[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-insolvency-law-nl-2025":3},{"detail":4,"years":63},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":16,"page":14,"limit":62},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},32,"insolvency-law-nl","Insolvency Law","NL","2026-07-08T16:53:14.213Z",2025,[13,15,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":14},1,{"month":16,"count":17},2,0,{"month":19,"count":17},3,{"month":21,"count":17},4,{"month":23,"count":17},5,{"month":25,"count":17},6,{"month":27,"count":17},7,{"month":29,"count":17},8,{"month":31,"count":17},9,{"month":33,"count":17},10,{"month":35,"count":17},11,{"month":37,"count":14},12,[39,53],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"1012","ECLI:NL:RBNNE:2025:5933","ecli-nl-rbnne-2025-5933","",80,"2025-12-22T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nAfdeling Privaatrecht\n\nLocatie: Assen\n\nzaaknummer: C\u002F18\u002F241761 \u002F FT RK 25\u002F57 faillissementsnummer: C\u002F18\u002F24\u002F404 F\n\nvonnis van 22 december 2025\n\nin het faillissement van:\n\n [schuldenaar], geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , voorheen handelend onder de naam [handelsnaam] . gevestigd te [adres] , KvK-nummer [nummer] , hierna te noemen: de schuldenaar.\n\nPROCESGANG\n\nBij vonnis van deze rechtbank van 24 december 2024 is ten aanzien van de schuldenaar het faillissement uitgesproken met benoeming van mr. H.J. Idzenga tot rechter-commissaris en aanstelling van mrs. P. van Rossum en C. Bergmans tot curatoren.\n\nOp 17 januari 2025 heeft de schuldenaar een verzoekschrift ingediend tot opheffing van zijn faillissement onder het gelijktijdig uitspreken van de wettelijke schuldsaneringsregeling (hierna: Wsnp).\n\nNa afronding van het rechtmatigheidsonderzoek in het faillissement hebben de curatoren op 17 oktober 2025 advies uitgebracht over het omzettingsverzoek.\n\nNaar aanleiding van het advies heeft de rechter-commissaris op 21 oktober 2025 bepaald dat het omzettingsverzoek op zitting dient te worden behandeld alsmede de rechtbank voorgedragen om het faillissement op te heffen.\n\nDe rechtbank heeft de voordracht en het omzettingsverzoek behandeld op de zitting van\n\n8 december 2025 in aanwezigheid van de schuldenaar en curator mr. C. Bergmans.\n\nTen slotte is vonnis bepaald op heden.\n\nRECHTSOVERWEGINGEN\n\nDe schuldenlastUit het verslag van de curatoren en de voordracht van de rechter-commissaris is gebleken dat de schuldenaar een schuldenlast heeft van € 415.943,35, waaronder belastingschulden van in totaal € 189.879,18. De belastingschulden hebben betrekking hebben op zorgtoeslag, omzetbelasting, loonheffing, motorrijtuigenbelasting en bijdrage zorgverzekeringswet en zijn in de periode 2019 tot en met 2024 ontstaan. Verder is er sprake van een schuld bij Het Pensioenfonds van € 19.160,19 die betrekking heeft op onbetaalde premies uit de periode 2019 tot en met 2023. Voor 2024 gaat betreft het met name opgelegde boetes die het gevolg zijn van de onbetaalde premies uit de voorgaande jaren en premies die zijn opgelegd en waarschijnlijk zien op een werknemer die een paar maanden bij de schuldenaar in dienst is geweest. Tot slot is er een vordering van het UWV van € 8.643,29 die betrekking heeft op het salaris en het vakantiegeld van de voormalig werknemer in de periode juni tot september 2024. De werknemer is voor een groot deel van zijn dienstverband niet uitbetaald en heeft uiteindelijk het faillissement van de schuldenaar aangevraagd.