[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-employment-law-nl-2024":3},{"detail":4,"years":64},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":17,"page":14,"limit":63},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},28,"employment-law-nl","Employment Law","NL","2026-07-08T16:53:14.144Z",2024,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":15},4,{"month":23,"count":15},5,{"month":25,"count":15},6,{"month":27,"count":15},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":14},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":14},12,[39,53],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"603","ECLI:NL:RBOBR:2024:6239","ecli-nl-rbobr-2024-6239","",72,"2024-12-11T00:00:00.000Z","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nZittingsplaats 's-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SHE 24\u002F1552\n uitspraak van de meervoudige kamer van 11 december 2024 in de zaak tussen\n\n de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres,\n\n(gemachtigde: mr. P.J.M. Boomaars),\n\nen\n\nde minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de minister\n\n(gemachtigde: mr. J.C. Hooker).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het besluit van de minister van 15 juni 2023 om aan haar een boete van € 22.500,– op te leggen vanwege overtreding van artikel 4:3, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet (de Atw).\n\n1.1.. Met het bestreden besluit van 9 februari 2024 op het bezwaar van eiseres is de minister bij dat besluit gebleven.\n\n1.2.. De minister heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 15 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1] en [naam 2] , en de gemachtigden van partijen.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n2. Eiseres is een tuindersbedrijf (teelt van onder meer aardbeien) en maakt gebruik van arbeidsmigranten uit onder meer Polen. Eiseres heeft twee locaties, aan de [adres] en aan de [adres] , beide in [plaats] . Op 22 juni 2021 hebben inspecteurs van de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) een controle uitgevoerd bij eiseres. De controle was gericht op de naleving van onder andere de Atw. De inspecteurs hebben over deze controle op 15 april 2022 op ambtseed respectievelijk ambtsbelofte een boeterapport opgesteld en ondertekend (boeterapport met kenmerk [kenmerk] ).\n\n2.1.. \n\nDe minister heeft vervolgens besloten om aan eiseres een boete van € 22.500,– op te leggen, omdat zij artikel 4:3, eerste lid, van de Atw heeft overtreden. Hij stelt zich op het standpunt dat eiseres geen deugdelijke registratie heeft bijgehouden van begin-, eind- en pauzetijden. De minister vindt dat de opgelegde boete evenredig is ten opzichte van de overtreding. Bij het bestreden besluit heeft de minister de boete gehandhaafd.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank beoordeelt het besluit van 9 februari 2024 aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. Eiseres heeft in haar beroepschrift van 4 april 2024 het volgende aangegeven: “Eiseres handhaaft haar stellingen en weren uit de onderliggende stukken en verzoekt de inhoud daarvan als hier woordelijk herhaald en ingelast te beschouwen”. Die mededeling, zonder daarbij aan te geven in welk opzicht, in haar visie, de reactie van de minister in het bestreden besluit ontoereikend was, is onvoldoende om te spreken van een beroepsgrond waar de rechtbank op dient in te gaan. De rechtbank richt zich op wat eiseres concreet in beroep heeft aangevoerd.\n\n4. De voor de beoordeling van het beroep relevante wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nHeeft eiseres artikel 4:3, eerste lid, van de Atw overtreden?\n\n5. Eiseres voert aan dat zij artikel 4:3, eerste lid, van de Atw niet heeft overtreden. Ter zitting heeft zij haar beroepsgrond als volgt verduidelijkt. Primair stelt eiseres wel degelijk over een deugdelijke registratie terzake van de arbeids- en rusttijden te beschikken. Zij stelt dat de minister niet aan zijn bewijslast heeft voldaan en dat het dossier maar een deel van alle door haar ter beschikking gestelde informatie omvat. Over deze beroepsgrond oordeelt de rechtbank als volgt.\n\n5.1.. De minister heeft het opleggen van de boete gebaseerd op het boeterapport. Een bestuursorgaan mag in beginsel afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend boeterapport, voor zover deze eigen waarnemingen van de opsteller van het boeterapport weergeven. Als die bevindingen worden betwist, moet worden onderzocht of, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen, dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.\n\n5.2.. In een brief van 22 juni 2021 heeft de arbeidsinspecteur van eiseres gevorderd om inzage te geven in alle zakelijke gegevens en bescheiden, fysiek en digitaal, met betrekking tot alle werknemers die in de periode van maandag 1 maart 2021 tot en met zondag 20 juni 2021 voor eiseres arbeid hebben verricht. Hij heeft verder gevorderd om inlichtingen te verstrekken over -onder meer- de arbeids- en rusttijdenregistraties van de werknemers. Daarbij is eiseres erop gewezen dat het opzettelijk niet voldoen aan deze vordering een misdrijf is als bedoeld in artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n5.3.. Naar aanleiding van de vordering zijn de gewerkte uren ten behoeve van de salarisverwerking op een USB-stick gekopieerd en schriftelijke arbeidsovereenkomsten van de werknemers van eiseres overgelegd. Verder zijn ten aanzien van drie werknemers de gevorderde en ontvangen gegevens en opgenomen verklaringen nader onderzocht.