[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-landlord-tenant-nl-2026":3},{"detail":4,"years":212},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":39,"total":210,"page":14,"limit":211},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},88,"landlord-tenant-nl","Landlord and Tenant","NL","2026-07-08T16:55:44.370Z",2026,[13,16,18,20,22,24,27,29,31,33,35,37],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":19},3,{"month":21,"count":14},4,{"month":23,"count":23},5,{"month":25,"count":26},6,26,{"month":28,"count":17},7,{"month":30,"count":15},8,{"month":32,"count":15},9,{"month":34,"count":15},10,{"month":36,"count":15},11,{"month":38,"count":15},12,[40,54,64,74,82,90,98,106,114,121,128,136,144,153,161,168,175,183,193,201],{"id":41,"ecli":42,"slug":43,"caseNumber":44,"courtId":45,"decisionDate":46,"fullText":47,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":50,"sourceTimestamp":51,"parsedAt":52,"updatedAt":53},"1279","ECLI:NL:RBMNE:2026:4005","ecli-nl-rbmne-2026-4005","",71,"2026-07-07T00:00:00.000Z","RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Lelystad\n\nZaaknummer: 12186196 \\ LV EXPL 26-15\n\nVonnis in kort geding van 7 juli 2026\n\nin de zaak van\n\nWOONSTICHTING CENTRADA,\n\nte Lelystad,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: Centrada,\n\ngemachtigde: mr. L. Wanders,\n\ntegen\n\n [gedaagde partij],\n\nte [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde partij] ,\n\ngemachtigde: DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V..\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met 30 producties van 1 juni 2026, - de mondelinge behandeling van 23 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, - de pleitnota van Centrada, - de pleitnota van [gedaagde partij] .\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1.. \n [gedaagde partij] huurt een woning van Centrada aan de [adres 1] in [woonplaats] . Centrada vordert ontruiming van het gehuurde, omdat Centrada meent dat [gedaagde partij] er niet zijn hoofdverblijf heeft. Centrada concludeert dit op basis van de huisbezoeken, een onderzoek met tandenstokers bij de voordeur, verklaringen van buren en het lage energieverbruik van [gedaagde partij] . [gedaagde partij] betwist dat hij niet in het gehuurde woont.\n\n2.2.. De kantonrechter vindt dat Centrada onvoldoende spoedeisend belang heeft bij haar vordering tot onverwijlde ontruiming van het gehuurde. Daarbij weegt mee dat een ontruiming grote gevolgen voor [gedaagde partij] heeft. Centrada is daarom niet-ontvankelijk in haar vordering tot ontruiming.\n\n3. De beoordeling\n\nWat is er gebeurd?3.1.. Op 29 oktober 2025 heeft Centrada een anonieme melding ontvangen waarin de melder aangeeft dat [gedaagde partij] het gehuurde als opslag zou gebruiken en dat hij op de [adres 2] zou wonen.\n\n3.2.. Na de melding heeft Centrada een onderzoek ingesteld. Op 5 november 2025 heeft Centrada een bezoek aan het gehuurde gebracht. [gedaagde partij] bleek op dat moment aanwezig bij zijn buurvrouw [A] (hierna: [A] ) op de [adres 2] . Partijen hebben vervolgens gezamenlijk het gehuurde bezocht. Het gehuurde was gevuld met dozen. De koelkast was leeg, de slaapkamers waren niet toegankelijk en de badkamer stond vol met spullen.\n\n3.3.. Centrada heeft bij brief van 6 november 2025 aan [gedaagde partij] kenbaar gemaakt dat zij op basis van de bevindingen van de dag ervoor van oordeel is dat [gedaagde partij] het gehuurde niet als hoofdverblijf maar als opslagruimte gebruikt. [gedaagde partij] is in de gelegenheid gesteld om alsnog aan te tonen dat hij zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft, onder meer door verbruiksgegevens te overleggen. [gedaagde partij] heeft zijn verbruiksgegevens van Vitens en Essent aan Centrada gestuurd.\n\n3.4.. Op 24 november 2025 heeft opnieuw een huisbezoek plaatsgevonden. [gedaagde partij] had het gehuurde opgeruimd en de koelkast was gevuld met etenswaren (hoewel een aanzienlijk deel over de houdbaarheidsdatum was).