[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-immigration-law-nl-2025":3},{"detail":4,"years":107},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":27,"page":14,"limit":106},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},146,"immigration-law-nl","Immigration Law","NL","2026-07-08T16:58:36.005Z",2025,[13,15,17,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":14},1,{"month":16,"count":14},2,{"month":18,"count":19},3,0,{"month":21,"count":14},4,{"month":23,"count":16},5,{"month":25,"count":19},6,{"month":27,"count":16},7,{"month":29,"count":19},8,{"month":31,"count":19},9,{"month":33,"count":19},10,{"month":35,"count":19},11,{"month":37,"count":19},12,[39,53,63,72,80,89,98],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"1478","ECLI:NL:RBDHA:2025:14212","ecli-nl-rbdha-2025-14212","",57,"2025-07-30T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: NL25.32908 (maatregel van bewaring)\n\n NL25.33558 (terugkeerbesluit en inreisverbod)\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen\n [eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser\n\ngemachtigde: mr. Y. Özdemir,\n\nen\n\nde Minister van Asiel en Migratie,\n\ngemachtigde: drs. B. Wezeman.\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 18 juli 2025 (bestreden besluit 1) heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. De minister heeft op diezelfde dag aan eiser de maatregel van bewaring (bestreden besluit 2) op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\nDe minister heeft op 25 juli 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 28 juli 2025 op zitting behandeld. Eiser en gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. Eiser stelt van Oezbeekse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1997.\n\nOver bestreden besluit 1\n\n2. Eiser heeft geen gronden gericht tegen het terugkeerbesluit zonder vertrektermijn. De rechtbank stelt derhalve vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de minister terecht aan eiser een terugkeerbesluit heeft opgelegd op grond van artikel 62, tweede lid, onder a, van de Vw 2000.\n\n3. Eiser stelt dat het besluit met betrekking tot het inreisverbod onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. Er wordt een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar, maar waarom voor de periode van twee jaar wordt gekozen is niet duidelijk. Vooral nu eiser aangeeft sinds een week in Nederland te zijn. Dit zou dan aanleiding moeten zijn voor een inreisverbod van maximaal een jaar. Het staat immers niet onomstotelijk vast dat sprake is van een overstay van 90 dagen. Het besluit is daarom in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.\n\n4. Ingevolge artikel 66a, eerste lid, onder a, van de Vw 2000, vaardigt de minister een inreisverbod uit tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is, op wie artikel 64 niet van toepassing is en die Nederland onmiddellijk moet verlaten ingevolge artikel 62, tweede lid, van de Vw 2000.\n\n5. Ingevolge artikel 6.5a, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) bedraagt de duur van het inreisverbod ten hoogste twee jaren.\n\n6. In paragraaf A4\u002F2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) is opgenomen dat de IND of de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen een inreisverbod uitvaardigt voor zover mogelijk voor de maximale duur zoals die in artikel 6.5a van het Vb 2000 is genoemd. De IND of de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen verkort de duur van het inreisverbod, of laat een inreisverbod achterwege, als de vreemdeling bijzondere, individuele omstandigheden heeft aangevoerd en onderbouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat de minister terecht aan eiser een terugkeerbesluit heeft opgelegd op grond van artikel 62, tweede lid, onder a, van de Vw 2000. De minister was alleen daarom al gehouden om op grond van artikel 66a van de Vw 2000 een inreisverbod uit te vaardigen.\n\n8. Uit het aangehaalde beleid van de minister blijkt dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de duur van het inreisverbod twee jaar bedraagt. Eiser heeft tijdens het gehoor van 18 juli 2025 de gelegenheid gehad om omstandigheden aan te voeren waarom de duur van het inreisverbod zou moeten worden verkort. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de motivering en de daaraan ten grondslag gelegde feiten van de minister voldoende om duidelijk te maken waarom er voor hem geen aanleiding is van het opleggen van het inreisverbod af te zien of de duur daarvan te verkorten. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nOver bestreden besluit 2\n\n9. De rechtbank stelt voorop dat situaties waarin vrijheidsbeneming, waaronder bewaring, is toegestaan restrictief moeten worden uitgelegd, aangezien het om uitzonderingen op het grondrecht op vrijheid en veiligheid gaat.Dit heeft tot gevolg dat de motivering van de maatregel van bewaring altijd zal moeten zijn toegespitst op de situatie van de vreemdeling. Dit betekent dus ook dat de enkele feitelijke vaststelling van een zware grond – per definitie – niet kan volstaan om de maatregel van bewaring te rechtvaardigen, omdat daarmee het risico wordt gelopen dat een vreemdeling op basis van algemene overwegingen, die niet op de betrokkene zijn toegespitst, in bewaring wordt gesteld, hetgeen afbreuk zou doen aan restrictieve uitleg die moet worden gegeven aan de situaties waarin de vreemdeling kan worden vastgezet.\n\n10. De rechtbank realiseert zich dat het toetsingskader onder overweging 9 afwijkt van het toetsingskader van de Afdeling zoals dat uiteen is gezet in zijn uitspraak van 25 maart 2020en is bevestigd in zijn uitspraak van 25 juli 2025.De rechtbank, althans deze enkelvoudige kamer, kan zich echter, ook gelet op de motivering van de Afdeling in diens laatstgenoemde uitspraak, niet in deze lijn van de Afdeling vinden. Zij licht dit als volgt toe.\n\n11. De gronden voor bewaring, zoals die zijn opgenomen in artikel 5.1b Vb, voldoen weliswaar aan de algemene en abstracte regels die in het nationaal recht moeten zijn vastgesteld,maar daarmee is nog niet voldaan aan de motiveringsplicht waaraan een op basis van die regels opgelegde vrijheidsbenemende maatregel moet voldoen. Kort gezegd is deze rechtbank van oordeel dat weliswaar de wettelijke grondslag voldoet aan het Unierecht, maar dat dit onverlet laat dat iedere vrijheidsbenemende maatregel in de motivering specifiek moet zijn toegespitst op de vreemdeling. Steun voor deze benadering vindt de rechtbank in de conclusie van Advocaat-Generaal Rantos van 5 september 2024, die immers overweegt dat situaties waarin vrijheidsbeneming is toegestaan restrictief worden uitgelegd, aangezien het om uitzonderingen op het grondrecht op vrijheid en veiligheid gaat, zoals dat is neergelegd in artikel 6 van het Handvest van de grondrechten van de EU.De Afdeling leunt in diens voornoemde uitspraken zwaar op aanbeveling (EU) 2017\u002F432. Die aanbeveling is evenwel genomen op grond van artikel 292 VWEU en is daarmee niet juridisch bindend, dit volgt uit artikel 288 VWEU. Weliswaar moet met die aanbeveling rekening worden gehouden bij de uitleg van het Unierecht,maar daaraan wordt reeds voldaan doordat de uitgangspunten van die aanbeveling in de algemene en abstracte regels voor de inbewaringstelling (in artikel 5.1b Vb), zijn neergelegd en de rechter dus ook steeds zal moeten toetsen of die feitelijke gronden zich voordoen. Daarbij komt dat in de aanbeveling weliswaar het Handvest wordt aangehaald, maar daarover in overweging 28 van de considerans is overwogen:\n\nDeze aanbeveling is in overeenstemming met de grondrechten en neemt de in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie erkende beginselen in acht. Deze aanbeveling waarborgtin het bijzonder de volledige eerbiediging van de menselijke waardigheid en de toepassing van de artikelen 1, 4, 14, 18, 19, 24 en 47 van het Handvest en dient dienovereenkomstig te worden uitgevoerd\n\nArtikel 6 van het Handvest wordt niet expliciet genoemd, terwijl juist die bepaling het uitgangspunt zou moeten zijn van een toets ten aanzien van de rechtmatigheid van een vrijheidsbenemende maatregel.\n\nUitgaande van een restrictieve uitleg van situaties waarin vrijheidsbeneming is toegestaan komt het de rechtbank niet overtuigend voor dat een bewaring zou kunnen worden gebaseerd op de enkele feitelijke vaststelling van een zware grond, in het bijzonder omdat meerdere van de zware gronden waarvoor dit volgens Afdeling voldoende is van zodanig algemene aard zijn, dat vrijwel iedere vreemdeling die zijn vertrektermijn heeft overschreden, althans het merendeel, hieraan zal voldoen (bijvoorbeeld de gronden genoemd onder artikel 5.1b lid 3 onder a en b Vb, voor wat betreft de grond onder b met name omdat vrijwel steeds wordt gewezen op de meldplicht bij de korpschef, die voortvloeit uit artikel 4.39 Vb, maar waarvan bezwaarlijk kan worden aangenomen dat iedere vreemdeling van die verplichting op de hoogte is).