\n\n5.4.. Uit het boeterapport volgt verder dat de arbeidsinspecteurs hebben gesproken met [naam 3] en (de gevolmachtigde van eiseres) [naam 1] . [naam 3] heeft verteld dat de voorwerkers de gewerkte uren doorgeven en de gewerkte uren noteren voor hun groepje personeelsleden. De begin- en eindtijden worden niet genoteerd, zo heeft [naam 3] verklaard. Verder is gesproken met de gevolmachtigde in het bijzijn van de boekhouder. In dit gesprek hebben zij verklaard dat zij niet bekend zijn met hoe de arbeids- en rusttijdenregistratie in zijn werk gaat, dat de voormannen de gewerkte uren doorgeven en dat ze de lijsten waarop deze gewerkte uren staan vermeld niet hebben. Verder is verklaard dat er geen planning is, dat de personeelsleden maximaal 10 uur per dag werken en dat niet bekend is hoe lang de pauzes zijn.\n\n5.5.. De gevolmachtigde is op 20 juli 2021 nogmaals gehoord in het bijzijn van [naam 2] . Daarbij heeft zij, nadat haar was voorgehouden dat zij de Atw had overtreden, het volgende verklaard op de vraag of zij op enige wijze kan aantonen wanneer de werknemers, en dan met name de arbeidsmigranten, gewerkt hebben: “Nee, de begin- en eindtijden zijn er niet, de totaaluren zijn er wel, maar er is geen planning wanneer iemand rust neemt, dat weten we niet.”\n\n5.6.. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de stukken die eiseres aan de arbeidsinspecteur heeft overgelegd niet worden afgeleid wat de arbeids- en rusttijden zijn van een individuele werknemer. De afgelegde verklaringen benadrukken dat een dergelijke registratie ook niet werd bijgehouden. Daarmee heeft de minister aangetoond dat eiseres artikel 4:3, eerste lid, van de Atw heeft overtreden. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat de arbeidsinspecteur wel over dergelijke stukken zou beschikken, zoals eiseres pas voor het eerst ter zitting naar voren heeft gebracht. Niet alleen staat deze stelling haaks op de verklaringen die eerder herhaaldelijk namens eiseres naar voren zijn gebracht, ook een objectief bewijsstuk dat de juistheid van deze stelling onderbouwt, ontbreekt. Het betoog slaagt niet.\n\nHad de minister moeten volstaan met een waarschuwing?\n\n6. Eiseres voert subsidiair aan dat de minister had moeten volstaan met een waarschuwing, omdat de inspectie niet is gehinderd door de ondeugdelijke registratie.\n\n6.1.. Volgens de toelichting bij bijlage 2 van de Beleidsregel boeteoplegging Arbeidstijdenwet en Arbeidstijdenbesluit 2013 (hierna: Beleidsregel) legt de minister niet direct een boete op als de arbeids- en rusttijdenregistratie weliswaar niet deugdelijk is, maar een inspectie hierdoor niet gehinderd wordt. In dit geval heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank terecht betoogd dat een volledige inspectie over de gehele te onderzoeken periode niet mogelijk was. Eiseres heeft geen deugdelijke urenregistratie gevoerd voor de arbeids- en rusttijden, terwijl ook anderszins niet uit de wel beschikbare gegevens kon worden herleid of eiseres de Atw heeft nageleefd. De minister heeft in dit verband gewezen op discrepanties tussen de aangeleverde Excel bestanden en de verklaringen van werknemers. Zo stelt werknemer [werknemer] dat hij zeven dagen per week werkt en het totaal aantal uren doorgeeft, terwijl uit de Excel gegevens niet blijkt dat [werknemer] op zaterdag of zondag zou hebben gewerkt. Eiseres heeft ter zitting weliswaar de juistheid van de verklaringen van de betrokken werknemers in twijfel getrokken door te stellen dat zij wellicht niet het juiste inspectietijdvak voor ogen hadden, maar daarmee miskent eiseres dat de minister hier heeft te oordelen of de inspectie gehinderd wordt door het feit dat geen deugdelijke registratie is bijgehouden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister mogen vinden dat een inspectie gehinderd werd. De verklaringen compenseren de gebrekkige registratie namelijk niet. De minister heeft dus niet hoeven te volstaan met een waarschuwing. Toch ziet de rechtbank in het betoog over het al dan niet direct opleggen van een boete wel aanleiding om de boete te matigen. Dat zal de rechtbank hierna uitleggen.\n\nMoet de boete worden gematigd?\n\n7. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) dat het bij het opleggen van een boete wegens overtreding van artikel 4:3, eerste lid, van de Atw gaat om de aanwending van een discretionaire bevoegdheid.De minister moet bij de aanwending van deze bevoegdheid, volgens artikel 5:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de hoogte van de boete afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij moet rekening worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. De minister kan omwille van de rechtseenheid en rechtszekerheid beleid vaststellen en toepassen over het al dan niet opleggen van een boete en het bepalen van de hoogte daarvan. De Afdeling heeft de Beleidsregel boeteoplegging Arbeidstijdenwet en Arbeidstijdenbesluit 2013 in zijn algemeenheid niet onredelijk geacht. De Beleidsregel, voor zover toegepast bij de overtreding van artikel 4:3, eerste lid, van de Atw, biedt in beginsel voldoende mogelijkheden tot differentiatie om te kunnen leiden tot oplegging van een boete, die in het desbetreffende geval als evenredig is aan te merken, aldus de Afdeling.