[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-direct-taxation-nl-2025":3},{"detail":4,"years":98},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":25,"page":14,"limit":97},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},47,"direct-taxation-nl","Direct Taxation","NL","2026-07-08T16:53:53.141Z",2025,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":14},3,{"month":21,"count":15},4,{"month":23,"count":15},5,{"month":25,"count":15},6,{"month":27,"count":15},7,{"month":29,"count":14},8,{"month":31,"count":14},9,{"month":33,"count":17},10,{"month":35,"count":14},11,{"month":37,"count":15},12,[39,52,60,70,80,88],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":50,"updatedAt":51},"1276","ECLI:NL:RBGEL:2025:9889","ecli-nl-rbgel-2025-9889","",60,"2025-11-19T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 24\u002F2640\n uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 19 november 2025\n\nin de zaak tussen\n \n [belanghebbende] N.V., uit [plaats] , belanghebbende\n\n(gemachtigde: [gemachtigde] ),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, de inspecteur.\n\nInleiding\n\nDe inspecteur heeft met dagtekening 14 november 2023 een naheffingsaanslag dividendbelasting ten bedrage van € 1.186.273 aan belanghebbende opgelegd.\n\nBelanghebbende heeft met dagtekening 18 december 2023 bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag.\n\nDe inspecteur heeft het bezwaar als rechtstreeks beroep tegen de naheffingsaanslag met toepassing van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht doorgezonden aan de rechtbank en aangegeven in te stemmen met prorogatie.\n\nDe inspecteur heeft een verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2025. Deze zaak is gezamenlijk en gelijktijdig behandeld met het beroep met zaaknummer 24\u002F2639 van [naam bedrijf 1] N.V. Namens belanghebbende zijn verschenen haar gemachtigde, bijgestaan door [persoon A] , [persoon B] en [persoon C] . Namens de inspecteur zijn verschenen [persoon D] , [persoon E] , [persoon F] en [persoon G] .\n\nFeiten\n\n1. Belanghebbende is een in Nederland gevestigde vennootschap. Zij is enig aandeelhouder van [naam bedrijf 2] B.V. ( [naam bedrijf 2] ). [naam bedrijf 2] is enig aandeelhouder van [naam bedrijf 1] N.V. ( [naam bedrijf 1] ). [naam bedrijf 2] en [naam bedrijf 1] zijn ook gevestigd in Nederland.\n\n2. [naam bedrijf 1] is enig aandeelhouder van [naam bedrijf 3] Ltda ( [naam bedrijf 3] ), een naar Braziliaans recht opgerichte en in Brazilië gevestigde vennootschap. [naam bedrijf 3] is sinds 1946 actief in de distributie van LPG in Brazilië.\n\n3. Belanghebbende is de moedermaatschappij van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. [naam bedrijf 2] en [naam bedrijf 1] maken daarvan deel uit.\n\n4. Op 27 september 2022 heeft [naam bedrijf 3] een dividend uitgekeerd aan [naam bedrijf 1] van BRL 35.947.787 (€ 6.804.427). Over dit dividend is in Brazilië geen bronbelasting betaald.\n\n5. Op 5 december 2022 heeft [naam bedrijf 3] een dividend uitgekeerd aan [naam bedrijf 1] van BRL 176.523.402 (€ 32.738.020). Over dit dividend is in Brazilië geen bronbelasting betaald.\n\n6. Op 19 april 2023 heeft [naam bedrijf 1] een dividend van € 90.000.000 ter beschikking gesteld aan [naam bedrijf 2] . Dat dividend bestaat uit:\n\n7. de hiervoor genoemde dividenden van [naam bedrijf 3] (totaal: € 39.542.447),\n\n8. dividenden van andere deelnemingen en\n\n9. eigen resultaten van [naam bedrijf 1] .\n\nBij het doen van aangifte dividendbelasting heeft [naam bedrijf 1] voor een bedrag van € 1.688.773 afgezien van het achterwege laten van inhouding van belasting, op grond van artikel 12, eerste lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965 (de Wet). Op grond van deze bepaling heeft [naam bedrijf 1] bovendien de dividendbelasting niet afgedragen. Van dit bedrag van € 1.688.773 hield € 1.186.273 verband met de dividenden afkomstig van [naam bedrijf 3] . Dit bedrag is gelijk aan 3% van de dividenden afkomstig van [naam bedrijf 3] . De resterende € 502.500 hield verband met dividenden afkomstig van andere buitenlandse deelnemingen.\n\n7. Op 24 april 2023 heeft [naam bedrijf 2] een dividend ter beschikking gesteld aan belanghebbende van € 293.538.735. Bij het doen van aangifte dividendbelasting heeft [naam bedrijf 2] op grond van artikel 12, eerste lid, van de Wet voor een bedrag van € 2.629.495 afgezien van het achterwege laten van inhouding van belasting en heeft de dividendbelasting niet afgedragen. Van laatstgenoemd bedrag hield € 1.186.273 verband met dividenden afkomstig van [naam bedrijf 3] . De resterende € 1.443.222 hield verband met dividenden afkomstig van andere buitenlandse deelnemingen.\n\n8. Op 25 april 2023 heeft belanghebbende een dividend van € 290.909.240 ter beschikking gesteld aan haar aandeelhouders. Op een deel van dit dividend van € 118.801.280 heeft belanghebbende 15% dividendbelasting ingehouden van € 17.820.192. Op dit bedrag heeft belanghebbende op grond van artikel 11 van de Wet een vermindering toegepast van € 2.629.495. Van laatstgenoemd bedrag ziet € 1.186.273 op de dividenden van [naam bedrijf 3] . De resterende € 1.443.222 hield verband met dividenden afkomstig van andere buitenlandse deelnemingen.\n\n9. Op 19 september 2023 hebben belanghebbende, [naam bedrijf 1] en de Belastingdienst een vaststellingsovereenkomst gesloten. De strekking van deze overeenkomst is dat uitsluitend [naam bedrijf 1] de aan haar op te leggen naheffingsaanslag betaalt en dat belanghebbende uitstel van betaling wordt verleend voor de aan haar op te leggen naheffingsaanslag. Bovendien is overeengekomen dat belanghebbende geen belastingrente is verschuldigd zolang de aanslag die aan haar zal worden opgelegd nog niet onherroepelijk is komen vast te staan.\n\n10. Met dagtekening 14 november 2023 is aan zowel belanghebbende als [naam bedrijf 1] een naheffingsaanslag dividendbelasting opgelegd van € 1.186.273.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n11. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Hierbij gaat het met name om de volgende vragen:\n\n- is met betrekking tot de dividenden afkomstig van [naam bedrijf 3] voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de dooruitdelingsfaciliteit van artikel 11 van de Wet en artikel 12 van de Wet in samenhang met artikel 11 van de Wet? In het bijzonder is daarbij in geschil of op deze dividenden een bronbelasting is ingehouden van ten minste 5%, zoals bepaald in artikel 11, eerste lid, onder 2̊, van de Wet;\n\n- kan belanghebbende zich beroepen op de uitlating van de Staatssecretaris van Financiën tijdens de parlementaire behandeling van artikel 11a van de Wet?\n\n- als ten onrechte gebruik is gemaakt van de dooruitdelingsfaciliteit, dient dan te worden nageheven bij belanghebbende of bij [naam bedrijf 1] ?\n\nDe rechtbank beoordeelt een en ander aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n12. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nJuridisch kader\n\n13. Artikel 11, eerste en tweede lid, van de Wet, voor zover van belang, luidt als volgt:\n\n“1. Op de ingevolge artikel 7, vierde lid, op aangifte af te dragen belasting kan een in het tweede lid nader aangeduide vermindering worden toegepast wegens winstuitkeringen op aandelen en winstbewijzen die door de inhoudingsplichtige zijn ontvangen van een lichaam dat is gevestigd op Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de BES eilanden, dan wel in een staat in relatie waarmee een met Nederland gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:\n\n1° de inhoudingsplichtige was op het tijdstip waarop het lichaam de winstuitkering ter beschikking stelde — al dan niet tezamen met in Nederland gevestigde, met de inhoudingsplichtige verbonden lichamen als bedoeld in artikel 10a, vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 — voor ten minste 25 percent van het nominaal gestorte kapitaal aandeelhouder van dat lichaam dan wel bezat, zo het verdrag daarin voorziet, ten minste 25 percent van de stemrechten in dat lichaam;\n\n2° op de winstuitkeringen is op de BES eilanden, in Aruba, Curaçao, Sint Maarten, of de staat waar het lichaam is gevestigd een bronbelasting van ten minste 5 percent ingehouden;\n\n3° bij het bepalen van de winst van de inhoudingsplichtige blijven de winstuitkeringen op de voet van artikel 13 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 buiten aanmerking.\n\n2. De in het eerste lid bedoelde vermindering bedraagt 3 percent van de door de inhoudingsplichtige ter beschikking gestelde opbrengst waarop hij dividendbelasting heeft ingehouden, doch niet meer dan 3 percent van de winstuitkeringen — vóór aftrek van de ingehouden bronbelasting — bedoeld in het eerste lid die hij in het kalenderjaar tot het tijdstip van inhouding alsmede in de twee daaraan voorafgaande kalenderjaren heeft ontvangen voor zover die winstuitkeringen nog niet in aanmerking zijn genomen bij de vaststelling van een eerdere vermindering. De winstuitkeringen worden in aanmerking genomen in de volgorde waarin zij door de inhoudingsplichtige zijn ontvangen.”\n\n14. Artikel 12 van de Wet (wettekst 2023) luidt als volgt:\n\n“1. Indien de inhoudingsplichtige winstuitkeringen heeft ontvangen die zouden kunnen leiden tot een vermindering op de voet van artikel 11, mag hij in afwijking van artikel 4, eerste en vijfde lid, tot een bedrag ter grootte van die vermindering afzien van het achterwege laten van inhouding van de belasting. De ingevolge de eerste zin ingehouden belasting hoeft, in afwijking van artikel 7, vierde lid, niet op aangifte te worden afgedragen.\n\n2. De inhoudingsplichtige die op de voet van het eerste lid afziet van het achterwege laten van inhouding van belasting, is verplicht aangifte te doen van de ingehouden belasting.\n\n3. Opbrengsten met betrekking tot welke op de voet van het eerste lid belasting is ingehouden, worden voor de gerechtigde tot die opbrengsten gelijkgesteld met winstuitkeringen die voldoen aan de voorwaarden voor een vermindering op de voet van artikel 11.”\n\n15. Artikel 23 van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Federatieve Republiek Brazilië [...] met betrekking tot belastingen naar het inkomen (het Verdrag), voor zover van belang, luidt:\n\n“Artikel 23. Vermijding van dubbele belasting\n\n1. Nederland is bevoegd bij het heffen van belasting van zijn inwoners in de grondslag waarnaar de belasting wordt geheven, de bestanddelen van het inkomen te begrijpen die overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst in Brazilië mogen worden belast.\n\n2. (…)\n\n3. Nederland verleent voorts een aftrek op de aldus berekende Nederlandse belasting voor die bestanddelen van het inkomen die volgens artikel 10, tweede lid, artikel 11, tweede lid, artikel 12, tweede lid, artikel 13, derde lid, artikel 17, artikel 18, eerste lid, en artikel 22 van deze Overeenkomst in Brazilië mogen worden belast, in zoverre deze bestanddelen in de in het eerste lid bedoelde grondslag zijn begrepen. Het bedrag van deze aftrek is gelijk aan de in Brazilië over deze bestanddelen van het inkomen betaalde belasting, maar bedraagt niet meer dan het bedrag van de vermindering die zou zijn verleend indien de aldus in het inkomen begrepen bestanddelen van het inkomen de enige bestanddelen van het inkomen zouden zijn geweest die uit hoofde van de bepalingen in de Nederlandse wetgeving tot het vermijden van dubbele belasting van Nederlandse belasting zijn vrijgesteld.\n\n4. Voor de toepassing van het derde lid wordt de in Brazilië betaalde belasting geacht te bedragen:\n\nmet betrekking tot dividenden als bedoeld in artikel 10, tweede lid, 25 percent van die dividenden indien zij worden betaald aan een Nederlands lichaam dat ten minste 10 percent van het stemgerechtigde kapitaal in het Braziliaanse lichaam bezit, en 20 percent in alle andere gevallen,\n\n(…)”\n\n16. Kamerstukken II, 1967\u002F1968, 6000, nr. 17, p. 12:\n\n“Het bepaalde (…) opent de mogelijkheid beleggingen door Nederlandse beleggers in buitenlandse aandelen door tussenkomst van een beleggingsinstelling - wat de in het buitenland toegepaste bronheffing betreft - fiscaal niet nadeliger te behandelen dan rechtstreekse beleggingen in zodanige aandelen.”\n\n17. Kamerstukken II, 1994\u002F1995, 23 980, nr. 3, p. 1-3:\n\n“In verdragsrelaties (...) staat Nederland toe dat de in het buitenland ingehouden bronbelasting op dividenden welke worden uitgekeerd aan een Nederlandse gerechtigde, wordt verrekend met de aan deze dividenden toe te rekenen Nederlandse belasting. De dividenden die een Nederlandse vennootschap van een buitenlandse deelneming ontvangt, worden op grond van de deelnemingsvrijstelling in Nederland echter niet belast. In dat geval is er derhalve geen ruimte om de in het buitenland ingehouden bronbelasting te verrekenen. De buitenlandse bronbelasting vormt in die gevallen voor het bedrijfsleven dan ook steeds voor het volle bedrag een kostenpost. Dit gevolg is inherent aan de op zichzelf gunstige deelnemingsvrijstelling.