\n\n3.5.. Op 11 februari 2025 heeft Centrada een brief gestuurd aan [gedaagde partij] met de mededeling dat zij de huurovereenkomst niet langer wenst voort te zetten vanwege woonfraude. Centrada heeft [gedaagde partij] de mogelijkheid geboden de huurovereenkomst vrijwillig op te zeggen. [gedaagde partij] heeft in zijn e-mail van 13 februari 2025 laten weten daar niet toe bereid te zijn.\n\n3.6.. Vervolgens is Centrada op 17 februari 2026 opnieuw bij het gehuurde langsgegaan. [gedaagde partij] werd toen niet aangetroffen. In de periode van 17 februari 2026 tot 1 mei 2026 is Centrada op meerdere momenten bij het gehuurde geweest. Daarbij heeft Centrada meermaals een tandenstoker tussen de voordeur van [gedaagde partij] geplaatst om te bekijken hoeveel dagen die ongewijzigd op zijn plaats bleef.\n\nHet standpunt van Centrada3.7.. Centrada is na een anonieme melding een onderzoek gestart naar de bewoning door [gedaagde partij] . Centrada concludeert dat [gedaagde partij] de woning niet als hoofdverblijf gebruikt. Centrada betoogt dat haar onderzoek met de tandenstoker aantoont dat [gedaagde partij] gedurende langere aaneengesloten periodes de woning niet heeft betreden. Centrada heeft twee omwonenden gesproken waaruit Centrada afleidt dat [A] en [gedaagde partij] samenwonen. Samen met het lage gas- en water verbruik van [gedaagde partij] , leidt dit volgens Centrada tot de conclusie dat [gedaagde partij] niet zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft. Centrada wil dat [gedaagde partij] de woning ontruimt.\n\nHet standpunt van [gedaagde partij]3.8.. betoogt dat hij wel degelijk in het gehuurde woont. Hij is het niet met de bevindingen van Centrada eens. Volgens [gedaagde partij] kan de ‘tandenstokermethode’ bij de voordeur niet tot enige conclusie leiden. [gedaagde partij] zegt dat hij de woning regelmatig via de achterzijde verlaat, omdat zijn scootmobiel daar staat. [gedaagde partij] verklaart dat zijn waterverbruik laag is omdat hij vanwege watervrees geen gebruik maakt van de douche. In plaats daarvan wast [gedaagde partij] zich met de hand. Verder zegt [gedaagde partij] dat hij zuinig leeft. Over het gasgebruik licht [gedaagde partij] toe dat hij voor het opwarmen van water zijn kokend water kraan gebruikt, dat hij elektrisch kookt en dat hij de woning elektrisch verwarmt. [gedaagde partij] bevestigt dat hij regelmatig bij zijn buurvrouw [A] op nummer [adres 2] te vinden is, maar betwist dat hij bij haar woont. [gedaagde partij] en [A] zijn vrienden en verre familieleden. [A] is net als [gedaagde partij] in-\u002Fmindervalide en beide vinden steun aan elkaar. [gedaagde partij] zegt dat beiden in hun eigen woning slapen. [gedaagde partij] legt een verklaring van [A] over en een verklaring van een vriend.\n\nHet juridisch kader3.9.. In een kortgedingprocedure wordt aan de rechter gevraagd om een (spoed)maatregel te nemen. De wet gaat ervan uit dat er na de kortgedingprocedure ook een gewone rechtszaak (bodemprocedure) zal komen. In deze zaak wordt ontruiming gevorderd. Dat is een zeer ingrijpende en meestal onomkeerbare maatregel die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling daarvan moet grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een - diepgaand - onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.\n\n3.10.. Voor toewijzing van een dergelijke vordering zal dan ook slechts plaats zijn als deze vooruitloopt op een vonnis in een bodemprocedure waarbij met een grote mate van waarschijnlijkheid ook de ontruiming zal worden bevolen, terwijl bovendien sprake moet zijn van een zodanig ernstige tekortkoming en van een zodanig spoedeisend belang dat de beslissing in de bodemzaak niet kan worden afgewacht. Daarbij dient de kantonrechter uit te gaan van de feiten met de beperkte onderzoeksmogelijkheden die het kort geding hem biedt, aangezien formele bewijslevering in deze procedure in beginsel niet plaatsvindt.