\n\nHet advies van de curatoren op het verzoek\n\nDe curatoren hebben negatief over het omzettingsverzoek geadviseerd. Kort samengevat hebben de curator aan hun advies ten grondslag gelegd dat de schuldenaar op 31 mei 2024 (een half jaar voor faillissementsdatum) via de notaris een bedrag van € 202.588,11 aan overwaarde heeft ontvangen na de verkoop van zijn woning. Uit de bankafschriften van de schuldenaar is de curatoren gebleken dat een groot deel van de overwaarde vervolgens is uitgegeven aan kansspelen. De recente bankmutaties tonen volgens de curatoren aan dat de schuldenaar nog steeds aanzienlijke bedragen aan gokken besteedt, wat de curatoren duiden als indicatie van een gokverslaving die niet onder controle is. Hierdoor is niet voldaan aan het criterium dat de schuldenaar te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan van de schulden in de afgelopen drie jaar voorafgaand aan het faillissement en ook niet aan het criterium dat aannemelijk is dat de schuldenaar de uit de WSNP voortvloeiende verplichtingen zal nakomen en zich zal inspannen om zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.\n\nDe schuldenaar heeft op de zitting erkend dat hij de overwaarde van zijn woning heeft vergokt. Dit is mede gekomen onder druk van zijn toenmalige vriendin. De relatie is nu uit. Volgens de schuldenaar is de gokverslaving nu niet meer aan de orde. Hij heeft via de huisarts hulp gezocht en staat ingeschreven bij [instelling] . De schuldenaar is op dit moment niet aan het werk. Hij ontvangt een uitkering van ongeveer € 700,00 per maand vanwege een bedrijfsongeval dat hij in het verleden heeft gehad. De schuldenaar verwacht dat hij met zijn achtergrond als chefkok op korte termijn een baan met een goed salaris kan vinden, waarmee hij kan afdragen voor zijn schuldeisers.\n\nDe curator heeft op de zitting het standpunt van de curatoren herhaald. Desgevraagd heeft zij aangegeven dat van een keer ten goede is vooralsnog geen sprake is, omdat de schuldenaar niet werkt en daardoor in het faillissement tot op heden niet heeft afgedragen voor zijn schuldeisers.\n\nBEOORDELING\n\nOp grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Faillissementswet (Fw) wordt een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. Bij de beoordeling daarvan kan de rechtbank rekening houden met alle omstandigheden, waaronder de aard en de omvang van de vorderingen, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan of onbetaald gelaten alsmede het gedrag van de schuldenaar wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen.\n\nDe rechtbank stelt vast dat verzoeker een hoge schuldenlast heeft, waarvan een groot deel in de afgelopen drie jaar voorafgaand aan het omzettingsverzoek ontstaan. Vaststaat dat de schulden bij de Belastingdienst, het UWV en het Pensioenfonds niet als te goeder trouw kunnen worden aangemerkt. Vaststaat ook dat de schuldenaar ten aanzien van het onbetaald laten van de schulden niet als te goeder trouw kan worden aangemerkt, nu hij de overwaarde van zijn woning volledig heeft opgesoupeerd in plaats van die ten goede te laten komen van zijn schuldeisers. De rechtbank overweegt dat van een keer ten goede nog niet kan gesproken, mede omdat de schuldenaar tot op heden nog niets heeft gespaard voor zijn schuldeisers. Een beroep op de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 288 lid 3 Fw strandt reeds om die reden. Het omzettingsverzoek zal daarom worden afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank zal de schuldenaar eerst minimaal een half jaar moeten laten zien dat hij zich tot het uiterste inspant voor zijn schuldeisers, waarna hij opnieuw een verzoek ter beoordeling aan de rechtbank zal kunnen voorleggen.\n\nBESLISSING\n\nDe rechtbank:\n\n- wijst het omzettingsverzoek af;\n\n- wijst het verzoek tot opheffing van het faillissement af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. D.J. Klijn en in het openbaar uitgesproken op\n\n22 december 2025, in tegenwoordigheid van de griffier.