[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-environmental-law-nl-2022":3},{"detail":4,"years":70},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":19,"page":14,"limit":69},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},98,"environmental-law-nl","Environmental Law","NL","2026-07-08T16:56:40.702Z",2022,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":14},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":15},4,{"month":23,"count":14},5,{"month":25,"count":15},6,{"month":27,"count":15},7,{"month":29,"count":14},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":15},12,[39,53,61],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"530","ECLI:NL:RBMNE:2022:3609","ecli-nl-rbmne-2022-3609","",63,"2022-08-29T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: UTR 21\u002F3946\n uitspraak van de meervoudige kamer van 29 augustus 2022 in de zaak tussen\n Stichting Laat Woerden Niet Zakken, uit Woerden, eiseres\n\n(gemachtigden: E. Bom en L. Sonneveld),\n\nen\n\nde Minister van Economische Zaken en Klimaat (verweerder)\n\n(gemachtigden: mr. M.A.G. Stolker en drs. J.L.M. Oomers).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: Vermilion Energy Netherlands B.V.uit Amsterdam (Vermilion)\n\n(gemachtigde: mr. M. Israëls).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit van 11 augustus 2021 waarin het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk is verklaard.\n\n2. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vermilion heeft ook schriftelijk gereageerd.\n\n3. De rechtbank heeft het beroep op 2 juni 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van eiseres, de gemachtigden van verweerder en de gemachtigde van Vermilion. Namens verweerder zijn verder mr. [A] en [B] verschenen.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n4. Verweerder heeft aan Vermilion op 7 juni 2006 een winningsvergunning voor koolwaterstoffen verleend als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder b, van de Mijnbouwwet voor het winningsgebied Papekop. Vermilion heeft op 26 oktober 2020 een aanvraag bij verweerder ingediend waarin is verzocht om wijziging van deze winningsvergunning, namelijk om verkleining van het vergunningsgebied. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 29 december 2020 toegewezen. Hiermee is het vergunningsgebied verkleind van 68,89 km² tot een oppervlakte van 35,3 km².\n\n5. Eiseres heeft tegen het besluit van 29 december 2020 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiseres volgens hem geen belanghebbende is bij het besluit.Beoordeling door de rechtbank\n\n6. Eiseres voert in beroep aan dat zij gelet op haar statuten belanghebbende is bij het besluit van 29 december 2020 waarbij het winningsgebied wordt verkleind. Het belang van de stichting staat haaks op de winningsvergunning. De winningsvergunning heeft het doel om in een later stadium schadelijke koolwaterstoffen te winnen. Dit is een opmaat naar extra uitstoot van broeikasgassen, waaronder CO2 en methaan, die aantoonbaar slecht zijn voor het klimaat en waarbij sprake is van een onomkeerbaar proces. Het besluit tot verlening van de winningsvergunning is dus één van de besluiten waarmee een volgende stap wordt gezet in het proces naar winning. Datzelfde geldt daarom ook voor een wijziging van die vergunning, ook als die wijziging een verkleining van het winningsgebied inhoudt. Daar komt bij dat eiseres belang heeft om bij de wijziging opnieuw en accuraat de risico’s voor de winningsvergunning te laten beoordelen. Een wijziging vereist namelijk dat de vergunning getoetst moet worden aan de huidige wetgeving. De nieuwe Mijnbouwwet die geldt per 1 januari 2017 stelt meer eisen aan veiligheid en risico’s. Eiseres wijst daarbij specifiek op artikel 18, eerste lid, aanhef en onder e en f, van de Mijnbouwwet. Verweerder moet hieraan toetsen. Dat betekent dat verweerder - voordat een besluit tot wijziging van de vergunning kan worden gekomen - locatiespecifieke risico’s moet inventariseren en kwantificeren, waarbij rekening moet worden gehouden met de kwetsbare context van het veenweidegebied. Eiseres wijst erop dat in de herziene vergunning sprake is van overlap met drinkwaterwinningsgebieden. Dit is ten onrechte niet bij het besluit tot verkleining betrokken.\n\n7. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het belang van eiseres niet rechtstreeks betrokken is bij het besluit van 29 december 2020, waarin het verzoek om verkleining van het winningsgebied is ingewilligd. Een winningsvergunning biedt de vergunninghouder slechts het alleenrecht om in een bepaald gebied delfstoffen zoals koolwaterstoffen te mogen winnen en op te sporen en bepaalt dus voor wie en welk gebied de vergunning geldt. Een winningsvergunning biedt de houder geen recht om handelingen te verrichten die kunnen leiden tot effecten op de fysieke leefomgeving, zoals proefboren of het onttrekken van delfstoffen aan de bodem. Het belang van eiseres wordt met de onderhavige vergunning en de verkleining van het gebied niet rechtstreeks geraakt, omdat het nog steeds niet vaststaat of, en zo ja, waar, wanneer en hoe fysiek ingrijpen is voorzien. Dit is een beoordeling die pas plaatsvindt als er een actueel winningsplan zou komen waarmee wordt ingestemd en als er wordt besloten om een omgevingsvergunning te verlenen. Dat gaat dus om een onzekere toekomstige ontwikkeling, die eraan in de weg staat eiseres aan te kunnen merken als belanghebbende bij het besluit waarin het verzoek om verkleining van het winningsgebied is ingewilligd.\n\n8. Vermilion stelt zich op het standpunt dat een winningsvergunning slechts een marktordeningsinstrument is en verwijst daarbij naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 24 november 2021.Na verkrijging van een winningsvergunning dient verweerder nog in te stemmen met een winningsplan voordat tot winning kan worden overgegaan. Daarnaast is daarvoor ook een aantal omgevingsrechtelijke toestemmingen nodig, zoals een omgevingsvergunning. Eiseres richt zich gelet op de statuten op fysieke activiteiten in haar werkgebied. De winningsvergunning, laat staan de verkleining van het gebied, geeft geen recht om fysieke activiteiten uit te voeren. Daarom is het bezwaar van eiseres volgens Vermilion terecht niet-ontvankelijk verklaard.