\n\nCentrada heeft onvoldoende spoedeisend belang3.11.. Allereerst dient dus te worden beoordeeld of sprake is van een spoedeisend belang aan de zijde van Centrada. Dit gaat om het spoedeisend belang als ontvankelijkheidseis. Dit spoedeisend belang moet worden beoordeeld op het moment van dit vonnis, uitgaande van datgene wat op de mondelinge behandeling door partijen naar voren is gebracht.\n\n3.12.. Centrada betoogt dat haar spoedeisend belang erin is gelegen dat de woning op korte termijn beschikbaar komt voor een nieuwe huurder die de woning daadwerkelijk zal bewonen. Het gaat om een sociale huurwoning waarvoor de wachtlijsten inmiddels zijn opgelopen tot meer dan acht jaar. Door het gehuurde niet zelf te bewonen, wordt de woning onttrokken aan de doelgroep waarvoor die bestemd is. Dit staat haaks op de maatschappelijke taak van Centrada om de schaarse sociale woonruimte beschikbaar te stellen aan woningzoekenden die daarop zijn aangewezen. [gedaagde partij] betwist dat Centrada een spoedeisend belang heeft.\n\n3.13.. Blijkens de rechtspraak van de Hoge Raad is het spoedeisend belang niet een op zichzelf staand vereiste waaraan uitsluitend het belang van eiser moet worden getoetst, maar moet aan de hand van een afweging van de belangen van beide partijen worden beoordeeld of eiser een voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening.\n\n3.14.. Hoewel algemeen bekend is dat er lange wachtlijsten voor sociale huurwoningen zijn, is de kantonrechter van oordeel dat het belang van Centrada bij een onverwijlde ontruiming, mede gelet op het belang van [gedaagde partij] , onvoldoende spoedeisend is. Daarbij weegt mee dat de huurovereenkomst sinds 2011 geduurd heeft en dat niet eerder sprake is geweest van onregelmatigheden. Ook weegt mee dat het onderzoek van Centrada sinds november 2026 loopt en 8 maanden later deze procedure is opgestart. Tegenover het belang van Centrada staat het belang van [gedaagde partij] , die slecht ter been is en een kwetsbare gezondheid heeft. Een ontruiming zou ingrijpende gevolgen voor [gedaagde partij] hebben. De afweging van deze belangen maakt dat de spoedeisendheid niet dusdanig is dat van Centrada niet kan worden gevergd dat zij een bodemprocedure start en het verloop hiervan afwacht.\n\nTen overvloede3.15.. Daarbij komt dat vooralsnog onvoldoende aannemelijk is geworden dat in een bodemprocedure de huurovereenkomst zal worden ontbonden. Hoewel de omstandigheden die Centrada naar voren heeft gebracht de schijn wekken dat [gedaagde partij] niet zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft, heeft [gedaagde partij] sinds het bezoek van 5 november 2025 verschillende maatregelen getroffen om de woning voldoende bewoonbaar te laten zijn. [gedaagde partij] erkent dat hij en zijn buurvrouw [A] onderling steun aan elkaar hebben en dat zij geregeld bij elkaar over de vloer komen, maar door [gedaagde partij] wordt uitdrukkelijk betwist dat sprake is van een gemeenschappelijk hoofdverblijf in de woning van [A] . Als de verhuurder gemotiveerd stelt dat de huurder geen hoofdverblijf heeft in het gehuurde, mag van de huurder worden verlangd dat hij feitelijke gegevens verstrekt ter motivering van zijn betwisting van de stellingen van de verhuurder om deze aanknopingspunten voor eventuele bewijslevering te verschaffen. In dat kader heeft [gedaagde partij] een toelichting gegeven over zijn lage energieverbruik, het gebruik van de achterdeur en heeft hij enkele verklaringen overgelegd. Onder deze omstandigheden is het vooralsnog niet zonder meer aannemelijk dat de bodemrechter tot de ontbinding van de huurovereenkomst zal overgaan. Desalniettemin dient [gedaagde partij] wel met die mogelijkheid rekening te houden.\n\nProceskosten3.16.. Centrada is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde partij] worden begroot op:\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n577,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n21,50\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n598,50\n\n3.17.