[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-drug-law-enforcement-nl-2026":3},{"detail":4,"years":207},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":39,"total":205,"page":14,"limit":206},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},41,"drug-law-enforcement-nl","Drug Law Enforcement","NL","2026-07-08T16:53:39.763Z",2026,[13,16,18,20,22,24,27,29,31,33,35,37],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":14},3,{"month":21,"count":15},4,{"month":23,"count":15},5,{"month":25,"count":26},6,7,{"month":26,"count":28},13,{"month":30,"count":15},8,{"month":32,"count":15},9,{"month":34,"count":15},10,{"month":36,"count":15},11,{"month":38,"count":15},12,[40,53,61,70,79,87,94,101,110,117,124,131,140,148,156,163,172,181,189,197],{"id":41,"ecli":42,"slug":43,"caseNumber":44,"courtId":45,"decisionDate":46,"fullText":47,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":50,"sourceTimestamp":46,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"300","ECLI:NL:GHDHA:2026:2249","ecli-nl-ghdha-2026-2249","",58,"2026-07-08T00:00:00.000Z","Rolnummer: 22-000722-24\n\nParketnummer: 09-238193-21\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 23 februari 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van voorarrest.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\nhij op of omstreeks 3 september 2021 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd en\u002Fof aanwezig heeft gehad, een grote hoeveelheid, in ieder geval 271,3 kilogram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van voorarrest.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het aan de verdachte ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Hiertoe heeft zij, kort en zakelijk weergegeven gesteld dat het gezien het feit dat de verdachte op enig moment bij de bestelbus is geweest, enkele (sport)tassen in de bestelbus open waren en de (sport)tassen in de bestelbus naar hun uiterlijke verschijningsvorm hoeveelheden verdovende middelen bevatten, niet anders kan zijn dan dat de verdachte moet hebben geweten dat er verdovende middelen in die tassen zaten.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nUit het dossier en de camerabeelden volgt dat de verdachte samen met twee medeverdachten meer dan twintig in plastic gewikkelde gesloten sporttassen, nadat deze uit een bestelbus waren geladen, in het appartementencomplex waar hij op dat moment woonachtig was, heeft binnengebracht en in en uit een lift heeft getild. De politieambtenaren die na een melding die nacht, kort daarna ter plaatse kwamen, troffen in die bestelbus een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne aan, in hoeveelheden van ongeveer één kilogram verpakt in (deels) vergelijkbare sporttassen, zoals die ook op camerabeelden van de lift achteraf zijn waargenomen, en in bigshoppertassen. Anders dan de op de camerabeelden van de lift waargenomen sporttassen, waren de in de bestelbus aangetroffen sporttassen geopend waardoor de daarin verpakte pakketten van een materiaal bevattende cocaïne zichtbaar waren. In de woning van de verdachte zijn de volgende dag lege sporttassen aangetroffen die uiterlijke gelijkenissen vertonen met de sporttassen die de verdachten het appartementencomplex in hebben gebracht. De speurhond verdovende middelen gaf bij deze sporttassen een signaal af. De verdachte heeft zich aanvankelijk op zijn zwijgrecht beroepen. Op enig moment heeft hij verklaard dat hij in de veronderstelling verkeerde dat de door hem en zijn medeverdachten naar binnengebrachte en gesjouwde sporttassen elektronica\u002F iPhones bevatten. Hoewel die verklaring vragen oproept, en er sprake is van uitermate verdachte omstandigheden die het strafvorderlijk ingrijpen jegens de verdachte op zichzelf zeker rechtvaardigden, bevat het strafdossier naar het oordeel van het hof niettemin onvoldoende wettig bewijs dat de verdachte wetenschap had van de inhoud van de (sport)tassen die in de bestelbus aan zijn getroffen, dan wel van de inhoud van de sporttassen die hij het appartementencomplex in heeft gebracht.\n\nIn dit verband is vooraleerst van belang dat de in het appartementencomplex gebrachte sporttassen niet zijn aangetroffen, zodat de inhoud daarvan niet onderzocht is en hoogstens op basis van de uit het dossier kenbare omstandigheden kan worden geoordeeld dat de inhoud van die tassen gelijk moet zijn geweest aan de inhoud van de in de bestelbus aangetroffen (sport)tassen. Daarvan in het hiernavolgende veronderstellenderwijs uitgaande oordeelt het hof als volgt.\n\nIn de laadruimte van de bestelbus zijn zwarte sporttassen en bigshoppertassen aangetroffen. Volgens de verbalisant die deze tassen aantrof en die met een zaklamp in de laadruimte scheen, waren diverse tassen open en waren daarin groene en grijze blokken van ongeveer 30x30 centimeter en ongeveer 10 centimeter dik te zien. Volgens verdere bevindingen is op camerabeelden, gericht op de bestelbus, zichtbaar dat de verdachte op enig moment een deurgreep van de bestelbus vast heeft gehouden en de deur van de bestelbus heeft geopend.\n\nHoewel de verdachte aldus op dat moment bij de bestelbus is te plaatsen, volgt uit deze bevindingen niet dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de verpakte hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne in de laadruimte van de bestelbus wel gezien moet hebben. Uit het overigens ter terechtzitting verhandelde volgt evenmin dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte op andere gronden op de hoogte moet zijn geweest van het feit dat de (sport)tassen in de bestelbus verdovende middelen bevatten, althans dat de verdachte redelijkerwijs de aanmerkelijke kans dat dit het geval was heeft aanvaard. Het dossier bevat op dit punt ook geen voor de verdachte belastende verklaringen van medeverdachten of getuigen of telefoonverkeer.\n\nNu voldoende bewijs ontbreekt voor de wetenschap van de verdachte, ook in voorwaardelijke zin, dat het hier om een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne zou gaan kan niet worden bewezen dat de verdachte een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne opzettelijk, al dan niet in vereniging, heeft afgeleverd, verstrekt, vervoerd of aanwezig heeft gehad, zodat de verdachte van het ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nDit arrest is gewezen door mr. E.C. van Veen, als voorzitter, mr. M.C. Bruining en mr. F.W. Pieters, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2249","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:23.369Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":44,"courtId":57,"decisionDate":46,"fullText":58,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":46,"parsedAt":51,"updatedAt":60},"467","ECLI:NL:RBMNE:2026:4048","ecli-nl-rbmne-2026-4048",71,"RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats Lelystad\n\nParketnummers: 16\u002F164779-25; 09\u002F203218-25 (t.t.z. gevoegd);\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de strafzaak van:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [2006] in [geboorteplaats] ,\n\nverblijvende op het adres [adres] in [woonplaats] ,\n\n(hierna: de verdachte).1. Zitting\n\nDe strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 24 juni 2026.\n\nOp de zitting waren aanwezig:\n\nde verdachte;\n\nde officier van justitie: mr. N. Schipper;\n\nde advocaat van de verdachte: mr. S.J. Jansen (hierna: de advocaat);\n\nde advocaat van de benadeelde partij [benadeelde] : mr. A.J.W.F. Segeren, waarnemend voor mr. J.L. L’Homme;\n\nde gemachtigde van de benadeelde partij Univé Dichtbij Brandverzekering N.V..2. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:\n\n16\u002F164779-25\n\nfeit 1\n\nop 16 januari 2025 te Almere in vereniging, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht bij een bedrijfspand, gelegen aan de [adres] , door met een steen een ruit van dat pand in te gooien en een explosief aan te steken, waardoor gemeen gevaar voor goederen te duchten was;\n\nfeit 2\n\nop 16 januari 2025 te Almere in vereniging een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een IED (Improviced Explosieve Device) voorhanden heeft gehad;\n\nfeit 3\n\nop 8 juli 2025 te Amsterdam een wapen van categorie II, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een schietpen van kaliber 6.35Btr, een onderdeel van een pistool van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een patroonhouder van het merk FN, kaliber 40 S&W en munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten, 50 scherpe patronen 44REM MAG (S&B), 2 scherpe patronen 9x19mm (Norma) en 1 scherp patroon 6.35Br (Geco), voorhanden heeft gehad;\n\nfeit 4\n\nop 8 juli 2025 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van ongeveer 332,6 gram MDMA en een hoeveelheid van ongeveer 2.000 zegels bevattende LSD;\n\nfeit 5\n\nop 8 juli 2025 te Amsterdam opzettelijk zonder registratie een hoeveelheid van ongeveer 465,4 gram Ketamine in voorraad heeft gehad;\n\n09\u002F203218-25\n\nfeit 1\n\nop 1 februari 2025 te Stolwijk in vereniging [slachtoffer] heeft geprobeerd op te lichten door haar te bewegen een tas met waardevolle spullen aan verdachte af te geven.\n\nDe volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.3. Bewijs\n\n3.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.\n\nDe standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.\n\n3.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van de feiten 3, 4 en 5 onder de zaak met parketnummer 16\u002F164779-25. Ten aanzien van de overige feiten refereert de advocaat zich aan het oordeel van de rechtbank.\n\nDe advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3.\n\n3.3.. Oordeel van de rechtbank\n\n3.3.1.. Bewijsmiddelen\n\n16\u002F164779-25\n\nTen aanzien van feit 1 en 2\n\nDe verdachte bekent dat hij de feiten 1 en 2 heeft gepleegd, zoals deze hieronder bewezen zijn verklaard. Door of namens hem is ook niet om vrijspraak van die feiten gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert. De bewijsmiddelen staan in bijlage II van dit vonnis.\n\nTen aanzien van feit 3, 4 en 5\n\nDe rechtbank oordeelt dat ook feiten 3, 4, en 5 zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.\n\n09\u002F203218-25\n\nDe rechtbank oordeelt dat het ook onder dit parketnummer ten laste gelegde feit is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.\n\nEr zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.\n\n3.3.2.. \n\nBewijsoverwegingen\n\n16\u002F164779-25\n\nInleiding\n\nOp 16 januari 2025 heeft er in Almere bij de sportschool [benadeelde] een ontploffing plaatsgevonden. Naar aanleiding van deze ontploffing heeft de politie een onderzoek ingesteld. Uit dit onderzoek kwam de verdachte naar voren. Op 8 juli 2025 is de verdachte in zijn woning aangehouden door de politie. Op dezelfde dag is zijn woning ook doorzocht. Tijdens deze doorzoeking is in de slaapkamer van de verdachte een Basic Fit rugtas aangetroffen, waarin o.a. (onderdelen van) wapens, munitie, LSD-vellen, MDMA-pillen en ketamine is aangetroffen.\n\nWetenschap aanwezigheid drugs en wapens\n\nDe advocaat heeft aangevoerd dat de verdachte niet de eigenaar was van de rugtas en ook niet heeft geweten wat er in de tas zat. De verdachte zou de rugtas voor een vriend van een vriend in bewaring hebben genomen. Wie dat (precies) is, weet hij niet. Hij zou niet hebben gevraagd wat er in de tas heeft gezeten en hij zou ook niet in de tas hebben gekeken.\n\nVoor “opzettelijk aanwezig hebben” (van harddrugs), voor “opzettelijk voorhanden hebben” (van (onderdelen van) wapens) en voor “opzettelijk in voorraad hebben” (van ketamine) is steeds vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanwezigheid van die spullen. Daarbij geldt dat ook de bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans dat die goederen aanwezig zijn onder deze wetenschap kan worden geschaard. De verdachte heeft verklaard dat hij de tas voor een ander moest bewaren, maar dat hij ook niet wist wie dat was, slechts dat het om een vriend van een vriend ging. Die onbekende derde zou de tas ongeveer twee weken eerder bij de verdachte hebben gebracht en hij zou nog aan de verdachte laten weten wanneer hij de tas weer zou komen ophalen. Onder deze omstandigheden had de verdachte naar het oordeel van de rechtbank een onderzoeksplicht. Hij zegt dat hij geen vragen heeft gesteld over de inhoud van de tas en dat hij niet heeft gevraagd waarom het nodig was dat die tas nou juist op de slaapkamer van de verdachte werd ondergebracht. De tas is vervolgens twee weken bij hem gebleven, tot de politie deze heeft gevonden. De rechtbank is daarom van oordeel dat er ten minste sprake is van een bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans dat in de tas illegale waren zaten. De rechtbank oordeelt dat in dit geval sprake is geweest van het opzettelijk aanwezig (respectievelijk voorhanden hebben en in voorraad hebben) hebben van drugs, wapens en munitie en ketamine.\n\nConclusie\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank met betrekking tot de feiten 1, 2, 3, 4 en 5 onder parketnummer 16\u002F164779-25 van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.\n\n16\u002F164779-25\n\nDe verdachte stelt dat hij op 1 februari 2025 wel iets wilde ophalen, maar dat hij niet wist dat het een oplichting betrof. De verdachte heeft verklaard dat hij via snapchat benaderd is om met een aantal personen ergens wat op te halen en dat hij hiervoor ook een geldbedrag zou krijgen. De verdachte geeft aan dat hij deze personen niet kende en dat hij de persoon die hem benaderd had ook niet kende. De verdachte zou enkel een code moeten doorgeven en een tas op moeten halen.\n\nDe rechtbank oordeelt het op basis van deze omstandigheden niet geloofwaardig dat de verdachte niet zou hebben geweten dat het een oplichting betrof. Het is ongeloofwaardig dat hij een dergelijke cruciale rol bij de oplichting zou vervullen, zonder precies te weten hoe hij zich moest gedragen en wat hij moest zeggen en doen, waaruit volgt dat hij wist dat het om oplichting ging.\n\nConclusie\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank met betrekking tot het feit onder parketnummer 09\u002F203218-25 van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.\n\n3.4.. \n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:\n\nTen aanzien van 16\u002F164779-25\n\nfeit 1\n\nop 16 januari 2025 te Almere, tezamen en in vereniging met anderen,opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht en brand heeft gesticht in een bedrijfspand (sportschool [benadeelde] ), gelegen aan de [adres] , door- met een steen een ruit van het pand in te gooien en- (vervolgens) een explosief tot ontbranding te brengen\n\nten gevolge waarvan dat pand gedeeltelijk is verbrand, en daarvan gemeen gevaar voor- dat pand en de inboedel van dat pand en- ( nabijgelegen bedrijfspanden en inboedel van die nabijgelegen bedrijfspanden,in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was;\n\nfeit 2\n\nop 16 januari 2025 te Almere, tezamen en in vereniging met anderen een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een geïmproviseerde explosieve constructie (improvised explosive device (IED)), zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing,voorhanden heeft gehad;\n\nfeit 3\n\nop 8 juli 2025 te Amsterdam,- een wapen van categorie II, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een schietpen van kaliber 6.35Br, zijnde een vuurwapen dat uiterlijk geleek op een ander voorwerp dan een wapen en- een onderdeel van een pistool van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een patroonhouder van het merk FN, kaliber 40 S&W en- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten• 50 scherpe patronen 44REM MAG (S&B) en• 2 scherpe patronen 9x19mm (Norma) en• 1 scherp patroon 6.35Br (Geco),voorhanden heeft gehad;\n\nfeit 4\n\nop 8 juli 2025 te Amsterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad- ongeveer 880,5 pillen \u002F 332,6 gram, zijnde een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en- ongeveer 4 vellen \u002F 2.000 zegels, zijnde een hoeveelheid van een materiaal bevattende LSD,zijnde MDMA en LSD (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\nfeit 5\n\nop 8 juli 2025 te Amsterdam, opzettelijk zonder registratie een werkzame stof, te weten (ongeveer) 465,4 gram Ketamine in voorraad heeft gehad;\n\nTen aanzien van 09\u002F203218-25\n\nfeit 1\n\nop 1 februari 2025 te Stolwijk, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte of zijn mededaders voorgenomen misdrijf om, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer] , te bewegen tot de afgifte van enig goed, te weten een tas met (waardevolle) spullen, - naar de vaste telefoonlijn van die [slachtoffer] heeft gebeld en zich telefonisch (tegenover [valse naam 1] ) heeft voorgedaan als politiemedewerker en- telefonisch heeft verteld dat er sprake is van een verdachte situatie in de omgeving van de woning van die [slachtoffer] en dat die [slachtoffer] en [valse naam 1] hun waardevolle spullen en sieraden en geld en creditcard en pinpassen in een tas moesten doen en dat politiemedewerker [valse naam 2] , die tas vervolgens zou komen ophalen en- die [slachtoffer] en [valse naam 1] een zogenaamde code heeft gegeven ter verificatie van de persoon die voornoemde goederen op zou komen halen en- (vervolgens) zich naar de woning van die [slachtoffer] heeft begeven en- zich aldaar als politiemedewerker [valse naam 2] , heeft voorgedaan en voornoemde code met die [slachtoffer] heeft geverifieerd en heeft gezegd dat hij voor de tas kwam en- heeft geprobeerd een tas van die [slachtoffer] aan te pakken,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nDe rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.\n\nDe taal- en\u002Fof schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.4. Kwalificatie en strafbaarheid\n\n4.1.. \n\nKwalificatie\n\nDe bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:\n\n16\u002F164779-25\n\nde eendaadse samenloop van:\n\nfeit 1\n\nin vereniging opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en\n\nfeit 2\n\nin vereniging handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;\n\nfeit 3\n\nhandelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;\n\nfeit 4\n\nopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;\n\nfeit 5\n\novertreding van een voorschrift gesteld bij artikel 38, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan;\n\n09\u002F203218-25\n\nfeit 1\n\npoging oplichting in vereniging.\n\n4.2.. \n\nStrafbaarheid feit en verdachte\n\nDe feiten en de verdachte zijn strafbaar.5. Straf\n\n5.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:\n\n- een gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarden kort gezegd:\n\no meewerken aan reclasseringstoezicht;\n\no ambulante begeleiding;\n\no het meewerken aan het vinden en behouden van dagbesteding;\n\no het meewerken aan het aflossen van schulden;\n\no een contactverbod met het slachtoffer en de medeverdachten.\n\n5.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat voert aan dat het jeugdsanctierecht toegepast moet worden. De verdachte was op het moment van het plegen van de feiten nog een jonge verdachte. De verdachte woonde op dat moment nog bij zijn moeder thuis. Hij ging niet meer naar school, maar zijn opleiding had hij nog niet afgerond. Hij was een zoekende jongvolwassene. Zijn jeugdigheid en beïnvloedbaarheid hebben een grote rol gespeeld bij het betrokken raken bij het ten laste gelegde. De advocaat verzoekt om in ieder geval geen langere vrijheidsstraf op te leggen dan de dagen die de verdachte al in voorarrest heeft gezeten. De advocaat verzoekt om daarnaast een voorwaardelijke straf op te leggen onder voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. De advocaat verzoekt om rekening te houden met het feit dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.\n\n5.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nBij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.\n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere ernstige strafbare feiten en neemt daar nauwelijks verantwoordelijkheid voor. De verdachte heeft een ontploffing teweeg gebracht bij een sportschool, waardoor grote schade is ontstaan, maar waarmee de verdachte ook heeft bijgedragen aan gevoelens van angst en onveiligheid. In de eerste plaats bij de sportschoolhouder en zijn naasten, maar ook breder in de maatschappij. De verdachte\n\nzegt dat hij onder druk is gezet om dit feit te plegen. Daar gaat de rechtbank niet in mee. Uit het dossier blijkt niet van enige dreiging. Sterker nog, de verdachte meldt zich bij de opdrachtgever en vraagt hoeveel pap (de rechtbank begrijpt: geld) hij ervoor krijgt. De verdachte heeft – een kleine twee weken later – geprobeerd een vrouw op leeftijd op te lichten door zich met een valse naam en een verificatiecode, die even daarvoor telefonisch door zijn handlangers aan het slachtoffer waren doorgegeven, bij haar te melden. De enige reden dat het bij een poging is gebleven is dat het slachtoffer en haar kleinzoon zo alert waren om direct de politie in te schakelen, zodat de verdachte op heterdaad kon worden aangehouden toen hij de tas van het slachtoffer wilde aannemen. De verdachte zegt dat hij enkel mee zou gaan om iets op te halen, maar dat hij niet wist dat het om een oplichting ging. Ook daar gaat de rechtbank niet in mee. Het is algemeen bekend dat deze werkwijze gebruikt wordt om mensen geld en spullen afhandig te maken. Dat moet ook de verdachte hebben geweten, al was het maar omdat hij in september 2024, slechts enkele maanden eerder, door de politie is aangehouden en verhoord in een soortgelijke oplichtingszaak. Ook ten aanzien van de aangetroffen drugs, wapens en munitie ontloopt de verdachte zijn verantwoordelijkheid. Hij zegt dat hij niet wist wat er in de tas zat en dat hij het gewoon voor iemand bewaarde zonder daarbij zelf verkeerde bedoelingen te hebben gehad. De verdachte noemt dit zelf achteraf dom, maar de rechtbank is van oordeel dat er meer aan de hand is en dat de verdachte zijn eigen rol in al deze feiten kleiner maakt dan deze in werkelijkheid is. De feiten zijn kort achter elkaar gepleegd en de verdachte lijkt zijn les niet geleerd te hebben. De houding van de verdachte baart de rechtbank dan ook zorgen.\n\nEendaadse samenloop\n\nDe rechtbank betrekt in de strafmaat verder dat ten aanzien van de feiten 1 en 2 sprake is van eendaadse samenloop voor wat betreft het voorhanden hebben van het explosief.\n\nPersoonlijke omstandigheden van de verdachte\n\nDe rechtbank heeft ten aanzien van de persoon van verdachte kennis genomen van:\n\n- het strafblad van 3 maart 2026;\n\n- een rapport van Reclassering Nederland van 20 mei 2026;\n\n- een rapport van Reclassering Nederland van 9 september 2025;\n\n- een Pro Justitia-rapport van 19 september 2025.\n\nDe advocaat heeft verzocht om toepassing van het jeugdsanctierecht. De rechtbank is – anders dan de raadsman – van oordeel dat er geen aanwijzingen in het dossier zijn voor toepassing van het jeugdsanctierecht. De ondersteuning van de reclassering lijkt van praktische aard en niet van pedagogische aard. De rechtbank volgt daarom ook het advies van de reclassering en de psycholoog om het volwassenstrafrecht toe te passen.\n\nUit het strafblad van de verdachte blijkt dat de verdachte voor soortgelijke feiten is veroordeeld na de pleegdata van onderhavige zaak. De rechtbank zal daarom toepassing geven aan artikel 63 van het Wetboek van strafrecht.\n\nDe op te leggen straf\n\nGezien de aard en ernst van de strafbare feiten, zoals hiervoor uitvoerig is toelicht, kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een vrijheidsbenemende straf. De rechtbank oordeelt dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van geruime duur passend en geboden is. De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Het voorwaardelijk strafdeel dient als stok achter de deur om herhaling te voorkomen.\n\nDe rechtbank wijkt af van de strafeis van de officier van justitie, omdat de rechtbank in strafverminderende zin rekening houdt met de jeugdige leeftijd van de verdachte. De rechtbank houdt ook rekening met wat er in vergelijkbare zaken is opgelegd.\n\nTenuitvoerlegging van de straf\n\nDe gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend6. In beslag genomen voorwerpen\n\n6.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd de onder verdachte in beslag genomen telefoon, simkaart, koffer en rugzak verbeurd te verklaren. Verder vordert de officier van justitie de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen drugs, wapens en munitie.\n\n6.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat refereert zich ten aanzien van het beslag aan het oordeel van de rechtbank.\n\n6.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nBeslag met betrekking tot 16\u002F164779-25\n\nVerbeurdverklaring\n\nDe rechtbank zal de in beslag genomen voorwerpen, te weten:\n\n- een telefoontoestel;\n\n- een simkaart\n\n- een koffer en\n\n- een rugzak,\n\nverbeurd verklaren.\n\nMet behulp van deze voorwerpen zijn de bewezen verklaarde feiten voorbereid dan wel begaan.\n\nOnttrekking aan het verkeer\n\nDe rechtbank zal de in beslag genomen voorwerpen, te weten:\n\n4 stuks LSD;\n\neen wapen;\n\n50 stuks munitie;\n\npoeder;\n\n880 pillen;\n\n2 stuks munitie;\n\n1 stuk munitie en\n\neen patroonhouder;\n\nonttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. De voorwerpen zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte begane feit aangetroffen. Deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven.7. Vordering benadeelde partij\n\n7.1.. Vordering van de benadeelde partijen\n\nVordering benadeelde partij [benadeelde]\n\n heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 45.453,14 voor feit 1, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 42.953,14 voor vergoeding van materiële schade en € 2.500,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).\n\nDe materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:\n\nwerkzaamheden tot het ontruimen van het pand en reinigen: € 3.938,90;\n\nde aanschaf van nieuwe bokszakken en matten: € 29.887,-;\n\ngederfde winst: € 9.127,24.\n\nVerder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.\n\nDe benadeelde partij vraagt ook een vergoeding van € 500,- voor gemaakte proceskosten.\n\nVordering benadeelde partij Univé Dichtbij brandverzekering N.V.\n\nUnivé Dichtbij brandverzekering N.V. heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 79.807,03 voor feit 1, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit vergoeding van materiële schade.\n\nDe materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:\n\nbedrijfsschade door bedrijfsstilstand: € 25.000,-;\n\nhuurdersbelang: € 10,760,-\n\nroerende zaken: €44.047,03.\n\nVerder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.\n\n7.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie verzoekt op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] volledig toe te wijzen, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente. De officier van justitie verzoekt op deze vordering hoofdelijk toe te wijzen.\n\nDe officier van justitie verzoekt om de benadeelde partij Univé Dichtbij brandverzekering N.V. niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.\n\n7.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat verzoekt om de post ten aanzien van de BTW af te wijzen, nu deze betaald is door de onderneming en er de mogelijkheid bestaat om deze BTW terug te vragen aan de belastingdienst dan wel te verrekenen in de kwartaalaangifte. De advocaat verzoekt om ook de post met betrekking tot de bokszakken en matten primair af te wijzen, omdat niet uit de stukken blijkt dat de schadepost het rechtstreekse gevolg is van het handelen van de verdachte. Subsidiair verzoek de advocaat deze post te matigen en in ieder geval toe te wijzen exclusief BTW. Ten aanzien van de gederfde winst verzoekt de advocaat om deze post niet-ontvankelijk te verklaren, nu niet blijkt hoe deze post zich verhoudt tot de al door de verzekering vergoede gederfde winst. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de advocaat geen opmerkingen.\n\nDe advocaat verzoekt om de benadeelde partij Univé Dichtbij brandverzekering N.V. niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.\n\n7.4.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nVordering benadeelde partij [benadeelde]\n\nDe rechtbank kan de vordering van de benadeelde partij niet beoordelen in deze strafzaak. Het gaat om een complexe vordering, die een uitgebreide (schriftelijke) behandeling vereist. Daarvoor is in de strafprocedure geen plaats, omdat dit leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank overweegt daarbij als volgt. Niet alleen betreft dit een complexe vordering, maar er zijn ook een aantal vragen die onbeantwoord zijn gebleven met betrekking tot de btw en de aanschaf van (zoveel) bokszakken en matten. In de vordering is ook geen onderbouwing ten aanzien van het geestelijke letsel opgenomen en slechts in algemene termen iets opgemerkt over de gevolgen voor het slachtoffer, terwijl de jurisprudentie een meer substantiële onderbouwing vraagt. Ten aanzien van de proceskosten is onduidelijk of de juridische bijstand is verleend in onderhavige zaak of een andere zaak. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.\n\nVordering benadeelde partij Univé Dichtbij brandverzekering N.V.\n\nAlleen schade die rechtstreeks is geleden door het bewezen verklaarde feit, komt voor vergoeding in aanmerking. In dit geval is geen sprake van rechtstreekste schade. De rechtbank volgt hierbij het oordeel van de Hoge Raad dat een verzekeraar in beginsel geen rechtstreekse schade lijdt door het misdrijf. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.8. Toegepaste wetsartikelen\n\nDe opgelegde straf en beslissing op het beslag zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:\n\nArtikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 47, 55, 57, 63 en 157 van het Wetboek van Strafrecht;\n\nartikel 26 van de Wet wapens en munitie;\n\nartikelen 2 en 10 van de Opiumwet;\n\nartikel 38 van de Geneesmiddelenwet.9. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nbewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte de feiten onder 16\u002F164779-25 1, 2, 3, 4 en 5 en het feit onder 09\u002F203218-25 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;\n\nverklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nstrafbaarheid feit\n\n- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;\n\nstrafbaarheid verdachte\n\n- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;\n\nstraf\n\n- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 (dertig) maanden;\n\n- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 12 (twaalf) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;\n\n- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jarenvast;\n\n- als voorwaarde geldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\n- stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte gedurende de proeftijd:\n\no meldplicht\n\nzich meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak.\n\no ambulante behandeling\n\nzich laat behandelen door de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zodra er plek is. De zorgverlener bepaalt de wijze van de behandeling. De behandeling is gericht op cognitieve en sociale vaardigheden.\n\no dagbesteding\n\nZich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en\u002Fof vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.\n\no aflossing schulden\n\nmeewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering\n\nNatuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.\n\no contactverbod\n\nop geen enkele wijze – direct of indirect – contact op zal nemen, zal zoeken of hebben met de volgende personen:\n\n [A] (geboren [1981] );\n\n [B] (geboren [2003] );\n\n [C] (geboren [2007] )\n\n- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;\n\n- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nbeslag\n\n- verklaart de volgende voorwerpen verbeurd:\n\n1 STK telefoontoestel (omschrijving: PL0900-2025015788-G3555787, Zwart,\n\nmerk: Apple);\n\n1 STK Simkaart van zaktelefoon (omschrijving: PL0900-2025015788-G3555755,\n\nvodafone);\n\n1 STK koffer (omschrijving: PL0900-2025015788-G3555725);\n\n1 STK rugzak (omschrijving: PL0900-2025015788-G3555732));\n\n- verklaart de volgende voorwerpen onttrokken aan het verkeer:\n\n4 STK LSD (omschrijving: PL0900-2025015788-G3555718);\n\n1 STK wapen (omschrijving: PL0900-2025015788-G3555721);\n\n50 STK munitie (omschrijving: PL0900-2025015788-G3555724, S&B);\n\n1 STK poeder (omschrijving: PL0900-2025015788-G3555729, Wit);\n\n880 STK pillen (omschrijving: PL0900-2025015788-G3555740, Roze);\n\n2 STK munitie (omschrijving: PL0900-2025015788-G3555742);\n\n1 STK munitie (omschrijving: PL0900-2025015788-G3555825, FN);\n\n1 STK patroonhouder (omschrijving: PL0900-2025015788-G3555737);\n\nvordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde]\n\n- verklaart [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nvordering tot schadevergoeding van benadeelde partij Univé Dichtbij brandverzekeraar N.V.\n\n- verklaart Univé Dichtbij brandverzekeraar N.V. niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J.A. Koorevaar, voorzitter, mr. V.A. Groeneveld en mr. A.J. Reitsma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.D. Brenker als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\nMr. V.A. Groeneveld en mr. A.J. Reitsma zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.\n\nBijlage I: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:\n\nin de zaak met parketnummer 16\u002F164779-25\n\nFeit 1hij op of omstreeks 16 januari 2025 te Almere,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,opzettelijkeen ontploffing teweeg heeft gebracht en\u002Fof brand heeft gesticht bij\u002Fin een bedrijfspand (sportschool [benadeelde] ), gelegen aan de [adres] , door- met een steen een ruit van het pand in te gooien en\u002Fof- (vervolgens) een explosief\u002Fvuurwerkbom, althans brandbaar en\u002Fof explosief voorwerp\u002Fmateriaal aan te steken en\u002Fof tot ontbranding te brengen, in elk geval met open vuur in aanraking te brengen,ten gevolge waarvan dat pand geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand en\u002Fof een ontploffing is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor- dat pand en\u002Fof de inboedel\u002Fhuisraad van dat pand en\u002Fof- (een) nabijgelegen bedrijfspand(en) en\u002Fof inboedel\u002Fhuisraad van die\u002Fdat nabijgelegen bedrijfspand(en),in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was;\n\nFeit 2hij op of omstreeks 16 januari 2025 te Almere,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie,te weten een geïmproviseerde explosieve constructie (improvised explosive device (IED)), zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing,voorhanden heeft gehad;\n\nFeit 3hij op of omstreeks 8 juli 2025 te Amsterdam,- een wapen van categorie II, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een schietpen van kaliber 6.35Br, zijnde een vuurwapen dat uiterlijk geleek op een ander voorwerp dan een wapen en\u002Fof- een onderdeel van een pistool van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een patroonhouder van het merk FN, kaliber 40 S&W en\u002Fof- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten• 50 scherpe patronen 44REM MAG (S&B en\u002Fof• 2 scherpe patronen 9x19mm (Norma) en\u002Fof• 1 scherp patroon 6.35Br (Geco),voorhanden heeft gehad;\n\nFeit 4hij op of omstreeks 8 juli 2025 te Amsterdam,opzettelijkaanwezig heeft gehad- ongeveer 880,5 pillen \u002F 332,6 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en\u002Fof- ongeveer 4 vellen \u002F 2.000 zegels, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende LSD,zijnde MDMA en\u002Fof LSD (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\nFeit 5hij op of omstreeks 8 juli 2025 te Amsterdam,opzettelijk zonder registratie een werkzame stof, te weten (ongeveer) 465,4 gram Ketamine in voorraad heeft gehad;\n\nin de zaak met parketnummer 09\u002F203218-25\n\nFeit 1\n\nhij, op of omstreeks 1 februari 2025 te Stolwijk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en\u002Fof zijn mededaders voorgenomen misdrijf om, met het oogmerk om zich en\u002Fof een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en\u002Fof van een valse hoedanigheid en\u002Fof door listige kunstgrepen en\u002Fof door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer] , althans een ander, te bewegen tot de afgifte van enig goed, te weten een tas met (waardevolle) spullen, - naar de vaste telefoonlijn van die [slachtoffer] heeft gebeld en\u002Fof zich telefonisch (tegenover [valse naam 1] ) heeft voorgedaan als politiemedewerker en\u002Fof- telefonisch heeft verteld dat er sprake is van een verdachte situatie in de omgeving van de woning van die [slachtoffer] en\u002Fof dat die [slachtoffer] en\u002Fof [valse naam 1] zijn\u002Fhaar\u002Fhun waardevolle spullen en\u002Fof sieraden en\u002Fof geld en\u002Fof creditcard en\u002Fof pinpassen in een tas moest\u002Fmoesten doen en\u002Fof dat politiemedewerker [valse naam 2] ,althans een persoon, die tas vervolgens zou komen ophalen en\u002Fof- die [slachtoffer] en\u002Fof [valse naam 1] een zogenaamde code heeft gegeven ter verificatie van de persoon die voornoemde goederen op zou komen halen en\u002Fof- (vervolgens) zich naar de woning van die [slachtoffer] heeft begeven en\u002Fof- zich aldaar als politiemedewerker [valse naam 2] , althans als een ander, heeftvoorgedaan en\u002Fof voornoemde code met die [slachtoffer] heeft geverifieerd en\u002Fof heeftgezegd dat hij voor de tas kwam en\u002Fof- heeft geprobeerd een tas van die [slachtoffer] aan te pakken,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nBijlage II: Bewijsmiddelen\n\n16\u002F164779-25\n\nFeit 1 en 2\n\nde bekennende verklaring van de verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 24 juni 2026;\n\nhet in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal forensisch onderzoek bedrijf, inclusief bijlagen, van verbalisant [verbalisant 1] van 4 februari 2025, opgemaakt door de politie Eenheid Midden-Nederland;\n\n- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingenvan verbalisant [verbalisant 2] van 13 juni 2025, opgemaakt door de politie Eenheid Midden-Nederland;\n\nFeit 3, 4 en 5\n\nDe verklaring van de verdachte ter terechtzittingvan 24 juni 2026, zakelijk weergegeven:\n\nIk had de basic fit tas in bewaring voor een vriend van een vriend en het lag er ongeveer twee weken.\n\nVerbalisant [verbalisant 2] heeft in een proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagnamevan 8 juli 2025 – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:\n\nTijdens de doorzoeking werd het volgende in beslag genomen:1x basic fit rugtas, gevonden op de slaapkamer van verdachte naast het bed;1x patroon houder, gevonden in de basic fit tas op de slaapkamer van de verdachte2x losse patroon, scherp, gevonden in de basic fit tas op de slaapkamer van de verdachte1x doos met 50 STKs scherpe patronen .44 REMMINGTON, gevonden in de basic fit tas op de slaapkamer van de verdachte1x zwarte koffer, handformaat, gevonden in de basic fit tas op de slaapkamer van de verdachte1x plastic houder voor patronen, gevonden in de basic fit tas op de slaapkamer van de verdachte1x simkaart van Vodafone, aangetroffen in de zwarte koffer op de slaapkamer van de verdachte1x zwarte iPhone, aangetroffen op de slaapkamer van de verdachte, op het bureau\n\nIn de woning, in de slaapkamer van verdachte [verdachte] , werden tevens ook vermoedelijk drugs aangetroffen. Dit betrof:880,5 roze pillen, gevonden in de basic fit tas op de slaapkamer van de verdachte4 vellen, grijs van kleur, met daar in 2000 zegels, vermoedelijk een bepaald soort drug wat op deze vellen wordt gemaakt, gevonden in de basic fit tas op de slaapkamer van de verdachte.\n\nVerbalisant [verbalisant 3] heeft in een proces-verbaal van bevindingenvan 31 juli 2025 – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:\n\nDeze schietpen is een voorwerp bestemd om projectielen of stoffen door een loop af te schieten. De werking van deze schietpen berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing. Dit vuurwapen gelijkt qua uiterlijk op een ander voorwerp dan een wapen, namelijk een pen. Derhalve is dit wapen een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 gelet op artikel 2 lid 1 categorie II onder 4 van de Wet wapens en munitie.\n\nBovenvermeld voorwerp is een patroonmagazijn, merk FN, kaliber .40 S&W - .357 SIG, zijnde een wezenlijk en specifiek onderdeel van een wapen als bedoeld in artikel 3 lid 1 van de Wet wapens en munitie. Ingevolge artikel 3 lid 1 van de Wet wapens en munitie worden onderdelen van en hulpSTKken voor wapens beschouwd als complete wapens in die zin dat daarop dezelfde regels van toepassing zijn. Dit voorkomt onder andere dat de wettelijke verboden kunnen worden ontdoken door wapens te demonteren, (toelichting Wet wapens en munitie) . Derhalve is een patroonmagazijn een vuurwapen als bedoeld in artikel 2 lid 1, categorie III onder 1e van de wet wapens en munitie, mede gelet op het gestelde in artikel 1 onder 3e en artikel 3 lid 1 van de Wet wapens en munitie. Gelet op bovenstaande worden onderdelen, een patroonmagazijn, in de Wet wapens en munitie, gelijk gesteld met een vuurwapen. Het voorhanden hebben is strafbaar gesteldin artikel 26 lid 1 en 55 lid 3 onder a van het Wet wapens en munitie. Dit patroonmagazijn behoort tot een vuurwapen, pistool, merk FN, model FNP, beschikbaar in zowel kaliber .40 S&W als .357 SIG.\n\n(a) 50 scherpe kogelpatronen , kaliber .44 magnum (foto's 7 t\u002Fm 10)Bovengenoemde 50 scherpe kogelpatronen kaliber .44 magnum, merk Sellier & Bellot, zijn munitie bestemd of geschikt om een projectiel door middel van een scherpschietend vuurwapen kaliber .44 magnum af te schieten.(b) 2 scherpe kogelpatronen, kaliber 9xl9mm (foto's 11 & 12)Bovengenoemde 2 scherpe kogelpatronen, kaliber 9xl9mm, merk norma, zijn munitie bestemd of geschikt om een projectiel door middel van een scherpschietend vuurwapen kaliber 9xl9mm af te schieten.(c) 1 scherp kogelpatroon , kaliber 6.35mm Br (foto's 13 & 14)Bovengenoemd scherp kogelpatroon, kaliber 6.35Br, merk Geco, is munitie bestemd of geschikt om een projectiel door middel van het onder 1 genoemde vuurwapen en elk ander scherpschietend vuurwapen kaliber 6.35Br af te schieten.Derhalve zijn deze patronen munitie in de zin van artikel 1 aanhef onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet wapens en munitie.\n\nVerbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] hebben in een proces-verbaal van bevindingenvan 10 juli 2025 – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:\n\nOnderzoek aan '4x blottervellen met elk 500 zegels' (AARM3363NL)\n\nNettogewicht: 32,6 gram,Uniek voorwerp nummer: AASU7098NL\n\nResultaat: indicatie LSD\n\nOnderzoek aan 'sealbag met roze tabletten \"Punisher\"' (AARM3362NL)\n\nNetto gewicht 332,6 gramUniek voorwerp nummer: AASU7097NLResultaat: identificatie MDMA\n\nOnderzoek aan 'lx plastic zak (gevacuumeerd) met wit kristalachtig poeder (AARM3364NL)Nettogewicht: 2,34 gram,\n\nUniek voorwerp nummer: AASU7099NL\n\nResultaat: indicatie Ketamine\n\nDe kennisgeving van inbeslagneming, datum registratie 8 juli 2025:\n\nInbeslagneming\n\nPlaats : [adres] , [woonplaats]\n\nDatum en tijd : 8 juli 2025\n\nOmstandigheden : Aangetroffen in een rugzak, in de slaapkamer van de verdachte\n\nBeslagene\n\nAchternaam : [verdachte]\n\nVoornamen : [voornamen]\n\nVolgnummer 1\n\nGoednummer : PL0900-2025015788-3555718\n\nCategorie omschrijving : Medicamenten\u002Fhulpmiddelen\n\nObject : Verdovende mid (LSD)\n\nAantal : 4 STKs\n\nInhoud\u002Fsepcificaties : 4 x een vel met daarop 500 kleine lsd zegels, dus 2000\n\nzegeltjes in totaal.\n\nDe kennisgeving van inbeslagneming, datum registratie 8 juli 2025:\n\nInbeslagneming\n\nPlaats : [adres] , [woonplaats]\n\nDatum en tijd : 8 juli 2025\n\nOmstandigheden : Aangetroffen in een rugzak, in de slaapkamer van de verdachte\n\nBeslagene\n\nAchternaam : [verdachte]\n\nVoornamen : [voornamen]\n\nVolgnummer 1\n\nGoednummer : PL0900-2025015788-3555721\n\nCategorie omschrijving : Wapens\u002Fmunitie\u002Fspringstof\n\nObject : Vuurwapen (Loop)\n\nInhoud\u002Fsepcificaties : Losse loop, mogelijk een zelfstandig wapen\n\nDe kennisgeving van inbeslagneming, datum registratie 8 juli 2025:\n\nInbeslagneming\n\nPlaats : [adres] , [woonplaats]\n\nDatum en tijd : 8 juli 2025\n\nOmstandigheden : Aangetroffen in een rugzak, in de slaapkamer van de verdachte\n\nBeslagene\n\nAchternaam : [verdachte]\n\nVoornamen : [voornamen]\n\nVolgnummer 1\n\nGoednummer : PL0900-2025015788-3555724\n\nCategorie omschrijving : Wapens\u002Fmunitie\u002Fspringstof\n\nObject : Munitie (Kogelpatroon)\n\nAantal : 50 STKs\n\nInhoud\u002Fsepcificaties : 50x .44 patronen in doos.