\n\nVoorts komt het uitgangspunt van de aanbeveling, dat bij het voldoen aan de gronden er een rechtsvermoeden ontstaat, ook niet tegemoet aan de restrictieve uitleg van situaties waarin een vreemdeling in bewaring kan worden gesteld, juist omdat het zwaartepunt van de motivering voor de vrijheidsbeneming zou moeten liggen bij de autoriteit die de vrijheidsbeneming gelast. In zoverre kan – ook rekening houdend met die aanbeveling – van dat uitgangspunt in de aanbeveling worden afgeweken. Het rekening houden met een aanbeveling, betekent immers niet dat die aanbeveling steeds volledig moet worden gevolgd, dan zou immers het aanbevelingskarakter eraan komen te ontvallen. Daarentegen moet artikel 6 van het Handvest bij de motivering van een maatregel en de rechterlijke beoordeling daarvan juist wel in acht worden genomen.\n\n12. Om voornoemde redenen wijkt de rechtbank in het navolgende aldus opnieuw af van de benadering van de Afdeling.\n\n13. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.\n\n14. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken.\n\nDe minister heeft als zware gronden vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; en als lichte gronden vermeld dat eiser: 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.\n\n15. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet betwist, met uitzondering van de zware grond 3d. De rechtbank is van oordeel dat de gronden weliswaar feitelijk juist zijn, maar dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in eisers geval het risico bestaat dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken, terwijl dit risico voor de minister wel de aanleiding is geweest voor het opleggen van de maatregel van bewaring. De minister heeft hiertoe in de maatregel onder andere redengevend geacht dat eiser geen identificerend document heeft en dat hij zich niet meteen gemeld heeft bij de korpschef. Naar het oordeel van de rechtbank is het onttrekkingsrisico hiermee niet voldoende vast komen te staan. Voorop staat dat eiser het grondrecht op vrijheid en veiligheid heeft, zoals dat is neergelegd in onder meer artikel 6 van het Handvest van de grondenrechten van de EU. Die bepaling vereist dat situaties waarin vrijheidsbeneming kan plaatsvinden, restrictief worden uitgelegd.Uit de verklaringen van eiser blijkt onvoldoende dat eiser niet zou meewerken. Eiser heeft verklaard dat hij graag een paar weken de tijd wil om wat plaatsen in Nederland te bezoeken en daarna zelfstandig zal vertrekken. Hieruit kan dus een vrijwillige bereidheid om Nederland te verlaten worden afgeleid. Het komt de rechtbank op voorhand dan ook niet onaannemelijk voor dat als de minister eiser op zijn verplichting direct het land te verlaten had gewezen, eiser zijn verplichting om direct te vertrekken zou hebben begrepen en hieraan ook zijn medewerking zou hebben verleend. Bij twijfel hierover had het op de weg van de minister gelegen om eiser nader te bevragen, om zo een meer afgewogen inschatting op het onderduikrisico te maken. Door zulks na te laten heeft de minister onzorgvuldig gehandeld, en is het onderduikrisico onvoldoende gemotiveerd. Tegen de achtergrond van de eerder genoemde restrictieve uitleg van situaties waarbinnen bewaring is toegestaan is naar het oordeel van de rechtbank dan ook onvoldoende gemotiveerd dat in eisers specifieke geval sprake is van een onttrekkingsrisico. Het beroep is daarom gegrond. Hetgeen voor het overige is aangevoerd hoeft geen nadere bespreking.\n\nOver de beroepen\n\n16. Het beroep tegen bestreden besluit 1 is ongegrond. Het beroep tegen bestreden besluit 2 is gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig.\n\n17. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 8 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 8 x € 100,- (verblijf detentiecentrum) = € 800,-.\n\n18. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond;\n\n- verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 800,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 907,00.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. T.J. Thurlings - Rassa, rechter, in aanwezigheid van\n\nH.B. Slot - Akkerman, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.\n\nConclusie van Advocaat-Generaal A Rantos bij het HvJ EU van 5 september 2024, ECLI:ECLI:EU:C:2024:703, overweging 40.\n\n ECLI:NL:RVS:2020:829.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:3442\n\n HvJ EU 4 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:868, r.o. 43.\n\nECLI:ECLI:EU:C:2024:703, overweging 40\n\n HvJ EG 13 december 1989, ECLI:EU:C:1989:646, r.o. 18.\n\n Artikel 51 van het Handvest van de Grondrechten van de EU.\n\n Vgl. Conclusie van Advocaat-Generaal A Rantos bij het HvJ EU van 5 september 2024, ECLI:ECLI:EU:C:2024:703, overweging 40.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:14212","2025-07-31T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:22.960Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":51,"updatedAt":62},"323","ECLI:NL:RBDHA:2025:14763","ecli-nl-rbdha-2025-14763",63,"2025-07-17T00:00:00.000Z","uitspraak\n\nRECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummers: NL24.28766 en NL24.31658\n\nuitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser\n\n [eiseres] ,V-nummer [V-nummer] , eiseres samen aangeduid als eisers\n\n(gemachtigde: mr. D. Karasahin), en\n\nde Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. N.N. Bontje).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de intrekking met terugwerkende kracht van eisers verblijfsvergunningen regulier over de periode van 1 december 2022 tot 1 oktober 2023 en de afwijzing van de aanvragen van eisers voor verblijfsvergunningen onder de beperking ‘EU langdurig ingezetene’. Eisers zijn het niet eens met de intrekking van hun verblijfsvergunningen en de afwijzing van hun aanvragen. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de intrekking van de verblijfsvergunningen en de afwijzing van de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de verblijfsvergunningen van eisers over de periode 1 december 2022 tot 1 oktober 2023 mocht intrekken en dat de minister de aanvragen van eisers voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘EU langdurig ingezetene’ mocht afwijzen.Eisers krijgen dus geen gelijk en de beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.Inleiding en procesverloop\n\n2. Eisers hebben de Russische nationaliteit. Aan eiser, geboren op [geboortedatum] 1985,was een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘arbeid als kennismigrant’ verleend die geldig was van 21 september 2019 tot 1 december 2024. Aan eiseres, geboren op [geboortedatum] 1988, is een van eiser afhankelijke vergunning verleend.\n\n2.1.. Op 28 februari 2022 heeft [bedrijf 1] B.V. aan de minister gemeld dat eiser met ingang van 28 februari 2022 niet meer werkzaam is bij deze werkgever.\n\n2.2.. Eisers hebben op respectievelijk 28 augustus 2023 en 1 september 2023 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘EU langdurig ingezetene’.\n\n2.3.. Vervolgens heeft de minister op 27 september 2023 eisers geïnformeerd dat hij voornemens is hun verblijfsvergunningen in te trekken, omdat niet langer aan de voorwaarden wordt voldaan omdat eiser sinds 28 februari 2022 niet werkzaam is bij een erkend referent. Eiser heeft op dit voornemen gereageerd en aangegeven dat hij met ingang van 1 maart 2022 werkzaam was bij [bedrijf 2] en dat hij inmiddels werkzaam is bij [bedrijf 3] . Bij besluit van 22 november 2023 heeft de minister de verblijfsvergunning van eisers met terugwerkende kracht ingetrokken voor de periode van 1 december 2022 tot 1 oktober 2023, omdat eiser in die periode niet voldeed aan de voorwaarden. Het bezwaar hiertegen is bij besluit van 20 juni 2024 (bestreden besluit I) ongegrond verklaard. Het beroep dat eisers hiertegen hebben ingesteld is geregistreerd onder zaaknummer NL24.28766.\n\n2.4.. Bij separate besluiten van 27 februari 2024 heeft de minister de aanvragen van eisers voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘EU langdurig ingezetene’ afgewezen, omdat eisers niet voldoen aan het vereiste van vijf jaar onafgebroken verblijf in Nederland op basis van een niet-tijdelijke verblijfsvergunning. Het bezwaar hiertegen heeft de minister bij besluit van 23 juli 2024 (bestreden besluit II) ongegrond verklaard. Het beroep dat eisers hiertegen hebben ingesteld is geregistreerd onder zaaknummer NL24.31658.\n\n2.5.. De rechtbank heeft de beroepen gezamenlijk op 25 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, mevrouw A. Avakyan als tolk en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nNL24.28766 – de intrekking van de verblijfsvergunningen\n\nMocht de minister de vergunningen intrekken?\n\n3. De minister heeft aan de intrekking ten grondslag gelegd dat eiser over de periode van 1 december 2022 tot 1 oktober 2023 niet voldeed aan de voorwaarden. Na de melding van [bedrijf 1] B.V. aan de minister dat eiser daar met ingang van 28 februari 2022 niet meer werkzaam is heeft de minister geen melding ontvangen van een andere werkgever of van eiser. Uit onderzoek van de minister is gebleken dat eiser in de periode van 1 maart 2022 tot en met 31 augustus 2022 werkzaam is geweest bij een erkend referent, namelijk [bedrijf 2] . Vervolgens is eiser met ingang van 1 september 2022 in dienst getreden bij [bedrijf 3] B.V. en dat is geen erkend referent. De minister heeft daarom, met inachtname van de zoekperiode van drie maanden, met ingang van 1 december 2022 de vergunningen van eisers ingetrokken.