[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-income-tax-nl-2025":3},{"detail":4,"years":110},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":27,"page":14,"limit":109},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},35,"income-tax-nl","Income Tax","NL","2026-07-08T16:53:25.892Z",2025,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":17},3,{"month":21,"count":15},4,{"month":23,"count":15},5,{"month":25,"count":15},6,{"month":27,"count":15},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":17},9,{"month":33,"count":17},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":14},12,[39,53,62,71,80,90,100],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"872","ECLI:NL:RBNHO:2025:16030","ecli-nl-rbnho-2025-16030","",67,"2025-12-19T00:00:00.000Z","Rechtbank noord-holland\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: HAA 23\u002F5385 en HAA 23\u002F5386\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 19 december 2025 in de zaken tussen\n\n [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser,\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nHAA 23\u002F5385 (naheffingsaanslag OB 2017)\n\nVerweerder heeft aan eiser een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd met betrekking tot het tijdvak 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017 (hierna: de naheffingsaanslag OB 2017). Tevens heeft verweerder bij beschikkingen een bedrag aan belastingrente in rekening gebracht en een vergrijpboete opgelegd.\n\nVerweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag OB 2017 en de beschikking belastingrente verminderd en de boetebeschikking vernietigd.\n\nHAA 23\u002F5386 (naheffingsaanslag OB 2018)\n\nVerweerder heeft aan eiser een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd met betrekking tot het tijdvak 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018 (hierna: de naheffingsaanslag OB 2018). Tevens heeft verweerder bij beschikkingen een bedrag aan belastingrente in rekening gebracht en een vergrijpboete opgelegd.\n\nVerweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag OB 2018 gehandhaafd, de beschikking belastingrente verminderd en de boetebeschikking vernietigd.\n\nBeide zaken\n\nEiser heeft beroepen ingesteld.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nEiser heeft nadere stukken ingediend.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 september 2025.\n\nEiser is verschenen, bijgestaan door [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 2] , [naam 3] , mr. [naam 4] , mr. [naam 5] , mr. [naam 6] en mr. [naam 7] .\n\nDe beroepen zijn gelijktijdig behandeld met de beroepen met zaaknummers HAA 23\u002F5388, HAA 23\u002F5389, HAA 23\u002F5390 en HAA 23\u002F5391. Deze zaken betreffen (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet en gelijktijdig afgegeven beschikkingen. De rechtbank doet afzonderlijk uitspraak.\n\nDe beroepen zijn eveneens gelijktijdig behandeld met het beroep met zaaknummer HAA 23\u002F5392 (betreffende een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet voor het jaar 2018). De rechtbank heeft in deze zaak de zitting geschorst teneinde de zaak gelijktijdig te behandelen met de in bezwaar aangehouden procedure inzake de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2018.\n\nOverwegingen\n\nFeiten\n\nBeide zaken\n\n1. Eiser exploiteert een advocatenpraktijk.\n\n2. Sinds 1 januari 2016 huurt eiser van [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ) bedrijfsruimte op de eerste, tweede en derde etage, inclusief het gebruik van de gemeenschappelijke ruimte op de begane grond, van een pand aan de [adres] in [woonplaats] (hierna: het pand). Het totaal gehuurde vloeroppervlak bedraagt (circa) 238m².\n\n3. In de huurovereenkomst tussen [bedrijf] en eiser is – voor zover relevant – het volgende overeengekomen:\n\n‘Huurprijs, omzetbelasting(…)4.1. \n\nDe aanvangshuurprijs van het gehuurde bedraagt op de ingangsdatum op jaarbasis\n\n € 42.000,- exclusief BTW en servicekosten.\n\n (…)4.2. Partijen komen overeen dat Verhuurder welomzetbelasting over de huurprijs in rekening brengt. Indien géén met omzetbelasting belaste verhuur wordt overeengekomen is Huurder naast de huurprijs een afzonderlijke vergoeding aan Verhuurder verschuldigd, ter compensatie van het nadeel dat Verhuurder c.q. diens rechtsopvolger(s) lijdt dan wel zal lijden, omdat de omzetbelasting op de investeringen en exploitatiekosten van Verhuurder niet (meer) aftrekbaar is. (…)4.3. \n\nPartijen verklaren onder verwijzing naar artikel 11 lid 1 aanhef onder b onderdeel 5 van de Wet op de omzetbelasting 1968 een met omzetbelasting belaste verhuur te zijn overeengekomen. Tevens wordt omzetbelasting in rekening gebracht over de vergoeding die Huurder verschuldigd is voor door of vanwege Verhuurder te verzorgen levering van zaken en diensten, zoals vastgelegd (…). Huurder verklaart door ondertekening van deze huurovereenkomst, mede ten behoeve van de rechtsopvolger(s) van Verhuurder, dat hij het gehuurde blijvend gebruikt of blijvend laat gebruiken voor doeleinden waarvoor een volledig of nagenoeg volledig recht op aftrek van omzetbelasting op de voet van artikel 15 van de Wet op de omzetbelasting 1968 bestaat.\n\n(…)’\n\n4. De eerste en (een gedeelte van) de tweede etage van het pand is bij eiser in gebruik.\n\n5. Per 1 mei 2016 verhuurt eiser aan [naam 8] een bedrijfsruimte in het pand. De huurprijs bedraagt € 875 per maand. In de overeenkomst is – voor zover relevant – het volgende opgenomen:\n\n‘(…)\n\n (…) omzetbelasting, (…)\n\n (…)4.2. \n\nPartijen komen overeen dat verhuurder geenomzetbelasting over de huurprijs in rekening brengt.\n\n(…)4.8. \n\nPer betaalperiode van een kalendermaand bedraagt bij aanvang van de huurovereenkomst:\n\n- de huurprijs € 875,00\n\n- de over de huurprijs verschuldigde omzetbelasting of\n\n- het voorschot op de vergoeding voor door of vanwege\n\nverhuurder verzorgde bijkomende leveringen en diensten inclusief\n\n € 875,00\n\n(…)’\n\n6. Per 13 februari 2017 verhuurt eiser aan [naam 9] een bedrijfsruimte in het pand. De huurprijs bedraagt € 1.200 per maand. In de overeenkomst is – voor zover relevant – het volgende opgenomen:\n\n ‘(…)\n\n (…) omzetbelasting, (…)\n\n (…)4.2. \n\nPartijen komen overeen dat verhuurder geenomzetbelasting over de huurprijs in rekening brengt.\n\n(…)4.6. \n\nPer betaalperiode van een kalendermaand bedraagt bij aanvang van de huurovereenkomst:\n\n- de huurprijs € 1.200,00\n\n- de over de huurprijs verschuldigde omzetbelasting of\n\n- het voorschot op de vergoeding voor door of vanwege\n\nverhuurder verzorgde bijkomende leveringen en diensten inclusief\n\n € 1.200,00\n\n(…)’\n\n7. Per 1 mei 2017 verhuurt eiser aan [naam 10] een bedrijfsruimte in het pand. De huurprijs bedraagt € 1.125 per maand. In de overeenkomst is – voor zover relevant – het volgende opgenomen:\n\n‘(…)\n\n (…) omzetbelasting, (…)\n\n (…)4.2. \n\nPartijen komen overeen dat onderverhuurder geenomzetbelasting over de huurprijs in rekening brengt.\n\n(…)4.6. \n\nPer betaalperiode van een kalendermaand bedraagt bij aanvang van de huurovereenkomst:\n\n- de huurprijs € 1.125,00\n\n- de over de huurprijs verschuldigde omzetbelasting of\n\n- het voorschot op de vergoeding voor door of vanwege\n\nonderverhuurder verzorgde bijkomende leveringen en diensten inclusief\n\n € 1.125,00\n\n(…)’\n\n8. In een e-mailbericht van 14 maart 2022 stuurt eiser naar verweerder:\n\n‘(…)\n\nPer 1 juli 2017 zijn de huurders dus belast met 21% btw over het gehuurde, echter met uitzondering van onderstaande huurder.\n\n(…)\n\nAan: [naam 10] (…)\n\n(…)\n\nGelet op het feit dat mijn nieuwe accountant heeft gesteld, dat ik de kamers welke ik thans aan advocaten binnen dit pand (onder)verhuur, toch dien te belasten met 21% omzetbelasting, heb ik jou dit gemeld en voorgesteld om dit per omgaande te effectueren.\n\n(…)’\n\n9. In een e-mailbericht van 16 maart 2022 stuurt eiser naar verweerder:\n\n ‘(…)\n\nDe huurovereenkomst met [naam 8] [naam 11] is onvindbaar. Sluit als bewijs de e-mail aan [naam 8] [naam 11] van 22 juni 2017, waarin ik de BTW verhoging aankondig.\n\n (…)\n\n Aan: [naam 11] (…)\n\n (…)\n\n Ik ben sinds kort overgestapt naar een ander accountantskantoor (…).\n\nDe accountant heeft aangegeven, dat ik toch bovenop de huur, de btw dien door berekenen. Het blijkt dat alleen beroepsgroepen die zelf zijn vrijgesteld van btw (arts, psycholoog, etc.) btw-vrij kunnen huren.\n\nUiteraard kun je de door jou betaalde btw, verrekenen met je overige btw verplichtingen.\n\n(…)’\n\nHet boekenonderzoek\n\n10. Bij brief met dagtekening 23 februari 2021 is een boekenonderzoek aangekondigd bij eiser. Onderzocht is de aanvaardbaarheid van de aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2018 alsmede de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over de tijdvakken in de periode 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018.\n\n11. Bij brief met dagtekening 6 april 2021 is het boekenonderzoek uitgebreid naar de jaren\u002Ftijdvakken 2016 tot en met 2018.\n\n12. De bevindingen van het boekenonderzoek zijn vastgelegd in een controlerapport met dagtekening 24 oktober 2022. In het rapport zijn, voor zover van belang, de volgende passages opgenomen:\n\n‘(…)5.2. \n\nOmzetbelasting\n\n (…) 2017 2018\n\nVerschuldigd volgens administratie 35.453 31.005\n\nCorrectie omzetbelasting kort verhu 813 1.722\n\nCorrectie voorbelasting 10.086 9.245\n\nPer saldo verschuldigd 46.352 41.972\n\nVoorbelasting volgens administratie 20.537 20.939\n\nPer saldo af te dragen 25.815 21.033\n\nAfgedragen op aangifte\n\nVerschil 25.815 21.033\n\n(…)’\n\nNaheffingsaanslag OB 2017\n\n13. Met dagtekening 20 juli 2022 heeft verweerder aan eiser de naheffingsaanslag OB 2017 opgelegd ter hoogte van € 17.957. De beschikking belastingrente bedraagt € 3.059 en de boetebeschikking bedraagt € 4.489. De nageheven omzetbelasting bestaat onder meer uit een bedrag van € 7.057 (correctie voor een aansluitverschil) en een bedrag van € 10.086 (correctie aftrek van voorbelasting ten aanzien van het pand).\n\n14. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 2 juni 2023 de naheffingsaanslag OB 2017 en de beschikking belastingrente verminderd tot een bedrag van respectievelijk € 17.700 en € 2.989. De correcties voor het aansluitverschil en de aftrek van voorbelasting ten aanzien van het pand heeft verweerder in stand gelaten. Verweerder heeft de vergrijpboete vernietigd.\n\nNaheffingsaanslag OB 2018\n\n15. Met dagtekening 20 juli 2022 heeft verweerder aan eiser de naheffingsaanslag OB 2018 opgelegd ter hoogte van € 17.563. De beschikking belastingrente bedraagt € 2.289 en de boetebeschikking bedraagt € 4.390. De nageheven omzetbelasting bestaat onder meer uit een bedrag van € 8.349 (correctie voor een aansluitverschil) en een bedrag van € 9.245 (correctie aftrek van voorbelasting ten aanzien van het pand).\n\n16. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 2 juni 2023 de naheffingsaanslag OB 2018 gehandhaafd en de beschikking belastingrente verminderd tot € 2.264. De correcties voor het aansluitverschil en de aftrek van voorbelasting ten aanzien van het pand heeft verweerder in stand gelaten. Verweerder heeft de vergrijpboete vernietigd.\n\nBeroepsfase\n\n17. Tot de gedingstukken behoren documenten genaamd ‘Aansluitverschil 2017 grootboekrekening 195010’, ‘Aansluitverschil 2017 \u002F grootboek 195310’, ‘Aansluitverschil 2017 \u002F grootboek 195320’, ‘Aansluitverschil 2018 \u002F grootboekrekening 195010’, ‘Aansluitverschil 2018 \u002F grootboekrekening 195310’ en ‘Aansluitberekening 2018 \u002F grootboekrekening 195320’.\n\nGeschil\n\n18. In geschil is of de naheffingsaanslag OB 2017 en de naheffingsaanslag OB 2018 terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. Meer specifiek is in geschil of:\n\n- verweerder terecht en tot het juiste bedrag omzetbelasting heeft nageheven in verband met de correctie voor het aansluitverschil, en\n\n- verweerder terecht en tot het juiste bedrag omzetbelasting heeft nageheven in verband met de correctie in de aftrek van voorbelasting.\n\n19. Verder is in geschil of algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden.\n\n20. Op de zitting heeft eiser het beroep in de zaak met nummer HAA 23\u002F5384 (betreffende een naheffingsaanslag omzetbelasting met betrekking tot het tijdvak 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016) ingetrokken.\n\nBeoordeling van het geschil\n\nAansluitverschillen\n\n21. De naheffingsaanslag OB 2017 en de naheffingsaanslag OB 2018 bestaan onder meer uit correcties vanwege door verweerder gestelde aansluitverschillen tussen de verschuldigde omzetbelasting volgens de eigen administratie van eiser en de op aangifte\u002Fsuppletie verantwoorde bedragen. Volgens verweerder bestaat het te corrigeren aansluitverschil voor het jaar 2017 uit een bedrag van € 7.057 en voor het jaar 2018 uit een bedrag van € 8.349.\n\n22. Eiser heeft slechts gesteld dat de correcte aangiftes zijn ingediend en dat hij tijdens de zitting hier uitvoerig op zal terugkomen. Tijdens de zitting heeft eiser zijn betoog over de (door verweerder gestelde) aansluitverschillen niet nader toegelicht. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding niet uit te gaan van wat over de aansluitverschillen is vermeld in het controlerapport (zie onder12) en hetgeen verweerder daarover verder heeft gesteld en overgelegd (zie onder meer onder 17). Dit betekent dat verweerder, naar het oordeel van de rechtbank, de correcties aannemelijk heeft gemaakt. Een door eiser overgelegde beschrijving van vergoedingen verstrekt door de Raad voor Rechtsbijstand (door eiser overgelegd als ‘productie 14’) en een overzicht met gegevens over omzet(belasting) voor het aangiftetijdvak december 2016 (door eiser overgelegd als ‘productie 19’), leidt niet tot een ander oordeel omdat deze stukken evenmin specifieke argumenten tegen de correcties bevatten.\n\nAftrek van voorbelasting pand\n\n23. Eiser stelt zich op het standpunt dat de correcties die zijn doorgevoerd in de aftrek van voorbelasting ten aanzien van het pand, onjuist zijn. In het beroepschrift (zijnde de motivering van het bezwaarschrift dat als herhaald moet worden beschouwd) en het nader stuk van eiser is daartoe de volgende grief te vinden: ten aanzien van de (onder)verhuur aan [naam 11] , [naam 8] en [naam 9] (hierna tezamen: de onderhuurders) is sprake van belaste verhuur, als gevolg waarvan eiser het pand gebruikt voor doeleinden waarvoor een volledig of nagenoeg volledig recht op aftrek van voorbelasting bestaat en dus terecht is gekozen voor belaste verhuur in de huurverhouding met [bedrijf] .\n\n24. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de correcties in de aftrek van voorbelasting terecht zijn gemaakt.\n\n25. De rechtbank stelt voorop dat op eiser de bewijslast rust voor het recht op aftrek van voorbelasting. Dat wil zeggen, voor zover verweerder zich op standpunt stelt dat hij niet aan de voorwaarden voor het recht op aftrek voldoet, is het aan eiser feiten te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken waaruit volgt dat hij wel voldoet aan de voorwaarden voor het recht op aftrek. Nu het in de onderhavige situatie gaat om de (onder)verhuur van een onroerende zaak (het pand), is het in het bijzonder van belang of in de huurverhouding tussen eiser (als huurder) en [bedrijf] (als verhuurder) omzetbelasting in rekening had mogen worden gebracht (belaste verhuur). Indien in de laatstgenoemde huurverhouding ten onrechte omzetbelasting aan eiser in rekening is gebracht, bestaat geen recht op aftrek.\n\n26. Voor het antwoord op de vraag of omzetbelasting in rekening gebracht had mogen worden aan eiser (als huurder), is bepalend of eiser het pand gebruikt voor prestaties waarvoor een volledig of nagenoeg volledig recht op aftrek van voorbelasting bestaat. Dit betekent dat eiser het pand voor ten minste 90% moet gebruiken voor belaste prestaties.\n\n27. Vast staat dat het totaal door eiser gehuurde vloeroppervlak (circa) 238m² bedraagt. Volgens eiser verhuurt hij 47,42m² door aan de onderhuurders. Dit komt neer op een percentage van (bijna) 20%. Verweerder heeft het aantal verhuurde vierkante meters aan de onderhuurders bestreden bij gebrek aan onderbouwing door eiser. Nu het door eiser gestelde percentage van (bijna) 20% dusdanig meer is dan 10%, gaat de rechtbank in de volgende overwegingen uit van de situatie dat eiser in ieder geval meer dan 10% van het pand (onder)verhuurt aan de onderhuurders. Dit betekent dat de rechtbank toekomt aan de beantwoording van de vraag of de verhuur aan de onderhuurders belast of vrijgesteld is.\n\n28. De rechtbank stelt voorop dat van belaste verhuur sprake is indien de onroerende zaak wordt verhuurd aan personen die de onroerende zaak gebruiken voor doeleinden waarvoor een volledig of nagenoeg geheel recht op aftrek van de belasting bestaat (artikel 11, eerste lid, aanhef, onderdeel b, aanhef, onder 5, van de Wet op de omzetbelasting 1968, hierna: Wet OB). De voorwaarde daarbij is dat de verhuurder en de huurder blijkens de schriftelijke huurovereenkomst daarvoor (belaste verhuur) hebben gekozen of een gezamenlijk verzoek daartoe hebben gedaan bij de inspecteur. De bewijslast dat sprake is van belast gebruik van de verhuurde delen van het pand en dat (terecht) is gekozen voor belaste verhuur rust eveneens op eiser.\n\n29. De rechtbank stelt vast dat uit de overgelegde huurovereenkomsten (zie onder 5 tot en met 7) volgt dat partijen zijn overeengekomen dat geen omzetbelasting over de huurprijs in rekening wordt gebracht. De huurovereenkomst met [naam 11] is niet door eiser overgelegd (zie onder 9). De enkele verwijzing van eiser naar de onder 8 en 9 opgenomen e-mailberichten is onvoldoende om te kunnen concluderen dat uit de schriftelijke huurovereenkomsten volgt dat partijen(per 1 juli 2017) voor belaste verhuur hebben gekozen. Ook anderszins volgt niet uit de gedingstukken dat eiser en onderhuurders voor belaste verhuur hebben gekozen. Bovendien is geen informatie voorhanden waaruit volgt dat partijen een gezamenlijk verzoek voor belaste verhuur hebben gedaan bij verweerder.\n\n30. Als gevolg van het hiervoor vermelde en overwogene is de rechtbank van oordeel dat eiser, tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder, niet geslaagd is aannemelijk te maken dat is gekozen voor belaste verhuur in de huurverhouding met de onderhuurders. Reeds daarom is de verhuur door eiser aan de onderhuurders vrijgesteld van omzetbelasting op basis van artikel 11, eerste lid, aanhef, onderdeel b, van de Wet OB.\n\n31. Het vorenstaande heeft tot gevolg dat eiser (als huurder) het pand van [bedrijf] (als verhuurder) niet kon huren met een optie belaste verhuur omdat hij het pand niet gebruikt voor doeleinden waarvoor een volledig of nagenoeg volledig recht op aftrek van voorbelasting bestaat. [bedrijf] heeft derhalve ten onrechte omzetbelasting aan eiser in rekening heeft gebracht.\n\n32. Het hiervoor overwogene heeft tot gevolg dat eiser op grond van het bepaalde in artikel 15, eerste lid, van de Wet OB geen recht heeft op aftrek van de aan hem in rekening gebrachte omzetbelasting door [bedrijf] . Het gelijk is aan verweerder.\n\n33. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat voor zover eiser zich op het standpunt stelt dat hij recht heeft op een gedeeltelijke aftrek van voorbelasting overeenkomstig het (werkelijk) gebruik van het pand, dit standpunt niet slaagt. Nu in de huurverhouding met [bedrijf] ten onrechte omzetbelasting in rekening is gebracht, komt het gehele bedrag aan voorbelasting niet voor aftrek in aanmerking.\n\nSchending algemene beginselen van behoorlijk bestuur?\n\n34. Eiser heeft betoogd dat tijdens een kantoorbezoek op 3 februari 2022 een bedreiging door een controleambtenaar zou hebben plaatsgevonden. Op de zitting heeft eiser zijn betoog aangevuld met de klacht dat hij de aanleiding van het boekenonderzoek niet vertrouwt. Eiser zou zich gedurende meerdere jaren in het openbaar negatief hebben uitgelaten over verweerder en\u002Fof Dienst Toeslagen. Bij eiser bestaat het vermoeden dat de negatieve uitlatingen aanleiding zijn geweest voor het boekenonderzoek.\n\n35. Wat betreft de gestelde bedreiging op het kantoor van eiser overweegt de rechtbank als volgt. Eiser en [naam 1] hebben tijdens de zitting een nadere toelichting gegeven op het handelen van de controleambtenaar tijdens het boekenonderzoek. Uit diens verklaringen valt af te leiden dat onenigheid bestond over het samenvoegen van twee administraties. Eiser zou hebben gezegd dat een afspraak bestond over de aftrekbaarheid van loonkosten (relevant voor de inkomstenbelasting), waarna de controleambtenaar gezegd zou hebben dat een dergelijke afspraak niet bestond.\n\n36. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de door eiser en [naam 1] beschreven ervaringen niet dat de gedragingen van de controleambtenaar van zodanige aard waren, dat deze (voor zover al relevant voor de onderhavige zaken betreffende omzetbelasting) in de weg staan aan het opleggen van de naheffingsaanslag OB 2017 en de naheffingsaanslag OB 2018 met als basis het controlerapport. Dat eiser het hiervoor beschreven gesprek over een afspraak die al dan niet zou zijn gemaakt als onredelijk en intimiderend heeft ervaren, maakt dit niet anders. Van bedreiging is geenszins sprake.\n\n37. De aanname van eiser dat verweerder het boekenonderzoek is gestart omdat eiser zich negatief zou hebben uitgelaten over verweerder en\u002Fof Dienst Toeslagen, is – tegenover de betwisting door verweerder – niet aannemelijk geworden.\n\n38. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat het door eiser in beroep overgelegde bezwaarschrift (dat als herhaald moet worden beschouwd) gronden bevat inhoudende dat algemene beginselen van behoorlijk bestuur zouden zijn geschonden. Nu deze gestelde schendingen niet of nauwelijks zijn toegespitst op de huidige stand van het geding, en dus onvoldoende zijn onderbouwd, gaat de rechtbank hier aan voorbij.