[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-environmental-permit-nl-2024":3},{"detail":4,"years":73},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":19,"page":14,"limit":72},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},93,"environmental-permit-nl","Environmental Permit","NL","2026-07-08T16:55:59.522Z",2024,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":15},4,{"month":23,"count":15},5,{"month":25,"count":15},6,{"month":27,"count":14},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":14},10,{"month":35,"count":14},11,{"month":37,"count":15},12,[39,53,63],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"466","ECLI:NL:RBLIM:2024:7860","ecli-nl-rblim-2024-7860","",66,"2024-11-05T00:00:00.000Z","RECHTBANK LIMBURG\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: ROE 23 \u002F 994\n Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 november 2024 in de zaak tussen\n \n [eiseres] , eiseres, gevestigd in [vestigingsplaats] ,\n\n(gemachtigde: mr. J.C.M.G. Beusmans),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Horst aan de Maas, verweerder,\n\n(gemachtigde: mr. A.J.H.A. Verkooijen).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de weigering om een omgevingsvergunning aan haar te verlenen voor het realiseren van een\n\n24-uurszorgaccommodatie op de locatie [adres 1] in [plaats 1] (hierna: het bouwplan).\n\n1.1.. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 11 april 2023 de gevraagde omgevingsvergunning geweigerd.\n\n1.2.. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.3.. \n\nDe rechtbank heeft het beroep op 3 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [belanghebbende 1] namens eiseres, haar gemachtigde, de gemachtigde van verweerder en [belanghebbende 2] , [belanghebbende 3] en\n\n [belanghebbende 4] namens verweerder.\n\nTotstandkoming van het bestreden besluit\n\n2. Op 14 mei 2021 heeft eiseres een aanvraag voor de onderhavige omgevingsvergunning ingediend. De aanvraag ziet op het bouwen van een\n\n24-uurszorgaccommodatie met een oppervlakte van circa 1.390 m2 die voor verblijf van\n\n31 personen geschikt is.\n\n3. Het bestreden besluit, waarbij de aangevraagde omgevingsvergunning is geweigerd, is voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder heeft de aangevraagde omgevingsvergunning niet verleend, omdat de gemeenteraad op 4 april 2023 heeft geweigerd de voor de inwilliging van de aanvraag vereiste verklaring van geen bedenkingen af te geven. De omgevingsvergunning is geweigerd voor de activiteiten ‘het bouwen van een bouwwerk’ en ‘het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Bij die weigering is aangegeven dat de aanvraag niet past binnen de uitgangspunten van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’ (hierna: het bestemmingsplan), de Structuurvisie Horst aan de Maas (hierna: de Structuurvisie), het Masterplan Wonen 2021-2025 ‘Goed wonen voor iedereen!’ (hierna: het Masterplan) en de Woonzorgvisie ‘Wonen doe je thuis, leven en zorgen doe je samen’ (hierna: de Woonzorgvisie). Om die reden is er sprake van een ongewenste ontwikkeling. Ook kan niet van het standaardadvies van 50 meter ten aanzien van spuitzones worden afgeweken, waardoor er geen acceptabel woon-en leefklimaat voor de bewoners van de 24-uurs zorgaccommodatie kan worden gegarandeerd. De aanvraag is volgens verweerder dan ook niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening.\n\nOvergangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet\n\n4. Het bestreden besluit is genomen op grond van de Wabo. Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden en is de Wabo ingetrokken. Omdat de aanvraag die heeft geleid tot het bestreden besluit is ingediend vóór 1 januari 2024, volgt uit artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet dat dit geschil desondanks moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht. Dit betekent dat de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, dus van toepassing blijft op deze zaak.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n5. In deze uitspraak beslist de rechtbank op het beroep van eiseres tegen de weigering om aan haar een omgevingsvergunning te verlenen. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank, naar aanleiding van de beroepsgronden, uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n5.1.. De beroepsgronden zien met name op de schending van het vertrouwens-, gelijkheids- en rechtzekerheidsbeginsel. Bij het vertrouwensbeginsel spitst het zich toe op de vraag of verweerder, vanwege gewekt vertrouwen, de omgevingsvergunning heeft mogen weigeren in verband met het (zwaarder wegende) algemeen belang \u002F de goede ruimtelijke ordening.\n\nIs een verklaring van geen bedenkingen nodig?\n\n6. Op de zitting heeft eiseres aangevoerd dat een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad niet nodig is (zie ook onder 9 van de uitspraak). Nog daargelaten dat dit pas op zitting is aangevoerd en dit eerder niet ter discussie heeft gestaan, blijkt uit de door de gemeenteraad vastgestelde ‘Lijst van categorieën van gevallen waarvoor geen verklaring van geen bedenkingen is vereist op grond van de Wabo’ van 20 oktober 2015 dat een verklaring van geen bedenkingen voor dit bouwplan wel is vereist. In die lijst is namelijk het volgende bepaald: “Op grond van artikel 2.27 Wabo jo artikel 6.5 lid 3 Bor te besluiten dat, indien het college van burgemeester en wethouders bevoegd gezag is, alles als categorie van gevallen is aangewezen met uitzondering van de volgende categorieën:\n\n- Ontwikkelingen die niet concreet in een visie zijn afgekaderd (met visie wordt bedoeld: structuurvisies en beleidsnota’s waaronder ook de onder de oude WRO vastgestelde gebieds- en structuurvisies zoals de Structuurvisie Centrum Horst en de Gebiedsvisie LOG Witveldweg); (...)”. De rechtbank is niet gebleken dat het bouwplan in dit verband concreet is afgekaderd. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nHeeft verweerder in strijd met het vertrouwensbeginsel gehandeld?\n\n7. Eiseres voert aan dat verweerder op 17 september 2018, 16 januari 2019 en\n\n22 februari 2022 als reactie op haar principeverzoeken schriftelijk heeft laten weten onder voorwaarden medewerking aan het bouwplan te willen verlenen. Eiseres mocht erop vertrouwen dat verweerder een positief standpunt bij de vergunningverlening zou innemen. Dat de gemeenteraad niet een verklaring van geen bedenkingen heeft afgegeven, kan niet aan eiseres worden tegengeworpen. Verweerder heeft de gemeenteraad geadviseerd om geen verklaring af te geven, terwijl verweerder gedurende vier jaar positieve signalen aan eiseres heeft afgegeven. Volgens eiseres moeten de gerechtvaardigde verwachtingen die bij haar zijn gewekt worden gehonoreerd. In dat verband stelt eiseres dat de Structuurvisie ook gold ten tijde van het eerste positieve principestandpunt en dat de Woonzorgvisie een inspiratiekader is. Ook stelt eiseres dat de spuitzoneproblematiek niet ertoe mag leiden dat haar gerechtvaardigde verwachtingen niet worden gehonoreerd. Eiseres is dan ook van mening dat haar belang zwaarder weegt dan het belang van verweerder.\n\n8. De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel allereerst vereist is dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij\u002Fzij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja, hoe. Als hiervan sprake is, moet de vraag worden beantwoord of die toezeggingen \u002F uitlatingen aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Als beide vragen bevestigend worden beantwoord, en er dus een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gedaan, volgt de derde stap. In het kader van die derde stap zal de vraag moeten worden beantwoord wat de betekenis van het gewekte vertrouwen is voor de uitoefening van de betreffende bevoegdheid.\n\n8.1.. De rechtbank stelt, mede gelet op het verweerschrift, vast dat tussen partijen niet in geschil is dat verweerder uitlatingen heeft gedaan waaruit eiseres kon en mocht afleiden dat verweerder medewerking aan haar plan zou verlenen. Ook is niet in geschil dat de uitlatingen aan verweerder kunnen worden toegerekend, omdat de uitlatingen door verweerder zelf zijn gedaan. In geschil is of verweerder het bij eiseres gerechtvaardigde vertrouwen moet nakomen door haar de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen.\n\n8.2.. De rechtbank overweegt dat als sprake is van gerechtvaardigde verwachtingen dat niet betekent dat die verwachtingen altijd moeten worden gehonoreerd en dat de omgevingsvergunning dus ook moet worden verleend. Daartoe is vereist dat bij afweging van de betrokken belangen, waarbij het belang van degene bij wie de gerechtvaardigde verwachtingen zijn gewekt zwaar weegt, geen zwaarder wegende belangen aan het honoreren van de verwachtingen in de weg staan. Die zwaarder wegende belangen kunnen zijn gelegen in strijd met de wet, het algemeen belang om conform het bestemmingsplan te handelen \u002F om te voorkomen dat handelen in strijd met een goede ruimtelijke ordening wordt toegestaan en de belangen van derden. Bij deze belangenafweging kan ook een rol spelen of betrokkene op basis van de gerechtvaardigde verwachtingen handelingen heeft verricht of nagelaten als gevolg waarvan zij schade heeft geleden of nadeel heeft ondervonden. Wanneer er andere belangen in de weg staan aan honorering van die verwachtingen, kan voor het bestuursorgaan de verplichting ontstaan om de geleden schade te vergoeden als onderdeel van de besluitvorming.