[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-drug-offences-nl-2026":3},{"detail":4,"years":207},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":205,"page":14,"limit":206},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},110,"drug-offences-nl","Drug Offences","NL","2026-07-08T16:56:56.630Z",2026,[13,16,18,20,22,25,27,30,31,33,35,37],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":14},2,{"month":19,"count":14},3,{"month":21,"count":14},4,{"month":23,"count":24},5,6,{"month":24,"count":26},8,{"month":28,"count":29},7,12,{"month":26,"count":15},{"month":32,"count":15},9,{"month":34,"count":15},10,{"month":36,"count":15},11,{"month":29,"count":15},[39,52,59,68,75,83,90,99,106,113,121,129,137,146,154,163,172,180,189,197],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":50,"updatedAt":51},"300","ECLI:NL:GHDHA:2026:2249","ecli-nl-ghdha-2026-2249","",58,"2026-07-08T00:00:00.000Z","Rolnummer: 22-000722-24\n\nParketnummer: 09-238193-21\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 23 februari 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van voorarrest.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\nhij op of omstreeks 3 september 2021 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd en\u002Fof aanwezig heeft gehad, een grote hoeveelheid, in ieder geval 271,3 kilogram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van voorarrest.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het aan de verdachte ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Hiertoe heeft zij, kort en zakelijk weergegeven gesteld dat het gezien het feit dat de verdachte op enig moment bij de bestelbus is geweest, enkele (sport)tassen in de bestelbus open waren en de (sport)tassen in de bestelbus naar hun uiterlijke verschijningsvorm hoeveelheden verdovende middelen bevatten, niet anders kan zijn dan dat de verdachte moet hebben geweten dat er verdovende middelen in die tassen zaten.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nUit het dossier en de camerabeelden volgt dat de verdachte samen met twee medeverdachten meer dan twintig in plastic gewikkelde gesloten sporttassen, nadat deze uit een bestelbus waren geladen, in het appartementencomplex waar hij op dat moment woonachtig was, heeft binnengebracht en in en uit een lift heeft getild. De politieambtenaren die na een melding die nacht, kort daarna ter plaatse kwamen, troffen in die bestelbus een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne aan, in hoeveelheden van ongeveer één kilogram verpakt in (deels) vergelijkbare sporttassen, zoals die ook op camerabeelden van de lift achteraf zijn waargenomen, en in bigshoppertassen. Anders dan de op de camerabeelden van de lift waargenomen sporttassen, waren de in de bestelbus aangetroffen sporttassen geopend waardoor de daarin verpakte pakketten van een materiaal bevattende cocaïne zichtbaar waren. In de woning van de verdachte zijn de volgende dag lege sporttassen aangetroffen die uiterlijke gelijkenissen vertonen met de sporttassen die de verdachten het appartementencomplex in hebben gebracht. De speurhond verdovende middelen gaf bij deze sporttassen een signaal af. De verdachte heeft zich aanvankelijk op zijn zwijgrecht beroepen. Op enig moment heeft hij verklaard dat hij in de veronderstelling verkeerde dat de door hem en zijn medeverdachten naar binnengebrachte en gesjouwde sporttassen elektronica\u002F iPhones bevatten. Hoewel die verklaring vragen oproept, en er sprake is van uitermate verdachte omstandigheden die het strafvorderlijk ingrijpen jegens de verdachte op zichzelf zeker rechtvaardigden, bevat het strafdossier naar het oordeel van het hof niettemin onvoldoende wettig bewijs dat de verdachte wetenschap had van de inhoud van de (sport)tassen die in de bestelbus aan zijn getroffen, dan wel van de inhoud van de sporttassen die hij het appartementencomplex in heeft gebracht.\n\nIn dit verband is vooraleerst van belang dat de in het appartementencomplex gebrachte sporttassen niet zijn aangetroffen, zodat de inhoud daarvan niet onderzocht is en hoogstens op basis van de uit het dossier kenbare omstandigheden kan worden geoordeeld dat de inhoud van die tassen gelijk moet zijn geweest aan de inhoud van de in de bestelbus aangetroffen (sport)tassen. Daarvan in het hiernavolgende veronderstellenderwijs uitgaande oordeelt het hof als volgt.\n\nIn de laadruimte van de bestelbus zijn zwarte sporttassen en bigshoppertassen aangetroffen. Volgens de verbalisant die deze tassen aantrof en die met een zaklamp in de laadruimte scheen, waren diverse tassen open en waren daarin groene en grijze blokken van ongeveer 30x30 centimeter en ongeveer 10 centimeter dik te zien. Volgens verdere bevindingen is op camerabeelden, gericht op de bestelbus, zichtbaar dat de verdachte op enig moment een deurgreep van de bestelbus vast heeft gehouden en de deur van de bestelbus heeft geopend.\n\nHoewel de verdachte aldus op dat moment bij de bestelbus is te plaatsen, volgt uit deze bevindingen niet dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de verpakte hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne in de laadruimte van de bestelbus wel gezien moet hebben. Uit het overigens ter terechtzitting verhandelde volgt evenmin dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte op andere gronden op de hoogte moet zijn geweest van het feit dat de (sport)tassen in de bestelbus verdovende middelen bevatten, althans dat de verdachte redelijkerwijs de aanmerkelijke kans dat dit het geval was heeft aanvaard. Het dossier bevat op dit punt ook geen voor de verdachte belastende verklaringen van medeverdachten of getuigen of telefoonverkeer.\n\nNu voldoende bewijs ontbreekt voor de wetenschap van de verdachte, ook in voorwaardelijke zin, dat het hier om een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne zou gaan kan niet worden bewezen dat de verdachte een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne opzettelijk, al dan niet in vereniging, heeft afgeleverd, verstrekt, vervoerd of aanwezig heeft gehad, zodat de verdachte van het ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nDit arrest is gewezen door mr. E.C. van Veen, als voorzitter, mr. M.C. Bruining en mr. F.W. Pieters, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2249","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:23.369Z",{"id":53,"ecli":54,"slug":55,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":56,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":57,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":50,"updatedAt":58},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250","Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","2026-07-13T00:28:23.180Z",{"id":60,"ecli":61,"slug":62,"caseNumber":43,"courtId":63,"decisionDate":64,"fullText":65,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":66,"sourceTimestamp":64,"parsedAt":50,"updatedAt":67},"1224","ECLI:NL:RBROT:2026:8069","ecli-nl-rbrot-2026-8069",61,"2026-07-07T00:00:00.000Z","Rechtbank Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10\u002F043912-23\n\nDatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nDatum zitting: 23 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1988 in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven op het adres [adres] , [postcode] te [woonplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. S.D. Polat\n\nOfficier van justitie: mr. T. Lucas\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte wordt vrijgesproken van het medeplegen van valsheid in geschrift, het medeplegen van witwassen en meineed. Hij wordt veroordeeld voor het medeplegen van het aanwezig hebben van 11,51 gram cocaïne. Aan de verdachte wordt een taakstraf opgelegd van 30 uren met aftrek van voorarrest. Bij de strafoplegging is rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn en artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. Het geldbedrag dat bij de verdachte in beslag is genomen zal aan hem worden teruggegeven.1. Tenlastelegging\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat\n\n1\n\nhij in of omstreeks de periode van 14 januari 2022 tot en met 18 januari 2022 te Amersfoort, althans in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,\n\nopzettelijk\n\nheeft geteeld en\u002Fof bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd,\n\nin elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,\n\nongeveer 11,51 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal\n\nbevattende cocaïne,\n\nzijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.\n\n2\n\nHij in of omstreeks de periode van 18 januari 2022 tot en met 28 februari 2024 te Leusden en\u002Fof Rotterdam, althans in Nederland,\n\n(van) een Rolex horloge, althans een voorwerp- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en\u002Fof de verplaatsing heeft\n\nverborgen en\u002Fof heeft verhuld, dan wel\n\n- heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat \u002Fdie\n\nvoorwerp(en) was\u002Fwaren,\n\nen\u002Fof\n\n- heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld wie dat\u002Fdie voorwerp(en) voorhanden had(den)\n\n- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet,\n\nen\u002Fof\n\n- gebruik heeft gemaakt\n\nterwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.\n\n3\n\nHij in of omstreeks de periode 18 januari 2022 tot en met 28 februari 2024 te\n\nRotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,\n\nmeermalen althans eenmaal\n\nopzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals en\u002Fof vervalst geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten\n\neen (afschrift van) een factuur met datum 11 februari 2021 van [horlogewinkel] met\n\nfactuurnummer [factuurnummer]\n\nals ware het echt en onvervalst, door\n\ndeze aan de politie over te leggen, althans te doen overleggen.\n\n4\n\nHij op of omstreeks 20 december 2023 te Rotterdam, althans in Nederland,\n\nin een geval waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vorderde\n\nen\u002Fof daaraan rechtsgevolgen verbond, te weten\n\nter terechtzitting van de rechtbank Rotterdam op 20 december 2023 (zaaknr.\u002Frolnr. C\u002F10\u002F652291 \u002F HA ZA 23-129) als getuige gehoord zijnde in een civielrechtelijke procedure tegen [medeverdachte] , althans enige rechter,\n\nmondeling, persoonlijk, opzettelijk een valse verklaring onder ede heeft afgelegd, te weten – zakelijk weergegeven – dat hij begin 2021 aanwezig was bij de verkoop van een Rolex horloge, door [naam 1] aan [medeverdachte] .2. Bewijs feit 1 \u002F vrijspraak feiten 2 tot en met 42.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor alle feiten.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit voor alle feiten.2.3.. Oordeel van de rechtbank\n\nFeit 12.3.1.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen\n\nBewezen is dat de verdachte feit 1 heeft gepleegd. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.\n\nDe bewezenverklaring van het feit 1 is gebaseerd op de opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande bewijsmotivering.\n\n1. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 18 januari 2022 waren wij, verbalisanten, belast met algemene surveillance op en rond autosnelweg A28.\n\nOmstreeks 16.45 uur stonden wij geparkeerd in een parkeervak bij de foodcourt. Wij zagen dat een voertuig, van het merk Mercedes, voorzien van het kenteken [kentekennummer 1] , de foodcourt op reed. Wij zagen dat er zich in het voertuig een persoon bevond. Dit bleek later de verdachte: [verdachte] te zijn. (..)\n\nWij zagen dat de genoemde Mercedes naast een Fiat Punto, voorzien van het kenteken, [kentekennummer 2] geparkeerd stond. Nadat wij nog geen minuut later in onze binnen spiegel keken, zagen wij dat er inmiddels een andere man als bijrijder in de Mercedes zat. Deze bijrijder bleek later [naam 2] te zijn. Wij zagen dat [naam 2] uit de Mercedes stapte. Wij zagen dat [naam 2] vervolgens in de naast gelegen genoemde Fiat Punto stapte.\n\n(..) Op grond van artikel 160 van de Wegenverkeerswet 1994 gaven wij een stopteken, aan de bestuurder van de Fiat Punto. Hieraan werd door de bestuurder voldaan.\n\n(..) Hierop verklaarde [naam 2] uit zichzelf dat hij zojuist 17 ponypacks met cocaïne had gekocht van de bestuurder van de Mercedes. Wij zagen dat [naam 2] een klein zakje uit zijn zak haalde. Later bleken daar 17 zogenoemde ponypacks in te zitten.\n\n2. Proces-verbaal van de politie\n\n(..)Op 18 augustus 2022 is [verdachte] staande gehouden.\n\n(..) Ik heb vervolgens genoemde Mercedes doorzocht. Ik trof enkele getekende aantekeningen welke over bedragen gingen.\n\nIk heb vervolgens een transportfouillering uitgevoerd bij verdachte [verdachte] . Hierna trof ik in de linker broekzak van verdachte een gebundeld contant geldbedrag aan van totaal 2775 Euro. Dit bedrag bestond uit diverse biljetten van 5 en 50 euro.\n\n3. Verklaring van de medeverdachte [naam 2]\n\nV: Wie was de man waarbij jij in de Mercedes bent gestapt?\n\nA: Dat is [naam 3] .\n\nV: Hoeveel geld had u afgegeven aan [naam 3] ?\n\nA: Dat weet ik niet precies, maar ik dacht ongeveer 3000 euro. Bij benadering dan.\n\nV: Wanneer heeft u die 17 cachetjes gekregen?\n\nA: Vrijdag\n\nV: Hoe hebben jullie een afspraak gemaakt, McDonalds Amersfoort?\n\nA: Telegram.\n\nO: Je hebt aan een collega van de politie de code van de telefoon gegeven die je bij je had. Hierin zijn chatberichten aangetroffen vanaf 17 januari 2022 vanaf 13.06 uur.\n\nV: Wat kun je verklaren over deze chatberichten en dan bedoel ik de berichten die van belang zijn betreffende hetgeen jij wordt verdacht?\n\nA: Het ging in ieder geval over het ophalen van deze cocaïne en het wegbrengen en collecteren. Waar het heen moest etc. Ik had alleen met [naam 3] contact via Telegram.\n\n4. Verklaring van de medeverdachte [naam 2]\n\n0: In het voertuig van uw medeverdachte zijn briefjes aangetroffen, verbalisant toont 4 foto's bijgevoegd als fotobijlage 1. Herkent u deze briefjes?\n\nA: Ja.\n\nV: Wat kan u vertellen over deze briefjes, wat betekenen ze of kunnen we lezen op deze briefjes?\n\nA: Nou ja.\n\nFoto 1, van fotobijlage 1:\n\naanvang 34, betreft dan aanvang 34 ponypacks.\n\nEinde 12, betreft wat er over is na 1 dag.\n\n3 zijn er dan weggegeven zonder te betalen. Of later terug te betalen. 1 was met korting voor 40 euro. Dan bleven er 18 over. Die zijn verkocht voor 50 euro per stuk waardoor je uit komt op 940 euro.\n\nV: Heeft u deze briefjes geschreven en overhandigd aan \" [naam 3] \"?\n\nA: Ja.\n\nV: De persoon bij wie u in de auto, een Mercedes-Benz, bent gestapt op 18 januari 2022 op de parkeerplaats bij de McDonalds te Amersfoort, waarna u bent uitgestapt en bent weggereden betreft deze persoon in de Mercedes Benz deze \" [naam 3] \"?\n\nA: Ja.\n\n5. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 20 januari 2022 was ik, belast met het testen, wegen en bemonsteren van de vermoedelijk verdovende middelen aangetroffen bij verdachte [naam 2] op 18 januari 2022.\n\nIk zag dat er 17 ponypacks in beslag waren genomen onder goednummer [beslagnummer] .\n\n6. Proces-verbaal van de politie\n\nDe aangeboden partij verdovende middelen bestond uit:\n\nGoednummer: [beslagnummer]\n\nSIN: AAQA1727NL\n\nRelatie met SIN: AAQW1827NL\n\nAantal: 17\n\nOmschrijving: wikkels met wit poeder\n\nBijzonderheden: 17 ponypacks met opschrift van pinguïn en smart seal de luxe\n\nGewicht netto: 11,51 gram\n\nRuybal: positief op cocaïne\n\n7. Deskundigenverslag\n\nKenmerk\n\nOmschrijving FO\n\nConclusie\n\nAAQW1827NL\n\nPoeder, wit, uit 11,51 gram; aantal 3 bemonsteringen in onderzoek\n\nBevat cocaïne\n\n8. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 20 januari 2022 heb ik, [naam 4] , de navolgende zaken bekeken:\n\n- Verhoor van verdachte [naam 2] ,\n\n- Chatgesprek op Telegram, op de telefoon behorende bij [naam 2] ,\n\n- Bevindingen van verbalisanten ter plaatse McDonalds Amersfoort,\n\n- Telefoon behorende bij [naam 2]\n\nIn de telefoon wordt bevestigd dat verdachte [naam 2] met ene \" [naam 3] \" communiceert via de\n\ndienst Telegram.\n\nOp 18 januari 2022 hebben deze [naam 3] en verdachte [naam 2] een gesprek.\n\n [naam 3] 06:04: Goedemorgen als je de enveloppen meeneemt dan ik je op de terugweg rond\n\n16:00 meeten ergens kalm an\n\nBij1 09:51: Isg\n\n [naam 3] 14:55: Geef je ff een gil als je vertrokken bent\n\n [naam 3] 15:27: Maat je hebt bestelling 17:05 Comschate\n\nWaar zie ik je tussendoor en Hoelaat kan je waar zijn\n\n(..)\n\n [naam 3] 15:47: Beter als je naar Mcdonald's huis ter heide rijdt\n\nNu is dat nog op je heenweg\n\nJe rijdt daar toch langs\n\n [naam 2] 15:47: Red ik nooit\n\nAank 16:30\n\nRed ik colm niet\n\n [naam 3] 15:49 Oke ik kom Amersfoort\n\nJooo\n\n [naam 2] : 1620\n\nZorg dat je er bent\n\n [naam 2] 16:22 Ik ben er\n\nWaar rij je\n\n [naam 3] 16:22 Onderweg\n\nHaal maar broodje voor jezelf\n\neerder rijd afspreken\n\nNiet 45 min van te voren tot zo\n\n [naam 2] 16:23: Als ik nu vertrek ben ik pas om 17:06 in colm\n\njij schreef rond 16 uur\n\nMaatje\n\n [naam 3] 16:23: Het is jou schuld\n\nNiet\n\nDus don't worry\n\n [naam 2] 16:23: Ik doe mijn best\n\nIn deze chat is te zien dat [naam 3] en verdachte [naam 2] afspreken op de parkeerplaats bij de McDonalds te Amersfoort op 18 januari 2022. Deze [naam 3] geeft aan er niet om 16.00\n\nuur te kunnen zijn maar rond 16.30 uur. Gezien de bevindingen van de collega's bij de McDonalds Amersfoort kan worden aangenomen dat deze \" [naam 3] \" verdachte [verdachte] is.\n\nTevens blijkt uit de telefoon van verdachte [naam 2] dat er zeker vanaf 14 januari dagelijks meermaals contact is tussen deze \" [naam 3] \" en verdachte [naam 2] . Tevens hebben verbalisanten onderzoek gedaan in het voertuig van verdachte [verdachte] . Daarop werden onder andere een viertal briefjes aangetroffen zoals deze ook is verstuurd tussen verdachte [naam 2] en verdachte [verdachte] via de app Telegram.\n\nDit betreft exact hetzelfde briefje als is gestuurd tussen Verdachte [naam 2] en \" [naam 3] \" via de Telegram app.\n\nZondag 16\u002F1\u002F22\n\nAanvang: 23\n\nEinde: 12\n\n-------------------\n\n11 x 50 = 550\n\nRetour P ---- 50\n\nCash 6002.3.2.. \n\nBewijsmotivering\n\nDe verdediging heeft aangevoerd dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte ‘ [naam 3] ’ is. De rechtbank verwerpt dit verweer. [naam 2] heeft verklaard dat hij de drugs heeft ontvangen van de man in de Mercedes die hij kent als ‘ [naam 3] ’ en waar hij contact mee heeft via Telegram. Deze verklaring wordt gestaafd door de bevindingen van de politie. Zij zien een ontmoeting tussen [naam 2] en de verdachte en uit het onderzoek naar de telefoon van de [naam 2] volgt dat hij met ‘ [naam 3] ’ afspreekt rond het tijdstip op de locatie waar door de politie een ontmoeting wordt gezien tussen de verdachte en [naam 2] . Bovendien heeft [naam 2] verklaard dat de getekende aantekeningen die in de auto van de verdachte zijn aangetroffen hem bekend voorkomen, omdat hij deze briefjes aan ‘ [naam 3] ’ heeft gegeven en komt de inhoud van de briefjes ook terug in het gesprek tussen [naam 2] en ‘ [naam 3] ’ op Telegram. Op basis van deze bevindingen gaat de rechtbank ervan uit dat [naam 2] de cocaïne heeft gekregen van de verdachte.\n\nGelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de ten laste gelegde periode samen met de medeverdachte 11,51 gram cocaïne aanwezig heeft gehad. Ten aanzien van het ten laste gelegde verstrekken en verhandelen van de cocaïne bevat het dossier onvoldoende bewijs.2.3.3.. Volledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\n1\n\nhij in of omstreeksde periode van 14 januari 2022 tot en met 18 januari 2022 te Amersfoort, althans in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althanseenmaal,\n\nopzettelijk\n\nheeft geteeld en\u002Fof bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd,\n\nin elk geval opzettelijkaanwezig heeft gehad,\n\nongeveer11,51 gram,in elk geval een hoeveelheid van een materiaal\n\nbevattendecocaïne,\n\nzijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.\n\n2.3.4.. Vrijspraak feiten 2 tot en met 4\n\nFeit 2 (Witwassen)\n\nVaststaande feiten\n\nBij de aanhouding op 18 januari 2022 voor bovengenoemd feit droeg de verdachte een Rolex-horloge. De verdachte heeft bij zijn staandehouding verklaard dat het horloge van zijn moeder is (medeverdachte [medeverdachte] ). Uit onderzoek volgt dat het betreffende Rolex-horloge een marktwaarde heeft van tussen de € 71.000,- en € 95.000,-. Uit bevraging van de Infodesk Crimineel & Onverklaarbaar Vermogen (ICOV) bleek niet dat de verdachte over zodanig legaal inkomen of vermogen beschikte dat die een dergelijke uitgave zouden kunnen verklaren.\n\nBeoordelingskader\n\nDe rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid onder a en b van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) opgenomen bestanddeel \"afkomstig uit enig misdrijf\", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van witwassen vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Dat een voorwerp \"afkomstig is uit enig misdrijf\" kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.\n\nAls door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.\n\nAls de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Wanneer na dit onderzoek een legale herkomst met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten, staat vast dat het voorwerp een criminele herkomst heeft.\n\nBeoordeling\n\nHet gegeven dat de verdachte werd verdacht van het medeplegen dan wel aanwezig hebben van cocaïne tezamen met de resultaten van de ICOV-bevraging met betrekking tot de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] bieden zonder meer grondslag voor een vermoeden van witwassen. Daar staat tegenover dat de verklaring van de verdachte dat het horloge van zijn moeder is, wordt ondersteund door de verklaring van zijn moeder, tevens medeverdachte, [medeverdachte] . Zij heeft verklaard dat zij in aanwezigheid van de verdachte het horloge heeft gekocht bij [horlogewinkel] voor € 36.500,-, waarbij zij een ander horloge heeft ingeruild en een bedrag van € 19.500,- contant heeft bijbetaald. Daarnaast heeft zij verklaard dat zij dit horloge heeft kunnen kopen van het geld (de overwaarde) dat zij na verkoop van een woning op haar rekening gestort heeft gekregen. Ter onderbouwing van deze verklaring heeft zij (schermopnames van) bankafschriften verstrekt waaruit volgens haar zou moeten volgen dat zij een groot bedrag heeft ontvangen van de notaris en in een korte periode meermaals contante bedragen heeft opgenomen. Ook heeft zij de onder feit 3 ten laste gelegde factuur verstrekt van de aankoop van genoemde Rolex bij [horlogewinkel] .\n\nDeze verklaring is naar oordeel van de rechtbank concreet en verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk.\n\nHet Openbaar Ministerie heeft vervolgens aanvullend onderzoek verricht naar de verklaring van de medeverdachte.\n\nUit het onderzoek volgt dat de medeverdachte € 115.438,27 op haar bankrekening gestort heeft gekregen na verkoop van haar woning en zij daarna in een korte periode meerdere keren grote bedragen contant van haar bankrekening heeft opgenomen.\n\nDaarnaast is nader onderzoek verricht door de eigenaar van [horlogewinkel] , de heer [naam 1] , als getuige te horen. [naam 1] heeft tegenover de politie verklaard dat hij de door de medeverdachte aangeleverde factuur niet heeft opgesteld, dat hij de medeverdachte niet kent, dat de handtekening op de factuur niet van hem is en dat hij maar één horloge heeft verkocht van het type dat bij de verdachte is aangetroffen en dat dat aan een man was. [naam 1] is ook gehoord als getuige in een civielrechtelijke procedure die de medeverdachte is gestart bij de rechtbank om het horloge terug te krijgen. [naam 1] heeft toen verklaard dat hij twee horloges van dat type heeft verkocht, waarvan hij er één heeft verkocht aan een zekere [naam 5] . Na zijn verhoor bij de politie heeft [naam 1] een factuur met hetzelfde factuurnummer overgelegd aan de politie. Die factuur verschilt op meerdere punten van de door de verdachte overgelegde factuur.\n\nVerder onderzoek heeft het Openbaar Ministerie niet verricht.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [naam 1] , met name bezien zijn tweede, op sommige punten tegenstrijdige, verklaring in de civiele procedure, aanknopingspunten biedt voor nader onderzoek. Zo had de administratie van [naam 1] kunnen worden onderzocht of de heer [naam 5] worden gehoord. Dat is echter niet gebeurd. Het dossier bevat ook geen objectieve gegevens die de verklaring van [naam 1] ondersteunen, noch gegevens waaruit volgt dat de door de medeverdachte gegeven verklaring onmogelijk of onjuist is anders dan de verklaring van [naam 1] . Daarmee resteert in essentie de verklaring van de medeverdachte tegenover de verklaring van [naam 1] .\n\nGelet op het bovenstaande heeft het Openbaar Ministerie naar oordeel van de rechtbank onvoldoende onderzoek verricht naar de verklaring van de verdachte. Dat betekent dat niet met voldoende zekerheid kan worden uitgesloten dat het horloge een legale herkomst heeft, waardoor niet kan worden bewezen dat het horloge afkomstig is uit enig misdrijf. Dat betekent dat niet is bewezen dat de verdachte samen met de medeverdachte het ten laste gelegde horloge heeft witgewassen, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.\n\nFeit 3 (valsheid in geschrift)\n\nTen aanzien van de ten laste gelegde valsheid in geschrift overweegt de rechtbank als volgt. Het verrichte onderzoek heeft niet uitgewezen dat de inhoud van de factuur onjuist is. De door de medeverdachte gegeven uitleg is weliswaar niet bevestigd, maar evenmin voldoende weerlegd. De rechtbank is van oordeel dat nader onderzoek, dat hiervoor duidelijkheid had kunnen verschaffen, ontbreekt.\n\nOnder deze omstandigheden kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de factuur vals of vervalst is. De verdachte zal daarom ook van dit feit worden vrijgesproken.\n\nFeit 4 (meineed)\n\nTen aanzien van de onder feit 4 ten laste gelegde meineed overweegt de rechtbank dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte tijdens de civielrechtelijke procedure omtrent de teruggave van het Rolex-horloge aan de medeverdachte onder ede onjuist heeft verklaard over zijn aanwezigheid bij de aankoop van het horloge.\n\nZoals hiervoor reeds is overwogen, bevat het dossier onvoldoende objectieve aanknopingspunten om de verklaring van de verdachte als onwaar aan te merken. Nu aldus niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte opzettelijk in strijd met de waarheid heeft verklaard, volgt vrijspraak.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nFeit 1\n\nMedeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van het feit en van de verdachte\n\nHet feit en de verdachte zijn strafbaar.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet voor alle feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van het feit\n\nDe verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van 11,51 gram cocaïne. Het is algemeen bekend dat drugs ontwrichtend werken in levens van veel mensen en daarmee ontwrichtend zijn voor de samenleving. Ook is veel criminaliteit verbonden aan drugs.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 1 juni 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit en volgt verder dat artikel 63 Sr van toepassing is.4.3.3.. \n\nRedelijke termijn\n\nDe verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 19 januari 2022, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode van ruim vier jaar verstreken. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden. De rechtbank zal hier rekening mee houden bij de strafoplegging.4.3.4.. \n\nOplegging straf\n\nGelet op de ernst van het strafbare feit is een taakstraf passend. Bij het bepalen van de duur van de taakstraf houdt de rechtbank ook rekening met straffen die doorgaans bij het voorhanden hebben van dergelijke hoeveelheden verdovende middelen worden opgelegd en die hun weerslag hebben gevonden in de oriëntatiepunten voor de strafoplegging van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). In het geval van het voorhanden hebben van de bewezenverklaarde hoeveelheid cocaïne wordt een taakstraf voor de duur van 80 uren als oriëntatiepunt genoemd. Omdat artikel 63 Sr van toepassing is en er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, ziet de rechtbank aanleiding om een lagere straf op te leggen.\n\nAlles afwegende acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 30 uren met aftrek van voorarrest passend en geboden.5. In beslag genomen voorwerpen5.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat het geldbedrag van € 2.775,- dat in beslag is genomen verbeurd moet worden verklaard.5.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft gelet op het pleidooi tot vrijspraak bepleit dat het geldbedrag dient te worden teruggeven aan de verdachte.5.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nOp grond van artikel 33a, eerste lid, onder a, Sr zijn vatbaar voor verbeurdverklaring onder meer voorwerpen die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het strafbare feit zijn verkregen.Ten laste van de verdachte wordt bewezenverklaard het medeplegen van het aanwezig hebben van een hoeveelheid harddrugs. Het in beslag genomen geldbedrag van € 2.775,- kan niet door middel van of uit de baten van dit strafbare feit zijn verkregen. Om die reden zal dit geldbedrag worden teruggegeven aan de verdachte.6. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 9, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.7. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte de feiten 2, 3 en 4 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte feit 1, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nTaakstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 30 uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de taakstraf volgens de maatstaf van twee uur per dag, zodat 24 uur taakstrafmoet worden verricht;\n\nbeveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van 12 dagen;\n\nIn beslag genomen voorwerpen\n\n-gelast de teruggave aan de verdachte van een geldbedrag van € 2.775,-.8. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. R.H. Kroon, voorzitter,\n\nen mrs. J.C. Tijink en Y. Peters, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. L.R. van Zaanen, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 7 juli 2026.\n\n De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier met nummer [dossiernummer] .\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 1 tot en met 3\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 24 tot en met 26\n\n Proces-verbaal verhoor verdachte, pagina’s 69 tot en met 75.\n\n Proces-verbaal verhoor verdachte, pagina’s 76 tot en met 80.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 52 tot en met 58.\n\n Proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, pagina’s 94 tot en met 96.\n\n Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, pagina 97.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 64 tot en met 69.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:8069","2026-07-13T00:29:10.921Z",{"id":69,"ecli":70,"slug":71,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":64,"fullText":72,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":73,"sourceTimestamp":64,"parsedAt":50,"updatedAt":74},"1207","ECLI:NL:RBDHA:2026:18604","ecli-nl-rbdha-2026-18604","Rechtbank DEN HAAG\n\nStrafrecht\n\nMeervoudige kamer\n\nParketnummer: 09\u002F230926-25\n\nDatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nTegenspraak\n\nDe rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\n geboren op [geboortedatum 1] 1968 te [geboorteplaats] ,\n\nop dit moment gedetineerd.\n\n1. Het onderzoek ter terechtzitting\n\nHet onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 23 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie\n\nmr. S. Sleeswijk Visser en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. E.A. Breetveld naar voren is gebracht.\n\n2. De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding en de op de terechtzitting van 23 juni 2026 toegelaten vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.\n\nKort samengevat is het verwijt dat de verdachte zich over een periode van meerdere jaren schuldig heeft gemaakt aan het heimelijk filmen en vervaardigen, bezitten en in sommige gevallen ook verspreiden van kinderpornografisch materiaal van achttien minderjarige meisjes op de basisschool waar hij als conciërge werkzaam was, het plegen van ontuchtige handelingen met vier van die meisjes en de aanranding van drie van die meisjes. Daarnaast is het verwijt dat de verdachte een zeer grote hoeveelheid ander kinderpornografisch materiaal in bezit heeft gehad en heeft verspreid. Tot slot wordt de verdachte ervan beschuldigd dat hij meerdere kindersekspoppen in bezit heeft gehad en dat hij een hoeveelheid GHB aanwezig heeft gehad.\n\n3. De geldigheid van de dagvaarding ten aanzien van feit 1\n\n3.1.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding ten aanzien van feit 1 partieel nietig is, nu daarin niet per verweten handeling is gespecificeerd of deze onder de oude of de nieuwe wetgeving van het Wetboek van Strafrecht (Sr) valt. Het onderscheid tussen het begrip ‘ontuchtige handelingen’ in artikel 247 Sr (oud) en het begrip ‘seksuele handelingen’ in artikel 249 Sr (nieuw) is volgens de verdediging materieel relevant, zodat de keuze voor het toepasselijk recht niet als een louter technische kwestie kan worden afgedaan.\n\n3.2.. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastelegging voldoende duidelijk is en dat het verweer daarom moet worden verworpen.\n\n3.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nOp grond van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) moet de dagvaarding een opgave inhouden van de ten laste gelegde feiten, met vermelding van de tijd en plaats waar de feiten zijn begaan en de wettelijke voorschriften waarbij de feiten strafbaar zijn gesteld. Die opgave mag niet innerlijk tegenstrijdig zijn en moet voldoende feitelijk en duidelijk zijn, in die zin dat de verdachte weet waartegen hij zich moet verdedigen en duidelijk is wat de rechtbank precies moet onderzoeken.\n\nIn de tenlastelegging is per verweten gedraging aangegeven of de bewuste gedraging onder het oude dan wel onder het nieuwe recht valt en op welk slachtoffer (zaaksdossier) de gedraging betrekking heeft. Het moet de verdachte daarmee duidelijk zijn geweest tegen welke beschuldigingen hij zich moest verdedigen. Ter zitting is ook niet gebleken dat de verdachte niet zou weten welke verwijten hem worden gemaakt.\n\nDe rechtbank is dan ook van oordeel dat de dagvaarding ten aanzien van feit 1 voldoet aan de vereisten van artikel 261 Sv en dus geldig is. Het verweer van de verdediging wordt verworpen.\n\n4. De bewijsbeslissing\n\n4.1.. Inleiding\n\nMedio 2025 is het strafrechtelijk onderzoek 15Mombas gestart naar aanleiding van op\n\n26 juni 2025 bij het Team Bestrijding Kinderporno en Kindersekstoerisme van de Eenheid Landelijke Opsporing en Interventies binnengekomen informatie dat een gebruiker van de applicatie Teleguard diverse videobestanden had gedeeld waarop kinderpornografisch beeldmateriaal was te zien.\n\nOnderzoek naar onder meer het IP-adres van deze gebruiker leidde de politie naar de verdachte. De verdachte was sinds 2019 werkzaam als conciërge op basisschool [naam school] in [plaats] . Zijn woning is doorzocht en daar zijn onder meer gegevensdragers in beslag genomen, waar door de politie onderzoek naar is gedaan. Dat onderzoek leidde de politie onder meer tot de conclusie dat de verdachte beeldmateriaal had vervaardigd van meisjes op [naam school] , waar hij werkzaam was. In onderzoek 15Mombas zijn uiteindelijk zeventien meisjes geïdentificeerd, van één meisje is de identiteit niet bekend geworden.\n\n4.2.. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde bewezen wordt verklaard.\n\n4.3.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft vrijspraak van het onder 1 en 5 ten laste gelegde bepleit. De raadsman heeft ten aanzien van het onder 2, 3, 4 en 6 ten laste gelegde met betrekking tot sommige onderdelen vrijspraak bepleit en zich voor het overige gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\n4.4.. Bewijsoverwegingen\n\nTen aanzien van feit 1 (ontucht en aanranding)\n\nDe rechtbank dient de vraag te beantwoorden of de verdachte bij de meisjes 1, 2, 5 en 6 ontuchtige handelingen in de zin van artikel 247 Sr (oud) heeft verricht en of de verdachte bij de meisjes 3, 8 en 9 seksuele handelingen in de zin van artikel 249 Sr (nieuw) heeft verricht.\n\nJuridisch kader\n\nOntuchtige handelingen en seksuele handelingen in de zin van de genoemde bepalingen zijn handelingen gericht op seksueel contact, althans contact van seksuele aard in strijd met de sociaal ethische norm. Een precieze afbakening van wat wel en niet onder ontuchtige dan wel seksuele handelingen valt, kan niet worden gegeven. De beoordeling of een handeling als ontuchtig of seksueel heeft te gelden, hangt niet alleen af van de subjectieve beleving van het slachtoffer, maar onder meer ook van de aard van de handeling, de context waarbinnen de handeling plaatsvindt, het betrokken lichaamsdeel en de omstandigheden van het geval. Ook de bedoeling van de dader en de verhouding tussen dader en het slachtoffer zijn daarbij relevante factoren.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nOp grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte zeven minderjarige meisjes heeft aangeraakt op (intieme) lichaamsdelen, waaronder hun bovenbenen, billen en vagina.\n\nDe verdachte heeft verklaard dat deze aanrakingen hebben plaatsgevonden in het kader van zijn werkzaamheden, waarbij hij de meisjes onder andere hielp met het verschonen na een plasongelukje of het plakken van een pleister. De verdachte stelt daarbij niet verder te zijn gegaan dan noodzakelijk in het kader van die werkzaamheden. Hij heeft aangevoerd dat hij weliswaar seksuele intenties had bij het filmen van de meisjes, maar dat de aanrakingen daar los van staan en onderdeel uitmaakten van de reguliere uitvoering van zijn werkzaamheden. Seksuele fantasieën hierover kwamen pas achteraf, aldus de verdachte.\n\nDe rechtbank ziet dit anders. De door de verdachte heimelijk gemaakte filmopnames van de handelingen laten namelijk een evident ander beeld zien. De rechtbank heeft deze opnames bekeken en merkt op dat de wijze waarop de zedenrechercheurs de beelden hebben beschreven, overeenstemt met wat de rechtbank heeft gezien. Op de beelden is te zien dat de verdachte gericht op zoek gaat naar de meisjes. De verdachte benadert de meisjes, blijft met hen in gesprek, en in de gevallen waarin hij helpt bij omkleden of het plakken van een pleister, is te zien dat de verdachte veel tijd rekt en de meisjes bewust zodanig positioneert dat hij bepaalde lichaamsdelen – voornamelijk bovenbenen, billen en vagina – zo duidelijk en zo lang mogelijk in beeld kan brengen. Het is binnen deze context van tijd rekken en expliciete beelden maken, dat de verdachte ook zoekt naar gelegenheid om de meisjes op de genoemde plekken aan te raken. Hij merkt bijvoorbeeld op dat ergens nog een stukje wc-papier moet worden weggehaald of dat er nog een pleister op een andere plek moet worden geplakt. In een andere zaak plaatst hij meermaals de hand van een meisje zo ongemerkt mogelijk op of nabij zijn geslachtsdeel.\n\nGezien deze context van het bewust zoeken naar gelegenheid, het tijd rekken en het zo veel mogelijk in beeld brengen, ziet de rechtbank ook in de aanrakingen onmiskenbaar seksuele intenties. Op de inbeslaggenomen gegevensdragers bevinden zich chatgesprekken waarin de verdachte zeer expliciet met anderen praat over zijn handelingen met de meisjes. Hieruit komen zijn seksuele bedoelingen, alsmede zijn welbewuste pogingen om ongemerkt zo veel mogelijk aanrakingen van de intieme delen van de meisjes te laten plaatsvinden, zonneklaar naar voren. Van een scheidslijn tussen het verrichten van werkzaamheden zonder enige bijbedoeling en het daarover achteraf fantaseren is geen enkele sprake en kan in een geval als dit ook geen sprake zijn. De rechtbank merkt daarbij nog op dat de verdachte meermaals is verzocht om het behulpzaam zijn bij het verschonen aan anderen over te laten. De verdachte heeft deze verzoeken welbewust naast zich neergelegd.\n\nDat, zoals de verdachte heeft verklaard, de meisjes hem vaak zelf opzochten, maakt het voorgaande op geen enkele wijze anders – in tegendeel. Uit het dossier is gebleken dat het de verdachte zelf is geweest die, in plaats van de vereiste professionele distantie in acht te nemen, deze situatie heeft gecreëerd, door de meisjes veel aandacht te geven, knuffels en aanrakingen aan te moedigen met lieve woordjes en in sommige gevallen snoepjes en cadeautjes aan de meisjes te geven. De rechtbank wenst hier met zo veel woorden op te merken dat wat er is gebeurd op geen enkele wijze, en dus ook niet indirect, aan de nog zeer jonge slachtoffertjes is te wijten.\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de wijze waarop en de plaatsen waar de meisjes zijn aangeraakt, in onderlinge samenhang bezien met de overige omstandigheden, maken dat sprake is geweest van het plegen van ontuchtige handelingen (artikel 247 (oud) Sr) en seksuele handelingen (artikel 249 lid 2 (nieuw) Sr).\n\nDe rechtbank zal de verdachte partieel vrijspreken van de beschreven handelingen genoemd in gedachtestreepje 4 inzake meisje 1. Zij heeft verklaard dat de verdachte haar heeft opgetild en een kus op de mond heeft gegeven. Van deze handeling zijn geen beelden aangetroffen. De verklaring van het meisje wordt slechts ondersteund door de verklaring van haar moeder, aan wie zij heeft verteld dat dit incident zich heeft voorgedaan. Deze verklaring is afgeleid van wat het meisje haar heeft verteld en vindt geen steun in ander onafhankelijk bewijsmateriaal. Nu de verklaring uit één bron afkomstig is, acht de rechtbank dit onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde – voor het overige – wettig en overtuigend bewezen.\n\nTen aanzien van feit 2 (vervaardigen, bezitten en verspreiden kinderpornografisch materiaal)\n\nDe rechtbank is – anders dan de verdediging heeft bepleit – van oordeel dat de verdachte, ook wat betreft het materiaal waarop de meisjes gekleed zijn, kinderpornografisch materiaal heeft vervaardigd. De strafbaarheid van het materiaal dient te worden beoordeeld aan de hand van de inhoud en strekking van de opnames in samenhang met de wijze van vervaardiging daarvan. De beelden hebben onmiskenbaar een seksuele strekking. Zo wordt er ingezoomd op bepaalde lichaamsdelen, met name op de bovenbenen, billen en vagina. Waar het gaat om de wijze van vervaardiging neemt de rechtbank in aanmerking dat deze beelden heimelijk zijn gemaakt. Uit de bewijsmiddelen volgt verder dat de verdachte drie van deze kinderpornografische afbeeldingen ook heeft verspreid.\n\nDe rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank acht daarbij, gelet op de grote hoeveelheid materiaal en de lange periode, ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte hiervan een gewoonte heeft gemaakt.\n\nTen aanzien van feit 4 (kinderpornografisch materiaal)\n\nDe rechtbank ziet, anders dan de verdediging, geen aanleiding om te twijfelen aan de door de politie gehanteerde telling en de wijze waarop de afbeeldingen en video’s zijn geïnventariseerd.\n\nDe rechtbank acht het onder 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank acht daarbij, gelet op de grote hoeveelheid materiaal en de lange periode, ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte hiervan een gewoonte heeft gemaakt.\n\nTen aanzien van feit 5 (kindersekspoppen)\n\nHet onder 5 ten laste gelegde feit is toegesneden op artikel 253a Sr. Dit artikel omvat – kort gezegd – een verbod op seksattributen, zoals poppen, die een uiterlijke verschijningsvorm hebben van een kind.\n\nBij de doorzoeking van de woning van de verdachte zijn onder meer vijf poppen aangetroffen. De rechtbank moet beoordelen of dit poppen zijn met de uiterlijke verschijningsvorm van een kind dat de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt en die bestemd zijn om seksuele handelingen mee te verrichten. Artikel 253a Sr is een (relatief) nieuwe bepaling, die in werking is getreden op 1 januari 2025. De rechtbank zal daarom bij de beoordeling van dit feit kijken naar de bedoeling van de wetgever, zoals die blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 253a Sr.\n\nBij de vraag of sprake is van een voorwerp met de uiterlijke verschijningsvormen van een kind jonger dan zestien jaren, geldt dat gekeken moet worden naar de uiterlijke kenmerken van het desbetreffende voorwerp. Er hoeft geen sprake te zijn van een anatomisch correcte replica of een volledige pop. Vereist is een realistische uiterlijke verschijningsvorm van een kind of een lichaamsdeel van een kind. In geval van kindersekspoppen kunnen bijvoorbeeld de lichaamsafmeting en -verhouding van belang zijn. Dat aan het voorwerp lichaamskenmerken zijn toegevoegd die passen bij een volwassene (bijvoorbeeld, (grote) borsten, billen of volle lippen), hoeft niet in de weg te staan aan de vaststelling dat sprake is van een uiterlijke verschijningsvorm van een kind (of een lichaamsdeel van een kind) jonger dan zestien jaren.\n\nBij de vraag of een voorwerp bestemd is om seksuele handelingen mee te verrichten, gaat het om de aard van het voorwerp en niet om de intentie van degene die het in bezit heeft. Of het voorwerp bestemd is voor het verrichten van seksuele handelingen moet worden beoordeeld op basis van zijn uiterlijke kenmerken, zoals aanwezige lichaamsopeningen geschikt voor seksueel binnendringen of andere functies voor seksueel gebruik (bijvoorbeeld geslachtsorganen).\n\nVerder moet ten minste sprake zijn van voorwaardelijk opzet. Dit betekent dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans moet hebben aanvaard dat hij een op een kind gelijkend voorwerp als bedoeld in artikel 253a Sr in bezit heeft. Het opzet van de verdachte hoeft zich niet uit te strekken tot de daadwerkelijke kinderleeftijd die aan het voorwerp op basis van zijn uiterlijke kenmerken kan worden toegekend. Voor een bewezenverklaring is enkel van belang dat de pop op basis van zijn uiterlijke kenmerken als kind is aan te merken en dat de verdachte hierop (voorwaardelijk) opzet heeft gehad.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nIn de woning van de verdachte zijn in de slaapkamer twee poppen (pop 1 en 2) en in de voorraadkamer drie poppen (pop 3, 4 en 5) aangetroffen. Volgens de verdachte zijn geen van deze poppen kindersekspoppen, maar zijn pop 1, 2, en 3 normale sekspoppen en zijn pop 4 en 5 normale babypoppen.\n\nPop 1, 2 en 3\n\nNiet ter discussie staat dat de poppen die de verdachte in bezit had bestemd zijn om seksuele handelingen mee te verrichten.\n\nDe rechtbank overweegt ten aanzien van pop 2 en pop 3 dat hun uiterlijke verschijningsvorm die van een kind jonger dan zestien jaar is. De rechtbank neemt daarbij met name de afmetingen van de poppen en de platte borst in aanmerking. Deze kenmerken geven de poppen het uiterlijk van een minderjarige jonger dan zestien jaar. Anders dan de verdediging is de rechtbank dan ook van oordeel dat voor beide poppen geldt dat deze eerder geassocieerd worden met een kind jonger dan zestien jaren dan met een volwassene, zodat de gemiddelde kijker aanstonds meent dat de poppen het lichaam van een minderjarige beneden de zestien jaren moeten voorstellen.\n\nTen aanzien van pop 1 komt de rechtbank tot een ander oordeel. Gelet op de omvang van de borstpartij, en het ontbreken van duidelijke uiterlijke kenmerken die passen bij een minderjarige, kan de rechtbank niet vaststellen dat deze pop naar haar uiterlijke verschijningsvorm een kind jonger dan zestien jaren voorstelt.\n\nUit de omstandigheden dat de poppen 2 en 3 aanstonds lijken op lichamen van kinderen jonger dan zestien jaren, iets waarvan de verdachte zich bewust had moeten zijn, leidt de rechtbank voorts af dat de verdachte op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij een op een kind gelijkend voorwerp als bedoeld in artikel 253a Sr in bezit heeft gehad. Dat de verdachte pop 2 en 3 vóór de inwerkingtreding van artikel 253a Sr op een reguliere website heeft aangeschaft, doet hieraan niets af.\n\nPop 4 en 5\n\nNiet ter discussie staat dat de poppen die de verdachte in bezit had naar hun uiterlijke verschijningsvorm een kind jonger dan zestien jaren – namelijk een baby – betreffen.\n\nDe rechtbank overweegt dat het niet gaat om normale speelgoed babypoppen, maar dat uit hun uiterlijke kenmerken blijkt dat de poppen zijn bestemd om seksuele handelingen mee te verrichten. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de poppen zijn vervaardigd van siliconen, een materiaal dat niet gebruikelijk is voor een normale speelgoed babypop. Daarnaast beschikken de poppen over anatomische kenmerken, waaronder een opening bij de mond en weergegeven geslachtsdelen. Deze kenmerken maken dat de rechtbank van oordeel is dat de poppen zijn bestemd om seksuele handelingen mee te verrichten. Dat de opening van de mond slechts beperkt van omvang is, doet aan dat oordeel niet af. De seksuele handelingen hoeven immers niet beperkt te zijn tot (volledige) penetratie van de pop.\n\nDe verdachte had uit de uiterlijke kenmerken van de poppen kunnen afleiden dat de poppen een seksuele bestemming hadden. Dat geldt des te meer nu hij zelf heeft verklaard dat hij de poppen in huis had voor een seksdate met andere mensen, waarbij die poppen werden gebruikt. Daaruit leidt de rechtbank af dat de verdachte op z’n minst bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij een op een kind gelijkend voorwerp als bedoeld in artikel 253a Sr in bezit heeft gehad. Dat pop 4 en 5 naar zeggen van de verdachte niet door hemzelf zijn aangeschaft, doet aan dat oordeel niets af.\n\nConclusie\n\nAlleen pop 1 is niet aan te merken als een kindersekspop als bedoeld in artikel 253a Sr. De overige vier poppen zijn dat wel. De rechtbank acht het onder 5 ten laste gelegde bezit van meerdere kindersekspoppen dus wettig en overtuigend bewezen.\n\n4.5.. De bewezenverklaring\n\nDe rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:\n\n1.\n\nhij in de periode van 1 december 2019 tot en met 9 juli 2025 te [plaats] meermalen, met meerdere kinderen die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet hadden bereikt en aan zijn zorg en waakzaamheid waren toevertrouwd, te weten:\n\n* Zaaksdossier 1: meisje 1, geboren op [geboortedatum 2] 2015,\n\n* Zaaksdossier 2: meisje 2, geboren op [geboortedatum 3] 2019,\n\n* Zaaksdossier 5: meisje 5, geboren op [geboortedatum 4] 2019,\n\n* Zaaksdossier 6: meisje 6, geboren op [geboortedatum 5] 2018,\n\nbuiten echt, een of meerdere ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten door:\n\n* Zaaksdossier 1:\n\n- meermalen de trui van meisje 1 omhoog te schuiven en met zijn vingers onder de trui van meisje 1 te gaan en (daarbij) haar rug aan te raken en\n\n- meisje 1 bij haar middel te pakken en tegen zich aan te trekken waarbij hij haar beide\n\nbenen over zijn benen heen legt, waardoor meisje 1 zijdelings op schoot bij de verdachte\n\nkomt te zitten en waarbij hij, verdachte, zijn benen op en neer beweegt, waardoor meisje\n\n1. met haar billen tussen de benen van de verdachte valt en met haar bovenlichaam tegen het kruis en\u002Fof de buik van de verdachte komt te liggen en\n\n- meermalen de hand van meisje 1 op zijn, verdachtes, geslachtsdeel te leggen en te houden en\n\n* Zaaksdossier 2:\n\n- de trui van meisje 2 omhoog te trekken en het onderbroekje van meisje 2 (deels) naar\n\nbeneden te trekken en met zijn hand en\u002Fof vinger(s) aan de binnenzijde van haar onderbroek, langs de rand ter hoogte van haar billen, te wrijven en meermalen over de onderbroek op haar billen te wrijven en\n\n* Zaaksdossier 5:\n\n- met zijn hand en\u002Fof vinger(s) over de onderbroek van meisje 5 te wrijven ter hoogte van\n\nhaar billen en aan de binnenzijde van haar onderbroek, langs de rand ter hoogte van haar\n\nbillen, te wrijven en\n\n* Zaaksdossier 6:\n\n- meisje 6 met ontbloot onderlichaam op een stoel in het voorraadhok te plaatsen en met wc-\n\npapier over de binnenzijde van haar been en over haar vagina te wrijven, waarbij de\n\nbuitenste schaamlip(pen) naar buiten werden geduwd en\n\n- de billen van meisje 6 vast te pakken en te spreiden, waardoor er zicht is op haar anus en\n\n- over de (ontblote) billen van meisje 6 te wrijven en\n\nmet meerdere kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten:\n\n* Zaaksdossier 3: meisje 3, geboren op [geboortedatum 6] 2019,\n\n* Zaaksdossier 8: meisje 8, geboren op [geboortedatum 7] 2019,\n\n* Zaaksdossier 9: meisje 9, geboren op [geboortedatum 8] 2015,\n\neen of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten:\n\n* Zaaksdossier 3:\n\n- meisje 3 met beide armen (toestaan) hem, verdachte, ter hoogte van zijn heupen\u002Fbillen vast te laten houden en meermalen tegen meisje 3 te zeggen \"Je mag wel zitten, maar niet happen en wil je even niet aan mijn jas eten, of wel?\" en “niet happen” (en haar daarbij uit te dagen), waarop meisje 3 meermalen haar hoofd tegen de jas van verdachte drukt, ter\n\nhoogte van zijn kruis\u002Fgeslachtsdeel, en daarbij haar hoofd heen en weer beweegt en\n\n* Zaaksdossier 8:\n\n- het jurkje van meisje 8 omhoog te trekken en meermalen over de binnenzijde van het\n\n(ontblote) bovenbeen van meisje 8 te wrijven en\n\n* Zaaksdossier 9:\n\n- zijn, verdachtes, arm om meisje 9 heen te slaan en te zeggen: \"He kutje, hoe is het?\" en\n\nhierbij met zijn hand over haar rug te wrijven en meermalen op de billen van meisje 9 te\n\nslaan,\n\nen welke aanranding werd voorafgaan door, vergezeld van en gevolgd door dwang:\n\n- voornoemde seksuele handelingen onverhoeds te verrichten en\n\n- er sprake was van een afhankelijkheidsrelatie tussen de verdachte in zijn hoedanigheid als\n\nconciërge\u002Fmedewerker van de school en de meisjes in hun hoedanigheid als leerlingen;\n\n2.