\n\n9. De rechtbank stelt voorop dat volgens artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onder belanghebbende wordt verstaan: “degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.\" Artikel 1:2, derde lid, van de Awb luidt: \"Ten aanzien van rechtspersonen worden als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.\" Het is vaste jurisprudentie dat alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en (rechts)persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.\n\n10. Eiseres heeft, voor zover van belang, op grond van haar statuten ten doel een evenwichtig en gezond, schoon, natuurlijk en landschappelijk leef- en woonmilieu te behouden en bevorderen in de gemeente Woerden en aangrenzende gemeenten. Verder heeft eiseres ten doel het tegengaan en voorkomen van rechts- en feitelijke handelingen die aan de natuur, het milieu of het landschap, bodem of ondergrond, onroerend goed, wegen of andere weren in het gebied, materiële dan wel immateriële aantasting, directe dan wel indirecte schade, inklinking, verzakking, trilling, vervuiling, straling, hinder, gebruiksbeperking of waardedaling toebrengen of zouden kunnen toebrengen.Eiseres probeert onder meer met alle wettelijke middelen rechts- en feitelijke handelingen tegen te gaan en te voorkomen die een risico zouden kunnen opleveren voor de hiervoor genoemde doelen.\n\n11. De rechtbank overweegt als volgt. Een winningsvergunning is een vergunning voor het winnen en opsporen van delfstoffenen is een eerste stap om tot daadwerkelijke ontplooiing van activiteiten te komen. De houder van een vergunning heeft de zekerheid dat anderen deze activiteit niet mogen uitvoeren in het desbetreffende gebied. De winningsvergunning heeft dan ook het karakter van een concessie.\n\n12. Het gaat in deze zaak om de wijziging van de winningsvergunning, namelijk de verkleining van het gebied waarvoor de vergunning is verleend. Dit is een wijzigingsbesluit in de zin van artikel 18 van de Mijnbouwwet. Op grond van dit artikel kan verweerder een vergunning wijzigen op verzoek van de houder van de vergunning of als sprake is van veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten. Een aanvraag om verkleining van het gebied van een winningsvergunning kan verweerder op grond van artikel 18, vierde lid, van de Mijnbouwwet alleen inwilligen met inachtneming van het bepaalde in artikel 11, derde en vierde lid, van de Mijnbouwwet. Daaruit volgt dat voor de afbakening van het gebied de begrenzing aan de oppervlakte wordt aangegeven en dat deze afbakening zodanig moet gebeuren dat de uitoefening van de activiteiten uit technisch en economisch oogpunt op zo goed mogelijke wijze kan plaatsvinden. Als aan deze voorwaarde is voldaan, is verweerder bevoegd om aan het wijzigingsverzoek tegemoet te komen. Dit betekent echter niet dat verweerder, als aan deze voorwaarde is voldaan, onder alle omstandigheden gehouden is tot toewijzing van het verzoek. Verweerder heeft in dit verband een zekere ruimte om op grond van een belangenafweging van verkleining af te zien. De ruimte die deze belangenafweging biedt kan niet groter zijn dan de ruimte die verweerder op basis van hoofdstuk 2 van de Mijnbouwwet heeft bij de beslissing over verlening of weigering van een winningsvergunning.\n\n13. De rechtbank trekt voorgaande conclusie naar aanleiding van de uitspraak van de ABRvS van 14 maart 2018.Deze zaak zag weliswaar op de verlenging van een opsporingsvergunning op grond van artikel 18, derde lid, van de Mijnbouwwet, maar de rechtbank ziet aanleiding dezelfde lijn te volgen bij de verkleining van het vergunningsgebied van een winningsvergunning. Een verzoek om een verkleining is, net als een verzoek om een verlenging van een opsporingsvergunning, een wijziging van een vergunning op grond van artikel 18 van de Mijnbouwwet.\n\n14. De vraag is vervolgens welke belangen verweerder bij zijn afweging in ieder geval moet betrekken. Dat zijn in de eerste plaats de belangen van Vermilion als houder van de winningsvergunning. Daarnaast spelen de belangen een rol die in hoofdstuk 2 van de Mijnbouwwet worden genoemd. Het gaat dan bijvoorbeeld om natuur- en milieubelangen, de veiligheid van omwonenden en het voorkomen van (kort gezegd) schade. Deze belangen volgen namelijk uit artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, van de Mijnbouwwet, wat onderdeel uitmaakt van hoofdstuk 2 van de Mijnbouwwet.\n\n15. Dat deze belangen een rol spelen bij de te maken belangenafweging in het kader van een wijzigingsbesluit van de winningsvergunning, blijkt niet alleen uit bovenstaande rechtspraak en wetssystematiek, maar bevestiging daarvoor kan ook worden gevonden in de wetsgeschiedenis. Zo blijkt uit de wetswijziging van de Mijnbouwwet van 1 januari 2017 dat uitdrukkelijk is beoogd om te bewerkstelligen dat (in ieder geval) de belangen van milieu en natuur bij de beoordeling van een vergunningaanvraag als weigeringsgrond dienen. Daarbij is voorzien dat het amendement Van Tongeren c.s. zal bewerkstelligen dat in elk van de drie fasen– (i) opsporings- en winningsvergunning; (ii) winningsplan; (iii) Wabo-vergunning – getoetst zal worden aan de belangen van voorkoming van schade en negatieve gevolgen voor milieu en natuur.Daarbij is in de wetsgeschiedenis een en andermaal over de natuur- en milieubelangen toegelicht dat in de fase van de winningsvergunning nog geen sprake is van daadwerkelijke winningsactiviteiten zodat er bij de verlening van een winningsvergunning, en ook bij de wijziging daarvan, beperkt zicht is op de gevolgen van die vergunning voor natuur en milieu.Er is dus aandacht geweest voor het punt dat er nog geen sprake is van daadwerkelijke winningsactiviteiten, maar dat heeft niet tot een andere keuze van de wetgever geleid.