\n\nTegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2025:5933","2026-07-07T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:59.004Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":58,"parsedAt":51,"updatedAt":61},"1880","ECLI:NL:GHSHE:2025:117","ecli-nl-ghshe-2025-117",72,"2025-01-21T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam Handelsrecht\n\nzaaknummer 200.323.708\u002F01\n\narrest van 21 januari 2025\n\nin de zaak van\n\n [appellante],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nappellante,\n\nhierna aan te duiden als [appellante] ,\n\nadvocaat: mr. S.N. Peijnenburg te Purmerend,\n\ntegen\n\n [geïntimeerde] ,\n\ngevestigd te Dublin,\n\ngeïntimeerde,\n\nhierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,\n\nadvocaat: mr. J. Meuleman te Amsterdam,\n\nop het bij exploot van dagvaarding van 21 februari 2023 ingeleide hoger beroep van het tussenvonnis van 2 maart 2022 en het eindvonnis van 23 november 2022, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen [appellante] als eiseres tot verificatie en [geïntimeerde] als verweerster tot verificatie.\n\n1. Het geding in eerste aanleg (zaak-\u002Frolnummer C\u002F02\u002F391190 \u002F HA ZA 21-626)\n\nVoor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.\n\n2. Het geding in hoger beroep\n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\nde dagvaarding in hoger beroep;\n\nhet exploot van anticipatie van [geïntimeerde] ;\n\nde memorie van grieven met één productie;\n\nde memorie van antwoord met één productie;\n\nde mondelinge behandeling van 11 maart 2024, waarbij de behandeling op de voet van artikel 37 lid 5 Rv is geschorst;\n\nde mondelinge behandeling van 9 september 2024, waarbij de behandeling is voortgezet en beide partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd;\n\nde bij H12-formulier van 12 januari 2024 door [appellante] toegezonden producties, die [appellante] bij de mondelinge behandeling van 9 september 2024 bij akte in het geding heeft gebracht;\n\nde bij e-mailbericht van 1 maart 2024 door [geïntimeerde] toegezonden productie, die [geïntimeerde] bij de mondelinge behandeling van 9 september 2024 bij akte in het geding heeft gebracht;\n\nde voortgezette mondelinge behandeling van 17 oktober 2024.\n\nHet hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.\n\n3. De beoordeling\n\nAchtergrond van het geschil\n\n3.1.. De besloten vennootschap [bedrijf A] (hierna: [bedrijf A] ) is in 2021 failliet verklaard. Zowel [appellante] als [geïntimeerde] pretenderen vorderingen te hebben op [bedrijf A] die in het faillissement van [bedrijf A] moeten worden geverifieerd. Op de verificatievergadering in het faillissement van [bedrijf A] bleek dat [appellante] en [geïntimeerde] over en weer elkaars vorderingen betwisten. In deze renvooiprocedure gaat het over de erkenning van de vorderingen van [appellante] en de betwisting daarvan door [geïntimeerde] . Ook met betrekking tot de erkenning van de vorderingen van [geïntimeerde] en de betwisting daarvan door [appellante] is bij dit hof een renvooiprocedure aanhangig.\n\nDe feiten\n\n3.2.. In dit hoger beroep wordt uitgegaan van de volgende feiten.\n\ni. [bedrijf A] in liquidatie is bij vonnis van 5 januari 2021 in staat van faillissement verklaard met aanstelling van [persoon A] als curator. Bij beschikking van 18 augustus 2022 is [persoon A] vervangen door [persoon B] .\n\n [bedrijf A] was op 11 november 2014 al een keer eerder failliet verklaard. Dit\n\n faillissement is bij gebrek aan baten opgeheven. In verband met een nagekomen\n\n bate is de vereffening heropend, waarna opnieuw het faillissement van [bedrijf A] is\n\n aangevraagd.\n\nDe bestuurder van [bedrijf A] is [persoon C] (hierna: [persoon C] ), de\n\n echtgenoot van [appellante] .