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n4.1.. verklaart Centrada niet-ontvankelijk in haar vordering,\n\n4.2.. veroordeelt Centrada in de proceskosten van € 598,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Centrada niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n4.3.. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.\n\nPM\u002F45352\n\n HR 29 november 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE4553.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4005","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:13.644Z",{"id":55,"ecli":56,"slug":57,"caseNumber":44,"courtId":58,"decisionDate":59,"fullText":60,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":61,"sourceTimestamp":62,"parsedAt":52,"updatedAt":63},"503","ECLI:NL:RBAMS:2026:6701","ecli-nl-rbams-2026-6701",56,"2026-07-03T00:00:00.000Z","vonnis\n\nRECHTBANK AMSTERDAM\n\nAfdeling privaatrecht\n\nzaaknummer: 11957110 CV EXPL 25-15517\n\nvonnis van: 3 juli 2026\n\nfno.: 454\n\nvonnis van de kantonrechter\n\nI n z a k e\n\n [eiser] ,\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\neiser,\n\nnader te noemen: [eiser] ,\n\ngemachtigde: mr. A.E. Smink (DAS),\n\nt e g e n\n\n1. [gedaagde 1] ,\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\ngedaagde sub 1.,\n\nnader te noemen: [gedaagde 1] ,\n\n2. [gedaagde 2] ,\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\ngedaagde sub 2.,\n\nnader te noemen: [gedaagde 2] ,\n\ngedaagden gezamenlijk te noemen: [gedaagden] ,\n\ngemachtigde: mr. W.H.A.M. van den Muijsenbergh.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nde dagvaarding van 22 oktober 2025, met bijlagen;\n\nde conclusie van antwoord van [gedaagden] met bijlagen;\n\nhet instructievonnis van 19 februari 2026, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;\n\nde dagbepaling mondelinge behandeling.\n\n1.2.. \n\nDe mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 juni 2026. [eiser] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Voor [gedaagden] is dhr. [naam] (bestuurder van de Stichting MOY) verschenen met de gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, mr. Smink heeft een pleitnota voorgedragen en partijen hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. Ten slotte is vonnis gevraagd en is daarvoor een datum bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n\n [gedaagde 2] is eigenaar van het pand aan de [adres] .\n\nIn het pand worden twee onzelfstandige woonruimtes en vier zelfstandige\n\nWoonruimtes verhuurd.2.2.. De [bedrijf] was beheerder van het onroerend goed van [gedaagde 2] was (middellijk) bestuurder van de Stichting, totdat hij het bestuur van de Stichting heeft overgedragen aan zijn zoon, die zich op 16 september 2024 met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2024 bij de Kamer van Koophandel (hierna: KvK) heeft ingeschreven als bestuurder van de Stichting.2.3.. Tussen de Stichting als verhuurder en [eiser] als huurder is op 21 augustus 2023 een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot onzelfstandige woonruimte [adres] . De overeengekomen huurprijs is € 1.375,00 per maand, exclusief € 150,00 aan voorschot voor de door de Stichting te verzorgen levering voor gas, water en elektra en € 75,00 aan servicekosten. [eiser] heeft op 30 november 2023 de huurcommissie verzocht om uitspraak te doen over de redelijkheid van de overeengekomen huurprijs.\n\n2.4.. De huurcommissie heeft op 19 februari 2024 uitspraak gedaan en geoordeeld dat een huurprijs van € 448,52 per maand met ingang van 21 augustus 2023 redelijk is. Verder is de huurprijs tijdelijk verlaagd tot € 179,41 per maand wegens ernstige gebreken.2.5.. De Stichting is bij dagvaarding van 25 april 2024 een procedure (met kenmerk CV EXPL 24-5715) gestart tegen [eiser] en heeft daarin vernietiging van de uitspraak van de Huurcommissie gevorderd. In reconventie heeft [eiser] terugbetaling van de onverschuldigd betaalde huur over de periode 21 augustus 2023 tot en met juni 2024 ter hoogte van € 12.389,51 gevorderd, alsmede € 1.195,59 per maand vanaf juli 2024, vermeerderd met rente.2.6.. \n [eiser] heeft tot en met juli 2024 de overeengekomen