\n\n8.3.. Op zitting is de geleden schade als gevolg van het gewekte vertrouwen aan de orde gekomen. Verweerder heeft aangegeven dat dit buiten deze procedure om zal worden beoordeeld. Eiseres heeft dat niet weersproken. De rechtbank gaat daarop dus niet meer in.\n\nIs het bouwplan in strijd met het (zwaarder wegende) algemeen belang \u002F de goede ruimtelijke ordening?\n\n9. Op grond van artikel 2.20a van de Wabo moet verweerder een omgevingsvergunning voor een activiteit weigeren als de gemeenteraad weigert een voor die activiteit benodigde verklaring van geen bedenkingen af te geven. Op grond van artikel 6.5, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht kan een verklaring van geen bedenkingen alleen worden geweigerd in het belang van een goede ruimtelijke ordening. De rechtmatigheid van het besluit van de gemeenteraad over de verklaring van geen bedenkingen wordt getoetst in het kader van het beroep tegen het besluit van verweerder over de omgevingsvergunning. De gemeenteraad komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om een verklaring van geen bedenkingen te geven, beleidsruimte toe en moet de betrokken belangen afwegen. Dat geldt ook voor verweerder bij het bestreden besluit. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of de besluitvorming in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht.\n\n10. Eiseres voert onder andere aan dat onvoldoende is gemotiveerd dat sprake is van een overschot aan bedden voor langdurige zorg. Er is alleen maar verwezen naar een algemene presentatie van het zorgkantoor bestaande uit vier pagina’s waarvan twee niet mogen worden gedeeld en de andere twee pagina’s bevatten geen context. Eiseres heeft in de aanvraag onderbouwd dat de verwachting zeer gerechtvaardigd is dat er van een overcapaciteit aan bedden tot en met tenminste 2040 geen sprake zal zijn. Eiseres voert verder aan dat personeelsgebrek in algemene zin geen planologisch relevante reden is om een aanvraag te weigeren. In dat verband voert zij aan dat zij van personeel van buiten de regio of Nederland gebruik kan maken en dat zij, gelet op goed werkgeverschap, personeel zal aantrekken. Over de spuitzoneproblematiek voert eiseres aan dat sprake is van een uitzonderingssituatie waardoor geen rekening hoeft te worden gehouden met de mogelijkheid van het gebruik van gewasmiddelen. In dat verband voert eiseres aan dat in februari 2019 een positief principebesluit is genomen tot realisatie van een paardenhouderij\u002Fstoeterij en daarna is er geen teelt meer op de naastgelegen percelen geweest, maar hebben er steeds paarden op de percelen gelopen. De uitzondering is dan ook van toepassing. Ook verwijst eiseres naar een uitspraak van de Afdeling van 12 november 2014.De spuitzoneproblematiek hoeft niet aan de uitbreiding van de zorgboerderij met een 24-uurszorgaccomodatie in de weg te staan. Eiseres verwijst daarnaast naar het ‘Uitvoeringsprogramma Toekomstvisie gewasbescherming 2023’ en geeft daarbij aan dat door een combinatie van verminderd gebruik en nagenoeg geen emissies de omwonenden van de land- en tuinbouwbedrijven hun woonomgeving als veilig ervaren. Verder verwijst eiseres naar de uitspraak van de Afdeling van 25 januari 2023.Deze uitspraak heeft verweerder ten onrechte niet in de besluitvorming meegenomen.\n\nGemeentelijk beleid\n\n11. De rechtbank stelt vast dat het (zwaarder wegende) belang van verweerder is gelegen in het algemeen belang om te voorkomen dat handelen in strijd met een goede ruimtelijke ordening wordt toegestaan. Bij een goede ruimtelijke ordening heeft verweerder het volgende betrokken. Verweerder heeft aangegeven dat het bouwplan in strijd met het bestemmingsplan is en dit is door eiseres niet betwist. Ook heeft verweerder aangegeven dat het bouwplan in strijd met de Structuurvisie is. Volgens verweerder geldt voor dit initiatief een ‘nee, tenzij-grondhouding’ en dit betekent dat een initiatief alleen doorgang kan vinden als voldaan wordt aan strikte voorwaarden die het initiatief alsnog acceptabel maken. Volgens verweerder zijn er geen argumenten om een afwijking op grond van een maatschappelijk belang te rechtvaardigen.\n\n11.1.. De rechtbank ziet niet waarom de Structuurvisie op zichzelf gezien voldoende grond is om de omgevingsvergunning te weigeren. Daarbij betrekt de rechtbank dat verweerder niet heeft gemotiveerd aan welke strikte voorwaarden moet worden voldaan om medewerking aan het initiatief te verlenen. Ook is van belang dat bij eerdere positieve reacties op de principeverzoeken van eiseres de Structuurvisie geen reden vormde om geen medewerking aan het bouwplan te verlenen. Verder heeft verweerder naar het Masterplan en de Woonzorgvisie verwezen ter onderbouwing van zijn standpunt dat het bouwplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Over het Masterplan overweegt de rechtbank dat daarin niet concreet wordt aangegeven dat (grootschalige) initiatieven, zoals verweerder het bouwplan van eiseres aanmerkt, niet gewenst zijn. In het algemeen wordt onder andere aangegeven dat de ambitie bestaat om woningen geschikt te maken voor de zorgbehoefte maar daaruit leidt de rechtbank niet af dat dit initiatief al om die reden ongewenst is. De rechtbank begrijpt dat die ambitie bestaat, maar niet voor een ieder is het weggelegd om thuis te blijven wonen. Het bouwplan is dan ook gericht op personen die vanwege hun gezondheid niet thuis kunnen blijven wonen en dus meer zorg nodig hebben. Over de Woonzorgvisie overweegt de rechtbank dat daarin staat dat kleinschalige woonvormen binnen de gemeente worden omarmd. Het is de rechtbank onduidelijk wat precies onder kleinschalige woonvormen wordt verstaan, nu een uitleg hiervan ontbreekt. Dat kleinschalige woonvormen worden omarmd, betekent niet dat dit bouwplan niet gewenst zou zijn. Dat blijkt niet uit de Woonzorgvisie. Eiseres heeft op zitting juist aangegeven dat zij bij het opstellen van de Woonzorgvisie betrokken is geweest, wat door verweerder niet is ontkend. Verder heeft verweerder in het kader van de zorgbehoefte het personeelstekort en de behoefte aan de Wet langdurige zorg plekken aangehaald. De rechtbank overweegt daartoe dat verweerder niet met stukken heeft onderbouwd dat sprake is van personeelstekort en dat het bouwplan om die reden niet uitvoerbaar zou zijn. Dat er geen behoefte bestaat aan nog meer Wet langdurige zorg plekken, omdat uit navraag zou blijken dat een overschot aan 19 plekken zou zijn, kan zo zijn, maar als dit bouwplan niet zou worden gerealiseerd, zou er juist een tekort aan 11 plekken zijn. Dit heeft verweerder op zitting niet betwist.\n\n11.2.. De rechtbank is van oordeel dat de bovenstaande motivering van verweerder onvoldoende grondslag biedt voor het standpunt dat het bouwplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dat daarmee dat een goede ruimtelijke ordening een zwaarwegender belang is dan het nakomen van het gewekte vertrouwen. Het bestreden besluit is daarom in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Deze beroepsgrond slaagt. Wat dat betekent voor het beroep, geeft de rechtbank aan onder 14.\n\nSpuitzone\n\n12. De omgevingsvergunning is behalve op basis van het gemeentelijk beleid ook geweigerd vanwege de aanwezigheid van een spuitzone bij het bouwplan. De rechtbank overweegt over de spuitzoneproblematiek in het kader van een goede ruimtelijke ordening als volgt. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat in het algemeen een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, niet onredelijk wordt geacht. Het is toegestaan deze afstand te verkleinen als daaraan een deugdelijke motivering ten grondslag ligt. In eerdere uitspraken heeft de Afdeling overwogen dat een kortere afstand kan worden gemotiveerd aan de hand van een zorgvuldig op de locatie toegesneden onderzoek.\n\n12.1.. De rechtbank stelt vast dat het bouwplan op een afstand ligt van 18 meter uit de perceelsgrens met het perceel waarop gewasbeschermingsmiddelen kunnen worden toegepast. Tussen partijen is niet in geschil dat uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat het eerder door eiseres ingediende onderzoek in het kader van de aanvraag onvoldoende is om af te wijken van de afstand van minder dan 50 meter. In geschil is of eiseres voldoende heeft onderbouwd dat er van die afstand toch kan worden afgeweken.