[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-health-insurance-nl-2024":3},{"detail":4,"years":64},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":17,"page":14,"limit":63},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},69,"health-insurance-nl","Health Insurance","NL","2026-07-08T16:54:19.288Z",2024,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":14},2,{"month":19,"count":14},3,{"month":21,"count":15},4,{"month":23,"count":15},5,{"month":25,"count":15},6,{"month":27,"count":15},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":15},12,[39,53],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"364","ECLI:NL:RBMNE:2024:3902","ecli-nl-rbmne-2024-3902","",71,"2024-03-27T00:00:00.000Z","RECHTBANK Midden-Nederland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Lelystad\n\nZaaknummer: C\u002F16\u002F541028 \u002F HL ZA 22-168\n\nVonnis van 27 maart 2024\n\nin de zaak van\n\nONVZ ZIEKTENKOSTENVERZEKERAAR N.V.,\n\ngevestigd te Houten,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: ONVZ,\n\nadvocaat: mr. A.C. van der Salm te 's-Gravenhage,\n\ntegen\n\n1. [gedaagde sub 1] ,\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nhierna te noemen: [gedaagde sub 1] , 2. [gedaagde sub 2] B.V.,\n\ngevestigd te [vestigingsplaats] ,\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna te noemen: [gedaagde sub 2] ,\n\nadvocaat: mr. A. Frederiksen te Amsterdam.\n\n [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] zullen hierna samen [gedaagde sub 2] c.s. genoemd worden.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 18 oktober 2023; - de akte van [gedaagde sub 2] c.s. van 30 oktober 2023 met producties 12 t\u002Fm 21;\n\n- de akte van ONVZ van 15 november 2023 met producties 39 t\u002Fm 42; - de akte van [gedaagde sub 2] c.s. van 6 december 2023 met productie 12.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De verdere beoordeling\n\nInleiding\n\n2.1.. De rechtbank heeft in r.o. 2.12. van het tussenvonnis van 28 juni 2023 overwogen dat:\n\n2.2.. ONVZ heeft vervolgens een incidentele vordering ingesteld en gevraagd om [gedaagde sub 2] c.s. te veroordelen de in het incidentele verzoek gevraagde stukken over te leggen. Dit verzoek is toegewezen en [gedaagde sub 2] c.s. heeft deze stukken overgelegd bij akte van 30 oktober 2023. ONVZ heeft daarop in de akte van 15 november 2023 gereageerd. Op basis van de overgelegde stukken en de verklaringen daarbij, is de rechtbank van oordeel dat ONVZ gedeeltelijk is geslaagd in haar bewijsopdracht. De rechtbank zal hieronder uitleggen waarom.\n\n2.3.. In haar akte van 6 december 2023 stelt [gedaagde sub 2] c.s. dat zij te weinig tijd heeft gekregen om op de stellingen van ONVZ te reageren. Zij wil zich alsnog kunnen uitlaten zodat zij zich kan laten bijstaan door een financieel deskundige. De rechtbank zal dit echter niet toestaan. Het tussenvonnis is van 28 juni 2023. Vanaf dat moment was duidelijk dat de rechtbank bewijs van de stellingen van ONVZ verlangde. ONVZ heeft al op 28 augustus 2023 een verzoek gedaan om op grond van artikel 843a Rv [gedaagde sub 2] c.s. te bevelen de in het verzoek genoemde stukken te overleggen. [gedaagde sub 2] c.s. had er rekening mee moeten houden dat dit verzoek zou kunnen worden toegewezen en dat ONVZ deze stukken zou gebruiken om haar stellingen verder te onderbouwen, waarop [gedaagde sub 2] c.s. weer zou mogen reageren. Dat [gedaagde sub 1] er voor gekozen heeft om midden in die periode voor een maand naar Kenia te vertrekken, waardoor zij in tijdnood kwam, komt dan ook voor haar rekening en risico.\n\n2.4.. De rechtbank zal eerst de stellingen behandelen die ONVZ bij (bijna) elk zorgdossier heeft ingenomen en daarna de stellingen die ten aanzien van de individuele zorgdossiers zijn ingenomen. De stellingen zijn hierna in cursief weergegeven.