huur van € 1.375,00 betaald Vanaf 1 augustus 2024 heeft hij maandelijks € 179,41 aan huur betaald aan de Stichting.2.7.. Op 1 oktober 2024 heeft [gedaagde 1] als bestuurder van de Stichting aan de KvK opgave gedaan van de ontbinding van de Stichting. De ontbinding is op 10 oktober 2024 geregistreerd in de KvK “omdat er geen bekende baten meer aanwezig zijn met ingang van 01-10-2024.”2.8.. Op 4 november 2024 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden in de door de Stichting gestarte procedure met kenmerk CV EXPL 24-5715. Op 3 december 2024 heeft de kantonrechter te Amsterdam vonnis gewezen en is de vordering van de Stichting in conventie afgewezen en de vordering van [eiser] in reconventie tot betaling van € 12.389,51 aan onverschuldigd betaalde huur over de periode 21 augustus 2023 tot en met juni 2024 toegewezen. Voorts is de Stichting veroordeeld tot betaling van de teveel betaalde huur van € 1.195,59 vanaf 1 juli 2024 en betaling van de proceskosten van in totaal € 879,50.2.9.. Bij e-mail van 27 maart 2025 heeft [gedaagde 1] als reactie op een verzonden sommatie van de gemachtigde van [eiser] bericht dat de Stichting is geliquideerd en dat de Stichting Refam Vastgoedbeheer & Huurgelden de nieuwe verhuurder van [eiser] is.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n [eiser] heeft in de dagvaarding veroordeling van [gedaagden] gevorderd tot betaling van € 13.310,03, vermeerderd met rente vanaf datum verzuim en betaling van de incassokosten van € 1.089,80. Voorts vordert [eiser] een verklaring voor recht dat [gedaagde 1] als formeel bestuurder en [gedaagde 2] als feitelijk, respectievelijk indirect formeel bestuurder persoonlijk aansprakelijk zijn voor de schade van [eiser] . Ter zitting heeft [eiser] de vordering verminderd tot het bedrag € 12.054,16 (€ 13.310,03 -\u002F- € 1.255,87, te weten 7 maanden huur ad € 179,41 over de periode november 2024 tot en met mei 2025).\n\n3.2.. \n [eiser] legt aan de vordering kort gezegd ten grondslag dat hij de vordering tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde huur, die door de kantonrechter bij vonnis van 3 december 2025 tegen de Stichting is toegewezen, kan verhalen op [gedaagden] omdat [gedaagde 1] als bestuurder en [gedaagde 2] als feitelijk\u002Findirect bestuurder van de Stichting zijn verhaalsmogelijkheden op onrechtmatige wijze hebben gefrustreerd. Volgens [eiser] bestaat de onrechtmatige daad uit het ten onrechte plegen van een turboliquidatie. De Stichting is geliquideerd terwijl er nog baten aanwezig waren. Het heeft er volgens [eiser] alle schijn van dat [gedaagde 2] door middel van ingewikkelde constructies met rechtspersonen een rookgordijn probeert op te werpen om zo zijn betalingsverplichtingen te ontlopen, aldus [eiser] .\n\n3.3.. \n [gedaagden] voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Tussen partijen is in geschil of – zoals [eiser] stelt, maar [gedaagden] hebben betwist – [gedaagden] misbruik maken van identiteitsverschil tussen hen in persoon en verschillende rechtspersonen. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van misbruik van identiteitsverschil is het door de Hoge Raad op 13 oktober 2000 gewezen Rainbow-arrest richtinggevend (ECLI:NL:HR:2000:AA7480). De in dit arrest verwoorde maatstaf is bevestigd in het arrest van de Hoge Raad van 7 oktober 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2285).\n\n4.2.. De Hoge Raad heeft in het Rainbow-arrest vooropgesteld dat door degene die (volledige of overheersende) zeggenschap heeft over twee rechtspersonen misbruik kan worden gemaakt van het identiteitsverschil tussen deze rechtspersonen en dat hetgeen met zodanig misbruik werd beoogd, in rechte niet hoeft te worden gehonoreerd. Het maken van zodanig misbruik zal volgens de Hoge Raad in de regel moeten worden aangemerkt als een onrechtmatige daad, die verplicht tot het vergoeden van de schade die door het misbruik aan derden wordt toegebracht. Deze verplichting tot schadevergoeding zal dan niet alleen rusten op de