\n\nDe kennisgeving van inbeslagneming, datum registratie 8 juli 2025:\n\nInbeslagneming\n\nPlaats : [adres] , [woonplaats]\n\nDatum en tijd : 8 juli 2025\n\nOmstandigheden : Aangetroffen in een rugzak, in de slaapkamer van de verdachte\n\nBeslagene\n\nAchternaam : [verdachte]\n\nVoornamen : [voornamen]\n\nVolgnummer 1\n\nGoednummer : PL0900-2025015788-3555729\n\nCategorie omschrijving : Medicamenten\u002Fhulpmiddelen\n\nObject : Poeders\n\nInhoud\u002Fsepcificaties : Zak met wit poeder \u002F kristal.\n\nDe kennisgeving van inbeslagneming, datum registratie 8 juli 2025:\n\nInbeslagneming\n\nPlaats : [adres] , [woonplaats]\n\nDatum en tijd : 8 juli 2025\n\nOmstandigheden : Aangetroffen in een rugzak, in de slaapkamer van de verdachte\n\nBeslagene\n\nAchternaam : [verdachte]\n\nVoornamen : [voornamen]\n\nVolgnummer 1\n\nGoednummer : PL0900-2025015788-3555740\n\nCategorie omschrijving : Medicamenten\u002Fhulpmiddelen\n\nObject : Pillen\n\nAantal : 880 STKs\n\nInhoud\u002Fsepcificaties : 880 roze, driehoekige pillen.\n\nDe kennisgeving van inbeslagneming, datum registratie 8 juli 2025:\n\nInbeslagneming\n\nPlaats : [adres] , [woonplaats]\n\nDatum en tijd : 8 juli 2025\n\nOmstandigheden : Aangetroffen in een rugzak, in de slaapkamer van de verdachte\n\nBeslagene\n\nAchternaam : [verdachte]\n\nVoornamen : [voornamen]\n\nVolgnummer 1\n\nGoednummer : PLO0900-2025015788-3555742\n\nCategorie omschrijving : Wapens\u002Fmunitie\u002Fspringstof\n\nObject : Munitie (Kogelpatroon)\n\nAantal : 2 STKs\n\nInhoud\u002Fsepcificaties : 2 x los patroon.\n\nDe kennisgeving van inbeslagneming, datum registratie 8 juli 2025:\n\nInbeslagneming\n\nPlaats : [adres] , [woonplaats]\n\nDatum en tijd : 8 juli 2025\n\nOmstandigheden : Aangetroffen in een rugzak, in de slaapkamer van de verdachte\n\nBeslagene\n\nAchternaam : [verdachte]\n\nVoornamen : [voornamen]\n\nVolgnummer 1\n\nGoednummer : PL0900-2025015788-3555825\n\nCategorie omschrijving : Wapens\u002Fmunitie\u002Fspringstof\n\nObject : Vuurwapen (Patroonhouder)\n\nSealbagnummer : 72308791\n\nUit een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een rapport van het NFiDENT van 10 juli 2025, volgt onder meer het volgende, zakelijk weergegeven:\n\n Kenmerk: AARM3362NL\n\nOmschrijving FO: tablet, roze, uit 332,6 gram; aantal bemonsteringen in onderzoek: een\n\nConclusie: bevat MDMA\n\nUit een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een rapport van het NFiDENT van 7 augustus 2025, volgt onder meer het volgende, zakelijk weergegeven:\n\n Kenmerk: AASU7099NL\n\nOmschrijving: monster witte kristallen\n\nConclusie: vrijwel zuivere ketamine HCI\n\nUit een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een rapport van het NFiDENT van 5 augustus 2025, volgt onder meer het volgende, zakelijk weergegeven:\n\n Kenmerk: AASU7098NL\n\nOmschrijving: monster, een STKje meerkleurig papier, door middel van perforatie te verdelen in 24 eenheden\n\nConclusie: bevat LSD\n\n09\u002F203218-25\n\nUit het proces-verbaal van aangiftevan 1 februari 2025 blijkt dat [slachtoffer] onder meer het volgende, zakelijk weergegeven, heeft verklaard:\n\nIk moest waardevolle spullen en sieraden in een tas doen. Er zou een donkere jongen aan de deur komen om de tas op te halen. Ik moest aan de deur een code geven.\n\nDe man aan de telefoon zei dat er nu iemand aan de deur stond. Ik liep naar de deur en zag een jongen staan. Het was 20.15 uur. De jongen had een getinte huidskleur.\n\nHij zei ik kom voor de tas. Ik verifieerde de code met de jongen en strekte mijn hand met de tas uit.Ik zag dat de jongen de tas wilde pakken. Op dat moment kwam de politieagent uit de woning en heeft de jongen aangehouden.\n\nVerbalisant [verbalisant 6] heeft in een proces-verbaal van bevindingenvan 1 februari 2025 – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:\n\nIk hoorde een jongens- mannenstem aan de telefoon. Ik hoorde dat deze vloeiend ABN sprak. Ik hoorde dat hij zich voorstelde als medewerker van de recherche uit Gouda.\n\n(…)\n\nIk hoorde dat de man aan de telefoon zei dat er inbrekers actief waren en dat de kans groot was dat deze ook aan de [adres] zouden langskomen. Hierom moest melder waardevolle spullen in een tas stoppen en dichtknopen. Dit moest vooral geld en sieraden zijn.\n\n (…)\n\n Ik hoorde vervolgens dat de \"nep rechercheur\" aan de telefoon de lijn zou overgeven\n\naan iemand van het \"internetoplichtingteam\". Hierbij werden de namen [valse naam 2] en [valse naam 3] genoemd als de collega's die straks de sieraden zouden komen afhalen. Hierbij moest melder de volgende code aan de deur verifiëren: [code] .\n\n(…)\n\nIk hoorde dat melder de code op het briefje oplas. Ik hoorde de jongen voor de deur zeggen dat hij voor de tas kwam. Ik zag dat melder de tas pakte en uitstrekte naar de jongen. Ik zag dat de jongen zijn arm uitstak om de tas te pakken.\n\n(…)\n\nDe verdachte bleek later te zijn: [verdachte] geboren [2006] te [geboorteplaats] .\n\nVerbalisant [verbalisant 7] heeft in een proces-verbaal van bevindingenvan 15 februari 2025 – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:\n\nVerdachte [verdachte] verklaarde de gebruiker te zijn van zijn iPhone 16. In de Iphone is de accountnaam van Snapchat van de gebruiker ' [Snapchat accountnaam verdachte] '. Ten tijde van de oplichting van slachtoffer [slachtoffer] had ‘ [Snapchat accountnaam verdachte] ’ contact met ‘ [Snapchat accountnaam 1] ’ en met ‘ [Snapchat accountnaam 2] ’.\n\nOp 1 februari 2025:\n\nOm 19.07 uur was er een inkomende oproep van ' [Snapchat accountnaam 1] '.\n\nDaarna nog een aantal uitgaande oproepen naar ' [Snapchat accountnaam 1] ', tot en met 19.10 uur.\n\nOm 19.12 uur waren er een aantal uitgaande berichten aan ‘ [Snapchat accountnaam 2] ’: \"Kom snel”, “Snle”, “Snel”.\n\nOm 19.13 uur was er daarna een uitgaande oproep naar ‘ [Snapchat accountnaam 2] ’.\n\nOm 19.13 uur stuurde ‘ [Snapchat accountnaam 1] ’ een bericht: “ […] ”, waarop ‘ [Snapchat accountnaam verdachte] ’ reageerde met: “Kom nu”, en reactie van ‘ [Snapchat accountnaam 1] ’: “Oke”\n\nOm 19.15 uur was er een uitgaande oproep naar ' [Snapchat accountnaam 1] ’ van 14 seconden.\n\nOm 20.07 uur kwam een bericht binnen van ' [Snapchat accountnaam 1] ’ met de tekst:\n\n“ [valse naam 2] [code] ”\n\nOm 20.18 uur komt een bericht binnen van ‘ [Snapchat accountnaam 1] ’: “Yo kan je het vinden”\n\nWanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met onderzoeksnaam Beagle, doorgenummerd pagina 1 tot en met 442. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.\n\nPagina 65.\n\nPagina 143.\n\nPagina 187.\n\n Pagina 187.\n\n Pagina 188.\n\n Pagina 305.\n\n Pagina 305.\n\n Pagina 307.\n\n Pagina 193.\n\n Pagina 194.\n\n Pagina 195.\n\n Pagina 196.\n\n Pagina 427.\n\n Pagina 428.\n\n Pagina 428.\n\n Pagina 428.\n\n Pagina 429.\n\n Pagina 429.\n\n Pagina 432.\n\n Pagina 432.\n\n Pagina 437.\n\n Pagina 437.\n\n Pagina 438.\n\n Pagina 438.\n\n Pagina 442.\n\n Pagina 442.\n\n Pagina 197.\n\n Pagina 197.\n\n Pagina 232.\n\n Pagina 233.\n\n Pagina 234.\n\n Pagina 235.\n\nWanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Den Haag met proces-verbaal nummer DH7R025007, doorgenummerd pagina 1 tot en met 131. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.\n\n Pagina 34.\n\n Pagina 34.\n\nPagina 35.\n\n Pagina 40.\n\nPagina 40.\n\nPagina 41.\n\n Pagina 58.\n\nPagina 59.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4048","2026-07-13T00:28:31.892Z",{"id":62,"ecli":63,"slug":64,"caseNumber":44,"courtId":65,"decisionDate":66,"fullText":67,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":68,"sourceTimestamp":66,"parsedAt":51,"updatedAt":69},"1264","ECLI:NL:RBOBR:2026:4792","ecli-nl-rbobr-2026-4792",72,"2026-07-07T00:00:00.000Z","vonnis\n\nRECHTBANK OOST-BRABANT\n\n Parketnummers vorderingen: 01.299547.24 en 96.298959.24 Parketnummers: 01.105619.26 en 01.236767.23 (ter terechtzitting gevoegd) [verdachte]\n\nLocatie 's-Hertogenbosch\n\nStrafrecht\n\nParketnummers: 01.105619.26 en 01.236767.23 (ter terechtzitting gevoegd) Parketnummers vorderingen: 01.299547.24 en 96.298959.24\n\nDatum uitspraak: 07 juli 2026\n\nVonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2002,\n\nthans gedetineerd te: P.I. [vestigingsplaats] .\n\nDit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 juni 2026.\n\nOp deze zitting heeft de rechtbank de tegen verdachte\u002Fveroordeelde, onder de hiervoor genoemde parketnummers, aanhangig gemaakte zaken gevoegd.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte\u002Fveroordeelde naar voren is gebracht.\n\nDe tenlastelegging.\n\nDe zaken zijn aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van telkens 20 mei 2026.\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nt.a.v. 01-105619-26:\n\nhij op of omstreeks 8 april 2026 te Eindhoven opzettelijk heeft geteeld en\u002Fof bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd,\n\nin elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,\n\n- ongeveer 80 gram (1 witte brok), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en\u002Fof\n\n- ongeveer 4,4 gram (17 sealbags), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,\n\nzijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\nt.a.v. 01-236767-23:\n\nhij op of omstreeks 31 augustus 2023 te Eindhoven, althans in Nederland,\n\nopzettelijk brand heeft gesticht aan een scooter en\u002Fof bij een woning aan [adres] , door (open) vuur en\u002Fof een brandend middel in aanraking te brengen met een scooter die nabij\u002Ftegen de (voor)gevel van voornoemde woning stond, terwijl daarvan\n\n-gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten voornoemde woning en\u002Fof scooter te\n\n duchten was en\u002Fof\n\n- levensgevaar en\u002Fof gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten voor een\n\n of meer bewoner(s) van en\u002Fof aanwezigen in voornoemde woning en\u002Fof naastgelegen\n\n woning(en) te duchten was;\n\nDe vorderingen na voorwaardelijke veroordeling.\n\nDe zaak met parketnummer 01.299547.24 is aangebracht bij vordering van 13 mei 2026. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de meervoudige strafkamer te\n\n's-Hertogenbosch van 13 februari 2025. (bijlage 1)\n\nDe zaak met parketnummer 96.298959.24 is aangebracht bij vordering van 13 mei 2026. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de politierechter te 's-Hertogenbosch\n\nvan 20 mei 2025. (bijlage 2)\n\nDe formele voorvragen.\n\nBij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.\n\nRechtmatigheid verkregen bewijs\n\nt.a.v. 01.105619.12\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe raadsvrouw heeft gesteld dat de doorzoeking van de auto van verdachte onrechtmatig\n\nis geweest, omdat er op dat moment onvoldoende verdenking van overtreding van een strafbaar feit bestond. Dit onherstelbare vormverzuim moet in de visie van de raadsvrouw tot bewijsuitsluiting van de aangetroffen cocaïne leiden. De raadsvrouw heeft ter onderbouwing van haar standpunt verwezen naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 maart 2022 (ECLI:NL:GHARL:2022:2010).\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er voldoende verdenking bestond om tot doorzoeking van het voertuig over te gaan.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nOp grond van artikel 96b, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is de opsporingsambtenaar bevoegd, in geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar of\n\nin geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid Sv, een vervoermiddel te doorzoeken en zich daartoe de toegang te verschaffen.\n\nDe rechtbank dient de vraag te beantwoorden of – en zo ja, wanneer – ten aanzien van verdachte een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit (in casu: een Opiumwetdelict) bestond. De rechtbank dient te toetsen of de betrokken verbalisanten\n\ntot een redelijk vermoeden hebben kunnen komen.\n\nZoals de raadsvrouw terecht heeft gesteld, dient een verdenking te berusten op concrete en objectiveerbare feiten. Daarmee wordt bedoeld dat het vermoeden objectiveerbaar moet zijn en in redelijkheid moet kunnen worden afgeleid uit voor het strafbare feit relevante en concrete gegevens. Uit bestendige jurisprudentie volgt verder dat ervaring en deskundigheid van de verbalisant, evenals een feit van algemene bekendheid, bijdragen aan het bestaan van een redelijke vermoeden van schuld en mitsdien van een verdenking.\n\nDe rechtbank overweegt het volgende.\n\nVerbalisanten hebben op basis van artikel 160 van de Wegenverkeerswet 1994 het voertuig met verdachte als bestuurder aan een controle onderworpen en zijn op grond van de navolgende combinatie van feiten en omstandigheden tot een doorzoeking van het voertuig overgegaan. (proces-verbaal van bevindingen pag. 5-9)\n\nVerbalisanten zagen dat verdachte tijdens de controle heel zenuwachtig was. Zo keek hij continu om zich heen, vermeed hij oogcontact met de verbalisanten, transpireerde hij op\n\nzijn voorhoofd, hield hij het stuurwiel gedurende de hele controle stevig vast en vroeg hij meerdere keren naar de reden van de controle.\n\nVerbalisanten zagen in het voertuig twee telefoons liggen en dat verdachte continu werd gebeld door nummers die hij niet als een contact had opgeslagen.\n\nVerbalisanten zagen in de politiesystemen dat verdachte stond geregistreerd voor het\n\nbezit en de handel in harddrugs op 19 september 2024 en het bezit van hard- en softdrugs\n\nop 3 oktober 2023.\n\nVerbalisant [verbalisant 1] zag ter hoogte van de voeten van verdachte meerdere biljetten geld liggen: briefjes van 50 euro, 20 euro en 5 euro. Het is verbalisanten ambtshalve bekend dat personen die handelen in verdovende middelen doorgaans contant geld bij zich dragen\n\nof voorhanden hebben.\n\nVerbalisant [verbalisant 2] rook een zoete, frisse lucht, die afkomstig was uit een parfumdoosje in het voertuig. Het is verbalisanten bekend dat personen die handelen in drugs een parfum in hun voertuig bij zich hebben om zo de geur van de drugs te verdoezelen.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank levert het algehele samenstel van deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, een gerechtvaardigde\n\nen voldoende verdenking van een Opiumwetdelict op. Dat betekent dat de verbalisanten bevoegd waren om de auto van verdachte te doorzoeken op grond van artikel 96b, eerste lid, Sv. Daarmee is sprake van een rechtmatige doorzoeking. De resultaten hiervan kunnen worden voor het bewijs worden gebruikt. Het verweer van de raadsvrouw wordt dan ook verworpen.\n\nDe bewijsvraag.\n\nInleiding.\n\nt.a.v. 01.105619.12\n\nVerdachte wordt ervan beschuldigd dat hij ongeveer 84 gram cocaïne opzettelijk aanwezig heeft gehad.\n\nt.a.v. 01.236767.23\n\nVerdachte wordt ervan beschuldigd dat hij brand heeft gesticht, door een scooter in brand te steken.\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft tot bewezenverklaringen van het Opiumwetdelict, het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne, en de brandstichting gerekwireerd. Bij de brandstichting was volgens de officier van justitie sprake van gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners van de woning.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe raadsvrouw heeft op gronden als verwoord in haar pleitnota op het standpunt gesteld dat het bewijs in beide zaken tekortschiet en dat verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken.\n\nBewijsbijlage.\n\nDe bewijsmiddelen die de rechtbank bij de beoordeling heeft gebruikt, zijn opgenomen in de bewijsbijlage die deel uitmaakt van dit vonnis. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nT.av. 01.105619.26\n\nVoor een bewezenverklaring van het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne is op grond van vaste jurisprudentie vereist dat verdachte wist van de aanwezigheid van de cocaïne in de auto en dat die cocaïne zich in zijn machtssfeer bevond.\n\nDe rechtbank overweegt daarover als volgt.\n\nOp 8 april 2026 werd in een door verdachte bestuurde personenauto circa 84 gram cocaïne\n\nin een verborgen ruimte in de elektrische raambediening aan de bestuurderszijde aangetroffen. Verdachte was de enige inzittende van het voertuig,\n\nVerdachte stelt zich op het standpunt dat hij niet wist van de aanwezigheid van cocaïne. Hij heeft verklaard dat hij de auto van zijn moeder heeft geleend en dat zijn moeder de auto ook aan anderen uitleende.\n\nDe rechtbank acht niet aannemelijk dat een ander ruim 80 gram cocaïne – die een behoorlijke straatwaarde vertegenwoordigd – in een geleende auto achterlaat. Voor zover verdachte dat met zijn verklaring heeft willen zeggen, vindt de rechtbank dat dus niet aannemelijk. De rechtbank merkt daarbij op dat verdachte zijn verklaring ook niet met concrete feiten en omstandigheden heeft onderbouwd.\n\nDe rechtbank merkt verder op dat de verbalisant in het vak van het bestuurdersportier keek en zag dat het kapje van de elektrische raambediening niet goed bevestigd was. Dit was blijkbaar direct zichtbaar voor de verbalisant, nader onderzoek was kennelijk niet nodig. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat ook verdachte dit heeft gezien of in ieder geval heeft moeten zien.\n\nVerder betrekt de rechtbank een aantal van de hiervoor genoemde omstandigheden bij haar oordeel. Namelijk dat geldbriefjes bij de voeten van verdachte lagen, dat hij twee telefoons bij zich had, waarvan een van de telefoons werd gebeld door onbekende nummers en het gedrag van verdachte: de politie omschrijft dat verdachte zenuwachtig gedrag vertoonde, namelijk oogcontact vermijden, continu om zich heen kijken en zweten.\n\nGelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat het niet anders kan dan dat verdachte wist dat cocaïne in de auto lag. Hij kon hier ook over beschikken.\n\nDe rechtbank stelt gelet op het voorgaande dus vast dat de cocaïne zich in de machtssfeer van verdachte bevond en hij hiervan wetenschap had. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte de cocaïne opzettelijk aanwezig heeft gehad.\n\n01.236767.23\n\nOp 31 augustus 2023, omstreeks 04:00 uur, werd een scooter die geparkeerd stond tegen de voorzijde van de woning gelegen aan [adres] in Eindhoven in brand gestoken. De brand sloeg over naar de gevel van de woning. Op de eerste etage sliepen op dat moment zowel aan de voorzijde als achterzijde de (vier) bewoners van de woning. Op camerabeelden is te zien dat een persoon vloeistof uit een witte emmer over de scooter goot en deze vervolgens in brand stak.\n\nDe rechtbank dient te beoordelen of er wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte deze brandstichting heeft gepleegd.\n\nDe rechtbank overweegt hierover als volgt.\n\nKort na de brandstichting werd door de politie op circa 10 meter afstand van de plaats delict een witte emmer met een benzinegeur aangetroffen. Naar alle waarschijnlijkheid gaat het hier om de emmer waarmee de vloeistof over de scooter is gegoten. Deze emmer is bemonsterd. Uit deze bemonstering is een DNA-mengprofiel afkomstig van celmateriaal van minimaal twee donoren verkregen, waaruit een DNA-profiel van één man kon worden afgeleid. Het afgeleide DNA-profiel is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer – kort gezegd – verdachte één van de donoren is dan wanneer dit niet zo is. De additionele DNA-kenmerken van de minder prominente aanwezige donoren zijn niet geschikt voor vergelijkend DNA-onderzoek.\n\nHoewel het opmerkelijk is dat verdachte donor is van het celmateriaal op de emmer, is de rechtbank van oordeel dat alleen deze omstandigheid onvoldoende is om verdachte als dader van de brandstichting aan te merken. De rechtbank merkt in dit verband op dat het celmateriaal is aangetroffen op een verplaatsbaar object en dat hierop ook celmateriaal van minimaal één andere donor is aangetroffen. Om vast te kunnen stellen dat verdachte degen is die de scooter in brand heeft gestoken en dus om tot een bewezenverklaring te komen, moet er naar het oordeel van de rechtbank in dit geval meer bewijs zijn waaruit blijkt dat het verdachte was die de scooter in brand heeft gestoken.\n\nDat bewijs is er naar het oordeel van de rechtbank niet. Daarover overweegt zij het volgende.\n\nDe ex-partner van verdachte heeft een verklaring afgelegd bij de politie. Zij heeft onder meer verklaard dat zij denkt haar ex, verdachte, te herkennen op de camerabeelden op basis van zijn postuur. Zij zag dat de persoon op de beelden ‘boven bij zijn schouders wat breder was’ en ‘dat de benen heel dun\u002Frecht waren’. Vervolgens verklaart zij dat zij de kleding en schoenen van de persoon op de beelden niet herkent. Nog los van de omstandigheid dat zij verdachte slechts denkt te herkennen, is een herkenning enkel vanwege het postuur en niet onderbouwd met specifieke kenmerken naar het haar oordeel van de rechtbank onvoldoende concreet. De verklaring van de ex-partner kan op dit punt, anders dan de officier van justitie heeft gesteld, dus niet als ondersteunend bewijs worden aangemerkt.\n\nDe ex-partner van verdachte heeft verder verklaard dat de relatie door haar is beëindigd omdat zij van verdachte niet met haar vriendin mocht omgaan. Zij denkt dat verdachte daarom in staat zou zijn om de scooter van die vriendin in brand te steken.\n\nDe rechtbank ziet anders dan de officier van justitie in deze verklaring geen steun voor het scenario dat verdachte de scooter in brand heeft gestoken. De enkele gedachte van de ex-partner dat verdachte daartoe in staat zou zijn, vindt de rechtbank daarvoor onvoldoende. De rechtbank merkt voor de volledigheid nog op dat de relatie al enige tijd beëindigd was toen de brand werd gesticht en de rechtbank ziet ook geen andere aanwijzingen in het dossier dat er sinds of vanwege de relatiebreuk sprake was van enige wrok van verdachte naar de vriendin van zijn ex-partner.\n\nDe rechtbank heeft in het dossier ook verder geen aanwijzingen aangetroffen op basis waarvan betrokkenheid van verdachte bij deze brandstichting kan worden vastgesteld.\n\nGelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs niet bewezen kan worden dat verdachte degene is die de brandstichting heeft gepleegd, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.\n\nDe bewezenverklaring.\n\nOp grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierna in de bijlage uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:\n\n t.a.v. 01.105619.26\n\nop 8 april 2026 te Eindhoven opzettelijk aanwezig heeft gehad:\n\n-ongeveer 80 gram (1 witte brok) van een materiaal bevattende cocaïne en\n\n-ongeveer 4,4 gram (17 sealbags) van een materiaal bevattende cocaïne,\n\nzijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nHetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.\n\nDe strafbaarheid van het feit.\n\nHet bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.\n\nDe strafbaarheid van verdachte.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.\n\nOplegging van straf.\n\nDe eis van de officier van justitie.(bijlage 3)\n\nDe officier van justitie heeft een gevangenisstraf van 6 maanden met aftrek van voorarrest gevorderd. Volgens de officier van justitie is niet voldaan aan de formele vereisten voor het opleggen van een ISD-maatregel.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe raadsvrouw van verdachte heeft zich niet over een eventuele strafoplegging uitgelaten.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nBij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.\n\nDe rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nErnst feit\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het bezit van ruim 84 gram cocaïne. Het is algemeen bekend dat die verdovende middelen schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van deze middelen. Bovendien bekostigen gebruikers hun drugsgebruik vaak door diefstal of ander crimineel gedrag, waardoor schade en overlast wordt toegebracht\n\naan anderen. Tot slot is inmiddels ook algemeen bekend dat Opiumwetdelicten veelal tot het\n\nverdienmodel en werkterrein van zware criminaliteit behoren waarbij (vuurwapen)geweld en intimidatie niet worden geschuwd. Verdachte heeft zich kennelijk niet bekommerd om deze gevolgen.\n\nStrafblad\n\nHet uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte bevat vanaf 2017 veroordelingen vanwege vermogensdelicten, geweldsdelicten, verkeersdelicten maar ook voor Opiumwetdelicten (15 april 2024, 13 februari 2025). Verdachte is bij die laatste veroordeling aangemerkt als stelselmatige dader en heeft toen – kort gezegd – een voorwaardelijke ISD-maatregel opgelegd gekregen. Deze voorwaardelijke maatregel\n\nheeft echter niet het gewenste effect gehad, immers heeft verdachte het onderhavige\n\nOpiumwetdelict tijdens de proeftijd van die veroordeling gepleegd. Verdachte heeft aldus die geboden kans niet aangegrepen om zijn leven een andere wending te geven. Verdachte is kennelijk niet in staat of bereid om het criminele pad te verlaten.\n\nOriëntatiepunten\n\nDe rechtbank heeft gekeken naar de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten voor strafbare feiten als bewezenverklaard en straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. Voor het bezit van 84 gram cocaïne is de oplegging van een taakstraf van 150 uren het uitgangspunt. Echter, verdachte is een recidivist op het gebied van drugsdelicten, hetgeen strafverzwarend doorwerkt.\n\nRapport reclassering d.d. 16 juni 2026\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op het reclasseringsrapport van 16 juni 2026. Dit rapport kent een sombere teneur. De reclassering ziet huisvesting, dagbesteding, financiën, sociaal netwerk, psychosociaal functioneren en houding als delict gerelateerde criminogene factoren. De reclassering rapporteert dat de voorwaardelijke ISD maatregel verdachte niet lijkt te motiveren zijn leven aan te passen. Verdachte is onvoldoende open geweest waardoor interventies van de reclassering onvoldoende bijdragen aan het beperken van de risico's op recidive en het stabiliseren van het leven van betrokkene, zo stelt de reclassering die dan ook het risico op recidive inschat als hoog en het risico op onttrekken aan voorwaarden als gemiddeld. De reclassering concludeert het volgende:\n\n“ De heer [verdachte] staat te boek als stelselmatige dader en hij loopt in een voorwaardelijke ISD maatregel. De onstabiele leefsituatie van betrokkene, het psychosociaal functioneren, zijn pro criminele houding en zijn houding ten opzichte van hulpverlening, maken dat het recidive risico hoog blijft. Om de kans op recidive terug te dringen is het van belang dat betrokkene klinisch behandeld wordt. Wij zien de ISD maatregel als meest aangewezen manier of middel om dit te verwezenlijken en om het patroon van het terugvallen in delictgedrag te doorbreken.(,..) Derhalve zien wij op dit moment geen andere mogelijkheid dan de rechtbank te adviseren om bij veroordeling aan betrokkene een ISD-maatregel op te leggen. De hoge justitiële druk van de ISD-maatregel in combinatie met de duur van de maatregel is naar onzes inziens de enige mogelijkheid om een positieve gedragsverandering en stabiliteit in het leven van betrokkene te bewerkstelligen.”\n\nStrafoplegging\n\nVolgens de wet kan de rechter enkel op vordering van het openbaar ministerie een ISD-maatregel opleggen. De officier van justitie heeft echter op formele gronden hiervan afgezien. Hoewel de oplegging van een ISD-maatregel gezien het rapport van de reclassering de meest passende afdoening zou zijn, is de rechtbank dus gebonden aan\n\nde strafeis van de officier van justitie. Dit brengt de rechtbank tot de volgende strafoplegging.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen met aftrek van voorarrest. Dit betekent dat een straf wordt opgelegd die is gelijk aan de duur van het ondergane voorarrest. Dat brengt met zich dat\n\nde voorlopige hechtenis van verdachte zal worden opgeheven. In zoverre wordt het opheffingsverzoek van de raadsvrouw gehonoreerd.\n\nDe rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst en aard van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.\n\nDe vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en\n\n [benadeelde 4](01.236767.23)\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vier vorderingen tot schadevergoeding integraal kunnen worden toegewezen, met telkens oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en telkens met vermeerdering van de wettelijke rente.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe raadsvrouw heeft onder verwijzing naar de door haar bepleite vrijspraak in de strafzaak de afwijzing van de vorderingen dan wel de niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partijen in hun vorderingen bepleit. Laatstgenoemde beslissing zou ook dienen te volgen omdat de verdediging door het late tijdstip van indienen van de vorderingen de verzoeken niet adequaat heeft kunnen voorbereiden en een aanhouding van de zaak een onevenredige belasting van het geding oplevert.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nDe rechtbank zal de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in hun vordering aangezien verdachte wordt vrijgesproken van het feit waarop de vorderingen van de benadeelde partijen betrekking hebben. De rechtbank zal, nu de vorderingen niet worden toegewezen, de benadeelde partijen veroordelen in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vorderingen gemaakt. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil.\n\nBeslag.(01.105619.26)\n\nDe rechtbank zal, overeenkomstig de standpunten van de officier van justitie en de verdediging, de teruggave aan verdachte gelasten van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen (geld en telefoon), nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen goederen.\n\nBeslissing na voorwaardelijke veroordeling(01.299547.24)\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging van een ISD-maatregel van 2 jaren gevorderd.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe raadsvrouw heeft onder verwijzing naar de door haar bepleite vrijspraak in de onderliggende strafzaak om afwijzing van de vordering verzocht.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nDe vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Bijzondere omstandigheden die aan de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel in de weg staan zijn niet aanwezig. Integendeel: uit het hiervoor besproken rapport van de reclassering volgt veeleer de noodzaak en het belang van een ISD-maatregel. De rechtbank zal dan ook de gevorderde tenuitvoerlegging van – kort gezegd- de ISD-maatregel van 2 jaren gelasten.\n\nBeslissing na voorwaardelijke veroordeling(96.298959.24)\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf van 2 weken gevorderd.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe raadsvrouw heeft onder verwijzing naar de door haar bepleite vrijspraak in de onderliggende strafzaak om afwijzing van de vordering verzocht.\n\nHet oordeel van de rechtbank,\n\nDe vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt\n\nDe rechtbank zal echter de gevorderde tenuitvoerlegging afwijzen. De rechtbank acht toewijzing van de vordering in het licht van de hiervoor onder parketnummer 01.299547.24 gelaste tenuitvoerlegging van een ISD-maatregel van 2 jaren niet opportuun.\n\nToepasselijke wetsartikelen.\n\nDe beslissing is gegrond op artikel 63 (oud) van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.\n\nDE UITSPRAAK\n\nDe rechtbank:\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder het parketnummer 01.236767.23 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.\n\nVerklaart het ten laste gelegde onder het parketnummer 01.105619.26 bewezen zoals hiervoor is omschreven.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.\n\nHet bewezen verklaarde levert op het misdrijf:\n\nt.a.v. 01.105619.26\n\nopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod\n\nVerklaart verdachte hiervoor strafbaar.Legt op de volgende straf.\n\nt.a.v. 01.105619.26:\n\nEen gevangenisstrafvoor de duur van 90 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nHeft ophet tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.\n\nt.a.v. beslag (01.105619.26)\n\nGelast de teruggave van de inbeslaggenomen goederen aan verdachte, te weten:\n\n-0,40 EUR Geld\n\n-1,00 EUR Geld\n\n-10,00 EUR Geld\n\n-50,00 EUR Geld\n\n-10,00 EUR Geld\n\n-80,00 EUR Geld\n\n-1 STK GSM (G2467387)\n\nt.a.v. de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4](01.236767.23)\n\nBepaalt dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot schadevergoeding. Veroordeelt de benadeelde partijen in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vorderingen gemaakt, tot op heden begroot op nihil.\n\nBeslissing na voorwaardelijke veroordeling (01.299547.24)\n\nBeveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige strafkamer te Oost-Brabant van 13 februari 2025, gewezen onder parketnummer 01.299547.24, te weten: een plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaren.\n\nBeslissing na voorwaardelijke veroordeling: (96.298959.24)\n\nWijst af de vordering met parketnummer 96.298959.24 van de officier van justitie d.d.\n\n13 mei 2026.\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. I.M. Rinzema, voorzitter,\n\nmr. N. Flikkenschild en mr. R.J. Heuft, leden,\n\nin tegenwoordigheid van D.A. Koopmans, griffier,\n\nen is uitgesproken op 07 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4792","2026-07-13T00:29:12.808Z",{"id":71,"ecli":72,"slug":73,"caseNumber":44,"courtId":74,"decisionDate":66,"fullText":75,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":76,"sourceTimestamp":77,"parsedAt":51,"updatedAt":78},"1197","ECLI:NL:RBZWB:2026:6059","ecli-nl-rbzwb-2026-6059",64,"Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats: Breda\n\nParketnummer: 02-162374-23\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 7 juli 2026\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1961,\n\ningeschreven in de basisregistratie personen op het adres\n\n [adres] ,\n\nraadsman mr. R.B.M. Poppelaars, advocaat te Breda.1. Onderzoek op de terechtzitting\n\nDe zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 juni 2026, waarbij de officier van justitie mr. M. Kikkert en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.2. De tenlastelegging\n\nDe tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.\n\nDe verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen ten behoeve van de handel in verdovende middelen (feiten 1, 2 en 3) en het bezit van ketamine (feit 4).3. De procesafspraken\n\nDeze strafzaak kenmerkt zich doordat het Openbaar Ministerie en de verdediging zogeheten procesafspraken hebben gemaakt over wat volgens hen een passende uitkomst van de strafzaak zou zijn. Deze procesafspraken hebben zij opgenomen in een overeenkomst gedateerd 17 juni 2026, die zij voorafgaand aan de inhoudelijke zitting, en voorzien van de handtekeningen van zowel de officier van justitie als die van verdachte en zijn raadsman, hebben overgelegd aan de rechtbank. Het Openbaar Ministerie en de verdediging hebben de rechtbank daarmee een gezamenlijk voorstel gedaan over de wijze van afdoening van de zaak.\n\nHet afdoeningsvoorstel houdt, samengevat en voor zover hier relevant, het volgende in:\n\nDe verdediging\n\n- verdachte zal geen (nadere) onderzoekswensen indienen en\u002Fof (inhoudelijke) verweren voeren. De reeds ingediende onderzoekswensen zullen per ommegaande, na het ondertekenen van de overeenkomst, schriftelijk worden ingetrokken;\n\n- verdachte erkent geen schuld en legt geen bekennende verklaring af; doch de verdediging en verdachte geven door ondertekening van de procesafspraken richting rechtbank en het Openbaar Ministerie aan dat de feiten en kwalificaties zoals tussen het Openbaar Ministerie en verdediging vastgesteld in de bijlage A, (juridisch gezien) bewezen kunnen worden verklaard en dat er geen inhoudelijk verweer zal worden gevoerd. Verdachte bevestigt door deze procesafspraken daarmee niet de juistheid van de door het Openbaar Ministerie in bijlage A geschetste bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen van de zijde van het Openbaar Ministerie;\n\n- verdachte doet schriftelijk afstand van de in bijlage B benoemde (klassiek) in beslag genomen goederen, conform de als bijlage C bijgevoegde schriftelijke afstandsverklaring;\n\n- verdachte beseft dat het niet voeren van verdediging (hoogstwaarschijnlijk) zal leiden tot een veroordeling van de strafbare feiten als omschreven in de tenlastelegging;\n\n- de verdediging zal gedurende het proces in eerste aanleg geen aanhoudingsverzoeken indienen, tenzij onvoorziene omstandigheden\u002Feen acute situatie van persoonlijke aard ontstaat die niet wordt voorzien;\n\n- verdachte zal bij de inhoudelijke behandeling van de zaak aanwezig zijn, zodat hij kan worden gehoord over de procesafspraken;\n\n- verdachte zal zich niet aan de tenuitvoerlegging van de straf onttrekken en meewerken aan de tenuitvoerlegging van de op te leggen straf.\n\nHet Openbaar Ministerie\n\n- het Openbaar Ministerie zal ter zitting requireren tot:\n\n - bewezenverklaring van alle aan verdachte tenlastegelegde feiten (conform de\n\n inhoud van bijlage A);\n\n - een strafoplegging als hieronder weergegeven:\n\n • een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden (met aftrek);\n\n • een geldboete ter hoogte van € 22.500,-, bij niet betalen te vervangen door 147\n\n dagen vervangende hechtenis;\n\n • onttrekking aan het verkeer van de goederen waarvan verdachte afstand heeft\n\n gedaan;\n\n- het Openbaar Ministerie heeft geen ontnemingsvordering tegen de verdachte aanhangig gemaakt en zal dat – indien aan de termen van de schikking wordt voldaan en de gezamenlijke procesafspraken door de rechtbank worden gevolgd – ook niet meer doen;\n\n- het Openbaar Ministerie zal zich ter zitting refereren aan het (nog in te dienen) verzoek van de verdediging tot hernieuwde schorsing van de voorlopige hechtenis.\n\nVerder is onderdeel van de overeenkomst dat door de verdediging en het Openbaar Ministerie geen hoger beroep zal worden ingesteld, indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform de gemaakte procesafspraken.\n\nDe gehele overeenkomst is als bijlage aan dit vonnis gehecht.\n\nBeoordeling van de procesafspraken door de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft zich gebogen over de vraag of het mogelijk is de zaak conform de tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging gemaakte procesafspraken af te doen. Bij de beoordeling zijn voor de rechtbank leidend geweest de uitgangspunten zoals verwoord door de Hoge Raad in het arrest van 27 september 2022 (vgl. ECLI:NL:HR:2022:1252).\n\nDe rechtbank stelt vast dat verdachte bij de totstandkoming van de procesafspraken is bijgestaan door zijn raadsman. Verdachte is ook samen met zijn raadsman aanwezig geweest op de openbare terechtzitting van 23 juni 2026, waar de inhoud van het afdoeningsvoorstel is besproken.\n\nDe rechtbank heeft ter zitting benadrukt dat de rechtbank geen partij is bij de (totstandkoming van de) procesafspraken en dat de rechtbank daaraan niet gebonden is. De rechtbank heeft immers een eigen verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat de behandeling en de beoordeling van de strafzaak plaatsvinden overeenkomstig de geldende wettelijke bepalingen. Hierbij staat met name de beantwoording van de vragen conform artikel 348 en artikel 350 van het Wetboek van Strafvordering centraal.\n\nDe officier van justitie, de raadsman en verdachte hebben ter zitting allen bevestigd achter de procesafspraken te staan. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij deze met zijn raadsman heeft besproken en dat de inhoud van die afspraken duidelijk voor hem is. Verdachte begrijpt wat de consequenties zijn als de rechtbank de procesafspraken volgt – in het bijzonder met betrekking tot zijn verdedigingsrechten – en hij accepteert de op te leggen straf zoals deze is voorgesteld.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat verdachte vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan de procesafspraken en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. De wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen doet geen afbreuk aan het aan verdachte op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) toekomende recht op een eerlijk proces. De rechtbank ziet dan ook geen reden om de inhoud van de procesafspraken niet bij haar oordeel te betrekken.4. De voorvragen\n\nDe dagvaarding is geldig.\n\nDe rechtbank is bevoegd.\n\nDe officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.\n\nEr is geen reden voor schorsing van de vervolging.5. De beoordeling van het bewijs5.1.. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, zoals neergelegd in de procesafspraken.5.2.. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht om de procesafspraken te volgen en heeft, overeenkomstig de procesafspraken, geen bewijsverweren gevoerd.5.3.. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nNu de verdediging geen bewijsverweren heeft gevoerd en de rechtbank de ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen, die tevens kort samengevat zijn voorgehouden ter zitting, wettig en overtuigend bewezen acht, zullen de feiten zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.5.4.. \n\nDe bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte\n\nfeit 1\n\nop tijdstippen in de periode van 8 juni 2020 tot en met 11 juni 2020 te Breda , althans op meerdere plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, te weten\n\n- het (telkens) opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren van een of meer hoeveelheden (met)amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende (met)amfetamine als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\n- een of meer anderen heeft\u002Fhebben getracht te bewegen om dat\u002Fdie feit(en) te plegen, mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen,\n\n- zich en\u002Fof een of meer anderen gelegenheid en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat\u002Fdie feit(en) heeft getracht te verschaffen,\n\n- voorwerpen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van die feit(en), door\n\n- een of meer encryptische\u002FPGP telefoon(s) voorhanden te hebben,\n\n- met behulp van voornoemde encryptische\u002FPGP-telefoon gebruik te maken van een Sky-ECC account (te weten [account 1] ),\n\n- ( als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer (encryptische) (chat) gesprekken te voeren met een of meer anderen over het bewerken, verwerken, leveren, kopen en\u002Fof verkopen van een of meer hoeveelheden cocaïne,\n\n- ( als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer (encryptische) (chat)gesprekken te voeren met betrekking tot de prijs van een of meer hoeveelheden cocaïne,\n\n- als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer afbeeldingen\u002Ffoto’s van een of meer hoeveelheden cocaïne te ontvangen en\u002Fof versturen;\n\nfeit 2\n\nop tijdstippen in de periode van 4 april 2020 tot en met 20 mei 2020 te Breda , althans op meerdere plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen,\n\nte weten\n\n- het (telkens) opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof vervaardigen van een of meer hoeveelheden (met)amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende (met)amfetamine als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\n- een of meer anderen heeft\u002Fhebben getracht te bewegen om dat\u002Fdie feit(en) te plegen, mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen,\n\n- zich en\u002Fof een of meer anderen gelegenheid en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat\u002Fdie feit(en) heeft getracht te verschaffen,\n\n- voorwerpen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd was\u002Fwaren tot het plegen van dat\u002Fdie feit(en), door\n\n- een of meer encryptische\u002FPGP telefoon(s) voorhanden te hebben,\n\n- met behulp van voornoemde encryptische\u002FPGP-telefoon gebruik te maken van een Sky-ECC account (te weten [account 1] ),\n\n- ( als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer (encryptische) (chat) gesprekken te voeren met een of meer anderen over het bewerken, verwerken, leveren, kopen en\u002Fof verkopen van een of meer grondstoffen waaronder apaan en\n\nN-methylformamide,\n\n- ( als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer (encryptische) (chat)gesprekken te voeren met betrekking tot de prijs van een of meer grondstoffen waaronder apaan en N-methylformamide,\n\n- ( als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer (encryptische) (chat)gesprekken te voeren met betrekking tot het opzetten en\u002Fof inrichten van een (productie)laboratorium en\u002Fof de verdeling van de productiekosten en\u002Fof winst en\u002Fof betaling\u002Fverdeling daarvan,\n\n- als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer afbeeldingen\u002Ffoto’s van een (mogelijke) loods\u002Flocatie voor het opzetten van een (productie)laboratorium en een tekening waarin de ruimtes van die loods\u002Flocatie zijn ingedeeld te ontvangen en\u002Fof versturen;\n\nfeit 3\n\nop tijdstippen in de periode van 1 oktober 2022 tot en met 3 februari 2023 te Breda , althans op meerdere plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, te weten\n\n- het (telkens) opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof vervaardigen van een of meer hoeveelheden (meth)amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende (meth)amfetamine als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\n- een of meer anderen heeft\u002Fhebben getracht te bewegen om dat\u002Fdie feit(en) te plegen, mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen,\n\n- zich en\u002Fof een of meer anderen gelegenheid en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat\u002Fdie feit(en) heeft getracht te verschaffen,\n\n- voorwerpen voorhanden heeft\u002Fhebben gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd was\u002Fwaren tot het plegen van dat\u002Fdie\n\nfeit(en), door\n\n- een of meer encryptische\u002FPGP telefoon(s) voorhanden te hebben,\n\n- met behulp van voornoemde encryptische\u002FPGP-telefoon gebruik te maken van een Exclu account ( [account 2] (gebruikersnaam [gebruikersnaam] )),\n\n- ( als gebruiker van het account [account 2] ) een of meer (encryptische) (chat) gesprekken te voeren met een of meer anderen over het bewerken, verwerken, leveren, kopen en\u002Fof verkopen van een of meer grondstoffen waaronder methylamine en metanol en zoutzuur en aceton en caustic soda en citroenzuur,\n\n- ( als gebruiker van het account [account 2] ) een of meer (encryptische) (chat)gesprekken te voeren met betrekking tot de prijs van een of meer grondstoffen waaronder methylamine en metanol en zoutzuur en aceton en caustic soda en citroenzuur;\n\nfeit 4\n\nop 26 februari 2024 te Breda opzettelijk, zonder registratie een of meer hoeveelheden ketamine in voorraad heeft gehad.