\n\nhij in de periode van 1 december 2019 tot en met 9 juli 2025 te [plaats] , meermalen, telkens\n\n(in de periode van 1 december 2019 tot en met 30 juni 2024)\n\n- een (zeer grote) hoeveelheid afbeeldingen, te weten foto’s en video’s en\n\n- meerdere digitale gegevensdragers, waaronder laptops, externe harde schijven, telefoons\n\nen SD-kaarten, bevattende (een grote hoeveelheid) afbeeldingen, te weten foto’s en video’s,\n\nvan (een) seksuele gedraging(en), waarbij:\n\n* Zaaksdossier 1: meisje 1, geboren op [geboortedatum 2] 2015,\n\n* Zaaksdossier 2: meisje 2, geboren op [geboortedatum 3] 2019,\n\n* Zaaksdossier 5: meisje 5, geboren op [geboortedatum 4] 2019,\n\n* Zaaksdossier 6: meisje 6, geboren op [geboortedatum 5] 2018,\n\n* Zaaksdossier 7: meisje 7, geboren op [geboortedatum 9] 2011,\n\n* Zaaksdossier 8: meisje 8, geboren op [geboortedatum 7] 2019,\n\n* Zaaksdossier 10: meisje 10, geschatte leeftijd van tussen de 4 en 6 jaar,\n\n* Zaaksdossier 11: meisje 11, geboren op [geboortedatum 10] 2013,\n\n* Zaaksdossier 12: meisje 12, geboren op [geboortedatum 11] 2016,\n\n* Zaaksdossier 13: meisje 13, geboren op [geboortedatum 12] 2019,\n\n* Zaaksdossier 14: meisje 14, geboren op [geboortedatum 13] 2017,\n\n* Zaaksdossier 15: meisje 15, geboren op [geboortedatum 14] 2016,\n\n* Zaaksdossier 16: meisje 16, geboren op [geboortedatum 15]2017,\n\n* Zaaksdossier 17: meisje 17, geboren op [geboortedatum 16] 2017,\n\n* Zaaksdossier 18: meisje 18, geboren op [geboortedatum 17] 2013,\n\nzijnbetrokken of schijnbaarzijnbetrokken, heeft vervaardigdenin bezit gehad en\n\n(in de periode 1 juli 2024 tot en met 9 juli 2025)\n\nvisuele weergaven van seksuele aard en met een onmiskenbaar seksuele strekking, waarbij:\n\n* Zaaksdossier 3: meisje 3, geboren op [geboortedatum 6] 2019,\n\n* Zaaksdossier 4: meisje 4, geboren op [geboortedatum 18] 2015,\n\n* Zaaksdossier 8: meisje 8, geboren op [geboortedatum 7] 2019,\n\n* Zaaksdossier 9: meisje 9, geboren op [geboortedatum 8] 2015,\n\nwaren betrokken of schijnbaar waren betrokken, heeft vervaardigd enin bezit gehad,\n\nwelke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - (telkens) bestonden uit:\n\n* Zaaksdossier 1:\n\n- de bilspleet van meisje 1 (gericht) te filmen (zaaksdossier 1, #01 in toonmap) en\n\n- meermalen (gericht) de onderbroek en\u002Fof de ontblote billen en\u002Fof vagina van meisje 1 te\n\nfilmen (zaaksdossier 1, #02 en #03 in toonmap) en\n\n- onder het rokje van meisje 1 te filmen, waardoor haar onderbroek en billen in beeld\n\nkomen (zaaksdossier 1, #04 in toonmap) en\n\n- meerdere screenshots van een filmpje waarop (onder andere) de ontblote vagina van meisje 1 te zien is (zaaksdossier 1, #05 in toonmap)\n\n- te filmen dat hij, verdachte, meermalen, de trui van meisje 1 omhoog schuift en met zijn vingers onder de trui van meisje 1 gaat en (daarbij) haar rug aanraakt (zaaksdossier 1, #06 in toonmap) en\n\n- te filmen dat hij, verdachte, meisje 1 bij haar middel pakt en tegen zich aan trekt waarbij hij haar beide benen over zijn benen heen legt, waardoor meisje 1 zijdelings op schoot bij de\n\nverdachte komt te zitten en waarbij hij, verdachte, zijn benen op en neer beweegt, waardoor meisje 1 met haar billen tussen de benen van de verdachte valt en met haar bovenlichaam tegen het kruis en\u002Fof de buik van de verdachte komt te liggen (zaaksdossier 1, #06 in toonmap) en\n\n- te filmen dat hij, verdachte, meermalen de hand van meisje 1 op zijn, verdachtes, geslachtsdeel legt en houdt (zaaksdossier 1, #06 in toonmap),\n\n* Zaaksdossier 2:\n\n- de ontblote billen en vagina van meisje 2 (gericht) te filmen, waarbij hij, verdachte, de\n\nbenen van meisje 2 uit elkaar haalt (zaaksdossier 2, #02 in toonmap) en\n\n- te filmen dat hij, verdachte, de trui van meisje 2 omhoog trekt en het onderbroekje van\n\nmeisje 2 (deels) naar beneden trekt en met zijn hand en\u002Fof vinger(s) aan de binnenzijde van\n\nhaar onderbroek, langs de rand ter hoogte van haar billen, wrijft en meermalen over de onderbroek op haar billen wrijft (zaaksdossier 2, #02 in toonmap),\n\n* Zaaksdossier 3:\n\n- meermalen meisje 3 te filmen in haar onderbroek en hemd, waarbij de nadruk ligt op haar onderbroek, vagina en billen (zaaksdossier 3, #01 t\u002Fm #04 in toonmap) en\n\n- te filmen dat hij, verdachte, meisje 3 met beide armen (toestaat) hem, verdachte, ter hoogte van zijn heupen\u002Fbillen vast te houden en meermalen tegen meisje 3 zegt \"Je mag wel zitten, maar niet happen en wil je even niet aan mijn jas eten, of wel?\" en\u002Fof “niet happen” (en haar daarbij uit te dagen), waarop meisje 3 meermalen haar hoofd tegen de jas van verdachte drukt, ter hoogte van zijn kruis\u002Fgeslachtsdeel, en daarbij haar hoofd heen en weer beweegt (zaaksdossier 3, #05 en #06 in toonmap),\n\n* Zaaksdossier 4:\n\n- onder het rokje, de blote benen en de blote buik van meisje 4 te filmen (zaaksdossier 4,\n\n#03 in toonmap) en\n\n- te filmen dat verdachte zich aftrekt en (waarbij hij) zijn penis\u002Feikel naast de foto van\n\nmeisje 4 houdt (zaaksdossier 4, #04 in toonmap) en\n\n- foto’s van een penis die naast de (digitale) foto van het gezicht van meisje 4 wordt\n\ngehouden en met een witte substantie gelijkend op sperma op de (digitale) foto van het\n\ngezicht van meisje 4 (zaaksdossier 4, #05 t\u002Fm #07),\n\n* Zaaksdossier 5:\n\n- meermalen de ontblote bovenlijf, bilspleet, billen, borsten en onderbroek (gericht) te\n\nfilmen (zaaksdossier 5, #01 t\u002Fm #03 in toonmap) en\n\n- te filmen dat hij, verdachte, over de onderbroek van meisje 5 wrijft ter hoogte van haar\n\nbillen en met zijn hand en\u002Fof vinger(s) aan de binnenzijde van haar onderbroek, langs de\n\nrand ter hoogte van haar billen, wrijft (zaaksdossier 5, #02 in toonmap),\n\n* Zaaksdossier 6:\n\n- te filmen dat hij, verdachte, meisje 6 met ontbloot onderlichaam op een stoel in het\n\nvoorraadhok plaatst (zaaksdossier 6, #01 en #02 in toonmap) en\n\n- te filmen dat hij, verdachte, meermalen het rokje van meisje 6 omhoog tilt\u002Fschuift en haar benen uit elkaar trekt en daarbij de ontblote billen en vagina van meisje 6 (gericht) filmt (zaaksdossier 6, #01 en #02 in toonmap) en\n\n- te filmen dat hij, verdachte, met wc-papier over de binnenzijde van haar been en over\n\nhaar vagina wrijft, waarbij de buitenste schaamlippen naar buiten worden geduwd\n\n(zaaksdossier 6, #02 in toonmap) en\n\n- te filmen dat hij, verdachte, de billen van meisje 6 vastpakt en spreidt, waardoor er zicht is\n\nop haar anus (zaaksdossier 6, #02 in toonmap) en\n\n- te filmen dat hij, verdachte, over de (ontblote) billen van meisje 6 wrijft (zaaksdossier 6, #02 in toonmap) en\n\n- screenshots te maken van voornoemde filmpjes van meisje 6, waarbij de nadruk ligt op\n\nhaar vagina en billen (zaaksdossier 6, #03 t\u002Fm #07 in toonmap),\n\n* Zaaksdossier 7:\n\n- een foto van het gezicht van meisje 7 meermalen te bewerken (onder andere) met stijve\n\npenissen op haar gezicht en een witte substantie gelijkend op sperma op haar gezicht en de tekst “Cum Slut” en\n\n“Daddy slut” op haar gezicht, in elk geval voornoemde bewerkte foto’s in bezit heeft gehad\n\n(zaaksdossier 7, #05 en #06 in toonmap) en\n\n- een foto waarin een stijve penis bij de foto van meisje 7 wordt gehouden heeft gemaakt, in\n\nelk geval in bezit heeft gehad (zaaksdossier 7, #07 in toonmap),\n\n* Zaaksdossier 8:\n\n- meermalen onder het rokje en jurkje van meisje 8 te filmen, waardoor zicht is op haar\n\nonderbroek, vagina en billen (zaaksdossier 8, #01, #02, #03, #06 en #07 in toonmap) en\n\n- te filmen dat hij, verdachte, het rokje en jurkje van meisje 8 omhoog schuift en gericht\n\nhaar onderbroek, vagina en billen filmt, waarbij wordt ingezoomd op de vagina en billen van meisje 8 (zaaksdossier 8 #06 in toonmap) en\n\n- te filmen dat hij, verdachte, het jurkje van meisje 8 omhoog trekt en meermalen over de\n\nbinnenzijde van het (ontblote) bovenbeen van meisje 8 wrijft (zaaksdossier 8, #07 in\n\ntoonmap) en\n\n- screenshots te maken van voornoemd filmpje van meisje 8 (zaaksdossier 8, toonmap #03),\n\nwaarbij de nadruk ligt op de ontblote bovenbenen van meisje 8 (zaaksdossier 8, #04 en 05\n\nin toonmap),\n\n* Zaaksdossier 9:\n\n- meermalen onder het rokje van meisje 9 te filmen, waardoor zicht is op haar billen en\n\nonderbroek (zaaksdossier 9, #05 en #06 in toonmap) en\n\n- te filmen dat hij, verdachte, zijn arm om meisje 9 heen slaat en te zeggen: “He kutje, hoe is\n\nhet?” en hierbij met zijn hand over haar rug wrijft en meermalen op de billen van meisje 9\n\nslaat (zaaksdossier 9, #02 in toonmap),\n\n* Zaaksdossier 10:\n\n- de onderbroek van meisje 10 (gericht) te filmen (zaaksdossier 10, #03 in toonmap),\n\n*Zaaksdossier 11:\n\n- onder het rokje van meisje 11 (gericht) te filmen, waardoor zicht is op haar onderbroek\n\n(zaaksdossier 11, #01 in toonmap) en\n\n- screenshots te maken van voornoemd filmpje, waarbij de nadruk ligt op de onderbroek van\n\nmeisje 11 (zaaksdossier 11, #02 en #03 in toonmap),\n\n* Zaaksdossier 12:\n\n- meermalen onder het rokje en\u002Fof jurkje van meisje 12 te filmen, waardoor zicht is op haar onderbroek en\u002Fof vagina (zaaksdossier 12, #01 en #08 in toonmap) en\n\n- de (geklede) billen van meisje 12 (gericht) te filmen (zaaksdossier 12, #03 in toonmap) en\n\n- screenshots te maken van voornoemd filmpje, waarbij de nadruk ligt op de billen en het\n\nonderlichaam van meisje 12 (zaaksdossier 12, #02 t\u002Fm 07 in toonmap),\n\n* Zaaksdossier 13:\n\n- de (geklede) billen\u002Fonderlichaam van meisje 13 (gericht) te filmen (zaaksdossier 13, #01 in\n\ntoonmap),\n\n* Zaaksdossier 14:\n\n- meisje 14 te filmen in haar onderbroek en hemd (zaaksdossier 14, #01 en #03 in toonmap),\n\n* Zaaksdossier 15:\n\n- onder het rokje van meisje 15 te filmen, waardoor zicht is op haar onderbroek en (de\n\ncontouren van) haar vagina en billen (zaaksdossier 15, #01 in toonmap) en\n\n- screenshots te maken van voornoemd filmpje, waarbij de nadruk ligt op de onderbroek en (de contouren van) de vagina en\u002Fof billen van meisje 15 (zaaksdossier 15, #02 en #03 in toonmap),\n\n* Zaaksdossier 16:\n\n- meisje 16 te filmen in haar onderbroek en hemd en (daarbij) gericht op haar billen\n\n(zaaksdossier 16, #01 in toonmap) en\n\n- screenshots te maken van voornoemd filmpje, waarbij de nadruk ligt op de onderbroek en billen van meisje 16 (zaaksdossier 16, #02 t\u002Fm #04 in toonmap),\n\n* Zaaksdossier 17:\n\n- meisje 17 te filmen in haar onderbroek en hemd (zaaksdossier 17, #01 in toonmap),\n\n* Zaaksdossier 18:\n\n- de (geklede) billen van meisje 18 (gericht) te filmen (zaaksdossier 18, #01 in toonmao) en\n\n- screenshots te maken van voornoemd filmpje, waarbij de nadruk ligt op de billen en buik van meisje 18 (zaaksdossier 18, #02 t\u002Fm #04 in toonmap),\n\nen via social media heeft verspreid:\n\n* Zaaksdossier 1:\n\n- een screenshot van een door verdachte vervaardigde video waarop de ontblote vagina van\n\nmeisje 1 te zien is (zaaksdossier 1, vervolg zaak 1, #01 in toonmap),\n\n* Zaaksdossier 4:\n\n- foto’s van een penis die naast de (digitale) foto van het gezicht van meisje 4 wordt\n\ngehouden en met een witte substantie gelijkend op sperma op de (digitale) foto van het\n\ngezicht van meisje 4 (zaaksdossier 4, #05 t\u002Fm #07),\n\n* Zaaksdossier 8:\n\n- ( een) screenshots van een filmpje van meisje 8 (zaaksdossier 8, toonmap #03), waarbij de\n\nnadruk ligt op de ontblote bovenbenen van meisje 8 (zaaksdossier 8, #04 en 05 in toonmap),\n\nwaarbij die afbeelding(en) (aldus) een onmiskenbaar seksuele strekking had(den) en strekte(n) tot seksuele prikkeling,\n\nvan welk misdrijf hij, verdachte, een gewoonte heeft gemaakt;\n\n3.\n\nhij in de periode van 1 december 2019 tot en met 9 juli 2025 te [plaats] , gebruik makende van een technisch hulpmiddel waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar was gemaakt opzettelijk en wederrechtelijk van meerdere kinderen:\n\n* Zaaksdossier 1: meisje 1, geboren op [geboortedatum 2] 2015,\n\n* Zaaksdossier 2: meisje 2, geboren op [geboortedatum 3] 2019,\n\n* Zaaksdossier 3: meisje 3, geboren op [geboortedatum 6] 2019\n\n* Zaaksdossier 4: meisje 4, geboren op [geboortedatum 18] 2015\n\n* Zaaksdossier 5: meisje 5, geboren op [geboortedatum 4] 2019,\n\n* Zaaksdossier 6: meisje 6, geboren op [geboortedatum 5] 2018,\n\n* Zaaksdossier 7: meisje 7, geboren op [geboortedatum 9] 2011,\n\n* Zaaksdossier 8: meisje 8, geboren op [geboortedatum 7] 2019,\n\n* Zaaksdossier 9: meisje 9, geboren op [geboortedatum 8] 2015\n\n* Zaaksdossier 10: meisje 10, geschatte leeftijd van tussen de 4 en 6 jaar,\n\n* Zaaksdossier 11: meisje 11, geboren op [geboortedatum 10] 2013,\n\n* Zaaksdossier 12: meisje 12, geboren op [geboortedatum 11] 2016,\n\n* Zaaksdossier 13: meisje 13, geboren op [geboortedatum 12] 2019,\n\n* Zaaksdossier 14: meisje 14, geboren op [geboortedatum 13] 2017,\n\n* Zaaksdossier 15: meisje 15, geboren op [geboortedatum 14] 2016,\n\n* Zaaksdossier 16: meisje 16, geboren op [geboortedatum 9]2017,\n\n* Zaaksdossier 17: meisje 17, geboren op [geboortedatum 16] 2017,\n\n* Zaaksdossier 18: meisje 18, geboren op [geboortedatum 17] 2013,\n\naanwezig op een niet voor het publiek toegankelijke plaats, te weten het schoolgebouw van\n\n [naam school] meerdere afbeeldingen heeft vervaardigd;\n\n4.\n\nhij in de periode van 28 april 2009 tot en met 9 juli 2025 te [plaats] , meermalen, telkens\n\n- een (zeer grote) hoeveelheid afbeeldingen (ongeveer 199.105 afbeeldingen), te weten foto’s en video’s en\n\n- meerdere digitale gegevensdragers, waaronder laptops, externe harde schijven, telefoons,\n\nSD-kaarten, desktops en USB-sticks bevattende (een grote hoeveelheid) afbeeldingen, te\n\nweten foto’s en video’s, van seksuele gedragingen en visuele weergaven van seksuele aard en\u002Fof met een onmiskenbaar seksuele strekking, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, heeft:\n\n- verspreid via social media (waaronder via Telegram en Teleguard)\n\n- aangeboden,\n\n- verworven,\n\n- in bezit gehad en\n\n- zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en met gebruikmaking van een\n\ncommunicatiedienst de toegang heeft verschaft,\n\nwelke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit:\n\n- het met de penis, vinger\u002Fhand, voorwerp en\u002Fof mond\u002Ftong oraal, vaginaal en\u002Fof anaal\n\npenetreren van het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet\n\nhad bereikt en\n\n- het met de penis, mond\u002Ftong en\u002Fof vinger\u002Fhand oraal, vaginaal en\u002Fof anaal penetreren van\n\nhet lichaam van een (ander) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar\n\nnog niet had bereikt en\n\n- het met de vinger\u002Fhand en\u002Fof voorwerp vaginaal en\u002Fof anaal penetreren van het eigen\n\nlichaam door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en\n\n* zie toonmap reguliere KP #01 t\u002Fm 08, #34, #35 en #37\n\n- het met de penis, vinger\u002Fhand, tong betasten en\u002Fof aanraken van de geslachtsdelen, billen, borsten en\u002Fof andere lichaamsdelen van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en\n\n- het met de hand en\u002Fof mond\u002Ftong betasten en\u002Fof aanraken van het geslachtsdeel van een ander persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en\n\n- het met de hand betasten en\u002Fof aanraken van het eigen geslachtsdeel, de billen en\u002Fof borsten door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en\n\n* zie toonmap reguliere KP #09 t\u002Fm #16\n\n- het door een dier likken van het geslachtsdeel van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en\n\n* zie toonmap reguliere KP #17\n\n- het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, waarbij deze persoon gekleed is en\u002Fof opgemaakt is en\u002Fof poseert in een omgeving en\u002Fof met een voorwerp en\u002Fof in een erotisch getinte houding (op een wijze) die niet bij zijn\u002Fhaar leeftijd past\u002Fpassen en\u002Fof door het camerastandpunt en\u002Fof de (onnatuurlijke) pose en\u002Fof de wijze van kleden van deze persoon en\u002Fof de uitsnede van de foto's \u002Ffilm(s) nadrukkelijk het (ontblote) geslachtsdeel, de borsten en\u002Fof billen van deze persoon in beeld gebracht worden (waarbij) de afbeelding (aldus) (telkens) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en\u002Fof strekt tot seksuele prikkeling en\n\n* zie toonmap reguliere KP #18 t\u002Fm #27\n\n- het masturberen boven\u002Fbij en\u002Fof ejaculeren op het gezicht en\u002Fof lichaam van een persoon\n\ndie kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt\n\n- het houden van een (stijve) penis bij\u002Fnaast het gezicht en\u002Fof lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, waarbij op dat gezicht\u002Flichaam een op sperma gelijkende substantie zichtbaar is\n\n* zie toonmap reguliere KP #28 t\u002Fm #33, #36 en #38\n\nwaarbij de afbeelding telkens een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en strekt tot seksuele prikkeling en hij aldus van het plegen van dit misdrijf een gewoonte heeft gemaakt;\n\n5.\n\nhij op 9 juli 2025 te [plaats] voorwerpen met een uiterlijke verschijningsvorm van een kind of van een lichaamsdeel van een kind dat de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, die bestemd warenom seksuele handelingen mee te verrichten, te weten meerdere kindersekspoppen, voorzien van een anus en\u002Fof vagina en\u002Fof een opening bij de mond, in bezit heeft gehad;\n\n6.\n\nhij op 9 juli 2025 te [plaats] opzettelijk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten 680 milliliter GHB aanwezig heeft gehad.\n\nVoor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.\n\n5. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde\n\nHet bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.\n\n7. De oplegging van straffen en maatregel\n\n7.1.. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, en dat aan de verdachte wordt opgelegd de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met bevel tot verpleging van overheidswege (hierna: dwangverpleging). Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking ingevolge artikel 38z Sr wordt opgelegd.\n\nVerder heeft de officier van justitie gevorderd de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v Sr op te leggen in de vorm van een contactverbod met alle slachtoffers voor de duur van vijf jaren, en een locatieverbod voor twee postcodes in [plaats] voor de duur van tien jaren. De officier van justitie heeft verzocht deze maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Tot slot vordert de officier van justitie op te leggen dat de verdachte wordt ontzet uit het recht tot uitoefening van elk beroep waardoor de verdachte in aanraking met minderjarigen onder de twaalf jaar zou kunnen komen, voor de duur van tien jaren.\n\n7.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft verzocht een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden en de tbs-maatregel met voorwaarden op te leggen.\n\n7.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nNa te melden straffen en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.\n\nErnst van de feiten\n\nDe verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim vijfeneenhalf jaar schuldig gemaakt aan het heimelijk filmen en aan het vervaardigen, bezitten en verspreiden van kindermisbruikmateriaal\u002Fkinderporno van jonge meisjes op een basisschool. In zijn hoedanigheid van conciërge heeft hij ernstig misbruik gemaakt van zijn positie door deze meisjes te filmen, onder meer wanneer zij naar het toilet gingen of geholpen moesten worden met verschonen na een plasongelukje. Daarbij lag de focus telkens op de intieme lichaamsdelen. In zeven gevallen heeft de verdachte zich ook schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen en seksuele handelingen, door de slachtoffers op (intieme) lichaamsdelen aan te raken. Hiermee heeft hij hun lichamelijke en geestelijke integriteit ernstig geschonden. De verdachte is planmatig en doelgericht te werk gegaan. Hij gaf de meisjes regelmatig snoepjes en knuffels en wist op die manier een vertrouwensband met hen op te bouwen. De verdachte heeft hen daarnaast bewust opgezocht, aangestuurd en zodanig gepositioneerd dat hij hen beter kon filmen.\n\nDe rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen dat de slachtoffers in hem mochten hebben en van het overwicht dat hij als volwassene had op de nog zeer jonge slachtoffertjes. Te meer wordt dit de verdachte aangerekend nu hij reeds in behandeling was voor zijn pedofiele stoornis, maar er desondanks en tegen het dringende advies van zijn behandelaar in, toch voor heeft gekozen een baan aan te nemen op een basisschool waar hij in contact zou komen met veel minderjarige meisjes. Dat de verdachte, zoals hij zelf naar voren heeft gebracht, geen andere keuze had dan de baan als conciërge te accepteren omdat hij anders zijn uitkering zou verliezen, is niet geloofwaardig en miskent zijn eigen verantwoordelijkheid in de gang van zaken. Zou de verdachte immers open kaart hebben gespeeld over zijn stoornis, dan had geen enkele uitkeringsinstantie hem naar nota bene een basisschool gestuurd. Ouders moeten erop kunnen vertrouwen dat hun kinderen op school in een veilige omgeving verblijven en dat hen daar niets overkomt. Door het handelen van de verdachte is dat vertrouwen ernstig geschonden. Zijn handelen heeft diepe sporen nagelaten in de betrokken gezinnen. Wat de precieze gevolgen voor de meisjes zullen zijn, zal de toekomst moeten uitwijzen. De gevolgen voor de ouders en naasten van de betrokken kinderen, zijn naar voren gekomen uit het ter terechtzitting uitgeoefende spreekrecht. Uit de verklaringen van de ouders komt naar voren dat het handelen van de verdachte ook hen veel pijn en verdriet heeft toegebracht. De ouders hebben toegelicht dat zij kampen met schuldgevoelens en onzekerheid met betrekking tot de vraag of en in welke mate dit gevolgen zal hebben op de verdere ontwikkeling van hun kinderen.\n\nDaarnaast heeft de verdachte gedurende een periode van meer dan zestien jaar een gewoonte gemaakt van het bezitten en verspreiden van een grote hoeveelheid kinderpornografisch materiaal. Op de aangetroffen afbeeldingen en video’s zijn verregaande seksuele handelingen met (jonge) kinderen te zien. Bij de vervaardiging van dergelijk materiaal worden kinderen seksueel misbruikt en uitgebuit, met alle emotionele en lichamelijke schadelijke gevolgen voor hen van dien. Zij kunnen nog lange tijd achtervolgd worden door de gevolgen van de verspreiding van de beelden, doordat het vrijwel onmogelijk is om een afbeelding of video die op het internet is gezet, daarvan af te halen. De verdachte heeft met zijn handelen bijgedragen aan de vraag naar dergelijk kindermisbruikmateriaal en daarmee aan de instandhouding van dat misbruik en de uitbuiting van minderjarigen. Met de gevolgen voor de kinderen heeft hij geen rekening gehouden.\n\nDe verdachte heeft verder meerdere kindersekspoppen in bezit gehad. Het bezit van dergelijke seksattributen draagt bij aan het in stand houden van een markt voor voorwerpen die seksualisering van kinderen in de hand werken en het creëren van een subcultuur die seks met kinderen als normaal gedrag afspiegelt. Tot slot heeft de verdachte een hoeveelheid GHB aanwezig gehad.\n\nStrafblad\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 28 oktober 2025, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.\n\nPersoon van de verdachte\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de Pro Justitia-rapportage van 3 april 2026, opgesteld door psychiater dr. [psychiater] en van de Pro Justitia-rapportage van 8 april 2026, opgesteld door klinisch psycholoog drs. [klinisch psycholoog] .\n\nDe psychiater komt tot de conclusie dat de verdachte lijdt aan een pedofiele stoornis. In het verleden is een aandachtsdeficiëntie- en hyperactiviteitsstoornis vastgesteld en de verdachte gebruikt medicatie die verschijnselen van deze stoornis onderdrukt. De pedofiele stoornis was aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde. Het uit de pedofiele stoornis voortkomende sterke verlangen naar seksueel contact met prepuberale meisjes, in combinatie met de cognitieve vertekeningen, zorgde ervoor dat de verdachte doorging met het verzamelen van kinderporno, het filmen en ontuchtig aanraken van de kinderen op de school. De psychiater adviseert de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten in een verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Om het door de psychiater op matig ingeschatte risico op recidive te verlagen wordt geadviseerd een behandeling op te leggen en deze klinisch te laten beginnen. Daarna zullen toezicht en begeleiding een grote rol moeten spelen. De psychiater adviseert deze behandeling, indien de strafmaat dit toelaat, op te leggen in het kader van tbs met voorwaarden. Een behandeling op basis van een voorwaardelijk strafdeel zal onvoldoende bescherming bieden tegen recidive. Het opleggen van tbs met dwangverpleging wordt niet geadviseerd.\n\nDe psycholoog concludeert, net als de psychiater, dat de verdachte lijdt aan een pedofiele stoornis. Daarnaast is sprake van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met paranoïde, schizoïde, vermijdende, dwangmatige en antisociale trekken. Er is sprake van een doorwerking van deze stoornissen in aanloop tot en ten tijde van het plegen van het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde. Om deze reden adviseert de psycholoog het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Het risico op een nieuw hands-ondelict wordt ingeschat als matig, maar dit risico stijgt indien het ten laste gelegde bewezen wordt verklaard. Om het risico op recidive terug te dringen is het wenselijk dat de verdachte behandeld wordt voor zijn pedofiele stoornis. Dit kan middels cognitieve gedragstherapie of andere vormen van psychotherapie. De psycholoog adviseert om deze behandeling klinisch te laten starten. Een behandeling als onderdeel van een voorwaardelijke straf is hiervoor onvoldoende; wanneer de verdachte niet zou meewerken, resteert de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegd strafdeel. Dat is volgens de psycholoog zorgelijk, zeker omdat het recidiverisico matig is. Er is langdurige zorg en toezicht nodig, maar er is geen hoog beveiligingsniveau nodig. Om die reden lijkt volgens de psycholoog, indien de strafmaat dit toelaat, tbs met voorwaarden meer passend dan tbs met dwangverpleging. Daarnaast wordt geadviseerd om aan de verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen.\n\nNu de conclusies van de psychiater en de psycholoog worden gedragen door hun bevindingen, neemt de rechtbank de conclusies van de psychiater en de psycholoog, dat het onder 1, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde de verdachte in verminderde mate moet worden toegerekend, over en maakt die tot de hare. De rechtbank rekent het bewezen verklaarde dus in zoverre in verminderde mate aan de verdachte toe, maar houdt daarbij ook rekening met het feit dat de verdachte geraffineerd te werk ging door telkens heimelijk opnames te maken met speciale software om niet te worden betrapt. De verdachte was er dus van doordrongen dat wat hij deed onacceptabel was.\n\nDe rechtbank heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsadvies over de verdachte van 2 juni 2026. Uit de rapportage volgt dat de reclassering zich in grote lijnen aansluit bij hetgeen door de psychiater en psycholoog is geconcludeerd. De reclassering schat het risico op recidive in als gemiddeld. De reclassering heeft bij een veroordeling positief geadviseerd over tbs met voorwaarden. Ondanks de ambivalente houding van de verdachte ten aanzien van een klinische opname, is de reclassering van mening dat alleen een langdurig traject met een stevige stok achter de deur de verdachte kan helpen om niet opnieuw de fout in te gaan. De reclassering adviseert deze maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Daarnaast wordt geadviseerd een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking aan de verdachte op te leggen, vanwege de problematiek bij de verdachte die langdurig zal blijven bestaan en een langdurig toezicht zal vragen na de tbs-maatregel.\n\nDe op te leggen straf\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de Landelijke Oriëntatiepunten voor Straftoemeting en bij wat in vergelijkbare gevallen doorgaans wordt opgelegd. De oriëntatiepunten gaan voor het maken van een gewoonte van het vervaardigen van kinderporno uit van een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar. Voor het maken van een gewoonte van het verspreiden van kinderporno geldt als uitgangspunt een gevangenisstraf voor de duur van twee jaar. Voor ontucht en seksuele handelingen met minderjarigen zoals in deze zaak aan de orde zijn geen oriëntatiepunten voorhanden. Ook is er geen oriëntatiepunt voor het bezit van de kindersekspoppen. Tot slot staat op het bezit van 680 milliliter GHB volgens de oriëntatiepunten een taakstraf.\n\nNaast de oriëntatiepunten neemt de rechtbank de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd – zoals hiervoor al besproken – in aanmerking. De rechtbank acht het zeer kwalijk dat de verdachte, terwijl hij wist dat hij leed aan een pedofiele stoornis en daarvoor in behandeling was, voor een basisschool is gaan werken. Hij heeft een basisschool, wat een veilige plek voor jonge kinderen moet zijn, gebruikt om zijn eigen lustgevoelens te bevredigen. Het vertrouwen dat men moet kunnen hebben in een basisschool als een veilige plaats voor kinderen, is beschaamd. De zaak heeft mede daarom tot veel maatschappelijke beroering en onbegrip geleid.\n\nGelet op het voorgaande, in het bijzonder de ernst van de bewezen verklaarde feiten, de lange periode waarover de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt en het grote aantal slachtoffers, concludeert de rechtbank dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.\n\nDe eis van de officier van justitie doet naar het oordeel van de rechtbank recht aan de ernst van de feiten. De rechtbank zal aan de verdachte dan ook een gevangenisstraf opleggen voor de duur van zeven jaren.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.\n\nDe op te leggen maatregel\n\nAan de wettelijke vereisten voor het opleggen van tbs is voldaan. De onder 1, 2 en 4 bewezen verklaarde feiten zijn misdrijven genoemd in artikel 37a, eerste lid, onder 2°, Sr. Ten tijde van het begaan van deze feiten was bij de verdachte sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Op grond van de aard van de feiten, de inhoud van de Pro Justitia-rapportages en het reclasseringsadvies, is de rechtbank van oordeel dat, mede gelet op het gemiddelde recidiverisico, de veiligheid van anderen eist dat aan de verdachte tbs wordt opgelegd.\n\nDe rechtbank onderkent dat beide deskundigen van de Pro Justitia-rapportages en de reclassering tbs met voorwaarden (en niet tbs met dwangverpleging) hebben geadviseerd. Dit lijkt dan ook het meest passende kader voor de verdachte te zijn. De oplegging van een gevangenisstraf van meer dan vijf jaren staat echter aan het opleggen van tbs met voorwaarden in de weg. Doordat een gevangenisstraf van zeven jaar aan de verdachte wordt opgelegd, is het op grond van de wet niet mogelijk om tbs met voorwaarden op te leggen. De rechtbank is daarmee beperkt in haar mogelijkheden. Aangezien geen lichter of ander kader resteert om de noodzakelijke behandeling dwingend vorm te geven en het risico op recidive te beperken, eist de veiligheid van anderen het opleggen van de maatregel van tbs met dwangverpleging.\n\nDe maatregel wordt (mede) opgelegd voor zedenfeiten, en derhalve voor misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De maatregel is dus niet gemaximeerd en kan daarom langer duren dan vier jaren.\n\nDe 38v- en 38z-maatregel\n\nNu de verdachte eerst het resterende deel van de opgelegde gevangenisstraf moet ondergaan\n\nen daarna zal worden behandeld in het kader van de tbs met dwangverpleging, ziet de rechtbank geen aanleiding om een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid in de vorm van een contact- en locatieverbod op te leggen. Hetzelfde geldt voor de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking.\n\nBeroepsverbod\n\nDe verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten in de uitoefening van zijn beroep begaan. Om het gevaar in te perken dat de verdachte zich in de toekomst opnieuw schuldig zal maken aan het plegen van soortgelijke feiten, legt de rechtbank een verbod op aan de verdachte tot het uitoefenen van elk beroep waarbij sprake is van direct contact, een gezagsverhouding of een afhankelijkheidsrelatie met minderjarigen. De rechtbank acht een duur van tien jaren passend en geboden.\n\n8. De vorderingen van de benadeelde partijen\n\nIn totaal hebben negentien benadeelde partijen zich gevoegd in dit strafproces. Deze benadeelde partijen vorderen de verdachte te veroordelen om een schadevergoeding te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nIn de tabel hieronder wordt het door hen gevorderde weergegeven.\n\nBenadeelde partij\n\nMateriële schade\n\nImmateriële schade\n\nTotaal\n\nZaak 1: [benadeelde 1]\n\n€ 8.612,15\n\n€ 135.712,50\n\n€ 144.324,65\n\nZaak 1: [benadeelde 2]\n\n€ 5.564,06\n\n€ 20.000,-\n\n€ 25.564,06\n\nZaak 2: [benadeelde 3]\n\n€ 8.100,-\n\n€ 16.000,-\n\n€ 24.100,-\n\nZaak 3: [benadeelde 4]\n\n€ 6.526,90\n\n€ 16.125,-\n\n€ 22.651,90\n\nZaak 4: [benadeelde 5]\n\n-\n\n€ 5.000,-\n\n€ 5.000,-\n\nZaak 5: [benadeelde 6]\n\n€ 12.946,04\n\n€ 10.000,-\n\n€ 22.946,04\n\nZaak 6: [benadeelde 7]\n\n€ 5.112,05\n\n€ 13.750,-\n\n€ 18.862,05\n\nZaak 6: [benadeelde 8]\n\n€ 13,86\n\n€ 10.000,-\n\n€ 10.013,86\n\nZaak 6: [benadeelde 9]\n\n€ 206,80\n\n€ 10.000,-\n\n€ 10.206,80\n\nZaak 7: [benadeelde 10]\n\n€ 6.553,39\n\n€ 11.250,-\n\n€ 17.803,39\n\nZaak 8: [benadeelde 11]\n\n-\n\n€ 6.000,-\n\n€ 6.000,-\n\nZaak 11: [benadeelde 12]\n\n€ 15,04\n\n€ 3.125,-\n\n€ 3.140,04\n\nZaak 12: [benadeelde 13]\n\n€ 12.038,72\n\n€ 3.125,-\n\n€ 18.288,72\n\nZaak 13: [benadeelde 14]\n\n€ 3.125,-\n\nZaak 14: [benadeelde 15]\n\n-\n\n€ 3.500,-\n\n€ 3.500,-\n\nZaak 15: [benadeelde 16]\n\n€ 5.274,97\n\n€ 3.125,-\n\n€ 8.399,97\n\nZaak 16: [benadeelde 17]\n\n-\n\n€ 3.500,-\n\n€ 3.500,-\n\nZaak 17: [benadeelde 18]\n\n€ 5.327,-\n\n€ 1.875,-\n\n€ 7.202,-\n\nZaak 18: [benadeelde 19]\n\n-\n\n€ 4.000,-\n\n€ 4.000,-\n\n8.1.. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële schade in de zaken 2 en 11 geheel kan worden toegewezen. De gevorderde materiële schade in zaak 1 kan worden toegewezen tot een bedrag van € 1.827,20 voor het slachtoffer en € 24,51 voor haar moeder, in zaak 3 tot € 1.526,90, in zaak 5 tot € 154,06, in zaak 7 tot € 1.553,39 en in zaak 17 tot € 327,-. Voor het overige dienen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun vorderingen.\n\nDe officier van justitie heeft zich ten aanzien van de gevorderde immateriële schade op het standpunt gesteld dat deze in de zaken 2, 4, 5, 8, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17 en 18 geheel kan worden toegewezen. De gevorderde immateriële schade in zaak 1 kan worden toegewezen tot een bedrag van € 28.000,- voor het slachtoffer en € 3.000,- voor haar moeder, in zaak 3 tot € 7.500,- en in zaak 6 tot € 10.000,-. De ouders van slachtoffer 6 dienen niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun vorderingen tot schadevergoeding, nu geen sprake lijkt te zijn van shockschade.\n\n8.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft met betrekking tot de gevorderde materiële schadevergoeding ten aanzien van de vorderingen in de zaken 1, 3 en 7 zich primair op het standpunt gesteld dat deze te complex zijn voor behandeling en dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vorderingen, en subsidiair dat deze dienen te worden afgewezen. Met betrekking tot de gevorderde reis- en parkeerkosten in de zaken 5, 6, 11, 12, 13, 15 en 17 refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de gevorderde materiële schade in de zaken 2, 5, 6, 12, 13 en 17 dienen de benadeelde partijen (voor het overige) niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun vorderingen.\n\nTer onderbouwing heeft de raadsman aangevoerd dat de gevorderde onvoorziene kosten (zaken 1, 3, 4, 6, 7, 12, 13, 15 en 17) niet zijn onderbouwd, onvoldoende blijkt dat de uitjes (zaak 1) noodzakelijk waren, er onvoldoende verband is tussen de studievertraging (zaak 2) en de ten laste gelegde feiten, en dat de kosten van het opnemen van verlof (zaak 5) geen direct gevolg zijn van het handelen van de verdachte.\n\nDe raadsman heeft ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding in het algemeen opgemerkt dat de Rotterdamse schaal als uitgangspunt genomen moet worden bij het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding. De raadsman heeft dit vervolgens nader geconcretiseerd en bepleit dat de volgende bedragen aan immateriële schade passend zijn:\n\n- een bedrag van € 2.500,00 voor elk van de benadeelde partijen in de zaken 2, 4, 7, 12 en 13;\n\n- een bedrag van € 2.000,00 voor de benadeelde partij in zaak 6;\n\n- een bedrag van € 1.500,00 voor de benadeelde partij in zaak 1;\n\n- een bedrag van € 1.000,00 voor elk van de benadeelde partijen in de zaken 3, 5, 8, 11, 14, 15, 16 en 17;\n\n- een bedrag van € 500,00 voor de benadeelde partij in zaak 18.\n\nVerder heeft de raadsman ten aanzien van de vorderingen van de ouders in de zaken 1 en 6 verzocht om de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen. Daartoe heeft de raadsman het standpunt ingenomen dat geen sprake kan zijn van shockschade, nu geen sprake was van een directe confrontatie met de seksuele handelingen tussen de verdachte en hun dochter.\n\n8.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nMateriële schade\n\nDe ouders van de slachtoffers in de zaken 1, 2, 3, 5, 6, 7, 11, 12, 13, 15 en 17 hebben namens hen materiële schade gevorderd. De ouders in de zaken 1 en 6 hebben daarnaast zelf ook materiële schade gevorderd.\n\nVerplaatste schade: wettelijk kader\n\nHet wettelijk kader voor een vergoeding van de verplaatste schade is artikel 6:107 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Het gaat om kosten die een derde ten behoeve van het slachtoffer heeft gemaakt en die het slachtoffer zelf had kunnen claimen als het slachtoffer de kosten zelf zou hebben gemaakt. Om deze schade te kunnen verhalen op de verdachte, moet er een direct oorzakelijk verband bestaan tussen het strafbare feit en de schade.\n\nReis- en parkeerkosten\n\nDe benadeelde partijen in de zaken 1, 3, 5, 6, 7, 11, 12, 13, 15 en 17 hebben materiële schade gevorderd voor reis- en parkeerkosten.\n\nTen aanzien van de reiskosten in het kader van een medische behandeling overweegt de rechtbank dat dit schade is die rechtstreeks voortvloeit uit de bewezen verklaarde feiten en dat deze in redelijkheid zijn gemaakt. De verdediging heeft deze kosten niet betwist. De rechtbank zal dit deel van de vordering van zaak 1 dan ook toewijzen. Uit het bij de vordering gevoegde overzicht blijkt dat de benadeelde partij 24 keer reiskosten heeft gemaakt voor een medische behandeling, waarbij per bezoek een afstand van 2,6 kilometer is afgelegd. De rechtbank hanteert een kilometervergoeding van € 0,33. De voor vergoeding in aanmerking komende reiskosten bedragen derhalve 24 x 2,6 x € 0,33, in totaal € 20,59.\n\nDe overige reis- en parkeerkosten zien op het bijwonen van zittingen, bezoeken aan het politiebureau voor het doen van aangifte en bezoeken aan een advocaat, slachtofferhulp of de school. Al deze overige opgevoerde reiskosten zijn niet aan te merken als schade die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit zoals bedoeld in artikel 51f, eerste lid, Sv. Uit vaste rechtspraak blijkt verder dat reis- en verblijfkosten voor het bijwonen van een zitting op grond van artikel 238 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering slechts als proceskosten voor vergoeding in aanmerking komen voor zover door de benadeelde partij zonder gemachtigde (advocaat) wordt geprocedeerd. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partijen met een gemachtigde (advocaat) procederen. Het wettelijk stelsel biedt in dat geval geen ruimte voor vergoeding van de hier gevorderde reiskosten. De overige kosten zijn in het geheel niet toewijsbaar als proceskosten, omdat zij niet worden genoemd in de civiele proceskostenregeling (zie gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 3 juni 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:4540 en Hoge Raad 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:414). In zoverre worden de vorderingen dan ook afgewezen.\n\nOnvoorziene kosten\n\nDe vorderingen zijn met betrekking tot de post ‘onvoorziene kosten’ van € 5.000,- niet (voldoende) onderbouwd. Vanwege dit gebrek aan onderbouwing zal de rechtbank de benadeelde partijen in de zaken 1, 3, 5, 6, 7, 12, 13, 15 en 17 in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partijen de gelegenheid geven de vorderingen nader te onderbouwen levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op.\n\nKosten opstellen rapportage\n\nIn de zaken 1, 3 en 7 zijn kosten gevorderd die verband houden met het opstellen van een rapportage door een deskundige inzake de sociaal emotionele ontwikkelingsrisico’s van de slachtoffers. De rechtbank overweegt dat een dergelijk rapport in voorkomende gevallen inzicht kan geven in de mogelijke gevolgen van het handelen van de verdachte voor de ontwikkeling van de slachtoffers op langere termijn. De rechtbank is echter van oordeel dat in de overgelegde rapporten op verschillende punten wordt uitgegaan van aannames waarvan de juistheid in deze procedure niet kan worden vastgesteld. De rechtbank zal deze rapporten daarom niet aan haar beoordeling ten grondslag leggen en daarmee komen de kosten voor deze rapporten ook niet voor vergoeding in aanmerking.\n\nIn zaak 7 was het deskundigenrapport ten tijde van de behandeling van de vordering nog niet opgesteld. Reeds daarom kan de rechtbank dit rapport niet betrekken bij haar beoordeling en kunnen de daarvoor gevorderde kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. De benadeelde partijen zullen ten aanzien van dit deel van de vordering niet ontvankelijk worden verklaard.\n\nStudievertraging\n\nDoor de ouders in zaak 2 is een vergoeding voor studievertraging gevorderd, omdat hun kind een schooljaar is blijven zitten. De rechtbank is van oordeel dat niet op eenvoudige wijze kan worden vastgesteld of en zo ja, in welke mate, de bewezen verklaarde feiten de studievertraging tot gevolg hebben gehad. De vaststelling of de bewezen verklaarde feiten studievertraging hebben opgeleverd voor de benadeelde partij, brengt een onevenredige belasting van het strafgeding met zich. Gelet hierop zal de rechtbank de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk verklaren in dit gedeelte van de vordering.\n\nOverige gevorderde materiële schade\n\nIn zaak 1 zijn kosten voor door de moeder met het slachtoffer ondernomen uitjes opgevoerd. Deze kosten staan naar het oordeel van de rechtbank in een te ver verwijderd verband met de bewezen verklaarde feiten om te kunnen worden aangemerkt als rechtstreekse schade. Nu het rechtstreekse verband tussen de bewezen verklaarde feiten en de gestelde schade niet is komen vast te staan, zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering tot schadevergoeding\n\nIn zaak 5 is een vergoeding voor verlofopname van de ouders gevorderd, omdat zij niet hebben kunnen werken vanwege de afhandeling van de zaak en hun dochter hebben moeten ondersteunen. Deze gevorderde kosten betreffen geen schade die door hun dochter zelf is geleden en vervolgens naar de ouders is verplaatst. Er is dus geen sprake van verplaatste schade als bedoeld in 6:107, eerste lid, onder a, BW. Ook de gevorderde schade wegens gederfde inkomsten van de ouders in de zaken 12, 13 en 17, die verband houdt met de tijd die zij hebben besteed aan het doen van aangifte en het bijwonen van de zitting, betreft geen schade die door hun kinderen zelf is geleden. Ten aanzien van deze schade zullen de benadeelde partijen daarom in de vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard.\n\nGevorderde materiële schade door ouders\n\nDoor de moeder van slachtoffer 1 en de ouders van slachtoffer 6 is vergoeding van (eigen) materiële schade gevorderd. Ten aanzien van de kosten voor het raadplegen van de huisarts of een specialist in verband met klachten die zouden zijn ontstaan na de bewezen verklaarde feiten, alsmede de daarmee samenhangende reiskosten, overweegt de rechtbank dat onvoldoende uit de onderbouwing is gebleken dat deze schadeposten in een rechtstreeks verband staan met de bewezen verklaarde feiten. Hetzelfde geldt voor de gevorderde schoonmaakwerkzaamheden in de woning, reiskosten voor het volgen van therapie en parkeerkosten vanwege een spoedopname in het ziekenhuis. Deze kosten kunnen dan ook niet als rechtstreekse schade worden aangemerkt. De benadeelde partijen zullen in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.\n\nImmateriële schade\n\nDe slachtoffers in de zaken 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17 en 18 hebben immateriële schade gevorderd. De ouders in de zaken 1 en 6 hebben schadevergoeding verzocht vanwege het bestaan van shockschade.\n\nWettelijk kader\n\nVoor toewijzing van immateriële schadevergoeding moet op grond van artikel 6:106 BW – voor zover hier relevant – sprake zijn van een aantasting in de persoon van benadeelden op andere wijze, veroorzaakt door het bewezen verklaarde gedrag van de verdachte.\n\nVan de bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen (vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793).\n\nOntucht en aanranding\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending in deze gevallen meebrengen dat de in dit verband door de benadeelden ondervonden nadelige gevolgen zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon op andere wijze kan worden aangenomen. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partijen in de zaken 1, 2, 3, 5, 6 en 8 rechtstreeks immateriële schade hebben geleden door het onder 1 bewezen verklaarde feit.\n\nDe vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is welk bedrag passend is om toe te wijzen als vergoeding voor de geleden schade. Bij het vaststellen van de hoogte van de immateriële schade maakt de rechtbank gebruik van de per categorie genoemde bedragen in de Rotterdamse schaal. De rechtbank heeft voor het nadeel als gevolg van het ontucht aansluiting gezocht bij categorie 15.3 ‘aanranding’. Daarin is een bandbreedte van € 1.000,- tot € 6.500,- opgenomen. De rechtbank neemt verder de jonge leeftijd van de slachtoffers in aanmerking en de omstandigheden dat sprake is geweest van meerdere ontuchtige en seksuele handelingen. De rechtbank acht een bedrag van € 2.000,- per benadeelde partij billijk. De benadeelde partijen worden voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering verklaard.\n\nHeimelijk filmen en vervaardigen kinderpornografisch materiaal\n\nAnders dan het geval is voor de hiervoor besproken ontuchtige handelingen en aanranding, is de rechtbank van oordeel dat wat betreft het heimelijk filmen een onderbouwing van de vordering nodig is op basis waarvan een aantasting in de persoon en daarbij behorende schade kan worden vastgesteld. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het filmen heimelijk is gebeurd, onduidelijk is hoeveel de slachtoffers van het maken van de opnames hebben gemerkt en wat de gevolgen daarvan voor hen zijn of zullen zijn.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat een dergelijke onderbouwing in de zaken 4, 7, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17 en 18 ontbreekt. De rechtbank kan op basis van de gegeven onderbouwing niet vaststellen dat sprake is van een aantasting in de persoon en schade als gevolg daarvan. De benadeelde partijen de gelegenheid geven om de geleden schade nader te onderbouwen levert een onevenredige belasting van dit strafproces op. De benadeelde partijen zullen daarom ten aanzien van de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk worden verklaard.\n\nBeoordelingskader shockschade\n\nVolgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is toekenning van zogenoemde shockschade mogelijk. Vergoeding van shockschade kan plaatsvinden als bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht door (i) het waarnemen van het ten laste gelegde, of (ii) door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Uit die emotionele schok dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid. Dat zal zich met name kunnen voordoen als de benadeelde partij en het slachtoffer een nauwe affectieve relatie hadden en het slachtoffer bij het ten laste gelegde is gedood of verwond. Voor vergoeding van deze schade is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld. Dat zal in het algemeen slechts het geval zal zijn als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarmee is beoogd tot uitdrukking te brengen dat die emotionele schok moet hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en\u002Fof gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar.\n\nBeoordeling van de vorderingen van de ouders\n\nDe moeder van slachtoffer 1 heeft gesteld dat zij als gevolg van de handelingen die de verdachte jegens haar dochter heeft begaan, psychische klachten heeft ontwikkeld en haar werkzaamheden in omvang heeft moeten verminderen.\n\nDe ouders van slachtoffer 6 hebben gesteld dat zij psychische klachten hebben ontwikkeld nadat zij door de politie werden geconfronteerd met het handelen van de verdachte jegens hun dochter. De vader is als gevolg daarvan uitgevallen op werk en de moeder stelt verlies van arbeidsvermogen te hebben geleden.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank komt de ouders van de slachtoffers geen vergoeding van shockschade toe. De rechtbank stelt vast dat in meerdere opzichten geen sprake is van een situatie als door de Hoge Raad in zijn jurisprudentie beschreven, hoe zeer overigens ook invoelbaar is dat de bewezen verklaarde feiten voor de ouders in emotioneel opzicht zeer belastend zijn.\n\nDe rechtbank zal de benadeelde partijen derhalve ter zake van de gevorderde immateriële niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen.\n\nConclusie\n\nAl het voorgaande betekent dat de rechtbank de volgende bedragen zal toewijzen.\n\nBenadeelde partij\n\nMateriële schade\n\nImmateriële schade\n\nTotaal\n\nZaak 1: [benadeelde 1]\n\n€ 20,59\n\n€ 2.000,-\n\n€ 2.020,59\n\nZaak 1: [benadeelde 2]\n\n-\n\n-\n\n-\n\nZaak 2: [benadeelde 3]\n\n-\n\n€ 2.000,-\n\n€ 2.000,-\n\nZaak 3: [benadeelde 4]\n\n-\n\n€ 2.000,-\n\n€ 2.000,-\n\nZaak 4: [benadeelde 5]\n\n-\n\n-\n\n-\n\nZaak 5: [benadeelde 6]\n\n-\n\n€ 2.000,-\n\n€ 2.000,-\n\nZaak 6: [benadeelde 7]\n\n-\n\n€ 2.000,-\n\n€ 2.000,-\n\nZaak 6: [benadeelde 8]\n\n-\n\n-\n\n-\n\nZaak 6: [benadeelde 9]\n\n-\n\n-\n\n-\n\nZaak 7: [benadeelde 10]\n\n-\n\n-\n\n-\n\nZaak 8: [benadeelde 11]\n\n-\n\n€ 2.000,-\n\n€ 2.000,-\n\nZaak 11: [benadeelde 12]\n\n-\n\n-\n\n-\n\nZaak 12: [benadeelde 13]\n\n-\n\n-\n\n-\n\nZaak 13: [benadeelde 14]\n\n-\n\n-\n\n-\n\nZaak 14: [benadeelde 15]\n\n-\n\n-\n\n-\n\nZaak 15: [benadeelde 16]\n\n-\n\n-\n\n-\n\nZaak 16: [benadeelde 17]\n\n-\n\n-\n\n-\n\nZaak 17: [benadeelde 18]\n\n-\n\n-\n\n-\n\nZaak 18: [benadeelde 19]\n\n-\n\n-\n\n-\n\nWettelijke rente\n\nDe rechtbank zal de wettelijke rente voor iedere benadeelde partij toewijzen vanaf de datum waarop de (eerste) video-opname met de ten aanzien van die benadeelde partij onder feit 1 bewezen verklaarde handelingen is vervaardigd, aangezien de schade geacht wordt op dat moment te zijn ontstaan.\n\nProceskosten\n\nTen aanzien van de vorderingen van de slachtoffers die gedeeltelijk worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.\n\nMet betrekking tot de overige vorderingen moeten de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nDe benadeelde partijen hebben verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.\n\nDe rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die is toegebracht. De rechtbank zal de hoogte van de schadevergoedingsmaatregel steeds opleggen ter hoogte van het toegewezen bedrag.\n\nAls door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze betalingsverplichting worden aangevuld met het aantal dagen gijzeling dat blijkt uit het dictum van dit vonnis, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.\n\nBEM-clausule\n\nDe rechtbank zal bepalen dat de als gevolg van deze uitspraak door de verdachte te betalen schadevergoeding en rente daarover zullen worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partijen te openen spaarrekening met een zogenoemde BEM-clausule. Een dergelijke BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de benadeelde partijen nu zij allen nog minderjarig zijn. De benadeelde partijen en hun wettelijke vertegenwoordigers kunnen slechts met toestemming van de kantonrechter over het vermogen beschikken tot het moment waarop de benadeelde partijen de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt.\n\n9. De toepasselijke wetsartikelen\n\nDe op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:\n\n- 28, 31, 36 f, 37a, 37b, 57, 139f, 240b (oud), 247 (oud), 248 (oud), 249, 252, 253a en 254 van het Wetboek van Strafrecht;\n\n- 2 en 10 van de Opiumwet.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.\n\n10. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 4.5 bewezen is verklaard;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:\n\nten aanzien van feit 1:\n\n in de periode van 1 december 2019 tot en met 30 juni 2024:\n\nmet iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd;\n\nen\n\n in de periode van 1 juli 2024 tot en met 9 juli 2025:\n\ngekwalificeerde aanranding in de leeftijdscategorie beneden twaalf jaren, begaan jegens een kind in een situatie van afhankelijkheid, meermalen gepleegd;\n\nten aanzien van feit 2:\n\n in de periode van 1 december 2019 tot en met 30 juni 2024:\n\nafbeeldingen en gegevensdragers bevattende afbeeldingen van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, verspreiden, vervaardigen en in bezit hebben, terwijl van het plegen van dit misdrijf een gewoonte wordt gemaakt;\n\nen\n\n in de periode van 1 juli 2024 tot en met 9 juli 2025:\n\nvisuele weergaven van seksuele aard of met een onmiskenbaar seksuele strekking, waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, verspreiden, vervaardigen en in bezit hebben, terwijl van het begaan van het feit een gewoonte wordt gemaakt;\n\nten aanzien van feit 3:\n\ngebruik makend van een technisch hulpmiddel waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar is gemaakt, opzettelijk en wederrechtelijk van een persoon, aanwezig in een niet voor het publiek toegankelijke plaats, een afbeelding vervaardigen, meermalen gepleegd;\n\nten aanzien van feit 4:\n\nin de periode van 28 april 2009 tot en met 30 juni 2024:\n\nafbeeldingen en gegevensdragers bevattende afbeeldingen van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, verspreiden, aanbieden, in bezit hebben of zich door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang daartoe verschaft, terwijl van het plegen van dit misdrijf een gewoonte wordt gemaakt;\n\nen\n\n in de periode van 1 juli 2024 tot en met 9 juli 2025:\n\nvisuele weergaven van seksuele aard of met een onmiskenbaar seksuele strekking, waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, verspreiden en aanbieden en verwerven en in bezit hebben en zich de toegang daartoe verschaffen, terwijl van het begaan van het feit een gewoonte wordt gemaakt;\n\nten aanzien van feit 5:\n\nvoorwerpen met een uiterlijke verschijningsvorm van een kind dat de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, dat bestemd is om seksuele handelingen mee te verrichten, in bezit hebben;\n\nten aanzien van feit 6:\n\nopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;\n\nverklaart de verdachte daarvoor strafbaar;\n\nveroordeelt de verdachte tot:\n\neen gevangenisstrafvoor de duur van7 (ZEVEN) JAREN;\n\nbepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;\n\ngelast de terbeschikkingstellingvan de verdachte;\n\nbeveelt dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege zal worden verpleegd;\n\nontzetde verdachte van het recht tot uitoefening van elk beroep waarbij sprake is van direct contact, een gezagsverhouding of een afhankelijkheidsrelatie met minderjarigen, voor de duur van10 (TIEN) JAREN;\n\nde vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 2.020,59, bestaande uit € 20,59 aan materiële schade (reiskosten in het kader van een medische behandeling) en € 2.000,- aan immateriële schade, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 21 november 2022 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 1] ;\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde reis- en parkeerkosten, niet betrekking hebbende op reiskosten in het kader van een medische behandeling, af;\n\nbepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;\n\nveroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;\n\nlegt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.020,59, bestaande uit € 20,59 aan materiële schade en € 2.