\n\nAlgemeen\n\na. Betrokkenheid onderaannemers blijkt niet uit de stukken\n\n2.5.. De rechtbank concludeert met ONVZ dat de raamovereenkomsten die in het geding zijn gebracht, overeenkomsten zijn die lijken te zien op cliënten die bij Zilveren Kruis verzekerd zijn en niet bij ONVZ. Of deze overeenkomsten authentiek zijn kan daarom in het midden blijven. Individuele overeenkomsten van opdracht zijn niet in het geding gebracht, maar dit wil nog niet zeggen dat [gedaagde sub 2] c.s. ten onrechte aan ONVZ heeft gedeclareerd.\n\nb. Specificatie van geleverde zorg ontbreekt en facturen zijn niet herleidbaar tot verzekerden\n\n2.6.. Deze stellingen van ONVZ volgt de rechtbank niet. Immers, uit de ondertekende urenverantwoordingen, de ondertekende rapportages Verpleging en Verzorging (hierna: de rapportages) en de overgelegde verklaringen van [A] , [B] , [C] en [D] in samenhang met de in het geding gebrachte facturen, blijkt welke onderaannemers betrokken waren bij de zorg voor deze cliënten, welke zorg is geleverd, welke personen voor de zorgverlening werden ingeschakeld en wat daarvoor door de onderaannemers in rekening is gebracht. ONVZ heeft uit de stukken, zo blijkt uit productie 41, ook kunnen afleiden welke facturen bij welke verzekerde horen. Bovendien heeft [gedaagde sub 2] c.s. tegen het verwijt van ONVZ over de facturen ingebracht dat zij een kleine, informele zorgverlener is die precies wist welke zorgverlener in welke periode bij welke patiënt werkzaam was. Dit verweer vindt de rechtbank voldoende onderbouwd door middel van de overgelegde stukken. Het enkele feit dat op de facturen van de zorgverleners geen namen van verzekerden staan, maakt voor de beoordeling dan ook geen verschil.\n\n2.7.. De handtekeningen van [E] en [F] ontbreken op de urenverantwoordingen en de rapportages. Volgens ONVZ heeft zij van [E] gehoord dat [F] nooit zorg van [gedaagde sub 2] c.s. heeft ontvangen en dat [E] veel minder zorg heeft ontvangen dan door [gedaagde sub 2] c.s. is gedeclareerd. Bovendien zou [gedaagde sub 2] c.s. alleen Wmo-zorg hebben geleverd die niet bij ONVZ kan worden gedeclareerd. ONVZ heeft dit betoog echter, anders dan met een door haar zelf opgestelde bevestiging van het gesprek met [E] , niet onderbouwd. Daartegenover staat dat voor de zorgverlening aan [E] en [F] door een indicerend wijkverpleegkundige ondertekende indicaties en zorgplannen zijn overgelegd, zodat de rechtbank ervan uitgaat, mede gezien de urenverantwoordingen en de rapportages, dat de zorg zoals in deze stukken is beschreven volgens het principe “zorgplan = planning = realisatie, tenzij..” is verleend.\n\n2.8.. ONVZ heeft nog aangevoerd dat zorgverleners [G] , [H] en [I] nooit voor [onderneming 1] hebben gewerkt. Daartoe verwijst zij naar productie 42 waaruit dit moet blijken. Het is de rechtbank echter niet duidelijk wat de status van deze overzichten is en wie deze heeft ingevuld, zodat dit geen onderbouwing is voor de stelling van ONVZ.\n\nc. Geen sprake van door [gedaagde sub 2] c.s. gestelde zorgbehoefte en dus meer gedeclareerd dan nodig\n\n2.9.. ONVZ baseert deze stelling op het feit dat [E] en [F] vanaf december 2018 geen wijkverpleging meer hebben ontvangen en [A] vanaf 2020 ook niet. Bovendien heeft [B] volgens ONVZ vanaf 2020 veel minder zorg ontvangen dan in de periode daarvoor, net zoals [C] en [D] Het is de rechtbank niet duidelijk waarom uit het feit dat in een periode geen of minder zorg is verleend, de conclusie moet worden getrokken dat in de voorgaande periode meer is gedeclareerd dan nodig. Dat er geen of minder zorg is ontvangen kan immers ook het gevolg zijn van het feit dat de behoefte van de cliënten in de loop van de tijd is veranderd. Hoe het ook zij, uit deze feiten volgt nog niet dat [gedaagde sub 2] c.s. meer zorg heeft gedeclareerd dan zij heeft verleend.