\n\n(…)\n\nDe kosten van de niet-verrekenbare buitenlandse bronbelasting verzwaren de belastingdruk voor het in Nederland gevestigde bedrijfsleven. Dit betreft in het bijzonder hoofdkantoren en houdstermaatschappijen van internationale ondernemingen. Potentiële investeerders zullen bij de keuze van een vestigingsplaats deze kosten als een nadeel van een eventuele vestiging in Nederland ervaren. Teneinde tot verbetering van het Nederlandse vestigingsklimaat te komen acht ik het gewenst een tegemoetkoming in deze kosten te bieden. Ik stel daartoe voor een gedeeltelijke verrekening toe te staan van de in het buitenland ingehouden bronbelasting. Omdat er voor de onderneming die deelnemingsdividenden uit het buitenland ontvangt geen grondslag is om de ingehouden bronbelasting te verrekenen met in Nederland verschuldigde vennootschapsbelasting, stel ik voor de verrekening te laten plaatsvinden met de door de Nederlandse vennootschap bij dooruitdeling van het dividend af te dragen dividendbelasting.\n\nDoordat de tegemoetkoming de vorm heeft van een vermindering van af te dragen dividendbelasting zonder dat de in te houden dividendbelasting een wijziging ondergaat, komt de tegemoetkoming in eerste aanleg de inhoudingsplichtige vennootschap ten goede. De druk van de niet-verrekenbare buitenlandse bronbelastingen wordt daarmee ten dele weggenomen.\n\n(…)\n\nVoorwaarde voor toepassing van de faciliteit is in mijn voorstel allereerst de ontvangst van deelnemingsdividend waarop krachtens de Belastingregeling voor het Koninkrijk of bij toepassing van een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting een bronbelasting van ten minste 5% mag worden ingehouden en ook feitelijk is ingehouden”.\n\n18. In zijn arrest van 12 juli 2013overwoog de Hoge Raad onder meer:\n\n“3.5.1.\n\nMiddelonderdeel b komt onder meer op tegen het oordeel van de Rechtbank dat niet slechts een belasting die wordt geheven bij wege van inhouding en afdracht door het lichaam dat het dividend uitkeert, maar ook een belasting die door de ontvanger van het dividend wordt voldaan, is aan te merken als een bronbelasting in de zin van artikel 11, lid 1, 2°, van de Wet. Het middelonderdeel faalt in zoverre, aangezien dat oordeel juist is. Daaraan doet niet af dat in de tekst van laatstbedoelde bepaling sprake is van bronbelasting die is “ingehouden”, aangezien geen aanleiding bestaat aan die bepaling een andere betekenis toe te kennen dan dat door de bronstaat een belasting moet zijn geheven die in mindering is gekomen op de opbrengst van het aandelenbelang.”\n\nHeeft belanghebbende voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de dooruitdelingsfaciliteit?\n\n19. Artikel 11 van de Wet in verbinding met artikel 12 van de Wet houdt in een faciliteit op grond waarvan een inhoudingsplichtige een vermindering kan toepassen op de door hem af te dragen belasting wegens - voor zover van belang - winstuitkeringen op aandelen die zijn ontvangen van een lichaam dat is gevestigd in een staat in relatie waarmee een met Nederland gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is.\n\n20. Belanghebbende is van mening dat ook voor de toepassing van artikel 11, eerste lid, onder 2, van de Wet ervan moet worden uitgegaan dat op de door [naam bedrijf 3] (via [naam bedrijf 1] ) aan haar gedane winstuitkeringen een bronbelasting van ten minste 5 procent is ingehouden. Voor de toepassing van artikel 11, eerste lid, van de Wet moet als ingehouden bronbelasting worden aangemerkt het bedrag aan buitenlandse belasting als bedoeld in de eerste limiet van het desbetreffende belastingverdrag. Dat is namelijk – als gevolg van de toepassing van de deelnemingsvrijstelling – de niet-verrekenbare bronbelasting waarvoor de wetgever met de invoering van artikel 11 van de Wet een tegemoetkoming heeft willen bieden. Tot die niet-verrekenbare bronbelasting behoort ook de tax sparing credit als omschreven in artikel 23, derde en vierde lid, van het Verdrag (TSC), aldus nog steeds belanghebbende.\n\n21. Voor toepassing van de dooruitdelingsfaciliteit moet ter zake van de uitgekeerde dividenden sprake zijn van een kostenpost. Artikel 24, derde lid, van het Verdrag spreekt in dit verband over “(…) Het bedrag van deze aftrek is gelijk aan de in Brazilië over deze bestanddelen van het inkomen betaalde belasting(…)” [onderstreping rechtbank]. Artikel 24, vierde lid, letter a, van het Verdrag spreekt over “Voor de toepassing van het derde lid wordt dein Brazilië betaalde belastinggeacht te bedragen: a. met betrekking tot dividenden als bedoeld in artikel 10, tweede lid, 25 percent van die dividendenindien zij worden betaald aan een Nederlands lichaam(…)” [onderstreping rechtbank].\n\n22. Vast staat dat ter zake van de onderhavige TSC in Brazilië feitelijk niets is ingehouden en evenmin is betaald. In zoverre is dan geen sprake van “een ingehouden bronbelasting van ten minste 5 percent” als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onder 2, van de Wet. De onderhavige TSC voldoet niet aan deze definitie. De TSC is slechts een fictieve belasting en, in het onderhavige geval, geen belasting die daadwerkelijk is ingehouden en in mindering is gekomen op de opbrengst van het aandelenbelang. De onderhavige TSC is daarom geen op een winstuitkering ingehouden bronbelasting in de zin van artikel 11, eerste lid, onder 2, van de Wet. Artikel 24, derde en vierde lid, van het Verdrag strekt niet verder dan dat zij de ontvanger van het dividend een tegemoetkoming biedt in het kader van de voorkoming van dubbele belasting. Dat op grond van die verdragsbepaling de TSC wordt geacht te zijn betaald in Brazilië, maakt het voorgaande niet anders.\n\n23. De rechtbank wijst verder op de hiervoor onder 17. weergegeven passages uit de parlementaire geschiedenis. Voor zover de tekst van de Wet niet duidelijk zou zijn, volgt uit de in de hiervoor aangehaalde passages uit de parlementaire geschiedenis dat voor toepassing van de faciliteit sprake moet zijn van in de bronstaat geheven en daadwerkelijk (feitelijk) ingehouden bronbelasting. Dit volgt ook uit de hiervoor onder 18. weergegeven passage uit het arrest van de Hoge Raad.\n\n24. Uit het voorgaande volgt dat ter zake van de van [naam bedrijf 3] afkomstige dividenden de inspecteur terecht aan belanghebbende een naheffingsaanslag dividendbelasting heeft opgelegd. De dooruitdelingsfaciliteit van de artikelen 11 en 12 van de Wet is hierop niet van toepassing.\n\nKan belanghebbende zich beroepen op een toezegging van de Staatssecretaris?\n\n25. Artikel 11a van de Wet houdt in een afdrachtvermindering voor fiscale beleggingsinstellingen in de zin van artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (fbi). Omdat de artikelen 11 en 11a van de Wet een gelijke doelstelling hebben en gelet op de (nagenoeg) identieke wettekst op dit punt, is er geen grond een TSC voor de toepassing van artikel 11 en 11a van de Wet verschillend te behandelen, aldus belanghebbende. Belanghebbende beroept zich hierbij op een door de Staatssecretaris van Financiën tijdens de parlementaire behandeling van artikel 11a van de Wet gedane uitlating over dat artikel:\n\n“Voorts verzoekt de NOB te bevestigen dat een tax sparing credit zoals die in bepaalde verdragen is opgenomen, eveneens wordt aangemerkt als ingehouden buitenlandse bronbelasting. Beide punten kunnen worden bevestigd.”\n\n26. De rechtbank verwerpt deze beroepsgrond. Deze uitlating geldt voor toepassing van de regeling van artikel 11a van de Wet en niet voor toepassing van de regeling van artikel 11 van de Wet. Anders dan belanghebbende stelt, beogen deze regelingen verschillende doelen.\n\n27. Artikel 11a van de Wet heeft tot doel om op het punt van verrekening van bronbelasting fiscale neutraliteit te bereiken tussen rechtstreeks beleggen en beleggen via een fbi. Bij een rechtstreekse belegging zou een natuurlijk persoon een TSC in beginsel kunnen verrekenen. De TSC wordt daarom voor toepassing van artikel 11a van de Wet aangemerkt als ingehouden buitenlandse bronbelasting. Hierdoor kan dus ook iemand die belegt via een fbi zijn verdragsrechtelijke recht op verrekening van een TSC effectueren. Artikel 11a van de Wet voorkomt een ongewenst geachte beperking van verrekeningsmogelijkheden.\n\n28. Uit de onder 17. weergegeven fragmenten uit de parlementaire geschiedenis volgt dat in een verdragssituatie bij een buitenlandse deelneming het doel van artikel 11 van de Wet is het verrekenen van in het buitenland ingehouden bronbelasting, welke zonder deze bepaling door toepassing van de deelnemingsvrijstelling niet voor aftrek in aanmerking zou komen. Artikel 11 van de Wet biedt alsdan een tegemoetkoming voor de lasten die ontstaan doordat daadwerkelijk geheven bronbelasting niet kan worden verrekend als gevolg van de deelnemingsvrijstelling. De onderhavige TSC is geen daadwerkelijk ingehouden bronbelasting en vormt geen last waarvoor artikel 11 van de Wet beoogt een tegemoetkoming te bieden.\n\n29. Dit verschil in doel en strekking rechtvaardigt een andere behandeling van een TSC voor toepassing van artikel 11 dan wel artikel 11a van de Wet. Belanghebbende kan zich derhalve niet met succes beroepen op de door haar genoemde uitlating van de Staatssecretaris.\n\n30. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat wanneer de in de onderhavige zaak opgelegde naheffingsaanslag dividendbelasting door de rechtbank in stand wordt gelaten, zij zich ten aanzien van de dividenduitkering die tot de in de zaak 24\u002F2639 in geschil zijnde naheffingsaanslag heeft geleid, onvoorwaardelijk op de inhoudingsvrijstelling van artikel 4, eerste lid, van de Wet beroept. Alsdan is tussen partijen niet in geschil dat de in zaak 24\u002F2639 opgelegde naheffingsaanslag moet worden vernietigd. De rechtbank komt daarom niet meer toe aan de vraag of dient te worden nageheven bij belanghebbende of bij [naam bedrijf 1] .\n\nConclusie en gevolgen\n\n31. Het beroep is ongegrond. De naheffingsaanslag en de uitspraak op bezwaar blijven in stand. Voor een proceskostenvergoeding en\u002Fof vergoeding van griffierecht bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Tikken, voorzitter, en mr. L.L. van Benthem en mr. A.S. van Middelkoop, leden, in aanwezigheid van mr. H.H. Ruis, griffier.\n\nDeze uitspraak is uitgesproken op 19 november 2025, vervolgens geplaatst in het digitale dossier en verzonden aan partijen op de datum vermeld in de brief waarmee deze aan partijen is verzonden.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nECLI:NL:HR:2013:55.\n\n Kamerstukken II, 2007\u002F2008, 31 206, nr. 6, p. 25.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:9889","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:13.445Z",{"id":53,"ecli":54,"slug":55,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":56,"fullText":57,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":58,"sourceTimestamp":56,"parsedAt":50,"updatedAt":59},"294","ECLI:NL:RBGEL:2025:9142","ecli-nl-rbgel-2025-9142","2025-10-29T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ARN 23\u002F3702, 24\u002F5968 en 24\u002F5971\n uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 29 oktober 2025\n\nin de zaken tussen\n \n [belanghebbende] , uit [plaats 1] , belanghebbende\n\n(gemachtigde: [gemachtigde] ),\n\nen\n\nde inspecteur van de belastingdienst, kantoor Utrecht , de inspecteur,\n\nen\n\nde Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), in Den Haag, de Staat.\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 10 maart 2023 (jaar 2017) en van 11 januari 2024 (jaren 2018 en 2019).\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende de volgende aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) en beschikkingen belastingrente (belastingrentebeschikkingen) opgelegd:\n\nvoor het jaar 2017 een aanslag IB\u002FPVV naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 46.223 en een beschikking belastingrente van € 967;\n\nvoor het jaar 2018 een aanslag IB\u002FPVV naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 31.444 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 8.247 en een beschikking belastingrente van € 663;\n\nvoor het jaar 2019 een aanslag IB\u002FPVV naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 27.073 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.497 en een beschikking belastingrente van € 600.\n\nBij uitspraken op bezwaar heeft de inspecteur de bezwaren van belanghebbende gegrond verklaard.\n\nDe inspecteur heeft daarbij voor het jaar 2017 de aanslag IB\u002FPVV verminderd tot een bedrag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.258 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 687.\n\nVoor het jaar 2018 heeft de inspecteur de aanslag IB\u002FPVV verminderd tot een bedrag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 30.630 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 171.\n\nVoor het jaar 2019 heeft de inspecteur de aanslag IB\u002FPVV verminderd tot een bedrag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.395 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.203.\n\nDe inspecteur heeft de belastingrentebeschikkingen telkens dienovereenkomstig verminderd.\n\nBelanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar tijdig beroep ingesteld.\n\nDe inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. Voor het jaar 2017 heeft belanghebbende een conclusie van repliek ingediend, waarna de inspecteur een conclusie van dupliek heeft ingediend. Daarna heeft de inspecteur voor het jaar 2017 een aanvullend verweerschrift ingediend.