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 21 november 2022 tot de dag waarop dit bedrag is betaald ten behoeve van [benadeelde 1] ;\n\nbepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 20 dagen. De toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;\n\nbepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [benadeelde 1] (geboren op [geboortedatum 2] 2015) te openen spaarrekening met een BEM-clausule;\n\nde vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 2.000,-, zijnde immateriële schade, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 16 januari 2024 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 3] ;\n\nbepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;\n\nveroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;\n\nlegt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.000,-, zijnde immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 16 januari 2024 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 3] ;\n\nbepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 20 dagen. De toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;\n\nbepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [benadeelde 3] (geboren op [geboortedatum 3] 2019) te openen spaarrekening met een BEM-clausule;\n\nde vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 2.000,-, zijnde immateriële schade, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 12 december 2024 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 4] ;\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde reis- en parkeerkosten af;\n\nbepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;\n\nveroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;\n\nlegt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.000,-, zijnde immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 12 december 2024 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 4] ;\n\nbepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 20 dagen. De toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;\n\nbepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [benadeelde 4] (geboren op [geboortedatum 6] 2019) te openen spaarrekening met een BEM-clausule;\n\nde vordering van de benadeelde partij [benadeelde 6]\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 2.000,-, zijnde immateriële schade, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 28 september 2023 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 6] ;\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde reis- en parkeerkosten af;\n\nbepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;\n\nveroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;\n\nlegt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.000,-, zijnde immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 28 september 2023 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 6] ;\n\nbepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 20 dagen. De toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;\n\nbepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [benadeelde 6] (geboren op [geboortedatum 4] 2019) te openen spaarrekening met een BEM-clausule;\n\nde vordering van de benadeelde partij [benadeelde 7]\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 2.000,-, zijnde immateriële schade, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 10 november 2022 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 7] ;\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde reis- en parkeerkosten af;\n\nbepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;\n\nveroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;\n\nlegt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.000,-, zijnde immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 10 november 2022 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 7] ;\n\nbepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 20 dagen. De toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;\n\nbepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [benadeelde 7] (geboren op [geboortedatum 5] 2018) te openen spaarrekening met een BEM-clausule;\n\nde vordering van de benadeelde partij [benadeelde 11]\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 2.000,-, zijnde immateriële schade, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 19 mei 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 11] ;\n\nbepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;\n\nveroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;\n\nlegt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.000,-, zijnde immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 19 mei 2025\n\ntot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 11] ;\n\nbepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 20 dagen. De toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;\n\nbepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [benadeelde 11] (geboren op [geboortedatum 7] 2019) te openen spaarrekening met een BEM-clausule;\n\nde vorderingen van de overige benadeelde partijen\n\nbepaalt dat de benadeelde partijen:\n\n- [benadeelde 2] ;\n\n- [benadeelde 5] ;\n\n- [benadeelde 8] ;\n\n- [benadeelde 9] ;\n\n- [benadeelde 10] ;\n\n- [benadeelde 12] ;\n\n- [benadeelde 13] ;\n\n- [benadeelde 14] ;\n\n- [benadeelde 15] ;\n\n- [benadeelde 16] ;\n\n- [benadeelde 17] ;\n\n- [benadeelde 18] ;\n\n- [benadeelde 19] ;\n\nniet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot schadevergoeding;\n\nveroordeelt de benadeelde partijen in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;\n\nde inbeslaggenomen goederen\n\nverstaat dat van de op de beslaglijst genoemde voorwerpen afstand is gedaan door de verdachte en dat er geen beslag meer open staat.\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. B.J. van de Griend, voorzitter,\n\nmr. S. Pereth, rechter,\n\nmr. C.A.W. Zijlstra, rechter,\n\nin tegenwoordigheid van mr. K.Z. Zeeman, griffier,\n\nen uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 juli 2026.\n\n Kamerstukken II 2022\u002F23, 36222, nr. 8, p.7.\n\n Kamerstukken II 2022\u002F23, 36222, nr. 8, p.11.\n\n Kamerstukken II 2022\u002F23, 36222, nr. 8, p.10-11.\n\n Kamerstukken II 2022\u002F23, 36222, nr. 8, p.13.\n\n Kamerstukken II 2022\u002F23, 36222, nr. 8, p.11.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18604","2026-07-13T00:29:09.991Z",{"id":76,"ecli":77,"slug":78,"caseNumber":43,"courtId":79,"decisionDate":64,"fullText":80,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":81,"sourceTimestamp":64,"parsedAt":50,"updatedAt":82},"773","ECLI:NL:GHAMS:2026:1862","ecli-nl-ghams-2026-1862",56,"afdeling strafrecht\n\nparketnummer: 23-000367-25\n\ndatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 6 februari 2025 in de strafzaak onder de parketnummers 13-324122-24 en\n\n23-003943-18 (TUL) tegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,\n\nadres: [adres 1] .Onderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van\n\n23 juni 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.\n\nDe verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw naar voren hebben gebracht.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing op de vordering tenuitvoerlegging – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat:\n\nhet hof het eerste bewijsmiddel (de verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg) aanpast in die zin dat het de laatste zin nietoverneemt, inhoudende “Dit familielid zei tegen mij….. vond dat aannemelijk”).\n\nde navolgende passage uit het bewijsmiddel op p. 18 “Een verslag zijnde een laboratoriumrapport van 21 oktober 2024 etc” nietoverneemt:\n\n“Item: 6561241\n\nOmschrijving: 1 plastic zak met 1,00 kg witte kristallen en poeder\n\nBevat:\n\nKetamine”\n\nhet hof het bewijsmiddel “Een geschrift, zijnde een kennisgeving van inbeslagneming met nummer PL 13000-2024216652-38, opgemaakt door [persoon 1] en [persoon 2] (KVI’s onderzoek BETON, ongenummerd) op p. 19 onderaan, aanpast in die zin dat het hof het goed nummer PL1300-2024216652-656135 gewijzigd leest als: PL1300-2024216652-6561335;\n\nhet hof het vonnis aanvult met de hierna volgende bewijsoverweging;\n\nde verdachte op de terechtzitting in hoger beroep afstand heeft gedaan van de onder hem in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zodat het hof ten aanzien van het beslag geen beslissing meer hoeft te nemen.Aanvullende bewijsoverweging\n\nDe verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep de volgende verklaring afgelegd.\n\nOp het moment dat de doorzoeking in zijn woning aan de [adres 2] op 1 oktober 2024 plaatsvond verbleef de verdachte sinds vijf á zes dagen met zijn vriendin in België. De tas met wapens en munitie – die is gevonden in de slaapkamer van de woning – heeft de verdachte bewaard voor zijn neef [persoon 3] . Daarnaast heeft de verdachte voor een andere neef: [persoon 4] (fonetisch)een groene Nike tas met daarin sportsupplementen bewaard. Deze tas met sportsupplementen isvoordatde verdachte naar België is afgereisd (en dus voordat de doorzoeking in de woning van de verdachte op\n\n1 oktober 2024 heeft plaatsgevonden) door deze neef weer opgehaald. De verdachte weet niets over de koffer en tas met daarin MDMA en ketamine die in de berging van zijn woning zijn gevonden en weet ook niet wie deze daar heeft neergezet. De koffer en de tas stonden daar nog niet op het moment dat de verdachte naar België is afgereisd en deze moeten daar dus – op het moment dat de verdachte met zijn vriendin in België verbleef – door een derde zijn neergezet. De verdachte heeft het vermoeden uitgesproken dat de tas en de koffer door een familielid in zijn berging zijn neergezet om hem erin te luizen. Aanleiding hiervoor zou een slepende familievete zijn geweest. De verdachte heeft verder geen namen willen noemen. Op de vraag van het hof waarom verdachte dan tijdens de terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard dat hij aan hetzelfde familielid (aan wie hij toestemming had gegeven om de vuurwapens in zijn huis te bewaren) toestemming had gegeven om een koffer bij hem op te slaan in de berging van zijn woning, heeft verdachte geantwoord dat hij gewoon was gaan “meepraten” met de rechtbank.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nTijdens de doorzoeking van de woning van de verdachte aan de [adres 2] op 1 oktober 2024 is in de slaapkamer een tas met twee vuurwapens, drie patroonmagazijnen met patronen en handschoenen aangetroffen. In de ‘berging’ – aan de linkerkant van de open keuken – stond naast de wasmachine een donkergrijze koffer. Voor die koffer stond een vuilnisbak. In de hoek naast de koffer stond op de grond een blauwe boodschappentas. In de koffer en de tas zijn stoffen, bevattende MDMA en ketamine, aangetroffen.\n\nTijdens de inhoudelijke behandeling in eerste aanleg op 23 januari 2025 heeft de verdachte over de tas met wapens en munitie en de koffer en tas met (verdovende) middelen een specifieke, gedetailleerde en aannemelijke verklaring afgelegd, die past bij de overige bewijsmiddelen, waaronder de verklaring van zijn zus (bewijsmiddel 2). De verdachte heeft verklaard dat hij wetenschap en beschikkingsmacht had over de wapens, dat de vuurwapens van een familielid waren en dat hij aan dit familielid toestemming heeft gegeven om de vuurwapens tijdelijk in zijn woning te bewaren. Daarnaast heeft hij voor wat betreft de donkergrijze koffer met daarin de (verdovende) middelen verklaard dat hij aan hetzelfdefamilielid toestemming had gegeven om de koffer bij hem op te slaan in de berging bij de keuken omdat hij het idee had dat dat familielid in de problemen zat, dat hij weet dat hij dit niet had moeten doen en dat het familielid tegen hem had gezegd dat er sport-supplementen in de koffer zaten. Ook heeft de verdachte verklaard dat hij moeite heeft met ‘nee’ zeggen tegen zijn familie door de druk die zij opleggen. In het kader van zijn laatste woord heeft de verdachte een op schrift gestelde verklaring voorgelezen waarin de verdachte heeft verklaard dat hij begrijpt dat hij verantwoordelijk is voor wat er is gebeurd, dat hij verantwoordelijk is voor zijn woning en dat zijn betrokkenheid voortkwam uit een verkeerde inschatting.\n\nHet hof stelt vast dat de verdachte in eerste aanleg en in hoger beroep wisselende verklaringen heeft afgelegd over (de herkomst van) de koffer en tas met (verdovende) middelen. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep voor het eerst een verklaring afgelegd over een groene Nike tas met daarin sportsupplementen die hij zou hebben bewaard voor een (niet eerder genoemde) neef [persoon 4] (fonetisch). Volstrekt onduidelijk is gebleven hoe deze groene Nike tas – die zich volgens de verdachte al niet meer in het huis van de verdachte bevond op het moment van de doorzoeking van zijn woning op\n\n1 oktober 2024 – verband houdt met de onderhavige zaak en evenmin is duidelijk hoe deze verklaring zich moet verhouden tot zijn eerdere verklaring (afgelegd tegenover de rechtbank tijdens de ter terechtzitting in eerste aanleg) namelijk dat de verdachte in de veronderstelling was dat juist in de koffer in zijn berging sportsupplementen zaten.\n\nDaarnaast heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep voor het eerst verklaard over een onbekend gebleven derde – maar waarschijnlijk een familielid – die de koffer en de tas met (verdovende) middelen in de berging van zijn huis moet hebben gezet om de verdachte erin te luizen in verband met een slepende familievete. Dit deel van zijn verklaring heeft de verdachte – hoewel het hof hierop bij de verdachte heeft doorgevraagd – niet nader geconcretiseerd. Het hof overweegt in dat kader dat het niet valt in te zien dat en waarom een ander een dergelijke grote hoeveelheid (verdovende) middelen met een aanzienlijke straatwaarde zonder medeweten van de verdachte op een dusdanig zichtbare plek waar – naar mag worden aangenomen – de bewoner vaak komt, in de woning van de verdachte zou verbergen. Deze verklaring wordt dan ook als onaannemelijk terzijde geschoven. Dat deze spullen daar enkel zouden zijn neergezet om de verdachte erin te luizen – kennelijk door de politie te tippen – acht het hof eveneens volstrekt onaannemelijk, reeds gelet op de waarde die de bewuste spullen vertegenwoordigen.\n\nIn reactie op het verweer dat de rechtbank de (strekking van de) verklaring van de verdachte verkeerd heeft begrepen en verkeerd heeft verwoord, overweegt het hof volledigheidshalve nog dat daarvoor geen enkel aanknopingspunt is. Zoals uit het voorgaande volgt, wijkt de verklaring van de verdachte in hoger beroep op meerdere punten wezenlijk af van zijn verklaring in eerste aanleg. De stelling dat de verdachte in eerste aanleg maar is gaan “meepraten” met de rechtbank, is onaannemelijk, reeds gelet op het feit dat verdachte op die zitting zelf met details is gekomen, zoals de opmerking dat het betreffende familielid tegen hem zei dat hij de koffer niet bij zijn ouders kon opslaan. Dat iets dergelijks hem in de mond zou zijn gelegd door de rechtbank, is mede gezien het proces-verbaal van de ter terechtzitting in eerste aanleg niet aannemelijk.\n\nGelet op het hiervoor overwogene schuift het hof de nieuwe verklaring die de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd als onaannemelijk en niet onderbouwd terzijde en is het hof van oordeel dat de rechtbank terecht is uitgegaan van de verklaring van de verdachte zoals verwoord in haar bewijsoverweging en de bewijsmiddelen.\n\nOplegging van straf\n\nDe rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Daarbij zijn diverse bijzondere voorwaarden gesteld.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren met daarbij gesteld diverse bijzondere voorwaarden.\n\nDe raadsvrouw heeft het hof in het kader van de strafmaat verzocht om aan de verdachte geen gevangenisstraf op te leggen die de door hem reeds ondergane hechtenis overstijgt.\n\nHet hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van twee vuurwapens inclusief munitie. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens en munitie brengt in zijn algemeenheid een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich en versterkt bovendien in de samenleving bestaande gevoelens van onveiligheid, omdat vuurwapens dikwijls worden gebruikt bij het plegen van ernstige strafbare feiten. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van een grote hoeveelheid MDMA en het in voorraad hebben van een grote hoeveelheid ketamine. De werkzame stof ketamine valt vanwege de geneeskundige toepassingen onder de Geneesmiddelenwet. Ketamine wordt echter steeds vaker buiten het medische circuit voor recreatieve doeleinden gebruikt als dissociatief tripmiddel, anders gezegd: als partydrug. Dit betekent een lucratieve afzetmarkt voor criminelen. Gezien de aangetroffen hoeveelheid kan het niet anders dan dat deze stof bestemd was om als recreatieve drug verder te worden verhandeld. Ketamine is verslavend en bij langdurig en frequent gebruik schadelijk voor de gezondheid, waardoor de werking van ketamine vergelijkbaar is met harddrugs. Harddrugs zijn schadelijk voor de volksgezondheid en het is algemeen bekend dat de handel in harddrugs samengaat met ernstige vormen van criminaliteit, met vaak veel geweld, schade en overlast in de samenleving als gevolg. Verdachte heeft hieraan bijgedragen door deze\n\ngrote hoeveelheden MDMA en ketamine bij hem thuis te (laten) bewaren.\n\nDe ernst van de bewezenverklaarde feiten rechtvaardigen, mede gelet op de straffen die door rechters in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd, de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van geruime duur, zoals door de rechtbank in eerste aanleg ook is opgelegd.\n\nHet hof zal echter in strafmatigende zin rekening houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte heeft in verband met de onderhavige strafzaak reeds ruim een jaar in voorlopige hechtenis doorgebracht. Sinds zijn schorsing op 10 december 2025 heeft de verdachte zich goed gehouden aan de gestelde bijzondere voorwaarden. Uit een begeleidingsverklaring van Kansrijk Toekomst van 23 juni 2026 blijkt dat de ambulante behandeling van de verdachte op 9 maart 2026 is gestart. De verdachte heeft – ondanks zijn fysieke beperking – dagbesteding gevonden die hij goed kan uitvoeren. Daarnaast volgt de verdachte een behandeltraject bij Forlight, gericht op traumaverwerking en cognitieve behandeling. De verdachte heeft gedurende het gehele begeleidingstraject een consistente, gemotiveerde en coöperatieve houding getoond. Hij is aanwezig geweest bij alle afspraken, heeft actief meegewerkt aan de gestelde doelen en heeft zich open opgesteld in zowel praktische - als persoonlijke gesprekken. Tot slot heeft de verdachte herhaaldelijk en overtuigend laten zien dat hij zijn leven wil opbouwen, zijn positie in de samenleving wil herstellen en een positieve bijdrage wil leveren aan zijn omgeving. Het hof acht het in het belang van de verdachte én van de samenleving dat deze kennelijk positieve ontwikkelingen niet worden doorkruist door een straf die meebrengt dat de verdachte opnieuw gedetineerd raakt. Om die reden zal het hof in dit bijzondere geval, alles afwegende en zoals gevorderd door de advocaat-generaal, overgaan tot de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van\n\n24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren met daarbij gesteld diverse bijzondere voorwaarden.\n\nVordering tenuitvoerlegging\n\nHet openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf die bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 20 november 2023 is opgelegd, te weten een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf gedeeltelijk ten uitvoer moet worden gelegd in de vorm van twee maanden gevangenisstraf en dat die twee maanden gevangenisstraf moeten worden omgezet naar een taakstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair twee maanden hechtenis.\n\nDe raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden afgewezen omdat het in die zaak gaat om oude feiten met een heel ander feitencomplex en omdat het tenuitvoerleggen van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf desastreuze gevolgen voor de persoonlijke omstandigheden van de verdachte kan hebben.\n\nGebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de bij het arrest van het gerechtshof Amsterdam van\n\n20 november 2023 vastgestelde proeftijd opnieuw aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Als uitgangspunt geldt dat het voor de effectiviteit en de geloofwaardigheid van de regeling omtrent voorwaardelijke straffen en de daarbij behorende voorwaarden, essentieel is dat overtreding van deze voorwaarden niet vrijblijvend is en dat daaraan consequenties worden verbonden. Het hof acht het in dit bijzondere geval echter niet wenselijk als de verdachte op dit moment weer komt vast te zitten. Het hof zal daarom in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van deze vrijheidsstraf, een deel van deze vrijheidsstraf (te weten: vier maanden) omzetten in een taakstraf en van het overgebleven deel van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf (te weten: twee maanden) de proeftijd verlengen met één jaar. Daarbij heeft het hof gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte die ter terechtzitting in hoger beroep van 23 juni 2026 naar voren zijn gebracht. Op die manier wordt aan de verdachte het vertrouwen en de kans gegeven de ingezette positieve ontwikkeling in zijn leven te bestendigen.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing op de vordering tenuitvoerlegging en doet in zoverre opnieuw recht.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van24 (vierentwintig) maanden.\n\nBepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.\n\nStelt als bijzondere voorwaardendat:\n\nde verdachte zich meldt op afspraken met reclassering Inforsa, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;\n\nde verdachte zich laat behandelen door forensische polikliniek Inforsa of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Bij een terugval in middelengebruik kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor detoxificatie. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal de verdachte zich, na goedkeuring door de rechter laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling;\n\nde verdachte zich in spant voor het vinden en behouden van een dagbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;\n\nde verdachte meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd.\n\nVan rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:\n\nmeewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;\n\nmeewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt;\n\nGeeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nGelast in plaats van het bevelen van de tenuitvoerlegging van een gedeelte van de bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 20 november 2023 met parketnummer 23-003943-18, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van zes (6) maanden, een taakstrafvoor de duur van240 (tweehonderdveertig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door4 (vier) maanden hechtenis.\n\nVerlengt de proeftijd voor het overige als vermeld in het arrest van het gerechtshof Amsterdam van\n\n20 november 2023, parketnummer 23-003943-18 (namelijk een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden), met een termijn van 1 (een) jaar.\n\nBevestigthet vonnis waarvan beroep voor het overige.\n\nHeft ophet reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.\n\nDit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.A. Boom, mr. T. de Bont en mr. E.J. Hofstee in tegenwoordigheid van mr. S. Bonset, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1862","2026-07-13T00:28:47.436Z",{"id":84,"ecli":85,"slug":86,"caseNumber":43,"courtId":63,"decisionDate":64,"fullText":87,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":88,"sourceTimestamp":64,"parsedAt":50,"updatedAt":89},"1227","ECLI:NL:RBROT:2026:8071","ecli-nl-rbrot-2026-8071","Rechtbank Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10\u002F009948-25\n\nDatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nDatum zitting: 23 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1965 in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven op het adres: [adres 1] , [postcode] te [woonplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. N. Hendriksen\n\nOfficier van justitie: mr. W.L. van Prooijen\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte wordt veroordeeld voor het medeplegen van het verrichten van voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne. De rechtbank legt een gevangenisstraf op voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk.1. Tenlastelegging\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:\n\nhij op of omstreeks 20 december 2022 te Rotterdam (Maasvlakte)\n\ntezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen\n\nom een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,\n\nvoor te bereiden en\u002Fof te bevorderen,\n\nte weten\n\n- het opzettelijk binnen en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen,\n\n- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof\n\n- het opzettelijk vervaardigen\n\nvan 70,05 kilogram cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\n- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en\u002Fof uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen,\n\n- zich en\u002Fof een ander gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,\n\n- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn\u002Fhaar mededaders, wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door\n\n-de container van het haventerrein op te halen en\u002Fof\n\n-zich te begeven naar een loods te [plaats] en\u002Fof\n\n-in voornoemde loods de container heeft laten openen en\u002Fof betreden en\u002Fof\n\ndoorzoeken, teneinde\n\nde achterwand van de container te verwijderen om de aanwezigheid van de cocaïne te controleren en\u002Fof die cocaïne uit die zeecontainer te (laten) verwijderen.2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het feit.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het feit. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen\n\nBewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het verrichten van voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.\n\nDe bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande bewijsmotivering.\n\n1. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 19 december 2022 kwam container [containernummer] in de haven van Rotterdam aan met het containerschip [naam schip] . De container was geladen met druiven, afkomstig uit Peru en de ontvanger was het bedrijf [naam bedrijf 1] . te Ridderkerk. Na aankomst in de haven van Rotterdam werd de container gecontroleerd door de douane en tijdens deze controle werden er in de achterwand van deze container 70 pakketten (70.05 kilogram) cocaïne aangetroffen. Nadat de verdovende middelen waren verwijderd, werd de container weer teruggeplaatst op de ECT Delta Terminal.\n\nTevens bleek dat de container op 20 december 2022 omstreeks 08.03 uur was uitgehaald door chauffeur [verdachte] met gebruikmaking van zijn truck gekentekend [kentekennummer 1] , namens het transportbedrijf [naam bedrijf 2] . De container was na het uithalen vervoerd naar het bedrijf [naam bedrijf 3] . te Hoek van Holland. Uit de gegevens van het douanesysteem AFIS bleek dat de container diezelfde dag ook leeg was ingeleverd om 13.45 uur.\n\n2. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 19 december 2022 werd ik gebeld door de wachtcommandant van Douanekantoor Rotterdam Haven. Hij vertelde mij dat door speurhondengeleiders van Douane Rotterdam Haven, in een container, vermoedelijk verdovende middelen waren aangetroffen.\n\nTer plaatse aangekomen op wees een speurhondengeleider mij een container aan voorzien van een uniek nummer [containernummer]\n\nIk zag dat de lading was gelost. Wij hebben vervolgens een gedeelte van het kopschot verwijderd en zagen daarachter in de luchtkanalen een onbekende hoeveelheid pakketten vermoedelijk verdovende middelen zitten. Vervolgens heb ik de 70 pakketten vermoedelijk verdovende middelen in beslag genomen op grond van de Opiumwet.\n\nBerekening netto gewicht\n\nNetto gewicht van 1 pakket = 7005,5 \u002F 7 = 1000,78 gram\n\nNetto gewicht 70 pakketten = 1000,78 gram x 70 pakketten= 70.05 kilogram\n\nVervolgens maakte ik ter begeleiding van de 7 gripzakjes inhoudende circa 3 gram witte poederachtige substantie een aanvraagformulier ten behoeve van de analyse door Douanelaboratorium. Hierna werden alle gripzakjes aangeboden bij het Douanelaboratorium. D0115954NL, D0115953NL, D0115952NL, D0115951NL, D0115950NL, D0115949NL, D0115948NL.\n\n3. Deskundigenverslag\n\nOp 03-01-2023 ontving ik een verzegelde plastic zak met daarin:\n\nD011954NL) een plastic zakje met wit, korrelig materiaal\n\nD011953NL) een plastic zakje met wit, korrelig materiaal\n\nD011952NL) een plastic zakje met wit, korrelig materiaal\n\nD011951NL) een plastic zakje met wit. korrelig materiaal\n\nD011950NL) een plastic zakje met wit, korrelig materiaal\n\nD011949NL) een plastic zakje met wit, korrelig materiaal\n\nD011948NL) een plastic zakje met wit, korrelig materiaal\n\nHet materiaal werd onderzocht. Hierbij werd vastgesteld dat het materiaal van alle bovenvermelde SIN-nummers cocaïne bevatte. Deze substantie is vermeld op lijst I, behorende bij de Opiumwet.\n\n4. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 13 juni 2023 werd in het kader van onderzoek 03Farao een doorzoeking gedaan in de woning van verdachte [medeverdachte] . Bij deze doorzoeking werd een Apple iPhone 7 in beslag genomen.\n\nIn dit proces-verbaal worden specifiek twee video's beschreven die zijn aangetroffen in de iPhone 7.\n\nDe twee video's zijn op 11 april 2023 door het telefoonnummer [gsm-nummer 1] met naam \" [naam 1] \" (geïdentificeerd als zijnde [medeverdachte] ) via Signal verstuurd\n\nBeschrijving videodeel 1\n\nIk zie vervolgens dat de vrachtwagen met de container achterwaarts verder het terrein op komt rijden. Ik zie tegelijkertijd linksboven in beeld een man aan komen lopen richting de ingang van de loods (NNman1).\n\nIk zie dat de vrachtwagen dichter naar de ingang van de loods rijdt. Ik zie nu op de container het containernummer [containernummer] en [kenmerk] staan. Ik zie dat de oplegger voorzien is van kenteken [kentekennummer 2] .\n\nIk zie dat de camera weer beweegt naar de achterzijde van de vrachtwagen. Ik zie aan de linkerzijde (bestuurderszijde) van de vrachtwagen een man in beeld komen (NNman2). Omdat hij van de bestuurderszijde van de vrachtwagen aan komt lopen vermoed ik dat hij de chauffeur van vrachtwagen is.\n\nIk zie dat NNman2 verder de loods in loopt. Vervolgens zie ik een andere man (NNman3) in beeld komen. Deze persoon draagt zwarte handschoenen en een zwarte bivakmuts over het hoofd. Ik zie dat NNman2 de man met de bivakmuts (NNman3) een hand geeft.\n\nIk zie dat NNman3 naar de container loopt en de vergrendeling van de container vast pakt. Ik zie dat tegelijkertijd NNman2 een andere persoon met zwarte handschoen en zwarte mouw (NNpersoon4) een boks geeft.\n\nIk zie dat NNman3 de vergrendeling van de container los maakt en de rechterdeur van de container opent.\n\nIk zie dat NNman3 richting de houten kast rechts in de loods loopt. Ik zie op deze kast een opengeklapte zwarte laptop en daarnaast een lichtblauwe weegschaal staan.\n\nIk zie dat NNman2 de container in kijkt. Ik zie vervolgens dat de inhoud van de container nog even gefilmd wordt. Ik zie dat de container geen lading in de laadruimte bevat.\n\nBeschrijving video deel 2\n\nIk zie dat Nnman3 naar de open container loopt. Ik zie dat hij een rood doosje, een schroefboormachine en nog wat gereedschap bij zich heeft en dit in de container zet. Ik zie dat hij via het keukentrapje in de container klimt.\n\nIk zie dat degene die aan het filmen is ook naar de container verplaatst, in de container komt en vervolgens de binnenzijde van de container filmt. Ik zie dat het containernummer [containernummer] , welke ook in de binnenzijde van de container staat, gefilmd wordt.\n\nIk zie dat NNman3 de schroefboormachine tegen de achterwand houdt.\n\nIk zie dat het NNman3 lukt om de schroef uit de achterwand te schroeven. Ik zie hem de schroef op de grond leggen en vervolgens met de schroefboormachine naar een andere schroef in de achterwand van de container gaan. Vervolgens wordt de video beëindigd.\n\nLocatie\n\nDoor mij is de locatie op de [adres 2] in [plaats] bekeken op Google maps \u002F streetview. Ik zag dat de omgeving van deze locatie overeenkwam met het bedrijventerrein wat zichtbaar is op de video. Hieruit maak ik op dat de video's zijn gemaakt in de loods van het bedrijf op de [adres 2] in [plaats] . Deze loods ligt op circa 24 kilometer afstand ten zuiden van de Rotterdamse haven.\n\nVrachtwagen\n\nIn de video wordt de container vervoerd met een vrachtwagen oplegger met het kenteken [kentekennummer 2] . Uit de politiesystemen blijkt dat dit kenteken sinds 01-09-2020 op naam staat van rechtspersoon [naam verhuurbedrijf] De gevolmachtigde van [naam verhuurbedrijf] is [verdachte] ( [geboortedatum] -1965).\n\nDoor mij is de rijbewijsfoto van [verdachte] bekeken. Ik zag hierbij zeer sterke gelijkenissen met NNman2 welke zichtbaar is in de video. Ik zie overeenkomsten in het donkere haar (op de video wordt het haar wat langer gedragen), de oren, wenkbrauwen, neus mond en kin\u002Fonderkin. Op basis van bovenstaande identificeer ik NNman2 als zijnde [verdachte] .\n\nDoor mij is in de iPhone 7 van [medeverdachte] gezocht op de roepnaam \" [naam 2] \" om te onderzoeken of hij mogelijk contact heeft gehad met [verdachte] . Ik zag in de contactenlijst van het toestel twee maal de naam [naam 2] staa:\n\n [naam 3] - [gsm-nummer 2]\n\n [naam 4] - + [gsm-nummer 3]\n\nMij is ambtshalve bekend dat met \"Tp\" transport bedoeld wordt. Dit sluit dus aan bij NNman2 die de chauffeur van de vrachtwagen met container lijkt te zijn. Het telefoonnummer [gsm-nummer 2] komt in de politiesystemen voor en is gekoppeld aan [verdachte] . Ik zag dat er op 10 april 2023 20 24 uur verzonden werden) door [accountnaam 1] ( [medeverdachte] ) het WhatsApp bericht \"Hey maat kan je op onze vriend reageren .!” gestuurd werd naar [accountnaam 2] .\n\n5. Verhoor van de verdachte\n\n0: Zoals reeds eerder in het vorige verhoor werd aangegeven was container [containernummer] beladen met druiven en moest deze in opdracht van [naam bedrijf 1] gelost worden bij [naam bedrijf 3] te Hoek van Holland en na lossing leeg weer ingeleverd worden op de Maasvlakte. U bent echter met deze lege container naar een loods gelegen aan de [adres 2] te [plaats] gereden.\n\n0: Wij tonen de verdachte drie snapshots uit de getoonde filmpjes en hebben deze snapshots genummerd en als bijlage bij dit proces-verbaal gevoegd. 2408201255.D01, D02 en D03.\n\nV: Bent u dat op dat beeld?\n\nA: Ja dat ben ik.\n\nV: Waar kent u deze personen van?\n\nA: Ik heb ze in de loods gezien.\n\nV: Waarom moest de persoon met de bivakmuts de container openen, de container in klimmen en boren\u002Fschroeven in de achterwand van deze container?\n\nV: Vond je dat niet vreemd?\n\nA: Tuurlijk is dat vreemd, maar er zat niks achter die wand, ik heb gezien dat de achterwand werd los gemaakt.\n\n2.3.2.. \n\nBewijsmotivering\n\nStandpunt verdediging\n\nHet kan niet worden bewezen dat de verdachte opzet had, ook niet in voorwaardelijke zin, op het plegen van voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne. Met de verklaring van de verdachte bij de politie dient behoedzaam te worden omgegaan, omdat hem is gevraagd naar gebeurtenissen eind 2023 terwijl de zaak zich afspeelde eind 2022.\n\nVaststaande feiten\n\nOp 19 december 2022 is een container met containernummer [containernummer] (hierna: de container) in de haven van Rotterdam binnengekomen die afkomstig was uit Peru. De container is gecontroleerd en na het losschroeven van de achterwand werden 70 pakketten aangetroffen. Uit onderzoek door het NFI is gebleken dat deze pakketten in totaal 70,05 kilogram cocaïne bevatten. Nadat de pakketten waren verwijderd, werd de container weer teruggeplaatst op de ECT Delta Terminal. De verdachte heeft de container vervolgens op 20 december 2022 opgehaald met behulp van zijn vrachtwagen. In een in een ander strafrechtelijk onderzoek in beslag genomen video is de truck met de container te zien terwijl deze een loods in [plaats] binnenrijdt. Ook de verdachte komt in beeld terwijl hij een hand geeft aan een persoon die een bivakmuts draagt. Deze persoon schroeft vervolgens de achterwand van de container los. Verder bevindt het telefoonnummer van de verdachte zich in de telefoon van diegene bij wie de video is aangetroffen.\n\nVerklaring verdachte\n\nDe verdachte heeft tijdens zijn politieverhoren verklaard dat hij inderdaad in de loods aanwezig is geweest, dat hij de container heeft vervoerd en naar de loods heeft gebracht, dat hij te zien is op de video, dat hij het wel vreemd vond dat in de loods door iemand met een bivakmuts over zijn gezicht de achterwand van de container werd opengeschroefd, maar dat hij dit alles onder bedreiging had gedaan. Ter terechtzitting heeft hij zijn verklaring deels gewijzigd in die zin dat hij niet onder bedreiging met de container naar de loods was gegaan en dat er niets uit de container zou worden gehaald maar dat hij de container daar in het kader van zijn reguliere werkzaamheden moest laten controleren. Hij heeft aangevoerd dat hem tijdens de verhoren ten onrechte het jaartal 2023 is voorgehouden, waardoor hij dacht dat de vragen betrekking hadden op een incident uit 2023. Daardoor zou hij gebeurtenissen met elkaar hebben verward.\n\nDe rechtbank acht deze verklaring op de terechtzitting niet geloofwaardig. Indien de verdachte daadwerkelijk in de veronderstelling verkeerde dat hem vragen werden gesteld over een andere gebeurtenis, had het op zijn weg gelegen dit reeds tijdens zijn tweede verhoor, dat ongeveer twee weken na het eerste verhoor plaatsvond, naar voren te brengen. Dat heeft hij niet gedaan. Daarbij betrekt de rechtbank tevens dat de verdachte heeft verklaard slechts eenmaal in [plaats] te zijn geweest en slechts eenmaal te zijn benaderd. Dat maakt zijn beroep op een vergissing ten aanzien van de gebeurtenissen des te minder geloofwaardig.\n\nDe rechtbank gaat daarom uit van de verklaring van de verdachte bij de politie, met dien verstande dat niet is gebleken van enige dwang of dreiging jegens de verdachte zoals de verdachte in eerste instantie heeft gesteld. De video toont dat de verdachte zich direct na aankomst in de loods begeeft naar de aanwezige personen, hun begroet door ze een hand dan wel een boks te geven en vervolgens aanwezig blijft terwijl de achterwand van de container wordt losgeschroefd. Deze gedragingen zijn naar het oordeel van de rechtbank niet verenigbaar met de aanvankelijke stelling van de verdachte dat er sprake was van dwang of dreiging.\n\nTer zitting heeft de verdachte gezegd dat hij niet wist dat zich verdovende middelen in de vrachtwagen bevonden. Ook deze verklaring acht de rechtbank niet geloofwaardig. Alleen al niet omdat degene die in het bijzijn van de verdachte in de container de achterwand openschroefde een bivakmuts droeg, hetgeen duidt op illegale activiteiten. Daarnaast neemt de rechtbank in aanmerking dat het een feit van algemene bekendheid is dat personen die betrokken zijn bij het vervoer van een zeer waardevolle illegale lading, zoals een grote hoeveelheid cocaïne, het transport daarvan in de regel niet overlaten aan een willekeurige of onwetende derde.\n\nOordeel rechtbank\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte wetenschap had van het criminele karakter van het transport en nauw en bewust heeft meegewerkt aan het vervoer van de container naar een andere locatie dan het officiële afleveradres met als doel daar cocaïne uit te halen. Door als chauffeur het transport naar de loods in [plaats] te verzorgen, heeft hij een wezenlijke en significante bijdrage geleverd aan de voorbereidingshandelingen gericht op de invoer van cocaïne.\n\nDe rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het in vereniging verrichten van voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne.2.3.3.. Volledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nhij op of omstreeks 20 december 2022 te Rotterdam (Maasvlakte)\n\ntezamen en in vereniging met een of meeranderen,althans alleen\n\nom een feit, bedoeld in het vierde ofvijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,\n\nvoor te bereiden en\u002Fof te bevorderen,\n\nte weten\n\n- het opzettelijk binnen en\u002Fof buitenhet grondgebied van Nederland brengen,\n\n- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof\n\n- het opzettelijk vervaardigen\n\nvan 70,05 kilogram cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\n- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en\u002Fof uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen,\n\n- zich en\u002Fof een ander gelegenheid enmiddelenen\u002Fof inlichtingentot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,\n\n- voorwerpen,eenvervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelenvoorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fofzijn\u002Fhaarmededaders, wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoedendatzijhetbestemdwarenwastot het plegen van dat feit, door\n\n-de container van het haventerrein op te halen en\u002Fof\n\n-zich te begeven naar een loods te [plaats] en\u002Fof\n\n-in voornoemde loods de container heeft laten openen en\u002Fof betreden en\u002Fof\n\ndoorzoeken, teneinde\n\nde achterwand van de container te verwijderen om de aanwezigheid van de cocaïne te controleren en\u002Fof die cocaïne uit die zeecontainer te (laten) verwijderen.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nmedeplegen van om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander gelegenheid en middelen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en een vervoermiddel voorhanden hebben, waarvan hij weet dat het bestemd is tot het plegen van dat feit\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van het feit en van de verdachte\n\nHet feit en de verdachte zijn strafbaar.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met daaraan verbonden een proeftijd voor de duur van 3 jaren.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van het feit\n\nDe verdachte is als chauffeur betrokken geweest bij voorbereidingshandelingen met betrekking tot cocaïne. Hij heeft een container opgehaald en naar een andere locatie gebracht voordat hij de container bij het officiële afleveradres afleverde, zodat op de tussenlocatie de cocaïne uit de container kon worden gehaald. Het is\n\nalgemeen bekend dat (hard)drugs schadelijk zijn en daarmee een ernstige bedreiging\n\nvormen voor de volksgezondheid. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat een aanmerkelijk deel van de criminaliteit waarmee de maatschappij te maken heeft, direct of indirect haar oorsprong vindt in het gebruik van drugs. De verdachte heeft bij het plegen\n\nvan de feiten kennelijk alleen oog gehad voor zichzelf en zich laten leiden door zijn eigen financiële gewin, zonder zich te bekommeren om de gezondheidsrisico’s voor anderen of de\n\nnadelige gevolgen van de mogelijk daarmee gepaard gaande criminaliteit.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 1 juni 2026 blijkt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaar niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit. Verder volgt uit het strafblad van de verdachte dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.4.3.3.. \n\nOplegging straf\n\nGelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf de enige passende straf. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS-oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf.\n\nGelet op het voorgaande wordt een gevangenisstraf van twaalf maanden opgelegd, waarvan zes maanden voorwaardelijk. Het voorwaardelijk strafdeel heeft ook als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.\n\nDe gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.5. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en het artikel 10a van de Opiumwet.6. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nGevangenisstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden;\n\nVoorwaardelijk strafdeel\n\nbepaalt dat 6 maanden van deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;\n\nverbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;\n\nstelt als algemene voorwaarde dat:\n\n- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt.7. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. R.H. Kroon, voorzitter,\n\nen mrs. J.C. Tijink en Y. Peters, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. L.R. van Zaanen, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 7 juli 2026.\n\nMr. J.C. Tijink is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\n De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier met nummer [dossiernummer] .\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 28 tot en met 29.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 36 tot en met 42.\n\n Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut met kenmerk [kenmerknummer] , pagina 53.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 1 tot en met 27.\n\n Proces-verbaal verhoor verdachte op 13 september 2024, pagina’s 68 tot en met 72.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:8071","2026-07-13T00:29:11.058Z",{"id":91,"ecli":92,"slug":93,"caseNumber":43,"courtId":94,"decisionDate":95,"fullText":96,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":97,"sourceTimestamp":95,"parsedAt":50,"updatedAt":98},"1665","ECLI:NL:RBLIM:2026:6516","ecli-nl-rblim-2026-6516",74,"2026-07-06T00:00:00.000Z","RECHTBANK LIMBURG\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nStrafrecht\n\nParketnummer : 03.142029.24\n\nTegenspraak (gemachtigde raadsman)\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 6 juli 2026\n\nin de strafzaak tegen\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboortegegevens] 1991,\n\nwonende te [adres 1] .\n\nDe verdachte wordt bijgestaan door mr. P.E. van Zon, advocaat kantoorhoudende te Eindhoven.\n\n1. Onderzoek van de zaak\n\nDe zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 juni 2026. De verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.\n\nDeze zaak is gelijktijdig behandeld met de strafzaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 1] met het parketnummer 03.277358.23 en de strafzaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 2] met het parketnummer 03.268186.23.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.\n\nDe verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:\n\nop 12 oktober 2023 de productie van heroïne, cocaïne, metamfetamine of in ieder geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I heeft voorbereid en bevorderd.\n\n3. De beoordeling van het bewijs3.1. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie acht het feit bewezen. De politie heeft op 12 oktober 2023 in de woning van de medeverdachte [medeverdachte 1] allerlei goederen voor de productie van drugs aangetroffen. Van de verdachte is DNA aangetroffen op een van deze goederen, te weten een aldaar aangetroffen gasmaker. De verdachte heeft daarvoor geen verklaring gegeven, anders dan dat hij wel eens in die woning kwam.3.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging concludeert tot vrijspraak. De verdediging voert daartoe aan dat het enige mogelijke bewijsmiddel een DNA spoor betreft op een verplaatsbaar voorwerp, waarvan niet vaststaat dat het delict gerelateerd is. Subsidiair voert de verdediging aan dat alleen het voorhanden hebben van een gasmasker niet voldoende is om voorbereidingshandelingen te bewijzen.3.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nBewijsmiddelen\n\nTer bevordering van de leesbaarheid van dit vonnis, heeft de rechtbank de bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in bijlage II.\n\nDe overwegingen van de rechtbank\n\nOp grond van die bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de productie van drugs. De rechtbank overweegt daartoe in het bijzonder als volgt.\n\nDe medeverdachte [medeverdachte 2] is op 12 oktober 2023 door de politie aangetroffen onder het balkon van de woning aan de [adres 2] te Heerlen. [medeverdachte 2] hing – voordat de politie ter plekke kwam – aan dat balkon en hij is van dit balkon naar beneden gevallen, nadat een andere man heeft geprobeerd hem omhoog te trekken. Bij controle van de telefoon van [medeverdachte 2] kreeg de politie het vermoeden dat hij zich bezighield met (de productie van) verdovende middelen. De politie is daarop voornoemde woning binnengetreden en trof daar een hoeveelheid drugs aan en de tenlastegelegde voorwerpen en stoffen. Die voorwerpen en stoffen konden gebruikt worden voor de productie van synthetische drugs. De huurder van voornoemde woning is de medeverdachte [medeverdachte 1] . In de woning is op een dressoir in de woonkamer een gasmasker aangetroffen met daarop het DNA van de verdachte en op het tv-meubel een gasmasker met daarop het DNA van de medeverdachte [medeverdachte 2] .\n\nEr is DNA van de verdachte aangetroffen rondom de filterventielen aan de binnenzijde van het gasmasker. Op het gehele contactvlak met het gezicht van datzelfde gasmasker is daarnaast een DNA mengprofiel aangetroffen, met het DNA-hoofdprofiel van de verdachte. Het gasmasker betreft weliswaar een verplaatsbaar object, maar het wordt in de woning van de medeverdachte [medeverdachte 1] aangetroffen in combinatie met drugs en een grote hoeveelheid andere voorwerpen die bedoeld zijn om harddrugs te vervaardigen. Daarom acht de rechtbank (de aanwezigheid van) dit gasmasker een daderspoor. Daarbij komt dat het procesdossier aanknopingspunten biedt voor de conclusie dat het drugsgerelateerde strafbare feit, gepleegd in de woning van de medeverdachte [medeverdachte 1] , door meerdere personen is gepleegd. Er zijn immers dadersporen aangetroffen en wel van de verdachte en van medeverdachte [medeverdachte 2] , terwijl dit zich allemaal heeft afgespeeld in de woning van de andere medeverdachte, [medeverdachte 1] . En in een geval als dit, waarbij er aldus redengevende feiten en omstandigheden zijn die wijzen op een samenwerkingsverband waarvan de verdachte deel heeft uitgemaakt, mag van de verdachte een aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring worden verwacht. Die is door de verdachte niet gegeven. De verdachte heeft bij de politie slechts verklaard dat hij een paar keer in de woning van de medeverdachte [medeverdachte 1] is geweest en dat hij niet weet wat hij toen heeft aangeraakt.\n\nDe rechtbank concludeert, op grond van het voorgaande, dat de verdachte samen met anderen zich schuldig gemaakt geeft aan het hem tenlastegelegde.\n\nUit de bewijsmiddelen volgt overigens niet specifiek welke drugs geproduceerd zouden gaan worden, nu daarin enkel wordt gesproken over substanties voor de productie van synthetische drugs. De rechtbank acht daarmee niet bewezen dat de voorbereidingshandelingen specifiek gericht waren op de productie van heroïne, cocaïne en\u002Fof metamfetamine, maar wel op een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.3.4. \n\nDe bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht bewezen dat de verdachte\n\nop 12 oktober 2023 in de gemeente Heerlen tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervaardigen van een (of meer) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en te bevorderen,\n\n- twee gasmaskers (met filter), en\n\n- een paar rubberen handschoenen, en\n\n- een weegschaal, en\n\n- een speciekuip, en\n\n- een maatbeker, en\n\n- een mes, en\n\n- een (of meer) spatel(s), en\n\n- een (of meer) jerrycan(s), en\n\n- een zak met het opschrift ‘Caus 5 kg’, en\n\n- een zak met het opschrift ‘Perka 3 kg’, en\n\n- een zak met het opschrijft ‘Wijnsteen 2,5 kg’,\n\nzijnde voorwerpen en stoffen waarvan hij, verdachte, en\u002Fof zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, voorhanden heeft gehad.\n\nDe rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:\n\nmedeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.\n\n5. De strafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.\n\n6. De straf6.1. \n\nDe vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.6.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de strafmaat.6.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nBij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.\n\nDe verdachte heeft zich met anderen schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor de productie van synthetische drugs. De verdachte is daardoor medeverantwoordelijk voor de nadelige effecten die het gebruik van harddrugs veroorzaakt voor de volksgezondheid en de criminaliteit die met harddrugs gepaard gaat. Ook brengt de opslag van grondstoffen die worden gebruikt bij het vervaardigen en bewerken van harddrugs grote risico’s met zich mee, zoals brand- en ontploffingsgevaar en het vrijkomen van giftige dampen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de productiemiddelen zijn aangetroffen in een appartement in een woonwijk. Van de mogelijke gevolgen voor de omwonenden heeft de verdachte zich kennelijk niets aangetrokken.\n\nGelet op de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van aanzienlijke duur passend is. Daarbij heeft de rechtbank gelet op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de verdachte geen openheid van zaken heeft willen geven en geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen.\n\nDe rechtbank dient er rekening mee te houden dat in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. In dit geval is de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn aangevangen op 9 april 2024, de datum waarop de verdachte in verzekering is gesteld. Dit betekent dat de redelijke termijn van twee jaren met bijna 3 maanden is overschreden. Van bijzondere omstandigheden die deze termijnoverschrijding kunnen rechtvaardigen, is niet gebleken. Zonder overschrijding van de redelijke termijn had de rechtbank aan de verdachte opgelegd een gevangenisstraf van 200 dagen waarvan een deel voorwaardelijk. Nu deze redelijke termijn wel is overschreden, zal de rechtbank aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf van 180 dagen waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Het voorwaardelijke deel dient als een waarschuwing aan de verdachte: mocht hij nog eens overwegen om de wet te overtreden, dan weet hij wat hem mogelijk te wachten staat.\n\n7. De wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c en 47 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10a van de Opiumwet.\n\n8. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;\n\nspreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;\n\nStrafbaarheid\n\nverklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren;\n\nbeveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nbepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van twee jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. D. Osmić, voorzitter, mr. M.E.M.W. Nuijts en mr. T.C.M. Smeets, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.A.H. Bohnen, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 6 juli 2026.\n\nBuiten staat\n\nDe griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.\n\nBIJLAGE I: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat\n\nhij, op of omstreeks 12 oktober 2023 in de gemeente Heerlen tezamen en\n\nin vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, om een feit,\n\nbedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te\n\nweten\n\n- het opzettelijk binnen en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland\n\nbrengen, en\u002Fof\n\n- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen,\n\nafleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof\n\n- het opzettelijk vervaardigen,\n\nvan een (of meer) hoeveelhe(i)d(en) heroïne, cocaïne en\u002Fof metamfetamine, in elk geval een (of meer)\n\nmiddel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel\n\naangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet,\n\nvoor te bereiden en\u002Fof te bevorderen,\n\n- twee gasmaskers (met filter), en\u002Fof\n\n- een paar rubberen handschoenen, en\u002Fof\n\n- een weegschaal, en\u002Fof\n\n- een speciekuip, en\u002Fof\n\n- een maatbeker, en\u002Fof\n\n- een mes, en\u002Fof\n\n- een (of meer) spatel(s), en\u002Fof\n\n- een (of meer) jerrycan(s), en\u002Fof\n\n- een zak met het opschrift ‘Caus 5 kg’, en\u002Fof\n\n- een zak met het opschrift ‘Perka 3 kg’, en\u002Fof\n\n- een zak met het opschrijft ‘Wijnsteen 2,5 kg,\n\nzijnde voorwerpen en\u002Fof stoffen waarvan hij, verdachte, en\u002Fof zijn\n\nmededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat\n\nzij bestemd waren tot het plegen van dat feit, voorhanden heeft gehad.