\n\n16. Dit betekent dat verweerder onder meer de natuur- en milieubelangen en de belangen van de veiligheid van omwonenden en het voorkomen van schade bij de beoordeling van het verzoek van Vermilion om verkleining van de winningsvergunning had moeten betrekken. Omdat eiseres die belangen op grond van haar statuten en feitelijke werkzaamheden behartigt, is haar belang rechtstreeks bij de wijzigingsvergunning betrokken. Eiseres zet zich immers in voor milieu- en natuurbelangen, de veiligheid van omwonenden en het voorkomen van (kort gezegd) schade. Dit betekent dat verweerder in het bestreden besluit eiseres ten onrechte niet als belanghebbende heeft aangemerkt. Verweerder heeft daarom het bezwaar van eiseres ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.\n\nConclusie en gevolgen\n\n17. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.\n\n18. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Eiseres heeft verzocht om een vergoeding van de proceskosten. Op grond van artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht komen voor vergoeding in aanmerking de reiskosten en de verletkosten van de gemachtigde E. Bom. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 8,20 voor reiskosten en € 176,- voor verletkosten voor het bijwonen van de zitting. De gevraagde verletkosten voor de hoorzitting in bezwaar komen niet voor vergoeding in aanmerking. Verweerder dient daarover een beslissing te nemen in de nieuwe beslissing op bezwaar. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit;\n\n- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;\n\n- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 360,- aan eiseres te vergoeden;\n\n- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 184,20.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, voorzitter, mr. A.A.M. Elzakkers en mr. M.L. van Emmerik, leden, in aanwezigheid van mr. A.M. Zwijnenberg, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2022.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n ECLI:NL:RVS:2021:2634.\n\n Artikel 2, eerste lid, van de statuten.\n\n Artikel 2, tweede lid, van de statuten.\n\n Artikel 1, aanhef en onder k, van de Mijnbouwwet.\n\n Memorie van Toelichting 2015-2016, 34 348, nr. 3, p. 5.\n\n ECLI:NL:RVS:2018:869, rechtsoverweging 6.\n\n Nader gewijzigd amendement van het lid Van Tongeren c.s. ter vervanging van dat gedrukt onder nr. 23, 2015-2016, 34 348, nr. 41.\n\n Memorie van Toelichting 34 348, nr. 3, p. 7-9 en 33-34; Eerste Kamer, 34 041 (en 34 348), E, pagina 10.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:3609","2022-09-09T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:35.048Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":57,"fullText":58,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":57,"parsedAt":51,"updatedAt":60},"2012","ECLI:NL:RBMNE:2022:1791","ecli-nl-rbmne-2022-1791","2022-05-10T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: UTR 22\u002F810 en UTR 22\u002F811\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 mei 2022 in de zaken tussen\n\n1. Stichting Behoud het Weteringgebied, gevestigd in Langbroek;Vereniging Natuur en Milieu, IVN-afdeling Wijk bij Duurstede, gevestigd in Wijk bij Duurstede;\n\nDe Loonbrouwerij B.V.,;\n\nTapkoel Holding B.V., beide gevestigd in Cothen;\n\n [verzoeker sub 1]uit [woonplaats] ;\n\n2. Stichting Instandhouding Sterkenburg,;\n\nLandgoed Hardenbroek B.V., beide gevestigd in Driebergen-Rijsenburg;Ridderhofstad Hindersteyn B.V.;Poggel B.V.;Klein Hindersteyn B.V.;Hindersteyn C B.V.;Landgoed Dondersteyn B.V.;Landgoed Rhodesteyn B.V.;Landgoed Dijkhoeve B.V.;Landgoed De Lange Akkers B.V., alle gevestigd in Langbroek;\n\n3. 29 29 personenuit [woonplaats] , [woonplaats] en [woonplaats] ;\n\n3. 29 [verzoeker sub 3.1] de [woonplaats] (Landgoed [landgoed 1] );\n\n [verzoeker sub 3.2] (Landgoed [landgoed 2] ), beiden uit [woonplaats] ;\n\n [verzoeker sub 3.3] en [verzoeker 3.4] ( [naam] );\n\n [verzoeker sub 3.5] (Landgoed [landgoed 3] ), beiden uit [woonplaats] ;\n\nsamen: verzoekers\n\n(gemachtigde: ir. A.K.M. van Hoof),\n\nen\n\nhet college van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht, verweerder\n\n(gemachtigden: mr. H.S. Heite)\n\nVerder heeft als partij aan het geding deelgenomen:\n\nGroene Energie Kromme Rijn & Heuvelrug B.V., gevestigd in Leersum\n\n(gemachtigde: mr. F.H. Damen).\n\nPartijen worden hierna verzoekers, gedeputeerde staten en Kromme Rijn & Heuvelug genoemd.\n\nInleiding\n\nKromme Rijn & Heuvelrug heeft het voornemen om aan de Graaf van Lynden van Sandenburgweg in Cothen, gemeente Wijk bij Duurstede, een installatie voor de opwekking van bio-energie te realiseren. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn de gebieden Kolland & Overlangbroek en Rijntakken. Deze gebieden zijn gevoelig voor stikstof. Gedeputeerde staten zijn op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) verantwoordelijk voor de beoordeling van de gevolgen op de Natura 2000-gebieden van plannen en projecten in de provincie Utrecht.\n\nOp 30 maart 2017 hebben gedeputeerde staten aan de rechtsvoorganger van Kromme Rijn & Heuvelrug een omgevingsvergunning verleend voor het in afwijking van het bestemmingsplan bouwen van een (co-)vergistingsinstallatie met be- en verwerking van digestaat. Op diezelfde datum hebben gedeputeerde staten aan de rechtsvoorganger van Kromme Rijn & Heuvelrug voor het oprichten van die installatie een vergunning verleend op grond van de Wnb. Deze natuurvergunning is verleend met toepassing van het Programma Aanpak Stikstof (PAS) en in de vergunning zijn de gevolgen van het project voor het Natura 2000-gebied Kolland & Overlangbroek beoordeeld.