[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-family-property-nl-2026":3},{"detail":4,"years":150},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":35,"page":14,"limit":149},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},49,"family-property-nl","Family Property","NL","2026-07-08T16:53:53.170Z",2026,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":14},2,{"month":19,"count":14},3,{"month":21,"count":17},4,{"month":23,"count":19},5,{"month":25,"count":21},6,{"month":27,"count":15},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":15},12,[39,53,63,73,82,92,102,111,121,131,140],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"362","ECLI:NL:RBGEL:2026:5283","ecli-nl-rbgel-2026-5283","",68,"2026-06-25T00:00:00.000Z","RECHTBANK Gelderland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Zutphen\n\nZaaknummer: C\u002F05\u002F467584 \u002F KZ ZA 26-76\n\nVonnis in kort geding van 25 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [naam eiser],\n\nte [woonplaats] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [de eiser] ,\n\nadvocaat: mr. S.L. Geeraths,\n\ntegen\n\n [naam gedaagde],\n\nte [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [de gedaagde] ,\n\nadvocaat: mr. M.A. Schuring.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding - de producties 1 tot en met 8 van [de eiser] - de producties 9 tot en met 15 van [de gedaagde] - de mondelinge behandeling van 11 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt - de pleitnota van [de gedaagde] .\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Partijen hebben de woning aan de [adres] gekocht. [de eiser] was voor 99% eigenaar, [de gedaagde] voor 1%. Kort na het verkrijgen van de woning zijn partijen uit elkaar gegaan, in april 2021.\n\n2.2.. \n\nBij vonnis van 5 februari 2025 heeft de rechtbank Gelderland op grond van tussen partijen gemaakte afspraken over de verdeling van de woning, [de eiser] veroordeeld om\n\n€ 10.000,00 aan [de gedaagde] te betalen en hem te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypotheek. [de eiser] heeft op 26 maart 2025 € 10.000,00 aan [de gedaagde] betaald.\n\n2.3.. \n [de gedaagde] heeft een kort geding tegen [de eiser] aangespannen om haar te dwingen hem uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypotheek te ontslaan. De mondelinge behandeling in het kort geding was op 29 oktober 2025, de zaak is toen aangehouden.\n\n2.4.. Op 26 februari 2026 is vonnis gewezen. De beslissing luidt, voor zover relevant, als volgt:\n\n“5.1. veroordeelt [de eiser] om binnen vier weken na betekening van dit vonnis, de\n\nverplichting waartoe zij op grond van het vonnis d.d. 5 februari 2025 is veroordeeld te doen\n\nnakomen inhoudende er zorg voor te dragen dat [de gedaagde] uit de hoofdelijke\n\naansprakelijkheid betreffende de hypothecaire geldlening wordt ontslagen op kosten van\n\n [de eiser] , zulks op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor ieder dag, of deel daarvan,\n\ndat [de eiser] daarmee in gebreke blijft met een maximum van € 30.000,00,”\n\nHet vonnis is op 3 maart 2026 aan [de eiser] betekend.\n\n2.5.. Op 20 maart 2026 heeft [de eiser] , via haar advocaat, per e-mail het volgende bericht gestuurd aan (de advocaat van) [de gedaagde] : “Cliënte is gisteren gebeld door de Rabobank dat er groen licht is gegeven op haar hypotheekaanvraag, waarbij uw client wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Client verwacht dat de formele offerte op hele korte termijn zal volgen. Indien en zodra ik nader verneem, bericht ik u per omgaande.”\n\n2.6.. Op 26 maart 2026 heeft de bank [de eiser] bericht dat de stukken naar de notaris werden gestuurd. De akte van verdeling is op 28 april 2026 gepasseerd. Op 30 april 2026 is de bestaande hypotheek afgelost en is [de gedaagde] ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid.\n\n2.7.. \n\n [de gedaagde] maakt aanspraak op de dwangsommen vanaf 31 maart 2026 tot en met\n\n30 april 2026. De dwangsommen zijn geïncasseerd.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n [de eiser] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat geen dwangsommen zijn verbeurd, althans de dwangsommen dienen te worden opgeheven, althans op nihil dienen te worden gesteld. Althans een zodanig vonnis te wijzen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren. Kosten rechtens.\n\n3.2.. \n [de eiser] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat zij alles op alles heeft gezet om [de gedaagde] te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Er deed zich echter een opeenstapeling van externe factoren voor waardoor dit hele proces is vertraagd: gezondheidsklachten bij [de eiser] , de aanvankelijke weigering van de bank om te financieren, een bouwstop en een taxateur die niet kon taxeren. [de eiser] heeft alles gedaan om aan haar verplichtingen te voldoen. In het zicht van het ontslag van de bank en wetende dat het ontslag zou volgen, maakt [de gedaagde] aanspraak op de dwangsom. Het doel van de dwangsom, te weten het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid, was al bereikt. Vanwege de agenda van de notaris en het feit dat de notaris niet beschikte over de gegevens van [de gedaagde] , is de akte van verdeling pas op 28 april 2026 gepasseerd.\n\n3.3.. \n [de gedaagde] voert verweer. [de gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [de eiser] , veroordeling van [de eiser] in de reële kosten van deze procedure. [de gedaagde] voert hiertoe aan dat [de eiser] zichzelf in de positie heeft gebracht dat er dwangsommen zijn verbeurd.\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [de eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vorderingen aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.\n\nSpoedeisend belang\n\n4.2.. Het spoedeisend belang is niet betwist en volgt uit de aard van de vorderingen.\n\nDe dwangsommen zijn verbeurd\n\n4.3.. Primair stelt [de eiser] dat de in het vonnis van 26 februari 2026 niet zijn verbeurd. Bij beantwoording van de vraag of dwangsommen zijn verbeurd, dient de rechter zich ertoe te beperken de ter uitvoering van de veroordelende beschikking verrichte rechtshandelingen te toetsen aan de inhoud van de hoofdveroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Daarbij dient de rechter het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te nemen in die zin dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel (ECLI:NL:HR:2007:AZ3085). Verder geldt in algemene zin dat bij de beoordeling van de vraag of het dictum is overtreden, in aanmerking dient te worden genomen dat het dictum van het vonnis moet worden uitgelegd in het licht en met inachtneming van de overwegingen welke tot de beslissing hebben geleid (ECLI:NL:HR:1998:ZC2553, ECLI:NL:HR:2014:1532 en ECLI:NL:HR:2016:369).\n\n4.4.. \n\nDe feiten die [de eiser] heeft aangevoerd met betrekking tot de vertraging voorafgaand aan het vonnis van 26 februari 2026 zijn reeds getoetst en gewogen door de voorzieningenrechter in dat vonnis. Deze heeft overwogen in rechtsoverweging 4.3: “Omdat [de eiser] bij de voortzetting van deze procedure op 6 februari 2026 aangaf\n\ndat zij op korte termijn een reactie verwachtte van de bank, is aangegeven dat [de eiser] nog\n\ntot de vonnisdatum kon doorgeven of de aanvraag voor de hypotheek is goedgekeurd. De\n\nrechtbank heeft geen informatie meer ontvangen van [de eiser] . Verder heeft [de eiser] in deze procedure niet inzichtelijk gemaakt voor welk bedrag zij een lening heeft aangevraagd. Dit\n\nis van belang omdat de vertraging die [de eiser] oploopt omdat zij een hogere lening wenst\n\ndan nodig is om [de gedaagde] te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor haar eigen\n\nrisico komt. Hierdoor is onvoldoende aannemelijk dat het voor [de eiser] niet mogelijk was\n\nom [de gedaagde] afgelopen jaar te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid, een deel van de vertraging lijkt ingegeven omdat [de eiser] voor een hoger bedrag financiering vraagt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [de eiser] inmiddels voldoende de\n\nmogelijkheid gehad om [de gedaagde] te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Er is meer dan een jaar versteken sinds zij daartoe veroordeeld werd, de eerste zitting in deze zaak was van 21 oktober 2026 en de voortzetting was van 6 februari 2026, Sinds de voortzetting is geen reden meer gegeven voor de vertraging van de goedkeuring van de aanvraag.” Dat betekent dat enkel nog feiten van na 26 februari 2026 relevant zouden kunnen zijn.\n\n4.5.. \n\n [de eiser] voert aan dat zij aan de hoofdveroordeling heeft voldaan omdat zij op\n\n20 maart 2026 aan [de gedaagde] kenbaar heeft gemaakt dat hij zou worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Uit de e-mail van 20 maart 2026 van de advocaat van [de eiser] volgt weliswaar dat er groen licht is gegeven op de hypotheekaanvraag, maar ook dat de offerte nog niet was verstrekt en dat zij verwachtte dat dit op korte termijn zou volgen. Het was op dat moment voor [de gedaagde] dus nog niet voldoende duidelijk dat hij zou worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Bovendien is dit bericht niet afkomstig van de bank, maar van de advocaat van [de eiser] . Er was nog geen sprake van een aanbod van de bank. Dit klemt te meer omdat uit het vonnis van 26 februari 2026 volgt dat [de eiser] eerder dergelijke toezeggingen heeft gedaan en deze niet is nagekomen.\n\n4.6.. \n [de eiser] doet ook een beroep op haar e-mail van 26 maart 2026 aan haar advocaat waaruit volgt dat de stukken door de bank naar de notaris zijn gestuurd, maar deze is niet gedeeld met [de gedaagde] , terwijl [de gedaagde] ter zitting duidelijk heeft gemaakt dat hij geen inzage had in de bankomgeving. De voorzieningenrechter volgt [de eiser] daarom niet in haar stelling dat [de gedaagde] al voor het verlopen van de termijn uit de hoofdveroordeling wist dat hij zou worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Rond 20 april 2026, na het aflopen van de termijn uit de hoofdveroordeling, heeft [de gedaagde] de uitnodiging van de notaris voor het passeren van de verdelingsakte gekregen. Pas vanaf dat moment wist hij dat hij, behoudens onvoorziene omstandigheden, zou worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Het voorgaande brengt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat [de eiser] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de dwangsommen uit het vonnis van 26 februari 2026 niet zijn verbeurd. De primaire vordering van [de eiser] zal daarom worden afgewezen.\n\nDe dwangsommen worden niet opgeheven of op nihil gesteld\n\n4.7.. Subsidiair vordert [de eiser] opheffing of vermindering van de dwangsommen op grond van artikel 611d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).\n\n4.8.. Op grond van artikel 611d Rv kan de rechter de dwangsom opschorten, verminderen of opheffen wanneer er sprake is van een onmogelijkheid om aan de hoofdveroordeling te voldoen. Vooropgesteld dient te worden dat artikel 611d Rv restrictief moet worden uitgelegd omdat tegen de uitspraak waarin de dwangsom is opgelegd rechtsmiddelen hebben opengestaan. Deze rechtsmiddelen – hoger beroep tegen het vonnis van 26 februari 2026 of een kort geding voorafgaand aan de termijn waarop de dwangsommen gaan lopen – zijn niet door [de eiser] benut. Bij de beoordeling of van een onmogelijkheid sprake is, dient de rechter na te gaan of in redelijkheid meer inspanning en zorgvuldigheid van de veroordeelde kan worden verwacht. Het is in dat kader aan [de eiser] als veroordeelde om aannemelijk te maken dat niet meer inspanning of zorgvuldigheid van haar mocht worden verwacht. Andere feiten en omstandigheden dan hiervoor besproken en afgewogen heeft [de eiser] niet gesteld.\n\n4.9.. Het klopt dat [de eiser] afhankelijk was van de notaris, maar de omstandigheid dat voor de naleving van een hoofdveroordeling de medewerking van anderen dan de veroordeelde noodzakelijk is, hoeft niet aan het uitspreken van een dwangsomveroordeling in de weg te staan (ECLI:NL:HR:2020:1783). De veroordeelde dient op grond van de hoofdveroordeling redelijkerwijs al het mogelijke te doen om ervoor te zorgen dat deze anderen hun noodzakelijke medewerking verleenden. In dat kader heeft [de eiser] slechts bloot gesteld dat zij vijf notarissen heeft benaderd en de door haar gemaakte afspraak de eerste mogelijkheid was. Om aan te tonen dat zij redelijkerwijs al het mogelijke heeft gedaan om ervoor te zorgen dat een notaris tijdig zijn medewerking zou verlenen, had het op haar weg gelegen om correspondentie over te leggen waaruit volgt dat geen van de benaderde notarissen eerder plaats had en dat zij aan de door haar gekozen notaris kenbaar heeft gemaakt dat er spoed was bij haar aanvraag. De slotsom luidt dat ook de subsidiaire vorderingen van [de eiser] niet toewijsbaar zijn.\n\nDe proceskosten\n\n4.10.. \n [de gedaagde] vordert veroordeling van [de eiser] in de reële proceskosten, ten bedrage van € 2.523,35, omdat zij al hem meermaals heeft verplicht om een procedure te starten om hetgeen zij gezamenlijk hebben afgesproken af te dwingen en nu probeert middels een nieuwe procedure onder de dwangsom uit te komen.\n\n4.11.. In uitzonderlijke gevallen wordt vergoeding van de reële proceskosten toegewezen, bijvoorbeeld wanneer sprake is van misbruik van procesbevoegdheid of onrechtmatig handelen door het instellen van de vorderingen. Dit is het geval als [de eiser] het instellen van haar vorderingen, gelet op de evidente ongegrondheid daarvan, in verband met de betrokken belangen van [de gedaagde] achterwege had moeten laten. Daarvan kan pas sprake zijn als [de eiser] haar vorderingen heeft gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kende of behoorde te kennen of op stellingen waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit niet het geval is.\n\n4.12.. De slotsom luidt dat [de eiser] in het ongelijk is gesteld en daarom de proceskosten (inclusief nakosten) moet betalen. De proceskosten van [de gedaagde] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n341,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n760,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.290,00\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n5.1.. wijst de vorderingen van [de eiser] af,\n\n5.2.. veroordeelt [de eiser] in de proceskosten van € 1.290,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 als [de eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. K.H.A. Heenk en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.\n\nJV\u002FKH","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5283","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:26.105Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":51,"updatedAt":62},"1689","ECLI:NL:RBOVE:2026:3805","ecli-nl-rbove-2026-3805",57,"2026-06-24T00:00:00.000Z","RECHTBANK Overijssel\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nZaaknummer: C\u002F08\u002F334585 \u002F HA ZA 25-190\n\nVonnis van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [partij A],\n\nte [woonplaats 1] ,\n\neisende partij in conventie,\n\ngedaagde partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: de man,\n\nadvocaat: mr. J. Bouwhuis,\n\ntegen\n\n [partij B],\n\nte [woonplaats 2] ,\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie\n\nhierna te noemen: de vrouw,\n\nadvocaat: mr. M.E. Beeker.\n\n1. De procedure\n\n1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 18 februari 2026;\n\n- de akte met producties 7a en 7b van de man van 17 maart 2026; - de brief met producties 12 en 13 van de vrouw van 18 maart 2026;\n\n- de antwoordakte met producties 14 t\u002Fm 16 van de vrouw van 7 april 2026;\n\n- de brief met productie 17 van de vrouw van 8 april 2026;\n\n- de antwoordakte van de man van 14 april 2026;\n\n- akte uitlating producties van de man van 28 april 2026.\n\n1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. Samenvatting\n\n2.1. Bij vonnis van 18 februari 2026 heeft de rechtbank inhoudelijk geoordeeld over het merendeel van de vorderingen van de man en de vrouw. De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld om hun stellingen nader te onderbouwen door het indienen van een akte met stukken. Voor de man gaat het om zijn stelling dat de afschrijvingen zoals hij die heeft vermeld in het als productie 7 verstrekte overzicht onttrekkingen aan de kindrekening betreffen die door de vrouw vanaf maart 2023 zijn gedaan ter voldoening van haar eigen financiële lasten. Voor de vrouw gaat het om de stelling dat zij de IB aanslag 2021 van partijen na de peildatum nog van haar zakelijke rekening eindigend op [rekeningnummer 1] [toevoeging rechtbank: bedoeld is eindigend op [rekeningnummer 2] ] heeft betaald. Partijen hebben nadien nog over en weer op elkaars stukken gereageerd.\n\n2.2. Namens de vrouw is een nieuwe reconventionele vordering ingediend en zij heeft in haar antwoordakte en bij brief van 8 april 2026 zelf ook nog stukken ingediend. De rechtbank laat deze eisvermeerdering van de vrouw buiten beschouwing en ook de door de vrouw ingediende producties worden buiten beschouwing gelaten. De rechtbank komt ook niet terug op de bindende eindbeslissing over de betaling van de naheffing kinderopvangtoeslag 2022 door de vrouw, voor zover dit door de vrouw is verzocht.\n\n2.3. De rechtbank wijst de vordering van de man tot (terug)betaling door de vrouw van € 2.637,15 aan de kindrekening toe en de rechtbank zal op het tussen partijen te verdelen saldo op de zakelijke spaarrekening van de vrouw per peildatum een bedrag van € 2.036,- in mindering brengen, alsmede het in het tussenvonnis genoemde bedrag van € 3.785,-.\n\n3. De verdere beoordeling in conventie en in reconventie\n\n3.1. Omdat de vorderingen van partijen in conventie en in reconventie samenhangen, zullen deze hierna tezamen worden beoordeeld.\n\nVooraf\n\nIngediende producties bij akte van de vrouw van 7 april en bij brief van 8 april 2026\n\n3.2. De rechtbank laat de door de vrouw bij antwoordakte van 7 april 2026 en brief van 8 april 2026 ingediende producties buiten beschouwing. Producties moeten volgens artikel 87 lid 6 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) zoveel mogelijk onmiddellijk bij conclusie van antwoord en tot uiterlijk tien dagen voor de zitting in het geding worden gebracht. De producties bij de akte van 7 april 2026 en de brief van 8 april 2026 zijn in het licht van de concentratie van het verweer te laat ingediend door de vrouw. De man heeft bezwaar gemaakt tegen de ingediende producties en de rechtbank volgt dat bezwaar. Bij tussenvonnis is het de vrouw enkel toegestaan om bij antwoordakte te reageren op de door de man op 17 maart 2026 genomen akte met producties. De door haar ingediende producties werpen weer een nieuw (geschil)punt op en de vrouw heeft voor indiening van deze producties met toelichting geen toestemming aan de rechtbank gevraagd.\n\nEisvermeerdering van de vrouw\n\n3.3. De rechtbank laat ook de door de vrouw bij akte van 7 april 2026 nieuw ingediende reconventionele vordering, inhoudende de man te veroordelen om het bedrag ad € 293,- aan de kindrekening te laten betalen, buiten beschouwing.\n\n3.4. Op grond van artikel 130 Rv is een eisende partij bevoegd zijn eis of de gronden daarvan te veranderen of te vermeerderen zolang geen eindvonnis is gewezen. De rechter kan, na bezwaar van de wederpartij of ambtshalve, de verandering of vermeerdering van eis buiten beschouwing laten indien deze in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Artikel 2.26 van het Landelijk Procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbank handel en kanton bepaalt dat een partij die haar eis of gronden daarvan wijzigt of vermeerdert dit duidelijk vermeldt in de titel van haar processtuk en in handelszaken moet dit ook op het B-formulier worden vermeld.\n\n3.5. De vrouw heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat de man niet van zijn eigen rekening maar van de kindrekening de naheffing kinderopvangtoeslag 2022 heeft betaald en dat hij om die reden gehouden zou zijn om dit bedrag aan de kindrekening terug te betalen. De man heeft bezwaar gemaakt tegen deze eisvermeerdering op de grond dat indiening van een nieuwe reconventionele vordering in dit stadium van de procedure in strijd is met de eisen van een goede procesorde.\n\n3.6. \n\nDe rechtbank overweegt dat in het laatste tussenvonnis op vrijwel alle vorderingen en tegenvorderingen is beslist. Ook op de vordering van de man tot betaling van de vrouw aan de man van een bedrag van € 293,- ten behoeve van de naheffing kinderopvangtoeslag 2022 is een bindende eindbeslissing genomen. Er moest alleen nog worden beslist op de vordering van de man over de onttrekkingen die door de vrouw ten behoeve van haarzelf aan de kindrekening zouden zijn gedaan vanaf maart 2023 en op de verdeling van het saldo van de zakelijke rekening van de vrouw. De nieuwe vordering van de vrouw ziet op een nieuw discussiepunt, namelijk of de man de naheffing kinderopvangtoeslag 2022 van zijn eigen rekening of van de kindrekening voldaan heeft. Dit geschilpunt staat los van de kwesties waarover de rechtbank eerder heeft geoordeeld en vraagt om een nieuw debat tussen partijen, waardoor het geding - mede gelet op het vergevorderde stadium waarin het zich bevindt - onredelijk zou worden vertraagd.\n\nBovendien constateert de rechtbank dat de eisvermeerdering niet conform artikel 2.26 van het Landelijk Procesreglement is ingediend nu niet in de titel van het processtuk is vermeld dat het (tevens) een akte eisvermeerdering betreft. Ook in het B- formulier is dit niet opgenomen. Dit alles leidt tot de conclusie dat de eisvermeerdering in strijd is met de eisen van een goede procesorde. De eisvermeerdering wordt om voorgaande redenen dus buiten beschouwing gelaten.\n\nTerugkomen bindende eindbeslissing\n\n3.7. Voor zover de vrouw de rechtbank verzoekt om terug te komen op de bindende eindbeslissing over de betaling van de naheffing kinderopvangtoeslag 2022 zoals opgenomen in rechtsoverweging 5.21. van het tussenvonnis, wordt dit verzoek afgewezen.\n\n3.8. Een rechter, die in een tussenuitspraak op één of meer geschilpunten uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft beslist, is hieraan, in beginsel, in het verdere verloop van het geding gebonden.De eisen van een goede procesorde brengen echter mee dat de rechter aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing om te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen.Een bindende eindbeslissing berust onder meer op een onjuiste feitelijke grondslag indien de rechter, na een dergelijke heroverweging, inziet dat zijn uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven oordeel was gebaseerd op een onhoudbare feitelijke lezing van een of meer gedingstukken, die zou leiden tot een einduitspraak waarvan de rechter overtuigd is dat die ondeugdelijk zou zijn.\n\n3.9. Zoals in rechtsoverweging 3.6. al is overwogen heeft de vrouw in haar akte van 7 april 2026 voor het eerst gesteld dat zij geen € 293,- aan de man maar op de kindrekening moet betalen omdat de man de naheffing kinderopvangtoeslag 2022 van de kindrekening lijkt te hebben betaald. De vrouw verwijst in dat verband naar betalingen die vanaf januari 2025 (en dus ruim voor de mondelinge behandeling) van de kindrekening aan de Belastingdienst zijn gedaan, maar zij laat na om toe te lichten waaruit zij afleidt dat deze betalingen betrekking hebben op de naheffingsaanslag kinderopvangtoeslag 2022. Bovendien heeft de vrouw tijdens de mondelinge behandeling de vordering van de man erkend en ook niet betwist dat het betreffende bedrag aan hem betaald moest worden terwijl zij, zoals door de man onweersproken is aangevoerd, altijd al inzage heeft gehad in de kindrekening en zij haar nieuw betrokken stelling dus al veel eerder had kunnen innemen. Kennelijk tracht de vrouw nu op haar eerder ingenomen standpunt terug te komen, maar dat is geen grondslag die een heroverweging van een bindende eindbeslissing rechtvaardigt. Nu niet komt vast te staan dat de eindbeslissing op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag is genomen, is de rechtbank niet bevoegd om over te gaan tot een heroverweging van de eindbeslissing en wordt het verzoek daartoe afgewezen.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nVorderingen van de man\n\n3.10. Bij tussenvonnis heeft de rechtbank al geoordeeld dat de vorderingen van de man ter zake de betaling van de nota van de pensioenadviseur, de kosten van Spotify en Videoland, de verdeling van de inboedel van de praktijkruimte en de uitsluiting van de pensioenverevening niet slagen. De rechtbank zal deze vorderingen dan ook afwijzen. De vorderingen ter zake de gebruiksvergoeding van de praktijkruimte, de terugbetaling van de lening van € 15.000,-, de betaling door de vrouw van € 293,- aan naheffing kinderopvangtoeslag [correctie rechtbank: in het tussenvonnis is in r.o. 4.1. sub VI is in de vordering van de man het bedrag van € 284,- opgenomen, maar dit moet € 293,- zijn] en de verdeling van de banksaldi slagen (gedeeltelijk) wel. De rechtbank zal deze vorderingen dan ook (deels) toewijzen.\n\n3.11. De man heeft door indiening van de bankafschriften op 17 maart 2026 voldoende onderbouwd dat de vrouw in de periode vanaf maart 2023 ten behoeve van haar eigen financiële lasten onttrekkingen heeft gedaan aan de kindrekening. Deze onttrekkingen corresponderen met het door de man als productie 7 ingebrachte overzicht. De vrouw heeft de inhoud van de door de man overgelegde bankafschriften en zijn conclusies ten aanzien van de onttrekkingen vervolgens niet inhoudelijk betwist in haar antwoordakte van 7 april 2026. Daardoor staat vast dat de vrouw in beginsel € 2.637,15 aan de kindrekening moet voldoen.\n\n3.12. \n\nDe vrouw voert nog aan dat partijen niet per maart 2023 maar per februari 2024 de gezamenlijke bankrekening zijn gaan gebruiken als kindrekening maar de rechtbank gaat hieraan voorbij nu hierover in het tussenvonnis al inhoudelijk is geoordeeld in r.o. 5.20.\n\nBovendien was dit oordeel ook in lijn met de verklaring van de vrouw ter zitting dat de betreffende rekening per maart 2023 als kindrekening gebruikt werd. [correctie rechtbank: in r.o. 5.20. van het tussenvonnis is als datum van ondertekening van het ouderschapsplan 3 oktober 2021 opgenomen, maar dit moet 3 oktober 2022 zijn].\n\n3.13. De verrekeningsverweren van de vrouw slagen evenmin. De vrouw stelt bij antwoordakte voor het eerst dat de man in ieder geval in de periode vanaf maart 2023 tot en met januari 2024 geen kinderalimentatie heeft voldaan. Daarnaast stelt zij in dezelfde akte voor het eerst dat zij zelf medische kosten van € 647,93 voor [dochter] heeft gemaakt. Volgens de vrouw zou zowel de achterstallige kinderalimentatie als het bedrag aan medische kosten verrekend moeten worden met het bedrag dat zij nog aan de kindrekening moet betalen. De man heeft in zijn akte van 28 april 2026 echter gemotiveerd betwist dat sprake is van achterstallige kinderalimentatie en hij heeft ook gemotiveerd weersproken dat de door de vrouw opgevoerde nota’s en betalingen kosten betreffen die ten behoeve van [dochter] zijn gemaakt. Hierdoor komt niet vast te staan dat de vrouw een opeisbare vordering op de man heeft, waardoor een beroep op verrekening niet slaagt.