\n\n12.2.. Naar het oordeel van de rechtbank is in het bestreden besluit terecht geconcludeerd dat dit door eiseres onvoldoende is onderbouwd. Van belang is dat eiseres de afwijking van de richtafstand niet met een onderzoek heeft onderbouwd en dit ook niet heeft betwist. Voorts overweegt de rechtbank dat, ongeacht of momenteel op het naastgelegen perceel agrarische bedrijvigheid plaatsvindt waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, geldt dat het in ieder geval planologisch mogelijk is dat het huidige gebruik van dit perceel wordt gewijzigd in het telen van gewassen waarbij zulke middelen worden gebruikt. Hierdoor zou daar sprake zijn van een spuitzone. De rechtbank is van oordeel dat een dergelijke verandering van het bestaande gebruik van het perceel niet zodanig onwaarschijnlijk is dat daarmee de afwijking van de richtafstand met een zorgvuldig op de locatie toegesneden onderzoek achterwege gelaten kan worden. De uitspraken van de Afdeling van 25 januari 2023 en 12 november 2014 maken het voorgaande niet anders, omdat die uitspraken zien op andere feitelijke situaties, waarbij wel onderzoek is gedaan, in tegenstelling tot eisers geval.\n\n12.3.. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder het algemeen belang in het kader van de spuitzone zwaarder mocht laten wegen dan het belang van eiseres bij honorering van het gewekte vertrouwen. De aanwezigheid van de spuitzone is in strijd met een goede ruimtelijke ordening, omdat daarmee een aanvaardbaar woon- en leefklimaat van de bewoners van de zorgaccommodatie niet is gegarandeerd. Deze beroepsgrond slaagt niet. Wat dat betekent voor het beroep, geeft de rechtbank aan onder 14.\n\nHeeft verweerder in strijd met het gelijkheids-en rechtszekerheidsbeginsel gehandeld?\n\n13. Eiseres voert over het gelijkheidsbeginsel aan dat in november 2019 aan een nagenoeg identiek principeverzoek voor de locatie [adres 2] in [plaats 2] medewerking is verleend en waarvoor een bestemmingsplan op 12 december 2020 is vastgesteld. Over het rechtszekerheidsbeginsel voert eiseres aan dat de Woonzorgvisie is vastgesteld 10 maanden nadat de aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend. Verweerder heeft gewacht met de besluitvorming van haar aanvraag totdat de raadsinformatiebrief ‘Verrijking woonzorgvisie Horst aan de Maas’ is opgesteld waarin de Woonzorgvisie is geconcretiseerd. Gelet op het rechtszekerheidsbeginsel kan worden verlangd dat het oude beleid wordt toegepast. Daarbij verwijst eiseres naar rechtspraak van de Afdeling.\n\n13.1. De rechtbank overweegt dat om een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel te kunnen doen, sprake moet zijn van gelijke gevallen die ongelijk worden behandeld. De rechtbank is van oordeel dat hier geen sprake is van gelijke gevallen. Los van de vraag of het in verband met het vermelde gemeentelijk beleid gaat om een gelijk geval, is de jurisprudentie van de Afdeling over de spuitzone van na de medewerking aan het initiatief voor de locatie [adres 2] in [plaats 2] gewijzigd, waardoor nu een ander onderzoek\u002Fmotivering voor de spuitzone wordt verlangd dan eerder het geval was. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\n13.2.. Ten aanzien van het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel overweegt de rechtbank het volgende. Hoofdregel voor het nemen van een besluit is dat het recht wordt toegepast dat geldt op het moment van het nemen daarvan. Zoals onder 11.2 aangegeven slaagt de beroepsgrond van eiseres over de weigering van de omgevingsvergunning in verband met het gemeentelijk beleid. Daaraan doet het tijdstip van de vaststelling van de Woonzorgvisie, wat daarvan ook zij, in relatie tot de datum van het bestreden besluit dus niet af. Hier merkt de rechtbank nog op dat er in dit geval geen aanleiding is om een uitzondering op de genoemde hoofdregel te maken, te meer vanwege het door verweerder terecht als zwaarder wegend belang aangemerkte aanvaardbaar woon- en leefklimaat van de bewoners van de zorgaccommodatie (zie onder 12.3). Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n14. Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgrond van eiseres over de strijd met het gemeentelijk beleid slaagt (zie onder 11.2). De beroepsgrond over de spuitzone slaagt niet (zie onder 12.3 in combinatie met 13.1 en 13.2). De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit enkel door de (terechte) weigeringsgrond over de spuitzone gedragen kan worden. Verweerder heeft het aspect van de spuitzone volgens de rechtbank als een zwaarder wegend belang (aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de bewoners van de zorgaccommodatie) mogen aanmerken dan vergunningverlening aan eiseres. In dit licht hoefde verweerder, anders dan eiseres stelt, niet het gewekt vertrouwen op vergunningverlening te honoreren. Het beroep is daarom ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand kan blijven.\n\n14.1.. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiseres het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.G.H. Seerden, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. A. Kloos, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 november 2024.\n\n rechter\n\nDe griffier is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen.\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 5 november 2024\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zie de uitspraak van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:820 en\n\n21 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:729.\n\n ECLI:NL:RVS:2014:4036.\n\n ECLI:NL:RVS:2023:269.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 10 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:276.\n\n Uitspraken van 3 maart 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL6214, van 27 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ2518 en van 7 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2423.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2024:7860","2024-11-04T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:31.801Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":51,"updatedAt":62},"583","ECLI:NL:RBOBR:2024:4571","ecli-nl-rbobr-2024-4571",72,"2024-10-04T00:00:00.000Z","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nZittingsplaats 's-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SHE 24\u002F1896\n uitspraak van de meervoudige kamer van 4 oktober 2024 in de zaak tussen\n\nBrabant Luchtvaart Beheer B.V., handelend onder de naam “Kempen Airport”, gevestigd in [vestigingsplaats] , Kempen Airport (gemachtigde: mr. R.M. Schnitker),\n\nen\n\nHet college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, het college\n\n(gemachtigde: mr. H. Vermeulen).\n\nAls derde-partijen nemen aan de zaak deel: - Nyrstar Budel B.V. (gemachtigde: mr. S.L. Kombrink), Nyrstar, en - de raad van de gemeente Cranendonck (gemachtigde: mr. D.C.F.J. Velings), de raad.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van Kempen Airport tegen de verlening van een omgevingsvergunning voor een zonneveld gelegen in een gebied tussen de [straatnaam] en de [straatnaam] in Budel-Dorplein, gemeente Cranendonck (de omgevingsvergunning). Het college heeft de omgevingsvergunning met het besluit van 15 februari 2024 verleend.\n\n1.1.. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Nyrstar heeft schriftelijk gereageerd. Kempen Airport heeft daarop gereageerd en op 22 augustus 2024 een nader stuk ingediend.\n\n1.2.. De rechtbank heeft het beroep op 3 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, vergezeld van [naam] , directeur van Kempen Airport, de gemachtigde van het college, vergezeld van [naam] , net als de gemachtigde van het college werkzaam bij de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant, en [naam] , werkzaam bij de provincie, de gemachtigde van Nyrstar, vergezeld van [naam] , hoofd projectontwikkeling bij Statkraft Nederland, [naam] , werkzaam bij Nyrstar en [naam] , adviseur, en de gemachtigde van de raad.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt de verlening van de omgevingsvergunning voor het zonneveld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.\n\n3. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren. Deze beslissing staat aan het einde van deze uitspraak onder het kopje “beslissing”. Hierna legt de rechtbank eerst uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omgevingswet niet van toepassing\n\n4. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. De aanvraag van Nyrstar is ingediend voor 1 januari 2024. Dat betekent dat oud recht van toepassing is, waaronder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De rechtbank verwijst op dit punt naar artikel 4.3, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet. Crisis- en herstelwet (Chw) van toepassing\n\n5. Op deze zaak is verder afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw van toepassing, omdat het project ziet op de aanleg van een productie-installatie ten behoeve van hernieuwbare elektriciteit met behulp van zonne-energie, zoals bedoeld in categorie 1.1 van bijlage I bij de Chw. Dat betekent onder meer dat de gronden van het beroep binnen de beroepstermijn van zes weken aangevoerd moeten worden en daarna niet meer aangevuld kunnen worden.