\n\n7.1.. De rechtbank is evenwel van oordeel dat de minister in de Beleidsregel onvoldoende heeft gemotiveerd dat een direct beboetbare overtreding van artikel 4:3, eerste lid, van de Atw, rechtvaardigt dat het normbedrag voor overtreding van artikel 4:3, eerste lid, van de Atw van € 10.000,- met toepassing van artikel 6 van de Beleidsregel wordt verhoogd met een factor 1,5. De rechtbank zal dus artikel 6 van de Beleidsregel voor deze overtreding buiten toepassing laten. De rechtbank motiveert dit als volgt.\n\n7.2.. Op grond van artikel 1, eerste lid, van de Beleidsregel wordt bij de berekening van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 10:5 van de Arbeidstijdenwet voor alle overtredingen waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die gelden voor de onderscheiden onderwerpen in de 'Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Arbeidstijdenwet' die als bijlage 1 bij deze beleidsregel is gevoegd.\n\n7.3.. Voor het niet naleven van de algemene verplichting terzake de arbeids- en rusttijdenregistratie geldt als uitgangspunt het boetenormbedrag van € 10.000.-.\n\n7.4.. Bij de toepassing van artikel 1, eerste lid, wordt op grond van het tweede lid van artikel 1 van de Beleidsregel een onderscheid gemaakt tussen twee soorten overtredingen. Het gaat enerzijds om a. overtredingenwaarvoor eerst een waarschuwing wordt gegeven of een eis wordt gesteld. Pas in tweede instantie, nadat nogmaals is geconstateerd dat dezelfde of een soortgelijke wettelijke verplichting niet is nageleefd of dat de desbetreffende tekortkoming niet is opgeheven, wordt overgegaan tot het opleggen van een bestuurlijke boete. En anderzijds gaat het om b.overtredingenwaarvoor direct een bestuurlijke boete wordt opgelegd, die zijn opgenomen in de ‘Lijst overtredingen waarvoor direct een boete wordt opgelegd’, die als bijlage 2 bij deze beleidsregel is gevoegd.\n\n7.5.. Het niet hebben van een deugdelijke arbeids- en rusttijdenregistratie indien hierdoor een volledige inspectie over de gehele te onderzoeken periode niet mogelijk is, wordt als een direct beboetbare overtreding aangemerkt. Dit is in de Beleidsregel als volgt gemotiveerd (cursivering hierna door de rechtbank):\n\n“De arbeids- en rusttijdenregistratie ligt ten grondslag aan een inspectie van de naleving van de Arbeidstijdenregelgeving. Als deze registratie er niet is, kan niet worden geïnspecteerd. Het kan dan lonend zijn voor een werkgever die veel overtredingen begaat om geen arbeids- en rusttijdenregistratie te hebben. Om dit misbruik tegen te gaan is het niet hebben van een deugdelijke arbeids- en rusttijdenregistratie gedefinieerd als overtreding waarvoor direct een boete wordt opgelegd, indien daardoor een volledige inspectie over de gehele te onderzoeken periode niet mogelijk is.\n\nIndien de arbeids- en rusttijdenregistratie niet deugdelijk is, maar een inspectie hierdoor niet gehinderd wordt,is er geen sprake van een overtreding waarvoor direct een boete wordt opgelegd. Er wordt dan eerst een waarschuwing gegeven en niet direct een boete opgelegd. In ieder geval moet zijn aangegeven welke werknemer op een bepaald tijdstip met de arbeid begint en wanneer hij die arbeid heeft beëindigd, alsmede de daartussen gelegen pauzes. Het gaat bij deze verplichting om de feitelijk gewerkte uren en de feitelijk genoten rust, alsmede om de fictieve arbeidsuren op grond van artikel 5:2 van de Arbeidstijdenwet. Ook de identiteit van de werknemer, bijvoorbeeld het zijn van een jeugdige of kind moet zijn aangegeven, vanwege het feit, dat voor dergelijke categorieën van personen bijzondere voorschriften ten aanzien van het verrichten van arbeid worden voorgeschreven. De manier waarop de werkgever de gegevens registreert is vormvrij, maar de “verschillende soorten arbeidstijd” moeten er wel uit blijken of herleidbaar zijn.”\n\n7.6.. De beleidsregel maakt dus een onderscheid tussen soorten van overtredingen van artikel 4:3, eerste lid, van Atw, namelijk die waarbij uitsluitend een waarschuwing wordt gegeven en die waarbij meteen een boete wordt opgelegd, de zogenaamde direct beboetbare overtredingen. Voor de goede orde: in beidegevallen is dus sprake van een overtreding van het wettelijke voorschrift in artikel 4:3, eerste lid, van de Atw en ontbreekt het aan een deugdelijke administratie terzake van de arbeids- en rusttijden die het toezicht op de naleving van de wet en de daarop berustende bepalingen mogelijk maakt. Een waarschuwing kan zonder overtreding namelijk niet worden gegeven. De minister maakt in zijn Beleidsregel derhalve ten gunste van de overtreder een verdiscontering van de ernst van de overtreding door met een waarschuwing te volstaan in die gevallen dat de inspectie ondanks het niet hebben van een deugdelijke registratie toch niet gehinderd wordt en die gevallen waarin de inspectie wel gehinderd wordt. Wat de minister vervolgens echter in artikel 6 van de Beleidsregel doet, is de omstandigheid dat niet met een waarschuwing kan worden volstaan ook nog eens extra negatief in de boete tot uitdrukking te brengen. Dat doet hij door deze met 1,5 te verhogen ten opzichte van het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 4:3, eerste lid, van de Atw. Dat is, zonder nadere motivering, die in de Beleidsregel ten aanzien van overtredingen van artikel 4:3, eerste lid, van de Atw ontbreekt, onevenredig. Dat de overtreding qua ernst geen waarschuwing rechtvaardigt, rechtvaardigt niet zonder meer dat diezelfde overtreding dan een hogere boete krijgt