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen op 1 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde (de vader van belanghebbende, hierna: vader) deelgenomen, bijgestaan door zijn partner [persoon A] . Namens de inspecteur hebben deelgenomen [persoon B] , [persoon C] en [persoon D] (taxateur).\n\nDe beroepen zijn gezamenlijk en gelijktijdig behandeld met de beroepen van de partner van belanghebbende, [persoon E] (de partner), met de zaaknummers 23\u002F3703, 24\u002F5975 en 24\u002F5983.\n\nFeiten\n\n1. Belanghebbende woont ongehuwd samen met haar partner.\n\n2. Belanghebbende en haar partner hebben samen drie kinderen, een tweeling die geboren is op [geboortedatum 1] 2016 en waarvan de partner de biologische moeder is en het jongste kind dat is geboren op [geboortedatum 2] 2019, waarvan belanghebbende de biologische moeder is.\n\n3. Belanghebbende heeft in 2015 haar voormalige eigen woning aan de [locatie 1] te [plaats 2] verkocht voor € 215.000. Die woning was haar eigendom sinds 2008 . Volgens de notariële afrekening bedroeg de af te lossen hoofdsom van de daarop rustende hypotheek ten behoeve van haar vader € 212.665.\n\n4. Belanghebbende en vader hebben in 2015 de woning aan de [locatie 2] te [plaats 1] (de woning) gekocht. Belanghebbende bewoont de woning samen met haar partner en kinderen. De ouders van belanghebbende wonen sinds 31 maart 2016 eveneens in de woning.\n\n5. De woning is voor 90% onverdeeld eigendom gekocht door belanghebbende en voor 10% onverdeeld eigendom gekocht door vader. De koopsom van de woning bedroeg € 1.060.200. Volgens de akte van levering is daarnaast voor een bedrag van € 24.800 aan roerende zaken gekocht. Er is ter zake van deze aankoop door de notaris over een bedrag van € 1.060.000 2% overdrachtsbelasting berekend. De aankoopprijs van het gedeelte van belanghebbende bedroeg volgens de afrekening aldus € 954.180 (90% van € 1.060.200) en daarnaast een bedrag van € 22.320 aan roerende zaken (zijnde 90% van € 24.800). De financiering van het 90%-aandeel van belanghebbende in de woning is volledig aangegaan door belanghebbende.\n\n6. De woning is na de aankoop verbouwd. Het aandeel van belanghebbende in de verbouwingskosten is door belanghebbende gesteld op 50% en bedraagt volgens belanghebbende daarom € 94.897.\n\n7. Belanghebbende heeft bij vader ten behoeve van de aankoop van de woning een geldlening afgesloten. Deze financiering is vastgelegd in een overeenkomst van geldlening van 7 oktober 2015. De considerans van deze overeenkomst luidt als volgt:\n\n“IN AANMERKING NEMENDE DAT:\n\nA. Schuldenaar (tezamen met schuldeiser) een huis en toebehoren heeft gekocht aan de [locatie 2] te [postcode] [plaats 1] , kadastraal bekend als kadastrale gemeente Zeist Sectie [sectie] nummer [nummer] (hierna het 'Object’).\n\nB. Schuldenaar een financieringsbehoefte heeft van totaal € 986.553,33 (zegge: NEGENHONDERDZESENTACHTIGDUIZENDVIJFHONDERDDRIEENVIJFTIG euro en 33 cent), zoals voorkomt op de nota van [naam notaris] NV d.d. 30 september 2015.\n\nC. Dat schuldenaar haar vorige woning aan de [locatie 1] te [plaats 2] ook bij schuldeiser middels een aflossingsvrije hypotheek van € 250.000 heeft gefinancierd; dat de netto verkoopopbrengst van die woning € 212.720 bedroeg, welk bedrag schuldeiser van schuldenaar heeft ontvangen tegen vrijgeving van voornoemde hypotheek; dat derhalve schuldenaar nog een restschuld heeft aangaande die hypotheek van € 37.280;\n\nD. Schuldeiser bereid is beide bedragen (€ 986.553,33 en € 37.280) te financieren en wel middels een 30 jarige annuïteitenlening van groot € 773.833,33 en een aflossingsvrije lening van € 250.000.\n\nE. Schuldeiser zelf ook een geldlening moet aangaan ter financiering van de onder D genoemde\n\n geldlening.\n\nF. Het object nog een aanzienlijke verbouwing zal dienen te ondergaan waarvan de kosten naar\n\n schatting € 150.000 á € 200.000 zullen bedragen. Dat schuldeiser bereid is deze\n\n verbouwingkosten ook te financieren voor schuldenaar tegen dezelfde voorwaarden als de onderhavige lening; Hiertoe zal, zodra de verbouwing gereed is en het werk is opgeleverd, een afzonderlijke leningsovereenkomst worden opgemaakt;\n\nG. Dat Schuldeiser geen zekerheid van de Schuldenaar verlangt voor de lening, edoch dat\n\n Schuldenaar zich verplicht om het Object niet met hypotheek of anderszins te belasten, te\n\n bezwaren of op enig andere wijze in onderpand te geven en schuldenaar op eerste aangeven van schuldeiser bereid zal zijn om ten gunste van schuldeiser hypotheek te geven op het object;\n\nH. Schuldenaar en Schuldeiser met betrekking tot de geldlening voorwaarden zijn overeengekomen en zij het wenselijk achten die voorwaarden bij akte vast te leggen;\n\nI. Zulks bij deze geschiedt. (….)”\n\n8. Belanghebbende heeft in de aangiften IB\u002FPVV over 2017, 2018 en 2019 als eigenwoningrente in aftrek gebracht 6,25% van de eigenwoningschuld per 1 januari van elk jaar.\n\n9. Belanghebbende bezit sinds 2010 2.700 aandelen (van de 54.480, derhalve 4,96%) in de besloten vennootschap B.V. [naam bedrijf 1] ( [naam bedrijf 1] ). Die aandelen zijn door haar gekocht voor € 125.000. Per 1 januari 2016 bedraagt het zichtbaar eigen vermogen in die vennootschap € 3.920.352.\n\n10. Belanghebbende is sinds 2013 voor de helft eigenaar van twee verhuurde panden, gelegen aan de [locatie 3] en [locatie 4] te [plaats 3] .\n\n11. Belanghebbende heeft aan de inspecteur een overzicht “berekening schenking 2015-2019” gezonden. Daarin is onder meer opgenomen dat de vader van belanghebbende in de onderhavige jaren telkens in totaal € 40.354 aan belanghebbende heeft overgemaakt.Het betreft maandelijkse overboekingen ten bedrage van € 3.362,83.\n\nGeschil\n\n12. In geschil is de hoogte van de aanslagen. Meer in het bijzonder zijn de volgende punten in geschil:\n\nDient de bewijslast te worden omgekeerd en verzwaard?\n\nHoe is de verdeling van het gebruik van de woning, wat is de hoogte van de bijbehorende eigenwoningschuld en de renteaftrek ter zake van de eigen woning?\n\nMoet de correctie voor het gebruik van de woning ook op de lening ter zake van de verbouwing worden toegepast?\n\nIs er sprake van een restschuld op de voormalige eigen woning of is juist sprake van een eigenwoningreserve?\n\nIn hoeverre drukken de aan vader betaalde rentebedragen op belanghebbende?\n\nWat is de waarde van de aandelen in [naam bedrijf 1] in box 3?\n\nIs sprake van een schuld aan vader ter zake van de verwerving in 2010 van de aandelen in [naam bedrijf 1] in box 3?\n\nHeeft belanghebbende recht op aftrek van specifieke zorgkosten?\n\nHeeft de inspecteur zich terecht beroepen op interne compensatie?\n\nZijn het vertrouwensbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en\u002Fof het proportionaliteitsbeginsel geschonden?\n\nHeeft belanghebbende recht op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn?\n\nHeeft belanghebbende recht op een (proces)kostenvergoeding?\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nMoet de bewijslast worden omgekeerd en verzwaard?\n\n13. De inspecteur heeft gesteld dat de bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard omdat belanghebbende de vereiste aangifte niet zou hebben gedaan.\n\n14. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte niet de vereiste aangifte is gedaan als de volgens de aangifte verschuldigde belasting relatief en absoluut aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting en de belastingplichtige zich ten tijde van het indienen van de aangifte hiervan bewust was of moest zijn.\n\n15. De rechtbank komt tot het oordeel dat de bewijslast voor het jaar 2017 niet wordt omgekeerd en verzwaard en dat de bewijslast voor de jaren 2018 en 2019 wel wordt omgekeerd en verzwaard. Zij zal dat hierna voor de in geschil zijnde aanslagen\u002Fjaren motiveren.\n\n2017\n\n16. Volgens de aangifte IB\u002FPVV over het jaar 2017 is per saldo geen inkomstenbelasting verschuldigd. Uit de uitspraak op bezwaar vloeit voort dat volgens de inspecteur € 1.114 aan inkomstenbelasting is verschuldigd. Belanghebbende heeft daarmee naar het oordeel van de rechtbank geen aangifte gedaan waardoor in absolute zin aanzienlijk te weinig belasting is geheven.De bewijslast wordt voor het jaar 2017 dus niet omgekeerd en verzwaard.\n\n2018 en 2019\n\n17. Volgens de aangiften IB\u002FPVV over de jaren 2018 en 2019 is per saldo geen inkomstenbelasting verschuldigd. In de pleitnota heeft de inspecteur de bedragen aan verschuldigde inkomstenbelasting berekend, uitgaande van de door hem ingenomen standpunten in de uitspraak op bezwaar. Voor 2018 komt dit voor belanghebbende uit op € 4.344 en voor 2019 op € 5.044.\n\n18. Belanghebbende heeft in haar aangifte haar aandeel van 50% in de onroerende zaken [locatie 3] en nummer [locatie 4] te [plaats 3] niet in box 3 aangegeven. Ook heeft zij haar aandelenbelang in [naam bedrijf 1] niet in box 3 vermeld en ontbreekt een vordering van belanghebbende op vader in box 3 in de aangiften 2018 en 2019. Het verschil in verschuldigde inkomstenbelasting is alleen al door deze niet ter discussie staande posten relatief en absoluut aanzienlijk. Ter zitting heeft de gemachtigde (vader van belanghebbende) erkend dat hij betrokken is geweest bij het opstellen van de aangiften. Vader heeft de aandelen in [naam bedrijf 1] en de panden aan de [locatie 3\u002Flocatie 4] gekocht voor en namens belanghebbende. De rechtbank is daarom van oordeel dat hij wist of in elk geval had moeten weten dat deze vermogensbestanddelen bij belanghebbende in de aangifte IB\u002FPVV opgenomen zouden moeten worden. De kennis en inzicht van personen die een belastingplichtige behulpzaam zijn geweest bij het doen van aangifte moeten worden toegerekend aan belanghebbende.De rechtbank rekent de kennis van de gemachtigde daarom toe aan belanghebbende. De bewustheid van het niet doen van de vereiste aangifte acht de rechtbank gelet op het voorgaande aannemelijk. Omdat belanghebbende de vereiste aangiften 2018 en 2019 niet heeft gedaan, dient de bewijslast ter zake van die jaren te worden omgekeerd en verzwaard.\n\n19. Omkering en verzwaring van de bewijslast houdt in dat op belanghebbende de bewijslast rust overtuigend aan te tonen en daarmee moet doen blijken dat de aanslagen IB\u002FPVV 2018 en 2019 naar een te hoog bedrag zijn vastgesteld.\n\nIn hoeverre drukken de aan vader betaalde rentebedragen op belanghebbende?\n\n2017\n\n20. De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de aan vader betaalde rentebedragen niet volledig op belanghebbende drukken. De inspecteur heeft zich daarbij beroepen op het leerstuk van de interne compensatie. Gelet op het feit dat dit het meest verstrekkende standpunt is, zal de rechtbank dit om proceseconomische redenen als eerste bespreken.\n\n21. Artikel 3.111, eerste lid, van de Wet IB 2001 luidt – voor de onderhavige jaren en voor zover van belang –:\n\n“1. In deze afdeling (…) wordt verstaan onder eigen woning: een gebouw (…) of een gedeelte van een gebouw, (…) met de daartoe behorende aanhorigheden, voorzover dat de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat op grond van: a. eigendom (…), indien met betrekking tot die woning de belastingplichtige of zijn partner de voordelen geniet, de kosten en lasten op de belastingplichtige of zijn partner drukken en de waardeverandering de belastingplichtige of zijn partner grotendeels aangaat”.\n\n22. Belanghebbende heeft voor het jaar 2017 gesteld dat zij (samen met haar partner) € 69.161 aan rente ter zake van een eigenwoningschuld aan vader heeft betaald.\n\n23. In 2017 heeft belanghebbende door middel van maandelijkse bankoverschrijvingen in totaal € 40.354 ontvangen van haar vader, hetgeen blijkt uit een door belanghebbende overgelegd overzicht met het opschrift “Berekening schenking 2015-2019”. Ter zitting heeft vader verklaard dat belanghebbende en haar partner onvoldoende inkomen hadden om de lasten te kunnen betalen, maar dat de betaling van € 40.354 geen verband houdt met de door belanghebbende aan vader te betalen rentekosten.\n\n24. Gelet op de gemotiveerde betwisting van dit standpunt door de inspecteur heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de rentekosten tot genoemd bedrag van € 40.354 op belanghebbende hebben gedrukt. Belanghebbende heeft weliswaar gesteld dat de ontvangen bedragen betrekking hadden op uitgekeerd dividend op de aandelen in [naam bedrijf 1] en op ontvangen huur, maar heeft die stelling niet met schriftelijke bescheiden onderbouwd. De stelling van belanghebbende dat zij in voldoende mate gelden beschikbaar hadden en die naar eigen inzicht konden aanwenden is niet aannemelijk, mede gelet op de strijdigheid met de door vader gegeven wisselende verklaringen en andere stukken in het dossier. Zo zijn in weerwil van tussen vader en belanghebbende gemaakte afspraken, uitgekeerd dividend op de aandelen in [naam bedrijf 1] en ontvangen huur ter zake van de panden aan de [locatie 3] en [locatie 4] niet van de schuld afgeboekt. Omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de rentekosten in 2017 tot € 40.354 op haar hebben gedrukt kan de rente tot dat bedrag niet als rente ter zake van een eigenwoningschuld in aftrek worden gebracht.