\n\nBIJLAGE II: De bewijsmiddelen\n\nHet proces-verbaal van bevindingenvan 12 oktober 2023, p.20-21\n\nOp donderdag 12 oktober 2023 bevonden wij ons op de openbare weg, de [adres 2] te Heerlen, aan de achterzijde van de aldaar gelegen flat. Wij zagen dat er aan de achterzijde van de flat een persoon op de grond lag. Wij zagen dat deze persoon lag onder het tweede balkon gezien vanaf de [straatnaam 1] . Ik liep naar de vrouw die eerder bij de gewone man stond. Zij verklaarde dat zij de man aan het balkon had zien hangen en dat een andere man deze man naar boven wilde trekken. Dat de man uiteindelijk toch viel en dat de andere man na een aantal minuten kwam kijken bij de gewonde en meteen ook weer weg liep. Teneinde de identiteit van de gewonde man te achterhalen bekeken wij de telefoon van het slachtoffer. Wij openden de telefoon en zagen in de fotogalerij foto's waarop vermoedelijk verdovende middelen, en de productie hiervan, te zien waren.\n\nHet proces-verbaal van bevindingenvan 12 oktober 2023, p.23-24\n\nOp 12 oktober 2023 was ik op de [adres 2] \u002F [straatnaam 2] in verband met een incident hulpverlening van een persoon die vanaf een balkon omlaag was gevallen. Ter plaatse kon achterhaald worden dat het om appartement [huisnummer] ging. Terwijl ik de woning betrad, rook ik bij binnenkomst in de woonkamer een weeïge geur, mij bekend als de geur van amfetamine. Ik zag diverse aanwijzingen waaruit ik vermoedde dat er in de woning harddrugs vervaardigd werden. Ik zag onder andere in de woonkamer:\n\n- Naast de tv een geel gasmasker liggen met een filterbus.\n\n- Op het dressoir in de woonkamer lagen resten wit poeder en doorzichtige kristallen,\n\nalsmede gele rubberen handschoenen, een zwart gasmasker met filter en een weegschaal\n\nmet resten kristalachtige stof. In de keuken stond een witte speciekuip met daarin een oa een maatbeker, een mes, en spatels. Vervolgens zag ik op het balkon meerdere jerrycans staan.\n\nHet proces-verbaal van aanhouding verdachtevan 12 oktober 2023, p.245\n\nOp donderdag 12 oktober 2023 gingen wij ter plaatse in het Zuyderland ziekenhuis in Heerlen op verzoek van officier van dienst politie [naam] . Aldaar zou een onbekende man liggen die eerder op de dag van een balkon was gevallen. Volgens [naam] zou er een drugslab zijn aangetroffen in de woning waar de man van zou zijn gevallen. Aldaar troffen wij een Spaanssprekende man aan die aangaf [medeverdachte 2] te heten.\n\nHet proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagnamevan 13 oktober 2023, p.34\n\nOp 12 oktober 2023 werd voor een doorzoeking ter inbeslagneming binnengetreden in de woning, [adres 2] Heerlen. Tijdens de doorzoeking werd het volgende in beslag genomen: Gasmasker zwart (Partij 1), Gasmasker geel (Partij 3), Zakje cocaïne (Partij 14), Handschoenen zwart (Partij 2), Zakje brok heroïne (Partij 4), Zakje brok heroïne (Partij 5), Bolletje cocaïne (Partij 11), Zakje MDMA wit (Partij 17), Zakje MDMA bruin (Partij 18), Zak met opschrift “Caus 5kg” (Partij 19), Zak kleur paars met vloeistof (Partij 20), Zak met opschrift “Perka 3kg” (Partij 21), Zak met opschrift “Wijnsteen 2kkg” (Partij 22).\n\nHet proces-verbaal van bevindingenvan 24 oktober 2023, p.117\n\nHet is mij ambtshalve bekend dat de combinatie van de substantie Caus, Perka, Wijnsteen en Amfetamine gebruikt kan worden voor de productie van synthetische drugs.\n\nHet proces-verbaal van bevindingenvan 12 oktober 2023, p.163\n\nNaar aanleiding van het ontvangen huurcontract van Wonen Limburg in relatie tot het appartement: [adres 2] te Heerlen, ben ik in gesprek gegaan met een medewerker van Wonen Limburg. Op het overzicht zijn twee bankrekeningnummers weergegeven in relatie tot de hoofdhuurder [medeverdachte 1] .\n\nHet proces-verbaal van verhoor van de verdachte[verdachte] van 9 april 2024, p.295-300\n\nV: Door verbalisanten wordt onderstaande foto op A4( [medeverdachte 1] ) formaat getoond aan de verdachte. Herkent u deze man?A: Ja, dat is [medeverdachte 1] .V: Weet u waar deze persoon woont?A: Ik ben een paar keer bij hem thuis geweest. Ik weet waar hij woont. Het adres weet ik niet, het is in Heerlen.\n\nHet proces-verbaal van bevindingenvan 22 november 2023, p.180\n\nOp 12 oktober 2023 werd in de woning [adres 2] te Heerlen een productielocatie voor synthetische drugs aangetroffen. In het appartement werden diverse goederen bemonsterd voor DNA-onderzoek. AAPV8333NL: een zwart gasmasker aangetroffen op het grote dressoir in de woonkamer.\n\nDe kennisgeving van inbeslagnemingvan 13 oktober 2023, p.91\n\nPlaats: [adres 2] Heerlen\n\nDatum en tijd: 12 oktober 2023 te 19:00 uur\n\nAAPV8333NL: zwartkleurig gasmasker (aangetroffen woonkamer)\n\nDe kennisgeving van inbeslagnemingvan 13 oktober 2023, p.95\n\nPlaats: [adres 2] Heerlen\n\nDatum en tijd: 12 oktober 2023 te 19:00 uur\n\nAAPV8335NL: geelkleurig gasmasker (aangetroffen woonkamer)\n\nDe deskundigenrapportagevan dr. PJ. Herbergs, forensisch DNA-deskundige, verbonden aan The Maastricht Forensic Institute, van 16 november 2023, p.182-188\n\nBemonstering: Gehele contactvlak met het gezicht van het gasmasker (met SIN AAPV8335NL)\n\nDNA-profiel: DNA-mengprofiel afkomstig van celmateriaal van minimaal drie donoren, van wie zeker één man.*\n\nMogelijke donor van celmateriaal: Verdachte [medeverdachte 2] .\n\nOm een uitspraak te doen over het mogelijk aanwezig zijn van celmateriaal van verdachte [medeverdachte 2] in de bemonstering 'gehele contactvlak met het gezicht van het gasmasker (met SIN AAPV8335NL) AAQJ4430NL' is de likelihood-ratio (LR) methode toegepast. Daarbij worden de resultaten bezien in het licht van twee, elkaar uitsluitende hypothesen:\n\nHypothese 1: de bemonstering van het spoor bevat DNA van verdachte [medeverdachte 2] en twee onbekende, niet verwante personen.\n\nHypothese 2: de bemonstering van het spoor bevat DNA van drie onbekende, niet verwante\n\npersonen.\n\nDe resultaten van het onderzoek zijn extreem veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 juist is dan wanneer hypothese 2 juist is.\n\nBemonstering: Gehele contactvlak met het gezicht van gasmasker (met SIN AAPV8333NL)DNA-profiel: DNA-mengprofiel afkomstig van celmateriaal van minimaal drie donoren, van wie zeker één man.* Er is een DNA-hoofdprofiel afgeleid van een man. De frequentie van het DNA-hoofdprofiel is kleiner dan één op één miljard.\n\nMogelijke donor van celmateriaal: [verdachte] (DNA-hoofdprofiel)\n\nBemonstering: Rondom de filterventielen aan de binnenzijde van het gasmasker (met SIN AAPV8333NL)\n\nDNA-profiel: DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard\n\nMogelijke donor van celmateriaal: [verdachte]\n\n Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van de Districtsrecherche Parkstad-Limburg, proces-verbaalnummer LB2R023104-51, gesloten d.d. 15 februari 2024, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 305.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6516","2026-07-13T00:29:32.390Z",{"id":100,"ecli":101,"slug":102,"caseNumber":43,"courtId":94,"decisionDate":95,"fullText":103,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":104,"sourceTimestamp":95,"parsedAt":50,"updatedAt":105},"1666","ECLI:NL:RBLIM:2026:6520","ecli-nl-rblim-2026-6520","RECHTBANK LIMBURG\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nStrafrecht\n\nParketnummer : 03.277358.23\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 6 juli 2026\n\nin de strafzaak tegen\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboortegegevens] 1987,\n\nwonende te [adres 1] .\n\nDe verdachte wordt bijgestaan door mr. P.W. Szymkowiak, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.\n\n1. Onderzoek van de zaak\n\nDe zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 juni 2026. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.\n\nDeze zaak is gelijktijdig behandeld met de strafzaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 1] met het parketnummer 03.142029.24 en de strafzaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 2] met het parketnummer 03.268186.23.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.\n\nDe verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte (al dan niet samen met anderen):\n\nFeit 1: op 12 oktober 2023 opzettelijk (ongeveer) 32,87 gram heroïne, 4,54 gram cocaïne en 120,43 gram metamfetamine aanwezig heeft gehad;\n\nFeit 2: op 12 oktober 2023 de productie van heroïne, cocaïne, metamfetamine of in ieder geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I heeft voorbereid en bevorderd.\n\n3. De beoordeling van het bewijs3.1. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie acht beide feiten bewezen. De politie heeft op 12 oktober 2023 in de woning van de verdachte drugs en allerlei goederen voor de productie van drugs aangetroffen. De officier van justitie voert aan dat op camerabeelden in de omgeving van de woning op 12 oktober 2023 iemand te zien is die erg op de verdachte lijkt. Het DNA van de verdachte is in de woning aangetroffen, waaronder op een gasmasker, al heeft daarvan geen berekening van de bewijswaarde plaatsgevonden. De verdachte heeft in de betreffende periode zijn telefoon niet gebruikt. De verdachte legt daarnaast wisselende verklaringen af over het al dan niet kennen van de medeverdachte [medeverdachte 2] . De verdachte wist volgens de officier van justitie wat er in de woning aanwezig was en heeft zich daarmee (ook) schuldig gemaakt aan de voorbereidingshandelingen.3.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging bepleit vrijspraak. De verdachte heeft zijn woning uitgeleend en hij heeft geen drugs voorhanden gehad en ook geen voorbereidingshandelingen voor de productie van drugs getroffen. Als het al de verdachte op de camerabeelden is, dan zegt dat niet meer dan dat hij in de buurt was. Er is niet vastgesteld dat het DNA van de verdachte op het gasmasker zit. Er is ook niet duidelijk wat er geproduceerd zou gaan worden.3.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nBewijsmiddelen\n\nTer bevordering van de leesbaarheid van dit vonnis, heeft de rechtbank de bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in bijlage II.\n\nDe overwegingen van de rechtbank\n\nOp grond van die bewijsmiddelen acht de rechtbank het aanwezig hebben van de harddrugs (feit 1) en de voorbereiding\u002Fbevordering van de productie van synthetische drugs (feit 2) bewezen. De rechtbank overweegt daartoe in het bijzonder als volgt.\n\nDe medeverdachte [medeverdachte 2] is op 12 oktober 2023 door de politie aangetroffen onder het balkon van de woning van de verdachte aan de [adres 2] te Heerlen. [medeverdachte 2] hing – voordat de politie ter plekke kwam – aan dat balkon en hij is van dit balkon naar beneden gevallen, nadat een andere man heeft geprobeerd hem omhoog te trekken. Bij controle van de telefoon van [medeverdachte 2] kreeg de politie het vermoeden dat hij zich bezighield met (de productie van) verdovende middelen. De politie is daarop de woning van de verdachte binnengetreden en trof daar een hoeveelheid drugs aan en de tenlastegelegde voorwerpen en stoffen. Die voorwerpen en stoffen kunnen gebruikt worden voor de productie van synthetische drugs. De huurder van voornoemde woning is de verdachte. In de woning is op een dressoir in de woonkamer een gasmasker aangetroffen met daarop het DNA van de medeverdachte [medeverdachte 1] en op het tv-meubel een gasmasker met daarop het DNA van de medeverdachte [medeverdachte 2] .\n\nHet voorgaande levert redengevende feiten en omstandigheden op dat de verdachte -die verantwoordelijk is voor hetgeen zich in zijn woning afspeelt en bevindt- zich, samen met anderen, schuldig heeft gemaakt aan het hem tenlastegelegde. De verklaring van de verdachte over dit alles is naar het oordeel van de rechtbank ongeloofwaardig. De verdachte heeft aangevoerd dat hij niet thuis was toen die spullen in zijn woning kwamen en dat hij in die tijd vaak bij zijn opa in Amsterdam was. Hij zou zijn woning hebben uitgeleend aan een Dominicaanse man, een zekere [naam 1] of [naam 2] . De rechtbank acht het echter niet geloofwaardig dat de verdachte zijn woning heeft uitgeleend aan een persoon waarvan hij de voornaam niet eens kent. Dat de verdachte aanvoert in het verleden op straat te hebben geleefd en het daarom niet vreemd te vinden om zijn woning achter te laten aan iemand die hij niet of nauwelijks kent, maakt niet dat de rechtbank zijn verklaring geloofwaardig(er) vindt. Daar komt bij dat de verdachte tijdens de terechtzitting heeft verklaard [medeverdachte 2] niet te kennen, terwijl hij in de raadkamer gevangenhouding heeft verklaard hem wel drie à vijf minuten te hebben gezien. Dit is een opvallende tegenstrijdigheid die de geloofwaardigheid van de verklaring van de verdachte behoorlijk aantast.\n\nDe rechtbank concludeert, op grond van het voorgaande, dat de verdachte samen met anderen zich schuldig gemaakt geeft aan het hem tenlastegelegde.\n\nUit de bewijsmiddelen volgt overigens niet specifiek welke drugs geproduceerd zouden gaan worden, nu daarin enkel wordt gesproken over substanties voor de productie van synthetische drugs. De rechtbank acht daarmee niet bewezen dat de voorbereidingshandelingen specifiek gericht waren op de productie van heroïne, cocaïne en\u002Fof metamfetamine, maar wel op een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.3.4. \n\nDe bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht bewezen dat de verdachte\n\nten aanzien van feit 1:\n\nop 12 oktober 2023 in de gemeente Heerlen tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad:\n\n- ongeveer 32,87 gram heroïne, en\n\n- ongeveer 4,54 gram cocaïne, en\n\n- ongeveer 120,43 gram metamfetamine,\n\nzijnde heroïne, cocaïne en metamfetamine, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\nten aanzien van feit 2:\n\nop 12 oktober 2023 in de gemeente Heerlen tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervaardigen van een (of meer) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en te bevorderen,\n\n- twee gasmaskers (met filter), en\n\n- een paar rubberen handschoenen, en\n\n- een weegschaal, en\n\n- een speciekuip, en\n\n- een maatbeker, en\n\n- een mes, en\n\n- een (of meer) spatel(s), en\n\n- een (of meer) jerrycan(s), en\n\n- een zak met het opschrift ‘Caus 5 kg’, en\n\n- een zak met het opschrift ‘Perka 3 kg’, en\n\n- een zak met het opschrijft ‘Wijnsteen 2,5 kg’,\n\nzijnde voorwerpen en stoffen waarvan hij, verdachte, en\u002Fof zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, voorhanden heeft gehad.\n\nDe rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:\n\nten aanzien van feit 1:\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;\n\nten aanzien van feit 2:\n\nmedeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\n5. De strafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.\n\n6. De straf6.1. \n\nDe vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 180 dagen met aftrek van de duur van het voorarrest, waarvan 85 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarde zoals geadviseerd door de reclassering. Daarnaast vordert de officier van justitie oplegging van een taakstraf van 80 uren.6.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nBij bewezenverklaring dient een straf overeenkomstig de duur van het voorarrest te worden opgelegd. De verdediging voert daartoe aan dat de redelijke termijn is overschreden.6.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nBij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.\n\nDe verdachte heeft zich met anderen schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor de productie van synthetische drugs en het bezit van een hoeveelheid harddrugs. De verdachte is daardoor medeverantwoordelijk voor de nadelige effecten die het gebruik van harddrugs veroorzaakt voor de volksgezondheid en de criminaliteit die met harddrugs gepaard gaat. Ook brengt de opslag van grondstoffen die worden gebruikt bij het vervaardigen en bewerken van harddrugs grote risico’s met zich mee, zoals brand- en ontploffingsgevaar en het vrijkomen van giftige dampen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de productiemiddelen zijn aangetroffen in een appartement in een woonwijk. Van de mogelijke gevolgen voor de omwonenden heeft de verdachte zich kennelijk niets aangetrokken.\n\nGelet op de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat in beginsel een gevangenisstraf van aanzienlijke duur passend is. Daarbij heeft de rechtbank voor wat betreft het aanwezig hebben van de harddrugs gelet op de daarvoor geldende LOVS-oriëntatiepunten en voor wat betreft de voorbereidingshandelingen voor de productie van harddrugs op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank stelt daarbij vast dat de verdachte wisselende verklaringen heeft afgelegd, geen volledige openheid van zaken heeft willen geven en geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen. In het voordeel van de verdachte rekent de rechtbank mee het door de reclassering uitgebrachte advies, waaruit volgt dat hij zich goed aan de schorsingsvoorwaarden heeft gehouden en dat hij bezig is om zijn leven weer positief op te bouwen. Verder houdt de rechtbank, in strafmitigerende zin, rekening met de overschrijding van de redelijke termijn. In dit geval is de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn aangevangen op 22 oktober 2023, de datum waarop de verdachte in verzekering is gesteld. Dit betekent dat de redelijke termijn van twee jaren met ruim acht maanden is overschreden. Van bijzondere omstandigheden die deze termijnoverschrijding kunnen rechtvaardigen, is niet gebleken.\n\nGelet op de voornoemde strafmitigerende omstandigheden, zal de rechtbank de verdachte niet terugsturen naar de gevangenis. De rechtbank zal aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf van 235 dagen, waarvan 140 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Het voorwaardelijke deel dient als een waarschuwing aan de verdachte: mocht hij nog eens overwegen om de wet te overtreden, dan weet hij wat hem mogelijk te wachten staat. Daarnaast zal de rechtbank aan de verdachte opleggen een taakstraf van 80 uren.\n\n7. Het beslag\n\nDe rechtbank beslist tot teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten de gsm.\n\n8. De wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.\n\n9. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;\n\nspreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;\n\nStrafbaarheid\n\nverklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nveroordeelt de verdachte voor de beide feiten tot een gevangenisstraf van 235 dagen, waarvan 140 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren;\n\nbeveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nbepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van twee jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;\n\nstelt als bijzondere voorwaarde, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de veroordeelde zich binnen 5 dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij de reclassering van het Leger des Heils op het adres Putgraaf 3, 6411 GT Heerlen;\n\ngeeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;\n\nvoorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:\n\nten behoeve van het vaststellen van zijn\u002Fhaar identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;\n\nmedewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;\n\nveroordeelt de verdachte voor beide feiten tot een taakstraf voor de duur van 80 uren;\n\nbeveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 dagen;\n\nVoorlopige hechtenis\n\n- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden;\n\nBeslag\n\n- gelast de teruggave van het volgende in beslag genomen voorwerp aan de verdachte:\n\n1 STK GSM (G1648474).\n\nDit vonnis is gewezen door mr. D. Osmić, voorzitter, mr. M.E.M.W. Nuijts en mr. T.C.M. Smeets, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.A.H. Bohnen, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 6 juli 2026.\n\nBuiten staat\n\nDe griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.\n\nBIJLAGE I:De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat\n\nTen aanzien van feit 1:\n\nhij, op of omstreeks 12 oktober 2023 in de gemeente Heerlen tezamen en\n\nin vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, opzettelijk\n\naanwezig heeft gehad:\n\n- ongeveer 32,87 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een\n\nmateriaal bevattende heroïne, en\u002Fof\n\n- ongeveer 4,54 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een\n\nmateriaal bevattende cocaïne, en\u002Fof\n\n- ongeveer 120,43 gram metamfetamine,\n\nin elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende\n\nmetamfetamine,\n\nzijnde heroïne, cocaïne en\u002Fof metamfetamine, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet\n\nbehorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel\n\n3a van die wet;\n\nTen aanzien van feit 2:\n\nhij, op of omstreeks 12 oktober 2023 in de gemeente Heerlen tezamen en\n\nin vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, om een feit,\n\nbedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te\n\nweten\n\n- het opzettelijk binnen en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland\n\nbrengen, en\u002Fof\n\n- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen,\n\nafleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof\n\n- het opzettelijk vervaardigen,\n\nvan een (of meer) hoeveelhe(i)d(en) heroïne, cocaïne en\u002Fof metamfetamine, in elk geval een (of meer)\n\nmiddel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel\n\naangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet,\n\nvoor te bereiden en\u002Fof te bevorderen,\n\n- twee gasmaskers (met filter), en\u002Fof\n\n- een paar rubberen handschoenen, en\u002Fof\n\n- een weegschaal, en\u002Fof\n\n- een speciekuip, en\u002Fof\n\n- een maatbeker, en\u002Fof\n\n- een mes, en\u002Fof\n\n- een (of meer) spatel(s), en\u002Fof\n\n- een (of meer) jerrycan(s), en\u002Fof\n\n- een zak met het opschrift ‘Caus 5 kg’, en\u002Fof\n\n- een zak met het opschrift ‘Perka 3 kg’, en\u002Fof\n\n- een zak met het opschrijft ‘Wijnsteen 2,5 kg,\n\nzijnde voorwerpen en\u002Fof stoffen waarvan hij, verdachte, en\u002Fof zijn\n\nmededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat\n\nzij bestemd waren tot het plegen van dat feit, voorhanden heeft gehad.\n\nBIJLAGE II: De bewijsmiddelen\n\nHet proces-verbaal van bevindingenvan 12 oktober 2023, p.20-21\n\nOp 12 oktober 2023 bevonden wij ons op de [adres 2] te Heerlen, aan de achterzijde van de aldaar gelegen flat. Wij zagen dat er aan de achterzijde van de flat een persoon op de grond lag. Wij zagen dat deze persoon lag onder het tweede balkon gezien vanaf de [straatnaam 1] . Ik liep naar de vrouw die eerder bij de gewonde man stond. Zij verklaarde dat zij de man aan het balkon had zien hangen en dat een andere man deze man naar boven wilde trekken. Dat de man uiteindelijk toch viel en dat de andere man na een aantal minuten kwam kijken bij de gewonde en meteen ook weer weg liep. Teneinde de identiteit van de gewonde man te achterhalen bekeken wij de telefoon van het slachtoffer. Wij openden de telefoon en zagen in de fotogalerij foto's waarop vermoedelijk verdovende middelen, en de productie hiervan, te zien waren.\n\nHet proces-verbaal van bevindingenvan 12 oktober 2023, p.23-24\n\nOp 12 oktober 2023 was ik op de [adres 2] \u002F [straatnaam 2] in verband met een incident hulpverlening van een persoon die vanaf een balkon omlaag was gevallen. Ter plaatse kon achterhaald worden dat het om appartement [huisnummer] ging. Terwijl ik de woning betrad, rook ik bij binnenkomst in de woonkamer een weeïge geur, mij bekend als de geur van amfetamine. Ik zag diverse aanwijzingen waaruit ik vermoedde dat er in de woning harddrugs vervaardigd werden. Ik zag onder andere in de woonkamer:\n\n- Naast de tv een geel gasmasker liggen met een filterbus.\n\n- Op het dressoir in de woonkamer lagen resten wit poeder en doorzichtige kristallen,\n\nalsmede gele rubberen handschoenen, een zwart gasmasker met filter en een weegschaal\n\nmet resten kristalachtige stof. In de keuken stond een witte speciekuip met daarin een oa een maatbeker, een mes, en spatels. Vervolgens zag ik op het balkon meerdere jerrycans staan.\n\nHet proces-verbaal van aanhouding verdachtevan 12 oktober 2023, p.245\n\nOp 12 oktober 2023 gingen wij ter plaatse in het Zuyderland ziekenhuis in Heerlen op verzoek van officier van dienst politie [naam 3] . Aldaar zou een onbekende man liggen die eerder op de dag van een balkon was gevallen. Volgens [naam 3] zou er een drugslab zijn aangetroffen in de woning waar de man van zou zijn gevallen. Aldaar troffen wij een Spaanssprekende man aan die aangaf [medeverdachte 2] te heten.\n\nHet proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagnamevan 13 oktober 2023, p.34\n\nOp 12 oktober 2023 werd voor een doorzoeking ter inbeslagneming binnengetreden in de woning, [adres 2] Heerlen. Tijdens de doorzoeking werd het volgende in beslag genomen: Gasmasker zwart, Gasmasker geel, Zakje cocaïne, Handschoenen zwart, Zakje brok heroïne, Zakje brok heroïne, Bolletje cocaïne, Zakje MDMA wit, Zakje MDMA bruin, Zak met opschrift “Caus 5kg”, Zak kleur paars met vloeistof, Zak met opschrift “Perka 3kg”, Zak met opschrift “Wijnsteen 2kkg”.\n\nHet proces-verbaal van bevindingenvan 24 oktober 2023, p.117\n\nHet is mij ambtshalve bekend dat de combinatie van de substantie Caus, Perka, Wijnsteen en Amfetamine gebruikt kan worden voor de productie van synthetische drugs.\n\nHet proces-verbaal van bevindingenvan 12 oktober 2023, p.163\n\nNaar aanleiding van het ontvangen huurcontract van Wonen Limburg in relatie tot het appartement: [adres 2] te Heerlen, ben ik in gesprek gegaan met een medewerker van Wonen Limburg. Op het overzicht zijn twee bankrekeningnummers weergegeven in relatie tot de hoofdhuurder [verdachte] .\n\nDe kennisgeving van inbeslagnemingvan 13 oktober 2023, p.101\n\nPlaats: [adres 2] Heerlen\n\nDatum en tijd: 12 oktober 2023 te 19:00 uur\n\nGoednummer: PL2300-2023162733-1646198, 33 gram heroine bruto\n\nDe kennisgeving van inbeslagnemingvan 13 oktober 2023, p.104\n\nPlaats: [adres 2] Heerlen\n\nDatum en tijd: 12 oktober 2023 te 19:00 uur\n\nGoednummer: PL2300-2023162733-1646209, 6 gram bruto cocaine\n\nDe kennisgeving van inbeslagnemingvan 13 oktober 2023, p.105\n\nPlaats: [adres 2] Heerlen\n\nDatum en tijd: 12 oktober 2023 te 19:00 uur\n\nGoednummer: PL2300-2023162733-1646213, 42 gram bruto amfetamine \u002F crystal meth\n\nDe kennisgeving van inbeslagnemingvan 13 oktober 2023, p.108\n\nPlaats: [adres 2] Heerlen\n\nDatum en tijd: 12 oktober 2023 te 19:00 uur\n\nGoednummer: PL2300-2023162733-1646224, 51 gram bruto crystal meth \u002F amfetamine\n\nDe kennisgeving van inbeslagnemingvan 13 oktober 2023, p.109\n\nPlaats: [adres 2] Heerlen\n\nDatum en tijd: 12 oktober 2023 te 19:00 uur\n\nGoednummer: PL2300-2023162733-1646231, 40 gram bruto mdma \u002F amfetamine\n\nHet proces-verbaal onderzoek verdovende middelenvan 14 november 2023, p.68-73\n\nDe aangeboden partij verdovende middelen bestond uit:\n\nGoednummer: PL2300-2023162733-1646198\n\nSIN: AAQQ7919NL\n\nRelatie met SIN: AAQR6444NL\n\nGoednummer: PL2300-2023162733-1646209\n\nSIN: AAQQ7920NL\n\nRelatie met SIN: AAQR6445NL\n\nGoednummer: PL2300-2023162733-1646231\n\nSIN: AAQQ7921NL\n\nRelatie met SIN: AAQR6446NL\n\nGoednummer: PL2300-2023162733-1646224\n\nSIN: AAQQ7922NL\n\nRelatie met SIN: AAQR6447NL\n\nGoednummer: PL2300-2023162733-1646213\n\nSIN: AAQQ7923NL\n\nRelatie met SIN: AAQR6448NL, AAQR6449NL, AAQR6450NL, AAQR6451NL\n\nDe deskundigenrapporten van ing. M. Visser-van Leeuwen,als rapporteur verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituutte Den Haag van 13 november 2023, p.74-81\n\nKenmerk: AAQR6444NLOmschrijving: brokjes, bruin, uit 32,87 gram\n\nConclusie: bevat heroïne\n\nKenmerk: AAQR6445NL\n\nOmschrijving: poeder, wit, uit 4,54 gram\n\nConclusie: bevat cocaïne\n\nKenmerk: AAQR6446NLOmschrijving: poeder en brokjes, bruin, uit 35,70 gram\n\nConclusie: bevat metamfetamine\n\nKenmerk: AAQR6447NL\n\nOmschrijving: kristal, crèmekleurig, uit 47,30 gram\n\nConclusie: bevat metamfetamine\n\nKenmerk: AAQR6448NL\n\nOmschrijving: kristal, wit, uit 4,67 gram\n\nConclusie: bevat metamfetamine\n\nKenmerk: AAQR6449NL\n\nOmschrijving: kristal, wit, uit 2,10 gram\n\nConclusie: bevat metamfetamine\n\nKenmerk: AAQR6450NL\n\nOmschrijving: kristal, crèmekleurig, uit 21,27 gram\n\nConclusie: bevat metamfetamine\n\nKenmerk: AAQR6451NL\n\nOmschrijving: kristal, wit, uit 9,39 gram\n\nConclusie: bevat metamfetamine\n\nHet proces-verbaal van bevindingenvan 22 november 2023, p.180\n\nOp 12 oktober 2023 werd in de woning [adres 2] [huisnummer] te Heerlen een productielocatie voor synthetische drugs aangetroffen. In het appartement werden diverse goederen bemonsterd voor DNA-onderzoek.\n\nDe kennisgeving van inbeslagnemingvan 13 oktober 2023, p.91\n\nPlaats: [adres 2] Heerlen\n\nDatum en tijd: 12 oktober 2023 te 19:00 uur\n\nAAPV8333NL: zwartkleurig gasmasker (aangetroffen woonkamer)\n\nDe kennisgeving van inbeslagnemingvan 13 oktober 2023, p.95\n\nPlaats: [adres 2] Heerlen\n\nDatum en tijd: 12 oktober 2023 te 19:00 uur\n\nAAPV8335NL: geelkleurig gasmasker (aangetroffen woonkamer)\n\nDe deskundigenrapportagevan dr. PJ. Herbergs, forensisch DNA-deskundige, verbonden aanThe Maastricht Forensic Institute, van 16 november 2023, p.182-188\n\nBemonstering: Gehele contactvlak met het gezicht van het gasmasker (met SIN AAPV8335NL)\n\nDNA-profiel: DNA-mengprofiel afkomstig van celmateriaal van minimaal drie donoren, van wie zeker één man.*\n\nMogelijke donor van celmateriaal: Verdachte [medeverdachte 2] .\n\nOm een uitspraak te doen over het mogelijk aanwezig zijn van celmateriaal van verdachte [medeverdachte 2] in de bemonstering 'gehele contactvlak met het gezicht van het gasmasker (met SIN AAPV8335NL) AAQJ4430NL' is de likelihood-ratio (LR) methode toegepast. Daarbij worden de resultaten bezien in het licht van twee, elkaar uitsluitende hypothesen:\n\nHypothese 1: de bemonstering van het spoor bevat DNA van verdachte [medeverdachte 2] en twee onbekende, niet verwante personen.\n\nHypothese 2: de bemonstering van het spoor bevat DNA van drie onbekende, niet verwante\n\npersonen.\n\nDe resultaten van het onderzoek zijn extreem veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 juist is dan wanneer hypothese 2 juist is.\n\nBemonstering: Gehele contactvlak met het gezicht van gasmasker (met SIN AAPV8333NL)DNA-profiel: DNA-mengprofiel afkomstig van celmateriaal van minimaal drie donoren, van wie zeker één man.* Er is een DNA-hoofdprofiel afgeleid van een man. De frequentie van het DNA-hoofdprofiel is kleiner dan één op één miljard.\n\nMogelijke donor van celmateriaal: [medeverdachte 1] (DNA-hoofdprofiel)\n\nBemonstering: Rondom de filterventielen aan de binnenzijde van het gasmasker (met SIN AAPV8333NL)\n\nDNA-profiel: DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard\n\nMogelijke donor van celmateriaal: [medeverdachte 1]\n\n Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van de Districtsrecherche Parkstad-Limburg, proces-verbaalnummer LB2R023104-51, gesloten d.d. 15 februari 2024, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 305.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6520","2026-07-13T00:29:32.446Z",{"id":107,"ecli":108,"slug":109,"caseNumber":43,"courtId":94,"decisionDate":95,"fullText":110,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":111,"sourceTimestamp":95,"parsedAt":50,"updatedAt":112},"1664","ECLI:NL:RBLIM:2026:6518","ecli-nl-rblim-2026-6518","RECHTBANK LIMBURG\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nStrafrecht\n\nParketnummer : 03.268186.23\n\nTegenspraak (gemachtigde raadsman)\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 6 juli 2026\n\nin de strafzaak tegen\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboortegegevens] 1976,\n\ndomicilie kiezende te [adres 1] .\n\nDe verdachte wordt bijgestaan door mr. H.G. Koopman, advocaat kantoorhoudende te Amsterdam.\n\n1. Onderzoek van de zaak\n\nDe zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 juni 2026. De verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.\n\nDeze zaak is gelijktijdig behandeld met de strafzaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 1] met het parketnummer 03.277358.23 en de strafzaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 2] met het parketnummer 03.142029.24.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.\n\nDe verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte (al dan niet samen met anderen):\n\nFeit 1: op 12 oktober 2023 opzettelijk (ongeveer) 32,87 gram heroïne, 4,54 gram cocaïne en 120,43 gram metamfetamine aanwezig heeft gehad;\n\nFeit 2: op 12 oktober 2023 de productie van heroïne, cocaïne, metamfetamine of in ieder geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I heeft voorbereid en bevorderd.\n\n3. De beoordeling van het bewijs3.1. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie acht beide feiten bewezen. De politie heeft op 12 oktober 2023 in de woning van de medeverdachte [medeverdachte 1] drugs en allerlei goederen voor de productie van drugs aangetroffen. De verdachte heeft verklaard uit die woning te zijn gekomen en betrokken te zijn bij de productie van drugs in die woning.3.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nTen aanzien van de voorbereidingshandelingen concludeert de verdediging tot vrijspraak. De verdachte heeft de in de tenlastelegging genoemde voorwerpen niet aangeschaft. Niet in te zien is wat de bijdrage van de verdachte is geweest aan de voorbereidingshandelingen. De uiting van de voorbereidingshandelingen ligt niet op of omstreeks 12 oktober 2023, maar in de periode erna.3.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nBewijsmiddelen\n\nTer bevordering van de leesbaarheid van dit vonnis, heeft de rechtbank de bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in bijlage II.\n\nDe overwegingen van de rechtbank\n\nOp grond van die bewijsmiddelen acht de rechtbank het aanwezig hebben van de harddrugs (feit 1) en de voorbereiding\u002Fbevordering van de productie van synthetische drugs (feit 2) bewezen. De rechtbank overweegt daartoe in het bijzonder als volgt.\n\nDe verdachte is op 12 oktober 2023 door de politie aangetroffen onder het balkon van de woning aan de [adres 2] nummer [huisnummer] te Heerlen. De verdachte hing – voordat de politie ter plekke kwam – aan dat balkon en hij is van dit balkon naar beneden gevallen, nadat een andere man heeft geprobeerd hem omhoog te trekken. Bij controle van de telefoon van de verdachte kreeg de politie het vermoeden dat de verdachte zich bezighield met (de productie van) verdovende middelen. De politie is daarop voornoemde woning binnengetreden en trof daar een hoeveelheid drugs aan en de tenlastegelegde voorwerpen en stoffen. Die voorwerpen en stoffen kunnen gebruikt worden voor de productie van synthetische drugs. De huurder van de voornoemde woning is de medeverdachte [medeverdachte 1] . In de woning is op een dressoir in de woonkamer een gasmasker aangetroffen met daarop het DNA van de medeverdachte [medeverdachte 2] en op het tv-meubel een gasmasker met daarop het DNA van de verdachte.\n\nHet voorgaande levert redengevende feiten en omstandigheden op dat de verdachte het aan hem tenlastegelegde samen met anderen heeft gepleegd: naast medeverdachte [medeverdachte 2] is dat medeverdachte [medeverdachte 1] , de huurder van de bedoelde woning. En in een geval als dit, mag van de verdachte een aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring worden verwacht. Die is door de verdachte op geen enkel moment gegeven.\n\nDe rechtbank concludeert, op grond van het voorgaande, dat de verdachte samen met anderen zich schuldig gemaakt geeft aan het hem tenlastegelegde.\n\nUit de bewijsmiddelen volgt overigens niet specifiek welke drugs geproduceerd zouden gaan worden, nu daarin enkel wordt gesproken over substanties voor de productie van synthetische drugs. De rechtbank acht daarmee niet bewezen dat de voorbereidingshandelingen specifiek gericht waren op de productie van heroïne, cocaïne en\u002Fof metamfetamine, maar wel op een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.\n\n3.4. \n\nDe bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht bewezen dat de verdachte\n\nten aanzien van feit 1:\n\nop 12 oktober 2023 in de gemeente Heerlen tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad:\n\n- ongeveer 32,87 gram heroïne, en\n\n- ongeveer 4,54 gram cocaïne, en\n\n- ongeveer 120,43 gram metamfetamine,\n\nzijnde heroïne, cocaïne en metamfetamine, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\nten aanzien van feit 2:\n\nop 12 oktober 2023 in de gemeente Heerlen tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervaardigen van een (of meer) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en te bevorderen,\n\n- twee gasmaskers (met filter), en\n\n- een paar rubberen handschoenen, en\n\n- een weegschaal, en\n\n- een speciekuip, en\n\n- een maatbeker, en\n\n- een mes, en\n\n- een (of meer) spatel(s), en\n\n- een (of meer) jerrycan(s), en\n\n- een zak met het opschrift ‘Caus 5 kg’, en\n\n- een zak met het opschrift ‘Perka 3 kg’, en\n\n- een zak met het opschrijft ‘Wijnsteen 2,5 kg’,\n\nzijnde voorwerpen en stoffen waarvan hij, verdachte, en\u002Fof zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, voorhanden heeft gehad.\n\nDe rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:\n\nten aanzien van feit 1:\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;\n\nten aanzien van feit 2:\n\nmedeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\n5. De strafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.\n\n6. De straf6.1. \n\nDe vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van het voorarrest.6.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging verzoekt een straf op te leggen overeenkomstig de duur van de voorlopige hechtenis, te weten 244 dagen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat dat in de LOVS-oriëntatiepunten voor feit 1 een gevangenisstraf van 6 weken staat en dat de redelijke termijn is overschreden.6.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nBij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.\n\nDe verdachte heeft zich met anderen schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor de productie van synthetische drugs en het bezit van een hoeveelheid harddrugs. De verdachte is daardoor medeverantwoordelijk voor de nadelige effecten die het gebruik van harddrugs veroorzaakt voor de volksgezondheid en de criminaliteit die met harddrugs gepaard gaat. Ook brengt de opslag van grondstoffen die worden gebruikt bij het vervaardigen en bewerken van harddrugs grote risico’s met zich mee, zoals brand- en ontploffingsgevaar en het vrijkomen van giftige dampen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de productiemiddelen zijn aangetroffen in een appartement in een woonwijk. Van de mogelijke gevolgen voor de omwonenden heeft de verdachte zich kennelijk niets aangetrokken.\n\nGelet op de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van aanzienlijke duur passend is. Daarbij heeft de rechtbank voor wat betreft het aanwezig hebben van de harddrugs gelet op de daarvoor geldende LOVS-oriëntatiepunten en voor wat betreft de voorbereidingshandelingen voor de productie van harddrugs op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank stelt daarbij vast dat de verdachte wisselende verklaringen heeft afgelegd, geen volledige openheid van zaken heeft willen geven en geen (volledige) verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen.\n\nDe rechtbank houdt er echter rekening mee dat in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. In dit geval is de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn aangevangen op 13 oktober 2023, de datum waarop de verdachte in verzekering is gesteld. Dit betekent dat de redelijke termijn van twee jaren met bijna negen maanden is overschreden. Van bijzondere omstandigheden die deze termijnoverschrijding kunnen rechtvaardigen, is niet gebleken. Daarom zal de rechtbank de op te leggen gevangenisstraf verminderen en een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 243 dagen opleggen, overeenkomstig de tijd die de verdachte in voorarrest heeft gezeten en hoeft de verdachte niet terug naar de gevangenis.\n\n7. Het beslag\n\nOnttrekking aan het verkeer\n\nDe rechtbank zal de inbeslaggenomen verdovende middelen en de verpakking daarvan onttrekken aan het verkeer. Ten aanzien van de verdovende middelen overweegt de rechtbank dat de feiten met betrekking tot deze voorwerpen zijn begaan en deze van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. De onttrekking aan het verkeer van een voorwerp omvat mede de verpakking, zodat ook deze zal worden onttrokken.\n\nTeruggave\n\nDe rechtbank beslist daarnaast tot teruggave van de simkaart.\n\n8. De wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing berust op de artikelen 36b, 36d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.\n\n9. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;\n\nspreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;\n\nStrafbaarheid\n\nverklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nveroordeelt de verdachte voor beide feiten tot een gevangenisstraf van 243 dagen;\n\nbeveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nBeslag\n\n- onttrekt aan het verkeer de volgende in beslag genomen voorwerpen:\n\n1. STK Verdovende Middelen (G1646867);\n\n1. STK Verdovende Middelen (G1646111);\n\n1. STK Verdovende Middelen (G1646204);\n\n1. STK Verdovende Middelen (G1646424);\n\n1. STK Verdovende Middelen (G1646431);\n\n1. STK Verdovende Middelen (G1646434);\n\n1. STK Verdovende Middelen (G1646219);\n\n1. STK Zak (G1646187);\n\n- gelast de teruggave van het volgende in beslag genomen voorwerp aan de verdachte:\n\n1. STK Simkaart van zaktelefoon (G1646414).\n\nDit vonnis is gewezen door mr. D. Osmić, voorzitter, mr. M.E.M.W. Nuijts en mr. T.C.M. Smeets, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.A.H. Bohnen, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 6 juli 2026.\n\nBuiten staat\n\nDe griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.\n\nBIJLAGE I: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat\n\nTen aanzien van feit 1:\n\nhij, op of omstreeks 12 oktober 2023 in de gemeente Heerlen tezamen en\n\nin vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, opzettelijk\n\naanwezig heeft gehad:\n\n- ongeveer 32,87 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een\n\nmateriaal bevattende heroïne, en\u002Fof\n\n- ongeveer 4,54 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een\n\nmateriaal bevattende cocaïne, en\u002Fof\n\n- ongeveer 120,43 gram metamfetamine,\n\nin elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende\n\nmetamfetamine,\n\nzijnde heroïne, cocaïne en\u002Fof metamfetamine, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet\n\nbehorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel\n\n3a van die wet;\n\nTen aanzien van feit 2:\n\nhij, op of omstreeks 12 oktober 2023 in de gemeente Heerlen tezamen en\n\nin vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, om een feit,\n\nbedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te\n\nweten\n\n- het opzettelijk binnen en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland\n\nbrengen, en\u002Fof\n\n- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen,\n\nafleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof\n\n- het opzettelijk vervaardigen,\n\nvan een (of meer) hoeveelhe(i)d(en) heroïne, cocaïne en\u002Fof metamfetamine, in elk geval een (of meer)\n\nmiddel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel\n\naangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet,\n\nvoor te bereiden en\u002Fof te bevorderen,\n\n- twee gasmaskers (met filter), en\u002Fof\n\n- een paar rubberen handschoenen, en\u002Fof\n\n- een weegschaal, en\u002Fof\n\n- een speciekuip, en\u002Fof\n\n- een maatbeker, en\u002Fof\n\n- een mes, en\u002Fof\n\n- een (of meer) spatel(s), en\u002Fof\n\n- een (of meer) jerrycan(s), en\u002Fof\n\n- een zak met het opschrift ‘Caus 5 kg’, en\u002Fof\n\n- een zak met het opschrift ‘Perka 3 kg’, en\u002Fof\n\n- een zak met het opschrijft ‘Wijnsteen 2,5 kg,\n\nzijnde voorwerpen en\u002Fof stoffen waarvan hij, verdachte, en\u002Fof zijn\n\nmededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat\n\nzij bestemd waren tot het plegen van dat feit, voorhanden heeft gehad.\n\nBIJLAGE II: De bewijsmiddelen\n\nHet proces-verbaal van bevindingenvan 12 oktober 2023, p.20-21\n\nOp 12 oktober 2023 bevonden wij ons op de [adres 2] te Heerlen, aan de achterzijde van de aldaar gelegen flat. Wij zagen dat er aan de achterzijde van de flat een persoon op de grond lag. Wij zagen dat deze persoon lag onder het tweede balkon gezien vanaf de [straatnaam 1] . Ik liep naar de vrouw die eerder bij de gewonde man stond. Zij verklaarde dat zij de man aan het balkon had zien hangen en dat een andere man deze man naar boven wilde trekken. Dat de man uiteindelijk toch viel en dat de andere man na een aantal minuten kwam kijken bij de gewonde en meteen ook weer weg liep. Teneinde de identiteit van de gewonde man te achterhalen bekeken wij de telefoon van het slachtoffer. Wij openden de telefoon en zagen in de fotogalerij foto's waarop vermoedelijk verdovende middelen, en de productie hiervan, te zien waren.\n\nHet proces-verbaal van bevindingenvan 12 oktober 2023, p.23-24\n\nOp 12 oktober 2023 was ik op de [adres 2] \u002F [straatnaam 2] in verband met een incident hulpverlening van een persoon die vanaf een balkon omlaag was gevallen. Ter plaatse kon achterhaald worden dat het om appartement [huisnummer] ging. Terwijl ik de woning betrad, rook ik bij binnenkomst in de woonkamer een weeïge geur, mij bekend als de geur van amfetamine. Ik zag diverse aanwijzingen waaruit ik vermoedde dat er in de woning harddrugs vervaardigd werden. Ik zag onder andere in de woonkamer:\n\n- Naast de tv een geel gasmasker liggen met een filterbus.\n\n- Op het dressoir in de woonkamer lagen resten wit poeder en doorzichtige kristallen,\n\nalsmede gele rubberen handschoenen, een zwart gasmasker met filter en een weegschaal\n\nmet resten kristalachtige stof. In de keuken stond een witte speciekuip met daarin een oa een maatbeker, een mes, en spatels. Vervolgens zag ik op het balkon meerdere jerrycans staan.\n\nHet proces-verbaal van aanhouding verdachtevan 12 oktober 2023, p.245\n\nOp 12 oktober 2023 gingen wij ter plaatse in het Zuyderland ziekenhuis in Heerlen op verzoek van officier van dienst politie [naam] . Aldaar zou een onbekende man liggen die eerder op de dag van een balkon was gevallen. Volgens [naam] zou er een drugslab zijn aangetroffen in de woning waar de man van zou zijn gevallen. Aldaar troffen wij een Spaanssprekende man aan die aangaf [verdachte] te heten.\n\nHet proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagnamevan 13 oktober 2023, p.34\n\nOp 12 oktober 2023 werd voor een doorzoeking ter inbeslagneming binnengetreden in de woning, [adres 2] Heerlen. Tijdens de doorzoeking werd het volgende in beslag genomen: Gasmasker zwart, Gasmasker geel, Zakje cocaïne, Handschoenen zwart, Zakje brok heroïne, Zakje brok heroïne, Bolletje cocaïne, Zakje MDMA wit, Zakje MDMA bruin, Zak met opschrift “Caus 5kg”, Zak kleur paars met vloeistof, Zak met opschrift “Perka 3kg”, Zak met opschrift “Wijnsteen 2kkg”.\n\nHet proces-verbaal van bevindingenvan 24 oktober 2023, p.117\n\nHet is mij ambtshalve bekend dat de combinatie van de substantie Caus, Perka, Wijnsteen en Amfetamine gebruikt kan worden voor de productie van synthetische drugs.\n\nHet proces-verbaal van bevindingenvan 12 oktober 2023, p.163\n\nNaar aanleiding van het ontvangen huurcontract van Wonen Limburg in relatie tot het appartement: [adres 2] te Heerlen, ben ik in gesprek gegaan met een medewerker van Wonen Limburg. Op het overzicht zijn twee bankrekeningnummers weergegeven in relatie tot de hoofdhuurder [medeverdachte 1] .\n\nDe kennisgeving van inbeslagnemingvan 13 oktober 2023, p.101\n\nPlaats: [adres 2] Heerlen\n\nDatum en tijd: 12 oktober 2023 te 19:00 uur\n\nGoednummer: PL2300-2023162733-1646198, 33 gram heroine bruto\n\nDe kennisgeving van inbeslagnemingvan 13 oktober 2023, p.104\n\nPlaats: [adres 2] Heerlen\n\nDatum en tijd: 12 oktober 2023 te 19:00 uur\n\nGoednummer: PL2300-2023162733-1646209, 6 gram bruto cocaine\n\nDe kennisgeving van inbeslagnemingvan 13 oktober 2023, p.105\n\nPlaats: [adres 2] Heerlen\n\nDatum en tijd: 12 oktober 2023 te 19:00 uur\n\nGoednummer: PL2300-2023162733-1646213, 42 gram bruto amfetamine \u002F crystal meth\n\nDe kennisgeving van inbeslagnemingvan 13 oktober 2023, p.108\n\nPlaats: [adres 2] Heerlen\n\nDatum en tijd: 12 oktober 2023 te 19:00 uur\n\nGoednummer: PL2300-2023162733-1646224, 51 gram bruto crystal meth \u002F amfetamine\n\nDe kennisgeving van inbeslagnemingvan 13 oktober 2023, p.109\n\nPlaats: [adres 2] Heerlen\n\nDatum en tijd: 12 oktober 2023 te 19:00 uur\n\nGoednummer: PL2300-2023162733-1646231, 40 gram bruto mdma \u002F amfetamine\n\nHet proces-verbaal onderzoek verdovende middelenvan 14 november 2023, p.68-73\n\nDe aangeboden partij verdovende middelen bestond uit:\n\nGoednummer: PL2300-2023162733-1646198\n\nSIN: AAQQ7919NL\n\nRelatie met SIN: AAQR6444NL\n\nGoednummer: PL2300-2023162733-1646209\n\nSIN: AAQQ7920NL\n\nRelatie met SIN: AAQR6445NL\n\nGoednummer: PL2300-2023162733-1646231\n\nSIN: AAQQ7921NL\n\nRelatie met SIN: AAQR6446NL\n\nGoednummer: PL2300-2023162733-1646224\n\nSIN: AAQQ7922NL\n\nRelatie met SIN: AAQR6447NL\n\nGoednummer: PL2300-2023162733-1646213\n\nSIN: AAQQ7923NL\n\nRelatie met SIN: AAQR6448NL, AAQR6449NL, AAQR6450NL, AAQR6451NL\n\nDe deskundigenrapporten van ing. M. Visser-van Leeuwen,als rapporteur verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituutte Den Haag van 13 november 2023, p.74-81\n\nKenmerk: AAQR6444NLOmschrijving: brokjes, bruin, uit 32,87 gram\n\nConclusie: bevat heroïne\n\nKenmerk: AAQR6445NL\n\nOmschrijving: poeder, wit, uit 4,54 gram\n\nConclusie: bevat cocaïne\n\nKenmerk: AAQR6446NLOmschrijving: poeder en brokjes, bruin, uit 35,70 gram\n\nConclusie: bevat metamfetamine\n\nKenmerk: AAQR6447NL\n\nOmschrijving: kristal, crèmekleurig, uit 47,30 gram\n\nConclusie: bevat metamfetamine\n\nKenmerk: AAQR6448NL\n\nOmschrijving: kristal, wit, uit 4,67 gram\n\nConclusie: bevat metamfetamine\n\nKenmerk: AAQR6449NL\n\nOmschrijving: kristal, wit, uit 2,10 gram\n\nConclusie: bevat metamfetamine\n\nKenmerk: AAQR6450NL\n\nOmschrijving: kristal, crèmekleurig, uit 21,27 gram\n\nConclusie: bevat metamfetamine\n\nKenmerk: AAQR6451NL\n\nOmschrijving: kristal, wit, uit 9,39 gram\n\nConclusie: bevat metamfetamine\n\nHet proces-verbaal van bevindingenvan 22 november 2023, p.180\n\nOp 12 oktober 2023 werd in de woning [adres 2] te Heerlen een productielocatie voor synthetische drugs aangetroffen. In het appartement werden diverse goederen bemonsterd voor DNA-onderzoek.\n\nDe kennisgeving van inbeslagnemingvan 13 oktober 2023, p.91\n\nPlaats: [adres 2] Heerlen\n\nDatum en tijd: 12 oktober 2023 te 19:00 uur\n\nAAPV8333NL: zwartkleurig gasmasker (aangetroffen woonkamer)\n\nDe kennisgeving van inbeslagnemingvan 13 oktober 2023, p.95\n\nPlaats: [adres 2] Heerlen\n\nDatum en tijd: 12 oktober 2023 te 19:00 uur\n\nAAPV8335NL: geelkleurig gasmasker (aangetroffen woonkamer)\n\nDe deskundigenrapportagevan dr. PJ. Herbergs, forensisch DNA-deskundige, verbonden aanThe Maastricht Forensic Institute, van 16 november 2023, p.182-188\n\nBemonstering: Gehele contactvlak met het gezicht van het gasmasker (met SIN AAPV8335NL)\n\nDNA-profiel: DNA-mengprofiel afkomstig van celmateriaal van minimaal drie donoren, van wie zeker één man.*\n\nMogelijke donor van celmateriaal: Verdachte [verdachte] .\n\nOm een uitspraak te doen over het mogelijk aanwezig zijn van celmateriaal van verdachte [verdachte] in de bemonstering 'gehele contactvlak met het gezicht van het gasmasker (met SIN AAPV8335NL) AAQJ4430NL' is de likelihood-ratio (LR) methode toegepast. Daarbij worden de resultaten bezien in het licht van twee, elkaar uitsluitende hypothesen:\n\nHypothese 1: de bemonstering van het spoor bevat DNA van verdachte [verdachte] en twee onbekende, niet verwante personen.\n\nHypothese 2: de bemonstering van het spoor bevat DNA van drie onbekende, niet verwante\n\npersonen.\n\nDe resultaten van het onderzoek zijn extreem veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 juist is dan wanneer hypothese 2 juist is.\n\nBemonstering: Gehele contactvlak met het gezicht van gasmasker (met SIN AAPV8333NL)DNA-profiel: DNA-mengprofiel afkomstig van celmateriaal van minimaal drie donoren, van wie zeker één man.* Er is een DNA-hoofdprofiel afgeleid van een man. De frequentie van het DNA-hoofdprofiel is kleiner dan één op één miljard.\n\nMogelijke donor van celmateriaal: [medeverdachte 2] (DNA-hoofdprofiel)\n\nBemonstering: Rondom de filterventielen aan de binnenzijde van het gasmasker (met SIN AAPV8333NL)\n\nDNA-profiel: DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard\n\nMogelijke donor van celmateriaal: [medeverdachte 2]\n\n Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van de Districtsrecherche Parkstad-Limburg, proces-verbaalnummer LB2R023104-51, gesloten d.d. 15 februari 2024, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 305.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6518","2026-07-13T00:29:32.342Z",{"id":114,"ecli":115,"slug":116,"caseNumber":43,"courtId":79,"decisionDate":117,"fullText":118,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":119,"sourceTimestamp":64,"parsedAt":50,"updatedAt":120},"1278","ECLI:NL:GHAMS:2026:1856","ecli-nl-ghams-2026-1856","2026-07-02T00:00:00.000Z","afdeling strafrecht\n\nparketnummer: 23-000187-22\n\ndatum uitspraak: 2 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)\n\nVerkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 26 januari 2022 in de strafzaak onder parketnummer 13-161713-20 tegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,\n\nadres: [adres] .Onderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 18 juni 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.\n\nDe verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.