\n\nIndividuele zorgdossiers\n\nd. [onderneming 2] heeft een verkeerd tarief in rekening gebracht voor verzekerden [A] en [B]\n\n2.10.. Volgens ONVZ heeft [onderneming 2] het formele tarief gerekend terwijl zij informele (mantel)zorg heeft verleend waarvoor een lager tarief geldt. ONVZ meent dat [onderneming 2] informele (mantel) zorg heeft geleverd omdat [J] van [onderneming 2] de zus is van [B] Uit de door ONVZ overgelegde urenverantwoordingen en zorgrapportages blijkt dat de zorg aan [B] is verleend door [H] , [K] en [L] . Deze professionele zorgverleners zijn door [onderneming 2] ingeschakeld om de zorg aan [B] te verlenen, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat hiervoor terecht het formele tarief in rekening is gebracht. ONVZ stelt hetzelfde ten aanzien van [A] , maar uit de bijlagen waarnaar wordt verwezen blijkt niet dat [J] familie van hem is.\n\n2.11.. Uit het als bijlage 1 bij productie 41 overgelegde schema, waarvan de inhoud door [gedaagde sub 2] c.s. niet (gemotiveerd) is betwist, blijkt wel dat [gedaagde sub 2] in de periode januari tot en met december 2019 € 17.893,04 meer in rekening heeft gebracht bij [A] en [B] dan zij aan [onderneming 2] heeft hoeven te betalen. [gedaagde sub 2] heeft niet onderbouwd dat, of waarom, zij hier recht op had. Voor zover zij vindt dat dit rechtvaardig is, omdat zij recht heeft op een percentage van het door [onderneming 2] in rekening gebrachte bedrag, had zij moeten aantonen waarom dit rechtvaardig was en hoe hoog het percentage is. Uit de overgelegde overeenkomsten kan dit in ieder geval niet worden afgeleid.\n\n2.12.. \n\nDe rechtbank is dan ook van oordeel dat [gedaagde sub 2] ten onrechte een bedrag van\n\n€ 17.893,04bij ONVZ heeft gedeclareerd.\n\ne. [gedaagde sub 2] heeft meer gedeclareerd voor verzekerden [F] en [E] dan [onderneming 1]\n\n2.13.. ONVZ baseert haar stelling op bijlage 5 bij productie 41 waaruit blijkt dat [gedaagde sub 2] c.s. ( [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] ( h. o.d.n. [handelsnaam] ) in de periode oktober 2018 25% meer persoonlijke verzorging heeft gedeclareerd dan [onderneming 1] en 91,7% meer verpleging. Dit correspondeert volgens ONVZ met een bedrag van € 3.067,20. Deze stelling wordt niet (gemotiveerd) door [gedaagde sub 2] c.s. betwist, zodat de rechtbank moet vaststellen dat [gedaagde sub 2] c.s. € 3.067,20teveel bij ONVZ heeft gedeclareerd.\n\nf. [gedaagde sub 2] heeft meer gedeclareerd voor verzekerden [C] en [D] dan [onderneming 3] en [onderneming 1]\n\n2.14.. \n [onderneming 3] heeft op haar facturen geen eenheden vermeld. Dit maakt nog niet dat niet kan worden vastgesteld welke eenheden zij heeft gedeclareerd. De door [onderneming 3] gedeclareerde eenheden blijken namelijk uit de zorgrapportages. Het is de rechtbank niet gebleken dat de eenheden uit de zorgrapportages afwijken van de door [gedaagde sub 2] gedeclareerde eenheden. Als dit wel het geval was, dan had ONVZ dit moeten aanvoeren. Dat betekent dat onvoldoende is onderbouwd dat [gedaagde sub 2] meer eenheden heeft gedeclareerd dan [onderneming 3] heeft gedaan.\n\n2.15.. Wel blijkt uit bijlage 7 bij productie 41 dat [gedaagde sub 2] € 10.468,60 meer in rekening heeft gebracht aan ONVZ dan [onderneming 3] aan haar heeft gedaan. Ook dit verschil heeft [gedaagde sub 2] c.s. niet uitgelegd. Daaruit volgt dat niet komt vast te staan dat door [gedaagde sub 2] gedeclareerde zorg ter hoogte van € 10.468,60is geleverd zodat dit bedrag ten onrechte bij ONVZ is gedeclareerd.