persoon die met gebruikmaking van zijn zeggenschap de betrokken rechtspersonen tot medewerking aan dat onrechtmatig handelen heeft gebracht, maar ook op deze rechtspersonen zelf, omdat het ongeoorloofde oogmerk van degene die hen beheerst, rechtens moet worden aangemerkt als een oogmerk ook van henzelf. Van een dergelijk misbruik van identiteitsverschil kan ook sprake zijn indien iemand een goed waarvan hij alle voordelen geniet met gebruikmaking van dat identiteitsverschil buiten zijn vermogen brengt of houdt zonder daarmee een zelfstandig belang van de betrokken rechtspersoon of -personen te dienen, maar uitsluitend met het oogmerk dat goed aan verhaal van zijn crediteuren te onttrekken (vgl. Hoge Raad 27 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG6445, Stichting Waaldijk\u002FAerts q.q.).\n\n4.3.. Vaststaat dat [gedaagde 2] , dan wel zijn persoonlijke holding, eigenaar is van het pand, dat [gedaagde 2] (middellijk) bestuurder was van de Stichting en dat de Stichting de woning aan [eiser] heeft verhuurd. [gedaagden] voert wel aan dat de Stichting het verhuurrecht heeft, maar dit strookt niet met zijn stelling dat de Stichting geen activa heeft en daarom is geliquideerd. [gedaagde 1] heeft daarbij verwezen naar de door hem overgelegde brief van 5 oktober 2023 van de Belastingdienst (productie 1 bij de conclusie van antwoord) waarin is vermeld: “Uit uw antwoorden blijkt dat de stichting of vereniging niet meer actief is. Er is dan ook geen sprake van belastingplicht”. In 2023 was [gedaagde 2] zelf bestuurder van de Stichting. Uit deze brief wordt dan ook afgeleid dat [gedaagde 2] in 2023 niet aan de belastingdienst heeft medegedeeld dat de Stichting verhuurder is van zijn pand. [gedaagden] voert nog aan dat [gedaagde 2] de Stichting in 2002 heeft opgericht om zijn zakelijke belangen op afstand te zetten, maar gesteld noch gebleken is dat hij het verhuurrecht van het pand ook daadwerkelijk aan de Stichting heeft overgedragen. Vanaf 1 maart 2013 was het doel van de Stichting volgens het register van de Kamer van Koophandel weliswaar het exploiteren van onroerend goed, maar ook daaruit blijkt niet dat de Stichting dit op eigen naam heeft gedaan. Nu de Stichting gedurende de huurovereenkomst met [eiser] (en ook overigens met de andere huurders van het pand) is geliquideerd bij gebrek aan baten, kan dan ook niet anders worden geconcludeerd dan dat de Stichting enkel op last van [gedaagde 2] als verhuurder is opgetreden.\n\n4.4.. Door hierover niet duidelijk te communiceren en sterker, door de Stichting zich te laten voordoen als verhuurder op eigen naam en titel, heeft [gedaagde 2] misbruik gemaakt van het entiteitsverschil. [gedaagde 2] had in ieder geval bij de procedure bij de Huurcommissie duidelijk moeten maken dat niet de Stichting, maar hij de daadwerkelijke verhuurder was. Nu hij dit niet heeft gedaan, zich met terugwerkende kracht heeft laten uitschrijven als bestuurder, zijn zoon heeft laten inschrijven en vervolgens de Stichting heeft (laten) ontbinden, terwijl hij zelf al die tijd het verhuurrecht heeft gehouden en vervolgens een andere stichting (Stichting REFAM Vastgoedbeheer & Huurgelden) naar voren heeft geschoven als verhuurder, heeft [gedaagde 2] onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld omdat zijn handelen kennelijk het doel had om verhaal van [eiser] op de Stichting onmogelijk te maken.\n\n4.5.. \n [gedaagde 1] was formeel bestuurder met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2024 en hij heeft de liquidatie daadwerkelijk uitgevoerd. Hoewel de liquidatie niet in strijd met de wet hoeft te zijn als de Stichting daadwerkelijk geen baten had (waar het op lijkt), maar dan had de Stichting zich niet ook jegens [eiser] moeten voordoen als daadwerkelijk verhuurder, wat zij wel tegelijkertijd deed in de procedure over de huurprijs. Het vonnis van 3 december 2024 is uitgesproken na de liquidatie zodat het doel van de turboliquidatie niet anders kan worden opgevat om er voor te zorgen dat [eiser] misleid werd