\n\n3.14. Nu de man zijn stelling dat de vrouw in de periode vanaf maart 2023 nog een bedrag van € 2.637,15 van de kindrekening heeft onttrokken ten behoeve van zichzelf voldoende heeft onderbouwd en de verrekeningsverweren van de vrouw niet opgaan, zal de rechtbank deze vordering van de man toewijzen. De vrouw heeft nog verzocht te bepalen dat de terugbetaling in termijnen mag plaatsvinden. De rechtbank verwijst in dit verband naar rechtsoverweging 5.12. van het tussenvonnis waarin zij oordeelt dat een rechtsgrond hiervoor ontbreekt zodat de rechtbank geen mogelijkheid ziet een dergelijke beslissing te nemen.\n\n3.15. Voor wat betreft de vordering van de man tot terugbetaling van de lening door de vrouw heeft de rechtbank in r.o. 5.9. en 5.10. van het tussenvonnis beslist dat de vrouw gehouden is daartoe over te gaan. De rechtbank zal de vordering van de man voor zover deze ziet op de termijn van terugbetaling (binnen een week) afwijzen, nu de man niet heeft gesteld wat zijn (bijkomend) belang bij dit deel van de vordering is.\n\nVorderingen van de vrouw\n\n3.16. Bij tussenvonnis heeft de rechtbank al geoordeeld dat de vorderingen van de vrouw ter zake de verklaring voor recht over de achterstallige partneralimentatie en bevoegdheid tot verrekening met de geldlening van de man, de verdeling van de inboedel en de ontbinding van artikel 6 van het ouderschapsplan niet slagen. De rechtbank zal de vorderingen die hierop zien dan ook afwijzen. De vordering ter verdeling van de banksaldi slaagt (gedeeltelijk) wel. De rechtbank zal deze vordering dan ook (deels) toewijzen.\n\n3.17. De vrouw heeft door middel van de aan de akte van 18 maart 2026 toegevoegde bankrekeningafschriften voldoende onderbouwd dat zij na peildatum van haar zakelijke rekening nog betalingen heeft verricht die zien op de IB aangifte 2021 van partijen. Hoewel de vrouw niet heeft gesteld hoe hoog het totaalbedrag is, heeft de man onbetwist aangevoerd dat het gaat om een bedrag van € 2.036,-, hetgeen de rechtbank ook heeft kunnen afleiden uit de bankafschriften en de toelichting van de vrouw daarop. Voor wat betreft de verdeling van het resterende banksaldo houdt de rechtbank gelet op het tussenvonnis rekening met het door de vrouw betaalde bedrag van € 2.036,-. De man heeft nog aangevoerd dat met de helft van dit bedrag gerekend moet worden, omdat de man zelf zijn eigen IB aanslag van 2021 betaald zou hebben en de betalingen van de vrouw dus zien op de op haar naam staande IB aanslag, maar dit verweer wordt door de rechtbank gepasseerd. De rechtbank begrijpt uit de stellingen van partijen dat zij het nog niet eens zijn over de vraag of zij evenredig hebben bijgedragen aan de aangifte inkomstenbelasting 2021. Partijen hebben daarover geen expliciete vorderingen ingesteld. Het is aan partijen daar desgewenst nadere afspraken over te maken, waarbij zij rekening kunnen houden met hetgeen zij in artikel 11.1. en artikel 11.2. van het convenant zijn overeengekomen.\n\n3.18. Dit betekent dat het tussen partijen te verdelen saldo van de zakelijke spaarrekening van de vrouw nog € 6.422,83 betreft, nu het bedrag ad € 5.821,- (€ 3.785,- betaling IB aangifte 2022 [correctie rechtbank: in r.o. 5.27. van het tussenvonnis staat aangifte 2021 maar dit moet aangifte 2022 zijn] + € 2.036,- betaling IB aangifte 2021) aan de vrouw toekomt. Per saldo wordt aan de vrouw dan een bedrag van € 9.032,42 (€ 5.821,- + € 3.211,42 (= de helft van € 6.422,83)) toebedeeld en aan de man een bedrag ad € 3.211,41.\n\nProceskosten in conventie en in reconventie\n\n3.19. Omdat deze procedures samenhangen met de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen en dus ook met hun familierechtelijke betrekking, zal de rechtbank de proceskosten van partijen compenseren in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.\n\n4. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nIn conventie:\n\n4.1. veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van een bedrag van € 364,00 als gebruiksvergoeding voor de praktijkruimte,\n\n4.2. veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van een bedrag van € 15.000,00 ter aflossing van de lening,\n\n4.3. veroordeelt de vrouw tot betaling aan de kindrekening van een bedrag van € 2.637,15,\n\n4.4. veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van een bedrag van € 293,00 aan naheffing kinderopvangtoeslag 2022,\n\nIn conventie en in reconventie:\n\n4.5. stelt de verdeling van de tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap behorende banksaldi van partijen als volgt vast:\n\n- het saldo per 1 oktober 2022 (€ 613,76) van de op naam van partijen staande ABN\n\nAMRO- rekening eindigend op [nummer 1] , wordt tussen partijen bij helfte verdeeld;\n\n- het saldo per 1 oktober 2022 (€ 824,74) van de op naam van de man staande ABN\n\nAMRO- rekening, eindigend op [nummer 2] wordt tussen partijen bij helfte verdeeld;\n\nhet saldo per 1 oktober 2022 (€ 471,00) van de op naam van de eenmanszaak van de\n\nvrouw staande Knab- bankrekening, eindigend op [nummer 3] wordt tussen partijen bij\n\nhelfte verdeeld;\n\n- het saldo per 1 oktober 2022 (€ 22,92) van de op naam van de vrouw staande Knab-\n\nrekening eindigend op [nummer 4] , wordt tussen partijen bij helfte verdeeld;\n\n- het saldo per 1 oktober 2022 (€ 12.243,83) van de op naam van de eenmanszaak van\n\nde vrouw staande Knab- flexibel- spaarrekening, eindigend op [rekeningnummer 2] wordt tussen\n\npartijen verdeeld in die zin dat aan de vrouw wordt toebedeeld een bedrag ad € 9.032,42 en aan de man een bedrag ad € 3.211,41,\n\n4.6. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad\n\n4.7. compenseert de proceskosten in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;\n\n4.8. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. K. Hermsen en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.\n\n Hoge Raad 4 mei 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4805\n\n Hoge Raad 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2800\n\n Hoge Raad 26 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN8521","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3805","2026-07-05T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:33.727Z",{"id":64,"ecli":65,"slug":66,"caseNumber":43,"courtId":67,"decisionDate":68,"fullText":69,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":70,"sourceTimestamp":71,"parsedAt":51,"updatedAt":72},"828","ECLI:NL:RBLIM:2026:5745","ecli-nl-rblim-2026-5745",66,"2026-06-18T00:00:00.000Z","RECHTBANKLIMBURG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Roermond\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12109816 \\ OV VERZ 26-9\n\nBeschikking van 18 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [de man],\n\nte [plaats 1] ,\n\nverzoekende partij, verwerende partij voor wat betreft het tegenverzoek,\n\nhierna te noemen: de man,\n\ngemachtigde: mr. J.I.L. Laumans,\n\ntegen\n\n [de vrouw],\n\nte [plaats 1] ,\n\nverwerende partij, verzoekende partij voor wat betreft het tegenverzoek,\n\nhierna te noemen: de vrouw,\n\ngemachtigde: mr. A.M.A. Kok-Verheijde.\n\n1. Waar gaat deze zaak over\n\nPartijen hebben een relatie gehad die in juli 2025 is beëindigd. Sindsdien verblijft de vrouw met uitsluiting van de man in hun gezamenlijk woning, gelegen aan [adres] te [plaats 1] (hierna de woning). Partijen hebben samen een minderjarig kind, waarover zij gezamenlijk het ouderlijk gezag hebben. Beide partijen willen dat de kantonrechter een beheersregeling vaststelt in die zin dat wordt bepaald wie in de woning mag verblijven totdat die is verdeeld.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift met productie 1 tot en met 8\n\n- het verweerschrift met producties 1 tot en met 10\n\n- de akte van de man met productie 9\n\n- de producties 10 en 11 van de man\n\n- de mondelinge behandeling van 21 mei 2026, waarbij de man spreekaantekeningen heeft overgelegd.\n\n2.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. Partijen hebben een affectieve relatie gehad, hebben samengewoond en hebben een kind van 4 jaar waarover zij gezamenlijk het gezag hebben. Zij hebben de afspraken over hun samenleving op 12 oktober 2018 vastgelegd in een notariële samenlevingsovereenkomst. De samenleving tussen partijen is beëindigd in juli 2025. Vanaf die tijd heeft de man de woning van partijen verlaten, waarna hij bij zijn ouders is gaan wonen. Partijen zijn beiden eigenaar van de woning, ieder voor de helft. Partijen verschillen van mening over de vraag wie de meeste aanspraak heeft om de woning te bewonen.\n\n3.2.. De waarde van de woning is op 2 september 2025 getaxeerd door [bedrijf] B.V. op € 400.000,00. De WOZ-waarde per 1 januari 2025 bedraagt € 441.000,00. De vrouw betaalt gebruikerslasten en de man betaalt alle eigenaarslasten en de hypotheek.\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. De man verzoekt de kantonrechter te bepalen dat hij in redelijkheid de meeste aanspraken heeft om de woning te blijven bewonen en te bepalen dat de vrouw de woning binnen vier weken dient te verlaten op straffe van een dwangsom.4.2.. De vrouw wil de woning niet overnemen, maar verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en heeft als tegenverzoek de kantonrechter gevraagd te bepalen dat zij in redelijkheid de meeste aanspraken heeft om de woning te blijven bewonen.\n\n5. De beoordeling\n\nDe bevoegdheid van de kantonrechter5.1.. \n\nIn artikel 12 van de samenlevingsovereenkomst staat dat na het einde van de samenleving beide partijen het recht hebben nog gedurende drie maanden te wonen in hun woning. In onderling overleg zal worden uitgemaakt wie daarna in redelijkheid de meeste aansprakelijk heeft om de woning te blijven bewonen. Als het partijen niet lukt om hierover afspraken te maken, kan de kantonrechter worden gevraagd een beslissing te nemen.\n\nVerder bepaalt artikel 3:168 BW dat deelgenoten het genot, gebruik en beheer van gemeenschappelijke goederen (zoals een woning) bij overeenkomst kunnen regelen en voor zover een overeenkomst ontbreekt dat de kantonrechter op verzoek van een van partijen een regeling kan treffen. Daarbij houdt de kantonrechter rekening met zowel de belangen van partijen als met het algemeen belang. De kantonrechter is daarom bevoegd een beslissing te nemen over het verzochte.\n\nEen belangenafweging5.2.. Hoewel de verzoeken van partijen anders zijn geformuleerd begrijpt de kantonrechter dat beide partijen het uitsluitend gebruik van de woning willen hebben in afwachting van hetzij toedeling aan de man, hetzij verkoop aan een derde. Partijen hebben dit desgevraagd tijdens de zitting bevestigd.\n\n5.3.. Het geschil tussen partijen spitst zich daarom toe op de vraag wie van partijen daarbij het meeste belang heeft. De kantonrechter is van oordeel dat de man het uitsluitend gebruik van de woning moet krijgen maar slechts voor de duur van zes maanden. De kantonrechter zal hierna uitleggen waarom zij tot deze beslissing is gekomen.\n\n5.3.1.. De kantonrechter stelt vast dat de vrouw weliswaar in de woning verblijft, maar de eigenaarslasten en de hypotheek daarvan niet kan betalen. De man betaalt dit. De vrouw wil de woning ook niet toebedeeld krijgen. De man wil dat wel en zegt dat hij dat ook kan financieren, uitgaande van de getaxeerde waarde van € 400.000,00. Hij zegt dat hij daarvoor naar een hypotheekadviseur is geweest.\n\n5.3.2.. \n\nDe man voert ter onderbouwing van zijn belang om in de woning te mogen wonen in afwachting van de verdeling van de woning het volgende aan.\n\nDe man wil niet langer bij zijn ouders verblijven omdat dit hen belast en omdat hij wil voorkomen dat de irritaties tussen hem en zijn ouders oplopen. Hij stelt dat ook de vrouw niet wil dat de man bij zijn ouders woont zodat hun kind daar niet hoeft te verblijven. Dat was voor haar al eerder reden om de omgangsregeling met het kind tijdelijk stop te zetten. Verder stelt dat man dat hij voor de verdeling geen andere woning kan kopen of huren, omdat hij alle lasten van de gemeenschappelijke woning draagt. Het ligt volgens de man voor de hand dat hij het gebruiksrecht van de woning krijgt omdat hij alle lasten draagt en de woning toegedeeld wil krijgen, terwijl de vrouw dat niet wil.\n\n5.3.3.. De vrouw stelt dat het in het belang van het kind is dat zij in de woning blijft totdat de woning is verdeeld, omdat zij het meest voor het kind zorgt en het haar niet zal lukken andere woonruimte te vinden, waardoor zij met het kind op straat komt te staan. Ze geeft aan dat zij bij Wonen Limburg staat ingeschreven, maar dat er een hele lange wachtlijst is. Verder stelt ze dat zij geen urgentiestatus krijgt als zij de woning moet verlaten, omdat zij nog een koopwoning in mede-eigendom heeft. Zij wil zo snel mogelijk de woning verdelen ofwel door toedeling van haar aandeel aan de man ofwel door verkoop aan een derde zodat zij een eigen woning kan kopen. In dat kader merkt de vrouw nog op dat de woning meer waard is dan € 400.000,00, dat zij niet gehouden is aan de taxatie van 2 september 2025 en dat moet worden gekeken naar de waarde van de woning op het moment van verdelen. De vrouw stelt dat de man niet heeft aangetoond dat hij financieel in staat is haar aandeel in de woning over te nemen.\n\n5.3.4.. De kantonrechter stelt voorop dat de woning uiteindelijk verdeeld moet worden en dat de woning hoe dan ook niet aan de vrouw wordt toebedeeld omdat zij dat niet wil en niet gefinancierd krijgt. De vrouw zal de woning daarom hoe dan ook op enig moment moeten verlaten. Hierdoor ligt het voor de hand het gebruiksrecht van de woning in afwachting van de verdeling aan de man toe te kennen. Dit lig verder ook voor de hand omdat de man de eigenaarslasten en de hypotheek van de woning betaalt. Het belang van het kind wordt niet geschaad als de man het gebruiksrecht krijgt, want het kind verblijft ongeveer de helft van de tijd bij de man en de helft van de tijd bij de vrouw. In dat kader is relevant dat de voorzieningenrechter bij vonnis van 19 december 2025 een zorgregeling heeft vastgesteld, inhoudende dat het kind een groot deel van de week bij zijn vader verblijft (namelijk wekelijks van woensdagochtend schooltijd (9:00 uur) tot vrijdagochtend (9:00 uur) en wekelijks zaterdagmiddag 12:00 uur tot zondagmiddag 12:00 uur. De vrouw voert nog aan dat de ouders van de man (met wie zij geen goede verhouding heeft) een groot deel van de zorg voor het kind gedurende die tijd op zich nemen omdat de man werkt en het kind ook naar een kinderdagverblijf\u002Fschool gaat (sinds 2 mei 2026). De man brengt daartegenin dat hij de tijd na zijn werk wel degelijk zelf de zorg voor het kind op zich neemt. Hoe dan ook leidt dit argument er niet toe dat de vrouw het uitsluitend gebruik van de woning moet krijgen. Uiteraard moet er tijdens het werk kinderopvang zijn en dat betekent niet dat iemand niet voor zijn kind zorgt. De vrouw heeft verder nog gesteld dat zij geen vervangende woonruimte heeft en op straat komt te staan, maar de man heeft gesteld dat zij naar een tante in [plaats 2] zou kunnen gaan of woonruimte zou kunnen regelen via haar werkgever en daar heeft de vrouw niet voldoende onderbouwd op gereageerd. Bovendien geldt ook hier weer dat zij de woning hoe dan ook op enig moment moet verlaten.\n\n5.4.. De kantonrechter ziet wel aanleiding om het uitsluitend gebruik van de woning slechts voor de duur van zes maanden aan de man toe te kennen gelet op het belang van de vrouw dat er spoedig een definitieve verdeling van de woning volgt. Zonder die verdeling heeft zij geen financiële ruimte om zelf een woonruimte te kopen. Bovendien hebben partijen op zitting aangegeven dat een regeling over alle andere vermogensbestanddelen ook in het verschiet ligt zodra de woning definitief is verdeeld.\n\n5.5.. De gevorderde dwangsom zal worden gematigd, zoals hierna opgenomen in de beslissing.\n\n6. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n6.1.. bepaalt dat de man in redelijkheid de meeste aanspraken heeft om de woning aan [adres] te [plaats 1] te blijven bewonen, gedurende zes maanden vanaf het moment dat de vrouw deze woning heeft verlaten,\n\n6.2.. bepaalt dat de vrouw de onder 6.1. genoemde woning binnen vier weken na deze beschikking dient te verlaten en niet meer mag betreden, onder verbeurte van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag of gedeelte hiervan dat de vrouw hiertoe in gebreke blijft met een maximum van € 10.000,00,\n\n6.3.. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n6.4.. wijst af het door de man of vrouw anders of meer verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Koster-van der Linden en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5745","2026-06-16T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:50.060Z",{"id":74,"ecli":75,"slug":76,"caseNumber":43,"courtId":77,"decisionDate":71,"fullText":78,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":79,"sourceTimestamp":80,"parsedAt":51,"updatedAt":81},"841","ECLI:NL:GHAMS:2026:1858","ecli-nl-ghams-2026-1858",56,"GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nafdeling civiel recht en belastingrecht, team I\n\nzaaknummer : 200.307.579\u002F01\n\nzaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : 8887672 EL 20-2\n\narrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 16 juni 2026\n\ninzake\n\nDEXIA NEDERLAND B.V.,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\nappellante in principaal hoger beroep, geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,\n\nadvocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,\n\ntegen\n\n [geïntimeerde],\n\nwonend te [plaats] ,\n\ngeïntimeerde in principaal hoger beroep, appellante in incidenteel hoger beroep,\n\nadvocaat: mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam.\n\nPartijen worden hierna Dexia en de echtgenote genoemd.\n\n1. De zaak in het kort\n\nDe afnemer is een of meer effectenleaseovereenkomsten aangegaan met Dexia. De echtgenote van de afnemer heeft deze effectenleaseovereenkomst(en) met een beroep op artikelen 1:88 en 1:89 Burgerlijk Wetboek (BW) vernietigd. In dit hoger beroep behandelt het hof onder meer de vraag of Leaseproces bevoegd was om namens de echtgenote de verjaring te stuiten van de vordering uit onverschuldigde betaling die voortvloeit uit de vernietiging.\n\n2. Het geding in hoger beroep\n\nDexia is bij dagvaarding van 30 november 2021 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 23 september 2021, onder bovengenoemd zaak- en rolnummer gewezen tussen de echtgenote als eiseres en Dexia als gedaagde.\n\nPartijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:\n\n- memorie van grieven, met producties;\n\n- memorie van antwoord tevens houdende memorie van grieven in incidenteel appel, met producties;\n\n- akte tevens houdende memorie van antwoord in incidenteel appel;\n\n- antwoordakte.\n\nPartijen hebben geconcludeerd zoals verwoord in de processtukken.\n\nTen slotte is arrest gevraagd.\n\n3. Feiten\n\nDe kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2. vastgesteld van welke feiten is uitgegaan. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil, zodat ook het hof deze feiten als vaststaand zal aannemen. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten, komen de feiten neer op het volgende.\n\n3.1.. De afnemer heeft met een rechtsvoorgangster van Dexia onderstaande effectenleaseovereenkomsten gesloten (hierna: de effectenleaseovereenkomsten). De effectenleaseovereenkomsten zijn op enig moment geëindigd, waarna Dexia de eindafrekeningen heeft opgesteld. De relevante gegevens van de effectenleaseovereenkomsten zijn als volgt:\n\nNr.\n\nContractnummer\n\nDatum\n\nNaam\n\nLooptijd\n\nEindafrekening\n\nResultaat\n\n1.\n\n [nummer 1]\n\n16-8-2000\n\nWinstVerDriedubbelaar\n\n36 mnd\n\n15-8-2003\n\n-\u002F- € 10.770,35\n\n2.\n\n [nummer 2]\n\n16-8-2000\n\nWinstVerDriedubbelaar\n\n36 mnd\n\n15-8-2003\n\n-\u002F- € 10.770,35\n\n3.\n\n [nummer 3]\n\n16-8-2000\n\nWinstVerDriedubbelaar\n\n36 mnd\n\n15-8-2003\n\n-\u002F- € 4.396,06\n\n3.2.. De echtgenote, met wie de afnemer ten tijde van het aangaan van de effectenleaseovereenkomsten was gehuwd, heeft de afnemer geen (schriftelijke) toestemming verleend voor het aangaan van de effectenleaseovereenkomsten.\n\n3.3.. Bij brief van 27 mei 2006 aan Dexia (hierna: de vernietigingsbrief) heeft de echtgenote met een beroep op artikel 1:89 BW in samenhang met artikel 1:88 BW de effectenleaseovereenkomsten vernietigd.\n\n4. Beoordeling\n\n4.1.. Bij beschikking van 25 januari 2007 (ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033) heeft dit hof op de voet van artikel 7:907 lid 1 BW een overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard voor de kring van gerechtigden als bedoeld in artikel 2 van de WCAM-overeenkomst, inhoudende een algemene regeling voor de afwikkeling van effectenleaseovereenkomsten. De afnemer en de echtgenote hebben tijdig een opt out-verklaring uitgebracht, zodat deze WCAM-overeenkomst hen niet bindt.\n\n4.2.. Het staat in hoger beroep niet ter discussie dat de onderhavige effectenleaseovereenkomsten op grond van artikel 1:89 BW zijn vernietigd.\n\n4.3.. Dexia doet een beroep op de verjaring van de rechtsvordering van de echtgenote uit onverschuldigde betaling. De echtgenote voert aan dat zij de verjaring tijdig heeft gestuit. Het hof overweegt als volgt.\n\n4.4.. De verjaringstermijn van een vordering uit onverschuldigde betaling bedraagt vijf jaar nadat de schuldeiser zowel met het bestaan van de vordering als de persoon van de ontvanger bekend is geworden (artikel 3:309 BW). De effectenleaseovereenkomsten zijn op 27 mei 2006 buitengerechtelijk vernietigd door de echtgenote en de op dat moment aanhangige, hiervoor genoemde collectieve actie heeft de verjaring van de vordering uit onverschuldigde betaling van de echtgenote gestuit tot zes maanden nadat dit hof in zijn beschikking van 25 januari 2007 de WCAM-overeenkomst verbindend heeft verklaard, dus tot en met 25 juli 2007 (HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3018 en HR 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:936).\n\n4.5.. De echtgenote betoogt dat de verjaring is gestuit door onder meer de brieven van 24 januari 2012 en 27 oktober 2016 die Leaseproces namens al haar cliënten, waaronder de afnemer, en de echtgenoten van de betreffende cliënten, waaronder de echtgenote, aan Dexia heeft gestuurd.\n\n4.6.. Ten aanzien van deze brieven heeft dit hof reeds als volgt geoordeeld (hof Amsterdam 15 oktober 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:3735, rov. 2.4):\n\n“(…)\n\nDe brief van 24 januari 2012 luidt, voor zover van belang, als volgt:\n\n“Namens de op de bijgesloten lijsten A en B vermelde personen berichten wij u dat zij hun vorderingen op Dexia onverkort handhaven en dat deze brief met bijlagen bedoeld is om de verjaring van deze vorderingen, voor zover nodig, te stuiten. Dit geldt ook voor de vorderingen van de eega’s (…) van de op deze lijst vermelde personen uit hoofde van de artikelen 1:88 en 1:89 BW.”\n\nDexia brengt daartegen in dat genoemde brieven dermate algemeen van aard zijn dat daaruit geenszins kan worden afgeleid welke specifieke vordering Leaseproces namens haar cliënten wenst te stuiten en dat [Y] niet in de bijlagen staat.\n\nVoor zover Dexia met dit betoog het oog heeft op de vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling wegens de door [Y] ingeroepen buitengerechtelijke vernietiging, overweegt het hof dat in de brief van 24 januari 2012 deze bevoegdheid uitdrukkelijk wordt vermeld. Dit geldt eveneens voor de brief van 27 oktober 2016 die op dit punt gelijkluidend is. Het bestaan van en de inhoud van deze brieven heeft Dexia niet weersproken. Anders dan Dexia nog heeft betoogd, is het hof van oordeel dat met de verwijzing in de brieven naar de eega’s van de op de bijgesloten lijsten vermelde personen, hier: [X], wel aan de eisen van artikel 3:317 BW is voldaan.”\n\nHet hof blijft bij dit oordeel. Dexia heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd die het hof aanleiding geven om hiervan terug te komen. Dit betekent dat het hof ervan uitgaat dat deze brieven ook zien op de echtgenote, nu Dexia erkent dat de afnemer staat vermeld op de lijsten die behoren bij de brieven van 24 januari 2012 en 27 oktober 2016.\n\n4.7.. Dexia betwist in hoger beroep dat Leaseproces gemachtigd was om namens de echtgenote enige verjaring te stuiten. In grief I voert Dexia in dat verband aan dat de brieven van 17 en 27 oktober 2016 op grond van artikel 3:71 BW geen rechtsgevolg hebben gehad. Op grond van dat artikel kunnen verklaringen die een gevolmachtigde heeft afgelegd, door de wederpartij als ongeldig van de hand worden gewezen, indien zij de gevolmachtigde terstond om bewijs van de volmacht heeft gevraagd en dit bewijs niet op de in artikel 3:71 BW omschreven wijze wordt geleverd. Dexia stelt dat zij in haar brief aan Leaseproces van 31 oktober 2016 de volmacht heeft betwist. Leaseproces heeft na deze brief een zeer groot aantal volmachten aan Dexia toegezonden, maar daaronder bevond zich volgens Dexia geen volmacht van de echtgenote.\n\n4.8.. Grief I slaagt niet. Niet gesteld of gebleken is dat Dexia destijds ten aanzien van de brief van 24 januari 2012 heeft betwist dat de afnemer als cliënt van Leaseproces een volmacht heeft verstrekt aan Leaseproces om namens hem de verjaring te stuiten en dat Leaseproces tevens gevolmachtigd was om dit ook namens de echtgenote te doen, zodat op die grond ervan moet worden uitgegaan dat deze brief mede namens de echtgenote is verzonden. De stuitingsbrief van 27 oktober 2016 bouwt hierop voort. Nu Dexia na ontvangst van de brief van 24 januari 2012 niet terstond om bewijs van een volmacht heeft gevraagd, kan op artikel 3:71 BW geen beroep meer worden gedaan. Niet gesteld of gebleken is dat de echtgenote op enig moment na 24 januari 2012 de volmacht heeft herroepen dan wel dat Leaseproces de volmacht heeft opgezegd. Bovendien hebben de afnemer en de echtgenote ook steeds gesteld dat deze volmacht bestond. Na de brief van 27 oktober 2016 is de dagvaarding vervolgens binnen de lopende verjaringstermijn van vijf jaar vanaf 28 oktober 2016 uitgebracht, namelijk op 28 oktober 2020 (hof Amsterdam 22 december 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:3567, rov. 2.16). Bij bespreking van de brief van 17 oktober 2016 bestaat, gezien het voorgaande, geen belang.\n\n4.9.. Of en op welke wijze Leaseproces voorafgaand aan de brief van 24 januari 2012 gevolmachtigd was en of Dexia in haar brief van 31 oktober 2016 de volmacht van de echtgenote aan Leaseproces heeft betwist, is in het licht van het bovenstaande niet meer relevant. Grief II behoeft daarom geen behandeling. Ook de grief in het incidenteel hoger beroep behoeft geen bespreking. Voor de (toewijsbaarheid van de) vordering van de echtgenote is deze grief niet van belang.\n\n4.10.. Uit het vorenstaande volgt dat namens de echtgenote de verjaring van de vordering uit onverschuldigde betaling tijdig is gestuit, zodat het verjaringsverweer van Dexia wordt verworpen. Dit betekent dat de effectenleaseovereenkomsten zijn vernietigd en dat Dexia gehouden is tot terugbetaling van al hetgeen aan haar uit hoofde van de effectenleaseovereenkomsten is betaald.