\n\n2.16.. Uit bijlage 8 bij productie 41, die niet gemotiveerd door [gedaagde sub 2] c.s. is betwist, blijkt dat [gedaagde sub 2] 4509 eenheden meer zorg heeft gedeclareerd dan [onderneming 1] volgens haar facturen heeft gewerkt. Dit is 35,6% van de door [gedaagde sub 2] gedeclareerde eenheden en correspondeert met een bedrag van € 20.920,08. Ook dit bedrag heeft [gedaagde sub 2] ten onrechte bij ONVZ gedeclareerd.\n\ng. ONVZ is op grond van artikel 7:962 BW gesubrogeerd in de rechten van de verzekerden\n\n2.17.. Volgens ONVZ kan zij daarom de bedragen die [gedaagde sub 2] ten onrechte heeft gedeclareerd van [gedaagde sub 2] terugvorderen. Zij verliest daarbij uit het oog dat ONVZ niet de schade heeft vergoed die verzekerden hebben geleden door onrechtmatig handelen van [gedaagde sub 2] , maar zorgkosten die de verzekerden hebben gemaakt. Daarop ziet artikel 7:962 BW niet.\n\nTussenconclusie\n\n2.18.. \n\nUit de voorgaande alinea’s volgt dat de rechtbank van oordeel is dat [gedaagde sub 2]\n\n(€ 17.893,04 + € 10.468,60 + € 20.920,08 =) € 49.281,72teveel bij ONVZ heeft gedeclareerd en vervolgens van ONVZ heeft ontvangen. Dit is de schade die ONVZ heeft geleden op grond van onrechtmatig handelen van [gedaagde sub 2] .\n\nOnverschuldigde betaling\n\n2.19.. \n [E] en [F] ontvingen in 2018 zorg van zowel [gedaagde sub 2] als [gedaagde sub 1] ( h. o.d.n. [handelsnaam] ). De hiermee gemoeide kosten – in totaal € 12.946,32 – werden rechtstreeks aan [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] voldaan, omdat de vorderingen van [E] en [F] op ONVZ aan [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] zijn gecedeerd. Door deze cessie zijn de rechten en verplichtingen van [E] en [F] op hen overgegaan. Zij zijn dan ook de ontvangers van de gelden in de zin van artikel 6:203 lid 1 BW. De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat ten aanzien van de aan [E] en [F] geleverde zorg, € 3.067,20teveel is gedeclareerd door [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] . Dit bedrag is dan ook onverschuldigd betaald door ONVZ en moet aan haar worden terugbetaald. Omdat niet duidelijk is welk deel van het onverschuldigd betaalde aan [gedaagde sub 2] dan wel aan [gedaagde sub 1] is voldaan, zullen zij hoofdelijk worden veroordeeld tot terugbetaling.\n\nAansprakelijkheid van [gedaagde sub 1] als bestuurder\n\n2.20.. Uitgangspunt is dat alleen de rechtspersoon aansprakelijk is voor de schade die een derde heeft geleden vanwege een onrechtmatige daad gepleegd door deze rechtspersoon. Onder omstandigheden kan een bestuurder naast de rechtspersoon aansprakelijk zijn als hem een persoonlijk ernstig verwijt ter zake van de benadeling kan worden gemaakt. Het is aan ONVZ om de feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te onderbouwen op grond waarvan kan worden aangenomen dat aan [gedaagde sub 1] een ernstig verwijt kan worden gemaakt.\n\n2.21.. In dat kader heeft ONVZ aangevoerd dat [gedaagde sub 1] als bestuurder aansprakelijk is voor de schade van ONVZ omdat zij heeft toegelaten dat binnen haar organisatie indicaties werden opgesteld op basis waarvan kosten in rekening zijn gebracht waarop geen aanspraak bestond. Dit betoog faalt. Vast staat dat de indicaties zijn opgesteld door een onafhankelijke wijkverpleegkundige. Dat deze indicaties niet juist zijn blijkt nergens uit.\n\n2.22.. Daarnaast wordt [gedaagde sub 1] verweten dat de zorgadministratie achteraf is opgesteld. In het tussenvonnis van 28 juni 2023 heeft de rechtbank vastgesteld dat de aangeleverde zorgrapportages niet de schoonheidsprijs verdienen vanwege knip- en plakwerk, maar het staat niet vast dat dit knip- en plakwerk door [gedaagde sub 1] is gedaan. Bovendien heeft ONVZ onvoldoende onderbouwd dat dit knip- en plakwerk ertoe heeft geleid dat [gedaagde sub 2] bedragen heeft gedeclareerd voor zorg die niet is geleverd.