\n\n [persoon C] is op 17 september 2015 persoonlijk failliet verklaard. Dat faillissement is\n\n op 20 maart 2018 opgeheven wegens gebrek aan baten.\n\nTijdens het faillissement van [persoon C] heeft zijn curator met [appellante] op\n\n 7 augustus 2017 een \"vaststellingsovereenkomst tevens akte van overdracht\u002Fcessie\"\n\n (hierna: de akte van cessie) gesloten. In de akte van cessie staat onder andere:\n\n“(…)\n\nBoedel draagt alle resterende,door de curator gepretendeerde activa\u002Fvorderingen van [persoon C] (de boedel) over aan [appellante]\n\n12. De curator draagt in eigendom over alle nog resterende activa en vorderingen van curandus voor zover deze hem bekend zijn en redelijkerwijs bekend kunnen zijn, waaronder in ieder geval de vordering die de Curator meent te hebben op [bedrijf B] , terzake door [persoon C] verrichte werkzaamheden ten behoeve van [bedrijf B] , zowel voor als na faillissement (dit ex art. 479a Rv).\n\n(….)\n\n13. De Curator draagt de vorderingsrechten, voor zover zij zouden bestaan, middels deze akte ex art. 3:94 BW over aan [appellante] , en deze overeenkomst belichaamt ten aanzien daarvan dan ook een akte houdende cessie. Beide partijen zijn gerechtigd mededeling van deze overdracht te doen aan [bedrijf B]\n\n (…)”\n\n [appellante] heeft in het faillissement van [bedrijf A] vier vorderingen ter verificatie\n\ningediend. Tijdens de verificatievergadering van 15 oktober 2021heeft zij twee vorderingen gehandhaafd, te weten een vordering ter hoogte van € 2.450.000,- terzake planschade (hierna: de planschadevordering) en een vordering ter hoogte van € 725.922,- terzake pensioengelden (hierna: de pensioenvordering). Volgens [appellante] zijn deze vorderingen door de curator in het faillissement van [persoon C] met de akte van cessie aan haar overgedragen.\n\nUit het proces-verbaal van de verificatievergadering volgt dat de vorderingen van [appellante] worden betwist door [geïntimeerde] , een voorlopig erkende schuldeiser in het faillissement van [bedrijf A] . De rechter-commissaris heeft de betwisting van de vorderingen van [appellante] door [geïntimeerde] verwezen naar de onderhavige renvooiprocedure. De vordering van [geïntimeerde] wordt betwist door [appellante] . Die betwisting wordt behandeld in een renvooiprocedure onder zaak-rolnummer 200.323.565.\n\nDe procedure bij de rechtbank\n\n3.3.1.. In de procedure bij de rechtbank vorderde [appellante] dat de rechtbank\n\n [geïntimeerde] niet-ontvankelijk verklaart, althans de betwisting door [geïntimeerde] ongegrond verklaart;\n\nde vorderingen van [appellante] volledig erkent zodat zij wordt toegevoegd aan de lijst van voorlopig erkende vorderingen;\n\n [geïntimeerde] veroordeelt in de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n3.3.2.. \n [geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dit verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.\n\n3.3.3.. In het tussenvonnis van 2 maart 2022 heeft de rechtbank een verschijning van partijen bevolen voor het geven van inlichtingen, het nader onderbouwen van hun stellingen en ter beproeving van een minnelijke regeling.\n\n3.3.4.. In het eindvonnis van 23 november 2023 heeft de rechtbank de vorderingen van [appellante] afgewezen, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het geding.\n\nDe procedure bij het hof\n\n3.4.1.. \n [appellante] heeft in hoger beroep acht grieven aangevoerd. [appellante] heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden vonnissen en tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen.\n\n3.4.2.. \n [geïntimeerde] heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot bekrachtiging van het eindvonnis van 23 november 2023.\n\n3.4.3.. Het hof zal de grieven van [appellante] gezamenlijk behandelen.