\n\nDe biovergistingsinstallatie is nog niet gereed en niet in gebruik. Als onderdeel van de installatie is er inmiddels een loods gebouwd; de overige bouw- en aanlegwerkzaamheden zullen de komende tijd verder plaatsvinden. Kromme Rijn & Heuvelrug heeft het streven om de installatie medio 2023 in werking te stellen.\n\n4. Met de uitspraak van 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) het PAS onverbindend verklaard.Verzoekers hebben gedeputeerde staten om die reden op 12 mei 2021 verzocht om de natuurvergunning in te trekken. Zij hebben daarbij ook verzocht om de omgevingsvergunning in te trekken.\n\n5. Gedeputeerde staten hebben nog niet beslist op het verzoek om de omgevingsvergunning in te trekken. Het verzoek om de natuurvergunning in te trekken hebben zij met het besluit van 9 september 2021 afgewezen. Met het bestreden besluit van 15 februari 2022 hebben gedeputeerde staten het bezwaar van verzoekers daartegen ongegrond verklaard. Verzoekers zijn het hier niet mee eens en hebben beroep ingesteld. Zij hebben daarnaast de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n6. De voorzieningenrechter heeft de zaak behandeld op de zitting van 26 april 2022. Stichting Behoud het Weteringgebied heeft zich laten vertegenwoordigen door [A] en [B] . Vereniging Natuur en Milieu, IVN-afdeling Wijk bij Duurstede heeft zich laten vertegenwoordigen door haar voorzitter [C] . Zij werden bijgestaan door en de overige verzoekers hebben zich laten vertegenwoordigen door de gemachtigde en door deskundige [D] . Gedeputeerde staten hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde, bijgestaan door [E] . Kromme Rijn & Heuvelug heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en door deskundige [F] .\n\n7. Na de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat meer onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.Overwegingen over het beroep - ontvankelijkheid\n\n8. Gedeputeerde staten hebben de vraag of verzoekers allemaal als belanghebbende kunnen worden aangemerkt bij de intrekking van de natuurvergunning voor een deel van de verzoekers in het midden gelaten en hebben alle bezwaren ontvankelijk geacht. De voorzieningenrechter kan die praktische afdoeningswijze niet toepassen: hij moet de belanghebbendheid van verzoekers beoordelen om het beroep te kunnen afdoen. Bij die beoordeling is bepalend dat alleen een verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen op grond van artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) als aanvraag in behandeling moet worden genomen. Er moet dus worden beoordeeld of alle verzoekers belanghebbende zijn in de zin van artikel 1:2 van de Awb bij het door hen gevraagde besluit om de natuurvergunning in te trekken.\n\n9. Stichting Behoud het Weteringgebied en Vereniging Natuur en Milieu, IVN-afdeling Wijk bij Duurstede zijn belanghebbenden bij het gevraagde besluit. Zij zijn rechtspersonen die blijkens hun statuten opkomen voor de algemene bij dat besluit betrokken belangen, waarbij uit de feitelijke werkzaamheden blijkt dat zij die behartigen. Ook De Loonbrouwerij B.V., Tapkoel Holding B.V. en [verzoeker sub 1] zijn belanghebbenden bij het gevraagde besluit, omdat zij op korte afstand in de directe omgeving van de locatie waarvoor de natuurvergunning geldt zijn gevestigd of wonen en daarvan rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervinden. De in de kop van deze uitspraak onder 1. genoemde (rechts)personen zijn ontvankelijk in hun beroep en hun beroepsgronden zullen hierna inhoudelijk worden beoordeeld.\n\n10. De in de kop van deze uitspraak onder 2. genoemde rechtspersonen zijn landgoederen in de omgeving van de locatie waarvoor de natuurvergunning geldt. Onder 3. zijn 29 personen genoemd die in de omgeving wonen. Van de onder 4. genoemde personen kan op basis van de overgelegde machtigingen worden geconstateerd dat zij optreden namens landgoederen in de omgeving die geen rechtspersoon zijn. De voorzieningenrechter heeft via Googlemaps kunnen vaststellen dat deze (rechts)personen allemaal zijn gevestigd of wonen op een afstand van meer dan 500 meter van de locatie waarvoor de natuurvergunning geldt. Deze afstand loopt op tot ongeveer 3.350 meter. Gelet op deze afstanden is niet aannemelijk dat deze (rechts)personen van de biovergistingsinstallatie rechtstreeks feitelijke gevolgen zullen ondervinden die van enige betekenis zijn voor hun woon-, leef- of bedrijfssituatie. Zij zijn daarom geen belanghebbenden bij het gevraagde besluit om de natuurvergunning in te trekken. Voor zover het verzoek is ingediend door de in de kop van de uitspraak onder 2., 3. en 4. genoemde (rechts)personen is het verzoek daartoe daarom geen aanvraag om een besluit te nemen in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. De afwijzing daarvan is geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het college had de bezwaren in zoverre niet-ontvankelijk moeten verklaren en heeft dat ten onrechte niet gedaan. Het beroep is daarom gegrond. De voorzieningenrechter zal het bestreden besluit daarom (in zoverre) vernietigen en zal zelf in de zaak voorzien door de bezwaren van de in de kop van de uitspraak onder 2., 3. en 4. genoemde (rechts)personen niet-ontvankelijk te verklaren.\n\nOverwegingen over het beroep - inhoudelijkBeoordelingskader\n\n11. Deze zaak gaat over de vraag of gedeputeerde staten het verzoek van verzoekers om intrekking van de natuurvergunning van Kromme Rijn & Heuvelrug hebben mogen afwijzen. Verzoekers vinden dat gedeputeerde staten de vergunning hadden moeten intrekken op grond van artikel 5.4, eerste lid, onder c, dan wel artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb. Als leidraad voor de beoordeling van de zaak kijkt de voorzieningenrechter naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 januari 2021 (Logtsebaan), waarin is uiteengezet onder welke omstandigheden een natuurvergunning kan of moet worden ingetrokken en welke eisen aan de motivering van een beslissing op een verzoek om intrekking of wijziging van een natuurvergunning worden gesteld. Daarnaast is de uitspraak van deze rechtbank van 22 september 2021 (Westbroek)relevant, waarin al is ingegaan op een rechtsvraag die in deze zaak ook speelt.