\n\nSlotsom\n\n4.11.. Uit het vorenstaande volgt dat het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.\n\n4.12.. Dexia is in het principaal hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in het principaal hoger beroep. Bij de uitkomst in het incidenteel hoger beroep past dat de echtgenote wordt veroordeeld in de kosten van het incidenteel hoger beroep.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nbekrachtigt het vonnis waarvan beroep;\n\nveroordeelt Dexia in de kosten van het geding in principaal hoger beroep, tot op heden aan de zijde van de echtgenote begroot op € 772,00 aan verschotten, € 1.935,00 voor salaris en op € 189,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, het eerste bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente indien niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;\n\nveroordeelt de echtgenote in de kosten van het geding in incidenteel hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Dexia begroot op € 645,00 voor salaris;\n\nverklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. L. Alwin, W.J.J. Los en R.M. de Winter en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1858","2026-07-07T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:50.649Z",{"id":83,"ecli":84,"slug":85,"caseNumber":43,"courtId":86,"decisionDate":87,"fullText":88,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":89,"sourceTimestamp":90,"parsedAt":51,"updatedAt":91},"1602","ECLI:NL:RBDHA:2026:17233","ecli-nl-rbdha-2026-17233",58,"2026-05-26T00:00:00.000Z","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 26-1859\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F700170\n\nDatum beschikking: 26 mei 2026Voorlopige voorzieningen\n\nBeschikking op het op 23 februari 2026 ingekomen verzoek van:\n\n [de vrouw],\n\nde vrouw,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. A. El Aqde te Amsterdam.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de man],\n\nde man,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. A.G. de Jong te ‘s-Gravenhage.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet F9-formulier van 7 mei 2026, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;\n\nhet verweerschrift, tevens verzoekschrift.\n\nOp 12 mei 2026 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, de man, bijgestaan door zijn advocaat, alsmede [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.\n\nVerzoek en verweer\n\nHet verzoek van de vrouw strekt ertoe dat:\n\n- de vrouw gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [plaats], [adres], met inbegrip van de inboedel, met het bevel dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;\n\n- het minderjarige kind van partijen, [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats], aan de vrouw wordt toevertrouwd;\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe man heeft verweer gevoerd tegen de verzoeken van de vrouw, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nTevens heeft de man zelfstandig verzocht:\n\n- primair: te bepalen dat de man met ingang van de datum van de beschikking gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [plaats], [adres];\n\n- subsidiair: te bepalen dat de vrouw gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [plaats], [adres] gedurende de tijd dat [minderjarige] volgens de voorlopige zorgregeling bij de vrouw is en te bepalen dat de man gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [plaats], [adres] gedurende de tijd dat [minderjarige] volgens de voorlopige zorgregeling bij de man is;\n\n- het minderjarige kind van partijen [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats], aan de man toe te vertrouwen;\n\n- en een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van het minderjarige kind van partijen vast te stellen, in die zin dat [minderjarige] afwisselend twee om drie dagen bij elk van de ouders verblijft, met dien verstande dat:\n\n- in de even weken [minderjarige] op maandag, dinsdag, vrijdag zaterdag en zondag bij de man verblijft en op woensdag en donderdag bij de vrouw;\n\n- in de oneven weken [minderjarige] op maandag, dinsdag, vrijdag, zaterdag en zondag bij de vrouw verblijft en op woensdag en donderdag bij de man;\n\n en daarbij te bepalen dat de vrouw een dwangsom van € 250,-- met een maximum van € 25.000,-- verbeurt per dag dat zij haar medewerking niet verleent aan de voorlopige zorgregeling;\n\n en te bepalen dat de feestdagen afwisselend in onderling overleg bij helfte worden gedeeld;\n\neen en ander met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe vrouw heeft verweer gevoerd tegen de verzoeken van de man, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nBeoordelingToevertrouwing minderjarige, uitsluitend gebruik echtelijke woning en zorgregeling\n\nStandpunten van partijen\n\nDe vrouw stelt dat het in het belang is van [minderjarige] dat zij bij uitsluiting gebruik mag maken van de echtelijke woning, dat [minderjarige] aan haar wordt toevertrouwd en dat de contacten tussen de man en [minderjarige] onder professionele begeleiding worden opgestart. De vrouw voert daartoe aan dat zij vermoedt dat de man kampt met psychiatrische problematiek, dat er een patroon is van intieme terreur en verbaal en fysiek geweld, waarvan [minderjarige] getuige is geweest. Professionele omgangsbegeleiding is gelet op deze voorgeschiedenis noodzakelijk om de veiligheid van [minderjarige] en de vrouw te waarborgen. Het is ook in het belang van [minderjarige] dat hij – samen met de vrouw, die altijd zijn hoofdverzorger is geweest – in zijn vertrouwde omgeving kan wonen, zodat het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de vrouw toegekend zou moeten worden. De vrouw verblijft nu met [minderjarige] bij haar moeder, maar dat is voor zowel de vrouw als [minderjarige] onwenselijk.\n\nDe man heeft betwist dat de vrouw altijd de hoofdverzorger van [minderjarige] is geweest en gesteld dat er sprake is geweest van gedeelde zorg. De man wenst dat [minderjarige] aan hem wordt toevertrouwd, nu hij [minderjarige] sinds het vertrek van de vrouw uit de echtelijke woning niet meer heeft gezien en de vrouw hiermee heeft laten zien dat zij niet in het belang van [minderjarige] handelt. De man heeft geen beschikking over andere woonruimte waar hij voor [minderjarige] kan zorgen en daarom wil hij dat het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan hem wordt toegekend. Subsidiair verzoekt de man de rechtbank om een birdnestingregeling vast te stellen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n [minderjarige] is getuige is geweest van hoogoplopende ruzies tussen partijen. Dat is onwenselijk, maar de rechtbank ziet daarin geen aanleiding om te oordelen dat het contact tussen de man en [minderjarige] alleen onder begeleiding zou kunnen worden opgestart. Dat de veiligheid van [minderjarige] in het geding zou zijn als hij bij de man verblijft – doordat sprake is van psychiatrische problematiek bij de man en\u002Fof omdat sprake is van een patroon van geweld of intieme terreur – is door de vrouw niet onderbouwd en ook niet anderszins aannemelijk geworden. Dat betekent dat de rechtbank een onbegeleide zorgregeling zal vaststellen. De rechtbank vindt voor de voorlopig vast te stellen zorgregeling een opbouwregeling als na te melden nodig, omdat [minderjarige] pas 2 jaar is en hij de man na enkele hoogopgelopen ruzies 3 maanden niet heeft gezien. De rechtbank zal het verzoek om te bepalen dat de feestdagen in onderling overleg bij helfte worden verdeeld afwijzen, nu de vast te stellen voorlopige zorgregeling er uiteindelijk op neerkomt dat de ouders [minderjarige] de helft van de tijd bij zich hebben en daarmee ook ongeveer de helft van de feestdagen.\n\nHet voorgaande houdt in dat de over en weer gedane verzoeken met betrekking tot de toevertrouwing van [minderjarige] zullen worden afgewezen.\n\nMet betrekking tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning overweegt de rechtbank als volgt. Beide partijen hebben geen goed alternatief voor woonruimte. De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] dat hij afwisselend door beide ouders verzorgd wordt. De rechtbank zal daarom vaststellen dat sprake zal zijn van birdnesting, waarbij [minderjarige] in zijn vertrouwde omgeving kan verblijven en de ouders om en om met hem in de echtelijke woning verblijven. De rechtbank realiseert zich dat birdnesting geen ideale situatie is voor beide partijen, maar op dit moment is dit wel de situatie die het meest in het belang is van [minderjarige].\n\nHet verzoek om te bepalen dat dit uitsluitend gebruik ‘met inbegrip van de inboedel’ is, zal de rechtbank bij gebrek aan belang afwijzen. Bij toewijzing van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan een partij is die partij ook uitsluitend gerechtigd tot de tot die woning behorende inboedelgoederen.\n\nOp de zitting is nog gesproken over de overdracht. Nu er sprake zal zijn van birdnesting kan [minderjarige] in de echtelijke woning blijven en kunnen de ouders elkaar aflossen in de echtelijke woning. De rechtbank gaat ervan uit dat de ouders zich ervoor zullen inspannen om de overdrachten, in het belang van [minderjarige], rustig te laten verlopen en elkaar in het bijzijn van [minderjarige] geen verwijten te maken. Het ligt daarbij op de weg van de ouder die de woning moet verlaten om ervoor te zorgen dat alle benodigde spullen klaar staan op het moment van de wissel, zodat partijen niet langdurig gezamenlijk in de echtelijke woning hoeven te verblijven.\n\nDwangsom\n\nDe rechtbank zal het verzoek van de man tot het opleggen van een dwangsom afwijzen. De vrouw heeft zich ter zitting weliswaar verzet tegen onbegeleid contact tussen [minderjarige] en de man, maar zij heeft tevens verklaard dat zij inziet dat het in het belang is van [minderjarige] om contact te hebben met zijn vader. De rechtbank verwacht dat de vrouw uitvoering zal geven aan de voorlopige zorgregeling, omdat zij inziet dat contact in het belang van [minderjarige] is. De rechtbank vindt het opleggen van een dwangsom in dit stadium daarom prematuur.\n\nUniform hulpaanbod\n\nOp de zitting hebben beide ouders de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject ouderschapsbemiddeling. De vrouw zou graag zien dat ook het traject ook ziet op omgangsbegeleiding, maar de rechtbank ziet daartoe, zoals hiervoor is overwogen, geen aanleiding. De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan het traject ouderschapsbemiddeling, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemd traject en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal (een kennisgeving van) deze beschikking per post zenden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding.\n\nDe rechtbank verzoekt de ouders om in de scheidingsprocedure bekend onder kenmerk C\u002F09\u002F700178 en FA RK 26-1863 de rechtbank tijdig te informeren over het verloop van het ouderschapsbemiddelingstraject. Van de uitvoerende hulpverleningsinstantie verwacht de rechtbank dat zij de eindrapportage over het verloop van het traject indient op de hierna vermelde wijze. De hulpverleningsinstantie kan de rechtbank tussentijds informeren als daartoe aanleiding is.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n*\n\nstelt de voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats], als volgt vast:\n\nde eerste twee weken na heden: [minderjarige] verblijft iedere woensdag en zondag van 10.00 uur tot 15.00 uur bij de man en de rest van de tijd bij de vrouw;\n\nde daarop volgende twee weken: [minderjarige] verblijft iedere woensdag en zondag van 9.00 uur tot 18.00 uur bij de man en de rest van de tijd bij de vrouw;\n\nde daarop volgende twee weken: [minderjarige] verblijft iedere woensdag van 9.00 uur tot donderdag 18.00 uur en zondag van 9.00 uur tot maandag 18.00 uur bij de man en de rest van de tijd bij de vrouw;\n\ndaarna: [minderjarige] verblijft afwisselend twee om drie dagen bij elk van de ouders, met dien verstande dat:\n\n- [minderjarige] in de even weken op maandag, dinsdag, vrijdag zaterdag en zondag bij de man verblijft en op woensdag en donderdag bij de vrouw;\n\n- [minderjarige] in de oneven weken op maandag, dinsdag, vrijdag, zaterdag en zondag bij de vrouw verblijft en op woensdag en donderdag bij de man;\n\n*\n\nbepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [plaats], [adres] gedurende de tijd dat [minderjarige] volgens de voorlopige zorgregeling bij de vrouw is en beveelt mitsdien dat de man gedurende die tijd die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;\n\nbepaalt dat de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [plaats], [adres] gedurende de tijd dat [minderjarige] volgens de voorlopige zorgregeling bij de man is en beveelt mitsdien dat de vrouw gedurende die tijd die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;\n\n*\n\nstelt vast dat de ouders, te weten:\n\n [de man],\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nen\n\n [de vrouw],\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres;\n\nbij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;\n\nbeveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar:\n\nKenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;\n\nbepaalt dat de ouders de rechtbank in de scheidingsprocedure met kenmerk C\u002F09\u002F700178 en FA RK 26-1863 informeren over het verloop van voornoemd traject;\n\nbepaalt dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank in de scheidingsprocedure met kenmerk C\u002F09\u002F700178 en FA RK 26-1863 (tussentijds) rapporteert over het verloop van voornoemd traject, met kopie aan beide ouders;\n\n*\n\nverklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n*\n\nwijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. R.S. Matthijssen, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door P. Lahman als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 mei 2026.\n\nDe griffier is buiten staat om deze beschikking mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17233","2026-06-26T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:29.133Z",{"id":93,"ecli":94,"slug":95,"caseNumber":43,"courtId":96,"decisionDate":97,"fullText":98,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":99,"sourceTimestamp":100,"parsedAt":51,"updatedAt":101},"592","ECLI:NL:RBZWB:2026:5446","ecli-nl-rbzwb-2026-5446",64,"2026-05-21T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nBreda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F434734 FA RK 25-2152 (echtscheiding) en C\u002F02\u002F440296 FA RK 25-5006 (verdeling)\n\ndatum uitspraak: 21 mei 2026\n\nbeschikking betreffende echtscheiding met nevenvoorzieningen\n\nin de zaak van\n\n [de vrouw],\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\nhierna te noemen de vrouw,\n\nadvocaat mr. J.B. de Bree,\n\nen\n\n [de man],\n\nwonende te [woonplaats 2] ,\n\nhierna te noemen de man,\n\nadvocaat mr. M.M.H.B. Stoffels.\n\n1 Het procesverloop\n\n1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:\n\n- het op 25 april 2025 ontvangen verzoekschrift, met bijlagen;\n\n- het op 1 augustus 2025 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek, met bijlagen;\n\n- het op 1 september 2025 ontvangen verweerschrift op zelfstandig verzoek, met bijlagen;\n\n- de brief van mr. De Bree van 3 april 2026, tevens houdende wijziging van het verzoek, met bijlagen.\n\n- de brief van mr. Stoffels van 7 april 2026, tevens houdende wijziging verzoek, met bijlagen.\n\n1.2 De behandeling van de zaak stond gepland op de zitting van 16 april 2026. Vanwege de onaangekondigde afwezigheid van de advocaat van de man is de zaak op die zitting niet inhoudelijk behandeld en is besloten om de behandeling aan te houden tot een nadere zitting. Deze zitting is bepaald op 7 mei 2026. Op die zitting is de zaak inhoudelijk behandeld. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat.\n\n1.3 Na te noemen minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn gelet op hun leeftijd in staat gesteld hun mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek.Zij hebben van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en hebben een kindgesprek gehad met de kinderrechter op 14 april 2026.2. De feiten\n\n2.1. Op grond van de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:\n\n- zij zijn op 20 juni 2007 in de gemeente Moerdijk met elkaar gehuwd in wettelijke algehele gemeenschap van goederen;\n\n- uit hun huwelijk is het volgende, nu jong-meerderjarige kind geboren:\n\n1. [meerderjarige] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2008;\n\n- uit hun huwelijk zijn verder de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren:\n\n2. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2009;\n\n3. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 3] 2010;\n\n- zij hebben de Nederlandse nationaliteit.\n\n3. De verzoeken\n\n3.1. \n\nDe vrouw verzoekt:\n\nI. echtscheiding;\n\nII. te bepalen dat [minderjarige 1] en, naar de rechtbank begrijpt, [minderjarige 2] hun hoofdverblijf hebben bij de man;\n\nIII. te bepalen dat het contact tussen de vrouw en [minderjarige 1] hersteld dient te worden en dat partijen hiervoor worden verwezen naar een hulpverleningstraject in het kader van het Uniform Hulp Aanbod (UHA);\n\nIII. vaststelling van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) waarbij [minderjarige 2] om de week van donderdagmiddag tot zondagavond na het avondeten bij de vrouw verblijft;\n\nIV. vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van [minderjarige 2] van € 285,= per maand met ingang van 1 juli 2025, dan wel de datum van indiening van het aanvullende verzoek tot en met 31 december 2025;\n\nV. vaststelling van een door haar aan de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van [minderjarige 1] van € 17,= per maand met ingang van 1 juli 2025, dan wel de datum van indiening van het aanvullende verzoek;\n\nVI. te bepalen dat beide partijen recht hebben op de helft van de verkoopopbrengst, na aflossing van de hypothecaire schuld en de betaling van de kosten van verkoop;\n\nVIII. te bepalen dat de vrouw aan de man dient te voldoen een bedrag van € 35,= in verband met de verkoop van de caravan.\n\n3.2. \n\nDe man verzoekt:\n\nI. echtscheiding;\n\nII. bepaling dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hun hoofdverblijf hebben bij de man;\n\nIII. vaststelling van een zorgregeling voor [minderjarige 2] ;\n\nIV. bepaling dat geen zorgregeling wordt opgestart tussen de vrouw en [minderjarige 1] ;\n\nV. vaststelling van een door de vrouw aan de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 25,= per maand per kind met ingang van 1 januari 2026, dan wel met ingang van zodanige datum en zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;\n\nVI. de verdeling van de gemeenschap te gelasten met inachtneming van hetgeen de man in de brief van 7 april 2026 heeft opgemerkt over verdeling van gemeenschappelijke tegoeden en schulden;\n\nVII. te bepalen dat de vrouw de helft van de waarde van de caravan aan de man zal voldoen.\n\n3.3. Ter zitting heeft de man zijn in de brief van 7 april 2026 gedane verzoek te bepalen dat de vrouw zo spoedig mogelijk haar medewerking verleent aan het transport van de echtelijke woning op naam van een derde, met een daaraan verbonden dwangsom, ingetrokken.\n\n4. De beoordeling\n\nEchtscheiding\n\nOntvankelijkheid4.1. Uit artikel 815 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) volgt dat een verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan moet bevatten dat beide partijen hebben ondertekend. Geen van beide partijen heeft een ouderschapsplan ingediend. Dit kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van partijen in hun echtscheidingsverzoeken.4.2. De rechtbank is van oordeel dat partijen ontvankelijk zijn in hun verzoeken tot echtscheiding, ook al ontbreekt een ouderschapsplan. De verhouding tussen hen is zodanig verstoord dat zij er lange tijd niet in zijn geslaagd om in gezamenlijkheid afspraken te maken over de kinderen. Gebleken is dat partijen het inmiddels op hoofdlijnen eens zijn over het hoofdverblijf van de kinderen, de zorgregeling en de kinderalimentatie.\n\nInhoudelijke beoordeling4.3. Tussen partijen staat vast dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht. De rechtbank zal het verzoek tot echtscheiding daarom als op de wet gegrond en onweersproken toewijzen.\n\nHoofdverblijf\n\n4.4. Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken, is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat het hoofdverblijf van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] bij de man moet worden bepaald. De rechtbank acht dit ook in het belang van de kinderen. Dit stemt tevens overeen met de wens van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , zoals is gebleken in het gesprek met de kinderrechter. De rechtbank zal de verzoeken van partijen die zien op het hoofdverblijf van de kinderen daarom toewijzen.\n\nZorgregeling\n\n [minderjarige 1]4.5. De vrouw legt aan haar verzoek gericht op contactherstel tussen haar en [minderjarige 1] door middel van inzet van hulverlening, het volgende ten grondslag. Het contact tussen haar en [minderjarige 1] is inmiddels al geruime tijd verbroken. De man heeft geen stimulerende rol in het contactherstel en het lukt partijen dus niet, zonder hulpverlening, om het contact tussen de vrouw en [minderjarige 1] te herstellen. Ter zitting heeft de vrouw aangegeven dat inmiddels een jaar is verstreken sinds indiening van dit verzoek. Zij begrijpt dat [minderjarige 1] niet gedwongen kan worden om een hulpverleningstraject aan te gaan om het contact te herstellen. De vrouw mist [minderjarige 1] ontzettend en zou het heel fijn vinden als er in ieder geval nog een gesprek tussen hen plaats kan vinden, zodat zowel de vrouw als [minderjarige 1] nog een keer hun verhaal kan doen bij de ander. De vrouw heeft benadrukt dat haar deur altijd openstaat voor [minderjarige 1] .\n\n4.6. De man stelt zich op het standpunt dat het verzoek van de vrouw moet worden afgewezen en verzoekt te bepalen dat geen zorgregeling wordt opgestart tussen de vrouw en [minderjarige 1] . Ter zitting heeft hij toegelicht dat [minderjarige 1] écht geen contact wil met de vrouw. Hij heeft hierover met [minderjarige 1] gesproken, maar kan haar niet op andere gedachten brengen. [minderjarige 1] heeft een opvatting over haar moeder waardoor zij geen contact met haar wil, en de man kan die opvatting ook begrijpen.\n\n4.7. \n\nDe rechtbank is zowel uit de toelichting van partijen ter zitting als het gesprek met [minderjarige 1] gebleken dat zij geen contact wil met haar moeder. Zij is heel resoluut in haar beslissing om het contact met haar moeder te verbreken, maar ook in haar weigering om nog een keer in gesprek te gaan met haar moeder en eventuele hulpverlening te aanvaarden die haar verder kan helpen in hoe zij om moet gaan met dit contactverlies. De ernstige bezwaren van [minderjarige 1] tegen contact met de vrouw zijn een contra-indicatie voor het opleggen van contact. De rechtbank vreest ook dat verwijzing naar een hulpverleningstraject, tegen de wens van [minderjarige 1] in, de weerstand van [minderjarige 1] alleen maar zal vergroten. Het verzoek van de vrouw zal daarom worden afgewezen. De rechtbank heeft wel grote zorgen over de wijze waarop door zowel [minderjarige 1] , als in het gehele familiesysteem waarvan [minderjarige 1] deel uitmaakt, wordt omgegaan met conflicten. Conflicten resulteren in resolute afwijzing en verwijdering van de ander, getuige ook het ontbreken van iedere vorm van contact tussen oudste dochter [meerderjarige] en haar moeder en inmiddels, na een conflict wegens het wegdoen van de honden, ook haar vader. Ook is de rechtbank van oordeel dat alle kinderen van partijen zwaar belast zijn door en als gevolg van de echtscheidingsstrijd die tussen hun ouders woedt. Daar komt voor [minderjarige 1] bij dat het noodgedwongen moeten verlaten van de voor haar vertrouwende (woon- en sociale) omgeving, haar bijzonder zwaar valt.\n\nOp beide ouders rust de inspanningsverplichting om die strijd bij de kinderen weg te houden en om de (belangen van de) kinderen niet uit het oog te verliezen.\n\nDe rechtbank acht het zinvol dat [minderjarige 1] en haar moeder in ieder geval nog eenmaal met elkaar in gesprek gaan, zodat zowel [minderjarige 1] als haar moeder aan elkaar hun verhaal kunnen doen en het verhaal van de ander aan kunnen horen, zonder dat het doel van dat gesprek is tot een blijvend contactherstel te komen. Zo’n gesprek zou hen beiden verder kunnen helpen in de verwerking van de gebeurtenissen rondom de echtscheiding van partijen en het contactverlies tussen hen. Bij dat gesprek kan [minderjarige 1] eventueel worden bijgestaan door een vertrouwd persoon voor haar die zij als steunend ervaart. Omdat de rechtbank het niet in het belang van [minderjarige 1] vindt om bij de huidige stand van zaken druk op haar uit te oefenen, laat zij het bij deze suggestie die zij in de brief aan [minderjarige 1] zal herhalen. De rechtbank ziet evenmin grond voor toewijzing van het verzoek van de man. Er wordt aangaande [minderjarige 1] geen zorgregeling bepaald, en daaruit vloeit reeds voort dat uitsluitend de man, bij wie [minderjarige 1] haar hoofdverblijf heeft, belast is met de volledige verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en dat de vrouw daarin geen aandeel heeft.\n\n [minderjarige 2]4.8. Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken, is gebleken dat partijen het eens zijn over de zorgregeling die moet gelden voor [minderjarige 2] , inhoudende dat [minderjarige 2] om de week van donderdagmiddag tot zondagavond na het avondeten bij de vrouw verblijft. De rechtbank acht deze regeling in het belang van [minderjarige 2] en zal daarom de verzoeken van partijen tot vaststelling van een zorgregeling voor [minderjarige 2] op die wijze als onweersproken en op de wet gegrond toewijzen. De man heeft ter zitting aangegeven dat gelet op de aankomende verhuizing naar [plaats] hij ervoor zorg zal dragen dat [minderjarige 2] naar de vrouw wordt gebracht en dat hij hem dus zal ondersteunen in de overbrugging van de afstand naar de woonplaats van de vrouw, zodat deze verhuizing een goed verloop van de zorgregeling niet in de weg staat. In het gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige 2] verder aangegeven in deze zorgregeling flexibiliteit te wensen. In de praktijk ziet de rechtbank dat partijen [minderjarige 2] die flexibiliteit gunnen en bieden en de rechtbank gaat ervan uit dat zij hem die ruimte blijven geven. Dit is namelijk van belang voor het slagen van de zorgregeling, mede gelet op de ingewikkelde positie waarin [minderjarige 2] zich bevindt. [minderjarige 2] “draagt” de echtscheiding van zijn ouders en ziet zichzelf als het laatste lijntje tussen zijn ouders in een verbroken gezinssysteem. Hij worstelt zichtbaar met die last, en naar het oordeel van de rechtbank kan hij zich niet vrij, onbelast en onbevangen bewegen tussen beide ouders. [minderjarige 2] heeft in het gesprek met de kinderrechter duidelijke signalen afgegeven dat hij lijdt onder de spanningen van buitenaf en de spanningen die hij ongetwijfeld ook intern voelt. De zorgregeling vraagt in de huidige dynamiek tussen zijn ouders veel van hem en de sterke afwijzing van zijn moeder door de man en zijn zus belast het contact met zijn moeder. De rechtbank maakt zich ernstige zorgen over het loyaliteitsconflict waarin [minderjarige 2] door toedoen van zijn ouders terecht is gekomen. Dit is potentieel heel erg schadelijk voor zijn ontwikkeling. Partijen moeten begrijpen dat [minderjarige 2] , hierin zoveel mogelijk steun van hen beiden dient te krijgen. Dat vraagt iets van beide ouders. Zij hebben beiden op grond van de wet (artikel 1:247 lid 2 en 3 van het Burgerlijk Wetboek BW)) de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van [minderjarige 2] , alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. Ook hebben zij de verplichting om de ontwikkeling van de banden van [minderjarige 2] met de andere ouder te bevorderen. Dit houdt onder meer in dat zij ervoor moeten zorgen dat [minderjarige 2] niet langer onderdeel is van de strijd tussen hen. Het is de rechtbank duidelijk geworden dat [minderjarige 2] op de hoogte is van alle informatie over de echtscheiding en de strijd tussen ouders. Het geestelijk welzijn van [minderjarige 2] is niet gediend met het delen van deze informatie en de rechtbank doet een dringend beroep op beide ouders om daar onmiddellijk mee te stoppen. De nieuwsgierigheid van [minderjarige 2] en zijn leeftijd vormen geen rechtvaardiging voor het ongeclausuleerd delen van informatie en opvattingen over de andere ouder en de echtscheiding. Ook moet [minderjarige 2] ondersteund en positief gestimuleerd worden in het contact met de andere ouder.