\n\nDe rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.6. De strafbaarheid\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.\n\nVerdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.7. De strafoplegging7.1.. \n\nDe vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie vordert, conform de procesafspraken, aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 32 maanden met aftrek van voorarrest en een geldboete ter hoogte van € 22.500,-.7.2.. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft geen inhoudelijk strafmaatverweer gevoerd en heeft de rechtbank verzocht aan te sluiten bij de procesafspraken.7.3.. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nVerdachte heeft zich samen met anderen beziggehouden met het plegen van voorbereidingshandelingen met betrekking tot de handel in en productie van harddrugs. De wetgever beschouwt de productie van harddrugs als een ernstig strafbaar feit. Het is immers algemeen bekend dat het gebruik van synthetische drugs kan leiden tot een geestelijke of lichamelijke verslaving en bij overdosis zelfs tot de dood van de gebruiker. Daarnaast wordt het chemisch afval dat ontstaat bij de productie vrijwel altijd illegaal gedumpt, waardoor het milieu schade ondervindt en belast wordt en waarbij er in de regel veel geld, tijd en energie geïnvesteerd moet worden om de negatieve gevolgen voor het milieu zoveel mogelijk ongedaan te maken. Bovendien legt het opsporen, ontmantelen en vervolgen van de producenten van synthetische drugs een fors beslag op het opsporingsapparaat, als gevolg waarvan de opsporing van andere misdrijven in het gedrang komt. Kortom, de productie van synthetische drugs heeft op meerdere niveaus van de maatschappij een forse negatieve invloed. Door deel te nemen aan een samenwerkingsverband dat zich hiermee bezighoudt, heeft verdachte zijn eigen geldelijk gewin boven het maatschappelijk belang en de daarop gebaseerde wettelijke normen gesteld. Daarbij heeft verdachte gedurende enkele dagen getracht blokken cocaïne te verhandelen (als tussenpersoon) en had verdachte op 26 februari 2024 een grote hoeveelheid ketamine in zijn bezit.\n\nGelet op de aard en ernst van deze feiten kan naar het oordeel van de rechtbank, in beginsel, niet anders worden gereageerd dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Bij de bepaling van de duur heeft de rechtbank allereerst acht geslagen op het strafblad van verdachte, waaruit volgt dat hij eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Deze feiten vallen echter buiten de recidivetermijn. Verder heeft de rechtbank rekening gehouden met de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting (LOVS), straffen in soortgelijke zaken en de rol van verdachte.\n\nDe rechtbank acht gelet op het voorgaande, evenals de officier van justitie, in beginsel een gevangenisstraf van 54 maanden onvoorwaardelijk passend en geboden. Ten voordele van verdachte wordt meegewogen dat de feiten een korte(re) pleegperiode kennen en dat wat betreft de feiten 1, 2 en 3 niet is gebleken dat verdachte tot voltooide feiten is gekomen. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de procesafspraken in onderhavige zaak nopen tot een andere afweging. Zij overweegt daartoe als volgt. Er is sprake van een groot tijdsverloop waardoor de redelijke termijn is geschonden. Daarnaast heeft verdachte meegewerkt aan een procedure die uiteindelijk tot efficiëntere rechtspleging heeft geleid. De verdediging heeft geen (nieuwe) onderzoekswensen ingediend, waardoor de rechter-commissaris geen verder onderzoek heeft moeten verrichten. De behandeling van de strafzaak tijdens het onderzoek ter zitting is voortvarend verlopen, nu als gevolg van de procesafspraken geen inhoudelijke verweren zijn gevoerd. Bovendien wordt door naleving van de overeenkomst een hoger beroep voorkomen. Dit levert veel tijdswinst op en bespaart kostbare zittingscapaciteit. Naast deze proceseconomische belangen zorgt deze procedure er ook voor dat zaken eerder onherroepelijk zijn en opgelegde straffen sneller kunnen worden geëxecuteerd. De procesafspraken doen daarmee ook recht aan de belangen van de maatschappij.\n\nUit de procesafspraken volgt dat de verdediging en de officier van justitie een gevangenisstraf van 32 maanden zijn overeengekomen. Dat komt neer op een strafvermindering van 10% voor het overschrijden van de redelijke termijn en vervolgens een strafvermindering van een derde deel. Gelet op de stand van zaken van de procedure komt onderhavige zaak wat het Openbaar Ministerie betreft niet (zonder) meer in aanmerking voor strafkorting. Om die reden, en omdat de door verdachte gepleegde delicten in de regel geld gedreven zijn, zijn de verdediging en het Openbaar Ministerie overeengekomen dat er een (aanzienlijke) financiële prikkel aan de overeengekomen gevangenisstraf wordt toegevoegd, in de vorm van een geldboete van € 22.500,-. Deze geldboete wordt (direct) geëffectueerd vanuit het conservatoir beslag. De door de verdediging en de officier van justitie overeengekomen gevangenisstraf en geldboete zijn bij procesafspraken (zowel in nationaal als in internationaal verband) geen uitzondering en wordt door de rechtbank in deze zaak als een passende vorm van strafafdoening beschouwd.\n\nDe rechtbank is, alles afwegende, van oordeel dat de in de procesafspraken overeengekomen straf onder de gegeven omstandigheden in redelijke verhouding staat tot de ernst en omvang van de feiten, alsook de rol die verdachte daarin heeft vertolkt. De rechtbank legt dan ook aan verdachte op een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden, met aftrek van de tijd die reeds in voorarrest is doorgebracht. Daarnaast legt zij aan verdachte op een geldboete van € 22.500,-.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.8. De wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing berust op de artikelen 23, 24c, 46, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 10a van de Opiumwet, artikel 38 van de Geneesmiddelenwet en de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.9. Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\n- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5.4 is omschreven;\n\n- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;\n\nStrafbaarheid\n\n- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:\n\nfeit 1:medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de\n\n Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden\n\nhebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij\n\nbestemd zijn tot het plegen van dat feit;\n\nen\n\nmedeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de\n\nOpiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich of een ander inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;\n\nfeit 2:medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de\n\n Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden\n\nhebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij\n\nbestemd zijn tot het plegen van dat feit;\n\nen\n\nmedeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de\n\nOpiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich of een ander inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;\n\nfeit 3:medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de\n\n Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden\n\nhebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij\n\nbestemd zijn tot het plegen van dat feit;\n\nen\n\nmedeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de\n\nOpiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich of een ander inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;\n\nfeit 4:opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 38, eerste lid,\n\n van de Geneesmiddelenwet;\n\n- verklaart verdachte strafbaar;\n\nStrafoplegging\n\n- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 32 maanden;\n\n- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;\n\n- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 22.500,-;\n\n- beveelt dat bij niet betaling van de geldboete, vervangende hechteniszal worden toegepast van147 dagen;\n\nVoorlopige hechtenis\n\n- heft het bevel tot voorlopige hechtenis op.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. Wijffels, voorzitter, en mr. C.H.M. Pastoors en mr. F.L. Donders, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. van Spelde, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 7 juli 2026.\n\nBijlage I: De tenlastelegging\n\n1\n\nVoorbereidingshandelingen, Sky-ECC feiten D en E\n\nhij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 8 juni 2020 tot en met 11 juni 2020 te Breda , althans op meerdere plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, te weten\n\n- het (telkens) opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof vervaardigen van een of meer hoeveelheden (met)amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende (met)amfetamine als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\n- een of meer anderen heeft\u002Fhebben getracht te bewegen om dat\u002Fdie feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen en\u002Fof uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen,\n\n- zich en\u002Fof een of meer anderen gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat\u002Fdie feit(en) heeft getracht te verschaffen,\n\n- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft\u002Fhebben gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd was\u002Fwaren tot het plegen van dat\u002Fdie feit(en), door\n\n- een of meer encryptische\u002FPGP telefoon(s) voorhanden te hebben,\n\n- met behulp van voornoemde encryptische\u002FPGP-telefoon gebruik te maken van een Sky-ECC account (te weten [account 1] ),\n\n- ( als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer (encryptische) (chat) gesprekken te voeren met een of meer anderen over het bewerken, verwerken, leveren, kopen en\u002Fof verkopen van een of meer hoeveelheden cocaïne,\n\n- ( als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer (encryptische) (chat)gesprekken te voeren met betrekking tot de prijs van een of meer hoeveelheden cocaïne,\n\n- als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer afbeeldingen\u002Ffoto’s van een of meer hoeveelheden cocaïne te ontvangen en\u002Fof versturen\n\n( art 10a lid 1 ahf\u002Fsub 1 alinea Opiumwet, art 10a lid 1 ahf\u002Fsub 2 alinea Opiumwet, art 10a lid 1 ahf\u002Fsub 3 alinea Opiumwet, art 47 lid 1 ahf\u002Fsub 1 Wetboek van Strafrecht )\n\n2\n\nVoorbereidingshandelingen, Sky-ECC feiten C en F\n\nhij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 4 april 2020 tot en met 20 mei 2020 te Breda , althans op meerdere plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen,\n\nte weten\n\n- het (telkens) opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof vervaardigen van een of meer hoeveelheden (met)amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende (met)amfetamine als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\n- een of meer anderen heeft\u002Fhebben getracht te bewegen om dat\u002Fdie feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen en\u002Fof uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen,\n\n- zich en\u002Fof een of meer anderen gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat\u002Fdie feit(en) heeft getracht te verschaffen,\n\n- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft\u002Fhebben gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd was\u002Fwaren tot het plegen van dat\u002Fdie feit(en), door\n\n- een of meer encryptische\u002FPGP telefoon(s) voorhanden te hebben,\n\n- met behulp van voornoemde encryptische\u002FPGP-telefoon gebruik te maken van een Sky-ECC account (te weten [account 1] ),\n\n- ( als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer (encryptische) (chat) gesprekken te voeren met een of meer anderen over het bewerken, verwerken, leveren, kopen en\u002Fof verkopen van een of meer grondstoffen waaronder apaan en\n\nN-methylformamide,\n\n- ( als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer (encryptische) (chat)gesprekken te voeren met betrekking tot de prijs van een of meer grondstoffen waaronder apaan en N-methylformamide,\n\n- ( als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer (encryptische) (chat)gesprekken te voeren met betrekking tot het opzetten en\u002Fof inrichten van een (productie)laboratorium en\u002Fof de verdeling van de productiekosten en\u002Fof winst en\u002Fof betaling\u002Fverdeling daarvan,\n\n- als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer afbeeldingen\u002Ffoto’s van een (mogelijke) loods\u002Flocatie voor het opzetten van een (productie)laboratorium en\u002Fof een tekening waarin de ruimtes van die loods\u002Flocatie zijn ingedeeld te ontvangen en\u002Fof versturen;\n\n( art 10a lid 1 ahf\u002Fsub 1 alinea Opiumwet, art 10a lid 1 ahf\u002Fsub 2 alinea Opiumwet, art 10a lid 1 ahf\u002Fsub 3 alinea Opiumwet, art 47 lid 1 ahf\u002Fsub 1 Wetboek van Strafrecht )\n\n3\n\nVoorbereidingshandelingen EXCLU feiten A en B\n\nhij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 september 2022 tot en met 3 februari 2023 te Breda , althans op meerdere plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, te weten\n\n- het (telkens) opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof vervaardigen van een of meer hoeveelheden (meth)amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende (meth)amfetamine als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\n- een of meer anderen heeft\u002Fhebben getracht te bewegen om dat\u002Fdie feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen en\u002Fof uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen,\n\n- zich en\u002Fof een of meer anderen gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat\u002Fdie feit(en) heeft getracht te verschaffen,\n\n- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft\u002Fhebben gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd was\u002Fwaren tot het plegen van dat\u002Fdie\n\nfeit(en), door\n\n- een of meer encryptische\u002FPGP telefoon(s) voorhanden te hebben,\n\n- met behulp van voornoemde encryptische\u002FPGP-telefoon gebruik te maken van een Exclu account ( [account 2] (gebruikersnaam [gebruikersnaam] )),\n\n- ( als gebruiker van het account [account 2] ) een of meer (encryptische) (chat) gesprekken te voeren met een of meer anderen over het bewerken, verwerken, leveren, kopen en\u002Fof verkopen van een of meer grondstoffen waaronder methylamine en\u002Fof metanol en\u002Fof zoutzuur en\u002Fof aceton en\u002Fof caustic soda en\u002Fof citroenzuur,\n\n- ( als gebruiker van het account [account 2] ) een of meer (encryptische) (chat)gesprekken te voeren met betrekking tot de prijs van een of meer grondstoffen waaronder methylamine en\u002Fof metanol en\u002Fof zoutzuur en\u002Fof aceton en\u002Fof caustic soda en\u002Fof citroenzuur;\n\n( art 10a lid 1 ahf\u002Fsub 1 Opiumwet, art 10a lid 1 ahf\u002Fsub 2 Opiumwet, art 10a lid 1 ahf\u002Fsub 3 Opiumwet, art 47 lid 1 ahf\u002Fsub 1 Wetboek van Strafrecht )\n\n4\n\nBezit ketamine ( [garage] )\n\nhij op of omstreeks 26 februari 2024 te Breda , althans in Nederland, al dan niet opzettelijk, zonder registratie een of meer hoeveelheden ketamine, in elk geval een werkzame stof, in voorraad heeft gehad en\u002Fof heeft bereid en\u002Fof ingevoerd en\u002Fof te koop aan geboden en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof uitgevoerd of anderszins binnen of buiten Nederlands grondgebied gebracht, dan wel in werkzame stoffen een groothandel gedreven;\n\n( art 38 lid 1 Geneesmiddelenwet )","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:6059","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:09.467Z",{"id":80,"ecli":81,"slug":82,"caseNumber":44,"courtId":83,"decisionDate":66,"fullText":84,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":85,"sourceTimestamp":66,"parsedAt":51,"updatedAt":86},"1224","ECLI:NL:RBROT:2026:8069","ecli-nl-rbrot-2026-8069",61,"Rechtbank Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10\u002F043912-23\n\nDatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nDatum zitting: 23 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1988 in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven op het adres [adres] , [postcode] te [woonplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. S.D. Polat\n\nOfficier van justitie: mr. T. Lucas\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte wordt vrijgesproken van het medeplegen van valsheid in geschrift, het medeplegen van witwassen en meineed. Hij wordt veroordeeld voor het medeplegen van het aanwezig hebben van 11,51 gram cocaïne. Aan de verdachte wordt een taakstraf opgelegd van 30 uren met aftrek van voorarrest. Bij de strafoplegging is rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn en artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. Het geldbedrag dat bij de verdachte in beslag is genomen zal aan hem worden teruggegeven.1. Tenlastelegging\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat\n\n1\n\nhij in of omstreeks de periode van 14 januari 2022 tot en met 18 januari 2022 te Amersfoort, althans in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,\n\nopzettelijk\n\nheeft geteeld en\u002Fof bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd,\n\nin elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,\n\nongeveer 11,51 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal\n\nbevattende cocaïne,\n\nzijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.\n\n2\n\nHij in of omstreeks de periode van 18 januari 2022 tot en met 28 februari 2024 te Leusden en\u002Fof Rotterdam, althans in Nederland,\n\n(van) een Rolex horloge, althans een voorwerp- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en\u002Fof de verplaatsing heeft\n\nverborgen en\u002Fof heeft verhuld, dan wel\n\n- heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat \u002Fdie\n\nvoorwerp(en) was\u002Fwaren,\n\nen\u002Fof\n\n- heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld wie dat\u002Fdie voorwerp(en) voorhanden had(den)\n\n- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet,\n\nen\u002Fof\n\n- gebruik heeft gemaakt\n\nterwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.\n\n3\n\nHij in of omstreeks de periode 18 januari 2022 tot en met 28 februari 2024 te\n\nRotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,\n\nmeermalen althans eenmaal\n\nopzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals en\u002Fof vervalst geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten\n\neen (afschrift van) een factuur met datum 11 februari 2021 van [horlogewinkel] met\n\nfactuurnummer [factuurnummer]\n\nals ware het echt en onvervalst, door\n\ndeze aan de politie over te leggen, althans te doen overleggen.\n\n4\n\nHij op of omstreeks 20 december 2023 te Rotterdam, althans in Nederland,\n\nin een geval waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vorderde\n\nen\u002Fof daaraan rechtsgevolgen verbond, te weten\n\nter terechtzitting van de rechtbank Rotterdam op 20 december 2023 (zaaknr.\u002Frolnr. C\u002F10\u002F652291 \u002F HA ZA 23-129) als getuige gehoord zijnde in een civielrechtelijke procedure tegen [medeverdachte] , althans enige rechter,\n\nmondeling, persoonlijk, opzettelijk een valse verklaring onder ede heeft afgelegd, te weten – zakelijk weergegeven – dat hij begin 2021 aanwezig was bij de verkoop van een Rolex horloge, door [naam 1] aan [medeverdachte] .2. Bewijs feit 1 \u002F vrijspraak feiten 2 tot en met 42.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor alle feiten.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit voor alle feiten.2.3.. Oordeel van de rechtbank\n\nFeit 12.3.1.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen\n\nBewezen is dat de verdachte feit 1 heeft gepleegd. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.\n\nDe bewezenverklaring van het feit 1 is gebaseerd op de opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande bewijsmotivering.\n\n1. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 18 januari 2022 waren wij, verbalisanten, belast met algemene surveillance op en rond autosnelweg A28.\n\nOmstreeks 16.45 uur stonden wij geparkeerd in een parkeervak bij de foodcourt. Wij zagen dat een voertuig, van het merk Mercedes, voorzien van het kenteken [kentekennummer 1] , de foodcourt op reed. Wij zagen dat er zich in het voertuig een persoon bevond. Dit bleek later de verdachte: [verdachte] te zijn. (..)\n\nWij zagen dat de genoemde Mercedes naast een Fiat Punto, voorzien van het kenteken, [kentekennummer 2] geparkeerd stond. Nadat wij nog geen minuut later in onze binnen spiegel keken, zagen wij dat er inmiddels een andere man als bijrijder in de Mercedes zat. Deze bijrijder bleek later [naam 2] te zijn. Wij zagen dat [naam 2] uit de Mercedes stapte. Wij zagen dat [naam 2] vervolgens in de naast gelegen genoemde Fiat Punto stapte.\n\n(..) Op grond van artikel 160 van de Wegenverkeerswet 1994 gaven wij een stopteken, aan de bestuurder van de Fiat Punto. Hieraan werd door de bestuurder voldaan.\n\n(..) Hierop verklaarde [naam 2] uit zichzelf dat hij zojuist 17 ponypacks met cocaïne had gekocht van de bestuurder van de Mercedes. Wij zagen dat [naam 2] een klein zakje uit zijn zak haalde. Later bleken daar 17 zogenoemde ponypacks in te zitten.\n\n2. Proces-verbaal van de politie\n\n(..)Op 18 augustus 2022 is [verdachte] staande gehouden.\n\n(..) Ik heb vervolgens genoemde Mercedes doorzocht. Ik trof enkele getekende aantekeningen welke over bedragen gingen.\n\nIk heb vervolgens een transportfouillering uitgevoerd bij verdachte [verdachte] . Hierna trof ik in de linker broekzak van verdachte een gebundeld contant geldbedrag aan van totaal 2775 Euro. Dit bedrag bestond uit diverse biljetten van 5 en 50 euro.\n\n3. Verklaring van de medeverdachte [naam 2]\n\nV: Wie was de man waarbij jij in de Mercedes bent gestapt?\n\nA: Dat is [naam 3] .\n\nV: Hoeveel geld had u afgegeven aan [naam 3] ?\n\nA: Dat weet ik niet precies, maar ik dacht ongeveer 3000 euro. Bij benadering dan.\n\nV: Wanneer heeft u die 17 cachetjes gekregen?\n\nA: Vrijdag\n\nV: Hoe hebben jullie een afspraak gemaakt, McDonalds Amersfoort?\n\nA: Telegram.\n\nO: Je hebt aan een collega van de politie de code van de telefoon gegeven die je bij je had. Hierin zijn chatberichten aangetroffen vanaf 17 januari 2022 vanaf 13.06 uur.\n\nV: Wat kun je verklaren over deze chatberichten en dan bedoel ik de berichten die van belang zijn betreffende hetgeen jij wordt verdacht?\n\nA: Het ging in ieder geval over het ophalen van deze cocaïne en het wegbrengen en collecteren. Waar het heen moest etc. Ik had alleen met [naam 3] contact via Telegram.\n\n4. Verklaring van de medeverdachte [naam 2]\n\n0: In het voertuig van uw medeverdachte zijn briefjes aangetroffen, verbalisant toont 4 foto's bijgevoegd als fotobijlage 1. Herkent u deze briefjes?\n\nA: Ja.\n\nV: Wat kan u vertellen over deze briefjes, wat betekenen ze of kunnen we lezen op deze briefjes?\n\nA: Nou ja.\n\nFoto 1, van fotobijlage 1:\n\naanvang 34, betreft dan aanvang 34 ponypacks.\n\nEinde 12, betreft wat er over is na 1 dag.\n\n3 zijn er dan weggegeven zonder te betalen. Of later terug te betalen. 1 was met korting voor 40 euro. Dan bleven er 18 over. Die zijn verkocht voor 50 euro per stuk waardoor je uit komt op 940 euro.\n\nV: Heeft u deze briefjes geschreven en overhandigd aan \" [naam 3] \"?\n\nA: Ja.\n\nV: De persoon bij wie u in de auto, een Mercedes-Benz, bent gestapt op 18 januari 2022 op de parkeerplaats bij de McDonalds te Amersfoort, waarna u bent uitgestapt en bent weggereden betreft deze persoon in de Mercedes Benz deze \" [naam 3] \"?\n\nA: Ja.\n\n5. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 20 januari 2022 was ik, belast met het testen, wegen en bemonsteren van de vermoedelijk verdovende middelen aangetroffen bij verdachte [naam 2] op 18 januari 2022.\n\nIk zag dat er 17 ponypacks in beslag waren genomen onder goednummer [beslagnummer] .\n\n6. Proces-verbaal van de politie\n\nDe aangeboden partij verdovende middelen bestond uit:\n\nGoednummer: [beslagnummer]\n\nSIN: AAQA1727NL\n\nRelatie met SIN: AAQW1827NL\n\nAantal: 17\n\nOmschrijving: wikkels met wit poeder\n\nBijzonderheden: 17 ponypacks met opschrift van pinguïn en smart seal de luxe\n\nGewicht netto: 11,51 gram\n\nRuybal: positief op cocaïne\n\n7. Deskundigenverslag\n\nKenmerk\n\nOmschrijving FO\n\nConclusie\n\nAAQW1827NL\n\nPoeder, wit, uit 11,51 gram; aantal 3 bemonsteringen in onderzoek\n\nBevat cocaïne\n\n8. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 20 januari 2022 heb ik, [naam 4] , de navolgende zaken bekeken:\n\n- Verhoor van verdachte [naam 2] ,\n\n- Chatgesprek op Telegram, op de telefoon behorende bij [naam 2] ,\n\n- Bevindingen van verbalisanten ter plaatse McDonalds Amersfoort,\n\n- Telefoon behorende bij [naam 2]\n\nIn de telefoon wordt bevestigd dat verdachte [naam 2] met ene \" [naam 3] \" communiceert via de\n\ndienst Telegram.\n\nOp 18 januari 2022 hebben deze [naam 3] en verdachte [naam 2] een gesprek.\n\n [naam 3] 06:04: Goedemorgen als je de enveloppen meeneemt dan ik je op de terugweg rond\n\n16:00 meeten ergens kalm an\n\nBij1 09:51: Isg\n\n [naam 3] 14:55: Geef je ff een gil als je vertrokken bent\n\n [naam 3] 15:27: Maat je hebt bestelling 17:05 Comschate\n\nWaar zie ik je tussendoor en Hoelaat kan je waar zijn\n\n(..)\n\n [naam 3] 15:47: Beter als je naar Mcdonald's huis ter heide rijdt\n\nNu is dat nog op je heenweg\n\nJe rijdt daar toch langs\n\n [naam 2] 15:47: Red ik nooit\n\nAank 16:30\n\nRed ik colm niet\n\n [naam 3] 15:49 Oke ik kom Amersfoort\n\nJooo\n\n [naam 2] : 1620\n\nZorg dat je er bent\n\n [naam 2] 16:22 Ik ben er\n\nWaar rij je\n\n [naam 3] 16:22 Onderweg\n\nHaal maar broodje voor jezelf\n\neerder rijd afspreken\n\nNiet 45 min van te voren tot zo\n\n [naam 2] 16:23: Als ik nu vertrek ben ik pas om 17:06 in colm\n\njij schreef rond 16 uur\n\nMaatje\n\n [naam 3] 16:23: Het is jou schuld\n\nNiet\n\nDus don't worry\n\n [naam 2] 16:23: Ik doe mijn best\n\nIn deze chat is te zien dat [naam 3] en verdachte [naam 2] afspreken op de parkeerplaats bij de McDonalds te Amersfoort op 18 januari 2022. Deze [naam 3] geeft aan er niet om 16.00\n\nuur te kunnen zijn maar rond 16.30 uur. Gezien de bevindingen van de collega's bij de McDonalds Amersfoort kan worden aangenomen dat deze \" [naam 3] \" verdachte [verdachte] is.\n\nTevens blijkt uit de telefoon van verdachte [naam 2] dat er zeker vanaf 14 januari dagelijks meermaals contact is tussen deze \" [naam 3] \" en verdachte [naam 2] . Tevens hebben verbalisanten onderzoek gedaan in het voertuig van verdachte [verdachte] . Daarop werden onder andere een viertal briefjes aangetroffen zoals deze ook is verstuurd tussen verdachte [naam 2] en verdachte [verdachte] via de app Telegram.\n\nDit betreft exact hetzelfde briefje als is gestuurd tussen Verdachte [naam 2] en \" [naam 3] \" via de Telegram app.\n\nZondag 16\u002F1\u002F22\n\nAanvang: 23\n\nEinde: 12\n\n-------------------\n\n11 x 50 = 550\n\nRetour P ---- 50\n\nCash 6002.3.2.. \n\nBewijsmotivering\n\nDe verdediging heeft aangevoerd dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte ‘ [naam 3] ’ is. De rechtbank verwerpt dit verweer. [naam 2] heeft verklaard dat hij de drugs heeft ontvangen van de man in de Mercedes die hij kent als ‘ [naam 3] ’ en waar hij contact mee heeft via Telegram. Deze verklaring wordt gestaafd door de bevindingen van de politie. Zij zien een ontmoeting tussen [naam 2] en de verdachte en uit het onderzoek naar de telefoon van de [naam 2] volgt dat hij met ‘ [naam 3] ’ afspreekt rond het tijdstip op de locatie waar door de politie een ontmoeting wordt gezien tussen de verdachte en [naam 2] . Bovendien heeft [naam 2] verklaard dat de getekende aantekeningen die in de auto van de verdachte zijn aangetroffen hem bekend voorkomen, omdat hij deze briefjes aan ‘ [naam 3] ’ heeft gegeven en komt de inhoud van de briefjes ook terug in het gesprek tussen [naam 2] en ‘ [naam 3] ’ op Telegram. Op basis van deze bevindingen gaat de rechtbank ervan uit dat [naam 2] de cocaïne heeft gekregen van de verdachte.\n\nGelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de ten laste gelegde periode samen met de medeverdachte 11,51 gram cocaïne aanwezig heeft gehad. Ten aanzien van het ten laste gelegde verstrekken en verhandelen van de cocaïne bevat het dossier onvoldoende bewijs.2.3.3.. Volledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\n1\n\nhij in of omstreeksde periode van 14 januari 2022 tot en met 18 januari 2022 te Amersfoort, althans in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althanseenmaal,\n\nopzettelijk\n\nheeft geteeld en\u002Fof bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd,\n\nin elk geval opzettelijkaanwezig heeft gehad,\n\nongeveer11,51 gram,in elk geval een hoeveelheid van een materiaal\n\nbevattendecocaïne,\n\nzijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.\n\n2.3.4.. Vrijspraak feiten 2 tot en met 4\n\nFeit 2 (Witwassen)\n\nVaststaande feiten\n\nBij de aanhouding op 18 januari 2022 voor bovengenoemd feit droeg de verdachte een Rolex-horloge. De verdachte heeft bij zijn staandehouding verklaard dat het horloge van zijn moeder is (medeverdachte [medeverdachte] ). Uit onderzoek volgt dat het betreffende Rolex-horloge een marktwaarde heeft van tussen de € 71.000,- en € 95.000,-. Uit bevraging van de Infodesk Crimineel & Onverklaarbaar Vermogen (ICOV) bleek niet dat de verdachte over zodanig legaal inkomen of vermogen beschikte dat die een dergelijke uitgave zouden kunnen verklaren.\n\nBeoordelingskader\n\nDe rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid onder a en b van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) opgenomen bestanddeel \"afkomstig uit enig misdrijf\", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van witwassen vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Dat een voorwerp \"afkomstig is uit enig misdrijf\" kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.\n\nAls door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.\n\nAls de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Wanneer na dit onderzoek een legale herkomst met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten, staat vast dat het voorwerp een criminele herkomst heeft.\n\nBeoordeling\n\nHet gegeven dat de verdachte werd verdacht van het medeplegen dan wel aanwezig hebben van cocaïne tezamen met de resultaten van de ICOV-bevraging met betrekking tot de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] bieden zonder meer grondslag voor een vermoeden van witwassen. Daar staat tegenover dat de verklaring van de verdachte dat het horloge van zijn moeder is, wordt ondersteund door de verklaring van zijn moeder, tevens medeverdachte, [medeverdachte] . Zij heeft verklaard dat zij in aanwezigheid van de verdachte het horloge heeft gekocht bij [horlogewinkel] voor € 36.500,-, waarbij zij een ander horloge heeft ingeruild en een bedrag van € 19.500,- contant heeft bijbetaald. Daarnaast heeft zij verklaard dat zij dit horloge heeft kunnen kopen van het geld (de overwaarde) dat zij na verkoop van een woning op haar rekening gestort heeft gekregen. Ter onderbouwing van deze verklaring heeft zij (schermopnames van) bankafschriften verstrekt waaruit volgens haar zou moeten volgen dat zij een groot bedrag heeft ontvangen van de notaris en in een korte periode meermaals contante bedragen heeft opgenomen. Ook heeft zij de onder feit 3 ten laste gelegde factuur verstrekt van de aankoop van genoemde Rolex bij [horlogewinkel] .\n\nDeze verklaring is naar oordeel van de rechtbank concreet en verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk.\n\nHet Openbaar Ministerie heeft vervolgens aanvullend onderzoek verricht naar de verklaring van de medeverdachte.\n\nUit het onderzoek volgt dat de medeverdachte € 115.438,27 op haar bankrekening gestort heeft gekregen na verkoop van haar woning en zij daarna in een korte periode meerdere keren grote bedragen contant van haar bankrekening heeft opgenomen.\n\nDaarnaast is nader onderzoek verricht door de eigenaar van [horlogewinkel] , de heer [naam 1] , als getuige te horen. [naam 1] heeft tegenover de politie verklaard dat hij de door de medeverdachte aangeleverde factuur niet heeft opgesteld, dat hij de medeverdachte niet kent, dat de handtekening op de factuur niet van hem is en dat hij maar één horloge heeft verkocht van het type dat bij de verdachte is aangetroffen en dat dat aan een man was. [naam 1] is ook gehoord als getuige in een civielrechtelijke procedure die de medeverdachte is gestart bij de rechtbank om het horloge terug te krijgen. [naam 1] heeft toen verklaard dat hij twee horloges van dat type heeft verkocht, waarvan hij er één heeft verkocht aan een zekere [naam 5] . Na zijn verhoor bij de politie heeft [naam 1] een factuur met hetzelfde factuurnummer overgelegd aan de politie. Die factuur verschilt op meerdere punten van de door de verdachte overgelegde factuur.\n\nVerder onderzoek heeft het Openbaar Ministerie niet verricht.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [naam 1] , met name bezien zijn tweede, op sommige punten tegenstrijdige, verklaring in de civiele procedure, aanknopingspunten biedt voor nader onderzoek. Zo had de administratie van [naam 1] kunnen worden onderzocht of de heer [naam 5] worden gehoord. Dat is echter niet gebeurd. Het dossier bevat ook geen objectieve gegevens die de verklaring van [naam 1] ondersteunen, noch gegevens waaruit volgt dat de door de medeverdachte gegeven verklaring onmogelijk of onjuist is anders dan de verklaring van [naam 1] . Daarmee resteert in essentie de verklaring van de medeverdachte tegenover de verklaring van [naam 1] .\n\nGelet op het bovenstaande heeft het Openbaar Ministerie naar oordeel van de rechtbank onvoldoende onderzoek verricht naar de verklaring van de verdachte. Dat betekent dat niet met voldoende zekerheid kan worden uitgesloten dat het horloge een legale herkomst heeft, waardoor niet kan worden bewezen dat het horloge afkomstig is uit enig misdrijf. Dat betekent dat niet is bewezen dat de verdachte samen met de medeverdachte het ten laste gelegde horloge heeft witgewassen, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.\n\nFeit 3 (valsheid in geschrift)\n\nTen aanzien van de ten laste gelegde valsheid in geschrift overweegt de rechtbank als volgt. Het verrichte onderzoek heeft niet uitgewezen dat de inhoud van de factuur onjuist is. De door de medeverdachte gegeven uitleg is weliswaar niet bevestigd, maar evenmin voldoende weerlegd. De rechtbank is van oordeel dat nader onderzoek, dat hiervoor duidelijkheid had kunnen verschaffen, ontbreekt.\n\nOnder deze omstandigheden kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de factuur vals of vervalst is. De verdachte zal daarom ook van dit feit worden vrijgesproken.\n\nFeit 4 (meineed)\n\nTen aanzien van de onder feit 4 ten laste gelegde meineed overweegt de rechtbank dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte tijdens de civielrechtelijke procedure omtrent de teruggave van het Rolex-horloge aan de medeverdachte onder ede onjuist heeft verklaard over zijn aanwezigheid bij de aankoop van het horloge.\n\nZoals hiervoor reeds is overwogen, bevat het dossier onvoldoende objectieve aanknopingspunten om de verklaring van de verdachte als onwaar aan te merken. Nu aldus niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte opzettelijk in strijd met de waarheid heeft verklaard, volgt vrijspraak.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nFeit 1\n\nMedeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van het feit en van de verdachte\n\nHet feit en de verdachte zijn strafbaar.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet voor alle feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van het feit\n\nDe verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van 11,51 gram cocaïne. Het is algemeen bekend dat drugs ontwrichtend werken in levens van veel mensen en daarmee ontwrichtend zijn voor de samenleving. Ook is veel criminaliteit verbonden aan drugs.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 1 juni 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit en volgt verder dat artikel 63 Sr van toepassing is.4.3.3.. \n\nRedelijke termijn\n\nDe verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 19 januari 2022, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode van ruim vier jaar verstreken. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden. De rechtbank zal hier rekening mee houden bij de strafoplegging.4.3.4.. \n\nOplegging straf\n\nGelet op de ernst van het strafbare feit is een taakstraf passend. Bij het bepalen van de duur van de taakstraf houdt de rechtbank ook rekening met straffen die doorgaans bij het voorhanden hebben van dergelijke hoeveelheden verdovende middelen worden opgelegd en die hun weerslag hebben gevonden in de oriëntatiepunten voor de strafoplegging van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). In het geval van het voorhanden hebben van de bewezenverklaarde hoeveelheid cocaïne wordt een taakstraf voor de duur van 80 uren als oriëntatiepunt genoemd. Omdat artikel 63 Sr van toepassing is en er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, ziet de rechtbank aanleiding om een lagere straf op te leggen.\n\nAlles afwegende acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 30 uren met aftrek van voorarrest passend en geboden.5. In beslag genomen voorwerpen5.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat het geldbedrag van € 2.775,- dat in beslag is genomen verbeurd moet worden verklaard.5.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft gelet op het pleidooi tot vrijspraak bepleit dat het geldbedrag dient te worden teruggeven aan de verdachte.5.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nOp grond van artikel 33a, eerste lid, onder a, Sr zijn vatbaar voor verbeurdverklaring onder meer voorwerpen die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het strafbare feit zijn verkregen.Ten laste van de verdachte wordt bewezenverklaard het medeplegen van het aanwezig hebben van een hoeveelheid harddrugs. Het in beslag genomen geldbedrag van € 2.775,- kan niet door middel van of uit de baten van dit strafbare feit zijn verkregen. Om die reden zal dit geldbedrag worden teruggegeven aan de verdachte.6. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 9, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.7. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte de feiten 2, 3 en 4 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte feit 1, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nTaakstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 30 uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de taakstraf volgens de maatstaf van twee uur per dag, zodat 24 uur taakstrafmoet worden verricht;\n\nbeveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van 12 dagen;\n\nIn beslag genomen voorwerpen\n\n-gelast de teruggave aan de verdachte van een geldbedrag van € 2.775,-.8. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. R.H. Kroon, voorzitter,\n\nen mrs. J.C. Tijink en Y. Peters, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. L.R. van Zaanen, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 7 juli 2026.\n\n De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier met nummer [dossiernummer] .\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 1 tot en met 3\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 24 tot en met 26\n\n Proces-verbaal verhoor verdachte, pagina’s 69 tot en met 75.\n\n Proces-verbaal verhoor verdachte, pagina’s 76 tot en met 80.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 52 tot en met 58.\n\n Proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, pagina’s 94 tot en met 96.\n\n Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, pagina 97.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 64 tot en met 69.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:8069","2026-07-13T00:29:10.921Z",{"id":88,"ecli":89,"slug":90,"caseNumber":44,"courtId":83,"decisionDate":66,"fullText":91,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":92,"sourceTimestamp":66,"parsedAt":51,"updatedAt":93},"1227","ECLI:NL:RBROT:2026:8071","ecli-nl-rbrot-2026-8071","Rechtbank Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10\u002F009948-25\n\nDatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nDatum zitting: 23 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1965 in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven op het adres: [adres 1] , [postcode] te [woonplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. N. Hendriksen\n\nOfficier van justitie: mr. W.L. van Prooijen\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte wordt veroordeeld voor het medeplegen van het verrichten van voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne. De rechtbank legt een gevangenisstraf op voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk.1. Tenlastelegging\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:\n\nhij op of omstreeks 20 december 2022 te Rotterdam (Maasvlakte)\n\ntezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen\n\nom een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,\n\nvoor te bereiden en\u002Fof te bevorderen,\n\nte weten\n\n- het opzettelijk binnen en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen,\n\n- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof\n\n- het opzettelijk vervaardigen\n\nvan 70,05 kilogram cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\n- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en\u002Fof uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen,\n\n- zich en\u002Fof een ander gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,\n\n- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn\u002Fhaar mededaders, wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door\n\n-de container van het haventerrein op te halen en\u002Fof\n\n-zich te begeven naar een loods te [plaats] en\u002Fof\n\n-in voornoemde loods de container heeft laten openen en\u002Fof betreden en\u002Fof\n\ndoorzoeken, teneinde\n\nde achterwand van de container te verwijderen om de aanwezigheid van de cocaïne te controleren en\u002Fof die cocaïne uit die zeecontainer te (laten) verwijderen.2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het feit.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het feit. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen\n\nBewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het verrichten van voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.\n\nDe bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande bewijsmotivering.\n\n1. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 19 december 2022 kwam container [containernummer] in de haven van Rotterdam aan met het containerschip [naam schip] . De container was geladen met druiven, afkomstig uit Peru en de ontvanger was het bedrijf [naam bedrijf 1] . te Ridderkerk. Na aankomst in de haven van Rotterdam werd de container gecontroleerd door de douane en tijdens deze controle werden er in de achterwand van deze container 70 pakketten (70.05 kilogram) cocaïne aangetroffen. Nadat de verdovende middelen waren verwijderd, werd de container weer teruggeplaatst op de ECT Delta Terminal.\n\nTevens bleek dat de container op 20 december 2022 omstreeks 08.03 uur was uitgehaald door chauffeur [verdachte] met gebruikmaking van zijn truck gekentekend [kentekennummer 1] , namens het transportbedrijf [naam bedrijf 2] . De container was na het uithalen vervoerd naar het bedrijf [naam bedrijf 3] . te Hoek van Holland. Uit de gegevens van het douanesysteem AFIS bleek dat de container diezelfde dag ook leeg was ingeleverd om 13.45 uur.\n\n2. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 19 december 2022 werd ik gebeld door de wachtcommandant van Douanekantoor Rotterdam Haven. Hij vertelde mij dat door speurhondengeleiders van Douane Rotterdam Haven, in een container, vermoedelijk verdovende middelen waren aangetroffen.\n\nTer plaatse aangekomen op wees een speurhondengeleider mij een container aan voorzien van een uniek nummer [containernummer]\n\nIk zag dat de lading was gelost. Wij hebben vervolgens een gedeelte van het kopschot verwijderd en zagen daarachter in de luchtkanalen een onbekende hoeveelheid pakketten vermoedelijk verdovende middelen zitten. Vervolgens heb ik de 70 pakketten vermoedelijk verdovende middelen in beslag genomen op grond van de Opiumwet.\n\nBerekening netto gewicht\n\nNetto gewicht van 1 pakket = 7005,5 \u002F 7 = 1000,78 gram\n\nNetto gewicht 70 pakketten = 1000,78 gram x 70 pakketten= 70.05 kilogram\n\nVervolgens maakte ik ter begeleiding van de 7 gripzakjes inhoudende circa 3 gram witte poederachtige substantie een aanvraagformulier ten behoeve van de analyse door Douanelaboratorium. Hierna werden alle gripzakjes aangeboden bij het Douanelaboratorium. D0115954NL, D0115953NL, D0115952NL, D0115951NL, D0115950NL, D0115949NL, D0115948NL.\n\n3. Deskundigenverslag\n\nOp 03-01-2023 ontving ik een verzegelde plastic zak met daarin:\n\nD011954NL) een plastic zakje met wit, korrelig materiaal\n\nD011953NL) een plastic zakje met wit, korrelig materiaal\n\nD011952NL) een plastic zakje met wit, korrelig materiaal\n\nD011951NL) een plastic zakje met wit. korrelig materiaal\n\nD011950NL) een plastic zakje met wit, korrelig materiaal\n\nD011949NL) een plastic zakje met wit, korrelig materiaal\n\nD011948NL) een plastic zakje met wit, korrelig materiaal\n\nHet materiaal werd onderzocht. Hierbij werd vastgesteld dat het materiaal van alle bovenvermelde SIN-nummers cocaïne bevatte. Deze substantie is vermeld op lijst I, behorende bij de Opiumwet.\n\n4. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 13 juni 2023 werd in het kader van onderzoek 03Farao een doorzoeking gedaan in de woning van verdachte [medeverdachte] . Bij deze doorzoeking werd een Apple iPhone 7 in beslag genomen.\n\nIn dit proces-verbaal worden specifiek twee video's beschreven die zijn aangetroffen in de iPhone 7.\n\nDe twee video's zijn op 11 april 2023 door het telefoonnummer [gsm-nummer 1] met naam \" [naam 1] \" (geïdentificeerd als zijnde [medeverdachte] ) via Signal verstuurd\n\nBeschrijving videodeel 1\n\nIk zie vervolgens dat de vrachtwagen met de container achterwaarts verder het terrein op komt rijden. Ik zie tegelijkertijd linksboven in beeld een man aan komen lopen richting de ingang van de loods (NNman1).\n\nIk zie dat de vrachtwagen dichter naar de ingang van de loods rijdt. Ik zie nu op de container het containernummer [containernummer] en [kenmerk] staan. Ik zie dat de oplegger voorzien is van kenteken [kentekennummer 2] .\n\nIk zie dat de camera weer beweegt naar de achterzijde van de vrachtwagen. Ik zie aan de linkerzijde (bestuurderszijde) van de vrachtwagen een man in beeld komen (NNman2). Omdat hij van de bestuurderszijde van de vrachtwagen aan komt lopen vermoed ik dat hij de chauffeur van vrachtwagen is.\n\nIk zie dat NNman2 verder de loods in loopt. Vervolgens zie ik een andere man (NNman3) in beeld komen. Deze persoon draagt zwarte handschoenen en een zwarte bivakmuts over het hoofd. Ik zie dat NNman2 de man met de bivakmuts (NNman3) een hand geeft.\n\nIk zie dat NNman3 naar de container loopt en de vergrendeling van de container vast pakt. Ik zie dat tegelijkertijd NNman2 een andere persoon met zwarte handschoen en zwarte mouw (NNpersoon4) een boks geeft.\n\nIk zie dat NNman3 de vergrendeling van de container los maakt en de rechterdeur van de container opent.\n\nIk zie dat NNman3 richting de houten kast rechts in de loods loopt. Ik zie op deze kast een opengeklapte zwarte laptop en daarnaast een lichtblauwe weegschaal staan.\n\nIk zie dat NNman2 de container in kijkt. Ik zie vervolgens dat de inhoud van de container nog even gefilmd wordt. Ik zie dat de container geen lading in de laadruimte bevat.\n\nBeschrijving video deel 2\n\nIk zie dat Nnman3 naar de open container loopt. Ik zie dat hij een rood doosje, een schroefboormachine en nog wat gereedschap bij zich heeft en dit in de container zet. Ik zie dat hij via het keukentrapje in de container klimt.\n\nIk zie dat degene die aan het filmen is ook naar de container verplaatst, in de container komt en vervolgens de binnenzijde van de container filmt. Ik zie dat het containernummer [containernummer] , welke ook in de binnenzijde van de container staat, gefilmd wordt.\n\nIk zie dat NNman3 de schroefboormachine tegen de achterwand houdt.\n\nIk zie dat het NNman3 lukt om de schroef uit de achterwand te schroeven. Ik zie hem de schroef op de grond leggen en vervolgens met de schroefboormachine naar een andere schroef in de achterwand van de container gaan. Vervolgens wordt de video beëindigd.\n\nLocatie\n\nDoor mij is de locatie op de [adres 2] in [plaats] bekeken op Google maps \u002F streetview. Ik zag dat de omgeving van deze locatie overeenkwam met het bedrijventerrein wat zichtbaar is op de video. Hieruit maak ik op dat de video's zijn gemaakt in de loods van het bedrijf op de [adres 2] in [plaats] . Deze loods ligt op circa 24 kilometer afstand ten zuiden van de Rotterdamse haven.\n\nVrachtwagen\n\nIn de video wordt de container vervoerd met een vrachtwagen oplegger met het kenteken [kentekennummer 2] . Uit de politiesystemen blijkt dat dit kenteken sinds 01-09-2020 op naam staat van rechtspersoon [naam verhuurbedrijf] De gevolmachtigde van [naam verhuurbedrijf] is [verdachte] ( [geboortedatum] -1965).\n\nDoor mij is de rijbewijsfoto van [verdachte] bekeken. Ik zag hierbij zeer sterke gelijkenissen met NNman2 welke zichtbaar is in de video. Ik zie overeenkomsten in het donkere haar (op de video wordt het haar wat langer gedragen), de oren, wenkbrauwen, neus mond en kin\u002Fonderkin. Op basis van bovenstaande identificeer ik NNman2 als zijnde [verdachte] .\n\nDoor mij is in de iPhone 7 van [medeverdachte] gezocht op de roepnaam \" [naam 2] \" om te onderzoeken of hij mogelijk contact heeft gehad met [verdachte] . Ik zag in de contactenlijst van het toestel twee maal de naam [naam 2] staa:\n\n [naam 3] - [gsm-nummer 2]\n\n [naam 4] - + [gsm-nummer 3]\n\nMij is ambtshalve bekend dat met \"Tp\" transport bedoeld wordt. Dit sluit dus aan bij NNman2 die de chauffeur van de vrachtwagen met container lijkt te zijn. Het telefoonnummer [gsm-nummer 2] komt in de politiesystemen voor en is gekoppeld aan [verdachte] . Ik zag dat er op 10 april 2023 20 24 uur verzonden werden) door [accountnaam 1] ( [medeverdachte] ) het WhatsApp bericht \"Hey maat kan je op onze vriend reageren .!” gestuurd werd naar [accountnaam 2] .\n\n5. Verhoor van de verdachte\n\n0: Zoals reeds eerder in het vorige verhoor werd aangegeven was container [containernummer] beladen met druiven en moest deze in opdracht van [naam bedrijf 1] gelost worden bij [naam bedrijf 3] te Hoek van Holland en na lossing leeg weer ingeleverd worden op de Maasvlakte. U bent echter met deze lege container naar een loods gelegen aan de [adres 2] te [plaats] gereden.\n\n0: Wij tonen de verdachte drie snapshots uit de getoonde filmpjes en hebben deze snapshots genummerd en als bijlage bij dit proces-verbaal gevoegd. 2408201255.D01, D02 en D03.\n\nV: Bent u dat op dat beeld?\n\nA: Ja dat ben ik.\n\nV: Waar kent u deze personen van?\n\nA: Ik heb ze in de loods gezien.\n\nV: Waarom moest de persoon met de bivakmuts de container openen, de container in klimmen en boren\u002Fschroeven in de achterwand van deze container?\n\nV: Vond je dat niet vreemd?\n\nA: Tuurlijk is dat vreemd, maar er zat niks achter die wand, ik heb gezien dat de achterwand werd los gemaakt.\n\n2.3.2.. \n\nBewijsmotivering\n\nStandpunt verdediging\n\nHet kan niet worden bewezen dat de verdachte opzet had, ook niet in voorwaardelijke zin, op het plegen van voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne. Met de verklaring van de verdachte bij de politie dient behoedzaam te worden omgegaan, omdat hem is gevraagd naar gebeurtenissen eind 2023 terwijl de zaak zich afspeelde eind 2022.\n\nVaststaande feiten\n\nOp 19 december 2022 is een container met containernummer [containernummer] (hierna: de container) in de haven van Rotterdam binnengekomen die afkomstig was uit Peru. De container is gecontroleerd en na het losschroeven van de achterwand werden 70 pakketten aangetroffen. Uit onderzoek door het NFI is gebleken dat deze pakketten in totaal 70,05 kilogram cocaïne bevatten. Nadat de pakketten waren verwijderd, werd de container weer teruggeplaatst op de ECT Delta Terminal. De verdachte heeft de container vervolgens op 20 december 2022 opgehaald met behulp van zijn vrachtwagen. In een in een ander strafrechtelijk onderzoek in beslag genomen video is de truck met de container te zien terwijl deze een loods in [plaats] binnenrijdt. Ook de verdachte komt in beeld terwijl hij een hand geeft aan een persoon die een bivakmuts draagt. Deze persoon schroeft vervolgens de achterwand van de container los. Verder bevindt het telefoonnummer van de verdachte zich in de telefoon van diegene bij wie de video is aangetroffen.\n\nVerklaring verdachte\n\nDe verdachte heeft tijdens zijn politieverhoren verklaard dat hij inderdaad in de loods aanwezig is geweest, dat hij de container heeft vervoerd en naar de loods heeft gebracht, dat hij te zien is op de video, dat hij het wel vreemd vond dat in de loods door iemand met een bivakmuts over zijn gezicht de achterwand van de container werd opengeschroefd, maar dat hij dit alles onder bedreiging had gedaan. Ter terechtzitting heeft hij zijn verklaring deels gewijzigd in die zin dat hij niet onder bedreiging met de container naar de loods was gegaan en dat er niets uit de container zou worden gehaald maar dat hij de container daar in het kader van zijn reguliere werkzaamheden moest laten controleren. Hij heeft aangevoerd dat hem tijdens de verhoren ten onrechte het jaartal 2023 is voorgehouden, waardoor hij dacht dat de vragen betrekking hadden op een incident uit 2023. Daardoor zou hij gebeurtenissen met elkaar hebben verward.\n\nDe rechtbank acht deze verklaring op de terechtzitting niet geloofwaardig. Indien de verdachte daadwerkelijk in de veronderstelling verkeerde dat hem vragen werden gesteld over een andere gebeurtenis, had het op zijn weg gelegen dit reeds tijdens zijn tweede verhoor, dat ongeveer twee weken na het eerste verhoor plaatsvond, naar voren te brengen. Dat heeft hij niet gedaan. Daarbij betrekt de rechtbank tevens dat de verdachte heeft verklaard slechts eenmaal in [plaats] te zijn geweest en slechts eenmaal te zijn benaderd. Dat maakt zijn beroep op een vergissing ten aanzien van de gebeurtenissen des te minder geloofwaardig.\n\nDe rechtbank gaat daarom uit van de verklaring van de verdachte bij de politie, met dien verstande dat niet is gebleken van enige dwang of dreiging jegens de verdachte zoals de verdachte in eerste instantie heeft gesteld. De video toont dat de verdachte zich direct na aankomst in de loods begeeft naar de aanwezige personen, hun begroet door ze een hand dan wel een boks te geven en vervolgens aanwezig blijft terwijl de achterwand van de container wordt losgeschroefd. Deze gedragingen zijn naar het oordeel van de rechtbank niet verenigbaar met de aanvankelijke stelling van de verdachte dat er sprake was van dwang of dreiging.\n\nTer zitting heeft de verdachte gezegd dat hij niet wist dat zich verdovende middelen in de vrachtwagen bevonden. Ook deze verklaring acht de rechtbank niet geloofwaardig. Alleen al niet omdat degene die in het bijzijn van de verdachte in de container de achterwand openschroefde een bivakmuts droeg, hetgeen duidt op illegale activiteiten. Daarnaast neemt de rechtbank in aanmerking dat het een feit van algemene bekendheid is dat personen die betrokken zijn bij het vervoer van een zeer waardevolle illegale lading, zoals een grote hoeveelheid cocaïne, het transport daarvan in de regel niet overlaten aan een willekeurige of onwetende derde.\n\nOordeel rechtbank\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte wetenschap had van het criminele karakter van het transport en nauw en bewust heeft meegewerkt aan het vervoer van de container naar een andere locatie dan het officiële afleveradres met als doel daar cocaïne uit te halen. Door als chauffeur het transport naar de loods in [plaats] te verzorgen, heeft hij een wezenlijke en significante bijdrage geleverd aan de voorbereidingshandelingen gericht op de invoer van cocaïne.\n\nDe rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het in vereniging verrichten van voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne.2.3.3.. Volledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nhij op of omstreeks 20 december 2022 te Rotterdam (Maasvlakte)\n\ntezamen en in vereniging met een of meeranderen,althans alleen\n\nom een feit, bedoeld in het vierde ofvijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,\n\nvoor te bereiden en\u002Fof te bevorderen,\n\nte weten\n\n- het opzettelijk binnen en\u002Fof buitenhet grondgebied van Nederland brengen,\n\n- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof\n\n- het opzettelijk vervaardigen\n\nvan 70,05 kilogram cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\n- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en\u002Fof uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen,\n\n- zich en\u002Fof een ander gelegenheid enmiddelenen\u002Fof inlichtingentot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,\n\n- voorwerpen,eenvervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelenvoorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fofzijn\u002Fhaarmededaders, wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoedendatzijhetbestemdwarenwastot het plegen van dat feit, door\n\n-de container van het haventerrein op te halen en\u002Fof\n\n-zich te begeven naar een loods te [plaats] en\u002Fof\n\n-in voornoemde loods de container heeft laten openen en\u002Fof betreden en\u002Fof\n\ndoorzoeken, teneinde\n\nde achterwand van de container te verwijderen om de aanwezigheid van de cocaïne te controleren en\u002Fof die cocaïne uit die zeecontainer te (laten) verwijderen.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nmedeplegen van om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander gelegenheid en middelen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en een vervoermiddel voorhanden hebben, waarvan hij weet dat het bestemd is tot het plegen van dat feit\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van het feit en van de verdachte\n\nHet feit en de verdachte zijn strafbaar.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met daaraan verbonden een proeftijd voor de duur van 3 jaren.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van het feit\n\nDe verdachte is als chauffeur betrokken geweest bij voorbereidingshandelingen met betrekking tot cocaïne. Hij heeft een container opgehaald en naar een andere locatie gebracht voordat hij de container bij het officiële afleveradres afleverde, zodat op de tussenlocatie de cocaïne uit de container kon worden gehaald. Het is\n\nalgemeen bekend dat (hard)drugs schadelijk zijn en daarmee een ernstige bedreiging\n\nvormen voor de volksgezondheid. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat een aanmerkelijk deel van de criminaliteit waarmee de maatschappij te maken heeft, direct of indirect haar oorsprong vindt in het gebruik van drugs. De verdachte heeft bij het plegen\n\nvan de feiten kennelijk alleen oog gehad voor zichzelf en zich laten leiden door zijn eigen financiële gewin, zonder zich te bekommeren om de gezondheidsrisico’s voor anderen of de\n\nnadelige gevolgen van de mogelijk daarmee gepaard gaande criminaliteit.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 1 juni 2026 blijkt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaar niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit. Verder volgt uit het strafblad van de verdachte dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.4.3.3.. \n\nOplegging straf\n\nGelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf de enige passende straf. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS-oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf.\n\nGelet op het voorgaande wordt een gevangenisstraf van twaalf maanden opgelegd, waarvan zes maanden voorwaardelijk. Het voorwaardelijk strafdeel heeft ook als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.\n\nDe gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.5. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en het artikel 10a van de Opiumwet.6. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nGevangenisstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden;\n\nVoorwaardelijk strafdeel\n\nbepaalt dat 6 maanden van deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;\n\nverbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;\n\nstelt als algemene voorwaarde dat:\n\n- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt.7. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. R.H. Kroon, voorzitter,\n\nen mrs. J.C. Tijink en Y. Peters, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. L.R. van Zaanen, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 7 juli 2026.\n\nMr. J.C. Tijink is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\n De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier met nummer [dossiernummer] .\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 28 tot en met 29.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 36 tot en met 42.\n\n Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut met kenmerk [kenmerknummer] , pagina 53.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 1 tot en met 27.\n\n Proces-verbaal verhoor verdachte op 13 september 2024, pagina’s 68 tot en met 72.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:8071","2026-07-13T00:29:11.058Z",{"id":95,"ecli":96,"slug":97,"caseNumber":44,"courtId":65,"decisionDate":66,"fullText":98,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":99,"sourceTimestamp":77,"parsedAt":51,"updatedAt":100},"1262","ECLI:NL:RBOBR:2026:4763","ecli-nl-rbobr-2026-4763","vonnisRECHTBANK OOST-BRABANT\n\nLocatie 's-Hertogenbosch\n\nStrafrecht\n\nParketnummer: 01.085805.26\n\nDatum uitspraak: 07 juli 2026\n\nVonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,\n\nzonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,\n\nthans gedetineerd te: P.I. [vestigingsplaats] .\n\nDit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe tenlastelegging.\n\nDe zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 26 mei 2026.\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nT.a.v. feit 1:\n\nhij op of omstreeks 21 maart 2026 te Boxtel, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 5503 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.\n\nT.a.v. feit 2:\n\nhij op of omstreeks 21 maart 2026 te Boxtel, althans in Nederland, een vervoermiddel, te weten een personenauto voorzien van het Duitse kenteken [kenteken] , voorhanden heeft gehad, wetende dat dit vervoermiddel was toegerust en\u002Fof ingericht met een ruimte die kennelijk bestemd was om de opsporing van een of meer strafbare feiten te beletten en\u002Fof te bemoeilijken.\n\nDe formele voorvragen.\n\nBij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.\n\nDe bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden op grond van de bewijsmiddelen in het dossier. Van vormverzuimen in het vooronderzoek, als gevolg van een onrechtmatige doorzoeking en schending van de verbaliseringsplicht, is volgens de officier van justitie geen sprake.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nOp de in de pleitnota genoemde gronden heeft de verdediging bepleit dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de ten laste gelegde feiten. Kort samengevat is hiertoe het navolgende aangevoerd. Er was nog geen sprake van een redelijk vermoeden van schuld van overtreding van de Opiumwet, waardoor er geen grond bestond om de auto te betreden en hierin zoeken rond te kijken. Laat staan dat er aanleiding bestond om te doorzoeken. Hoewel er wellicht een verdenking bestond van overtreding van artikel 189a, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), is doorzoeking van de auto op grond van artikel 96b van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) uitsluitend mogelijk in geval van een heterdaad situatie of verdenking van een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Daarvan was geen sprake. Gelet op het voorgaande stelt de verdediging zich op het standpunt dat er sprake is van een onrechtmatige betreding van de auto en dat er daaropvolgend sprake is geweest van een onrechtmatige doorzoeking. Dit is een onherstelbaar vormverzuim.\n\nDaarbij komt dat sprake is van schending van de verbaliseringsplicht. De ambtsedige processen-verbaal van verbalisant [verbalisant 1] (pagina 10 t\u002Fm 11 einddossier) en verbalisant [verbalisant 2] (pagina 12 t\u002Fm 16 einddossier) staan diametraal tegenover elkaar. Omdat de processen-verbaal niet allebei waar kunnen zijn, heeft de verdediging verzocht tot het opstellen van nadere processen-verbaal. Ondanks herhaaldelijke verzoeken hiertoe van de officier van justitie, hebben de verbalisanten dit verzoek geweigerd. Gelet op deze weigering is er sprake van een onherstelbaar vormverzuim.\n\nDe verdediging stelt dat deze combinatie en ernst van vormverzuimen aanleiding geven om over te gaan tot bewijsuitsluiting, waardoor al hetgeen is aangetroffen in de auto van verdachte van het bewijs dient te worden uitgesloten. In het kader van ‘fruits of the poisonous tree’ moeten ook de door verdachte afgelegde verklaringen worden uitgesloten van het bewijs. Het voorgaande betekent dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken.\n\nBovendien heeft verdachte ter terechtzitting aangevoerd dat hij - ondanks het feit dat hij wel wist dat hij drugs vervoerde die ook wel ‘chocolade’ wordt genoemd - niet wist om wat voor soort drugs het precies ging. Hij wist niet dat de drugs die hij vervoerde harddrugs betrof.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nBeoordeling van het verweer t.a.v. de verbaliseringsplicht\n\nDe verbaliseringsplicht is neergelegd in artikel 152 Sv. Dit artikel schrijft voor dat ambtenaren, die zijn belast met de opsporing van strafbare feiten, ten spoedigste proces-verbaal opmaken van het door hen opgespoorde strafbare feit of van hetgeen door hen tot opsporing is verricht of bevonden. Redelijke uitleg van die bepaling in het licht van de aan een eerlijk proces te stellen eisen brengt met zich mee dat het opsporingsambtenaren slechts dan vrij staat het opmaken van een proces-verbaal achterwege te laten ingeval hetgeen door hen is verricht of bevonden redelijkerwijs niet van belang kan zijn voor enige door de rechter in het eindonderzoek te nemen beslissing.\n\nDe rechtbank overweegt dat de verrichtingen en bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van 21 maart 2026 die hebben geleid tot de verdenking, de staandehouding, doorzoeking, inbeslagneming en aanhouding zijn vastgelegd in de processen-verbaal van 21 maart 2026 (verbalisant [verbalisant 1] ) en 22 maart 2026 (verbalisant [verbalisant 2] ).\n\nHoewel de rechtbank ook heeft geconstateerd dat de processen-verbaal van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] niet uitblinken in nauwkeurigheid en duidelijkheid, is de rechtbank van oordeel dat op basis van de inhoud van de processen-verbaal wel objectief vastgesteld kan worden hoe een en ander verlopen is op 21 maart 2026. Op grond van voornoemde processen-verbaal stelt de rechtbank het navolgende vast.\n\nVerbalisant [verbalisant 1] zag op 21 maart 2026 om 10:23 uur dat er op de weg A77 in Nederland een Automatic Number Plate Recognition (hierna: ANPR) hit kwam\n\nop een voertuig met het Duitse kenteken [kenteken] . Uit de Duitse politiesystemen bleek dat het voertuig was voorzien van een verborgen ruimte en dat het voertuig gebruikt wordt om verdovende middelen mee te vervoeren. Hierna heeft [verbalisant 1] de volgende reisbewegingen waargenomen van voornoemd voertuig in het ANPR-systeem:\n\n- 21-03-2026, 10:50 uur, A15 links Valburg;\n\n- 21-03-2026, 11:07 uur, A15 links Geldermalsen;\n\n- 21-03-2026, 11:21 uur, A15 links Gorinchem;\n\n- 21-03-2026, 11:26 uur, A15 links Hardinxveld;\n\n- 21-03-2026, 11:43 uur, A16 links Brienenoord;\n\n- 21-03-2026, 11:48 uur, A20 rechts afrit richting Alexandrium;\n\n- 21-03-2026, 12:24 uur, A16 rechts Brienenoord;\n\n- 21-03-2026, 12:51 uur, A15 rechts Hardinxveld;\n\n- 21-03-2026, 12:57 uur, A5 rechts Gorinchem;\n\n- 21-03-2026, 13:16 uur, A2 rechts Oud Empel.\n\nVerbalisant [verbalisant 1] beschrijft dat bij hem het vermoeden bestond dat de bestuurder mogelijk verdovende middelen had gehaald en deze nu aan het vervoeren was, aangezien het voertuig ongeveer 41 minuten in Rotterdam is verbleven en gezien het feit dat het voertuig was voorzien van een verborgen ruimte. Dit vermoeden komt de rechtbank niet vreemd voor gelet op de informatie die hem op dat moment bekend was.\n\nVerbalisant [verbalisant 1] eindigt zijn proces-verbaal met de opmerking dat hij telefonisch contact heeft opgenomen met een collega van de Nationale Politie met het verzoek voornoemd voertuig te controleren. De rechtbank heeft geconstateerd dat in het proces-verbaal van [verbalisant 1] niet beschreven is hoe laat dit telefonisch contact plaatsvond. De rechtbank overweegt dat de omstandigheid dat deze opmerking onderaan het proces-verbaal staat, ondanks de indruk die dit wekt, niet de conclusie rechtvaardigt dat het telefonisch contact pas heeft plaatsgevonden na de laatste ANPR-hit van 13:16 uur. Verbalisant [verbalisant 2] lijkt immers wel het tijdstip te beschrijven in zijn proces-verbaal waarop het contact tussen hem en verbalisant [verbalisant 1] plaatsvond, namelijk: omstreeks 10:57 uur.\n\nVerbalisant [verbalisant 2] beschrijft dat hij van [verbalisant 1] de volgende startinformatie kreeg: dat er vanuit Duitsland een voertuig met daarin twee personen vermoedelijk naar Rotterdam onderweg was om daar harddrugs op te halen om het vervolgens naar Duitsland te brengen. Het betrof een voertuig van het merk Opel, type Insignia en voorzien van het kenteken [kenteken] . Hoewel verbalisant [verbalisant 1] in zijn proces-verbaal niet heeft gerept over twee personen in het voertuig en evenmin specifiek over harddrugs, overweegt de rechtbank dat het niet onvoorstelbaar is dat verbalisant [verbalisant 2] zijn waarneming van de latere staande houding van de twee inzittenden en het aantreffen van de harddrugs abusievelijk heeft vervlochten met de startinformatie van [verbalisant 1] bij het opmaken van het onderhavige proces-verbaal. Bovendien is niet uitgesloten dat de verbalisanten naar aanleiding van de ANPR-hit de beschikking hadden over beelden van het voertuig, waaruit bleek dat het om twee inzittenden ging. Het vermoeden dat het voertuig vanuit Duitsland onderweg was naar Rotterdam om daar harddrugs op te halen om dit vervolgens naar Duitsland te brengen, komt de rechtbank niet vreemd voor gelet op het volgende. Uit de eerste ANPR-hit volgt dat de auto, met Duits kenteken, in Nederland is gesignaleerd om 10:23 uur op de A77. De Rijksweg A77 betreft een verbindingsweg tussen Duitsland en Nederland. Mede gelet op het Duitse kenteken, staaft deze route het vermoeden dat de auto vanuit Duitsland Nederland is binnengekomen. Uit de ANPR-hits kan verder worden afgeleid welke route het Duitse voertuig door Nederland volgde, te weten: richting Rotterdam. Het voertuig is enige tijd in (de buurt van) Rotterdam geweest waarna de auto zijn route vervolgde naar het oosten van Nederland. De rechtbank overweegt dat het een feit van algemene bekendheid is dat Rotterdam een belangrijke spil is in de handel in harddrugs in West-Europa. Daarbij komt dat, zoals hiervoor reeds is overwogen, ook uit de startinformatie vanuit de Duitse politiesystemen bleek dat het betreffende voertuig, dat voorzien was van een verborgen ruimte, gebruikt werd om verdovende middelen mee te vervoeren.\n\nVerbalisant [verbalisant 2] beschrijft vervolgens dat hij hoorde dat het voertuig inmiddels door de ANPR was gekomen op de rijksweg A15 komende uit de richting van Tiel gaande richting Rotterdam. Het voorgaande bevestigt overigens dat [verbalisant 2] al eerder telefonisch contact had met [verbalisant 1] dan de laatste door verbalisant [verbalisant 1] beschreven ANPR-hit van 13:16 uur.\n\nVervolgens beschrijft [verbalisant 2] dat hij omstreeks 13:16 uur een ANPR-hit ontving dat het voertuig was gezien op de rijksweg A2 (rechts, hm-paal 110,1). De rechtbank overweegt dat hieruit volgt dat verbalisant [verbalisant 2] deze ANPR-hit zelf ontving, dit was geen informatie die hij via [verbalisant 1] ontving. Verder blijkt uit zijn proces-verbaal dat hij niet veel later achter het betreffende voertuig reed en dat het voertuig en de twee inzittenden gecontroleerd werden aan de Bosscheweg te Boxtel. De staandehouding vond plaats om 13:22 uur. Hoewel de verdediging heeft aangevoerd dat het vrijwel onmogelijk is dat de staandehouding slechts 6 minuten na de laatste ANPR-hit van 13:16 uur plaatsvond, overweegt de rechtbank dat dit haar niet vreemd voorkomt aangezien verbalisant [verbalisant 2] blijkens zijn proces-verbaal werkzaam is bij het Grensoverschrijdend Politie Team. Hij was op 21 maart 2026 belast was met bilaterale patrouilles en voor de uitvoering van deze taak maakte hij gebruik van een – niet als zodanig herkenbaar – politievoertuig. De officier van justitie heeft ter zitting toegelicht dat het proces-verbaal is opgemaakt door het team LX (voluit: De Eenheid Landelijke Expertise en Operaties, wat onderdeel uitmaakt van het Grensoverschrijdend Politie Team) en dat dit een landelijk verkeersteam betreft dat vrijwel altijd onderweg is. Gelet op het voorgaande en de constatering dat verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] al eerder contact moeten hebben gehad is het zeer aannemelijk dat verbalisant [verbalisant 2] zich al op de weg bevond en aanrijdend was op het moment dat hij de laatste ANPR-hit ontving. Bovendien is het een feit van algemene bekendheid dat politieagenten zeer snel kunnen schakelen, snel aanrijdend zijn en snel ter plaatse zijn naar aanleiding van een melding of informatie (zoals een ANPR-hit) die zij ontvangen.\n\nGelet op het voorgaande deelt de rechtbank het standpunt van de verdediging, inhoudende dat de inhoud van de processen-verbaal diametraal tegenover elkaar staan en niet allebei waar kunnen zijn, niet. Hoewel de processen-verbaal op detailniveau enkele verschillen tonen, overweegt de rechtbank dat de verschillen niet met zich meebrengen dat een van de twee processen-verbaal onjuist of onbruikbaar is. Beide verbalisanten hebben aan de officier van justitie verklaard dat zij in deze processen-verbaal ieder vanuit hun eigen beleving naar waarheid hebben verklaard. Het menselijk geheugen is niet feilloos. Bovendien, en meest belangrijk, is dat naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van het ontbreken van cruciale informatie die redelijkerwijs van belang is voor enige in deze strafzaak te nemen beslissing. De enkele omstandigheid dat verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] op (herhaaldelijk) verzoek van de officier van justitie hebben geweigerd aanvullend proces-verbaal op te maken over de nadere duidingsvragen van de verdediging, waarbij zij aangeven te persisteren bij de inhoud van de op 21 en 22 maart 2026 opgestelde processen-verbaal, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders. In het onderhavige geval leiden de geringe verschillen en de weigering van de verbalisanten, gelet op de achtergrond zoals hiervoor geschetst, dan ook niet tot een schending van de verbaliseringsplicht.\n\nHet verweer ten aanzien van de verbaliseringsplicht is hiermee verworpen.\n\nBeoordeling van het rechtmatigheidsverweer\n\nUit het proces-verbaal van 22 maart 2026 van verbalisant [verbalisant 2] volgt dat na de staandehouding van verdachte op 21 maart 2026 toegang is verschaft tot zijn voertuig op grond van artikel 9, eerste lid, van de Opiumwet (Ow). Dit artikel geeft opsporingsambtenaren de bevoegdheid een voertuig te betreden en zoekend rond te kijken in geval redelijkerwijs kan worden vermoed dat met dit vervoermiddel drugs vervoerd wordt of dat hierin drugs aanwezig zijn. Het betreft echter geen bevoegdheid tot doorzoeking van het voertuig.\n\nGelet op de omstandigheid dat uit het proces-verbaal volgt dat in de kofferbakruimte een verborgen ruimte werd aangetroffen en getracht is deze verborgen ruimte te openen, is naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest van een doorzoeking in plaats van slechts een betreding, zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, Ow.\n\nVerder blijkt uit het proces-verbaal dat het voertuig vervolgens inbeslaggenomen is op grond van artikel 1:37 Algemene Douanewet. Dit artikel geeft opsporingsambtenaren de bevoegdheid over te gaan tot inbeslagname van onder meer vervoermiddelen die kennelijk ingericht of toegerust zijn om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken.\n\nDe rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de doorzoeking en inbeslagname rechtmatig zijn geweest. De rechtbank overweegt in dit verband als volgt.\n\nOp grond van artikel 96b Sv zijn opsporingsambtenaren bevoegd ter inbeslagneming een vervoermiddel te doorzoeken, in geval van een ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.\n\nDe rechtbank overweegt dat het een feit van algemene bekendheid is dat een aangebrachte verborgen ruimte in een voertuig enkel dient om strafbare goederen, zoals drugs, maar ook vuurwapens en uit misdrijf verkregen geld, aan het ambtelijk toezicht te onttrekken. Gelet op de feiten en omstandigheden zoals vermeld in het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 1] van 21 maart 2026 en het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 2] van 22 maart 2026 (zoals hiervoor reeds uiteengezet bij het bespreken van de beoordeling van het verweer aangaande de verbaliseringsplicht), is de rechtbank van oordeel dat er sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, te weten: het verbergen of verhullen van drugs. Immers, er reed een voertuig met een buitenlands kenteken met daarin volgens Duitse informatie een verborgen ruimte die werd gebruikt om drugs te vervoeren vanuit de richting van de Duitse grens naar Rotterdam. Alwaar het voertuig kortstondig verbleef, om vervolgens de weg te vervolgen (terug) richting het oosten van het land, mogelijk het land weer uit. Gelet op het voorgaande waren de verbalisanten op grond van artikel 96b Sv de bevoegd het voertuig te doorzoeken ter inbeslagneming.\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat in het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 2] van 22 maart 2026 weliswaar niet de juiste wettelijke grondslag voor de doorzoeking staat vermeld, maar dat wel een wettelijke grondslag voor de doorzoeking bestond. Van een onrechtmatige doorzoeking is daarom geen sprake.\n\nHet rechtmatigsheidsverweer is hiermee verworpen\n\nConclusie\n\nNu de rechtbank heeft vastgesteld dat geen sprake is geweest van schending van de verbaliseringsplicht en geen sprake is geweest van een onrechtmatige doorzoeking, stelt de rechtbank vast dat van vormverzuimen in het vooronderzoek geen sprake is. Gelet op deze conclusie gaat de rechtbank over tot de beoordeling van de bewijsmiddelen.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nT.a.v. feit 1:\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de in de bijlage uitgewerkte bewijsmiddelen, vast komen te staan dat er op 21 maart 2026 in de verborgen ruimte van de auto van verdachte, voorzien van het Duitse kenteken [kenteken] , zes pakketten heroïne zijn aangetroffen. Het totaal nettogewicht van deze heroïne betrof 5503 gram. Verdachte heeft hiermee door Nederland gereden.\n\nVerdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat hij wist dat er in zijn auto een verborgen ruimte aanwezig was, dat hij in Rotterdam pakketten in de verborgen ruimte heeft zien liggen en deze ook heeft aangeraakt en dat hij wist dat het om drugs ging, die – zo was hem verteld - ook wel ‘chocolade’ wordt genoemd. Hij wist echter niet precies om welke soort drugs het ging, laat staan dat het om harddrugs ging.\n\nDe rechtbank overweegt in dit verband als volgt.\n\nVerdachte heeft verklaard dat hij in Duitsland heeft ingestemd met een opdracht van een [onbekend gebleven] man. Deze opdracht hield in dat verdachte vanuit Duitsland naar Nederland zou rijden. Hij zou drugs gaan ophalen op een afgesproken locatie in Rotterdam. Hij moest deze drugs vervolgens van Rotterdam naar een dorpje in de buurt van Aken (Duitsland) brengen. Verdachte zou hier een bedrag van 3.000,- euro voor krijgen. Hij heeft nagelaten vragen te stellen aan de man om wat voor soort drugs het ging en heeft ook niet naar de inhoud van de pakketten gekeken. Gelet op deze feiten en omstandigheden, in samenhang bezien, concludeert de rechtbank dat verdachte zich, door zich niet ervan te vergewissen wat voor soort drugs het transport betrof, willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij zich zou inlaten met het vervoeren van harddrugs in zijn personenauto. Verdachte heeft derhalve gehandeld met het vereiste opzet in de zin van voorwaardelijk opzet.\n\nGelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op 21 maart 2026 in Nederland schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk vervoeren van 5503 gram heroïne.\n\nDe rechtbank ziet onvoldoende aanwijzingen in het dossier dat verdachte het feit gepleegd heeft in bewuste en nauwe samenwerking met een of meer anderen. Er zijn onvoldoende aanwijzingen in het dossier dat verdachte de feiten heeft gepleegd in vereniging met zijn vriend, die zich als bijrijder in de auto bevond, of met een of meer andere onbekend gebleven personen uit Duitsland. Uit de verklaring van verdachte blijkt weliswaar dat hij afspraken heeft gemaakt met deze personen ten aanzien van het transport van de drugs, maar hij heeft - gezien de uitvoering van deze enkele opdracht, waar alleen hij verantwoordelijk voor was - slechts een beperkte en uitvoerende rol vervuld in het grotere geheel. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van medeplegen. De rechtbank zal verdachte daarom partieel vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.\n\nT.a.v. feit 2:\n\nDe rechtbank is van oordeel dat, op grond van de in de bijlage uitgewerkte bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van een personenauto, terwijl verdachte wist dat dit voertuig was toegerust of ingericht met een verborgen ruimte die kennelijk bedoeld was om de opsporing van strafbare feiten te beletten of te bemoeilijken. Daarmee heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 189a, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDe bewezenverklaring.\n\nOp grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de in de bijlage uitgewerkte bewijsmiddelen - in onderling verband en samenhang bezien - komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:\n\nT.a.v. feit 1:\n\nop 21 maart 2026 in Nederland, opzettelijk heeft vervoerd, 5503 gram van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.\n\nT.a.v. feit 2:\n\nop 21 maart 2026 in Nederland, een vervoermiddel, te weten een personenauto voorzien van het Duitse kenteken [kenteken] , voorhanden heeft gehad, wetende dat dit vervoermiddel was toegerust en\u002Fof ingericht met een ruimte die kennelijk bestemd was om de opsporing van een of meer strafbare feiten te beletten en\u002Fof te bemoeilijken.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nHetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.\n\nDe bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.\n\nDe strafbaarheid van de feiten.\n\nHet bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\nDe strafbaarheid van verdachte.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.\n\nOplegging van straf.\n\nDe eis van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat ter zake van de twee ten laste gelegde feiten aan verdachte wordt opgelegd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 20 maanden.\n\nEen kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe verdediging heeft primair verzocht om vrijspraak en subsidiair bij een eventuele strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder het feit dat hij (gelet op de justitiële documentatie in Nederland en Duitsland) dient te worden beschouwd als een ‘first offender’, hij medewerking heeft verleend aan het strafrechtelijk onderzoek, direct een bekennende verklaring heeft afgelegd, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan alsmede de beperkte rol van verdachte in het grotere geheel. Gelet op de straffen die blijkens de jurisprudentie in soortgelijke gevallen worden opgelegd, heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de door de officier van justitie gevorderde straf te hoog is en gematigd dient te worden tot een gevangenisstraf tussen de 14 en 18 maanden.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nBij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Voorts houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Daarnaast heeft de rechtbank bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.\n\nDe aard en ernst van de feiten.\n\nVerdachte heeft zich op 21 maart 2026 schuldig gemaakt aan het opzettelijk vervoeren van 5503 gram heroïne. De heroïne werd vervoerd in een speciaal daarvoor gemaakte verborgen ruimte in zijn personenauto. Deze verborgen ruimte was kennelijk bedoeld om de opsporing van strafbare feiten te belemmeren of bemoeilijken.\n\nDe aangetroffen hoeveelheid heroïne vertegenwoordigt een aanzienlijke straatwaarde. De verdachte heeft met zijn handelen een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van harddrugs schadelijk is voor de volksgezondheid. Bovendien leidt de handel in en het gebruik van harddrugs vaak tot andere vormen van criminaliteit, waaronder ernstige geweldscriminaliteit. De verdachte heeft zich hier niet door laten weerhouden en heeft zich kennelijk alleen laten leiden door zijn eigen financiële situatie. Daarbij is extra kwalijk dat voor het drugstransport een verborgen ruimte in de auto is gebruikt, wat de opsporing van dit soort feiten kan bemoeilijken. De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat aangebrachte verborgen ruimtes enkel dienen om strafbare goederen, zoals drugs, maar ook vuurwapens en uit misdrijf verkregen geld, aan het ambtelijk toezicht te onttrekken. Een dergelijke verborgen ruimte is naar haar aard en gelet op de kosten die met het maken van deze verborgen ruimte zijn gemoeid ook bedoeld voor herhaald gebruik.\n\nPersoonlijke omstandigheden\n\nDe rechtbank houdt bij de bepaling van de strafmaat rekening met de omstandigheid dat hij blijkens de hem betreffende uittreksels uit de Justitiële Documentatie in Nederland en Duitsland niet eerder veroordeeld is voor soortgelijke delicten en zo bezien beschouwd dient te worden als een ‘first offender’.\n\nVerdachte heeft ter zitting verklaard dat hij in Albanië is geboren, naar Duitsland is gegaan en daar een verblijfsvergunning heeft gekregen om te werken. In Duitsland raakte hij in de financiële problemen vanwege het verlies van zijn baan, de medische situatie van zijn ouders die de nodige kosten met zich meebrachten en oplopende leningen\u002Fschulden. De rechtbank overweegt dat dit echter geen excuus is om dergelijke ernstige strafbare feiten te plegen. Verdachte had anders kunnen en anders moeten handelen dan hij heeft gedaan. De rechtbank neemt verdachte dat kwalijk. Verdachte heeft daarentegen wel verantwoordelijkheid getoond door openheid van zaken te geven ten aanzien van zijn eigen handelen en de door hem gepleegde strafbare feiten toegegeven. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij het verkeerde van zijn handelen inziet en heeft oprecht berouw getoond.