\n\n12. Artikel 5.4, eerste lid, onder c, van de Wnb bepaalt dat een vergunning kan worden ingetrokken of gewijzigd als de vergunning in strijd met wettelijke voorschriften is verleend. Het gaat om een zogenoemde discretionaire bevoegdheid van gedeputeerde staten. Dit betekent dat gedeputeerde staten niet verplicht zijn om deze bevoegdheid te gebruiken. Zij zullen een afweging van de betrokken belangen moeten maken. Tot die belangen behoort ook het belang van de rechtszekerheid van de vergunninghouder.\n\n13. Artikel 5.4, tweede lid van de Wnb bepaalt dat een vergunning wordt ingetrokken of gewijzigd indien dat nodig is ter uitvoering van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn.Artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn voorziet in een permanente beschermingsverplichting en strekt ertoe dat passende maatregelen getroffen worden als verslechtering of significante verstoring van natuurlijke habitats en habitats van soorten dreigt.\n\n14. Uit de Logtsebaan-uitspraak volgt dat het eerste en tweede lid van artikel 5.4 van de Wnb in samenhang moeten worden gelezen, gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5.4. De Afdeling heeft overwogen dat als de c- of d-grond uit het eerste lid van toepassing is én uit de herbeoordeling van de vergunde activiteit volgt dat deze, anders dan ten tijde van de vergunningverlening werd verondersteld, leidt tot een (dreigende) verslechtering of significante verstoring van natuurwaarden, dat dan ook artikel 5.4, tweede lid, van belang is.In artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb ligt besloten dat een grond voor intrekking of wijziging van een natuurvergunning aanwezig is als een verslechtering of significante verstoring van natuurwaarden in een Natura 2000-gebied dreigt en de activiteit waarvoor de natuurvergunning is verleend effecten heeft op die natuurwaarden. Anders dan bij het eerste lid, hebben gedeputeerde staten bij toepassing van het tweede lid geen ruimte voor een belangenafweging. Uit de Logtsebaan-uitspraak volgt dat gedeputeerde staten bij toepassing van dit artikel wel beoordelingsruimte hebben bij de keuze van de maatregelen die passend zijn om verslechteringen of verstoringen met significante gevolgen voor de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied te voorkomen. Het intrekken of wijzigen van een natuurvergunning is in het licht daarvan niet altijd een passende maatregel die moet worden getroffen. Uit de Logtsebaan-uitspraak volgen duidelijke kaders voor de vraag waaraan de motivering van het bevoegd gezag moet voldoen als het niet kiest voor intrekking of wijziging van de natuurvergunning als passende maatregel. De enkele constatering dat andere passende maatregelen kunnen, zullen of al worden getroffen, is onvoldoende. Het bevoegd gezag moet inzichtelijk maken met welke maatregelen uitvoering wordt of zal worden gegeven aan de noodzakelijke daling van de stikstofdepositie binnen afzienbare tijd.\n\nStandpunten van partijen over bevoegdheid lid 1\n\n15. Gedeputeerde staten stellen zich in het bestreden besluit – in afwijking van het advies van de bezwaarschriftencommissie – op het standpunt dat de intrekkings- en wijzigingsgrond uit artikel 5.4, eerste lid, onder c, van de Wnb niet van toepassing is, omdat de natuurvergunning niet is verleend in strijd met wettelijke voorschriften. Toen de vergunning werd verleend was dat immers in overeenstemming met de toen geldende PAS-regelgeving. Gelet hierop wordt volgens gedeputeerde staten niet toegekomen aan een beoordeling van de vraag of de natuurvergunning op grond van artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb moet worden ingetrokken.\n\n16. Verzoekers betwisten deze insteek en verwijzen daarbij naar de PAS-uitspraak van de Afdeling en naar de uitspraak Westbroek van de rechtbank.Oordeel over bevoegdheid lid 1\n\n17. De rechtbank heeft in de uitspraak Westbroek overwogen dat een onverbindendverklaring jegens een ieder geldt, niet beperkt is tot de in de uitspraak voorliggende zaak, in zoverre terugwerkende kracht heeft en dat dit betekent dat het PAS niet in de wet had mogen worden opgenomen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de in die zaak voorliggende natuurvergunning, ondanks dat deze in rechte onaantastbaar was, is verleend in strijd met wettelijke voorschriften.De voorzieningenrechter overweegt dat dit ook geldt voor de natuurvergunning in deze zaak en dat hij geen aanleiding ziet om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan in de uitspraak Westbroek. Gedeputeerde staten hebben ten onrechte niet onderkend dat de in artikel 5.4, eerste lid, onder c, van de Wnb genoemde omstandigheid zich voordoet en dat zij op grond daarvan bevoegd zijn de natuurvergunning voor Kromme Rijn & Heuvelrug in te trekken. De beroepsgrond slaagt.\n\n18. Gelet hierop hadden gedeputeerde staten vervolgens moeten beoordelen of de natuurvergunning moet worden ingetrokken op grond van artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb. Gedeputeerde staten hebben dat ten onrechte nagelaten. Ook deze beroepsgrond slaagt.\n\n19. Het bestreden besluit moet gelet op het voorgaande (ook) worden vernietigd voor zover daarbij inhoudelijk op de bezwaren van verzoekers is beslist.\n\nStandpunten van partijen over belangenafweging lid 1 en beoordeling lid 2\n\n20. Gedeputeerde staten hebben de voorzieningenrechter verzocht om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, in het geval waarin tot vernietiging wordt overgegaan. In dat kader hebben zij het standpunt ingenomen dat zij bij de belangenafweging in de zin van artikel 5.4, eerste lid, van de Wnb in redelijkheid meer belang kunnen hechten aan de rechtszekerheid van Kromme Rijn & Heuvelrug. Ten aanzien van de te maken afweging op grond van artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb wijzen gedeputeerde staten op hun verweerschrift uit de bezwaarfase, waarin wordt ingegaan op verschillende maatregelen die zijn uitgewerkt in het beheerplan Kolland & Overlangbroek en waaruit volgens hen volgt dat intrekking van de natuurvergunning van Kromme Rijn & Heuvelrug geen noodzakelijke passende maatregel is.