\n\nKinderalimentatie\n\n4.9. Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken, is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat in de periode dat [minderjarige 2] nog ingeschreven stond bij de vrouw, namelijk tot begin januari 2026, zij gerechtigd was tot een onderhoudsbijdrage van de man ten behoeve van [minderjarige 2] van € 285,= per maand. De rechtbank ziet in hetgeen de man ter zitting heeft aangevoerd, namelijk dat de vrouw gedurende die periode alle toeslagen voor [minderjarige 2] kreeg en tijdens het huwelijk veel informatie over geldzaken heeft achtergehouden, geen reden waarom dat bedrag niet betaald moet worden. Niet is gesteld of gebleken dat dit bedrag niet in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw onder VI. toewijzen.\n\n4.10. Gebleken is verder dat [minderjarige 1] al in de loop van 2025 bij haar vader is gaan verblijven en dat [minderjarige 2] vanaf begin januari 2026 bij de man verblijft en daar vanaf dat moment staat ingeschreven. Tussen partijen staat vast dat de vrouw een minimale draagkracht heeft ter hoogte van € 50,= per maand en dat zij die volledig moet aanwenden voor de onderhoudsbijdrage ten behoeve van de kinderen. Tussen hen is in geschil over hoeveel kinderen die draagkracht moet worden verdeeld. Volgens de man enkel over de twee minderjarige kinderen van partijen, zodat de vrouw € 25,= per maand per kind dient te voldoen. Volgens de vrouw moet deze draagkracht worden verdeeld over alle drie de kinderen van partijen. De vrouw is immers ook nog onderhoudsplichtig voor [meerderjarige] . De bijdrage komt dan uit op € 17,= per maand per kind voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n4.11. De rechtbank overweegt dat hoewel [meerderjarige] op dit moment van beide ouders geen onderhoudsbijdrage ontvangt, partijen beiden wel onderhoudsplichtig zijn voor haar tot zij de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt. Gelet op die onderhoudsverplichting en de mogelijkheid die [meerderjarige] heeft om aanspraak te maken op een bijdrage van ouders (eventueel met terugwerkende kracht), ziet de rechtbank aanleiding de draagkracht van de vrouw te verdelen over drie kinderen. Dat betekent dat zij voor [minderjarige 1] met ingang van 1 juli 2025 en voor [minderjarige 2] met ingang van 1 januari 2026 aan de man een onderhoudsbijdrage van € 17,= per maand per kind dient te voldoen. De verzoeken van partijen worden overeenkomstig het voorgaande toegewezen. Het meer of anders verzochte wordt afgewezen.\n\nBrieven aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2]\n\n4.12. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben aangegeven dat zij per brief van de kinderrechter geïnformeerd willen worden over de op de verzoeken die zien op hun hoofdverblijf, de zorgregeling en de kinderalimentatie. De kinderrechter vindt het ook belangrijk dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zelf te horen krijgen wat er in deze procedure wordt beslist, zij het uitsluitend over de onderwerpen die hen betreffen, maar ook dat de ouders weten wat de kinderrechter hierover aan de kinderen terugkoppelt. Hierna volgt daarom de tekst van de brief gericht aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Deze tekst zal worden overgenomen in een brief van de griffier namens de (kinder)rechter, die naar hen wordt gestuurd.\n\n“Beste [minderjarige 1] ,\n\nOp 14 april heb jij een gesprek gehad met de (kinder)rechter. Op 7 mei zijn jouw ouders, met hun advocaten, naar de rechtbank gekomen. Daar zijn de verzoeken die over jou zijn gedaan, besproken. De rechter heeft naar iedereen geluisterd en ook jouw mening meegenomen in de beslissing.\n\nDe rechter heeft beslist dat jouw hoofdverblijf definitief bij jouw vader wordt bepaald. Dat betekent dat je bij je vader woont en op zijn woonadres blijft of wordt ingeschreven. Je vader is ook degene die jou verzorgt en opvoedt, want de rechter heeft verder besloten dat er geen regeling voor contact met jouw moeder wordt bepaald. De rechter verwijst jullie evenmin door naar een hulpverleningstraject om weer contact op te starten. Jij hebt de leeftijd waarop jij daarin zelf een afweging en keuze kan maken, en jouw keuze weegt zwaar mee in de beslissing van de rechter. De rechter gaat ervan uit dat jij de gevolgen van jouw keuze om het contact met je moeder te verbreken, begrijpt en overziet. De rechter maakt zich wel zorgen over de manier waarop jij resoluut het contact met jouw moeder hebt verbroken. De rechter meent dat het voor de verwerking van hetgeen gebeurd is, goed is om in ieder geval eenmalig het gesprek met jouw moeder aan te gaan, zonder de bedoeling of de verwachting dat het contact daarna herstelt. In dat gesprek kan jij je verhaal doen tegen jouw moeder en heeft zij ook de mogelijkheid om aan jou haar verhaal te vertellen. Jouw moeder heeft aangegeven dat zij daartoe bereid is en dat haar deur voor jou altijd open staat. Je moeder is ermee akkoord dat bij zo’n gesprek eventueel iemand aanwezig zijn die jij vertrouwt en die jou kan ondersteunen. Het is aan jou of je zo’n gesprek nu of op een later moment nog wil voeren en het is ook aan jou om dat aan je moeder duidelijk te maken als je dat gesprek wil aangaan.\n\nDe rechter heeft verder, rekening houdend met de financiële omstandigheden van allebei jouw ouders, beslist dat jouw moeder met ingang van 1 juli 2025 een bijdrage voor jouw kosten aan jouw vader moet betalen van € 17,= per maand.\n\nDe rechter wil jou bedanken voor het delen van jouw mening in het gesprek en wenst jou alle goeds voor de toekomst toe.”\n\n“Beste [minderjarige 2] ,\n\nOp 14 april heb jij een gesprek gehad met de (kinder)rechter over de verzoeken die over jou zijn gedaan. Op 7 mei zijn jouw ouders, met hun advocaten, naar de rechtbank gekomen. Daar zijn de verzoeken die over jou zijn gedaan besproken. De rechter heeft naar iedereen geluisterd en ook jouw mening meegenomen in de beslissing.\n\nDe rechter heeft beslist dat jouw hoofdverblijf definitief bij jouw vader wordt bepaald. Dat betekent dat je op zijn woonadres wordt of blijft ingeschreven en dat je vader jou voor het grootste deel verzorgt en opvoedt. Verder heeft de rechter beslist dat jij om de week van donderdagmiddag tot zondagavond na het eten bij jouw moeder bent. Jouw moeder heeft op de zitting aangegeven dat zij het contact met jou heel belangrijk vindt en dat zij het heel fijn vindt als jij bij haar bent. Hoewel zij jou soms moet missen, begrijpt zij het dat jij flexibiliteit en een bepaalde vrijheid in de contactregeling belangrijk vindt, en zij zal daar ook rekening mee houden. Jouw vader heeft op de zitting verder aangegeven dat hij begrijpt dat de verhuizing naar [plaats] lastig is voor jou. Hij zal jou ondersteunen in het overbruggen van de reisafstand van jullie nieuwe woonplek in [plaats] naar jouw moeder in [woonplaats 1] . De rechter vindt het belangrijk dat je zowel bij je vader als je moeder verblijft en dat zij ervoor zorgen dat je geen last meer hebt van hun onderlinge strijd.\n\nDe rechter heeft verder, rekening houdend met de financiële omstandigheden van allebei jouw ouders, beslist dat jouw moeder met ingang van 1 januari 2026 een bijdrage aan jouw vader voor jouw kosten moet betalen van € 17,= per maand.\n\nDe rechter wil jou bedanken voor het delen van jouw mening in het gesprek en wenst jou alle goeds voor de toekomst toe.”\n\nVerdeling van de gemeenschappelijke goederen\n\n4.13. Partijen zijn gehuwd in wettelijke algehele gemeenschap van goederen. Bij de verdeling van deze gemeenschap moet als uitgangspunt worden aangenomen dat partijen in gelijke mate delen in de goederen van de gemeenschap, terwijl ieder de schulden van de gemeenschap voor de helft moet dragen.\n\nPeildatum4.14. De gemeenschap van goederen is op grond van artikel 1:99 lid 1 aanhef en sub b BW ontbonden op de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend bij de rechtbank, te weten 25 april 2025. Die datum is ook bepalend voor de omvang en samenstelling van de gemeenschap.\n\n4.15. De peildatum voor de waardering van de bestanddelen van de gemeenschap is in beginsel de datum waarop de verdeling plaatsvindt, tenzij partijen anders overeenkomen of op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aangehouden. Van deze peildata zal ook in het onderstaande worden uitgegaan, tenzij daarvan ambtshalve of op verzoek van partijen uitdrukkelijk wordt afgeweken.\n\nSamenstelling gemeenschap van de gemeenschap4.16. De bestanddelen van de gemeenschap waarvan de verdeling nog in geschil is tijdens deze procedure zijn:\n\na. de woning, gelegen aan [adres] , te [woonplaats 2] (hierna: de woning);\n\nb. de schuld uit hoofde van de aan de woning verbonden hypothecaire geldlening;\n\nc. het saldo van de beleggingsrekening bij Nationale Nederlanden;\n\nd. een caravan en schuld wegens stallingskosten;\n\ne. een schuld aan de Interbank uit hoofde van een doorlopend krediet\n\nAd. A., b., c. en e. de woning en de schuld uit hoofde van de hypothecaire geldlening, het saldo van de beleggingsrekening bij Nationale Nederlanden en de schuld uit hoofde van een doorlopend krediet bij de Interbank\n\n4.17. Ter zitting is gebleken dat de woning is verkocht aan (een) derde(n). Op 12 juni 2026 zal de woning notarieel geleverd worden aan de kopende partij. Partijen zijn het erover eens dat van de verkoopopbrengst van de woning worden voldaan: de op de datum van overdracht resterende hypothecaire schuld en schuld uit hoofde van het doorlopend krediet bij de Interbank. Partijen zijn ieder gerechtigd tot de helft van de resterende overwaarde, te vermeerderen met de netto afkoopwaarde van de aan de hypothecaire geldlening gekoppelde beleggingsrekening. Verder zijn partijen het erover eens dat de vrouw de volgende bedragen aan de man dient te vergoeden:\n\nin verband met eerder door de man voor zijn rekening genomen kosten gemoeid met verkoop van de woning (presentatiekosten die gemaakt zijn door makelaar Wino) een bedrag van € 350,=;\n\neen bedrag van € 137,50, zijnde de helft van de door de man gemaakte kosten die gemoeid waren met de aanvraag van een energielabel door de man;\n\n een bedrag van (5 maal € 141,60 =) € 708,=, zijnde haar aandeel in de maandelijkse aflossingen op de schuld uit hoofde van het doorlopend krediet bij de Interbank, die de man voor zijn rekening heeft genomen, terwijl partijen daarvoor ieder voor de helft draagplichtig waren.\n\n4.18. Aangezien partijen tot overeenstemming zijn gekomen over de verdeling van voormelde bestanddelen a., b., c. en e., is op grond van artikel 3:185 lid 1 BW voor de rechtbank geen taak meer weggelegd om de (wijze van) verdeling vast te stellen. De verzoeken die daartoe zien worden, voor zover die zien op deze bestanddelen, afgewezen. Dit laat onverlet dat partijen gehouden zijn om uitvoering te geven aan de door hen afgesproken wijze van verdeling van die bestanddelen.\n\nAd. d. een caravan en schuld wegens stallingskosten\n\n4.19. De vrouw stelt dat partijen het erover eens waren dat de caravan moest worden verkocht. Zij heeft vervolgens, korte tijd na de peildatum, de caravan verkocht voor een bedrag van € 1.750,=. De vrouw heeft met de verkoopopbrengst de achterstallige stallingskosten over drie jaar, zijnde in totaal een bedrag van € 1.680,= voldaan. Van de verkoopopbrengst is dus € 70,= over, zodat de man recht heeft op een bedrag van € 35,=.\n\n4.20. De man voert aan dat de vrouw zonder medeweten van de man de caravan van stalling heeft gehaald en verkocht. Ter zitting heeft de man aangegeven dat hij het niet eens is met de prijs waarvoor de vrouw de caravan heeft verkocht. Volgens hem hadden partijen er € 2.500,= voor kunnen krijgen en de man vraagt de rechtbank om van dat bedrag uit te gaan bij verdeling van de caravan. Hij erkent verder dat er een achterstand was in de betaling van de stallingskosten.\n\n4.21. De rechtbank overweegt als volgt. Door de vrouw is onweersproken aangevoerd dat de caravan van partijen na de peildatum is verkocht voor een bedrag van € 1.750,=. Of partijen overeenstemming hadden over het verkopen van de caravan kan de rechtbank niet vaststellen op grond van de standpunten van partijen en de overgelegde stukken. Daarbij heeft de man aan deze stelling verder geen conclusie verbonden. De rechtbank zal daarom ten aanzien van de caravan, die op de peildatum tot de ontbonden gemeenschap behoorde, een oordeel geven van de waarde op de peildatum. Het is de rechtbank niet gebleken dat de caravan meer waard is dan € 1.750,=, zijnde de verkoopprijs die kort na de peildatum tot stand is gekomen in de verkooptransactie tussen twee particulieren. De rechtbank betrekt bij haar oordeel de informatie die de vrouw ter zitting heeft gedeeld, zoals het merk en type van de caravan, dat het kenteken van de caravan in 1994 is afgegeven, en het bedrag dat partijen bij de aanschaf van de (toen al tweedehands) caravan hebben betaald, zijnde € 3.400,=. De rechtbank sluit daarom voor de waardering van de caravan op de peildatum aan bij de verkoopprijs van € 1.750,=. De man heeft verder erkend dat er een achterstand was in de betaling van de stallingskosten en hij heeft ter zitting aangegeven dat het door de vrouw genoemde bedrag kan kloppen. Ook niet weersproken is de stelling van de vrouw dat deze op de peildatum bestaande schuld is ingelost met de verkoopopbrengst van de caravan. De man is gerechtigd tot de helft van het resterende bedrag en dus tot € 35,=, door de vrouw aan hem te voldoen. Het verzoek van de vrouw zal gelet op het voorgaande worden toegewezen.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n5.1. spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op 20 juni 2007 in de gemeente Moerdijk;5.2. stelt, uitvoerbaar bij voorraad, vast dat de minderjarigen\n\n1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2009,\n\n2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 3] 2010,\n\nhun hoofdverblijfplaats bij de man hebben;5.3. stelt, uitvoerbaar bij voorraad, vast dat genoemde minderjarige [minderjarige 2] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bij de vrouw is: om de week van donderdagmiddag tot zondagavond na het avondeten;5.4. bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man over de periode van 1 juli 2025 tot 1 januari 2026 een bedrag van € 285,= (tweehonderdvijfentachtig euro) per maand moet betalen aan de vrouw ten behoeve van de kosten van verzorging en opvoeding van genoemde minderjarige [minderjarige 2] ;\n\n5.5. bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de vrouw met ingang van 1 juli 2025 een bedrag van € 17,= (zeventien euro) per maand moet betalen aan de man ten behoeve van de kosten van verzorging en opvoeding van genoemde minderjarige [minderjarige 1] , vanaf nu steeds vóór de eerste van de maand;\n\n5.6. bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de vrouw met ingang van 1 januari 2026 een bedrag van € 17,= (zeventien euro) per maand moet betalen aan de man ten behoeve van de kosten van verzorging en opvoeding van genoemde minderjarige [minderjarige 2] , vanaf nu steeds vóór de eerste van de maand;\n\n5.7. bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de vrouw, uit hoofde van de verdeling van de caravan een bedrag ter hoogte van € 35,= aan de man moet voldoen;\n\n5.8. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Bollen, (kinder)rechter en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. Reijerse, griffier, op 21 mei 2026.\n\nTegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\n- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\n- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem\u002Fhaar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5446","2026-06-21T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:38.439Z",{"id":103,"ecli":104,"slug":105,"caseNumber":43,"courtId":96,"decisionDate":106,"fullText":107,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":108,"sourceTimestamp":109,"parsedAt":51,"updatedAt":110},"399","ECLI:NL:RBZWB:2026:5413","ecli-nl-rbzwb-2026-5413","2026-05-20T00:00:00.000Z","vonnisRECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nC\u002F02\u002F430758 \u002F HA ZA 25-3226 maart 2025\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nBreda\n\nzaaknummer \u002F rolnummer: C\u002F02\u002F430758 \u002F HA ZA 25-32\n\nVonnis van 20 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n [de vrouw],\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\neiseres,\n\nadvocaat mr. M.A. Breewel-Witteveen te Goes,\n\ntegen\n\n [de man],\n\nwonende op het [adres] , [woonplaats 2] ),\n\ngedaagde,\n\nniet verschenen.\n\nPartijen worden hierna de vrouw en de man genoemd.\n\n1. De procedure1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n het tussenvonnis van 23 juli 2025 en alle daarin vermelde stukken;\n\n de akte uitlaten rechtsmacht en toepasselijk recht van de zijde van de vrouw;\n\n de mondelinge behandeling op 19 november 2025;\n\n de akte uitlaten en wijzigen eis van de zijde van de vrouw;\n\n het op 27 januari 2026 aan de man uitgebrachte betekeningsexploot.\n\n1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. Het geschil2.1. Na wijziging van eis vordert de vrouw nu, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nter zake de polis bij Aegon met nummer [nummer 1]\n\nI. voor recht te verklaren dat de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap na echtscheiding nog niet volledig heeft plaatsgevonden, maar dat de polis bij Aegon (polisnummer [nummer 1] ), als ook de verdeling van het tijdens huwelijk door de man opgebouwde pensioen bij de Stichting Pensioenfonds Hoogovens met polisnummer [nummer 2] \u002F [nummer 3] nog uitgevoerd moet worden;\n\nII. de man te veroordelen aan de vrouw te betalen haar aandeel uit de nog onverdeelde waarde uit de polis bij Aegon ten bedrage van (50% van € 40.325,=) € 20.162,50, althans (50% van € 39.171,98) € 19.585,99, althans een nader te bepalen bedrag, te voldoen binnen twee weken na dit vonnis, bij uitblijven waarvan de man in verzuim is en over het toe te kennen bedrag de wettelijke rente verschuldigd is vanaf de dag dat de man in verzuim is tot de dag der algehele voldoening;\n\nter zake het pensioen bij Stichting Pensioenfonds Hoogovens\n\nprimair\n\nIII. te bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt van de medewerking en uitvoering van de man aan het betalen van het aan de vrouw toekomende aandeel uit de maandelijks door de man te ontvangen pensioenuitkering van de Stichting Pensioenfonds Hoogovens (met polisnummer [nummer 2] \u002F [nummer 3] ), in die zin dat de Stichting Pensioenfonds Hoogovens rechtstreeks aan de vrouw zal voldoen haar aandeel uit de maandelijks door de man te ontvangen pensioenuitkeringen van de Stichting Pensioenfonds Hoogovens vanaf de dag dat de man de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, voor de toekomst bij vooruitbetaling voor de eerste van elke maand te voldoen;\n\nsubsidiair\n\nIV. de man te verplichten aan de vrouw opgave te doen van de aan hem toekomende pensioenuitkering van de Stichting Pensioenfonds Hoogovens binnen twee weken na dit vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van € 250,= per dag dat de man nalatig is uitvoering te geven aan de veroordeling tot het doen van opgave aan de vrouw van de aan hem toekomende pensioenuitkering, met een maximum van € 50.000,=, althans een nader te bepalen dwangsom;\n\nV. de man te veroordelen aan de vrouw te betalen haar aandeel uit de maandelijks door de man te ontvangen pensioenuitkering van de Stichting Pensioenfonds Hoogovens (met polisnummer [nummer 2] \u002F [nummer 3] ), voor zover dit pensioen door de man is opgebouwd tijdens het huwelijk van partijen, met ingang van de dag dat de man de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, voor de toekomst bij vooruitbetaling voor de eerste van elke maand te voldoen, bij uitblijven waarvan de man in verzuim is vanaf de eerste dag van elke maand dat de man niet heeft betaald en hij over het aan de vrouw toekomende aandeel van het door de man opgebouwde pensioen tijdens het huwelijk de wettelijke rente verschuldigd is vanaf de dag dat de man in verzuim is tot de dag der algehele voldoening;\n\nen overigens\n\nVI. de man te veroordelen in de proceskosten van het geding, waaronder het salaris van de advocaat van de vrouw, alsmede de nakosten\u002Fhet nasalaris.\n\n3. De nadere beoordelingBetekening \u002F verstekverlening\n\n3.1. Blijkens het (tussen)vonnis van 23 juli 2025 is tegen de man verstek verleend. Vervolgens heeft de vrouw bij akte van 14 januari 2026 haar vorderingen gewijzigd.\n\n3.2. Nu de man in de Dominicaanse Republiek woont, moet betekening gebeuren volgens de bepalingen in het Haags Betekeningsverdrag 1965. De rechtbank stelt vast dat zowel de dagvaarding als de akte van wijziging van eis op juiste wijze aan de man zijn betekend. Ook na de wijziging van eis is de man niet in de procedure verschenen. Voor zover nodig wordt in dit vonnis ter zake de gewijzigde vorderingen van de vrouw tegen de man verstek verleend.\n\n3.3. De rechtbank zal hierna beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot de vorderingen van de vrouw en zo ja, welk recht op die vorderingen van toepassing is.\n\nPolis bij Aegon, met nummer [nummer 1] (vorderingen onder I. en II.)\n\n3.4. De vrouw heeft gesteld dat partijen ten tijde van het huwelijk een beleggingspolis bij Aegon hadden (met nummer [nummer 1] ), welke tot de huwelijksgemeenschap behoorde. In het kader van de echtscheiding heeft de vrouw verzocht om over te gaan tot verdeling van de waarde van de polis door splitsing of afkoop, maar de man wilde hier niet aan meewerken. In de afgelopen jaren heeft de vrouw de man meerdere keren aangeschreven met het verzoek om alsnog tot verdeling van de waarde van de Aegon polis over te gaan. De vrouw maakt aanspraak op de helft van de waarde van de polis per datum echtscheiding, zijnde 22 juni 2015. Volgens de vrouw is de polis vanaf 20 mei 2021 tot uitkering gekomen. De waarde van de polis per 20 mei 2021 werd volgens de vrouw gegarandeerd tot in ieder geval € 40.325,=, waarvan aan haar de helft toekomt, zijnde een bedrag van € 20.162,=.\n\n3.5. De vordering van de vrouw onder I., voor zover deze betrekking heeft op de Aegon polis, en de vordering onder II. strekken, kort samengevat, tot verdeling van de waarde van de polis van Aegon. Deze vorderingen vloeien voort uit het staken van de huwelijksband tussen partijen. Gelet hierop moet de rechtsmacht beoordeeld worden aan de hand van de Huwelijksvermogensrechtverordening. Op grond van het bepaalde in artikel 6 onder b van deze verordening heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht, omdat de laatste gewone verblijfplaats van de echtgenoten in Nederland was en de vrouw daar op het tijdstip van het aanbrengen van de zaak nog verblijft.\n\n3.6. De vraag welk recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime moet worden beantwoord aan de hand van het Chelouche-Van Leer arrest (HR 10 december 1976, NJ 1977, 275), omdat het huwelijk van partijen is gesloten voor 1 september 1992 en het Haags Huwelijskvermogensverdrag niet van toepassing is. Op het huwelijksvermogensregime is Nederlands recht van toepassing, omdat beide partijen ten tijde van huwelijkssluiting beiden de Nederlandse nationaliteit hadden.\n\n3.7. De toepasselijkheid van het Nederlandse recht brengt mee dat partijen waren gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. De rechtbank begrijpt dat de vrouw alsnog verdeling van de waarde van de polis van Aegon vordert in die zin dat de polis aan de man moet worden toegedeeld, onder gehoudenheid de helft van de waarde aan de vrouw te voldoen. Met betrekking tot de Aegon polis kunnen de vorderingen van de vrouw onder I. en II. als niet weersproken worden toegewezen op de wijze als hierna in het dictum is verwoord.\n\nPensioen (vorderingen onder I., III., IV. en V.)\n\n3.8. De vorderingen van de vrouw met betrekking tot het pensioen strekken tot verevening van het door de man tijdens het huwelijk bij Stichting Pensioenfonds Hoogovens opgebouwde pensioen en op de uitvoering van die verevening.\n\n3.9. Gelet op de woonplaats van de man in de Dominicaanse Republiek zijn er geen verdragen of EU-verordeningen van toepassing die het onderwerp van de pensioenverevening tussen voormalige echtgenoten bestrijken. De rechtsmacht van de Nederlandse rechter zal dan ook op grond van artikel 1 Rv moeten worden beoordeeld volgens de regels van het Nederlandse commune internationaal bevoegdheidsrecht, zoals neergelegd in de artikelen 2 tot en met 14 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv.).\n\n3.10. De vrouw betoogt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht kan ontlenen aan artikel 9, aanhef en onder c, Rv., omdat de zaak voldoende met de Nederlandse rechtssfeer is verbonden en het onaanvaardbaar is om van de vrouw te vergen dat zij de zaak aan het oordeel van een rechter in de Dominicaanse Republiek onderwerpt. Ook is de Nederlandse rechter volgens de vrouw bevoegd omdat de vorderingen verband houden met Nederlandse pensioenrechten en Nederlands huwelijksvermogensrecht.\n\n3.11. De rechtbank stelt vast dat artikel 9 Rv. twee cumulatieve voorwaarden stelt voor de uitoefening van een noodbevoegdheid door de Nederlandse rechter, te weten: (i) de zaak is voldoende verbonden met de rechtssfeer van Nederland en (ii) het is onaanvaardbaar om van de eiser te vergen dat hij de zaak aan het oordeel van een rechter van een vreemde staat onderwerpt. Voldoende binding met Nederland volgt uit het feit dat de vrouw haar gewone verblijfplaats heeft in Nederland en dat de vordering van de vrouw ziet op pensioen dat in Nederland en bij een Nederlands pensioenfonds (Stichting Pensioenfonds Hoogovens) is opgebouwd. Daarnaast ontvangt de vrouw een bijstandsuitkering en kan naar het oordeel van de rechtbank niet van haar gevergd worden dat zij een gerechtelijke procedure gaat voeren in de Dominicaanse Republiek. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank van oordeel is dat is voldaan aan de vereisten van artikel 9, aanhef en onder c, Rv., zodat aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt.\n\n3.12. Vervolgens moet beoordeeld worden welk recht van toepassing is op de vorderingen van de vrouw. In artikel 10:51 BW is bepaald dat de vraag, of een echtgenoot bij scheiding recht heeft op een deel van de door de ander opgebouwde pensioenaanspraken, in beginsel wordt beheerst door het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van de echtgenoten. Een uitzondering wordt gevormd door artikel 1 lid 7 van de Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding (WVPS), dat bepaalt dat de Nederlandse wet de Verevening beheerst van pensioenrechten die opgebouwd zijn ingevolge een pensioenregeling als bedoeld in artikel 1 lid 4-6 WVPS.\n\n3.13. De vrouw heeft onweersproken gesteld dat de man in Nederland voor verevening vatbare pensioenrechten heeft opgebouwd, te weten bij Stichting Pensioenfonds Hoogovens. Derhalve is Nederlands recht van toepassing op de vordering van de vrouw ter zake de verevening van het pensioen.\n\n3.14. Overeenkomstig de vordering van de vrouw (onder I.) zal de rechtbank voor recht verklaren dat het door de man tijdens het huwelijk van partijen bij Stichting Pensioenfonds Hoogovens (polisnummer [nummer 2] \u002F [nummer 3] ) opgebouwde pensioen nog niet is verevend. Dit nu door de man geen verweer is gevoerd tegen de vordering van de vrouw.\n\n3.15. Ook het door de vrouw onder III. gevorderde zal als niet weersproken worden toegewezen. Nu het door de vrouw primair gevorderde wordt toegewezen, behoeven de subsidiaire vorderingen onder IV. en V. geen verdere bespreking. Deze subsidiaire vorderingen zullen worden afgewezen.\n\nProceskosten (vordering onder VI.)\n\n3.16. De vrouw vordert de man te veroordelen in de proceskosten van het geding, waaronder het salaris van de advocaat en nakosten.\n\n3.17. In zaken tussen ex-echtgenoten is het gebruikelijk dat de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt. De rechtbank ziet op dit moment geen aanleiding om af te wijken van dit uitgangspunt. De vordering van de vrouw zal worden afgewezen en de proceskosten zullen tussen partijen worden gecompenseerd.\n\n3.18. De rechtbank begrijpt dat de vrouw tevens vergoeding van nakosten wenst, maar ingevolge artikel 8 van het liquidatietarievenbesluit bestaat in geval van proceskostencompensatie geen aanspraak op vergoeding van nakosten. Ook deze vordering zal worden afgewezen.\n\n4. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n4.1. verleent verstek tegen de man;\n\n4.2. verklaart voor recht dat de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap na echtscheiding nog niet volledig heeft plaatsgevonden, maar dat de verdeling van de polis bij Aegon, met nummer [nummer 1] nog uitgevoerd moet worden;\n\n4.3. deelt de polis bij Aegon met nummer [nummer 1] toe aan de man, onder de verplichting van de man om de helft van de waarde van € 40.325,= aan de vrouw te betalen, zijnde een bedrag van € 20.162,50;\n\n4.4. veroordeelt de man om, binnen twee weken na dit vonnis, ter zake de onverdeelde waarde van de hiervoor genoemde polis bij Aegon een bedrag van € 20.162,50 (twintigduizend eenhonderdentweeënzestig euro en vijftig eurocent) aan de vrouw te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag dat de man in verzuim is tot de dag van algehele betaling;\n\n4.5. verklaart voor recht dat de verevening van het tijdens het huwelijk door de man opgebouwde pensioen bij de Stichting Pensioenfonds Hoogovens met polisnummer [nummer 2] \u002F [nummer 3] nog uitgevoerd moet worden;\n\n4.6. bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de medewerking en uitvoering van de man aan het betalen van het aan de vrouw toekomende aandeel uit de maandelijks door de man te ontvangen pensioenuitkering van de Stichting Pensioenfonds Hoogovens, uit de polis met nummer [nummer 2] \u002F [nummer 3] , op die manier dat de Stichting Pensioenfonds Hoogovens rechtstreeks aan de vrouw zal voldoen haar aandeel uit de maandelijks door de man ter zake voormeld polisnummer te ontvangen pensioenuitkeringen van de Stichting Pensioenfonds Hoogovens vanaf de dag dat de man de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen voor de eerste van elke maand;\n\n4.7. verklaart de beslissingen hiervoor onder 4.3., 4.4. en 4.5. uitvoerbaar bij voorraad;\n\n4.8. compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;\n\n4.9. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Meyboom, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026 in tegenwoordigheid van Van der Burgt-de Klerk,\n\n griffier.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5413","2026-06-20T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:27.849Z",{"id":112,"ecli":113,"slug":114,"caseNumber":43,"courtId":115,"decisionDate":116,"fullText":117,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":118,"sourceTimestamp":119,"parsedAt":51,"updatedAt":120},"905","ECLI:NL:RBNHO:2026:6975","ecli-nl-rbnho-2026-6975",73,"2026-04-22T00:00:00.000Z","RECHTBANK Noord-Holland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Alkmaar\n\nZaaknummer: C\u002F15\u002F363642 \u002F HA ZA 25-176\n\nVonnis van 22 april 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nte [woonplaats] ,\n\neisende partij in conventie,\n\nverwerende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: de man,\n\nadvocaat: mr. H.I. Park,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nte [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: de vrouw,\n\nadvocaat: mr. V. Goudriaan.\n\nDe zaak in het kort\n\nPartijen hebben een affectieve relatie gehad. Zij hebben samengewoond in de woning, waarvan zij ieder voor de helft eigenaar zijn. In 2024 is de relatie van partijen beëindigd. Partijen zijn er niet in geslaagd onderling afspraken te maken over de verdeling van de woning. De rechtbank stelt de verdeling vast. Daarnaast beslist de rechtbank over een aantal geldvorderingen die partijen over en weer hebben ingesteld.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 1 oktober 2025;\n\n- de akte vermeerdering eis tevens overlegging van producties van de man;\n\n- het bezwaar van de vrouw tegen de akte vermeerdering eis;\n\n- de reactie daarop van de man;\n\n- de beslissing van de rechtbank van 9 februari 2026 over het toelaten van de vermeerdering van eis;\n\n- de aanvullende productie 10 van de vrouw;\n\n- de mondelinge behandeling van 13 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. De advocaat van de vrouw heeft spreekaantekeningen overgelegd en de vrouw heeft haar eis vermeerderd.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De man en de vrouw hebben vanaf april 2020 een affectieve relatie gehad. Zij woonden samen in een woning aan de [adres] ( [postcode] ) in [woonplaats] (hierna: de woning). De man en de vrouw zijn ieder voor de helft eigenaar van de woning.\n\n2.2.. De relatie van de man en de vrouw is in juli 2024 beëindigd.\n\n2.3.. In november 2024 is de man een kortgedingprocedure gestart, waarin hij het uitsluitend gebruik van de woning vorderde. Naar aanleiding van de zitting in kort geding hebben partijen afgesproken opdracht te geven voor een taxatie van de waarde van de woning. De woning is getaxeerd op € 405.000,-.\n\n2.4.. Op 20 januari 2025 heeft de man aan de vrouw bericht dat hij de woning kan herfinancieren en gevraagd of zij ook de wens heeft en in staat is de woning over te nemen. De vrouw heeft laten weten dat dit het geval is. Dit heeft niet tot (verdere onderhandelingen over) de overname van de woning door een van partijen geleid.\n\n2.5.. Bij kortgedingvonnis van 24 maart 2025 heeft de voorzieningenrechter de vordering van de man om hem het exclusieve gebruik van de woning toe te kennen, afgewezen.\n\n2.6.. Partijen zijn er ook daarna niet in geslaagd om onderling afspraken te maken over verdeling van de woning.\n\n3. Het geschil\n\nin conventie\n\n3.1.. De man vordert – samengevat en na wijziging van eis – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:\n\nPrimair\n\nI. bepaalt dat de woning tegen een waarde van € 405.000,-, of een nog te taxeren waarde, aan de man wordt toebedeeld, onder de verplichting om de vrouw te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de aan de woning verbonden hypothecaire geldlening;\n\nII. de vrouw veroordeelt om binnen acht weken nadat de man een bindend hypotheekadvies heeft ontvangen haar medewerking te verlenen aan een zo spoedig mogelijke levering van de woning;\n\nIII. bepaalt dat wanneer de vrouw haar medewerking niet verleent aan het onder II. gevorderde, dit vonnis op grond van artikel 3:300 BW in de plaats treedt van de benodigde medewerking van de vrouw aan die rechtshandelingen;\n\nSubsidiair\n\nIV. de vrouw veroordeelt om binnen 14 dagen na dit vonnis alle medewerking te verlenen aan een zo spoedig mogelijke verkoop en levering van de woning door onder meer een verkoopopdracht te geven aan Luca Makelaardij, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom;\n\nV. bepaalt dat, indien de door de rechtbank aangewezen makelaar zich terugtrekt, de man gerechtigd is een andere makelaar de verkoopopdracht te verstrekken en de vrouw ten aanzien van die makelaar gehouden is tot het onder IV. gevorderde;\n\nVI. bepaalt dat wanneer de vrouw weigert om medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning, dit vonnis in de plaats treedt van de voor de verkoop benodigde machtiging en handelingen van de vrouw;\n\nVII. de vrouw veroordeelt om medewerking te verlenen aan het opstellen en ondertekenen van de verkoopovereenkomst van de woning, waarbij de leveringstermijn door de kopers wordt bepaald, op straffe van verbeurte van een dwangsom;\n\nVIII. de vrouw veroordeelt om te verschijnen bij de door de kopers gekozen notaris op een door de notaris vast te stellen tijdstip, de voor de levering op te maken notariële akte te ondertekenen volgens de door de notaris juist geachte tekst en verder al hetgeen te doen en uit te voeren dat door de notaris voor de levering noodzakelijk wordt geacht, op straffe van verbeurte van een dwangsom;\n\nIX. bepaalt dat wanneer de vrouw haar medewerking niet verleent aan het onder VI. tot en met VIII. gevorderde, dit vonnis op grond van artikel 3:300 BW in de plaats treedt van de benodigde medewerking van de vrouw aan die rechtshandelingen;\n\nX. de vrouw veroordeelt de helft van de makelaarskosten en de helft van de notariskosten te betalen, alsmede de helft van eventuele andere kosten die verband houden met de verkoop en levering van de woning;\n\nXI. bepaalt dat de vrouw de notaris opdracht dient te geven de overwaarde van de woning bij helfte te delen, met dien verstande dat de man gerechtigd is om zijn vorderingen zoals omschreven onder XII en XIII op de vrouw met het aan haar toekomende deel van de verkoopopbrengst te verrekenen, op straffe van verbeurte van een dwangsom;\n\nZowel primair als subsidiair\n\nXII. bepaalt dat de vrouw de helft van € 88.056,58, derhalve een bedrag van € 44.028,29 aan de man dient te voldoen uit hoofde van door de man gedane investeringen in de woning, waarbij de man gerechtigd is om dit bedrag te verrekenen met de door hem aan de vrouw te betalen uitkoopsom, althans met het aan de vrouw toekomende deel van de verkoopopbrengst;\n\nXIII. bepaalt dat de vrouw gehouden is om over de periode van 1 juni 2025 tot aan het moment dat de man het exclusief gebruik krijgt over de woning, bij te dragen in de helft van de aan de woning verbonden lasten, te weten € 688,57, waarbij de man gerechtigd is om al hetgeen de vrouw te weinig heeft betaald te verrekenen met de door hem aan de vrouw te betalen uitkoopsom, althans met het aan de vrouw toekomende deel van de verkoopopbrengst;\n\nXIV. bepaalt dat de vrouw haar medewerking zal verlenen aan verrekening van de onder XII en XIII genoemde vorderingen met de door de man aan haar te betalen uitkoopsom, dan wel het aan de vrouw toekomende deel van de verkoopopbrengst, door de notaris opdracht te geven om de onder XII en XIII genoemde vorderingen in mindering te brengen op c.q. te verrekenen met de aan de vrouw toekomende uitkoopsom, dan wel aan de man te voldoen vanuit de aan de vrouw toekomende verkoopopbrengst;\n\nXV. bepaalt dat wanneer de vrouw haar medewerking niet verleent aan het onder XII, XIII en XIV gevorderde, dit vonnis op grond van artikel 3:300 BW in de plaats treedt van de benodigde medewerking van de vrouw aan die rechtshandelingen;\n\nXVI. bepaalt dat de goederen aan de man worden toebedeeld conform de door de man als productie 31 overgelegde inboedellijst;\n\nXVII. bepaalt dat de man het exclusieve woongenot van de woning zal hebben vanaf de datum van afgifte van dit vonnis, waarbij de man de volledige eigenaarslasten en gebruikerslasten voor zijn rekening neemt als gebruiksvergoeding en de vrouw de woning niet zonder toestemming van de man betreedt.\n\n3.2.. De vrouw voert verweer tegen de vorderingen van de man.\n\n3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\nin reconventie\n\n3.4.. De vrouw vordert – samengevat en na wijziging van eis – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:\n\nter zake van de geldlening\n\na. de man veroordeelt aan de vrouw de lening van € 6.500,- terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 november 2020 dan wel 24 juli 2025 tot aan de dag van algehele betaling en de wettelijke incassokosten van € 700,-;\n\nter zake van de gebruiksvergoeding\n\nprimair\n\nde man veroordeelt om aan de vrouw een gebruiksvergoeding te betalen die wordt berekend op vijf procent van de helft van de overwaarde per jaar, vanaf 27 juli 2025 en zolang de vrouw hoofdelijk verbonden is aan de hypothecaire geldlening;\n\nsubsidiair\n\nde man veroordeelt om aan de vrouw een gebruiksvergoeding te betalen die wordt berekend op de helft van de eigenaarslasten en gebruikerslasten van de woning, vanaf 27 juli 2025 en zolang de vrouw hoofdelijk verbonden is aan de hypothecaire geldlening;\n\nmeer subsidiair\n\nde man veroordeelt om aan de vrouw een gebruiksvergoeding te betalen ter hoogte van een bedrag dat de rechtbank redelijk acht;\n\nter zake van de verdeling van de woning\n\nprimair\n\n- bepaalt dat de woning zal worden verkocht aan een derde, waarbij de man binnen één week na afgifte van het vonnis drie erkende verkoopmakelaars aan de vrouw noemt, waarvan de vrouw er binnen één week daarna één uitkiest die belast wordt met de verkoop van de woning;\n\n- bepaalt dat, indien partijen niet binnen twee weken na de opdrachtbevestiging erin slagen om gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, de makelaar de vraagprijs bindend voor partijen vaststelt;\n\n- bepaalt dat als partijen geen overeenstemming kunnen bereiken over de verkoopprijs, partijen of één van hen aan de makelaar kunnen\u002Fkan verzoeken om de verkoopprijs bindend vast te stellen;\n\n- bepaalt dat, als de verkoopprijs bindend is vastgesteld, beide partijen verplicht zijn hun medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning aan de koper(s);\n\n- bepaalt dat iedere partij gehouden is de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering aan een derde te dragen;\n\n- bepaalt dat de netto-verkoopopbrengst gelijkelijk tussen partijen dient te worden verdeeld;\n\n- bepaald dat de man een dwangsom dient te betalen van € 300,- voor iedere dag dat hij geen medewerking verleent aan de verkoop van de woning;\n\n- bepaalt dat wanneer de man zijn medewerking niet verleent aan het onder f. gevorderde, het vonnis op grond van artikel 3:300 BW in de plaats treedt van de benodigde medewerking van de man aan die rechtshandelingen;\n\nsubsidiair\n\nde woning toedeelt aan de vrouw voor de waarde van € 420.000,- waarbij de overwaarde bij helfte tussen partijen wordt gedeeld, onder verplichting van de vrouw de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te ontslaan en onder voorwaarde dat partijen ter zake van de woning schriftelijk verklaren dat zij niets meer van elkaar te vorderen hebben;\n\nter zake van de vergoedingsrechten van de vrouw\n\nbepaalt dat de man aan de vrouw op grond van vergoedingsrechten een bedrag aan haar dient te betalen van € 17.830,44, dan wel een bedrag dat de rechtbank redelijk acht, vermeerderd met de wettelijke rente;\n\nter zake de proceskosten\n\nde man veroordeelt in de proceskosten, vermeerderd met de nakosten en wettelijke rente.\n\n3.5.. De man voert verweer tegen de vorderingen van de vrouw.\n\n3.6.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nin conventie en reconventie\n\n4.1.. Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.\n\nUitgangspunten\n\n4.2.. Partijen twisten over een groot aantal zaken. Deels gaat de discussie over de wijze waarop de gemeenschappelijke woning verdeeld moet worden, waarbij de vraag voorop staat of de man of de vrouw nog de gelegenheid moet krijgen om te proberen het aandeel van de ander in de woning over te nemen en zo ja, tegen welke waarde. Deels gaat de discussie over het exclusief gebruik van de woning en de vraag wie van partijen (welk deel van) de kosten van de woning moet betalen. Ook zijn er vorderingen ingesteld die zien op goederen op een inboedellijst en een geldlening. Ten slotte gaat het over vorderingen uit hoofde van vergoedingsrechten die partijen over en weer menen te hebben. Bij de beoordeling van al die geschilpunten gelden de volgende uitgangspunten.\n\n4.3.. In beginsel vindt verdeling van gemeenschappelijke goederen plaats op basis van de waarde van het betreffende goed ten tijde van de verdeling. Dat is slechts anders indien, kort gezegd, partijen iets anders overeenkomen of de redelijkheid en billijkheid zich hiertegen verzetten.\n\n4.4.. Waar het gaat om de diverse vorderingen\u002Fvergoedingsrechten die partijen op elkaar menen te hebben, is van belang dat partijen niet gehuwd waren en hun samenleving ook niet geregeld hadden in een samenlevingsovereenkomst. Daarmee zijn partijen zogenaamde informele samenlevers. Tussen partijen bestaat een eenvoudige gemeenschap in de zin van artikel 3:166 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Bij de beoordeling van de diverse vorderingen van partijen zal de rechtbank aan de hand van het algemene verbintenissenrecht moeten beoordelen of een partij ter zake van zijn\u002Fhaar uitgaven ten behoeve van de ander, zo deze vast komen te staan, een vergoedingsrecht jegens de ander geldend kan maken. Daarbij ligt het op de weg van degene die stelt een vorderingsrecht te hebben te stellen en zo nodig te bewijzen dat partijen daarover uitdrukkelijke dan wel stilzwijgende afspraken hebben gemaakt. Daarnaast is mogelijk dat een van de informeel samenlevenden, indien aan de voorwaarden van onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking is voldaan, op een van die gronden een aanspraak heeft op teruggave of vergoeding van bepaalde uitgaven die zijn gegeven aan of ten gunste zijn gekomen van de andere informeel samenlevende.\n\n4.5.. Verder bestaat tussen informeel samenlevenden een rechtsverhouding die mede door de redelijkheid en billijkheid wordt beheerst. Ook als ter zake van bepaalde uitgaven niet een vergoedingsrecht van de ene samenlevende jegens de andere samenlevende kan worden aangenomen op grond van een tussen partijen gesloten overeenkomst of op grond van de overige in Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek geregelde rechtsfiguren, kan zo’n vergoedingsrecht in verband met de bijzondere omstandigheden van het geval voortvloeien uit de in artikel 6:2 lid 1 BW bedoelde eisen van redelijkheid en billijkheid. Het ligt op de weg van de samenlevende die aanspraak maakt op vergoeding van een investering om de bijzondere feiten en omstandigheden te stellen die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat een vergoedingsrecht bestaat.4.6.. \n\nDe rechtbank zal in het vervolg van dit vonnis ingaan op de volgende geschilpunten:\n\n- de verdeling van de woning;\n\n- het exclusief gebruik van de woning;\n\n- de gebruiksvergoeding en de eigenaarslasten;\n\n- de vergoedingsrechten;\n\n- de inboedellijst;\n\n- de geldlening.\n\nDe verdeling van de woning\n\n4.7.. Partijen zijn het erover eens dat de woning die zij gezamenlijk in eigendom hebben, verdeeld moet worden. De man vordert dat de woning tegen een waarde van € 405.000,- aan hem wordt toebedeeld. De vrouw vordert primair dat de woning aan een derde wordt verkocht, en subsidiair dat de woning tegen een waarde van € 420.000,- aan haar wordt toebedeeld.\n\n4.8.. De rechtbank zal op grond van artikel 3:185 BW de (wijze van) verdeling vaststellen. Bij deze vaststelling moet de rechtbank rekening houden met de belangen van partijen en met het algemeen belang. De rechtbank heeft daarom een mate van vrijheid. Zij is niet gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben gevorderd en zij hoeft niet expliciet in te gaan op hetgeen partijen aanvoeren.\n\n4.9.. Beide partijen hebben de wens het aandeel van de ander in de woning over te nemen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de woning pas verkocht hoeft te worden, als blijkt dat geen van partijen in staat is de woning over te nemen. Vervolgens is het de vraag wie van partijen als eerste de mogelijkheid krijgt het aandeel van de ander in de woning over te nemen. De man voert aan dat zijn belang bij behoud van de woning is dat zijn twee kinderen uit een eerdere relatie in hun vertrouwende omgeving kunnen blijven en een goede omgang met hun vader kunnen hebben. Het belang van de vrouw om het volledige eigendom van de woning te verkrijgen is dat zij op dit moment zwanger is en de woning waar zij nu verblijft te klein is voor haar gezin.\n\n4.10.. De rechtbank zal de man als eerste de mogelijkheid geven om het aandeel van de vrouw in de woning over te nemen. Hij heeft zijn belang bij overname van de woning voldoende onderbouwd en de vrouw is eind februari 2025 uit de woning vertrokken. Mocht de man er niet in slagen de woning over te nemen, dan mag de vrouw een poging doen. Als beiden er niet in slagen de woning over te nemen, zal de woning verkocht moeten worden aan een derde.\n\n4.11.. De volgende vraag is tegen welk bedrag eerst de man en eventueel daarna de vrouw de woning mag proberen over te nemen. In dat kader stelt de rechtbank voorop dat als peildatum voor de waardering van de woning als hoofdregel geldt de datum van feitelijke verdeling, tenzij partijen anders zijn overeengekomen of uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat daarvan afgeweken moet worden.\n\n4.12.. De rechtbank stelt vast dat van een afspraak tussen partijen over de (peildatum van de) waarde niets is gebleken. Dan rest de vraag of er op basis van de redelijkheid en billijkheid van een andere peildatum dan wel een andere waarde van de woning moet worden uitgegaan. De man legt aan zijn vordering een taxatierapport ten grondslag waarin de marktwaarde op 19 december 2024 is vastgesteld op € 405.000,-. De vrouw voert hiertegen verweer. De vrouw voert als primair standpunt aan dat – overeenkomstig de hoofdregel – moet worden uitgegaan van de waarde op de datum van de feitelijke verdeling en dat het door de man voorgestelde bedrag door de ontwikkelingen op de woningmarkt geen recht doet aan de werkelijke waarde van de woning op de datum van feitelijke verdeling. Subsidiair voert zij aan dat – voor het geval dat de rechtbank reden ziet af te wijken van de hoofdregel – de woning voor een waarde van € 420.000,- aan haar moet worden toebedeeld. Dit bedrag is gebaseerd op de recente verkoopprijs van een vergelijkbare woning in de buurt.\n\n4.13.. Naar het oordeel van de rechtbank hebben zowel de man als de vrouw onvoldoende aangevoerd om aan te nemen dat op grond van de redelijkheid en billijkheid van een andere peildatum dan wel een andere waarde van de woning moet worden uitgegaan dan de hoofdregel voorschrijft. Het bestaan van een taxatierapport uit december 2024 en de verwijzing naar een verkoopprijs van een mogelijk vergelijkbare woning in oktober 2025 zijn daarvoor onvoldoende.\n\n4.14.. Dit betekent dat de actuele marktwaarde van de woning getaxeerd moet worden. Ter zitting heeft de rechter met partijen besproken en afgesproken op welke wijze dit (praktisch) zal plaatsvinden. De man mag drie taxateurs voorstellen. Hiertoe krijgt hij een termijn van twee weken na de datum van dit vonnis. De vrouw mag één van de door de man voorgestelde taxateurs uitkiezen. Zij krijgt daarvoor ook een termijn van twee weken, vanaf de datum dat zij het voorstel van de man heeft ontvangen. Partijen dienen vervolgens binnen een week nadat de vrouw haar keuze kenbaar heeft gemaakt, gezamenlijk opdracht te geven aan de taxateur voor de taxatie van de actuele marktwaarde van de woning. Partijen dragen ieder de helft van de kosten daarvan.\n\n4.15.. Ter zitting hebben partijen verklaard dat de uitkomst van de taxatie voor partijen bindend zal zijn.\n\n4.16.. Uiterlijk twee weken na ontvangst van het taxatierapport, dient de man aan de vrouw schriftelijk mee te delen of hij de woning tegen de getaxeerde waarde wenst over te nemen. Indien de man de woning wenst over te nemen, zal de woning aan hem worden toegedeeld onder de (opschortende) voorwaarden dat (a) de man de hypothecaire lening als eigen schuld op zich neemt, (b) hij ervoor zorgt dat de levering van de woning ten overstaan van de notaris uiterlijk binnen drie maanden na het verstrijken van de hiervoor genoemde termijn van twee weken plaatsvindt, en (c) de vrouw uiterlijk ten tijde van de levering is of wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening.\n\n4.17.. Mocht de man de woning niet willen of niet (onder de hiervoor genoemde voorwaarden) kunnen overnemen, dan mag de vrouw proberen de woning over te nemen. In dat geval dient zij binnen twee weken na het bericht van de man dat hij de woning niet wenst over te nemen of na het verstrijken van de termijn van drie maanden, aan de man schriftelijk mee te delen of zij de woning tegen de getaxeerde waarde wenst over te nemen. Indien de vrouw de woning wenst over te nemen, zal de woning aan haar worden toegedeeld onder dezelfde (opschortende) voorwaarden die in de vorige overweging zijn genoemd.\n\n4.18.. In het geval de woning aan de man of de vrouw wordt toegedeeld, dienen zij mee te werken aan de notariële overdracht. De kosten daarvan komen voor rekening van de partij aan wie de woning wordt toegedeeld.\n\n4.19.. Op het moment dat duidelijk is dat beide partijen niet in staat zijn de woning over te nemen, moet de woning in de verkoop gezet worden. De rechtbank zal beschrijven hoe dit proces zal moeten verlopen.