\n\n4. De rechtbank stelt vast dat op artikel 19 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) in samenhang gelezen met artikel 18, eerste lid, aanhef en onder van de Vw de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden kan ingetrokken indien niet (langer) wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend of een voorschrift dat aan de vergunning is verbonden. Dit betreft dus een discretionaire bevoegdheid.\n\n5. In paragraaf B1\u002F6.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) is invulling gegeven aan deze discretionaire bevoegdheid door te bepalen dat de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt ingetrokken met ingang van de datum waarop niet (meer) wordt voldaan aan de in die paragraaf vermelde voorwaarden.\n\n6. De rechtbank stelt vast dat eisers niet betwisten dat [bedrijf 3] B.V. geen erkend referent is, dat eiser daarom over de periode in geding niet voldeed aan de voorwaarden van zijn vergunning en dat de minister daarom de verblijfsvergunningen mocht intrekken. Eisers voeren aan dat de intrekking van hun vergunningen in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel.\n\nHet evenredigheidsbeginsel\n\n7. Eisers voeren aan dat de minister van intrekking had moeten afzien, omdat de gevolgen voor hen onevenredig zijn. Eisers vinden intrekking van hun verblijfsvergunningen niet noodzakelijk en niet evenwichtig. Eisers zijn van mening dat de minister met een alternatief, lichter middel had moeten volstaan, zoals een boete voor de werkgever van eiser. Eisers voeren in dit kader aan dat eiser niet wist dat zijn werkgever geen erkend referent was en dat het hem niet valt te verwijten dat zijn werkgever een fout heeft gemaakt. Eiser was werkzaam bij een erkend referent, [bedrijf 2] , en is bij brief van 3 augustus 2022 door zijn werkgever geïnformeerd dat hij per 1 september 2022 werkzaam is bij [bedrijf 3] B.V., maar dat dit geen gevolgen heeft voor zijn arbeidsvoorwaarden. Door de intrekking is er voor eisers een verblijfsgat ontstaan en zal het langer duren voordat zij permanent verblijf in Nederland kunnen krijgen, terwijl eisers hiermee al bezig waren en hun toekomstplannen daarop hadden afgesteld. Ook wijzen zij op de memorie van toelichting bij de Wet modern migratiebeleid waar uit volgt dat niet altijd hoeft te worden ingetrokken bij het niet voldoen aan de voorwaarden en juist de plicht tot maatwerk wordt opgelegd.\n\n8. In de uitspraak van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) een algemeen kader geformuleerd voor de toetsing van op een discretionaire bevoegdheid rustende besluiten, zoals hier ook het geval is, aan het evenredigheidsbeginsel. De Afdeling heeft onder 7.10 van die uitspraak overwogen dat, als de beroepsgronden daartoe aanleiding geven, de bestuursrechter de belangenafweging die ten grondslag ligt aan de besluiten, zal toetsen aan de norm die is neergelegd in artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De toetsing aan het evenredigheidsbeginsel is afhankelijk van een veelheid aan factoren en verschilt daarom van geval tot geval. Geschiktheid, noodzaak en evenwichtigheid spelen daarbij een rol, maar de toetsing daaraan zal niet in alle gevallen op dezelfde wijze plaatsvinden. De intensiteit van de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel wordt bepaald door onder meer de aard en de mate van de beleidsruimte van het bestuursorgaan, de aard en het gewicht van de met het besluit te dienen doelen en de aard van de betrokken belangen en de mate waarin deze door het besluit worden geraakt (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 17 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1938, r.o. 13.1).\n\n9. De rechtbank overweegt dat uit rechtspraak van de Afdeling (waaronder de uitspraak van 6 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2285) volgt dat intrekking met terugwerkende kracht van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘arbeid als kennismigrant’ in beginsel evenredig is, omdat een juiste toepassing van de kennismigrantenregeling een legitiem belang is. De Afdeling heeft in een uitspraak van 30 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3294, geoordeeld dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet modern migratiebeleid volgt dat de koppeling tussen de referentstelling en de verblijfsvergunning van een vreemdeling die verblijf beoogt als kennismigrant, bewust is aangebracht om te voorkomen dat een werkgever, zonder zich referent te stellen, toch het gewenste verblijf van de desbetreffende vreemdeling kan bewerkstelligen. Dit betekent dat de gevolgen van het handelen van de werkgever in beginsel voor rekening van de vreemdeling mag worden gebracht.\n\n10. Uit de door eiser overgelegde brief van 3 augustus 2022 blijkt dat hij er in die brief op is gewezen dat hij met ingang van 1 september 2022 een formeel andere werkgever had: “Through this letter, [bedrijf 2] AB and you mutually agree that, with effect from September 1,2022, your employment will transfer to [bedrijf 3] B.V., who will be your new formal employer.\n\nThe transfer merely constitutes a change of your formal employer. (…)\n\nYour employment with [bedrijf 2] AB will therefore terminate in mutual consent upon the transfer to [bedrijf 3] on September 1, 2022 (…)”\n\n11. Eiser was dus in kennis gesteld van het feit dat sprake was van een formeel andere werkgever. Het had daarom (ook) op zijn weg gelegen om aan de minister door te geven dat hij met ingang van 1 september 2022 een andere werkgever had. Eiser was namelijk op grond van artikel 4.26 van het Vreemdelingen Voorschrift 2000 (VV) ook zelf verplicht om wijziging van een werkgever door te geven. De stelling van eisers dat uit de toelichting op artikel 4.26 van het VV blijkt dat deze meldingen door de werkgevers gemaakt moeten worden en niet door de kennismigranten zelf volgt de rechtbank niet. De tekst van artikel van het VV biedt geen ruimte voor deze uitleg van eisers:\n\n“De vreemdeling die in Nederland verblijft in het kader van uitwisseling, studie, seizoenarbeid, lerend werken, arbeid in loondienst, arbeid als kennismigrant, als houder van de Europese blauwe kaart of in het kader van onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016\u002F801, verstrekt inlichtingen indien hij van uitwisselings- of au pairorganisatie, onderwijsinstelling of werkgever wijzigt.”\n\n12. De stelling van eisers ter zitting dat meldingsformulieren die zijn ingediend door kennismigranten niet door de minister in behandeling worden genomen onder vermelding dat zij zich moeten wenden tot de referent die de melding moet doen, is een handelwijze die door de minister uitdrukkelijk wordt bestreden. De rechtbank merkt hierover op dat eisers niet hebben gesteld op enig moment actie te hebben ondernomen om de minister op de hoogte te brengen of te doen brengen van de wijziging van werkgever, waardoor de gestelde werkwijze van de minister niet kan leiden tot een ander oordeel.\n\n13. De rechtbank overweegt verder dat het feit dat de intrekking als gevolg heeft dat er een verblijfsgat is ontstaan en dat eisers daardoor pas op een later moment in aanmerking kunnen komen voor verlening van verblijfsvergunningen voor onbepaalde tijd en ook pas later kunnen naturaliseren, de minister geen aanleiding heeft hoeven geven om van de intrekking van de verblijfsvergunningen af te zien. Deze nadelige gevolgen zijn niet onevenredig in verhouding tot de met de intrekking beoogde doel en daarbij is ook van belang dat eisers op dit moment in het bezit zijn van geldige verblijfsvergunningen en zij hun verblijf in Nederland dus kunnen voortzetten. De rechtbank verwijst in dit kader naar de eerder genoemde uitspraak van de Afdeling van 30 november 2017. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel kan dus niet slagen. De beroepsgrond dat de minister ten onrechte geen aparte belangenafweging voor eiser en eiseres heeft gemaakt kan niet tot een ander oordeel leiden. Uit de besluitvorming volgt duidelijk dat de minister in de belangenafweging zowel de belangen van eiser als die van eiseres heeft betrokken.\n\nHet gelijkheidsbeginsel\n\n14. Eisers voeren verder aan dat de intrekking van hun verblijfsvergunningen in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. In dit kader verwijzen eisers naar een overzicht van zaken waarin volgens hen ook sprake is van kennismigranten die niet aan de voorwaarden van de vergunning hebben voldaan wegens een fout van hun werkgever. Eisers verwijzen verder naar de (niet-gepubliceerde) uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam van 2 februari 2024 (NL22.15214) en zittingsplaats Amsterdam 8 mei 2024 (NL23.20232) waar ook een beroep is gedaan op het door eiser overgelegde overzicht.\n\n15. De rechtbank is van oordeel dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet kan slagen. De minister heeft in het bestreden besluit I en het verweerschrift de door eisers genoemde uitspraken afzonderlijk besproken en uiteengezet waarom geen sprake is van gelijke gevallen. Zo zijn er bijvoorbeeld verschillen in de gezinsomstandigheden, de perioden waarin niet is voldaan aan de voorwaarden van de verblijfsvergunning en verschillen de voorwaarden waar niet aan is voldaan. De minister heeft ter zitting toegelicht dat het gaat om een optelsom van omstandigheden waarom in die zaken is besloten om af te zien van intrekking. Eisers hebben ter zitting desgevraagd niet duidelijk kunnen uitleggen waarom volgens hen toch sprake is van gelijke gevallen.