\n\nDe strafsoort, strafmaat en strafmodaliteit\n\nDe rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving, en rekening houdend met alle hiervoor genoemde omstandigheden, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de straf hanteert de rechtbank als uitgangspunt de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten voor het vervoeren van harddrugs. In deze oriëntatiepunten wordt voor het opzettelijk vervoeren van 5503 gram heroïne, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 20 tot 24 maanden voorgesteld.\n\nDe rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf, nu de rechtbank verdachte zal vrijspreken van het medeplegen van feit 1 en meer gewicht toekent aan de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals hiervoor vermeld.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank is van oordeel dat een gevangenisstraf van 20 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds heeft doorgebracht in voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, passend en geboden is. Aan het voorwaardelijk strafdeel zal de rechtbank de algemene voorwaarde verbinden dat verdachte zich onthoudt van het plegen van strafbare feiten. De rechtbank wil daarmee enerzijds de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten tot uitdrukking brengen en anderzijds beoogt zij daarmee invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte gericht op het maken van andere keuzes wanneer hij zich opnieuw in een financieel benarde positie bevindt en (daarmee) op het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.\n\nDe voorlopige hechtenis.\n\nOnder verwijzing naar de bepleite vrijspraak, heeft de verdediging ter terechtzitting de opheffing verzocht van de voorlopige hechtenis. Gelet op de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf ter zake van het bewezenverklaarde, wijst de rechtbank het verzoek af.\n\nBeslag.\n\nDe rechtbank overweegt dat geen beslissing meer genomen hoeft te worden ten aanzien van de op de beslaglijst van 22 juni 2026 vermelde inbeslaggenomen goederen. De officier van justitie heeft ter terechtzitting toegelicht dat reeds de teruggave is gelast van het onder verdachte inbeslaggenomen geldbedrag van 1.075,- euro (zoals vermeld onder 1 op de beslaglijst) en verdachte heeft afstand gedaan van alle inbeslaggenomen drugs.\n\nToepasselijke wetsartikelen.\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen:\n\n14a, 14b, 14c, 57 en 189a Wetboek van Strafrecht;\n\n2 en 10 Opiumwet.DE UITSPRAAK\n\nDe rechtbank:\n\nVerklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezenzoals hiervoor is omschreven.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.\n\nHet bewezen verklaarde levert op de misdrijven:\n\n opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod\n\n voorhanden hebben van een vervoermiddel, wetende dat dit vervoermiddel is toegerust of ingericht met een ruimte die kennelijk is bestemd om de opsporing van strafbare feiten te beletten of te bemoeilijken\n\nVerklaart verdachte hiervoor strafbaar.\n\nLegt op de volgende straf.\n\nT.a.v. feit 1, feit 2:\n\n een gevangenisstraf voor de duur van 20 maandenmet aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrechtwaarvan 6 maanden voorwaardelijken een proeftijd van 2 jaren\n\nVoorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. M.W.M. Bankers, voorzitter,\n\nmr. J.H.P.G. Wielders en mr. A. Maas, leden,\n\nin tegenwoordigheid van mr. F.E.M. Freese - de Haas, griffier,\n\nen is uitgesproken op 07 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4763","2026-07-13T00:29:12.710Z",{"id":102,"ecli":103,"slug":104,"caseNumber":44,"courtId":105,"decisionDate":106,"fullText":107,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":108,"sourceTimestamp":106,"parsedAt":51,"updatedAt":109},"1888","ECLI:NL:RBNNE:2026:2597","ecli-nl-rbnne-2026-2597",65,"2026-07-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nAfdeling strafrecht\n\nLocatie Groningen\n\nparketnummer 18.050574.23\n\nVonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 03 juli 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte\n\n[verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] , wonende te [land] , ingeschreven te [adres] .\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 19 juni 2026.\n\nVerdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P.Th. van Jaarsveld, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H.J. Veen.\n\nTenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\n1\n\nhij in of omstreeks de periode van 1 februari 2018 tot en met 17 juli 2023 te Onstwedde, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, (van) een voorwerp, althans een of meer voorwerpen, te weten een of meer geldbedragen (van een totale waarde van ongeveer 75.763,86 euro),\n\nSub b\n\nheeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en\u002Fof\n\ngebruik heeft gemaakt\n\nterwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat\u002Fdie voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was\u002Fwaren uit enig (eigen) misdrijf\n\n- en hij, verdachte, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt;\n\n2\n\nhij in of omstreeks de periode van 27 januari 2020 tot en met 17 juli 2023 te Onstwedde, althans in Nederland, opzettelijk heeft verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n3\n\nhij op of omstreeks 17 juli 2023 te Onstwedde, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 3,09 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,\n\nzijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.\n\nOntvankelijkheid van het openbaar ministerie (feit 3)\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft ten aanzien van feit 3 niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit, omdat het bezit van cocaïne impliciet ook al is ten laste gelegd onder feit 2.\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging van feit 3.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nNaar het oordeel van de rechtbank staat de wijze van tenlastelegging waarvoor het openbaar ministerie in deze zaak heeft gekozen niet in de weg aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in zijn vordering. In het bijzonder is geen sprake van een situatie van dubbele vervolging als bedoeld in artikel 68 Wetboek van Strafrecht, nu van een voorafgaande onherroepelijke veroordeling voor hetzelfde feit geen sprake is. Zoals hierna bij de bewezenverklaring zal blijken, komt de rechtbank bovendien niet toe aan de bewezenverklaring van het onder 2 impliciet subsidiair ten laste gelegde (bezit cocaïne), omdat zij het\n\nimpliciet primair ten laste gelegde (drugs dealen) bewezen acht. Het bezit van cocaïne wordt dus niet zowel onder feit 2 als onder feit 3 bewezen verklaard. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging.\n\nBeoordeling van het bewijs\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de ten laste gelegde feiten.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten, gelet op de bekennende verklaring van verdachte, bewezen kunnen worden verklaard. De raadsman heeft aangevoerd dat voor wat betreft de pleegperiode van feit 1 (witwassen) aansluiting moet worden gezocht bij de pleegperiode van feit 2 (drugs dealen). Verder heeft de raadsman gesteld dat het witgewassen bedrag moet worden verminderd met de bedragen die verdachte van zijn familieleden heeft ontvangen.\n\nOordeel van de rechtbank Bewijsmiddelen\n\nDe rechtbank acht feiten 1, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.\n\nIeder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.\n\nDeze opgave luidt als volgt:\n\nde verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 19 juni 2026;\n\neen naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van financiële bevindingen d.d. 12 oktober 2023, opgenomen op pagina 594 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2022343706 d.d. 12 januari 2024, inhoudend het relaas van verbalisant;\n\neen naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 20 juli 2023, opgenomen op pagina 360 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [getuige 1] ;\n\neen naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 27 december 2022, opgenomen op pagina 34 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [getuige 2] ;\n\neen naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 14 januari 2023, opgenomen op pagina 37 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [getuige 3] ;\n\neen naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 juli 2023, opgenomen op pagina 145 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisanten;\n\neen kennisgeving van inbeslagneming d.d. 17 juli 2023, opgenomen op pagina 454 e.v. van voornoemd dossier;\n\neen naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 9 augustus 2023, opgenomen op pagina 484 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisanten.\n\nBewijsoverweging\n\nFeit 1\n\nDe rechtbank overweegt het volgende over de periode van witwassen. Uit het proces-verbaal van financiële bevindingen volgt dat in de periode van 1 februari 2018 tot en met 17 juli 2023 548 verdachte Tikkie-betalingen op de rekening van verdachte zijn gestort. Verdachte heeft bekend dat het merendeel van deze bedragen betalingen waren voor drugs. Deze Tikkie-betalingen hebben specifieke kenmerken: het zijn ronde bedragen, veel namen van betalers komen meerdere keren terug, er is sprake van eenrichtingsverkeer, het zijn aannemelijke bedragen voor drugsverkoop en geen aannemelijke bedragen voor de omschrijvingen en er wordt vaak gebruik gemaakt van dezelfde omschrijving. De rechtbank stelt vast dat een deel van de verdachte Tikkie-betalingen vóór 27 januari 2020 zijn overgemaakt, dus voor de start van de pleegperiode van feit 2. De rechtbank is van oordeel dat ook ten aanzien van die bedragen buiten redelijke twijfel vast staat dat dit betalingen voor drugs waren, omdat die betalingen precies passen bij de hiervoor genoemde kenmerken. Voor al deze betalingen geldt dus dat het niet anders kan dan dat het hiermee verkregen geld onmiddellijk uit misdrijf afkomstig is.\n\nDe rechtbank verwerpt het verweer dat de bedragen van familieleden moeten worden afgetrokken van het bewezenverklaarde bedrag. Volgens vaste jurisprudentie geldt immers dat in het geval dat van misdrijf afkomstige bedragen zijn vermengd met legale vermogensbestanddelen, het vermengde vermogen behoudens bijzondere omstandigheden die hier niet aan de orde zijn kan worden aangemerkt als mede of deels uit misdrijf afkomstig.\n\nDe rechtbank acht bewezen dat verdachte in de periode van 1 februari 2018 tot en met 17 juli 2023 geld heeft witgewassen en dat verdachte van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt. De rechtbank is verder van oordeel dat verdachte dusdanig nauw en bewust heeft samengewerkt met de medeverdachte, dat sprake is van medeplegen.\n\nFeit 2\n\nVerdachte heeft bekend dat hij tot de inval op 17 juli 2023 heeft gehandeld in cocaïne, maar hij heeft aangegeven dat hij de pleegperiode niet precies weet. De rechtbank neemt als startpunt van de periode de verklaring van getuige [getuige 1] (opgenomen als bewijsmiddel 3), waaruit blijkt dat hij vanaf 27 januari 2020 meermalen bedragen heeft overgeboekt naar de rekening van verdachte ter betaling van cocaïne. De rechtbank acht bewezen dat verdachte in de periode van 27 januari 2020 tot en met 17 juli 2023 in cocaïne heeft gehandeld.\n\nFeit 3\n\nVoor wat betreft de drugs die is aangetroffen tijden de doorzoeking op 17 juli 2023 heeft verdachte ter zitting aangegeven dat het zijn drugs betrof en dat de medeverdachte geen wetenschap had van de aanwezigheid van die drugs. De rechtbank acht daarom het medeplegen van dit feit niet bewezen.\n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht feiten 1, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:\n\n1\n\nhij in de periode van 1 februari 2018 tot en met 17 juli 2023 te Onstwedde tezamen en in vereniging met een ander, (van) een voorwerp, te weten een geldbedrag (van een totale waarde van ongeveer 75.763,86 euro),\n\nheeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en\n\ngebruik heeft gemaakt\n\nterwijl hij, verdachte, wist, dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf\n\n- en hij, verdachte, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt;\n\n2\n\nhij in de periode van 27 januari 2020 tot en met 17 juli 2023 in Nederland, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, een hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\n3\n\nhij op 17 juli 2023 te Onstwedde opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.\n\nVerdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nStrafbaarheid van het bewezen verklaarde\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft over feit 1 opgemerkt dat het handelen van verdachte niet gekwalificeerd kan worden als witwassen, maar slechts als eenvoudig witwassen, omdat uit het dossier niet blijkt dat zijn gedragingen gericht waren op het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het geld.\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat in het geval van artikel 420bis sub b van het Wetboek van Strafrecht verhullingshandelingen niet relevant zijn.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nUit de wetsgeschiedenis volgt dat ook in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, zoals in deze zaak, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen of de criminele herkomst te verhullen. Gelet hierop moet worden aangenomen dat, als vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd.\n\nDe rechtbank overweegt allereerst dat verdachte het geld niet enkel heeft verworven en voorhanden heeft gehad, maar ook heeft overgedragen en omgezet. De rechtbank is verder van oordeel dat er verhullingshandelingen hebben plaatsgevonden. Verdachte heeft immers betalingen voor drugs ontvangen met misleidende of versluierende omschrijvingen, waarbij hij ook gebruik heeft gemaakt van de rekening van medeverdachte en hij heeft autos die hij kocht met contanten op naam van anderen geregistreerd.\n\nVerdachte heeft ter zitting over dit laatste verklaard dat hij dit deed om te verhullen dat het geld niet legaal was.\n\nDe rechtbank acht het bewezenverklaarde feit onder 1 daarom strafbaar en te kwalificeren als witwassen.\n\nHet bewezen verklaarde levert op:\n\nmedeplegen van het maken van een gewoonte van het plegen van witwassen\n\nopzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd\n\nopzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod\n\nDeze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.\n\nStrafbaarheid van verdachte\n\nDe rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.\n\nStrafmotivering\n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend is. Hij heeft gepleit voor oplegging van een forse taakstraf en een voorwaardelijk gevangenisstraf. De raadsman heeft verder gepleit voor toepassing van het jeugdstrafrecht. Ten slotte heeft de raadsman gewezen op het tijdsverloop en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nBij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het reclasseringsrapport van 16 april 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 6 mei 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.\n\nVerdachte wordt veroordeeld voor drie strafbare feiten. Hij heeft zich gedurende een periode van ongeveer drieënhalf jaar schuldig gemaakt aan grootschalige cocaïnehandel. Verdachte heeft cocaïne verstrekt aan een grote hoeveelheid gebruikers, waaronder minderjarigen. Verder heeft verdachte cocaïne aanwezig gehad. Dit zijn ernstige feiten. Het is algemeen bekend dat drugs schadelijk zijn voor de gezondheid van gebruikers. Daarnaast veroorzaakt de criminaliteit die met de handel het bezit van harddrugs gepaard gaat schade en overlast voor de samenleving.\n\nHet geld dat verdachte met het dealen heeft verdiend, heeft hij samen met de medeverdachte witgewassen. Door het witwassen van crimineel geld wordt de onderliggende criminaliteit gefaciliteerd en wordt de integriteit van het financieel en economisch verkeer aangetast. Ook witwassen is een ernstig feit.\n\nVoor zulke ernstige, ondermijnende feiten is in beginsel alleen een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. Dit blijkt onder meer uit de oriëntatiepunten van het LOVS (Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht). Bij het handelen in drugs voor een periode van 6 tot 12 maanden, is volgens de oriëntatiepunten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden het uitgangspunt. Verdachte heeft zich drieënhalf jaar schuldig gemaakt aan het handelen in cocaïne. Daarnaast heeft hij zich ook nog schuldig gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen, waarvoor een gevangenisstraf van tussen de 5 en 9 maanden het uitgangspunt is. De rechtbank is daarom van oordeel dat een taakstraf, zoals door de raadsman voorgesteld, geen recht doet aan de ernst van de feiten.\n\nNaast de aard en de ernst van de feiten houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Uit zijn strafblad blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten en dat hij sinds zijn aanhouding niet meer in aanraking is gekomen met justitie.\n\nUit het reclasseringsrapport volgt dat de reclassering een aantal indicaties ziet om het jeugdstrafrecht toe te passen en een straf zonder bijzondere voorwaarden adviseert. Verder blijk uit het rapport dat verdachte geen gestructureerde dagbesteding of inkomsten heeft.\n\nDe rechtbank heeft besloten het advies van de reclassering om het jeugdstrafrecht toe te passen, niet te volgen. Verdachte was ten tijde van het plegen van de feiten 18 tot 23 jaar oud en de rechtbank ziet geen grond om van het uitgangspunt dat het volwassenenstrafrecht wordt toegepast af te wijken. Verdachte heeft zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan geraffineerde feiten en bovendien is een opvoedkundige aanpak niet aan de orde in deze zaak.\n\nDe rechtbank weegt de proceshouding van verdachte in strafverminderende zin mee. Hij neemt verantwoordelijkheid voor de door hem gepleegde feiten.\n\nDe rechtbank houdt ten slotte rekening met het tijdsverloop. Het heeft na de aanhouding van verdachte op 17 juli 2023 bijna 3 jaar geduurd voordat zijn zaak op zitting is behandeld. De redelijke termijn is fors overschreden.\n\nDe rechtbank vindt de strafeis in beginsel passend. De rechtbank ziet echter in het tijdsverloop en het feit dat verdachte na 17 juli 2023 niet meer in aanraking is gekomen met justitie aanleiding om een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen.\n\nAlles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. Het voorwaardelijke strafdeel dient ter voorkoming dat verdachte zich nogmaals schuldig maakt aan (soortgelijke) strafbare feiten.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.\n\nToepassing van wetsartikelen\n\nDe rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 57, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.\n\nUitspraak\n\nDe rechtbank\n\nVerklaart het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nVeroordeelt verdachte tot:\n\neen gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren.\n\nBepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 1 jaar, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nBeveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. T.R. Bosker, voorzitter, mr. J. van Bruggen en mr. C. Brouwer, rechters, bijgestaan door mr. T.M. Doorn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 03 juli 2026.\n\nMr. Doorn is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2597","2026-07-13T00:29:43.906Z",{"id":111,"ecli":112,"slug":113,"caseNumber":44,"courtId":105,"decisionDate":106,"fullText":114,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":115,"sourceTimestamp":106,"parsedAt":51,"updatedAt":116},"1889","ECLI:NL:RBNNE:2026:2598","ecli-nl-rbnne-2026-2598","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nAfdeling strafrecht\n\nLocatie Groningen\n\nparketnummer 18.050574.23\n\nbeslissing van de meervoudige strafkamer d.d. 03 juli 2026 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel\n\nin de zaak tegen\n\n[veroordeelde]\n\nveroordeelde,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] , wonende te [land] , ingeschreven te [adres] .\n\nProcesverloop\n\nDe officier van justitie heeft op 27 mei 2026 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van 75.763,86 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18.050574.23 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.\n\nDe behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 19 juni 2026. Bij de behandeling zijn de veroordeelde en zijn raadsman mr. P.Th. van Jaarsveld, advocaat te Groningen, gehoord. Het openbaar\n\nministerie is vertegenwoordigd door mr. H.J. Veen.\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gepersisteerd bij de vordering. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van verdachte over de alternatieve herkomst van sommige bedragen niet concreet en verifieerbaar is. Daarom kunnen de door verdachte genoemde bedragen niet in mindering worden gebracht op het te ontnemen bedrag.\n\nStandpunt van de raadsman en de veroordeelde\n\nDe raadsman en de veroordeelde hebben verzocht dat het te ontnemen bedrag wordt verminderd met de bedragen die veroordeelde van familieleden en vrienden heeft ontvangen, omdat dat geen drugsbetalingen betreffen. Het betreft de betalingen van [naam 1] (moeder), [naam 2] (vriendin van moeder), [naam 3] (stiefmoeder), [naam 4] (tante), [naam 5] (docent), [naam 6] (ex-vriendin) en [naam 7] (vriend).\n\nBeoordeling\n\nGrondslag voor ontneming\n\nDe rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 3 juli 2026 in de zaak met parketnummer 18.050574.23 veroordeeld ter zake van onder meer gewoontewitwassen in vereniging en opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod. Uit het onderzoek leidt de rechtbank af dat veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van die door hem gepleegde strafbare feiten.\n\nSchatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel\n\nDe rechtbank baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de volgende bewijsmiddelen:\n\neen naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van financiële bevindingen d.d. 12 oktober 2023, opgenomen op pagina 594 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2022343706 d.d. 12 januari 2024, inhoudend het relaas van verbalisant;\n\nhet rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 9 november 2023, opgenomen op pagina 489 e.v. van voornoemd dossier.\n\nDe rechtbank neemt het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel en het proces-verbaal van financiële bevindingen als uitgangspunt voor de berekening van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel door middel van voormelde strafbare feiten wordt geschat. Uit die stukken volgt dat verdachte 75.763,86 voordeel heeft genoten.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de overgeboekte bedragen waarvan verdachte ter zitting heeft aangegeven dat deze van familieleden afkomstig zijn, moeten worden afgetrokken van het te ontnemen bedrag. De rechtbank vindt dat kan worden aangenomen dat die bedragen een legale herkomst hebben, ook zonder nadere onderbouwing. Dat is ook in lijn met het rapport waaruit volgt dat in beginsel wordt\n\nuitgegaan van een legale herkomst bij ontvangen bedragen van familieleden.\n\nDe bedragen die zijn overgeboekt door [naam 2] , [naam 5] , [naam 6] en [naam 7] zal de rechtbank niet in mindering brengen op het bedrag. Voor deze bedragen geldt dat de alternatieve herkomst, waarover verdachte overigens pas op zitting voor het eerst heeft verklaard, niet concreet en verifieerbaar is.\n\nGelet op het voorgaande zal de rechtbank de volgende bedragen op het te ontnemen bedrag in mindering brengen:\n\n- [ naam 1] : 175,00 (22 juni 2021)\n\n- [ naam 3] : 1.000,00 (13 september 2022)\n\n- [ naam 4] : 1.000,00 (12 februari 2019)Totaal 2.175,00\n\nHet voorgaande leidt tot de volgende berekening: 75.763,86 - 2.175,00 = 73.588,86\n\nDe rechtbank komt aldus tot het oordeel dat de veroordeelde 73.588,86voordeel heeft genoten en legt aan veroordeelde een betalingsverplichting op tot dat bedrag.\n\nToepassing van de wetsartikelen\n\nDe rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.\n\nBeslissing\n\nStelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op73. 588,86\n\nLegt [veroordeelde] voornoemd de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van\n\n73.588,86 (zegge: drieënzeventigduizend vijfhonderdachtendertig euro en zesentachtig eurocent) aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 735 dagen.\n\nWijst de vordering van de officier van justitie voor het overige af.\n\nDeze uitspraak is gegeven door mr. T.R. Bosker, voorzitter, mr. J. van Bruggen en mr. C. Brouwer, rechters, bijgestaan door mr. T.M. Doorn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 03 juli 2026.\n\nMr. Doorn is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2598","2026-07-13T00:29:43.986Z",{"id":118,"ecli":119,"slug":120,"caseNumber":44,"courtId":105,"decisionDate":106,"fullText":121,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":122,"sourceTimestamp":106,"parsedAt":51,"updatedAt":123},"1886","ECLI:NL:RBNNE:2026:2595","ecli-nl-rbnne-2026-2595","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nAfdeling strafrecht\n\nLocatie Groningen\n\nparketnummer 18.169979.23\n\nbeslissing van de meervoudige strafkamer d.d. 03 juli 2026 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel\n\nin de zaak tegen\n\n[veroordeelde]\n\nveroordeelde,\n\ngeboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] , wonende te [land] , ingeschreven te [adres] .\n\nProcesverloop\n\nDe officier van justitie heeft op 27 mei 2026 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van 23.628,42 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18.169979.23 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.\n\nDe behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 19 juni 2026. Bij de behandeling zijn de veroordeelde en haar raadsvrouw mr. E. Dussel, advocaat te Groningen, gehoord. Het openbaar ministerie is vertegenwoordigd door mr. H.J. Veen.\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gepersisteerd bij de vordering. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van verdachte over de alternatieve herkomst van sommige bedragen niet concreet en verifieerbaar is. Daarom kunnen de door verdachte genoemde bedragen niet in mindering worden gebracht op het te ontnemen bedrag.\n\nStandpunt van de raadsvrouw en de veroordeelde\n\nDe raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen, omdat onvoldoende duidelijk is dat veroordeelde voordeel heeft genoten. Het enkele feit dat een deel van de opbrengsten uit de cocaïnehandel van de medeverdachte op de rekening van veroordeelde is gestort, rechtvaardigt niet de conclusie dat het voordeel door haar is genoten.\n\nSubsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het bedrag moet worden gematigd. Allereerst heeft de raadsvrouw gesteld dat verdachte vanaf augustus 2020 ging samenwonen met de medeverdachte en dat vanaf dat moment illegale inkomsten op haar rekening zijn gestort. De bedragen van voor die periode moeten in mindering worden gebracht. De raadsvrouw heeft ook bepleit dat de bedragen die van de spaarrekening van verdachte afkomstig zijn moeten worden afgetrokken van het bedrag. Dat geldt ook voor de bedragen die zien op uitjes met vriendinnen. Verder heeft de raadsvrouw gesteld dat het voordeel moet worden verdeeld tussen verdachte en de medeverdachte.\n\nTen slotte heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat verdachte al financiële consequenties heeft ondervonden, omdat haar goederen in beslag zijn genomen. Zij heeft erop gewezen dat geen dubbeltelling mag plaatsvinden.\n\nBeoordeling\n\nGrondslag voor ontneming\n\nDe rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 19 juni 2026 in de zaak met parketnummer 18.169979.23 veroordeeld ter zake medeplegen van gewoontewitwassen. Uit het onderzoek leidt de rechtbank af dat veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van dit door haar gepleegde strafbare feit.\n\nSchatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel\n\nDe rechtbank baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de volgende bewijsmiddelen:\n\neen naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van financiële bevindingen d.d. 12 oktober 2023, opgenomen op pagina 495 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2022343706 d.d. 12 januari 2024, inhoudend het relaas van verbalisant;\n\nhet rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 9 november 2023, opgenomen op pagina 492 e.v. van voornoemd dossier.\n\nDe rechtbank verwerpt het verweer dat veroordeelde geen voordeel zou hebben genoten. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat veroordeelde mede heeft geprofiteerd van de drugsopbrengsten van de\n\nmedeveroordeelde. Zij voerden een gezamenlijke huishouding en hebben door de illegale inkomsten comfortabel geleefd. Veroordeelde heeft dus ook voordeel genoten.\n\nDe rechtbank verwerpt ook het verweer dat het voordeel zou moeten worden verdeeld tussen veroordeelde en de medeveroordeelde. Veroordeelde en de medeveroordeelde voerden weliswaar een gezamenlijke huishouding, maar de rechtbank vindt het redelijk dat het geld dat op de rekening van veroordeelde is binnengekomen als haar voordeel kan worden aangemerkt en het geld dat op de rekening van de medeveroordeelde is binnengekomen als zijn voordeel. De rechtbank weegt mee dat door veroordeelde niet gemotiveerd is aangegeven welk bedrag voor rekening van de medeveroordeelde zou moeten komen.\n\nDe rechtbank overweegt ten aanzien van het verweer dat veroordeelde reeds in haar vermogen is getroffen door het beslag, als volgt. Er rust conservatoir beslag op de goederen. Dat beslag dient ter verhaal van de ontnemingsmaatregel. Bij de executie van de maatregel zal de waarde van het beslag worden afgetrokken van het ontnemingsbedrag. De stelling van de raadsvrouw dat er een dubbeltelling plaats zou vinden door het beslag, mist feitelijke grondslag.\n\nDe rechtbank neemt het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel en het proces-verbaal van financiële bevindingen als uitgangspunt voor de berekening van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel door middel van voormeld strafbare feit wordt geschat. Uit die stukken volgt dat verdachte 23.628,42 voordeel heeft genoten.\n\nVeroordeelde is veroordeeld voor gewoontewitwassen in de periode van 23 juli 2020 tot en met 17 juli 2023. De bedragen die voor 23 juli 2020 op haar rekening zijn gestort, zoals opgenomen in het overzicht van ontvangen overboekingen op pagina 590 e.v. van het dossier, zal de rechtbank daarom in mindering brengen op het ontnemingsbedrag. Het betreft een bedrag van 1.385,32.\n\nVoor het overige heeft de raadsvrouw ten aanzien van een aantal door haar genoemde overboekingen bepleit dat daarvoor een legale herkomst bestaat. De rechtbank stelt vast dat verdachte hier pas eerst ter zitting mee is gekomen en dat zij haar verklaring niet nader heeft onderbouwd of gespecificeerd. Daarmee is geen sprake van een concrete, verifieerbare en op voorhand niet onaannemelijke alternatieve verklaring, zodat de rechtbank hieraan voorbijgaat.\n\nHet voorgaande leidt tot de volgende berekening: 23.628,42 - 1.385,32 = 22.243,10\n\nDe rechtbank komt aldus tot het oordeel dat de veroordeelde 22.243,10voordeel heeft genoten en legt aan veroordeelde een betalingsverplichting op tot dat bedrag.\n\nToepassing van de wetsartikelen\n\nDe rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.\n\nBeslissing\n\nStelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op22. 243,10.\n\nLegt [veroordeelde] voornoemd de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van 22.243,10 (zegge: tweeëntwintigduizend tweehonderddrieënveertig euro en tien eurocent) aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 222 dagen.\n\nWijst de vordering van de officier van justitie voor het overige af.\n\nDeze uitspraak is gegeven door mr. T.R. Bosker, voorzitter, mr. J. van Bruggen en mr. C. Brouwer, rechters, bijgestaan door mr. T.M. Doorn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 03 juli 2026.\n\nMr. Doorn is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2595","2026-07-13T00:29:43.802Z",{"id":125,"ecli":126,"slug":127,"caseNumber":44,"courtId":105,"decisionDate":106,"fullText":128,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":129,"sourceTimestamp":106,"parsedAt":51,"updatedAt":130},"1887","ECLI:NL:RBNNE:2026:2593","ecli-nl-rbnne-2026-2593","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nAfdeling strafrecht\n\nLocatie Groningen\n\nparketnummer 18.169979.23\n\nVonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 03 juli 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte\n\n[verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] , wonende te [land] , ingeschreven te [adres] .\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 19 juni 2026.\n\nVerdachte is verschenen, bijgestaan door mr. E. Dussel, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H.J. Veen.\n\nTenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\n1\n\nzij in of omstreeks de periode van 21 augustus 2019 tot en met 17 juli 2023 te Onstwedde, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, (van) een voorwerp, althans een of meer voorwerpen, te weten een of meer geldbedragen (van een totale waarde van ongeveer 23.628,42 euro),\n\nSub b\n\nheeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en\u002Fof\n\ngebruik heeft gemaakt\n\nterwijl zij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat\u002Fdie voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was\u002Fwaren uit enig (eigen) misdrijf\n\n- en zij, verdachte, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt;\n\n2\n\nzij op of omstreeks 17 juli 2023 te Onstwedde, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 3,09 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet\n\nBeoordeling van het bewijs\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van feit 2 heeft hij zich op het standpunt gesteld dat het bewijs volgt uit het feit dat de drugs is aangetroffen in de woning van verdachte en zij heeft verklaard dat er soms cocaïne van haar in de woning lag.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 1, gelet op de bekennende verklaring van verdachte, bewezen kan worden verklaard. Zij heeft ten aanzien van de periode aangevoerd dat verdachte vanaf augustus 2020 ging samenwonen met de medeverdachte en dat vanaf dat moment haar rekening is gebruikt om de inkomsten uit drugsverkoop wit te wassen.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nVrijspraak feit 2\n\nDe rechtbank acht feit 2 niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.\n\nVerdachte heeft ter zitting verklaard dat de aangetroffen drugs niet van haar, maar van de medeverdachte was. Uit het dossier blijkt dat de medeverdachte cocaïne verhandelde. De drugs is aangetroffen in een Smintdoosje onder het matras. Op die plek zijn ook twee dealertelefoons van de medeverdachte aangetroffen. Gelet op deze omstandigheden vindt de rechtbank het aannemelijk dat de drugs van de medeverdachte was en dat verdachte geen wetenschap had van de aanwezigheid van deze drugs in haar woning. De rechtbank acht daarom niet bewezen dat zij de drugs opzettelijk aanwezig heeft gehad.\n\nVeroordeling feit 1\n\nDe rechtbank acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.\n\nDeze opgave luidt als volgt:\n\nde verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 19 juni 2026;\n\neen naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van financiële bevindingen d.d. 12 oktober 2023, opgenomen op pagina 495 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2022343706 d.d. 12 januari 2024, inhoudend het relaas van verbalisant.\n\nMet betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.\n\nUit de financiële bevindingen en de verklaring van verdachte ter zitting volgt dat haar rekening is gebruikt voor het witwassen van een deel van de opbrengst van de verkoop van drugs door de medeverdachte. De verdachte overboekingen op de rekening van verdachte hebben specifieke kenmerken: het zijn ronde bedragen, veel namen van betalers komen meerdere keren terug, er is sprake van eenrichtingsverkeer, het zijn aannemelijke bedragen voor drugsverkoop en geen aannemelijke bedragen voor de omschrijvingen en er wordt vaak gebruik gemaakt van dezelfde omschrijving. De rechtbank stelt vast dat uit bijlage 3 bij de financiële bevindingen volgt dat vanaf 23 juli 2020 bedragen op de rekening van verdachte zijn overgeboekt die aan de hiervoor genoemde kenmerken voldoen en waarvan dus buiten redelijke twijfel kan worden aangenomen dat deze een criminele herkomst hebben. De rechtbank neemt die datum als startpunt van de periode. De rechtbank acht dus niet bewezen dat de bedragen die voor 23 juli 2020 op de rekening zijn gestort van misdrijf afkomstig zijn. Het betreft een bedrag van 1.385,32.\n\nDe rechtbank acht bewezen dat verdachte in de periode van 23 juli 2020 tot en met 17 juli 2023 geld heeft witgewassen en dat verdachte van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt. De rechtbank is verder van oordeel dat verdachte dusdanig nauw en bewust heeft samengewerkt met de medeverdachte, dat sprake is van medeplegen.\n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:\n\nzij in de periode van 23 juli 2020 tot en met 17 juli 2023 te Onstwedde, tezamen en in vereniging met een ander, (van) een voorwerp, te weten een geldbedrag (van een totale waarde van ongeveer 22.243,10)\n\nheeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en\n\ngebruik heeft gemaakt\n\nterwijl zij, verdachte, wist dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf\n\n- en zij, verdachte, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.\n\nVerdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nStrafbaarheid van het bewezen verklaarde\n\nHet bewezen verklaarde levert op:\n\n1. medeplegen van het maken van een gewoonte van het plegen van witwassen\n\nDit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.\n\nStrafbaarheid van verdachte\n\nDe rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.\n\nStrafmotivering\n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een taakstraf van 120 uur.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat een taakstraf een passende afdoening is.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nBij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het reclasseringsrapport van 7 mei 2025, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 6 mei 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.\n\nDe rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nVerdachte heeft zich gedurende een periode van 3 jaar schuldig gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen. Zij heeft samen met de medeverdachte het geld witgewassen dat hij met cocaïnehandel heeft verdiend. Door het witwassen van crimineel geld wordt de onderliggende criminaliteit gefaciliteerd en wordt de integriteit van het financieel en economisch verkeer aangetast. Witwassen is een ernstig feit.\n\nDe rechtbank neemt bij het bepalen van de straf de oriëntatiepunten van het LOVS (Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht) als uitgangspunt. Daaruit volgt dat een gevangenisstraf van 2 tot 5 maanden of een taakstraf passend is.\n\nNaast de aard en de ernst van het feit houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Uit haar strafblad volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten en dat zij sinds haar aanhouding niet meer in aanraking is gekomen met justitie.\n\nUit het reclasseringsrapport blijkt dat de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden adviseert, omdat interventies of toezicht niet nodig is. Het recidiverisico wordt als laag ingeschat.\n\nDe rechtbank weegt de proceshouding van verdachte in strafverminderende zin mee. Zij heeft ter zitting verantwoordelijkheid genomen voor het door haar gepleegde feit.\n\nDe rechtbank houdt ten slotte rekening met het tijdsverloop. Het heeft na de aanhouding van verdachte op 17 juli 2023 bijna 3 jaar geduurd voordat haar zaak op zitting is behandeld. De redelijke termijn is fors overschreden.\n\nAlles afwegende acht de rechtbank de eis van de officier van justitie redelijk. De rechtbank vindt een taakstraf van 120 uren, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.\n\nToepassing van wetsartikelen\n\nDe rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 47, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.\n\nUitspraak\n\nDe rechtbank\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 2 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 1 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\neen taakstraf voor de duur van 120 uren.\n\nBeveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 2 maanden zal worden toegepast.\n\nBeveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. T.R. Bosker, voorzitter, mr. J. van Bruggen en mr. C. Brouwer, rechters, bijgestaan door mr. T.M. Doorn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 03 juli 2026.\n\nMr. Doorn is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2593","2026-07-13T00:29:43.848Z",{"id":132,"ecli":133,"slug":134,"caseNumber":44,"courtId":135,"decisionDate":136,"fullText":137,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":138,"sourceTimestamp":66,"parsedAt":51,"updatedAt":139},"1278","ECLI:NL:GHAMS:2026:1856","ecli-nl-ghams-2026-1856",56,"2026-07-02T00:00:00.000Z","afdeling strafrecht\n\nparketnummer: 23-000187-22\n\ndatum uitspraak: 2 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)\n\nVerkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 26 januari 2022 in de strafzaak onder parketnummer 13-161713-20 tegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,\n\nadres: [adres] .Onderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 18 juni 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.\n\nDe verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.\n\nTenlastelegging\n\nGelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging, is aan de verdachte ten laste gelegd dat:\n\n1. hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2020 tot en met 3 juli 2020 te Amsterdam, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft bereid en\u002Fof verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt (onder meer aan: [persoon 1] en\u002Fof [persoon 2] en\u002Fof [persoon 3] en\u002Fof [medeverdachte 1] en\u002Fof [medeverdachte 2] en\u002Fof een of meerdere overige personen) en\u002Fof vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens), in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n2. hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 9 juni 2020 tot en met 3 juli 2020 te Amsterdam, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk mondeling, door gebaren, bij geschrift en\u002Fof afbeelding zich jegens [persoon 1] en\u002Fof [persoon 3] en\u002Fof [persoon 2] en\u002Fof [persoon 4] en\u002Fof [persoon 5] heeft geuit, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of (politie)ambtenaar (een) verklaring(en) af te leggen te beïnvloeden, terwijl verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat die verklaring zou worden afgelegd, immers heeft\u002Fhebben\u002Fzijn hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s), zakelijk weergegeven\n\n- de telefoonnummers en\u002Fof vindplaatsen van voornoemde [persoon 1] en\u002Fof [persoon 3] en\u002Fof [persoon 2] en\u002Fof [persoon 4] en\u002Fof [persoon 5] heeft\u002Fhebben achterhaald en\u002Fof doorgegeven en\u002Fof\n\n- ( meermaals) naar (de woning van) voornoemde [persoon 1] en\u002Fof [persoon 3] en\u002Fof [persoon 2] en\u002Fof [persoon 4] en\u002Fof [persoon 5] is\u002Fzijn toegegaan en\u002Fof hen hebben opgezocht en\u002Fof (telefonisch) contact met hen heeft\u002Fhebben gezocht\u002Fgehad en\u002Fof\n\n- ( meermaals) voornoemde [persoon 1] en\u002Fof [persoon 3] en\u002Fof [persoon 2] en\u002Fof [persoon 4] en\u002Fof [persoon 5] heeft\u002Fhebben geïnstrueerd welke verklaring zij moeten afleggen en\u002Fof (daarbij) heeft\u002Fhebben gezegd:\n\ndat voornoemde [persoon 1] en\u002Fof [persoon 3] en\u002Fof [persoon 2] en\u002Fof [persoon 4] en\u002Fof [persoon 5] moeten zwijgen (onder meer: zijn\u002Fhaar\u002Fhun ‘mondje dicht moeten houden’), althans (telkens) woorden van gelijke aard en\u002Fof strekking\n\nen\u002Fof\n\ndat voornoemde [persoon 1] en\u002Fof [persoon 3] en\u002Fof [persoon 2] en\u002Fof [persoon 4] en\u002Fof [persoon 5] de (handels)periode waarover hij\u002Fzij heeft\u002Fhebben verklaard en\u002Fof gaan verklaren aan moet(en) passen (naar onder meer: ‘vanaf begin dit jaar’ en\u002Fof ‘februari\u002Fmaart’ en\u002Fof ‘vanaf februari’ en\u002Fof ‘gewoon dit jaaroes klaar. februari januari’), althans (telkens) woorden van gelijke aard en\u002Fof strekking en\u002Fof\n\n- ( meermaals) (in ruil daarvoor) verdovende middelen (‘slankoe balloe’) heeft\u002Fhebben gegeven en\u002Fof in het vooruitzicht gesteld en\u002Fof\n\n- ( meermaals) voornoemde [persoon 1] en\u002Fof [persoon 3] en\u002Fof [persoon 2] en\u002Fof [persoon 4] en\u002Fof [persoon 5] op dwingende toon heeft\u002Fhebben toegesproken en\u002Fof hij\u002Fzij\u002Fhen ‘heeft aangepakt’ en\u002Fof tegen hij\u002Fzij\u002Fhen heeft\u002Fhebben gezegd: ‘als je moet verklaren, zeg hen vanaf maart’;\n\n3. hij op of omstreeks 3 juli 2020 te Amsterdam, in ieder geval in Nederland, (een) wapen(s) van categorie I onder 7°, te weten een zogenaamd balletjespistool, zijnde (een) voorwerp(en) dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen en kleur een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen, voorhanden heeft gehad.