n4.2.. Voor wat betreft de vraag of belanghebbende de vereiste aangifte heeft gedaan dient eerst de vraag te worden beantwoord of belanghebbende meer inkomsten had dan hij heeft aangegeven. De bewijslast hiervoor rust op de inspecteur.\n\n4.3.. Bij een huiszoeking in 2017 is een contant bedrag van afgerond € 235.715 aangetroffen. Volgens belanghebbende komt een deel van dit bedrag hem niet toe omdat het aan anderen toebehoorde. Belanghebbende heeft echter niet bestreden dat een bedrag van € 180.000 in zijn aangifte opgenomen had moeten worden als inkomen uit sparen en beleggen omdat hij dit naar eigen zeggen over de jaren bij elkaar heeft gespaard. De rechtbank acht daarom aannemelijk dat belanghebbende ten tijde van het doen van de aangiften wist dat een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven, doordat hij het inkomen niet in zijn aangifte heeft verantwoord. Belanghebbende bestrijdt dit ook niet. Deze gebreken in de aangifte hebben ertoe geleid dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Ook zijn de bedragen van de belasting die als gevolg van de gebreken in de aangifte niet zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk. De rechtbank is daarom van oordeel dat de vereiste aangifte niet is gedaan.\n\n4.4.. Het voorgaande geldt eveneens voor de aanslagen Zvw.\n\nRedelijke schatting en de verzwaarde bewijslast\n\n4.5.. Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende de vereiste aangifte IB\u002FPVV\u002FZvw niet heeft gedaan, is er sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast. In dat geval heeft een rechter te beoordelen (i) of sprake is van een redelijke – niet willekeurige – schatting door de inspecteur, en, zo ja, (ii) of belanghebbende heeft doen blijken dat en in hoeverre de belastingaanslagen, zoals die luiden na uitspraak op bezwaar, onjuist zijn.\n\n4.6.. De inspecteur heeft zich gebaseerd op concrete gegevens, zoals die blijken uit het onderzoek en heeft als uitgangspunt het daadwerkelijk gevonden bedrag aan contanten als uitgangspunt genomen. De rechtbank is daarmee van oordeel dat de schatting niet als onredelijk hoog of willekeurig kan worden aangemerkt.\n\n4.7.. Verder is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende niet heeft doen blijken, ofwel overtuigend heeft aangetoond, dat de aanslagen voor de jaren 2014 tot en met 2017 te hoog zijn vastgesteld. Belanghebbende heeft wel enige verklaring gegeven over de aangetroffen bedragen namelijk dat hij het bedrag gedurende vele jaren bij elkaar heeft gespaard door sober te leven, maar dat is niet voldoende om aan zijn verzwaarde bewijslast te voldoen. De omstandigheid dat de inspecteur geen onderzoek heeft gedaan maakt niet dat de bedragen niet gevolgd kunnen worden.\n\nConclusie\n\n4.8.. Gelet op het vorenstaande zijn de (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV\u002FZvw terecht en naar de juiste bedragen opgelegd. Ook de belastingrente is naar het juiste bedrag in rekening gebracht.\n\nZijn de vergrijpboetes terecht en naar de juiste bedragen opgelegd?\n\n4.9.. Voor het jaar 2014 en 2016 heeft de inspecteur ingevolge artikel 67e van de AWR in samenhang met het bepaalde in paragraaf 25 en 27 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst vergrijpboetes van 40% opgelegd. Volgens de inspecteur heeft belanghebbende (voorwaardelijk) opzettelijk onjuiste aangiften gedaan.\n\n4.10.. In het verweerschrift heeft de inspecteur opgemerkt dat de boete voor het jaar 2016 abusievelijk niet is verminderd terwijl de aanslag (en dus de boetegrondslag) wel is verminderd. De boete had dienovereenkomstig moeten worden verminderd naar € 14.105. Het beroep met betrekking tot deze boete (zaaknummer 23\u002F1095) is dus sowieso gegrond.\n\n4.11.. Onder opzet wordt verstaan het willens en wetens handelen. De ondergrens van opzet wordt gevormd door voorwaardelijke opzet. Van voorwaardelijke opzet is sprake als iemand bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het beboetbare feit zich zal voordoen.