\n\nNiet-ontvankelijk in hoger beroep van het tussenvonnis\n\n3.5.1.. Tegen het tussenvonnis van 2 maart 2022 is geen grief gericht, zodat [appellante] in het beroep daarvan niet-ontvankelijk is.\n\nMoeten de planschadevordering en de pensioenvordering in het faillissement van [bedrijf A] worden erkend?\n\n3.6.1.. \n\nHet gaat in dit hoger beroep om de vraag of de planschadevordering en de pensioenvordering van [appellante] in het faillissement van [bedrijf A] moeten worden erkend.\n\nVolgens [appellante] is de planschadevordering de vordering van [persoon C] op [bedrijf A] terzake de koopprijs die [bedrijf A] aan [persoon C] moet betalen omdat [persoon C] zijn vordering op [gemeente A] in verband met planschade aan [bedrijf A] heeft overgedragen. De pensioenvordering is volgens [appellante] de vordering van [persoon C] op [bedrijf A] uit hoofde van een pensioenovereenkomst tussen [persoon C] en [bedrijf A] . [appellante] stelt dat beide vorderingen bij de akte van cessie op 7 augustus 2017 aan haar zijn gecedeerd.\n\n [geïntimeerde] betwist onder andere het bestaan en de cessie van de vorderingen.\n\n3.6.2.. \n\nDe eerste vraag die het hof moet beantwoorden, is of [appellante] rechthebbende is geworden van de vorderingen.\n\nHet hof stelt hierbij voorop dat uit artikel 3:84 lid 2 BW voortvloeit dat de akte van cessie ten tijde van de cessie de te cederen vorderingen in voldoende mate moet bepalen. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad is daarvoor noodzakelijk, maar ook voldoende, dat de desbetreffende akte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vorderingen het gaat (zie bijvoorbeeld Hoge Raad 20 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7842). De vraag hoe specifiek die gegevens in de akte dienen te zijn, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval (vgl. Hoge Raad 4 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6165).\n\nEen generieke omschrijving van de te verpanden vorderingen kan tot een geldige verpanding leiden indien aan de hand van de gegeven omschrijving kan worden bepaald welke vorderingen zijn verpand. Het ontbreken van nadere specificaties van de betrokken vorderingen hoeft daarom niet eraan in de weg te staan dat zij voldoende bepaald zijn in de zin van artikel 3:84 lid 2 BW (Hoge Raad 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012: BT6947). Voldoende is dat achteraf aan de hand van objectieve gegevens kan worden vastgesteld welke vorderingen zijn overgedragen (zie bv. Hoge Raad 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:590).\n\nVoor de beoordeling of is voldaan aan het bepaaldheidsvereiste, is de bedoeling van partijen slechts relevant, voor zover die bedoeling aan de hand van gegevens in de akte zelf, eventueel achteraf, kan worden vastgesteld (vgl. Hoge Raad 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1841).\n\n3.6.3.. \n\nNaar het oordeel van het hof zijn de te cederen vorderingen in de akte van cessie niet voldoende bepaald. Hiervoor is het volgende redengevend.\n\nVan een generieke omschrijving in die zin dat “alle” vorderingen van [persoon C] worden overgedragen is geen sprake. De cessie is immers beperkt tot de vorderingen waarmee de curator ten tijde van het aangaan van de akte van cessie bekend is of redelijkerwijs had kunnen zijn.\n\nDe akte zelf vermeldt slechts de vordering op [bedrijf B] Andere vorderingen waarmee de curator bekend is of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, zijn in de akte niet vermeld. Om vast te stellen welke andere vorderingen zijn overgedragen, is derhalve aanvullende informatie nodig.\n\nDe akte bevat ten slotte geen verwijzing naar objectieve gegevens aan de hand waarvan kan worden vastgesteld of de planschadevordering en de pensioenvordering door de curator aan [appellante] zijn overgedragen. Hierbij is van belang dat het gaat om hetgeen de curator wist of redelijkerwijs kon weten, hetgeen minst genomen een subjectief element bevat.