ten opzichte van het voor overtreding van dit artikel geldende boetenormbedrag. Anders gezegd, dat het niet een minder ernstige overtreding is, maakt het nog niet tot een ernstiger overtreding ten opzichte van het boetenormbedrag. De minister heeft dus voor wat betreft de (motivering van) de ernst van de overtreding en de daaraan gekoppelde hoogte van de boete niet kunnen volstaan met een verwijzing naar zijn beleid. Een individuele motivering waarom in dit geval de ernst van de overtreding een hogere boete dan het normbedrag rechtvaardigt, heeft de minister niet gegeven. De rechtbank zal dus bij de hierna vast te stellen hoogte van de boete de boete met een factor 1,5 verlagen omdat er geen aanleiding bestaat om, behoudens de correctie vanwege de grootte van het bedrijf, tot een hogere boete dan het boetenormbedrag te komen.\n\n7.7.. De rechtbank ziet in dat wat eiseres verder heeft aangevoerd geen reden om tot een nog verdere verlaging van de boete te komen. Het feit dat eiseres heeft meegewerkt aan het onderzoek en openheid van zaken heeft gegeven, geldt als uitgangspunt en is daarom geen reden voor matiging van een boete.\n\n7.8.. De omstandigheid dat eiseres inmiddels een nieuw urenregistratiesysteem heeft ingevoerd ter voorkoming van verdere overtredingen vormt evenmin aanleiding om de boete te verlagen. Inspanningen die zijn verricht na de overtreding, ter voorkoming van verdere overtredingen, kunnen van betekenis zijn voor de beoordeling of de opgelegde boete evenredig is. Inspanningen achteraf kunnen echter alleen tot matiging leiden als deze adequaat zijn en uit eigen beweging en zo snel mogelijk zijn verricht.\n\n7.10.. De minister heeft in het verweerschrift uiteengezet dat eiseres niet heeft aangetoond dat zij adequate maatregelen heeft getroffen. De enkele stelling dat een nieuw systeem in gebruik is genomen, vergezeld van een e-mail van de accountant over de werking van dit systeem, is volgens de minister onvoldoende. Ter zitting heeft hij daaraan nog toegevoegd dat eiseres de inspanningen ook niet uit eigen beweging en zo snel mogelijk heeft gedaan, maar in reactie op het feit dat haar is voorgehouden dat zij een overtreding heeft begaan. De rechtbank stelt vast dat eiseres op 20 juli 2021, na de mededeling van de arbeidsinspecteur dat zij de Arbeidstijdenwet had overtreden, het volgende heeft laten weten: “We hebben er nooit bij stilgestaan, de mensen hebben het goed hier, we zullen ons komende winter erin gaan verdiepen om een goed arbeids- en rusttijdensysteem aan te schaffen”. Naar het oordeel van de rechtbank kan gelet hierop niet worden vastgesteld dat eiseres uit eigen beweging en zo snel mogelijk na de overtreding ter voorkoming van verdere overtredingen maatregelen heeft getroffen. Daar komt bij dat namens eiseres ter zitting is aangegeven dat zij eigenlijk vindt dat zij niets fout heeft gedaan. De omstandigheid dat eiseres nu stelt wel een registratie van de arbeids- en rusttijden bij te houden ter vermijding van boetes kan daarom niet worden aangemerkt als een intrinsieke inspanning die matiging van de boete rechtvaardigt. Het betoog slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het besluit van 9 februari 2024 vernietigen en het besluit van 15 juni 2023 herroepen. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door uit te gaan van een boetenormbedrag van € 10.000,-, dat wegens de grootte van het bedrijf wordt verhoogd tot € 15.000,-. Omdat het beroep gegrond is, zal de rechtbank de minister veroordelen in de kosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken voor de behandeling van het bezwaar en beroep. De rechtbank stelt deze kosten met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage vast op € 2.998,- voor de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor de hoorzitting, met een waarde per punt van € 624,-; 1 punt voor het indienen van een beroepschrift en een punt voor het deelnemen aan de zitting, met een waarde per punt van € 875,- waarbij een wegingsfactor 1 is toegepast). De minister moet ook het door eiseres betaalde griffierecht van € 371,- terugbetalen.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit van 9 februari 2024;\n\n- herroept het besluit van 15 juni 2023 en stelt de hoogte van de boete vast op € 15.000,-;\n\n- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;\n\n- veroordeelt de minister tot betaling van € 2.998,- aan proceskosten aan eiseres;\n\n- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 371,- aan eiseres moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.M.L. Wijnen, voorzitter, en mr. R. Grimbergen en mr. J. Krommendijk, leden, in aanwezigheid van mr. J.R. Leegsma, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2024.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBIJLAGE\n\nArbeidstijdenwet (Atw)\n\nArtikel 4:3, eerste lid\n\nEen werkgever en een persoon als bedoeld in artikel 2:7, eerste lid, voert een deugdelijke registratie terzake van de arbeids- en rusttijden welke het toezicht op de naleving van deze wet en de daarop berustende bepalingen mogelijk maakt.\n\nArtikel 10:1, eerste lid\n\nAls overtreding wordt aangemerkt het niet naleven van de artikelen (…) 4:3, eerste lid (…).\n\nBeleidsregel boeteoplegging Arbeidstijdenwet en Arbeidstijdenbesluit 2013 (Beleidsregel)\n\nArtikel 1\n\n1. Bij de berekening van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 10:5 van de Arbeidstijdenwet wordt voor alle overtredingen waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die gelden voor de onderscheiden onderwerpen in de 'Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Arbeidstijdenwet' die als bijlage 1bij deze beleidsregel is gevoegd.