en geen verhaal meer kon halen op de Stichting. De beslissing van de Huurcommissie was vanaf 19 februari 2024 bekend en vanaf dat moment wist [gedaagde 1] dan ook dat [eiser] een vordering tegen de Stichting had uit hoofde van onverschuldigde betaling. Het doen eindigen van de ondernemingsactiviteiten van de Stichting en het doen voortzetten van dezelfde activiteiten door Stichting Refam Vastgoedbeheer & Huurgelden, zonder daarbij de daadwerkelijke verhuurder, te weten [gedaagde 2] , kenbaar te maken, had ook geen ander oogmerk dan [eiser] te benadelen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat er van uit wordt gegaan dat [gedaagde 1] gelet op de familieband, op de hoogte was van de werkelijke constructie. Een dergelijke op benadeling van een schuldeiser gerichte handelwijze van [gedaagde 1] is, net als die van zijn vader, onrechtmatig.\n\n4.6.. De kantonrechter komt dan ook tot de conclusie dat gelet op de aard en ernst van de normschending en alle omstandigheden van het geval dat ter zake van de benadeling van [eiser] aan [gedaagde 2] en [gedaagde 1] een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Zij zijn dan ook beiden hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die [eiser] daardoor leidt. De gevorderde verklaringen voor recht worden daarom toegewezen. Voor wat betreft de servicekosten geldt dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] als feitelijk en formeel bestuurders ook voor terugbetaling van deze kosten aansprakelijk kunnen worden gehouden omdat hiervoor is geoordeeld dat sprake is van een ernstig persoonlijk verwijt omdat zij een rookgordijn hebben gecreëerd. De hoofdsom (inclusief servicekosten) is dan ook toewijsbaar. De gevorderde rente is gegrond op de wet en zal vanaf datum dagvaarding worden toegewezen.\n\n4.7.. \n [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom op grond van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden.\n\n4.8.. \n\n [gedaagden] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Deze kosten zijn als volgt opgebouwd:\n\ndagvaardingskosten € 147,47 griffierecht € 732,00\n\nsalaris gemachtigde € 864,00 (2 punten x € 432,00)\n\nnakosten € 144,00 te vermeerderen met de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing\n\n ------------------ +\n\n € 1.887,47 in totaal\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n5.1.. verklaart voor recht dat [gedaagden] persoonlijk aansprakelijk zijn voor de schade van [eiser] ;\n\n5.2.. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om te betalen aan [eiser] € 12.054,16 aan hoofdsom te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 oktober 2025 tot aan dag van voldoening alsmede € 1.098,80 aan buitengerechtelijke incassokosten;\n\n5.3.. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.887,47 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na datum van dit vonnis, te vermeerderen met de kosten van betekening als de gedaagden niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.4.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.5.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6701","2026-07-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:33.787Z",{"id":65,"ecli":66,"slug":67,"caseNumber":44,"courtId":68,"decisionDate":69,"fullText":70,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":71,"sourceTimestamp":72,"parsedAt":52,"updatedAt":73},"366","ECLI:NL:GHARL:2026:4231","ecli-nl-gharl-2026-4231",70,"2026-06-30T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.360.530\u002F01\n\nzaaknummer rechtbank Midden-Nederland 11830324\n\narrest in kort geding van 30 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [appellant] B.V.\n\ndie is gevestigd in [vestigingsplaats]\n\nadvocaat: mr. J. van Hemel\n\nen\n\n1. [geïntimeerde1]\n\ndie woont in [woonplaats]\n\n2. [geïntimeerde2]\n\ndie woont in [woonplaats]\n\nadvocaat: mr. J. Veninga\n\nPartijen worden hierna aangeduid als [appellant],[geïntimeerde1]en[geïntimeerde2]. [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] worden samen aangeduid als[geïntimeerden] c.s.