\n\n3.6.4.. \n\nHierbij komt dat uit hetgeen door partijen over en weer is aangevoerd, naar het oordeel van het hof niet volgt dat er sprake is van objectieve gegevens waaruit blijkt dat de curator bekend was of redelijkerwijs bekend kon zijn met de planschadevordering en de pensioenvordering.\n\n [appellante] heeft in dit verband uitsluitend verwezen naar de jaarrekening van [bedrijf A] waarin de pensioenvoorziening van [persoon C] was opgenomen, een e-mailbericht van de curator in het faillissement van [bedrijf A] aan [persoon C] met kopie aan de curator in het faillissement van [persoon C] waarin wordt gerefereerd aan “de pensioenvoorziening” en het faillissementsverslag van 22 mei 2017 in het faillissement van [persoon C] waarin onder het kopje lopende procedures wordt verwezen naar een bezwaarschriftprocedure over een verzoek van [persoon C] aan [gemeente A] om planschadevergoeding.\n\n [geïntimeerde] heeft gemotiveerd betwist dat uit de door [appellante] genoemde documenten wetenschap van de curator volgt. Zij heeft onder andere aangevoerd dat de planschadevordering en de pensioenvordering niet zijn opgenomen bij de vorderingen die staan vermeld onder het kopje activa in het faillissementsverslag. Dit is volgens [geïntimeerde] een belangrijke aanwijzing dat de curator juist niet uitging van het bestaan van de vorderingen.\n\nHierbij komt nog het volgende. De planschadevordering betreft volgens de eigen stellingen van [appellante] de vordering van [persoon C] op [bedrijf A] terzake de koopprijs die [bedrijf A] aan [persoon C] moet betalen omdat [persoon C] zijn vordering op [gemeente A] in verband met planschade aan [bedrijf A] heeft overgedragen. Dat in het faillissementsverslag in het faillissement van [persoon C] de procedure van [persoon C] tegen [gemeente A] is genoemd, zegt hooguit iets over de eventuele bekendheid van de curator met een vordering van [persoon C] op [gemeente A] . Dat de curator bekend was met de door [appellante] gestelde vordering op [bedrijf A] volgt hier naar het oordeel van het hof in ieder geval niet uit.\n\nUit dit alles volgt dat gegevens waar [appellante] naar verwijst niet eenduidig zijn, en geen uitsluitsel geven over de vraag of de curator bekend was, of redelijkerwijs bekend kon zijn, met de planschadevordering en de pensioenvordering en heeft beoogd de planschadevordering en de pensioenvordering aan [appellante] over te dragen.\n\n3.6.5.. \n [appellante] heeft aangeboden haar stelling dat er wel objectieve gegevens zijn aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat de curator bekend was met de planschadevordering en de pensioenvordering dan wel dat hij hiermee redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, te bewijzen. Uit hetgeen hiervoor in rov. 3.6.4. is overwogen, volgt echter dat [appellante] haar stellingen op dit punt onvoldoende heeft onderbouwd. Dit betekent dat het hof aan bewijslevering niet toekomt.\n\n3.6.6.. Uit hetgeen hiervoor in rov. 3.6.3-3.6.5. is overwogen volgt dat naar het oordeel van het hof niet is voldaan aan het vereiste dat de akte van cessie zodanige gegevens moet bevatten dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vorderingen het gaat. Dat door het horen van getuigen kan worden vastgesteld of de curator ten tijde van de cessie bekend was met de planschadevordering en de pensioenvordering, maakt dit niet anders. Dit betekent immers niet dat sprake is van objectieve gegevens aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat de curator bekend was met de planschadevordering en de pensioenvordering dan wel dat hij hiermee redelijkerwijs bekend had kunnen zijn.