\n\n2.23.. Verder wordt [gedaagde sub 1] verweten dat [gedaagde sub 2] Wmo-zorg als Zvw zorg heeft gedeclareerd. Dat blijkt echter nergens uit. Waarom het niet instellen van een raad van commissarissen, zoals ONVZ [gedaagde sub 1] tot slot verwijt, heeft geleid tot de door ONVZ geleden schade wordt helemaal niet onderbouwd. ONVZ heeft dus geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit volgt dat [gedaagde sub 1] een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Naar oordeel van de rechtbank is van bestuurdersaansprakelijkheid dan ook geen sprake.\n\nWettelijke rente\n\n2.24.. ONVZ heeft gevorderd dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 2] c.s. worden veroordeeld tot vergoeding van de wettelijke rente over de verschuldigde hoofdsom vanaf 27 januari 2021. [gedaagde sub 2] c.s. heeft hier geen verweer tegen gevoerd, zodat de rechtbank dit deel van de vordering zal toewijzen.\n\nConclusie\n\n2.25.. Op grond van dat wat hiervoor is overwogen zal [gedaagde sub 2] worden veroordeeld om aan ONVZ een bedrag van € € 49.281,72 te voldoen en [gedaagde sub 2] c.s. zullen hoofdelijk worden veroordeeld om een bedrag van € 3.067,20 te voldoen, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n2.26.. Omdat niet is gebleken dat aan [gedaagde sub 1] een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt van het onrechtmatig handelen van [gedaagde sub 2] is geen sprake van bestuurdersaansprakelijkheid van [gedaagde sub 1] en de vorderingen jegens haar zullen, behalve het hiervoor genoemde bedrag van € 3.067,20, worden afgewezen.\n\nProceskosten en wettelijke rente\n\n2.27.. \n [gedaagde sub 2] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. [gedaagde sub 1] wordt niet (mede) veroordeeld in de proceskosten omdat zij niet grotendeels in het ongelijk is gesteld. De proceskosten van ONVZ worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n147,63\n\n- griffierecht\n\n€\n\n5.737,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n9.499,00\n\n(3,50 punten × € 2.714,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n178,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n15.561,63\n\n2.28.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n2.29.. \n\nDe veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n3.1.. \n\nveroordeelt [gedaagde sub 2] tot betaling aan ONVZ van een schadevergoeding van\n\n€ 49.281,72, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 27 januari 2021 tot de dag van volledige betaling,\n\n3.2.. \n\nveroordeelt [gedaagde sub 2] c.s. hoofdelijk tot betaling aan ONVZ van een bedrag van\n\n€ 3.067,20, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 27 januari 2021 tot aan de dag van volledige betaling,\n\n3.3.. veroordeelt [gedaagde sub 2] in de proceskosten van € 15.561,63, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde sub 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n3.4.. veroordeelt [gedaagde sub 2] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n3.5.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n3.6.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. C.P. Lunter, mr. J. M. van Jaarsveld en mr. S. M. van Meer en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2024.\n\n4420","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2024:3902","2024-06-25T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:26.190Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":51,"updatedAt":62},"522","ECLI:NL:RBDHA:2024:1251","ecli-nl-rbdha-2024-1251",58,"2024-02-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SGR 23\u002F1437\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 februari 2024 in de zaak tussen\n \n [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres\n\nen\n\nde Belastingdienst\u002FToeslagen, verweerder\n\n(gemachtigden: [naam 1] en [naam 2] ).