\n\nConclusie intrekking\n\n16. De rechtbank is van oordeel dat de minister de verblijfsvergunningen van eisers over de periode 1 december 2022 tot 1 oktober 2023 mocht intrekken.\n\nNL24.31658 – de afwijzing van de aanvragen\n\nAmbtshalve toetsing van de bevoegdheid\n\n17. Met ingang van 2 juli 2024 is de bevoegde beslissingsautoriteit gewijzigd van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid naar de Minister van Asiel en Migratie. De rechtbank stelt ambtshalve vast dat het bestreden besluit II ten onrechte is genomen door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Dit is een gebrek. De rechtbank ziet aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren, omdat eisers door dit gebrek niet zijn benadeeld.\n\nMocht de minister de aanvragen van eisers afwijzen?\n\n18. De minister heeft aan de afwijzing van de aanvragen van eisers voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘EU langdurig ingezetene’ ten grondslag gelegd dat zij niet voldoen aan de voorwaarden, omdat zij niet minimaal vijf jaar onafgebroken in Nederland hebben verbleven op basis van een geldige verblijfsvergunning regulier voor een niet tijdelijk verblijfsdoel. Eisers hebben namelijk over de periode van 1 december 2022 tot 1 oktober 2023 geen geldige verblijfsvergunning gehad.\n\n19. Eisers voeren aan dat de minister ten onrechte hun aanvragen heeft afgewezen en dat dit in strijd is met de Richtlijn langdurig ingezetene (Richtlijn 2003\u002F109\u002FEG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen). Eisers stellen dat zij in de periode van 1 december 2022 tot 1 oktober 2023 formeel beperkt verblijfsrecht hadden. Eisers verwijzen in dit kader naar een uitspraak van de Afdeling van 23 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3447 en twee uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 14 augustus 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:21072 en 24 januari 2024, NL23.16560.\n\n20. Op grond van artikel 45b, tweede lid, aanhef en onder a, Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen afgewezen, indien de vreemdeling niet gedurende vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag ononderbroken en rechtmatig verblijf heeft gehad.\n\n21. Zoals de rechtbank onder 17 heeft geoordeeld heeft de minister de verblijfsvergunningen van eisers over de periode 1 december 2022 tot 1 oktober 2023 mogen intrekken. Dat betekent dat eisers over deze periode geen rechtmatig verblijf hebben gehad. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of eisers over deze periode een formeel beperkt verblijfsrecht hebben gehad.\n\n22. In paragraaf D1\u002F2.2. van de Vc is opgenomen dat sprake is van een formeel beperkt verblijfsrecht als bedoeld in artikel 45b, eerste lid onder b, van de Vw als:\n\nDe vreemdeling in afwachting is van een beslissing op een aanvraag tot het verlenen, wijzigen of verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning; of\n\nDe vreemdeling verblijf heeft gedurende een bezwaar- of beroepsprocedure tegen de weigering een verblijfsvergunning te verlenen, verlengen of wijzigen en gedurende een bezwaar- of beroepsprocedure, gericht tegen een intrekking van een verblijfsvergunning.\n\n23. De rechtbank stelt vast dat de periode 1 december 2022 tot 1 oktober 2023 niet onder een van deze voorwaarden valt. De rechtbank is verder van oordeel dat de jurisprudentie waar eiser naar verwijst en de Richtlijn langdurig ingezetene onvoldoende aanknopingspunten bieden om de periode in geding aan te kunnen merken als formeel beperkt verblijfsrecht. In de uitspraak van 23 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3447 heeft de Afdeling geoordeeld dat de minister ‘terecht’ de periode waarin een vreemdeling niet beschikte over rechtmatig verblijf heeft aangemerkt als formeel beperkt verblijfsrecht en heeft de Afdeling ter motivering verwezen naar een andere uitspraak van de Afdeling van 3 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW1435. Zoals de minister in het verweerschrift heeft opgemerkt, gaat het in de uitspraak van 3 april 2012 om een andere situatie. In die zaak ging het namelijk om een vreemdeling die in afwachting was van een besluit op zijn aanvraag om wijziging van de beperking van zijn verblijfsvergunning regulier en dat is een situatie die volgens paragraaf D1\u002F2.2. van de Vc wel een formeel beperkt verblijfsrecht oplevert. De rechtbank ziet daarom in de uitspraak van de Afdeling van 23 december 2016 onvoldoende aanleiding om te oordelen dat de periode van 1 december 2022 tot 1 oktober 2023 als formeel beperkt verblijfsrecht moet worden aangemerkt. De rechtbank is verder van oordeel dat de Richtlijn langdurig ingezetene evenmin aanknopingspunten biedt om de periode van 1 december 2022 tot 1 oktober 2023 als formeel beperkt verblijfsrecht aan te merken. Artikel 4 van de Richtlijn bepaalt immers uitdrukkelijk dat lidstaten de status van langdurig ingezetene toekennen aan onderdanen van derde landen die legaal en ononderbroken vijf jaar onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek op het grondgebied van de lidstaat verblijven. Nu de minister over de periode van 1 december 2022 tot 1 oktober 2023 de verblijfsvergunningen van eisers heeft mogen intrekken hebben zij over die periode geen rechtmatig verblijf gehad.\n\nGelijkheidsbeginsel\n\n24. Eisers voeren aan dat het bestreden besluit II in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en verwijzen ter onderbouwing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 14 augustus 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:21072.\n\n25. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet slaagt. De enkele verwijzing naar (met name 5.1. van) de uitspraak van Amsterdam is onvoldoende onderbouwing dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel. De minister heeft bovendien bestreden dat sprake is van een vaste gedragslijn inhoudende dat de intrekking met terugwerkende kracht van de verblijfsvergunning de opbouw van de verblijfsjaren in de zin van de Richtlijn langdurig ingezetenen niet onderbreekt en ook in dat geval een formeel beperkt verblijfrecht wordt aangenomen over de periode waar het verblijfsgat op ziet.\n\nHoorplicht\n\n26. Eisers voeren aan dat sprake is van schending van de hoorplicht. Uit vaste rechtspraak en WI 2022\u002F20 volgt dat van een kennelijk ongegrond bezwaar slechts sprake kan zijn als er bijvoorbeeld sprake is van een herhaling van zetten en daar is geen sprake van.\n\n27. De rechtbank is van oordeel dat de minister de hoorplicht niet heeft geschonden. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling kan alleen van horen worden afgezien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit is vervat. In de bezwaargronden hebben eisers argumenten aangevoerd om te onderbouwen dat hun aanvragen ten onrechte zijn afgewezen, omdat sprake was van formeel beperkt verblijfsrecht. Over die rechtsvraag heeft verweerder eisers niet hoeven horen.\n\nConclusie afwijzing aanvragen\n\n28. De rechtbank is van oordeel dat de minister de aanvragen van eisers heeft mogen afwijzen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n29. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de minister verblijfsvergunningen van eisers over de periode 1 december 2022 tot 1 oktober 2023 mocht intrekken en dat de minister de aanvragen van eisers voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘EU langdurig ingezetene’ mocht afwijzen. Omdat de beroepen ongegrond zijn krijgen eiseres het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, voorzitter, en mr. S.G.M. van Veen en mr. E.R. Brouwer, leden, in aanwezigheid van mr. L.S. Lodder, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\n17 juli 2025\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:14763","2025-08-08T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:24.393Z",{"id":64,"ecli":65,"slug":66,"caseNumber":43,"courtId":67,"decisionDate":68,"fullText":69,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":70,"sourceTimestamp":68,"parsedAt":51,"updatedAt":71},"1451","ECLI:NL:RBDHA:2025:8712","ecli-nl-rbdha-2025-8712",65,"2025-05-19T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.12792\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [nummer],\n\n(gemachtigde: mr. R. Roelofsen),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingediend omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de aanvraag van 24 juli 2024 tot het verlenen van een machtiging voor voorlopig verblijf.1.1.. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en heeft gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. De rechtbank heeft het beroep daarom niet op zitting behandeld en sluit hierbij het onderzoek.\n\n1.2.. Eiseres heeft gevraagd om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank ziet aanleiding om dit verzoek toe te wijzen. Eiseres hoeft dus geen griffierecht te betalen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nIs het beroep ontvankelijk en gegrond?