\n\n2. Bij de toepassing hiervan wordt onderscheid gemaakt tussen:\n\na. overtredingen waarvoor eerst een waarschuwing wordt gegeven of een eis wordt gesteld en pas in tweede instantie, nadat nogmaals is geconstateerd dat dezelfde of een soortgelijke wettelijke verplichting niet is nageleefd of dat de desbetreffende tekortkoming niet is opgeheven, wordt overgegaan tot het opleggen van een bestuurlijke boete;\n\nb. overtredingen waarvoor direct een bestuurlijke boete wordt opgelegd, die zijn opgenomen in de ‘Lijst overtredingen waarvoor direct een boete wordt opgelegd’, die als bijlage 2 bij deze beleidsregel is gevoegd.\n\nArtikel 2\n\n1. De in bijlage 1 genoemde boetenormbedragen zijn uitgangspunt voor de berekening van op te leggen bestuurlijke boetes voor een werkgever die 50 of meer, maar minder dan 100 werknemers in dienst heeft (middelgroot bedrijf).\n\n2. Voor de werkgever die een van het eerste lid afwijkend aantal werknemers in dienst heeft, worden de volgende uitgangspunten gehanteerd voor de berekening van op te leggen bestuurlijke boetes:\n\na. 0,5 maal het boetenormbedrag voor de werkgever die minder dan 10 werknemers in dienst heeft (kleinbedrijf);\n\nb. 0,75 maal het boetenormbedrag voor de werkgever die 10 of meer, maar minder dan 50 werknemers in dienst heeft (middenbedrijf);\n\nc. 1,5 maal het boetenormbedrag voor de werkgever die 100 of meer werknemers in dienst heeft (grootbedrijf).\n\n3. Een al dan niet op het aantal werknemers dat in dienst is van de werkgever gecorrigeerd normbedrag, is het uitgangsbedrag voor de eventuele verdere berekening van de bestuurlijke boete.\n\nArtikel 6\n\nHet op grond van voorgaande artikelen bepaalde boetebedrag wordt met anderhalf vermenigvuldigd, indien er sprake is van een overtreding waarvoor direct een bestuurlijke boete wordt opgelegd zoals genoemd in de lijst die is opgenomen als bijlage 2 bij deze beleidsregel.\n\nBijlage 1 (Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Arbeidstijdenwet)\n\nOnderwerp Boetenormbedrag\n\nAlgemene verplichtingen\n\n- arbeids- en rusttijdenregistratie € 10.000,–\n\nBijlage 2 (Lijst overtredingen waarvoor direct een boete wordt opgelegd)\n\na. Het niet hebben van een deugdelijke arbeids- en rusttijdenregistratie indien hierdoor een volledige inspectie over de gehele te onderzoeken periode niet mogelijk is.\n\nToelichting:\n\nDe arbeids- en rusttijdenregistratie ligt ten grondslag aan een inspectie van de naleving van de Arbeidstijdenregelgeving. Als deze registratie er niet is, kan niet worden geïnspecteerd. Het kan dan lonend zijn voor een werkgever die veel overtredingen begaat om geen arbeids- en rusttijdenregistratie te hebben. Om dit misbruik tegen te gaan is het niet hebben van een deugdelijke arbeids- en rusttijdenregistratie gedefinieerd als overtreding waarvoor direct een boete wordt opgelegd, indien daardoor een volledige inspectie over de gehele te onderzoeken periode niet mogelijk is.\n\nIndien de arbeids- en rusttijdenregistratie niet deugdelijk is, maar een inspectie hierdoor niet gehinderd wordt, is er geen sprake van een overtreding waarvoor direct een boete wordt opgelegd. Er wordt dan eerst een waarschuwing gegeven en niet direct een boete opgelegd. In ieder geval moet zijn aangegeven welke werknemer op een bepaald tijdstip met de arbeid begint en wanneer hij die arbeid heeft beëindigd, alsmede de daartussen gelegen pauzes. Het gaat bij deze verplichting om de feitelijk gewerkte uren en de feitelijk genoten rust, alsmede om de fictieve arbeidsuren op grond van artikel 5:2 van de Arbeidstijdenwet. Ook de identiteit van de werknemer, bijvoorbeeld het zijn van een jeugdige of kind moet zijn aangegeven, vanwege het feit, dat voor dergelijke categorieën van personen bijzondere voorschriften ten aanzien van het verrichten van arbeid worden voorgeschreven. De manier waarop de werkgever de gegevens registreert is vormvrij, maar de “verschillende soorten arbeidstijd” moeten er wel uit blijken of herleidbaar zijn.\n\n ECLI:NL:RVS:2019:1814.\n\n ECLI:NL:RVS:2022:1146, r.o. 7.1, recent ECLI:NL:RVS:2024:4173, r.o. 9.3.\n\n ECLI:NL:RVS:2024:4173, r.o. 9.8.\n\n ECLI:NL:RVS:2024:4173, r.o. 9.4.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2024:6239","2024-12-10T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:38.875Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":51,"updatedAt":62},"398","ECLI:NL:RBDHA:2024:23507","ecli-nl-rbdha-2024-23507",58,"2024-09-23T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SGR 23\u002F6275\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 september 2024 in de zaak tussen\n \n [eiseres] B.V., uit [vestigingsplaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. U. Alisic),\n\nen\n\nde minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. R.H. Verheijen).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de oplegging van een bestuurlijke boete van € 15.250,- wegens meerdere overtredingen van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml). In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank ook het beroep van eiseres tegen de door verweerder vastgestelde betalingsregeling voor het voldoen van deze bestuurlijke boete.