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de definitieve vaststelling en de terugvordering van de zorgtoeslag over 2020.\n\n1.1. \n\nVerweerder heeft de zorgtoeslag met het primaire besluit van 9 oktober 2021 definitief vastgesteld op € 1.163 en € 87 van eiseres teruggevorderd. Met het besluit van\n\n16 maart 2022 heeft verweerder de bezwaren van eiseres afgewezen.\n\n1.2. Op 27 december 2022 heeft verweerder een herziene beslissing op bezwaar genomen (het bestreden besluit) en de bezwaren van eiseres wederom afgewezen.\n\n1.3. De rechtbank heeft het beroep op 18 juli 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, [naam 3] en [naam 1] . De rechtbank heeft de behandeling ter zitting vervolgens geschorst. De voortzetting van het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2024. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van verweerder. Eiseres is, na afwijzing van haar verzoek om uitstel van de zitting, met voorafgaande mededeling niet verschenen. Eiseres heeft vóór de zitting pleitnotities ingebracht en deze zijn ter zitting besproken.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n2. Eiseres heeft over het jaar 2020 een voorschot zorgtoeslag ontvangen op basis van een geschat inkomen van € 12.313. Op 26 mei 2021 heeft verweerder vanuit de Basisregistratie Inkomensgegevens (BRI) een melding gekregen dat het inkomen van eiseres voor het jaar 2020 € 22.070 bedraagt. In het primaire besluit is verweerder voor de zorgtoeslag daarom uitgegaan van een toetsingsinkomen in 2020 van € 22.070. Verweerder heeft op basis daarvan de zorgtoeslag definitief berekend en het teveel ontvangen voorschot over 2020 teruggevorderd.\n\nWat vindt eiseres in beroep?\n\n3. Eiseres stelt dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden, dat sprake is van strijd met het vertrouwensbeginsel, dat verweerder niet alle relevante informatie heeft verstrekt en daardoor zijn zorgplicht om haar voldoende te informeren heeft geschonden, dat verweerder geen rekening heeft gehouden met haar omstandigheden en dat verweerder ten onrechte kwijtschelding van de terugvordering niet heeft overwogen.\n\nWat vindt verweerder in beroep?\n\n4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij geen ruimte heeft om af te wijken van het toetsingsinkomen zoals dit volgt uit de BRI. Daarnaast stelt verweerder dat de hoorplicht niet is geschonden, dat geen sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel, dat de zorgplicht niet is geschonden en dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven de terugvordering te matigen.\n\nNader stuk\n\n5. Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank op 25 januari 2024 een emailbericht van eiseres ontvangen. De rechtbank heeft hierin geen aanleiding gezien om het onderzoek te heropenen. Bij de beoordeling van het geschil is dit stuk dan ook buiten beschouwing gelaten.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\n6. Eiseres heeft een beroep gedaan op het bestaan van betalingsonmacht ten aanzien van het betalen van griffierecht voor het beroep. Omdat uit het dossier niet blijkt dat het inkomen van eiseres ontoereikend zou kunnen zijn om het griffierecht te kunnen betalen en onbekend is of zij over vermogen beschikt, heeft de rechtbank eiseres ter zitting van\n\n18 juli 2023 gevraagd om het beroep op betalingsonmacht met nadere stukken te onderbouwen. Eiseres heeft na die zitting echter geen nadere stukken overgelegd waaruit blijkt dat sprake is van betalingsonmacht. Hoewel de rechtbank de bevoegdheid heeft om onder die omstandigheden het beroep niet-ontvankelijk te verklaren wegens niet betalen van het griffierecht, ziet de rechtbank aanleiding om in het kader van finale geschilbeslechting het beroep toch inhoudelijk te beoordelen. De rechtbank wijst eiseres er wel op dat zij in het vervolg haar beroep op betalingsonmacht wel moet onderbouwen met (financiële) bewijsstukken.