\n\nBeschikkingen belastingrente\n\n39. Nu de naheffingsaanslagen niet worden verminderd, worden de bijbehorende beschikkingen belastingrente ook niet verminderd. Eiser heeft geen afzonderlijke gronden tegen de beschikkingen belastingrente aangevoerd.\n\nSlotsom\n\n40. De slotsom luidt dat de beroepen ongegrond dienen te worden verklaard.\n\nProceskosten\n\n41. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. C. Huisman, voorzitter, en mr. A.A. Fase en mr. C.M.J.C. Snoek-Bakker, leden, in aanwezigheid van H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025.\n\ngriffier voorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.\n\nBij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:16030","2026-05-06T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:52.254Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":58,"parsedAt":51,"updatedAt":61},"294","ECLI:NL:RBGEL:2025:9142","ecli-nl-rbgel-2025-9142",60,"2025-10-29T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ARN 23\u002F3702, 24\u002F5968 en 24\u002F5971\n uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 29 oktober 2025\n\nin de zaken tussen\n \n [belanghebbende] , uit [plaats 1] , belanghebbende\n\n(gemachtigde: [gemachtigde] ),\n\nen\n\nde inspecteur van de belastingdienst, kantoor Utrecht , de inspecteur,\n\nen\n\nde Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), in Den Haag, de Staat.\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 10 maart 2023 (jaar 2017) en van 11 januari 2024 (jaren 2018 en 2019).\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende de volgende aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) en beschikkingen belastingrente (belastingrentebeschikkingen) opgelegd:\n\nvoor het jaar 2017 een aanslag IB\u002FPVV naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 46.223 en een beschikking belastingrente van € 967;\n\nvoor het jaar 2018 een aanslag IB\u002FPVV naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 31.444 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 8.247 en een beschikking belastingrente van € 663;\n\nvoor het jaar 2019 een aanslag IB\u002FPVV naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 27.073 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.497 en een beschikking belastingrente van € 600.\n\nBij uitspraken op bezwaar heeft de inspecteur de bezwaren van belanghebbende gegrond verklaard.\n\nDe inspecteur heeft daarbij voor het jaar 2017 de aanslag IB\u002FPVV verminderd tot een bedrag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.258 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 687.\n\nVoor het jaar 2018 heeft de inspecteur de aanslag IB\u002FPVV verminderd tot een bedrag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 30.630 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 171.\n\nVoor het jaar 2019 heeft de inspecteur de aanslag IB\u002FPVV verminderd tot een bedrag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.395 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.203.\n\nDe inspecteur heeft de belastingrentebeschikkingen telkens dienovereenkomstig verminderd.\n\nBelanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar tijdig beroep ingesteld.\n\nDe inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. Voor het jaar 2017 heeft belanghebbende een conclusie van repliek ingediend, waarna de inspecteur een conclusie van dupliek heeft ingediend. Daarna heeft de inspecteur voor het jaar 2017 een aanvullend verweerschrift ingediend.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen op 1 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde (de vader van belanghebbende, hierna: vader) deelgenomen, bijgestaan door zijn partner [persoon A] . Namens de inspecteur hebben deelgenomen [persoon B] , [persoon C] en [persoon D] (taxateur).\n\nDe beroepen zijn gezamenlijk en gelijktijdig behandeld met de beroepen van de partner van belanghebbende, [persoon E] (de partner), met de zaaknummers 23\u002F3703, 24\u002F5975 en 24\u002F5983.\n\nFeiten\n\n1. Belanghebbende woont ongehuwd samen met haar partner.\n\n2. Belanghebbende en haar partner hebben samen drie kinderen, een tweeling die geboren is op [geboortedatum 1] 2016 en waarvan de partner de biologische moeder is en het jongste kind dat is geboren op [geboortedatum 2] 2019, waarvan belanghebbende de biologische moeder is.\n\n3. Belanghebbende heeft in 2015 haar voormalige eigen woning aan de [locatie 1] te [plaats 2] verkocht voor € 215.000. Die woning was haar eigendom sinds 2008 . Volgens de notariële afrekening bedroeg de af te lossen hoofdsom van de daarop rustende hypotheek ten behoeve van haar vader € 212.665.\n\n4. Belanghebbende en vader hebben in 2015 de woning aan de [locatie 2] te [plaats 1] (de woning) gekocht. Belanghebbende bewoont de woning samen met haar partner en kinderen. De ouders van belanghebbende wonen sinds 31 maart 2016 eveneens in de woning.\n\n5. De woning is voor 90% onverdeeld eigendom gekocht door belanghebbende en voor 10% onverdeeld eigendom gekocht door vader. De koopsom van de woning bedroeg € 1.060.200. Volgens de akte van levering is daarnaast voor een bedrag van € 24.800 aan roerende zaken gekocht. Er is ter zake van deze aankoop door de notaris over een bedrag van € 1.060.000 2% overdrachtsbelasting berekend. De aankoopprijs van het gedeelte van belanghebbende bedroeg volgens de afrekening aldus € 954.180 (90% van € 1.060.200) en daarnaast een bedrag van € 22.320 aan roerende zaken (zijnde 90% van € 24.800). De financiering van het 90%-aandeel van belanghebbende in de woning is volledig aangegaan door belanghebbende.\n\n6. De woning is na de aankoop verbouwd. Het aandeel van belanghebbende in de verbouwingskosten is door belanghebbende gesteld op 50% en bedraagt volgens belanghebbende daarom € 94.897.\n\n7. Belanghebbende heeft bij vader ten behoeve van de aankoop van de woning een geldlening afgesloten. Deze financiering is vastgelegd in een overeenkomst van geldlening van 7 oktober 2015. De considerans van deze overeenkomst luidt als volgt:\n\n“IN AANMERKING NEMENDE DAT:\n\nA. Schuldenaar (tezamen met schuldeiser) een huis en toebehoren heeft gekocht aan de [locatie 2] te [postcode] [plaats 1] , kadastraal bekend als kadastrale gemeente Zeist Sectie [sectie] nummer [nummer] (hierna het 'Object’).\n\nB. Schuldenaar een financieringsbehoefte heeft van totaal € 986.553,33 (zegge: NEGENHONDERDZESENTACHTIGDUIZENDVIJFHONDERDDRIEENVIJFTIG euro en 33 cent), zoals voorkomt op de nota van [naam notaris] NV d.d. 30 september 2015.\n\nC. Dat schuldenaar haar vorige woning aan de [locatie 1] te [plaats 2] ook bij schuldeiser middels een aflossingsvrije hypotheek van € 250.000 heeft gefinancierd; dat de netto verkoopopbrengst van die woning € 212.720 bedroeg, welk bedrag schuldeiser van schuldenaar heeft ontvangen tegen vrijgeving van voornoemde hypotheek; dat derhalve schuldenaar nog een restschuld heeft aangaande die hypotheek van € 37.280;\n\nD. Schuldeiser bereid is beide bedragen (€ 986.553,33 en € 37.280) te financieren en wel middels een 30 jarige annuïteitenlening van groot € 773.833,33 en een aflossingsvrije lening van € 250.000.\n\nE. Schuldeiser zelf ook een geldlening moet aangaan ter financiering van de onder D genoemde\n\n geldlening.\n\nF. Het object nog een aanzienlijke verbouwing zal dienen te ondergaan waarvan de kosten naar\n\n schatting € 150.000 á € 200.000 zullen bedragen. Dat schuldeiser bereid is deze\n\n verbouwingkosten ook te financieren voor schuldenaar tegen dezelfde voorwaarden als de onderhavige lening; Hiertoe zal, zodra de verbouwing gereed is en het werk is opgeleverd, een afzonderlijke leningsovereenkomst worden opgemaakt;\n\nG. Dat Schuldeiser geen zekerheid van de Schuldenaar verlangt voor de lening, edoch dat\n\n Schuldenaar zich verplicht om het Object niet met hypotheek of anderszins te belasten, te\n\n bezwaren of op enig andere wijze in onderpand te geven en schuldenaar op eerste aangeven van schuldeiser bereid zal zijn om ten gunste van schuldeiser hypotheek te geven op het object;\n\nH. Schuldenaar en Schuldeiser met betrekking tot de geldlening voorwaarden zijn overeengekomen en zij het wenselijk achten die voorwaarden bij akte vast te leggen;\n\nI. Zulks bij deze geschiedt. (….)”\n\n8. Belanghebbende heeft in de aangiften IB\u002FPVV over 2017, 2018 en 2019 als eigenwoningrente in aftrek gebracht 6,25% van de eigenwoningschuld per 1 januari van elk jaar.\n\n9. Belanghebbende bezit sinds 2010 2.700 aandelen (van de 54.480, derhalve 4,96%) in de besloten vennootschap B.V. [naam bedrijf 1] ( [naam bedrijf 1] ). Die aandelen zijn door haar gekocht voor € 125.000. Per 1 januari 2016 bedraagt het zichtbaar eigen vermogen in die vennootschap € 3.920.352.\n\n10. Belanghebbende is sinds 2013 voor de helft eigenaar van twee verhuurde panden, gelegen aan de [locatie 3] en [locatie 4] te [plaats 3] .\n\n11. Belanghebbende heeft aan de inspecteur een overzicht “berekening schenking 2015-2019” gezonden. Daarin is onder meer opgenomen dat de vader van belanghebbende in de onderhavige jaren telkens in totaal € 40.354 aan belanghebbende heeft overgemaakt.Het betreft maandelijkse overboekingen ten bedrage van € 3.362,83.\n\nGeschil\n\n12. In geschil is de hoogte van de aanslagen. Meer in het bijzonder zijn de volgende punten in geschil:\n\nDient de bewijslast te worden omgekeerd en verzwaard?\n\nHoe is de verdeling van het gebruik van de woning, wat is de hoogte van de bijbehorende eigenwoningschuld en de renteaftrek ter zake van de eigen woning?\n\nMoet de correctie voor het gebruik van de woning ook op de lening ter zake van de verbouwing worden toegepast?\n\nIs er sprake van een restschuld op de voormalige eigen woning of is juist sprake van een eigenwoningreserve?\n\nIn hoeverre drukken de aan vader betaalde rentebedragen op belanghebbende?\n\nWat is de waarde van de aandelen in [naam bedrijf 1] in box 3?\n\nIs sprake van een schuld aan vader ter zake van de verwerving in 2010 van de aandelen in [naam bedrijf 1] in box 3?\n\nHeeft belanghebbende recht op aftrek van specifieke zorgkosten?\n\nHeeft de inspecteur zich terecht beroepen op interne compensatie?\n\nZijn het vertrouwensbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en\u002Fof het proportionaliteitsbeginsel geschonden?\n\nHeeft belanghebbende recht op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn?\n\nHeeft belanghebbende recht op een (proces)kostenvergoeding?\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nMoet de bewijslast worden omgekeerd en verzwaard?\n\n13. De inspecteur heeft gesteld dat de bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard omdat belanghebbende de vereiste aangifte niet zou hebben gedaan.\n\n14. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte niet de vereiste aangifte is gedaan als de volgens de aangifte verschuldigde belasting relatief en absoluut aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting en de belastingplichtige zich ten tijde van het indienen van de aangifte hiervan bewust was of moest zijn.\n\n15. De rechtbank komt tot het oordeel dat de bewijslast voor het jaar 2017 niet wordt omgekeerd en verzwaard en dat de bewijslast voor de jaren 2018 en 2019 wel wordt omgekeerd en verzwaard. Zij zal dat hierna voor de in geschil zijnde aanslagen\u002Fjaren motiveren.\n\n2017\n\n16. Volgens de aangifte IB\u002FPVV over het jaar 2017 is per saldo geen inkomstenbelasting verschuldigd. Uit de uitspraak op bezwaar vloeit voort dat volgens de inspecteur € 1.114 aan inkomstenbelasting is verschuldigd. Belanghebbende heeft daarmee naar het oordeel van de rechtbank geen aangifte gedaan waardoor in absolute zin aanzienlijk te weinig belasting is geheven.De bewijslast wordt voor het jaar 2017 dus niet omgekeerd en verzwaard.\n\n2018 en 2019\n\n17. Volgens de aangiften IB\u002FPVV over de jaren 2018 en 2019 is per saldo geen inkomstenbelasting verschuldigd. In de pleitnota heeft de inspecteur de bedragen aan verschuldigde inkomstenbelasting berekend, uitgaande van de door hem ingenomen standpunten in de uitspraak op bezwaar. Voor 2018 komt dit voor belanghebbende uit op € 4.344 en voor 2019 op € 5.044.\n\n18. Belanghebbende heeft in haar aangifte haar aandeel van 50% in de onroerende zaken [locatie 3] en nummer [locatie 4] te [plaats 3] niet in box 3 aangegeven. Ook heeft zij haar aandelenbelang in [naam bedrijf 1] niet in box 3 vermeld en ontbreekt een vordering van belanghebbende op vader in box 3 in de aangiften 2018 en 2019. Het verschil in verschuldigde inkomstenbelasting is alleen al door deze niet ter discussie staande posten relatief en absoluut aanzienlijk. Ter zitting heeft de gemachtigde (vader van belanghebbende) erkend dat hij betrokken is geweest bij het opstellen van de aangiften. Vader heeft de aandelen in [naam bedrijf 1] en de panden aan de [locatie 3\u002Flocatie 4] gekocht voor en namens belanghebbende. De rechtbank is daarom van oordeel dat hij wist of in elk geval had moeten weten dat deze vermogensbestanddelen bij belanghebbende in de aangifte IB\u002FPVV opgenomen zouden moeten worden. De kennis en inzicht van personen die een belastingplichtige behulpzaam zijn geweest bij het doen van aangifte moeten worden toegerekend aan belanghebbende.De rechtbank rekent de kennis van de gemachtigde daarom toe aan belanghebbende. De bewustheid van het niet doen van de vereiste aangifte acht de rechtbank gelet op het voorgaande aannemelijk. Omdat belanghebbende de vereiste aangiften 2018 en 2019 niet heeft gedaan, dient de bewijslast ter zake van die jaren te worden omgekeerd en verzwaard.\n\n19. Omkering en verzwaring van de bewijslast houdt in dat op belanghebbende de bewijslast rust overtuigend aan te tonen en daarmee moet doen blijken dat de aanslagen IB\u002FPVV 2018 en 2019 naar een te hoog bedrag zijn vastgesteld.\n\nIn hoeverre drukken de aan vader betaalde rentebedragen op belanghebbende?\n\n2017\n\n20. De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de aan vader betaalde rentebedragen niet volledig op belanghebbende drukken. De inspecteur heeft zich daarbij beroepen op het leerstuk van de interne compensatie. Gelet op het feit dat dit het meest verstrekkende standpunt is, zal de rechtbank dit om proceseconomische redenen als eerste bespreken.\n\n21. Artikel 3.111, eerste lid, van de Wet IB 2001 luidt – voor de onderhavige jaren en voor zover van belang –:\n\n“1. In deze afdeling (…) wordt verstaan onder eigen woning: een gebouw (…) of een gedeelte van een gebouw, (…) met de daartoe behorende aanhorigheden, voorzover dat de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat op grond van: a. eigendom (…), indien met betrekking tot die woning de belastingplichtige of zijn partner de voordelen geniet, de kosten en lasten op de belastingplichtige of zijn partner drukken en de waardeverandering de belastingplichtige of zijn partner grotendeels aangaat”.\n\n22. Belanghebbende heeft voor het jaar 2017 gesteld dat zij (samen met haar partner) € 69.161 aan rente ter zake van een eigenwoningschuld aan vader heeft betaald.\n\n23. In 2017 heeft belanghebbende door middel van maandelijkse bankoverschrijvingen in totaal € 40.354 ontvangen van haar vader, hetgeen blijkt uit een door belanghebbende overgelegd overzicht met het opschrift “Berekening schenking 2015-2019”. Ter zitting heeft vader verklaard dat belanghebbende en haar partner onvoldoende inkomen hadden om de lasten te kunnen betalen, maar dat de betaling van € 40.354 geen verband houdt met de door belanghebbende aan vader te betalen rentekosten.\n\n24. Gelet op de gemotiveerde betwisting van dit standpunt door de inspecteur heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de rentekosten tot genoemd bedrag van € 40.354 op belanghebbende hebben gedrukt. Belanghebbende heeft weliswaar gesteld dat de ontvangen bedragen betrekking hadden op uitgekeerd dividend op de aandelen in [naam bedrijf 1] en op ontvangen huur, maar heeft die stelling niet met schriftelijke bescheiden onderbouwd. De stelling van belanghebbende dat zij in voldoende mate gelden beschikbaar hadden en die naar eigen inzicht konden aanwenden is niet aannemelijk, mede gelet op de strijdigheid met de door vader gegeven wisselende verklaringen en andere stukken in het dossier. Zo zijn in weerwil van tussen vader en belanghebbende gemaakte afspraken, uitgekeerd dividend op de aandelen in [naam bedrijf 1] en ontvangen huur ter zake van de panden aan de [locatie 3] en [locatie 4] niet van de schuld afgeboekt. Omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de rentekosten in 2017 tot € 40.354 op haar hebben gedrukt kan de rente tot dat bedrag niet als rente ter zake van een eigenwoningschuld in aftrek worden gebracht.\n\n25. In de uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur veel meer rente als eigenwoningrente in aftrek toegestaan dan de overige geschilpunten in deze zaak belanghebbende aan aftrek zouden kunnen opleveren. Daarom is de rechtbank van oordeel dat het beroep op interne compensatie slaagt. De aanslagen zijn na vermindering in bezwaar eerder te laag dan te hoog vastgesteld. De overige inhoudelijke geschilpunten behoeven dan ook geen bespreking meer.\n\n2018 en 2019\n\n26. In 2018 en 2019 heeft belanghebbende ook in totaal een bedrag van € 40.354 van haar vader ontvangen. Gelet op het feit dat voor onderhavige jaren de verzwaarde bewijslast geldt, dient belanghebbende te doen blijken dat de rentekosten hebben gedrukt in de zin van artikel 3.111, eerste lid, letter a, van de Wet IB 2001. Belanghebbende heeft voor de jaren 2018 en 2019 – zoals ook over het jaar 2017 hiervoor is geoordeeld – niet aannemelijk gemaakt, laat staan doen blijken dat sprake is van op haar drukkende rentekosten. De rentekosten kunnen daarom tot in elk geval genoemd bedrag van € 40.354 niet als rente ter zake van een eigenwoningschuld in aftrek worden gebracht.\n\n27. Net als voor het jaar 2017 geldt ook voor de jaren 2018 en 2019 dat de inspecteur veel meer rente in aftrek heeft toegestaan dan de overige geschilpunten belanghebbende aan aftrek zouden kunnen opleveren. Die geschilpunten hoeven dus ook voor deze jaren geen behandeling.\n\nFormele beginselen\n\n28. Belanghebbende heeft gesteld dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, omdat de inspecteur de in geschil zijnde punten in de aangiften over de jaren 2020 en 2021 heeft gevolgd. Belanghebbende heeft gesteld dat zij daarom erop mocht vertrouwen dat de inspecteur in 2020 en 2021 het standpunt van belanghebbende heeft overgenomen en dat dat ook voor de aanslagen voor de jaren 2017 tot en met 2019 dient te gelden.\n\n29. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur het vertrouwensbeginsel niet heeft geschonden. De aanslagen IB\u002FPVV over de jaren 2020 en 2021 zijn zonder inhoudelijke controle automatisch vastgesteld. Gelet op vaste jurisprudentie kan uit een aangifte die niet aan een inhoudelijke controle is onderworpen niet het vertrouwen worden ontleend dat de inspecteur bewust een ander standpunt zou hebben ingenomen. Ook overigens zijn uit het dossier geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die bij belanghebbende de indruk hebben kunnen wekken dat de inspecteur welbewust een ander standpunt had ingenomen.\n\n30. Belanghebbende heeft zich voorts beroepen op schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel. Belanghebbende heeft – kort gezegd – gesteld dat er zoveel en zo vaak informatie is opgevraagd voor een relatief klein financieel belang van de zaak dat het onderzoek een inbreuk op de privacy behelst.\n\n31. De rechtbank is van oordeel dat van een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel niet is gebleken. Het is aan de inspecteur om een afweging te maken of hij een aangifte diepgaander zal behandelen. Gelet op de gang van zaken tijdens het onderzoek, meer specifiek het feit dat in eerste instantie werd geweigerd om bankafschriften over te leggen, de wisselende verklaringen van vader en het lage inkomen van belanghebbende in relatie tot de hoge hypotheekschuld, was het in dit geval gerechtvaardigd om door te vragen en verder te onderzoeken na het krijgen van onduidelijke of onvolledige informatie.\n\nVergoeding van immateriële schade\n\n32. Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016.\n\n33. Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheidis het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek om schadevergoeding.\n\n34. De drie zaken van belanghebbende zijn gezamenlijk behandeld en hebben in hoofdzaak betrekking op hetzelfde onderwerp. Voor de drie samenhangende zaken samen zal dus één keer schadevergoeding worden toegekend, waarbij wordt gerekend vanaf het oudste bezwaarschrift tot de jongste uitspraak op bezwaar.De inspecteur heeft het oudste bezwaarschrift van belanghebbende ontvangen op 27 juli 2020. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is (afgerond) 39 maanden langer dan twee jaar. De rechtbank ziet geen redenen om de redelijke termijn in dit geval langer of korter vast te stellen dan twee jaar. De redelijke termijn is dus met (afgerond) 39 maanden overschreden. Naar boven afgerond is dat 7 keer een half jaar. Dit betekent een schadevergoeding van € 3.500 (7 keer een half jaar ad € 500). De jongste uitspraak op bezwaar van de inspecteur dateert van 11 januari 2024. Dit is 36 maanden langer dan de zes maanden die staan voor het doen van uitspraak op bezwaar. De inspecteur moet daarom van de totale schadevergoeding een bedrag betalen van 36 maanden gedeeld door 39 maanden keer € 3.500 is (afgerond) € 3.231. De Staat moet de rest betalen, dus € 269.