\n\nTenlastelegging\n\nGelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging, is aan de verdachte ten laste gelegd dat:\n\n1. hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2020 tot en met 3 juli 2020 te Amsterdam, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft bereid en\u002Fof verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt (onder meer aan: [persoon 1] en\u002Fof [persoon 2] en\u002Fof [persoon 3] en\u002Fof [medeverdachte 1] en\u002Fof [medeverdachte 2] en\u002Fof een of meerdere overige personen) en\u002Fof vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens), in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n2. hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 9 juni 2020 tot en met 3 juli 2020 te Amsterdam, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk mondeling, door gebaren, bij geschrift en\u002Fof afbeelding zich jegens [persoon 1] en\u002Fof [persoon 3] en\u002Fof [persoon 2] en\u002Fof [persoon 4] en\u002Fof [persoon 5] heeft geuit, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of (politie)ambtenaar (een) verklaring(en) af te leggen te beïnvloeden, terwijl verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat die verklaring zou worden afgelegd, immers heeft\u002Fhebben\u002Fzijn hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s), zakelijk weergegeven\n\n- de telefoonnummers en\u002Fof vindplaatsen van voornoemde [persoon 1] en\u002Fof [persoon 3] en\u002Fof [persoon 2] en\u002Fof [persoon 4] en\u002Fof [persoon 5] heeft\u002Fhebben achterhaald en\u002Fof doorgegeven en\u002Fof\n\n- ( meermaals) naar (de woning van) voornoemde [persoon 1] en\u002Fof [persoon 3] en\u002Fof [persoon 2] en\u002Fof [persoon 4] en\u002Fof [persoon 5] is\u002Fzijn toegegaan en\u002Fof hen hebben opgezocht en\u002Fof (telefonisch) contact met hen heeft\u002Fhebben gezocht\u002Fgehad en\u002Fof\n\n- ( meermaals) voornoemde [persoon 1] en\u002Fof [persoon 3] en\u002Fof [persoon 2] en\u002Fof [persoon 4] en\u002Fof [persoon 5] heeft\u002Fhebben geïnstrueerd welke verklaring zij moeten afleggen en\u002Fof (daarbij) heeft\u002Fhebben gezegd:\n\ndat voornoemde [persoon 1] en\u002Fof [persoon 3] en\u002Fof [persoon 2] en\u002Fof [persoon 4] en\u002Fof [persoon 5] moeten zwijgen (onder meer: zijn\u002Fhaar\u002Fhun ‘mondje dicht moeten houden’), althans (telkens) woorden van gelijke aard en\u002Fof strekking\n\nen\u002Fof\n\ndat voornoemde [persoon 1] en\u002Fof [persoon 3] en\u002Fof [persoon 2] en\u002Fof [persoon 4] en\u002Fof [persoon 5] de (handels)periode waarover hij\u002Fzij heeft\u002Fhebben verklaard en\u002Fof gaan verklaren aan moet(en) passen (naar onder meer: ‘vanaf begin dit jaar’ en\u002Fof ‘februari\u002Fmaart’ en\u002Fof ‘vanaf februari’ en\u002Fof ‘gewoon dit jaaroes klaar. februari januari’), althans (telkens) woorden van gelijke aard en\u002Fof strekking en\u002Fof\n\n- ( meermaals) (in ruil daarvoor) verdovende middelen (‘slankoe balloe’) heeft\u002Fhebben gegeven en\u002Fof in het vooruitzicht gesteld en\u002Fof\n\n- ( meermaals) voornoemde [persoon 1] en\u002Fof [persoon 3] en\u002Fof [persoon 2] en\u002Fof [persoon 4] en\u002Fof [persoon 5] op dwingende toon heeft\u002Fhebben toegesproken en\u002Fof hij\u002Fzij\u002Fhen ‘heeft aangepakt’ en\u002Fof tegen hij\u002Fzij\u002Fhen heeft\u002Fhebben gezegd: ‘als je moet verklaren, zeg hen vanaf maart’;\n\n3. hij op of omstreeks 3 juli 2020 te Amsterdam, in ieder geval in Nederland, (een) wapen(s) van categorie I onder 7°, te weten een zogenaamd balletjespistool, zijnde (een) voorwerp(en) dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen en kleur een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen, voorhanden heeft gehad.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde tot een enigszins andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.\n\nBewijsoverweging\n\nStandpunt van het openbaar ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 , 2 en 3 ten laste gelegde (gedeeltelijk) kan worden bewezen verklaard conform de bewezenverklaring van de rechtbank. Dat betekent dat volgens de advocaat-generaal kan worden bewezen verklaard:\n\nten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde het medeplegen van (kort gezegd) verkopen van cocaïne aan [persoon 1] , [persoon 2] , [persoon 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de periode van 1 maart 2020 tot en met 9 juni 2020;\n\nten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde het medeplegen van beïnvloeding van een getuige, te weten [persoon 4] , in de periode van 9 juni 2020 tot en met 26 juni 2020, en\n\nten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde het voorhanden hebben van een balletjespistool.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde partiële vrijspraak bepleit voor wat betreft de verkoop van cocaïne aan [medeverdachte 1] . De (enkelvoudige) herkenning van de verdachte door [medeverdachte 1] is volgens de raadsman onvoldoende betrouwbaar. [medeverdachte 1] woont in Wassenaar en heeft verklaard dat hij bij hem thuis of ergens ‘onderweg’ drugs liet bezorgen. Omdat de verdachte alleen drugs bezorgde in Amsterdam, biedt het dossier volgens de raadsman geen ondersteuning voor een bewezenverklaring van de verkoop door de verdachte aan [medeverdachte 1] . Ten aanzien van de overige ten laste gelegde kopers heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.\n\nDe raadsman heeft daarnaast vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde bepleit. Ten aanzien van [persoon 4] heeft hij aangevoerd dat uit zijn verklaring niet blijkt dat hij door de verdachte is benaderd met het doel zijn verklaring te beïnvloeden. Dat de verdachte in het tapgesprek met de medeverdachte [medeverdachte 3] heeft gezegd dat hij dit wel heeft gedaan, heeft de verdachte enkel gezegd om [medeverdachte 3] zoet te houden.\n\nTot slot heeft de raadsman vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde bepleit, omdat het aangetroffen wapen niet geschikt is voor afdreiging. Het is evident zichtbaar dat het een nepwapen is, aldus de raadsman.\n\nOordeel van het hof\n\nFeit 1 (medeplegen handel in cocaïne)\n\nHet hof acht op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de periode van 1 maart 2020 tot en met 9 juni 2020 in Nederland samen met een ander heeft gehandeld in cocaïne en deze cocaïne heeft verstrekt aan onder meer [persoon 1] , [persoon 2] , [persoon 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .\n\nDe raadsman heeft aangevoerd dat de herkenning van de verdachte door [medeverdachte 1] onbetrouwbaar is. Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.\n\nDe verdachte heeft verklaard dat hij voor [medeverdachte 3] bolletjes cocaïne heeft verkocht. [medeverdachte 1] heeft zowel de verdachte als [medeverdachte 3] op foto’s herkend. [medeverdachte 3] was de persoon van wie [medeverdachte 1] drugs kocht. Soms kwam [medeverdachte 3] aan de deur bij [medeverdachte 1] in zijn woonplaats [plaats] en soms kwamen loopjongens van [medeverdachte 3] de drugs bezorgen. Meestal liet [medeverdachte 1] de dealer bij hem aan de deur komen, maar soms was hij onderweg en dan sprak hij op een plek buiten af. [medeverdachte 1] herkent de verdachte op een foto als een van de dealers die hem drie of vier keer drugs heeft bezorgd, nadat [medeverdachte 1] bij [medeverdachte 3] drugs had besteld.\n\nVoor een enkelvoudige fotoconfrontatie geldt als uitgangspunt dat met een “herkenning” zeer behoedzaam moet worden omgegaan en dat een bewezenverklaring daarop niet in overwegende mate kan worden gebaseerd. In hetgeen de raadsman heeft aangevoerd kan geen aanknopingspunt worden gevonden om de resultaten van die fotoconfrontatie uit te sluiten van het bewijs. Daarbij betrekt het hof dat het resultaat van de enkelvoudige fotoconfrontatie niet op zichzelf staat. Immers, de overige bewijsmiddelen die zich in het dossier bevinden, ondersteunen niet alleen de enkelvoudige fotoconfrontatie in voldoende mate maar vormen voor het hof ook geen reden om aan de betrouwbaarheid van deze herkenning van de verdachte door [medeverdachte 1] te twijfelen.\n\nWat betreft de pleegplaats acht het hof bewezen dat de verkoop van drugs door de verdachte aan [medeverdachte 1] in Nederlandheeft plaatsgevonden, nu [medeverdachte 1] in zijn verklaring niet heeft gespecificeerd op welke locatie de verdachte de drugs heeft bezorgd. Het hof acht dan ook bewezen dat de verdachte (onder meer) aan [medeverdachte 1] cocaïne heeft verstrekt.\n\nFeit 2 (medeplegen beïnvloeding van getuigen)\n\nHet hof acht verder wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de periode van 9 juni 2020 tot en met 26 juni 2020 samen met een ander getuige [persoon 4] heeft beïnvloed en overweegt daartoe als volgt.\n\n [medeverdachte 3] is op 24 december 2020 veroordeeld door de rechtbank Amsterdam voor het samen met anderen beïnvloeden van getuigen. Ter terechtzitting van 11 december 2020 heeft hij verklaard aan ‘ [persoon 1] ’ te hebben gevraagd om getuigen, waaronder ‘ [getuige] ’, te benaderen om te proberen de ten laste gelegde handelsperiode korter te maken. Met [getuige] bedoelde [medeverdachte 3] . De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard ook wel [persoon 1] te worden genoemd.\n\nUit onderzoek blijkt dat de verdachte op 11 juni 2020 eenmaal contact heeft gehad met [medeverdachte 3] via het telefoonnummer eindigend op *1745, dat aan de verdachte wordt toegeschreven. Met het andere telefoonnummer dat aan de verdachte wordt toegeschreven, eindigend op *7380, heeft hij tussen 11 juni 2020 en 2 juli 2020 82 keer contact gehad met [medeverdachte 3] . Uit een tapgesprek in het dossier volgt verder dat de verdachte op 26 juni 2020 aan [medeverdachte 3] heeft laten weten dat hij onder meer tegen [getuige] had gezegd: ‘als je moet verklaren, zeg hen vanaf maart’. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij dit inderdaad tegen [medeverdachte 3] heeft gezegd, maar dat hij dit enkel heeft gedaan om [medeverdachte 3] zoet te houden en dat hij dit niet daadwerkelijk tegen [persoon 4] heeft gezegd. Gelet op de vele contactmomenten tussen de verdachte en [persoon 4] en gezien de rest van de stukken in het dossier, acht het hof deze verklaring echter onaannemelijk. Het hof gaat er daarom vanuit dat de verdachte in het tapgesprek de waarheid heeft gesproken tegen [medeverdachte 3] en acht dus bewezen dat de verdachte [persoon 4] heeft benaderd met het doel hem te laten verklaren over een kortere handelsperiode.\n\nHet hof zal de verdachte net als de rechtbank vrijspreken van het beïnvloeden van de overige ten laste gelegde personen, omdat niet kan worden bewezen dat zij door de verdachte zijn benaderd.\n\nFeit 3 (voorhanden hebben balletjespistool)\n\nTot slot acht het hof ook het voorhanden hebben van een balletjespistool wettig en overtuigend bewezen. In een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal heeft verbalisant [verbalisant] , taakaccenthouder wapens en munitie, vastgesteld dat het in beslag genomen balletjespistool een wapen in de zin van artikel 2, lid 1, categorie I onder 7° van de Wet wapens en munitie is. Het hof heeft geen reden om aan deze vaststelling te twijfelen. Dat aan de achterzijde van het balletjespistool een veer uitsteekt en de handgrepen van het pistool ontbreken, neemt niet weg dat het zodanig op een wapen lijkt, dat het voor bedreiging of afdreiging geschikt is.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n1. hij in de periode van 1 maart 2020 tot en met 9 juni 2020 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander meermalen telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt (onder meer aan: [persoon 1] en [persoon 2] en [persoon 3] en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ) en vervoerd een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne;\n\n2. hij in de periode van 9 juni 2020 tot en met 26 juni 2020 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk mondeling zich jegens [persoon 4] heeft geuit, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of (politie)ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl verdachte en zijn mededader wisten of ernstige reden hadden te vermoeden dat die verklaring zou worden afgelegd, immers heeft verdachte\n\n- contact met [persoon 4] gehad en\n\n- [persoon 4] geïnstrueerd welke verklaring hij moet afleggen en daarbij gezegd:\n\ndat [persoon 4] de (handels)periode waarover hij heeft verklaard en\u002Fof gaat verklaren aan moet passen (naar onder meer: ‘maart’), althans woorden van gelijke aard of strekking;\n\n3. hij op 3 juli 2020 te Amsterdam een wapen van categorie I onder 7°, te weten een zogenaamd balletjespistool, zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen en kleur een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen, voorhanden heeft gehad.\n\nHetgeen onder 1, 2 en 3 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.\n\nHet bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nGeen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.\n\nHet onder 1 bewezen verklaarde levert op:\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.\n\nHet onder 2 bewezen verklaarde levert op:\n\nmedeplegen van opzettelijk mondeling zich jegens een persoon uiten, kennelijk om diens vrijheid om een verklaring naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat die verklaring zal worden afgelegd.\n\nHet onder 3 bewezen verklaarde levert op:\n\nhandelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde uitsluit.\n\nOplegging van straf\n\nDe rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.\n\nDe advocaat-generaal heeft, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2, en 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.\n\nDe raadsman heeft verzocht om in lijn met de eis van de officier van justitie in eerste aanleg een taakstraf op te leggen en rekening te houden met de forse overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.\n\nHet hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.\n\nDe verdachte heeft zich samen met een ander gedurende ruim drie maanden schuldig gemaakt aan de handel in cocaïne. Cocaïne is zeer verslavend en vormt daarom een groot risico voor de gezondheid van de gebruikers. De handel in cocaïne en het gebruik daarvan leiden ook tot vele andere vormen van criminaliteit en vormen daarmee een bron van maatschappelijke schade en overlast. De verdachte heeft met zijn handelen hieraan bijgedragen en enkel oog gehad voor zijn eigen financieel gewin. Daarnaast heeft de verdachte samen met een ander geprobeerd een getuige te beïnvloeden. Dat burgers in vrijheid een verklaring kunnen afleggen, is van cruciaal belang voor een goede rechtspleging. Door hun handelen hebben verdachte en zijn mededader die rechtspleging trachten te frustreren. Verder heeft de verdachte een op een vuurwapen gelijkend balletjespistool voorhanden gehad. Ook nepwapens dragen bij aan een gevoel van onveiligheid in de samenleving. Het voorhanden hebben van een dergelijk wapen is dan ook zeer kwalijk.\n\nBlijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 28 mei 2026 was de verdachte ten tijde van de onderhavige feiten niet eerder voor soortgelijke feiten veroordeeld. Het hof constateert dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Na de onderhavige bewezen verklaarde feiten heeft de verdachte namelijk in meerdere andere zaken een straf opgelegd gekregen. Het hof houdt daarmee in strafmatigende zin rekening.\n\nHet hof heeft verder acht geslagen op het reclasseringsrapport van 3 januari 2022. In dit rapport gunt de reclassering de verdachte het voordeel van de twijfel en adviseert om geen reclasseringstoezicht met bijzondere voorwaarden op te leggen.\n\nHet dossier bevat geen recent reclasseringsrapport. Wel heeft de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep de actuele persoonlijke omstandigheden van de verdachte toegelicht. De situatie van de verdachte is niet verbeterd. Hij kampt met een hardnekkige verslaving en komt daardoor nog af en toe met politie en justitie in aanmerking. De recente veroordelingen en openstaande zaken op zijn strafblad hebben allemaal te maken met zijn verslaving. Hij heeft momenteel geen baan.\n\nBij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf heeft het hof rekening gehouden met straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). In het oriëntatiepunt voor het dealen van harddrugs vanuit een pand en\u002Fof op straat met een handelsperiode tussen de 1 en 3 maanden wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden genoemd. Voor het voorhanden hebben van een wapen van categorie I onder 7° wordt in de oriëntatiepunten een geldboete van € 650,00 genoemd. Voor het beïnvloeden van getuigen is geen oriëntatiepunt beschikbaar.\n\nDe ernst van de feiten en de nieuwe verdenkingen op het strafblad van de verdachte maken dat naar het oordeel van het hof niet kan worden volstaan met de door de raadsman verzochte taakstraf. Het hof acht dan ook, gelet op het voorgaande, in beginsel de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf van 7 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, passend en geboden. Het hof zal het onvoorwaardelijke deel van deze straf echter matigen, omdat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), in hoger beroep in forse mate is overschreden. De verdachte heeft namelijk op 27 januari 2022 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst op 2 juli 2026 arrest. Daarmee is de redelijke termijn in hoger beroep met ruim twee jaar overschreden.\n\nHet hof acht, alles afwegende, de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden.\n\nBeslag\n\nOnder de verdachte zijn een telefoon en meerdere kledingstukken in beslag genomen. De rechtbank heeft de telefoon verbeurd verklaard en ten aanzien van de kledingstukken de teruggave aan de verdachte gelast.\n\nDe advocaat-generaal heeft het hof bericht dat – hoewel de telefoon onder de verdachte in beslag is genomen – deze telefoon volgens de afdeling Beslag bij het arrondissementsparket Amsterdam reeds aan de medeverdachte [medeverdachte 3] is teruggegeven. Om die reden acht de advocaat-generaal verbeurdverklaring van de telefoon niet langer opportuun en dient de teruggave daarvan aan de verdachte te worden gelast. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de onder de verdachte in beslag genomen kledingstukken, die zijn weergegeven in de ter zitting overgelegde aantekeningen van de advocaat-generaal, worden teruggegeven aan de verdachte.\n\nDe raadsman heeft zich ten aanzien van het beslag gerefereerd aan het oordeel van het hof.\n\nHet hof overweegt als volgt. Hoewel de onder de verdachte in beslag genomen telefoon vatbaar is voor verbeurdverklaring, zal het hof de teruggave hiervan aan de verdachte gelasten, gelet op het hiervoor weergegeven standpunt van de advocaat-generaal. Daarnaast zal het hof de teruggave aan de verdachte gelasten van de onder hem in beslag genomen kledingstukken.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 57, 63 en 285a van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van6 (zes) maanden.\n\nBepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nGelast de teruggaveaan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:\n\n STK GSM (Omschrijving: [nummer 1] , Samsung [kenteken] , merk: Zwart, chassisnr: beschadiging op schr)\n\nBroek (Omschrijving: met witte accenten aan achterzijde; Voorwerpnummer: [nummer 2] )\n\nBroek (Voorwerpnummer: [nummer 3] )\n\nBroek (Omschrijving: lichtgrijze broek met cartoon op achterzijde; Voorwerpnummer: [nummer 4] )\n\nBroek (Voorwerpnummer: [nummer 5] )\n\nBroek (Voorwerpnummer: [nummer 6] )\n\nBroek (Omschrijving: met zwarte accenten en scheuren aan de voorzijde; Voorwerpnummer: [nummer 7] )\n\nTrui (Voorwerpnummer: [nummer 8] )\n\nJas (Voorwerpnummer: [nummer 9] )\n\nZonnebril (Omschrijving: in koker; Voorwerpnummer: [nummer 10] )\n\nZonnebril (Omschrijving: met hoesje; Voorwerpnummer: [nummer 11] )\n\nPet (Omschrijving: voorzijde voorzien van logo, voorzijde camouflage kleuren; Voorwerpnummer: [nummer 12] )\n\nSchoudertas (Omschrijving: zwart; Voorwerpnummer: [nummer 13] )\n\nSchoudertas (Omschrijving: stoffen; Voorwerpnummer: [nummer 14] )\n\nSchoudertas (Voorwerpnummer: [nummer 15] )\n\nBroek (Omschrijving: zwembroek; Voorwerpnummer: [nummer 16] )\n\nShirt (Voorwerpnummer: [nummer 17] )\n\nShirt (Voorwerpnummer: [nummer 18] )\n\nShirt (Voorwerpnummer: [nummer 19] )\n\nShirt (Voorwerpnummer: [nummer 20] )\n\nShirt (Voorwerpnummer: [nummer 21] )\n\nShirt (Omschrijving: polo; Voorwerpnummer: [nummer 22] )\n\nShirt (Voorwerpnummer: [nummer 23] ).\n\nDit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.R.A. Meerbeek, mr. P. Greve en mr. N.C. Laatsch, in tegenwoordigheid van mr. I.A. de Bruijne, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 2 juli 2026.\n\nDe jongste en oudste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.\n\n=========================================================================\n\n […]","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1856","2026-07-13T00:29:13.584Z",{"id":122,"ecli":123,"slug":124,"caseNumber":43,"courtId":125,"decisionDate":117,"fullText":126,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":127,"sourceTimestamp":117,"parsedAt":50,"updatedAt":128},"1607","ECLI:NL:RBGEL:2026:5217","ecli-nl-rbgel-2026-5217",68,"RECHTBANK GELDERLAND\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Zutphen\n\nParketnummer: 05\u002F229359-25\n\nDatum uitspraak : 2 juli 2026\n\nTegenspraak\n\nvonnis van de meervoudige kamer\n\nin de zaak van\n\nde officier van justitie\n\ntegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedag] 1995 in [geboorteplaats] ,\n\nwonende aan [adres] in [woonplaats] .\n\nRaadsman: mr. J. van Wijk, advocaat in Eindhoven.\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 26 januari 2026 en 18 juni 2026.\n\n1. De inhoud van de tenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nhij op of omstreeks 29 augustus 2025 te Hattem, althans in Nederland, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer 200 kilogram, in elk geval een hoeveelheid hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 29 augustus 2025 te Hattem, althans in Nederland, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 200 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.\n\n2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde, te weten het binnen het grondgebied van Nederland brengen van 200 kilogram hennep.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat sprake is van détournement de pouvoir, omdat de politie bestuursrechtelijke controlebevoegdheden uitsluitend heeft gebruikt voor het verrichten van opsporingshandelingen. De raadsman heeft – kort en zakelijk weergegeven – bepleit dat dit een onherstelbaar vormverzuim oplevert en dat dit moet leiden tot uitsluiting van het bewijs dat ziet op het tenlastegelegde, gelet op het belang van het geschonden voorschrift en omdat dergelijke schendingen bij herhaling voorkomen. De raadsman heeft zich in dit verband subsidiair op het standpunt gesteld dat het vormverzuim moet leiden tot strafvermindering, waarbij hij heeft gewezen op een zaak waarin vanwege het vormverzuim artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) werd toegepast.\n\nDe raadsman heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde, omdat verdachte op verzoek van een ander het voertuig met daarin hennep in de buurt van Zwolle heeft opgehaald en dus niet binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht. De raadsman heeft zich in het verlengde hiervan meer subsidiair op het standpunt gesteld dat verdachte geen wetenschap had van ofwel opzet had op de aanwezigheid van hennep in de bus en ook om die reden vrijgesproken dient te worden.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nIn verband met de leesbaarheid van dit vonnis zal de rechtbank eerst de feiten en omstandigheden bespreken die hebben geleid tot het onderzoek aan de laadruimte van het voertuig dat verdachte bestuurde, waarna zij zal bespreken of sprake is van détournement de pouvoir en daarmee een onherstelbaar vormverzuim dat moet leiden tot bewijsuitsluiting of strafvermindering.\n\nOp 29 augustus 2025 kwam in de ochtend een melding van het ANPR-systeem binnen waaruit bleek dat een Ford Transit met kenteken [kenteken] over de A28 ter hoogte van Lankhorst reed. Deze Ford Transit was blijkens het ANPR-systeem eerder die ochtend om 8.29 uur op de A37 bij de grensovergang met Duitsland Nederland binnengekomen. Dit voertuig was met toestemming van een officier van justitie in het ANPR-systeem geplaatst met als doel dit voertuig te controleren in verband met ondermijnende criminaliteit. Verbalisanten zagen dit voertuig om. 9.19 uur vanaf de A28 ter hoogte van Zwolle de A50 oprijden.Dat is 50 minuten na de ANPR-hit. Volgens Google-Maps is de afgelegde afstand tussen de plek van de ANPR-hit en de plek waar het voertuig de A50 op reed, te rijden in 53 minuten.\n\nDe verbalisanten hebben beschreven dat bovenvermeld voertuig uitsluitend werd gebruikt voor het vervoer van goederen, zoals bedoeld in artikel 1.1 Wet wegvervoer goederen (hierna: Wwg). Eén van de verbalisanten zag dat de vering van het voertuig was ingezakt en daaruit maakte hij op dat het voertuig geladen was. Zij hielden het voertuig vervolgens in Hattem stil met als doel te onderzoeken of er voor het vervoer een vergunning dan wel een vrachtbrief vereist was. Deze verbalisant vroeg de bestuurder (verdachte) of het voertuig geladen was en daarop vertelde verdachte dat er spullen achterin lagen. Verdachte wilde verder geen antwoord meer geven op de vraag wat voor lading hij vervoerde en zei alleen maar “dan kan ik wel direct met jullie mee.” Vervolgens stapte verdachte uit en openden verbalisanten de laadruimte. Bij het openen van de laadruimte roken verbalisanten een henneplucht en zagen zij grote gesealde zakken in die ruimte liggen.\n\nDaarop stopten verbalisanten het onderzoek in het kader van de Wwg in samenhang met de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), deelden verdachte mee dat nu sprake was van verdenking van een strafbaar feit en doorzochten zij het voertuig op grond van artikel 96b van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).\n\nGeen vormverzuim\n\nDe rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of hier sprake is van détournement de pouvoir. Daarvan zou sprake kunnen zijn als verbalisanten controlebevoegdheden uitsluitend inzetten ten behoeve van opsporing.\n\nOp grond van artikel 5.1 van de Wwg jo. artikel 141 Sv en artikel 5:11 Awb zijn (onder meer) politieambtenaren als toezichthouder belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Wwg. In dit verband is de politieambtenaar als toezichthouder op grond van artikel 5:19 Awb bevoegd vervoermiddelen, waarmee naar zijn redelijk oordeel zaken worden vervoerd met betrekking waartoe hij een toezichthoudende taak heeft, op hun lading te onderzoeken.\n\nDe vaststelling dat sprake was van een voertuig dat enkel gebruikt werd voor het vervoer van goederen en dat blijkens de ingezakte vering kennelijk was geladen, bracht mee dat de politieambtenaren bevoegd waren ter controle op de naleving van de Wwg, in het bijzonder van het bepaalde in artikel 2.13 van die wet, na te gaan of sprake was van beroepsvervoer waarvoor een vrachtbrief of vergunning vereist was. In dat kader mochten de politieambtenaren het voertuig stilhouden en de lading aan een controle onderwerpen. Niet is gebleken of aannemelijk geworden dat de politieambtenaren de uitoefening van deze controlebevoegdheden op grond van de AWB en Wwg in de concrete bovenvermelde omstandigheden uitsluitend hebben aangewend met het oog op de opsporing in de zin van artikel 132a Sv. Van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv is dus geen sprake. Dat dit voertuig in juni 2025 naar voren kwam in een onderzoek naar vermoedelijke overtreding van de Opiumwet maakt dat niet anders. Ten eerste niet omdat niet aannemelijk is geworden dat deze informatie bekend was bij de verbalisanten die het voertuig controleerden. En ten tweede niet omdat dan nog steeds zou gelden dat de controlebevoegdheid die er was, niet uitsluitend is gebruikt met het oog op de opsporing. Er waren immers feiten en omstandigheden op grond waarvan de verbalisanten het voertuig mochten controleren. Omdat naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van een vormverzuim gaat zij niet over tot bewijsuitsluiting ofwel strafvermindering. Dit betekent dat de rechtbank de verweren van de raadsman die hierop zien verwerpt.\n\nBij doorzoeking van de laadruimte van het voertuig werden negen gevulde strijkzakken gevonden.In één zak zat een scheur en verbalisant herkende de inhoud op basis van de geur en uiterlijke kenmerken als zijnde hennep. Uit deze zak werd een monster genomen dat indicatief werd getest. Deze test gaf een indicatie voor de aanwezigheid van THC. Een verbalisant, opgeleid om verdovende middelen te onderzoeken, herkende de inhoud van de overige acht zakken op basis van de geur en uiterlijke kenmerken als zijnde hennep.De verbalisanten die de hennep vervoerden naar de plaats waar het vernietigd zou worden hebben voorafgaand aan het uitladen hun auto op een geijkte weegbrug gewogen. De inbeslaggenomen hennep werd vervolgens uitgeladen. De auto van verbalisanten werd vervolgens weer gewogen en na geijkte weging bleek dat de inbeslaggenomen strijkzakken met hennep in totaal 200 kilo wogen.\n\nDe rechtbank stelt op basis van bovenvermelde bewijsmiddelen vast dat in de laadruimte van het voertuig, waarvan verdachte de bestuurder en tevens enig inzittende was, 200 kilo hennep lag.\n\nVerdachte heeft op zitting voor het eerst een verklaring afgelegd over het tenlastegelegde. Verdachte heeft verklaard dat hij op 29 augustus 2025 door een vriend werd gevraagd om in de buurt van Zwolle een busje op te halen en naar Den Bosch te brengen. Hij wist niet dat er hennep in het busje lag. Verdachte wist ook niet waarom het busje opgehaald moest worden, heeft daar ook op geen enkel moment vragen over gesteld en wil niet verklaren welke vriend hem dat destijds heeft gevraagd te doen. Ook wil verdachte niet verklaren waar het busje precies heen gebracht moest worden. Verdachte heeft verder verklaard dat hij met een vriend van die vriend in de auto naar een parkeerplaats of tankstation in de buurt van Zwolle reed, hij weet niet precies waar, en vervolgens op die parkeerplaats of bij dat tankstation in het desbetreffende busje is overgestapt. Hij stapte in het busje, waarvan de sleutel nog in het contact zat, reed weg en werd kort daarna door de politie van de weg gehaald.\n\nDe verklaring van verdachte die inhoudt dat hij niets wist van de hennep en dat iemand anders het busje vanuit Duitsland Nederland in heeft gereden en dat verdachte pas is ingestapt in Zwolle, staat op zichzelf en wordt niet ondersteund door objectieve gegevens uit het dossier of anderszins. Uit de gegevens van Google Maps blijkt bijvoorbeeld ook niet dat het busje langer over de route heeft gedaan dan gebruikelijk. Omdat verdachte verder niets wil verklaren over wie hem dat zou hebben gevraagd te doen en waarom, is zijn verklaring daarnaast nauwelijks concreet en niet verifieerbaar. Feitelijk verklaart verdachte alleen dat hij voor iemand anders reed en blijft verder ieder detail achterwege. Bovendien wordt deze verklaring weersproken door het feit dat verdachte – voordat de laadruimte door de politie was geopend en hij uit de auto was gestapt – niet wilde antwoorden op de vraag wat voor lading hij vervoerde maar zei “dan kan ik wel direct met jullie mee.” Daaruit leidt de rechtbank af dat verdachte heel goed wist wat hij vervoerde.\n\nAlles afwegende staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat verdachte, als bestuurder en tevens enig inzittende van het voertuig, beschikkingsmacht en wetenschap van de lading in zijn voertuig heeft gehad en dat hij opzettelijk 200 kilo hennep binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht.\n\n3. De bewezenverklaring\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:\n\nhij op of omstreeks29 augustus 2025 te Hattem, althans in Nederland,opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer200 kilogram, in elk geval een hoeveelheidhennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II., dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\nWat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.\n\nVerdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\nopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.\n\n5. De strafbaarheid van het feit\n\nHet feit is strafbaar.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte\n\nVerdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.\n\n7. De overwegingen ten aanzien van straf en\u002Fof maatregel\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft bepleit dat bij de bepaling van de strafmaat aansluiting moet worden gezocht bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (hierna: LOVS), aangaande de straffen die doorgaans worden opgelegd voor het kweken van 500 hennepplanten. Daar wordt uitgegaan van taakstraffen. Verdachte had namelijk strijkzakken met volledige planten onder zich. De raadsman heeft verder gesteld dat het niet redelijk is om bij de strafbepaling uit te gaan van het brutogewicht van de planten, omdat ze vochtig waren.\n\nDe beoordeling door de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.\n\nVerdachte heeft een grote hoeveelheid hennep vanuit het buitenland binnen het Nederlandse grondgebied gebracht. De bijdrage van de verdachte aan de invoer van softdrugs houdt de illegale handel in deze drugs in stand en veroorzaakt bovendien allerlei maatschappelijk ongewenste effecten. Het is algemeen bekend dat de verspreiding van deze grote hoeveelheden en de organisatie daaromheen leiden tot zeer grote nadelige gevolgen voor de volksgezondheid en voor de maatschappij, zoals zware criminaliteit en ondermijning van de samenleving. De verdachte heeft zich van dit alles geen rekenschap gegeven en heeft met zijn strafbare handelen – naar mag worden aangenomen – uitsluitend met het oog op persoonlijk financieel gewin de instandhouding van het criminele drugscircuit bevorderd.\n\nUit het strafblad van verdachte volgt dat hij in 2022 in België is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar vanwege de vervaardiging of productie van verdovende middelen. Oplegging van deze straf heeft verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw een ernstig drugsdelict te plegen.\n\nUit het reclasseringsadvies volgt dat de reclassering gelet op de bovenvermelde veroordeling een patroon in het plegen van drugsdelicten ziet. Zij schatten het risico op herhaling in als hoog, onder meer omdat verdachte blijkbaar niet heeft geleerd van de eerdere veroordeling. Omdat de reclassering geen contact met verdachte kreeg, is hen niets bekend over de verschillende leefgebieden van verdachte. Het opstellen van een plan van aanpak voor begeleiding of gedragsinterventie was daardoor niet mogelijk. Verdachte heeft ter zitting aangegeven geen behoefte te hebben aan reclasseringsbemoeienis, omdat hij zijn leven op orde heeft.\n\nAnders dan de raadsman ziet de rechtbank geen aanleiding aansluiting te zoeken bij de oriëntatiepunten van het LOVS voor het kweken van 500 hennepplanten, omdat nergens uit blijkt dat het in deze zaak ging om 500 planten en het bovendien gaat om een ander feit. In de oriëntatiepunten voor het aanwezig hebben van 25 tot 250 kilo softdrugs wordt uitgegaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden. In deze zaak heeft verdachte niet enkel een grote hoeveelheid hennep aanwezig gehad, maar deze hennep vanuit het buitenland ingevoerd. Bovendien is verdachte eerder veroordeeld voor een soortgelijk feit. Bij het bepalen van de strafmaat zal de rechtbank er rekening mee houden dat het in deze zaak gaat om een brutogewicht van vochtige hennep, terwijl vochtige hennep doorgaans vier keer zo zwaar is als droge hennep. Zij zal daarom uitgaan van het droge gewicht van deze hennep.\n\nAlles overwegende acht de rechtbank oplegging van een taakstraf en\u002Fof een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte niet passend, omdat het geen recht doet aan de ernst van het feit. De rechtbank is van oordeel dat de aard en ernst van het feit, in het bijzonder dat het gaat om invoer, in combinatie met het gegeven dat sprake is van recidive, tot gevolg moet hebben dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte wordt opgelegd. De rechtbank zal daarom een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden opleggen. Oplegging van een hogere gevangenisstraf, zoals door de officier van justitie gevorderd, acht de rechtbank niet passend gelet op straffen die doorgaans in vergelijkbare zaken worden opgelegd.\n\nTenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\n8. De toegepaste wettelijke bepalingen\n\nDe oplegging van de straf is gegrond op de artikelen:\n\n- 63 van het Wetboek van Strafrecht;\n\n- 3 en 11 van de Opiumwet.\n\n9. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;\n\n verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;\n\n verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;\n\n verklaart verdachte hiervoor strafbaar;\n\n veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. C.J.M. Vijftigschild (voorzitter), mr. S.C.A.M. Janssen en mr. R.M. Schoo, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Hessel, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 juli 2026.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de Landelijke Eenheid van de politie, team infrastructuur, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025415671, gesloten op 2 september 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 30-32.\n\n Afzonderlijk proces-verbaal van bevindingen PL0600-2025415671-22, p. 2\n\n Proces-verbaal van aanhouding verdachte, p. 39.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 31.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 6-7, gelezen in onderlinge samenhang met het bijschrift bij de fotobijlage op p. 9 en het proces-verbaal van bevindingen, p. 18-20.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 34.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5217","2026-07-13T00:29:29.352Z",{"id":130,"ecli":131,"slug":132,"caseNumber":43,"courtId":133,"decisionDate":117,"fullText":134,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":135,"sourceTimestamp":95,"parsedAt":50,"updatedAt":136},"1442","ECLI:NL:RBOVE:2026:3812","ecli-nl-rbove-2026-3812",57,"RECHTBANK OVERIJSSEL\n\nTeam Strafrecht\n\nMeervoudige kamer\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nParketnummer: 08.316503.25 en 08-266989-23 (vord. tul) (P)\n\nDatum vonnis: 2 juli 2026\n\nVonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedatum 1] 2005 in [geboorteplaats 1] ,\n\nwonende aan de [adres 1] ,\n\nnu verblijvende in de PI [verblijfplaats] .\n\n1. Het onderzoek op de terechtzitting\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 18 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. N. Tanoglu, advocaat in Arnhem, naar voren is gebracht.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe verdenking komt er na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van 18 juni 2026, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:\n\nfeit 1:heeft geprobeerd [slachtoffer] te doden door haar te wurgen(primair)dan wel dat hij heeft geprobeerd haar zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door haar te wurgen(subsidiair);\n\nfeit 2:[slachtoffer] heeft mishandeld door in haar keel te knijpen, tegen haar lichaam te slaan, aan de haren te trekken, een knietje tegen haar hoofd te geven, met een blikje tegen het hoofd te slaan, in de nek te knijpen en\u002Fof in de arm\u002Fhand te bijten;\n\nfeit 3:14,13 gram cocaïne voorhanden heeft gehad.\n\nVoluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:\n\n1\n\nhij op of omstreeks 22 november 2025 te Zwolle, althans in Nederland,\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om\n\nopzettelijk\n\neen ander, te weten [slachtoffer]\n\nvan het leven te beroven,\n\nmeermalen, althans eenmaal, de keel van die [slachtoffer] heeft vastgepakt\n\nen\u002Fof dichtgeknepen,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling\n\nmocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 22 november 2025 te Zwolle, althans in Nederland,\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om\n\naan een ander, te weten [slachtoffer] ,\n\nopzettelijk\n\nzwaar lichamelijk letsel toe te brengen\n\nmeermalen, althans eenmaal, de keel van die [slachtoffer] heeft vastgepakt\n\nen\u002Fof dichtgeknepen,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\n2\n\nhij op een of meerdere momenten op of omstreeks 22 november 2025 te\n\nZwolle, althans in Nederland,\n\n [slachtoffer] heeft mishandeld, door\n\n- meermalen, althans eenmaal, de keel van die [slachtoffer] vast te pakken\n\nen\u002Fof dicht te knijpen;\n\n- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, tegen haar hoofd en\u002Fof haar\n\nschouder, althans haar lichaam, te slaan,\n\n- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, aan haar haren te trekken,\n\n- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, een knietje tegen haar hoofd\n\nte geven,\n\n- die [slachtoffer] met een blikje cola, althans een soortgelijk voorwerp, tegen\n\nhaar (achter)hoofd te slaan,\n\n- die [slachtoffer] in haar nek te knijpen en\u002Fof\n\n- die [slachtoffer] in haar arm en\u002Fof hand te bijten;\n\n3\n\nhij op of omstreeks 22 november 2025 te Zwolle,\n\nopzettelijk\n\naanwezig heeft gehad\n\nongeveer 14,13 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een\n\nmateriaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne,\n\neen middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel\n\naangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.\n\n3. De bewijsmotivering\n\n3.1. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen verklaard.\n\n3.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde, de aangifte van [slachtoffer] onbetrouwbaar is en het dichtknijpen van de keel niet tegen de wil van aangeefster heeft plaatsgevonden, maar met haar instemming in het kader van wurgseks. Mocht de rechtbank de verklaring van aangeefster wel betrouwbaar achten, dan kan niet worden bewezen dat sprake is van (voorwaardelijk) opzet op de dood dan wel zware mishandeling, aldus de verdediging.\n\nDe verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 2, met uitzondering van het vastpakken en dichtknijpen van de keel, en feit 3.\n\n3.3. Het oordeel van de rechtbank\n\n3.3.1. \n\nBewijsmiddelen\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de volgende bewijsmiddelen:\n\nHet procesverbaal van aangifte van [slachtoffer] van 22 november 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nIk heb sinds ongeveer 4 jaar een relatie met [verdachte] .(…) Ik zag dat mijn vriend zijn vuist balde. Ik zag en voelde dat mijn vriend mij met deze rechtervuist op mijn hoofd en schouder sloeg. Mijn vriend probeerde mij uit de auto te krijgen door hard aan mijn haren te trekken. Ik voelde het haar uit mijn hoofd gaan, het deed ontzettend pijn. Ik zag en voelde dat hij mij twee keer met zijn rechtervuist op de rechterzijde van mijn hoofd sloeg. Ik voelde doffe pijn op mijn hoofd. Ik zag en voelde dat mijn vriend weer aan mijn haren trok om mij volledig uit de auto te krijgen. Mijn vriend duwde mij, waardoor ik op mijn linkerzij in de auto terechtkwam. Waarna hij mij 10-15 keer op mijn rechterboven- en onderarm en in mijn gezicht sloeg. Ik voelde een doordringende pijn op mijn rechterbovenarm.\n\nMijn vriend reed door naar de Esso gelegen aan de van [adres 2] . Daar gingen de mishandelingen verder. Op dat moment pleegde hij de volgende handelingen:\n\n- vijf á zes keer aan mijn haren trekken;\n\n- hij pakte en kneep mij in mijn nek en duwde mij met twee handen hard naar de grond;\n\n- hij beet mij in mijn hand en onderarm;\n\n- hij sloeg mij in totaal drie keer met zijn platte hand in mijn gezicht;\n\n- hij sloeg mij vier á vijf keer met zijn vuist op mijn linkerkaak en voorhoofd.\n\nIk stapte uit de auto waarna mijn vriend naar mij toe kwam. Mijn vriend pakte mij met beide handen bij mijn keel. Mijn vriend kneep mijn keel ongeveer 10 seconden lang hard dicht.\n\nIk moest hoesten, maar ik kon niet hoesten omdat mijn keel dichtgeknepen werd. Ik werd daardoor misselijk. Toen mijn vriend mijn keel losliet, hoestte ik en kwam er slijm vrij.\n\nMijn vriend stopte niet vrijwillig met het dichtknijpen van mijn keel, maar mijn vriend werd weggetrokken door zijn vriend ' [bijnaam] '. Ik voelde dat mijn vriend mijn nek vastpakte en mij twee knietjes op mijn voorhoofd gaf. Ik voelde gelijk hevige pijn op mijn voorhoofd. Ik greep naar zijn baard om mij los te rukken van hem. Ik voelde en zag dat hij mij weer met twee handen naar mijn keel greep en mijn keel ongeveer 5 seconden dichtkneep. Ik voelde dat dit krachtiger was dan de vorige keer dat hij mijn keel dichtkneep. Ik voelde dat ik urine verloor. (…) Ik zag wederom dat mijn vriend uit de auto stapte met een blikje Cola en dat op mijn achterhoofd kapotsloeg. Ik durf niet aangifte te doen tegen mijn vriend, omdat ik bang voor hem ben. Ik denk echt dat hij in staat is om mij dood te maken.\n\nHet aanvullend procesverbaal van 22 november 2025 (aanvullende aangifte [slachtoffer] ), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nHet duurde twintig seconden voor mijn gevoel. Ik zag hij mij met twee handen mij bij de keel vastpakte. Ik voelde dat hij mij zo hard kneep dat ik daardoor niet meer kon ademen. Het voelde voor mij alsof mijn ogen uit mijn oogkas zouden gaan komen. Ik had nu het gevoel alsof ik dood zou kunnen gaan.\n\nIk zag dat hij mij weer vastpakte bij mijn keel met twee handen en deze keer was het met veel meer kracht dan de eerste keer. Dit merkte ik doordat ik op dat moment ook urine verloor. Ik voelde alsof mijn gezicht in brand stond. Ik had het gevoel dat ik op dat moment niet kon ademen. Daarna heb ik hem gekrabd in zijn gezicht en heb ik zijn baard vastgepakt, ik zag dat hij mij daarna losliet.\n\nHet procesverbaal van bevindingen van 23 november 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nOp zaterdag 22 november om 04.33 uur, kwamen wij ter plaatse bij het 'Esso' tankstation, gelegen aan de [adres 2] . Ik zag een vrouw, welke mij later bleek te zijn: [slachtoffer] , [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2000 te [geboorteplaats 2] . Ik zag dat deze vrouw huilde. Ik zag dat ze hevig trilde. Ik hoorde dat ze meerdere keren zei: ''hij is weggereden in de richting van de Hogenkampsweg, maar waarschijnlijk nog wel ergens hier in de buurt haar in de gaten aan het houden was.'' Ik zag dat ze de hele tijd om zich heen keek. Dit wekte mij de indruk dat [slachtoffer] in paniek was.\n\nIk vroeg [slachtoffer] wat er was gebeurd. Ik hoorde dat [slachtoffer] zei dat zij zojuist in de auto en buiten de auto mishandeld was door haar vriend [verdachte] , later genoemd als verdachte. Ik hoorde dat [slachtoffer] zei dat ze door verdachte: aan haar haren was getrokken, dat zij door verdachte meerdere keren met vuisten op haar gezicht is geslagen, dat zij knietjes van verdachte op haar voorhoofd had gekregen en dat haar keel door verdachte was dichtgeknepen.\n\nNaast [slachtoffer] stond [getuige] , [getuige] . [getuige] vertelde mij dat zij een vriendin en collega was van [slachtoffer] en dat zij de mishandeling deels had gezien.\n\nIk zag en hoorde dat [slachtoffer] erg snel praatte, trilde en niet goed uit haar woorden kwam.Ik heb tijdens het opnemen van de aangifte ervaren dat [slachtoffer] alleen maar bezig was met de gevolgen die dit voor haar zou hebben, zoals: hij kan mijn woning naar binnenkomen via mijn buren, ik durf niet naar huis want hij komt mij opzoeken en dood maken, ik ben veiliger met hem in een relatie dan wanneer ik niet met hem in een relatie ben. Zowel ter plaatse als tijdens het opnemen van de aangifte kwam het slachtoffer op mij over als een slachtoffer die ontzettend bang was en is en vreest voor haar leven.\n\nDe forensischmedische letselbeschrijving van 12 december 2025, door W.A. Karst, forensisch arts KNMG, Landelijk Onderzoeks- en Expertisebureau FMO (het LOEF), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nBetrokkene: [slachtoffer]\n\nOp 22 november 2025 vanaf 14:30 uur werd een forensisch-medisch onderzoek uitgevoerd in het kader van nietfatale strangulatie.\n\nMw. [slachtoffer] vertelde mij dat ze twee keer bij de keel was gegrepen met 2 handen. De eerste keer duurde voor haar gevoel een seconde of 20, waarbij ze tussendoor wat lucht kon happen. De tweede keer was korter, mogelijk 5 tot 10 seconden, maar wel met volle kracht. Mw. [slachtoffer] beschreef dat het voelde alsof haar ogen uit haar oogkassen vielen.\n\nTijdens dit onderzoek zijn de volgende bevindingen gedaan:\n\n- Er waren onderhuidse bloeduitstortingen links en rechts op het voorhoofd, onder het\n\nlinkeroog, links in de hals, links in de nek, op de rechterschouder, op de borstkas, op\n\nbeide borsten, op beide armen en op de rechterduim;\n\n- Er waren krasletsels links in de hals, op de rechterbovenarm, op de linkerbovenarm en\n\nop de rechterpink;\n\n- Er was een huidbeschadiging op de kin;\n\n- Er was een toegenomen zichtbaarheid van bloedvaten in het oogwit van het linkeroog;.\n\nDe forensisch-medische letselrapportage met benoeming van 29 mei 2026, door G. Reijnen, forensisch arts, en E. van Mierlo, forensisch arts, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nOp 22-11-2025 heeft er een forensisch medisch onderzoek (FMO) plaatsgevonden bij betrokkene. Bij herziening van de foto’s werd in het linkeroog een puntbloeding op de overgang van het oogwit en het onderooglid gezien.\n\nDe vastgestelde letsels (bloeduitstortingen en krasletsel in de hals en een puntbloeding in het\n\noog), samen met de gemelde heesheid en het urineverlies kunnen passen bij een scenario\n\nverwurging. Er is geen alternatieve verklaring voor deze combinatie aan verschijnselen in de hals. De gevaarzetting van een verwurging hangt af van de kracht, de duur en de frequentie van de verwurging. Voor het ontstaan van een puntbloeding moeten de halsader links en rechts met enige kracht, gedurende 10-30 seconden worden dichtgedrukt. Een benadering van de gevaarzetting kan gemaakt worden op basis van de vastgestelde letsels, met inachtneming van de beperkingen van de studie van Plattner. Bij betrokkene resulteren de vastgestelde letsels (bloeduitstortingen en krasletsel in de hals en een puntbloeding in het linkeroog) en de gemelde heesheid en urineverlies in een categorie 2, matige verwurging. Dit is mogelijk levensbedreigend.\n\nHet proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 18 juni 2026, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:\n\nOp 22 november 2025 had ik ruzie met [slachtoffer] . Ik heb aan de haren van [slachtoffer] getrokken. Ik heb haar geslagen tegen de arm.\n\nDe rechtbank verklaart meerdere feiten bewezen. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.\n\n3.3.2. Overwegingen\n\nDe betrouwbaarheid van de door [slachtoffer] afgelegde verklaringen\n\nHoewel verdachte ontkent te hebben geprobeerd om [slachtoffer] te wurgen en [slachtoffer] ter zitting haar verklaring over het dichtknijpen van de keel heeft gewijzigd en heeft verklaard dat verdachte alleen in het kader van wurgseks in haar keel heeft geknepen, twijfelt de rechtbank niet aan de aangifte en de aanvullende verklaring die [slachtoffer] op 22 november 2025 heeft afgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze verklaringen gedetailleerd en consistent. Ook heeft [slachtoffer] in de aangifte direct verklaard over haar eigen rol, onder meer dat zij aan de baard van verdachte heeft getrokken om het dichtknijpen van de keel te stoppen. De rechtbank stelt daarnaast vast dat de door [slachtoffer] afgelegde verklaringen op concrete onderdelen steun vinden in andere bewijsmiddelen. De politieagenten die [slachtoffer] direct na het incident hebben aangetroffen, hebben in een procesverbaal van bevindingen beschreven dat [slachtoffer] in paniek was, dat zij vertelde dat zij was mishandeld door haar vriend en dat hij haar keel had dichtgeknepen en dat zij bang voor hem is. Getuige [getuige] heeft na het incident gezien dat [slachtoffer] huilde, dat het haar van [slachtoffer] in de war zat en dat haar kleding gescheurd was en [getuige] hoorde dat [slachtoffer] hoog in haar ademhaling zat. Ook past het door de forensisch arts omgeschreven letsel bij de geweldshandelingen die [slachtoffer] heeft omschreven. Daar komt bij dat de eerste verklaring van [slachtoffer] wordt ondersteund door een brief van [slachtoffer] aan het Openbaar Ministerie, die op 1 december 2025 is ontvangen, waarin zij heeft geschreven dat zij een zeer heftige ruzie heeft gehad met verdachte waarbij geweld is gebruikt en zij bij haar keel is gepakt. Over wurgseks wordt in deze brief niet gesproken.\n\nVerdachte heeft in de politieverhoren ontkend dat hij [slachtoffer] heeft vastgepakt bij de keel en haar keel heeft dichtgeknepen. Voor het eerst ter terechtzitting op 18 juni 2026, nadat [slachtoffer] ter terechtzitting heeft verklaard dat zij wurgseks heeft gehad met verdachte, heeft verdachte verklaard dat hij de keel van [slachtoffer] heeft vastgepakt en dichtgeknepen, maar dat hij dit deed met instemming van [slachtoffer] tijdens wurgseks. De rechtbank beschouwt de door verdachte ter terechtzitting afgelegde verklaring, gelet op de vastgestelde feiten en omstandigheden en het feit dat hij deze verklaring pas heeft afgelegd nadat [slachtoffer] ter zitting een gelijkluidende verklaring heeft afgelegd, als ongeloofwaardig en schuift deze terzijde.\n\nGelet op het voorgaande acht de rechtbank de aangifte en aanvullende verklaring van aangeefster betrouwbaar en zal deze dan ook voor het bewijs gebruiken.\n\nOverwegingen ten aanzien van feit 1\n\nVervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of de aangifte voldoende steun vindt in de overige bewijsmiddelen in het dossier en of sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood en verdachte deze kans bewust heeft aanvaard.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de aangifte voldoende steun vindt in het procesverbaal van bevindingen van de politieagenten die aangeefster hebben aangetroffen na het incident, de forensischmedische omschrijving van het letsel van aangeefster en de forensischmedische letselrapportage met de interpretatie van het letsel en de toelichting van deskundige G. Reijnen, forensisch arts KNMG, ter terechtzitting.\n\nDe politieagenten die [slachtoffer] direct na het incident hebben aangetroffen, hebben de emoties en angst bij [slachtoffer] waargenomen. Ook komt de verklaring van [slachtoffer] tegenover de politieagenten over de geweldshandelingen overeen met wat zij later in haar aangifte heeft verklaard.\n\nTijdens het forensischmedisch onderzoek is geconstateerd dat [slachtoffer] bloeduitstortingen in de nek, een huidbeschadiging op de kin en krasletsels op de hals had en dat sprake was van een toegenomen zichtbaarheid van bloedvaten in het linkeroog. Bij de letselinterpretatie werd ook een puntbloeding (petechie) in het linkeroog gezien. Deskundige Reijnen heeft beschreven dat de bloeduitstortingen in de hals en nek, het krasletsel in de hals en de huidbeschadiging op de kin kunnen worden verklaard door een samendrukkende krachtsinwerking op de hals. Een puntbloeding kan ontstaan als de halsaderen (links en rechts) met enige kracht, gedurende tenminste 10 tot 30 seconden worden dichtgedrukt. De vastgestelde letsels met de heesheid en het urineverlies kunnen passen bij het scenario van verwurging. Op de vraag hoe gevaarlijk het letsel is dat had kunnen optreden, heeft de deskundige beschreven dat het daadwerkelijk ontstane letsel niet levensbedreigend is geweest. Dit staat echter los van de gevaarzetting van de handeling van het uitoefenen van samendrukkend geweld op de hals door een derde (strangulatie). Het gevaar van een samendrukkende kracht op de hals bestaat uit het optreden van zuurstoftekort. Dit kan via twee mechanismes optreden, namelijk door het dichtdrukken van de bloedvaten of het dichtdrukken van de ademweg. Bij het uitoefenen van deze handeling kan er letsel optreden, zoals bloeduitstortingen, inwendig letsel en\u002Fof krasletsel. Dit letsel op zichzelf is niet levensbedreigend, maar de kans op zuurstoftekort is groter naarmate de uitgeoefende kracht op de hals groter is of langer duurt. Indien het zuurstoftekort niet tijdig wordt opgeheven, leidt dit tot bewustzijnsverlies en uiteindelijk tot de dood. Het kritieke punt waarop verwurging levensbedreigend wordt, is niet precies vast te stellen, net zoals de exacte duur dat een verwurging moet worden aangehouden na bewusteloosheid om het punt zonder spontaan herstel van het bewustzijn en de ademhaling te bereiken. Zonder medisch ingrijpen leidt deze situatie tot de dood. De gevaarzetting van de niet-fatale verwurging bij [slachtoffer] kan op basis van de letsels (bloeduitstortingen in de hals en nek, het krasletsel in de hals en de puntbloeding in het linkeroog) en de gemelde heesheid en urineverlies geclassificeerd worden als matige verwurging (Plattner’s classificatie klasse 2). Dit is mogelijk levensbedreigend. De Plattnerclassificatie moet volgens het rapport met voorzichtigheid worden benaderd en daarom heeft de rechtbank ook acht geslagen op wat de deskundige in aanvulling op het rapport heeft toegelicht over het risico van verwurging.