\n\n21. Verzoekers vinden dat het belang bij het voorkomen van een aantasting van de natuurwaarden zwaarder moet wegen dan de mogelijkheid voor Kromme Rijn & Heuvelrug om met haar plan door te kunnen gaan. Over de beoordeling van de te treffen maatregelen uit het beheerplan voeren verzoekers aan dat onvoldoende duidelijk is dat dit passende maatregelen zijn en wanneer en hoe zij effectief zullen zijn.Oordeel over beoordeling lid 2\n\n22. De voorzieningenrechter zal eerst op dit laatste punt – de beoordeling op grond van artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb – ingaan en hij geeft verzoekers ook hier gelijk. Partijen zijn het erover eens dat bij de dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden Kolland & Overlangbroek en Rijntakken een verslechtering of significante verstoring van natuurwaarden dreigt, én dat de voorgenomen activiteiten van Kromme Rijn & Heuvelrug daarop effecten hebben. Gedeputeerde staten hebben in het verweerschrift uit de bezwaarfase gewezen op de maatregelen uit het beheerplan voor Kolland & Overlangbroek. Binnen de deelgebieden worden hydrologische maatregelen uitgevoerd om de grondwaterstand te verhogen en de afvoer van overtollig zuur (regen)water te verbeteren. Er wordt een hydrologische scheiding aangebracht tussen het agrarische gebied en de natuurgebieden, waarbij wordt verwezen naar het daartoe op grond van de Waterwet opgestelde projectplan. De maatregelen hebben als doel het tegengaan van verzuring en vermesting als gevolg van stikstofdepositie en op de zitting is toegelicht dat zij voor het grootste deel inmiddels zijn uitgevoerd. Gedeputeerde staten wijzen daarnaast op de gebiedsgerichte aanpak door de provincie en op de landelijke aanpak van de stikstofproblematiek.\n\n23. De voorzieningenrechter stelt voorop dat gedeputeerde staten niet zijn ingegaan op de vraag welke passende maatregelen worden genomen in het Natura 2000-gebied Rijntakken en hoe daarmee voor dat gebied uitvoering wordt gegeven aan de noodzakelijke daling van de stikstofdepositie. De door hen gegeven motivering gaat immers alleen over het Natura 2000-gebied Kolland & Overlangbroek en alleen al om deze reden kunnen de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand blijven.\n\n24. Met betrekking tot het Natura 2000-gebied Kolland & Overlangbroek overweegt de voorzieningenrechter gelijkluidend als de rechtbank heeft gedaan in de uitspraak Westbroek over de in die zaak gepresenteerde maatregelen voor het Natura 2000-gebied dat daar aan de orde was. Net als in die zaak hebben gedeputeerde staten alle hiervoor genoemde (natuur)herstelmaatregelen geduid als passende maatregelen in de zin van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. Niet is toegelicht of gemotiveerd waarom deze maatregelen als passende maatregelen zijn aan te merken. Weliswaar hebben gedeputeerde staten beoordelingsruimte als het gaat om de vraag welke maatregelen getroffen gaan worden, maar bij de keuze mogen alleen passende maatregelen betrokken worden en niet andersoortige maatregelen. Gedeputeerde staten zijn er zonder motivering van uitgegaan dat de genomen en te nemen maatregelen passende maatregelen zijn, terwijl gelet op de aard van de maatregelen niet valt uit te sluiten dat het om andersoortige maatregelen gaat. De verwijzing naar de gronden van het hoger beroep dat gedeputeerde staten tegen de uitspraak Westbroek hebben ingesteld volstaat ook niet. Zij hebben daarin gewezen op de aard van passende maatregelen en instandhoudingsmaatregelen in het licht van de bepalingen uit de Habitatrichtlijn. Juist omdat de Habitatrichtlijn instandhoudingsmaatregelen definieert als maatregelen die in een beheerplan kunnen worden opgenomen en het in deze zaak gaat om maatregelen uit het beheerplan, moet nader gemotiveerd worden waarom de maatregelen desondanks (ook) als passende maatregel moeten worden aangemerkt. De voorzieningenrechter volgt verder de overwegingen van de bezwaarschriftencommissie over de gebiedsgerichte aanpak: daarvan is onduidelijk wanneer verwacht wordt dat deze effectief zijn en wat de effecten zijn. Gedeputeerde staten hebben niet inzichtelijk gemaakt op welke wijze de maatregelen bijdragen aan de noodzakelijke daling van de stikstofdepositie in het Natura 2000-gebied. Hoewel het niet nodig is om concreet aan te geven welke maatregel tot dezelfde reductie van de stikstofdepositie leidt als de intrekking of wijziging van de natuurvergunning zou leiden, moet wel duidelijk worden gemaakt of de maatregelen effectief zijn en op welke termijn.Conclusie\n\n25. Het beroep is gegrond. De voorzieningenrechter vernietigt het bestreden besluit, omdat het in strijd is met artikel 5.4, eerste lid, onder c en het tweede lid, van de Wnb. Gedeputeerde staten moeten het verzoek om de natuurvergunning in te trekken in een nieuwe beslissing op de bezwaren van de verzoekers die in de kop van de uitspraak onder 1. zijn genoemd opnieuw beoordelen in het licht van wat de voorzieningenrechter heeft geoordeeld. Daarvoor geeft hij hen niet via een bestuurlijke lus de gelegenheid, omdat onvoldoende duidelijk is of de weigering om de natuurvergunning in te trekken alsnog toereikend kan worden gemotiveerd.\n\n26. De voorzieningenrechter zal een termijn stellen waarbinnen gedeputeerde staten het nieuwe besluit moeten nemen. Daartoe is aanleiding omdat zowel verzoekers als Kromme Rijn & Heuvelrug er baat bij hebben dat er duidelijkheid komt over het wel of niet kunnen voortzetten van de plannen. De termijn wordt bepaald op 4 weken na deze uitspraak. Dat is een haalbare termijn, omdat er al is geadviseerd door de bezwaarschriftencommissie en de standpunten van partijen duidelijk zijn.