\n\n35. In dit geval voeren twee belanghebbenden samen in feite dezelfde procedure over meerdere belastingjaren (ieder met drie zaken). Dat kan reden zijn om de schadevergoeding te matigen. Toch blijft het uitgangspunt dat iedere belanghebbende zelf een recht op schadevergoeding heeft.De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om de schadevergoeding te matigen, omdat het feit dat de zaken van beide belanghebbenden gezamenlijk zijn behandeld in dit geval een matigende invloed heeft op de mate van spanning, ongemak en onzekerheid die worden ondervonden door de te lang durende procedure. De hiervoor berekende schadevergoeding zal daarom gelijkelijk over de zaken van belanghebbende en haar partner worden verdeeld. Dit betekent dat in onderhavige zaken van belanghebbende de inspecteur zal worden veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding aan belanghebbende van € 1.615,50 en de Staat tot een bedrag van € 134,50. De rechtbank zal de inspecteur en de Staat veroordelen om deze bedragen aan belanghebbende te betalen.\n\nBelastingrentebeschikkingen\n\n36. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de in rekening gebrachte belastingrente. Hiertegen heeft belanghebbende geen zelfstandige beroepsgronden ingebracht en het is de rechtbank ook niet gebleken dat de belastingrentebeschikkingen te hoog zijn vastgesteld.\n\nConclusie\n\n37. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat de aanslagen IB\u002FPVV en de belastingrentebeschikkingen zoals verminderd in bezwaar in stand blijven.\n\nProceskostenvergoeding\n\n38. Belanghebbende heeft verzocht om een veroordeling van de inspecteur in de (proces)kosten. De beroepen zijn weliswaar ongegrond, maar in verband met het verzoek om toekenning van een vergoeding van immateriële schade dient de rechtbank te beoordelen of in dit geval sprake is van ‘door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand’ in de zin van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 1, letter a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.\n\n39. De rechtbank is van oordeel dat hiervan geen sprake is. Belanghebbende heeft namelijk volmacht verleend aan vader, die in dat kader optreedt namens [naam bedrijf 2] B.V. Dat is een beleggingsvennootschap waaruit vader geen loon voor werkzaamheden ontvangt. Daarom is niet aannemelijk dat vader vaker beroepsmatig rechtsbijstand verleent. Daar komt bij dat niet aannemelijk is dat aan belanghebbende kosten in rekening zijn of worden gebracht voor rechtsbijstand. De gemachtigde heeft weliswaar gesteld dat hij een no cure no pay-afspraak heeft gemaakt met belanghebbende, maar niet aannemelijk is gemaakt dat een dergelijke afspraak is gemaakt. De voormalige gemachtigde heeft volgens de gemachtigde (ook) in de beroepsfase op de achtergrond meegedacht. Dit heeft echter niet tot gevolg dat recht bestaat op vergoeding van proceskosten, omdat de voormalige gemachtigde in de fase van beroep geen proceshandelingen heeft verricht. De door belanghebbende aangehaalde uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 6 september 2022 kan evenmin tot de conclusie leiden dat recht bestaat op vergoeding van proceskosten. In die zaak was namelijk sprake van een compromis voor wat betreft de proceskosten. Uit die uitspraak kan dus niet de conclusie worden getrokken dat vader als een derde is aan te merken die professionele rechtsbijstand verleent. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor een vergoeding van proceskosten vanwege de toekenning van een vergoeding van immateriële schade.\n\nGriffierecht\n\n40. Omdat het verzoek om vergoeding van immateriële schade vóór 31 mei 2024 is gedaan en op dat moment de redelijke termijn reeds was overschreden, dient de inspecteur het griffierecht van € 50 aan belanghebbende te vergoeden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart de beroepen ongegrond;\n\n- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.615,50;\n\n- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 134,50;\n\n- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 50 aan belanghebbende moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. L.L. van Benthem, voorzitter, en mr. F.M. Smit en mr. A.C. Smale, leden, in aanwezigheid van mr. T.J.P. Wientjens, griffier.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nDeze uitspraak is uitgesproken op 29 oktober 2025, vervolgens geplaatst in het digitale dossier en verzonden aan partijen op de datum vermeld in de brief waarmee deze aan partijen is verzonden.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zie bijlage 44 bij het verweerschrift van het jaar 2017.\n\n Artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).\n\n Hoge Raad 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1083.\n\n Vergelijk Hoge Raad 9 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY2665, Hoge Raad 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1083 en Hoge Raad 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1312.\n\n Vergelijk Hoge Raad 23 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BD3566, r.o. 3.4, en Hoge Raad 22 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0663, r.o. 4.3.1.\n\n Vergelijk Hoge Raad 9 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1501.\n\n ECLI:NL:HR:2016:252.\n\n Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, 20210, samen met de Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 oktober 2017, Staatscourant 2017, 62751.\n\n Zie r.o. 3.10.2. van het genoemde overzichtsarrest van de Hoge Raad en zie Hoge Raad 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:154, r.o. 2.4.3.\n\n Zie r.o. 3.10.3 van het genoemde overzichtsarrest van de Hoge Raad.\n\n Zie Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567 en ECLI:NL:HR:2024:773.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:9142","2026-07-13T00:28:23.086Z",{"id":63,"ecli":64,"slug":65,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":66,"fullText":67,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":68,"sourceTimestamp":69,"parsedAt":51,"updatedAt":70},"329","ECLI:NL:RBNHO:2025:12725","ecli-nl-rbnho-2025-12725","2025-10-14T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: HAA 24\u002F464\n uitspraak van de meervoudige kamer van 14 oktober 2025 in de zaak tussen\n [eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: I. Steert MB),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nVerweerder heeft met dagtekening 17 februari 2023 aan eiseres een aanslag in de inkomstenbelasting\u002Fpremie volksverzekeringen (hierna: IB\u002FPVV) voor het jaar 2019 opgelegd (hierna: de aanslag). Daarbij is € 3.498 belastingrente in rekening gebracht (hierna: de rentebeschikking).\n\nBij uitspraak op bezwaar van 30 november 2023 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.\n\nEiseres heeft beroep ingesteld tegen deze uitspraak op bezwaar. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 september 2025 te Haarlem. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] , mr. [naam 2] en [naam 3] .\n\nHet beroep is gelijktijdig behandeld met de beroepen met zaaknummers HAA 24\u002F462, HAA 24\u002F463 en HAA 24\u002F465.\n\nOverwegingen\n\nFeiten\n\nTer zake van erflater en aanslagregeling IB\u002FPVV 2018\n\n1. Op 13 januari 2018 is [naam 4] (hierna: erflater) overleden, de vader van eiseres. Erflater had een 100% aandelenbelang in [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] B.V.).\n\n2. In de namens erflater ingediende aangifte IB\u002FPVV 2018 is ter zake van het aanmerkelijk belang in [bedrijf 1] B.V. een vervreemdingsvoordeel in aanmerking genomen van (overdrachtsprijs € 577.174 -\u002F- verkrijgingsprijs € 18.153 =) € 559.021.\n\n3. In de aan de erven van erflater opgelegde aanslag IB\u002FPVV 2018 is met betrekking tot het aanmerkelijk belang in [bedrijf 1] B.V. een vervreemdingsvoordeel van (overdrachtsprijs € 691.058 -\u002F- verkrijgingsprijs € 18.153 =) € 673.005 in aanmerking genomen. Dit betrof een afrekening over de waarde van de aandelen die toerekenbaar was aan het beleggingsvermogen van [bedrijf 1] B.V. waarop de doorschuiffaciliteit van artikel 4.17a van de Wet IB 2001 niet van toepassing was.\n\nLegaat en herstructurering\n\n4. Erflater heeft het aandelenbelang in [bedrijf 1] B.V. gelegateerd aan zijn echtgenote en drie kinderen (hierna gezamenlijk: de legatarissen). Eiseres verkreeg daardoor een aandelenbelang van 25% in [bedrijf 1] B.V.\n\n5. Op 28 juni 2019 hebben de legatarissen [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2] B.V.) opgericht. Het aandelenkapitaal in [bedrijf 2] B.V. is verdeeld naar de verhouding van het legaat met betrekking tot [bedrijf 1] B.V. Ter volstorting van de aandelen hebben de legatarissen ieder hun belang in [bedrijf 1] B.V. ingebracht in [bedrijf 2] B.V. Op grond van artikel 4.41, eerste lid, van de Wet IB 2001 is ter zake van deze aandelenfusie door eiseres geen vervreemdingsvoordeel in aanmerking genomen. Op grond van artikel 4.42, eerste lid, van de Wet IB 2001 is de verkrijgingsprijs van de aandelen in [bedrijf 1] B.V. doorgeschoven naar de aandelen van [bedrijf 2] B.V.\n\n6. Bij akte van zuivere splitsing is [bedrijf 2] B.V. per 22 augustus 2019 gesplitst in vier verkrijgende vennootschappen. Daarbij is [bedrijf 2] B.V. opgehouden te bestaan. De verkrijgende vennootschappen zijn de persoonlijke houdstervennootschappen van de legatarissen. De persoonlijke houdstervennootschappen hebben door de splitsing onder algemene titel naar rato van de verdeling in het legaat van erflater een aandelenbelang in [bedrijf 1] B.V. verkregen. Op grond van artikel 4.41, tweede lid, van de Wet IB 2001 is ter zake van deze splitsing door eiseres geen vervreemdingsvoordeel in aanmerking genomen. Op grond van artikel 4.42, tweede lid, van de Wet IB 2001 is de verkrijgingsprijs van de aandelen in [bedrijf 2] B.V. (naar rato) doorgeschoven naar de aandelen in de persoonlijke houdstervennootschappen.\n\nDividenduitkeringen en belastingheffing\n\n7. Bij brief van 11 oktober 2019 hebben de legatarissen verzocht om op grond van artikel 4.12a van de Wet IB 2001 dividenduitkeringen van de persoonlijke houdstervennootschappen aan de legatarissen van in totaal € 559.021 niet tot het inkomen uit aanmerkelijk belang (hierna: ab-inkomen) te rekenen.\n\n8. Op 1 november 2019 heeft [bedrijf 1] B.V. een dividend ter beschikking gesteld van in totaal € 2.628.846. Daarvan is 25%, ofwel € 657.212, ter beschikking gesteld aan de persoonlijke houdstervennootschap van eiseres.\n\n9. Bij besluit van 31 december 2019 heeft de persoonlijke houdstervennootschap aan eiseres een dividend ter beschikking gesteld van € 139.755 (hierna: de dividenduitkering).\n\n10. Bij brief van 28 februari 2020 heeft verweerder het standpunt ingenomen dat niet aan de voorwaarden van artikel 4.12a van de Wet IB 2001 wordt voldaan waardoor de dividenduitkering tot het ab-inkomen van eiseres moet worden gerekend.\n\n11. Eiseres heeft aangifte IB\u002FPVV 2019 gedaan naar een verzamelinkomen van € 27.412, bestaande uit een box 1-inkomen.\n\n12. Bij het opleggen van de aanslag is verweerder afgeweken van de aangifte in die zin dat ook een ab-inkomen van € 139.755 in aanmerking is genomen.\n\nGeschil en standpunten van partijen\n\n13. In geschil is of artikel 4.12a van de Wet IB 2001 van toepassing is op de dividenduitkering. Meer specifiek is in geschil of met de dividenduitkering sprake is van reguliere voordelen uit de aandelen die krachtens erfrecht zijn verkregen als bedoeld in voornoemde bepaling. Niet in geschil is dat aan de overige voorwaarden voor toepassing van artikel 4.12a van de Wet IB 2001 is voldaan.\n\n14. Eiseres stelt dat op grond van doel en strekking van artikel 4.12a van de Wet IB 2001 de dividenduitkering niet tot het ab-inkomen moet worden gerekend. Zonder toepassing van artikel 4.12a van de Wet IB 2001 zou door het in aanmerking nemen van het vervreemdingsvoordeel ter zake van het overlijden van haar vader en het in aanmerking nemen van een regulier voordeel ter zake van de dividenduitkering sprake zijn van materieel dubbele heffing over feitelijk dezelfde grondslag. Dat is nu juist wat artikel 4.12a van de Wet IB 2001 blijkens de parlementaire geschiedenis beoogt te voorkomen. Artikel 4.12a van de Wet IB 2001 maakt een koppeling tussen de dividenduitkering en de verkrijgingsprijs van de krachtens erfrecht verkregen aandelen. Door de fiscaal gefacilieerde aandelenfusie en splitsing zijn de aandelen in de persoonlijke houdstervennootschap in de plaats getreden van de aandelen in [bedrijf 1] B.V. waardoor ook in dit geval een ondubbelzinnige koppeling gemaakt kan worden tussen het bij erflater in aanmerking genomen vervreemdingsvoordeel en de dividenduitkering, aldus nog steeds eiseres. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag en rentebeschikking.\n\n15. Verweerder betoogt dat artikel 4.12a van de Wet IB 2001 op basis van de letterlijke tekst van die bepaling enkel van toepassing is op de aandelen die krachtens erfrecht zijn verkregen. De aandelen in de persoonlijke houdstervennootschap kwalificeren niet als zodanig, want de krachtens erfrecht verkregen aandelen zijn de aandelen in [bedrijf 1] B.V. Dit betekent dat de dividenduitkering tot het ab-inkomen moet worden gerekend. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.\n\nBeoordeling van het geschil\n\n16. Artikel 4.12a van de Wet IB 2001 luidt, voor zover relevant:\n\n“Ingeval de belastingplichtige aandelen (…) krachtens erfrecht heeft verkregen en ter zake van die overgang bij de erflater inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking is genomen, worden binnen 24 maanden na het overlijden van de erflater door die belastingplichtige genoten reguliere voordelen uit die aandelen (…) op verzoek, in afwijking van artikel 4.12, niet tot het inkomen uit aanmerkelijk belang gerekend voor zover deze voordelen niet uitgaan boven het bedrag dat bij de erflater ter zake van de overgang krachtens erfrecht als inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking is genomen en voor zover deze voordelen worden afgeboekt op de verkrijgingsprijs van de aandelen (…) in die vennootschap. (…)”\n\n17. In de parlementaire geschiedenis bij de invoering van artikel 4.12a van de Wet IB 2001 (Kamerstukken II 2009\u002F10, 32 129, nr. 3, p. 39 en 40 (MvT))is vermeld:\n\n“Dit artikel houdt verband met het voorstel de doorschuifregeling bij overlijden van een aanmerkelijk belang voortaan niet meer toe te passen ter zake van het in de waarde van de aandelen tot uitdrukking komende beleggingsvermogen. Dit leidt er toe dat bij vererving van een aanmerkelijk belang over de waarde van dat belang voor zover toerekenbaar aan het beleggingsvermogen, voortaan de inkomstenbelastingclaim moet worden afgerekend. Als vervolgens (een deel van) dat beleggingsvermogen kort na het overlijden in de vorm van dividend wordt uitgekeerd (bijv. om de inkomstenbelastingschuld van erflater te voldoen), zou zonder nadere regelgeving over dat dividend inkomstenbelasting verschuldigd zijn. Het zou er derhalve op neer komen dat er dubbel zou worden geheven over materieel dezelfde grondslag. Het nieuwe artikel 4.12a van de Wet IB 2001 voorkomt deze dubbele heffing. Op verzoek wordt het dividend namelijk niet belast, mits het dividend wordt afgeboekt op de verkrijgingsprijs van de krachtens erfrecht verkregen aandelen. Toepassing van dit artikel is alleen mogelijk voor zover het dividend niet uitgaat boven het bedrag dat bij de erflater ter zake van de overgang krachtens erfrecht als inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking is genomen.”\n\nEn (Kamerstukken II 2009\u002F10, 32 129, nr. 8, p.64):\n\n“De leden (…) vragen in hoeverre is overwogen om de in het voorgestelde artikel 4.12a van de Wet IB 2001 neergelegde systematiek van het meegekochte dividend ook van toepassing te verklaren voor andere gevallen dan overlijdensgevallen. Ook het RB en de redactie Vakstudienieuws vragen om een toelichting waarom dit artikel niet van toepassing is op reguliere voordelen binnen 24 maanden na schenken van de ab-aandelen. Dat deze maatregel is beperkt tot situaties van vererven, is gelegen in het onvoorziene karakter van het moment van overlijden. Schenken is daartegen een rechtshandeling die welbewust en planmatig plaatsvindt. Zoals ook de Raad van State in zijn advies heeft opgemerkt kunnen in dat geval de beleggingen voorafgaand aan de overdracht krachtens schenking door middel van een dividenduitdeling aan de vennootschap worden onttrokken. Eenzelfde maatregel voor andere gevallen dan overlijdensgevallen is dan ook niet nodig.”\n\n18. In de Fiscale Verzamelwet 2015 is een wijziging opgenomen waardoor de toepassing van artikel 4.12a van de Wet IB 2001 werd uitgebreid naar reguliere voordelen uit aandelen of winstbewijzen die de erfgenaam reeds in bezit had. Dit betreft de wettelijke codificatie van bestaand beleid (Besluit van 17 september 2014, nr. BLKB2014\u002F1321M).\n\n20. Naar het oordeel van de rechtbank is artikel 4.12a van de Wet IB 2001 op basis van doel en strekking van die bepaling van toepassing op de dividenduitkering. Uit voornoemde wetsgeschiedenis volgt immers dat in het onvoorziene geval van overlijden van een aanmerkelijkbelanghouder voorkomen moet worden dat dubbele belastingheffing plaatsvindt over materieel dezelfde grondslag, namelijk over het beleggingsvermogen bij de erflater en (wanneer na het overlijden dat beleggingsvermogen in de vorm van dividend wordt uitgekeerd) het reguliere voordeel bij uitkeringen aan de erfgenaam binnen 24 maanden na het overlijden van erflater. Uit de parlementaire geschiedenis volgt niet dat de wetgever bewust niet heeft willen voorzien in een geval als het onderhavige, terwijl de materieel dubbele heffing zich in onderhavig geval ook zou voordoen. Bij erflater is immers afgerekend over het beleggingsvermogen, de aandelen in de persoonlijke houdstervennootschap zijn door de fiscaal gefacilieerde aandelenfusie en splitsing in de plaats zijn getreden van de aandelen in [bedrijf 1] B.V. en niet weersproken is dat de dividenduitkering haar oorsprong vindt in het beleggingsvermogen van [bedrijf 1] B.V. Verweerder heeft ook niet weersproken dat toepassing van artikel 4.12a van de Wet IB 2001 op de dividenduitkering in lijn zou zijn met doel en strekking van die bepaling, maar bepleit een strikte toepassing op grond van wettekst gelet op het rechtszekerheidsbeginsel en legaliteitsbeginsel. De rechtbank kan dit betoog niet volgen omdat de door eiseres voorgestane toepassing ten gunste van belastingplichtige komt omdat daarmee belastingheffing wordt uitgesteld tot het moment van vervreemding van de aandelen. Verweerder heeft ook desgevraagd ter zitting niet kunnen uitleggen in hoeverre toepassing van de regeling op onderhavige situatie zou kunnen leiden tot ongewenste gevolgen en enkel gewezen op mogelijke precedentwerking. Dat de wetgever de noodzaak heeft gezien om het beleidsbesluit uit 2014 met betrekking tot reeds in bezit zijnde aandelen te codificeren, maakt niet dat enkel de letterlijke tekst van de wet doorslaggevend is. Dit betekent ook dat verweerder zich niet met vrucht op het kennisgroepstandpunt van 1 oktober 2016 kan beroepen.\n\nRentebeschikking\n\n21. Tegen het in rekening brengen van belastingrente heeft eiseres geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd. De rentebeschikking dient verminderd te worden overeenkomstig de vermindering van de aanslag.\n\nSlotsom\n\n22. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dient het beroep gegrond te worden verklaard. Het ab-inkomen wordt verminderd naar nihil. De rentebeschikking dient dienovereenkomstig te worden verminderd.\n\nProceskosten\n\n23. De rechtbank ziet in het bovenstaande aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank stelt de proceskosten voor de vier zaken van de legatarissen gezamenlijk vast op € 2.721, waarbij aan eiseres een kwart wordt toegekend, ofwel € 680,25. De rechtbank heeft op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand twee punten toegekend voor de beroepsfase, te weten 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting. De waarde per punt is € 907. Daarbij is een wegingsfactor 1,5 toegepast wegens samenhang van vier of meer zaken. Voor de bezwaarfase wordt geen kostenvergoeding toegekend omdat daartoe niet overeenkomstig artikel 7:15, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is verzocht alvorens op het bezwaar is beslist.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n₋ verklaart het beroep gegrond;\n\n₋ vernietigt de uitspraak op bezwaar;\n\n₋ vermindert de aanslag in die zin dat het ab-inkomen wordt verminderd naar nihil;\n\n₋ vermindert de rentebeschikking overeenkomstig de vermindering van de aanslag;\n\n₋ veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 680,25; en\n\n₋ draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51 aan eiseres te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.E. Kiers, voorzitter, en mr. J. Snitker en mr. C.M.J.C. Snoek-Bakker, leden, in aanwezigheid van mr. M.B.K. Stroosnier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2025.\n\ngriffier voorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.\n\nBij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:12725","2025-11-04T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:24.682Z",{"id":72,"ecli":73,"slug":74,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":75,"fullText":76,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":77,"sourceTimestamp":78,"parsedAt":51,"updatedAt":79},"746","ECLI:NL:RBNHO:2025:15824","ecli-nl-rbnho-2025-15824","2025-09-30T00:00:00.000Z","Rechtbank noord-holland\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: HAA 23\u002F7288 en HAA 23\u002F7289\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 30 september 2025 in de zaken tussen\n\n [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser\n\n(gemachtigde: drs. J.H.M. Demmer),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, verweerder.\n\nProcesverloop\n\n(HAA 23\u002F7288)\n\nVerweerder heeft aan eiser voor het jaar 2008 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 233.906. Bij gelijktijdige beschikking is een bedrag van € 12.584 aan heffingsrente in rekening gebracht.