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde tot een enigszins andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.\n\nBewijsoverweging\n\nStandpunt van het openbaar ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 , 2 en 3 ten laste gelegde (gedeeltelijk) kan worden bewezen verklaard conform de bewezenverklaring van de rechtbank. Dat betekent dat volgens de advocaat-generaal kan worden bewezen verklaard:\n\nten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde het medeplegen van (kort gezegd) verkopen van cocaïne aan [persoon 1] , [persoon 2] , [persoon 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de periode van 1 maart 2020 tot en met 9 juni 2020;\n\nten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde het medeplegen van beïnvloeding van een getuige, te weten [persoon 4] , in de periode van 9 juni 2020 tot en met 26 juni 2020, en\n\nten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde het voorhanden hebben van een balletjespistool.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde partiële vrijspraak bepleit voor wat betreft de verkoop van cocaïne aan [medeverdachte 1] . De (enkelvoudige) herkenning van de verdachte door [medeverdachte 1] is volgens de raadsman onvoldoende betrouwbaar. [medeverdachte 1] woont in Wassenaar en heeft verklaard dat hij bij hem thuis of ergens ‘onderweg’ drugs liet bezorgen. Omdat de verdachte alleen drugs bezorgde in Amsterdam, biedt het dossier volgens de raadsman geen ondersteuning voor een bewezenverklaring van de verkoop door de verdachte aan [medeverdachte 1] . Ten aanzien van de overige ten laste gelegde kopers heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.\n\nDe raadsman heeft daarnaast vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde bepleit. Ten aanzien van [persoon 4] heeft hij aangevoerd dat uit zijn verklaring niet blijkt dat hij door de verdachte is benaderd met het doel zijn verklaring te beïnvloeden. Dat de verdachte in het tapgesprek met de medeverdachte [medeverdachte 3] heeft gezegd dat hij dit wel heeft gedaan, heeft de verdachte enkel gezegd om [medeverdachte 3] zoet te houden.\n\nTot slot heeft de raadsman vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde bepleit, omdat het aangetroffen wapen niet geschikt is voor afdreiging. Het is evident zichtbaar dat het een nepwapen is, aldus de raadsman.\n\nOordeel van het hof\n\nFeit 1 (medeplegen handel in cocaïne)\n\nHet hof acht op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de periode van 1 maart 2020 tot en met 9 juni 2020 in Nederland samen met een ander heeft gehandeld in cocaïne en deze cocaïne heeft verstrekt aan onder meer [persoon 1] , [persoon 2] , [persoon 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .\n\nDe raadsman heeft aangevoerd dat de herkenning van de verdachte door [medeverdachte 1] onbetrouwbaar is. Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.\n\nDe verdachte heeft verklaard dat hij voor [medeverdachte 3] bolletjes cocaïne heeft verkocht. [medeverdachte 1] heeft zowel de verdachte als [medeverdachte 3] op foto’s herkend. [medeverdachte 3] was de persoon van wie [medeverdachte 1] drugs kocht. Soms kwam [medeverdachte 3] aan de deur bij [medeverdachte 1] in zijn woonplaats [plaats] en soms kwamen loopjongens van [medeverdachte 3] de drugs bezorgen. Meestal liet [medeverdachte 1] de dealer bij hem aan de deur komen, maar soms was hij onderweg en dan sprak hij op een plek buiten af. [medeverdachte 1] herkent de verdachte op een foto als een van de dealers die hem drie of vier keer drugs heeft bezorgd, nadat [medeverdachte 1] bij [medeverdachte 3] drugs had besteld.\n\nVoor een enkelvoudige fotoconfrontatie geldt als uitgangspunt dat met een “herkenning” zeer behoedzaam moet worden omgegaan en dat een bewezenverklaring daarop niet in overwegende mate kan worden gebaseerd. In hetgeen de raadsman heeft aangevoerd kan geen aanknopingspunt worden gevonden om de resultaten van die fotoconfrontatie uit te sluiten van het bewijs. Daarbij betrekt het hof dat het resultaat van de enkelvoudige fotoconfrontatie niet op zichzelf staat. Immers, de overige bewijsmiddelen die zich in het dossier bevinden, ondersteunen niet alleen de enkelvoudige fotoconfrontatie in voldoende mate maar vormen voor het hof ook geen reden om aan de betrouwbaarheid van deze herkenning van de verdachte door [medeverdachte 1] te twijfelen.\n\nWat betreft de pleegplaats acht het hof bewezen dat de verkoop van drugs door de verdachte aan [medeverdachte 1] in Nederlandheeft plaatsgevonden, nu [medeverdachte 1] in zijn verklaring niet heeft gespecificeerd op welke locatie de verdachte de drugs heeft bezorgd. Het hof acht dan ook bewezen dat de verdachte (onder meer) aan [medeverdachte 1] cocaïne heeft verstrekt.\n\nFeit 2 (medeplegen beïnvloeding van getuigen)\n\nHet hof acht verder wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de periode van 9 juni 2020 tot en met 26 juni 2020 samen met een ander getuige [persoon 4] heeft beïnvloed en overweegt daartoe als volgt.\n\n [medeverdachte 3] is op 24 december 2020 veroordeeld door de rechtbank Amsterdam voor het samen met anderen beïnvloeden van getuigen. Ter terechtzitting van 11 december 2020 heeft hij verklaard aan ‘ [persoon 1] ’ te hebben gevraagd om getuigen, waaronder ‘ [getuige] ’, te benaderen om te proberen de ten laste gelegde handelsperiode korter te maken. Met [getuige] bedoelde [medeverdachte 3] . De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard ook wel [persoon 1] te worden genoemd.\n\nUit onderzoek blijkt dat de verdachte op 11 juni 2020 eenmaal contact heeft gehad met [medeverdachte 3] via het telefoonnummer eindigend op *1745, dat aan de verdachte wordt toegeschreven. Met het andere telefoonnummer dat aan de verdachte wordt toegeschreven, eindigend op *7380, heeft hij tussen 11 juni 2020 en 2 juli 2020 82 keer contact gehad met [medeverdachte 3] . Uit een tapgesprek in het dossier volgt verder dat de verdachte op 26 juni 2020 aan [medeverdachte 3] heeft laten weten dat hij onder meer tegen [getuige] had gezegd: ‘als je moet verklaren, zeg hen vanaf maart’. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij dit inderdaad tegen [medeverdachte 3] heeft gezegd, maar dat hij dit enkel heeft gedaan om [medeverdachte 3] zoet te houden en dat hij dit niet daadwerkelijk tegen [persoon 4] heeft gezegd. Gelet op de vele contactmomenten tussen de verdachte en [persoon 4] en gezien de rest van de stukken in het dossier, acht het hof deze verklaring echter onaannemelijk. Het hof gaat er daarom vanuit dat de verdachte in het tapgesprek de waarheid heeft gesproken tegen [medeverdachte 3] en acht dus bewezen dat de verdachte [persoon 4] heeft benaderd met het doel hem te laten verklaren over een kortere handelsperiode.\n\nHet hof zal de verdachte net als de rechtbank vrijspreken van het beïnvloeden van de overige ten laste gelegde personen, omdat niet kan worden bewezen dat zij door de verdachte zijn benaderd.\n\nFeit 3 (voorhanden hebben balletjespistool)\n\nTot slot acht het hof ook het voorhanden hebben van een balletjespistool wettig en overtuigend bewezen. In een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal heeft verbalisant [verbalisant] , taakaccenthouder wapens en munitie, vastgesteld dat het in beslag genomen balletjespistool een wapen in de zin van artikel 2, lid 1, categorie I onder 7° van de Wet wapens en munitie is. Het hof heeft geen reden om aan deze vaststelling te twijfelen. Dat aan de achterzijde van het balletjespistool een veer uitsteekt en de handgrepen van het pistool ontbreken, neemt niet weg dat het zodanig op een wapen lijkt, dat het voor bedreiging of afdreiging geschikt is.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n1. hij in de periode van 1 maart 2020 tot en met 9 juni 2020 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander meermalen telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt (onder meer aan: [persoon 1] en [persoon 2] en [persoon 3] en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ) en vervoerd een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne;\n\n2. hij in de periode van 9 juni 2020 tot en met 26 juni 2020 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk mondeling zich jegens [persoon 4] heeft geuit, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of (politie)ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl verdachte en zijn mededader wisten of ernstige reden hadden te vermoeden dat die verklaring zou worden afgelegd, immers heeft verdachte\n\n- contact met [persoon 4] gehad en\n\n- [persoon 4] geïnstrueerd welke verklaring hij moet afleggen en daarbij gezegd:\n\ndat [persoon 4] de (handels)periode waarover hij heeft verklaard en\u002Fof gaat verklaren aan moet passen (naar onder meer: ‘maart’), althans woorden van gelijke aard of strekking;\n\n3. hij op 3 juli 2020 te Amsterdam een wapen van categorie I onder 7°, te weten een zogenaamd balletjespistool, zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen en kleur een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen, voorhanden heeft gehad.\n\nHetgeen onder 1, 2 en 3 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.\n\nHet bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nGeen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.\n\nHet onder 1 bewezen verklaarde levert op:\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.\n\nHet onder 2 bewezen verklaarde levert op:\n\nmedeplegen van opzettelijk mondeling zich jegens een persoon uiten, kennelijk om diens vrijheid om een verklaring naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat die verklaring zal worden afgelegd.\n\nHet onder 3 bewezen verklaarde levert op:\n\nhandelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde uitsluit.\n\nOplegging van straf\n\nDe rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.\n\nDe advocaat-generaal heeft, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2, en 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.\n\nDe raadsman heeft verzocht om in lijn met de eis van de officier van justitie in eerste aanleg een taakstraf op te leggen en rekening te houden met de forse overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.\n\nHet hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.\n\nDe verdachte heeft zich samen met een ander gedurende ruim drie maanden schuldig gemaakt aan de handel in cocaïne. Cocaïne is zeer verslavend en vormt daarom een groot risico voor de gezondheid van de gebruikers. De handel in cocaïne en het gebruik daarvan leiden ook tot vele andere vormen van criminaliteit en vormen daarmee een bron van maatschappelijke schade en overlast. De verdachte heeft met zijn handelen hieraan bijgedragen en enkel oog gehad voor zijn eigen financieel gewin. Daarnaast heeft de verdachte samen met een ander geprobeerd een getuige te beïnvloeden. Dat burgers in vrijheid een verklaring kunnen afleggen, is van cruciaal belang voor een goede rechtspleging. Door hun handelen hebben verdachte en zijn mededader die rechtspleging trachten te frustreren. Verder heeft de verdachte een op een vuurwapen gelijkend balletjespistool voorhanden gehad. Ook nepwapens dragen bij aan een gevoel van onveiligheid in de samenleving. Het voorhanden hebben van een dergelijk wapen is dan ook zeer kwalijk.\n\nBlijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 28 mei 2026 was de verdachte ten tijde van de onderhavige feiten niet eerder voor soortgelijke feiten veroordeeld. Het hof constateert dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Na de onderhavige bewezen verklaarde feiten heeft de verdachte namelijk in meerdere andere zaken een straf opgelegd gekregen. Het hof houdt daarmee in strafmatigende zin rekening.\n\nHet hof heeft verder acht geslagen op het reclasseringsrapport van 3 januari 2022. In dit rapport gunt de reclassering de verdachte het voordeel van de twijfel en adviseert om geen reclasseringstoezicht met bijzondere voorwaarden op te leggen.\n\nHet dossier bevat geen recent reclasseringsrapport. Wel heeft de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep de actuele persoonlijke omstandigheden van de verdachte toegelicht. De situatie van de verdachte is niet verbeterd. Hij kampt met een hardnekkige verslaving en komt daardoor nog af en toe met politie en justitie in aanmerking. De recente veroordelingen en openstaande zaken op zijn strafblad hebben allemaal te maken met zijn verslaving. Hij heeft momenteel geen baan.\n\nBij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf heeft het hof rekening gehouden met straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). In het oriëntatiepunt voor het dealen van harddrugs vanuit een pand en\u002Fof op straat met een handelsperiode tussen de 1 en 3 maanden wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden genoemd. Voor het voorhanden hebben van een wapen van categorie I onder 7° wordt in de oriëntatiepunten een geldboete van € 650,00 genoemd. Voor het beïnvloeden van getuigen is geen oriëntatiepunt beschikbaar.\n\nDe ernst van de feiten en de nieuwe verdenkingen op het strafblad van de verdachte maken dat naar het oordeel van het hof niet kan worden volstaan met de door de raadsman verzochte taakstraf. Het hof acht dan ook, gelet op het voorgaande, in beginsel de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf van 7 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, passend en geboden. Het hof zal het onvoorwaardelijke deel van deze straf echter matigen, omdat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), in hoger beroep in forse mate is overschreden. De verdachte heeft namelijk op 27 januari 2022 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst op 2 juli 2026 arrest. Daarmee is de redelijke termijn in hoger beroep met ruim twee jaar overschreden.\n\nHet hof acht, alles afwegende, de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden.\n\nBeslag\n\nOnder de verdachte zijn een telefoon en meerdere kledingstukken in beslag genomen. De rechtbank heeft de telefoon verbeurd verklaard en ten aanzien van de kledingstukken de teruggave aan de verdachte gelast.\n\nDe advocaat-generaal heeft het hof bericht dat – hoewel de telefoon onder de verdachte in beslag is genomen – deze telefoon volgens de afdeling Beslag bij het arrondissementsparket Amsterdam reeds aan de medeverdachte [medeverdachte 3] is teruggegeven. Om die reden acht de advocaat-generaal verbeurdverklaring van de telefoon niet langer opportuun en dient de teruggave daarvan aan de verdachte te worden gelast. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de onder de verdachte in beslag genomen kledingstukken, die zijn weergegeven in de ter zitting overgelegde aantekeningen van de advocaat-generaal, worden teruggegeven aan de verdachte.\n\nDe raadsman heeft zich ten aanzien van het beslag gerefereerd aan het oordeel van het hof.\n\nHet hof overweegt als volgt. Hoewel de onder de verdachte in beslag genomen telefoon vatbaar is voor verbeurdverklaring, zal het hof de teruggave hiervan aan de verdachte gelasten, gelet op het hiervoor weergegeven standpunt van de advocaat-generaal. Daarnaast zal het hof de teruggave aan de verdachte gelasten van de onder hem in beslag genomen kledingstukken.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 57, 63 en 285a van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van6 (zes) maanden.\n\nBepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nGelast de teruggaveaan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:\n\n STK GSM (Omschrijving: [nummer 1] , Samsung [kenteken] , merk: Zwart, chassisnr: beschadiging op schr)\n\nBroek (Omschrijving: met witte accenten aan achterzijde; Voorwerpnummer: [nummer 2] )\n\nBroek (Voorwerpnummer: [nummer 3] )\n\nBroek (Omschrijving: lichtgrijze broek met cartoon op achterzijde; Voorwerpnummer: [nummer 4] )\n\nBroek (Voorwerpnummer: [nummer 5] )\n\nBroek (Voorwerpnummer: [nummer 6] )\n\nBroek (Omschrijving: met zwarte accenten en scheuren aan de voorzijde; Voorwerpnummer: [nummer 7] )\n\nTrui (Voorwerpnummer: [nummer 8] )\n\nJas (Voorwerpnummer: [nummer 9] )\n\nZonnebril (Omschrijving: in koker; Voorwerpnummer: [nummer 10] )\n\nZonnebril (Omschrijving: met hoesje; Voorwerpnummer: [nummer 11] )\n\nPet (Omschrijving: voorzijde voorzien van logo, voorzijde camouflage kleuren; Voorwerpnummer: [nummer 12] )\n\nSchoudertas (Omschrijving: zwart; Voorwerpnummer: [nummer 13] )\n\nSchoudertas (Omschrijving: stoffen; Voorwerpnummer: [nummer 14] )\n\nSchoudertas (Voorwerpnummer: [nummer 15] )\n\nBroek (Omschrijving: zwembroek; Voorwerpnummer: [nummer 16] )\n\nShirt (Voorwerpnummer: [nummer 17] )\n\nShirt (Voorwerpnummer: [nummer 18] )\n\nShirt (Voorwerpnummer: [nummer 19] )\n\nShirt (Voorwerpnummer: [nummer 20] )\n\nShirt (Voorwerpnummer: [nummer 21] )\n\nShirt (Omschrijving: polo; Voorwerpnummer: [nummer 22] )\n\nShirt (Voorwerpnummer: [nummer 23] ).\n\nDit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.R.A. Meerbeek, mr. P. Greve en mr. N.C. Laatsch, in tegenwoordigheid van mr. I.A. de Bruijne, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 2 juli 2026.\n\nDe jongste en oudste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.\n\n=========================================================================\n\n […]","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1856","2026-07-13T00:29:13.584Z",{"id":141,"ecli":142,"slug":143,"caseNumber":44,"courtId":144,"decisionDate":136,"fullText":145,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":146,"sourceTimestamp":136,"parsedAt":51,"updatedAt":147},"1607","ECLI:NL:RBGEL:2026:5217","ecli-nl-rbgel-2026-5217",68,"RECHTBANK GELDERLAND\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Zutphen\n\nParketnummer: 05\u002F229359-25\n\nDatum uitspraak : 2 juli 2026\n\nTegenspraak\n\nvonnis van de meervoudige kamer\n\nin de zaak van\n\nde officier van justitie\n\ntegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedag] 1995 in [geboorteplaats] ,\n\nwonende aan [adres] in [woonplaats] .\n\nRaadsman: mr. J. van Wijk, advocaat in Eindhoven.\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 26 januari 2026 en 18 juni 2026.\n\n1. De inhoud van de tenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nhij op of omstreeks 29 augustus 2025 te Hattem, althans in Nederland, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer 200 kilogram, in elk geval een hoeveelheid hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 29 augustus 2025 te Hattem, althans in Nederland, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 200 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.\n\n2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde, te weten het binnen het grondgebied van Nederland brengen van 200 kilogram hennep.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat sprake is van détournement de pouvoir, omdat de politie bestuursrechtelijke controlebevoegdheden uitsluitend heeft gebruikt voor het verrichten van opsporingshandelingen. De raadsman heeft – kort en zakelijk weergegeven – bepleit dat dit een onherstelbaar vormverzuim oplevert en dat dit moet leiden tot uitsluiting van het bewijs dat ziet op het tenlastegelegde, gelet op het belang van het geschonden voorschrift en omdat dergelijke schendingen bij herhaling voorkomen. De raadsman heeft zich in dit verband subsidiair op het standpunt gesteld dat het vormverzuim moet leiden tot strafvermindering, waarbij hij heeft gewezen op een zaak waarin vanwege het vormverzuim artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) werd toegepast.\n\nDe raadsman heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde, omdat verdachte op verzoek van een ander het voertuig met daarin hennep in de buurt van Zwolle heeft opgehaald en dus niet binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht. De raadsman heeft zich in het verlengde hiervan meer subsidiair op het standpunt gesteld dat verdachte geen wetenschap had van ofwel opzet had op de aanwezigheid van hennep in de bus en ook om die reden vrijgesproken dient te worden.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nIn verband met de leesbaarheid van dit vonnis zal de rechtbank eerst de feiten en omstandigheden bespreken die hebben geleid tot het onderzoek aan de laadruimte van het voertuig dat verdachte bestuurde, waarna zij zal bespreken of sprake is van détournement de pouvoir en daarmee een onherstelbaar vormverzuim dat moet leiden tot bewijsuitsluiting of strafvermindering.\n\nOp 29 augustus 2025 kwam in de ochtend een melding van het ANPR-systeem binnen waaruit bleek dat een Ford Transit met kenteken [kenteken] over de A28 ter hoogte van Lankhorst reed. Deze Ford Transit was blijkens het ANPR-systeem eerder die ochtend om 8.29 uur op de A37 bij de grensovergang met Duitsland Nederland binnengekomen. Dit voertuig was met toestemming van een officier van justitie in het ANPR-systeem geplaatst met als doel dit voertuig te controleren in verband met ondermijnende criminaliteit. Verbalisanten zagen dit voertuig om. 9.19 uur vanaf de A28 ter hoogte van Zwolle de A50 oprijden.Dat is 50 minuten na de ANPR-hit. Volgens Google-Maps is de afgelegde afstand tussen de plek van de ANPR-hit en de plek waar het voertuig de A50 op reed, te rijden in 53 minuten.\n\nDe verbalisanten hebben beschreven dat bovenvermeld voertuig uitsluitend werd gebruikt voor het vervoer van goederen, zoals bedoeld in artikel 1.1 Wet wegvervoer goederen (hierna: Wwg). Eén van de verbalisanten zag dat de vering van het voertuig was ingezakt en daaruit maakte hij op dat het voertuig geladen was. Zij hielden het voertuig vervolgens in Hattem stil met als doel te onderzoeken of er voor het vervoer een vergunning dan wel een vrachtbrief vereist was. Deze verbalisant vroeg de bestuurder (verdachte) of het voertuig geladen was en daarop vertelde verdachte dat er spullen achterin lagen. Verdachte wilde verder geen antwoord meer geven op de vraag wat voor lading hij vervoerde en zei alleen maar “dan kan ik wel direct met jullie mee.” Vervolgens stapte verdachte uit en openden verbalisanten de laadruimte. Bij het openen van de laadruimte roken verbalisanten een henneplucht en zagen zij grote gesealde zakken in die ruimte liggen.\n\nDaarop stopten verbalisanten het onderzoek in het kader van de Wwg in samenhang met de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), deelden verdachte mee dat nu sprake was van verdenking van een strafbaar feit en doorzochten zij het voertuig op grond van artikel 96b van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).\n\nGeen vormverzuim\n\nDe rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of hier sprake is van détournement de pouvoir. Daarvan zou sprake kunnen zijn als verbalisanten controlebevoegdheden uitsluitend inzetten ten behoeve van opsporing.\n\nOp grond van artikel 5.1 van de Wwg jo. artikel 141 Sv en artikel 5:11 Awb zijn (onder meer) politieambtenaren als toezichthouder belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Wwg. In dit verband is de politieambtenaar als toezichthouder op grond van artikel 5:19 Awb bevoegd vervoermiddelen, waarmee naar zijn redelijk oordeel zaken worden vervoerd met betrekking waartoe hij een toezichthoudende taak heeft, op hun lading te onderzoeken.\n\nDe vaststelling dat sprake was van een voertuig dat enkel gebruikt werd voor het vervoer van goederen en dat blijkens de ingezakte vering kennelijk was geladen, bracht mee dat de politieambtenaren bevoegd waren ter controle op de naleving van de Wwg, in het bijzonder van het bepaalde in artikel 2.13 van die wet, na te gaan of sprake was van beroepsvervoer waarvoor een vrachtbrief of vergunning vereist was. In dat kader mochten de politieambtenaren het voertuig stilhouden en de lading aan een controle onderwerpen. Niet is gebleken of aannemelijk geworden dat de politieambtenaren de uitoefening van deze controlebevoegdheden op grond van de AWB en Wwg in de concrete bovenvermelde omstandigheden uitsluitend hebben aangewend met het oog op de opsporing in de zin van artikel 132a Sv. Van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv is dus geen sprake. Dat dit voertuig in juni 2025 naar voren kwam in een onderzoek naar vermoedelijke overtreding van de Opiumwet maakt dat niet anders. Ten eerste niet omdat niet aannemelijk is geworden dat deze informatie bekend was bij de verbalisanten die het voertuig controleerden. En ten tweede niet omdat dan nog steeds zou gelden dat de controlebevoegdheid die er was, niet uitsluitend is gebruikt met het oog op de opsporing. Er waren immers feiten en omstandigheden op grond waarvan de verbalisanten het voertuig mochten controleren. Omdat naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van een vormverzuim gaat zij niet over tot bewijsuitsluiting ofwel strafvermindering. Dit betekent dat de rechtbank de verweren van de raadsman die hierop zien verwerpt.\n\nBij doorzoeking van de laadruimte van het voertuig werden negen gevulde strijkzakken gevonden.In één zak zat een scheur en verbalisant herkende de inhoud op basis van de geur en uiterlijke kenmerken als zijnde hennep. Uit deze zak werd een monster genomen dat indicatief werd getest. Deze test gaf een indicatie voor de aanwezigheid van THC. Een verbalisant, opgeleid om verdovende middelen te onderzoeken, herkende de inhoud van de overige acht zakken op basis van de geur en uiterlijke kenmerken als zijnde hennep.De verbalisanten die de hennep vervoerden naar de plaats waar het vernietigd zou worden hebben voorafgaand aan het uitladen hun auto op een geijkte weegbrug gewogen. De inbeslaggenomen hennep werd vervolgens uitgeladen. De auto van verbalisanten werd vervolgens weer gewogen en na geijkte weging bleek dat de inbeslaggenomen strijkzakken met hennep in totaal 200 kilo wogen.\n\nDe rechtbank stelt op basis van bovenvermelde bewijsmiddelen vast dat in de laadruimte van het voertuig, waarvan verdachte de bestuurder en tevens enig inzittende was, 200 kilo hennep lag.\n\nVerdachte heeft op zitting voor het eerst een verklaring afgelegd over het tenlastegelegde. Verdachte heeft verklaard dat hij op 29 augustus 2025 door een vriend werd gevraagd om in de buurt van Zwolle een busje op te halen en naar Den Bosch te brengen. Hij wist niet dat er hennep in het busje lag. Verdachte wist ook niet waarom het busje opgehaald moest worden, heeft daar ook op geen enkel moment vragen over gesteld en wil niet verklaren welke vriend hem dat destijds heeft gevraagd te doen. Ook wil verdachte niet verklaren waar het busje precies heen gebracht moest worden. Verdachte heeft verder verklaard dat hij met een vriend van die vriend in de auto naar een parkeerplaats of tankstation in de buurt van Zwolle reed, hij weet niet precies waar, en vervolgens op die parkeerplaats of bij dat tankstation in het desbetreffende busje is overgestapt. Hij stapte in het busje, waarvan de sleutel nog in het contact zat, reed weg en werd kort daarna door de politie van de weg gehaald.\n\nDe verklaring van verdachte die inhoudt dat hij niets wist van de hennep en dat iemand anders het busje vanuit Duitsland Nederland in heeft gereden en dat verdachte pas is ingestapt in Zwolle, staat op zichzelf en wordt niet ondersteund door objectieve gegevens uit het dossier of anderszins. Uit de gegevens van Google Maps blijkt bijvoorbeeld ook niet dat het busje langer over de route heeft gedaan dan gebruikelijk. Omdat verdachte verder niets wil verklaren over wie hem dat zou hebben gevraagd te doen en waarom, is zijn verklaring daarnaast nauwelijks concreet en niet verifieerbaar. Feitelijk verklaart verdachte alleen dat hij voor iemand anders reed en blijft verder ieder detail achterwege. Bovendien wordt deze verklaring weersproken door het feit dat verdachte – voordat de laadruimte door de politie was geopend en hij uit de auto was gestapt – niet wilde antwoorden op de vraag wat voor lading hij vervoerde maar zei “dan kan ik wel direct met jullie mee.” Daaruit leidt de rechtbank af dat verdachte heel goed wist wat hij vervoerde.\n\nAlles afwegende staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat verdachte, als bestuurder en tevens enig inzittende van het voertuig, beschikkingsmacht en wetenschap van de lading in zijn voertuig heeft gehad en dat hij opzettelijk 200 kilo hennep binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht.\n\n3. De bewezenverklaring\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:\n\nhij op of omstreeks29 augustus 2025 te Hattem, althans in Nederland,opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer200 kilogram, in elk geval een hoeveelheidhennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II., dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\nWat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.\n\nVerdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\nopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.\n\n5. De strafbaarheid van het feit\n\nHet feit is strafbaar.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte\n\nVerdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.\n\n7. De overwegingen ten aanzien van straf en\u002Fof maatregel\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft bepleit dat bij de bepaling van de strafmaat aansluiting moet worden gezocht bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (hierna: LOVS), aangaande de straffen die doorgaans worden opgelegd voor het kweken van 500 hennepplanten. Daar wordt uitgegaan van taakstraffen. Verdachte had namelijk strijkzakken met volledige planten onder zich. De raadsman heeft verder gesteld dat het niet redelijk is om bij de strafbepaling uit te gaan van het brutogewicht van de planten, omdat ze vochtig waren.\n\nDe beoordeling door de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.\n\nVerdachte heeft een grote hoeveelheid hennep vanuit het buitenland binnen het Nederlandse grondgebied gebracht. De bijdrage van de verdachte aan de invoer van softdrugs houdt de illegale handel in deze drugs in stand en veroorzaakt bovendien allerlei maatschappelijk ongewenste effecten. Het is algemeen bekend dat de verspreiding van deze grote hoeveelheden en de organisatie daaromheen leiden tot zeer grote nadelige gevolgen voor de volksgezondheid en voor de maatschappij, zoals zware criminaliteit en ondermijning van de samenleving. De verdachte heeft zich van dit alles geen rekenschap gegeven en heeft met zijn strafbare handelen – naar mag worden aangenomen – uitsluitend met het oog op persoonlijk financieel gewin de instandhouding van het criminele drugscircuit bevorderd.\n\nUit het strafblad van verdachte volgt dat hij in 2022 in België is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar vanwege de vervaardiging of productie van verdovende middelen. Oplegging van deze straf heeft verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw een ernstig drugsdelict te plegen.\n\nUit het reclasseringsadvies volgt dat de reclassering gelet op de bovenvermelde veroordeling een patroon in het plegen van drugsdelicten ziet. Zij schatten het risico op herhaling in als hoog, onder meer omdat verdachte blijkbaar niet heeft geleerd van de eerdere veroordeling. Omdat de reclassering geen contact met verdachte kreeg, is hen niets bekend over de verschillende leefgebieden van verdachte. Het opstellen van een plan van aanpak voor begeleiding of gedragsinterventie was daardoor niet mogelijk. Verdachte heeft ter zitting aangegeven geen behoefte te hebben aan reclasseringsbemoeienis, omdat hij zijn leven op orde heeft.\n\nAnders dan de raadsman ziet de rechtbank geen aanleiding aansluiting te zoeken bij de oriëntatiepunten van het LOVS voor het kweken van 500 hennepplanten, omdat nergens uit blijkt dat het in deze zaak ging om 500 planten en het bovendien gaat om een ander feit. In de oriëntatiepunten voor het aanwezig hebben van 25 tot 250 kilo softdrugs wordt uitgegaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden. In deze zaak heeft verdachte niet enkel een grote hoeveelheid hennep aanwezig gehad, maar deze hennep vanuit het buitenland ingevoerd. Bovendien is verdachte eerder veroordeeld voor een soortgelijk feit. Bij het bepalen van de strafmaat zal de rechtbank er rekening mee houden dat het in deze zaak gaat om een brutogewicht van vochtige hennep, terwijl vochtige hennep doorgaans vier keer zo zwaar is als droge hennep. Zij zal daarom uitgaan van het droge gewicht van deze hennep.\n\nAlles overwegende acht de rechtbank oplegging van een taakstraf en\u002Fof een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte niet passend, omdat het geen recht doet aan de ernst van het feit. De rechtbank is van oordeel dat de aard en ernst van het feit, in het bijzonder dat het gaat om invoer, in combinatie met het gegeven dat sprake is van recidive, tot gevolg moet hebben dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte wordt opgelegd. De rechtbank zal daarom een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden opleggen. Oplegging van een hogere gevangenisstraf, zoals door de officier van justitie gevorderd, acht de rechtbank niet passend gelet op straffen die doorgaans in vergelijkbare zaken worden opgelegd.\n\nTenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\n8. De toegepaste wettelijke bepalingen\n\nDe oplegging van de straf is gegrond op de artikelen:\n\n- 63 van het Wetboek van Strafrecht;\n\n- 3 en 11 van de Opiumwet.\n\n9. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;\n\n verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;\n\n verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;\n\n verklaart verdachte hiervoor strafbaar;\n\n veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. C.J.M. Vijftigschild (voorzitter), mr. S.C.A.M. Janssen en mr. R.M. Schoo, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Hessel, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 juli 2026.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de Landelijke Eenheid van de politie, team infrastructuur, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025415671, gesloten op 2 september 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 30-32.\n\n Afzonderlijk proces-verbaal van bevindingen PL0600-2025415671-22, p. 2\n\n Proces-verbaal van aanhouding verdachte, p. 39.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 31.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 6-7, gelezen in onderlinge samenhang met het bijschrift bij de fotobijlage op p. 9 en het proces-verbaal van bevindingen, p. 18-20.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 34.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5217","2026-07-13T00:29:29.352Z",{"id":149,"ecli":150,"slug":151,"caseNumber":44,"courtId":105,"decisionDate":152,"fullText":153,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":154,"sourceTimestamp":136,"parsedAt":51,"updatedAt":155},"837","ECLI:NL:RBNNE:2026:2590","ecli-nl-rbnne-2026-2590","2026-06-30T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: LEE 26\u002F1957\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 juni 2026 in de zaak tussen\n [verzoeker en verzoeksters uit plaats]\n\n(gemachtigde: mr. J.A.J. Brahm)\n\nen\n\nde burgemeester van Stadskanaal\n\n(gemachtigde: mr. H.C. Krul)\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel:\n\nStichting Lefierstatutair gevestigd te Midden-Groningen, de woningbouwstichting\n\n(gemachtigde: [naam ] en mr. S. Bosma)\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de sluiting van de woning plaatselijk bekend [adres] (de woning). Verzoekster heeft die woning gehuurd van de woningbouwstichting. Bij besluit van 26 mei 2026 heeft de burgemeester verzoekers gelast de woning aan [adres] en de daarbij behorende ruimten en voorzieningen te sluiten en gesloten te houden voor de duur van drie maanden. De sluiting gaat in op 29 mei 2026 om 10.00 uur en duurt tot 29 augustus 2026 om 10.00 uur. Verzoekers zijn het daar niet mee eens. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening en voeren daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen.\n\n1.1.. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 26 mei 2026 heeft de burgemeester de woning gesloten. Daaraan is ten grondslag gelegd dat in en bij de woning middelen als bedoeld in de Opiumwet aanwezig waren. Het gaat om 0,98 gram 4-CMC, 0,48 gram 2-MMC, 3,57 gram 2-MMC en 2,14 gram hasjiesj. De totale hoeveelheid aangetroffen harddrugs\u002Flijst I- en lijst IA-middelen bedraagt daarmee 5,03 gram, volgens de burgemeester. Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het sluitingsbevel en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n2.1.. De burgemeester heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. De woningbouwstichting heeft ook schriftelijk gereageerd.\n\n2.2.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 24 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekers, de gemachtigde van de burgemeester en de gemachtigde van de woningbouwstichting.\n\n2.3.. Bij e-mailbericht van 24 juni 2026 heeft de gemachtigde van verzoekers, op verzoek van de voorzieningenrechter, haar pleitnotitie ingediend.\n\n2.4.. Bij e-mailbericht van 24 juni 2026 heeft de gemachtigde van verweerder, op verzoek van de voorzieningenrechter, het proces-verbaal van bevindingen van bijzonder opsporings ambtenaar [verbalisant] ingediend. Dat proces-verbaal is door [verbalisant] gesloten en ondertekend op 23 juni 2026.\n\nHet verzoek om een voorlopige voorziening\n\n3. [verzoeker] en [verzoekster] hebben de voorzieningenrechter primair verzocht om onverwijld een voorlopige voorziening treffen, inhoudende dat het bestreden besluit met onmiddellijke ingang wordt geschorst, zodat de woning niet zal worden gesloten voordat dat besluit onherroepelijk is of is beslist op het bezwaar of een door de voorzieningenrechter bepaalde datum is bereikt, met veroordeling van de gemeente in de kosten die [verzoeker] en [verzoekster] in verband met de behandeling van dit verzoek redelijkerwijs hebben moeten maken. Subsidiair hebben zij verzocht een zodanige voorlopige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n4. De voorzieningenrechter geeft een voorlopig rechtmatigheidsoordeel over het besluit van 26 mei 2026.\n\nHeeft [verzoeker] een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening?\n\n5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [verzoeker] geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. Dat licht hij toe.\n\n5.1.. \n\nDe voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Vast staat dat [verzoeker] , anders dan [verzoekster] , geen huurovereenkomst heeft met de derde-partij. Verder is tussen partijen niet in geschil dat [verzoeker] momenteel gedetineerd is. De sluiting van de woning duurt drie maanden. Naar verwachting zal de detentie langer duren dan drie maanden, omdat uit de bestuurlijke rapportage gedateerd 10 maart 2026 is op te maken dat de detentieperiode negen maanden zal duren, gerekend vanaf februari 2026. Daaruit volgt dat [verzoeker] geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening.\n\nDe voorzieningenrechter zal hieraan geen conclusie verbinden, omdat er geen twijfel bestaat over het spoedeisend belang van [verzoekster] . Het verzoek om een voorlopige voorziening zal daarom inhoudelijk worden beoordeeld.\n\nIs het bestreden besluit zorgvuldig voorbereid?\n\n6. Verzoekers betogen dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid. Volgens hen was het volledige dossier niet beschikbaar op het moment dat de zienswijze naar voren kon worden gebracht. Zij verbinden hieraan de conclusie dat de burgemeester heeft gehandeld in strijd met artikel 3:2 van de Awb, artikel 4:8 van de Awb en het fundamentele beginsel van hoor- en wederhoor.\n\n6.1.. \n\nDe voorzieningenrechter laat in het midden of de burgemeester heeft gehandeld in strijd met de door verzoekers genoemde bepalingen, omdat die gebreken niet dusdanig zijn dat daarin aanleiding is gelegen om een voorlopige voorziening te treffen. Bovendien geldt dat een eventueel gebrek kan worden hersteld in de bezwaarfase.\n\nDe voorzieningenrechter betrekt daarbij dat, zoals inmiddels is gebleken uit de NFI rapportage, tussen partijen niet in geschil is dat er 5,03 gram is aangetroffen van middelen die op lijst I en lijst IA van de Opiumwet staan.\n\nWas de burgemeester bevoegd de woning te sluiten?\n\n7. Niet in geschil is dat de volgende middelen zijn aangetroffen:\n\n0,48 gram van een kristalachtig poeder, dat 2-MMC bevat (2methylmethcathinon);\n\n3,57 gram van een kristalachtig poeder en een brokvormige substantie die 2-MMC bevat (2methylmethcathinon);\n\n0,98 gram van een brokvormige witte substantie, dat 4-CMC bevat (clefedron).\n\n2-MMC valt onder lijst IA van de Opiumwet onder de stofgroep ‘Substanties die zijn afgeleid van 2-fenethylamine’. 4-CMC is vermeld op lijst I van de Opiumwet. Omdat het hier gaat om een hoeveelheid aan harddrugs die de als voor eigen gebruik bestemde maximumhoeveelheid van 0,5 g overschrijdt, mocht de burgemeester in beginsel aannemelijk achten dat het hier gaat om harddrugs die bestemd waren voor verkoop, aflevering of verstrekking. Hij was daarom bevoegd om de woning te sluiten.\n\n8. Tussen partijen is niet in geschil dat de burgemeester bij het nemen van het bestreden besluit heeft gehandeld conform de “Beleidsregels sluiting en heropening panden\u002Fwoningen Stadskanaal 2025”.\n\nWas de sluiting van de woning noodzakelijk?\n\n9. Verzoekers voeren aan dat van daadwerkelijke handel vanuit de woning niet is gebleken, dat van concrete overdrachten niet is gebleken, noch van structurele aanloop of overlast. Volgens hen heeft de burgemeester volstaan met een verwijzing naar algemene wijkproblematiek, antecedenten en niet-verstrekte informatie.\n\n9.1.. De burgemeester stelt zich op het standpunt dat de politie naar aanleiding van meldingen de woning heeft betreden. Bij het betreden van de woning werden harddrugs en weegschaaltjes aangetroffen. Volgens de burgemeester is het hiermee aannemelijk dat de meldingen over drugshandel inderdaad kloppen. Verzoekers hebben verklaard dat er geen harddrugs in de woning aanwezig was, toch is er vijf gram aangetroffen. Daarnaast heeft hij in het bestreden besluit erop gewezen dat uit (pagina 2 van) de bestuurlijke rapportage volgt dat [adres] in de wijk [wijk] ligt en dat deze omgeving bij de politie bekend staat als sociaal kwetsbaar, met problematiek gerelateerd aan verdovende middelen en alcohol. In de rapportage is vermeld dat de politie in de periode december 2024 tot december 2025 in totaal 373 keer is ingezet voor incidenten in de wijk [wijk] en dat in de afgelopen twee jaar 302 incidenten aan [adres] zijn geregistreerd. Volgens de politie blijkt hieruit dat een groot deel van de incidenten in de wijk [wijk] zich afspeelt aan [adres] en dat [adres] een van de meest kwetsbare straten in de gemeente Stadskanaal is.\n\n9.2.. Naar voorlopig oordeel heeft de burgemeester voldoende aannemelijk gemaakt dat de sluiting van de woning noodzakelijk was, gelet op de aangetroffen harddrugs, de weegschaaltjes en de kwetsbaarheid van [adres], blijkend uit de cijfers over politie-inzet in de wijk [wijk] in de periode december 2024 tot december 2025. Daarbij wordt nog gewezen op de MMA meldingen, de overlastmeldingen van woningstichting Lefier en de rapportage van de BOA’s.\n\nWas de sluiting van de woning geschikt?\n\n10. De voorzieningenrechter stelt vast dat de gronden van het verzoekschrift noch hetgeen ter zitting is aangevoerd aanleiding geeft om de geschiktheid van de sluiting van de woning te toetsen.\n\nWas de sluiting van de woning evenwichtig?\n\n11. Verzoekers voeren aan dat hun belangen groot zijn. Zij hebben verwezen naar artikel 8 van het EVRM. Volgens hen is niet gebleken van een acute verstoring van de openbare orde die onmiddellijke sluiting van de woning noodzakelijk maakt. Daarnaast verliezen verzoekers gedurende drie maanden hun woning.