\n\n25. In de uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur veel meer rente als eigenwoningrente in aftrek toegestaan dan de overige geschilpunten in deze zaak belanghebbende aan aftrek zouden kunnen opleveren. Daarom is de rechtbank van oordeel dat het beroep op interne compensatie slaagt. De aanslagen zijn na vermindering in bezwaar eerder te laag dan te hoog vastgesteld. De overige inhoudelijke geschilpunten behoeven dan ook geen bespreking meer.\n\n2018 en 2019\n\n26. In 2018 en 2019 heeft belanghebbende ook in totaal een bedrag van € 40.354 van haar vader ontvangen. Gelet op het feit dat voor onderhavige jaren de verzwaarde bewijslast geldt, dient belanghebbende te doen blijken dat de rentekosten hebben gedrukt in de zin van artikel 3.111, eerste lid, letter a, van de Wet IB 2001. Belanghebbende heeft voor de jaren 2018 en 2019 – zoals ook over het jaar 2017 hiervoor is geoordeeld – niet aannemelijk gemaakt, laat staan doen blijken dat sprake is van op haar drukkende rentekosten. De rentekosten kunnen daarom tot in elk geval genoemd bedrag van € 40.354 niet als rente ter zake van een eigenwoningschuld in aftrek worden gebracht.\n\n27. Net als voor het jaar 2017 geldt ook voor de jaren 2018 en 2019 dat de inspecteur veel meer rente in aftrek heeft toegestaan dan de overige geschilpunten belanghebbende aan aftrek zouden kunnen opleveren. Die geschilpunten hoeven dus ook voor deze jaren geen behandeling.\n\nFormele beginselen\n\n28. Belanghebbende heeft gesteld dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, omdat de inspecteur de in geschil zijnde punten in de aangiften over de jaren 2020 en 2021 heeft gevolgd. Belanghebbende heeft gesteld dat zij daarom erop mocht vertrouwen dat de inspecteur in 2020 en 2021 het standpunt van belanghebbende heeft overgenomen en dat dat ook voor de aanslagen voor de jaren 2017 tot en met 2019 dient te gelden.\n\n29. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur het vertrouwensbeginsel niet heeft geschonden. De aanslagen IB\u002FPVV over de jaren 2020 en 2021 zijn zonder inhoudelijke controle automatisch vastgesteld. Gelet op vaste jurisprudentie kan uit een aangifte die niet aan een inhoudelijke controle is onderworpen niet het vertrouwen worden ontleend dat de inspecteur bewust een ander standpunt zou hebben ingenomen. Ook overigens zijn uit het dossier geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die bij belanghebbende de indruk hebben kunnen wekken dat de inspecteur welbewust een ander standpunt had ingenomen.\n\n30. Belanghebbende heeft zich voorts beroepen op schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel. Belanghebbende heeft – kort gezegd – gesteld dat er zoveel en zo vaak informatie is opgevraagd voor een relatief klein financieel belang van de zaak dat het onderzoek een inbreuk op de privacy behelst.\n\n31. De rechtbank is van oordeel dat van een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel niet is gebleken. Het is aan de inspecteur om een afweging te maken of hij een aangifte diepgaander zal behandelen. Gelet op de gang van zaken tijdens het onderzoek, meer specifiek het feit dat in eerste instantie werd geweigerd om bankafschriften over te leggen, de wisselende verklaringen van vader en het lage inkomen van belanghebbende in relatie tot de hoge hypotheekschuld, was het in dit geval gerechtvaardigd om door te vragen en verder te onderzoeken na het krijgen van onduidelijke of onvolledige informatie.\n\nVergoeding van immateriële schade\n\n32. Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016.\n\n33. Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheidis het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek om schadevergoeding.\n\n34. De drie zaken van belanghebbende zijn gezamenlijk behandeld en hebben in hoofdzaak betrekking op hetzelfde onderwerp. Voor de drie samenhangende zaken samen zal dus één keer schadevergoeding worden toegekend, waarbij wordt gerekend vanaf het oudste bezwaarschrift tot de jongste uitspraak op bezwaar.De inspecteur heeft het oudste bezwaarschrift van belanghebbende ontvangen op 27 juli 2020. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is (afgerond) 39 maanden langer dan twee jaar. De rechtbank ziet geen redenen om de redelijke termijn in dit geval langer of korter vast te stellen dan twee jaar. De redelijke termijn is dus met (afgerond) 39 maanden overschreden. Naar boven afgerond is dat 7 keer een half jaar. Dit betekent een schadevergoeding van € 3.500 (7 keer een half jaar ad € 500). De jongste uitspraak op bezwaar van de inspecteur dateert van 11 januari 2024. Dit is 36 maanden langer dan de zes maanden die staan voor het doen van uitspraak op bezwaar. De inspecteur moet daarom van de totale schadevergoeding een bedrag betalen van 36 maanden gedeeld door 39 maanden keer € 3.500 is (afgerond) € 3.231. De Staat moet de rest betalen, dus € 269.\n\n35. In dit geval voeren twee belanghebbenden samen in feite dezelfde procedure over meerdere belastingjaren (ieder met drie zaken). Dat kan reden zijn om de schadevergoeding te matigen. Toch blijft het uitgangspunt dat iedere belanghebbende zelf een recht op schadevergoeding heeft.De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om de schadevergoeding te matigen, omdat het feit dat de zaken van beide belanghebbenden gezamenlijk zijn behandeld in dit geval een matigende invloed heeft op de mate van spanning, ongemak en onzekerheid die worden ondervonden door de te lang durende procedure. De hiervoor berekende schadevergoeding zal daarom gelijkelijk over de zaken van belanghebbende en haar partner worden verdeeld. Dit betekent dat in onderhavige zaken van belanghebbende de inspecteur zal worden veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding aan belanghebbende van € 1.615,50 en de Staat tot een bedrag van € 134,50. De rechtbank zal de inspecteur en de Staat veroordelen om deze bedragen aan belanghebbende te betalen.\n\nBelastingrentebeschikkingen\n\n36. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de in rekening gebrachte belastingrente. Hiertegen heeft belanghebbende geen zelfstandige beroepsgronden ingebracht en het is de rechtbank ook niet gebleken dat de belastingrentebeschikkingen te hoog zijn vastgesteld.\n\nConclusie\n\n37. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat de aanslagen IB\u002FPVV en de belastingrentebeschikkingen zoals verminderd in bezwaar in stand blijven.\n\nProceskostenvergoeding\n\n38. Belanghebbende heeft verzocht om een veroordeling van de inspecteur in de (proces)kosten. De beroepen zijn weliswaar ongegrond, maar in verband met het verzoek om toekenning van een vergoeding van immateriële schade dient de rechtbank te beoordelen of in dit geval sprake is van ‘door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand’ in de zin van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 1, letter a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.\n\n39. De rechtbank is van oordeel dat hiervan geen sprake is. Belanghebbende heeft namelijk volmacht verleend aan vader, die in dat kader optreedt namens [naam bedrijf 2] B.V. Dat is een beleggingsvennootschap waaruit vader geen loon voor werkzaamheden ontvangt. Daarom is niet aannemelijk dat vader vaker beroepsmatig rechtsbijstand verleent. Daar komt bij dat niet aannemelijk is dat aan belanghebbende kosten in rekening zijn of worden gebracht voor rechtsbijstand. De gemachtigde heeft weliswaar gesteld dat hij een no cure no pay-afspraak heeft gemaakt met belanghebbende, maar niet aannemelijk is gemaakt dat een dergelijke afspraak is gemaakt. De voormalige gemachtigde heeft volgens de gemachtigde (ook) in de beroepsfase op de achtergrond meegedacht. Dit heeft echter niet tot gevolg dat recht bestaat op vergoeding van proceskosten, omdat de voormalige gemachtigde in de fase van beroep geen proceshandelingen heeft verricht. De door belanghebbende aangehaalde uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 6 september 2022 kan evenmin tot de conclusie leiden dat recht bestaat op vergoeding van proceskosten. In die zaak was namelijk sprake van een compromis voor wat betreft de proceskosten. Uit die uitspraak kan dus niet de conclusie worden getrokken dat vader als een derde is aan te merken die professionele rechtsbijstand verleent. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor een vergoeding van proceskosten vanwege de toekenning van een vergoeding van immateriële schade.\n\nGriffierecht\n\n40. Omdat het verzoek om vergoeding van immateriële schade vóór 31 mei 2024 is gedaan en op dat moment de redelijke termijn reeds was overschreden, dient de inspecteur het griffierecht van € 50 aan belanghebbende te vergoeden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart de beroepen ongegrond;\n\n- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.615,50;\n\n- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 134,50;\n\n- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 50 aan belanghebbende moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. L.L. van Benthem, voorzitter, en mr. F.M. Smit en mr. A.C. Smale, leden, in aanwezigheid van mr. T.J.P. Wientjens, griffier.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nDeze uitspraak is uitgesproken op 29 oktober 2025, vervolgens geplaatst in het digitale dossier en verzonden aan partijen op de datum vermeld in de brief waarmee deze aan partijen is verzonden.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zie bijlage 44 bij het verweerschrift van het jaar 2017.\n\n Artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).\n\n Hoge Raad 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1083.\n\n Vergelijk Hoge Raad 9 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY2665, Hoge Raad 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1083 en Hoge Raad 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1312.\n\n Vergelijk Hoge Raad 23 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BD3566, r.o. 3.4, en Hoge Raad 22 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0663, r.o. 4.3.1.\n\n Vergelijk Hoge Raad 9 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1501.\n\n ECLI:NL:HR:2016:252.\n\n Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, 20210, samen met de Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 oktober 2017, Staatscourant 2017, 62751.\n\n Zie r.o. 3.10.2. van het genoemde overzichtsarrest van de Hoge Raad en zie Hoge Raad 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:154, r.o. 2.4.3.\n\n Zie r.o. 3.10.3 van het genoemde overzichtsarrest van de Hoge Raad.\n\n Zie Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567 en ECLI:NL:HR:2024:773.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:9142","2026-07-13T00:28:23.086Z",{"id":61,"ecli":62,"slug":63,"caseNumber":43,"courtId":64,"decisionDate":65,"fullText":66,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":67,"sourceTimestamp":68,"parsedAt":50,"updatedAt":69},"329","ECLI:NL:RBNHO:2025:12725","ecli-nl-rbnho-2025-12725",67,"2025-10-14T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: HAA 24\u002F464\n uitspraak van de meervoudige kamer van 14 oktober 2025 in de zaak tussen\n [eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: I. Steert MB),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nVerweerder heeft met dagtekening 17 februari 2023 aan eiseres een aanslag in de inkomstenbelasting\u002Fpremie volksverzekeringen (hierna: IB\u002FPVV) voor het jaar 2019 opgelegd (hierna: de aanslag). Daarbij is € 3.498 belastingrente in rekening gebracht (hierna: de rentebeschikking).\n\nBij uitspraak op bezwaar van 30 november 2023 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.\n\nEiseres heeft beroep ingesteld tegen deze uitspraak op bezwaar. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 september 2025 te Haarlem. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] , mr. [naam 2] en [naam 3] .\n\nHet beroep is gelijktijdig behandeld met de beroepen met zaaknummers HAA 24\u002F462, HAA 24\u002F463 en HAA 24\u002F465.\n\nOverwegingen\n\nFeiten\n\nTer zake van erflater en aanslagregeling IB\u002FPVV 2018\n\n1. Op 13 januari 2018 is [naam 4] (hierna: erflater) overleden, de vader van eiseres. Erflater had een 100% aandelenbelang in [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] B.V.).\n\n2. In de namens erflater ingediende aangifte IB\u002FPVV 2018 is ter zake van het aanmerkelijk belang in [bedrijf 1] B.V. een vervreemdingsvoordeel in aanmerking genomen van (overdrachtsprijs € 577.174 -\u002F- verkrijgingsprijs € 18.153 =) € 559.021.\n\n3. In de aan de erven van erflater opgelegde aanslag IB\u002FPVV 2018 is met betrekking tot het aanmerkelijk belang in [bedrijf 1] B.V. een vervreemdingsvoordeel van (overdrachtsprijs € 691.058 -\u002F- verkrijgingsprijs € 18.153 =) € 673.005 in aanmerking genomen. Dit betrof een afrekening over de waarde van de aandelen die toerekenbaar was aan het beleggingsvermogen van [bedrijf 1] B.V. waarop de doorschuiffaciliteit van artikel 4.17a van de Wet IB 2001 niet van toepassing was.\n\nLegaat en herstructurering\n\n4. Erflater heeft het aandelenbelang in [bedrijf 1] B.V. gelegateerd aan zijn echtgenote en drie kinderen (hierna gezamenlijk: de legatarissen). Eiseres verkreeg daardoor een aandelenbelang van 25% in [bedrijf 1] B.V.