\n\n6. Het college heeft bij de kennisgeving in het gemeenteblad niet laten weten dat op het instellen van beroep de Chw van toepassing is. De rechtbank heeft bij de bevestiging van ontvangst van het beroep ook niet laten weten dat de Chw op het beroep van toepassing is. Verder heeft de rechtbank bij de uitnodiging voor de zitting weliswaar laten weten dat de Chw van toepassing is, maar niet dat geen nieuwe gronden meer konden worden aangevoerd. De rechtbank vindt het daarom niet redelijk, en uit een oogpunt van rechtsbescherming ook ongewenst, om wat Kempen Airport heeft aangevoerd met het nadere stuk van 22 augustus 2024 buiten beschouwing te laten. Het feit dat het college in de overwegingen van de omgevingsvergunning te kennen heeft gegeven dat de Chw van toepassing is, maakt haar oordeel dan ook niet anders. Niet aannemelijk is dat Kempen Airport moet hebben geweten van de toepasselijkheid van de Chw. Daarvoor acht de rechtbank de wisselende en impliciete informatievoorziening van zowel het college als de rechtbank van belang. De rechtbank vindt steun voor haar oordeel in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 augustus 2014.De rechtbank laat bij haar oordeel overigens in het midden of het nadere stuk een nadere onderbouwing is van eerder aangevoerde gronden of, zoals in het opschrift van het stuk is vermeld, aanvullende gronden bevat.Kern van het geschil\n\n7. Nyrstar wil het zonneveld realiseren om via dit veld op een duurzame manier te voldoen aan een gedeelte van haar energiebehoefte. Het zonneveld komt te liggen op het industrieterrein en wordt aangelegd op een voormalige stortplaats, waarvan de bodem is of wordt gesaneerd. Het zonneveld wordt ontwikkeld door Statkraft Nederland.\n\n8. Kempen Airport exploiteert luchthaven Budel. Zij richt zich met name op de kleine (zakelijke) luchtvaart (General- en Business Aviation; hierna: GA) die gebruik maakt van een verharde landingsbaan. Het vliegveld beschikt daarnaast over een grasbaan voor Micro Light Aircrafts (MLA’s), die gelegen is tussen de verharde hoofdbaan en de Loozerheide. Het zonneveld komt te liggen ten zuidwesten van de landingsbaan, in de directe nabijheid van de geadviseerde aanvliegroute voor GA. Kempen Airport vreest dat GA het zonneveld gaat mijden en daardoor in een rechte lijn over Budel Dorplein gaat vliegen waardoor er klachten gaan komen over geluidsoverlast. Kempen Airport vindt dat het college ten onrechte geen overleg met haar heeft gevoerd daarover.\n\n9. Het college ziet geen aanleiding om de omgevingsvergunning te weigeren, ook niet in de argumenten die Kempen Airport naar voren heeft gebracht. Volgens het college is de verwachting dat piloten naar een andere vliegroute uitwijken ongegrond. Ook als dat wel het geval zou zijn, kan Kempen Airport blijven voldoen aan de gestelde geluidnormen.\n\n10. De raad omarmt het initiatief van Nyrstar. Het past in het beleid van de gemeente om de uitstoot van CO2 terug te dringen door het opwekken van duurzame energie. In ruimtelijk opzicht heeft de raad geen bezwaren tegen de komst van het zonneveld op het perceel. Totstandkoming van het besluit\n\n11. Op 23 februari 2022 heeft Nyrstar een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wabo ingediend voor de activiteiten bouwen, handelen in strijd met ruimtelijke regels en milieu. Het zonneveld is voorzien op de percelen, kadastraal bekend, raad Budel, sectie G, nummer [nummer] (het perceel), plaatselijk gelegen aan de [straatnaam] .\n\n12. Ten behoeve van het project heeft de raad op 11 juli 2023 een verklaring van geen bedenkingen afgegeven, als bedoeld in artikel 2.27 van de Wabo.\n\n12. Het ontwerpbesluit voor de omgevingsvergunning heeft van 1 september 2023 tot en met 12 oktober 2023 ter inzage gelegen.\n\n12. Het college heeft de omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a), “uitvoeren van een werk” (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b), “gebruiken in strijd met het bestemmingsplan” (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c) en “milieu” (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e). Overeenkomstig de aanvraag heeft de omgevingsvergunning een geldigheidsduur van 25 jaar (voorschrift 1.1.4).\n\n15. Het college heeft de omgevingsvergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3º, van de Wabo. Op het perceel geldt op grond van het bestemmingsplan “Industrieterrein Dorplein” (het bestemmingsplan) de bestemming “Bedrijventerrein 1a”. De op de plankaart als \"Bedrijventerrein\" aangewezen\n\ngronden zijn bestemd voor de functies bedrijven, groenvoorzieningen, natuurlijk gebied en openbare nutsvoorzieningen. Het zonneveld is in strijd daarmee. Op het perceel geldt ook het bestemmingsplan “Zoneringen Luchthaven Budel”. Het zonneveld is, naar ook niet in geschil is, niet in strijd met één van deze aanduidingen die op grond van dat bestemmingsplan aan het perceel zijn toegekend. Bespreking van de beroepsgronden\n\n16. Tijdens de zitting heeft Kempen Airport laten weten geen zelfstandig oordeel van de rechtbank te willen over de grond dat met het zonneveld de vliegveiligheid in geding komt. Deze grond heeft zij op vragen van de rechtbank dan ook ingetrokken. De verschillende argumenten over de vliegveiligheid heeft zij aangevoerd om te onderstrepen dat met de komst van het zonneveld de kans reëel is dat gezagvoerders de vliegroute over het zonneveld gaan mijden en alleen nog voor een vliegroute zullen kiezen over Budel-Dorplein, zo heeft Kempen Airport tijdens de zitting toegelicht. Ontbreken vooroverleg\n\n17. Kempen Airport betoogt dat het college ten onrechte geen overleg met haar heeft gevoerd. Zij vindt dat onzorgvuldig van het college. Haar belangen zijn in het bijzonder in het geding door de komst van het zonneveld. Nu zij geen overleg met het college heeft gehad, had de omgevingsvergunning niet verleend mogen worden. Het feit dat zij niet meer deelneemt aan het overleg van de zogenoemde CROBD kan haar niet worden tegengeworpen. Dat betreft geen overleg met het college maar met een onafhankelijke commissie die de provincie adviseert. Op deze adviezen reageert de provincie overigens niet, wat één van de redenen is voor Kempen Airport om niet meer aan dat overleg deel te nemen. Met het contact dat Nyrstar met haar heeft gezocht, heeft het college niet aan zijn zorgvuldigheidsverplichting voldaan. Dan gaat het nog steeds niet om overleg met het college als bevoegd gezag, aldus Kempen Airport.\n\n18. Voor zover Kempen Airport in haar beroepschrift ter ondersteuning van dit betoog heeft gewezen op Verordening (EU) nr. 139\u002F2014 van 12 maart 2014, heeft zij tijdens de zitting op vragen van de rechtbank uitdrukkelijk laten weten met die verwijzing niet te willen betogen dat de omgevingsvergunning in strijd met deze Verordening is verleend. Zij heeft ook niet willen betogen dat de Verordening rechtstreekse werking heeft en door haar in dit geding kan worden ingeroepen. Met de verwijzing naar de Verordening heeft zij alleen willen benadrukken dat het college in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld en dat het naar haar mening logisch is dat met de exploitant van een luchthaven overleg wordt gevoerd door het bevoegd gezag als zich initiatieven aandienen in de nabije omgeving van een luchthaven.\n\n18. De Wabo kent geen verplichting om overleg te voeren met belanghebbenden voorafgaande aan het verlenen van een omgevingsvergunning. In dit geval kan ook aan het zorgvuldigheidsbeginsel een dergelijke verplichting niet worden ontleend. Het enkele feit dat het belang van Kempen Airport betrokken is bij de omgevingsvergunning is, brengt niet mee dat het college met Kempen Airport moest overleggen voordat het de omgevingsvergunning. Verder heeft het college in de aanloop naar de vergunningverlening of op een ander moment bijvoorbeeld niet toegezegd overleg te zullen voeren met Kempen Airport. Het college heeft voor de mogelijkheid van overleg dan ook kunnen verwijzen naar de uitgebreide voorbereidingsprocedure, in welk verband Kempen Airport een zienswijze naar voren heeft kunnen brengen. Het betoog van Kempen Airport slaagt niet. Vrees voor toename geluidklachten door mijden zonneveld\n\n18. Kempen Airport vreest voor toename van klachten van inwoners van Budel-Dorplein over geluidhinder van de vliegverkeer. Piloten van GA zouden de vliegroute over het zonneveld gaan mijden, onder meer omdat het zonneveld niet meer als noodlandingslocatie wordt gezien. Hierdoor zullen zij uitwijken naar een route over Budel-Dorplein. Dat leidt dan weer tot meer klachten van inwoners van Budel-Dorplein. Daarbij verwijst Kempen Airport naar een rapport van adviesbureau To70 (To70) waarin staat dat het vlieggedrag zal wijzigen door de komst van het zonneveld. Dat het terrein nu voornamelijk bestaat uit bomen en beplanting doet daar niet aan af. Een zonneveld bestaat uit schuin opstaande onder stroom staande panelen\u002Fobjecten die nog minder geschikt zijn om op te landen dan een veld met bomen en beplanting. Ook bij andere luchthavens bevinden de panelen zich langs de start- en landingsbaan. Nergens worden vanwege de vliegveiligheid zonnepanelen aangelegd onder een vertrek- of naderingsroute, aldus Kempen Airport.