\n\n2. De minister moet in dit concrete geval uiterlijk binnen 90 dagen na het ontvangen van de aanvraag beslissen.De minister heeft deze termijn in dit concrete geval met drie maanden verlengd. De rechtbank stelt vast dat deze termijn is verstreken.Eiseres heeft de minister, na het verstrijken van deze termijn, gevraagd om alsnog binnen twee weken te beslissen. Dat heeft de minister niet gedaan. Eiseres heeft vervolgens beroep ingesteld.\n\n3. Het beroep is ontvankelijk en gegrond.\n\nWelke beslistermijn legt de rechtbank de minister op?\n\n4. De meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats, heeft in de uitspraak van 16 augustus 2024geoordeeld dat bij het bepalen van een nieuwe beslistermijn rekening moet worden gehouden met het ‘first in first out’ (fifo)-principe van de minister. Dit betekent dat de rechtbank een termijn van 90 dagen oplegt, die begint op het moment dat de minister de zaak van eiseres in behandeling neemt. De minister heeft in haar verweerschrift aangegeven de aanvraag van eiseres in november 2026 in behandeling te nemen. Dit betekent dat de minister vóór 30 januari 2027 een beslissing op de aanvraag van eiseres bekend dient te maken.\n\nLegt de rechtbank de minister een rechterlijke dwangsom op?\n\n5. Eiseres heeft gevraagd om een dwangsom op te leggen als de minister niet op tijd beslist. De rechtbank bepaalt in deze zaak dat, als de minister niet vóór 30 januari 2027 een besluit op de aanvraag neemt, de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 7.500,-.Is de minister een bestuurlijke dwangsom verschuldigd?\n\n6. Eiseres heeft gevraagd de bestuurlijke dwangsom vast te stellen. De rechtbank zal de bestuurlijke dwangsom vaststellen op het maximale bedrag van € 1.442,-.Er zijn namelijk 42 dagen verstreken, vanaf het moment dat de minister een dwangsom is verschuldigd.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt en de minister voor 30 januari 2027 een besluit moet nemen op de aanvraag. Doet de minister dat niet, dan is zij aan eiseres een dwangsom verschuldigd. De minister moet ook de maximale bestuurlijke dwangsom aan eiseres betalen.\n\n8. De minister moet de door eiseres gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 453,50.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;\n\ndraagt de minister op om vóór 30 januari 2027 alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;\n\nbepaalt dat de minister aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee zij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-;\n\nstelt de hoogte van de door de minister aan eiseres verschuldigde dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb vast op € 1.442,-;\n\nveroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 453,50.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. B.A. Smit, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDeze uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.\n\n Artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Artikel 2u, eerste lid van de Vreemdelingenwet (Vw).\n\n Artikel 6:12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awb.\n\n Artikel 6:12, tweede lid aanhef en onder b, van de Awb.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2024:13031.\n\n Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.\n\n Artikel 4:17 van de Awb.\n\n Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor van 0,5.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:8712","2026-07-13T00:29:21.774Z",{"id":73,"ecli":74,"slug":75,"caseNumber":43,"courtId":67,"decisionDate":76,"fullText":77,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":78,"sourceTimestamp":76,"parsedAt":51,"updatedAt":79},"1460","ECLI:NL:RBDHA:2025:7439","ecli-nl-rbdha-2025-7439","2025-05-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.3256\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam] ,\n\nV-nummer: [nummer] ,\n \n [naam] ,\n\nV-nummer: [nummer] ,\n \n [naam] ,\n\nV-nummer: [nummer] ,\n\ngezamenlijk: eisers,\n\n(gemachtigde: mr. T.M. van der Wal),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eisers hebben ingediend omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de aanvraag van 3 juni 2024 tot het verlenen van een machtiging voor voorlopig verblijf.1.1.. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en heeft gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. De rechtbank heeft het beroep daarom niet op zitting behandeld en sluit hierbij het onderzoek.\n\n1.2.. Eisers hebben gevraagd om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank ziet aanleiding om dit verzoek toe te wijzen. Eisers hoeven dus geen griffierecht te betalen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nIs het beroep ontvankelijk en gegrond?\n\n2. De minister moet uiterlijk binnen 90 dagen na het ontvangen van de aanvraag beslissen.De minister heeft deze termijn met drie maanden verlengd. De rechtbank stelt vast dat deze termijn is verstreken.Eisers hebben de minister, na het verstrijken van deze termijn, gevraagd om alsnog binnen twee weken te beslissen. Dat heeft de minister niet gedaan. Eisers hebben vervolgens beroep ingesteld.\n\n3. Het beroep is ontvankelijk en gegrond.\n\nWelke beslistermijn legt de rechtbank de minister op?\n\n4. De meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats, heeft in de uitspraak van 16 augustus 2024geoordeeld dat bij het bepalen van een nieuwe beslistermijn rekening moet worden gehouden met het ‘first in first out’ (fifo)-principe van de minister. Dit betekent dat de rechtbank een termijn van 90 dagen oplegt, die begint op het moment dat de minister de zaak van eisers in behandeling neemt. De minister heeft in haar verweerschrift aangegeven de aanvraag van eisers in april 2026 in behandeling te nemen. Dit betekent dat de minister vóór 30 juni 2026 een beslissing op de aanvraag van eisers bekend dient te maken.\n\nLegt de rechtbank de minister een rechterlijke dwangsom op?\n\n5. Eisers hebben gevraagd om een dwangsom op te leggen als de minister niet op tijd beslist. De rechtbank bepaalt in deze zaak dat, als de minister niet vóór 30 juni 2026 een besluit op de aanvraag neemt, de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 7.500,-.\n\nIs de minister een bestuurlijke dwangsom verschuldigd?\n\n6. Eisers hebben gevraagd de bestuurlijke dwangsom vast te stellen. De rechtbank zal de bestuurlijke dwangsom vaststellen op het maximale bedrag van € 1.442,-.Er zijn namelijk 42 dagen verstreken, vanaf het moment dat de minister een dwangsom is verschuldigd.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen en de minister voor 30 juni 2026 een besluit moet nemen op de aanvraag. Doet de minister dat niet, dan is zij aan eisers een dwangsom verschuldigd. De minister moet ook de maximale bestuurlijke dwangsom aan eisers betalen.\n\n8. De minister moet de door eisers gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 453,50.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;\n\ndraagt de minister op om vóór 30 juni 2026 alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;\n\nbepaalt dat de minister aan eisers een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee zij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-;\n\nstelt de hoogte van de door de minister aan eisers verschuldigde dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb vast op € 1.442,-;\n\nveroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 453,50.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van F.Q. Peters, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDeze uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.\n\n Artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Artikel 2u, eerste lid van de Vreemdelingenwet (Vw).\n\n Artikel 6:12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awb.\n\n Artikel 6:12, tweede lid aanhef en onder b, van de Awb.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2024:13031.\n\n Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.\n\n Artikel 4:17 van de Awb.\n\n Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor van 0,5.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:7439","2026-07-13T00:29:22.140Z",{"id":81,"ecli":82,"slug":83,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":84,"fullText":85,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":86,"sourceTimestamp":87,"parsedAt":51,"updatedAt":88},"635","ECLI:NL:RBDHA:2025:6692","ecli-nl-rbdha-2025-6692","2025-04-15T00:00:00.000Z","uitspraak\n\nRECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.1577\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser(gemachtigde: mr. G.J. Dijkman),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,(gemachtigde: mr. J. Raaijmakers).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de weigering eiser een verblijfsvergunning regulier te verlenen op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de minister een verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid voor amv heeft mogen weigeren.1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de weigering een verblijfsvergunning te verlenen in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser heeft op 11 mei 2021 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2005. De minister heeft met het bestreden besluit van 7 januari 2025 deze aanvraag (opnieuw) afgewezen als kennelijk ongegrond. Ook heeft de minister beslist dat eiser geen verblijfsvergunning regulier krijgt op grond van het buitenschuldbeleid voor amv. Verder heeft de minister beslist dat eiser om medische redenen uitstel van vertrek krijgt voor de duur van zes maanden.2.