\n\n1.1.. Met het besluit van 26 januari 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres een bestuurlijke boete opgelegd en besloten deze tezamen met de inspectiegegevens openbaar te maken. Met het besluit van 11 augustus 2023 (het bestreden besluit I) op het bezwaar van eiseres is verweerder bij dat besluit gebleven. Met het besluit van 30 augustus 2023 (het bestreden besluit II) heeft verweerder een betalingsregeling vastgesteld voor deze boete.\n\n1.2.. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep op 27 augustus 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n2. Eiseres verleent als zorgbureau thuiszorg en welzijnswerk voor ouderen, en ondersteuning en begeleiding van gehandicapten. Naar aanleiding van een melding van een oud-werknemer is de Nederlandse Arbeidsinspectie (hierna: de inspectie) een onderzoek gestart bij eiseres. De inspectie heeft over de periode van 1 juni 2019 tot en met 30 november 2019 meerdere overtredingen van de Wml geconstateerd: zeven werknemers ontvingen minder dan het wettelijke minimumloon,bij één werknemer werden ten onrechte huisvestingskosten, een eerder contant uitbetaald voorschot en een opgelegde parkeerboete met het netto minimumloon verrekenden twee werknemers ontvingen minder dan de wettelijke minimumvakantiebijslag.Verweerder heeft eiseres daarvoor een bestuurlijke boete van € 15.250,- opgelegden besloten om de boete en de inspectiegegevens openbaar te maken.\n\nVerweerder heeft ingestemd met een betalingsregeling, op basis waarvan eiseres de boete binnen een termijn van een jaar mag voldoen met elf termijnen van € 1.271,- en een laatste termijn van € 1.269,-.\n\nWat zijn de regels?\n\n3. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.\n\nWat vindt eiseres in beroep?\n\n4. De bestuurlijke boete is ten onrechte opgelegd. Allereerst verzoekt eiseres de door haar ingenomen standpunten in de vorige procedures als herhaald en ingelast te beschouwen. Verder is verweerder bij de berekening van het minimumloon ten onrechte uitgegaan van een arbeidsduur van 36 uur per week. De Collectieve arbeidsovereenkomst voor Verpleeg-, Verzorgingshuizen, Thuiszorg en Jeugdgezondheidszorg (CAO VVT) waarin deze arbeidsduur wordt gehanteerd, was in de periode van 1 juli 2019 tot en met 30 november 2019 namelijk niet algemeen verbindend verklaard. Eiseres viel destijds evenmin onder een bedrijfstak-cao of een ondernemings-cao. Hieruit volgt dat de CAO VVT in die periode niet op eiseres van toepassing was en het haar vrijstond om het uurloon te baseren op een arbeidsduur van 40 uur per week. Op grond van een arbeidsduur van 40 uur per week is slechts sprake geweest van onderbetaling van één medewerker en daarmee van een enkele overtreding van de Wml. Op de zitting heeft eiseres nog naar voren gebracht dat zij nooit de intentie heeft gehad om iemand te benadelen.\n\nVerder is de betalingsregeling disproportioneel, omdat verweerder bij de vaststelling ervan is uitgegaan van een te hoog eigen vermogen.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\n5. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd ingegaan op wat eiseres in de zienswijze en in bezwaar naar voren heeft gebracht. De enkele verwijzing van eiseres naar de zienswijze en de bezwaargronden, zonder te concretiseren op welke punten de motivering van het bestreden besluit volgens eiseres ontoereikend is, kan niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.\n\nMocht verweerder een boete opleggen?\n\n6. De rechtbank stelt vast dat eiseres de overtreding van artikel 13, eerste lid, van de Wml niet betwist. Tussen partijen bestaat discussie over de vraag of verweerder de zes overtredingen van artikel 7, eerste lid, van de Wml op goede gronden heeft vastgesteld. Voor de beantwoording van die vraag is van belang of verweerder terecht is uitgegaan van een minimumloon, berekend op basis van een normale wekelijkse arbeidsduur van 36 uur per week.\n\n6.1.. De normale arbeidsduur is de arbeidsduur die in overeenkomstige arbeidsverhoudingen in de regel geacht wordt een volledige dienstbetrekking te vormen.Hoe de normale arbeidsduur wordt bepaald, is uitgewerkt in de Toelichting op de Beleidsregel bestuursrechtelijke handhaving 2018.Daaruit volgt dat allereerst moet worden bezien of de werkgever en de werknemer onder de werkingssfeer van een collectieve arbeidsovereenkomst (CAO) vallen. Als dit niet zo is, dan moet worden bezien of in de branche waarin de werkgever en werknemer werkzaam zijn een normale arbeidsduur geldt. Daarvoor kan bijvoorbeeld worden gekeken naar een geldende of verlopen CAO die in dezelfde branche van toepassing is (geweest).\n\n6.2.. \n\nDe rechtbank is van oordeel dat de verweerder terecht is uitgegaan van de CAO VVT. In die CAO is de normale wekelijkse arbeidsduur bepaald op 36 uur per week. Verweerder heeft daarom terecht een minimumloon berekend op basis van een normale wekelijkse arbeidsduur van 36 uur per week. De rechtbank legt hierna uit waarom dat zo is.\n\nPartijen zijn het erover eens dat eiseres van 1 juni 2019 tot 1 juli 2019 viel onder de werkingssfeer van de CAO VVT, omdat die toen algemeen verbindend verklaard was.\n\nVoor de periode van 1 juli 2019 tot en met 30 november 2019 geldt dat de CAO VVT niet meer algemeen verbindend verklaard was. Daarom viel eiseres toen niet meer onder de werkingssfeer van deze CAO. Maar verweerder heeft, gelet op het hiervoor onder 6.1 geschetste beoordelingskader, terecht gekeken naar de eerder geldende CAO VVT om de normale wekelijkse arbeidsduur te bepalen.