\n\n18. Tijdens de zitting is gebleken dat de grond van Kempen Airport over de gevreesde toename van klachten over geluidhinder, alleen betrekking heeft op mogelijk gedrag van vliegtuigen voor GA. Voor zover Kempen Airport in het beroepschrift heeft aangevoerd dat ook MLA het zonneveld zal mijden, zal de rechtbank op dat punt van het beroep niet ingaan.\n\n18. Het college verwacht niet dat gezagvoerders hun vliegroutes zullen aanpassen door de komst van het zonneveld. Daarvoor verwijst het in de eerste plaats naar de conclusie van het onderzoek door Adecs Airinfra consultants B.V. van 14 september 2021 met kenmerk [kenmerk] (in het dictum van het bestreden besluit “Quickscan vluchtuitvoering”). Het rapport van To70 dat Kempen Airport heeft ingebracht, is gebaseerd op een enquête onder slechts 13 MLA-vliegers. De resultaten zijn daarmee niet representatief en hebben bovendien betrekking op een gedateerd plan. Verder acht het college de vrees van Kempen Airport dat de komst van het zonneveld tot meer geluidsoverlast zal leiden ongegrond. Uit de door de luchthaven op kwartaalbasis uit te brengen rapportage over de geluidsproductie door de vliegtuigen blijkt dat Kempen Airport ruimschoots voldoet aan de geluidnormen.Het college heeft dan ook niet de verwachting dat als gezagvoerders afwijken van de aanbevolen vliegroutes, niet meer wordt voldaan aan de geluidnormen.\n\n23. In de aanloop naar de zitting hebben partijen van gedachten gewisseld over de betekenis van de zogenoemde Aeronautical Information Publication (AIP) over Kempen Airport voor de omgevingsvergunning. Daarbij is de vraag opgekomen of, en zo ja, in hoeverre gezagvoerders verplicht zijn om vliegroutes van en naar Kempen Airport te gebruiken die op de AIP zijn weergegeven. Tijdens de zitting is bij bestudering van de verbeelding die bij de AIP hoort, gebleken dat tussen partijen niet in geschil is dat gezagvoerders verplicht zijn om de “Entry” en “Exit” punten te volgen. Stippellijnen op de verbeelding zijn alleen adviesroutes voor GA, waar de gezagvoerder hoe dan ook niet aan gebonden is. Binnen het circuit van Kempen Airport dat daarop is weergegeven, is de gezagvoerder van GA vrij om een route te kiezen van en naar de verharde landingsbaan. Voor zover partijen standpunten naar voren hebben gebracht over de betekenis van de AIP voor de afweging die het college bij de verlening van de omgevingsvergunning heeft gemaakt, zal de rechtbank die standpunten buiten beschouwing laten. De betekenis van de AIP is namelijk niet in geschil, zo is tijdens de zitting gebleken.\n\n23. De rechtbank deelt niet het standpunt van het college dat het relativiteitsbeginsel als bedoeld in artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de weg staat aan vernietiging van de omgevingsvergunning vanwege de door Kempen Airport gevreesde toename van geluidklachten van bewoners van Budel-Dorplein. De norm van een goede ruimtelijke ordening, die van toepassing is op een omgevingsvergunning voor het afwijken van een bestemmingsplan, ziet namelijk ook op de belangen van betrokken bedrijven bij een ongestoorde uitoefening van hun bedrijf als het gaat om de borging van goed woon- en leefklimaat. Degene die een bedrijf uitoefent kan, omdat hij geconfronteerd kan worden met klachten van de bewoners van een woning over de milieugevolgen van zijn bedrijf, aanvoeren dat in de omgeving vanwege de milieugevolgen van zijn bedrijf geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gewaarborgd. Dat betekent dat de mogelijke toename van geluidhinder niet alleen naar voren kan worden gebracht door omwonenden en inwoners van Budel-Dorplein, maar ook door Kempen Airport. De rechtbank wijst in dit verband op vaste rechtspraak van de Afdeling, zoals die onder meer blijkt uit de uitspraak van 11 november 2020.\n\n24.1.. In het bestemmingsplan “Zonering Luchthaven Budel” is de Verordening luchthavenbesluit luchthaven Budel Noord-Brabant (de verordening) verwerkt. De verordening is een luchthavenbesluit als bedoeld in artikel 8.43 van de Wet luchtvaart. Een luchthavenbesluit bevat regels over het luchthavenluchtverkeer, de ruimtelijke indeling van het gebied van en rond een luchthaven, geluidregels over het luchthavenverkeer en regels die nodig zijn voor vliegveiligheid. Daarnaast wordt in een luchthavenbesluit een beperkingengebied vastgesteld en kan dit regels bevatten over de functie en het gebruik van het gebied rond de luchthaven, waaronder de hoogte van bouwwerken. Op grond van artikel 8.47, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 8.9, eerste lid, van de Wet luchtvaart, zoals die luidden tot inwerkingtreding van de Omgevingswet, moet bij een besluit over een omgevingsvergunning om van een bestemmingsplan af te wijken een luchthavenbesluit in acht worden genomen. De afweging wat in verband met de vliegveiligheid rond een luchthaven wel en niet mag, wordt daarmee in beginsel in een luchthavenbesluit gemaakt. Als geen strijd bestaat met het luchthavenbesluit, zoals in dit geval, moet het luchthavenbesluit niet in acht worden genomen. Naar het oordeel van de rechtbank mocht het college er daarom van uitgaan dat het zonneveld niet in strijd komt met het belang van de luchthaven en van de vliegveiligheid. Het college diende bij de beslissing over de omgevingsvergunning om af te wijken van het bestemmingsplan wel rekening te houden met die belangen. Die belangen zijn namelijk bij het besluit over de omgevingsvergunning betrokken. Bij de beslissing om al dan niet in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, komt het college echter beleidsruimte toe. Dat betekent dat de rechtbank niet in de plaats van het college zelf gaat bepalen wat redelijk is, maar beoordeelt of de keuze van het college niet onredelijk is. De keuze van het college toetst de rechtbank dus terughoudend, tenzij de verlening van de omgevingsvergunning in strijd met het recht is.\n\n24.2.. Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank in de door Kempen Airport gevreesde toename van geluidhinder en daarmee samenhangende mogelijke klachten van inwoners van Budel-Dorplein, in redelijkheid geen aanleiding gezien om de omgevingsvergunning voor het zonneveld te weigeren. Ook als moet worden aangenomen dat gezagvoerders de route over het zonneveld zullen mijden, blijkt uit de stukken en wat op de zitting aan de orde is gekomen niet dat de geluidnormen die gelden voor Kempen Airport worden overschreden. Tussen partijen is namelijk niet in geschil dat bij gebruik van andere vliegroutes dan de aanbevolen vliegroutes de geluidnormen (ruimschoots) kunnen worden nageleefd. Dan blijft alleen de vrees voor de toename van klachten van inwoners Budel-Dorplein over. Het college heeft in alleen de vrees voor toename van de klachten in redelijkheid geen aanleiding gezien om de omgevingsvergunning te weigeren. Het betoog van Kempen Airport slaagt daarom niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n25. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat Nyrstar het zonneveld mag aanleggen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.A.W. Huijben, voorzitter, en mr. R. Grimbergen en mr. J.J.H. van Kempen, leden, in aanwezigheid van mr. N. Duin, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2024.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Dit betekent dat in het hogerberoepschrift de gronden van hoger beroep kenbaar moeten worden gemaakt. Na de genoemde termijn van zes weken kunnen geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. Indien binnen de beroepstermijn geen gronden zijn ingediend, wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n ECLI:NL:RVS:2014:2959.\n\n Deze normen zijn vastgelegd in de door provinciale staten van Noord-Brabant vastgestelde Verordening luchthavenbesluit luchthaven Budel Noord-Brabant van 20 september 2013 en laatstelijk gewijzigd in de Eerste wijzigingsverordening luchthavenbesluit luchthaven Budel Noord-Brabant van 19 januari 2018.\n\n ECLI:NL:RVS:2020:2706, r.o 10.6.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2024:4571","2024-10-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:38.042Z",{"id":64,"ecli":65,"slug":66,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":67,"fullText":68,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":69,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":51,"updatedAt":71},"761","ECLI:NL:GHSHE:2024:2468","ecli-nl-ghshe-2024-2468","2024-07-26T00:00:00.000Z","Parketnummer : 20-000535-22\n\nUitspraak : 26 juli 2024\n\nTEGENSPRAAKArrest van de economische kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de meervoudige economische kamer van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 21 februari 2022, in de strafzaak met parketnummer 82-205241-21 tegen:\n\n [verdachte]\n\nStatutair gevestigd te [adres] ,\n\ngedagvaard als:\n [maatschap] ,\n\nstatutair gevestigd te [adres] .