\n\nVerweerder heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.\n\n(HAA 23\u002F7289)\n\nVerweerder heeft aan eiser voor het jaar 2009 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 298.512. Bij gelijktijdige beschikking is een bedrag van € 11.873 aan heffingsrente in rekening gebracht.\n\nVerweerder heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar gegrond verklaard en het belastbaar inkomen uit werk en woning verminderd naar € 293.951 en de belastingrente dienovereenkomstig verminderd.\n\n(Beide zaken)\n\nEiser heeft daartegen beroepen ingesteld.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nEiser heeft op 12 augustus 2025 een nader stuk ingediend.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2025 te Haarlem.\n\nNamens eiser is zijn gemachtigde verschenen, bijgestaan door diens echtgenote. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam] en mr. [naam 6]\n\nOverwegingen\n\nFeiten\n\n1. Eiser is voormalig bestuurder van [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ) en van 1 januari 2001 tot 18 juni 2010 is hij commissaris van [bedrijf 1] . [bedrijf 1] en de met haar gelieerde vennootschappen (hierna tezamen: [bedrijf 2] ) houden zich bezig met het beheer en de exploitatie van onroerende zaken en met projectontwikkeling. Eén van de met [bedrijf 1] gelieerde vennootschappen is [bedrijf 3] In 2010 heeft verweerder een boekenonderzoek ingesteld bij [bedrijf 3] . Tijdens het boekenonderzoek zijn betalingen aangetroffen van [bedrijf 4] op de privébankrekening van eiser. Daarop is onderzocht waar deze betalingen op zagen. Mede naar aanleiding van de bevindingen van het boekenonderzoek is door de FIOD vervolgens een strafrechtelijk onderzoek naar eiser ingesteld.\n\n2. In zijn uitspraak van 5 juni 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019 heeft het gerechtshof Amsterdam (strafkamer) het volgende overwogen, waarbij eiser ‘de verdachte’ is en de heer [naam 2] , de directeur-grootaandeelhouder van [bedrijf 4] (en haar rechtsopvolger [bedrijf 5] B.V.) wordt aangeduid met ‘[naam 2]’:\n\n “Valsheid in geschrift (feit 1)\n\nHet gaat in deze zaak om de vraag of een aangetroffen koopovereenkomst tussen de verdachte en [naam 2] op 6 juni 2008 met betrekking tot het schilderij ' [naam schilderij] ' van [naam 1] een werkelijke koopovereenkomst is geweest of een schijntransactie betreft die is bedoeld om steekpenningen te verhullen.\n\nHet hof stelt het volgende vast.\n\nDe verdachte en [naam 2] waren sinds begin 2008 namens verkopende en aankopende partijen betrokken bij een grote vastgoedtransactie, te weten een project waarbij het voormalige [terrein] te [gemeente 1] voor € 19.635.000 werd verkocht door [bedrijf 1] en [bedrijf 4] aan [bedrijf 5] (‘project [gemeente 1] ’). [naam 2] was via connecties van de verdachte in contact gebracht met de [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ). [naam 2] was bestuurder van (een van) de verkopende partijen; de verdachte was commissaris bij de aankopende partij, [bedrijf 2] .\n\nGedurende de onderhandelingen heeft de verdachte op 6 juni 2008 aan [naam 2] het hiervoor genoemde in zijn privébezit behorende schilderij van de hand gedaan voor een bedrag van € 500.000. Uiteindelijk heeft de verdachte in totaal € 360.000 ontvangen van [naam 2] .\n\nNadat deze transactie aan het licht is gekomen, is door verschillende beëdigde taxateurs bepaald dat de werkelijke waarde van het schilderij in 2009 tussen de € 9.000 en € 20.000 moet worden geschat. Er is dus sprake van een zeer aanzienlijk verschil tussen de marktwaarde en de verkoopprijs in de overeenkomst.\n\nDe verdachte had een collectie van schilderijen van [naam 1] in bezit. Hij heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij zichzelf als kunstkenner ziet, in het bijzonder van de [kunststroming] , waartoe de schilder behoort, hij vrij goed op de hoogte was van de waarde van schilderijen en dat hij redelijk goed wist wat er op de markt gaande was.\n\n[naam 2] heeft verklaard dat er bij deze schilderijtransactie sprake was van een 'koppelverkoop'. [naam 2] heeft verder verklaard dat hij niet geïnteresseerd was in het schilderij, maar dat de verdachte hem de indruk had gegeven dat zij samen gouden bergen zouden kunnen verdienen. [naam 2] heeft verder verklaard dat hij achteraf liever een provisienota had gekregen, maar dat hij het schilderij kocht om de verdachte een plezier te doen, daar de verdachte \"degene was die de tent daar runde en waarmee ik in de toekomst zaken wilde blijven doen\".\n\nUit getuigenverklaringen van [naam 3], [naam 4] en [naam 5] volgt dat de verdachte in verband met de betaling van de hiervoor genoemde € 350.000 door [naam 2] tegen hen gezegd heeft dat hij deze gekregen had voor het schilderij en ‘werkzaamheden’ die hij voor die [naam 2] verricht had.\n\nUit het voorgaande moet worden afgeleid dat de verdachte heeft begrepen dat de betalingen door [naam 2] een andere achtergrond hadden dan verkrijging van het schilderij en dat er aldus sprake is geweest van een verhullende transactie.\n\nDat het om een schijntransactie gaat, wordt verder ondersteund door de omstandigheid dat de eerste betaling voor 'het schilderij' min of meer synchroon liep met de betaling van het voorschot van € 3.000.000 door de aankopende partij bij het project te [gemeente 1] aan [bedrijf 1] op 10 juli 2008. Vijf dagen later, op 15 juli 2008, is van dezelfde rekening van [bedrijf 1] waarop het bedrag van € 3.000.000 was ontvangen € 100.000 overgemaakt op de privérekening van de verdachte met de omschrijving \"schilderijen\".\n\nHet voorgaande betekent dat de in de tenlastelegging bedoelde overeenkomst vals is. Deze lijkt een koopovereenkomst in te houden, maar in werkelijkheid is sprake van een schijntransactie, bedoeld om provisiebetalingen te verhullen. Daar doet niet aan af dat het schilderij uiteindelijk wel is overgedragen. De valsheid zit hem zowel in het niet vermelden van de werkelijke aard van de overeenkomst, als, in samenhang daarmee, het benoemen van het bedrag van € 500.000 als verkoopprijs voor het schilderij.\n\nFiscale delicten (feit 2 en 3)\n\nDe valse overeenkomst is aan de fiscus ter beschikking gesteld tijdens een boekenonderzoek. Daarnaast maakte de valse overeenkomst deel uit van de stukken op basis waarvan aangifte inkomstenbelasting is gedaan. Het niet opgeven van wat in werkelijkheid provisie-inkomsten waren, resulteert in het opzettelijk doen van onjuiste aangifte inkomstenbelasting.”\n\n3. In deze uitspraak heeft het gerechtshof Amsterdam geoordeeld dat wettig en overtuigend is bewezen dat eiser het aan hem onder 1, 2, 3, 4 en 5 in de dagvaarding ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n“1. hij, op 6 juni 2008, in [gemeente 2] , een verklaring ( [#] ), zijnde een geschrift bestemd om tot het bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers heeft hij, valselijk in die verklaring ( [#] ) opgenomen en voorgewend dat\n\n- ondergetekende [ [verdachte] ] bereid is een schilderij genaamd \" [naam schilderij] \" te [gemeente 2] van [naam 1] te verkopen aan [bedrijf 1] voor een bedrag groot 500.000 euro, terwijl de marktwaarde van het schilderij veel lager was en in werkelijkheid sprake was van een schijntransactie, zulks met het oogmerk om deze verklaring als echt en onvervalst te gebruiken en door anderen te doen gebruiken;\n\n2. hij, op 5 oktober 2010 in [gemeente 2] , telkens als degene die ingevolge de Belastingwet verplicht is tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, opzettelijk, deze in valse vorm voor dit doel ter beschikking heeft gesteld, immers heeft hij opzettelijk een verklaring ( [#] ) waarin valselijk was opgenomen en voorgewend dat ondergetekende [ [verdachte] ] bereid is een schilderij genaamd \" [naam schilderij] \" te [gemeente 2] van [naam 1] te verkopen aan [bedrijf 1] voor een bedrag groot 500.000 euro, voor raadpleging aan de Belastingdienst ter beschikking gesteld en bestaande die valsheid hierin dat de marktwaarde van het schilderij veel lager was en in werkelijkheid sprake was van een schijntransactie terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven;\n\n3. hij, op 9 februari 2010 en op 17 maart 2011, te [gemeente 3] en [gemeente 2] , telkens opzettelijk bij de Belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten:\n\n- een aangifte voor de inkomstenbelasting\u002Fpremie volksverzekeringen over het jaar 2008 (D-022, D022\u002Fa), en\n\n- een aangifte voor de inkomstenbelasting\u002Fpremie volksverzekeringen over het jaar 2009 (D-022, D022\u002Fb),\n\nonjuist heeft gedaan en laten doen, immers is door of namens hem over 2008 en over 2009 een te laag belastbaar bedrag en (verzamel)inkomen opgegeven, immers was in die door of namens hem ingevulde en ondertekende en ingeleverde aangifte over 2008 opzettelijk 150.000 euro niet opgenomen en was in die door of namens hem ingevulde en ondertekende en ingeleverde aangifte over 2009 opzettelijk 195.000 euro niet opgenomen, terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven;\n\n 4. hij in de periode van 1 februari 2008 tot en met 15 juni 2010 in Nederland, telkens anders dan als ambtenaar, optredend als lasthebber van [bedrijf 2] in de functie van commissaris, naar aanleiding van hetgeen hij als lasthebber heeft gedaan dan wel zal zou doen, telkens giften, namelijk betalingen van geldbedragen, ontvangen van [bedrijf 1] en [bedrijf 3], heeft aangenomen en dit aannemen telkens in strijd met de goede trouw heeft verzwegen tegenover zijn lastgever, [bedrijf 2];\n\n5. hij in de periode van 1 juni 2008 tot en met 25 april 2012, te [gemeente 2] , telkens van geldbedragen (in totaal 345.000 euro),\n\n- de werkelijke aard heeft verborgen en verhuld, en\n\n- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en van 345.000 euro gebruik heeft gemaakt,\n\nterwijl hij wist dat bovenomschreven geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.”\n\nEiser is door het gerechtshof veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur en vier maanden voorwaardelijke gevangenisstraf.\n\n4. Het door eiser tegen deze uitspraak ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad bij arrest van 25 augustus 2020 niet-ontvankelijk verklaard.\n\n5. Verweerder heeft aan eiser de onderhavige navorderingsaanslagen opgelegd, waarbij voor het jaar 2008 over een resultaat uit overige werkzaamheden van € 150.000 is nagevorderd, en voor het jaar 2009 – na vermindering in bezwaar – over € 195.000 welke bedragen in overweging 3. van de hiervoor onder 3. opgenomen uitspraak van het gerechtshof Amsterdam zijn vermeld.\n\n6. Het gerechtshof Amsterdam heeft op 5 juni 2019 tevens arrest gewezen in de tegen eiser ingestelde ontnemingsvordering. Hierbij heeft het gerechtshof eiser de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 345.000. In deze uitspraak heeft het gerechtshof het volgende overwogen:\n\n “De verdachte is bij arrest van 5 juni 2019 veroordeeld wegens, kort gezegd, niet-ambtelijke omkoping door het aannemen van geldbedragen\u002Fsteekpenningen van de getuige [naam 2] .\n\nHij heeft het karakter van die geldbedragen geprobeerd te verhullen door een valse koopovereenkomst op te stellen, die inhoudt dat hij een schilderij voor € 500.000,00 verkoopt aan de getuige [naam 2] . De verdachte heeft vervolgens geldbedragen van € 100.000,00, € 50.000,00 en € 200.000,00 ontvangen. Tenslotte is hem nog € 10.000,00 betaald, waarna het schilderij naar [naam 2] is overgegaan. In totaal heeft de veroordeelde dus € 360.000,00 ontvangen.\n\nDe waarde van het schilderij is door verschillende taxateurs en experts geschat op respectievelijk € 9.000,00, € 10.000,00, € 13.000,00 en € 15.000,00 tot € 20.000,00. Het hof schat, gelet op de verschillende waardebepalingen, de waarde van het schilderij op € 15.000,00. Dit bedrag moet voor de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel worden afgetrokken van de door de veroordeelde ontvangen € 360.000,00. Met de advocaat-generaal schat het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel daarom op € 345.000,00.”\n\n7. Het hiertegen ingestelde cassatieberoep is op 25 augustus 2020 door de Hoge Raad niet-ontvankelijk verklaard.\n\n8. Op 25 mei 2021 heeft eiser een verzoek om kwijtschelding van de verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel ingediend vanwege de door eiser erkende verplichting tot betaling van het ontnemingsbedrag van € 345.000 bij wijze van schadevergoeding aan [bedrijf 1] als benadeelde partij. Op 4 juli 2022 is dit verzoek door de rechtbank Noord-Holland toegewezen en het door eiser aan de Staat te betalen bedrag vastgesteld op nihil.\n\n9. Op 26 januari 2023 heeft eiser met [bedrijf 2] een vaststellingsovereenkomst gesloten op grond waarvan eiser zich verplicht tot betaling van een bedrag van € 520.000.\n\nGeschil 10.Tussen partijen is in geschil of de navorderingsaanslagen terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. Niet in geschil is dat eiser bedragen van € 150.000 (2008) respectievelijk € 210.000 (2009) heeft ontvangen en dat deze ontvangsten (minus het bedrag dat is betaald voor het schilderij) moeten worden aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden.\n\n11. Eiser stelt zich op het standpunt dat bij het vaststellen van de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2008 en 2009 het in aanmerking genomen resultaat uit overige werkzaamheden te hoog is vastgesteld. Hij is van mening dat het schilderij genaamd \" [naam schilderij] \" van [naam 1] (hierna: het schilderij) een hogere waarde dan € 15.000 vertegenwoordigt. Daarnaast is eiser van mening dat hij een voorziening mag vormen ultimo 2008 vanwege de nadien door hem gemaakte advocaatkosten. Navordering in 2009 is niet mogelijk omdat het vorderingenstelsel moet worden toegepast en het gehele voordeel daarom in 2008 belast zou moeten worden.\n\nSubsidiair stelt eiser dat wanneer de rechtbank oordeelt dat moet worden aangesloten bij het betaalmoment, de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2008 verminderd moet worden met € 50.000, aangezien dat bedrag pas op 1 september 2009 is ontvangen.\n\nMeer subsidiair stelt eiser dat de belastingheffing in strijd komt met artikel 1, Eerste Protocol bij het EVRM omdat deze werkzaamheden voor hem alleen maar een verlies hebben opgeleverd en dus sprake is van een individuele en buitensporige last.\n\nEiser concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen en vernietiging c.q. vermindering van de navorderingsaanslagen.\n\n12. Verweerder is van mening dat de beide navorderingsaanslagen (2009 na vermindering in bezwaar) naar de juiste bedragen zijn vastgesteld. De waarde van het door eiser verkochte schilderij is voor het juiste bedrag, zijnde € 15.000, in aanmerking genomen. Daarnaast is verweerder van mening dat eiser ultimo 2008 geen voorziening kon vormen en dat goed koopmansgebruik zich niet verzet tegen het aanmerken van € 195.000 als resultaat uit overige werkzaamheden in 2009.\n\nMet betrekking tot het subsidiaire standpunt van eiser merkt verweerder op dat dit uitgaat van onjuiste feiten omdat de betaling van € 50.000 op 1 september 2008 heeft plaatsgevonden. Ten slotte is verweerder van oordeel dat geen sprake is van een individuele en buitensporige last.\n\nVerweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.\n\nBeoordeling van het geschil\n\nHoogte resultaat uit overige werkzaamheden\n\n13. Ten aanzien van de hoogte van het in aanmerking genomen resultaat uit overige werkzaamheden is de rechtbank van oordeel dat verweerder de juiste bedragen in aanmerking heeft genomen. Eiser heeft in 2008 € 150.000 ontvangen van [bedrijf 4] en in 2009 € 200.000 van [bedrijf 5] B.V. Het gerechtshof Amsterdam heeft geoordeeld dat deze bedragen door eiser zijn ontvangen als provisiebetalingen. Tijdens het strafrechtelijk onderzoek is gebleken en door het gerechtshof Amsterdam als feit vastgesteld dat eiser ook nog een bedrag van € 10.000 heeft ontvangen van de heer [naam 2] , waarna eiser het schilderij aan de heer [naam 2] heeft geleverd. Dit wordt door eiser ook niet betwist. De waarde van het schilderij is door gerechtshof Amsterdam vastgesteld op € 15.000 (zie 6. hiervoor). Nu eiser in totaal € 360.000 heeft ontvangen van (de bv's van) de heer [naam 2] , is het wederrechtelijk verkregen voordeel door het gerechtshof vastgesteld op € 345.000 (€ 150.000 in 2008 en € 195.000 in 2009). Verweerder heeft daarom terecht deze bedragen nagevorderd als resultaat uit overige werkzaamheden.\n\n14. Eiser voert aan dat de waarde van het schilderij hoger moet worden vastgesteld, hetgeen zou moeten leiden tot verlaging van het in aanmerking genomen resultaat uit overige werkzaamheden. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij een tweetal taxaties van andere schilderijen van [naam 1] overgelegd. Deze twee taxaties zijn in de negentiger jaren van de vorige eeuw uitgevoerd door beëdigd taxateur [naam 9] .\n\n15. Dit leidt echter niet tot een ander oordeel. Taxaties van andere schilderijen van deze schilder zeggen onvoldoende over de waarde van het onderhavige schilderij, alleen al omdat schilderijen van deze schilder blijkens de overgelegde stukken voor zeer uiteenlopende bedragen worden verkocht. Bovendien heeft dezelfde taxateur, blijkens het overgelegde proces-verbaal van zijn verhoor door de rechtercommissaris van de rechtbank Noord-Holland verklaard dat hij zich kon vinden in de taxatie van het onderhavige schilderij naar de waarde in 2008 door 2 andere taxateurs op € 10.000 respectievelijk € 9.000. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding af te wijken van de door het gerechtshof Amsterdam vastgestelde waarde van het schilderij van € 15.000.\n\nJaar van genieten\n\n16. Op grond van artikel 3.95 in verbinding met artikel 3.25 van de Wet IB 2001 wordt het in een kalenderjaar genoten resultaat uit een werkzaamheid bepaald volgens goed koopmansgebruik, met inachtneming van een bestendige gedragslijn die onafhankelijk is van de vermoedelijke uitkomst. Die bestendige gedragslijn kan alleen worden gewijzigd indien goed koopmansgebruik dit rechtvaardigt. De invulling van het begrip goed koopmansgebruik wordt bepaald door de bedrijfseconomie, tenzij die invulling in strijd is met de tekst, algemene strekking of een beginsel van de belastingwet. Aan het goed koopmansgebruik ligt een drietal hoofdbeginselen ten grondslag die in de jurisprudentie zijn ontwikkeld. Deze beginselen zijn:\n\n- het realiteitsbeginsel, dat inhoudt dat moet worden aangesloten bij de economische realiteit;\n\n- het voorzichtigheidsbeginsel, op grond waarvan nog niet gerealiseerde winsten niet tot de (belastbare) jaarwinst hoeven te worden gerekend, maar nog niet gerealiseerde verliezen wel ten laste van de jaarwinst kunnen worden gebracht; en\n\n- het eenvoudbeginsel, op grond waarvan de jaarwinstbepaling praktisch hanteerbaar moet zijn.\n\n17. De rechtbank is van oordeel dat goedkoopmansgebruik er niet toe dwingt de in 2009 ontvangen betalingen in 2008 in aanmerking te nemen. Eiser heeft de onderhavige bedragen in 2008 en 2009 ontvangen als provisiebetalingen voor het aanbrengen van vastgoedprojecten en mogelijke toekomstige zaken, zoals vastgesteld in de hiervoor vermelde uitspraak van het gerechtshof Amsterdam. Eiser wijst naar de overeenkomst met betrekking tot het schilderij en dat de projecten [gemeente 1] en [gemeente 4] reeds in 2008 waren aangekocht. Echter, eiser was commissaris bij [bedrijf 1] en de werkzaamheid bestaat uit het uitoefenen van zijn invloed binnen [bedrijf 2] ten faveure van (de bv's van) de heer [naam 2] . Dit blijkt uit de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam in de strafzaak tegen eiser (zie 2. hiervoor) waarin de heer [naam 2] bevestigt dat hij de betalingen verrichtte omdat eiser \"degene was die de tent daar runde en waarmee ik in de toekomst zaken wilde blijven doen\". De werkzaamheid eindigde daarom uiteindelijk definitief op 18 juni 2010, toen de functie van eiser als commissaris van [bedrijf 1] werd beëindigd en daarmee zijn invloed binnen [bedrijf 2] stopte. Uit dit een en ander volgt dat de provisiebetalingen niet alleen zien op werkzaamheden die eiser in 2008 heeft verricht. Eiser heeft tegenover de rechtbank evenmin aannemelijk gemaakt dat de provisiebetalingen alleen zien op zijn werkzaamheden in 2008. Reeds om die reden kan niet worden gezegd dat het in aanmerking nemen van de provisiebetalingen in 2009 strijdig is met resultaatbepaling volgens het vorderingenstelsel waarop eiser zich beroept. Ook binnen dat stelsel was winstneming in 2009 mogelijk. Bovengenoemd realiteitsbeginsel dwingt evenmin tot het door eiser gewenste resultaat. Eiser heeft geen facturen uitgereikt voor de werkzaamheden en ook ontbreken balansen voor de jaren 2008 en 2009, zodat het eenvoudsbeginsel noopte tot de door verweerder gekozen praktische benadering waarbij het resultaat is toegerekend aan het jaar van ontvangst. Uitstel van winstneming door toerekening van het resultaat aan 2009 in plaats van 2008, is bovendien in overeenstemming met het bovengenoemde voorzichtigheidsbeginsel.\n\nVoorziening\n\n18. Eiser wenst een voorziening te vormen voor door hem gemaakte advocaatkosten. Eiser heeft voor het in aanmerking nemen van een voorziening aangevoerd dat ultimo 2008 voldoende zekerheid bestond dat de advocaatkosten zich zouden voordoen. Daartoe betoogt hij dat ultimo 2008 voorzienbaar was dat een bedrag zou moeten worden betaald aan [bedrijf 2] en dat advocaatkosten zouden moeten worden gemaakt. Uiteindelijk bedragen deze gezamenlijk € 920.000. Eiser acht het redelijk ultimo 2008 een voorziening van € 400.000 voor advocaatkosten op te nemen.