\n\n4.20.. De man mag drie makelaars voorstellen. Hiertoe krijgt hij een termijn van twee weken vanaf de datum waarop duidelijk is geworden dat de vrouw de woning niet kan overnemen. De vrouw mag één van de door de man voorgestelde makelaars uitkiezen. Zij krijgt hiervoor een termijn van twee weken vanaf de datum dat zij het voorstel van de man heeft ontvangen.\n\n4.21.. Partijen verlenen in dat geval binnen een week nadat de vrouw haar keuze kenbaar heeft gemaakt, gezamenlijk de opdracht tot verkoop van de woning aan de makelaar. Partijen zullen in onderling overleg en met de makelaar binnen twee weken na opdrachtverlening de vraagprijs en de voorwaarden van de verkoop vaststellen. Indien partijen dit niet in onderling overleg kunnen afspreken, zullen zij de adviezen van de makelaar hierover moeten opvolgen.\n\n4.22.. Partijen moeten de aanwijzingen van de makelaar opvolgen. Zij moeten hun volledige medewerking verlenen aan het verkoopproces, waaronder het verlenen van toegang tot de woning aan de makelaar voor het (laten) maken van foto’s van de woning en bezichtigingen door potentiële kopers. Partijen mogen zelf niet aanwezig zijn bij die bezichtigingen.\n\n4.23.. Indien een bod op de woning wordt gedaan, dienen partijen dit te accepteren als de makelaar dit adviseert. Partijen dienen na het tot stand komen van een koopovereenkomst mee te werken aan de ondertekening van een schriftelijke koopovereenkomst. Partijen dienen ook mee te werken aan de levering van de woning ten overstaan van de notaris door de leveringsakte na behoorlijke oproeping bij de notaris te ondertekenen of daartoe (op eigen kosten) een getekende volmacht aan de notaris te verstrekken. De kosten die verband houden met de verkoop en levering van de woning dragen partijen ieder voor de helft.\n\n4.24.. In het geval een van partijen het aandeel van de ander in de woning overneemt, geldt dat de overnemende partij de helft van de overwaarde (de getaxeerde waarde van de woning minus de hypothecaire geldlening) aan de andere partij dient te betalen. In het geval de woning moet worden verkocht, is het uitgangspunt dat partijen allebei recht hebben op de helft van de overwaarde.\n\n4.25.. Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank de wijze van verdeling zal vaststellen, zoals in de beslissing is bepaald.\n\n4.26.. Partijen hebben beide gevorderd dat de rechtbank de andere partij veroordeelt tot medewerking aan de verdeling en dat de rechtbank aan die medewerking een dwangsom verbindt. Waar het gaat om rechtshandelingen die partijen jegens elkaar verplicht zijn te verrichten, zal de rechtbank op grond van artikel 3:300 lid 1 BW bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt van de medewerking van partijen in het geval een partij zijn of haar medewerking weigert. Nu beide partijen daarnaast ter zitting hebben verklaard dat zij hun medewerking zullen verlenen aan de verdeling van de woning, ziet de rechtbank geen aanleiding om over en weer dwangsommen aan partijen op te leggen.\n\nHet exclusief gebruik van de woning\n\n4.27.. De man vordert het exclusief gebruik van de woning. Ter zitting heeft de vrouw verklaard hiertegen geen bezwaar te hebben. De rechtbank zal de vordering van de man daarom toewijzen, in die zin dat de man het exclusief gebruik van de woning verkrijgt vanaf 1 mei 2026. Dit betekent dat de man vanaf 1 mei 2026 de volledige eigenaars- en gebruikerslasten voor zijn rekening moet nemen.\n\nGebruiksvergoeding en eigenaarslasten\n\n4.28.. De vrouw vordert dat de man een gebruiksvergoeding aan haar betaalt vanaf 27 februari 2025 tot het moment dat zij niet meer hoofdelijk verbonden is aan de hypothecaire geldlening van de woning. De man vordert dat de vrouw gehouden is de helft van de vaste lasten die zijn verbonden aan de woning te dragen over de periode vanaf 1 juni 2025 tot het moment dat hij exclusieve gebruik krijgt.\n\n4.29.. De rechtbank stelt vast dat partijen tot op heden geen afspraak hebben gemaakt over wie wanneer in de woning mag verblijven. Ook is er niets afgesproken over de verdeling van de eigenaars- en gebruikerslasten.\n\n4.30.. Ter zitting heeft de vrouw verklaard dat zij in februari 2025 de woning heeft verlaten nadat de spanningen tussen partijen opliepen. Vanaf maart 2025 woonde zij niet meer in de woning, maar kwam zij eens in de twee dagen nog wel kort in de woning om post op te halen en haar katten te verzorgen. De man heeft dat niet betwist. Hij woonde vanaf maart 2025 dus alleen in de woning, met dien verstande dat de vrouw af en toe nog langs kwam voor de katten en de post. De man heeft ter zitting verklaard dat ook hij de woning heeft verlaten en in of omstreeks juni 2025 ”uit zelfbescherming” tijdelijk elders is gaan wonen. De vrouw betwist dat de man de woning heeft verlaten. De rechtbank is van oordeel dat, voor zover de man niet meer in de woning verbleef, dit een eigen keus van de man was.\n\n4.31.. De vrouw kan daarom ten laste van de man aanspraak maken op een gebruiksvergoeding vanwege het gemis van gebruik en genot van de woning. Daar staat het volgende tegenover.\n\n4.32.. De man en de vrouw dienen als mede-eigenaren van de woning in beginsel ieder de helft van de eigenaarslasten van de woning te dragen. Vanaf 27 februari 2025 heeft de man alleen in de woning gewoond, zodat de gebruikerslasten vanaf die datum voor zijn rekening komen. De rechtbank stelt de eigenaarslasten met betrekking tot de woning als volgt vast:\n\n- Hypotheek\n\n€\n\n843,35\n\n- Nationale Nederlanden\n\n€\n\n28,62\n\n- Univé\n\n€\n\n76,12\n\n- Hoogheemraadschap\n\n€\n\n41,70\n\nTotaal\n\n€\n\n989,79\n\nDit betekent dat de man en de vrouw in beginsel ieder een bedrag van € 494,89 per maand verschuldigd zijn voor de eigenaarslasten van de woning.\n\n4.33.. Tussen partijen is niet in geschil dat de man de eigenaarslasten aan de verschillende instanties heeft betaald. Ook staat niet ter discussie dat de vrouw maandelijks een bedrag aan de man heeft betaald. In april 2025 was dit € 234,03, in mei 2025 € 678,00, in juni 2025 € 436,50 en vanaf juli 2025 € 270,95 per maand. Dit betekent dat de man in beginsel nog een vordering op de vrouw heeft voor de eigenaarslasten van de woning.\n\n4.34.. De rechtbank vindt het echter praktisch en redelijk de gebruiksvergoeding waarop de vrouw nog aanspraak kan maken en de eigenaarslasten waarop de man nog aanspraak kan maken, tegen elkaar weg te strepen (met elkaar te verrekenen), zodat zij over en weer in dit kader niets van elkaar te vorderen hebben. De vrouw heeft onvoldoende gesteld om aan te nemen dat een hogere gebruiksvergoeding redelijk is, zodat de rechtbank daaraan voorbijgaat.\n\n4.35.. Voor de periode vanaf 1 mei 2026 geldt, zoals hiervoor in 4.27 is overwogen, dat de man de volledige eigenaars- en gebruikerslasten voor zijn rekening moet nemen. Onder die omstandigheden vindt de rechtbank het niet redelijk de man nog een (aanvullende) gebruiksvergoeding aan de man te laten betalen vanaf die datum.\n\n4.36.. De vorderingen over de betaling van een gebruiksvergoeding en de eigenaars- en gebruikerslasten worden dan ook over en weer afgewezen.\n\nVergoedingsrechten man\n\n4.37.. De man stelt dat hij een vergoedingsrecht op de vrouw heeft, omdat hij met zijn privévermogen verschillende investeringen in de gezamenlijke woning heeft gedaan. Het gestelde vergoedingsrecht bestaat uit twee delen:\n\nEen bedrag van € 33.803,- dat hij bij aankoop van de woning heeft ingelegd;\n\nEen bedrag van € 54.235,58 aan investeringen die hij in de woning heeft gedaan.\n\nIn totaal gaat het daarmee om een vordering van € 88.056,58. Volgens de man is de vrouw hem de helft van dit bedrag – een bedrag van € 44.028,29 – verschuldigd.\n\n4.38.. De man stelt primair dat partijen al bij de aankoop van de woning hebben afgesproken dat er een vergoedingsrecht zou zijn op het moment dat de relatie zou eindigen. Er is een “rondetafelgesprek” geweest bij de notaris waar is besproken hoe, en wat daarvoor schriftelijk zou moeten worden vastgelegd. Dat zag zowel op de inbreng van de man bij de aankoop van de woning als op toekomstige investeringen. De man heeft ter onderbouwing van zijn standpunt verklaringen overgelegd van zowel de heer C. Luca (makelaar) als mevrouw S. Hartog (hypotheekadviseur), waaruit de afspraak over de vergoedingsrechten zou blijken. Hoewel het klopt dat partijen vervolgens geen werk hebben gemaakt van het schriftelijk vastleggen van de afspraak, is overeengekomen dat de vrouw de helft van de door de man ingelegde bedragen moe terugbetalen, aldus de man.\n\n4.39.. De vrouw betwist dat een dergelijke afspraak is gemaakt. Het klopt dat de man financieel heeft bijdragen bij de aankoop van de woning en dat er bij de aankoop van de woning een adviesgesprek is geweest over het maken van afspraken daarover. Partijen hebben er vervolgens echter voor gekozen om van het maken van afspraken en het schriftelijk vastleggen daarvan af te zien. Volgens de vrouw heeft zij zelf veel aan werk aan de woning gedaan en heeft de man toen op enig moment gezegd “ik werk hard, jij werkt hard, we doen het samen” en “laat maar zitten”.\n\n4.40.. Niet in geschil is dat de man het door hem genoemde bedrag heeft ingelegd bij de aankoop van de woning en dat hij na aankoop investeringen in de woning heeft gedaan. De rechtbank stelt vast dat partijen hebben gesproken over het maken en vastleggen van een afspraak over de vergoedingsrechten. Dat er over gesproken is volgt ook uit de verklaringen die door de man zijn overgelegd. Zowel de makelaar als de hypotheekadviseur hebben geadviseerd om een en ander schriftelijk te laten vastleggen. Uit de verklaringen blijkt echter niet dat partijen onderling overeenstemming hadden over het bestaan dan wel het vastleggen van zo een afspraak. De hypotheekadviseur heeft partijen ook gewezen op het ontbreken van wederzijdse rechten bij gebreke van een samenlevingscontract. De rechtbank stelt vast dat het advies van de makelaar en de hypotheekadviseur uiteindelijk niet is uitgevoerd en dat er schriftelijk niets is vastgelegd. Dat partijen bij de notaris een adviesgesprek hebben gevoerd, is onvoldoende voor het aannemen van een tussen partijen geldende afspraak over de vergoedingsrechten. Het ligt op de weg van de man om te stellen en aannemelijk te maken dat er tussen partijen (stilzwijgende) bindende afspraken gemaakt zijn. In het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw is de rechtbank van oordeel dat de man onvoldoende heeft gesteld om vast te kunnen stellen dat er afspraken tussen de man en de vrouw zijn gemaakt die inhouden dat de man een vergoedingsrecht heeft op de vrouw wegens door zijn financiële inbreng bij aankoop van de woning of voor latere investeringen in de woning die de man uit privévermogen heeft betaald. De rechtbank komt daarom niet toe aan bewijslevering.\n\n4.41.. Dit betekent dat de man op de door hem primair aangevoerde grondslag geen vorderingsrecht op de vrouw heeft. De man heeft nog drie andere grondslagen aangevoerd op grond waarvan de vrouw hem een vergoeding verschuldigd zou zijn: onverschuldigde betaling, ongerechtvaardigde verrijking en de redelijkheid en billijkheid. Deze grondslagen zal de rechtbank hierna bespreken.\n\nOnverschuldigde betaling\n\n4.42.. Van onverschuldigde betaling in de zin van artikel 6:203 BW is sprake, indien door een partij een geldsom is betaald zonder dat daarvoor een rechtsgrond bestaat die de betaling rechtvaardigt.\n\n4.43.. \n\nDe man stelt dat hij uit privémiddelen heeft bijgedragen aan de gezamenlijke woning en dat deze investeringen niet gebaseerd zijn op een overeenkomst of een afspraak die hem verplichtte te betalen, zodat er sprake is van onverschuldigde betaling.\n\nDe vrouw voert aan dat het aan de man is om feiten en omstandigheden te stellen waaruit moet worden afgeleid dat een rechtsgrond voor de investeringen ontbreekt. Dit heeft de man volgens de vrouw onvoldoende gedaan, zodat zijn vordering op grond van onverschuldigde betaling moet worden afgewezen.\n\n4.44.. De rechtbank wijst de vordering van de man op de vrouw op grond van onverschuldigde betaling af. De man heeft de betreffende betalingen niet aan de vrouw gedaan, zodat alleen al om die reden geen sprake is van onverschuldigde betaling aan de vrouw en zij op deze grondslag dus niet gehouden is enig bedrag terug te betalen aan de man. Zelfs als zou komen vast te staan dat een rechtsgrond voor de door de man betaalde bedragen ontbreekt, geldt dus dat de man de ontvanger van de (onverschuldigd) betaalde gelden zou moeten aanspreken en niet de vrouw.\n\nOngerechtvaardigde verrijking\n\n4.45.. De man stelt dat de gezamenlijke woning van partijen in waarde is gestegen door de investeringen die hij in de woning heeft gedaan. De man heeft de investeringen uit privémiddelen betaald, zonder dat hij daarvoor een tegenprestatie heeft gekregen. De man is daardoor verarmd, terwijl de vrouw als gevolg van de waardestijging van de woning is verrijkt. Volgens de man is er daarom sprake van onrechtvaardige verrijking van de vrouw en moet zij de helft van de door hem gedane investeringen vergoeden.\n\n4.46.. Ongerechtvaardigde verrijking in de zin van artikel 6:212 BW is pas aan de orde indien aan de navolgende voorwaarden is voldaan. Er moet sprake zijn van (1) een verrijking van de vrouw, (2) ten koste van de man en (3) deze verrijking moet ongerechtvaardigd zijn.\n\n4.47.. De rechtbank oordeelt als volgt. De man legt aan zijn vordering ten grondslag dat de woning door de gedane investeringen in waarde is gestegen. De rechtbank stelt voorop dat een eventuele waardestijging in ieder geval niet het gevolg is van de inleg van de man bij de aankoop van de woning. Dat de waarde van de woning als gevolg van de investeringen is gestegen wordt door de man wel gesteld, maar niet onderbouwd. Zonder nadere toelichting van de man blijkt niet wat het effect van de verbouwing is geweest voor de waarde van de woning. De rechtbank kan daarom niet beoordelen of de vrouw door de verbouwing is verrijkt doordat de waarde van de woning is toegenomen.\n\n4.48.. Volgens rechtspraak van de Hoge Raad kan ook in het geval een verbouwing niet heeft geleid tot een waardestijging van een woning toch sprake zijn van ongerechtvaardigde verrijking, indien de kosten ten behoeve van de verbouwing voor rekening van één partij zijn gekomen en de andere partij zich die kosten heeft bespaard. Voor het oordeel dat de andere partij zich de kosten van de verbouwing heeft bespaard en aldus is verrijkt, is nodig dat als de eerste partij die kosten niet voor zijn rekening had genomen, de andere partij de kosten zelf zou hebben gemaakt of verplicht was te maken.\n\n4.49.. Het is dus de vraag of de vrouw de kosten voor de gedane investeringen in de gezamenlijke woning zou hebben gedaan, als de man dat niet had gedaan. De vrouw heeft onbetwist gesteld dat zij dat niet zou hebben gedaan, omdat zij daar financieel niet toe in staat geweest was. Dit betekent dat niet kan worden aangenomen dat de vrouw de kosten voor de investeringen zou hebben gemaakt, zodat niet valt in te zien dat de betalingen door de man ongerechtvaardigd zijn gedaan. De rechtbank wijst de vorderingen van de man uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking daarom af.\n\nRedelijkheid en billijkheid\n\n4.50.. Om een vergoedingsrecht aan te nemen uit hoofde van de redelijkheid en billijkheid, dient de man bijzondere feiten en omstandigheden te stellen die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat er een vergoedingsrecht bestaat. De man heeft slechts gesteld dat het zijn geld was en dat het niet eerlijk is dat de vrouw daar nu van profiteert. Dit zijn geen bijzondere feiten of omstandigheden, zeker niet nu uit de processtukken en wat is besproken op de zitting het beeld rijst dat de vrouw ook betalingen heeft verricht ten behoeve van de woning en de gezamenlijke huishouding. De rechtbank wijst de vorderingen van de man uit hoofde van de redelijkheid en billijkheid af.\n\nVergoedingsrechten vrouw\n\n4.51.. De vrouw stelt dat zij een vergoedingsrecht heeft op de man van € 17.830,44. Van een afspraak tussen partijen over het bestaan van dit vergoedingsrecht is niet gebleken. Ter zitting heeft de vrouw ook verteld dat er geen afspraken zijn geweest. Dat sprake zou zijn van een vergoedingsrecht op grond van onverschuldigde betaling of de redelijkheid en billijkheid is door de vrouw niet gesteld. De vrouw heeft wel gesteld dat er een vergoedingsrecht bestaat uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking, maar zij heeft dit niet inhoudelijk toegelicht. De rechtbank wijst de vordering van de vrouw daarom bij gebrek aan een deugdelijke onderbouwing af.\n\nInboedellijst\n\n4.52.. De man vordert dat de goederen op de inboedellijst zoals overgelegd in productie 31 bij de dagvaarding aan hem worden toebedeeld. De vrouw heeft hiertegen geen verweer gevoerd. Zij heeft ter zitting verklaard dat zij al haar spullen al uit de woning heeft meegenomen. De rechtbank zal de vordering van de man daarom toewijzen.\n\nGeldlening\n\n4.53.. De vrouw stelt dat de man op 6 november 2020 een bedrag van € 6.500,- van haar heeft geleend. De man heeft erkend dat hij dit bedrag heeft geleend van de vrouw, zodat de vordering van de vrouw tot terugbetaling van dit bedrag kan worden toegewezen.\n\n4.54.. De vrouw vordert ook wettelijke rente over het geleende bedrag. Primair vordert zij de wettelijke rente vanaf 6 november 2020. De rechtbank stelt voorop dat partijen niet zijn overeengekomen dat de man rente over de hoofdsom hoeft te betalen. De rechtbank overweegt dat de man daarom pas rente over de hoofdsom verschuldigd is vanaf het moment dat hij in verzuim verkeert. De man verkeerde op 6 november 2020 niet in verzuim, zodat de wettelijke rente niet vanaf die dag verschuldigd kan zijn. Subsidiair vordert de vrouw de wettelijke rente vanaf de datum van indiening van de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie. Het is juist dat een conclusie als ingebrekestelling kan dienen. Daarvoor is echter wel vereist dat die conclusie dan voldoet aan de vereisten genoemd in artikel 6:82 BW.In de conclusie wordt het bedrag van de geldlening voor het eerst opgevraagd en wordt door de vrouw niets gezegd over een termijn waartegen het bedrag moet zijn ontvangen. Dit betekent dat de conclusie niet voldoet aan de gestelde vereisten, zodat de man geen wettelijke rente is verschuldigd over het bedrag van de geldlening.\n\n4.55.. Ten slotte vordert de vrouw incassokosten. De rechtbank is van oordeel dat niet is gesteld of gebleken van verrichte incassowerkzaamheden, zodat er geen incassokosten verschuldigd zijn.\n\nUitvoerbaarheid bij voorraad en zekerheidstelling\n\n4.56.. De vrouw heeft in de conclusie van antwoord verweer gevoerd tegen de vordering van de man om dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en subsidiair verzocht om te bepalen dat de man zekerheid stelt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw laten weten dat dit verweer alleen geldt als de rechtbank de woning aan de man toedeelt tegen een waarde van € 405.000,-. Uit wat hiervoor is overwogen, blijkt dat die situatie zich niet voordoet. De rechtbank zal dit verweer daarom verder niet bespreken en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad (zonder zekerheidstelling) verklaren.\n\nProceskosten\n\n4.57.. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin conventie en reconventie\n\n5.1.. gelast de navolgende wijze van verdeling van de woning aan de [adres] ( [postcode] ) in [woonplaats] en bepaalt:\n\ndat de man binnen twee weken na de datum van dit vonnis drie taxateurs aan de vrouw voorstelt, van wie de vrouw er binnen twee weken daarna één uitkiest die belast wordt met de taxatie van de woning;\n\ndat partijen binnen één week nadat de vrouw haar keuze aan de man kenbaar heeft gemaakt opdracht dienen te verstrekken aan de taxateur om de woning te taxeren tegen de actuele marktwaarde;\n\ndat de uitkomst van de taxatie voor beide partijen bindend is en dat beide partijen de helft van de kosten van de taxatie dienen te betalen;\n\ndat de man binnen twee weken nadat de getaxeerde waarde van de woning schriftelijk aan partijen kenbaar is gemaakt, aan de vrouw schriftelijk dient mee te delen of hij de woning tegen die getaxeerde waarde wenst over te nemen;\n\ndat de man, indien hij de woning wenst over te nemen, de woning krijgt toegedeeld onder de (opschortende) voorwaarden dat (a) de man de hypothecaire lening als eigen schuld op zich neemt, (b) hij ervoor zorgt dat de levering van de woning ten overstaan van de notaris uiterlijk binnen drie maanden na het verstrijken van de onder 4 vermelde termijn plaatsvindt, en (c) de vrouw uiterlijk ten tijde van de levering is of wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening;\n\ndat, indien de man slaagt in het bepaalde onder 5, partijen moeten meewerken aan de notariële overdracht van het aandeel van de vrouw in de woning aan de man en dat de kosten van het notariële transport van de woning voor rekening van de man komen;\n\ndat, indien de man niet binnen de 4 genoemde termijn aan de vrouw meedeelt dat hij de woning wenst over te nemen of meedeelt de woning niet willen overnemen of indien hij niet slaagt in het bepaalde onder 5, de vrouw binnen twee weken daarna aan de man schriftelijk dient mee te delen of zij de woning tegen de getaxeerde waarden wenst over te nemen;\n\ndat de vrouw, indien zij de woning wenst over te nemen, de woning krijgt toegedeeld onder de (opschortende) voorwaarden dat (a) de vrouw de hypothecaire lening als eigen schuld op zich neemt, (b) zij ervoor zorgt dat de levering van de woning ten overstaan van de notaris uiterlijk binnen drie maanden na het verstrijken van de onder 7 vermelde termijn plaatsvindt, en (c) de vrouw uiterlijk ten tijde van de levering is of wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening;\n\ndat, indien de vrouw slaagt in het bepaalde onder 8, partijen moeten meewerken aan de notariële overdracht van het aandeel van de man in de woning aan de vrouw en de kosten van het notariële transport van de woning voor rekening van de vrouw komen;\n\ndat, indien geen van partijen de woning wenst over te nemen of er in slaagt de woning over te nemen tegen de taxatiewaarde, de woning verkocht dient te worden;\n\ndat de man dan binnen twee weken vanaf de datum waarop duidelijk is geworden dat de vrouw de woning niet wil of kan overnemen drie makelaars aan de vrouw voorstelt, van wie de vrouw er binnen twee weken één uitkiest;\n\ndat partijen binnen één week nadat de vrouw haar keuze aan de man kenbaar heeft gemaakt, opdracht dienen te verstrekken aan de gekozen makelaar om de woning te verkopen;\n\ndat partijen binnen twee weken na opdrachtverlening in onderling overleg en met de makelaar de vraagprijs en de voorwaarden van de verkoop vaststellen, Indien partijen dit niet in onderling overleg kunnen afspreken, zullen zij de adviezen van de makelaar hierover moeten opvolgen. Ook moeten partijen alle verdere adviezen en aanwijzingen van de makelaar over het verkooptraject opvolgen;\n\ndat partijen moeten meewerken aan de verkoop van de woning door het verlenen van toegang tot de woning aan de makelaar of door hem ingeschakelde hulppersonen voor onder meer het maken van foto’s van de woning en aan de makelaar en potentiële kopers voor bezichtigingen van de woning. Partijen zullen niet aanwezig zijn bij bezichtigingen;\n\ndat partijen, indien een bod op de woning wordt gedaan, dit dienen te accepteren als de makelaar dit adviseert;\n\ndat partijen dienen mee te werken aan het opstellen en ondertekenen van de koopovereenkomst;\n\ndat partijen dienen mee te werken aan de levering van de woning ten overstaan van de notaris door de leveringsakte na behoorlijke oproeping bij de notaris te ondertekenen of daartoe (op eigen kosten) een getekende volmacht aan de notaris te verstrekken;\n\ndat partijen ieder de helft van de kosten die verband houden met de verkoop en levering van de woning (kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering) dragen;\n\ndat de verkoopopbrengst na aftrek van de verkoopkosten ter aflossing van de hypothecaire lening dient te worden aangewend;\n\ndat partijen een eventuele overwaarde of een eventuele restschuld bij helfte dienen te verdelen.\n\n5.2.. bepaalt dat partijen verplicht zijn hun medewerking te verlenen aan het bepaalde onder 5.1.,\n\n5.3.. bepaalt dat indien één van partijen niet (tijdig) meewerkt aan het bepaalde onder 5.1., dit vonnis op grond van artikel 3:300 lid 1 BW dezelfde kracht heeft als een door de betreffende partij ondertekende volmacht aan de andere partij om de in deze veroordeling omschreven rechtshandeling(en) te verrichten,\n\n5.4.. bepaalt dat de man het exclusief gebruik van de woning verkrijgt en de vrouw de woning niet zonder toestemming van de man mag betreden vanaf 1 mei 2026 tot het moment dat de woning aan één van partijen wordt toebedeeld of de woning is verkocht en geleverd aan een derde,\n\n5.5.. bepaalt dat vanaf 1 mei 2026 tot het moment dat de woning aan één van partijen wordt toebedeeld of de woning is verkocht en geleverd aan een derde de volledige eigenaars- en gebruikerslasten van de woning voor rekening van de man komen,\n\n5.6.. bepaalt dat de goederen die op de inboedellijst (productie 31 van de man) staan aan de man worden toebedeeld,\n\n5.7.. veroordeelt de man een bedrag van € 6.500,- aan de vrouw te betalen,\n\n5.8.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.9.. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,\n\n5.10.. wijst het meer of anders gevorderde af,\n\nDit vonnis is gewezen door mr. N. Boots, rechter, bijgestaan door de griffier mr. M. Bouwen en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.\n\n De man heeft afgesproken de waterschapsbelasting in tien termijnen van € 50,04 te betalen. Dit komt neer op een last van € 41,70 per maand (€ 50,04 x 10 = € 500,40 : 12 maanden).\n\n Hoge Raad 10 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:707.\n\n Hoge Raad 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1012","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:6975","2026-06-12T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:53.961Z",{"id":122,"ecli":123,"slug":124,"caseNumber":43,"courtId":125,"decisionDate":126,"fullText":127,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":128,"sourceTimestamp":129,"parsedAt":51,"updatedAt":130},"1905","ECLI:NL:RBMNE:2026:2059","ecli-nl-rbmne-2026-2059",63,"2026-04-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK Midden-Nederland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nZaaknummer: C\u002F16\u002F604707 \u002F BE ZA 25-69\n\nVonnis in incident van 1 april 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [eiser sub 1] ,\n\nte [plaats] , 2. [eiseres sub 2],\n\nte [plaats] , 3. [eiseres sub 3],\n\nte [plaats] ,\n\neisende partijen in de hoofdzaak,\n\neisende partijen in het incident,\n\nhierna samen te noemen: [eisers] ,\n\nadvocaat: mr. I. Lieberwerth,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nte [plaats] ,\n\ngedaagde partij in de hoofdzaak,\n\ngedaagde partij in het incident,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nadvocaat: mr. C. Waanders.\n\n1. Het verloop van de procedure1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nde dagvaarding, tevens houdende een eis in incident, met producties 1 t\u002Fm 13;\n\nde conclusie van antwoord in incident, met producties 1 t\u002Fm 7.