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 14 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van de minister en de heer Z. Gharbaoui als tolk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n3. Een eerder ingediend beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag van eiser is door deze rechtbank en zittingsplaats op 19 januari 2023 gegrond verklaard.1 Hierbij is het eerder door de minister genomen besluit2 op de asielaanvraag van eiser vernietigd, maar alleen voor zover daarin een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op basis van het buitenschuldbeleid amv is afgewezen en een terugkeerbesluit is genomen. Het gedeelte van het besluit dat betrekking heeft op de asielaanvraag van eiser is wel in stand gelaten. De rechtbank stelt daarom vast dat de afwijzing van de aanvraag voor zover deze betrekking heeft op het verzoek om internationale bescherming niet meer aan de orde is. Die staat in rechte vast. Ter beoordeling ligt dan ook enkel nog het niet verlenen van een verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid amv voor. Ter zitting hebben partijen bevestigd dat het geschil zich hiertoe beperkt.\n\nHet bestreden besluit\n\n4. De minister heeft geoordeeld dat eiser niet (met terugwerkende kracht) in aanmerking komt voor ambtshalve verlening van een verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid amv. Eiser is inmiddels meerderjarig geworden en adequate opvang kon niet gedurende de minderjarigheid van eiser worden vastgesteld. De minister overweegt dat dit komt doordat het gelet op adviezen van Medifirst niet mogelijk was om eiser in persoon te horen over eventuele opvangmogelijkheden in Marokko. De minister heeft daarom bij meerderjarigheid van eiser bezien of eiser alsnog in aanmerking komt voor vergunningverlening. Nu eiser echter na het beantwoorden van schriftelijke vragen onvoldoende heeft meegewerkt aan het onderzoek naar adequate opvang is dit niet het geval, aldus de minister. De minister wijst er in dat kader onder meer op dat eiser geen adres- of telefoongegevens van de ooms, bij wie hij eerder in Marokko had verbleven, heeft verstrekt. Dit terwijl eiser bij de beantwoording van de vragen had aangegeven dit na te moeten vragen bij zijn moeder, met wie hij regelmatig telefonisch contact heeft. Deze ooms hebben eerder voor eiser gezorgd en gesteld noch gebleken is dat zij dit niet opnieuw hadden kunnen doen.\n\nHeeft de minister voortvarend gehandeld bij het onderzoek naar adequate opvang?\n\n5. Eiser voert aan dat de minister niet voortvarend heeft gewerkt aan het onderzoek naar adequate opvang. Ook is er niet door de minister gemotiveerd waarom het onderzoek niet afgerond kon zijn binnen de daartoe gestelde maximale termijn van een jaar. Gelet hierop en onder verwijzing naar uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling)3 is eiser van mening dat hem een vergunning in het kader van het buitenschuldbeleid amv had moeten worden verleend.\n\n6. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Uit het arrest T.Q. van het Hof van Justitie van de Europese Unie4 (HvJ) en de uitspraken van de Afdeling van 8 juni 20225 volgt dat de minister verplicht is om voorafgaand aan het terugsturen van een minderjarige vreemdeling zich ervan te overtuigen dat die minderjarige vreemdeling wordt teruggestuurd naar een familielid, een aangewezen voogd of adequate opvangfaciliteiten in het land van terugkeer. Verder volgt uit die uitspraken van de Afdeling dat, op het moment dat een niet-begeleide minderjarige vreemdeling meerderjarig is geworden, de minister niet langer is gehouden om te onderzoeken of adequate opvang in het land van terugkeer aanwezig is, mits hij gedurende de minderjarigheid van de vreemdeling voortvarend aan dat onderzoek heeft gewerkt. Het ligt op de weg van de minister om dat in het concrete geval aan te tonen. De minister moet in zijn besluit inzichtelijk maken welke stappen hij in die periode heeft ondernomen en wat de redenen voor de vertraging van het onderzoek naar adequate opvang waren. Of de minister voortvarend handelt vergt een casuïstische beoordeling waarbij onder meer vertragende factoren die niet aan de minister kunnen worden toegerekend en de medewerking van de vreemdeling een rol spelen, aldus de Afdeling.\n\n1. Uitspraak van deze rechtbank in de zaak NL22.26206.\n\n2 Van 30 november 2022.\n\n3 Uitspraken van de Afdeling van 8 juni 2022 ECLI:NL:RVS:2022:1530 en van 12 juli 2023,\n\nECLI:NL:RVS: 2023:2670.\n\n4 Arrest van 14 januari 2021, zaak C-441\u002F19.\n\n5 ECLI:NL:RVS:2022:1530 en ECLI:NL:RVS:2022:1532.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat eiser op 11 mei 2021 een aanvraag heeft gedaan tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel. Op 30 november 2022 heeft de (rechtsvoorganger van de) minister deze aanvraag afgewezen en geconcludeerd dat er adequate opvang aanwezig is in Marokko in de persoon van de moeder van eiser. De minister is daarbij uitgegaan van de omstandigheid dat de ouders van eiser inmiddels waren gescheiden. Op 19 januari 2023 heeft de rechtbank het beroep van eiser hiertegen gegrond verklaard en geoordeeld dat het onderzoek naar een opvangmogelijkheid in Marokko ontoereikend is geweest. Eiser moet verder worden bevraagd of er moet op een andere manier informatie worden ingewonnen over de vraag of de vader van eiser zich al dan niet bij zijn moeder bevindt en of de opvang bij zijn moeder daarmee adequaat is. Ook de gezondheidssituatie van eiser moet hierbij worden betrokken.\n\n8. Na deze uitspraak heeft de minister, zo blijkt uit het voornemen, op 25 april 2023, 30 mei 2023, 19 september 2023, 13 oktober 2023 en 9 januari 2024 medisch advies ingewonnen om te laten beoordelen of eiser medisch in staat is om gehoord te worden over opvangmogelijkheden in Marokko. Uit deze adviezen blijkt steeds dat eiser ofwel zonder bericht niet was verschenen op het spreekuur ofwel eiser (nog) niet kon worden gehoord. Op 1 februari 2024 heeft de minister uiteindelijk eiser schriftelijke vragen voorgelegd met betrekking tot zijn opvangmogelijkheden in Marokko. Deze heeft eiser bij brief van 11 maart 2024 beantwoord. Ter zitting heeft de minister toegelicht dat niet eerder voor het stellen van schriftelijke vragen is gekozen omdat het in persoon horen sterk de voorkeur geniet boven het stellen van zakelijke vragen op papier, zeker in het geval van een kwetsbare minderjarige. Ook heeft de minister hierbij laten meewegen dat de artsen steeds verzochten om eiser na een bepaalde termijn (1 à 3 maanden) opnieuw te zien waardoor bij de minister de hoop bleef bestaan dat eiser alsnog in persoon gehoord kon worden. De minister heeft steeds na (ongeveer) de door Medifirst geadviseerde termijn opnieuw een medisch onderzoek laten doen. Verder heeft DT&V in die periode nader onderzoek gedaan door meerdere keren (vergeefs) te proberen telefonisch contact op te nemen met de ouders van eiser. Ook is er een gesprek gevoerd met de voogd van eiser. De rechtbank is van oordeel dat de minister hiermee voldoende inzichtelijk heeft gemaakt welke stappen zijn ondernomen en wat de redenen zijn geweest voor de vertraging van het onderzoek naar adequate opvang. Deze zijn gelegen in de medische situatie van eiser waardoor horen steeds niet mogelijk is gebleken. Tot de meerderjarigheid van eiser is er geen positief hooradvies uitgebracht door Medifirst. Dit is een omstandigheid die niet aan de minister kan worden toegerekend. Hierbij acht de rechtbank het gelet op de uitleg van de minister niet onbegrijpelijk dat de insteek steeds is gebleven om eiser in persoon te horen. De minister heeft daarom, onder de gegeven omstandigheden, naar het oordeel van de rechtbank voortvarend gehandeld en dit op voldoende wijze inzichtelijk gemaakt. Anders dan eiser betoogt, wordt door de Afdeling in de uitspraak van 8 juni 2022 geen maximumtermijn van één jaar aan het onderzoek naar adequate opvang verbonden. Door de Afdeling wordt in dit verband juist benoemd dat deze termijn per situatie kan verschillen waarbij de minister wel gehouden is om voortvarend te handelen.6 De beroepsgrond slaagt dan ook niet.\n\nHeeft eiser voldoende meegewerkt aan het onderzoek naar adequate opvang?\n\n9. Eiser stelt dat hem ten onrechte is tegengeworpen dat hij onvoldoende heeft meegewerkt aan het onderzoek naar adequate opvang. Eiser verwijst hierbij naar de nota van DT&V van 8 februari 2024 waarin wordt geconcludeerd dat het onderzoek naar adequate opvang niet binnen de gestelde onderzoekstermijn kon worden vastgesteld maar dat dit evident niet te wijten valt aan een gebrek aan medewerking van eiser. Verder is eiser van mening dat de later verkregen gegevens uit het schriftelijke gehoor niet tegen hem kunnen worden gebruikt. Een schriftelijk gehoor is niet gelijk te stellen met een gehoor in persoon en eiser heeft psychische beperkingen om bepaalde onderwerpen te bespreken.