\n\n3.6.7.. Omdat niet aan het bepaaldheidsvereiste is voldaan, zijn de planschadevordering en de pensioenvordering niet aan [appellante] overgedragen. [appellante] is geen rechthebbende van deze vorderingen en kan om die reden dus ook niet als schuldeiser in het faillissement van [bedrijf A] worden erkend. Dit betekent dat het hof niet toekomt aan de vraag of de pensioenvordering overdraagbaar is en ook niet aan de vraag naar bestaan en omvang van de planschadevordering en de pensioenvordering.\n\nBelang [geïntimeerde] bij betwisting?\n\n3.7.1.. \n\n [appellante] heeft nog aangevoerd dat [geïntimeerde] geen belang heeft bij de betwisting van haar vorderingen en dat het afwijzen van haar vordering tot verificatie in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Indien de planschadevordering en de pensioenvordering niet aan haar zijn overgedragen, is [persoon C] nog steeds rechthebbende van die vorderingen en komen zij om die reden ten laste van de boedel, aldus [appellante] .\n\nHet hof volgt [appellante] hierin niet. In deze renvooiprocedure ligt uitsluitend de vraag voor of de vorderingen van [appellante] moeten worden erkend. Dit is waarover het hof moet beslissen. De vraag of vorderingen van [persoon C] moeten worden erkend ligt niet voor en dus kan het hof daarover ook niet beslissen. Dat de planschadevordering en de pensioenvordering gezien de uitkomst van deze renvooiprocedure mogelijk alsnog (opnieuw) door [persoon C] ter verificatie worden ingediend, levert geen grond op voor toewijzing van de vordering tot verificatie van [appellante] .\n\nSlotsom\n\n3.8.. \n\nUit het voorgaande volgt dat de grieven van [appellante] niet slagen, dan wel geen nadere behandeling behoeven. Het hof zal het vonnis van de rechtbank bekrachtigen. [appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep.\n\nDe kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen vastgesteld worden op:\n\nGriffierechten € 783,-\n\nSalaris advocaat € 4.249,- (3,5 punten x tarief II)\n\nNakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal € 5.210,-\n\nHet hof heeft liquidatietarief II gehanteerd. Dit tarief is onder andere van toepassing op zaken van onbepaalde waarde. Het hof is voor de bepaling van het toepasselijke liquidatietarief niet uitgegaan van de nominale waarde van de vorderingen van [appellante] die de inzet zijn van deze renvooiprocedure. De reden hiervoor is dat het in deze procedure gaat om de vraag of de vorderingen van [appellante] in het faillissement van [bedrijf A] moeten worden erkend. Toewijzing van de vorderingen zou niet hebben geleid tot betaling van het nominale bedrag van de vorderingen aan [appellante] , maar tot een uitkering in het faillissement van [bedrijf A] . Aangezien onzeker is of het daadwerkelijk tot een uitkering in het faillissement van [bedrijf A] zou komen en voor welk bedrag, ligt toepassing van liquidatietarief II voor de hand.\n\n4. De uitspraak\n\nHet hof:\n\nverklaart [appellante] niet-ontvankelijk in het hoger beroep van het tussenvonnis van 2 maart 2022;\n\nbekrachtigt het eindvonnis van 23 november 2022,\n\nveroordeelt [appellante] in de proceskosten in het principale hoger beroep van € 5.210,-,\n\nte betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [appellante] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [appellante] € 92,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;\n\nverklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. N.W.M. van den Heuvel, A.C. van Campen en C.B.M. Scholten van Aschat en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 januari 2025.\n\n griffier rolraadsheer","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:117","2026-07-13T00:29:43.516Z",20,[64,11,65],2026,1915]