\n\n6.3.. Verweerder heeft dus op goede gronden de zes overtredingen van artikel 7, eerste lid, van de Wml vastgesteld. Uit dat wat eiseres naar voren heeft gebracht is de rechtbank niet gebleken dat eiseres geen verwijt kan worden gemaakt van de overtreding en dat verweerder om die reden had moeten afzien van boeteoplegging. Dat eiseres niet de bedoeling had om iemand te benadelen leidt niet tot een ander oordeel, omdat opzet niet is vereist bij deze overtredingen van de Wml. Verder is niet gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden die de hoogte van de bestuurlijke boete onevenredig zou maken. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder de bestuurlijke boete van € 15.250,- aan eiseres mocht opleggen.\n\nVaststelling betalingsregeling\n\n7. Verweerder heeft beleidsregels opgesteld voor het vaststellen van een betalingsregeling. Daarin is bepaald dat verweerder, op basis van een door de schuldenaar ingevulde vragenlijst en aangeleverde bewijsmiddelen, het vermogen en het inkomen van de schuldenaar beoordeelt. Als de waarde van het vermogen groter is dan de boete, dan is er voldoende draagkracht. Een langlopende betalingsregeling is dan niet mogelijk, maar een kortlopende betalingsregeling van drie maanden wel.\n\n7.1.. Verweerder heeft vastgesteld dat het eigen vermogen van eiseres op 31 december 2022 € 139.546 bedroeg en dat eiseres de boete hieruit kan voldoen. Hoewel eiseres op basis van de beleidsregels daarvoor niet in aanmerking komt, heeft verweerder haar toch een betalingsregeling van een jaar aangeboden.\n\n7.2.. De rechtbank is van oordeel dat verweerder deze betalingsregeling in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. Daarbij neemt de rechtbank in overweging dat uit de door eiseres ingebrachte stukken blijkt dat haar vermogen hoger is dan de bestuurlijke boete. Verweerder hoefde op grond van de beleidsregels alleen een kortlopende betalingsregeling aan te bieden. Verweerder heeft dus ten gunste van eiseres afgeweken van de beleidsregels. Verder heeft eiseres niet toegelicht waarom verweerder de hoogte van het eigen vermogen onjuist zou hebben vastgesteld. De niet onderbouwde stelling dat twee vorderingen van € 73.140 en € 66.980 ten laste zullen komen van haar eigen vermogen is daarvoor onvoldoende.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de bestuurlijke boete aan eiseres mocht opleggen en hij de hiermee samenhangende betalingsregeling in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. E.K.S. Mollen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2024.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBIJLAGE\n\nAlgemene wet bestuursrecht\n\nArtikel 4:94\n\n1. Het bestuursorgaan kan de wederpartij uitstel van betaling verlenen.\n\n2. Gedurende het uitstel kan het bestuursorgaan niet aanmanen of invorderen.\n\n3. De beschikking tot uitstel van betaling vermeldt de termijn waarvoor het uitstel geldt.\n\n4. Het bestuursorgaan kan aan de beschikking tot uitstel van betaling voorschriften verbinden.\n\nArtikel 4:125\n\n1. Het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de beschikking waarbij de verplichting tot betaling van een geldsom is vastgesteld, heeft mede betrekking op een bijkomende beschikking van hetzelfde bestuursorgaan omtrent verrekening, uitstel van betaling, verlening van een voorschot, vaststelling van de rente of gehele of gedeeltelijke kwijtschelding, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.\n\n(…)\n\nArtikel 5:46\n\n1. De wet bepaalt de bestuurlijke boete die wegens een bepaalde overtreding ten hoogste kan worden opgelegd.\n\n2. Tenzij de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijke voorschrift is vastgesteld, stemt het bestuursorgaan de bestuurlijke boete af op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Het bestuursorgaan houdt daarbij zo nodig rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.\n\n3. Indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, legt het bestuursorgaan niettemin een lagere bestuurlijke boete op indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.\n\n(…)\n\nWet minimumloon en minimumvakantiebijslag\n\nArtikel 7\n\n1. De werknemer die de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt heeft voor de arbeid door hem in dienstbetrekking verricht, jegens de werkgever recht op een loon ten minste tot het bedrag, bij of krachtens de volgende artikelen onder de benaming minimumloon vastgesteld.\n\n(…)\n\nArtikel 12\n\n(…)\n\n3. Onder normale arbeidsduur als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt verstaan de arbeidsduur die in overeenkomstige arbeidsverhoudingen in de regel geacht wordt een volledige dienstbetrekking te vormen met dien verstande dat hierbij een arbeidsduur van ten hoogste 40 uren per week in aanmerking wordt genomen.\n\nArtikel 13\n\n1. Het minimumloon is niet vatbaar voor inhouding of verrekening door de werkgever met overeenkomstige toepassing van artikel 631 onderscheidenlijk artikel 632, met uitzondering van het tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.