\n\n11.1.. De burgemeester stelt zich op het standpunt dat verzoekers niet aanvoeren om welke reden de sluiting van hun woning hen onevenredig zwaar raakt. Indien zij hulp nodig hebben om vervangende woonruimte te krijgen, dan kan de burgemeester daar samen met hulpverlenende organisaties in ondersteunen. Echter, de burgemeester heeft hiervan geen verzoek ontvangen.\n\n11.2.. Naar voorlopig oordeel is de sluiting van de woning niet onevenwichtig. Niet is gebleken van een bijzondere binding van verzoekers met de woning. De voorzieningenrechter betrekt daarbij dat de woningbouwvereniging ter zitting naar voren heeft gebracht dat zij aanleiding heeft gezien de huurovereenkomst met verzoekster buitengerechtelijk te ontbinden. Bij de kantonrechter zal worden gevraagd om ontruiming van de woning. Als het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen, dan gaat de ontruiming door. De woningbouwvereniging voert een zero tolerance-beleid ten aanzien van een overtreding van de Opiumwet zoals hier aan de orde. Zo nodig zal daarom worden gevraagd om een ontbinding door tussenkomst van de burgerlijke rechter, aldus de woningbouwvereniging.\n\n12. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen, omdat het naar voorlopig oordeel geen redelijke kans van slagen heeft.Beslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.H. ter Beek, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2590","2026-07-13T00:28:50.441Z",{"id":157,"ecli":158,"slug":159,"caseNumber":44,"courtId":74,"decisionDate":152,"fullText":160,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":161,"sourceTimestamp":152,"parsedAt":51,"updatedAt":162},"966","ECLI:NL:RBZWB:2026:5779","ecli-nl-rbzwb-2026-5779","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: BRE 26\u002F2970 OPIUMW VV\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 juni 2026 in de zaak tussen\n [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker\n\n(gemachtigde: mr. M. Raaijmakers),\n\nen\n\nde burgemeester van de gemeente Zundert.\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: Stichting Thuisvester uit Oosterhout (de woningstichting).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de sluiting van de woning van verzoeker aan de [adres] te [woonplaats] (de woning) voor de duur van drie maanden op grond van de Opiumwet. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.\n\n1.1.. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe en schorst het bestreden besluit tot twee weken na de door de burgemeester te nemen beslissing op bezwaar. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\nProcesverloop\n\n2. Met het besluit van 20 mei 2026 (bestreden besluit) heeft de burgemeester verzoeker op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet gelast om de woning per 2 juni 2026 te sluiten en gesloten te houden voor een periode van drie maanden. De woning is op die datum gesloten. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningen-rechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n2.1.. De burgemeester heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.2.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 23 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, vergezeld door zijn begeleider [persoon] ( [zorgorganisatie] ) en bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. M.M.A.J. Braspenning, mr. N. Kajdiç en [gemachtigde 1] namens de burgemeester en [gemachtigde 2] en mr. S. van den Elshout namens de woningstichting.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\nWat zijn de feiten?\n\n3. Verzoeker is huurder van de bovenwoning, waar hij alleen woont. De woningstichting is eigenaar van de woning.\n\n3.1.. Uit een bestuurlijke rapportage van de politie van 20 maart 2026 blijkt dat de politie voorafgaand aan het binnentreden van de woning een persoon die verdacht wordt van de handel in verdovende middelen (verdachte 2) regelmatig de woning van verzoeker zag betreden. Ook zou door een (anonieme) getuige zijn gezien dat er veel aanloop was bij de woning en er meerdere overdrachten van verdovende middelen plaatsvonden. Nadat uit eerder onderzoek bleek dat er mogelijk een grote hoeveelheid verdovende middelen zou worden opgeslagen en verhandeld in de woning, is de politie op 14 januari 2026 de woning binnengetreden. Vrijwel gelijk na het betreden van de woning werd een tas met een grote hoeveelheid verdovende middelen aangetroffen. Bij de doorzoeking van de woning werd het volgende aangetroffen:\n\n- 595 gram 2-Methylmethcathinone (2-MMC)\n\n- 362 gram Cocaïne\n\n- 1 liter Gamma-hydroxyboterzuur (GHB)\n\n- airsoftwapen\n\n- 95 gram hash\n\n- groot aantal plastic gripzakjes ten behoeve van het verpakken naar handelshoeveelheden\n\n- groot aantal wikkels ten behoeve van het verpakken van Cocaïne\n\n- jerrycan 5 liter aceton\n\n- diverse weegschalen met witte poederresten\n\n- diverse vacumeermachines en zakken\n\n- blenders\u002Fvermalers met witte poederresten\n\n- diverse chemicaliën ten behoeve van de productie van GHB.\n\nDe genoemde drugs zijn indicatief getest. Verzoeker en verdachte 2 waren in de woning aanwezig en werden als verdachten aangehouden. Verzoeker is verslaafd aan GHB en leeft van een uitkering. Hij heeft verklaard dat hij zijn woning al enkele maanden ter beschikking stelt aan verdachte 2 tegen een kleine vergoeding, zodat hij zijn verdovende middelen kan opslaan, verpakken en verhandelen.\n\n3.2.. De burgemeester heeft bij brieven van 6 mei 2026 haar voornemen kenbaar gemaakt aan verzoeker en de woningstichting om de woning te sluiten voor de duur van drie maanden.\n\n3.3.. Bij brief van 13 mei 2026 heeft verzoeker zijn zienswijze kenbaar gemaakt.\n\n3.4.. Bij het bestreden besluit heeft de burgemeester verzoeker gelast om de woning per 2 juni 2026 te sluiten en afgesloten te houden voor een periode van drie maanden. De woning is op die datum gesloten.\n\nWat is het wettelijk kader?\n\n4. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.\n\nHeeft verzoeker een spoedeisend belang?\n\n5. Uit artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening kan treffen, indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist. De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.\n\n5.1.. Als gevolg van het bestreden besluit is de door verzoeker gehuurde woning gesloten voor de duur van drie maanden. Gelet op de aard van de zaak en het in geding zijnde huisrechtvan verzoeker is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende gebleken van een spoedeisend belang bij zijn verzoek om een voorlopige voorziening tot schorsing van het bestreden besluit.\n\nWelke gronden heeft verzoeker aangevoerd?\n\n6. Verzoeker heeft aangevoerd dat de burgemeester ten onrechte heeft besloten tot sluiting van de woning. Daartoe heeft verzoeker gesteld dat de sluiting van de woning niet geschikt is, niet noodzakelijk en niet evenwichtig. De sluiting van de woning is in strijd met artikel 8 van het EVRM en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Tevens is het bestreden besluit volgens verzoeker onvoldoende gemotiveerd.\n\nWat is het oordeel van de voorzieningenrechter?\n\n7. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft in de uitspraak van 16 juli 2025de uitgangspunten weergegeven waar zij van uitgaat bij de beoordeling van besluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. In navolging van de uitspraak van 2 februari 2022over de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel gaat de ABRvS daarbij ook in op het karakter van deze bevoegdheid en de intensiteit waarmee de bestuursrechter dergelijke besluiten toetst.\n\n7.1.. De voorzieningenrechter beoordeelt het bestreden besluit aan de hand van de uitgangspunten in voornoemde rechtspraak.\n\nIs de burgemeester bevoegd om de woning te sluiten?\n\n8. De burgemeester is op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang als in een woning een middel als bedoeld in lijst I, IA of II, behorend bij de Opiumwet (harddrugs of softdrugs), wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Doorgaans houdt de last in dat de woning voor een bepaalde periode wordt gesloten.\n\n8.1.. De burgemeester kan artikel 13b van de Opiumwet toepassen als er in of vanuit een woning in drugs wordt gehandeld (verkopen, afleveren, verstrekken) of als drugs met het oog op die handel in de woning aanwezig zijn. Als uitgangspunt kan worden aanvaard dat bij aanwezigheid van meer dan 0,5 g harddrugs, 5,0 g softdrugs of vijf (hennep)planten (het door het openbaar ministerie gehanteerde criterium voor eigen gebruik) de aangetroffen hoeveelheid drugs in beginsel (mede) bestemd wordt geacht voor de verkoop, aflevering of verstrekking.\n\n8.2.. Tussen partijen is niet in geschil dat in de woning 595 gram 2-MMC, 362 gram cocaïne, 1 liter GHB en 95 gram hash (middelen in lijst I, IA en II) zijn aangetroffen. Daarmee wordt de toegestane hoeveelheid ruim overschreden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is daarom sprake van de situatie dat de aangetroffen hoeveelheid drugs voor verkoop, verstrekking of aflevering aanwezig was. De burgemeester was dan ook bevoegd om tot sluiting van de woning over te gaan. Verzoeker heeft de bevoegdheid van de burgemeester niet betwist.\n\nMag de burgemeester zijn bevoegdheid toepassen?\n\n9. De bevoegdheid tot het toepassen van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is een discretionaire bevoegdheid. De burgemeester heeft hiervoor beleid geformuleerd en vastgesteld in de Beleidsregels handhaving op artikel 13b Opiumwet in de gemeente Zundert 2022 (Beleidsregels). De voorzieningenrechter constateert dat het bestreden besluit conform de Beleidsregels is. De Beleidsregels schrijven namelijk een sluiting voor de duur van drie maanden voor bij een eerste constatering van een handelshoeveelheid harddrugs in een woning.\n\nIs sluiting van de woning een geschikt en noodzakelijk middel?\n\n10. Verzoeker meent dat sluiting van de woning niet geschikt en noodzakelijk is. Voor zover de burgemeester beoogt herhaling te voorkomen, valt niet in te zien waarom een woningsluiting effectiever zou zijn dan de reeds ingezette zorg- en begeleidingsmaatregelen. Ook is niet onderzocht of kon worden volstaan met minder ingrijpende maatregelen.\n\n10.1.. Volgens de burgemeester is de sluiting van de woning een geschikt middel om het doel te bereiken dat zij voor ogen heeft, namelijk herhaling van de aanwezigheid van drugs en drugstransacties in de woning en overlast rondom de woning voorkomen, preventie en beheersing van de uit het drugsgebruik voortvloeiende risico’s voor de veiligheid en volksgezondheid, het voorkomen van nadelige effecten van de handel in en het gebruik van drugs op het openbare leven en het weghalen van de loop naar de woning. Daarnaast is een zichtbare sluiting voor drugscriminelen en buurtbewoners een duidelijk signaal dat de overheid optreedt tegen drugscriminaliteit in de woning. Ook het tijdsverloop tussen de constateringen en het bestreden besluit is niet dermate lang dat dit afbreuk kan doen aan de geschiktheid en noodzaak van de sluiting.\n\n10.2.. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is sluiting van de woning in beginsel een geschikt middel om het doel te bereiken dat de burgemeester voor ogen heeft. Rekening houdend met het moment van ontvangst van de bestuurlijke rapportage van 20 maart 2026, het versturen van een voornemen tot sluiting (6 mei 2026) en gelegenheid tot het indienen van een zienswijze daartegen (ontvangen op 13 mei 2026), is het tijdsverloop in dit geval niet dusdanig lang dat het doel dat de burgemeester voor ogen heeft niet meer kan worden bereikt.\n\n10.3.. De voorzieningenrechter overweegt dat in het bestreden besluit is verwezen naar de informatie in de bestuurlijke rapportage. Vast staat dat op 14 januari 2026 sprake was van een ernstig drugsincident, gezien de grote hoeveelheid aangetroffen drugs. Verzoeker heeft verklaard dat hij zijn woning als opslagplaats beschikbaar heeft gesteld onder druk van verdachte 2. Volgens de rapportage zou er toeloop zijn geweest naar de woning van verzoeker. Niet duidelijk wordt echter wie, wanneer (dag en tijdstip) en met welk doel de trap naar de bovenwoning is opgelopen en evenmin of en wanneer er spullen zijn verplaatst. Met de enkele vermelding dat de politie heeft waargenomen dat verdachte 2 de woning van verzoeker regelmatig betrad, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk geworden dat sprake was van een loop naar de woning door drugsgebruikers of ten behoeve van drugstransacties. De vermelding in de rapportage dat door een anonieme getuige zou zijn gezien dat er meerdere overdrachten van verdovende middelen plaatsvonden, is kennelijk niet nader onderzocht en is evenmin onderbouwd. Van een aanwijzing dat de drugshandel vanuit de woning plaats heeft gevonden, is dus (vooralsnog) geen sprake. Het standpunt van de burgemeester in het verweerschrift dat de woning gelegen is in een kwetsbare buurt en dat er voor de inval in januari 2026 door buurtbewoners (anonieme) meldingen over overlast zijn ingediend, dat de woning bekend staat als locatie waar drugshandel plaatsvindt en dat dit blijkt uit de waarnemingen van de politie, is niet aannemelijk gemaakt noch onderbouwd.\n\n10.4.. De voorzieningenrechter maakt daarnaast uit de thans in het dossier aanwezige stukken niet op dat na het constateren en beëindigen van de overtreding op 14 januari 2026 iets relevants is voorgevallen op grond waarvan moet worden vastgesteld dat de negatieve effecten van de overtreding (nog) niet ongedaan zijn gemaakt. De burgemeester heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt noch onderbouwd dat na 14 januari 2026 nog sprake is geweest van loop naar de woning of merkbare overlast, waaronder openbare ordeverstoringen vanuit of rond de woning. Ter zitting is gesproken over een enkele vechtpartij op straat, waarvan verzoeker betwist dat hij de veroorzaker was. De woningstichting heeft ter zitting verklaard dat uit een na de inval door haar gehouden buurtonderzoek gebleken zou zijn dat er meerdere kwetsbare bewoners en probleemgevallen in de straat wonen. Buiten een melding over de vechtpartij, zijn echter geen meldingen van overlast door verzoeker ontvangen.\n\n10.5.. Gezien het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat de burgemeester onvoldoende heeft gemotiveerd waarom sluiting van de woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat rondom de woning en het herstel van de openbare orde en waarom niet met een minder ingrijpend middel dan sluiting kon worden volstaan.\n\nIs sluiting van de woning evenwichtig?\n\n11. Als sluiting van de woning al noodzakelijk wordt geacht, betekent dit nog niet dat de burgemeester hiertoe steeds mag overgaan. Daarvoor moet zij zich ervan vergewissen dat de sluiting in de gegeven omstandigheden ook evenwichtig is.\n\n11.1.. Verzoeker voert aan dat de evenwichtigheid ontbreekt, omdat de gevolgen voor hem bijzonder zwaar zijn. Niet alleen dreigt hij zijn woning te verliezen, wat een schending is van zijn huisrecht op grond van artikel 8 EVRM, maar tevens wordt het fundament onder zijn herstelproces weggenomen. Hij kampt al jarenlang met verslavingsproblematiek, die heeft geleid tot beperkingen in zijn zelfredzaamheid, zijn beoordelingsvermogen en het vermogen om de gevolgen van zijn handelen adequaat te overzien. Zijn woning biedt hem de noodzakelijke stabiliteit en zekerheid van hulpverlening. Hij verwijst daartoe naar de verklaring van zijn ambulant begeleider. Het risico op herhaling wordt juist beperkt door zorg, behandeling en toezicht. Verlies van de woning vergroot de kans op terugval en maatschappelijke ontwrichting. Op de overheid rust, naast de bescherming van de openbare orde, de verantwoordelijkheid om zorgvuldig om te gaan met kwetsbare burgers.\n\n11.2.. De burgemeester is in het bestreden besluit en haar verweerschrift ten aanzien van de evenwichtigheid ingegaan op de verwijtbaarheid van verzoeker, op het ontbreken van een bijzondere binding met de woning en op de mogelijke ontbinding van de huurovereenkomst door de woningstichting. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat de burgemeester de kwetsbaarheid van verzoeker onvoldoende heeft meegewogen. Uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat verzoeker bij de politie bekend staat als kwetsbaar persoon, die verslaafd is aan GHB en een uitkering geniet. Ook is bij de burgemeester bekend dat verzoeker contact heeft met team bemoeizorg van Novadic-Kentron en dat hij vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) ambulante begeleiding heeft. De begeleider van verzoeker heeft ter zitting verklaard dat de ambulante zorg stopt zodra verzoeker geen vast woonadres meer heeft. Daar komt bij dat verzoeker weliswaar sinds de sluiting van zijn woning bij zijn moeder heeft verbleven, maar dat dit geen houdbare situatie is, gelet op de door verzoeker ter zitting gegeven verklaring over de medische situatie van zijn moeder. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om te twijfelen aan deze verklaring. Gezien deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat de burgemeester onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de woningsluiting in dit geval niet onevenwichtig is.\n\nConclusie en gevolgen\n\n12. De voorzieningenrechter concludeert dat de burgemeester bevoegd is om tot sluiting van de woning over te gaan. Het bestreden besluit is echter ten aanzien van de noodzaak en de evenwichtigheid onvoldoende gemotiveerd. Hieruit volgt dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek toe en schorst het bestreden besluit tot twee weken na de door de burgemeester te nemen beslissing op bezwaar. Dat betekent dat de burgemeester verzoeker weer moet toelaten in zijn woning.\n\n12.1.. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet de burgemeester het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Ook krijgt hij een vergoeding van zijn proceskosten. De burgemeester moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde geldt een vast bedrag per proceshandeling met een waarde van € 934,- per proceshandeling. Omdat de gemachtigde van verzoeker een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen, leidt dit tot een totaal van € 1.868,-.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;\n\n- schorst het bestreden besluit tot twee weken na de door de burgemeester te nemen\n\n beslissing op bezwaar;\n\n- bepaalt dat de burgemeester aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht van\n\n € 200,- dient te vergoeden;\n\n- veroordeelt de burgemeester in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van\n\n € 1.868,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.H.A. de Graaf, griffier, op 30 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\nBijlage\n\nOpiumwet\n\nArtikel 13b, eerste lid\n\n1. De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf:\n\na. een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, of een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in lijst IA of een preparaat daarvan, met uitzondering van de middelen bedoeld in artikel 2a, tweede lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is;\n\nb. een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, artikel 10c, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a voorhanden is.\n\nCocaïne en GHB staan in lijst I, hash in lijst II en 2-MMC in lijst IA van de Opiumwet.\n\nBeleidsregels handhaving op artikel 13b Opiumwet in de gemeente Zundert 2022\n\n3.3.\n\nDrugshandel in of vanuit woningen\n\nDe burgemeester verstaat in het kader van de bestuurlijke handhaving van de Opiumwet onder een woning: een pand dat (of ruimte die) in de aangetroffen staat op een normale wijze voor bewoning kan worden gebruikt en dat\u002Fdie daarvoor ook mag worden gebruikt (woongenot). Of een woning wordt gebruikt als woonruimte en er dan ook sprake is van het hebben van woongenot, blijkt uit de feitelijke constatering ter plaatse, zoals dat veelal wordt verwoord in het rapport van bevindingen van de politie. Wat betreft het sluiten van woningen moet rekening worden gehouden met artikel 8 van het EVRM.\n\nTekst artikel 8 EVRM:\n\n1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.\n\n2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale vrijheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.\n\nUit artikel 8 EVRM volgt dat de toepassing van de bestuursdwang op basis van artikel 13b Opiumwet niet er toe mag leiden dat het recht op respect voor het privéleven, het familie- en gezinsleven en de woning onevenredig wordt aangetast. De in het algemeen belang nagestreefde doeleinden, voor zover die onder het bereik van het tweede lid van artikel 8 van het EVRM vallen, moeten worden afgewogen tegen de belangen als bedoeld in het eerste lid. Deze taak is op de eerste plaats aan de burgemeester. Gelet op deze afweging is voor de drugshandel in of vanuit woningen een afzonderlijke handhavingmatrix vastgesteld waarin recht wordt gedaan aan hetgeen is bepaald aan artikel 8 van het EVRM. Zoals in de inleiding bij 3.1 is aangegeven wordt in onderstaande matrix onderscheid gemaakt naar hard- en softdrugs.\n\nHarddrugs\n\nBij overtreding artikel 2 Opiumwet jo artikel 13b Opiumwet lid 1 (handel in harddrugs) in of vanuit een woning of daarbij behorende erven wordt als volgt gehandeld:\n\n1e constatering\n\nSluiting voor een periode van 3 maanden\n\n2e constatering\n\nSluiting voor een periode van 6 maanden\n\n3e constatering\n\nSluiting voor onbepaalde tijd\n\nVan deze overtreding is in ieder geval (het betreft dus geen limitatieve opsomming) sprake in de volgende gevallen:\n\n-Verkoop van harddrugs door eigenaar\u002Fhuurder\u002Fbewoner;\n\n-Aanwezigheid van harddrugs in de woning in een handelshoeveelheid (> 0,5 gram harddrugs \u002F voor GHB > 5 ml).\n\nSoftdrugs\n\nBij overtreding artikel 3 Opiumwet jo artikel 13b Opiumwet lid 1 (handel in softdrugs) in of vanuit een woning of daarbij horende erven wordt als volgt gehandeld:\n\n1e constatering\n\nSluiting voor een periode van 3 maanden\n\n2e constatering\n\nSluiting voor 6 maanden\n\n3e constatering\n\nSluiting voor 12 maanden\n\nVan deze overtreding is in ieder geval sprake (het betreft dus geen limitatieve opsomming) in de volgende gevallen:\n\n• Verkoop van softdrugs door eigenaar\u002Fhuurder\u002Fbewoner;\n\n• Aanwezigheid van softdrugs in de woning in een handelshoeveelheid (> 5 gram softdrugs);\n\n• Aanwezigheid van een bedrijfsmatige hennepkwekerij (> 5 hennepplanten).\n\n(…)\n\n5. Afwijkingsbevoegdheid\n\nIn beginsel wordt er overeenkomstig de bovenstaande beleidsregel besloten waarbij de getrapte sanctionering in de matrixen is weergegeven. Er kunnen zich echter situaties voordoen die dermate ernstig zijn dat van de matrix afgeweken moet kunnen worden.\n\nOok indien niet dezelfde overtreding voor de tweede of derde keer is begaan, maar een overtreding uit een andere (matrix) categorie kan er aanleiding zijn van de matrix af te wijken. Van het in de matrix vervatte arrangement kan door de burgemeester dan ook gemotiveerd worden afgeweken. Dat kan bijvoorbeeld betekenen dat bij zeer ernstige overtredingen een stap wordt overgeslagen of voor een langere periode wordt gesloten.\n\n Artikel 8, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).\n\nECLI:NL:RVS:2025:2922\n\n ECLI:NL:RVS:2022:285\n\nGemeenteblad 2022, nr. 286345.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5779","2026-07-13T00:28:56.840Z",{"id":164,"ecli":165,"slug":166,"caseNumber":44,"courtId":167,"decisionDate":152,"fullText":168,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":169,"sourceTimestamp":170,"parsedAt":51,"updatedAt":171},"750","ECLI:NL:RBOVE:2026:3723","ecli-nl-rbove-2026-3723",57,"RECHTBANK OVERIJSSEL\n\nTeam Strafrecht\n\nMeervoudige kamer\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nParketnummers: 08.105279.26 (P) en 13.057968.24 (TUL)\n\nDatum vonnis: 30 juni 2026\n\nVonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedatum] 1998 in [geboorteplaats],\n\nwonende aan de [woonplaats],\n\nnu verblijvende in de PI [locatie].\n\n1. Het onderzoek op de terechtzitting\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 16 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. E.M. Rengelink, advocaat in Amsterdam, naar voren is gebracht.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:\n\nfeit 1:opzettelijk 4.165 gram hasj en 175,39 kilogram hennep heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en of vervoerd;\n\nfeit 2:opzettelijk 4.165 gram hasj en 175,39 kilogram hennep aanwezig heeft gehad.\n\nVoluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:\n\nfeit 1\n\nhij op of omstreeks 8 april 2026 te Deventer, althans in Nederland, opzettelijk heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en\u002Fof vervoerd, een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, te weten ongeveer 4.165 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), waaraan geen andere substanties waren toegevoegd en\u002Fof ongeveer 175,39 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hasjiesj en\u002Fof hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\nfeit 2\n\nhij op of omstreeks 8 april 2026 te Deventer, althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 4.165 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), waaraan geen andere substanties waren toegevoegd en\u002Fof ongeveer 175,39 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hasjiesj en\u002Fof hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.\n\n3. De bewijsmotivering\n\n3.1. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat verdachte op zijn minst voorwaardelijk opzet heeft gehad op het vervoeren en aanwezig hebben van de hasj en hennep.\n\n3.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat vrijspraak moet volgen voor de onderdelen verkopen, afleveren en verstrekken als ten laste gelegd onder feit 1 omdat bewijs ontbreekt dat verdachte zich hieraan schuldig heeft gemaakt. Daarnaast heeft de raadsman vrijspraak van zowel feit 1 als 2 bepleit omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte wetenschap dan wel opzet heeft gehad op het voorhanden hebben en vervoeren van de hennep en hasj.\n\n3.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, met uitzondering van de hierna te bespreken partiële vrijspraak, op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, behoudens het hierna te bespreken verweer aangaande de wetenschap van verdachte, - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.\n\nhet proces-verbaal van de terechtzitting van 16 juni 2026, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;\n\nhet proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van 8 april 2026, pagina 5 en 7;\n\nhet proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] van 9 april 2025, pagina 9.\n\nPartiële vrijspraak verkopen, afleveren en verstrekken\n\nOp basis van het dossier acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte de hasj en hennep heeft verkocht, afgeleverd en\u002Fof verstrekt, zodat zij verdachte daarvan zal vrijspreken.\n\nWetenschap\n\nVerdachte heeft verklaard dat hij niet wist dat de dozen die achterin de bus zaten gevuld waren met softdrugs. De rechtbank acht de verklaring van verdachte niet aannemelijk en ongeloofwaardig en zal deze terzijde schuiven. Zij overweegt daartoe het volgende.\n\nVerdachte heeft, naast hetgeen hierboven is weergeven, verklaard dat toen hem werd gevraagd om te rijden, hij wel wist dat het om iets kon gaan wat niet mocht. Hij heeft hier vervolgens geen vragen over gesteld. Dat verdachte wel op de hoogte was van de illegale inhoud van de dozen leidt de rechtbank ook af uit zijn gedrag vlak voor de staandehouding. Verdachte volgde in eerste instantie het volgteken dat hij van de verbalisanten kreeg maar stuurde halverwege de uitvoegstrook zijn bestelbus weer terug de snelweg op. Door dit gedrag lijkt het er sterk op dat verdachte zich probeerde te onttrekken aan de controle van de verbalisanten. Van belang acht de rechtbank verder dat verdachte een relatief hoge vergoeding, te weten € 500, zou ontvangen voor deze rit. Tot slot acht de rechtbank het niet aannemelijk dat iemand ruim 175 kilogram hennep en 4 kilogram hasj, wat een zeer hoge straatwaarde vertegenwoordigt, in een bestelauto zou laden zonder dat de chauffeur van die lading op de hoogte is. Dit zou voor de eigenaar een te groot risico op het verliezen van de drugs opleveren. Een dergelijk risico zal men in het criminele circuit niet snel nemen.\n\nGelet op het voorgaande, in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat verdachte wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van softdrugs in zijn bestelauto. De verdachte heeft aldus opzet gehad op het voorhanden hebben en vervoeren van de in de tenlastelegging genoemde hoeveelheid softdrugs.\n\nEendaadse samenloop\n\nFeit 1 en feit 2 zijn zo nauw met elkaar verbonden dat de rechtbank de feiten als één enkele daad zal beschouwen en daarom als eendaadse samenloop zal beoordelen.\n\n3.4. De bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:\n\nfeit 1\n\nhij op 8 april 2026 te Deventer opzettelijk heeft vervoerd, een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, te weten 4.165 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) en 175,39 kilogram, hennep, zijnde hasjiesj en hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;\n\nfeit 2\n\nhij op 8 april 2026 te Deventer opzettelijk aanwezig heeft gehad 4.165 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) en 175,39 kilogram hennep, zijnde hasjiesj en hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.\n\nDe rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.\n\n4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde\n\nHet bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 11 van de Opiumwet (OW). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op de eendaadse samenloop van:\n\nfeit 1\n\nhet misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod; en\n\nfeit 2\n\nhet misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.\n\n5. De strafbaarheid van verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.\n\n6. De op te leggen straf of maatregel\n\n6.1. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met de bijzondere voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd en met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.\n\n6.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft verzocht een gevangenisstraf op te leggen waarvan een aanzienlijk deel voorwaardelijk met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd. De raadsman heeft daarnaast verzocht om de voorlopige hechtenis op te heffen, dan wel te schorsen.\n\n6.3. De gronden voor een straf of maatregel\n\nBij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.\n\nDe ernst van de feiten\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben en vervoeren van ongeveer 180 kilogram softdrugs. Dit is een uitzonderlijk grote hoeveelheid die een hoge financiële waarde vertegenwoordigd. Het kan dan ook niet anders dan dat deze drugs bestemd zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De handel in verdovende middelen gaat gepaard met ernstige vormen van georganiseerde criminaliteit waarbij het gebruik van geweld niet wordt geschuwd. Het handelen van verdachte heeft bijgedragen aan de instandhouding hiervan. Daar komt bij dat hasj en hennep stoffen betreffen die schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid van personen. Verdachte heeft zich niet bekommerd om deze risico’s en heeft enkel oog gehad voor zijn eigen financiële gewin. De rechtbank rekent dit verdachte aan.\n\nDe persoon van verdachte\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 5 juni 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor drugsfeiten. Wel is verdachte meermaals veroordeeld voor vermogens- en geweldsfeiten. Tijdens het plegen van onderhavige feiten liep verdachte in een proeftijd.\n\nDe rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van het over verdachte opgemaakte reclasseringsadvies van 29 mei 2026, opgemaakt door [naam], reclasseringswerker bij Reclassering Nederland. Hieruit blijkt dat verdachte vanaf jonge leeftijd in aanraking komt met justitie. De reclassering signaleert problematiek op alle leefgebieden. Voorafgaand aan zijn detentie leidde verdachte een zwerversbestaan, ervoer hij depressieve klachten en was er sprake van overmatig alcoholgebruik. Volgens verdachte heeft hij ten tijde van onderhavige feiten de consequenties van zijn handelen niet ingezien en was er wegens gebrek aan werk en inkomen sprake van een financieel motief. De reclassering schat het risico op recidive in als hoog. Zij adviseren een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen aan verdachte en dat hij daarnaast meewerkt aan de volgende bijzondere voorwaarden:\n\n- meldplicht;\n\n- ambulante behandeling;\n\n- verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang;\n\n- aflossing schulden; en\n\n- beheersing middelengebruik.\n\nDe op te leggen straf\n\nDe rechtbank houdt bij de bepaling van de straf rekening met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) ten aanzien van het aanwezig hebben van dergelijke hoeveelheden softdrugs. Als uitgangspunt hiervoor geldt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden. De rechtbank houdt er daarnaast rekening mee dat sprake is van eendaadse samenloop. Met de officier van justitie ziet de rechtbank in de persoonlijke omstandigheden van verdachte reden om een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen in combinatie met bijzondere voorwaarden. De rechtbank hoopt dat het voorwaardelijke strafdeel verdachte ervan weerhoudt opnieuw de fout in te gaan. Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met de bijzondere voorwaarden, zoals die hieronder zijn geformuleerd en met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.\n\nDe rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat een situatie als bedoeld in artikel 67a, derde lid, Sv nog niet aan de orde is en zal het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis afwijzen. Ook ziet de rechtbank geen persoonlijke belangen van verdachte die op dit moment tot schorsing van de voorlopige hechtenis moeten leiden. De rechtbank wijst ook dit verzoek af.\n\n6.4. De in beslag genomen voorwerpen\n\nDe officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat de onder verdachte in beslag genomen telefoon kan worden teruggegeven aan verdachte nu er geen indicaties zijn gevonden dat deze telefoon is gebruikt bij de strafbare feiten.\n\nDe raadsman heeft verzocht dat de telefoon wordt teruggeven aan verdachte.\n\nDe rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van de telefoon, te weten een Apple Iphone met goednummer 3674982, aangezien deze niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.\n\n7. De vordering tenuitvoerlegging 13.057968.24\n\n7.1. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de bij vonnis van de Rechtbank Amsterdam van 23 mei 2025 voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een taakstraf voor de duur van 60 uren, ten uitvoer wordt gelegd.\n\n7.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft primair om afwijzing van de vordering verzocht en subsidiair de rechtbank verzocht om terughoudendheid te betrachten en haar beslissing zo vorm te geven dat deze aansluit bij het reclasseringstraject.\n\n7.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de vordering van de officier van justitie moet worden toegewezen. Het is gebleken dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan het plegen van nieuwe strafbare feiten heeft schuldig gemaakt.\n\n8. De toegepaste wettelijke voorschriften\n\nDe hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 van het Wetboek van Strafrecht .\n\n9. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nbewezenverklaring\n\n- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;\n\n- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;\n\nstrafbaarheid feiten\n\n- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;\n\n- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:\n\nde eendaadse samenloop van,\n\nfeit 1\n\nhet misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod; en\n\nfeit 2\n\nhet misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;\n\nstrafbaarheid verdachte\n\n- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;\n\nstraf\n\n- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van12 (twaalf) maanden;\n\n- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 4 (vier) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van deproeftijd van 2 (twee) jarende navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:\n\n- stelt als algemene voorwaardedat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\nDe rechter kan de tenuitvoerlegging ook gelasten indien de verdachte gedurende de\n\nproeftijd van 2 (twee) jarende navolgende bijzondere voorwaarden\n\nniet is nagekomen:\n\n- stelt als bijzondere voorwaardendat verdachte:\n\n- zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken bij Reclassering Nederland, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met verdachte opnemen voor de eerste afspraak;\n\n- zich gedurende de proeftijd laat behandelen door een zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. Verdachte werkt mee aan diagnostiek en daaruit voortvloeiende behandeling. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling;\n\n- gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;\n\n- meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;\n\n- gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en\u002Fof het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan urineonderzoek\u002Fademonderzoek\u002F speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;\n\n- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden; daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat de verdachte:\n\n- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;\n\n- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;\n\n- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;\n\nde in beslag genomen voorwerpen\n\n- gelast de teruggavevan de telefoon, te weten een Apple Iphone met goednummer 3674982, aan verdachte;\n\ntenuitvoerlegging voorwaardelijke straf met parketnummer\n\n- beveelt de tenuitvoerleggingvan de bij vonnis van Rechtbank Amsterdam van 23 mei 2025 voorwaardelijk opgelegdetaakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren;\n\nde voorlopige hechtenis\n\n- wijst het verzoek tot opheffing af;\n\n- wijst het verzoek tot schorsing af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. S.H. Peper, voorzitter, mr. A. van Holten en mr. M. ter Riet, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M.A. van den Hoek, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.\n\nBuiten staat\n\nMr. A. van Holten is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.\n\nWanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2026170007. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3723","2026-07-01T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:46.410Z",{"id":173,"ecli":174,"slug":175,"caseNumber":44,"courtId":176,"decisionDate":177,"fullText":178,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":179,"sourceTimestamp":152,"parsedAt":51,"updatedAt":180},"904","ECLI:NL:RBOVE:2026:3710","ecli-nl-rbove-2026-3710",78,"2026-06-26T00:00:00.000Z","RECHTBANKOVERIJSSEL\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Enschede\n\nZaaknummer: 12215064 \\ CV EXPL 26-1307\n\nVonnis in kort geding van 26 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nWONINGSTICHTING DE WOONPLAATS,\n\nte Enschede,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: De Woonplaats,\n\ngemachtigde: mr. M. Douwenga,\n\ntegen\n\nSTICHTING HUMANITAS INKOMENSBEHEER,\n\nte Purmerend,\n\nin hoedanigheid van bewindvoerder van alle goederen van\n\n [betrokkene],\n\nwonende te [woonplaats],\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: Stichting Humanitas,\n\ngemachtigde: mr. A. aan het Rot.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties; - de mondelinge behandeling van 12 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Woningstichting De Woonplaats verhuurt met ingang van 9 februari 2021 aan [betrokkene] de woning aan de [adres]. Op de huurovereenkomst zijn van toepassing de Algemene Huurvoorwaarden van De Woonplaats, maar ook andere met [betrokkene] gemaakte specifieke afspraken die kort gezegd zien op het goed moeten onderhouden van de woning, op geen overlast veroorzaken en op het accepteren van hulpverlening. Dit nadat [betrokkene] in een vorige woning van De Woonplaats aanzienlijke overlast veroorzaakte.\n\n2.2.. Vanaf 2025 ontvangt De Woonplaats veel meldingen van diverse omwonenden. De meldingen gaan kort gezegd over geluidsoverlast, schelden, alcohol en\u002Fof drugsgebruik, drugshandel\u002F drugsverkeer en vernieling.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n\nDe Woonplaats vordert samengevat- ontruiming van de woning. In de dagvaarding bespreekt De Woonplaats onder meer de vele meldingen van omwonenden en de contacten die zij heeft gehad met de Politie. Al kort na het ingaan van de huurovereenkomst komt [betrokkene] de overeengekomen voorwaarden niet na. Zij komt afspraken voor huisbezoeken niet na, de woning wordt niet goed onderhouden en schoongemaakt, het raam van de voordeur wordt door haar ex-partner ingeslagen maar zij maakt hiervan geen melding etc.\n\nVanaf 2026 ging het snel bergafwaarts. Sommige omwonenden ervaren dagelijks overlast. De Woonplaats heeft gepoogd om een huisbezoek met [betrokkene] af te spreken maar dit werd twee keer afgezegd. Er is sprake van drugsgebruik door haar en de staat van de woning is ook zorgelijk. Volgens de Politie, die in mei 2026 in de woning is geweest naar aanleiding van één van de vele meldingen, ligt de hele woning in puin. De Woonplaats heeft [betrokkene] verzocht zelf de huurovereenkomst op te zeggen maar hierop is niet gereageerd. De Woonplaats vordert ontruiming van de woning vooruitlopend op ontbinding van de huurovereenkomst in een eventuele bodemprocedure. Het is vaste jurisprudentie dat het veroorzaken van overlast als hier aan de orde en het verwaarlozen van het gehuurde een tekortkoming oplevert die ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt.\n\n3.2.. \n\nStichting Humanitas voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van De Woonplaats, met veroordeling van De Woonplaats in de kosten van deze procedure.\n\nStichting Humanitas betwist het spoedeisend belang. Het is al anderhalve maand rustig, twee overlastmelders zijn inmiddels verhuisd, en het feit dat De Woonplaats de woning aan een ander wil verhuren is niet valide. De zaak is ook niet geschikt voor behandeling in kort geding. De Woonplaats onderbouwt de overlast met anonieme meldingen en die meldingen kunnen niet worden nagegaan. Stichting Humanitas betwist de overlastsituatie en de zorgelijke staat van het gehuurde. Stichting Humanitas wijst er op dat [betrokkene] stelt uitgezaaide kanker te hebben. Als tot ontruiming moet worden overgegaan dan dient de termijn verlengd te worden tot minimaal vier weken.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. \n\nDe goederen van [betrokkene] staan onder bewind van Stichting Humanitas.\n\nDe uit de huurovereenkomst voortvloeiende rechten van de rechthebbende ([betrokkene]) zijn aan te merken als goederen in de zin van art. 1:431 lid 1 BW. De bewindvoerder treedt ten behoeve van de rechthebbende op als formele procespartij in een procedure betreffende een door de verhuurder gevorderde (ontbinding van de huurovereenkomst en) ontruiming van het gehuurde (Hoge Raad 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:525).\n\n4.2.. De kantonrechter overweegt dat de onderhavige vordering slechts toegewezen kan worden als het zeer waarschijnlijk is dat in de bodemprocedure zal worden geoordeeld dat de huurovereenkomst zal worden ontbonden en dat de ontruiming zal worden toegewezen, terwijl bovendien sprake moet zijn van een zodanig ernstige tekortkoming dat de beslissing in de bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Dit gelet op het definitieve karakter van de beslissing. Bij de beoordeling dienen alle omstandigheden van het geval meegewogen te worden.\n\n4.3.. De kantonrechter is, anders dan Stichting Humanitas, van oordeel dat er sprake is van een spoedeisend belang van De Woonplaats bij haar vorderingen. De Woonplaats heeft met de overgelegde meldingen en videobeelden voldoende aannemelijk gemaakt dat omwonenden ernstige overlast ervaren en dat twee omwonenden zelfs al hierom zijn verhuisd. Van De Woonplaats kan onder deze omstandigheden niet worden gevergd een bodemprocedure af te wachten.\n\n4.4.. De vele meldingen en videobeelden zijn inhoudelijk ook niet dan wel onvoldoende door Stichting Humanitas betwist. [betrokkene] zelf is door de bewindvoerder dan wel de gemachtigde uitgenodigd voor de zitting, om hierop een toelichting te geven, maar zij is niet verschenen. De op de foto’s zichtbare beschadigingen aan het gehuurde en de melding van de Politie afgelopen mei dat de woning binnen “in puin ligt” doet het ergste vermoeden qua staat van het gehuurde. De kantonrechter neemt in de beoordeling ook mee dat het hier al om een tweede kans gaat, om in een woning van De Woonplaats te wonen zonder de woning te verwaarlozen en overlast te veroorzaken.