\n\n19. De rechtbank overweegt als volgt. Met hetgeen eiser hierover heeft aangevoerd, bestond er naar het oordeel van de rechtbank ultimo 2008 of 2009 geen redelijke mate van zekerheid dat eiser de van hem gevorderde bedragen in een later jaar zou moeten betalen. In 2008 en 2009 was er nog geen enkele verdenking jegens eiser en het boekenonderzoek bij [bedrijf 3] is eerst in 2010 opgestart en eerst tijdens dat onderzoek is bekend geworden dat eiser bedragen van de heer [naam 2] had ontvangen, zonder dat op dat moment al duidelijk was wat de aard van deze betalingen was. Dat betekent dat er ultimo 2008 en 2009 geen redelijke mate van zekerheid bestond dat eiser terugbetalingsverplichtingen zou hebben jegens [bedrijf 2] en advocaatkosten zou gaan maken.\n\n20. Dat [bedrijf 2] zich als benadeelde partij in de strafprocedure tegen eiser heeft gevoegd en dat eiser in januari 2023 met [bedrijf 2] is overeengekomen € 520.000 te betalen maakt dit niet anders. Deze gebeurtenissen hebben zich immers (ver) na balansdatum voorgedaan. Eiser is eerst in 2017 door de rechtbank Noord-Holland veroordeeld voor de hem ten laste gelegde feiten. Ook in het licht hiervan bestond ultimo 2008 en 2009 onvoldoende mate van zekerheid dat eiser de door hem genoten bedragen zou moeten terugbetalen en advocaatkosten zou maken. De rechtbank overweegt daarnaast dat eiser de gestelde € 400.000 aan advocaatkosten niet heeft onderbouwd, en ook het verband met de door hem in 2008 en 2009 verrichte werkzaamheden niet aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank is op al deze gronden van oordeel dat eiser in 2008 of 2009 geen voorziening kan vormen.\n\n21. Ten overvloede voegt de rechtbank aan het vorenstaande toe dat aftrek van de door eiser betaalde schadevergoeding op de voet van artikel 3.14, derde lid, aanhef en onder b, van de Wet IB 2001, eerst mogelijk is vanaf het moment dat eiser daadwerkelijk uitgaven doet om de door het misdrijf veroorzaakte schade te herstellen. Tot dat tijdstip zijn die kosten en lasten op grond van artikel 3.14, eerst lid, aanhef en onder d, van de Wet IB 2001 van aftrek uitgesloten, zodat ook om die reden geen voorziening kan worden gevormd (vgl. HR 9 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2299). De door eiser genoemde advocaatkosten zijn in hun geheel van aftrek uitgesloten. Immers, het begrip ‘verband houden met’ als bedoeld in artikel 3.14, lid 1, aanhef en letter d, Wet IB 2001 dient ruim te worden uitgelegd (vgl. HR 5 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5057). De wetgever heeft niet beoogd alleen van aftrek uit te sluiten de kosten met behulp waarvan omzet uit criminele activiteiten is gerealiseerd (Kamerstukken II 1996-1997, 25 019, nr. 6, p. 1 en 2). De in het derde lid genoemde uitzonderingen op de aftrekuitsluiting van het eerste lid strekken zich ook niet uit over de door eiser genoemde advocaatkosten.\n\nOntvangst € 50.000\n\n22. De subsidiaire stelling van eiser dat – bij toepassing van het kasstelsel zoals verweerder betoogt – het bedrag van € 50.000 ten onrechte in 2008 in aanmerking is genomen omdat hij dit bedrag eerst op 1 september 2009 zou hebben ontvangen wordt reeds op die grond verworpen omdat deze stelling feitelijke grondslag mist. Eiser heeft geen andere onderbouwing van de stelling gegeven dan dat betaling volgens hem op 1 september 2009 heeft plaatsgevonden. Uit de gedingstukken, met name het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 27 juni 2017 in de strafzaak tegen eiser en de daar aangehaalde bankstukken op bladzijde 5, blijkt echter dat de betaling op 1 september 2008 is ontvangen.\n\nIndividuele en buitensporige last\n\n23. Ter zitting heeft eiser, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2048, meer subsidiair aangevoerd dat ter zake van het in aanmerking nemen van het bedrag van € 345.000 als resultaat uit overige werkzaamheden sprake is van een belastingheffing die strijdig is met het door artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM (hierna: artikel 1 EP) gewaarborgde ongestoorde genot van eigendom. Hij voert daartoe aan dat de werkzaamheden vanwege de betaling aan [bedrijf 2] van € 520.000 en de gemaakte advocaatkosten van € 400.000 verlieslatend zijn geweest zodat belastingheffing over € 345.000 disproportioneel is en een individuele en buitensporige last voor hem oplevert.\n\n24. De rechtbank overweegt als volgt. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (vgl. onder meer Hoge Raad 6 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:511) kan alleen dan sprake zijn van een individuele en buitensporige last indien en voor zover deze last zich in het geval van de betrokken belastingplichtige sterker laat voelen dan in het algemeen, waarbij of dit laatste zich voordoet, dient te worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Dit moet worden bezien in samenhang met de gehele financiële situatie van de betrokkene (vgl. Hoge Raad 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816).\n\n25. Zoals verweerder ter zitting heeft aangegeven kan voldoening van de schadevergoeding aan de benadeelde partij op de voet van artikel 3.14, derde lid onderdeel b, van de Wet IB 2001, in aftrek worden gebracht in het jaar van betaling (vgl. Hoge Raad 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2299). Eiser heeft geen enkel inzicht gegeven in de fiscale uitwerking van deze betaling en de aftrek daarvan en\u002Fof eventuele verliesverrekening in latere jaren. De rechtbank is van oordeel dat hij daarmee niet aannemelijk heeft gemaakt dat in zijn geval sprake is van een individuele en buitensporige last. Ter zitting heeft eiser nog aangeboden hiervan nader bewijs te leveren. Dit bewijsaanbod wordt door de rechtbank als tardief gedaan gepasseerd.\n\nHeffingsrente\n\n26. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. De heffingsrente is berekend op grond van de in de Algemene wet inzake rijksbelastingen opgenomen artikelen die tot 1 januari 2013 van toepassing waren. Tegen de heffingsrente zijn geen afzonderlijke gronden aangevoerd. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsrente terecht en tot de juiste bedragen is vastgesteld.\n\nSlotsom\n\n27. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.\n\nProceskosten\n\n28. Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, voorzitter, en mr. A.A. Fase en mr. J.C. Brouwer, leden, in aanwezigheid van mr. T. van Opzeeland, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 september 2025.\n\ngriffier voorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.\n\nBij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:15824","2026-01-27T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:46.215Z",{"id":81,"ecli":82,"slug":83,"caseNumber":43,"courtId":84,"decisionDate":85,"fullText":86,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":87,"sourceTimestamp":88,"parsedAt":51,"updatedAt":89},"426","ECLI:NL:RBDHA:2025:28003","ecli-nl-rbdha-2025-28003",58,"2025-09-19T00:00:00.000Z","Rechtbank DEN HAAG\n\nTeam belastingrecht\n\nzaaknummer: SGR 24\u002F8337\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 september 2025 in de zaak tussen\n [eiser], wonende te [woonplaats], eiser,\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.\n\nDe bestreden uitspraak op bezwaar\n\nDe uitspraak van verweerder van 11 september 2024 op het bezwaar van eiser tegen de voor het jaar 2022 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen.\n\nZitting\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2025.\n\nEiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [medewerker belastingdienst 1] en mr. [medewerker belastingdienst 2].\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar;\n\nverklaart het bezwaar ongegrond;\n\ndraagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51 aan eiser te vergoeden.\n\nOverwegingen\n\nFeiten\n\n1. Eiser heeft aangifte IB\u002FPVV voor het jaar 2022 gedaan naar een verzamelinkomen van € 15.417, bestaande uit € 15.417 aan belastbaar inkomen uit werk en woning.\n\nDe waarde van de door eiser in zijn aangifte verantwoorde bezittingen en schulden resulteren in een rendementsgrondslag van € 39.433. Met inachtneming van het heffingvrije vermogen van € 50.650 is de grondslag sparen en beleggen nihil.\n\nMet dagtekening van 10 juni 2023 is de aanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2022 (de aanslag) opgelegd overeenkomstig de ingediende aangifte. Het inkomen uit sparen en beleggen is daarbij dan ook gesteld op nihil.\n\n2. Eiser had over het jaar 2022 een voorschot huurtoeslag ontvangen van € 4.024. Dit voorschot was gebaseerd op de over het jaar 2021 aan hem toegekende huurtoeslag. Bij besluit van 11 augustus 2023 heeft de inspecteur van de Belastingdienst\u002FToeslagen de zorg- en huurtoeslag voor eiser over het jaar 2022 vastgesteld op nihil en is eiser aangezegd dat hij het aan hem uitbetaalde voorschot van € 4.024 dient terug te betalen (de Beschikking).\n\n3. Bij brief van 13 september 2023 heeft eiser bij de Dienst Toeslagen bezwaar tegen de Beschikking gemaakt. De Dienst Toeslagen heeft het bezwaar ter behandeling doorgezonden aan verweerder. De reden daarvoor is dat het bij de beoordeling van het bezwaar aankomt op een vraag die in het domein van verweerder is gelegen,te weten die naar de hoogte van de rendementsgrondslag.\n\n4. Verweerder heeft bij uitspraak van 11 september 2024 het bezwaar als kennelijk nietontvankelijk van de hand gewezen. Hij heeft daartoe overwogen dat, nu in de aanslag geen inkomen uit sparen en beleggen in aanmerking is genomen, eiser niet beter kan worden van zijn bezwaar.\n\nGeschil\n\n5. Het standpunt van eiser is dat verweerder de Wet rechtsherstel box 3 onjuist heeft toegepast, door niet de voor zijn geval gunstigste methode te kiezen van de twee methodes waarin die wet voorziet. Ter zitting heeft hij daaraan, subsidiair, een beroep toegevoegd op het vertrouwen dat hij heeft ontleend aan mededelingen op de website van de Belastingdienst.\n\n6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard, om dezelfde reden als waarom hij het bezwaar niet-ontvankelijk had verklaard. Met betrekking tot het materiële geschilpunt is zijn standpunt dat de Beschikking berust op een correcte vaststelling van de rendementsgrondslag en dat het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel moeten falen.\n\nBeoordeling\n\n7. Eiser heeft zijn bezwaar tegen de Beschikking in zijn brief van 13 september 2013 geformuleerd als volgt:\n\n“Bij deze maak ik bezwaar tegen de door u aan mij opgelegde definitieve aanslag over ad 2022 ad. € 4.024 terug te betalen huurtoeslag”\n\nMet de Beschikking is de aanspraak van eiser op huurtoeslag vastgesteld op nihil, wat ertoe leidt dat eiser het door hem ontvangen voorschot dient terug te betalen. Blijkens de hiervoor geciteerde bewoording is dat, waartegen eiser in bezwaar is opgekomen.\n\nVerweerder heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op grond van een overweging die betrekking heeft op een andere beschikking dan de Beschikking, te weten de aanslag. Van bezwaar tegen de aanslag kan eiser inderdaad niet beter worden, maar dat is niet waartegen hij is opgekomen. Zijn bezwaar is gericht tegen de Beschikking en dat kon hem bij gegrondverklaring (wel degelijk) in een betere positie brengen.\n\nVerweerder heeft het bezwaar dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Om die reden heeft de rechtbank de uitspraak op bezwaar vernietigd.\n\n8. Bij vernietiging van de uitspraak op bezwaar doet de rechtbank wat verweerder had moeten doen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het bezwaar ongegrond had moeten verklaren. Onderstaand legt zij uit waarom.\n\n9. Eiser had over het jaar 2021 huurtoeslag ontvangen. Dat hem over het jaar 2022 huurtoeslag is ontzegd, is volgens hem terug te voeren op verandering in de wetgeving die is gevolgd op het zogenaamde kerstarrest.Eiser heeft daarbij het oog op de Wet rechtsherstel box 3 (de Wet rechtsherstel). Deze wet regelt dat het box 3-inkomen wordt bepaald op de voet van de voor de belanghebbende meest gunstige van een van twee methodes; te weten die van de Wet IB 2001 en de alternatieve berekeningswijze waarin de Wet rechtsherstel voorziet.Dat aan eiser met de Beschikking huurtoeslag over 2022 is ontzegd, komt volgens hem doordat niet de voor hem meest gunstige van beide methoden is toegepast.\n\n10. Het standpunt van eiser berust op een misvatting. Dat hij wel over 2021 aanspraak had op huurtoeslag maar niet over 2022, wordt naar de overtuiging van de rechtbank erdoor veroorzaakt dat zijn vermogen in de loop van 2021 is toegenomen, waardoor hij per begin 2022 over een te groot vermogen beschikt om aanspraak te kunnen maken op bepaalde toeslagen. Dit wordt in de volgende twee overwegingen uitgelegd.\n\n11. In artikel 7, derde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (AWIR) is bepaald bij welk vermogen geen aanspraak (meer) kan worden gemaakt op bepaalde toeslagen. Deze bepaling is per 1 januari 2001 gewijzigd. Die wijzing heeft niet met de Wet rechtsherstel te maken, maar met de verhoging van het heffingvrije vermogen (artikel 5.5 Wet IB 2001).\n\nTot 1 januari 2021 bepaalde artikel 7, derde lid, van de AWIR dat geen recht op huurtoeslag bestond zodra over voordeel uit sparen en beleggen belasting werd geheven. Dat is het geval zodra het vermogen (de grondslag sparen en beleggen) uitgaat boven het heffingvrije vermogen. In 2020 bedroeg het heffingvrije vermogen € 30.846. Het komt er dus op neer dat zodra het vermogen uitging boven dat dat bedrag geen recht op huurtoeslag bestond.\n\nMet ingang van 1 januari 2001 heeft de wetgever het heffingvrije vermogen verhoogd, van € 30.846 in 2020 tot € 50.000 in 2021. Het effect daarvan zou zijn dat ineens aanspraak op huurtoeslag zou bestaan bij een vermogen van bijna € 20.000 méér. Dat heeft de wetgever niet gewild. Hij heeft daarom artikel 7, derde lid, van de AWIR gewijzigd; en wel zó dat niet langer bepalend is of belasting in box 3 wordt geheven, maar of het vermogen uitgaat boven een bedrag dat correspondeert met het heffingvrije vermogen naar het niveau van voor 2021. De verandering van dit artikellid strekte er dus toe, te voorkomen dat voor wat betreft de aanspraak op bepaalde toeslagen materieel iets zou veranderen.\n\n12. Voor het jaar 2022 is het in artikel 7, derde lid, van de AWIR genoemde bedrag vanaf wanneer geen recht meer bestaat op toeslagen gesteld op € 31.747.\n\nHet vermogen van eiser bestond per 1 januari 2022 voor € 9.220 uit effecten en voor € 84.073 uit een onroerende zaak, tot het bedrag van € 69.451 waren gefinancierd met leningen. De rendementsgrondslag van eiser was daarmee € 39.433, dus te veel om voor huurtoeslag in aanmerking te komen. Dat eiser in 2021 wel, maar in 2022 niet voor huurtoeslag in aanmerking komt, komt – zoals ter zitting is besproken – vrijwel zeker doordat de effecten en het vastgoed gedurende 2021 met ten minste € 7.591 in waarde zijn gestegen, waardoor het vermogen van eiser per 1 januari 2022 met dat bedrag boven de grens van artikel 7, derde lid, AWIR uitgaat.\n\n13. Dat in 2021 wel maar in 2022 geen recht op huurtoeslag bestond, kan in ieder geval niet worden verklaard door de Wet rechtsherstel en\u002Fof de manier waarop verweerder die heeft toegepast. Die wet regelt namelijk niets dat van invloed kan zijn op het recht op huurtoeslag.\n\n14. De Wet rechtsherstel regelt het volgende.\n\nHet belaste voordeel uit sparen en beleggen is het forfaitaire rendementspercentage, vermenigvuldigd met de grondslag sparen en beleggen.De grondslag sparen en beleggen is de rendementsgrondslag, voor zover deze uitgaat boven – of anders gezegd: verminderd met – het heffingvrije vermogen.De rendementsgrondslag is waarde van de bezittingen verminderd met de waarde van de schulden voor zover die schulden uitgaan boven de drempel van € 3.200.\n\nMet de Wet rechtsherstel beoogde de wetgever het box 3-stelsel in overeenstemming te brengen met het ‘kerstarrest’.Daartoe is een alternatieve methode geïntroduceerd voor de berekening van het voordeel uit sparen en beleggen, die alleen wordt toegepast als deze voor de belanghebbende gunstiger uitpakt dan de berekening volgens de Wet IB 2001 zelf.\n\nHet verschil tussen de alternatieve methode en die van de Wet IB 2001 is alleen gelegen in de hoogte van het forfaitaire rendement. De wet rechtsherstel laat de rendementsgrondslag geheel ongemoeid: ook bij toepassing van de alternatieve methode is de rendementsgrondslag het saldo van de bezittingen en de schulden.\n\n15. Dan komt de rechtbank nu toe aan de vraag of de Beschikking juist is. Daaromtrent overweegt zij als volgt.\n\nArtikel 7, derde lid, van de AWIR bepaalt voor het jaar 2022, voor zover relevant:\n\n“Indien in een inkomensafhankelijke regeling de aanspraak op een tegemoetkoming mede afhankelijk is gesteld van het vermogen, bestaat geen aanspraak op een tegemoetkoming, indien de rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001, van de belanghebbende aan het begin van het berekeningsjaar meer bedraagt dan € 31.747 (...)”\n\nVoor de vraag naar aanspraak op huurtoeslag komt het derhalve aan op de hoogte van de rendementsgrondslag.\n\nEiser heeft aangifte IB\u002FPVV gedaan naar een rendementsgrondslag van nihil, wat bij het vaststellen van de aanslag is overgenomen. De vaststelling in de Beschikking dat eiser geen aanspraak heeft op huurtoeslag bouwt daarop voort. Eiser heeft niet aangevoerd dat de rendementsgrondslag op een ander bedrag moet worden vastgesteld dan volgens zijn aangifte en de opgelegde aanslag IB\u002FPVV. De rechtbank beoordeelt de Beschikking daarom als juist.\n\n16. Eiser beroept zich subsidiair op het vertrouwen dat hij heeft ontleend, en stelt ook te hebben mogen ontlenen aan de navolgende mededelingen op de website van de Belastingdienst:\n\n“2 methodes om uw box 3-inkomen te berekenen\n\nDe oude methode gaat uit van een fictieve verdeling van vermogensbestanddelen.\n\nDe nieuwe methode berekenen we volgens het Rechtsherstel.\n\nOude methode box 3-inkomen – hoe werkt dat?\n\nVoor de jaren 2021 en 2022 berekenen wij uw box 3-inkomen met de oude en de nieuwe methode. Vervolgens passen wij de meest gunstige methode toe op uw definitieve aanslag\n\ninkomstenbelasting. Ook als u over de periode 2017-2022 rechtsherstel hebt gehad, passen wij de meest gunstige methode toe.\n\nDe basis is uw inkomen uit vermogen\n\nDe basis voor de oude methode is uw inkomen uit vermogen. Dit noemen wij de grondslag sparen en beleggen. Dat is de waarde van uw vermogen (uw bezittingen min uw schulden) min uw heffingsvrij vermogen. U gaat daarbij uit van de situatie op 1 januari van het jaar waarover u aangifte doet.”\n\nDeze passage kan naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs niet zo worden gelezen als eiser dat doet. Zijn beroep op het vertrouwensbeginsel faalt daarom.\n\nSlotsom\n\n17. Omdat verweerder het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard (zie r.o. 7), is het beroep gegrond en dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht aan hem te vergoeden. Omdat de Beschikking naar het oordeel van de rechtbank juist is (r.o. 8 tot en met 15) en het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel faalt (r.o. 16), verklaart de rechtbank het bezwaar ongegrond.\n\n18. Niet is gebleken dat eiser voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gehad. Daarom bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Pelinck, rechter, in aanwezigheid van mr. L.J.E. Steijvers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 september 2025.\n\nDe griffier is verhinderd te ondertekenen\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).\n\nDat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.\n\nVerder vermeldt u ten minste het volgende:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).\n\n Artikel 8a, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (AWIR).\n\n HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963.\n\n De Wet rechtsherstel box 3 is ingevoerd op 21 december 2022 en heeft terugwerkende kracht tot 1 januari 2017.\n\n Artikel 5.2, eerste lid, Wet IB 2001.\n\n Artikel 5.2, eerste lid, Wet IB 2001.\n\n Artikel 5.3, eerste lid en derde lid, letter f, Wet IB 2001; in zowel 2021 als 2022).\n\n Wat overigens niet is gelukt; zie HR 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:704 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fid20b946068984449ba7c944bd283450b1) en ECLI:NL:HR:2024:705 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fide9bd3d3e2a5b408796f3b52de4a8729f), alsmede HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:857 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fid20b946068984449ba7c944bd283450b1).\n\n Tekst 2022.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:28003","2026-06-10T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:29.290Z",{"id":91,"ecli":92,"slug":93,"caseNumber":43,"courtId":94,"decisionDate":95,"fullText":96,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":97,"sourceTimestamp":98,"parsedAt":51,"updatedAt":99},"1388","ECLI:NL:GHAMS:2025:1037","ecli-nl-ghams-2025-1037",56,"2025-03-27T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nkenmerken 23\u002F430 en 23\u002F431\n\n27 maart 2025\n\nuitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer\n\nop het hoger beroep van\n\n [X] ,wonende te [Z] , belanghebbende,\n\n(gemachtigde: mr. K.H. Zonneveld)\n\ntegen de uitspraak van 14 april 2023 in de zaken met kenmerken HAA 21\u002F5857 en HAA 21\u002F5860 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen\n\nbelanghebbende\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst,de inspecteur.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.1.. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2017 een aanslag inkomstenbelasting\u002Fpremie volksverzekeringen (hierna: IB\u002FPVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 115.116. Daarbij is aan belanghebbende een verzuimboete opgelegd van € 369 en een bedrag aan belastingrente in rekening gebracht van € 2.396.\n\n1.1.2.. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2017 een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 53.701. Daarbij is aan belanghebbende een bedrag aan belastingrente in rekening gebracht van € 63.\n\n1.2.. Bij uitspraak op bezwaar van 28 september 2021 heeft de inspecteur het bezwaar tegen de aanslagen ongegrond verklaard.\n\n1.3.. \n\nTegen de uitspraak op bezwaar heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij uitspraak van 14 april 2023 heeft de rechtbank als volgt op het beroep beslist (belanghebbende en de inspecteur worden in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ‘eiser’ respectievelijk ‘verweerder’) :\n\n “De rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover die betrekking heeft op de boete;\n\n- vermindert de boete tot € 313,65; en\n\n- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de uitspraak op bezwaar.”1.4.. Het tegen de uitspraak van de rechtbank door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 17 mei 2023 en nader gemotiveerd bij brief van 5 juli 2023. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.1.5.. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2024. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. De rechtbank heeft in haar uitspraak de volgende feiten vastgesteld:\n\n“1. Verweerder heeft eiser bij brieven uitgenodigd op 20 februari 2018, herinnerd op 8 juni 2018 en aangemaand op 10 juli 2018, om aangifte IB\u002FPVV voor het jaar 2017 te doen. Eiser heeft geen aangifte IB\u002FPVV voor het jaar 2017 ingediend.\n\n2. Op 26 januari 2018 heeft de rechtbank Oost-Brabant vonnis gewezen en eiser veroordeeld. Het vonnis luidt – voor zover hier van belang – als volgt:\n\n“DE UITSPRAAK\n\nDe rechtbank,\n\n[…]\n\nVerklaart dat het bewezen verklaarde oplevert de misdrijven:\n\nfeit 1:\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd niet het in artikel 2 aanhef en onder C, van de\n\nOpiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.\n\nfeit 2:\n\nhandelen in strijd mei artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan niet betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd\n\nen\n\nhandelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, meermalen\n\ngepleegd (munitie).\n\nfeit 3:\n\nmedeplegen van een feit, bedoeld in hei vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,\n\nvoor te bereiden of te bevorderen, door voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd.\n\nfeit 4:\n\nwitwassen.\n\nVerklaart verdachte hiervoor strafbaar\n\nLegt op de volgende straf.\n\nGevangenisstraf voor de duur van 54 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.\n\nLegt op de volgende maatregel.\n\nOnttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen goederen, te weten: de voorwerpen\n\nvermeld onder de nummers 7 tot en met 29 in de bij dit vonnis gevoegde bijlage “lijst van\n\ninbeslaggenomen voorwerpen”.\n\nLegt op de volgende bijkomende straf.\n\nVerbeurdverklaring van de inbeslaggenomen goederen, te weten: de voorwerpen vermeld\n\nonder de nummers 1 tot en met 6 in de bij dit vonnis gevoegde bijlage “lijst van\n\ninbeslaggenomen voorwerpen”.”\n\n3. Tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant is eiser niet in hoger beroep gegaan.\n\n4. Verweerder heeft met dagtekening 18 september 2018 een ambtshalve aanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2017 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 115.116 en bij gelijktijdige beschikkingen een verzuimboete opgelegd en belastingrente in rekening gebracht. Met dagtekening 5 september 2018 heeft verweerder ook een aanslag Zvw voor het jaar 2017 opgelegd naar het maximum bijdrage-inkomen van € 53.701 en bij gelijktijdige beschikking belastingrente in rekening gebracht.\n\n5. Zoals verweerder aan eiser in zijn brief van 28 augustus 2019 schriftelijk heeft toegelicht, is het belastbaar inkomen in de aanslag IB\u002FPVV 2017 als volgt opgebouwd:\n\nLooninkomsten [bedrijf] BV € 31.802\n\nNegatief netto te besteden bedrag € 89.574\n\nKosten levensonderhoud € 5.608\n\nInkomsten Eigen woning € 600\n\nBetaalde hypotheekrente € 12.468-\u002F-\n\nVerzamelinkomen werk en woning (box 1) € 115.116\n\n6. Om het belastbare inkomen ambtshalve vast te stellen heeft verweerder een vermogensvergelijking opgesteld en daarbij gebruik gemaakt van de feiten uit het vonnis van de Rechtbank Oost-Brabant. In de vermogensvergelijking zijn de aankoop van de auto (€ 19.500) en het contante geld meegenomen, waarbij verweerder (abusievelijk) is uitgegaan van € 56.065 in plaats van € 59.065.”\n\n2.2.. Evenals partijen gaat het Hof ook uit van deze feiten.\n\n3. Geschil in hoger beroep\n\n3.1.. In hoger beroep is, evenals in beroep, in geschil of de aanslag IB\u002FPVV 2017, de beschikking belastingrente en de verzuimboete naar te hoge bedragen zijn vastgesteld.\n\n3.2.. Meer specifiek is in geschil of de waarde van verbeurdverklaarde goederen ten laste van het resultaat uit overige werkzaamheden kan worden gebracht.\n\n3.3.. De aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zvw is niet meer in geschil.\n\n4. Overwegingen van de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft in haar uitspraak het volgende overwogen en beslist:\n\n“Omkering van de bewijslast\n\n11. In artikel 27e, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) is bepaald – voor zover van belang – dat indien de vereiste aangifte niet is gedaan het beroep ongegrond wordt verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is (“omkering en verzwaring van de bewijslast”).\n\n12. De vereiste aangifte is onder meer niet gedaan indien de belastingplichtige die is uitgenodigd tot het doen van aangifte, de daarbij gestelde termijn ongebruikt heeft laten verstrijken en ook geen gebruik heeft gemaakt van de hem op de voet van artikel 9, derde lid, van de AWR geboden gelegenheid om aangifte te doen binnen een door de inspecteur bij aanmaning gestelde termijn.\n\n13. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de omkering en verzwaring van de bewijslast geldt, nu eiser voor het jaar 2017 geen aangifte heeft ingediend terwijl hij daartoe wel op juiste wijze is uitgenodigd en aangemaand. Eiser betwist niet dat hij niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Daarmee staat vast dat eiser niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Er is derhalve sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast.\n\nRedelijke schatting en de verzwaarde bewijslast\n\n14. Als sprake is van omkering van de bewijslast, heeft de rechter te beoordelen (i) of sprake is van een redelijke – niet willekeurige – schatting door verweerder, en, zo ja, (ii) of eiser heeft doen blijken dat en in hoeverre de aanslagen, zoals die luiden na de uitspraken op bezwaar, onjuist zijn.\n\n15. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder bij het opleggen van de aanslagen uitgegaan van een redelijke, niet willekeurige schatting. De rechtbank neemt daarbij het volgende in aanmerking. Gelet op de stukken van het geding, in het bijzonder de uitspraak van Rechtbank Oost-Brabant, acht de rechtbank het aannemelijk dat eiser inkomen heeft genoten uit overige werkzaamheden (door zijn betrokkenheid bij de vervaardiging van synthetische drugs). Dit wordt als zodanig door eiser ook niet bestreden. Verweerder heeft de schatting van het inkomen gebaseerd op een door hem opgestelde vermogensvergelijking waarbij onder andere de in het huis aanwezige contante gelden van eiser zijn meegenomen en de aankoop van de auto (zie onder 6), en waaruit voortvloeit dat het privé-inkomen van eiser in het onderhavige jaar negatief was. De rechtbank acht deze schatting redelijk. De omstandigheid dat de schatting mede berust op aannames, maakt niet dat de schatting onredelijk wordt. Immers, er is sprake van een schatting omdat geen inzicht is gegeven in de daadwerkelijk gegenereerde inkomsten.\n\n16. Op eiser rust dan de last te doen blijken dat het geschatte inkomen onjuist is. Eiser is, met hetgeen hij heeft aangevoerd, naar het oordeel van de rechtbank niet erin geslaagd om te doen blijken dat het belastbaar inkomen uit werk en woning tot een te hoog bedrag is vastgesteld. De rechtbank neemt daarbij het volgende in aanmerking.\n\n17. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat ontneming bij hem heeft plaatsgevonden door middel van verbeurdverklaring en dat cumulatie van de belastingheffing en de verbeurdverklaring van de auto en het contante geldbedrag op grond van het Protocol AAFD niet is toegestaan. Deze stelling faalt. De rechtbank neemt daarbij het volgende in aanmerking.\n\n18. In het Protocol AAFD, nr. BLKB\u002F2015\u002F572M, is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:\n\n“4. Afstemming inzake voordeelsontneming\n\nDit protocol ziet primair op de afstemming tussen Belastingdienst en OM over (voorkoming van) samenloop tussen bestuursrechtelijke en strafrechtelijke afdoening. Een vergelijkbare vorm van cumulatie doet zich voor bij het ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel. In artikel 74 AWR is al voorzien in een eenduidige anticumulatiebepaling bij ontneming inzake bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten. Voor ontneming inzake andere delicten is echter geen vergelijkbare regeling getroffen. Vandaar dat het in die gevallen noodzakelijk is dat de Belastingdienst en het OM de handhavingsinspanningen op elkaar afstemmen.\n\nHet afpakken van crimineel vermogen is een waardevol middel in de bestrijding van criminaliteit. Het OM heeft regels vastgesteld voor het strafrechtelijk afpakken van financiële opbrengsten uit criminele activiteiten1. Onderdeel van die regels is onder meer dat afstemming plaatsvindt met de Belastingdienst. In het maatschappelijk verkeer genoten voordelen leiden immers in beginsel tot belastingheffing. Dat is niet anders als de voordelen wederrechtelijk zijn verkregen. Voorkomen moet worden dat de belastingheffing ter zake van wederrechtelijk verkregen voordelen en de strafrechtelijke ontneming van die voordelen op een ongewenste wijze op elkaar inwerken. Daarom is met het OM afgesproken dat de Belastingdienst de strafrechtelijke sanctionering en ontneming van wederrechtelijk verkregen voordelen zo min mogelijk belemmert.\n\nOm te voorkomen dat de verdachte\u002Fveroordeelde nadat hem een ontnemingsmaatregel is opgelegd, of met hem een schikking of transactie met een ontnemingscomponent is getroffen, ook nog wordt geconfronteerd met belastingheffing over het wederrechtelijk verkregen voordeel, stemt het OM het voornemen tot ontnemen af met de Belastingdienst wanneer het geschatte voordeel ten minste € 5.000 bedraagt.”\n\n19. In de wetsgeschiedenis is in Kamerstukken 1988\u002F89, 20 857, nr. 6 – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:\n\n“Verbeurdverklaringen en dergelijke\n\nVoor zover verbeurdverklaringen, onttrekkingen aan het verkeer en ontnemingen van wederrechtelijk verkregen voordelen een heel ander oogmerk hebben dan geldboeten, achten de leden van de P.v.d.A.-fractie het begrijpelijk dat deze regelingen buiten de werkingssfeer van het wetsvoorstel blijven. Deze leden spreken echter hun twijfel uit over het buiten aanmerking laten van «bijkomende straffen waarvan het praktisch belang in de regel aanzienlijk geringer is dan dat van de geldboete». Zij menen dat het praktisch belang van verbeurdverklaringen niet zo gering is als in de memorie van toelichting wordt verondersteld.\n\nIn dit kader willen wij vooreerst het volgende opmerken. In het strafrecht wordt onderscheid gemaakt tussen hoofdstraffen, bijkomende straffen en maatregelen. Zijn de hoofdstraffen, waaronder de geldboete, en in wat mindere mate ook de bijkomende straffen in de eerste plaats gericht op leedtoevoeging, voor de maatregelen, waaronder de onttrekking aan het verkeer en de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, is dit niet het geval. Het oogmerk is hier niet leedtoevoeging, doch het beschermen van de maatschappij, in casu tegen het ongecontroleerde bezit van bepaalde voorwerpen of door het inhoud geven aan de zienswijze dat misdaad niet behoort te lonen. Dit geheel andere oogmerk verklaart waarom de genoemde maatregelen buiten de voorgestelde regeling zijn gehouden. Het verheugt ons dat de leden van de P.v.d.A.-fractie zich met deze keuze kunnen verenigen.\n\nReagerend op een nadere vraag van deze leden merken wij op, dat ook in economisch opzicht verschil valt te constateren tussen de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de geldboete. De ontneming brengt de veroordeelde terug in de uitgangspositie van vóór het delict, de geldboete zet de veroordeelde nog een stap verder terug. Ook in ander opzicht is er economisch verschil: door de ontneming verliest de veroordeelde rechtstreeks zijn voordeel van het delict, welke opbrengst, indien deze als inkomsten of als winst kan worden aangemerkt, aan belastingheffing is onderworpen. Bij een geldboete is dit rechtstreekse verband, het terugdraaien van het voordeel, afwezig en gaat het, zoals gezegd, om leedtoevoeging ter zake van het delict. Ook daarom achten wij het wenselijk de ontneming van het wederrechtelijk verkregen, aan de belastingheffing onderworpen, voordeel aftrekbaar te laten blijven en op dit uitgangspunt - door het stellen van extra voorwaarden - geen uitzondering te maken.\n\nBij de verbeurdverklaring van bepaalde voorwerpen gaat het niet om een maatregel, maar om een bijkomende straf die in een aantal opzichten vergelijkbaar is met de geldboete. Dit neemt niet weg dat het strafkarakter van de verbeurdverklaring in de praktijk niet steeds op de voorgrond treedt. Voor een deel valt dit te verklaren uit het feit dat bepaalde voorwerpen zowel vatbaar kunnen zijn voor verbeurdverklaring als voor onttrekking aan het verkeer. Dit volgt uit de omschrijving van de wettelijke voorwaarden in de artikelen 33a en 36c van het Wetboek van Strafrecht. De keuze van de rechter is op dit punt dan ook niet steeds voorspelbaar. Ook de wetgever heeft het onderscheid tussen beide sancties niet steeds scherp in het oog gehouden. Zo wordt in artikel 13a van de Opiumwet bepaald, dat de in die wet bedoelde middelen steeds verbeurd of aan het verkeer onttrokken dienen te worden verklaard. Daarnaast voorziet artikel 214bis van het Wetboek van Strafrecht in de verbeurdverklaring van valse munten of aanplakbiljetten en van voorwerpen die naar hun aard bestemd zijn tot het vervaardigen daarvan.\n\nEen tweede reden waarom de verbeurdverklaring in de meeste gevallen niet als straf wordt ervaren, houdt verband met het feit dat deze sanctie vaak wordt toegepast op voorwerpen van geringe waarde, zoals het gereedschap dat bij een inbreker wordt aangetroffen. Hierop wordt gedoeld in de memorie van toelichting met de opmerking dat het praktische belang van deze bijkomende straf in de regel aanzienlijk geringer is dan dat van de geldboete. Wij geven echter toe dat er uitzonderingen zijn waarbij de verbeurd verklaarde voorwerpen wel een zekere waarde vertegenwoordigen en waarbij soms de verbeurdverklaring qua strekking parallel loopt met de maatregel van ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Daarnaast heeft de rechter de mogelijkheid om een vergoeding toe te kennen, voor zover de verbeurd verklaarde voorwerpen een bepaalde waarde te boven gaan of voor zover dit nodig is om te voorkomen dat de betrokkene door de verbeurdverklaring onevenredig zou worden getroffen. Ten slotte is het denkbaar dat een zekere compensatie wordt verleend bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen geldboete.\n\nDe in het voorgaande bedoelde factoren, te weten het in de praktijk niet steeds duidelijke onderscheid tussen verbeurdverklaringen, onttrekkingen aan het verkeer en ontnemingen van wederrechtelijk verkregen voordelen, de meestal geringe waarde van de verbeurd verklaarde voorwerpen en het overigens veelal ontbreken van een duidelijke waardebepaling van die voorwerpen, hebben ons er toe gebracht, met het oog op een voor de uitvoeringspraktijk begrijpelijke en hanteerbare oplossing, ook de verbeurdverklaringen buiten de voorgestelde regeling te laten. Daarbij zijn wij ons er van bewust dat daardoor in bepaalde gevallen de mogelijkheid van de fiscale aftrek van een als straf bedoelde sanctie blijft bestaan. Al met al achten wij deze uitkomst echter verantwoord.\n\nOnze reactie op de door de leden van de P.v.d.A. fractie aangehaalde conclusie van prof. [Persoon] (WFR nr. 5844, blz. 1427) plaatsen wij uitdrukkelijk in dit perspectief. Deze conclusie behoeft in het licht van het bovenstaande enige relativering, ook al omdat een geldboete te allen tijde kan worden opgelegd en een verbeurdverklaring alleen in bepaalde gevallen mogelijk is. Voor een betekenende vorm van rechtsongelijkheid behoeft dan ook niet te worden gevreesd.”\n\n20. De rechtbank is – met verweerder – van oordeel dat het Protocol AAFD slechts van toepassing is in gevallen van ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. In het geval van eiser is daarvan geen sprake, nu de auto en het contante geld van eiser verbeurd zijn verklaard. In de door eiser aangehaalde wetsgeschiedenis en ook overigens ziet de rechtbank geen reden om anders te oordelen. In de wetgeschiedenis komt naar het oordeel van de rechtbank naar voren dat de verbeurdverklaring qua karakter wezenlijk verschilt van de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, waarbij de verbeurdverklaring meer vergelijkbaar is met een geldboete. Nu een verbeurdverklaring, evenals een geldboete, het privévermogen van de schuldige raakt verschilt ze daarin wezenlijk van de in het Protocol AAFD bedoelde ontneming. Verweerder heeft terecht de verbeurdverklaring van het geldbedrag en de auto niet in aftrek toegestaan. De aanslagen zijn derhalve niet tot een te hoog bedrag opgelegd.\n\nGelijkheidsbeginsel (discriminatieverbod)\n\n21. De rechtbank begrijpt het betoog van eiser zo, dat hij stelt dat hij gediscrimineerd wordt, omdat verweerder geen aftrek van kosten heeft toegestaan voor de verbeurd verklaarde auto en het contante geld, terwijl in gevallen van ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, belastingplichtigen wel de kosten mogen aftrekken in hun aangifte IB\u002FPVV.\n\n22. Bij de beantwoording van de vraag of een nationale wettelijke regeling in strijd komt met het in het artikel 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) neergelegde discriminatieverbod, moet worden vooropgesteld dat die bepalingen niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen verbieden, doch alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd omdat een redelijke en objectieve rechtvaardiging voor die ongelijke behandeling ontbreekt (zie Hoge Raad 10 augustus 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4768). Voorts geldt als uitgangspunt dat aan de wetgever in fiscale zaken een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij de beantwoording van de vragen of gevallen voor de toepassing van de Wet IB 2001 als gelijk moeten worden beschouwd en, zo ja, of er een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om gelijke gevallen niettemin in verschillende zin te regelen. Uit een en ander volgt dat het oordeel van de nationale wetgever dient te worden geëerbiedigd, tenzij dat van een redelijke grond ontbloot is.\n\n23. Voor zover al sprake is van gelijke gevallen en een ongelijke behandeling, heeft eiser onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die kunnen leiden tot het oordeel dat de regelgeving met betrekking tot de van de winst in aftrek uitgesloten kosten (artikel 3.14 Wet IB 2001) evident van redelijke grond ontbloot is. De wettelijke regeling maakt dat de aftrek van kosten die verband houden met een misdrijf, slechts niet is uitgesloten in gevallen van ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, terwijl voor verbeurdverklaring niet een dergelijke regeling bestaat. Dit acht de rechtbank, mede gelet op het onder 20 bepaalde, op zich niet evident onredelijk. Een schending van het artikel 14 EVRM doet zich derhalve in het geval van eiser niet voor.\n\nBelastingrente en boete\n\n24. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de beschikkingen belastingrente en op de boetebeschikking. Eiser heeft tegen deze beschikkingen geen zelfstandige gronden aangevoerd. Het is de rechtbank overigens ook niet gebleken dat de bepalingen met betrekking tot de belastingrente en verzuimboete onjuist zijn toegepast.\n\n25. Naar het oordeel van de rechtbank is de verzuimboete terecht opgelegd, omdat vaststaat dat de vereiste aangifte niet binnen de door de inspecteur gestelde termijn is gedaan. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van afwezigheid van alle schuld. De rechtbank is voorts van oordeel dat de verzuimboete passend en geboden is.\n\n26. Wel vormt de duur van de procedure voor de rechtbank aanleiding tot matiging van de boete, omdat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak in eerste feitelijke instantie. De rechtbank stelt vast dat 18 september 2019 geldt als aanvangsmoment van de redelijke termijn, omdat de boete op dat moment is opgelegd en niet eerder is aangekondigd. De rechtbank doet uitspraak op 18 april 2023. Sinds de aankondiging van de boete zijn dan (afgerond) 44 maanden verstreken. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn van twee jaar is overschreden met 20 maanden. Volgens vaste jurisprudentie dient de boete bij een dergelijke overschrijding te worden verlaagd met 15% (zie met name Gerechtshof Amsterdam 2 juli 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1298, r.o. 5.7.3.7). De rechtbank zal de boete daarom vaststellen op € 369 x 85% = € 313,65‬. Omdat dit een ambtshalve vermindering is, leidt dit niet tot een gegrondverklaring van het beroep en evenmin tot een proceskostenvergoeding. Voor een verdere matiging van de boete ziet de rechtbank geen aanleiding.\n\nConclusie\n\n27. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.