\n\nHoger beroep\n\nBij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van “medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2.3 aanhef en onder a, juncto artikel 2.1 eerste lid aanhef en onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht” veroordeeld tot betaling van een geldboete ter hoogte van € 9.000,00 waarvan € 4.500,00 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.\n\nNamens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nGeldigheid van de dagvaarding\n\nAmbtshalve merkt het hof op dat de dagvaarding in hoger beroep, zoals ook in eerste aanleg het geval was, is gericht aan ‘ [maatschap] ’. Ter terechtzitting in eerste aanleg is reeds gebleken dat ‘ [maatschap] ’ niet bestaat. Ook is gebleken dat [vertegenwoordiger verdachte] – naast de besloten vennootschap [bedrijf 2] – maat is in de ‘ [verdachte] ’ en dat hij daarnaast enig aandeelhouder en bestuurder is van de besloten vennootschap [bedrijf 2] Dit komt overeen met de gegevens in het procesdossier. Gelet hierop, is het hof met de rechtbank van oordeel dat de tenaamstelling in de dagvaarding berust op een kennelijke vergissing. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is hierdoor bij de maatschap geen verwarring ontstaan en was bekend welk strafrechtelijk verwijt haar werd gemaakt. Het hof leest daarom de op de dagvaarding vermelde naam van de verdachte ‘ [maatschap] ’ verbeterd als ‘ [verdachte] ’. De verdachte is hierdoor niet in haar belangen geschaad.\n\nUit het dossier blijkt ook dat [vertegenwoordiger verdachte] in persoon de huurovereenkomst van de stallen heeft getekend en dat de stallen bedrijfsmatig door hem werden verhuurd, terwijl blijkens de verklaring van de heer [vertegenwoordiger verdachte] als vertegenwoordiger van de [verdachte] (onder meer) activiteiten ontplooit op het gebied van de verhuur van vastgoed in de agrarische sector. Hieruit leidt het hof af dat [vertegenwoordiger verdachte] namens ‘ [verdachte] ’ de stallen heeft verhuurd. Dat komt overeen met wat [vertegenwoordiger verdachte] tijdens het laatste woord namens de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft integrale vrijspraak bepleit van de aan de verdachte tenlastegelegde feiten.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet bestreden vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\nprimair:\n\nzij in of omstreeks de periode van 1 januari 2020 tot en met 29 april 2020, althans op of omstreeks 27 januari 2020, te [adres] in de gemeente Alphen-Chaam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, als degene die een inrichting dreef aan de [adres] , aldaar, waarin landbouwhuisdieren werden gehouden voor de productie van vlees, melk en\u002Fof eieren, al dan niet opzettelijk, in een dierenverblijf voor de hoofdcategorie varkens (subcategorie biggenopfok (gespeende biggen)) dat was opgericht uiterlijk op 30 juni 2015,\n\nin stal 3a een huisvestingssysteem heeft toegepast met een emissiefactor voor ammoniak van 0,69 kg NH3 per dierplaats per jaar, althans met een emissiefactor voor ammoniak die hoger is dan de maximale emissiewaarde voor ammoniak van 0,21 kg NH3 per dierplaats per jaar die is vermeld in de bij het Besluit emissiearme huisvesting behorende bijlage 1, kolom A, en\u002Fof,\n\nin stal 4a een huisvestingssysteem heeft toegepast met een emissiefactor voor ammoniak van 0,24 kg NH3 per dierplaats per jaar, althans met een emissiefactor voor ammoniak die hoger is dan de maximale emissiewaarde voor ammoniak van 0,21 kg NH3 per dierplaats per jaar die is vermeld in de bij het Besluit emissiearme huisvesting behorende bijlage 1, kolom A;\n\nsubsidiair:[medeverdachte] in of omstreeks de periode van 1 januari 2020 tot en met 29 april 2020, althans op of omstreeks 27 januari 2020, te [adres] in de gemeente Alphen-Chaam, als degene die een inrichting dreef aan de [adres] , aldaar, waarin landbouwhuisdieren werden gehouden voor de productie van vlees, melk en\u002Fof eieren, al dan niet opzettelijk, in een dierenverblijf voor de hoofdcategorie varkens (subcategorie biggenopfok (gespeende biggen)) dat was opgericht uiterlijk op 30 juni 2015,\n\nin stal 3a een huisvestingssysteem heeft toegepast met een emissiefactor voor ammoniak van 0,69 kg NH3 per dierplaats per jaar, althans met een emissiefactor voor ammoniak die hoger is dan de maximale emissiewaarde voor ammoniak van 0,21 kg NH3 per dierplaats per jaar die is vermeld in de bij het Besluit emissiearme huisvesting behorende bijlage 1, kolom A, en\u002Fof,\n\nin stal 4a een huisvestingssysteem heeft toegepast met een emissiefactor voor ammoniak van 0,24 kg NH3 per dierplaats per jaar, althans met een emissiefactor voor ammoniak die hoger is dan de maximale emissiewaarde voor ammoniak van 0,21 kg NH3 per dierplaats per jaar die is vermeld in de bij het Besluit emissiearme huisvesting behorende bijlage 1, kolom A,\n\nbij\u002Ftot het plegen van welk misdrijf zij, verdachte, [medeverdachte] opzettelijk behulpzaam is geweest, althans opzettelijk gelegenheid en\u002Fof middelen heeft verschaft door toen daar onder andere de stal 3a en\u002Fof de stal 4a aan [medeverdachte] te verhuren.\n\nDe in de tenlastelegging voorkomende taal- en\u002Fof schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nVrijspraak\n\nMet de rechtbank is het hof van oordeel dat de verdachte niet kan worden aangemerkt als drijver van de inrichting in de stallen 3a en 4a aan de [adres] . Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep blijkt immers dat de verdachte geen enkele feitelijke zeggenschap had over de varkenshouderij die in die stallen werd geëxploiteerd. Die zeggenschap lag volledig bij [medeverdachte] , die het hof dan ook als drijver van de inrichting kwalificeert (zie hierna in het arrest). Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de verdachte niet desondanks als medepleger van het haar primair tenlastegelegde feit kan worden aangemerkt. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt geenszins dat in de tenlastegelegde periode sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] .\n\nGelet op het voorgaande acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het haar primair tenlastegelegde feit heeft begaan, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken. Het subsidiair aan de verdachte tenlastegelegde feit acht het hof wel wettig en overtuigend bewezen, een en ander zoals hierna is uiteengezet.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n [medeverdachte] in de periode van 1 januari 2020 tot en met 19 april 2020 te [adres] in de gemeente Alphen-Chaam, als degene die een inrichting dreef aan de [adres] waarin landbouwhuisdieren werden gehouden voor de productie van vlees, opzettelijk in een dierenverblijf voor de hoofdcategorie varkens (subcategorie biggenopfok (gespeende biggen)) dat was opgericht uiterlijk op 30 juni 2015,\n\nin stal 3a een huisvestingssysteem heeft toegepast met een emissiefactor voor ammoniak van 0,69 kg NH3 per dierplaats per jaar, althans met een emissiefactor voor ammoniak die hoger is dan de maximale emissiewaarde voor ammoniak van 0,21 kg NH3 per dierplaats per jaar die is vermeld in de bij het Besluit emissiearme huisvesting behorende bijlage 1, kolom A, en\n\nin stal 4a een huisvestingssysteem heeft toegepast met een emissiefactor voor ammoniak van 0,24 kg NH3 per dierplaats per jaar, althans met een emissiefactor voor ammoniak die hoger is dan de maximale emissiewaarde voor ammoniak van 0,21 kg NH3 per dierplaats per jaar die is vermeld in de bij het Besluit emissiearme huisvesting behorende bijlage 1, kolom A,\n\nbij het plegen van welk misdrijf zij, verdachte, [medeverdachte] opzettelijk behulpzaam is geweest door toen daar de stal 3a en de stal 4a aan [medeverdachte] te verhuren.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewijsmiddelen\n\nTen behoeve van de leesbaarheid van dit arrest worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aan dit arrest gehechte bewijsmiddelenbijlage. De daarin vervatte bewijsmiddelen maken integraal deel uit van dit arrest.\n\nDe beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.\n\nBewijsoverwegingen\n\nIndien en voor zover in dit arrest wordt verwezen naar voorschriften uit wet- en regelgeving, wordt daarmee bedoeld de voorschriften uit wet- en regelgeving zoals die luidden ten tijde van het tenlastegelegde, dus in de periode van 1 januari 2020 tot en met 19 april 2020.