\n\n4.5.. De kantonrechter is er voldoende van overtuigd dat de tekortkomingen van [betrokkene]\u002FStichting Humanitas zullen leiden tot ontbinding van de huurovereenkomst in een eventuele bodemprocedure. Daarop vooruitlopend kan in dit kort geding vast de ontruiming worden bevolen. De situatie is daarvoor ernstig genoeg. Dat [betrokkene] uitgezaaide kanker heeft is wel gesteld maar niet onderbouwd, terwijl De Woonplaats ook al eens om die onderbouwing heeft gevraagd (en deze niet heeft gekregen). Er is evenmin aanleiding af te wijken van de standaard ontruimingstermijn van twee weken.\n\n4.6.. De vordering van De Woonplaats zal daarom als volgt worden toegewezen. Stichting Humanitas is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Woningstichting de Woonplaats worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n155,51\n\n- griffierecht\n\n€\n\n139,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n865,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.303,51\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. veroordeelt Stichting Humanitas om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de woning aan de [adres] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, in goede staat op te leveren en deze ontruimd te houden, en de sleutels af te geven aan De Woonplaats,\n\n5.2.. veroordeelt Stichting Humanitas in de proceskosten van € 1.303,51, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,\n\n5.3.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. A.J. Louter en in het openbaar uitgesproken op\n\n26 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3710","2026-07-13T00:28:53.890Z",{"id":182,"ecli":183,"slug":184,"caseNumber":44,"courtId":65,"decisionDate":185,"fullText":186,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":187,"sourceTimestamp":66,"parsedAt":51,"updatedAt":188},"1346","ECLI:NL:GHSHE:2026:1787","ecli-nl-ghshe-2026-1787","2026-06-25T00:00:00.000Z","Parketnummer : 20-000539-23\n\nUitspraak : 25 juni 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof\n\n's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 8 februari 2023, in de strafzaak met parketnummer 01-993318-21 tegen:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1967,\n\nwonende te [adres] .\n\n1. Hoger beroep\n\nBij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het tenlastegelegde bewezenverklaard, dit gekwalificeerd als ‘deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde, vijfde lid en 10a eerste lid van de Opiumwet’, de verdachte hiervoor strafbaar verklaard en toepassing gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende dat de verdachte ter zake schuldig is verklaard zonder dat aan hem daarvoor een straf is opgelegd.\n\nDe officier van justitie heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.\n\n2. Onderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden en een geldboete ter hoogte van € 40.000,00 subsidiair een door het hof te bepalen duur aan vervangende hechtenis.\n\nDe verdediging heeft primair bepleit dat het hof de officier van justitie niet-ontvankelijk zal verklaren in de vervolging. Subsidiair heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof voor wat betreft het door de rechtbank bewezenverklaarde en een straftoemetingsverweer gevoerd, en gelet hierop bepleit dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.\n\n3. Ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging\n\nDe verdediging heeft bepleit dat het hof (alsnog) de officier van justitie niet-ontvankelijk zal verklaren. Daartoe is – kort weergegeven – het volgende aangevoerd.\n\nAan de verdachte is in de onderhavige zaak tenlastegelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan deelneming aan een criminele organisatie in de zin van de Opiumwet. Deze tenlastelegging is uitsluitend gebaseerd op de Opiumwetfeiten waarvoor de verdachte reeds in de onderzoeken Hammond I (het lab in Zaandam ) en Hammond II (het hof begrijpt: 26Bluffton; het lab in Montfoort ) – is veroordeeld.\n\nDaarmee bestaat geen wezenlijk verschil tussen de tenlastegelegde concrete handelingen en gedragingen van de verdachte in de onderhavige zaak enerzijds, en de tenlastegelegde (en bewezenverklaarde) gedragingen van de verdachte in de zaken Hammond I en 26Bluffton anderzijds. Dit maakt dat – in de onderhavige zaak – sprake is van een vervolging die in strijd is met het ne bis in idem-beginsel dan wel met de beginselen van een behoorlijke procesorde, aldus de verdediging.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nIn zijn arrest van 23 maart 2021 (ECLI:NL:HR:2021:387) heeft de Hoge Raad – voor zover relevant – als volgt overwogen:\n\n“3.3.2\n\nWanneer (…) de eerste vervolging betrekking heeft op het door de verdachte begaan zijn van een concreet delict en de tweede vervolging het deelnemen aan een criminele organisatie betreft, staat het ne bis in idem-beginsel in de weg aan die latere vervolging voor het deelnemen aan een criminele organisatie als die deelneming van de verdachte op niets anders betrekking heeft dan het begaan van het concrete delict waarvoor de verdachte al is vervolgd. Het begaan van een concreet delict zal echter slechts in uitzonderlijke gevallen de deelneming aan een criminele organisatie geheel omvatten. Artikel 140 Sr heeft immers betrekking op het deelnemen aan een criminele organisatie die het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. Dat betekent dat het deelnemen door de verdachte zeker niet noodzakelijkerwijs hoeft te bestaan uit het door hem begaan zijn van een (enkel) concreet delict, terwijl artikel 140 Sr ook niet meer eist dan dat de organisatie het oogmerk heeft misdrijven te plegen.\n\n3.3.3\n\nVervolging wegens het deelnemen aan een criminele organisatie is dus in ieder geval wel mogelijk indien de tenlastelegging ook ziet op andere deelnemingsgedragingen dan het begaan zijn van het concrete delict waarvoor de verdachte al is vervolgd en\u002Fof op andere delicten waarop het oogmerk van de organisatie is gericht. (…)”\n\nHet hof ziet zich dan ook voor de vraag gesteld of de in de onderhavige zaak tenlastegelegde deelneming aan een criminele organisatie ‘op niets anders betrekking heeft dan op het begaan van de concrete delicten waarvoor de verdachte eerder is vervolgd’. Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend. Daarbij wordt het volgende vooropgesteld.\n\nIn Hammond I is de verdachte vervolgd wegens – kort gezegd –:\n\nhet (mede)plegen van voorbereidingshandelingen ex artikel 10a van de Opiumwet, gepleegd in de periode van 19 december 2019 tot en met 11 maart 2020 in Zaandam ;\n\nhet (mede)plegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, gepleegd in de periode van 19 december 2019 tot en met 11 maart 2020 in Zaandam ;\n\nhet (mede)plegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, gepleegd op 11 maart 2020 in Zaandam .\n\nIn 26Bluffton is de verdachte vervolgd wegens – kort gezegd –:\n\nhet (mede)plegen van voorbereidingshandelingen ex artikel 10a van de Opiumwet, gepleegd in de periode van 28 april 2020 tot en met 6 augustus 2020 in Montfoort ;\n\nhet (mede)plegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B\u002FD dan wel C, van de Opiumwet gegeven verbod’, gepleegd op 6 augustus 2020 in Montfoort .\n\nIn de onderhavige zaak (Hammond II) is aan de verdachte tenlastegelegd dat hij in de periode van 1 januari 2020 tot en met 16 februari 2021 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. Deze tenlastelegging bestrijkt daarmee een ruimere periode dan die waarvoor de verdachte eerder is vervolgd. Immers, de tenlastegelegde periode van de deelname aan een criminele organisatie ziet tevens op onderstaande tussenliggende periodes :\n\nde periode van 12 maart 2020 tot en met 27 april 2020 en\n\nde periode van 7 augustus 2020 tot en met 16 februari 2021.\n\nMet name in de eerstgenoemde periode heeft reeds vanaf 30 maart 2020 veelvuldig contact plaatsgevonden tussen de gebruikers van de EncroChat-accounts [accountnaam 1] (uit de verklaring van [medeverdachte] blijkt dat hij gebruikmaakte van dat account) en [accountnaam 2] (later is de verdachte als gebruiker van dit account geïdentificeerd). In die berichten wordt ook al gesproken over de productie van synthetische drugs en onderwerpen die daaraan raken, waaronder grondstoffen en apparatuur.\n\nTer illustratie daarvan wijst het hof op:\n\n- EncroChat-berichten van 2 april 2020 waarin [medeverdachte] de verdachte erop wijst dat de dag ervoor weer een groot lab in Friesland is ontmanteld en dat zij (het hof begrijpt: [medeverdachte] en de verdachte) voorzichtiger en goed samen moeten werken, waarop dit door de verdachte wordt beantwoord met een emoticon van een ‘duim omhoog’.\n\n- SkyECC-berichten van 7 juli 2020 waarin [medeverdachte] in een groepschat aangeeft dat hij al 15 jaar ‘draait’ (het hof begrijpt – gelet op de inhoud van andere chatgesprekken en gelet op dossierpagina 1363 van zaaksdossier 2 – dat hiermee op het produceren van synthetische drugs wordt gedoeld) met ‘ [verdachte] ’ (de bijnaam van de verdachte), een lange periode die ook grotendeels buiten de concrete delicten valt waarvoor de verdachte in Hammond I en 26Bluffton reeds is vervolgd.\n\nDergelijke berichten zijn weliswaar niet rechtstreeks te herleiden tot de concrete delicten waarvoor de verdachte eerder is veroordeeld (de labs in Montfoort en Zaandam ) maar kunnen wel degelijk relevant zijn voor het al dan niet bestaan van een criminele organisatie en het oogmerk daarvan, evenals voor verdachtes mogelijke deelneming aan die organisatie.\n\nHet hof concludeert dan ook dat de concrete delicten waarvoor de verdachte in de onderzoeken Hammond I en 26Bluffton reeds is veroordeeld niet de gehele (in de onderhavige zaak tenlastegelegde) deelneming van de verdachte aan een criminele organisatie omvatten.\n\nGelet hierop is het hof van oordeel dat geen sprake is van een vervolging in strijd met het ne bis in idem-beginsel.\n\nOp dezelfde gronden is het hof van oordeel dat geen sprake is van een vervolging die in strijd is met de beginselen van een behoorlijke procesorde, waarbij – anders dan bij de gestelde vervolging in strijd met het ne bis in idem-beginsel – ook nog kan worden opgemerkt dat het bestaan van een criminele organisatie, die immers bestaat uit de onderlinge verbanden daarbinnen, niet zelden pas op een later moment in het onderzoek in volle omvang duidelijk wordt. Ook in zoverre is – anders dan in het door de raadsvrouw aangehaalde voorbeeld waarin éérst wordt vervolgd ter zake van deelneming aan een criminele organisatie en pas daarna voor concrete delicten door die organisatie gepleegd – op voorhand niet onbegrijpelijk dat de verdachte pas later is vervolgd voor zijn deelneming aan deze criminele organisatie, terwijl hij eerder al werd vervolgd wegens concrete delicten waaraan (ook) betekenis toekomt in het kader van de onderhavige verdenking.\n\n Daarbij merkt het hof ten slotte nog op dat aan het Openbaar Ministerie (de officier van justitie) de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. Een dergelijke beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde.\n\nUitzonderlijke gevallen als hiervoor bedoeld, kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij inbreuken op het beginsel van gerechtvaardigd vertrouwen en het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging (het verbod van willekeur), maar daarvan is in het onderhavige geval geen sprake.\n\nGelet op het vorenstaande ziet het hof dan ook geen aanleiding (niet wegens strijd met het ne bis in idem-beginsel noch wegens strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde) om de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging. Het hof verwerpt het verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.\n\n4 Vonnis waarvan beroep\n\nHet hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep met aanvulling van de gronden en met uitzondering van de beslissing van de rechtbank om toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, en aldus de verdachte schuldig te verklaren zonder aan hem een straf op te leggen. In zoverre zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw recht doen. Het hof zal daarbij ook de toepasselijke wettelijke voorschriften vervangen.\n\nVoor wat betreft de gronden vult het hof deze aan met de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, van welke verklaring de inhoud – net als van de bewijsmiddelen van de rechtbank – niet zal worden uitgewerkt gelet op het in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering bepaalde.\n\nHet hof heeft daarbij gelet op de inhoud van de verklaringen van de verdachte, afgelegd op de terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep, alsmede op de procespositie van de verdediging. Het hof neemt daarbij voorts in aanmerking dat in hoger beroep – met uitzondering van een (formeel) verweer strekkende tot de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging – door de verdediging expliciet is verzocht het vonnis van de rechtbank, waaronder mede begrepen de daarin gehanteerde bewezenverklaring en bewijsvoering, te bevestigen en dat daarbij slechts een straftoemetingsverweer is gevoerd.\n\n5. Op te leggen straf\n\n5.1. \n\nStandpunt verdediging\n\nDe verdediging heeft bepleit dat het hof de verdachte schuldig zal verklaren zonder aan hem een straf op te leggen. Daartoe is – kort weergegeven – bepleit dat de verdachte voor zijn betrokkenheid bij de labs Zaandam (Hammond I, in cassatieberoep maar geen cassatiemiddelen ingediend terwijl de termijn daarvoor reeds verstreken is en de Hoge Raad dit cassatieberoep niet-ontvankelijk zal verklaren) en Montfoort (26Bluffton, inmiddels onherroepelijk) in totaal al een gevangenisstraf van 10 jaren opgelegd heeft gekregen.\n\nVerder is sprake van tijdsverloop, een bekennende proceshouding, is de verdachte de afgelopen 7 jaar niet in aanraking met politie of justitie gekomen en zijn de persoonlijke omstandigheden van de verdachte – in het bijzonder zijn leeftijd en gezondheid – zodanig dat een gevangenisstraf de verdachte zwaarder zal treffen dan een gezonde verdachte.\n\nDaarbij is voorts bepleit niet – zoals door de advocaat-generaal is gevorderd – over te gaan tot oplegging van een geldboete, nu de verdachte nog een schuld van € 200.000,00 heeft en hij minimaal 66 jaar oud is wanneer hij uit de gevangenis zou komen met daardoor – mede vanwege zijn medische situatie – nauwelijks tot geen verdiencapaciteit. Oplegging van een geldboete zou daarom de facto neerkomen op een extra ‘gevangenisstraf’ omdat de verdachte dan vervangend gehecht zou worden, aldus de verdediging\n\n5.2. \n\nOordeel hof\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\n5.2.1. \n\nAard en ernst van de feiten\n\nHet feit dat ten laste van de verdachte bewezen is verklaard, heeft betrekking op deelneming aan een criminele organisatie, waarvan is vastgesteld dat die niet alleen het oogmerk had om feiten zoals bedoeld in artikel 10 en 10a van de Opiumwet te plegen, maar in welk verband dergelijke feiten ook daadwerkelijk zijn gepleegd.\n\nHet hof waagt zich niet aan een rangorde voor wat betreft de schadelijkheid van verschillende soorten synthetische drugs waarmee deze criminele organisatie – waaronder de verdachte in het bijzonder – zich bezighield, maar het is een feit van algemene bekendheid dat metamfetamine in ieder geval behoort tot een van de meer schadelijke varianten. Niet alleen voor wat betreft de toxiciteit (zowel acuut als chronisch) heeft metamfetamine een zeer schadelijk effect op de gezondheid van de gebruikers. Ook heeft het een hoog verslavingspotentieel, nog daargelaten de negatieve sociaaleconomische gevolgen (verlies van werk of woonruimte, al dan niet als indirect gevolg van verstoorde sociale verhoudingen of relaties) die een dergelijke verslaving met zich kan brengen.\n\nDe productie van, de handel in en het gebruik van dergelijke harddrugs leidt bovendien tot vele andere vormen van ernstige en ondermijnende criminaliteit en vormt (direct of indirect) een bron van overlast voor de samenleving. De belangen in de handel en productie worden niet zelden beschermd door gebruikmaking van geweld en\u002Fof bedreiging daarmee, en ook van het witwassen van de winsten gaat een corrumperende en ondermijnende werking uit voor de economie en – daarmee – de maatschappij.\n\nTen slotte gaat de productie van dergelijke harddrugs regelmatig gepaard met gevaren voor de directe omgeving. Daarbij valt in ieder geval te denken aan brandgevaar, ontploffingsgevaar en gevaar voor het vrijkomen van giftige gassen. De opgeslagen en gebruikte (vaak zware) chemicaliën zijn immers aan ieder vorm van controle of handhaving onttrokken. Maar ook schade als gevolg van illegale dumpingen en lozingen van drugsafval zijn een grote maatschappelijke kostenpost. De verdachte heeft er geen blijk van gegeven acht te hebben geslagen op deze gevaren en gevolgen.\n\n5.2.2. \n\nRol verdachte\n\nTen laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het deelnemen aan een criminele organisatie die als oogmerk heeft het plegen van Opiumwetdelicten, in het bijzonder gericht op de productie van synthetische drugs. De verdachte heeft in die criminele organisatie niet slechts een noodzakelijke\u002Fonmisbare rol vervuld bij de concrete delicten die door de organisatie werden voorbereid en uitgevoerd, maar ook een moeilijk vervangbare rol. De verdachte fungeerde immers als ‘ kok ’ en leverde de kennis en kunde voor de eigenlijke productie van de metamfetamine, waaronder kennis over alles dat nodig was om deze productie op te starten en door te laten draaien. Hoe belangrijk zijn kennis was, blijkt wel uit het berichtenverkeer met betrekking tot alles wat er ontbrak en niet goed was aan de productielocatie in Montfoort . Hoewel de verdachte daarmee formeel geen aansturende rol had, bepaalde hij wel degelijk in belangrijke mate wat er nodig was en kwam de organisatie ook in beweging wanneer hij iets nodig had.\n\n5.2.3. \n\nPersoonlijke omstandigheden\n\nHet hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 15 april 2026, betreffende het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit blijkt dat hij – voorafgaand aan het bewezenverklaarde – meermalen onherroepelijk is veroordeeld ter zake van Opiumwetdelicten, meer in het bijzonder voor harddrugsfeiten.\n\nVoorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Uit het onderzoek ter terechtzitting is hieromtrent gebleken dat de verdachte kanker heeft, leeft met een stoma, en arbeidsongeschikt is geraakt. Wel krijgt hij thuiszorg en bijstand van zijn vrouw, die werkt. Naar aanleiding van zijn medische problematiek heeft hij ook psychologische klachten ontwikkeld. Verder wordt de verdachte – zo blijkt uit het advies van een medisch adviseur van de DJI d.d. 5 maart 2026 – detentiegechikt geacht op voorwaarde van initiële plaatsing in het Justitieel Centrum voor Somatische Zorg (JCvSZ).\n\n5.2.4. \n\nStraf\n\nUit het hiervoor aangehaalde arrest van de Hoge Raad d.d. 23 maart 2021 (ECLI:NL:HR:2021:387) blijkt dat ‘de eventueel in de eerste vervolging voor het begaan van het concrete delict opgelegde straffen een voor de straftoemeting relevante omstandigheid kunnen vormen bij een latere vervolging en veroordeling voor het deelnemen aan een criminele organisatie’. Het hof ziet ook in de onderhavige zaak aanleiding om bij de strafoplegging rekening te houden met het feit dat de verdachte eerder is bestraft wegens zijn strafbare betrokkenheid bij de drugslabs in Zaandam (Hammond I) en Montfoort (26Bluffton), en verdachtes deelneming aan een criminele organisatie in overwegende mate – hoewel niet uitsluitend – berust op zijn betrokkenheid bij die drugslabs. In die eerdere bestraffingen ziet het hof aanleiding om in de onderhavige zaak aan de verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.\n\nAlles afwegende is het hof van oordeel dat oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden is. Het hof ziet daarbij in het geval van de verdachte, gelet op zijn leeftijd, medische situatie en veroordelingen in Hammond I en 26Bluffton, geen aanleiding om naast deze voorwaardelijke gevangenisstraf ook een geldboete aan de verdachte op te leggen.\n\nMet het opleggen van een voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.\n\nAnders door de verdediging bepleit ziet het hof geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Het hof acht het feit waarvoor de verdachte wordt veroordeeld (mede bezien tegen de achtergrond van zijn relevante recidive) daarvoor te ernstig en zijn rol daarin te bepalend. Ook de persoonlijkheid van de verdachte, de omstandigheden waaronder het feit is begaan dan wel die zich nadien hebben voorgedaan, maken niet dat het hof dat een passende afdoening acht.\n\n5.3. Redelijke termijn5.3.1. \n\nDuur van de redelijke termijn in hoger beroep\n\nDe advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat in de onderhavige zaak een redelijke termijn moet worden gehanteerd die langer is dan de gebruikelijke redelijke termijn, wegens de complexiteit van het onderzoek, zodanig dat geen sprake is van een overschrijdingvan de redelijke termijn en derhalve evenmin een vermindering van de op te leggen straf dient plaats te vinden.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHoewel het klopt dat een redelijke termijn van – in de onderhavige zaak – 24 maanden slechts een uitgangspunt vormt waarvan kan worden afgeweken (zie HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rov. 3.13.1) acht het hof geen omstandigheden aanwezig die daartoe aanleiding geven.\n\nDe onderhavige zaak en de zaken tegen de medeverdachten zijn misschien niet eenvoudig en compact van aard, maar gelet op het beperkte aantal feitencomplexen en medeverdachten niet zodanig dat deze een langere redelijke termijn rechtvaardigen. Bovendien blijkt uit het schriftelijk requisitoir in eerste aanleg nu juist dat het (alomvattende) Hammond nu juist in verschillende delen is opgesplitst om de individuele onderzoeken (Hammond I, II (en 26Bluffton) en III) behapbaar te houden.\n\nOok de invloed van de verdediging op het procesverloop maakt dit niet anders. In de onderhavige zaak zijn immers geen onderzoekswensen ingediend.\n\nHet hof merkt daarbij op dat de eerste regiezitting in hoger beroep pas in augustus 2024 heeft plaatsgevonden en aldus ongeveer 1,5 jaar na het instellen van hoger beroep door de officier van justitie en de verdediging. Dat heeft ten dele te maken met de agenda’s van het hof en de verdediging maar mag niet voor rekening van de verdachte komen.\n\nConcluderend gaat het hof dan ook uit van een redelijke termijn van 24 maanden voor de behandeling van de onderhavige zaak in hoger beroep.\n\n5.3.2. \n\nOverschrijding van de redelijke termijn\n\nDe redelijke termijn in eerste aanleg is aangevangen op 11 januari 2022 met de uitreiking van de inleidende dagvaarding aan de verdachte in persoon, en geëindigd op 8 februari 2023 met het wijzen van het vonnis waarvan beroep door de rechtbank. Aldus is geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg.\n\nDe redelijke termijn in hoger beroep is aangevangen op 22 februari 2023 met het instellen van hoger beroep door de officier van justitie en eindigt heden, 25 juni 2026, met het wijzen van het onderhavige arrest. De redelijke termijn van 24 maanden is daarmee in hoger beroep overschreden met ongeveer 16 maanden. Van bijzondere omstandigheden die deze overschrijding kunnen rechtvaardigen is het hof niet gebleken.\n\nGelet op de aard en duur van de op te leggen straf zal het hof echter volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden.\n\n6. Toepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op artikel 11b van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c en 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nvernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing van de rechtbank om toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van8 (acht) maanden;\n\nbepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;\n\nbevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. A.M.G. Smit, voorzitter,\n\nmr. N.I.B.M. Buljevic en mr. M. van der Horst, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. J.A.A. Vulto, griffier,\n\nen op 25 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\n PD verdachte [medeverdachte] , p. 187 e.v. proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 15 september 2021 om 11.22 uur.\n\n ZD2, p. 876 t\u002Fm 888 proces-verbaal identificatie gebruiker EncroChatnaam [accountnaam 2] , op ambtseed opgemaakt en ondertekend d.d. 11 februari 2021.\n\n ZD2, p. 1240 e.v..\n\n ZD2, p. 1244.\n\n ZD5, p. 224 proces-verbaal van bevindingen sky groepschat Montfoort proces-verbaalnummer 26-Hammond-02747.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1787","2026-07-13T00:29:17.066Z",{"id":190,"ecli":191,"slug":192,"caseNumber":44,"courtId":83,"decisionDate":193,"fullText":194,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":195,"sourceTimestamp":66,"parsedAt":51,"updatedAt":196},"1228","ECLI:NL:RBROT:2026:8070","ecli-nl-rbrot-2026-8070","2026-06-23T00:00:00.000Z","Rechtbank Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummers: 10\u002F089597-22 en 10\u002F243807-21 (gevoegd ter terechtzitting)\n\nDatum uitspraak: 23 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 2000 in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven op het adres: [adres 1] , [postcode] te [woonplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. A.H.J. Strak\n\nOfficier van justitie: mr. R.J.E. Planken\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte heeft een woninginbraak gepleegd en 5,1 gram cocaïne vervoerd. De rechtbank veroordeelt de verdachte voor deze feiten tot een gevangenisstraf die gelijk is aan de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht, te weten 12 dagen. Daarnaast wordt aan de verdachte een taakstraf opgelegd voor de duur van 100 uren. Bij de strafoplegging heeft de rechtbank rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn en artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.1. Tenlastelegging\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:\n\nParketnummer 10\u002F089597-22\n\nhij op of omstreeks 8 april 2022 te Krimpen aan den IJssel,\n\ntezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen\n\nin een woning, te weten een woning gelegen aan de [adres 2] te Krimpen aan den IJssel, alwaar verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en),\n\neen hoeveelheid contant geld, een of meerdere waardebonnen, een autosleutel en\u002Fof een fietssleutel, in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n)\n\nheeft weggenomen\n\nmet het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,\n\nterwijl verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft\u002Fhebben verschaft en\u002Fof die weg te nemen goederen onder zijn\u002Fhun bereik heeft\u002Fhebben gebracht door middel van braak, verbreking en\u002Fof inklimming.\n\nParketnummer 10\u002F243807-21\n\nhij op of omstreeks 11 september 2021 te Rotterdam\n\nopzettelijk\n\nheeft verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd,\n\nin elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,\n\nongeveer 7,01 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor beide feiten.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdachte moet worden vrijgesproken ten aanzien van het ten laste gelegde vervoer van de cocaïne. Voor het overige heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen\n\nBewezen is dat de verdachte beide feiten heeft gepleegd. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.2.\n\nDe bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. Dit verkorte vonnis bevat geen bewijsmiddelen. Als hoger beroep wordt ingesteld, zal het vonnis worden aangevuld met een bijlage met daarin de inhoud van de bewijsmiddelen.2.3.2.. Volledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nParketnummer 10\u002F089597-22\n\nhij op of omstreeks8 april 2022 te Krimpen aan den IJssel,\n\ntezamen en in vereniging met een of meeranderen,althans alleen\n\nin een woning, te weten een woning gelegen aan de [adres 2] te Krimpen aan den IJssel, alwaar verdachte en\u002Fofzijn mededader(s)zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en),\n\neen hoeveelheid contant geld, een ofmeerdere waardebonnen, een autosleutel en\u002Fofeen fietssleutel,in elk geval enig goed, diegeheel of ten deleaan [slachtoffer], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s)toebehoorde(n)\n\nheeft weggenomen\n\nmet het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,\n\nterwijl verdachte en\u002Fofzijn mededader(s)zich de toegang tot de plaats van het misdrijfheeft\u002Fhebben verschaft en\u002Fofdie weg te nemen goederen onderzijn\u002Fhun bereikheeft\u002Fhebben gebracht door middel van braak, verbrekingen\u002Fofinklimming.\n\nParketnummer 10\u002F243807-21\n\nhij op of omstreeks11 september 2021 te Rotterdam\n\nopzettelijk\n\nheeft verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fofvervoerd,\n\nin elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,\n\nongeveer 7,01 gram, in elk gevaleen hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nDe bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:\n\nParketnummer 10\u002F089597-22\n\ndiefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming;\n\nParketnummer 10\u002F243807-21\n\nopzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van de feiten en van de verdachte\n\nDe feiten en de verdachte zijn strafbaar.4. Straffen4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet voor de feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 dagen met aftrek van voorarrest en een taakstraf voor de duur van 100 uur.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht geen gevangenisstraf aan de verdachte op te leggen van een langere duur dan de tijd die hij al heeft doorgebracht in voorarrest en daarnaast eventueel een taakstraf.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een woninginbraak. Dit is een ernstig feit. Het moet heel beangstigend zijn geweest voor de bewoner om te ontdekken dat vreemden zijn woning zijn binnengedrongen en daar goederen hebben gestolen. Daarnaast veroorzaken dergelijke feiten gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het vervoeren van harddrugs. Het is algemeen bekend dat het gebruik van verdovende middelen zoals cocaïne grote risico’s voor de gezondheid oplevert. De verspreiding van en handel in drugs gaan bovendien gepaard met vele andere vormen van criminaliteit en geweld. Met zijn handelen heeft de verdachte bijgedragen aan het in stand houden van dit ernstige maatschappelijke probleem.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 1 juni 2026 blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor een poging tot woninginbraak en voor overtreding van de Opiumwet. Daarnaast houdt de rechtbank er in het voordeel van de verdachte rekening mee dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.\n\nRapport van de reclassering\n\nIn het rapport van de Reclassering Nederland staat het volgende.\n\nDe verdachte heeft niet mee willen werken aan het opstellen van het reclasseringsadvies en daardoor is er weinig zicht op de criminogene factoren van de verdachte. Uit dossieronderzoek en de politieverklaring van de verdachte komt naar voren dat bij de verdachte mogelijk sprake is van problemen op het gebied van financiën, het ontbreken van een zinvolle dagbesteding en een negatief sociaal netwerk. Bovendien zijn er ook signalen van middelengebruik. Het risico op recidive kan niet worden ingeschat. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen aan de verdachte, omdat zij geen mogelijkheden ziet om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen.4.3.3.. \n\nRedelijke termijn\n\nDe verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval in de zaak met parketnummer 10\u002F089597-22 gestart op 9 april 2022, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. In de zaak met parketnummer 10\u002F243807-21 is de redelijke termijn gestart op 12 september 2021, omdat de verdachte toen als verdachte is gehoord. Tot aan de datum van dit vonnis is in beide zaken een periode van ruim 4 jaar verstreken. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaken twee jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden. De rechtbank zal hier rekening mee houden bij de strafoplegging.4.3.4.. Oplegging straf\n\nStraf\n\nBij het bepalen van de strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS-oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in\n\nvergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het\n\nbepalen van de straf. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de overschrijding van de redelijke termijn en artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. Alles afwegend vindt de rechtbank, net als de officier van justitie, een combinatie van een taakstraf en een gevangenisstraf die gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht passend.\n\nAan de verdachte wordt opgelegd een gevangenisstraf van 12 dagen met aftrek van voorarrest en een taakstraf voor de duur van 100 uur.\n\n5. In beslag genomen voorwerpen5.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat het geldbedrag dat in beslag is genomen in de zaak met parketnummer 10\u002F243807-21 verbeurd moet worden verklaard en dat de voorwerpen die in de zaak met parketnummer 10\u002F089597-22 in beslag zijn genomen, moeten worden teruggeven aan de rechthebbende.5.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft ten aanzien van het beslag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.5.3.. Oordeel van de rechtbank5.3.1.. \n\nVerbeurdverklaring\n\nAls bijkomende straf voor het onder parketnummer 10\u002F243807-21 ten laste gelegde wordt het in beslag genomen geldbedrag van € 420,- verbeurdverklaard, omdat dit geldbedrag door middel van het strafbare feit is verkregen.5.3.2.. \n\nTeruggave\n\nDe rechtbank beslist tot de teruggave van € 27,20,-, 2 STK Waardebon, 1 STK Munt, 1 STK Foto en 1 STK Manchetknoop aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, namelijk [slachtoffer] . Deze voorwerpen zijn in beslag genomen onder parketnummer 10\u002F089597-22.6. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straffen en maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 22c, 22d, 33, 33a, 57, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.7. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte de feiten onder parketnummers 10\u002F089597-22 en 10\u002F243807-21, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraffen en maatregel\n\nGevangenisstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 12 dagen;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;\n\nTaakstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 100 uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;\n\nbeveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van 50 dagen;\n\nIn beslag genomen voorwerpen\n\n- verklaart € 420,-verbeurd voor het feit onder parketnummer 10\u002F243807-21;\n\n- beveelt de teruggave van € 27,20,-, 2 STK Waardebon, 1 STK Munt, 1 STK Foto en 1 STK Manchetknoop aan de rechthebbende.8. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. R.H. Kroon, voorzitter,\n\nen mrs. J.C. Tijink en Y. Peters, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. L.R. van Zaanen, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 23 juni 2026.\n\nMr. J.C. Tijink is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:8070","2026-07-13T00:29:11.097Z",{"id":198,"ecli":199,"slug":200,"caseNumber":44,"courtId":83,"decisionDate":201,"fullText":202,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":203,"sourceTimestamp":201,"parsedAt":51,"updatedAt":204},"1505","ECLI:NL:RBROT:2026:7032","ecli-nl-rbrot-2026-7032","2026-06-18T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 26\u002F4414\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 juni 2026 in de zaak tussen\n [verzoeker], uit [plaatsnaam], verzoeker\n\n(gemachtigde: mr. Z. Badrane),\n\nen\n\nde burgemeester van Goeree-Overflakkee\n\n(gemachtigde: mr. R. van Achteren).\n\nSamenvatting\n\nDe burgemeester wil verzoekers woning sluiten vanwege het aantreffen van een handelshoeveelheid harddrugs, versnijdingsmiddel, drugsgerelateerde spullen en een groot geldbedrag. Ook heeft de politie meldingen ontvangen over de handel in drugs vanuit verzoekers woning. Verzoeker heeft in het verleden al een last onder dwangsom opgelegd gekregen omdat hij ’s nachts een handelshoeveelheid harddrugs in zijn auto had. De voorzieningenrechter vindt dat de burgemeester nu een zwaardere maatregel mocht opleggen. Verder zijn de gevolgen van de sluiting niet onevenwichtig. Verzoeker woont in een koopwoning, waardoor hij na de sluiting in beginsel zal kunnen terugkeren naar de woning. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.\n\nProcesverloop\n\n1. Met het bestreden besluit van 7 mei 2026 heeft de burgemeester verzoekers woning gesloten voor zes maanden vanwege een overtreding van de Opiumwet.Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n2. De burgemeester heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.\n\n3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de burgemeester.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\nWat is er gebeurd?\n\n4. Verzoeker woont op het adres [adres]. Hij is ook de eigenaar van deze woning.\n\n5. De politie heeft medio maart 2026 twee meldingen ontvangen dat verzoeker (mogelijk) zou dealen. De politie heeft op 20 maart 2026 gepost, waarbij is gezien dat verzoeker met een schoudertas naar een bepaald adres gaat. De politie heeft met een machtiging verzoekers woning geforceerd en bij het binnentreden zagen ze een ponypack met opdruk. Verzoeker is vervolgens door de politie vanaf het andere adres meegenomen naar zijn woning. De politie heeft de volgende zaken in verzoekers woning aangetroffen: 39,1 gram cocaïne (waarvan 24,4 gram verpakt in 16 ponypacks; 15 van de ponypacks zijn aangetroffen in eerdergenoemde schoudertas), 4,4 gram hennep, 224,7 gram inositol (versnijdingsmiddel), een grammenweegschaal, een kom en vijzel, en een pak met ponypack vouwblaadjes. Verder zat er € 550,- aan briefgeld in de schoudertas en had verzoeker € 2.720,- aan contant geld in zijn broekzak. Dit blijkt uit een bestuurlijke rapportage van 23 maart 2026.\n\nWaar gaat het in deze zaak om?\n\n6. Naar aanleiding van de bestuurlijke rapportage heeft de burgemeester besloten om verzoekers woning te sluiten voor zes maanden. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat hij in zijn woning mag blijven wonen totdat er beslist is op zijn bezwaarschrift. De burgemeester heeft toegezegd dat de woning open blijft tot de uitspraak van de voorzieningenrechter.\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek af\n\n7. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\nIs er een spoedeisend belang?\n\n8. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter dient eerst te bepalen of er sprake is van een spoedeisend belang, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.\n\n9. De voorzieningenrechter vindt dat het spoedeisend belang voldoende aannemelijk is. Als er geen voorlopige voorziening wordt getroffen, heeft verzoeker immers de komende zes maanden geen toegang tot zijn woning.\n\nBeoordelingskader\n\n10. Op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen harddrugs wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.\n\n11. De burgemeester voert beleid om de handel in drugs in Goeree-Overflakkee tegen te gaan. Dit beleid staat in de Beleidsregel Damoclesbeleid gemeente Goeree-Overflakkee 2019. In dit beleid staat in welke gevallen de burgemeester in beginsel overgaat tot sluiting van een woning. Volgens dit beleid wordt een woning voor zes maanden gesloten als er een handelshoeveelheid harddrugs wordt aangetroffen.\n\nBevoegdheid, geschiktheid en noodzaak\n\n12. De politie heeft in verzoekers woning in ieder geval 14,7 gram harddrugs aangetroffen. Dit is een handelshoeveelheid. Daarnaast had verzoeker nog 15 ponypacks met harddrugs bij zich in zijn schoudertas. Dat de harddrugs voor eigen gebruik was, volgt de voorzieningenrechter niet. De voorzieningenrechter vindt het aannemelijk dat verzoeker heeft gehandeld in harddrugs in of vanuit zijn woning. Er is een grote hoeveelheid harddrugs aangetroffen (er was geen sprake van een geringe overschrijding van de handelshoeveelheid), de drugs waren verpakt in meerdere ponypacks, er zijn drugsgerelateerde spullen aangetroffen (versnijdingsmiddel, grammenweegschaal, een kom, een vijzel en een pak met ponypacks) en er zijn twee meldingen over de handel in drugs door verzoeker vanuit zijn woning. Daarnaast was verzoeker in het bezit van een groot geldbedrag. Verzoeker zou dit geld hebben gekregen van zijn ouders (als bijdrage in de vaste lasten), door de verkoop van zijn auto aan zijn moeder en door de verkoop van enkele persoonlijke (luxe) goederen, maar verzoeker heeft dit niet met verifieerbare bewijsstukken onderbouwd. Dit alles maakt dat de burgemeester in beginsel bevoegd was om de woning te sluiten.\n\n13. Voor de voorzieningenrechter staat verder buiten kijf dat het voor de openbare orde en het woon- en leefklimaat beter zou zijn als verzoekers woning voor langere tijd zou worden gesloten; sluiting van de woning is met andere woorden een geschikt middel om dat doel te bereiken. De voorzieningenrechter ziet bovendien niet in dat in dit geval dat doel zonder meer met een minder ingrijpend middel, zoals een waarschuwing of een last onder dwangsom, zou kunnen worden bereikt. De burgemeester heeft in 2023 al een last onder dwangsom aan verzoeker opgelegd, omdat hij ’s nachts een handelshoeveelheid cocaïne bij zich had in de auto (21 ponypacks) en € 800,-. De voorzieningenrechter vindt dat de burgemeester nu een zwaardere maatregel mocht opleggen. Het betreft bovendien een ernstig geval, waarbij de sluiting er onder meer op is gericht om de bekendheid van de woning in het criminele circuit te doorbreken, herhaling te voorkomen en de loop op de woning eruit te halen om zo het woon- en leefklimaat in de wijk te herstellen. Sluiting van de woning kan dus noodzakelijk worden geacht.\n\nEvenwichtigheid\n\n14. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid moeten de voor verzoeker nadelige gevolgen van de sluiting worden afgewogen tegen de doelen die de burgemeester met de sluiting wil bereiken.\n\n15. Verzoeker voert aan dat de sluiting van zijn woning niet evenwichtig is. Hij zal door de sluiting dakloos worden. Hij kampt met een drugsverslaving en zal door dakloosheid in een neerwaartse spiraal terechtkomen. Verzoeker heeft na de inval in zijn woning gelijk hulp gezocht en is al enige tijd clean. Hij is sinds kort gaan werken in het bedrijf van zijn broer. Volgens verzoeker zou een woningsluiting deze positieve verandering doorkruisen.\n\n16. De voorzieningenrechter vindt de gevolgen van de sluiting in dit geval niet onevenwichtig. Verzoeker kan een verwijt worden gemaakt van de aangetroffen harddrugs in zijn woning. Daarnaast heeft verzoeker een koopwoning, waardoor hij – anders dan mensen die een sociale huurwoning huren – na de sluiting in beginsel niet geconfronteerd zal worden met verdergaande maatregelen waardoor hij zijn woning definitief dreigt te verliezen. Op dit moment in ieder geval niet gebleken dat de sluiting gevolgen heeft voor de hypotheek. Gelet op de grote hoeveelheid harddrugs heeft de burgemeester de belangen bij sluiting van de woning zwaarder mogen laten wegen dan de belangen van verzoeker bij het voortgezet gebruik van de woning.\n\n17. De sluiting van de woning is een inmenging als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het EVRM. De bevoegdheid van de burgemeester tot het gelasten van de sluiting van de woning is neergelegd in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet en daarom bij de wet voorzien. De sluiting dient daarnaast een legitiem doel, namelijk het herstel van de openbare orde. Zoals onder 11 al is geoordeeld, mocht de burgemeester de sluiting van de woning noodzakelijk achten en heeft hij niet hoeven volstaan met een lichtere maatregel. De sluiting van de woning is daarom ook niet in strijd met artikel 8 van het EVRM.\n\nConclusie en gevolgen\n\n18. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de burgemeester verzoekers woning mag sluiten. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 18 juni 2026.\n\nDe griffier is verhinderd de uitspraak\n\nte tekenen\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7032","2026-07-13T00:29:24.398Z",21,20,[11,208,209,210,211],2025,2024,2023,2022]