\n\nProceskosten\n\n28. Omdat de beroepen ongegrond zijn, bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding. Omdat de matiging van de boete ambtshalve heeft plaatsgevonden, krijgt eiser ook het griffierecht niet terug.”\n\n5. Beoordeling van het geschil\n\n5.1.. Het Hof verenigt zich met de hiervoor weergegeven beslissingen van de rechtbank en maakt deze beslissingen en de gronden waarop deze beslissingen berusten (rechtsoverweging 11 tot en met 28) tot de zijne. Naar aanleiding van hetgeen belanghebbende in hoger beroep heeft aangevoerd, overweegt het Hof voorts als volgt.\n\n5.2.1. Ten aanzien van de beoordeling van de door de inspecteur gemaakt schatting wijst het Hof nog op het arrest van de Hoge Raad van 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1311), waarin is overwogen:\n\n“2.4 In een geval als het onderhavige, waarin niet in geschil is dat de bewijslast is omgekeerd en verzwaard, is uitgangspunt dat de berekening van het nagevorderde bedrag jegens de belanghebbende redelijk en dus niet willekeurig behoort te zijn. Voor de beoordeling of aan deze maatstaf wordt voldaan dient mede in aanmerking te worden genomen in hoeverre de inspecteur beschikt over gegevens voor het opleggen van een (navorderings)aanslag en in hoeverre ervan mag worden uitgegaan dat de belastingplichtige in staat is opening van zaken te geven. (Vgl. HR 15 april 2011, nr. 09\u002F03075, ECLI:NL:HR:2011:BN6324, BNB 2011\u002F206, rechtsoverweging 4.4.3).\n\nDaarvan uitgaande zal de inspecteur op basis van de feiten en omstandigheden van het geval aanknopingspunten dienen te verschaffen waaruit is af te leiden dat zijn berekening of schatting van de aanslag niet onredelijk en dus niet willekeurig is.\n\nDoor belanghebbende is geen inzicht gegeven in de daadwerkelijk door hem gegenereerde inkomsten terwijl zonder nadere toereikende toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien waarom belanghebbende niet meer inzicht daarin heeft kunnen verschaffen.\n\nHet Hof is dan ook in de onderhavige situatie, met de rechtbank, van oordeel dat de inspecteur met de doorlopende vermogensopstelling die hij bij zijn verweerschrift in eerste aanleg heeft overgelegd (bijlage 7, pagina’s 4 en 5) en zijn toelichting hierop ter zitting van het Hof, aannemelijk heeft gemaakt dat zijn schatting van het door belanghebbende genoten inkomen uit overige werkzaamheden redelijk en dus niet willekeurig is. Daarbij merkt het Hof nog op dat lang niet alle inbeslaggenomen (en verbeurdverklaarde) goederen (welke ook een waarde vertegenwoordigen) - zoals verschillende wapens en horloges van het merk [naam] – als benoemde posten zijn meegenomen in de berekening van de inspecteur terwijl dat zeer wel mogelijk was geweest.\n\n5.2.2.. Het geschil tussen partijen spitst zich vervolgens toe op de vraag of op het resultaat uit overige werkzaamheden van € 89.574 een bedrag van € 75.565 (of € 78.565 indien wordt uitgegaan van € 59.065 aan contanten; zie rechtsoverweging 6 van de uitspraak van de rechtbank) in mindering mag worden gebracht in verband met verbeurdverklaring van inbeslaggenomen goederen (de inspecteur heeft € 56.065 aan contanten in aanmerking genomen en een auto met een aanschafwaarde van € 19.500).\n\n5.3.. Belanghebbende herhaalt in hoger beroep zijn standpunt dat de aftrekbeperking van artikel 3.14, eerste lid, onder d, van de Wet IB 2001 niet op hem van toepassing is. In dit kader verwijst hij naar het op 4 oktober 2024 gepubliceerde kennisgroepstandpunt “Verbeurdverklaring en artikel 3.14 Wet IB 2001” van de Belastingdienst (KG: 213:2024:6) waarin wordt ingegaan op de verruiming van de mogelijkheid tot verbeurdverklaring in het Wetboek van Strafrecht sinds 2011, waardoor ook vervolgprofijt als verbeurdverklaring kan worden ontnomen. Volgens belanghebbende betreft de verbeurdverklaring van de contanten en de auto een vervolgprofijt en de facto een ontneming, waarvoor de aftrekbeperking niet geldt (artikel 3.14, derde lid, onder a, Wet IB 2001). Bij het opleggen van de aanslag zou het vonnis van de strafrechter niet gevolgd moeten worden, als verbeurdverklaring en ontneming hetzelfde resultaat hebben, aldus belanghebbende.\n\n5.4.. Het Hof volgt belanghebbende niet in zijn lezing van voornoemd kennisgroepstandpunt en de conclusies die hij daaraan verbindt. Gelet op het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant (2.1, punt 2) en de eis van de Officier van Justitie was het, zoals de inspecteur ter zitting van het Hof ook heeft verklaard, een bewuste keuze om naast de onttrekking van bepaalde inbeslaggenomen goederen verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen auto, contanten en horloges te vorderen. Van deze feiten dient bij het opleggen van de aanslag niet te worden afgeweken. Uitgaande van de misdrijven waarvoor belanghebbende onherroepelijk is veroordeeld en de door de strafrechter opgelegde bijkomende straf in de vorm van verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen goederen, bestaat derhalve geen recht op aftrek van kosten en lasten in de zin van artikel 3.14 Wet IB 2001.\n\n5.5.. \n\nMet betrekking tot het betoog van belanghebbende dat sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel overweegt het Hof als volgt. Zoals het Hof hiervoor heeft geoordeeld, volgt uit toepassing van artikel 3.14 van de Wet IB 2001 dat geen recht op aftrek bestaat van een bedrag van € 75.565 (dan wel € 78.565) in verband met verbeurdverklaarde goederen. De aanslag die de inspecteur aan belanghebbende heeft opgelegd, is een gebonden beschikking waarbij de inspecteur geen discretionaire bevoegdheid heeft om af te wijken van de wetstoepassing. Gelet op het grondwettelijke toetsingsverbod mag het Hof artikel 3.14 van de Wet IB 2001 – een wet in formele zin – niet aan het evenredigheidsbeginsel toetsen (vgl. Hoge Raad 6 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1371). In een dergelijk geval kan het Hof de juiste toepassing van artikel 3.14 van de Wet IB 2001 op grond van het evenredigheidsbeginsel alleen achterwege te laten indien sprake is van een door de wetgever in zijn afweging niet (volledig) verdisconteerde bijzondere omstandigheid (vgl. Raad van State 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772 en Hoge Raad 6 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1371). Daarvan is naar het oordeel van het Hof in het onderhavige geval geen sprake.\n\nUit de parlementaire behandeling volgt dat de wetgever de door belanghebbende aangevoerde belangen die zijn gemoeid met het onderscheid tussen de aftrekbaarheid inzake de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aan de ene kant en de uitsluiting van aftrek inzake verbeurdverklaringen aan de andere, wel degelijk heeft meegewogen (zie onderdeel 19 van de uitspraak van de rechtbank). Daarbij heeft de wetgever het bedoelde onderscheid bij de vormgeving van de aftrekbeperking van artikel 3.14 van de Wet IB 2001 verantwoord door te wijzen op het verschil in doel: leedtoevoeging ter zake het delict onderscheidenlijk het terugbrengen in de uitgangspositie van voor het delict. Hij heeft beoogd de invulling van het voorgaande in het strafrecht ook voor de belastingheffing tot uitgangspunt te maken. De wetgever heeft daarbij onder ogen gezien dat het doel van leedtoevoeging zich bij verbeurdverklaringen soms minder doet gevoelen. Niettemin heeft de wetgever – mede met het oog op hanteerbaarheid voor de uitvoering – hierin geen aanleiding gezien het bedoelde onderscheid te verlaten.\n\nIn licht van het voorgaande is er naar het oordeel van het Hof in het onderhavige geval van een rechtens te honoreren schending van het evenredigheidsbeginsel geen sprake.\n\n5.6.. Het Hof volgt belanghebbende niet in zijn beroep op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM aangezien het door de wetgever geformuleerde aftrekbeperking valt binnen de zijn ruime beoordelingsmarge (‘wide margin of appreciation’) die geldt voor wetgeving op het gebied van belastingheffing. Daarnaast wijst het Hof in dit kader op hetgeen de rechtbank ten aanzien van het discriminatieverbod heeft geoordeeld (rechtsoverweging 21 tot en met 23).\n\n5.7.. Omdat de boete minder bedraagt dan € 1.000 zal het Hof, ondanks de overschrijding van de redelijke termijn met meer dan twee jaar vanaf de aankondiging van de boete, deze niet verder verminderen en blijft het aldus bij de constatering dat de redelijke termijn is overschreden (vgl. Hof Amsterdam 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297).\n\n5.8.. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.\n\n6. Kosten\n\nHet Hof vindt geen aanleiding de inspecteur op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende.\n\n7. Beslissing\n\nHet Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.\n\nDe uitspraak is gedaan door mrs. J-P.R. van den Berg, voorzitter, M.J. Leijdekker en A.M. van Amsterdam, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. I.A. Kranenburg als griffier. De beslissing is op 27 maart 2025 in het openbaar uitgesproken.\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\n1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;\n\n2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\n3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\n a. de naam en het adres van de indiener;\n\n b. de dagtekening;\n\n c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\n d. de gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.\n\nToelichting rechtsmiddelverwijzing\n\nPer 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.\n\nDigitaal procederen\n\nHet webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u opwww.hogeraad.nl.\n\nNiet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.\n\nPer post procederen\n\nAlleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.\n\nEen afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2025:1037","2025-04-22T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:19.283Z",{"id":101,"ecli":102,"slug":103,"caseNumber":43,"courtId":104,"decisionDate":105,"fullText":106,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":107,"sourceTimestamp":105,"parsedAt":51,"updatedAt":108},"1060","ECLI:NL:RBZWB:2025:1528","ecli-nl-rbzwb-2025-1528",64,"2025-03-17T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBelastingrecht\n\nzaaknummers: BRE 23\u002F3556, 23\u002F3557 en 23\u002F3558\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 maart 2025 in de zaken tussen\n \n [belanghebbende] , uit [plaats 1] , belanghebbende,\n\n(gemachtigde: mr. M.C.J. Schoenmakers),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 14 juni 2023.\n\n1.1.. De inspecteur heeft aan belanghebbende navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) over het jaar 2017 aan belanghebbende opgelegd. Daarnaast heeft de inspecteur een aanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2019 aan belanghebbende opgelegd. Bij gelijktijdig met de (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV 2017 en 2019 genomen beschikkingen heeft de inspecteur boetes aan belanghebbende opgenomen. Verder heeft de inspecteur bij gelijktijdig met de (navorderings)aanslagen genomen beschikkingen belastingrente aan belanghebbende in rekening gebracht. Het voorgaande kan als volgt worden weergegeven:\n\nJaar\n\nSoort\n\nDagtekening\n\nAanslagnummer\n\nBelasting\n\nBoete\n\nRente\n\n2017\n\nIB\u002FPVV\n\n11 mei 2022\n\n [BSN] .H.77.01\n\n€ 5.599\n\n€ 2.799\n\n€ 828\n\n2017\n\nZvw\n\n11 mei 2022\n\n [BSN] .W.77.01.4\n\n€ 1.526\n\n-\n\n€ 225\n\n2019\n\nIB\u002FPVV\n\n10 mei 2022\n\n [BSN] .H.96.01\n\n€ 100.991\n\n€ 50.495\n\n€ 1\n\n1.2.. De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende tegen de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2017 en 2019, de navorderingsaanslag Zvw 2017 en de bijbehorende boete- en belastingrentebeschikkingen gegrond verklaard en deze verminderd tot de volgende bedragen:\n\nJaar\n\nSoort\n\nDagtekening\n\nAanslagnummer\n\nBelasting\n\nBoete\n\nRente\n\n2017\n\nIB\u002FPVV\n\n11 mei 2022\n\n [BSN] .H.77.01\n\n€ 4.455\n\n€ 1.782\n\n€ 658\n\n2017\n\nZvw\n\n11 mei 2022\n\n [BSN] .W.77.01.4\n\n€ 1.390\n\n-\n\n€ 204\n\n2019\n\nIB\u002FPVV\n\n10 mei 2022\n\n [BSN] .H.96.01\n\n€ 100.164\n\n€ 40.065\n\n€ 0\n\n1.3.. De rechtbank heeft de beroepen op 6 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde, en namens de inspecteur drs. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt of de (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV 2017 en 2019, de navorderingsaanslag Zvw 2017, en de bijbehorende boete- en belastingrentebeschikkingen terecht en tot de juiste bedragen aan belanghebbende zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n2.1.. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV 2017 en 2019, de navorderingsaanslag Zvw 2017, en de bijbehorende belastingrentebeschikkingen terecht en tot de juiste bedragen aan belanghebbende opgelegd. Ook de boetes bij de (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV 2017 en 2019 zijn terecht aan belanghebbende opgelegd.De boetes moeten wel worden verminderd in verband met ‘undue delay’. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nFeiten\n\n3. Belanghebbende heeft in 2017 en in 2019 geen fiscaal partner. Belanghebbende staat sinds 6 april 2011 in de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven op het [adres 1] te [plaats 1] .\n\n3.1.. Belanghebbende drijft sinds 1 juli 2017 een onderneming in de vorm van een eenmanszaak onder de naam [naam bedrijf] . De activiteiten van de eenmanszaak bestaan – kort gezegd – uit het drijven van een autohandel.\n\n3.2.. Belanghebbende huurt een gedeelte van een loods aan [adres 2] te [plaats 2] , alwaar hij zijn autohandel drijft. Verder beschikt belanghebbende samen met zijn vader over een woning [in land] .\n\nVoorafgaand3.3.. Belanghebbende is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand tot het doen van aangifte IB\u002FPVV voor het jaar 2017. De aanmaningstermijn eindigde op 27 juli 2018.\n\n3.4.. Belanghebbende heeft op 26 maart 2019 een aangifte IB\u002FPVV voor het jaar 2017 ingediend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 573. De aanslag IB\u002FPVV 2017 is – overeenkomstig de aangifte – vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 573. De aanslag Zvw 2017 is vastgesteld naar een bijdrage-inkomen van nihil.\n\n3.5.. Belanghebbende is uitgenodigd tot het doen van aangifte IB\u002FPVV voor het jaar 2019. Belanghebbende heeft op 30 april 2020 een aangifte IB\u002FPVV 2019 ingediend naar een verzamelinkomen van nihil.\n\nStrafrechtelijk onderzoek3.6.. Op 31 januari 2019 is een strafrechtelijk onderzoek onder de naam ‘Exeter’ gestart naar onder meer belanghebbende vanwege grootschalige import van en handel in cocaïne.\n\n3.7.. Op 23 april 2019 heeft door de politie een doorzoeking van de loods in [plaats 2] plaatsgevonden. Op een aantal niet direct zichtbare plaatsen in de loods zijn door de politie onder meer blokken cocaïne, hoeveelheden hennep en een hoeveelheid hasjiesj aangetroffen. Daarnaast is door de politie in de loods een kluis met daarin drie vuurwapens en munitie aangetroffen.\n\n3.8.. Op 24 april 2019 is de woning aan de [adres 1] te [plaats 1] doorzocht. In de woning is door de politie onder meer een stoffen etui met daarin € 1.700, een fles met daarin papier- en muntgeld van in totaal € 1.520,34, een zwart\u002Fgele doos van het merk Breitling en een ring met sleutels aangetroffen.\n\n3.9.. Op 24 april 2019 zijn ook een aantal garageboxen in [plaats 1] doorzocht die in eigendom waren van de overleden grootvader van belanghebbende en door belanghebbende regelmatig werden gebruikt. In de garageboxen is door de politie onder meer een aantal lampen, een groot aantal plantenpotten, een blok hasjiesj en een zak met vijftig driehoekige pillen aangetroffen.\n\n3.10.. \n\nBelanghebbende is bij vonnis van 6 november 2019 door de rechtbank Oost-Brabant veroordeeld tot een gevangenisstraf van eenenveertig maanden. De rechtbank Oost-Brabant acht onder meer bewezenverklaard dat belanghebbende:\n\n“1.\n\n- omstreeks 23 april 2019 te [plaats 2] , gemeente Bernheze, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft vervoerd en opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een (bedrijfs)pand aan [adres 2] ) ongeveer 6 kilo van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst\n\n- op 23 april 2019 te [plaats 2] , gemeente Bernheze, opzettelijk heeft bewerkt en opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een (bedrijfs)pand aan [adres 2] ) ongeveer 1 kilo, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1.\n\n2.\n\nop 23 april 2019 te [plaats 2] , gemeente Bernheze, opzettelijk aanwezig heeft gehad in een (bedrijfs)pand aan [adres 2] een hoeveelheid van in totaal 9.435 gram hennep en 43 gram hasjiesj, zijnde hennep en hasjiesj middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;\n\n3.\n\nop 23 april 2019 te [plaats 2] , gemeente Bernheze,\n\nBrief wapens en munitie van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten:\n\n- een vuurwapen (revolver) van het merk\u002Ftype Smith & Wesson Sw9v en\n\n- een vuurwapen (pistool) van het merk\u002Ftype Sig Sauer Mosquito en\n\n- een vuurwapen (pistool) van het merk\u002Ftype Smith & Wesson Magnum 357 en\n\n- meerdere patronen Winchester.22 en Settler en Bellot 9 mm en Magnum 357. voorhanden heeft gehad”\n\n3.11.. Het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant staat onherroepelijk vast.\n\nFiscaal onderzoek3.12.. De inspecteur heeft naar aanleiding van persberichten over de inval in het garagebedrijf in [plaats 2] aan de officier van justitie op grond van artikel 55 van de AWR om gegevens en inlichtingen gevraagd uit het strafrechtelijk onderzoek (artikel 55 AWR-verzoek). De inspecteur heeft op 20 juni 2019 gegevens uit het strafrechtelijk onderzoek naar belanghebbende ontvangen. Later heeft de inspecteur ook het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 6 november 2019 ontvangen.\n\n3.13.. De inspecteur heeft bij brief van 28 april 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat hij een onderzoek is gestart naar onder meer de aanvaardbaarheid van de aangiften IB\u002FPVV voor de jaren 2017, 2018 en 2019.\n\n3.14.. De inspecteur heeft op 12 mei 2021 de administratie opgevraagd van [B.V.] . Van [B.V.] zijn geen gegevens ontvangen.\n\n3.15.. De inspecteur heeft op 26 mei 2021 gegevens opgevraagd bij de verhuurder van de loods te [plaats 2] . De gevraagde gegevens zijn verstrekt.\n\n3.16.. De inspecteur heeft op 28 juni 2021 om gegevens van de bankrekeningen van belanghebbende bij de Rabobank, ABN-AMRO en SNS Bank opgevraagd. De Rabobank en de ABN-AMRO hebben de gevraagde gegevens verstrekt.\n\n3.17.. \n\nDe bevindingen van het boekenonderzoek zijn vastgelegd in een controlerapport dat op 2 maart 2022 aan belanghebbende is toegestuurd. In het controlerapport staat – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:\n\n“6 Inkopen\n\nDe vastgestelde prijs voor onversneden cocaïne bedraagt aan importwaarde ongeveer € 25.000 per kilo, de eindgebruiker betaalt het dubbele hiervan. De inkoopwaarde van cannabis bedraagt € 2.000 per kilo. Dit volgens de website drugsinfo.nl.\n\nInkoop:\n\n6, 978 X € 25.000 = € 174.450\n\n9, 478 X € 2.000 = € 18.956\n\nTotaal = € 193.406\n\nDoor belastingplichtige is een investering gepleegd van € 193.406. Belastingplichtige geeft aan bij zijn aangifte IB 2019 niet over enig inkomen of vermogen te beschikken, hij geeft nul\u002Fnihil aan. Met andere woorden, er is over drie jaar geen winst uit onderneming genoten. Kosten gaan vaak voor de baten, dus mogelijk zijn er wel uitgaven geweest. Indien er geen fiscaal inkomen bekend is dan dringt natuurlijk direct de vraag op waarmee wordt dan in het levensonderhoud voorzien. Het is immers ook een algemeen bekend feit dat in het criminele milieu bij overdracht van de waar het \"boter bij de vis” principe geldt, namelijk een levering gevolgd door een contante betaling.\n\n(…)\n\nDoor ons is de inkoop 2019 vastgesteld op € 193.406.\n\n(gebaseerd op de aangetroffen hoeveelheid verdovende middelen met een inkoopprijs tegen een vastgestelde prijs).”\n\nEn:\n\n“7.3. Recapitulatie vermogensvergelijking\n\nHet resultaat van de vermogensvergelijking toont aan dat belanghebbende structureel meer uitgaven heeft dan uit het fiscaal bekende inkomen van nul kan worden voldaan.\n\n”\n\nVerdere verloop3.18.. De inspecteur heeft – conform zijn bevindingen in het controlerapport – de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV en Zvw 2017, de aanslag IB\u002FPVV 2019 en de bijbehorende boete- en belastingrentebeschikkingen vastgesteld (zie 1.1.).\n\n3.19.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen deze aanslagen en beschikkingen. De inspecteur heeft de bezwaren gegrond verklaard en de aanslagen, boete- en belastingrentebeschikkingen verminderd.\n\nMotivering\n\n2017\n\nOmkering en verzwaring bewijslast\n\n4. De inspecteur beroept zich op de omkering en verzwaring van de bewijslast omdat belanghebbende volgens hem niet de vereiste aangifte IB\u002FPVV 2017 heeft gedaan.\n\n4.1.. Indien de vereiste aangifte niet is gedaan, wordt het beroep ongegrond verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraken op de bezwaren onjuist zijn (omkering en verzwaring van de bewijslast).\n\n4.2.. Bij inhoudelijke gebreken in een aangifte kan slechts dan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Ook is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden voor de toepassing van deze regels slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast. De hiervoor bedoelde bewijslast rust op de inspecteur omdat hij stelt dat belanghebbende meer belastbare inkomsten heeft genoten dan aangegeven in zijn aangifte IB\u002FPVV 2017.