\n\n5. Op 28 juni 2019 hebben de legatarissen [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2] B.V.) opgericht. Het aandelenkapitaal in [bedrijf 2] B.V. is verdeeld naar de verhouding van het legaat met betrekking tot [bedrijf 1] B.V. Ter volstorting van de aandelen hebben de legatarissen ieder hun belang in [bedrijf 1] B.V. ingebracht in [bedrijf 2] B.V. Op grond van artikel 4.41, eerste lid, van de Wet IB 2001 is ter zake van deze aandelenfusie door eiseres geen vervreemdingsvoordeel in aanmerking genomen. Op grond van artikel 4.42, eerste lid, van de Wet IB 2001 is de verkrijgingsprijs van de aandelen in [bedrijf 1] B.V. doorgeschoven naar de aandelen van [bedrijf 2] B.V.\n\n6. Bij akte van zuivere splitsing is [bedrijf 2] B.V. per 22 augustus 2019 gesplitst in vier verkrijgende vennootschappen. Daarbij is [bedrijf 2] B.V. opgehouden te bestaan. De verkrijgende vennootschappen zijn de persoonlijke houdstervennootschappen van de legatarissen. De persoonlijke houdstervennootschappen hebben door de splitsing onder algemene titel naar rato van de verdeling in het legaat van erflater een aandelenbelang in [bedrijf 1] B.V. verkregen. Op grond van artikel 4.41, tweede lid, van de Wet IB 2001 is ter zake van deze splitsing door eiseres geen vervreemdingsvoordeel in aanmerking genomen. Op grond van artikel 4.42, tweede lid, van de Wet IB 2001 is de verkrijgingsprijs van de aandelen in [bedrijf 2] B.V. (naar rato) doorgeschoven naar de aandelen in de persoonlijke houdstervennootschappen.\n\nDividenduitkeringen en belastingheffing\n\n7. Bij brief van 11 oktober 2019 hebben de legatarissen verzocht om op grond van artikel 4.12a van de Wet IB 2001 dividenduitkeringen van de persoonlijke houdstervennootschappen aan de legatarissen van in totaal € 559.021 niet tot het inkomen uit aanmerkelijk belang (hierna: ab-inkomen) te rekenen.\n\n8. Op 1 november 2019 heeft [bedrijf 1] B.V. een dividend ter beschikking gesteld van in totaal € 2.628.846. Daarvan is 25%, ofwel € 657.212, ter beschikking gesteld aan de persoonlijke houdstervennootschap van eiseres.\n\n9. Bij besluit van 31 december 2019 heeft de persoonlijke houdstervennootschap aan eiseres een dividend ter beschikking gesteld van € 139.755 (hierna: de dividenduitkering).\n\n10. Bij brief van 28 februari 2020 heeft verweerder het standpunt ingenomen dat niet aan de voorwaarden van artikel 4.12a van de Wet IB 2001 wordt voldaan waardoor de dividenduitkering tot het ab-inkomen van eiseres moet worden gerekend.\n\n11. Eiseres heeft aangifte IB\u002FPVV 2019 gedaan naar een verzamelinkomen van € 27.412, bestaande uit een box 1-inkomen.\n\n12. Bij het opleggen van de aanslag is verweerder afgeweken van de aangifte in die zin dat ook een ab-inkomen van € 139.755 in aanmerking is genomen.\n\nGeschil en standpunten van partijen\n\n13. In geschil is of artikel 4.12a van de Wet IB 2001 van toepassing is op de dividenduitkering. Meer specifiek is in geschil of met de dividenduitkering sprake is van reguliere voordelen uit de aandelen die krachtens erfrecht zijn verkregen als bedoeld in voornoemde bepaling. Niet in geschil is dat aan de overige voorwaarden voor toepassing van artikel 4.12a van de Wet IB 2001 is voldaan.\n\n14. Eiseres stelt dat op grond van doel en strekking van artikel 4.12a van de Wet IB 2001 de dividenduitkering niet tot het ab-inkomen moet worden gerekend. Zonder toepassing van artikel 4.12a van de Wet IB 2001 zou door het in aanmerking nemen van het vervreemdingsvoordeel ter zake van het overlijden van haar vader en het in aanmerking nemen van een regulier voordeel ter zake van de dividenduitkering sprake zijn van materieel dubbele heffing over feitelijk dezelfde grondslag. Dat is nu juist wat artikel 4.12a van de Wet IB 2001 blijkens de parlementaire geschiedenis beoogt te voorkomen. Artikel 4.12a van de Wet IB 2001 maakt een koppeling tussen de dividenduitkering en de verkrijgingsprijs van de krachtens erfrecht verkregen aandelen. Door de fiscaal gefacilieerde aandelenfusie en splitsing zijn de aandelen in de persoonlijke houdstervennootschap in de plaats getreden van de aandelen in [bedrijf 1] B.V. waardoor ook in dit geval een ondubbelzinnige koppeling gemaakt kan worden tussen het bij erflater in aanmerking genomen vervreemdingsvoordeel en de dividenduitkering, aldus nog steeds eiseres. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag en rentebeschikking.\n\n15. Verweerder betoogt dat artikel 4.12a van de Wet IB 2001 op basis van de letterlijke tekst van die bepaling enkel van toepassing is op de aandelen die krachtens erfrecht zijn verkregen. De aandelen in de persoonlijke houdstervennootschap kwalificeren niet als zodanig, want de krachtens erfrecht verkregen aandelen zijn de aandelen in [bedrijf 1] B.V. Dit betekent dat de dividenduitkering tot het ab-inkomen moet worden gerekend. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.\n\nBeoordeling van het geschil\n\n16. Artikel 4.12a van de Wet IB 2001 luidt, voor zover relevant:\n\n“Ingeval de belastingplichtige aandelen (…) krachtens erfrecht heeft verkregen en ter zake van die overgang bij de erflater inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking is genomen, worden binnen 24 maanden na het overlijden van de erflater door die belastingplichtige genoten reguliere voordelen uit die aandelen (…) op verzoek, in afwijking van artikel 4.12, niet tot het inkomen uit aanmerkelijk belang gerekend voor zover deze voordelen niet uitgaan boven het bedrag dat bij de erflater ter zake van de overgang krachtens erfrecht als inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking is genomen en voor zover deze voordelen worden afgeboekt op de verkrijgingsprijs van de aandelen (…) in die vennootschap. (…)”\n\n17. In de parlementaire geschiedenis bij de invoering van artikel 4.12a van de Wet IB 2001 (Kamerstukken II 2009\u002F10, 32 129, nr. 3, p. 39 en 40 (MvT))is vermeld:\n\n“Dit artikel houdt verband met het voorstel de doorschuifregeling bij overlijden van een aanmerkelijk belang voortaan niet meer toe te passen ter zake van het in de waarde van de aandelen tot uitdrukking komende beleggingsvermogen. Dit leidt er toe dat bij vererving van een aanmerkelijk belang over de waarde van dat belang voor zover toerekenbaar aan het beleggingsvermogen, voortaan de inkomstenbelastingclaim moet worden afgerekend. Als vervolgens (een deel van) dat beleggingsvermogen kort na het overlijden in de vorm van dividend wordt uitgekeerd (bijv. om de inkomstenbelastingschuld van erflater te voldoen), zou zonder nadere regelgeving over dat dividend inkomstenbelasting verschuldigd zijn. Het zou er derhalve op neer komen dat er dubbel zou worden geheven over materieel dezelfde grondslag. Het nieuwe artikel 4.12a van de Wet IB 2001 voorkomt deze dubbele heffing. Op verzoek wordt het dividend namelijk niet belast, mits het dividend wordt afgeboekt op de verkrijgingsprijs van de krachtens erfrecht verkregen aandelen. Toepassing van dit artikel is alleen mogelijk voor zover het dividend niet uitgaat boven het bedrag dat bij de erflater ter zake van de overgang krachtens erfrecht als inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking is genomen.”\n\nEn (Kamerstukken II 2009\u002F10, 32 129, nr. 8, p.64):\n\n“De leden (…) vragen in hoeverre is overwogen om de in het voorgestelde artikel 4.12a van de Wet IB 2001 neergelegde systematiek van het meegekochte dividend ook van toepassing te verklaren voor andere gevallen dan overlijdensgevallen. Ook het RB en de redactie Vakstudienieuws vragen om een toelichting waarom dit artikel niet van toepassing is op reguliere voordelen binnen 24 maanden na schenken van de ab-aandelen. Dat deze maatregel is beperkt tot situaties van vererven, is gelegen in het onvoorziene karakter van het moment van overlijden. Schenken is daartegen een rechtshandeling die welbewust en planmatig plaatsvindt. Zoals ook de Raad van State in zijn advies heeft opgemerkt kunnen in dat geval de beleggingen voorafgaand aan de overdracht krachtens schenking door middel van een dividenduitdeling aan de vennootschap worden onttrokken. Eenzelfde maatregel voor andere gevallen dan overlijdensgevallen is dan ook niet nodig.”\n\n18. In de Fiscale Verzamelwet 2015 is een wijziging opgenomen waardoor de toepassing van artikel 4.12a van de Wet IB 2001 werd uitgebreid naar reguliere voordelen uit aandelen of winstbewijzen die de erfgenaam reeds in bezit had. Dit betreft de wettelijke codificatie van bestaand beleid (Besluit van 17 september 2014, nr. BLKB2014\u002F1321M).\n\n20. Naar het oordeel van de rechtbank is artikel 4.12a van de Wet IB 2001 op basis van doel en strekking van die bepaling van toepassing op de dividenduitkering. Uit voornoemde wetsgeschiedenis volgt immers dat in het onvoorziene geval van overlijden van een aanmerkelijkbelanghouder voorkomen moet worden dat dubbele belastingheffing plaatsvindt over materieel dezelfde grondslag, namelijk over het beleggingsvermogen bij de erflater en (wanneer na het overlijden dat beleggingsvermogen in de vorm van dividend wordt uitgekeerd) het reguliere voordeel bij uitkeringen aan de erfgenaam binnen 24 maanden na het overlijden van erflater. Uit de parlementaire geschiedenis volgt niet dat de wetgever bewust niet heeft willen voorzien in een geval als het onderhavige, terwijl de materieel dubbele heffing zich in onderhavig geval ook zou voordoen. Bij erflater is immers afgerekend over het beleggingsvermogen, de aandelen in de persoonlijke houdstervennootschap zijn door de fiscaal gefacilieerde aandelenfusie en splitsing in de plaats zijn getreden van de aandelen in [bedrijf 1] B.V. en niet weersproken is dat de dividenduitkering haar oorsprong vindt in het beleggingsvermogen van [bedrijf 1] B.V. Verweerder heeft ook niet weersproken dat toepassing van artikel 4.12a van de Wet IB 2001 op de dividenduitkering in lijn zou zijn met doel en strekking van die bepaling, maar bepleit een strikte toepassing op grond van wettekst gelet op het rechtszekerheidsbeginsel en legaliteitsbeginsel. De rechtbank kan dit betoog niet volgen omdat de door eiseres voorgestane toepassing ten gunste van belastingplichtige komt omdat daarmee belastingheffing wordt uitgesteld tot het moment van vervreemding van de aandelen. Verweerder heeft ook desgevraagd ter zitting niet kunnen uitleggen in hoeverre toepassing van de regeling op onderhavige situatie zou kunnen leiden tot ongewenste gevolgen en enkel gewezen op mogelijke precedentwerking. Dat de wetgever de noodzaak heeft gezien om het beleidsbesluit uit 2014 met betrekking tot reeds in bezit zijnde aandelen te codificeren, maakt niet dat enkel de letterlijke tekst van de wet doorslaggevend is. Dit betekent ook dat verweerder zich niet met vrucht op het kennisgroepstandpunt van 1 oktober 2016 kan beroepen.\n\nRentebeschikking\n\n21. Tegen het in rekening brengen van belastingrente heeft eiseres geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd. De rentebeschikking dient verminderd te worden overeenkomstig de vermindering van de aanslag.\n\nSlotsom\n\n22. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dient het beroep gegrond te worden verklaard. Het ab-inkomen wordt verminderd naar nihil. De rentebeschikking dient dienovereenkomstig te worden verminderd.\n\nProceskosten\n\n23. De rechtbank ziet in het bovenstaande aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank stelt de proceskosten voor de vier zaken van de legatarissen gezamenlijk vast op € 2.721, waarbij aan eiseres een kwart wordt toegekend, ofwel € 680,25. De rechtbank heeft op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand twee punten toegekend voor de beroepsfase, te weten 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting. De waarde per punt is € 907. Daarbij is een wegingsfactor 1,5 toegepast wegens samenhang van vier of meer zaken. Voor de bezwaarfase wordt geen kostenvergoeding toegekend omdat daartoe niet overeenkomstig artikel 7:15, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is verzocht alvorens op het bezwaar is beslist.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n₋ verklaart het beroep gegrond;\n\n₋ vernietigt de uitspraak op bezwaar;\n\n₋ vermindert de aanslag in die zin dat het ab-inkomen wordt verminderd naar nihil;\n\n₋ vermindert de rentebeschikking overeenkomstig de vermindering van de aanslag;\n\n₋ veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 680,25; en\n\n₋ draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51 aan eiseres te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.E. Kiers, voorzitter, en mr. J. Snitker en mr. C.M.J.C. Snoek-Bakker, leden, in aanwezigheid van mr. M.B.K. Stroosnier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2025.\n\ngriffier voorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.\n\nBij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:12725","2025-11-04T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:24.682Z",{"id":71,"ecli":72,"slug":73,"caseNumber":43,"courtId":74,"decisionDate":75,"fullText":76,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":77,"sourceTimestamp":78,"parsedAt":50,"updatedAt":79},"426","ECLI:NL:RBDHA:2025:28003","ecli-nl-rbdha-2025-28003",58,"2025-09-19T00:00:00.000Z","Rechtbank DEN HAAG\n\nTeam belastingrecht\n\nzaaknummer: SGR 24\u002F8337\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 september 2025 in de zaak tussen\n [eiser], wonende te [woonplaats], eiser,\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.