\n\nTijdens het onderzoek ter terechtzitting op 18 juni 2026 heeft deskundige Reijnen in aanvulling op zijn deskundigenrapport toegelicht dat het ontstaan van een puntbloeding in het oog minder waarschijnlijk is bij het scenario van wurgseks, zoals daarover door [slachtoffer] ter terechtzitting is verklaard, dan bij het scenario van onvrijwillig verwurging. [slachtoffer] heeft ter zitting verklaard dat het wurgen tijdens de wurgseks vijf tot tien seconden duurde. Een puntbloeding ontstaat na minstens tien seconden verwurging. Het ontstaan van de puntbloeding is volgens de deskundige wel te verklaren door het scenario van onvrijwillige verwurging waarbij de keel tien tot twintig seconden is dichtgeknepen, zoals door [slachtoffer] in de aangifte en de aanvulling daarop is verklaard. Wat betreft het gevaar van verwurging heeft de deskundige toegelicht dat bewusteloosheid al na tien seconden verwurging kan optreden. Het is niet in zijn algemeenheid te zeggen hoelang het duurt tot de dood intreedt bij bewusteloosheid door verwurging; de dood kan plots intreden als de bloeddoorstroming naar de hersenen door de verwurging is onderbroken. Bij vrijwel iedere verwurgingshandeling is daarom levensgevaar aan de orde.\n\nGelet op het feit dat verdachte twee keer met kracht [slachtoffer] bij de keel heeft vastgepakt, waarvan de eerste keer minstens tien seconden, waarbij [slachtoffer] het gevoel had dat zij niet meer kon ademen en bloeduitstortingen in de hals en nek zijn ontstaan, en het volgens de deskundige aannemelijk is dat daardoor de puntbloeding in het oog is ontstaan, is de rechtbank van oordeel dat de kans op het overlijden van [slachtoffer] aanmerkelijk moet zijn geweest.\n\nUit de bewijsmiddelen blijkt bovendien dat verdachte niet zelf de keel van [slachtoffer] heeft losgelaten, maar dat zijn vriend hem de eerste keer wegtrok en dat hij de tweede keer losliet, omdat aangeefster in zijn gezicht krabde en aan zijn baard trok. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] bewust heeft aanvaard.\n\nDe rechtbank acht het onder 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.\n\nOverwegingen ten aanzien van feit 2\n\nGelet op hetgeen de rechtbank hiervoor ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft overwogen, en het feit dat de verdediging zich voor het overige heeft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en op de verklaring van verdachte ter terechtzitting, acht de rechtbank het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.\n\nFeit 3\n\nDe rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin, Sv, zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:\n\nde bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 18 juni 2026;\n\nhet procesverbaal van bevindingen van 22 november 2025, pagina 104;\n\ngeschriften, te weten NFiDENT rapporten van 25 november 2025, pagina 169173.\n\n3.4. De bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n1\n\nhij op 22 november 2025 te Zwolle,\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven,\n\nmeermalen de keel van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en dichtgeknepen,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\n2\n\nhij op meerdere momenten op 22 november 2025 te Zwolle,\n\n [slachtoffer] heeft mishandeld, door\n\n- meermalen de keel van die [slachtoffer] vast te pakken en dicht te knijpen;\n\n- die [slachtoffer] meermalen tegen haar hoofd en haar schouder te slaan,\n\n- die [slachtoffer] meermalen aan haar haren te trekken,\n\n- die [slachtoffer] meermalen een knietje tegen haar hoofd te geven,\n\n- die [slachtoffer] met een blikje cola tegen haar (achter)hoofd te slaan,\n\n- die [slachtoffer] in haar nek te knijpen en\n\n- die [slachtoffer] in haar arm en hand te bijten;\n\n3\n\nhij op 22 november 2025 te Zwolle,\n\nopzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 14,13 gram cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.\n\nDe rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.\n\n4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde\n\nHet bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 45, 287 en 300 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet (OW). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:\n\nfeiten 1 en 2\n\nde eendaadse samenloop van de misdrijven:\n\npoging tot doodslag;\n\nen\n\nmishandeling;\n\nfeit 3\n\nhet misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.\n\n5. De strafbaarheid van verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.\n\n6. De op te leggen straf of maatregel\n\n6.1. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 15 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering is geadviseerd in het rapport van 1 mei 2026.\n\nDaarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr voor de duur van drie jaar wordt opgelegd, inhoudende een contactverbod met [slachtoffer] en een locatieverbod voor een gebied rondom haar woning, waarbij voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis van twee weken wordt toegepast De maatregel dient dadelijk uitvoerbaar te worden verklaard.\n\n6.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht om bij oplegging van een gevangenisstraf deze voorwaardelijk op te leggen voor zover de duur ervan langer is dan de tijd die verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, en een proeftijd van maximaal twee jaren op te leggen.\n\n6.3. De gronden voor een straf of maatregel\n\nBij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.\n\nDe ernst van de feiten\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag en het mishandelen van zijn (ex-)partner [slachtoffer] . Verdachte heeft daarbij twee keer de keel van [slachtoffer] dichtgeknepen waardoor de kans bestond dat zij zou overlijden. Verdachte is eerder veroordeeld voor huiselijk geweld tegen [slachtoffer] en hij liep nog in een proeftijd van die veroordeling, maar dit heeft hem er niet van weerhouden om opnieuw geweld te plegen tegen [slachtoffer] . De rechtbank acht het zorgwekkend dat [slachtoffer] na het incident tegenover de politie heeft verklaard dat zij veiliger is in een relatie met verdachte dan wanneer zij de relatie verbreekt en dat zij bang is dat verdachte haar zal doden. Verdachte heeft weinig inzicht getoond in de ernst van de feiten. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het bezit van ruim 14 gram cocaïne. Het is algemeen bekend dat verdovende middelen schadelijk zijn voor de gezondheid van gebruikers en dat dit niet zelden leidt tot verslavingsproblematiek en bijkomende problemen. Dat heeft niet alleen gevolgen voor de gebruikers zelf, maar ook voor hun eigen omgeving en de maatschappij in het algemeen. De rechtbank neemt dit alles verdachte zeer kwalijk.\n\nDe persoon van de verdachte\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 28 april 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor huiselijk geweld en een misdrijf op grond van de Opiumwet. Verdachte liep in een proeftijd van een veroordeling vanwege huiselijk geweld toen hij de nieuwe feiten pleegde. Dit weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee.\n\nDaarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de inhoud van het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 1 mei 2026. De reclassering heeft beschreven dat sprake is van een beginnend delictpatroon van huiselijk geweld. De voornaamste delictgerelateerde factoren zijn het psychosociaal functioneren van verdachte en de relatiedynamiek met aangeefster. De relatie is volgens verdachte en aangeefster inmiddels beëindigd. De reclassering schat het recidiverisico in als gemiddeld. De reclassering acht het zorgwekkend dat verdachte en aangeefster contact met elkaar blijven houden, mede gelet op de eerdere veroordeling van verdachte voor huiselijk geweld tegen aangeefster. De reclassering adviseert om diagnostiek en behandeling in te zetten, zodat verdachte risicosignalen leert te herkennen en handvatten aanleert om nieuwe geweldsincidenten, bijvoorbeeld in toekomstige partnerrelaties, te voorkomen. De reclassering adviseert daarnaast een contactverbod met aangeefster en een locatieverbod voor haar woonadres op te leggen. Ook adviseert de reclassering om als voorwaarde op te leggen dat verdachte meewerkt aan controles op het gebruik van verdovende middelen, zodat er zicht komt op zijn middelengebruik.\n\nGezien de ernst van de gepleegde feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de feiten een langere gevangenisstraf en een langer onvoorwaardelijk strafdeel rechtvaardigt dan door de officier van justitie is geëist. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een gevangenisstraf moet worden opgelegd voor de duur van 40 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en met een proeftijd van drie jaren en daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.\n\nDe op te leggen maatregel\n\nTot slot acht de rechtbank een maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr aangewezen in de vorm van een contactverbod. Het contactverbod houdt in dat verdachte op geen enkele manier (direct of indirect) contact mag opnemen, zoeken, of hebben met [slachtoffer] , tenzij het contact plaatsvindt met voorafgaande (schriftelijke) toestemming van en onder toezicht van de reclassering. Overeenkomstig de vordering van de officier van justitie geldt dit contactverbod voor de duur van drie jaren. Iedere overtreding van het contactverbod levert twee weken hechtenis op, met een maximum van zes maanden. Gelet op de duur van de opgelegde gevangenisstraf, zal de rechtbank geen 38vmaatregel opleggen in de vorm van een locatieverbod.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de op grond van artikel 38v Sr opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar moet zijn, nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en\u002Fof zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon. Verdachte is eerder veroordeeld voor huiselijk geweld tegen aangeefster en uit het reclasseringsadvies blijkt dat hij nog steeds contact onderhoudt met aangeefster, terwijl dat een risicofactor is voor herhaling.\n\n7. De vordering tenuitvoerlegging\n\n7.1. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd de vordering onder parketnummer 08.266989.23 tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 3 weken toe te wijzen.\n\n7.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft primair om afwijzing van de vordering verzocht. Subsidiair heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank indien de rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde.\n\n7.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de vordering van de officier van justitie moet worden toegewezen. Het is gebleken dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan het plegen van nieuwe strafbare feiten heeft schuldig gemaakt.\n\n8. De toegepaste wettelijke voorschriften\n\nDe hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 38w en 55 Sr.\n\n9. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nbewezenverklaring\n\n- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;\n\n- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;\n\nstrafbaarheid feiten\n\n- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;\n\n- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:\n\nfeiten 1 en 2, de eendaadse samenloop van de misdrijven:\n\npoging tot doodslag;\n\nen\n\nmishandeling;\n\nfeit 3, het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod\n\nstrafbaarheid verdachte\n\n- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 primair, 2 en 3 bewezen verklaarde;\n\nstraf\n\n- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van40 (veertig) maanden;\n\n- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 10 (tien) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van deproeftijd van 3 (drie) jarende navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:\n\n- stelt als algemene voorwaardedat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\nDe rechter kan de tenuitvoerlegging ook gelasten indien de verdachte gedurende de\n\nproeftijd van 3 (drie) jarende navolgende bijzondere voorwaarden\n\nniet is nagekomen:\n\n- stelt als bijzondere voorwaardendat verdachte:\n\n- zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en\n\nzolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen twee werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres [adres 3] ;\n\n- zich diagnostisch laat onderzoeken en aansluitend laat behandelen door Transfore of\n\neen soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op agressiebeheersing. Indien er vanuit de middelencontroles blijkt dat er sprake is van problematisch middelengebruik, dan kan de aanpak daarvan eveneens onderdeel uitmaken van de behandeling. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;\n\n- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met: [slachtoffer]\n\n , geboren op [geboortedatum 2] 2000, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het contact;\n\n- zich niet bevindt aan de [adres 4] en op het deel van de [adres 5] dat is gelegen tussen de [adres 4] , te [plaats] . Dit verbod geldt zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering kan tijdens deze periode het verboden gebied laten vervallen, het verboden gebied verkleinen en\u002Fof aan verdachte toestemming geven om zich voor een bepaalde periode in een bepaald deel van het verboden gebied te bevinden. Het Openbaar Ministerie kan op verzoek van de reclassering dit locatieverbod (deels) laten vervallen.\n\n- meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en\u002Fof het gebruik te leren\n\nbeheersen van verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), en lijst II (softdrugs). Deze controles kunnen bestaan uit een urineonderzoek, ademonderzoek of speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.\n\n- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden; daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat de verdachte:\n\n- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;\n\n- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;\n\n- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;\n\nmaatregel\n\n- legt aan verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheidals\n\n bedoeld in artikel 38v Sr voor de duur van 3 (drie) jaren;\n\n- beveelt dat verdachte gedurende 3 (drie) jarenop geen enkele wijze – direct of\n\nindirect – contact op zal nemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] 2000);\n\n- beveelt dat voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan de maatregel per overtreding wordt vervangen door 2 (twee) wekenhechtenis en bepaalt daarbij dat de maximale hechtenis zes maanden bedraagt;\n\n- beveelt deze maatregel dadelijk uitvoerbaar;\n\n- toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op;tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf met parketnummer 08.266989.23\n\n- beveelt de tenuitvoerleggingvan de bij vonnis van de politierechter te Almelo van 13 september 2024 voorwaardelijk opgelegdegevangenisstrafvoor de duur van3 (drie) weken.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J. de Ruiter, voorzitter, mr. S.H. Peper en mr. T.C. Kuil, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Lautenbag, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.\n\nBuiten staat\n\nMr. Kuil is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.\n\n Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid OostNederland van 9 april 2026 met nummer 2025566569. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.\n\n Pagina 16.\n\n Pagina 17.\n\n Pagina 18.\n\n Pagina 94.\n\n Pagina 128.\n\n Pagina 129.\n\n Pagina 66.\n\n Pagina 67.\n\n Pagina 81.\n\n Pagina 5-6 van de letselrapportage.\n\n Pagina 16 van de letselrapportage.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3812","2026-07-13T00:29:21.372Z",{"id":138,"ecli":139,"slug":140,"caseNumber":43,"courtId":133,"decisionDate":141,"fullText":142,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":143,"sourceTimestamp":144,"parsedAt":50,"updatedAt":145},"750","ECLI:NL:RBOVE:2026:3723","ecli-nl-rbove-2026-3723","2026-06-30T00:00:00.000Z","RECHTBANK OVERIJSSEL\n\nTeam Strafrecht\n\nMeervoudige kamer\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nParketnummers: 08.105279.26 (P) en 13.057968.24 (TUL)\n\nDatum vonnis: 30 juni 2026\n\nVonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedatum] 1998 in [geboorteplaats],\n\nwonende aan de [woonplaats],\n\nnu verblijvende in de PI [locatie].\n\n1. Het onderzoek op de terechtzitting\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 16 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. E.M. Rengelink, advocaat in Amsterdam, naar voren is gebracht.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:\n\nfeit 1:opzettelijk 4.165 gram hasj en 175,39 kilogram hennep heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en of vervoerd;\n\nfeit 2:opzettelijk 4.165 gram hasj en 175,39 kilogram hennep aanwezig heeft gehad.\n\nVoluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:\n\nfeit 1\n\nhij op of omstreeks 8 april 2026 te Deventer, althans in Nederland, opzettelijk heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en\u002Fof vervoerd, een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, te weten ongeveer 4.165 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), waaraan geen andere substanties waren toegevoegd en\u002Fof ongeveer 175,39 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hasjiesj en\u002Fof hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\nfeit 2\n\nhij op of omstreeks 8 april 2026 te Deventer, althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 4.165 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), waaraan geen andere substanties waren toegevoegd en\u002Fof ongeveer 175,39 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hasjiesj en\u002Fof hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.\n\n3. De bewijsmotivering\n\n3.1. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat verdachte op zijn minst voorwaardelijk opzet heeft gehad op het vervoeren en aanwezig hebben van de hasj en hennep.\n\n3.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat vrijspraak moet volgen voor de onderdelen verkopen, afleveren en verstrekken als ten laste gelegd onder feit 1 omdat bewijs ontbreekt dat verdachte zich hieraan schuldig heeft gemaakt. Daarnaast heeft de raadsman vrijspraak van zowel feit 1 als 2 bepleit omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte wetenschap dan wel opzet heeft gehad op het voorhanden hebben en vervoeren van de hennep en hasj.\n\n3.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, met uitzondering van de hierna te bespreken partiële vrijspraak, op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, behoudens het hierna te bespreken verweer aangaande de wetenschap van verdachte, - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.\n\nhet proces-verbaal van de terechtzitting van 16 juni 2026, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;\n\nhet proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van 8 april 2026, pagina 5 en 7;\n\nhet proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] van 9 april 2025, pagina 9.\n\nPartiële vrijspraak verkopen, afleveren en verstrekken\n\nOp basis van het dossier acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte de hasj en hennep heeft verkocht, afgeleverd en\u002Fof verstrekt, zodat zij verdachte daarvan zal vrijspreken.\n\nWetenschap\n\nVerdachte heeft verklaard dat hij niet wist dat de dozen die achterin de bus zaten gevuld waren met softdrugs. De rechtbank acht de verklaring van verdachte niet aannemelijk en ongeloofwaardig en zal deze terzijde schuiven. Zij overweegt daartoe het volgende.\n\nVerdachte heeft, naast hetgeen hierboven is weergeven, verklaard dat toen hem werd gevraagd om te rijden, hij wel wist dat het om iets kon gaan wat niet mocht. Hij heeft hier vervolgens geen vragen over gesteld. Dat verdachte wel op de hoogte was van de illegale inhoud van de dozen leidt de rechtbank ook af uit zijn gedrag vlak voor de staandehouding. Verdachte volgde in eerste instantie het volgteken dat hij van de verbalisanten kreeg maar stuurde halverwege de uitvoegstrook zijn bestelbus weer terug de snelweg op. Door dit gedrag lijkt het er sterk op dat verdachte zich probeerde te onttrekken aan de controle van de verbalisanten. Van belang acht de rechtbank verder dat verdachte een relatief hoge vergoeding, te weten € 500, zou ontvangen voor deze rit. Tot slot acht de rechtbank het niet aannemelijk dat iemand ruim 175 kilogram hennep en 4 kilogram hasj, wat een zeer hoge straatwaarde vertegenwoordigt, in een bestelauto zou laden zonder dat de chauffeur van die lading op de hoogte is. Dit zou voor de eigenaar een te groot risico op het verliezen van de drugs opleveren. Een dergelijk risico zal men in het criminele circuit niet snel nemen.\n\nGelet op het voorgaande, in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat verdachte wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van softdrugs in zijn bestelauto. De verdachte heeft aldus opzet gehad op het voorhanden hebben en vervoeren van de in de tenlastelegging genoemde hoeveelheid softdrugs.\n\nEendaadse samenloop\n\nFeit 1 en feit 2 zijn zo nauw met elkaar verbonden dat de rechtbank de feiten als één enkele daad zal beschouwen en daarom als eendaadse samenloop zal beoordelen.\n\n3.4. De bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:\n\nfeit 1\n\nhij op 8 april 2026 te Deventer opzettelijk heeft vervoerd, een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, te weten 4.165 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) en 175,39 kilogram, hennep, zijnde hasjiesj en hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;\n\nfeit 2\n\nhij op 8 april 2026 te Deventer opzettelijk aanwezig heeft gehad 4.165 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) en 175,39 kilogram hennep, zijnde hasjiesj en hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.\n\nDe rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.\n\n4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde\n\nHet bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 11 van de Opiumwet (OW). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op de eendaadse samenloop van:\n\nfeit 1\n\nhet misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod; en\n\nfeit 2\n\nhet misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.\n\n5. De strafbaarheid van verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.\n\n6. De op te leggen straf of maatregel\n\n6.1. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met de bijzondere voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd en met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.\n\n6.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft verzocht een gevangenisstraf op te leggen waarvan een aanzienlijk deel voorwaardelijk met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd. De raadsman heeft daarnaast verzocht om de voorlopige hechtenis op te heffen, dan wel te schorsen.\n\n6.3. De gronden voor een straf of maatregel\n\nBij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.\n\nDe ernst van de feiten\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben en vervoeren van ongeveer 180 kilogram softdrugs. Dit is een uitzonderlijk grote hoeveelheid die een hoge financiële waarde vertegenwoordigd. Het kan dan ook niet anders dan dat deze drugs bestemd zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De handel in verdovende middelen gaat gepaard met ernstige vormen van georganiseerde criminaliteit waarbij het gebruik van geweld niet wordt geschuwd. Het handelen van verdachte heeft bijgedragen aan de instandhouding hiervan. Daar komt bij dat hasj en hennep stoffen betreffen die schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid van personen. Verdachte heeft zich niet bekommerd om deze risico’s en heeft enkel oog gehad voor zijn eigen financiële gewin. De rechtbank rekent dit verdachte aan.\n\nDe persoon van verdachte\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 5 juni 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor drugsfeiten. Wel is verdachte meermaals veroordeeld voor vermogens- en geweldsfeiten. Tijdens het plegen van onderhavige feiten liep verdachte in een proeftijd.\n\nDe rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van het over verdachte opgemaakte reclasseringsadvies van 29 mei 2026, opgemaakt door [naam], reclasseringswerker bij Reclassering Nederland. Hieruit blijkt dat verdachte vanaf jonge leeftijd in aanraking komt met justitie. De reclassering signaleert problematiek op alle leefgebieden. Voorafgaand aan zijn detentie leidde verdachte een zwerversbestaan, ervoer hij depressieve klachten en was er sprake van overmatig alcoholgebruik. Volgens verdachte heeft hij ten tijde van onderhavige feiten de consequenties van zijn handelen niet ingezien en was er wegens gebrek aan werk en inkomen sprake van een financieel motief. De reclassering schat het risico op recidive in als hoog. Zij adviseren een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen aan verdachte en dat hij daarnaast meewerkt aan de volgende bijzondere voorwaarden:\n\n- meldplicht;\n\n- ambulante behandeling;\n\n- verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang;\n\n- aflossing schulden; en\n\n- beheersing middelengebruik.\n\nDe op te leggen straf\n\nDe rechtbank houdt bij de bepaling van de straf rekening met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) ten aanzien van het aanwezig hebben van dergelijke hoeveelheden softdrugs. Als uitgangspunt hiervoor geldt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden. De rechtbank houdt er daarnaast rekening mee dat sprake is van eendaadse samenloop. Met de officier van justitie ziet de rechtbank in de persoonlijke omstandigheden van verdachte reden om een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen in combinatie met bijzondere voorwaarden. De rechtbank hoopt dat het voorwaardelijke strafdeel verdachte ervan weerhoudt opnieuw de fout in te gaan. Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met de bijzondere voorwaarden, zoals die hieronder zijn geformuleerd en met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.\n\nDe rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat een situatie als bedoeld in artikel 67a, derde lid, Sv nog niet aan de orde is en zal het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis afwijzen. Ook ziet de rechtbank geen persoonlijke belangen van verdachte die op dit moment tot schorsing van de voorlopige hechtenis moeten leiden. De rechtbank wijst ook dit verzoek af.\n\n6.4. De in beslag genomen voorwerpen\n\nDe officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat de onder verdachte in beslag genomen telefoon kan worden teruggegeven aan verdachte nu er geen indicaties zijn gevonden dat deze telefoon is gebruikt bij de strafbare feiten.\n\nDe raadsman heeft verzocht dat de telefoon wordt teruggeven aan verdachte.\n\nDe rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van de telefoon, te weten een Apple Iphone met goednummer 3674982, aangezien deze niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.\n\n7. De vordering tenuitvoerlegging 13.057968.24\n\n7.1. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de bij vonnis van de Rechtbank Amsterdam van 23 mei 2025 voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een taakstraf voor de duur van 60 uren, ten uitvoer wordt gelegd.\n\n7.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft primair om afwijzing van de vordering verzocht en subsidiair de rechtbank verzocht om terughoudendheid te betrachten en haar beslissing zo vorm te geven dat deze aansluit bij het reclasseringstraject.\n\n7.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de vordering van de officier van justitie moet worden toegewezen. Het is gebleken dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan het plegen van nieuwe strafbare feiten heeft schuldig gemaakt.\n\n8. De toegepaste wettelijke voorschriften\n\nDe hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 van het Wetboek van Strafrecht .\n\n9. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nbewezenverklaring\n\n- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;\n\n- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;\n\nstrafbaarheid feiten\n\n- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;\n\n- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:\n\nde eendaadse samenloop van,\n\nfeit 1\n\nhet misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod; en\n\nfeit 2\n\nhet misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;\n\nstrafbaarheid verdachte\n\n- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;\n\nstraf\n\n- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van12 (twaalf) maanden;\n\n- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 4 (vier) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van deproeftijd van 2 (twee) jarende navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:\n\n- stelt als algemene voorwaardedat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\nDe rechter kan de tenuitvoerlegging ook gelasten indien de verdachte gedurende de\n\nproeftijd van 2 (twee) jarende navolgende bijzondere voorwaarden\n\nniet is nagekomen:\n\n- stelt als bijzondere voorwaardendat verdachte:\n\n- zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken bij Reclassering Nederland, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met verdachte opnemen voor de eerste afspraak;\n\n- zich gedurende de proeftijd laat behandelen door een zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. Verdachte werkt mee aan diagnostiek en daaruit voortvloeiende behandeling. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling;\n\n- gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;\n\n- meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;\n\n- gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en\u002Fof het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan urineonderzoek\u002Fademonderzoek\u002F speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;\n\n- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden; daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat de verdachte:\n\n- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;\n\n- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;\n\n- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;\n\nde in beslag genomen voorwerpen\n\n- gelast de teruggavevan de telefoon, te weten een Apple Iphone met goednummer 3674982, aan verdachte;\n\ntenuitvoerlegging voorwaardelijke straf met parketnummer\n\n- beveelt de tenuitvoerleggingvan de bij vonnis van Rechtbank Amsterdam van 23 mei 2025 voorwaardelijk opgelegdetaakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren;\n\nde voorlopige hechtenis\n\n- wijst het verzoek tot opheffing af;\n\n- wijst het verzoek tot schorsing af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. S.H. Peper, voorzitter, mr. A. van Holten en mr. M. ter Riet, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M.A. van den Hoek, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.\n\nBuiten staat\n\nMr. A. van Holten is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.\n\nWanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2026170007. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3723","2026-07-01T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:46.410Z",{"id":147,"ecli":148,"slug":149,"caseNumber":43,"courtId":150,"decisionDate":141,"fullText":151,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":152,"sourceTimestamp":141,"parsedAt":50,"updatedAt":153},"966","ECLI:NL:RBZWB:2026:5779","ecli-nl-rbzwb-2026-5779",64,"RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: BRE 26\u002F2970 OPIUMW VV\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 juni 2026 in de zaak tussen\n [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker\n\n(gemachtigde: mr. M. Raaijmakers),\n\nen\n\nde burgemeester van de gemeente Zundert.\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: Stichting Thuisvester uit Oosterhout (de woningstichting).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de sluiting van de woning van verzoeker aan de [adres] te [woonplaats] (de woning) voor de duur van drie maanden op grond van de Opiumwet. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.\n\n1.1.. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe en schorst het bestreden besluit tot twee weken na de door de burgemeester te nemen beslissing op bezwaar. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\nProcesverloop\n\n2. Met het besluit van 20 mei 2026 (bestreden besluit) heeft de burgemeester verzoeker op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet gelast om de woning per 2 juni 2026 te sluiten en gesloten te houden voor een periode van drie maanden. De woning is op die datum gesloten. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningen-rechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n2.1.. De burgemeester heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.2.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 23 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, vergezeld door zijn begeleider [persoon] ( [zorgorganisatie] ) en bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. M.M.A.J. Braspenning, mr. N. Kajdiç en [gemachtigde 1] namens de burgemeester en [gemachtigde 2] en mr. S. van den Elshout namens de woningstichting.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\nWat zijn de feiten?\n\n3. Verzoeker is huurder van de bovenwoning, waar hij alleen woont. De woningstichting is eigenaar van de woning.\n\n3.1.. Uit een bestuurlijke rapportage van de politie van 20 maart 2026 blijkt dat de politie voorafgaand aan het binnentreden van de woning een persoon die verdacht wordt van de handel in verdovende middelen (verdachte 2) regelmatig de woning van verzoeker zag betreden. Ook zou door een (anonieme) getuige zijn gezien dat er veel aanloop was bij de woning en er meerdere overdrachten van verdovende middelen plaatsvonden. Nadat uit eerder onderzoek bleek dat er mogelijk een grote hoeveelheid verdovende middelen zou worden opgeslagen en verhandeld in de woning, is de politie op 14 januari 2026 de woning binnengetreden. Vrijwel gelijk na het betreden van de woning werd een tas met een grote hoeveelheid verdovende middelen aangetroffen. Bij de doorzoeking van de woning werd het volgende aangetroffen:\n\n- 595 gram 2-Methylmethcathinone (2-MMC)\n\n- 362 gram Cocaïne\n\n- 1 liter Gamma-hydroxyboterzuur (GHB)\n\n- airsoftwapen\n\n- 95 gram hash\n\n- groot aantal plastic gripzakjes ten behoeve van het verpakken naar handelshoeveelheden\n\n- groot aantal wikkels ten behoeve van het verpakken van Cocaïne\n\n- jerrycan 5 liter aceton\n\n- diverse weegschalen met witte poederresten\n\n- diverse vacumeermachines en zakken\n\n- blenders\u002Fvermalers met witte poederresten\n\n- diverse chemicaliën ten behoeve van de productie van GHB.\n\nDe genoemde drugs zijn indicatief getest. Verzoeker en verdachte 2 waren in de woning aanwezig en werden als verdachten aangehouden. Verzoeker is verslaafd aan GHB en leeft van een uitkering. Hij heeft verklaard dat hij zijn woning al enkele maanden ter beschikking stelt aan verdachte 2 tegen een kleine vergoeding, zodat hij zijn verdovende middelen kan opslaan, verpakken en verhandelen.\n\n3.2.. De burgemeester heeft bij brieven van 6 mei 2026 haar voornemen kenbaar gemaakt aan verzoeker en de woningstichting om de woning te sluiten voor de duur van drie maanden.\n\n3.3.. Bij brief van 13 mei 2026 heeft verzoeker zijn zienswijze kenbaar gemaakt.\n\n3.4.. Bij het bestreden besluit heeft de burgemeester verzoeker gelast om de woning per 2 juni 2026 te sluiten en afgesloten te houden voor een periode van drie maanden. De woning is op die datum gesloten.\n\nWat is het wettelijk kader?\n\n4. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.\n\nHeeft verzoeker een spoedeisend belang?\n\n5. Uit artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening kan treffen, indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist. De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.\n\n5.1.. Als gevolg van het bestreden besluit is de door verzoeker gehuurde woning gesloten voor de duur van drie maanden. Gelet op de aard van de zaak en het in geding zijnde huisrechtvan verzoeker is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende gebleken van een spoedeisend belang bij zijn verzoek om een voorlopige voorziening tot schorsing van het bestreden besluit.\n\nWelke gronden heeft verzoeker aangevoerd?\n\n6. Verzoeker heeft aangevoerd dat de burgemeester ten onrechte heeft besloten tot sluiting van de woning. Daartoe heeft verzoeker gesteld dat de sluiting van de woning niet geschikt is, niet noodzakelijk en niet evenwichtig. De sluiting van de woning is in strijd met artikel 8 van het EVRM en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Tevens is het bestreden besluit volgens verzoeker onvoldoende gemotiveerd.\n\nWat is het oordeel van de voorzieningenrechter?\n\n7. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft in de uitspraak van 16 juli 2025de uitgangspunten weergegeven waar zij van uitgaat bij de beoordeling van besluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. In navolging van de uitspraak van 2 februari 2022over de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel gaat de ABRvS daarbij ook in op het karakter van deze bevoegdheid en de intensiteit waarmee de bestuursrechter dergelijke besluiten toetst.\n\n7.1.. De voorzieningenrechter beoordeelt het bestreden besluit aan de hand van de uitgangspunten in voornoemde rechtspraak.\n\nIs de burgemeester bevoegd om de woning te sluiten?\n\n8. De burgemeester is op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang als in een woning een middel als bedoeld in lijst I, IA of II, behorend bij de Opiumwet (harddrugs of softdrugs), wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Doorgaans houdt de last in dat de woning voor een bepaalde periode wordt gesloten.\n\n8.1.. De burgemeester kan artikel 13b van de Opiumwet toepassen als er in of vanuit een woning in drugs wordt gehandeld (verkopen, afleveren, verstrekken) of als drugs met het oog op die handel in de woning aanwezig zijn. Als uitgangspunt kan worden aanvaard dat bij aanwezigheid van meer dan 0,5 g harddrugs, 5,0 g softdrugs of vijf (hennep)planten (het door het openbaar ministerie gehanteerde criterium voor eigen gebruik) de aangetroffen hoeveelheid drugs in beginsel (mede) bestemd wordt geacht voor de verkoop, aflevering of verstrekking.\n\n8.2.. Tussen partijen is niet in geschil dat in de woning 595 gram 2-MMC, 362 gram cocaïne, 1 liter GHB en 95 gram hash (middelen in lijst I, IA en II) zijn aangetroffen. Daarmee wordt de toegestane hoeveelheid ruim overschreden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is daarom sprake van de situatie dat de aangetroffen hoeveelheid drugs voor verkoop, verstrekking of aflevering aanwezig was. De burgemeester was dan ook bevoegd om tot sluiting van de woning over te gaan. Verzoeker heeft de bevoegdheid van de burgemeester niet betwist.\n\nMag de burgemeester zijn bevoegdheid toepassen?\n\n9. De bevoegdheid tot het toepassen van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is een discretionaire bevoegdheid. De burgemeester heeft hiervoor beleid geformuleerd en vastgesteld in de Beleidsregels handhaving op artikel 13b Opiumwet in de gemeente Zundert 2022 (Beleidsregels). De voorzieningenrechter constateert dat het bestreden besluit conform de Beleidsregels is. De Beleidsregels schrijven namelijk een sluiting voor de duur van drie maanden voor bij een eerste constatering van een handelshoeveelheid harddrugs in een woning.\n\nIs sluiting van de woning een geschikt en noodzakelijk middel?\n\n10. Verzoeker meent dat sluiting van de woning niet geschikt en noodzakelijk is. Voor zover de burgemeester beoogt herhaling te voorkomen, valt niet in te zien waarom een woningsluiting effectiever zou zijn dan de reeds ingezette zorg- en begeleidingsmaatregelen. Ook is niet onderzocht of kon worden volstaan met minder ingrijpende maatregelen.\n\n10.1.. Volgens de burgemeester is de sluiting van de woning een geschikt middel om het doel te bereiken dat zij voor ogen heeft, namelijk herhaling van de aanwezigheid van drugs en drugstransacties in de woning en overlast rondom de woning voorkomen, preventie en beheersing van de uit het drugsgebruik voortvloeiende risico’s voor de veiligheid en volksgezondheid, het voorkomen van nadelige effecten van de handel in en het gebruik van drugs op het openbare leven en het weghalen van de loop naar de woning. Daarnaast is een zichtbare sluiting voor drugscriminelen en buurtbewoners een duidelijk signaal dat de overheid optreedt tegen drugscriminaliteit in de woning. Ook het tijdsverloop tussen de constateringen en het bestreden besluit is niet dermate lang dat dit afbreuk kan doen aan de geschiktheid en noodzaak van de sluiting.\n\n10.2.. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is sluiting van de woning in beginsel een geschikt middel om het doel te bereiken dat de burgemeester voor ogen heeft. Rekening houdend met het moment van ontvangst van de bestuurlijke rapportage van 20 maart 2026, het versturen van een voornemen tot sluiting (6 mei 2026) en gelegenheid tot het indienen van een zienswijze daartegen (ontvangen op 13 mei 2026), is het tijdsverloop in dit geval niet dusdanig lang dat het doel dat de burgemeester voor ogen heeft niet meer kan worden bereikt.\n\n10.3.. De voorzieningenrechter overweegt dat in het bestreden besluit is verwezen naar de informatie in de bestuurlijke rapportage. Vast staat dat op 14 januari 2026 sprake was van een ernstig drugsincident, gezien de grote hoeveelheid aangetroffen drugs. Verzoeker heeft verklaard dat hij zijn woning als opslagplaats beschikbaar heeft gesteld onder druk van verdachte 2. Volgens de rapportage zou er toeloop zijn geweest naar de woning van verzoeker. Niet duidelijk wordt echter wie, wanneer (dag en tijdstip) en met welk doel de trap naar de bovenwoning is opgelopen en evenmin of en wanneer er spullen zijn verplaatst. Met de enkele vermelding dat de politie heeft waargenomen dat verdachte 2 de woning van verzoeker regelmatig betrad, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk geworden dat sprake was van een loop naar de woning door drugsgebruikers of ten behoeve van drugstransacties. De vermelding in de rapportage dat door een anonieme getuige zou zijn gezien dat er meerdere overdrachten van verdovende middelen plaatsvonden, is kennelijk niet nader onderzocht en is evenmin onderbouwd. Van een aanwijzing dat de drugshandel vanuit de woning plaats heeft gevonden, is dus (vooralsnog) geen sprake. Het standpunt van de burgemeester in het verweerschrift dat de woning gelegen is in een kwetsbare buurt en dat er voor de inval in januari 2026 door buurtbewoners (anonieme) meldingen over overlast zijn ingediend, dat de woning bekend staat als locatie waar drugshandel plaatsvindt en dat dit blijkt uit de waarnemingen van de politie, is niet aannemelijk gemaakt noch onderbouwd.\n\n10.4.. De voorzieningenrechter maakt daarnaast uit de thans in het dossier aanwezige stukken niet op dat na het constateren en beëindigen van de overtreding op 14 januari 2026 iets relevants is voorgevallen op grond waarvan moet worden vastgesteld dat de negatieve effecten van de overtreding (nog) niet ongedaan zijn gemaakt. De burgemeester heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt noch onderbouwd dat na 14 januari 2026 nog sprake is geweest van loop naar de woning of merkbare overlast, waaronder openbare ordeverstoringen vanuit of rond de woning. Ter zitting is gesproken over een enkele vechtpartij op straat, waarvan verzoeker betwist dat hij de veroorzaker was. De woningstichting heeft ter zitting verklaard dat uit een na de inval door haar gehouden buurtonderzoek gebleken zou zijn dat er meerdere kwetsbare bewoners en probleemgevallen in de straat wonen. Buiten een melding over de vechtpartij, zijn echter geen meldingen van overlast door verzoeker ontvangen.\n\n10.5.. Gezien het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat de burgemeester onvoldoende heeft gemotiveerd waarom sluiting van de woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat rondom de woning en het herstel van de openbare orde en waarom niet met een minder ingrijpend middel dan sluiting kon worden volstaan.\n\nIs sluiting van de woning evenwichtig?\n\n11. Als sluiting van de woning al noodzakelijk wordt geacht, betekent dit nog niet dat de burgemeester hiertoe steeds mag overgaan. Daarvoor moet zij zich ervan vergewissen dat de sluiting in de gegeven omstandigheden ook evenwichtig is.\n\n11.1.. Verzoeker voert aan dat de evenwichtigheid ontbreekt, omdat de gevolgen voor hem bijzonder zwaar zijn. Niet alleen dreigt hij zijn woning te verliezen, wat een schending is van zijn huisrecht op grond van artikel 8 EVRM, maar tevens wordt het fundament onder zijn herstelproces weggenomen. Hij kampt al jarenlang met verslavingsproblematiek, die heeft geleid tot beperkingen in zijn zelfredzaamheid, zijn beoordelingsvermogen en het vermogen om de gevolgen van zijn handelen adequaat te overzien. Zijn woning biedt hem de noodzakelijke stabiliteit en zekerheid van hulpverlening. Hij verwijst daartoe naar de verklaring van zijn ambulant begeleider. Het risico op herhaling wordt juist beperkt door zorg, behandeling en toezicht. Verlies van de woning vergroot de kans op terugval en maatschappelijke ontwrichting. Op de overheid rust, naast de bescherming van de openbare orde, de verantwoordelijkheid om zorgvuldig om te gaan met kwetsbare burgers.\n\n11.2.. De burgemeester is in het bestreden besluit en haar verweerschrift ten aanzien van de evenwichtigheid ingegaan op de verwijtbaarheid van verzoeker, op het ontbreken van een bijzondere binding met de woning en op de mogelijke ontbinding van de huurovereenkomst door de woningstichting. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat de burgemeester de kwetsbaarheid van verzoeker onvoldoende heeft meegewogen. Uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat verzoeker bij de politie bekend staat als kwetsbaar persoon, die verslaafd is aan GHB en een uitkering geniet. Ook is bij de burgemeester bekend dat verzoeker contact heeft met team bemoeizorg van Novadic-Kentron en dat hij vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) ambulante begeleiding heeft. De begeleider van verzoeker heeft ter zitting verklaard dat de ambulante zorg stopt zodra verzoeker geen vast woonadres meer heeft. Daar komt bij dat verzoeker weliswaar sinds de sluiting van zijn woning bij zijn moeder heeft verbleven, maar dat dit geen houdbare situatie is, gelet op de door verzoeker ter zitting gegeven verklaring over de medische situatie van zijn moeder. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om te twijfelen aan deze verklaring. Gezien deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat de burgemeester onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de woningsluiting in dit geval niet onevenwichtig is.\n\nConclusie en gevolgen\n\n12. De voorzieningenrechter concludeert dat de burgemeester bevoegd is om tot sluiting van de woning over te gaan. Het bestreden besluit is echter ten aanzien van de noodzaak en de evenwichtigheid onvoldoende gemotiveerd. Hieruit volgt dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek toe en schorst het bestreden besluit tot twee weken na de door de burgemeester te nemen beslissing op bezwaar. Dat betekent dat de burgemeester verzoeker weer moet toelaten in zijn woning.\n\n12.1.. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet de burgemeester het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Ook krijgt hij een vergoeding van zijn proceskosten. De burgemeester moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde geldt een vast bedrag per proceshandeling met een waarde van € 934,- per proceshandeling. Omdat de gemachtigde van verzoeker een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen, leidt dit tot een totaal van € 1.868,-.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;\n\n- schorst het bestreden besluit tot twee weken na de door de burgemeester te nemen\n\n beslissing op bezwaar;\n\n- bepaalt dat de burgemeester aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht van\n\n € 200,- dient te vergoeden;\n\n- veroordeelt de burgemeester in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van\n\n € 1.868,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.H.A. de Graaf, griffier, op 30 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\nBijlage\n\nOpiumwet\n\nArtikel 13b, eerste lid\n\n1. De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf:\n\na. een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, of een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in lijst IA of een preparaat daarvan, met uitzondering van de middelen bedoeld in artikel 2a, tweede lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is;\n\nb. een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, artikel 10c, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a voorhanden is.\n\nCocaïne en GHB staan in lijst I, hash in lijst II en 2-MMC in lijst IA van de Opiumwet.\n\nBeleidsregels handhaving op artikel 13b Opiumwet in de gemeente Zundert 2022\n\n3.3.\n\nDrugshandel in of vanuit woningen\n\nDe burgemeester verstaat in het kader van de bestuurlijke handhaving van de Opiumwet onder een woning: een pand dat (of ruimte die) in de aangetroffen staat op een normale wijze voor bewoning kan worden gebruikt en dat\u002Fdie daarvoor ook mag worden gebruikt (woongenot). Of een woning wordt gebruikt als woonruimte en er dan ook sprake is van het hebben van woongenot, blijkt uit de feitelijke constatering ter plaatse, zoals dat veelal wordt verwoord in het rapport van bevindingen van de politie. Wat betreft het sluiten van woningen moet rekening worden gehouden met artikel 8 van het EVRM.\n\nTekst artikel 8 EVRM:\n\n1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.\n\n2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale vrijheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.\n\nUit artikel 8 EVRM volgt dat de toepassing van de bestuursdwang op basis van artikel 13b Opiumwet niet er toe mag leiden dat het recht op respect voor het privéleven, het familie- en gezinsleven en de woning onevenredig wordt aangetast. De in het algemeen belang nagestreefde doeleinden, voor zover die onder het bereik van het tweede lid van artikel 8 van het EVRM vallen, moeten worden afgewogen tegen de belangen als bedoeld in het eerste lid. Deze taak is op de eerste plaats aan de burgemeester. Gelet op deze afweging is voor de drugshandel in of vanuit woningen een afzonderlijke handhavingmatrix vastgesteld waarin recht wordt gedaan aan hetgeen is bepaald aan artikel 8 van het EVRM. Zoals in de inleiding bij 3.1 is aangegeven wordt in onderstaande matrix onderscheid gemaakt naar hard- en softdrugs.\n\nHarddrugs\n\nBij overtreding artikel 2 Opiumwet jo artikel 13b Opiumwet lid 1 (handel in harddrugs) in of vanuit een woning of daarbij behorende erven wordt als volgt gehandeld:\n\n1e constatering\n\nSluiting voor een periode van 3 maanden\n\n2e constatering\n\nSluiting voor een periode van 6 maanden\n\n3e constatering\n\nSluiting voor onbepaalde tijd\n\nVan deze overtreding is in ieder geval (het betreft dus geen limitatieve opsomming) sprake in de volgende gevallen:\n\n-Verkoop van harddrugs door eigenaar\u002Fhuurder\u002Fbewoner;\n\n-Aanwezigheid van harddrugs in de woning in een handelshoeveelheid (> 0,5 gram harddrugs \u002F voor GHB > 5 ml).\n\nSoftdrugs\n\nBij overtreding artikel 3 Opiumwet jo artikel 13b Opiumwet lid 1 (handel in softdrugs) in of vanuit een woning of daarbij horende erven wordt als volgt gehandeld:\n\n1e constatering\n\nSluiting voor een periode van 3 maanden\n\n2e constatering\n\nSluiting voor 6 maanden\n\n3e constatering\n\nSluiting voor 12 maanden\n\nVan deze overtreding is in ieder geval sprake (het betreft dus geen limitatieve opsomming) in de volgende gevallen:\n\n• Verkoop van softdrugs door eigenaar\u002Fhuurder\u002Fbewoner;\n\n• Aanwezigheid van softdrugs in de woning in een handelshoeveelheid (> 5 gram softdrugs);\n\n• Aanwezigheid van een bedrijfsmatige hennepkwekerij (> 5 hennepplanten).\n\n(…)\n\n5. Afwijkingsbevoegdheid\n\nIn beginsel wordt er overeenkomstig de bovenstaande beleidsregel besloten waarbij de getrapte sanctionering in de matrixen is weergegeven. Er kunnen zich echter situaties voordoen die dermate ernstig zijn dat van de matrix afgeweken moet kunnen worden.\n\nOok indien niet dezelfde overtreding voor de tweede of derde keer is begaan, maar een overtreding uit een andere (matrix) categorie kan er aanleiding zijn van de matrix af te wijken. Van het in de matrix vervatte arrangement kan door de burgemeester dan ook gemotiveerd worden afgeweken. Dat kan bijvoorbeeld betekenen dat bij zeer ernstige overtredingen een stap wordt overgeslagen of voor een langere periode wordt gesloten.\n\n Artikel 8, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).\n\nECLI:NL:RVS:2025:2922\n\n ECLI:NL:RVS:2022:285\n\nGemeenteblad 2022, nr. 286345.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5779","2026-07-13T00:28:56.840Z",{"id":155,"ecli":156,"slug":157,"caseNumber":43,"courtId":158,"decisionDate":159,"fullText":160,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":161,"sourceTimestamp":64,"parsedAt":50,"updatedAt":162},"281","ECLI:NL:RBGEL:2026:5354","ecli-nl-rbgel-2026-5354",60,"2026-06-29T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nParketnummers: 05-276671-24, 05-344017-24, 05-344649-24 (gev. ttz)\n\nDatum uitspraak : 29 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nvonnis van de meervoudige kamer\n\nin de zaak van\n\nde officier van justitie\n\ntegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedag] 2004 in [geboorteplaats] ,\n\nwonende aan [adres] in [woonplaats] ,\n\nraadsvrouw: mr. J. Leyten, advocaat in Amsterdam-Duivendrecht.\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting op\n\n8 juni 2026.\n\n1. De inhoud van de tenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nonder parketnummer 05-276671-24:\n\n1. hij in of omstreeks de periode 28 juli 2024 tot en met 28 augustus 2024 te Arnhem, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 231,02 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n2. hij in of omstreeks de periode van 28 juli 2024 tot en met 28 augustus 2024 te Arnhem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, te weten\n\nhet opzettelijk binnen en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen,\n\nhet opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof\n\nhet opzettelijk vervaardigen\n\nvan cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\neen ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en\u002Fof uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen,\n\nzich en\u002Fof een ander gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,\n\nvoorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen\n\nvoorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door\n\n231,02 gram, althans een (grote) hoeveelheid, cocaïne,\n\neen telefoon, waarop gesprekken en notities zijn aangetroffen waaruit blijkt dat er sprake is van handel in drugs en\u002Fof\n\neen autosleutel, behorende tot een auto waarin een grote hoeveelheid cocaïne lag opgeslagen,\n\nvoorhanden te hebben;\n\nonder parketnummer 05-344017-24:\n\n1. hij op of omstreeks 2 juli 2024 te Zevenaar opzettelijk heeft geteeld en\u002Fof bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 2,09 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n 2. hij op of omstreeks 2 juli 2024 te Zevenaar een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en\u002Fof dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een BB gun, airsoft- en\u002Fof luchtdrukwapen, zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde met een bestaand vuurwapen, te weten een pistool van het merk Glock en\u002Fof Walther, voorhanden heeft gehad;\n\nen onder parketnummer 05-344649-24:hij op of omstreeks 8 juli 2024 te Duiven opzettelijk heeft geteeld en\u002Fof bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 3,41 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.