\n\nOverwegingen over het verzoek om een voorlopige voorziening\n\n27. Omdat uitspraak wordt gedaan in de hoofdzaak moet het separate verzoek om voorlopige voorziening worden afgewezen. Ook als de voorzieningenrechter op het beroep beslist kan hij daarbij echter zo nodig een voorlopige voorziening treffen, op de grondslag van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb.\n\n28. Verzoekers hebben gevraagd om dat te doen in de vorm van een bouwstop. Zij vrezen voor stikstofdepositie, ook tijdens de bouwfase van de biovergistingsinstallatie die op korte termijn zal starten. Bovendien wordt het terugdraaien van het project volgens hen steeds moeilijker naarmate de bouw vordert en er meer investeringen zijn gedaan.\n\n29. Kromme Rijn & Heuvelrug heeft gewezen op het belang dat zij heeft om met haar plannen door te kunnen gaan, juist vanwege de investeringen die al zijn gedaan en de gemaakte planning. Zij heeft aan de hand van een AERIUS-berekening onderbouwd dat er in de bouwfase geen sprake is van stikstofdepositie.\n\n30. De voorzieningenrechter weegt de belangen van partijen bij het al dan niet treffen van een voorlopige voorziening in afwachting van het nieuwe besluit van gedeputeerde staten. Hij beperkt zijn oordeel tot de bouwfase, omdat niet aannemelijk is dat de biovergistingsinstallatie op korte termijn in gebruik zal worden genomen en omdat er op basis van deze uitspraak een korte beslistermijn voor gedeputeerde staten geldt. Bij de huidige stand van zaken heeft de voorzieningenrechter geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de AERIUS-berekening over de bouwfase. Verzoekers hebben er wel op gewezen dat die berekening pas op een laat moment in de procedure is gemaakt en dat zij deze door een deskundige willen laten toetsen en op die wijze willen betwisten. Het is echter de aard van de voorlopigevoorzieningprocedure dat er nog laat stukken kunnen worden gewisseld. De voorzieningenrechter heeft daarom op de zitting toegestaan dat dit stuk aan het dossier wordt toegevoegd en ziet geen reden om de berekening nu niet bij zijn belangenafweging te betrekken. Daarvan uitgaande is er geen reden om de bouw nu te verbieden vanwege de vrees voor onherstelbare schade aan de Natura 2000-gebieden door stikstofdepositie. Het belang van Kromme Rijn & Heuvelrug moet dan zwaarder wegen. Daarbij moet wel worden opgemerkt dat zij voor eigen risico verder bouwt: het is immers nog niet zeker dat de biovergistingsinstallatie ook in gebruik kan worden genomen en de intrekking van de natuurvergunning hangt nog steeds in de lucht. De uitkomst van de belangenafweging geldt bovendien bij de huidige stand van zaken. Verzoekers kunnen bij het uitblijven van nadere besluitvorming, als zij de AERIUS-berekening alsnog inhoudelijk willen betwisten, gebruik maken van hun verdere rechtsbeschermingsmogelijkheden via een beroep vanwege niet tijdig beslissen.\n\n31. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen op grondslag van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb.\n\nOverwegingen over de kosten\n\n32. Omdat de voorzieningenrechter het beroep gegrond verklaart, moeten gedeputeerde staten aan verzoekers het door hen in de beide procedures betaalde griffierecht vergoeden.\n\n33. Omdat het beroep gegrond is, krijgen verzoekers een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. Gedeputeerde staten moeten die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 3 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 759,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 2.277,-.Beslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit van 15 februari 2022;\n\nverklaart de bezwaren van de in de kop van de uitspraak onder 2., 3. en 4. genoemde (rechts)personen niet-ontvankelijk en bepaalt dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;\n\ndraagt gedeputeerde staten op om binnen 4 weken opnieuw op de bezwaren van de in de kop van de uitspraak onder 1. genoemde (rechts)personen te beslissen met inachtneming van deze uitspraak;\n\ndraagt gedeputeerde staten op het voor het beroep betaalde griffierecht van € 365,- aan verzoekers te vergoeden;\n\ndraagt gedeputeerde staten op het voor het verzoek om een voorlopige voorziening betaalde griffierecht van € 365,- aan verzoekers te vergoeden;\n\nveroordeelt gedeputeerde staten in de proceskosten van verzoekers in het beroep tot een bedrag van € 2.277,-;\n\nwijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.C. de Zeeuw-'t Lam, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 mei 2022.\n\nde griffier is verhinderd om\n\nde uitspraak te ondertekenen\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u voor zover op het beroep is beslist een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.\n\n ECLI:NL:RVS:2019:1603.\n\n ECLI:NL:RVS:2021:71.\n\n ECLI:NL:RBMNE:2021:4524.\n\n Overweging 6.5 van de Logtsebaan-uitspraak.\n\n Richtlijn 92\u002F43\u002FEEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna.\n\n Overwegingen 6.4. en 6.5 van de Logtsebaan-uitspraak.\n\n Overweging 7.3 van de Logtsebaan-uitspraak.\n\n Overweging 17 van de uitspraak Westbroek.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:1791","2026-07-13T00:29:49.842Z",{"id":62,"ecli":63,"slug":64,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":65,"fullText":66,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":67,"sourceTimestamp":65,"parsedAt":51,"updatedAt":68},"509","ECLI:NL:RBMNE:2022:567","ecli-nl-rbmne-2022-567","2022-02-17T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: UTR 21\u002F1250\n uitspraak van de meervoudige kamer van 17 februari 2022 in de zaak tussen\n Vereniging Vrienden van 't Gooi, uit Huizen, eiseres\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Blaricum, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. M. Bekooy).\n\nDe partijen worden in het vervolg van deze uitspraak aangeduid als: de VVG en het college.