\n\n2. In afwijking van het eerste lid is inhouding toegestaan, met overeenkomstige toepassing van artikel 632, derde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen betalingsverplichtingen van de werknemer worden aangewezen ten aanzien waarvan hij bevoegd is om schriftelijke volmacht te verlenen aan de werkgever om uit het uit te betalen loon betalingen in zijn naam te verrichten, met inachtneming van hetgeen overigens in artikel 631 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is bepaald. Deze betalingsverplichtingen kunnen voor te onderscheiden categorieën van werknemers verschillend worden aangewezen. In afwijking van artikel 3, eerste lid, kunnen tevens betalingsverplichtingen worden aangewezen van werknemers die op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht in dienst zijn genomen door of vanwege het Rijk of het bevoegde gezag van een provincie, gemeente, waterschap, veenschap en veenpolder, indien, op grond van artikel 615 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is verklaard.\n\n3. In afwijking van het eerste lid zijn voorschotten op het minimumloon, overeenkomstig artikel 7a aan de werknemer verstrekt, vatbaar voor verrekening met het minimumloon, mits dit vooraf schriftelijk met de werknemer is overeengekomen.\n\nArtikel 15\n\n1. De werknemer heeft jegens de werkgever recht op een vakantiebijslag ten minste tot een bedrag van 8% van zijn ten laste van de werkgever komende loon, alsmede van de uitkeringen waarop hij tijdens de dienstbetrekking krachtens de Ziektewet, hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1 of de artikelen 4:2b of 6:3 van de Wet arbeid en zorg en de Werkloosheidswet aanspraak heeft, met dien verstande, dat het bedrag waarmede de som van dit loon en deze uitkeringen het drievoud van het minimumloon overschrijdt buiten beschouwing blijft.\n\n(…)\n\nArtikel 18b\n\n1. Als overtreding wordt aangemerkt:\n\na. het door een werkgever niet of onvoldoende nakomen van de op hem rustende verplichting tot girale voldoening van het minimumloon, bedoeld in artikel 7 en 7a;\n\nb. het door een werkgever niet of onvoldoende nakomen van de op hem rustende verplichting tot voldoening van de minimumvakantiebijslag, bedoeld in artikelen 15 of 16;\n\nc. het door een werkgever verrichten van inhouding op of verrekening met het minimumloon, in strijd met het bepaalde bij of krachtens artikel 13;\n\n(…)\n\nArtikel 18c\n\n1. Een daartoe door Onze Minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar legt namens hem de bestuurlijke boete op aan degene op wie de verplichtingen rusten welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als een overtreding.\n\nArtikel 18pa\n\n1. De door Onze Minister aangewezen ambtenaren, bedoeld in artikel 18a, eerste en tweede lid, of 18c, eerste lid, maken het feit dat een bestuurlijke boete is opgelegd wegens overtreding van deze wet als bedoeld in artikel 18b, eerste en tweede lid, dat een besluit is genomen als bedoeld in artikel 18i, tweede lid, of dat na een afgerond onderzoek geen overtreding is geconstateerd openbaar teneinde de naleving van deze wet te bevorderen en inzicht te geven in het uitvoeren van het toezicht op grond van deze wet.\n\n(…)\n\nBeleidsregel bestuursrechtelijke handhaving Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag 2018\n\nArtikel 2\n\nIndien een werkgever de op hem rustende verplichting, als bedoeld in artikel 7, van de wet, niet of onvoldoende nakomt, wordt hem per werknemer ten aanzien van wie de overtreding is begaan een bestuurlijke boete opgelegd waarvan de hoogte wordt bepaald aan de hand van onderstaande tabel.\n\nArtikel 10\n\n1. In afwijking van de artikelen 2, 5, 6 en 7 wordt geen boete opgelegd, indien de mate waarin de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 2, 5, en 6 gezamenlijk of 7 afzonderlijk, niet worden nagekomen minder bedraagt dan € 50. Er wordt volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing waarbij de werkgever in de gelegenheid wordt gesteld alsnog aan zijn verplichtingen tot girale betaling van het volledige minimumloon en\u002Fof de betaling van de minimumvakantiebijslag te voldoen en binnen vier weken na het constateren van de overtreding schriftelijke bewijsstukken te overleggen waaruit dat blijkt. Indien de werkgever in gebreke blijft, wordt alsnog een bestuurlijke boete opgelegd.\n\n(…)\n\n Op grond van artikel 4:125, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt deze bijkomende beschikking onderdeel uit van deze procedure.\n\n Overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wml.\n\n Overtreding van artikel 13, eerste lid, van de Wml.\n\n Overtreding van artikel 15, eerste lid, van de Wml.\n\n De boete van € 15.250,- is opgelegd voor zes overtredingen van artikel 7, eerste lid van de Wml en één overtreding van artikel 13, eerste lid, van de Wml. Verweerder heeft voor één overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wml en twee overtredingen van artikel 15, eerste lid Wml vanwege de geringe omvang ervan geen boete opgelegd.\n\n Artikel 18pa, eerste lid, van de Wml.\n\n Artikel 12, derde lid, van de Wml.\n\n Bladzijde 8 van het Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 oktober 2018, 2018-0000160222, tot vaststelling van de beleidsregel in het kader van de bestuursrechtelijke handhaving van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (beleidsregel bestuursrechtelijke handhaving 2018), Stcrt. 2018, 61691.\n\n Deze beleidsregels staan op https:\u002F\u002Fwww.nlarbeidsinspectie.nl\u002Fnederlandse-arbeidsinspectie\u002Fsancties-en-handhavingsmethoden\u002Fbetalingsregeling-en-of-matiging-boete.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:23507","2025-05-06T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:27.797Z",20,[65,66,11,67],2026,2025,2023]