\n\n1.2. Daarna is bepaald dat er uitspraak wordt gedaan in het incident.\n\n2. De beoordelingHet geschil in het incident2.1. \n [eisers] hebben in het incident gevorderd om [gedaagde] te veroordelen tot afgifte van alle bankafschriften over de periode van 1 december 2018 tot 1 juli 2024 die (mede) op naam staan van de hierna te noemen erflater, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het incident.\n\n2.2. \n [gedaagde] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de incidentele vordering met hoofdelijke veroordeling van [eisers] in de kosten van het incident.\n\nDe beslissing in het incident2.3. De rechtbank zal de vordering in het incident afwijzen en de proceskosten in het incident compenseren. De rechtbank zal deze beslissing hieronder toelichten, nadat de rechtbank eerst heel kort het geschil in de hoofdzaak heeft toegelicht.\n\nWaar gaat de hoofdzaak over2.4. \n [eisers] zijn de kinderen van [erflater] , hierna te noemen: erflater. Erflater is van 1957 tot 1976 gehuwd geweest met hun moeder. Dit huwelijk is door echtscheiding ontbonden. Erflater is op [datum] 1978 gehuwd met [gedaagde] onder huwelijkse voorwaarden, inhoudende koude uitsluiting. Dit huwelijk is op [datum] 2024 ontbonden door de dood van erflater.\n\n2.5. Erflater heeft op 27 maart 2017 voor het laatst over zijn nalatenschap beschikt. In zijn testament heeft hij [eisers] onterfd en [gedaagde] benoemd tot enig erfgenaam en executeur. [eisers] hebben een beroep gedaan op hun legitieme. Zij vorderen in de hoofdzaak dat de rechtbank de hoogte van hun legitieme vaststelt en [gedaagde] veroordeelt om de legitieme aan hen uit te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\nHet toetsingskader2.6. Op grond van artikel 4:78 lid 1 BW heeft een legitimaris die niet erfgenaam is tegenover de erfgenamen, dan wel als er een met beheer belaste executeur in functie is, de executeur, aanspraak op inzage in en een afschrift van alle bescheiden die hij voor de berekening van zijn legitieme portie nodig heeft. Ook moeten zij hem op zijn verzoek alle benodigde inlichtingen verschaffen. Dit informatierecht moet ruim worden opgevat, maar is (zoals uit de tekst van het wetsartikel blijkt) wel beperkt tot gegevens die de legitimaris voor de berekening van zijn legitieme portie nodig heeft. Artikel 4:78 geeft de legitimaris geen algemeen recht op rekening en verantwoording en ook geen algemeen recht op inzage in het uitgavepatroon de erflater. Pas als de legitimaris voldoende aannemelijk maakt dat inzicht in het verloop van de bankrekeningen nodig is om de omvang van de legitieme vast te stellen, weegt zijn recht zwaarder dan het recht van de erflater en diens erfgenaam\u002Fpartner op privacy.\n\n2.7. \n [eisers] hebben gesteld dat zij de bankafschriften nodig hebben om de verklaring van [gedaagde] te controleren dat er geen schenkingen zijn gedaan die van belang zijn voor de omvang van de legitieme, door [gedaagde] gesteld op € 1.426,82 per kind. Verder hebben [eisers] gesteld dat de bankafschriften nodig zijn om te kunnen onderzoeken of erflater leningen heeft verstrekt en\u002Fof er sprake is van een vergoedingsrecht van erflater (en dus van de nalatenschap) op [gedaagde] of van een vordering op grond van artikel 3 van de huwelijks voorwaarden (kosten huishouding).\n\n2.8. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] aan [eisers] voldoende informatie heeft verstrekt om de legitieme te kunnen berekenen en controleren. Daarvoor hebben [eisers] de bankafschriften niet nodig. [gedaagde] heeft aan [eisers] namelijk onder meer al de volgende documenten ter beschikking gesteld:\n\neen boedelbeschrijving, met onderliggende bescheiden over onder meer de kosten van de uitvaart;\n\nafschriften van de vier en\u002Fof-rekeningen van [gedaagde] en erflater per datum overlijden bij ABN AMRO;\n\nfinanciële jaaroverzichten van ABN AMRO vanaf 2020 t\u002Fm 2023 waaruit het verloop van deze vier rekeningen bij ABN AMRO blijkt;\n\nde gezamenlijke IB-aangiften en aanslagen 2018 t\u002Fm 2023 van erflater en [gedaagde] , waaruit onder meer het inkomen van beiden en hun vermogen in box 3 blijken;\n\nReeningafschriften ter onderbouwing van de wijze waarop de aflossing van de hypotheek volgens [gedaagde] is gefinancierd.\n\n2.9. Partijen zijn het over eens dat de helft van de saldi op de vier en\u002Fof-rekeningen tot de nalatenschap behoort en dat [eisers] geen privébankrekeningen had. In lijn daarmee heeft [gedaagde] de helft van die saldi per sterfdatum opgenomen in de boedelbeschrijving. Uit de financiële jaaroverzichten en de IB-aangiften blijkt dat de saldi van deze vier en\u002Fof-rekeningen vanaf 2019 over de jaren heen een geleidelijke stijging laten zien. Gegeven het relatief bescheiden inkomen dan erflater en [gedaagde] (AOW en pensioen), afgezet tegen de gebruikelijke kosten van levensonderhoud, wijst die stijging er niet op dat schenkingen zijn verricht die meegenomen zouden moeten worden bij de berekening van de legitieme. Verder duidt dit er evenmin op dat er leningen zijn verstrekt. Uit de aangiften inkomstenbelasting blijkt ook niet van het bestaan van uitstaande vorderingen, die alsnog op de boedelbeschrijving zouden moeten worden geplaatst.\n\n2.10. Naar het oordeel van de rechtbank hebben [eisers] evenmin voldoende belang bij de rekeningafschriften om te onderzoeken of sprake is van een vordering op grond van artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden. Het is wel waarschijnlijk dat erflater meer heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding dan [gedaagde] , maar daar was hij ook toe verplicht omdat zijn inkomen hoger was. Verder duidt de toename van de saldi op de en\u002Fof-rekeningen er niet op dat het gezamenlijke inkomen ontoereikend was om de kosten van de huishouding te betalen. Een onderzoek of wel naar rato van vermogen is bijgedragen in de kosten van de huishouding is daarom niet aan de orde. Overigens bevatten de huwelijkse voorwaarden een vervalbeding van een jaar voor verrekening van te veel betaalde kosten van de huishouding.\n\n2.11. Wat dan rest is een eventueel vergoedingsrecht van de nalatenschap op [gedaagde] , dat zou kunnen volgen uit de wijze waarop de hypotheekschuld is afgelost. [eisers] hebben expliciet op die aflossing gewezen. Deze hypotheekschuld betrof de woning, waarin erflater en [gedaagde] samenwoonden en die uitsluitend eigendom was en is van [gedaagde] . Deze bedroeg op 1 januari 2018 nog € 42.500,-, op 1 januari 2019 € 36.125,- en op 1 januari 2021 € 30.706,-, waarna de hypotheekschuld in 2021 geheel is afgelost. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde] echter voldoende uiteengezet en met stukken onderbouwd hoe de aflossingen zijn gefinancierd. Daarvoor is niet nodig dat zij alle afschriften van de en\u002Fof-rekeningen verstrekt. Overigens volgt uit hetgeen [gedaagde] zelf stelt dat er in 2021 uit gezamenlijke middelen € 16.000,- is afgelost op de hypotheekschuld, hetgeen duidt op een vermogensoverdracht van [eisers] naar [gedaagde] van € 8.000,-. De beoordeling van de stelling van [gedaagde] dat dit de voldoening van een natuurlijke verbintenis betrof is van juridische aard. Ook daarvoor zijn de bankafschriften niet nodig.\n\n2.12. De rechtbank geeft partijen overigens dringend in overweging met elkaar in overleg te treden ten behoeve van een minnelijke regeling, gelet op het geringe financiële belang van de zaak en het feit dat de legitieme, anders dan waarvan [eisers] bij dagvaarding nog uitgingen, niet eerder dan na het overlijden van [gedaagde] opeisbaar is. Het ware beter geweest als [gedaagde] [eisers] hiervan tijdig in kennis had gesteld door hen niet alleen een uittreksel van het testament, waaruit dit niet bleek, maar het testamant in zijn geheel ter beschikking te stellen.\n\nProceskosten2.13. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten in het incident tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\nHet verdere verloop van de procedure2.14. De rechtbank zal de hoofdzaak verwijzen naar de rol van 13 mei 2026 voor het nemen van een conclusie van antwoord.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin het incident\n\n3.1. wijst het gevorderde af;\n\n3.2. compenseert de kosten van het incident in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;\n\nin de hoofdzaak\n\n3.3. bepaalt dat de zaak weer op de rol van 13 mei 2026zal komen voor het nemen van een conclusie van antwoord in de hoofdzaak;\n\n3.4. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.A.A.T. Engbers en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2059","2026-04-30T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:44.770Z",{"id":132,"ecli":133,"slug":134,"caseNumber":43,"courtId":135,"decisionDate":136,"fullText":137,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":138,"sourceTimestamp":136,"parsedAt":51,"updatedAt":139},"1338","ECLI:NL:GHARL:2026:1345","ecli-nl-gharl-2026-1345",60,"2026-03-05T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.355.854\n\n(rechtbank Gelderland toezichtnummer: NL:TZ:000030055l:B001 en CBM-nummer: BM85435)\n\nbeschikking van 5 maart 2026\n\ninzake\n\n [verzoeker1],\n\nverder te noemen: [verzoeker1] ,\n\nen\n\n [verzoekster2],\n\nverder te noemen: [verzoekster2] ,\n\nbeiden wonende in [woonplaats1] (gemeente [gemeentenaam] ),\n\nverzoekers in hoger beroep,\n\nverder gezamenlijk ook te noemen: de bewindvoerders,\n\nadvocaat: mr. G.D. te Biesebeek.\n\nAls overige belanghebbende is aangemerkt:\n\n [belanghebbende1],\n\nwonende in [woonplaats2] (gemeente [gemeentenaam] ),\n\nverder te noemen: de moeder.\n\n1. Het geding in eerste aanleg\n\nHet hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, afdeling toezicht, locatie Zutphen (hierna: de kantonrechter), van 21 maart 2025, uitgesproken onder het hiervoor genoemde toezicht- en CBM-nummer (hierna ook: de bestreden beschikking).\n\n2. Het geding in hoger beroep\n\n2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit het beroepschrift met bijlagen, bij het hof binnengekomen op 18 juni 2025.\n\n2.2. De mondelinge behandeling heeft op 14 november 2025 plaatsgevonden. Aanwezig waren de bewindvoerders en hun advocaat.\n\n2.3. Na de mondelinge behandeling is met toestemming van het hof ingekomen een journaalbericht namens de bewindvoerders van 16 december 2025 met een akte overlegging producties en de producties 18 tot en met 27.\n\n3. De feiten\n\n3.1. De moeder, geboren [in] 1943, is weduwe van [naam1] , die is overleden [in] 2024. [verzoeker1] was hun enig kind. [verzoekster2] is gehuwd met [verzoeker1] .\n\n3.2. Bij beschikking van 3 juli 2023 zijn de goederen van de moeder ‘wegens haar geestelijke of lichamelijke toestand’ onder bewind gesteld, waarbij [verzoeker1] en [verzoekster2] gezamenlijk zijn benoemd tot bewindvoerders. De moeder woont in een zorginstelling.\n\n3.3. In het testament van [naam1] , gedateerd 25 oktober 2005, is de moeder tot enig erfgenaam benoemd. [verzoeker1] is uitgesloten van erfopvolging.\n\n3.4. \n [verzoeker1] en de ouders waren ieder voor één\u002Fderde eigenaar van een perceel grond met woning en verdere aanhorigheden, in gezamenlijke eigendom gekregen ten titel van koop op 11 december 1990. [verzoeker1] was daarnaast nog eigenaar van een perceel grond. Op 23 januari 2025 zijn beide percelen geleverd aan een derde voor een bedrag van in totaal € 555.000,-.\n\n3.5. Uit de nota van afrekening van de notaris van 23 januari 2025 blijkt dat na verrekening van de eigenaarslasten en de betaling van kosten verbonden aan de verkoop en levering van genoemde percelen € 15.000,- is overgemaakt aan [verzoeker1] als zijnde de verkoopprijs voor zijn perceel grond en € 177.228,30 voor zijn (een derde) eigenaarsgedeelte van het andere perceel en aan de moeder € 354.456,58 voor haar (twee derde) eigenaarsgedeelte. Dit (twee derde) aandeel van de moeder is samengesteld uit haar aandeel (een derde) en haar erfdeel in de nalatenschap van [naam1] (ook een derde).\n\n3.6. Bij verzoekschrift, ingekomen bij de kantonrechter op 8 februari 2025, hebben de bewindvoerders de kantonrechter verzocht om hen een machtiging te verlenen voor uitbetaling van een vordering die [verzoeker1] had op zijn ouders en na het overlijden van [naam1] dus (alleen op) de moeder heeft. Kort gezegd ligt aan deze vordering de stelling ten grondslag dat [verzoeker1] als enig deelgenoot in de jaren 1990 tot en met 2023 de hypotheeklasten, vaste lasten en verbouwingskosten van de gezamenlijke woning volledig heeft betaald. De ouders hebben niet daarin volgens [verzoeker1] in het geheel niet bijgedragen. [verzoeker1] vordert van de moeder als deelgenoot twee\u002Fderde van het door hem betaalde terug.\n\n4. De omvang van het geschil\n\n4.1. Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter het in 3.6 genoemde verzoek afgewezen.\n\n4.2. \n\nDe bewindvoerders zijn in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Zij verzoeken het hof die beschikking te vernietigen en alsnog te bepalen dat [verzoeker1] een vordering op de moeder heeft van € 354.456,58, dan wel een bedrag dat het hof juist acht, waarbij de bewindvoerders worden gemachtigd om dit bedrag aan [verzoeker1] in persoon uit te keren.\n\n5. De motivering van de beslissing\n\nWat staat in de wet?\n\n5.1. \n\nOp grond van artikel 1:441 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) draagt de bewindvoerder zorg voor een doelmatige belegging van het vermogen van de rechthebbende, voor zover dit onder het bewind staat en niet besteed behoort te worden voor een voldoende verzorging van de rechthebbende. De bewindvoerder kan voorts voor de rechthebbende alle handelingen verrichten die aan een goed bewind bijdragen.\n\nOp grond van het tweede lid van artikel 1:441 BW behoeft de bewindvoerder toestemming van de rechthebbende of, indien deze daartoe niet in staat of weigerachtig is, machtiging van de kantonrechter voor een aantal, in die bepaling onder a tot en met f genoemde handelingen.\n\nHet standpunt van [verzoeker1] in persoon en de bewindvoerders\n\n5.2. \n [verzoeker1] stelt dat hij een vordering op de moeder heeft, omdat hij als enige deelgenoot alle financiële lasten van de gezamenlijke woning vanaf de levering in 1990 tot de overdracht in 2025 heeft gedragen. Ten tijde van de levering in 2025 was de woning niet meer belast met een (hypothecaire) lening. [verzoeker1] stelt dat hij de koopsom in de loop der jaren volledig heeft voldaan, enerzijds door ten tijde van de aankoop uit eigen middelen een deel van de koopsom te voldoen en deze later volledig af te lossen. Daarnaast heeft hij al die jaren alle hypothecaire lasten van de woning, zoals de rentebetaling volledig voor zijn rekening genomen. De ouders genoten zelf wel voor twee\u002Fderde gedeelte hypotheekrenteaftrek van de door hem betaalde rente, terwijl ze feitelijk geen rente betaalden omdat [verzoeker1] die voldeed. Daarnaast heeft hij de onroerend goedbelasting telkens betaald en ook alle andere eigenaarslasten, zoals de kosten voor gas, water en licht. De woning is destijds verbouwd en ook de gemaakte verbouwingskosten heeft hij als enige volledig voor zijn rekening genomen. [verzoeker1] stelt dat hij ten behoeve van de ouders op grond van dit alles in totaal een bedrag van € 234.627,- heeft voldaan. In hoger beroep vindt [verzoeker1] dat gezien de bijzondere omstandigheden van het geval hem echter een bedrag van € 354.456,58 toekomt, zijnde het (twee\u002Fderde) deel van de verkoopopbrengst van de woning dat aan de moeder is uitgekeerd, omdat ook sprake is (geweest) van waardestijging als gevolg van de door hem gedane investeringen.\n\n5.3. \n\n [verzoeker1] stelt dat hij er altijd van uit is gegaan dat hij na het overlijden van zijn ouders de woning zou erven en de voldane bedragen op die manier terug zou (kunnen) krijgen. Nu uit het testament van de vader (en de moeder) is gebleken dat hij onterfd is, is (ook juridisch) sprake van een andere situatie dan waar hij al die jaren van uit is gegaan en heeft mogen gaan en maakt hij jegens de ouders als de andere twee deelgenoten in het gemeenschappelijke onroerend goed aanspraak op terugbetaling van genoemd bedrag.\n\n [verzoeker1] vindt dat zijn vordering dient te worden beoordeeld op grond van het feit dat hij uit hoofde van onverschuldigde betaling (artikel 6:203 BW) of ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW) recht heeft op vergoeding van de door hem gedane uitgaven welke ten gunste zijn gekomen van zijn ouders\u002Fde moeder. Tot slot vormen de eisen van redelijkheid en billijkheid een grondslag uit hoofde waarvan aan hem een vergoedingsrecht toekomt, aldus [verzoeker1] . Net als bij informeel samenlevenden bestaat er tussen hem en zijn ouders een rechtsverhouding die mede door de redelijkheid en billijkheid wordt beheerst, aldus [verzoeker1] .\n\nDe bewindvoerders verzoeken daarom het hof hen te machtigen een bedrag van € 354.456,58 dan wel een ander door het hof vast te stellen bedrag aan [verzoeker1] in persoon uit te keren.\n\nWat oordeelt het hof?\n\n5.4. Het hof constateert allereerst dat [verzoeker1] in deze zaak een conflicterend belang heeft, omdat hij stelt in privé een vordering te hebben op de moeder en tegelijkertijd is hij samen met [verzoekster2] als bewindvoerder de wettelijke vertegenwoordiger van de moeder in deze zaak, hetgeen tot gevolg heeft dat de moeder geen verweer heeft gevoerd. Het hof voelt zich daarom ter bescherming van de onder bewind gestelde ambtshalve geroepen zich uit te laten over de vraag of de door [verzoeker1] gestelde vordering (deels) is verjaard.\n\n5.5. Op grond van artikel 6:203 BW kan een onverschuldigde betaling van de ontvanger worden teruggevorderd. [verzoeker1] stelt niet dat hij onverschuldigde betalingen aan de ouders heeft verricht, maar dat hij betalingen ten behoeve van de ouders, dan wel de moeder heeft verricht. Het hof verstaat dat [verzoeker1] zijn vordering grondt op ongerechtvaardigde verrijking als bedoeld in artikel 6:212 BW. Voor een geslaagd beroep op ongerechtvaardigde verrijking dient vast te staan dat sprake is van verrijking bij de een en van verarming bij de ander en dat tussen de verarming en de verrijking voldoende (causaal) verband bestaat. De verrijkte is dan gehouden tot het betalen van schadevergoeding tot het bedrag van zijn verrijking voor zover dat redelijk is. [verzoeker1] heeft vanaf de aankoop van de woning buitengewoon nauwgezet bijgehouden welke betalingen hij ten behoeve van de onroerende zaak en dus van de ouders heeft verricht en op basis van de op verzoek van het hof door [verzoeker1] en [verzoekster2] overgelegde stukken over de jaren 1990 tot en met 2025 (waaronder bankafschriften, facturen en belastingaangiften) is naar het oordeel van het hof voldoende gebleken dat door [verzoeker1] ten behoeve van zijn ouders betalingen zijn verricht voor hypotheeklasten, vaste lasten en verbouwingskosten voor een bedrag van € 234.627,-. Daardoor hebben de ouders zich deze kosten bespaard en aldus zijn ze verrijkt en als [verzoeker1] die kosten niet voor zijn rekening had genomen, zouden de ouders die kosten zelf hebben gemaakt of waren verplicht die te maken.\n\n5.6. De vordering op grondslag van ongerechtvaardigde verrijking betreft een vorm van schadevergoeding. De verjaring van deze vordering is geregeld in artikel 3:310 lid 1 BW en de verjaringstermijn bedraagt vijf jaren, te rekenen vanaf, kort gezegd, het tijdstip dat de benadeelde (hier: [verzoeker1] ) bekend is geworden met de schade en de aansprakelijke persoon (hier: de ouders\u002Fde moeder). Uit het dossier blijkt dat [verzoeker1] al langere tijd wist (in elk geval vanaf het moment dat hij [verzoekster2] leerde kennen in 2001) dat hij betalingen verrichtte ten behoeve van zijn ouders. Naar het oordeel van het hof is van verjaring echter geen sprake. [verzoeker1] is er al die jaren van uit gegaan dat hij de woning zou erven en op die manier de betaalde bedragen terug zou krijgen. Pas na het bekend worden van het testament van de vader medio 2024 is [verzoeker1] gebleken dat het anders is gelopen. Naar het oordeel van het hof is [verzoeker1] pas toen bekend geworden met de (omstandigheid dat) schade (is ontstaan) en de aansprakelijkheid van de ouders en is van verjaring dus geen sprake. Maar ook als dat niet zo is en het grootste gedeelte van zijn vordering wel is verjaard, passeert het hof een mogelijk beroep op verjaring omdat dit beroep in deze zaak naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (artikel 6:2 BW). Het hof overweegt daartoe als volgt. Uit de stukken komt een beeld naar voren dat de ouders toen zij samen met [verzoeker1] de woning aankochten, afhankelijk waren van de financiële steun door [verzoeker1] . De vader heeft volgens [verzoeker1] toen hij dertig jaar was een ongeluk gehad en hij heeft vanaf dat moment een bijstandsuitkering ontvangen. Uit de overgelegde belastingaangiften 2007, 2012 en 2014 blijkt ook dat de vader naast zijn AOW-uitkering nauwelijks pensioen ontving (in 2007 € 3.015,-). De moeder ontving in 2007 aan pensioen € 11.269,- en nog geen AOW-uitkering. In 2012 ontving zij nog een pensioen van € 3.132,- naast een AOW-uitkering. Het komt het hof aannemelijk voor dat de financiële situatie van de ouders ertoe heeft geleid dat er destijds een situatie is ontstaan, waarin werd verwacht dat [verzoeker1] - die een zeer goed inkomen had, geen relatie had en enig kind is - alle kosten met betrekking tot de gezamenlijke woning diende te voldoen. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de moeder kennelijk de boekhouding deed en zij ook een tweede pinpas van [verzoeker1] beheerde en daarmee contanten opnam waarvan later toen [verzoeker1] haar daarmee confronteerde werd gezegd dat dit kostgeld was, terwijl [verzoeker1] al alle kosten met betrekking tot de woning voldeed. Het besef dat hij alles betaalde, kwam voor [verzoeker1] toen [verzoekster2] de boekhouding van de moeder overnam. De relatie met [verzoekster2] zorgde ervoor dat de verstandhouding tussen [verzoeker1] en de ouders verslechterde. Uit het dossier blijkt dat de ouders destijds bij de notaris zijn geweest om te bespreken wat de mogelijkheden waren om het aandeel van [verzoeker1] in de woning over te nemen, omdat de relatie met [verzoeker1] op dat moment veel te wensen overliet door met name de partnerkeuze van [verzoeker1] . Het hof acht het aannemelijk dat gelet op de verslechterde onderlinge relatie [verzoeker1] zijn vordering op de ouders niet met hen bespreekbaar kon maken. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de ouders in 2005 toen [verzoeker1] en [verzoekster2] de woning verlieten, niet wilden meewerken aan de verhuur van de zelfstandige leefruimte op de eerste verdieping waar zij hebben gewoond terwijl [verzoeker1] ook in de jaren daarna alle lasten met betrekking tot de woning heeft voldaan. Daarbij komt dat [verzoeker1] op de zitting heeft verklaard dat hij altijd heeft gedacht dat uiteindelijk één en ander zou worden rechtgetrokken bij het overlijden van de ouders, want op het moment dat het huis is aangekocht hebben hij en de ouders alle drie testamenten gemaakt om alles na een overlijden van een van hen goed te regelen. Maar nadat in 2005 hun relatie met [verzoeker1] verslechterde hebben de ouders hun testamenten gewijzigd en hebben zij [verzoeker1] onterfd. Vlak na het overlijden van de vader in 2024 heeft [verzoeker1] kennisgenomen van het gewijzigde testament van de vader. De moeder heeft eenzelfde testament, waarin [verzoeker1] dus ook onterfd is. De moeder is vanwege haar geestelijke gesteldheid niet meer in staat om een nieuw testament te laten opstellen, zo zij daartoe al de wens zou hebben. Dit maakt dat voor [verzoeker1] er geen andere mogelijkheid is dan middels deze procedure alsnog aanspraak te maken op zijn vordering. Het hof is van oordeel dat in de gegeven omstandigheden [verzoeker1] in redelijkheid ervan uit kon gaan dat zijn vordering op de ouders later zou worden ‘rechtgetrokken’. Onder die omstandigheden acht het hof een beroep op verjaring van de vordering tot een bedrag dat door [verzoeker1] ten behoeve van de ouders is betaald, zoals gezegd naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Dit betekent dat het hof aan de bewindvoerders dan ook machtiging zal verlenen voor betaling van de vordering tot een bedrag van € 234.627,- uit het vermogen van de moeder aan [verzoeker1] ter zake ongerechtvaardigde verrijking. Naar het oordeel van het hof is de hoogte van de vordering van [verzoeker1] voldoende gebleken uit de op verzoek van het hof overgelegde bescheiden en de daarop gegeven toelichting, waaronder begrepen de door [verzoeker1] gedane betalingen en de inkomensgegevens van [verzoeker1] en de ouders over de aan de orde zijnde jaren.\n\n5.7. Het hof ziet geen aanleiding de vordering tot een hoger bedrag toe te wijzen, enkel en alleen omdat gebleken is dat sprake is geweest van een waardestijging van de woning, mogelijk mede als gevolg van alle door [verzoeker1] voldane bedragen. Uitgangspunt is dat [verzoeker1] aanspraak heeft op het bedrag van de verrijking aan de zijde van de ouders en dat omvat naar het oordeel van het hof niet zonder meer een waardestijging van een onroerende zaak. Dat kan onder bijzondere omstandigheden wellicht anders zijn, maar die zijn in deze zaak niet althans onvoldoende gesteld en zijn het hof overigens ook niet gebleken.\n\n6. De beslissing\n\nHet hof, beschikkende in hoger beroep:\n\nvernietigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van 21 maart 2025, en opnieuw beschikkende:\n\nverleent de bewindvoerders machtiging voor het doen van een betaling van een bedrag van € 234.627,- uit het vermogen van de moeder aan [verzoeker1] ter zake ongerechtvaardigde verrijking;\n\nverklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\nwijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, S. Kuijpers en M.E.L. Klein, en is in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1345","2026-07-13T00:29:16.624Z",{"id":141,"ecli":142,"slug":143,"caseNumber":43,"courtId":77,"decisionDate":144,"fullText":145,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":146,"sourceTimestamp":147,"parsedAt":51,"updatedAt":148},"1094","ECLI:NL:GHAMS:2026:439","ecli-nl-ghams-2026-439","2026-02-24T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nAfdeling civiel recht en belastingrecht\n\nTeam III (familie- en jeugdrecht)\n\nzaaknummers : 200.335.313\u002F01\n\nzaaknummer rechtbank : C\u002F13\u002F712123 \u002F HA ZA 22-11\n\narrest van de meervoudige familiekamer van 24 februari 2026\n\ninzake\n\n [de man]\n\nwonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,\n\nappellant in het principaal hoger beroep,\n\ngeïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,\n\nhierna ook te noemen: de man,\n\nadvocaat: mr. B.J. Davidse,\n\ntegen\n\n [de vrouw]\n\nwonende te [plaats B] ,\n\ngeïntimeerde in het principaal hoger beroep,\n\nappellante in het incidenteel hoger beroep,\n\nhierna ook te noemen: de vrouw,\n\nadvocaat: mr. H.J. Loonstein.