\n\n10. Ter zitting heeft de minister toegelicht dat, anders dan uit het bestreden besluit zou kunnen worden afgeleid, aan eiser niet wordt tegengeworpen dat hij gedurende zijn minderjarigheid onvoldoende heeft meegewerkt aan het onderzoek naar adequate opvang. Eiser kon immers niet worden gehoord wegens medische omstandigheden, hetgeen hem niet is toe te rekenen. Bij het bereiken van de meerderjarige leeftijd was hierom nog niet vastgesteld of adequate opvang aanwezig is in Marokko terwijl dit niet aan eiser te wijten was. Daarom heeft de minister bij de meerderjarigheid van eiser beoordeeld of en zo ja, op welke wijze aan eiser een verblijfsrecht volgens het amv-buitenschuldbeleid zou zijn toegekomen en wat de gevolgen daarvan zouden zijn op de datum van de meerderjarigheid7. De minister heeft vervolgens op grond van de antwoorden van eiser op de schriftelijke vragen geconcludeerd dat eiser onvoldoende heeft meegewerkt aan het onderzoek naar adequate opvang en dat hij daarom niet (met terugwerkende kracht) in aanmerking komt voor vergunningverlening.\n\n11. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de minister hiermee niet in lijn met eerdergenoemde jurisprudentie van de Afdeling over het toetsingskader in zaken van niet-begeleide minderjarige vreemdelingen heeft gehandeld. De stelling van eiser dat uit die jurisprudentie volgt dat bij het bereiken van de meerderjarige leeftijd ofwel adequate opvang moet zijn vastgesteld ofwel een vergunning dient te worden verleend8, leest de rechtbank hierin niet terug. De rechtbank is van oordeel dat de minister op grond van de reactie van eiser op de schriftelijk aan hem gestelde vragen niet ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat hij onvoldoende meewerkt aan het onderzoek naar adequate opvang in Marokko. Eiser heeft in zijn antwoorden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud aangegeven dat hij voor wat betreft de adres- en telefoongegevens van zijn ooms navraag moet doen bij zijn moeder. Nu hij regelmatig contact onderhoudt met zijn moeder en dit basale informatie betreft, valt niet in te zien waarom hij vervolgens heeft nagelaten de gevraagde gegevens te verschaffen. De medische problematiek van eiser leidt hierbij niet tot een ander oordeel. Hierbij wijst de rechtbank erop dat deze informatie geen betrekking heeft op de vader van eiser, met wie hij zeer moeizame relatie onderhoudt. Hierom valt niet in te zien waarom van eiser niet verlangd zou kunnen worden dat hij de gevraagde basale informatie verstrekt. Nu eiser niet met medische stukken heeft onderbouwd dat dit medisch gezien niet van hem kan worden verlangd, slaagt de beroepsgrond niet.\n\n6 Afdeling 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1530, overweging 19.2.\n\n7 Overeenkomstig Afdeling 12 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2670.\n\n8 Onder verwijzing naar Afdeling 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1530, overweging 19.2.\n\nOpvang bij moeder\n\n12. Eiser heeft ter zitting aangegeven dat hij de beroepsgrond die betrekking heeft op adequate opvang bij zijn moeder, niet langer handhaaft. Dit nadat de minister had bevestigd eiser hieromtrent geen verwijt te maken.\n\nPrejudiciële vragen\n\n13. Eiser heeft op de zitting de rechtbank verzocht om prejudiciële vragen aan het HvJ te stellen om duidelijkheid te verkrijgen over een eventuele maximale termijn tussen het moment dat een vreemdeling illegaal wordt en het moment dat een terugkeerbesluit moet zijn genomen. De rechtbank stelt echter vast dat, hoewel er wel een voornemen hiertoe was, in het bestreden besluit door de minister geen terugkeerbesluit aan eiser is opgelegd. Reeds hierom bestaat geen aanleiding te voldoen aan dit verzoek van eiser.\n\nConclusie en gevolgen\n\n14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Voor een vergoeding van de proceskosten bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van drs. C.L.W. Slycke - van Dort, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\n15 april 2025\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:6692","2025-04-22T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:40.361Z",{"id":90,"ecli":91,"slug":92,"caseNumber":43,"courtId":93,"decisionDate":94,"fullText":95,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":96,"sourceTimestamp":94,"parsedAt":51,"updatedAt":97},"486","ECLI:NL:RBDHA:2025:3039","ecli-nl-rbdha-2025-3039",66,"2025-02-28T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: NL25.7189\n Uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] (V-nummer: [V-nummer]),\n\ngeboren op [geboortedatum] 1991, (gestelde) Algerijnse nationaliteit,\n\neiser,\n\n(gemachtigde: mr. [advocaat]),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder,\n\n(gemachtigde: mr. J.A.C.M. Prins).\n\nProcesverloop\n\nVerweerder heeft eiser op 7 februari 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen de oplegging van de maatregel, welk beroep tevens wordt aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\nVerweerder heeft de maatregel op 18 februari 2025 opgeheven en daarbij aangeboden schade te vergoeden voor de periode vanaf 17 februari 2025 tot 18 februari 2025 en de proceskosten te vergoeden tot een bedrag van één punt (€ 907,-).\n\nAansluitend aan de opheffing van de maatregel is eiser in bewaring gesteld op een andere grondslag.\n\nDe rechtbank heeft de gemachtigde van eiser op 24 februari 2025 verzocht om te reageren op de opheffing van de maatregel en de aangeboden schadevergoeding en proceskostenvergoeding. De rechtbank heeft geen reactie ontvangen.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 25 februari 2025 op zitting behandeld. Eiser is opgeroepen en verschenen om in persoon te worden gehoord en is bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. el Manouzi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. Omdat de maatregel die ter toetsing voorligt is opgeheven voordat het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden en de rechtbank niet beschikt over stukken van de aansluitend aan de opheffing opgelegde maatregel(en) en de rechtmatigheid van die maatregel dus niet kan controleren, beoordeelt de rechtbank in de onderhavige procedure uitsluitend de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend vanwege de opgeheven maatregel. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest.\n\n2. Gemachtigde van eiser, die niet op de hoogte was van de opheffing van de maatregel hoewel deze opheffing ogenblikkelijk blijkt bij raadpleging van het digitale dossier, heeft ter zitting, nadat de rechtbank heeft aangegeven dat eiser inmiddels op grond van een opvolgende maatregel in bewaring wordt gehouden en dat verweerder reeds schadevergoeding en een proceskostenvergoeding heeft aangeboden vanwege “een te late omzetting”, aangevoerd dat de maatregel van bewaring te laat is omgezet en eiser daarom in vrijheid moet worden gesteld. Gemachtigde van eiser heeft ook aangevoerd dat eiser inmiddels lang in bewaring wordt gehouden en als er nu inmiddels een lp is, niet valt in te zien waarom die lp er een half jaar geleden nog niet was en het daarom de vraag is of verweerder wel voortvarend genoeg handelt.\n\n3. De rechtbank merkt allereerst op dat de rechtbank de rechtmatigheid van een maatregel op de asielgrond beoordeelt. Het moment waarop een lp is aangevraagd en is verkregen is hiervoor niet relevant.\n\n4. De rechtbank stelt voorts vast dat de asielaanvraag die eiser op 5 februari 2025 heeft ingediend, op 15 februari 2025 niet-ontvankelijk is verklaard. In de beschikking van 15 februari 2025 is vermeld dat de maatregel met ten hoogste drie maanden wordt verlengd op grond van artikel 59b, derde lid, Vw. In artikel 59b, derde lid, Vw is bepaald dat “de bewaring krachtens het eerste lid, onderdeel a, b of c, kan worden verlengd met ten hoogste drie maanden indien de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder h, Vw”. Verweerder heeft op 17 februari 2025 een aanvullende beschikking genomen met als inhoud:\n\n(…)\n\nIn het besluit van 15 februari 2025 is abusievelijk opgenomen dat de bewaringsmaatregel met hoogstens drie maanden wordt verlengd. Dit klopt niet, uw bewaringsmaatregel wordt namelijk niet verlengd. U kunt dit document zien als correctie van het originele besluit.\n\n(…)\n\n5. De rechtbank overweegt dat “een correctie van het originele (asiel-)besluit” niet tot gevolg heeft dat de maatregel niet is verlengd in het “originele besluit” van 15 februari 2025. De rechtbank overweegt ook dat verweerder op grond van artikel 59b, derde lid Vw, gelezen in samenhang met artikel 8 onder h, Vw en gelet op de vaste Afdelingsjurisprudentie, bevoegd was om de maatregel met ten hoogste drie maanden te verlengen. Weliswaar is toelichting bij die verlenging toegespitst op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, Vw, terwijl de maatregel is gestoeld op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c, Vw, maar dit maakt de verlenging niet onrechtmatig omdat de juiste grondslag voor de verlenging is benoemd en de verlenging daarmee genoegzaam is gemotiveerd. De rechtbank begrijpt daarom ook niet waarom verweerder op 17 februari 2025 het aanvullende besluit heeft genomen en heeft beslist de maatregel niet te verlengen. Eiser is bovendien niet in vrijheid gesteld, maar aansluitend op grond van een opvolgende maatregel in bewaring gehouden. De rechtbank overweegt dat niet onwaarschijnlijk is dat die opvolgende maatregel op een onjuiste grondslag is gestoeld, maar zoals hiervoor overwogen beoordeelt de rechtbank uitsluitend de rechtmatigheid van de maatregel op de asielgrondslag.