\n\nJuridisch kader\n\nOp 1 augustus 2015 is het Besluit emissiearme huisvesting in werking getreden. Dit besluit, dat was gericht aan de (intensieve) veehouderijen, bepaalde de maximale emissiewaarden voor ammoniak waaraan door deze veehouderijen moest worden voldaan. Landelijk werd echter een gedoogbeleid gevoerd, ook wel aangeduid als het Actieplan Ammoniak Veehouderij. Onderdeel van dit actieplan was de stoppersregeling. Veehouderijen die daarvoor waren aangemeld, werden tot 1 januari 2020 vrijgesteld van naleving van de huisvestingsvoorschriften uit het besluit. Wel dienden zij met andere maatregelen een reductie van ammoniakemissie te realiseren. Vanaf 1 januari 2020 moesten de voor de stoppersregeling aangemelde veehouderijen ofwel zijn beëindigd ofwel zodanig zijn aangepast dat alsnog werd voldaan aan de maximale emissiewaarden als opgenomen in het besluit. Op grond van artikel 2, derde lid, van het Besluit emissiearme huisvesting is dat besluit niet van toepassing op veehouderijen die maximaal het aantal dieren houden dat in de vierde kolom van de tabel onder bijlage I wordt genoemd. Voor houders van speenbiggen is dat aantal vastgesteld op 20.\n\nArtikel 5, eerste lid onder a, in combinatie met bijlage I van het Besluit emissiearme huisvesting schrijft voor dat degene die een inrichting drijft waarin landbouwhuisdieren worden gehouden, in een dierenverblijf, dat is opgericht op uiterlijk 30 juni 2015, voor de hoofdcategorie varkens geen huisvestingssystemen toepast met een emissiefactor voor ammoniak die hoger is dan 0,21 kilogram NH3 per dierplaats per jaar.\n\nDe feiten en omstandigheden\n\nOp grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.\n\n [medeverdachte] , opgericht op 16 december 2012, betreft een onderneming in het exploiteren en het doen exploiteren van intensieve veehouderij, in het bijzonder van fokvarkens- en vermeerderingsbedrijven. [verdachte] is opgericht op 1 januari 2014 en houdt zich in haar – overigens reeds vanaf 1 januari 2004 bestaande – onderneming onder meer bezig met het verhuren van vastgoed in de agrarische sector. Sinds de oprichting van de maatschap heeft zij als maten de heer [vertegenwoordiger verdachte] en de besloten vennootschap [bedrijf 2] . Van deze laatste rechtspersoon is de heer [vertegenwoordiger verdachte] enig aandeelhouder en bestuurder.\n\nVan 1 augustus 2018 tot en met april 2020 huurde [medeverdachte] drie stallen – in het dossier aangeduid als stal 3, stal 4 en stal 6 – van [vertegenwoordiger verdachte] . Deze stallen waren gevestigd aan de [adres] . Uit de huurovereenkomst, gesloten tussen beide partijen, volgt dat van de stallen 3 en 4 enkel de kraamafdelingen en van stal 4 ook de opfokafdeling werden verhuurd. Stal 6 betrof de biggenstal en werd in het geheel aan [medeverdachte] verhuurd.\n\nOp 28 november 2011 is aan [vertegenwoordiger verdachte] een omgevingsvergunning (activiteit milieu) afgegeven voor het houden van onder meer 155 kraamzeugen inclusief biggen tot spenen (71 in stal 3a en 84 in stal 4a) en 1728 gespeende biggen (in stal 6). In oktober 2014 is aan [vertegenwoordiger verdachte] een omgevingsvergunning beperkte milieutoets verleend. Daarbij is het hiervoor genoemde, in de in 2011 verleende omgevingsvergunning opgenomen voorschrift ongewijzigd gebleven. Verder was [vertegenwoordiger verdachte] aangemeld voor de stoppersregeling van het Actieplan Ammoniak Veehouderij.\n\nOp 27 januari 2020 zijn de stallen 3a, 4a en 6 aan de [adres] door een toezichthouder van de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant aan een controle onderworpen. Daarbij is geconstateerd dat in de stallen 3a en 4a meer dieren (speenbiggen) werden gehouden dan op grond van de aan [vertegenwoordiger verdachte] verleende omgevingsvergunning was toegestaan. Ook werd vastgesteld dat in stal 3a een huisvestingssysteem werd toegepast met een emissiefactor voor ammoniak van 0,69 kg NH3 per dierplaats per jaar en in stal 4a een huisvestingssysteem met een emissiefactor voor ammoniak van 0,24 kg NH3 per dierplaats per jaar, met als gevolg dat de huisvestingssystemen van de stallen 3a en 4a niet voldeden aan het bepaalde in artikel 5, eerste lid onder a, van het Besluit emissiearme huisvesting.\n\nDrijver van de inrichting\n\nOp grond van artikel 5, eerste lid onder a, van het Besluit emissiearme huisvesting is degene die een inrichting drijft waarin landbouwhuisdieren worden gehouden, verplicht zich te houden aan de in bijlage I bij dat besluit genoemde maximale emissiewaarden voor ammoniak. De wetgever heeft niet bepaald op grond van welke criteria kan worden vastgesteld wie in een bepaald geval de drijver van een inrichting is. Het begrip “drijverschap” heeft derhalve nader invulling gekregen in de jurisprudentie en literatuur. Daaruit volgt dat, om te bepalen wie een inrichting drijft, van belang is wie feitelijk de zeggenschap heeft over (de exploitatie van) die inrichting en\u002Fof over haar activiteiten alsmede over het gebruik van het onroerend goed ten behoeve van het verrichten van deze activiteiten. De drijver kan zowel een natuurlijke als een rechtspersoon zijn.\n\nOp grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt het hof vast dat [medeverdachte] houder was van de biggen die in de periode van 1 januari 2020 tot en met de laatste week van april 2020 in stal 3a en stal 4a aan de [adres] waren gehuisvest en ook beschikte over de daarvoor benodigde varkensrechten. Het was [medeverdachte] die de varkenshouderij op de desbetreffende locatie exploiteerde.\n\nHet hof is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat [medeverdachte] de drijver was van de inrichting (in de stallen 3a en 4a) aan de [adres] , waarin speenbiggen werden gehouden. Op haar lag dan ook als drijver van de inrichting de plicht om te voldoen aan artikel 5, eerste lid onder a, van het Besluit emissiearme huisvesting. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat zij aan die plicht in de periode van 1 januari 2020 tot en met 19 april 2020 niet heeft voldaan.\n\nUit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat de verdachte geen enkele feitelijke zeggenschap had over (de exploitatie van) de in de stallen 3a en 4a ingerichte varkenshouderij. Met de rechtbank is het hof derhalve van oordeel dat de verdachte niet (ook) als drijver van voornoemde inrichting kan worden aangemerkt.\n\nOpzet bij (de vertegenwoordiger van) [medeverdachte]\n\nDe vertegenwoordiger van [medeverdachte] heeft op 29 juli 2020 verklaard dat hij wist dat de huisvestingssystemen van stal 3a en 4a vanaf 1 januari 2020 niet aan het Besluit emissiearme huisvesting voldeden. Desalniettemin heeft hij tot de laatste week van april 2020 in deze stallen speenbiggen gehouden. Daarmee heeft de vertegenwoordiger van [medeverdachte] opzettelijk gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 5, eerste lid onder a, van het Besluit emissiearme huisvesting.\n\nToerekening van de verboden gedraging aan [medeverdachte]\n\nHet hof stelt voorop dat een rechtspersoon kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit, indien de (verboden) gedraging in kwestie redelijkerwijs aan die rechtspersoon kan worden toegerekend. Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon.\n\nVan een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon kan sprake zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:\n\nhet gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon,\n\nde gedraging past in de normale bedrijfsvoering of taakuitoefening van de rechtspersoon,\n\nde gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf of in diens taakuitoefening, de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard, waarbij onder bedoeld aanvaarden mede begrepen is het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.\n\n [medeverdachte] betreft een onderneming in het exploiteren en het doen exploiteren van intensieve veehouderij, in het bijzonder van fokvarkens- en vermeerderingsbedrijven. In de periode van 1 januari 2020 tot en met 19 april 2020 huurde [medeverdachte] de stallen 3a en 4a aan de [adres] . In onder meer deze stallen hield zij speenbiggen en werd haar varkenshouderij geëxploiteerd. Het hof heeft hiervoor reeds vastgesteld dat de huisvestingssystemen in de stallen 3a en 4a aan de [adres] in de periode van 1 januari 2020 tot en met 19 april 2020 niet voldeden aan de huisvestingsvoorschriften van het Besluit emissiearme huisvesting. [medeverdachte] was, als drijver van de in de stallen gevestigde inrichting, verantwoordelijk voor de naleving van deze voorschriften. Bewust heeft zij nagelaten maatregelen te treffen om wel aan de huisvestingsvoorschriften van het Besluit emissiearme huisvesting te voldoen, terwijl zij daartoe wel de mogelijkheid had. Het hof is, gelet op het voorgaande, dan ook van oordeel dat de verboden gedragingen, zoals tenlastegelegd, aan [medeverdachte] kunnen worden toegerekend.\n\nMedeplichtigheid [verdachte]\n\nVan 1 augustus 2018 tot en met april 2020 verhuurde [vertegenwoordiger verdachte] drie stallen – in het dossier aangeduid als stal 3a, stal 4a en stal 6 –, gelegen aan de [adres] , aan [medeverdachte] In de tussen beide partijen gesloten huurovereenkomst is opgenomen dat huurder gehouden is het gehuurde overeenkomstig de bestemming als varkensstallen te gebruiken en het gehuurde daartoe tot beëindiging van deze overeenkomst ook zo ingericht te houden.