\n\nDe bestreden uitspraak op bezwaar\n\nDe uitspraak van verweerder van 11 september 2024 op het bezwaar van eiser tegen de voor het jaar 2022 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen.\n\nZitting\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2025.\n\nEiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [medewerker belastingdienst 1] en mr. [medewerker belastingdienst 2].\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar;\n\nverklaart het bezwaar ongegrond;\n\ndraagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51 aan eiser te vergoeden.\n\nOverwegingen\n\nFeiten\n\n1. Eiser heeft aangifte IB\u002FPVV voor het jaar 2022 gedaan naar een verzamelinkomen van € 15.417, bestaande uit € 15.417 aan belastbaar inkomen uit werk en woning.\n\nDe waarde van de door eiser in zijn aangifte verantwoorde bezittingen en schulden resulteren in een rendementsgrondslag van € 39.433. Met inachtneming van het heffingvrije vermogen van € 50.650 is de grondslag sparen en beleggen nihil.\n\nMet dagtekening van 10 juni 2023 is de aanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2022 (de aanslag) opgelegd overeenkomstig de ingediende aangifte. Het inkomen uit sparen en beleggen is daarbij dan ook gesteld op nihil.\n\n2. Eiser had over het jaar 2022 een voorschot huurtoeslag ontvangen van € 4.024. Dit voorschot was gebaseerd op de over het jaar 2021 aan hem toegekende huurtoeslag. Bij besluit van 11 augustus 2023 heeft de inspecteur van de Belastingdienst\u002FToeslagen de zorg- en huurtoeslag voor eiser over het jaar 2022 vastgesteld op nihil en is eiser aangezegd dat hij het aan hem uitbetaalde voorschot van € 4.024 dient terug te betalen (de Beschikking).\n\n3. Bij brief van 13 september 2023 heeft eiser bij de Dienst Toeslagen bezwaar tegen de Beschikking gemaakt. De Dienst Toeslagen heeft het bezwaar ter behandeling doorgezonden aan verweerder. De reden daarvoor is dat het bij de beoordeling van het bezwaar aankomt op een vraag die in het domein van verweerder is gelegen,te weten die naar de hoogte van de rendementsgrondslag.\n\n4. Verweerder heeft bij uitspraak van 11 september 2024 het bezwaar als kennelijk nietontvankelijk van de hand gewezen. Hij heeft daartoe overwogen dat, nu in de aanslag geen inkomen uit sparen en beleggen in aanmerking is genomen, eiser niet beter kan worden van zijn bezwaar.\n\nGeschil\n\n5. Het standpunt van eiser is dat verweerder de Wet rechtsherstel box 3 onjuist heeft toegepast, door niet de voor zijn geval gunstigste methode te kiezen van de twee methodes waarin die wet voorziet. Ter zitting heeft hij daaraan, subsidiair, een beroep toegevoegd op het vertrouwen dat hij heeft ontleend aan mededelingen op de website van de Belastingdienst.\n\n6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard, om dezelfde reden als waarom hij het bezwaar niet-ontvankelijk had verklaard. Met betrekking tot het materiële geschilpunt is zijn standpunt dat de Beschikking berust op een correcte vaststelling van de rendementsgrondslag en dat het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel moeten falen.\n\nBeoordeling\n\n7. Eiser heeft zijn bezwaar tegen de Beschikking in zijn brief van 13 september 2013 geformuleerd als volgt:\n\n“Bij deze maak ik bezwaar tegen de door u aan mij opgelegde definitieve aanslag over ad 2022 ad. € 4.024 terug te betalen huurtoeslag”\n\nMet de Beschikking is de aanspraak van eiser op huurtoeslag vastgesteld op nihil, wat ertoe leidt dat eiser het door hem ontvangen voorschot dient terug te betalen. Blijkens de hiervoor geciteerde bewoording is dat, waartegen eiser in bezwaar is opgekomen.\n\nVerweerder heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op grond van een overweging die betrekking heeft op een andere beschikking dan de Beschikking, te weten de aanslag. Van bezwaar tegen de aanslag kan eiser inderdaad niet beter worden, maar dat is niet waartegen hij is opgekomen. Zijn bezwaar is gericht tegen de Beschikking en dat kon hem bij gegrondverklaring (wel degelijk) in een betere positie brengen.\n\nVerweerder heeft het bezwaar dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Om die reden heeft de rechtbank de uitspraak op bezwaar vernietigd.\n\n8. Bij vernietiging van de uitspraak op bezwaar doet de rechtbank wat verweerder had moeten doen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het bezwaar ongegrond had moeten verklaren. Onderstaand legt zij uit waarom.\n\n9. Eiser had over het jaar 2021 huurtoeslag ontvangen. Dat hem over het jaar 2022 huurtoeslag is ontzegd, is volgens hem terug te voeren op verandering in de wetgeving die is gevolgd op het zogenaamde kerstarrest.Eiser heeft daarbij het oog op de Wet rechtsherstel box 3 (de Wet rechtsherstel). Deze wet regelt dat het box 3-inkomen wordt bepaald op de voet van de voor de belanghebbende meest gunstige van een van twee methodes; te weten die van de Wet IB 2001 en de alternatieve berekeningswijze waarin de Wet rechtsherstel voorziet.Dat aan eiser met de Beschikking huurtoeslag over 2022 is ontzegd, komt volgens hem doordat niet de voor hem meest gunstige van beide methoden is toegepast.\n\n10. Het standpunt van eiser berust op een misvatting. Dat hij wel over 2021 aanspraak had op huurtoeslag maar niet over 2022, wordt naar de overtuiging van de rechtbank erdoor veroorzaakt dat zijn vermogen in de loop van 2021 is toegenomen, waardoor hij per begin 2022 over een te groot vermogen beschikt om aanspraak te kunnen maken op bepaalde toeslagen. Dit wordt in de volgende twee overwegingen uitgelegd.\n\n11. In artikel 7, derde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (AWIR) is bepaald bij welk vermogen geen aanspraak (meer) kan worden gemaakt op bepaalde toeslagen. Deze bepaling is per 1 januari 2001 gewijzigd. Die wijzing heeft niet met de Wet rechtsherstel te maken, maar met de verhoging van het heffingvrije vermogen (artikel 5.5 Wet IB 2001).\n\nTot 1 januari 2021 bepaalde artikel 7, derde lid, van de AWIR dat geen recht op huurtoeslag bestond zodra over voordeel uit sparen en beleggen belasting werd geheven. Dat is het geval zodra het vermogen (de grondslag sparen en beleggen) uitgaat boven het heffingvrije vermogen. In 2020 bedroeg het heffingvrije vermogen € 30.846. Het komt er dus op neer dat zodra het vermogen uitging boven dat dat bedrag geen recht op huurtoeslag bestond.\n\nMet ingang van 1 januari 2001 heeft de wetgever het heffingvrije vermogen verhoogd, van € 30.846 in 2020 tot € 50.000 in 2021. Het effect daarvan zou zijn dat ineens aanspraak op huurtoeslag zou bestaan bij een vermogen van bijna € 20.000 méér. Dat heeft de wetgever niet gewild. Hij heeft daarom artikel 7, derde lid, van de AWIR gewijzigd; en wel zó dat niet langer bepalend is of belasting in box 3 wordt geheven, maar of het vermogen uitgaat boven een bedrag dat correspondeert met het heffingvrije vermogen naar het niveau van voor 2021. De verandering van dit artikellid strekte er dus toe, te voorkomen dat voor wat betreft de aanspraak op bepaalde toeslagen materieel iets zou veranderen.\n\n12. Voor het jaar 2022 is het in artikel 7, derde lid, van de AWIR genoemde bedrag vanaf wanneer geen recht meer bestaat op toeslagen gesteld op € 31.747.\n\nHet vermogen van eiser bestond per 1 januari 2022 voor € 9.220 uit effecten en voor € 84.073 uit een onroerende zaak, tot het bedrag van € 69.451 waren gefinancierd met leningen. De rendementsgrondslag van eiser was daarmee € 39.433, dus te veel om voor huurtoeslag in aanmerking te komen. Dat eiser in 2021 wel, maar in 2022 niet voor huurtoeslag in aanmerking komt, komt – zoals ter zitting is besproken – vrijwel zeker doordat de effecten en het vastgoed gedurende 2021 met ten minste € 7.591 in waarde zijn gestegen, waardoor het vermogen van eiser per 1 januari 2022 met dat bedrag boven de grens van artikel 7, derde lid, AWIR uitgaat.\n\n13. Dat in 2021 wel maar in 2022 geen recht op huurtoeslag bestond, kan in ieder geval niet worden verklaard door de Wet rechtsherstel en\u002Fof de manier waarop verweerder die heeft toegepast. Die wet regelt namelijk niets dat van invloed kan zijn op het recht op huurtoeslag.\n\n14. De Wet rechtsherstel regelt het volgende.\n\nHet belaste voordeel uit sparen en beleggen is het forfaitaire rendementspercentage, vermenigvuldigd met de grondslag sparen en beleggen.De grondslag sparen en beleggen is de rendementsgrondslag, voor zover deze uitgaat boven – of anders gezegd: verminderd met – het heffingvrije vermogen.De rendementsgrondslag is waarde van de bezittingen verminderd met de waarde van de schulden voor zover die schulden uitgaan boven de drempel van € 3.200.\n\nMet de Wet rechtsherstel beoogde de wetgever het box 3-stelsel in overeenstemming te brengen met het ‘kerstarrest’.Daartoe is een alternatieve methode geïntroduceerd voor de berekening van het voordeel uit sparen en beleggen, die alleen wordt toegepast als deze voor de belanghebbende gunstiger uitpakt dan de berekening volgens de Wet IB 2001 zelf.\n\nHet verschil tussen de alternatieve methode en die van de Wet IB 2001 is alleen gelegen in de hoogte van het forfaitaire rendement. De wet rechtsherstel laat de rendementsgrondslag geheel ongemoeid: ook bij toepassing van de alternatieve methode is de rendementsgrondslag het saldo van de bezittingen en de schulden.\n\n15. Dan komt de rechtbank nu toe aan de vraag of de Beschikking juist is. Daaromtrent overweegt zij als volgt.\n\nArtikel 7, derde lid, van de AWIR bepaalt voor het jaar 2022, voor zover relevant:\n\n“Indien in een inkomensafhankelijke regeling de aanspraak op een tegemoetkoming mede afhankelijk is gesteld van het vermogen, bestaat geen aanspraak op een tegemoetkoming, indien de rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001, van de belanghebbende aan het begin van het berekeningsjaar meer bedraagt dan € 31.747 (...)”\n\nVoor de vraag naar aanspraak op huurtoeslag komt het derhalve aan op de hoogte van de rendementsgrondslag.\n\nEiser heeft aangifte IB\u002FPVV gedaan naar een rendementsgrondslag van nihil, wat bij het vaststellen van de aanslag is overgenomen. De vaststelling in de Beschikking dat eiser geen aanspraak heeft op huurtoeslag bouwt daarop voort. Eiser heeft niet aangevoerd dat de rendementsgrondslag op een ander bedrag moet worden vastgesteld dan volgens zijn aangifte en de opgelegde aanslag IB\u002FPVV. De rechtbank beoordeelt de Beschikking daarom als juist.\n\n16. Eiser beroept zich subsidiair op het vertrouwen dat hij heeft ontleend, en stelt ook te hebben mogen ontlenen aan de navolgende mededelingen op de website van de Belastingdienst:\n\n“2 methodes om uw box 3-inkomen te berekenen\n\nDe oude methode gaat uit van een fictieve verdeling van vermogensbestanddelen.\n\nDe nieuwe methode berekenen we volgens het Rechtsherstel.\n\nOude methode box 3-inkomen – hoe werkt dat?\n\nVoor de jaren 2021 en 2022 berekenen wij uw box 3-inkomen met de oude en de nieuwe methode. Vervolgens passen wij de meest gunstige methode toe op uw definitieve aanslag\n\ninkomstenbelasting. Ook als u over de periode 2017-2022 rechtsherstel hebt gehad, passen wij de meest gunstige methode toe.\n\nDe basis is uw inkomen uit vermogen\n\nDe basis voor de oude methode is uw inkomen uit vermogen. Dit noemen wij de grondslag sparen en beleggen. Dat is de waarde van uw vermogen (uw bezittingen min uw schulden) min uw heffingsvrij vermogen. U gaat daarbij uit van de situatie op 1 januari van het jaar waarover u aangifte doet.”\n\nDeze passage kan naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs niet zo worden gelezen als eiser dat doet. Zijn beroep op het vertrouwensbeginsel faalt daarom.\n\nSlotsom\n\n17. Omdat verweerder het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard (zie r.o. 7), is het beroep gegrond en dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht aan hem te vergoeden. Omdat de Beschikking naar het oordeel van de rechtbank juist is (r.o. 8 tot en met 15) en het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel faalt (r.o. 16), verklaart de rechtbank het bezwaar ongegrond.\n\n18. Niet is gebleken dat eiser voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gehad. Daarom bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Pelinck, rechter, in aanwezigheid van mr. L.J.E. Steijvers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 september 2025.\n\nDe griffier is verhinderd te ondertekenen\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).\n\nDat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.\n\nVerder vermeldt u ten minste het volgende:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).\n\n Artikel 8a, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (AWIR).\n\n HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963.\n\n De Wet rechtsherstel box 3 is ingevoerd op 21 december 2022 en heeft terugwerkende kracht tot 1 januari 2017.\n\n Artikel 5.2, eerste lid, Wet IB 2001.\n\n Artikel 5.2, eerste lid, Wet IB 2001.\n\n Artikel 5.3, eerste lid en derde lid, letter f, Wet IB 2001; in zowel 2021 als 2022).\n\n Wat overigens niet is gelukt; zie HR 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:704 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fid20b946068984449ba7c944bd283450b1) en ECLI:NL:HR:2024:705 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fide9bd3d3e2a5b408796f3b52de4a8729f), alsmede HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:857 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fid20b946068984449ba7c944bd283450b1).