\n\n2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs\n\nTen aanzien van parketnummer 05-276671-24:\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde onder feit 2 en onder feit 1 voor zover dat ziet op het aanwezig hebben. Verdachte moet partieel worden vrijgesproken van de andere varianten die onder feit 1 genoemd zijn.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging stelt zich primair op het standpunt dat er sprake is van vormverzuimen ex artikel 359a Sv, waardoor al het bewijs dient te worden uitgesloten. Daarmee ontbreekt vervolgens voldoende wettig en overtuigend bewijs waardoor verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde onder zowel feit 1 als feit 2. Subsidiair voert de verdediging aan dat verdachte ten aanzien van feit 1 dient te worden vrijgesproken van het ‘dealen’ in de ten laste gelegde periode. Ten aanzien van het aanwezig hebben van de harddrugs uit de Audi is eveneens sprake van een vormverzuim ten aanzien van de doorzoeking van de Audi.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nBewijsuitsluitingsverweer\n\nDe raadsvrouw heeft bepleit dat er sprake is van vormverzuimen ex artikel 359a Sv, waardoor al het bewijs dient te worden uitgesloten. Ten aanzien van de vordering gericht tot verdachte en strekkende tot uitlevering van alle verdovende middelen is niet geverbaliseerd waaruit een redelijke verdenking of redelijk vermoeden is ontstaan en bij het uitoefenen van de bevoegdheid tot inbeslagneming is eveneens niet geverbaliseerd waaruit blijkt dat verdachte kon worden aangemerkt als verdachte van een strafbaar feit, zoals strafbaar gesteld in de Opiumwet. Deze vormverzuimen kunnen volgens de verdediging enkel leiden tot bewijsuitsluiting.\n\nDe officier van justitie heeft aangevoerd dat zowel de vordering tot uitlevering als de inbeslagneming op 28 augustus 2024, gelet op alle bevindingen van de politie, rechtmatig zijn geweest. De officier van justitie stelt zich dan ook op het standpunt dat het verweer van de verdediging moet worden verworpen.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of de vordering gericht tot verdachte tot uitlevering van verdovende middelen rechtmatig was. Daarvoor moet ingevolge artikel 9 van de Opiumwet worden beoordeeld of de verbalisanten redelijkerwijs het vermoeden konden hebben dat verdachte – kort gezegd – in het bezit was van verdovende middelen. Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] beschrijven in hun proces-verbaal van bevindingen dat zij verdachte kennen als een jongere waar zij zich zorgen om maken en die vaak in verband wordt gebracht met verdovende middelen. [verbalisant 2] had hem onlangs zelf nog aangehouden voor het bezit hiervan. Verbalisanten keerden hun voertuig en positioneerden het dienstvoertuig achter het betrokken voertuig. Zij zagen dat er vanaf de achterbank iemand uitstapte en wegliep. Verbalisant [verbalisant 2] besloot deze man staande te houden. Verbalisant [verbalisant 1] zag dat de bestuurder van het voertuig verder reed en gaf hem een stopteken. [verbalisant 1] stelde de identiteit van verdachte vast, waarna [verbalisant 2] aansloot bij de controle. Verdachte verklaarde dat hij vermoedde dat ze een speekseltest bij hem zouden gaan afnemen. Verbalisanten gaven aan dat zij vooral benieuwd waren of hij in het bezit was van verdovende middelen. Verdachte zei dat hij niet in het bezit was van verdovende middelen en zei dat ze de hele auto mochten doorzoeken. Hij gaf aan dat alle kappen van het voertuig toch al los zaten, dus dat ze overal mochten kijken. Verdachte stapte vervolgens uit, zonder dat dit van hem werd gevraagd. Toen verdachte uitstapte zagen verbalisanten meteen ter hoogte van zijn geslachtsdeel een duidelijk onnatuurlijke verdikking. Zij hebben verdachte toen hiermee geconfronteerd.\n\nDe rechtbank acht al deze omstandigheden in hun onderlinge verband en samenhang bezien voldoende voor de verbalisanten om redelijkerwijs tot het vermoeden te hebben kunnen komen dat er verdovende middelen bij verdachte aanwezig waren. De vordering tot uitlevering door verbalisanten was daarmee rechtmatig.\n\nNadat de verbalisanten de uitlevering van alle verdovende middelen aanwezig in het voertuig en op hem hadden gevorderd stopte verdachte snel zijn handen in zijn zakken, pakte de verdikking vast en bewoog deze rond in zijn ondergoed en hij riep dat hij niets in zijn ondergoed had. Verbalisanten vorderden nogmaals de uitlevering en legden hem, afzonderlijk van elkaar, uit dat hij een extra strafbaar feit zou plegen op het moment dat hij niet zou voldoen aan een bevel tot uitlevering. Ze zagen dat verdachte zijn handen voor zijn ogen sloeg en riep dat ze hem niet moesten aanraken. Vervolgens zei hij dat hij verdovende middelen in zijn auto had. Hiermee waren er voldoende redenen om tot fouillering over te gaan. Verdachte is vervolgens aan een opiumfouillering onderworpen en er zijn verdovende middelen aangetroffen.\n\nOnderweg naar het politiebureau gaf verdachte aan dat hij nog een Audi-autosleutel in zijn bezit had en dat het belangrijk was dat deze Audi-sleutel in zijn eigen voertuig zou achterblijven. Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] maakten een ronde door de wijk met de Audi-sleutel om te zien of de voertuigen die zij passeerden open gingen. Verbalisant [verbalisant 2] kent verdachte vanuit zijn rol als jeugdagent en heeft diens voertuig op 15 augustus 2024 achter de woning van [naam] en [naam] zien staan. Hij weet dat zij in het bezit zijn van een rode Audi. Verbalisanten zijn hierop in de omgeving van de woning van [naam] en [naam] gaan kijken. Op [adres] in Arnhem troffen zij de rode Audi A3 aan, waarvan de knipperlichten begonnen te knipperen en de auto ontgrendelde bij gebruik van de Audi-autosleutel. Hieruit maakten de verbalisanten op dat de sleutel bij deze Audi behoorde. De auto stond op ongeveer 100 meter van de woning van [naam] en [naam] geparkeerd. Verbalisanten herkenden het kenteken van de Audi en weten dat deze gebruikt wordt door [naam] en [naam] . Zij hebben hen meermaals in dit voertuig gecontroleerd. In het politiesysteem bevond zich een mutatie dat in 2023 een gebruiker van dit voertuig voor drugsbezit is aangehouden. Bovendien stond er een mutatie dat een jeugdige tegenover een jeugdagent beide [naam] had genoemd als personen die jeugdigen ronselen voor drugshandel. Verbalisanten hadden het sterke vermoeden dat er mogelijk verboden voorwerpen in de Audi zouden liggen. Het voertuig is vervolgens doorzocht.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank levert dit, mede gelet op al de eerder beschreven omstandigheden die hiermee in samenhang moeten worden bezien, voldoende verdenking op dat er verdovende middelen in de auto aanwezig waren, een verdenking dus van aan misdrijf als omschreven in artikel 67 eerste lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv). De op artikel 96b Sv gegronde doorzoeking was daarmee eveneens rechtmatig.\n\nHet voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat geen sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. De onderzoeksresultaten op basis van de bij verdachte en in de auto aangetroffen goederen kunnen dan ook worden gebruikt voor het bewijs.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe rechtbank overweegt dat niet ter discussie staat dat verdachte in de periode van 28 juli 2024 tot en met 28 augustus 2024 in Arnhem 231,02 gram cocaïne heeft vervoerd.Op meerdere in de rode Audi aangetroffen goederen zat het DNA van verdachte, waaronder op de gripzakjes.\n\nVerdachte reed op 28 augustus 2024 op de Laan van Presikhaaf in een blauwe Citroën C1, voorzien van kenteken [kenteken] . Verbalisanten zagen dat er vanaf de achterbank iemand uitstapte en wegliep en dat het voertuig weer verder reed. Verbalisant [verbalisant 1] gaf verdachte een stopteken en verdachte voldeed hieraan. Toen verdachte de auto uitstapte zagen verbalisanten ter hoogte van zijn geslachtsdeel een duidelijk onnatuurlijke verdikking. Verdachte werd onderworpen aan een fouillering en de verdikking bleek een sok met daarin meerdere zakjes met wit poeder en een aantal ponypacks te zijn. Bij verdachte zijn uiteindelijk 9 gripzakjes met wit poeder, 19 ponypacks en 1 Apple telefoon in beslag genomen.\n\nTijdens de rit naar het politiebureau gaf verdachte een nieuw lijkende Audiautosleutel aan verbalisant met de vraag of hij die sleutel in de auto van verdachte zou willen leggen. Verdachte gaf aan dat het de sleutel was van een auto met een Spaans kenteken.\n\nVerbalisanten zijn vervolgens op zoek gegaan naar die Audi en troffen in de buurt van de woning van [naam] en [naam] een rode Audi aan die open ging met de Audi-sleutel die verdachte bij zich had. Verbalisanten herkenden onmiddellijk het kenteken van de Audi, zij hadden het voertuig al meermaals gecontroleerd en in het politiesysteem staan meerdere mutaties dat het voertuig vermoedelijk bij [naam] en [naam] in gebruik is. Het voertuig is doorzocht en in de kofferbak is een grote bigshopper van de Action aangetroffen met daarin een kartonnen doos met wat gripzakjes. In deze doos lagen dezelfde soort wikkels als die verbalisanten bij verdachte hebben aangetroffen.\n\nDe Audi staat op naam van [getuige 1] , maar zij heeft de Audi nooit in haar bezit gehad. Iemand anders heeft de Audi op 16 september 2023 opgehaald bij het autobedrijf. Op dat moment zat getuige [getuige 1] gedetineerd in België, samen met verdachte.\n\nDe telefoon die onder verdachte in beslag is genomen is uitgelezen, er is enkel gezocht in de telefoon in de periode 28 juli 2024 tot en met 28 augustus 2024. De naam ‘ [verdachte] ’ is gekoppeld aan het Instagram account op de telefoon. Op Snapchat wordt gebruik gemaakt van het account ‘ [account - naam] ’ (= owner). Er zijn chats gevoerd met meerdere personen, de verbalisant heeft de chats samengevat.\n\n [account - naam] = verdachte [verdachte]\n\nUit een chat blijkt dat op 26 augustus 2024 \" [account - naam] \" een video verstuurt.\n\nOp de zogenoemde selfie video is een persoon te zien welke door de verbalisant wordt herkend als verdachte [verdachte] .\n\n [account] - [contact] = [naam] , geboren [geboortedag] -1995\n\nUit de chat die gevoerd wordt op 28 augustus 2024 tussen owner en \" [account] \"\n\ndie als contact \" [contact] ” met telefoonnummer + [telefoonnummer] is ingevoerd blijkt dat\n\nowner vraagt aan [contact] \"Je rijd vandaag toch\". Dit wordt bevestigd door [naam] en\n\nowner vraagt haar of zij 1 SOS wil pakken van daar. Ook dit wordt bevestigd door\n\n [naam] . Uit de chat blijkt dat [naam] aan owner vraagt of er al klanten zijn en zij\n\nvervolgens wordt aangestuurd door owner en op locaties drugs aflevert.\n\nOok blijkt uit de chat dat owner zelf ook rondrijdt.\n\nUit de politiesystemen blijkt vervolgens dat het nummer + [telefoonnummer] in gebruik is bij [naam]\n\n geboren [geboortedag] -1995.\n\n [account] - [contact]\n\nUit de chat die gevoerd wordt op 28 augustus 2024 tussen owner en \" [account] \" die\n\nals contact \" [contact] \" is ingevoerd blijkt dat [contact] van owner wil weten wat\n\neen driver betaald krijgt. Owner geeft aan dat maandag tot en met donderdag en zondag er 150 betaald wordt en vrijdag en zaterdag 250. Ook geeft owner aan dat als ze boven\n\n2500 komen er dan 50 euro extra wordt betaald. Ook blijkt uit de chat dat ze een\n\ndriver zoeken en ze \" [naam] \" willen regelen als driver. Owner vraagt vervolgens aan\n\n [contact] of hij een (l) SOS voor hem wil meenemen en brengen naar [adres] in\n\nZevenaar. [contact] geeft aan dat hij haar dan even moet appen en zij hem gaat\n\nvoegen via Snap. Deze chat wordt gevoerd om 11:53 uur. Uit de chat met [contact] en\n\nowner blijkt dat hun chat om 11:53 uur start en owner vraagt of zij een(l) SOS kan\n\npakken. Ook blijkt uit de chat dat [naam] net in Zevenaar is geweest. Hieruit kan\n\nblijken dat met \" [naam] \" [naam] wordt bedoeld.\n\n [account] - [contact] en [account] - [contact] en [account] - [contact]\n\nUit de groepschat die gevoerd wordt op 25 augustus 2024 blijkt dat owner aangeeft\n\n100 nodig te hebben. [contact] geeft aan dat hij 200 heeft, maar owner wil 100 want hij heeft\n\nnog een beetje. [contact] wil weten hoe laat er een driver komt en owner geeft aan dat de\n\ndriver eraan komt en met en blauwe Citroen Cl is. Uit de chat blijkt dat er 100 is\n\nafgegeven door [contact] aan de driver die owner heeft gestuurd.\n\nOok blijkt uit de chat dat [contact] aan owner aangeeft dat ze nieuwe afspraken\n\nhebben en owner elke week 200g miauw van hun krijgt en wanneer owner weer nieuwe 200\n\nvan hun pakt hij de oude betaalt. Owner gaat akkoord en [contact] geeft aan dat\n\nowner dus vandaag eigenlijk 200g miauw wat al open stond moest betalen en weer nieuwe\n\n200 moet pakken. [contact] komt tussendoor en geeft aan \"geen stress want hij (verwijst\n\nvermoedelijk naar owner)wist dit niet\". Owner wil nog weten wat de kosten van de\n\noude zijn en [contact] geeft aan \"460 min 115\". Er moet dus nog 345 betaald worden want\n\n115 was al betaald aan [contact] . Owner gaat akkoord met 345 en [contact] zegt dan\n\nnog \"Dus zorg dat je 345 van miauw geld aan de kant zet vandaag\". Owner gaat wederom\n\nakkoord en [contact] geeft nog aan dat hij het naar hem ( [contact] ) moet brengen\n\nzodra hij het heeft. Owner geeft aan dat het geregeld wordt. [contact] zegt nog tegen\n\nowner dat hij moet appen als hij het op kan komen halen of brengen naar [naam] kan ook.\n\nUit de politiesystemen, 2024312299-1 blijkt dat met [naam] vermoedelijk wordt bedoeld\n\n [naam] , geboren [geboortedag] -2002.\n\n [account] - [contact]\n\nUit de chat die gevoerd wordt op 28 augustus 2024 blijkt dat [contact] de poes gewoon\n\nvoortaan met owner regelt. Ze spreken af dat ze telkens voor 2 ons gaan. Owner gaat\n\nakkoord maar wil wel dat het in 2 delen gaat, ene dag een ons en dan andere dag weer\n\neen ons. Owner wil vervolgens weten wat er nog open staat en [contact] geeft aan dat er\n\nnog twee ons open staat. Owner wil weten wat de kosten zijn en [contact] geeft aan dat\n\nhij [naam] gaat appen en vervolgens stuurt [contact] een screenshot van een notitie. De\n\nnotitie luidt \" [naam] 460 poes 115 betaald .230\".\n\nHieruit zou ook kunnen blijken dat met \" [naam] \" [naam] wordt bedoeld. Ook blijkt duidelijk dat het gaat om de handel in harddrugs aangezien er wederom wordt gesproken over \"poes\", hoeveelheden en kosten.\n\nDe naam die gekoppeld is aan het WhatsApp account op de telefoon betreft \" [naam]\n\n \"(=owner).\n\n [contact] ( [telefoonnummer] ) en [contact] ( [telefoonnummer] ) = [naam] , geboren [geboortedag] -2004\n\nUit de groepschat blijkt dat \" [contact] \" [naam] is. \" [contact] ” stuurt op 14 augustus 2024 een\n\nscreenshot waarop de naam [naam] en het telefoonnummer [telefoonnummer] vermeld staan. Het gaat om een bestelling bij iWok & Co.\n\nUit de politiesystemen blijkt ook dat het telefoonnummer [telefoonnummer] gekoppeld is aan\n\n [naam] , geboren [geboortedag] -2004.\n\nUit de chat tussen [contact] , [contact] en owner blijkt dat er ook sprake is van handel in\n\nharddrugs. Owner geeft op 15 augustus 2024 aan dat hij 18 poes heeft gemaakt, [contact] vraagt\n\n\"en sos\". Owner geeft aan dat hij moet vouwen, [contact] vraagt ook nog \"hvl sos is er\n\ngemaakt\", waarop owner aangeeft zo even te gaan tellen. Later geeft owner aan dat hij\n\n166 gemaakt heeft. Hieruit kan blijken dat owner 166 zogenoemde ponypacks met cocaïne heeft gemaakt.\n\n [contact] ( [telefoonnummer] )\n\nUit de chat die gevoerd wordt op 28 augustus 2024 tussen owner en [contact]\n\nblijkt dat het ook gaat om handel in harddrugs. [contact] stuurt een bericht door\n\naan owner van een klant die vraagt \"3 kl [adres] (ken je me keertje matsen\n\nvoor 50?)\". [contact] geeft aan \"Mats maar voor 50\" waarop owner aangeeft \"Eerst\n\nHilversum dan\". Vervolgens gaat het erom dat owner aangeeft dat zij (verwijst\n\nvermoedelijk naar [naam] ) eigenlijk driver is, maar hijzelf ook kan rijden maar\n\neigenlijk spullen moet maken. [contact] vraagt zich af waarom owner spullen moet\n\nmaken omdat er nog 50 plus is. Owner geeft aan dat hij vooruit wil werken.\n\nDe chat eindigt met dat [contact] vraagt hoeveel sos owner haar (vermoedelijk\n\nwederom [naam] ) zo gaat geven. Owner geeft aan \"20 SOS en 10 poes\". Dit stuurt\n\nowner om 12:52 uur.\n\nGezien het feit dat verdachte kort na dit laatste bericht wordt aangehouden met\n\nrespectievelijk 9 gripzakjes en 19 ponypacks op zak lijkt het wederom bevestigd te\n\nworden dat verdachte [verdachte] daadwerkelijk de gebruiker van de telefoon is.\n\n [contact] ( [telefoonnummer] ) = mogelijk [naam] , geboren [geboortedag] -2003\n\nUit de chat die gevoerd wordt op 26 en 27 augustus 2024 tussen owner en [contact] blijkt\n\ndat [contact] wordt aangestuurd door owner om drugs rond te rijden. Uit de chat blijkt dat\n\ner adressen en hoeveelheden drugs worden doorgegeven door owner en door [contact] wordt\n\ndaadwerkelijk bevestigd dat hij de drugs heeft geleverd. [contact] geeft aan dat hij meer\n\nwil verdienen omdat hij het voor het risico niet waard vindt.\n\nUit de politiesystemen blijkt het nummer [telefoonnummer] in gebruik te zijn bij [naam]\n\n , geboren [geboortedag] -2003.\n\n [contact] ( [telefoonnummer] )\n\nUit de chat die gevoerd wordt tussen 28 juli 2024 en 1 augustus 2024 tussen owner\n\nen [contact] blijkt dat [contact] wil weten hoeveel owner nu heeft. Owner geeft\n\naan \"82 packies heb ik zelf, Piraat heeft en driver heeft\". [contact] vraagt dan\n\n\"alles ligt in auto toch\". Dit wordt bevestigd door owner. Vervolgens stuurt owner\n\nnog \"Alle tellies liggen in jou KAMER met ALLEmaal GELUID UIT dus zet ze ook AAN\n\naub??\". Vervolgens vraagt [contact] nog \"Van wie is die oranje pringeld van beneden\n\nen waar is de rest van t geld hoeveel tikkie heb je\". Owner geeft aan nog wat cash\n\nbij zich te hebben en geeft aan dat er nog 850 onder het matras ligt. [contact] wil\n\nweten hoeveel tikkies want hij denkt dat het sowieso heel veel fikkies moeten zijn.\n\nOwner stuurt vervolgens een lijst met 29 leveringen\u002Fbetalingen door. Ook geeft owner\n\ndoor dat hij \"225 tikkie\" heeft en Piraat \"175\". Ook geeft owner aan \"275\" cash te\n\nhebben.\n\nUit de chat blijkt ook dat [contact] instructie geeft aan owner hoe hij de telling\n\nmoet doen. Owner heeft namelijk niet helemaal scherp hoeveel de drivers hebben\n\nverdiend en hoeveel zij nog aan drugs in voorraad hebben.\n\nOwner stuurt nog een afbeelding door. Dit gaat om een betaling van 60 euro op\n\nrekening van [verdachte] , [rekeningnummer] .\n\nOok hieruit kan afgeleid worden, dat de telefoon in gebruik is bij verdachte [verdachte] .\n\nVerder blijkt uit de chat op 29 juli 2024 dat [contact] wil weten of het druk is.\n\nOwner geeft aan dat ze van klant naar klant gaan en ze echt een goede dag hebben en\n\nklanten vinden dat ze echt top spul hebben. Owner vraagt zich af of hij ( [contact] )\n\niets veranderd heeft. [contact] wil weten hoeveel het gisteren was. Owner geeft aan\n\n\"1185\". [contact] vraagt aan owner of hij alle lijsten nog heeft in zijn notities.\n\nOok geeft [contact] aan dat als het thuisbezorgd is owner er een ( [contact] ) achter moet\n\nzetten.\n\nUit de chat blijkt ook dat er wordt aangegeven door [contact] dat owner in\n\ntwee dagen zo'n 3500 gedraaid heeft. Owner geeft aan dat het iets meer was, maar met\n\nonkosten ongeveer 3,5. [contact] zegt hierop \"Terwijl uit de sos die ik had gemaakt\n\nmoet 4200 minimaal uitkomen en dan bereken ik ook nog 20? per packie\" en \"En je hebt\n\nook nog kk veel miauw verkocht\". Owner zegt \"Nee heb alleen 3 miauw bijv vandaag en\n\ndie 30 g behalve gister was een goede dag van rond de 20 tot 30 poes man bro\".\n\nUit deze chat blijkt dat verdachte [verdachte] flinke omzet draait met de verkoop van\n\nharddrugs.\n\n [contact] ( [telefoonnummer] )\n\nUit de chat die gevoerd wordt op 16 augustus 2024 tussen owner en [contact] blijkt dat\n\n [contact] ook wordt aangestuurd door owner om op allerlei locaties drugs af te geven. [contact]\n\nwil weten wat een hele is en wat een halve is. Owner geeft aan dat heel 50 is en half\n\n25, maar dat ze enkel halve hebben. Ook stuurt owner \"Elke Packies is 1 stuk en ik\n\nstuur jou door hoeveel stuks je moet afgeven die berekening doe ik snap je\" en \"Oke\n\nwat je nog meer moet doen is app mij altijd 5 min van te voren als je bij een klant\n\naankomt dan stuur ik hem alvast dat die klaar moet staan soms moet je het ook in de\n\nbrievenbus zetten dan zet ik erbij in welke brievenbus duidelijk\" en \"App me met ik\n\nben er en het is gelukt oke?\" en \"En als je naar een adres gaat een tijd doorgeven\n\naltijd dan kan ik rekening houden met klanten\".\n\nUit de chat kan blijken dat [contact] een nieuwe driver is gezien de instructies die hij\n\nkrijgt van owner. Vervolgens blijkt uit de chat dat [contact] veel drugsleveringen doet.\n\nDan vraagt owner \"Hoevee geld heb je en spullen nog over?\" [contact] geeft aan dat hij 285\n\neuro heeft, 13 sos en 4 miauw.\n\n [contact] ( [telefoonnummer] )\n\nUit de chat die gevoerd wordt op 4 augustus 2024 tussen owner en [contact] blijkt dat\n\nhet gesprek wordt gevoerd tussen broer en zus. Uit de gemeentelijke basisadministratie blijkt dat de zus van verdachte [verdachte] \" [contact] \" heet. Ook stuurt [contact] op verzoek van owner de uitslag van het bloedonderzoek van owner door. De uitslag blijkt geadresseerd te zijn aan verdachte [verdachte] . Wederom wordt dus bevestigd dat de telefoon in gebruik is bij verdachte [verdachte] .\n\nIn de telefoon van verdachte zijn drugsgerelateerde notities aangetroffen die gemaakt zijn tussen 29 juli 2024 en 29 augustus 2024. Er worden adressen, locaties, hoeveelheden, soorten drugs en bedragen genoemd. Ook is genoteerd op welke manier werd betaald. Een aantal van die notities ziet er als volgt uit:\n\nIn notitie 21 die is gemaakt op 12 augustus 2024 staat genoteerd \"[adres] 2 v30 voor parkeren en appen als je er bent hij komt naar de auto( [contact] )\".\n\nIn notitie 20 die is gemaakt op 13 augustus 2024 staat genoteerd \"[adres] 3 v50\n\nstaat daar met een hoogwerker en heeft een zwarte busje\".\n\nIn notitie 17 die is gemaakt op 14 augustus 2024 staat genoteerd \"[adres]\n\n [naam] brievenbus 3 v pof brievenbus zetten\".\n\nUit notitie 15 die is aangemaakt op 16 augustus 2024 blijkt dat de titel genaamd is\n\n\"SOS voorraad\". In deze notitie staan de aantallen 81, 166, 30 en 78 vermeld met\n\ndaaronder te tekst \"355 totaal\". Hieruit kan blijken dat er een voorraad is van 355\n\nverpakkingen cocaïne.\n\nVerdachte heeft verklaard dat hij de rode Audi een paar keer had geleend om mooie vrouwen op te halen. Hij wist dat zijn vingerafdrukken op de drugs zaten die achterin die auto lagen. De dingen die in de auto lagen heeft verdachte erin gelegd. Verdachte maakte ‘packies’ met cocaïne, de rest kreeg hij gewoon binnen. In de omgeving wilde niemand meer rijden, dus uiteindelijk heeft verdachte ook zelf gereden. Hij werd gepusht. Zijn gebruikersnaam op snapchat was ‘ [account - naam] ’ en op Instagram was zijn gebruikersnaam ‘ [verdachte] ’. Hij heeft niet alle gesprekken zelf gevoerd. De notities heeft hij wel zelf geschreven. Hij moest het wel doen, omdat hij geld nodig had om dingen te betalen.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank leidt uit de gesprekken in de telefoon van verdachte af dat het in de gesprekken onmiskenbaar over harddrugs gaat. Dit vindt bevestiging in de verklaring van verdachte. Uit voornoemde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte een significante rol bij de handel in drugs heeft gehad. Hij heeft zowel ‘packies’ cocaïne gemaakt als gefungeerd als driver. Ook blijkt uit de gesprekken dat hij opdrachten kreeg, maar ook zelf opdrachten gaf aan anderen, waaronder drivers. Uit de notities blijkt daarnaast dat het om grote hoeveelheden ging.\n\nDe rechtbank komt, gelet op al het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, tot het oordeel dat verdachte in de periode van 28 juli 2024 tot en met 28 augustus 2024 heeft gedeald in Arnhem en omgeving. Daarnaast heeft hij zichzelf gelegenheid en middelen verschaft tot het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van onder andere cocaïne en heeft hij voorbereidingshandelingen gepleegd samenhangend met de handel in drugs. De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde.\n\nMedeplegen\n\nGelet op voornoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank eveneens wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich ook samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde. Hij heeft ten slotte opdrachten gekregen van anderen, maar ook opdrachten gegeven aan onder andere drivers.\n\nTen aanzien van parketnummer 05-344017-24:\n\nFeit 1\n\nEr is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.\n\nBewijsmiddelen:\n\n- het proces-verbaal van bevindingen, p. 1-2 (aanvullend procesdossier);\n\n- het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, p. 15-19;\n\n- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 juni 2026.\n\nFeit 2\n\nEr is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.\n\nBewijsmiddelen:\n\n- het proces-verbaal van bevindingen, p. 1-2 (aanvullend procesdossier);\n\n- het proces-verbaal van bevindingen, p. 1 (aanvullend procesdossier wapen);\n\n- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 juni 2026.\n\nTen aanzien van parketnummer 05-344649-24:\n\nEr is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.\n\nBewijsmiddelen:\n\n- het proces-verbaal van bevindingen, p. 8-10;\n\n- het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] , p. 13-14;\n\n- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 juni 2026.\n\n3. De bewezenverklaring\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:\n\nonder parketnummer 05-276671-24:\n\n1. hij in of omstreeksde periode 28 juli 2024 tot en met 28 augustus 2024 te Arnhem, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeftverwerkt en\u002Fofverkocht en\u002Fofafgeleverd en\u002Fofverstrekt en\u002Fofvervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 231,02 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n2. hij in of omstreeksde periode van 28 juli 2024 tot en met 28 augustus 2024 te Arnhem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fofte bevorderen, te weten\n\nhet opzettelijk binnen en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen,\n\nhet opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken,verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fofvervoeren, en\u002Fof\n\nhet opzettelijk vervaardigen\n\nvan cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\neen ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en\u002Fofuit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fofom daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fofinlichtingen te verschaffen,\n\nzich en\u002Fofeen ander gelegenheid, middelen en\u002Fofinlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,\n\nvoorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fofandere betaalmiddelen\n\nvoorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fofzijn mededader(s), wist(en)of ernstige reden had(den)om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door\n\n231,02 gram, althans een (grote) hoeveelheid, cocaïne,\n\neen telefoon, waarop gesprekken en notities zijn aangetroffen waaruit blijkt dat er sprake is van handel in drugs en\u002Fof\n\neen autosleutel, behorende tot een auto waarin een grote hoeveelheid cocaïne lag opgeslagen,\n\nvoorhanden te hebben;\n\nonder parketnummer 05-344017-24:\n\n1. hij op of omstreeks2 juli 2024 te Zevenaar opzettelijk heeftgeteeld en\u002Fof bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fofvervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 2,09 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n2. hij op of omstreeks2 juli 2024 te Zevenaar een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en\u002Fofdat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een BB gun, airsoft- en\u002Fof luchtdrukwapen, zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde met een bestaand vuurwapen, te weten een pistool van het merk Glock en\u002Fof Walther, voorhanden heeft gehad;\n\nen onder parketnummer 05-344649-24:hij opof omstreeks8 juli 2024 te Duiven opzettelijk heeftgeteeld en\u002Fof bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt en\u002Fofverkocht en\u002Fofafgeleverd en\u002Fofverstrekt en\u002Fofvervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 3,41 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.\n\nVoor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nWat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.\n\nVerdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\n05-276671-24 feit 1 en 05-344017-24 feit 1 en 05-344649-24:\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;\n\n05-276671-24 feit 2:\n\nmedeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen door zichzelf en een ander gelegenheid tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;\n\n05-344017-24 feit 2\n\nhandelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.\n\n5. De strafbaarheid van de feiten\n\nDe feiten zijn strafbaar.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte\n\nVerdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.\n\n7. De overwegingen ten aanzien van straf en\u002Fof maatregel\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 150 dagen, waarvan 109 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren waarbij als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht zoals geadviseerd wordt opgelegd. Dit met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. Daarnaast vordert de officier van justitie dat verdachte zal worden veroordeeld tot het verrichten van 150 uren werkstraf subsidiair 75 dagen hechtenis.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte op te leggen, gelet op het reclasseringsadvies van 27 maart 2026 en gelet op de reeds in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd. Daarnaast is verzocht om geen geldboete op te leggen in verband met de schuldenproblematiek. Voorts verzoekt de verdediging om de overschrijding van de redelijke termijn in strafmatigende zin mee te laten wegen alsmede het feit dat verdachte lange tijd met succes in een strak schorsingskader heeft gelopen.\n\nDe beoordeling door de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.\n\nVerdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het onder meer in samenwerking met anderen (her)verpakken en dealen van cocaïne en aan het vervoeren van cocaïne die, gezien de hoeveelheid en de wijze waarop de drugs waren verpakt, voor het dealen op straat waren bestemd. Uit de gegevens die zijn verkregen uit de bij verdachte in beslag genomen telefoons blijkt dat verdachte aan een groot aantal afnemers gedurende langere tijd harddrugs heeft verkocht. Daarmee vervulde verdachte overduidelijk een belangrijke rol in de handel in harddrugs. Bij zijn aanhouding op 2 juli 2024 had verdachte bovendien een wapen bij zich.\n\nHandel in harddrugs dient krachtig bestreden te worden, nu het gebruik daarvan gevaar oplevert voor de gezondheid van de gebruikers en kan leiden tot verslaving. Het gebruik van en de handel in drugs leiden bovendien direct en indirect tot vele vormen van criminaliteit en zijn zo een bron van overlast voor de samenleving. Verdachte heeft door zijn handelen hieraan bijgedragen. Verdachte heeft daarbij alleen oog gehad voor zijn eigen financiële gewin, zonder stil te staan bij de nadelige consequenties van zijn gedrag voor anderen.\n\nMet betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het strafblad van verdachte van 8 mei 2026, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke delicten.\n\nVoorts heeft de rechtbank kennis genomen van het reclasseringsrapport van 27 maart 2026.\n\nDe reclassering ziet de leefgebieden dagbesteding, financiën, sociaal netwerk, psychosociaal functioneren en houding als delictgerelateerde factoren. De belangrijkste criminogene factor is dat verdachte al vanaf jonge leeftijd in aanraking is gekomen met een crimineel netwerk, waardoor hij zich destijds negatief heeft laten beïnvloeden. Hij heeft al eerder getracht om afstand te nemen van dit netwerk, maar dat was lastig omdat er sprake was van straatschulden. Desalniettemin heeft verdachte de afgelopen periode een positieve ontwikkeling doorgemaakt, waarbij hij tevens afstand heeft genomen van het eerder genoemde criminele netwerk. Verdachte heeft ADD (attention deficit disorder) en hij heeft een traumatische jeugd gehad die van invloed is geweest op zijn ontwikkeling. De reclassering vindt de houding van verdachte ook beschermend, omdat hij de afgelopen periode een positieve ontwikkeling heeft doorlopen en bereid blijft om mee te werken aan een traject bij de reclassering. Ook het leefgebied dagbesteding wordt als beschermende factor gezien, omdat verdachte een vaste baan heeft waar hij structuur en voldoening uit haalt en waarmee hij genoeg verdient om zich niet meer te laten verleiden door het negatieve netwerk om delictgedrag te vertonen. Verdachte ambieert een gezonde levensstijl en is inmiddels abstinent van middelen. Het recidiverisico wordt ingeschat als gemiddeld. De reclassering adviseert volwassenenstrafrecht toe te passen. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een meldplicht, ambulante behandeling, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, dagbesteding en beheersing van middelengebruik. De reclassering adviseert om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, omdat verdachte dan zijn werk kan verliezen, waardoor de kans op recidive zal toenemen. De rechtbank houdt rekening met deze adviezen van de reclassering.\n\nBij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting zoals vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Voor het met enige regelmaat dealen van harddrugs vanuit een pand of op straat gedurende één tot drie maanden is het oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden en voor het vervoeren van 200 tot 500 gram harddrugs is het oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is voor de bewezenverklaarde feiten een gevangenisstraf passend en geboden. De rechtbank houdt in zoverre rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het advies van de reclassering dat zij een deel hiervan voorwaardelijk op zal leggen en dat de duur van het onvoorwaardelijk strafdeel gelijk zal worden gesteld aan het voorarrest van verdachte, zodat hij niet terug hoeft naar de gevangenis. De rechtbank zal daarnaast een taakstraf opleggen aan verdachte.\n\nAlles overziend acht de rechtbank – in overeenstemming met de eis van de officier van justitie – passend en geboden een gevangenisstraf van 150 dagen met aftrek van de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan 109 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Aan het voorwaardelijke deel van de straf zal de rechtbank de voorwaarden verbinden zoals door de reclassering is geadviseerd. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte opleggen een taakstraf van 150 uur, subsidiair 75 dagen hechtenis.\n\nDe rechtbank heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.\n\n8. De toegepaste wettelijke bepalingen\n\nDe oplegging van de straf en\u002Fof maatregel is gegrond op de artikelen:\n\n- 9, 14 a, 14b, 14c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;\n\n- 2, 10 en 10a van de Opiumwet;\n\n- 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.\n\n9. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;\n\n verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;\n\n verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;\n\n verklaart verdachte hiervoor strafbaar;\n\n veroordeelt verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van150 dagen;\n\nbepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 109 dagen,niet ten uitvoerzal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van deproeftijd van twee jarenniet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden:\n\nstelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\n stelt als bijzondere voorwaarden dat:\n\nverdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich binnen 3 dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering IrisZorg op het adres Nieuwe Oeverstraat 65 te Arnhem, telefoonnummer: 088-6061311. De reclassering zal contact met verdachte opnemen voor de eerste afspraak;\n\nverdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Kairos of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op (psychische problematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden en\u002Fof andere problematiek). Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;\n\nverdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft bij Zorgtrium of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf is gestart op 16 maart 2026. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;\n\nverdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;\n\nverdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en\u002Fof het gebruik te leren beheersen van verdovende middelen, genoemd in lijst I harddrugs (cocaïne) in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;\n\ngeeft opdracht aan de Reclassering IrisZorg om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.\n\nHierbij gelden als voorwaarden dat verdachte:\n\nmeewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;\n\nmeewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;\n\n beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\n legt op een taakstrafvan150 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 75 dagen;\n\n heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis;\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J.L. Wesstra (voorzitter), mr. C.H. van Breevoort-de Bruin en mr. Y.H.M. Marijs rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.F. Brouwer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 juni 2026.\n\nMr. C.H. van Breevoort-de Bruin en mr. C.F. Brouwer zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 3] van de politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024402591, gesloten op 15 december 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.\n\n Proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, p. 262-275, rapport NFiDENT, p. 276-278, de verklaring van verdachte ter terechtzitting d . d . 8 juni 2026.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 26-27, NFI rapport DNA-onderzoek, p. 121-124, proces-verbaal vooronderzoek lab, p. 2-11 (aanvullend PV), proces-verbaal conclusie onderzoek dactyloscopische sporen, p. 12-13, de verklaring van verdachte ter terechtzitting d . d . 8 juni 2026.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 16-17.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 20.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 26-28.\n\n Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 37-41.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 45, proces-verbaal van bevindingen, p. 89-92 (met bijlagen).\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 47-48 (met bijlagen, p. 50- 84).\n\n De verklaring van verdachte ter terechtzitting d . d . 8 juni 2026.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 4] van de politie Eenheid Oost-Nederland, vvc IJsselwaarden\u002FRivierenland-Oost opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024306039 gesloten op 31 oktober 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 5] van de politie Eenheid Landelijke Expertise en Operaties, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024316184, gesloten op 19 juli 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5354","2026-07-13T00:28:22.436Z",{"id":164,"ecli":165,"slug":166,"caseNumber":43,"courtId":167,"decisionDate":168,"fullText":169,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":170,"sourceTimestamp":141,"parsedAt":50,"updatedAt":171},"904","ECLI:NL:RBOVE:2026:3710","ecli-nl-rbove-2026-3710",78,"2026-06-26T00:00:00.000Z","RECHTBANKOVERIJSSEL\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Enschede\n\nZaaknummer: 12215064 \\ CV EXPL 26-1307\n\nVonnis in kort geding van 26 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nWONINGSTICHTING DE WOONPLAATS,\n\nte Enschede,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: De Woonplaats,\n\ngemachtigde: mr. M. Douwenga,\n\ntegen\n\nSTICHTING HUMANITAS INKOMENSBEHEER,\n\nte Purmerend,\n\nin hoedanigheid van bewindvoerder van alle goederen van\n\n [betrokkene],\n\nwonende te [woonplaats],\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: Stichting Humanitas,\n\ngemachtigde: mr. A. aan het Rot.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties; - de mondelinge behandeling van 12 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Woningstichting De Woonplaats verhuurt met ingang van 9 februari 2021 aan [betrokkene] de woning aan de [adres]. Op de huurovereenkomst zijn van toepassing de Algemene Huurvoorwaarden van De Woonplaats, maar ook andere met [betrokkene] gemaakte specifieke afspraken die kort gezegd zien op het goed moeten onderhouden van de woning, op geen overlast veroorzaken en op het accepteren van hulpverlening. Dit nadat [betrokkene] in een vorige woning van De Woonplaats aanzienlijke overlast veroorzaakte.\n\n2.2.. Vanaf 2025 ontvangt De Woonplaats veel meldingen van diverse omwonenden. De meldingen gaan kort gezegd over geluidsoverlast, schelden, alcohol en\u002Fof drugsgebruik, drugshandel\u002F drugsverkeer en vernieling.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n\nDe Woonplaats vordert samengevat- ontruiming van de woning. In de dagvaarding bespreekt De Woonplaats onder meer de vele meldingen van omwonenden en de contacten die zij heeft gehad met de Politie. Al kort na het ingaan van de huurovereenkomst komt [betrokkene] de overeengekomen voorwaarden niet na. Zij komt afspraken voor huisbezoeken niet na, de woning wordt niet goed onderhouden en schoongemaakt, het raam van de voordeur wordt door haar ex-partner ingeslagen maar zij maakt hiervan geen melding etc.\n\nVanaf 2026 ging het snel bergafwaarts. Sommige omwonenden ervaren dagelijks overlast. De Woonplaats heeft gepoogd om een huisbezoek met [betrokkene] af te spreken maar dit werd twee keer afgezegd. Er is sprake van drugsgebruik door haar en de staat van de woning is ook zorgelijk. Volgens de Politie, die in mei 2026 in de woning is geweest naar aanleiding van één van de vele meldingen, ligt de hele woning in puin. De Woonplaats heeft [betrokkene] verzocht zelf de huurovereenkomst op te zeggen maar hierop is niet gereageerd. De Woonplaats vordert ontruiming van de woning vooruitlopend op ontbinding van de huurovereenkomst in een eventuele bodemprocedure. Het is vaste jurisprudentie dat het veroorzaken van overlast als hier aan de orde en het verwaarlozen van het gehuurde een tekortkoming oplevert die ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt.\n\n3.2.. \n\nStichting Humanitas voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van De Woonplaats, met veroordeling van De Woonplaats in de kosten van deze procedure.\n\nStichting Humanitas betwist het spoedeisend belang. Het is al anderhalve maand rustig, twee overlastmelders zijn inmiddels verhuisd, en het feit dat De Woonplaats de woning aan een ander wil verhuren is niet valide. De zaak is ook niet geschikt voor behandeling in kort geding. De Woonplaats onderbouwt de overlast met anonieme meldingen en die meldingen kunnen niet worden nagegaan. Stichting Humanitas betwist de overlastsituatie en de zorgelijke staat van het gehuurde. Stichting Humanitas wijst er op dat [betrokkene] stelt uitgezaaide kanker te hebben. Als tot ontruiming moet worden overgegaan dan dient de termijn verlengd te worden tot minimaal vier weken.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. \n\nDe goederen van [betrokkene] staan onder bewind van Stichting Humanitas.\n\nDe uit de huurovereenkomst voortvloeiende rechten van de rechthebbende ([betrokkene]) zijn aan te merken als goederen in de zin van art. 1:431 lid 1 BW. De bewindvoerder treedt ten behoeve van de rechthebbende op als formele procespartij in een procedure betreffende een door de verhuurder gevorderde (ontbinding van de huurovereenkomst en) ontruiming van het gehuurde (Hoge Raad 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:525).\n\n4.2.. De kantonrechter overweegt dat de onderhavige vordering slechts toegewezen kan worden als het zeer waarschijnlijk is dat in de bodemprocedure zal worden geoordeeld dat de huurovereenkomst zal worden ontbonden en dat de ontruiming zal worden toegewezen, terwijl bovendien sprake moet zijn van een zodanig ernstige tekortkoming dat de beslissing in de bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Dit gelet op het definitieve karakter van de beslissing. Bij de beoordeling dienen alle omstandigheden van het geval meegewogen te worden.\n\n4.3.. De kantonrechter is, anders dan Stichting Humanitas, van oordeel dat er sprake is van een spoedeisend belang van De Woonplaats bij haar vorderingen. De Woonplaats heeft met de overgelegde meldingen en videobeelden voldoende aannemelijk gemaakt dat omwonenden ernstige overlast ervaren en dat twee omwonenden zelfs al hierom zijn verhuisd. Van De Woonplaats kan onder deze omstandigheden niet worden gevergd een bodemprocedure af te wachten.\n\n4.4.. De vele meldingen en videobeelden zijn inhoudelijk ook niet dan wel onvoldoende door Stichting Humanitas betwist. [betrokkene] zelf is door de bewindvoerder dan wel de gemachtigde uitgenodigd voor de zitting, om hierop een toelichting te geven, maar zij is niet verschenen. De op de foto’s zichtbare beschadigingen aan het gehuurde en de melding van de Politie afgelopen mei dat de woning binnen “in puin ligt” doet het ergste vermoeden qua staat van het gehuurde. De kantonrechter neemt in de beoordeling ook mee dat het hier al om een tweede kans gaat, om in een woning van De Woonplaats te wonen zonder de woning te verwaarlozen en overlast te veroorzaken.\n\n4.5.. De kantonrechter is er voldoende van overtuigd dat de tekortkomingen van [betrokkene]\u002FStichting Humanitas zullen leiden tot ontbinding van de huurovereenkomst in een eventuele bodemprocedure. Daarop vooruitlopend kan in dit kort geding vast de ontruiming worden bevolen. De situatie is daarvoor ernstig genoeg. Dat [betrokkene] uitgezaaide kanker heeft is wel gesteld maar niet onderbouwd, terwijl De Woonplaats ook al eens om die onderbouwing heeft gevraagd (en deze niet heeft gekregen). Er is evenmin aanleiding af te wijken van de standaard ontruimingstermijn van twee weken.\n\n4.6.. De vordering van De Woonplaats zal daarom als volgt worden toegewezen. Stichting Humanitas is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Woningstichting de Woonplaats worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n155,51\n\n- griffierecht\n\n€\n\n139,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n865,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.303,51\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. veroordeelt Stichting Humanitas om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de woning aan de [adres] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, in goede staat op te leveren en deze ontruimd te houden, en de sleutels af te geven aan De Woonplaats,\n\n5.2.. veroordeelt Stichting Humanitas in de proceskosten van € 1.303,51, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,\n\n5.3.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. A.J. Louter en in het openbaar uitgesproken op\n\n26 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3710","2026-07-13T00:28:53.890Z",{"id":173,"ecli":174,"slug":175,"caseNumber":43,"courtId":63,"decisionDate":168,"fullText":176,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":177,"sourceTimestamp":178,"parsedAt":50,"updatedAt":179},"1820","ECLI:NL:RBROT:2026:7841","ecli-nl-rbrot-2026-7841","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10-140095-21\n\nDatum uitspraak: 26 juni 2026\n\nDatum zitting: 12 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1989 in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven op het adres [adres] , [postcode] te [woonplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. A.W.J. van der Meer\n\nOfficier van justitie: mr. R.S. Dhoen\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte heeft zich in de periode van 7 maart 2020 tot en met 4 februari 2021 samen met anderen schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor de invoer van en handel in cocaïne. De verdachte was werkzaam bij [bedrijf] en had daardoor de beschikking over loslijsten, containernummers en informatie over douanecontroles. Deze informatie heeft hij gedeeld met zijn mededaders. Ook heeft hij zich schuldig gemaakt aan niet-ambtelijke corruptie en het overnemen van niet-openbare gegevens. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn, wordt opgelegd een taakstraf voor de duur van 240 uren en een geldboete van € 10.000,-.1. Tenlastelegging\n\nDe tenlastelegging houdt in dat de verdachte\n\n1.\n\nin of omstreeks de periode van 1 januari 2020 tot en met 7 maart 2023 te Rotterdam, althans in Nederland\n\ntezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,\n\nom een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen,\n\nte weten\n\n- het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen, waaronder zoals bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet,\n\n- het opzettelijk afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren van cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,\n\n- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en\u002Fof uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen,\n\n- zich en\u002Fof een ander gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,\n\n- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,\n\ndoor\n\n- met één of meer mededader(s) contacten te onderhouden en\u002Fof informatie uit te wisselen en\u002Fof afspraken te maken over het afleveren en\u002Fof uithalen en\u002Fof verstrekken en\u002Fof vervoeren van de cocaïne, en\u002Fof\n\n- aan zijn mededader(s) informatie te verschaffen met betrekking tot douanecontroles, en\u002Fof\n\n- aan zijn mededader(s) foto’s te verstrekken van loslijsten en containernummers;\n\n2.\n\nop één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2020 tot en met 7 maart 2023 te Rotterdam, althans in Nederland\n\nanders dan als ambtenaar, te weten als planner en dispatcher, werkzaam zijnde in dienstbetrekking bij [bedrijf] , naar aanleiding van hetgeen hij, verdachte, in strijd met zijn plicht in zijn betrekking heeft gedaan of nagelaten dan wel zou doen of nalaten,\n\n(meermalen, althans éénmaal) een gift, belofte en\u002Fof dienst, te weten geld, heeft aangenomen en\u002Fof heeft gevraagd, terwijl hij verdachte dit aannemen en\u002Fof vragen in strijd met de goede trouw heeft verzwegen tegenover zijn werkgever;\n\n3.\n\nop één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2020 tot en met 7 maart 2023 te Rotterdam, althans in Nederland\n\nmeermalen, althans éénmaal, (telkens) opzettelijk en wederrechtelijk niet-openbare gegevens, te weten informatie met betrekking tot één of meer containerschepen en\u002Fof containers en\u002Fof douanecontroles, die waren opgeslagen door middel van een geautomatiseerd werk (te weten het computersysteem van [bedrijf] ), voor zichzelf en\u002Fof voor een ander heeft overgenomen.2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat alle feiten bewezen worden verklaard.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nTen aanzien van feit 1 dient de verdachte te worden vrijgesproken van wat is tenlastegelegd onder de eerste, tweede, derde en vijfde gedachtestreepjes. Ten aanzien van de feiten 2 en 3 is er onvoldoende bewijs dat er daadwerkelijk giften zijn aangenomen en moet vrijspraak volgen.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring, bewijsmiddelen en bewijsmotivering\n\nDe bewezenverklaring staat hieronder en is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen en de nadere bewijsmotivering. Dit verkorte vonnis bevat geen bewijsmiddelen. Als hoger beroep wordt ingesteld, zal het vonnis worden aangevuld met een bijlage met daarin de inhoud van de bewijsmiddelen.2.3.2.. \n\nNadere bewijsmotivering\n\nIdentificatie verdachte\n\nOp grond van de bewijsmiddelen wordt vastgesteld dat de verdachte de gebruiker was van de Sky ECC accounts met gebruikersnamen [gebruikersnaam 1] en [gebruikersnaam 2] . De verdachte heeft via deze accounts informatie verschaft over douanecontroles, loslijsten en containernummers aan zijn medeverdachten. Hiertoe heeft de verdachte foto’s verstuurd van gegevens en systemen van zijn toenmalige werkgever [bedrijf] .\n\nRol verdachte\n\nVoorts blijkt uit de bewijsmiddelen het volgende over de rol van de verdachte. Op basis van de door de verdachte verstrekte informatie met betrekking tot douanecontroles, loslijsten en containernummers werd onder meer besloten of cocaïne zou worden meegestuurd (geshoot) met een reguliere lading. Daarnaast kon de verdachte de blokkade van containers eraf halen als deze op ‘rood’ binnenkwamen, dat wil zeggen voor controle in aanmerking kwamen. Ook kon de verdachte van binnenuit de poort voor de uitsluis van het haventerrein openen. De verdachte heeft hierover gecommuniceerd met de medeverdachten.