\n\n1. Het geding in hoger beroep\n\n1.1.. De man is bij dagvaarding van 17 oktober 2023 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 19 juli 2023 dat is gewezen tussen de man als eiser in conventie, verweerder in reconventie en de vrouw als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie (hierna: het bestreden vonnis).\n\n1.2.. Partijen hebben daarna (in de hoofdzaak) de volgende stukken ingediend:\n\n- memorie van grieven van de zijde van de man;\n\n- memorie van antwoord, tevens houdende incidenteel hoger beroep, van de zijde van de vrouw;\n\n- akte uitlaten producties tevens antwoord in het principaal appel [het hof begrijpt: incidenteel appel] van de zijde van de man;\n\n- akte houdende uitlating producties van de zijde van de vrouw.\n\n1.3.. De vrouw heeft vóór haar memorie van antwoord een incidentele memorie tot zekerheidsstelling op de voet van artikel 224 Rv ingediend, waarna beide partijen in het incident nog een aantal processtukken hebben ingediend. Het heeft hof op 26 november 2024 in dit incident arrest gewezen. Daarbij is de incidentele vordering van de vrouw afgewezen.\n\n1.4.. De man heeft, onder intrekking van het oorspronkelijk onder primair 2 gevorderde, in het principaal hoger beroep geconcludeerd dat het hof bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis zal vernietigen en in zoverre opnieuw rechtdoende:\n\nPrimair\n\nzal bepalen dat de vrouw aan de man een bedrag van € 500.000,- verschuldigd is, en dat die betaling strekt tot nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst tot betaling van dit bedrag, al dan niet in de vorm van een schenking, met veroordeling van de vrouw tot betaling van voornoemd bedrag, binnen 10 dagen, althans binnen een door het hof in goede justitie vast te stellen termijn, na de in deze te wijzen uitspraak, te verhogen met de wettelijke rente van de dag van dagvaarding in eerste instantie en de kosten van executie;\n\nzal bepalen dat de vrouw de helft van de waarde van de te verdelen inboedel dient te vergoeden aan de man, te weten voor een totaalbedrag van € 44.950,-. In het geval de inboedel op een andere wijze gewaardeerd dient te worden verzoekt de man het hof dat het een deskundige aanwijst die de inboedel zal waarderen;\n\nSubsidiair\n\n3. te bepalen dat de vrouw aan de man een bedrag van € 81.739,94 verschuldigd is op grond van ongerechtvaardigde verrijking voor de betalingen gedaan vanaf de privérekening van de man ten behoeve van aankoop van goederen en zaken en overboekingen naar bankrekeningen van de vrouw;\n\n4. in het geval het hof de in randnummer 33 tot en met 46 genoemde betalingen (van de memorie van grieven) niet kwalificeert als een onverschuldigde betaling doet de man een beroep op vergoeding door de vrouw aan hem van € 81.739,94 op grond van de naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid vast te stellen vergoeding.\n\n1.5.. \n\nDe vrouw heeft in het principaal hoger beroep geconcludeerd het hoger beroep van de man, althans zijn memorie van grieven, nietig althans niet ontvankelijk te verklaren, dan wel het door de man gevorderde af te wijzen en het bestreden vonnis te bekrachtigen.\n\nIn het incidenteel hoge beroep heeft de vrouw gevorderd om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de man te veroordelen om aan haar een bedrag van € 41.500,- aan onrechtmatig verkregen gelden te betalen, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van ieder van de onrechtmatige opnames, alsmede op te heffen de door de man uit hoofde van het beslagverlof d.d. 2 februari 2022 gelegde conservatoire beslagen. Daarnaast heeft de vrouw gevorderd om de man in alle instanties te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n1.6.. De man heeft in het incidenteel hoger beroep geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw.\n\n1.7.. Partijen hebben de zaak ter zitting van 3 december 2025 doen bepleiten door hun advocaten, ieder aan de hand van pleitnotities die aan het hof zijn overgelegd. De man was daarbij in persoon aanwezig, de vrouw niet.\n\n1.8.. Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Partijen hebben vanaf medio 2006 een affectieve relatie met elkaar gehad. Op 27 mei 2020 hebben zij een samenlevingsovereenkomst met elkaar gesloten. Medio juli 2021 is de relatie tussen partijen beëindigd en is de samenlevingsovereenkomst opgezegd.\n\n2.2.. De vrouw houdt alle aandelen in [X] B.V., welke vennootschap op haar beurt alle aandelen houdt in een aantal dochtervennootschappen. De vrouw is daarnaast eigenaar (geweest) van een aantal onroerende zaken, waaronder een tweetal panden aan de [A-straat] te [plaats B] .\n\n3. Beoordeling\n\n3.1. \n\nDe rechtbank heeft in het bestreden vonnis, voor zover in hoger beroep van belang, de vordering van de man om de vrouw te veroordelen € 500.000,- aan hem te betalen, afgewezen. Aan deze vordering had de man primair de nakoming van een tussen partijen gesloten overeenkomst ten grondslag gelegd, subsidiair dat sprake is van een vergoedingsrecht uit hoofde van een stilzwijgende afspraak, onverschuldigde betaling en\u002Fof ongerechtvaardigde verrijking en\u002Fof de redelijkheid en billijkheid.\n\nVerder heeft de rechtbank op vordering van de man de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap van inboedel vastgesteld. Deze wijze van verdeling houdt in dat partijen om de beurt een inboedelgoed van de door de man overgelegde inboedellijst moeten kiezen totdat de gehele inboedel is verdeeld, een en ander zonder nadere verrekening.\n\nDe (meer subsidiaire) vordering van de man uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking in verband met bijdragen aan de verbouwingen aan onroerende zaken van de vrouw is afgewezen.\n\nOok de vordering van de vrouw tot betaling van € 41.500,- door de man in verband met onterechte overboekingen van haar rekening naar zijn rekening is afgewezen.\n\n3.2.. Tegen dit vonnis is de man met een vijftal afzonderlijk genummerde grieven opgekomen. In incidenteel hoger beroep heeft de vrouw twee grieven gericht tegen het bestreden vonnis.\n\nOntvankelijkheid van het hoger beroep\n\n3.3.. \n\nHet meest verstrekkende verweer van de vrouw in hoger beroep is dat de memorie van grieven van de man nietig is, althans dat de man in zijn hoger beroep niet ontvankelijk verklaard dient te worden. De vrouw heeft daartoe aangevoerd dat nergens in de memorie van grieven blijkt tegen welke specifieke rechtsoverwegingen van het bestreden vonnis de man zijn grieven richt. Bovendien geeft de man niet aan waarom hij het met bepaalde rechtsoverwegingen in het bestreden vonnis niet eens is. Volgens de vrouw heeft de man in zijn memorie van grieven (dus) niet voldoende duidelijk gemaakt wat in hoofdlijnen zijn bezwaren tegen het bestreden vonnis zijn en welke grieven opkomen tegen welke specifieke rechtsoverwegingen. De memorie van grieven voldoet volgens de vrouw dan ook niet aan de minimale eisen van leesbaarheid en begrijpelijkheid.\n\nDe man heeft betwist dat zijn memorie van grieven niet aan de daaraan te stellen vereisten voldoet. Volgens hem is duidelijk op welke onderdelen hij het niet met de uitspraak van de rechtbank eens is en waarom hij van mening is dat de uitspraak van de rechtbank vernietigd dient te worden.\n\n3.4.. Het hof oordeelt als volgt. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad worden aan grieven geen formele vereisten gesteld. Als grieven dienen te worden aangemerkt alle gronden die een appellant aanvoert ten betoge dat de bestreden uitspraak behoort te worden vernietigd, waarbij de eis geldt dat die gronden behoorlijk in het geding naar voren zijn gebracht, zodat zij voor de rechter en de wederpartij voldoende kenbaar zijn (zie HR 5 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AJ3242 en HR 12 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1899). Naar het oordeel van het hof heeft de man in zijn memorie van grieven voldoende duidelijk naar voren gebracht op welke gronden de uitspraak van de rechtbank naar zijn mening moet worden vernietigd. Daartoe heeft de man een vijftal afzonderlijk genummerde grieven aangevoerd, waarbij hij telkens heeft aangegeven welke beslissing van de rechtbank naar zijn mening onjuist is en waarom dit wat hem betreft het geval is. Voor de vrouw was dit blijkens de memorie van antwoord ook voldoende kenbaar, aangezien zij hiertegen verweer heeft gevoerd. Naar het oordeel van het hof is de man dan ook ontvankelijk in zijn hoger beroep en is van nietigheid van de memorie van grieven geen sprake.\n\nInhoudelijke beoordeling van het hoger beroep\n\nIn het principaal hoger beroep\n\nGrief 1 (schenkingsovereenkomst)\n\n3.5.. In grief 1 komt de man op tegen het oordeel van de rechtbank dat het e-mailbericht van de vrouw aan hem van 24 juni 2021 slechts als een voornemen tot schenking kwalificeert en niet als een overeenkomst. Volgens de man was de verdeling van het vermogen al langer onderwerp van gesprek tussen partijen. In dat kader hadden zij eerder al met elkaar afgesproken dat de vrouw aan hem een bedrag van € 500.000,- zou betalen. Dat bedrag kwam hem toe, omdat al het vermogen van partijen (waaronder de onderneming en onroerende zaken) vanwege ‘oude’ financiële problemen aan zijn zijde op naam van de vrouw waren gesteld, terwijl de waarde(-stijging) van dit vermogen door gezamenlijke inspanning van partijen is gerealiseerd. Deze ongelijkheid wilden partijen herstellen. Zij zijn vervolgens op 18 juni 2021 op een terras in [plaats C] bij elkaar gekomen om met elkaar te praten over de wijze waarop het bedrag van € 500.000,- aan de man zou worden overgemaakt. Partijen hebben daarbij ook nog over andere onderwerpen gesproken, zelfs over de mogelijkheid dat zij alsnog zouden trouwen. Bij dit gesprek was ook de heer [naam 1] aanwezig. Hij was de financieel adviseur van partijen, en kon partijen onder meer adviseren over de wijze waarop het bedrag van € 500.000,- met zo min mogelijk fiscale consequenties aan de man voldaan kon worden. De man had zelf naar de bespreking een berekening meegenomen, waaruit volgde dat bij betaling van een bedrag van € 500.000,- een bedrag van € 86.476,- aan schenkbelasting betaald zou moeten worden. Volgens de man hebben partijen tijdens het gesprek van 18 juni 2021 definitief met elkaar afgesproken dat de vrouw een bedrag van € 500.000,- aan hem zou betalen. Dit blijkt volgens de man uit de uitvoerige brief die hij op 20 juni 2021 aan de heer [naam 1] heeft gestuurd. Ook verwijst de man naar het appbericht van de vrouw van 23 juni 2021 met daarin de belofte: “Ik ga alles met je delen (..) wacht maar af.” Daarnaast heeft de vrouw de overeenstemming bevestigd in haar e-mailbericht van 24 juni 2021 aan de man en de heer [naam 1] . De man heeft de gemaakte afspraak bovendien nog eens bevestigd in zijn e-mailbericht van 27 juni 2021 (tijdstip 9.11 uur) aan de heer [naam 1] . Vervolgens stelde vrouw in haar e-mailbericht van 27 juni 2021 opeens als aanvullende voorwaarde dat betaling van het bedrag van € 500.000,- tegen finale kwijting zou moeten geschieden. Deze voorwaarde was echter niet eerder overeengekomen. Deze finale kwijting maakte dus geen deel uit van de al eerder gemaakte afspraak. De vrouw kon deze aanvullende voorwaarde dus ook niet meer stellen, aldus de man.\n\n3.6.. De vrouw heeft betwist dat partijen zijn overeengekomen dat zij aan de man een bedrag van € 500.000,- zou betalen. De vrouw heeft in het kader van de tussen partijen gevoerde gesprekken weliswaar een bedrag van € 500.000,- genoemd, maar daar is het bij gebleven. Het is aan de man om te bewijzen dat een afspraak tot stand is gekomen. Tijdens het gesprek op 18 juni 2021 is geen overeenkomst tot betaling van een bedrag van € 500.000,- gesloten, en een dergelijke overeenkomst kan volgens de vrouw ook niet uit de latere e-mailberichten van 24 en 27 juni 2021 worden afgeleid.\n\n3.7.. \n\nHet hof stelt bij zijn beoordeling voorop dat op de man de stelplicht en bewijslast rust van de feiten en omstandigheden die leiden tot het bestaan van een overeenkomst op grond waarvan de vrouw gehouden is om aan hem een bedrag van € 500.000,- te betalen. Hij doet immers een beroep op de rechtsgevolgen van die feiten en omstandigheden.\n\nNaar het oordeel van het hof heeft de man voldoende gemotiveerd gesteld dat sprake is van een afspraak. Ter onderbouwing van zijn stelling dat partijen een overeenkomst met elkaar hebben gesloten, heeft hij gewezen op het gesprek dat partijen op 18 juni 2021 in aanwezigheid van de heer [naam 1] op het terras hebben gevoerd. Daarbij heeft hij de notitie in geding gebracht die hij bij gelegenheid van dat gesprek had meegenomen. In die notitie wordt uitgegaan van een schenking van € 500.000,-. Op de notitie heeft de man met de hand geschreven ‘dure optie’. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man toegelicht dat deze opmerking betrekking had op de hoge schenkbelasting die verschuldigd zou zijn als ervoor zou worden gekozen om de betaling aan hem in de vorm van een schenking plaats te laten vinden. De man heeft verder gewezen op de uitvoerige brief die hij naar aanleiding van het gesprek op 18 juni 2021 aan de heer [naam 1] stuurde. Daarin schrijft hij onder meer: “Dan over vrijdag (…) op het terras in [plaats C] waar we een afspraak hadden om over de 5 ton schenking aan mij te praten, op welke manier dat nu eindelijk mijn kant op zou komen, eens waren we het al op het moment dat de serveerster aan tafel kwam afruimen en [de vrouw] niet het fatsoen had even haar mond te houden maar juist begon uit varen over verduistering van 9 ton, welke onjuist is, het vreemd gaan e.d. ik vind daar geen enkel excuus voor op zijn plaats, ze had dit nooit mogen doen, beschamend. Jij zat erbij en keer ernaar.” De man heeft verder nog gewezen op het mailbericht van de vrouw aan hem en de heer [naam 1] d.d. 24 juni 2021. Daarin schrijft de vrouw: “Wat er dan wel meteen kan gebeuren in(het hof begrijpt “is”)dat [naam 2] een aanvraag doet om [de man] 5 ton te schenken. Met zo min mogelijk kleerscheuren.” Ook hieruit volgt volgens de man dat partijen met elkaar de afspraak hadden gemaakt dat de vrouw aan de man een bedrag van € 500.000,- zou betalen.\n\n3.8.. De vrouw heeft de door man gestelde feiten echter gemotiveerd betwist. Zo heeft zij erop gewezen dat de man in zijn brief aan de heer [naam 1] (ook) heeft geschreven: “Een gesprek met zijn drieën vond ik zelf eigenlijk geen goed idee, (ik had ook iemand mee moeten nemen die aan mijn zijde stond) het is eigenlijk zo gelopen als ik had verwacht, het escaleerde en draaide uit op niets. We zijn dus geen steek verder gekomen.”. Hieruit volgt volgens de vrouw dat partijen nu juist geen afspraken met elkaar hebben gemaakt. De vrouw heeft verder gewezen op de brief van de advocaat van de man aan haar d.d. 8 juli 2021. In die brief schrijft de advocaat van de man: “Client zou graag afspraken met u willen maken over de verdeling van de (waarde van de) bedrijven, het onroerend goed en overig vermogen. U heeft al aan client toegezegd dat hij in ieder geval recht heeft op een bedrag van EUR 500.000,-“. Als sprake zou zijn geweest van een overeenkomst (aanbod en aanvaarding), had de advocaat van de man volgens de vrouw niet gesproken over ‘een toezegging’ maar had zij nakoming van de overeenkomst gevorderd. De vrouw heeft verder aangevoerd dat zij bij het schrijven van haar e-mailbericht van 24 juni 2021 nog hoopte dat zij haar relatie met de man kon redden. Ze zat op dat moment in een emotionele achtbaan. Zij heeft nooit de bedoeling gehad om aan de man zo maar een bedrag van € 500.000,- te schenken, ongeacht of haar relatie met de man nu wel of niet zou eindigen.\n\n3.9.. Gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, is het hof van oordeel dat de door de man gestelde afspraak (vooralsnog) niet is komen vast te staan. De man heeft in hoger beroep echter bewijs van zijn stellingen aangeboden. Daarbij heeft hij onder meer aangeboden om de heer [naam 1] als getuige te horen. Hij kan volgens de man verklaren over de afspraken die partijen met elkaar hebben gemaakt. Gelet op de hiervoor geschetste stand van zaken, zal het hof de man toelaten tot het bewijs van zijn stelling dat partijen met elkaar een overeenkomst hebben gesloten op grond waarvan de vrouw aan hem een bedrag van € 500.000,- dient te betalen. In dat kader overweegt het hof nog dat de man spreekt van een schenkingsovereenkomst, maar dat hij tegelijkertijd aangeeft dat het overeengekomen bedrag betrekking had op ‘zijn aandeel’ in het vermogen van de vrouw. In dat laatste geval is van een (civielrechtelijke) schenkingsovereenkomst geen sprake. De grond voor betaling van het bedrag van € 500.000,- is dan geen vrijgevigheid. Tijdens de mondelinge behandeling heeft het hof aan partijen voorgehouden dat in geval sprake is van een civielrechtelijke schenking, het tot een bepaalde persoon gericht schenkingsaanbod als aangenomen geldt wanneer deze, na er kennis van te hebben genomen, het niet onverwijld heeft afgewezen (artikel 7:175 lid 2 BW). Aan de aanvaarding van een schenkingsaanbod, en daarmee aan de totstandkoming van een schenkingsovereenkomst, worden dus minder strenge eisen gesteld dan aan een wederkerige overeenkomst. Om die reden is niet alleen van belang of de vrouw een aanbod tot betaling van een bedrag van € 500.000,- aan de man heeft gedaan, maar ook wat het (civielrechtelijke) karakter van dit aanbod is geweest. Ook dit ligt in de hiervoor weergegeven bewijsopdracht aan de man besloten.\n\nGrief 2 (stilzwijgende overeenkomst)\n\n3.10.. Grief 2 van de man heeft betrekking op het oordeel van de rechtbank dat tussen partijen geen stilzwijgende overeenkomst tot stand is gekomen die inhoudt dat zij het opgebouwde vermogen bij helfte zullen delen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man het in zijn oorspronkelijke petitum onder 2 primair gevorderde ingetrokken. Daarin vorderde de man te bepalen dat de vrouw dient mee te werken aan verdeling van het vermogen dat zij onder zich had op 21 juli 2021, zodanig dat ieder de helft van dat vermogen wordt toebedeeld op grond van de tussen partijen overeengekomen afspraak dat op die wijze zou worden gedeeld. Nu de man deze vordering heeft ingetrokken, behoeft grief 2 geen verdere behandeling. Deze grief zal dan ook bij eindarrest worden afgewezen.\n\nGrief 3 en grief 4 (ongerechtvaardigde verrijking en redelijkheid en billijkheid)\n\n3.11.. Met zijn grieven 3 en 4 komt de man op tegen de afwijzing van zijn vordering tot betaling van een vergoeding omdat hij vanaf zijn privérekening betalingen heeft gedaan voor de verbouwingen van de onroerende zaken van de vrouw. Deze grieven dienen ter onderbouwing van de vorderingen hiervoor vermeld onder 3 en 4 en hebben een subsidiair karakter. Aan beoordeling van deze grieven komt het hof pas toe als de primaire vordering van de man tot betaling van een bedrag van € 500.000,- wordt afgewezen. Vanwege dit subsidiaire karakter zal het hof de beslissing op deze grieven aanhouden in afwachting van de uitkomst van de bewijsopdracht die aan de man zal worden gegeven.\n\nGrief 5 (inboedel)\n\n3.12.. Grief 5 van de man is gericht tegen de beslissing van de rechtbank over de wijze van verdeling van de inboedel. De rechtbank heeft bepaald dat partijen om de beurt een goed mogen aanwijzen van de door de man overgelegde inboedellijst. Deze lijst blijkt volgens de man echter niet compleet en bovendien waren er op de aan de lijst genoemde goederen geen waarden gekoppeld. De man heeft daarom als productie 23 in hoger beroep een nieuwe inboedellijst in geding gebracht. Daarin is de waarde van de totale inboedel gesteld op een bedrag van € 89.900,-. Volgens de man werkt de vrouw niet mee aan verdeling van de inboedel en heeft zij een groot deel van de inboedel inmiddels verkocht. Om die reden vordert de man in hoger beroep de vrouw te veroordelen om aan hem de helft van de waarde van de inboedel te vergoeden. Aldus dient de vrouw aan hem een bedrag van € 44.950,- te betalen. Indien het hof van oordeel is dat de door de man genoemde waarden van de inboedelgoederen niet gevolgd kan worden, wil hij dat er een deskundige wordt benoemd die de waarde van de goederen vaststelt.\n\n3.13.. De vrouw heeft de inhoud van de aangepaste inboedellijst betwist. Bovendien heeft zij betwist dat zij de op die lijst genoemde inboedelgoederen in haar bezit heeft. De man heeft na beëindiging van de relatie zijn persoonlijke eigendommen meegenomen of uit de garage gehaald. De vrouw kan de door de man genoemde inboedelgoederen dus niet (meer) afgeven. Ook de waarden die de man aan de inboedelgoederen toekent, zijn volgens de vrouw niet juist. Zij zijn door de man ook op geen enkele wijze onderbouwd.\n\n3.14.. Het hof oordeelt als volgt. De man vordert verdeling van de inboedel. Om die reden rust op hem de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de omvang en de waarde daarvan. In eerste aanleg heeft de man als productie 20 een inboedellijst overgelegd. De vrouw heeft op die inboedellijst inhoudelijk gereageerd. In hoger beroep heeft de man een veel uitgebreidere inboedellijst overgelegd, maar de vrouw heeft zowel de omvang als de waarde van de op deze lijst genoemde goederen betwist. Daarbij heeft zij erop gewezen dat de man geen aankoopfacturen of waardebepaling heeft overgelegd. Bij die stand van zaken had het op de weg van de man gelegen om nadere feiten en omstandigheden stellen waaruit volgt dat de door hem genoemde inboedelgoederen aan partijen toebehoorden, dat hij de genoemde inboedelgoederen niet onder zich heeft maar de vrouw wel, en wat de waarden van deze goederen zijn. Dat heeft hij nagelaten. Wel heeft de vrouw in eerste aanleg reeds aangegeven dat zij aan de man het horloge merk Rolex en de dekens en plaids zal afgeven, en dat hij – mits nog aanwezig – zijn Koga Miyata racefiets, Biblos sportfiets en Segwaystep met oplader kan krijgen. Ten aanzien van het zebrakleed heeft de vrouw aangegeven dat dit met de woning is meeverkocht, en wat betreft de Rimowa koffer heeft zij aangegeven dat deze ‘in de plomp ligt’. Het hof is van oordeel dat de vrouw ten aanzien van deze goederen in hoger beroep dan ook niet kon volstaan met de enkele betwisting dat zij deze goederen niet in bezit heeft. Zij had deze zaken blijkbaar wel in haar bezit, dan wel had (als laatste) daarover de beschikking. Evenmin kon zij volstaan met de enkele betwisting van de waarde van deze goederen. Het hof zal daarom bepalen dat de vrouw de helft van de waarde van deze goederen aan de man dient te vergoeden, waarbij het hof zal uitgaan van de door de man in productie 23 genoemde waarden met dien verstande dat het hof voor de waarde van de Rolex zal uitgaan van een bedrag van € 6.600,-. Dit is de waarde die de man in eerste aanleg aan het horloge heeft toegekend en die hij heeft gebaseerd op een taxatierapport. Waarom het horloge nu (in hoger beroep) € 2.400,- meer waard zou zijn, heeft de man niet toegelicht of onderbouwd. Dat betekent dat de vrouw aan de man ter zake de inboedel per saldo een bedrag van € 6.850,-,- dient te vergoeden. Het hof zal de vrouw bij eindarrest veroordelen om dit bedrag aan de man te betalen.\n\nIncidenteel hoger beroep\n\nGrief 1 (vordering van € 41.500,-)\n\n3.15.. In haar eerste grief in incidenteel appel komt de vrouw op tegen de afwijzing door de rechtbank van haar vordering van € 41.500,- die zij op de man stelt te hebben. De man heeft volgens de vrouw stelselmatig bedragen van haar bankrekening naar zijn eigen bankrekening overgemaakt. Weliswaar had de man een volmacht om namens haar en\u002Fof haar onderneming ten laste van haar (zakelijke) bankrekeningen betalingen te doen, maar hij mocht op basis van deze volmacht niet zonder medeweten en toestemming van bedragen van haar bankrekeningen naar zijn eigen bankrekening overmaken. De man heeft zijn volmacht dan ook misbruikt en heeft daarmee onrechtmatig jegens de vrouw gehandeld.\n\n3.16.. De man heeft aangevoerd dat partijen gedurende hun relatie onderling regelmatig geldbedragen overmaakten. Volgens de man wist de vrouw van alle overboekingen af en heeft hij geen misbruik gemaakt van de aan hem afgegeven volmacht. De vrouw heeft bovendien niet aangegeven welke overboekingen volgens haar dan precies met misbruik van de volmacht hebben plaatsgevonden.\n\n3.17.. Het hof oordeelt als volgt. Onderdeel van de subsidiaire vordering van de man is terugbetaling door de vrouw van een bedrag van € 47.500,- waarvan hij stelt dat hij dit in de loop van de relatie van partijen aan de vrouw heeft overgemaakt. Volgens de man dient de vrouw dit bedrag aan hem te vergoeden uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking. Partijen stellen dus over en weer dat de ander bedragen aan hem\u002Fhaar moet vergoeden vanwege overboekingen die in de loop van de jaren tussen hen hebben plaatsgevonden. Het hof wil deze vorderingen zoveel mogelijk gezamenlijk behandelen. Daarom zal het hof de beslissing op de eerste grief in het incidenteel appel aanhouden, in afwachting van de uitkomst van de bewijsopdracht die aan de man zal worden gegeven.\n\nGrief 2 (opheffing conservatoir beslag)\n\n3.18.. In haar tweede grief stelt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte de conservatoire beslagen niet heeft opgeheven die de man ten laste van haar heeft gelegd. De rechtbank heeft deze vordering afgewezen, omdat de vrouw de beslagstukken niet in geding had gebracht en in het petitum van haar reconventionele vordering enkel over ‘de beslagen’ had gesproken. Aldus was deze vordering volgens de rechtbank te onbepaald. In hoger beroep heeft de vrouw de beslagstukken alsnog overgelegd. Als de vorderingen van de man in principaal hoger beroep worden afgewezen, is sprake van summierlijk gebleken ondeugdelijkheid van het door de man ingeroepen recht en dienen de beslagen volgens de vrouw te worden opgeheven.\n\n3.19.. Het hof constateert dat de vrouw zelf stelt dat de beslagen dienen te worden opgeheven als de vorderingen van de man in principaal hoger beroep worden afgewezen. Omdat ten aanzien van de vorderingen van de man nog geen eindbeslissing zal worden gegeven, zal de beslissing over de opheffing van de beslagen ook worden aangehouden.\n\n4. Beslissing\n\nHet hof:\n\nlaat de man toe tot het bewijs van zijn stelling dat partijen zijn overeengekomen dat de vrouw aan de man een bedrag van € 500.000,- dient te betalen;\n\nbepaalt dat als de man bewijs door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal plaatsvinden ten overstaan van mr. M.C. Schenkeveld, daartoe tot raadsheer-commissaris benoemd, in het Paleis van Justitie, IJdok 20 te Amsterdam op een nader te bepalen dag en uur;\n\nverwijst de zaak naar de rol van 10 maart 2026voor opgave van de verhinderdagen van beide partijen en hun advocaten en van de getuigen in de maanden mei tot en met augustus 2026, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald;\n\nbepaalt dat de man overeenkomstig artikel 170 Rv de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste 10 dagen voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;\n\nhoudt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit arrest is gewezen door mr. M.C. Schenkeveld, mr. J.M. van Baardewijk en mr. T.M. Subelack en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:439","2026-02-25T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:03.663Z",20,[11]]