\n\n Tekst 2022.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:28003","2026-06-10T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:29.290Z",{"id":81,"ecli":82,"slug":83,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":84,"fullText":85,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":86,"sourceTimestamp":84,"parsedAt":50,"updatedAt":87},"1275","ECLI:NL:RBGEL:2025:7333","ecli-nl-rbgel-2025-7333","2025-08-29T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ARN 24\u002F41, 24\u002F44, 24\u002F46, 24\u002F47, 24\u002F49 en 24\u002F50\n uitspraak van de meervoudige belastingkamer van\n\nin de zaken tussen\n \n [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende\n\n(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Eindhoven, de inspecteur,\n\nen\n\nde Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), in Den Haag, de Staat.\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 29 augustus 2023.\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 8 april 2021 vijf aanslagen schenkbelasting opgelegd.\n\nDe inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard.\n\n Rechtbank Den Haag heeft de beroepen met toepassing van art. 8:13 van de Algemene wet bestuursrecht verwezen naar deze rechtbank.\n\nDe inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen op 27 mei 2025 op zitting gezamenlijk behandeld met de procedures van [persoon A] (zaaknummers ARN 24\u002F127, 24\u002F128, 24\u002F129, 24\u002F131 en 24\u002F132), [persoon B] (zaaknummers ARN 24\u002F123 t\u002Fm 24\u002F125), [persoon C] (zaaknummers ARN 23\u002F7106, 23\u002F7111 en 23\u002F7113) en [persoon D] (zaaknummers ARN 24\u002F66, 24\u002F75 en 24\u002F78). Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigden van belanghebbende, bijgestaan door [persoon E] , en namens de inspecteur [persoon F] , [persoon G] , [persoon H] en [persoon I] .\n\nFeiten\n\n [naam bedrijf] B.V. (de BV) is eigenaresse van het landgoed [naam landgoed] (het landgoed). Het geplaatste kapitaal van de BV bestaat uit 2.268.960 aandelen. Voor de heffing van schenkbelasting kwalificeert de BV op grond van artikel 7a van de Natuurschoonwet (NSW) als fiscaal transparant.\n\n [persoon J] (de schenker) heeft aan belanghebbende geschonken:\n\nop 1 januari 2018 bij overeenkomst van schenking € 110.000 onder schuldigerkenning;\n\nop 1 januari 2018 bij overeenkomst van schenking € 12.222 in contanten;\n\nop 9 april 2018 bij notariële akte 283.620 aandelen in de BV met een waarde van € 1.897.760;\n\nop 9 april bij notariële akte € 187.500 onder schuldigerkenning; en\n\nin december 2018 € 5.363 in contanten.\n\n3. Belanghebbende heeft op 7 maart 2019 van de schenkingen aangifte schenkbelasting gedaan.\n\n4. In de toelichting bij de aangifte zijn de bezittingen en schulden van de BV als volgt gespecificeerd:\n\nBezittingen\n\nOnder de NSW gerangschikte onroerende zaken\n\n€\n\n16.796.167\n\nNiet onder de NSW gerangschikte onroerende zaken\n\n€\n\n767.435\n\nInventaris\n\n€\n\n37.707\n\nOverige vorderingen\n\n€\n\n270.672\n\nOverlopende activa\n\n€\n\n32.684\n\nLiquide middelen\n\n€\n\n179.060\n\nTotaal bezittingen\n\n€\n\n18.083.725\n\nSchulden\n\nOverige voorzieningen\n\n€\n\n185.000\n\nLanglopende schulden\n\n€\n\n2.707.133\n\nKortlopende schulden\n\n€\n\n109.507\n\nTotaal schulden\n\n€\n\n3.001.640\n\n5. Tot de langlopende schulden behoort een schuld aan de schenker van € 100.000.\n\n6. Met dagtekening 8 april 2021 heeft de inspecteur aanslagen schenkbelasting opgelegd ten aanzien van:\n\nde schenking van € 110.000 naar een te betalen bedrag van € 17.322;\n\nde schenking van € 12.222 naar een te betalen bedrag van € 1.925;\n\nde geschonken aandelen naar een belaste verkrijging van € 1.897.760 en een te betalen bedrag aan schenkbelasting van nihil;\n\nde schenking van € 187.500 naar een te betalen bedrag van € 18.731; en\n\nde schenking van € 5.363 naar een te betalen bedrag van € 844.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n7. De rechtbank beoordeelt of de direct verschuldigde schenkbelasting te hoog en de invorderingsvrijstelling naar een te laag bedrag is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n8. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur de direct verschuldigde schenkbelasting niet te hoog en het bedrag dat onder de invorderingsvrijstelling valt niet te laag heeft vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.Tardief\n\n9. Belanghebbende stelt ter zitting dat de aanslagen ten aanzien van de schenkingen die op 1 januari 2018 zijn gedaan, namelijk de schenking van € 110.000 onder schuldigerkenning en de schenking van € 12.222 in contanten, buiten de aanslagtermijn zijn opgelegd. Volgens belanghebbende is dit standpunt niet te laat ingenomen, omdat zijn stelling ziet op een ontvankelijkheidsvraag. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst hij de uitspraak van deze rechtbank van 9 april 2020.\n\n10. De rechtbank oordeelt dat de beroepsgrond tardief is en overweegt daartoe als volgt. De inspecteur heeft naar aanleiding van de stelling van de gemachtigde gesteld dat hij ervan is uitgegaan dat alle aanslagen tijdig zijn opgelegd, dat de tijdigheid van de aanslagen niet eerder aan de orde is geweest en dat hij door de nieuwe stelling wordt overvallen. Desgevraagd heeft de gemachtigde verklaard dat hij een dag voor de zitting ontdekte dat de aanslagen te laat waren opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende geen argumenten aangevoerd die het in een dusdanig laat stadium inbrengen van een nieuwe beroepsgrond rechtvaardigen. Het toelaten van deze beroepsgrond tot het geding zou meebrengen dat de inspecteur gelegenheid moet krijgen om daarop te reageren, waarbij hij feitelijk onderzoek naar het ingenomen standpunt moet doen. Om adequaat te kunnen reageren op de beroepsgrond zou het vooronderzoek dus moeten worden heropend. Dat zou een aanzienlijke vertraging in de procesgang opleveren. De rechtbank is van oordeel dat het algemene belang van een doelmatige procesgang zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende bij het innemen van een nieuwe beroepsgrond. Hierbij speelt mede dat belanghebbende dit standpunt in elke eerdere fase van het geding ook al had kunnen innemen. Dat hij pas een dag voor de zitting heeft ontdekt dat deze aanslagen te laat zijn opgelegd, dient voor zijn rekening en risico te komen. Ook de verwijzing naar de uitspraak van 9 april 2020 maakt het oordeel niet anders. In die zaak stelde de inspecteur pas voor het eerst tijdens de zitting dat het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard. De rechtbank achtte deze stelling niet tardief, omdat de rechtbank ambtshalve de ontvankelijkheid van het bezwaar moet onderzoeken. Dit geldt niet voor de vraag of een aanslag tijdig is opgelegd, omdat de tijdigheid van het opleggen van een aanslag geen ontvankelijkheidskwestie is.\n\nSchenkbelasting\n\n11. Belanghebbende stelt dat de inspecteur de direct verschuldigde schenkbelasting te hoog heeft vastgesteld. Volgens belanghebbende moeten de schenkingen eerst op grond van artikel 27 Successiewet 1956 (SW) bij elkaar worden opgeteld en vervolgens moet de verschuldigde schenkbelasting worden berekend. Daarna moet de invorderingsvrijstelling worden toegepast op het landgoed. Belanghebbende heeft de verschuldigde schenkbelasting cijfermatig als volgt onderbouwd, waarbij in kolom A is weergegeven de verschuldigde schenkbelasting, in kolom B de verschuldigde belasting met toepassing van artikel 7 NSW en in kolom C het bedrag van de invorderingsvrijstelling:\n\nA\n\nB\n\nC\n\nSchenking 1\n\n110.000\n\n110.000\n\nSchenking 2\n\n12.222\n\n12.222\n\nSchenking 3\n\n- NSW-landgoederen\n\n2.099.521\n\n- Overige bezittingen\n\n160.945\n\n160.945\n\n- Overige schulden\n\n-362.705\n\n-362.705\n\nSchenking 4\n\n187.500\n\n187.500\n\nSchenking 5\n\n5.363\n\n5.363\n\nTotaal\n\n2.212.845\n\n113.324\n\nVrijstelling schenkbelasting\n\n5.363\n\n5.363\n\nGrondslag schenkbelasting\n\n2.207.482\n\n107.961\n\nHierover verschuldigd\n\n429.171\n\n10.796\n\n418.375\n\nVolgens belanghebbende biedt artikel 27 SW geen ruimte om per schenking een afzonderlijke aanslag op te leggen als deze tot een voordeel van de belastingplichtige leidt. Doordat de inspecteur dit wel heeft gedaan, heeft belanghebbende zowel een deel van de kindvrijstellingals van de invorderingsvrijstelling verloren. Belanghebbende vindt dat de inspecteur ten onrechte per schenking een aanslag heeft opgelegd.\n\n12. De inspecteur stelt dat per schenking allereerst het belastbaar bedrag moet worden bepaald en dat pas daarna voor de toepassing van artikel 27 SW de schenkingen bij elkaar moeten worden opgeteld. Een andersluidende opvatting, zoals die van belanghebbende, heeft tot gevolg dat toepassing van artikel 7 NSW op het landgoed leidt tot een negatieve waarde van de schenking die dan wordt verrekend met de andere schenkingen. Dat is niet juist, omdat van een schenking met een negatieve waarde geen sprake kan zijn. Het belastbare bedrag van de schenking van de aandelen bedraagt dus nihil en daarmee moet rekening worden gehouden bij toepassing van artikel 27 SW.\n\n12. De rechtbank overweegt als volgt. De schenkbelasting is een tijdstipbelasting ter zake van elke afzonderlijke schenkingshandeling.In de systematiek van de schenkbelasting moet daarom allereerst per schenking worden bepaald of sprake is van een belastbaar feit, en zo ja, wat het belastbare bedrag is. Pas daarna wordt toegekomen aan de samentelbepaling van artikel 27 SW. Dit sluit aan bij de systematiek van de SW, waarbij allereerst wordt vastgesteld of sprake is van een belastbaar feit (hoofdstuk I) en vervolgens het belastbare bedrag wordt bepaald (hoofdstuk II). Pas wanneer ter zake van de schenkingen afzonderlijk het belastbare bedrag is vastgesteld wordt toegekomen aan artikel 27 SW (hoofdstuk III: tarief; berekening van de belasting; vrijstellingen). Ten aanzien van de geschonken aandelen bedraagt het totale bedrag aan activa minder dan het totale bedrag aan passiva van de BV wanneer door toepassing van de invorderingsvrijstelling het landgoed buiten beschouwing blijft. Het belastbare bedrag van die schenking is daarom terecht vastgesteld op nihil. De rechtbank volgt belanghebbende niet in zijn standpunt dat hij een deel van de kindvrijstelling heeft verloren doordat voor iedere schenking afzonderlijk een aanslag is opgelegd. Wanneer de rechtbank de berekeningen in het beroep- en verweerschrift met elkaar vergelijkt, dan stelt zij vast dat partijen op hetzelfde bedrag aan verschuldigde schenkbelasting komen en dat in beide berekeningen rekening is gehouden met de kindvrijstelling. Voor zover belanghebbende toch van mening is dat de inspecteur de kindvrijstelling maar voor een deel heeft toegepast, hetgeen de rechtbank niet is gebleken, heeft belanghebbende geen antwoord kunnen geven op de vraag welke aanslag te hoog is vastgesteld doordat met de kindvrijstelling onvoldoende rekening is gehouden. Verder volgt zij belanghebbende ook niet in haar stelling dat de invorderingsvrijstelling slechts voor een deel is toegepast. De invorderingsvrijstelling heeft tot doel te verhinderen dat particuliere landgoederen in gedeelten uiteenvallen vanwege de hoge last van de schenk- en\u002Fof erfbelastingen in dit geval blijft het gehele bedrag aan schenkbelasting betreffende de geschonken buiten de invordering. De omstandigheid dat de negatieve waarde die door toepassing van artikel 7 NSW is ontstaan niet kan worden verrekend met andere schenkingen betekent niet dat de invorderingsvrijstelling dus te beperkt is toegepast.\n\nImmateriële schadevergoeding\n\n14. Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het de arresten van 19 februari 2016en 14 juni 2024.\n\n15. De inspecteur heeft het bezwaarschrift van belanghebbende ontvangen op 18 mei 2021. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is (afgerond) vier jaren en vier maanden. Dat is langer dan de redelijke termijn van twee jaren. De rechtbank ziet geen redenen om de redelijke termijn in dit geval langer of korter vast te stellen. De redelijke termijn is dus met (afgerond) 28 maanden overschreden. Belanghebbende heeft daarom recht op een schadevergoeding van € 500 per half jaar naar boven afgerond. Omdat meerdere zaken van belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld die in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp hanteert de rechtbank voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per half jaar. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een schadevergoeding van € 2.500. In de omstandigheid dat de zaken van belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld met de zaken van vier andere belastingplichtigen waarvan de zaken ook betrekking hebben op hetzelfde onderwerp als de zaken van belanghebbende ziet de rechtbank aanleiding om de schadevergoeding te verminderen tot een bedrag van € 500.\n\n16. De uitspraak op bezwaar van de inspecteur dateert van 29 augustus 2023. Dit is afgerond 22 maanden langer dan zes maanden na de ontvangst van het bezwaarschrift. De rechtbank zal de inspecteur en de Staat daarom veroordelen om de schadevergoeding aan belanghebbende te betalen ter grootte van respectievelijk € 393 (22\u002F28 * € 500) en € 107 (6\u002F28 * € 500).