\n\nUit de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat vanaf 1 januari 2020 de stallen 3a en 4a niet meer voldeden aan de huisvestingsvoorschriften van het Besluit emissiearme huisvesting. Blijkens zijn verklaring van 10 augustus 2020 was [vertegenwoordiger verdachte] hiervan op de hoogte. De latere ontkenning daarvan acht het hof niet overtuigend. Daarbij heeft het hof onder meer in aanmerking genomen dat in het controleverslag van 29 oktober 2018 – de stallen van [vertegenwoordiger verdachte] stonden op dat moment leeg – is opgenomen “dat stal 6 [mogelijk] nog een enkele keer zal worden gebruikt voor het houden van gespeende biggen, aangezien deze voldoet aan het Besluit emissiearme huisvesting maar dan zal hier wel een huurder voor moeten worden gevonden”. Bovendien leidt het hof uit een door [vertegenwoordiger verdachte] zelf opgestelde en ondertekende verklaring van 10 augustus 2020 af dat hij eind december 2019 wist dat de biggen met enige urgentie in de aan [medeverdachte] verhuurde stallen vóór 1 januari 2020 moesten zijn verwijderd en dat “zijn stal per 31-12-2019 dan leeg (zou) zijn”, terwijl – nota bene - de verhuurovereenkomst eigenlijk nog tot eind mei 2020 zou doorlopen.\n\nDoor een huurovereenkomst te sluiten met [medeverdachte] voor de periode van 1 augustus 2018 tot en met mei 2020, waarin expliciet is bepaald dat de gehuurde stallen – te weten de stallen 3a, 4a en 6 – overeenkomstig de bestemming als varkensstallen dienen te worden gebruikt, wetende dat de stallen 3a en 4a vanaf 1 januari 2020 niet (meer) voldeden aan het Besluit emissiearme huisvesting, heeft [vertegenwoordiger verdachte] minst genomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat door [medeverdachte] vanaf 1 januari 2020 met betrekking tot de stallen 3a en 4a in strijd zou worden gehandeld met dat besluit. Door het sluiten van de huurovereenkomst heeft [vertegenwoordiger verdachte] aan [medeverdachte] de gelegenheid en middelen verschaft tot het plegen van dat strafbare feit.\n\nHet hof merkt nog op dat [vertegenwoordiger verdachte] de huurovereenkomst met [medeverdachte] op persoonlijke titel heeft gesloten. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, zowel in eerste aanleg – zoals dat is beschreven in het proces-verbaal van die zitting – als in hoger beroep, volgt evenwel dat de stallen door [vertegenwoordiger verdachte] in het kader van zijn bedrijf, dat zich immers onder meer richt op het verhuren van vastgoed in de agrarische sector, werden verhuurd. Hieruit leidt het hof af dat [vertegenwoordiger verdachte] namens ‘ [verdachte] ’ de stallen heeft verhuurd. Dat komt overeen met wat [vertegenwoordiger verdachte] tijdens zijn laatste woord ter zitting in eerste aanleg heeft verklaard.\n\nDe periode\n\nNa de controle op 27 januari 2020 is [medeverdachte] begonnen met het leeghalen van de stallen. Vanaf 1 januari 2020 mochten in de stallen 3a, 4a en 6 respectievelijk maximaal 20, 20 en 1728 biggen worden gehouden. Op de veesaldokaart is te zien dat voor het eerst op 20 april 2020 in totaal niet meer dan 1768 biggen werden gehouden op de locatie [adres] . Tot en met 19 april 2020 was daarom zonder meer sprake van een illegale situatie. Het hof acht gelet op het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte] in de periode van 1 januari 2020 tot en met 19 april 2020 heeft gehandeld in strijd met artikel 5, eerste lid onder a, van het Besluit emissiearme huisvesting.\n\nConclusie\n\nOp grond van de inhoud van de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte] in de periode van 1 januari 2020 tot en met 19 april 2020 als drijver van een inrichting aan de [adres] waarin landbouwhuisdieren worden gehouden, in de stallen 3a en 4a een huisvestingssysteem heeft toegepast met een hogere emissiefactor voor ammoniak dan de maximale emissiewaarde voor ammoniak die is vermeld in de bij het Besluit emissiearme huisvesting behorende bijlage 1, kolom A. Daarmee heeft [medeverdachte] gehandeld in strijd met artikel 5, eerste lid onder a, van het Besluit emissiearme huisvesting. Deze overtreding is op grond van artikel 1a van de Wet op de economische delicten in combinatie met artikel 8.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer een economisch delict. Door het in voornoemde periode verhuren van de stallen 3a en 4a aan [medeverdachte] , die daarin een varkenshouderij exploiteerde, wetende dat deze stallen vanaf 1 januari 2020 niet (meer) voldeden aan de huisvestingsvoorschriften van het Besluit emissiearme huisvesting, is de verdachte, [verdachte] , medeplichtig geweest aan de door [medeverdachte] begane overtreding van artikel 8.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer. De in de huurovereenkomst opgenomen clausules die de verantwoordelijkheid voor het naleven van de vergunningvoorschriften en de toepasselijke wet- en regelgeving op de huurder leggen, ontslaan de verdachte niet van deze strafrechtelijke aansprakelijkheid.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet subsidiair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\nmedeplichtigheid aan overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 8.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.\n\nOp te leggen straf\n\nHet hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan, alsmede op de aard en hoedanigheid van de verdachte rechtspersoon en haar draagkracht, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nHet hof verenigt zich in grote lijnen met de straf(maat)overwegingen, zoals opgenomen in het vonnis van de rechtbank, en heeft deze, voor zover het zich ermee verenigt, tot de zijne gemaakt. In dit arrest zijn de straf(maat)overwegingen uit het vonnis dan ook voor een groot deel letterlijk overgenomen. Het hof heeft de overwegingen van de rechtbank naar eigen inzicht verbeterd, aangevuld en\u002Fof genuanceerd.\n\nIndien en voor zover in dit arrest wordt verwezen naar voorschriften uit wet- en regelgeving, wordt daarmee bedoeld de voorschriften uit wet- en regelgeving zoals die luidden ten tijde van het bewezenverklaarde, dus in de periode van 1 januari 2020 tot en met 19 april 2020.\n\nTen laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij medeplichtig is geweest aan overtreding van artikel 5, eerste lid onder a, van het Besluit emissiearme huisvesting, begaan door [medeverdachte] . In de periode van 1 augustus 2018 tot en met april 2020 verhuurde de verdachte drie varkensstallen aan [medeverdachte] , wetende dat twee van deze stallen vanaf 1 januari 2020 niet (meer) voldeden aan het hiervoor genoemde besluit. Daarmee heeft zij minst genomen op de koop toegenomen dat vanaf 1 januari 2020 door [medeverdachte] met betrekking tot twee van de door verdachte verhuurde stallen een overtreding zou worden begaan. Dat is ook gebeurd. In de periode van 1 januari 2020 tot en met 19 april 2020 heeft [medeverdachte] in de desbetreffende stallen een huisvestingssysteem toegepast met een emissiefactor voor ammoniak die hoger is dan de destijds op grond van voornoemd besluit toegestane maximale emissiewaarde voor ammoniak. Het Besluit emissiearme huisvesting heeft onder meer tot doel de uitstoot van ammoniak te beperken en daarmee het milieu te beschermen. Met haar handelen heeft de verdachte zich van deze belangen weinig aangetrokken. Dit rekent het hof de verdachte aan.\n\nHet hof heeft acht geslagen op het, de verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 7 mei 2024, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld.\n\nAlles afwegende, is het hof van oordeel dat de in eerste aanleg door de rechtbank opgelegde en door de advocaat-generaal in hoger beroep gevorderde straf, te weten een geldboete ter hoogte van € 6.000,00 waarvan € 3.000,00 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden is. Met oplegging van deze gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 48, 49, 51 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, artikel 8.40 van de Wet milieubeheer en artikel 5 van het Besluit emissiearme huisvesting, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nvernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;\n\nveroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 6.000,00 (zesduizend euro);\n\nbepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot € 3.000,00 (drieduizend euro), niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. A.J. Henzen, voorzitter,\n\nmr. W.F. Koolen en mr. M. van der Horst, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. S. Kerssies, griffier,\n\nen op 26 juli 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nMr. A.J. Henzen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:2468","2024-07-30T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:46.913Z",20,[74,75,11,76,77],2026,2025,2023,2022]