\n\n4.12.. De rechtbank is van oordeel dat, nu belanghebbende heeft erkend dat onjuist aangifte is gedaan, reeds sprake is van voorwaardelijke opzet. Gelet hierop heeft de inspecteur de vergrijpboetes terecht opgelegd.\n\n4.13.. Dit neemt niet weg dat de rechtbank moet beoordelen of de boetes passend en geboden zijn. Daarbij moet rekening gehouden worden met de omstandigheid dat de boetegrondslag is vastgesteld met omkering van de bewijslast. De rechtbank ziet daarin aanleiding om de boetes te matigen. De rechtbank vermindert de boete voor 2014 naar € 5.000 en de boete voor 2016 naar € 6.000. De rechtbank acht deze boetes passend en geboden.\n\n4.14.. Belanghebbende heeft ter zitting gesteld dat de boetes moeten worden verminderd omdat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaken. De redelijke termijn bedraagt als uitgangspunt twee jaar nadat de boete is aangekondigd. In dit geval is op respectievelijk 29 juni 2020 en 1 juli 2020 de redelijke termijn aangevangen. De rechtbank doet uitspraak op 1 juli 2024. Sinds de aankondiging van de boetes zijn dan afgerond vier jaar en een maand verstreken. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn van twee jaar is overschreden met twee jaar en een maand. De boetes worden gematigd met 20%.\n\n4.15.. Dit betekent dat de rechtbank de boetes vermindert naar respectievelijk € 4.000 en € 4.800.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. De beroepen met betrekking tot de boetes in zaaknummers 23\u002F1090 en 23\u002F1095 zijn gegrond. De beroepen zijn voor het overige ongegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraken op bezwaar voor zover deze betrekking hebben op de boetebeschikkingen.\n\n5.1.. \n\nOmdat de beroepen gegrond zijn, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten.\n\nDe inspecteur moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 875. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.750. De rechtbank kent de proceskostenvergoeding eenmaal toe omdat sprake is van samenhang. De zaken zijn immers gelijktijdig door de inspecteur en de rechtbank behandeld, waarbij de werkzaamheden van de gemachtigde in beide zaken (nagenoeg) identiek konden zijn. De rechtbank kent geen kostenvergoeding voor de bezwaarfase toe omdat daar in de bezwaarschriften niet om is verzocht.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart de beroepen met betrekking tot de boete IB\u002FPVV 2014 en de boete IB\u002FPVV 2016 in zaaknummers 23\u002F1090 en 23\u002F1095 gegrond;\n\n- vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover deze betrekking hebben op de boetebeschikkingen;\n\n- vermindert de boetebeschikking bij de aanslag IB\u002FPVV 2014 naar een bedrag van € 4.000;\n\n- vermindert de boetebeschikking bij de aanslag IB\u002FPVV 2016 naar een bedrag van € 4.800;\n\n- verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;\n\n- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende van € 1.750;\n\n- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 100 (2x € 50) aan belanghebbende moet vergoeden;\n\n- bepaalt dat de griffier het griffierecht aan belanghebbende terugbetaalt in zaaknummers 23\u002F1091, 23\u002F1093, 23\u002F1097 en 23\u002F1100.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. Bogert, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. R.J.M. de Fouw, griffier, op 1 juli 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www. rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nAan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.\n\n Artikel 27e, eerste lid, van de AWR.\n\n Vgl. onder andere Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083\n\n ECLI:NL:GHSHE:2018:2713","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2024:4492","2026-07-13T00:28:56.173Z",20,[103,104,11,105],2026,2025,1993]