\n\nInleiding\n\n1. Bij de Stichtse Brug in Blaricum ligt het Voorland, een natuurgebied met een recreatiestrand. Het Voorland is onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland. Begin 2019 is in opdracht van de gemeente het strand deels afgegraven en met zand opgehoogd. Ook zijn een volleybalveld en een pad aangelegd. De VVG heeft het college om handhaving verzocht.\n\n2. In het besluit van 14 november 2019 heeft het college het handhavingsverzoek met betrekking tot het volleybalveld toegewezen en met betrekking tot de strandverbreding en de verhardingen afgewezen. De VVG heeft bezwaar gemaakt tegen dat besluit. In de beslissing op bezwaar van 20 januari 2021 heeft het college de motivering van het besluit aangevuld. De VVG is het niet eens met die beslissing op bezwaar en heeft daartegen beroep ingesteld.\n\n3. De rechtbank heeft het beroep op 14 december 2021 op zitting behandeld, gelijktijdig met een beroepszaak over de plaatsing van een strandpaviljoen (UTR 21\u002F98). De VVG is vertegenwoordigd door voorzitter ing. [A] en mr. [B] , vergezeld door deskundigen dr. J.A.M. Janssen en P.A. Bakker. Het college is vertegenwoordigd door gemachtigde mr. M. Bekooy, vergezeld door teamleider [C] en deskundige D. Grote Beverborg. Ook aanwezig was [D] , namens [bedrijf] B.V., de vergunninghouder van het strandpaviljoen.\n\n4. Op de zitting heeft de rechtbank het onderzoek aangehouden in verband met een nadere uitwisseling van stukken over de ontvankelijkheid van het beroep. Het college heeft stukken ingediend en de VVG heeft daarop gereageerd. Partijen hebben aangegeven geen gebruik te maken van hun recht om op een nadere zitting te worden gehoord. De rechtbank heeft op 6 januari 2022 het onderzoek gesloten.\n\nOverwegingen\n\n5. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep van de VVG niet-ontvankelijk, omdat het beroepschrift na afloop van de beroepstermijn is ingediend.\n\n6. De rechtbank licht hierna toe hoe zij tot dit oordeel gekomen is.\n\nWas er sprake van een termijnoverschrijding?\n\n7. De beslissing op bezwaar is genomen op 20 januari 2021. Het college heeft stukken ingediend waaruit blijkt dat het besluit op 21 januari 2021 bij PostNL is aangeboden om aangetekend verzonden te worden. Uit de ‘Track & Trace’ gegevens van PostNL blijkt dat het poststuk op 26 januari 2021 bij het PostNL-punt is aangekomen en op 27 januari 2021 is afgehaald. Het pro forma beroepschrift is op 16 maart 2021 door de rechtbank ontvangen.\n\n8. Aan de beslissing op bezwaar ligt een salderingsovereenkomst ten grondslag. Deze salderingsovereenkomst is niet met de beslissing op bezwaar meegezonden, maar is op verzoek van de VVG op 9 februari 2021 per e-mail naar de VVG verzonden. De VVG voert aan dat de beroepstermijn pas is aangevangen na de verzending van het salderingsbesluit, omdat dat een belangrijk onderdeel van de beslissing op bezwaar is. Volgens de VVG was eerder niet voldaan aan artikel 14 van de Bekendmakingswet.\n\n9. Naar het oordeel van de rechtbank is de beroepstermijn aangevangen op 22 januari 2021, de dag na verzending van de beslissing op bezwaar. Daarmee was het besluit op de voorgeschreven wijze bekend gemaakt. Uit artikel 6:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat dat de start van de beroepstermijn is. Dat de salderingsovereenkomst op dat moment niet is meegezonden maakt daarvoor geen verschil. Die overeenkomst ligt wel ten grondslag aan het besluit, maar is geen onderdeel van het besluit zelf. De overeenkomst is daarom niet bepalend voor de bekendmaking van het besluit, en daarmee ook niet voor de start van de beroepstermijn.\n\n10. De beroepstermijn is op grond van artikel 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht 6 weken vanaf de dag na de verzenddatum. De rechtbank stelt vast dat de beroepstermijn afliep op 4 maart 2021. Het beroepschrift is op 16 maart 2021 ingediend, dus pas na het verstrijken van de beroepstermijn.\n\nWas de termijnoverschrijding verwijtbaar?\n\n11. Uit artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat een beroep toch ontvankelijk is, als de termijnoverschrijding de indiener redelijkerwijs niet kan worden verweten.\n\n12. De VVG voert aan dat het te laat indienen van het beroep haar niet kan worden verweten. De VVG stelt dat zij pas na ontvangst van de salderingsovereenkomst kon beoordelen of er reden was om beroep in te stellen. Vervolgens moest ook nog beslist worden of er een bureau zou worden ingeschakeld voor een contra-expertise, en welk bureau dat dan zou kunnen doen. De VVG wijst er ook op dat voor het instellen van beroep en het besteden van middelen uit de verenigingskas bestuursbesluiten nodig zijn en verantwoording moet worden afgelegd aan de leden, en dat kost ook tijd.\n\n13. Naar het oordeel van de rechtbank kan de termijnoverschrijding de VVG redelijkerwijs worden verweten. Er was geen reden waarom de VVG niet al tijdens de beroepstermijn in ieder geval pro forma, dus nog zonder inhoudelijke gronden, beroep had kunnen instellen. Dat kon de VVG al doen vóór de ontvangst van de salderingsovereenkomst, en na ontvangst van de overeenkomst waren er bovendien ook nog ruim drie weken van de beroepstermijn over. Voor het instellen van beroep is het ook niet nodig dat er al is beslist over het inschakelen van een bureau voor een contra-expertise. Dat er tijd gemoeid is met interne besluiten en procedures binnen de vereniging komt voor risico van de VVG.\n\nConclusie\n\n14. Het beroep is niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, voorzitter, en mr. E.M. van der Linde en mr. A. Rademaker, leden, in aanwezigheid van mr. M. van der Knijff, griffier. De beslissing is uitgesproken op 17 februari 2022 en wordt openbaar gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe griffier is niet in de gelegenheid\n\nom deze uitspraak te ondertekenen.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:567","2026-07-13T00:28:34.023Z",20,[71,72,73,74,11,75],2026,2025,2024,2023,2021]