\n\n4.3.. De inspecteur heeft een vermogensvergelijking voor het jaar 2017 overgelegd, welke in de bezwaarfase door de inspecteur is gecorrigeerd en stelt zich op grond van de (gecorrigeerde) vermogensvergelijking op het standpunt dat belanghebbende € 25.751 meer aan inkomsten moet hebben genoten dan is aangegeven in zijn aangifte IB\u002FPVV 2017. Uit de vermogensvergelijking blijkt volgens de inspecteur dat belanghebbende meer uitgaven heeft gedaan dan hij met de door hem aangegeven inkomsten had kunnen doen. Belanghebbende heeft dus inkomen gehad en dat niet aangegeven. Verder stelt de inspecteur dat sprake is van bewustheid bij belanghebbende dat er inkomsten zijn die aangegeven hadden moeten worden.\n\n4.4.. De rechtbank acht de inspecteur geslaagd in de op hem rustende bewijslast en overweegt daartoe als volgt. Een vermogensvergelijking kan een geschikte methode zijn om aannemelijk te maken dat er niet-aangegeven inkomen is. Indien een adequaat opgestelde vermogensvergelijking erin resulteert dat er sprake is van een negatief netto privé, betekent dat immers dat er nog een andere bron moet zijn die een verklaring vormt voor het ter beschikking hebben van deze gelden waar iemand de beschikking over moet hebben gehad. Een negatief netto privé is namelijk uit de aard van de zaak niet mogelijk; belanghebbende beschikt dan over meer geld dan waarover hij zou moeten kunnen beschikken als zijn belastingaangiften zouden kloppen. Indien er geen andere plausibele bron is, is als uitgangspunt aannemelijk dat werkzaamheden zijn verricht waarmee inkomen is verdiend. De (gecorrigeerde) vermogensvergelijking van de inspecteur is naar het oordeel van de rechtbank adequaat. Aan de in de (gecorrigeerde) vermogensvergelijking opgenomen bedragen liggen namelijk concrete en verifieerbare gegevens ten grondslag. Deze bedragen vormen het negatieve saldo van de inkomsten en uitgaven van belanghebbende en laten zien dat belanghebbende meer inkomsten moet hebben gehad dan hij in zijn aangifte IB\u002FPVV 2017 heeft aangegeven. Belanghebbende heeft de juistheid van de gegevens die ten grondslag liggen aan de (gecorrigeerde) vermogensvergelijking niet betwist. Belanghebbende stelt wel dat er in de vermogensvergelijking ook rekening had moeten worden gehouden met de waarde van zijn auto’s op 1 januari 2017. De rechtbank volgt belanghebbende daarin niet. In een vermogensvergelijking wordt alleen rekening gehouden met de inkomsten en uitgaven in het betreffende jaar. De inspecteur heeft met de verkoopopbrengst van twee auto’s in 2017 reeds rekening gehouden en de vermogensvergelijking in de bezwaarfase daarop gecorrigeerd. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij gedurende het jaar 2017 nog andere auto’s heeft verkocht. Er is dan ook ten aanzien van de auto’s geen resultaat waarmee nog rekening moet worden gehouden in de vermogensvergelijking. Belanghebbende heeft geen verklaring gegeven voor het beschikken over het onverklaarde geld, het negatief netto privé. De rechtbank acht daarom aannemelijk dat belanghebbende in 2017 inkomsten heeft genoten ter grootte van het (gecorrigeerde) negatief netto privé van € 25.751.\n\n4.5.. De rechtbank stelt vast dat, nu belanghebbende in zijn aangifte in het geheel geen inkomsten uit werk en woning heeft verantwoord, belanghebbende in 2017 in ieder geval aanzienlijke inkomsten heeft genoten die hij niet heeft aangegeven. Dit heeft ertoe geleid dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Ook is het bedrag aan belasting dat als gevolg van de gebreken in de aangifte niet is geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk. De rechtbank is van oordeel, gelet op de hoogte van de uitgaven zonder dat daar in de aangifte inkomen of liquide vermogen tegenover staat, dat belanghebbende zich bij het doen van aangifte bewust moet zijn van het feit dat een aanzienlijk bedrag aan belasting niet zou worden geheven. Dat betekent dat belanghebbende de vereiste aangifte niet heeft gedaan. De bewijslast kan in dat geval worden omgekeerd en verzwaard en dat acht de rechtbank ook aangewezen. Dat geldt voor zowel de navorderingsaanslag IB\u002FPVV als de navorderingsaanslag Zvw 2017.\n\nRedelijke schatting4.6.. Omdat sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast, moet de rechtbank beoordelen (i) of sprake is van een redelijke – niet willekeurige – schatting door de inspecteur, en, zo ja, (ii) of belanghebbende heeft doen blijken dat en in hoeverre de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV en Zvw 2017 onjuist zijn.\n\n4.7.. De rechtbank acht de schatting van de inspecteur redelijk. De inspecteur heeft de berekening van het belastbare inkomen gebaseerd op de (gecorrigeerde) vermogensvergelijking en die vermogensvergelijking is voldoende onderbouwd met objectieve en verifieerbare gegevens om als redelijk en niet willekeurig te worden aangemerkt.\n\n4.8.. Belanghebbende stelt nog dat het inkomen moet worden aangemerkt als winst uit onderneming. Als gevolg van de omkering en verzwaring van de bewijslast rust op belanghebbende de last om te doen blijken dat de inkomsten moeten worden aangemerkt als winst uit onderneming. Belanghebbende heeft in het geheel geen onderbouwing gegeven met concrete verifieerbare stukken voor zijn stelling dat de aanslag te hoog is. Dit maakt dat de rechtbank tot de conclusie komt dat belanghebbende niet voldoet aan de in dit kader op hem rustende bewijslast en de inspecteur de inkomsten terecht heeft aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheid.\n\n4.9.. Het voorgaande betekent dat de inspecteur de ROW-correctie van € 25.751 terecht heeft aangebracht. De navorderingsaanslagen IB\u002FPVV en Zvw voor het jaar 2017 blijven daarom in stand. Voor dat geval blijven ook de bijbehorende belastingrentebeschikkingen in stand.\n\nBoete4.10.. Aan belanghebbende is bij de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2017 een vergrijpboete opgelegd van 50% van de verschuldigde belasting op basis van artikel 67e van de AWR en paragraaf 27 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst. Volgens de inspecteur heeft (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende ertoe geleid dat de aanslag IB\u002FPVV 2017 tot een te laag bedrag is vastgesteld. De inspecteur heeft de boete bij uitspraak op bezwaar verminderd tot € 1.782. Daarbij heeft de inspecteur het boetepercentage verminderd tot 40% van de verschuldigde belasting en de boete nog verder verminderd met 20% om rekening te houden met het feit dat de boetegrondslag is komen vast te staan met toepassing van omkering van de bewijslast.\n\n4.11.. De rechtbank stelt voorop dat de aanwezigheid van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Dit dient begrepen te worden als ‘doen blijken’, dat wil zeggen: ‘overtuigend aantonen’.De rechtbank zal daarom beoordelen of de inspecteur overtuigend heeft aangetoond dat het aan de (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende is te wijten dat belanghebbende de aanslag IB\u002FPVV 2017 tot een te laag bedrag is vastgesteld.\n\n4.12.. Onder opzet wordt verstaan het willens en wetens handelen. De ondergrens van opzet wordt gevormd door voorwaardelijke opzet. Daarvoor moet vaststaan (i) dat belanghebbende wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat te weinig belasting zou worden geheven, en (ii) dat hij deze kans bovendien bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).\n\n4.13.. Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur in zijn bewijslast geslaagd dat sprake is van ten minste voorwaardelijk opzet. De rechtbank acht – gelet op al het aangeleverde bewijs – buiten redelijke twijfel dat het aan het voorwaardelijk opzet van belanghebbende te wijten is dat de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2017 tot een te laag bedrag is vastgesteld. Belanghebbende heeft aanmerkelijk meer geld uitgegeven dan uit het aangegeven inkomen en vermogen verklaard kan worden. Gelet op de omstandigheid dat belanghebbende in zijn aangiften geen inkomensbron vermeldt die deze uitgaven heeft kunnen voeden, concludeert de rechtbank dat hij dit inkomen bewust buiten het zicht van de belastingdienst heeft gehouden om hierover geen belasting te betalen. Daarbij neemt de rechtbank in ogenschouw dat het een feit van algemene bekendheid is dat genoten inkomsten en aanwezig vermogen moeten worden aangegeven. Het gaat verder om bedragen van een substantiële omvang. De inspecteur heeft de boete bij de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2017 dan ook terecht aan belanghebbende opgelegd.\n\n4.14.. Alle omstandigheden in aanmerking genomen acht de rechtbank een boete van € 1.782 passend en geboden. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden dat de inspecteur de boete reeds heeft verminderd met 20% omdat de boetegrondslag is vastgesteld met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast. Dat acht de rechtbank voldoende omdat de boetegrondslag voor 2017 is gebaseerd op de vermogensvergelijking, waaraan concrete en verifieerbare gegevens ten grondslag liggen.\n\n4.15.. De duur van de procedure vormt voor de rechtbank aanleiding om de boete te matigen. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaken in eerste feitelijke instantie (‘undue delay’). De rechtbank stelt vast dat 2 februari 2022 geldt als aanvangsmoment van de redelijke termijn, omdat op die datum het concept controlerapport waarin de boete is aangekondigd aan belanghebbende is toegezonden. De rechtbank doet uitspraak op 17 maart 2025. Sinds de aankondiging van de boete is dan (afgerond) drie jaar en twee maanden verstreken. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn van twee jaar is overschreden met één jaar en twee maanden.De boete wordt daarom verder worden gematigd met 15% tot € 1.514.\n\n2019\n\nOmkering en verzwaring bewijslast\n\n5. De inspecteur beroept zich op de omkering en verzwaring van de bewijslast omdat belanghebbende volgens hem niet de vereiste aangifte IB\u002FPVV 2019 heeft gedaan. De inspecteur dient dat – zoals hiervoor onder 4.1. en 4.2. overwogen – aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast aannemelijk te maken.\n\n5.1.. De inspecteur heeft ook voor het jaar 2019 een vermogensvergelijking overgelegd, welke in de bezwaarfase door de inspecteur is gecorrigeerd en de inspecteur stelt zich thans op grond van de (gecorrigeerde) vermogensvergelijking op het standpunt dat belanghebbende ten minste € 18.794 meer aan inkomsten moet hebben genoten dan aangegeven in zijn aangifte IB\u002FPVV 2019. Uit de vermogensvergelijking blijkt volgens de inspecteur dat belanghebbende meer uitgaven heeft gedaan dan hij met de door hem aangegeven inkomsten had kunnen doen. Verder stelt de inspecteur dat sprake is van bewustheid bij belanghebbende dat er inkomsten zijn die aangegeven hadden moeten worden.\n\n5.2.. De rechtbank acht de inspecteur geslaagd in de op hem rustende bewijslast en overweegt daartoe als volgt. De (gecorrigeerde) vermogensvergelijking van de inspecteur is naar het oordeel van de rechtbank adequaat. Aan de in de (gecorrigeerde) vermogensvergelijking opgenomen bedragen liggen namelijk concrete en verifieerbare gegevens ten grondslag. Deze bedragen vormen het negatieve saldo van de inkomsten en uitgaven van belanghebbende en laten zien dat belanghebbende meer inkomsten moet hebben gehad dan hij in zijn aangifte IB\u002FPVV 2019 heeft aangegeven. Belanghebbende heeft de juistheid van de gegevens die ten grondslag liggen aan de (gecorrigeerde) vermogensvergelijking niet betwist. Belanghebbende heeft geen verklaring gegeven voor het beschikken over deze gelden, het negatief netto privé. De rechtbank acht daarom aannemelijk dat belanghebbende in 2019 inkomsten heeft genoten ter grootte van het (gecorrigeerde) negatief netto privé van € 18.794.\n\n5.3.. De rechtbank stelt vast dat, nu belanghebbende in zijn aangifte in het geheel geen inkomsten uit werk en woning heeft verantwoord, belanghebbende in 2019 in ieder geval aanzienlijke inkomsten heeft genoten die hij niet heeft aangegeven. Dit heeft ertoe geleid dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Ook is het bedrag aan belasting dat als gevolg van de gebreken in de aangifte niet is geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk. De rechtbank is van oordeel, gelet op de hoogte van de uitgaven zonder dat daar in de aangifte inkomen of liquide vermogen tegenover staat, dat belanghebbende zich bij het doen van aangifte bewust moet zijn van het feit dat een aanzienlijk bedrag aan belasting niet zou worden geheven. Dat betekent dat belanghebbende de vereiste aangifte niet heeft gedaan. De bewijslast kan in dat geval worden omgekeerd en verzwaard, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank ook aangewezen is.\n\nRedelijke schatting5.4.. Omdat sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast, moet de rechtbank beoordelen (i) of sprake is van een redelijke – niet willekeurige – schatting door de inspecteur, en, zo ja, (ii) of belanghebbende heeft doen blijken dat en in hoeverre de aanslag IB\u002FPVV 2019 onjuist is.\n\n5.5.. \n\nNaar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur bij het opleggen van de aanslagen uitgegaan van een redelijke schatting. De rechtbank neemt daarbij het volgende in aanmerking. Voor zover de schatting berust op de vermogensvergelijking, is de rechtbank van oordeel dat de schatting niet onredelijk of willekeurig is. De vermogensvergelijking is voldoende onderbouwd met objectieve en verifieerbare gegevens. De inspecteur heeft het overige deel zijn schatting gebaseerd op betrokkenheid bij drugshandel en dat belanghebbende daarmee inkomen moet hebben verdiend. Dat blijkt ook uit de tijdens de doorzoeking in de loods aangetroffen hoeveelheden cocaïne (6,978 kilogram) en cannabis (9,478 kilogram), welke zaken met onverklaard geld zijn gekocht. Gelet op de stukken van het geding, in het bijzonder de gegevens uit het strafrechtelijk onderzoek, zijn er ook verdere aanknopingspunten dat belanghebbende betrokken is geweest bij drugshandel. Dit wordt als zodanig door belanghebbende ook niet bestreden. Belanghebbende bestrijdt wel dat hij eigenaar was van de in de loods aangetroffen drugs.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur bij deze stand van zaken er terecht vanuit gegaan dat de aangetroffen drugs wel aan belanghebbende toebehoorden, aangezien er in het strafdossier voldoende aanknopingspunten daarvoor te vinden zijn en overigens ook uit het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant blijkt dat belanghebbende op enig moment heeft erkend dat de drugs hem toebehoorden. De inspecteur heeft de schatting van het inkomen dat moet zijn verdiend om de in de loods aangetroffen drugs aan te kunnen schaffen verder gebaseerd op een berekening van de inkoopwaarde van de aangetroffen drugs. De gehanteerde inkoopprijzen heeft de inspecteur gebaseerd op gegevens van de website drugsinfo.nl. De rechtbank acht deze uitgangspunten niet onredelijk. Belanghebbende heeft verder geen openheid van zaken gegeven over het genoten inkomen vanuit deze handel. Het strafdossier bevat een aantal aanknopingspunten die erop wijzen dat belanghebbende al langer en daarmee ook in het begin van 2019, actief was in de drugshandel. De rechtbank acht de veronderstelling van de inspecteur dat belanghebbende de inkomsten met drugshandel in 2019 heeft verdiend daarom ook niet onredelijk. Verder acht de rechtbank de blote stelling van belanghebbende dat hij geen inkomsten met drugshandel heeft verdiend ook tegen de achtergrond van het kunnen beschikken over onverklaard vermogen, ongeloofwaardig en zij verwerpt daarom deze stelling.\n\n5.6.. Op belanghebbende rust de last te doen blijken dat het geschatte inkomen onjuist is. Belanghebbende heeft in dat verband aangevoerd dat er ook een medeverdachte was in het strafproces, zodat slechts € 96.703 van het geschatte inkomen aan hem kan worden toegerekend. Dit betreft enkel een blote stelling. Een blote stelling, welke gemotiveerd bestreden wordt, kan niet leiden tot het oordeel dat belanghebbende daarmee heeft doen blijken dat de aanslag te hoog is vastgesteld en slaagt reeds daarom niet.\n\n5.7.. Het voorgaande betekent dat de inspecteur de ROW-correctie van € 212.200 terecht heeft aangebracht. De aanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2019 blijft daarom in stand.\n\nBoete5.8.. Aan belanghebbende is bij de aanslag IB\u002FPVV 2019 een vergrijpboete opgelegd van 50% van de verschuldigde belasting op basis van artikel 67d van de AWR en paragraaf 26 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst. Volgens de inspecteur heeft belanghebbende (voorwaardelijk) opzettelijk een onjuiste aangifte IB\u002FPVV 2019 gedaan. De inspecteur heeft de boete bij uitspraak op bezwaar verminderd tot € 40.065. Daarbij heeft de inspecteur het boetepercentage verminderd tot 40% van de verschuldigde belasting en de boete nog verder verminderd met 20% om rekening te houden met het feit dat de boetegrondslag is komen vast te staan met toepassing van omkering van de bewijslast.\n\n5.9.. De rechtbank zal – onder verwijzing naar het overwogene onder 4.11. en 4.12. – beoordelen of de inspecteur overtuigend heeft aangetoond dat het aan de (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende is te wijten dat belanghebbende een onjuiste aangifte IB\u002FPVV 2019 heeft gedaan.\n\n5.10.. Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur in zijn bewijslast geslaagd dat sprake is van ten minste voorwaardelijk opzet. De rechtbank acht – gelet op al het aangeleverde bewijs – buiten redelijke twijfel dat het aan voorwaardelijk opzet van belanghebbende te wijten is dat de aangifte IB\u002FPVV 2019 onjuist of onvolledig is gedaan. Belanghebbende heeft aanmerkelijk meer uitgegeven dan uit het aangegeven inkomen en vermogen verklaard kan worden. Daarnaast acht de rechtbank – in het bijzonder gelet op de gegevens uit het strafrechtelijk onderzoek in samenhang met de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant waarin staat vermeld dat belanghebbende heeft erkend dat de drugs aan hem toebehoren – ook overtuigend aangetoond dat belanghebbende in 2019 inkomsten heeft genoten om de in de loods aangetroffen drugs aan te kunnen schaffen. Gelet op de aangetroffen hoeveelheid drugs – onder andere kilo’s cocaïne en kilo’s cannabis – moet het om significante bedragen gaan waarmee dit is gekocht. Belanghebbende heeft deze inkomsten niet aangegeven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur overtuigend aangetoond dat belanghebbende dat bewust heeft gedaan. Daarbij neemt de rechtbank ook in ogenschouw dat het een feit van algemene bekendheid is dat genoten inkomsten en aanwezig vermogen moeten worden aangegeven en dat het gaat om bedragen van een substantiële omvang. Door deze inkomsten niet aan te geven heeft belanghebbende aldus bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de aangifte IB\u002FPVV 2019 onjuist zou zijn.\n\n5.11.. Alle omstandigheden in aanmerking genomen acht de rechtbank een boete van € 40.065 passend en geboden. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden dat de inspecteur de boete reeds heeft verminderd met 20% omdat de boetegrondslag is vastgesteld met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast. Dat acht de rechtbank voldoende omdat de boetegrondslag voor 2019 is gebaseerd op de vermogensvergelijking, waaraan concrete en verifieerbare gegevens ten grondslag liggen en exact aansluit bij de in de loods aangetroffen hoeveelheden drugs wat slechts een momentopname betrof.\n\n5.12.. De duur van de procedure vormt voor de rechtbank aanleiding om de boete verder te matigen. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaken in eerste feitelijke instantie (‘undue delay’). De rechtbank stelt vast dat 2 februari 2022 geldt als aanvangsmoment van de redelijke termijn, omdat op die datum het concept controlerapport waarin de boete is aangekondigd aan belanghebbende is toegezonden. De rechtbank doet uitspraak op 17 maart 2025. Sinds de aankondiging van de boete is dan (afgerond) drie jaar en twee maanden verstreken. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn van twee jaar is overschreden met één jaar en twee maanden.De boete wordt daarom verder worden gematigd met 15% tot € 34.055.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. De beroepen zijn ongegrond.De navorderingsaanslagen IB\u002FPVV en Zvw 2017, de aanslag IB\u002FPVV 2019 en de bijbehorende belastingrentebeschikkingen blijven in stand. De boete bij de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2017 wordt verminderd tot € 1.514 en de boete bij de aanslag IB\u002FPVV 2019 wordt verminderd tot € 34.055.\n\n6.1.. Omdat de beroepen ongegrond zijn krijgt belanghebbende geen vergoeding van zijn proceskosten en krijgt hij ook het door hem betaalde griffierecht niet terug.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart de beroepen ongegrond;\n\nvernietigt de uitspraken op bezwaar met betrekking tot de boetes bij de (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV 2017 en 2019;\n\nvermindert de boete bij de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2017 tot € 1.514;\n\nvermindert de boete bij de aanslag IB\u002FPVV 2019 tot € 34.055.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier, op 17 maart 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.\n\n Artikel 27e, eerste lid, van de AWR.\n\n Hoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526.\n\n Vgl. Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006.\n\n Vgl. Gerechtshof Amsterdam 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297.\n\n Vgl. Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006.\n\n Vgl. Gerechtshof Amsterdam 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297.\n\n Ambtshalve vermindering van de boete in verband met undue delay, leidt niet tot een gegrond beroep (vgl. Hoge Raad 16 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8053).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2025:1528","2026-07-13T00:29:02.059Z",20,[111,11,112,113],2026,2024,2022]