\n\n6. De rechtbank stelt dus vast dat de maatregel in de beschikking van 15 februari 2025 rechtsgeldig is verlengd. Verweerder heeft in zijn aanvullende besluit deze verlenging stopgezet, waardoor op dat moment de grondslag aan de maatregel is komen te vervallen.\n\n7. Indien de grondslag aan een maatregel komt te ontvallen, dient de invrijheidstelling te volgen, tenzij verweerder het noodzakelijk, proportioneel en evenredig acht om een opvolgende maatregel op te leggen. Het onderzoeken of dit is zo en het eventuele opleggen van een opvolgende maatregel dient zo spoedig mogelijk te geschieden indien verweerder de vreemdeling ononderbroken in bewaring wil houden. Op grond van “de schottentheorie” wordt doorgaans aangenomen dat een zogenoemde “omzetting” binnen twee dagen (en niet binnen 48 uur, zie de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 11 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:16568, rechtsoverweging 19) dient te geschieden. De rechtbank merkt hierbij uitdrukkelijk op dat deze termijn van twee dagen, geen termijn is die hoe dan ook mag verstrijken zonder dat enige handelingen van verweerder zijn vereist. De rechtbank zal dan ook steeds beoordelen of de termijn die is verstreken tussen het ontvallen van de grondslag aan een maatregel en het opleggen van een opvolgende maatregel noodzakelijk is geweest voor het te verrichten onderzoek en de oplegging van de maatregel. In de onderhavige geval is de grondslag van de te toetsen maatregel ontvallen door het nemen van een aanvullend besluit op 17 februari 2025. De betreffende maatregel is opgeheven op 18 februari 2025. De rechtbank acht het tijdsverloop tussen 17 en 18 februari 2025 dermate gering, dat er geen sprake is geweest van onrechtmatig voortduren van de maatregel na het ontvallen van de grondslag.\n\n8. Eiser heeft geen andere beroepsgronden aangevoerd, hoewel hij daartoe ter zitting uitdrukkelijk in de gelegenheid is gesteld. De rechtbank heeft alle rechtmatigheidsvereisten gecontroleerd en concludeert, anders dan verweerder, dat de maatregel rechtsgeldig is opgelegd en vanaf de oplegging tot de opheffing steeds rechtmatig heeft voortgeduurd.\n\n9. Verweerder heeft eiser een aanbod tot vergoeding van schade en proceskosten gedaan. De rechtbank overweegt dat dit aanbod onverplicht is gedaan en dat eiser dit bovendien niet heeft aanvaard. Omdat de rechtbank concludeert dat de maatregel rechtmatig is opgelegd en rechtmatig heeft voortgeduurd tot het moment van opheffing, bestaat er geen aanleiding om eiser in aanmerking te brengen voor schadevergoeding en bestaat er ook geen aanleiding om een proceskostenveroordeling uit te spreken. Dat de gemachtigde voor de zitting het digitale dossier niet heeft bekeken en daarom het aanbod tot schadevergoeding niet heeft gezien en niet heeft aanvaard, betekent niet dat de rechtbank het onverplicht gedane aanbod tot vergoeding van schade en proceskosten “omzet” in een veroordeling tot vergoeding van schade, die dus niet is geleden, en proceskosten. De rechtbank controleert immers in alle bewaringsprocedures ambtshalve alle rechtmatigheidsvereisten en dit kan betekenen dat de rechtbank een maatregel (on)rechtmatig acht terwijl partijen hier anders over denken.\n\n10. De rechtbank volstaat gelet op het bovenstaande met het uitspreken van de ongegrondheid van het beroep en de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. K.M.R.L. Kamp, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 28 februari 2025.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:3039","2026-07-13T00:28:32.895Z",{"id":99,"ecli":100,"slug":101,"caseNumber":43,"courtId":67,"decisionDate":102,"fullText":103,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":104,"sourceTimestamp":102,"parsedAt":51,"updatedAt":105},"1443","ECLI:NL:RBDHA:2025:959","ecli-nl-rbdha-2025-959","2025-01-28T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL24.44610\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam],\n\nV-nummer: [nummer],\n \n [naam],\n\nV-nummer: [nummer],\n \n [naam],\n\nV-nummer: [nummer],\n \n [naam],\n\nV-nummer: [nummer],\n \n [naam],\n\nV-nummer: [nummer],\n \n [naam],\n\nV-nummer: [nummer],\n \n [naam],\n\nV-nummer: [nummer],\n \n [naam],\n\nV-nummer: [nummer],\n \n [naam],\n\nV-nummer: [nummer],\n \n [naam],\n\nV-nummer: [nummer],\n\ngezamenlijk: eisers,\n\n(gemachtigde: mr. T.M. van der Wal),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nOverwegingen\n\n1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eisers tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag van 12 maart 2024 om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor verblijf als familie- of gezinslid bij [naam] (referent) in het kader van nareis.\n\n2. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt. Partijen hebben hier mee ingestemd, waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten en het beroep dus niet heeft behandeld op een zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. Eisers hebben verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank ziet aanleiding om dit verzoek toe te wijzen. Eisers hoeven dus geen griffierecht te betalen.\n\n4. In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb is bepaald dat, voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit wordt gelijkgesteld.\n\n5. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, voor zover hier van belang, is bepaald dat een beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan worden ingediend, zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken, nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.\n\n6. De minister moet uiterlijk binnen 90 dagen na ontvangst van de aanvraag beslissen (artikel 2u, eerste lid, Vw). De minister heeft deze termijn met drie maanden verlengd. De rechtbank stelt vast dat deze termijn is verstreken, dat eisers de minister rechtsgeldig in gebreke hebben gesteld en dat sindsdien meer dan twee weken zijn verstreken.\n\n7. Het beroep is daarom gegrond.\n\n8. De meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, heeft bij uitspraak van 16 augustus 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:13031) geoordeeld dat bij het bepalen van een nieuwe beslistermijn rekening moet worden gehouden met het in de gegeven omstandigheden noodzakelijk geachte ‘first in first out’ (hierna: fifo)-principe van de minister. Dit leidt ertoe dat de rechtbank in beginsel een termijn van 90 dagen oplegt, te rekenen vanaf het moment dat de aanvraag gelet op het fifo-principe ter hand wordt genomen. De minister heeft in haar verweerschrift aangegeven de aanvraag van eisers in november 2025 in behandeling te kunnen nemen. Dit betekent dat de minister vóór 30 januari 2026 een beslissing op de aanvraag van eisers bekend dient te maken. Hetgeen door de gemachtigde van eisers is gesteld in de aanvullende gronden van beroep van 22 januari 2025 leidt niet tot een ander oordeel.\n\n9. Met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb bepaalt de rechtbank dat de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn wordt overschreden door de minister. Daarbij geldt een maximum van € 7.500,-.\n\n10. Op verzoek stelt de rechtbank de hoogte vast van de bestuurlijke dwangsom die de minister op grond van afdeling 4.1.3 van de Awb verschuldigd is. Eisers hebben verzocht deze dwangsom vast te stellen. Omdat meer dan 42 dagen zijn verstreken na de dag als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb, stelt de rechtbank de verbeurde dwangsom vast op\n\n€ 1.442,-.\n\nConclusie en gevolgen\n\n11. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen, de minister tot 30 januari 2026 de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan de minister een dwangsom wordt opgelegd. De rechtbank stelt ook de door de minister verschuldigde bestuurlijke dwangsom vast.\n\n12. De rechtbank veroordeelt de minister in door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde van € 907,- en een wegingsfactor 0,5).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;\n\ndraagt de minister op om vóór 30 januari 2026 alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;\n\nbepaalt dat de minister aan eisers een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee zij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van\n\n€ 7.500,-;\n\nstelt de hoogte van de door de minister aan eisers verschuldigde dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb vast op € 1.442,-;\n\nveroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 453,50.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. B.A. Smit, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDeze uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:959","2026-07-13T00:29:21.414Z",20,[108,11,109],2026,2024]