\n\n16. Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek.\n\nConclusie en gevolgen\n\n18. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat belanghebbende ongelijk krijgt. Hij krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten, behalve € 226,75 voor het verzoek om een immateriële schadevergoeding (1 punt met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 0,25) Omdat op grond van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht de zaken van belanghebbende samenhangen met de zaken van vier andere belastingplichtigen vermenigvuldigd de rechtbank de vermelde vergoeding met 1,5 en deelt de rechtbank de vergoeding door vijf. De totale vergoeding bedraagt daarmee afgerond € 68,03 (€ 226,75 x 1,5 = € 340,13 \u002F 5). De inspecteur en de Staat moeten ieder de helft vergoeden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart de beroepen ongegrond;\n\nveroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 393;\n\nveroordeelt de Staat tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 107;\n\nbepaalt dat de inspecteur de proceskosten van belanghebbende vergoedt tot een bedrag van € 34,01;\n\nbepaalt dat de Staat de proceskosten van belanghebbende vergoedt tot een bedrag van € 34,02.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J. Wessels, voorzitter, en mr. L.L. van Benthem en mr. J.A.L. Heldens, rechters, in aanwezigheid van mr. R. Zeldenrust, griffier. Uitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nde voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n ECLI:NL:RBGEL:2020:2229.\n\n Artikel 33, eerste lid, ten vijfde, SW.\n\n Hoge Raad 10 november 2017 ECLI:NL:HR:2017:2840, r.o. 2.3.4.\n\n Hoge Raad 27 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1183, r.o. 3.3.1.\n\n ECLI:NL:HR:2016:252.\n\n ECLI:NL:HR:2024:853.\n\n Vgl. Hoge Raad 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:154.\n\n Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, 20210, en de Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 oktober 2017, Staatscourant 2017, 62751.\n\n Hoge Raad 9 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:216 en Hoge Raad 6 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:865.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:7333","2026-07-13T00:29:13.387Z",{"id":89,"ecli":90,"slug":91,"caseNumber":43,"courtId":64,"decisionDate":92,"fullText":93,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":94,"sourceTimestamp":95,"parsedAt":50,"updatedAt":96},"621","ECLI:NL:RBNHO:2025:2276","ecli-nl-rbnho-2025-2276","2025-03-07T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: HAA 23\u002F3259\n uitspraak van de meervoudige kamer van 7 maart 2025 in de zaak tussen\n \n [eiseres] , uit [plaats] , eiseres\n\ngemachtigde: R.J.C. Segers AA RB,\n\nen\n\nde minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, (voorheen de minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening), de minister\n\ngemachtigde: mr. C.J.M. Daniels, in dienst van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.\n\nInleiding\n\n1.1.. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of de aanvraag van eiseres om een definitieve investeringsverklaring voor haar investering in 30 woningen in een (zorg)complex in Heemstede als bedoeld in de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II (Wmw) en de Regeling Vermindering Verhuurderheffing 2014 (de Regeling) terecht is afgewezen.\n\n1.2.. De minister heeft de aanvraag met het besluit van 8 september 2022 (het primaire besluit) afgewezen. Met het besluit van 30 maart 2023 op het bezwaar van eiseres (het bestreden besluit) is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.\n\n2. De rechtbank heeft het beroep op 19 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres vergezeld door [naam 1] (beiden werkzaam voor BDO) en [naam 2] en [naam 3] (beiden in dienst bij eiseres) en de gemachtigde van de minister.\n\n3. De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nFeiten4.1. \n\nEiseres heeft in Heemstede een complex zelfstandige woonruimten gerealiseerd.\n\nZij heeft op 24 maart 2022 de minister voor de in totaal 48 woningen in dat complex aan het [adres 1] en de [adres 2] te Heemstede gevraagd om ‘afdrachtvermindering verhuurderheffing gerealiseerde investeringen’ in het kader van de Wmw. Daarbij heeft eiseres aangegeven dat het gaat om investeringscategorie Nieuwbouw onder de 1e aftoppingsgrens.\n\n4.2. In de daarop volgende mailwisseling heeft de minister eiseres op 28 april 2022 laten weten dat 18 van de 48 woningen niet voldoen aan de voorwaarden, omdat de huur van die woningen hoger is dan de eerste aftoppingsgrens. Daarnaast heeft de minister eiseres in genoemde mail gevraagd om te verklaren dat de bewoners van de overige woningen zelf voorzien in de bekostiging van de wooncomponenten.\n\n4.3. Eiseres heeft hierop gereageerd per mail van 12 mei 2022. Daarin heeft eiseres aangegeven akkoord te zijn met de afwijzing van de aanvraag voor 18 van de 48 woningen. In genoemde mail heeft eiseres voorts verklaard dat de aanvangshuur van de resterende 30 woningen per woning ligt onder de aftoppingsgrens. De woningen bevinden zich in het appartementencomplex aan het [adres 1] en worden door eiseres verhuurd aan de Stichting Zorgbalans. Die stichting maakt de huur aan eiseres over.\n\n4.4. Zorgbalans gebruikt de 30 woningen in het kader van door haar verleende zorg voor de huisvesting van haar cliënten.\n\nHet primaire besluit en het bestreden besluit\n\n5. Bij besluiten van 7 en 8 september 2022 (één afwijzend besluit per woning) heeft de minister beslist dat de door eiseres gerealiseerde investering in de 30 hiervoor bedoelde woningen niet in aanmerking komt voor een definitieve investeringsverklaring als bedoeld in de Regeling, omdat de gerealiseerde zorgwoningen volgens de minister niet voldoen aan de omschrijving van een voor verhuur bestemde woning als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onderdeel e, Wmw.\n\n6. De minister heeft dit standpunt in bezwaar gehandhaafd en het bezwaar van eiser daarom met het bestreden besluit ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\n7. De rechtbank overweegt over het geschil als volgt.\n\nJuridisch beoordelingskader8.1. Op grond van de Wmw wordt (sedert 2014) jaarlijks aan grotere (sociale) verhuurders een heffing opgelegd, de zogenaamde verhuurdersheffing.\n\n8.2 (. Sociale) verhuurders kunnen ter stimulering van investeringen in maatschappelijk urgente woningbouwopgaven een vermindering van de verhuurderheffing krijgen. In de verminderingsregeling worden verschillende investeringscategorieën onderscheiden, waaronder de (nieuw)bouw van huurwoningen, waarvoor de vermindering op verhuurdersheffing kan worden verleend. Dat is geregeld in artikel 1.10 Wmw.\n\n8.3. Een verhuurder kan een voorgenomen investering die mogelijk in aanmerking komt voor de heffingsvermindering aanmelden bij verweerder. Verweerder bekijkt dan of aan de gestelde voorwaarden wordt voldaan en, indien dit het geval is, verstrekt hij een voorlopige investeringsverklaring. Zodra de investering is gerealiseerd en gefactureerd, kan de verhuurder de investering binnen de daarvoor geldende termijn aanmelden bij verweerder. Verweerder controleert dan of is voldaan aan de voorwaarden van de regeling. Wanneer dit het geval is, ontvangt de verhuurder een definitieve investeringsverklaring. Wanneer een definitieve investeringsverklaring is ontvangen, kan de verhuurder het bedrag van de verhuurdersheffing verminderen met het in de definitieve investeringsverklaring opgenomen bedrag van de heffingsvermindering.\n\n8.4. In artikel 1.2, eerste lid, onder e, Wmw is bepaald dat onder huurwoning in de zin van de Wmw wordt verstaan: een in Nederland gelegen voor verhuur bestemde woning die ingevolge artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken als één onroerende zaak wordt aangemerkt en waarvan de huurprijs niet hoger is dan het bedrag, genoemd in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag, met uitzondering van een woning die wordt verhuurd in het kader van het hotel-, pension-, kamp- en vakantiebestedingsbedrijf aan personen die in die woning voor een korte periode verblijf houden en van een woning die krachtens artikel 3.1 van de Erfgoedwet als rijksmonument is aangewezen.\n\n8.5. Investeringen in de nieuwbouw van huurwoningen kan daarom alleen leiden tot vermindering van de verhuurdersheffing als is geïnvesteerd in nieuwbouw van huurwoningen in de hiervoor bedoelde zin.\n\nBeoordeling van het beroep\n\n9. Tussen partijen is in geschil of de minister terecht heeft besloten dat de door eiseres gerealiseerde investeringen in de 30 (zorg-)woningen geen recht geven op een definitieve investeringsverklaring in de zin van de Regeling, omdat geen sprake is van “voor verhuur bestemde woningen”.\n\n10.1. De minister heeft de stelling van eiseres dat sprake zou zijn van woningen bestemd voor (ver-)huur in de zin van de Wmw gemotiveerd weersproken. Volgens verweerder zijn de woningen van meet af aan bestemd om in gebruik te geven aan zorgbehoevenden die daarvoor geïndiceerd zijn in het kader van de uitvoering van de Wet langdurige zorg (Wlz). Er worden geen huurovereenkomsten gesloten tussen bewoners en Zorgbalans maar (uitsluitend) zorgovereenkomsten. Zorgbalans levert zorg aan de bewoners en stelt de woningen in het kader daarvan aan de bewoners ter beschikking. Het gaat dus om intramurale zorg. Zorgbalans ontvangt daarvoor een vergoeding die in het kader van de uitvoering van de Wlz aan haar wordt betaald door CAK. De bewoners betalen niet zelf een vergoeding voor wonen aan Zorgbalans. De bewoners betalen alleen een eigen bijdrage aan CAK voor de intramuraal verleende zorg.\n\n10.2. Eiseres stelt - kort samengevat - dat de dertig woningen waar het hier om gaat wel voor de verhuur zijn bestemd in de zin van de Wmw. In eerste instantie zijn de woningen bestemd voor verhuur omdat eiseres de woningen verhuurt aan de stichting Zorgbalans. Zorgbalans verhuurt de woningen door aan de bewoners. Er is daarom volgens eiseres wel sprake van voor huur bestemde woningen in de zin van de Wmw. De definitieve investeringsverklaringen zijn daarom volgens eiseres ten onrechte geweigerd.\n\n10.3.1. \n\nDe rechtbank overweegt als volgt.\n\nIn artikel 201 van Boek 7 van het Burgerlijk wetboek is bepaald wat onder huur en verhuur wordt verstaan:\n\nHuur is de overeenkomst waarbij de ene partij, de verhuurder, zich verbindt aan de andere partij, de huurder, een zaak of een gedeelte daarvan in gebruik te verstrekken en de huurder zich verbindt tot een tegenprestatie.\n\n10.3.2. Indien de woningen daadwerkelijk zouden worden verhuurd op basis van een huurovereenkomst als bedoeld in artikel 7:201 BW zou wel sprake zijn van voor de verhuur bestemde woningen in de zin van artikel 1.2, eerste lid, onder e, Wmw, zoals de Hoge Raad in bijvoorbeeld het arrest van 17 augustus 2018 (DCLI:NL:HR:2018:1313) ook heeft uitgemaakt. De rechtbank is echter met verweerder van oordeel dat de 30 woningen niet bestemd zijn om te worden verhuurd in de hiervoor bedoelde zin, maar bestemd zijn om Wlz-geïndiceerden intramurale zorg te bieden op basis van een zorgovereenkomst. De bewoners zijn immers niet gehouden om voor het gebruik van de woningen voor bewoning een tegenprestatie te leveren. Van huur in de zin van artikel 7:201 BW, of van een gemengde overeenkomst als bedoeld in artikel 6:215 BW, waaronder verhuur van woonruimte, is dan geen sprake.\n\n10.3.3. De eigen bijdrage die de bewoners van de 30 woningen moeten betalen is, anders dan eiseres meent, geen tegenprestatie in de zin van artikel 7:201 BW voor het gebruik van de woningen. Het is een bijdrage die de bewoners als Wlz-geïndiceerden betalen voor ontvangen (intramurale) zorg. Zij betalen dat bedrag ook niet aan Zorgbalans, maar aan CAK. Het enkele feit dat zij in het kader van de zorg in de woningen verblijven, is niet voldoende om de woningen als “voor verhuur bestemde woningen” aan te merken .\n\n10.3.4. Dat Zorgbalans het complex van eiseres huurt, maakt het voorgaande niet anders. De huurovereenkomst tussen eiseres en Zorgbalans ziet immers niet op de huur van woningen, maar op de huur van het complex als bedrijfsruimte, zo blijkt uit de tussen eiseres en Zorgbalans gesloten huurovereenkomst.\n\nConclusie en gevolgen\n\n11. Omdat geen sprake is van voor de verhuur bestemde woonruimten heeft verweerder de investeringsverklaring terecht geweigerd en heeft eiseres geen aanspraak op vermindering verhuurdersheffing op grond van de investering in het wooncomplex. Het beroep is daarom ongegrond. Dit betekent dat de weigering van verweerder om een definitieve investeringsverklaring voor de 30 in deze uitspraak aan de orde zijnde woningen in stand blijft.\n\n12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat gelet op de uitkomst van het beroep geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, voorzitter, en mr. drs. J.H.A.C. Everaerts en mr. H.E. Noordhoek, leden, in aanwezigheid van mr. E. Degen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2024.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:2276","2025-03-04T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:39.653Z",20,[99,11,100,101],2026,2024,1993]