\n\n7. Eiseres stelt dat de hoorplicht is geschonden, nu zij niet is gehoord op een hoorzitting. De rechtbank leidt uit gedingstuk 28.3 af dat op 3 oktober 2022 met eiseres de afspraak is gemaakt dat zij, na ontvangst van de dossierstukken, contact zou opnemen met verweerder voor het maken van een afspraak voor een hoorzitting. De relevante op de zaak betrekking hebbende stukken zijn vervolgens bij brief van 14 oktober 2022 aan eiseres verstuurd. Verweerder heeft eiseres tevens verzocht om binnen twee weken na dagtekening van die brief telefonisch contact op te nemen voor het inplannen van de hoorzitting. In de brief heeft verweerder ook vermeld dat het gesprek in het Nederlands dient te worden gevoerd en heeft hij eiseres verzocht om, indien zij de Nederlandse taal niet voldoende machtig is, zorg te dragen voor een tolk of iemand aan te stellen die haar kan ondersteunen tijdens de hoorzitting. Eiseres heeft geen gehoor gegeven aan het verzoek van verweerder om telefonisch contact op te nemen voor het maken van een afspraak. Wel heeft zij verweerder bij brief van 28 oktober 2022 laten weten dat zij gehoord wil worden en verzocht om in het Engels te worden gehoord. Verweerder heeft eiseres vervolgens met dagtekening 15 november 2022 uitgenodigd voor een telefonisch hoorgesprek op\n\n18 november 2022 om 10.00 uur. Op 17 november 2022 heeft eiseres telefonisch aan verweerder meegedeeld dat zij hem op 18 november 2022 niet te woord kan staan. Bij brief van 25 november 2022 heeft eiseres verweerder laten weten dat de brief van\n\n15 november 2022 haar niet heeft bereikt en dat zij tot januari 2023 niet beschikbaar is voor correspondentie. Bij brief van 9 december 2022 heeft verweerder eiseres in de gelegenheid gesteld om vóór 19 december 2022 telefonisch een nieuwe afspraak te maken om haar bezwaar mondeling toe te lichten. In deze brief heeft verweerder voorts vermeld dat hij, ingeval hij geen reactie van eiseres ontvangt, het bezwaarschrift zal afhandelen zonder de mondelinge toelichting van eiseres. Eiseres heeft echter geen gehoor gegeven aan dit verzoek van verweerder. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank voldoende ingespannen om eiseres te horen. Ook hoefde verweerder eiseres niet in het Engels te horen en heeft hij eiseres voldoende voorgelicht over de wijze waarop zij, indien zij de Nederlandse taal onvoldoende machtig was, toch kon worden gehoord. Dat eiseres van de haar geboden mogelijkheden om te worden gehoord geen gebruik heeft gemaakt, leidt onder deze omstandigheden niet tot de conclusie dat sprake is van schending van de hoorplicht.\n\n8. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Niet gebleken is dat verweerder mededelingen heeft gedaan op basis waarvan eiseres er op heeft mogen vertrouwen dat verweerder van het terugvorderen van de zorgtoeslag zou afzien en een proceskostenvergoeding zou toekennen. De informatie als vermeld in de gespreksnotitie van 8 september 2022 en in de brief van 15 september 2022 behelst geen uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging van die strekking. Uit die stukken blijkt enkel dat de bewijsstukken van eiseres eerst beoordeeld zouden moeten worden.\n\n9. De rechtbank overweegt verder dat verweerder geen zorgplicht tot informatieverstrekking heeft in het geval dat sprake is van onvoldoende kennis van de regelgeving. Een informatieplicht waarbij verweerder eiseres van alle relevante regelgeving had moeten voorzien en informatie had moeten verstrekken over eventuele schade, is niet wettelijk vastgelegd. Verweerder was daarom niet gehouden om de door eiseres gevraagde stukken op te sturen. Nog afgezien daarvan heeft verweerder in de correspondentie richting eiseres en in het bestreden besluit voldoende onderbouwd op basis van welke regelgeving haar recht op zorgtoeslag is herzien en teruggevorderd. De rechtbank is niet gebleken van strijd met het motiveringsbeginsel. Feiten waaruit overigens kan volgen dat verweerder heeft gehandeld in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, zijn niet gesteld.