\n\nFinanciële beloning\n\nAnders dan de verdachte heeft verklaard, volgt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte geld heeft ontvangen of heeft gevraagd aan de medeverdachten voor de diensten die hij heeft verleend of zou verlenen. Zo stuurde de verdachte onder meer de berichten ‘Ik moet even met mijn maat praten hierover. En kijken hoe het met geld zit, als het de moeite waard is om potentieel ontslagen te worden’, ‘Ik doe mijn best. Maar als iedereen blijft pushen om dingen, bro ik heb nog geen euro gezien hé’, ‘Zit ik zonder baan. Omdat je ff 1x doekoe wou pakken. dat is toch niet slim man. Kunnen we straks jaren knallen’, en ‘Je weet zelf dat je overdrijft he, niemand wilt geen shit met jou doen omdat je altijd slecht betaald heb, wie is de enige die nog kwam checken bij je of je nog kon shooten? Precies ik ben dat’. Gelet hierop constateert de rechtbank dat vaststaat dat er een financiële vergoeding tegenover het verschaffen van de informatie stond of zou staan. Bovendien is het een feit van algemene bekendheid dat tegenover het leveren van dergelijke (criminele) diensten door havenmedewerkers (hoge) vergoedingen staan.2.3.3.. \n\nBewezenverklaring\n\nBewezen is dat de verdachte:\n\nFeit 1\n\nin de periode van 7 maart2020 tot en met21 februari 2021in Nederland\n\ntezamen en in vereniging met anderen,\n\nom een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen,\n\nte weten\n\n- het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne, zoals bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet,\n\n- het opzettelijk afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren van cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,\n\n- zich en\u002Fof een ander gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,\n\ndoor\n\n- met één of meer mededaders contacten te onderhouden en\u002Fof informatie uit te wisselen en\u002Fof afspraken te maken over het afleveren en\u002Fof uithalen en\u002Fof verstrekken en\u002Fof vervoeren van de cocaïne, en\n\n- aan zijn mededaders informatie te verschaffen met betrekking tot douanecontroles, en\n\n- aan zijn mededaders foto’s te verstrekken van loslijsten en containernummers;\n\nFeit 2\n\nop tijdstippen in de periode van 7 maart2020 tot en met21 februari 2021in Nederland, anders dan als ambtenaar, te weten als planner en dispatcher, werkzaam zijnde in dienstbetrekking bij [bedrijf] , naar aanleiding van hetgeen hij, verdachte, in strijd met zijn plicht in zijn betrekking heeft gedaan of nagelaten dan wel zou doen of nalaten, meermalen een gift, te weten geld, heeft aangenomen en\u002Fof heeft gevraagd, terwijl hij verdachte dit aannemen en\u002Fof vragen in strijd met de goede trouw heeft verzwegen tegenover zijn werkgever;\n\nFeit 3\n\nop tijdstippen in de periode van 7 maart2020 tot en met21 februari 2021te Rotterdam, meermalen, telkens opzettelijk en wederrechtelijk, niet-openbare gegevens, te weten informatie met betrekking tot één of meer containerschepen en\u002Fof containers en\u002Fof douanecontroles, die waren opgeslagen door middel van een geautomatiseerd werk (te weten het computersysteem van [bedrijf] , voor zichzelf en\u002Fof voor een ander heeft overgenomen.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nDe bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:\n\nFeit 1\n\nmedeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;\n\nFeit 2\n\nanders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking, naar aanleiding van hetgeen hij in strijd met zijn plicht in zijn dienstbetrekking heeft gedaan\u002Fnagelaten, dan wel zal doen of nalaten, een gift aannemen dan wel vragen, bestaande het handelen in strijd met zijn plicht uit het in strijd met de goede trouw verzwijgen tegenover zijn werkgever van het aannemen dan wel vragen van een gift, meermalen gepleegd;\n\nFeit 3\n\nopzettelijk en wederrechtelijk niet-openbare gegevens die zijn opgeslagen door middel van een geautomatiseerd werk, voor zichzelf of voor een ander overnemen, meermalen gepleegd.\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van de feiten en van de verdachte\n\nDe feiten en de verdachte zijn strafbaar.4. Straffen4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet voor de feiten 1, 2 en 3 worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 1 jaar.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nHet onderzoek aan de telefoon van de verdachte en de daarin opgeslagen gegevens is onrechtmatig , nu deze onderzoeken niet zijn getoetst door een rechterlijke instantie. De verdediging verwijst hierbij naar de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 oktober 2024 in de zaak CG\u002FBezirkhauptmannschaft Landeck (hierna te noemen: de Landeck-uitspraak). Er is een meer dan beperkte inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer. Ter compensatie van de zwaarte van de inbreuk dient een matiging van de op te leggen straf te volgen.\n\nBij een bewezenverklaring is het opleggen van een taakstraf de meest passende strafmodaliteit. Het bij de verdachte inbeslaggenomen geldbedrag zou kunnen worden gebruikt voor het voldoen van een geldboete.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft zich in de periode van 7 maart 2020 tot en met 4 februari 2021 samen met anderen schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor de invoer van en handel in cocaïne. De verdachte was werkzaam bij [bedrijf] en had daardoor de beschikking over loslijsten, containernummers en informatie over douanecontroles. Deze informatie heeft hij gedeeld met zijn mededaders. Ook heeft hij zich schuldig gemaakt aan niet-ambtelijke corruptie en het overnemen van niet-openbare gegevens. Voor het ter beschikking stellen van de gegevens heeft de verdachte gelden ontvangen en\u002F of gevraagd.\n\nMet zijn handelen was de verdachte een belangrijke schakel in de invoer van harddrugs via de Rotterdamse haven. Harddrugs vormen een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid en de handel daarin gaat vaak gepaard met andere vormen van ernstige (gewelds)criminaliteit. Dit vergroot de gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Daarnaast heeft de verdachte, door informatie te delen, het vertrouwen van zijn werkgever ernstig geschaad. Omkoping heeft een ondermijnend en corrumperend karakter ten opzichte van de samenleving en een negatieve invloed op het (internationale) handelsverkeer en de integriteit hiervan. De verdachte lijkt uitsluitend gedreven te zijn geweest door eigen gewin.\n\n4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 15 mei 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.\n\nRapport van de reclassering\n\nIn het rapport van Reclassering Nederland van 11 juni 2026 staat het volgende.\n\nDe verdachte kan zelf geen duidelijk motief geven voor zijn handelen. Dit gebrek aan inzicht kan een risico zijn. De reclassering ziet verder dat er geen financiële noodzaak was voor het plegen van het delict. Dit wekt het vermoeden dat de verdachte mogelijk puur uit winstbejag heeft gehandeld.\n\nAnderzijds ziet de reclassering ook voldoende beschermende factoren. De verdachte is op 7 maart 2023 aangehouden en diezelfde dag weer op vrije voeten gesteld. [bedrijf] heeft hem ontslagen maar hij is sinds september 2023 elders werkzaam en heeft een inkomen uit arbeid en een vast contract. Daarnaast heeft hij geen problematische schulden, een koopwoning, goede partnerrelatie en de zorg voor twee nog jonge kinderen. Ook is er sprake van een positief ondersteunend familienetwerk. Er zijn ook geen aanwijzingen van verslavingsproblematiek of psychische dan wel psychiatrische problematiek.\n\nGelet op het bovenstaande en omdat de verdachte de druk van justitie als zwaar ervaart, en hij beseft dat hij veel te verliezen heeft, hij de risicovolle werkomgeving heeft verlaten en hij geen contact meer heeft met mensen uit het criminele netwerk, wordt het risico op recidive ingeschat als laag.\n\nBij een veroordeling adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden. Zij zien geen meerwaarde in het adviseren van een reclasseringstoezicht met gedragsinterventies. Na het plegen van het onderhavig delict is de verdachte niet meer in aanraking gekomen met justitie. Daarnaast zijn er voldoende stabiele factoren aanwezig en heeft de verdachte geen hulpvraag voor de reclassering.4.3.3.. \n\nRedelijke termijn\n\nDe verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 7 maart 2023, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode van 3 jaar, 3 maanden en 20 dagen verstreken.\n\nOmdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn van berechting in deze zaak twee jaar. Dat betekent dat die redelijke termijn is geschonden. Daarom heeft dit gevolgen voor de op te leggen straf.4.3.4.. \n\nHet onderzoek aan de telefoon van verdachte\n\nIn het opsporingsonderzoek is de telefoon van de verdachte in beslag genomen op 7 maart 2023. Deze telefoon is met toestemming van de officier van justitie uitgelezen en de verkregen gegevens zijn onderzocht. Daaruit is voor de verdachte vrij veel belastend bewijsmateriaal naar voren gekomen.\n\nDe Landeck-uitspraak ziet op het onderzoek aan gegevensdragers en de inbreuk die zo’n onderzoek oplevert op de grondrechten die door artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie gewaarborgd worden. Daaruit volgt dat toestemming van een officier van justitie niet volstaat: een rechter of een onafhankelijke bestuurlijke autoriteit moet een voorafgaande toetsing doen en een machtiging afgeven zodra sprake is van meer dan een beperkt onderzoek aan de gegevensdrager. De Hoge Raad is vervolgens ingegaan op de betekenis van deze uitspraak voor de Nederlandse opsporingspraktijk met het arrest van 18 maart 2025, gepubliceerd onder ECLI:NL:HR:2025:409. De Hoge Raad heeft in dit arrest eerdere rechtspraak bijgesteld.\n\nGelet op deze jurisprudentie stelt de rechtbank vast dat in de onderhavige zaak sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek. De officier van justitie had (achteraf bezien) de rechter-commissaris om een toetsing moeten vragen en zijn of haar machtiging moeten hebben voor het onderzoek aan de telefoon van de verdachte. Die rechterlijke toestemming is er niet , terwijl het onderzoek aan de telefoon van de verdachte meer dan beperkt was. Dat kan niet achteraf worden gecorrigeerd. Uit de Nederlandse uitspraken naar aanleiding van de Landeck-uitspraak volgt echter dat het enkele gegeven dat de privacy zonder voorafgaande rechterlijke toets is geschonden niet zonder meer moet leiden tot bewijsuitsluiting of matiging van de op te leggen straf. Er zijn in deze zaak geen bijzondere omstandigheden die maken dat in dit geval anders moet worden geoordeeld. Daarom zal worden volstaan met het enkele constateren van het vormverzuim.4.3.5.. \n\nOplegging straffen\n\nGelet op de ernst van de strafbare feiten zou een gevangenisstraf passend zijn. De rechtbank acht dit echter in dit geval niet op zijn plaats gelet op de volgende omstandigheden. De feiten zijn ongeveer 5 à 6 jaar geleden gepleegd. Sindsdien is de verdachte niet meer in aanraking gekomen met justitie. De verdachte heeft tijdens de zitting de verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen en daarover openheid van zaken gegeven. De rechtbank houdt ook rekening met het aandeel van de verdachte bij de strafbare feiten. Hoewel de rol van de verdachte in het geheel belangrijk was, lijkt de bijdrage van de verdachte in omvang vrij beperkt. Verder heeft de verdachte ook persoonlijk de consequenties van zijn handelen ervaren. Hij is zijn baan en bijbehorend sociaal netwerk verloren en heeft zijn leven in de afgelopen jaren opnieuw moeten opbouwen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte met name vanuit winstbejag heeft gehandeld. De rechtbank acht het daarom passend en geboden dat hij financieel de gevolgen van zijn handelen draagt en legt, naast de hierna te noemen verbeurd verklaring van het geldbedrag van € 6.255,-, een geldboete op van € 10.000,-. Daarnaast wordt een taakstraf opgelegd van 240 uur.5. In beslag genomen voorwerpen (verbeurdverklaring)5.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe in beslag genomen iPhone en het contante geldbedrag van € 6.255,-, moet worden verbeurd verklaard.5.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe iPhone kan worden verbeurdverklaard. Het inbeslaggenomen geldbedrag zou kunnen worden gebruikt voor het voldoen van een geldboete.5.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nAls bijkomende straf voor de feiten 1, 2 en 3 worden de in beslag genomen iPhone (met goednummer [goednummer 1] ) en een contant geldbedrag van € 6.255,- (met goednummer [goednummer 2] ) verbeurd verklaard. Hierbij houdt de rechtbank rekening met de draagkracht van de verdachte.\n\nDe iPhone en het geldbedrag van € 6.255,- zijn vatbaar voor verbeurdverklaring.\n\nDe iPhone en het geldbedrag van € 6.255,- behoren aan de verdachte toe.\n\nAangenomen wordt dat het geldbedrag van € 6.255,- uit de baten van de strafbare feiten is verkregen.\n\nDe strafbare feiten zijn met behulp van de iPhone gepleegd.6. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straffen is gebaseerd op de artikelen 9, 23, 24c, 33, 33a, 47, 57, 60, 138c en 328ter van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10a van de Opiumwet.7. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2 en 3, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraffen\n\nTaakstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 240 uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de taakstraf volgens de maatstaf van twee uur per dag, zodat 236 uur taakstrafmoet worden verricht;\n\nbeveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van 118 dagen;\n\nGeldboete\n\nveroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 10.000,-;\n\nbeveelt dat, voor het geval de geldboete niet wordt betaald en geen verhaal mogelijk is, vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van75 dagen;\n\nVerbeurdverklaring\n\nverklaart verbeurd voor de feiten 1, 2 en 3 de in beslag genomen:\n\n- grijze iPhone (met goednummer [goednummer 1] ); en\n\n- contant geldbedrag van € 6.255,- (met goednummer [goednummer 2] ).\n\n8. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. L. Feraaune, voorzitter,\n\nen mrs. M.K. Asscheman-Versluis en H. Wielhouwer, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. E.D. Bijl, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 26 juni 2026.\n\nMrs. L. Feraaune en H. Wielhouwer zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7841","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:40.358Z",{"id":181,"ecli":182,"slug":183,"caseNumber":43,"courtId":184,"decisionDate":185,"fullText":186,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":187,"sourceTimestamp":64,"parsedAt":50,"updatedAt":188},"1346","ECLI:NL:GHSHE:2026:1787","ecli-nl-ghshe-2026-1787",72,"2026-06-25T00:00:00.000Z","Parketnummer : 20-000539-23\n\nUitspraak : 25 juni 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof\n\n's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 8 februari 2023, in de strafzaak met parketnummer 01-993318-21 tegen:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1967,\n\nwonende te [adres] .\n\n1. Hoger beroep\n\nBij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het tenlastegelegde bewezenverklaard, dit gekwalificeerd als ‘deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde, vijfde lid en 10a eerste lid van de Opiumwet’, de verdachte hiervoor strafbaar verklaard en toepassing gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende dat de verdachte ter zake schuldig is verklaard zonder dat aan hem daarvoor een straf is opgelegd.\n\nDe officier van justitie heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.\n\n2. Onderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden en een geldboete ter hoogte van € 40.000,00 subsidiair een door het hof te bepalen duur aan vervangende hechtenis.\n\nDe verdediging heeft primair bepleit dat het hof de officier van justitie niet-ontvankelijk zal verklaren in de vervolging. Subsidiair heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof voor wat betreft het door de rechtbank bewezenverklaarde en een straftoemetingsverweer gevoerd, en gelet hierop bepleit dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.\n\n3. Ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging\n\nDe verdediging heeft bepleit dat het hof (alsnog) de officier van justitie niet-ontvankelijk zal verklaren. Daartoe is – kort weergegeven – het volgende aangevoerd.\n\nAan de verdachte is in de onderhavige zaak tenlastegelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan deelneming aan een criminele organisatie in de zin van de Opiumwet. Deze tenlastelegging is uitsluitend gebaseerd op de Opiumwetfeiten waarvoor de verdachte reeds in de onderzoeken Hammond I (het lab in Zaandam ) en Hammond II (het hof begrijpt: 26Bluffton; het lab in Montfoort ) – is veroordeeld.\n\nDaarmee bestaat geen wezenlijk verschil tussen de tenlastegelegde concrete handelingen en gedragingen van de verdachte in de onderhavige zaak enerzijds, en de tenlastegelegde (en bewezenverklaarde) gedragingen van de verdachte in de zaken Hammond I en 26Bluffton anderzijds. Dit maakt dat – in de onderhavige zaak – sprake is van een vervolging die in strijd is met het ne bis in idem-beginsel dan wel met de beginselen van een behoorlijke procesorde, aldus de verdediging.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nIn zijn arrest van 23 maart 2021 (ECLI:NL:HR:2021:387) heeft de Hoge Raad – voor zover relevant – als volgt overwogen:\n\n“3.3.2\n\nWanneer (…) de eerste vervolging betrekking heeft op het door de verdachte begaan zijn van een concreet delict en de tweede vervolging het deelnemen aan een criminele organisatie betreft, staat het ne bis in idem-beginsel in de weg aan die latere vervolging voor het deelnemen aan een criminele organisatie als die deelneming van de verdachte op niets anders betrekking heeft dan het begaan van het concrete delict waarvoor de verdachte al is vervolgd. Het begaan van een concreet delict zal echter slechts in uitzonderlijke gevallen de deelneming aan een criminele organisatie geheel omvatten. Artikel 140 Sr heeft immers betrekking op het deelnemen aan een criminele organisatie die het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. Dat betekent dat het deelnemen door de verdachte zeker niet noodzakelijkerwijs hoeft te bestaan uit het door hem begaan zijn van een (enkel) concreet delict, terwijl artikel 140 Sr ook niet meer eist dan dat de organisatie het oogmerk heeft misdrijven te plegen.\n\n3.3.3\n\nVervolging wegens het deelnemen aan een criminele organisatie is dus in ieder geval wel mogelijk indien de tenlastelegging ook ziet op andere deelnemingsgedragingen dan het begaan zijn van het concrete delict waarvoor de verdachte al is vervolgd en\u002Fof op andere delicten waarop het oogmerk van de organisatie is gericht. (…)”\n\nHet hof ziet zich dan ook voor de vraag gesteld of de in de onderhavige zaak tenlastegelegde deelneming aan een criminele organisatie ‘op niets anders betrekking heeft dan op het begaan van de concrete delicten waarvoor de verdachte eerder is vervolgd’. Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend. Daarbij wordt het volgende vooropgesteld.\n\nIn Hammond I is de verdachte vervolgd wegens – kort gezegd –:\n\nhet (mede)plegen van voorbereidingshandelingen ex artikel 10a van de Opiumwet, gepleegd in de periode van 19 december 2019 tot en met 11 maart 2020 in Zaandam ;\n\nhet (mede)plegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, gepleegd in de periode van 19 december 2019 tot en met 11 maart 2020 in Zaandam ;\n\nhet (mede)plegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, gepleegd op 11 maart 2020 in Zaandam .\n\nIn 26Bluffton is de verdachte vervolgd wegens – kort gezegd –:\n\nhet (mede)plegen van voorbereidingshandelingen ex artikel 10a van de Opiumwet, gepleegd in de periode van 28 april 2020 tot en met 6 augustus 2020 in Montfoort ;\n\nhet (mede)plegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B\u002FD dan wel C, van de Opiumwet gegeven verbod’, gepleegd op 6 augustus 2020 in Montfoort .\n\nIn de onderhavige zaak (Hammond II) is aan de verdachte tenlastegelegd dat hij in de periode van 1 januari 2020 tot en met 16 februari 2021 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. Deze tenlastelegging bestrijkt daarmee een ruimere periode dan die waarvoor de verdachte eerder is vervolgd. Immers, de tenlastegelegde periode van de deelname aan een criminele organisatie ziet tevens op onderstaande tussenliggende periodes :\n\nde periode van 12 maart 2020 tot en met 27 april 2020 en\n\nde periode van 7 augustus 2020 tot en met 16 februari 2021.\n\nMet name in de eerstgenoemde periode heeft reeds vanaf 30 maart 2020 veelvuldig contact plaatsgevonden tussen de gebruikers van de EncroChat-accounts [accountnaam 1] (uit de verklaring van [medeverdachte] blijkt dat hij gebruikmaakte van dat account) en [accountnaam 2] (later is de verdachte als gebruiker van dit account geïdentificeerd). In die berichten wordt ook al gesproken over de productie van synthetische drugs en onderwerpen die daaraan raken, waaronder grondstoffen en apparatuur.\n\nTer illustratie daarvan wijst het hof op:\n\n- EncroChat-berichten van 2 april 2020 waarin [medeverdachte] de verdachte erop wijst dat de dag ervoor weer een groot lab in Friesland is ontmanteld en dat zij (het hof begrijpt: [medeverdachte] en de verdachte) voorzichtiger en goed samen moeten werken, waarop dit door de verdachte wordt beantwoord met een emoticon van een ‘duim omhoog’.\n\n- SkyECC-berichten van 7 juli 2020 waarin [medeverdachte] in een groepschat aangeeft dat hij al 15 jaar ‘draait’ (het hof begrijpt – gelet op de inhoud van andere chatgesprekken en gelet op dossierpagina 1363 van zaaksdossier 2 – dat hiermee op het produceren van synthetische drugs wordt gedoeld) met ‘ [verdachte] ’ (de bijnaam van de verdachte), een lange periode die ook grotendeels buiten de concrete delicten valt waarvoor de verdachte in Hammond I en 26Bluffton reeds is vervolgd.\n\nDergelijke berichten zijn weliswaar niet rechtstreeks te herleiden tot de concrete delicten waarvoor de verdachte eerder is veroordeeld (de labs in Montfoort en Zaandam ) maar kunnen wel degelijk relevant zijn voor het al dan niet bestaan van een criminele organisatie en het oogmerk daarvan, evenals voor verdachtes mogelijke deelneming aan die organisatie.\n\nHet hof concludeert dan ook dat de concrete delicten waarvoor de verdachte in de onderzoeken Hammond I en 26Bluffton reeds is veroordeeld niet de gehele (in de onderhavige zaak tenlastegelegde) deelneming van de verdachte aan een criminele organisatie omvatten.\n\nGelet hierop is het hof van oordeel dat geen sprake is van een vervolging in strijd met het ne bis in idem-beginsel.\n\nOp dezelfde gronden is het hof van oordeel dat geen sprake is van een vervolging die in strijd is met de beginselen van een behoorlijke procesorde, waarbij – anders dan bij de gestelde vervolging in strijd met het ne bis in idem-beginsel – ook nog kan worden opgemerkt dat het bestaan van een criminele organisatie, die immers bestaat uit de onderlinge verbanden daarbinnen, niet zelden pas op een later moment in het onderzoek in volle omvang duidelijk wordt. Ook in zoverre is – anders dan in het door de raadsvrouw aangehaalde voorbeeld waarin éérst wordt vervolgd ter zake van deelneming aan een criminele organisatie en pas daarna voor concrete delicten door die organisatie gepleegd – op voorhand niet onbegrijpelijk dat de verdachte pas later is vervolgd voor zijn deelneming aan deze criminele organisatie, terwijl hij eerder al werd vervolgd wegens concrete delicten waaraan (ook) betekenis toekomt in het kader van de onderhavige verdenking.\n\n Daarbij merkt het hof ten slotte nog op dat aan het Openbaar Ministerie (de officier van justitie) de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. Een dergelijke beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde.\n\nUitzonderlijke gevallen als hiervoor bedoeld, kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij inbreuken op het beginsel van gerechtvaardigd vertrouwen en het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging (het verbod van willekeur), maar daarvan is in het onderhavige geval geen sprake.\n\nGelet op het vorenstaande ziet het hof dan ook geen aanleiding (niet wegens strijd met het ne bis in idem-beginsel noch wegens strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde) om de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging. Het hof verwerpt het verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.\n\n4 Vonnis waarvan beroep\n\nHet hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep met aanvulling van de gronden en met uitzondering van de beslissing van de rechtbank om toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, en aldus de verdachte schuldig te verklaren zonder aan hem een straf op te leggen. In zoverre zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw recht doen. Het hof zal daarbij ook de toepasselijke wettelijke voorschriften vervangen.\n\nVoor wat betreft de gronden vult het hof deze aan met de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, van welke verklaring de inhoud – net als van de bewijsmiddelen van de rechtbank – niet zal worden uitgewerkt gelet op het in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering bepaalde.\n\nHet hof heeft daarbij gelet op de inhoud van de verklaringen van de verdachte, afgelegd op de terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep, alsmede op de procespositie van de verdediging. Het hof neemt daarbij voorts in aanmerking dat in hoger beroep – met uitzondering van een (formeel) verweer strekkende tot de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging – door de verdediging expliciet is verzocht het vonnis van de rechtbank, waaronder mede begrepen de daarin gehanteerde bewezenverklaring en bewijsvoering, te bevestigen en dat daarbij slechts een straftoemetingsverweer is gevoerd.\n\n5. Op te leggen straf\n\n5.1. \n\nStandpunt verdediging\n\nDe verdediging heeft bepleit dat het hof de verdachte schuldig zal verklaren zonder aan hem een straf op te leggen. Daartoe is – kort weergegeven – bepleit dat de verdachte voor zijn betrokkenheid bij de labs Zaandam (Hammond I, in cassatieberoep maar geen cassatiemiddelen ingediend terwijl de termijn daarvoor reeds verstreken is en de Hoge Raad dit cassatieberoep niet-ontvankelijk zal verklaren) en Montfoort (26Bluffton, inmiddels onherroepelijk) in totaal al een gevangenisstraf van 10 jaren opgelegd heeft gekregen.\n\nVerder is sprake van tijdsverloop, een bekennende proceshouding, is de verdachte de afgelopen 7 jaar niet in aanraking met politie of justitie gekomen en zijn de persoonlijke omstandigheden van de verdachte – in het bijzonder zijn leeftijd en gezondheid – zodanig dat een gevangenisstraf de verdachte zwaarder zal treffen dan een gezonde verdachte.\n\nDaarbij is voorts bepleit niet – zoals door de advocaat-generaal is gevorderd – over te gaan tot oplegging van een geldboete, nu de verdachte nog een schuld van € 200.000,00 heeft en hij minimaal 66 jaar oud is wanneer hij uit de gevangenis zou komen met daardoor – mede vanwege zijn medische situatie – nauwelijks tot geen verdiencapaciteit. Oplegging van een geldboete zou daarom de facto neerkomen op een extra ‘gevangenisstraf’ omdat de verdachte dan vervangend gehecht zou worden, aldus de verdediging\n\n5.2. \n\nOordeel hof\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\n5.2.1. \n\nAard en ernst van de feiten\n\nHet feit dat ten laste van de verdachte bewezen is verklaard, heeft betrekking op deelneming aan een criminele organisatie, waarvan is vastgesteld dat die niet alleen het oogmerk had om feiten zoals bedoeld in artikel 10 en 10a van de Opiumwet te plegen, maar in welk verband dergelijke feiten ook daadwerkelijk zijn gepleegd.\n\nHet hof waagt zich niet aan een rangorde voor wat betreft de schadelijkheid van verschillende soorten synthetische drugs waarmee deze criminele organisatie – waaronder de verdachte in het bijzonder – zich bezighield, maar het is een feit van algemene bekendheid dat metamfetamine in ieder geval behoort tot een van de meer schadelijke varianten. Niet alleen voor wat betreft de toxiciteit (zowel acuut als chronisch) heeft metamfetamine een zeer schadelijk effect op de gezondheid van de gebruikers. Ook heeft het een hoog verslavingspotentieel, nog daargelaten de negatieve sociaaleconomische gevolgen (verlies van werk of woonruimte, al dan niet als indirect gevolg van verstoorde sociale verhoudingen of relaties) die een dergelijke verslaving met zich kan brengen.\n\nDe productie van, de handel in en het gebruik van dergelijke harddrugs leidt bovendien tot vele andere vormen van ernstige en ondermijnende criminaliteit en vormt (direct of indirect) een bron van overlast voor de samenleving. De belangen in de handel en productie worden niet zelden beschermd door gebruikmaking van geweld en\u002Fof bedreiging daarmee, en ook van het witwassen van de winsten gaat een corrumperende en ondermijnende werking uit voor de economie en – daarmee – de maatschappij.\n\nTen slotte gaat de productie van dergelijke harddrugs regelmatig gepaard met gevaren voor de directe omgeving. Daarbij valt in ieder geval te denken aan brandgevaar, ontploffingsgevaar en gevaar voor het vrijkomen van giftige gassen. De opgeslagen en gebruikte (vaak zware) chemicaliën zijn immers aan ieder vorm van controle of handhaving onttrokken. Maar ook schade als gevolg van illegale dumpingen en lozingen van drugsafval zijn een grote maatschappelijke kostenpost. De verdachte heeft er geen blijk van gegeven acht te hebben geslagen op deze gevaren en gevolgen.\n\n5.2.2. \n\nRol verdachte\n\nTen laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het deelnemen aan een criminele organisatie die als oogmerk heeft het plegen van Opiumwetdelicten, in het bijzonder gericht op de productie van synthetische drugs. De verdachte heeft in die criminele organisatie niet slechts een noodzakelijke\u002Fonmisbare rol vervuld bij de concrete delicten die door de organisatie werden voorbereid en uitgevoerd, maar ook een moeilijk vervangbare rol. De verdachte fungeerde immers als ‘ kok ’ en leverde de kennis en kunde voor de eigenlijke productie van de metamfetamine, waaronder kennis over alles dat nodig was om deze productie op te starten en door te laten draaien. Hoe belangrijk zijn kennis was, blijkt wel uit het berichtenverkeer met betrekking tot alles wat er ontbrak en niet goed was aan de productielocatie in Montfoort . Hoewel de verdachte daarmee formeel geen aansturende rol had, bepaalde hij wel degelijk in belangrijke mate wat er nodig was en kwam de organisatie ook in beweging wanneer hij iets nodig had.\n\n5.2.3. \n\nPersoonlijke omstandigheden\n\nHet hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 15 april 2026, betreffende het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit blijkt dat hij – voorafgaand aan het bewezenverklaarde – meermalen onherroepelijk is veroordeeld ter zake van Opiumwetdelicten, meer in het bijzonder voor harddrugsfeiten.\n\nVoorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Uit het onderzoek ter terechtzitting is hieromtrent gebleken dat de verdachte kanker heeft, leeft met een stoma, en arbeidsongeschikt is geraakt. Wel krijgt hij thuiszorg en bijstand van zijn vrouw, die werkt. Naar aanleiding van zijn medische problematiek heeft hij ook psychologische klachten ontwikkeld. Verder wordt de verdachte – zo blijkt uit het advies van een medisch adviseur van de DJI d.d. 5 maart 2026 – detentiegechikt geacht op voorwaarde van initiële plaatsing in het Justitieel Centrum voor Somatische Zorg (JCvSZ).\n\n5.2.4. \n\nStraf\n\nUit het hiervoor aangehaalde arrest van de Hoge Raad d.d. 23 maart 2021 (ECLI:NL:HR:2021:387) blijkt dat ‘de eventueel in de eerste vervolging voor het begaan van het concrete delict opgelegde straffen een voor de straftoemeting relevante omstandigheid kunnen vormen bij een latere vervolging en veroordeling voor het deelnemen aan een criminele organisatie’. Het hof ziet ook in de onderhavige zaak aanleiding om bij de strafoplegging rekening te houden met het feit dat de verdachte eerder is bestraft wegens zijn strafbare betrokkenheid bij de drugslabs in Zaandam (Hammond I) en Montfoort (26Bluffton), en verdachtes deelneming aan een criminele organisatie in overwegende mate – hoewel niet uitsluitend – berust op zijn betrokkenheid bij die drugslabs. In die eerdere bestraffingen ziet het hof aanleiding om in de onderhavige zaak aan de verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.\n\nAlles afwegende is het hof van oordeel dat oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden is. Het hof ziet daarbij in het geval van de verdachte, gelet op zijn leeftijd, medische situatie en veroordelingen in Hammond I en 26Bluffton, geen aanleiding om naast deze voorwaardelijke gevangenisstraf ook een geldboete aan de verdachte op te leggen.\n\nMet het opleggen van een voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.\n\nAnders door de verdediging bepleit ziet het hof geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Het hof acht het feit waarvoor de verdachte wordt veroordeeld (mede bezien tegen de achtergrond van zijn relevante recidive) daarvoor te ernstig en zijn rol daarin te bepalend. Ook de persoonlijkheid van de verdachte, de omstandigheden waaronder het feit is begaan dan wel die zich nadien hebben voorgedaan, maken niet dat het hof dat een passende afdoening acht.\n\n5.3. Redelijke termijn5.3.1. \n\nDuur van de redelijke termijn in hoger beroep\n\nDe advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat in de onderhavige zaak een redelijke termijn moet worden gehanteerd die langer is dan de gebruikelijke redelijke termijn, wegens de complexiteit van het onderzoek, zodanig dat geen sprake is van een overschrijdingvan de redelijke termijn en derhalve evenmin een vermindering van de op te leggen straf dient plaats te vinden.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHoewel het klopt dat een redelijke termijn van – in de onderhavige zaak – 24 maanden slechts een uitgangspunt vormt waarvan kan worden afgeweken (zie HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rov. 3.13.1) acht het hof geen omstandigheden aanwezig die daartoe aanleiding geven.\n\nDe onderhavige zaak en de zaken tegen de medeverdachten zijn misschien niet eenvoudig en compact van aard, maar gelet op het beperkte aantal feitencomplexen en medeverdachten niet zodanig dat deze een langere redelijke termijn rechtvaardigen. Bovendien blijkt uit het schriftelijk requisitoir in eerste aanleg nu juist dat het (alomvattende) Hammond nu juist in verschillende delen is opgesplitst om de individuele onderzoeken (Hammond I, II (en 26Bluffton) en III) behapbaar te houden.\n\nOok de invloed van de verdediging op het procesverloop maakt dit niet anders. In de onderhavige zaak zijn immers geen onderzoekswensen ingediend.\n\nHet hof merkt daarbij op dat de eerste regiezitting in hoger beroep pas in augustus 2024 heeft plaatsgevonden en aldus ongeveer 1,5 jaar na het instellen van hoger beroep door de officier van justitie en de verdediging. Dat heeft ten dele te maken met de agenda’s van het hof en de verdediging maar mag niet voor rekening van de verdachte komen.\n\nConcluderend gaat het hof dan ook uit van een redelijke termijn van 24 maanden voor de behandeling van de onderhavige zaak in hoger beroep.\n\n5.3.2. \n\nOverschrijding van de redelijke termijn\n\nDe redelijke termijn in eerste aanleg is aangevangen op 11 januari 2022 met de uitreiking van de inleidende dagvaarding aan de verdachte in persoon, en geëindigd op 8 februari 2023 met het wijzen van het vonnis waarvan beroep door de rechtbank. Aldus is geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg.\n\nDe redelijke termijn in hoger beroep is aangevangen op 22 februari 2023 met het instellen van hoger beroep door de officier van justitie en eindigt heden, 25 juni 2026, met het wijzen van het onderhavige arrest. De redelijke termijn van 24 maanden is daarmee in hoger beroep overschreden met ongeveer 16 maanden. Van bijzondere omstandigheden die deze overschrijding kunnen rechtvaardigen is het hof niet gebleken.\n\nGelet op de aard en duur van de op te leggen straf zal het hof echter volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden.\n\n6. Toepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op artikel 11b van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c en 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nvernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing van de rechtbank om toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van8 (acht) maanden;\n\nbepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;\n\nbevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. A.M.G. Smit, voorzitter,\n\nmr. N.I.B.M. Buljevic en mr. M. van der Horst, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. J.A.A. Vulto, griffier,\n\nen op 25 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\n PD verdachte [medeverdachte] , p. 187 e.v. proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 15 september 2021 om 11.22 uur.\n\n ZD2, p. 876 t\u002Fm 888 proces-verbaal identificatie gebruiker EncroChatnaam [accountnaam 2] , op ambtseed opgemaakt en ondertekend d.d. 11 februari 2021.\n\n ZD2, p. 1240 e.v..\n\n ZD2, p. 1244.\n\n ZD5, p. 224 proces-verbaal van bevindingen sky groepschat Montfoort proces-verbaalnummer 26-Hammond-02747.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1787","2026-07-13T00:29:17.066Z",{"id":190,"ecli":191,"slug":192,"caseNumber":43,"courtId":63,"decisionDate":193,"fullText":194,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":195,"sourceTimestamp":64,"parsedAt":50,"updatedAt":196},"1228","ECLI:NL:RBROT:2026:8070","ecli-nl-rbrot-2026-8070","2026-06-23T00:00:00.000Z","Rechtbank Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummers: 10\u002F089597-22 en 10\u002F243807-21 (gevoegd ter terechtzitting)\n\nDatum uitspraak: 23 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 2000 in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven op het adres: [adres 1] , [postcode] te [woonplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. A.H.J. Strak\n\nOfficier van justitie: mr. R.J.E. Planken\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte heeft een woninginbraak gepleegd en 5,1 gram cocaïne vervoerd. De rechtbank veroordeelt de verdachte voor deze feiten tot een gevangenisstraf die gelijk is aan de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht, te weten 12 dagen. Daarnaast wordt aan de verdachte een taakstraf opgelegd voor de duur van 100 uren. Bij de strafoplegging heeft de rechtbank rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn en artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.1. Tenlastelegging\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:\n\nParketnummer 10\u002F089597-22\n\nhij op of omstreeks 8 april 2022 te Krimpen aan den IJssel,\n\ntezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen\n\nin een woning, te weten een woning gelegen aan de [adres 2] te Krimpen aan den IJssel, alwaar verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en),\n\neen hoeveelheid contant geld, een of meerdere waardebonnen, een autosleutel en\u002Fof een fietssleutel, in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n)\n\nheeft weggenomen\n\nmet het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,\n\nterwijl verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft\u002Fhebben verschaft en\u002Fof die weg te nemen goederen onder zijn\u002Fhun bereik heeft\u002Fhebben gebracht door middel van braak, verbreking en\u002Fof inklimming.\n\nParketnummer 10\u002F243807-21\n\nhij op of omstreeks 11 september 2021 te Rotterdam\n\nopzettelijk\n\nheeft verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd,\n\nin elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,\n\nongeveer 7,01 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor beide feiten.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdachte moet worden vrijgesproken ten aanzien van het ten laste gelegde vervoer van de cocaïne. Voor het overige heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen\n\nBewezen is dat de verdachte beide feiten heeft gepleegd. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.2.\n\nDe bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. Dit verkorte vonnis bevat geen bewijsmiddelen. Als hoger beroep wordt ingesteld, zal het vonnis worden aangevuld met een bijlage met daarin de inhoud van de bewijsmiddelen.2.3.2.. Volledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nParketnummer 10\u002F089597-22\n\nhij op of omstreeks8 april 2022 te Krimpen aan den IJssel,\n\ntezamen en in vereniging met een of meeranderen,althans alleen\n\nin een woning, te weten een woning gelegen aan de [adres 2] te Krimpen aan den IJssel, alwaar verdachte en\u002Fofzijn mededader(s)zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en),\n\neen hoeveelheid contant geld, een ofmeerdere waardebonnen, een autosleutel en\u002Fofeen fietssleutel,in elk geval enig goed, diegeheel of ten deleaan [slachtoffer], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s)toebehoorde(n)\n\nheeft weggenomen\n\nmet het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,\n\nterwijl verdachte en\u002Fofzijn mededader(s)zich de toegang tot de plaats van het misdrijfheeft\u002Fhebben verschaft en\u002Fofdie weg te nemen goederen onderzijn\u002Fhun bereikheeft\u002Fhebben gebracht door middel van braak, verbrekingen\u002Fofinklimming.\n\nParketnummer 10\u002F243807-21\n\nhij op of omstreeks11 september 2021 te Rotterdam\n\nopzettelijk\n\nheeft verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fofvervoerd,\n\nin elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,\n\nongeveer 7,01 gram, in elk gevaleen hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nDe bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:\n\nParketnummer 10\u002F089597-22\n\ndiefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming;\n\nParketnummer 10\u002F243807-21\n\nopzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van de feiten en van de verdachte\n\nDe feiten en de verdachte zijn strafbaar.4. Straffen4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet voor de feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 dagen met aftrek van voorarrest en een taakstraf voor de duur van 100 uur.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht geen gevangenisstraf aan de verdachte op te leggen van een langere duur dan de tijd die hij al heeft doorgebracht in voorarrest en daarnaast eventueel een taakstraf.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een woninginbraak. Dit is een ernstig feit. Het moet heel beangstigend zijn geweest voor de bewoner om te ontdekken dat vreemden zijn woning zijn binnengedrongen en daar goederen hebben gestolen. Daarnaast veroorzaken dergelijke feiten gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het vervoeren van harddrugs. Het is algemeen bekend dat het gebruik van verdovende middelen zoals cocaïne grote risico’s voor de gezondheid oplevert. De verspreiding van en handel in drugs gaan bovendien gepaard met vele andere vormen van criminaliteit en geweld. Met zijn handelen heeft de verdachte bijgedragen aan het in stand houden van dit ernstige maatschappelijke probleem.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 1 juni 2026 blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor een poging tot woninginbraak en voor overtreding van de Opiumwet. Daarnaast houdt de rechtbank er in het voordeel van de verdachte rekening mee dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.\n\nRapport van de reclassering\n\nIn het rapport van de Reclassering Nederland staat het volgende.\n\nDe verdachte heeft niet mee willen werken aan het opstellen van het reclasseringsadvies en daardoor is er weinig zicht op de criminogene factoren van de verdachte. Uit dossieronderzoek en de politieverklaring van de verdachte komt naar voren dat bij de verdachte mogelijk sprake is van problemen op het gebied van financiën, het ontbreken van een zinvolle dagbesteding en een negatief sociaal netwerk. Bovendien zijn er ook signalen van middelengebruik. Het risico op recidive kan niet worden ingeschat. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen aan de verdachte, omdat zij geen mogelijkheden ziet om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen.4.3.3.. \n\nRedelijke termijn\n\nDe verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval in de zaak met parketnummer 10\u002F089597-22 gestart op 9 april 2022, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. In de zaak met parketnummer 10\u002F243807-21 is de redelijke termijn gestart op 12 september 2021, omdat de verdachte toen als verdachte is gehoord. Tot aan de datum van dit vonnis is in beide zaken een periode van ruim 4 jaar verstreken. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaken twee jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden. De rechtbank zal hier rekening mee houden bij de strafoplegging.4.3.4.. Oplegging straf\n\nStraf\n\nBij het bepalen van de strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS-oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in\n\nvergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het\n\nbepalen van de straf. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de overschrijding van de redelijke termijn en artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. Alles afwegend vindt de rechtbank, net als de officier van justitie, een combinatie van een taakstraf en een gevangenisstraf die gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht passend.\n\nAan de verdachte wordt opgelegd een gevangenisstraf van 12 dagen met aftrek van voorarrest en een taakstraf voor de duur van 100 uur.\n\n5. In beslag genomen voorwerpen5.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat het geldbedrag dat in beslag is genomen in de zaak met parketnummer 10\u002F243807-21 verbeurd moet worden verklaard en dat de voorwerpen die in de zaak met parketnummer 10\u002F089597-22 in beslag zijn genomen, moeten worden teruggeven aan de rechthebbende.5.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft ten aanzien van het beslag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.5.3.. Oordeel van de rechtbank5.3.1.. \n\nVerbeurdverklaring\n\nAls bijkomende straf voor het onder parketnummer 10\u002F243807-21 ten laste gelegde wordt het in beslag genomen geldbedrag van € 420,- verbeurdverklaard, omdat dit geldbedrag door middel van het strafbare feit is verkregen.5.3.2.. \n\nTeruggave\n\nDe rechtbank beslist tot de teruggave van € 27,20,-, 2 STK Waardebon, 1 STK Munt, 1 STK Foto en 1 STK Manchetknoop aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, namelijk [slachtoffer] . Deze voorwerpen zijn in beslag genomen onder parketnummer 10\u002F089597-22.6. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straffen en maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 22c, 22d, 33, 33a, 57, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.7. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte de feiten onder parketnummers 10\u002F089597-22 en 10\u002F243807-21, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraffen en maatregel\n\nGevangenisstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 12 dagen;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;\n\nTaakstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 100 uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;\n\nbeveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van 50 dagen;\n\nIn beslag genomen voorwerpen\n\n- verklaart € 420,-verbeurd voor het feit onder parketnummer 10\u002F243807-21;\n\n- beveelt de teruggave van € 27,20,-, 2 STK Waardebon, 1 STK Munt, 1 STK Foto en 1 STK Manchetknoop aan de rechthebbende.8. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. R.H. Kroon, voorzitter,\n\nen mrs. J.C. Tijink en Y. Peters, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. L.R. van Zaanen, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 23 juni 2026.\n\nMr. J.C. Tijink is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:8070","2026-07-13T00:29:11.097Z",{"id":198,"ecli":199,"slug":200,"caseNumber":43,"courtId":63,"decisionDate":201,"fullText":202,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":203,"sourceTimestamp":201,"parsedAt":50,"updatedAt":204},"1505","ECLI:NL:RBROT:2026:7032","ecli-nl-rbrot-2026-7032","2026-06-18T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 26\u002F4414\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 juni 2026 in de zaak tussen\n [verzoeker], uit [plaatsnaam], verzoeker\n\n(gemachtigde: mr. Z. Badrane),\n\nen\n\nde burgemeester van Goeree-Overflakkee\n\n(gemachtigde: mr. R. van Achteren).\n\nSamenvatting\n\nDe burgemeester wil verzoekers woning sluiten vanwege het aantreffen van een handelshoeveelheid harddrugs, versnijdingsmiddel, drugsgerelateerde spullen en een groot geldbedrag. Ook heeft de politie meldingen ontvangen over de handel in drugs vanuit verzoekers woning. Verzoeker heeft in het verleden al een last onder dwangsom opgelegd gekregen omdat hij ’s nachts een handelshoeveelheid harddrugs in zijn auto had. De voorzieningenrechter vindt dat de burgemeester nu een zwaardere maatregel mocht opleggen. Verder zijn de gevolgen van de sluiting niet onevenwichtig. Verzoeker woont in een koopwoning, waardoor hij na de sluiting in beginsel zal kunnen terugkeren naar de woning. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.\n\nProcesverloop\n\n1. Met het bestreden besluit van 7 mei 2026 heeft de burgemeester verzoekers woning gesloten voor zes maanden vanwege een overtreding van de Opiumwet.Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n2. De burgemeester heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.\n\n3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de burgemeester.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\nWat is er gebeurd?\n\n4. Verzoeker woont op het adres [adres]. Hij is ook de eigenaar van deze woning.\n\n5. De politie heeft medio maart 2026 twee meldingen ontvangen dat verzoeker (mogelijk) zou dealen. De politie heeft op 20 maart 2026 gepost, waarbij is gezien dat verzoeker met een schoudertas naar een bepaald adres gaat. De politie heeft met een machtiging verzoekers woning geforceerd en bij het binnentreden zagen ze een ponypack met opdruk. Verzoeker is vervolgens door de politie vanaf het andere adres meegenomen naar zijn woning. De politie heeft de volgende zaken in verzoekers woning aangetroffen: 39,1 gram cocaïne (waarvan 24,4 gram verpakt in 16 ponypacks; 15 van de ponypacks zijn aangetroffen in eerdergenoemde schoudertas), 4,4 gram hennep, 224,7 gram inositol (versnijdingsmiddel), een grammenweegschaal, een kom en vijzel, en een pak met ponypack vouwblaadjes. Verder zat er € 550,- aan briefgeld in de schoudertas en had verzoeker € 2.720,- aan contant geld in zijn broekzak. Dit blijkt uit een bestuurlijke rapportage van 23 maart 2026.\n\nWaar gaat het in deze zaak om?\n\n6. Naar aanleiding van de bestuurlijke rapportage heeft de burgemeester besloten om verzoekers woning te sluiten voor zes maanden. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat hij in zijn woning mag blijven wonen totdat er beslist is op zijn bezwaarschrift. De burgemeester heeft toegezegd dat de woning open blijft tot de uitspraak van de voorzieningenrechter.\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek af\n\n7. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\nIs er een spoedeisend belang?\n\n8. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter dient eerst te bepalen of er sprake is van een spoedeisend belang, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.\n\n9. De voorzieningenrechter vindt dat het spoedeisend belang voldoende aannemelijk is. Als er geen voorlopige voorziening wordt getroffen, heeft verzoeker immers de komende zes maanden geen toegang tot zijn woning.\n\nBeoordelingskader\n\n10. Op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen harddrugs wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.\n\n11. De burgemeester voert beleid om de handel in drugs in Goeree-Overflakkee tegen te gaan. Dit beleid staat in de Beleidsregel Damoclesbeleid gemeente Goeree-Overflakkee 2019. In dit beleid staat in welke gevallen de burgemeester in beginsel overgaat tot sluiting van een woning. Volgens dit beleid wordt een woning voor zes maanden gesloten als er een handelshoeveelheid harddrugs wordt aangetroffen.\n\nBevoegdheid, geschiktheid en noodzaak\n\n12. De politie heeft in verzoekers woning in ieder geval 14,7 gram harddrugs aangetroffen. Dit is een handelshoeveelheid. Daarnaast had verzoeker nog 15 ponypacks met harddrugs bij zich in zijn schoudertas. Dat de harddrugs voor eigen gebruik was, volgt de voorzieningenrechter niet. De voorzieningenrechter vindt het aannemelijk dat verzoeker heeft gehandeld in harddrugs in of vanuit zijn woning. Er is een grote hoeveelheid harddrugs aangetroffen (er was geen sprake van een geringe overschrijding van de handelshoeveelheid), de drugs waren verpakt in meerdere ponypacks, er zijn drugsgerelateerde spullen aangetroffen (versnijdingsmiddel, grammenweegschaal, een kom, een vijzel en een pak met ponypacks) en er zijn twee meldingen over de handel in drugs door verzoeker vanuit zijn woning. Daarnaast was verzoeker in het bezit van een groot geldbedrag. Verzoeker zou dit geld hebben gekregen van zijn ouders (als bijdrage in de vaste lasten), door de verkoop van zijn auto aan zijn moeder en door de verkoop van enkele persoonlijke (luxe) goederen, maar verzoeker heeft dit niet met verifieerbare bewijsstukken onderbouwd. Dit alles maakt dat de burgemeester in beginsel bevoegd was om de woning te sluiten.\n\n13. Voor de voorzieningenrechter staat verder buiten kijf dat het voor de openbare orde en het woon- en leefklimaat beter zou zijn als verzoekers woning voor langere tijd zou worden gesloten; sluiting van de woning is met andere woorden een geschikt middel om dat doel te bereiken. De voorzieningenrechter ziet bovendien niet in dat in dit geval dat doel zonder meer met een minder ingrijpend middel, zoals een waarschuwing of een last onder dwangsom, zou kunnen worden bereikt. De burgemeester heeft in 2023 al een last onder dwangsom aan verzoeker opgelegd, omdat hij ’s nachts een handelshoeveelheid cocaïne bij zich had in de auto (21 ponypacks) en € 800,-. De voorzieningenrechter vindt dat de burgemeester nu een zwaardere maatregel mocht opleggen. Het betreft bovendien een ernstig geval, waarbij de sluiting er onder meer op is gericht om de bekendheid van de woning in het criminele circuit te doorbreken, herhaling te voorkomen en de loop op de woning eruit te halen om zo het woon- en leefklimaat in de wijk te herstellen. Sluiting van de woning kan dus noodzakelijk worden geacht.\n\nEvenwichtigheid\n\n14. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid moeten de voor verzoeker nadelige gevolgen van de sluiting worden afgewogen tegen de doelen die de burgemeester met de sluiting wil bereiken.\n\n15. Verzoeker voert aan dat de sluiting van zijn woning niet evenwichtig is. Hij zal door de sluiting dakloos worden. Hij kampt met een drugsverslaving en zal door dakloosheid in een neerwaartse spiraal terechtkomen. Verzoeker heeft na de inval in zijn woning gelijk hulp gezocht en is al enige tijd clean. Hij is sinds kort gaan werken in het bedrijf van zijn broer. Volgens verzoeker zou een woningsluiting deze positieve verandering doorkruisen.\n\n16. De voorzieningenrechter vindt de gevolgen van de sluiting in dit geval niet onevenwichtig. Verzoeker kan een verwijt worden gemaakt van de aangetroffen harddrugs in zijn woning. Daarnaast heeft verzoeker een koopwoning, waardoor hij – anders dan mensen die een sociale huurwoning huren – na de sluiting in beginsel niet geconfronteerd zal worden met verdergaande maatregelen waardoor hij zijn woning definitief dreigt te verliezen. Op dit moment in ieder geval niet gebleken dat de sluiting gevolgen heeft voor de hypotheek. Gelet op de grote hoeveelheid harddrugs heeft de burgemeester de belangen bij sluiting van de woning zwaarder mogen laten wegen dan de belangen van verzoeker bij het voortgezet gebruik van de woning.\n\n17. De sluiting van de woning is een inmenging als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het EVRM. De bevoegdheid van de burgemeester tot het gelasten van de sluiting van de woning is neergelegd in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet en daarom bij de wet voorzien. De sluiting dient daarnaast een legitiem doel, namelijk het herstel van de openbare orde. Zoals onder 11 al is geoordeeld, mocht de burgemeester de sluiting van de woning noodzakelijk achten en heeft hij niet hoeven volstaan met een lichtere maatregel. De sluiting van de woning is daarom ook niet in strijd met artikel 8 van het EVRM.\n\nConclusie en gevolgen\n\n18. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de burgemeester verzoekers woning mag sluiten. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 18 juni 2026.\n\nDe griffier is verhinderd de uitspraak\n\nte tekenen\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7032","2026-07-13T00:29:24.398Z",29,20,[11,208,209,210,211],2025,2024,2023,2022]