\n\n10. Doordat er dus een verschil is tussen het opgegeven geschatte toetsingsinkomen en het daadwerkelijke toetsingsinkomen, heeft eiseres een te hoog bedrag aan voorschotten ontvangen. Op grond van artikel 26, tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) is het uitgangspunt dat verweerder het volledige bedrag terugvordert. Verweerder kan van volledige terugvordering afzien, indien de nadelige gevolgen van de terugvordering onevenredig zijn ten opzichte van de met die terugvordering te dienen doelen. Verweerder moet bij het besluit tot terugvordering op grond van artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen afwegen.\n\n11. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de nadelige gevolgen van de terugvordering voor eiseres niet onevenredig zijn in verhouding tot het daarmee te dienen doel. Het doel van de terugvordering omschrijft verweerder als de rechtmatige besteding van publieke middelen. In het Verzamelbesluit Toeslagen van 1 juli 2022 (nr. 2022-21478; het Verzamelbesluit), is het beleid rondom het matigen van de terugvordering van toeslagen opgenomen. Hierin is opgenomen dat alleen bijzondere omstandigheden zich verzetten tegen gehele terugvordering en dat als dergelijke omstandigheden zich voordoen en gehele terugvordering onevenredig is, verweerder kan afzien van de terugvordering of het bedrag van de terugvordering kan matigen. In het Verzamelbesluit zijn voorbeelden van bijzondere omstandigheden opgenomen en is vermeld dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden als de terugvordering het gevolg is van een afwijking van het daadwerkelijk voor het berekeningsjaar vastgestelde toetsingsinkomen voor de toeslagen en het geschatte inkomen op basis waarvan het voorschot is berekend. Dat is het geval in de situatie van eiseres. Door de nabetaling is het daadwerkelijke inkomen over het jaar 2020 hoger uitgevallen dan het eerder geschatte inkomen. Dat de nabetaling in het jaar 2020 heeft plaatsgevonden, maakt volgens verweerder dus niet dat sprake is van bijzondere omstandigheden. Uit hetgeen eiseres heeft aangevoerd, zijn bijzondere omstandigheden ook overigens niet gebleken. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden om van terugvordering af te zien of deze te matigen.\n\n12. Voor zover eiseres stelt dat verweerder had moeten beoordelen of eiseres in aanmerking komt voor kwijtschelding, overweegt de rechtbank dat voor de door eiseres gevraagde kwijtschelding geen wettelijke basis bestaat. De rechtbank wijst eiseres hierbij op het bepaalde in artikel 31bis van de Awir, waarin is bepaald dat verweerder het bedrag van een terugvordering niet geheel of gedeeltelijk kan kwijtschelden. De rechtbank begrijpt heel goed dat de uitkomst in deze procedure voor eiseres onredelijk voelt, maar het wettelijk systeem laat nu eenmaal geen andere uitkomst toe.\n\nConclusie en gevolgen\n\n13. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom geen vergoeding van haar proceskosten. Ook krijgt zij het betaalde griffierecht niet terug.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. A. Badermann, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op\n\n8 februari 2024.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3536.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:1251","2024-02-06T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:34.634Z",20,[65,66,11,67],2026,2025,2023]