\n\n1. De procedure\n\nNa het tussenarrest van het hof van 10 maart 2026 heeft op 29 mei 2026 een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Het verslag van die zitting (het proces-verbaal) is toegevoegd aan het dossier. Voorafgaand aan de zitting is van de zijde van [appellant] een akte met productie toegezonden (productie 20). Van de zijde van [geïntimeerden] c.s. waren drie nadere producties toegezonden (producties h5 t\u002Fm h7). Ook die stukken zijn toegevoegd aan het dossier. Aan het slot van de zitting is opnieuw een datum voor de uitspraak bepaald.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1.. \n [geïntimeerden] c.s. huren van [appellant] een woning met tuin. Tussen partijen is in geschil of een strook grond die [geïntimeerden] c.s. gebruiken als deel van hun tuin, bij het gehuurde hoort. [appellant] meent dat de strook grond niet aan [geïntimeerden] c.s. verhuurd is en zij wil dat [geïntimeerden] c.s. die strook ontruimen.\n\n2.2.. In dit kort geding heeft [appellant] bij de kantonrechter gevorderd om, kort gezegd, [geïntimeerden] c.s. te bevelen de strook grond te ontruimen. Subsidiair heeft [appellant] gevorderd om [geïntimeerden] c.s. te bevelen een aantal zaken van de strook grond te verwijderen (onder meer een aantal tuinkassen en een schutting). De kantonrechter heeft de vorderingen op 29 september 2025 afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang.\n\n2.3.. \n [appellant] wil met dit hoger beroep bereiken dat de vorderingen alsnog worden toegewezen.\n\n2.4.. Het hof komt tot het oordeel dat de vorderingen van [appellant] in kort geding niet toewijsbaar zijn. Het hof zal het vonnis van de kantonrechter daarom bekrachtigen. Dat oordeel wordt hieronder toegelicht.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. \n [geïntimeerden] c.s. huren met ingang van 1 november 2017 een woning met tuin aan de [adres] in [woonplaats] . Naast en voor de woning bevindt zich een bedrijfshal met verdere bedrijfsruimten (adres [adres] ).\n\n3.2.. De verhuurders waren aanvankelijk de heer en mevrouw [verhuurders] (hierna samen: [verhuurders] c.s.). [verhuurders] c.s. waren eigenaar van zowel het perceel met woonhuis (kadastraal perceel 252) als het aangrenzende perceel met bedrijfsruimten (kadastraal perceel 253). De woning is ook wel aangeduid als bedrijfswoning.\n\n3.3.. \n [geïntimeerden] c.s. hebben vanaf het begin van de huur (in 2017), de strook grond achter de bedrijfshal gebruikt als onderdeel van hun tuin. Die strook grond ligt op het kadastrale perceel van de bedrijfshal (perceel 253). Bij aanvang van de huur stonden op de strook grond onder meer enkele vruchtbomen. [geïntimeerden] c.s. hebben er in de loop van de tijd onder meer een opslaghok, enkele tuinkassen en een schutting geplaatst.\n\n3.4.. De kadastrale kaart van de percelen is als volgt (de strook grond achter de bedrijfshal is geel gemarkeerd; de openbare weg ligt aan de noordwest-zijde; het deel van het bebouwingsvlak van nummer 218 dat op het kadastrale perceel 253 is geprojecteerd, is in werkelijkheid deel van de bedrijfsruimten):\n\n3.5.. In 2024 hebben [verhuurders] c.s. de twee percelen 252 en 253 met de woning en de bedrijfsruimten verkocht aan [appellant] . De levering aan [appellant] vond plaats op 2 januari 2025. [appellant] is zodoende sinds 2 januari 2025 de verhuurder van de woning met tuin.\n\n3.6.. In of omstreeks mei 2025 heeft [appellant] ten behoeve van de bedrijfsruimten een nieuwe brandverzekering afgesloten. De polis van die verzekering vermeldt onder meer:\n\n“Clausule BRA03 Buitenopslag\n\nOpslag buiten het gebouw is alleen toegestaan op voorwaarde dat:\n\n- Opslag buiten de bedrijfstijden plaatsvindt in metalen (rol)containers, die zijn afgesloten met een hardstalen hangslot.\n\n- Opslag van brandbare zaken zoals hout, pallets, brandbare emballage, brandbare goederen, afval en dergelijke plaatsvindt op minstens 10 meter uit de gevels en eventueel daaraan bevestigde luifels en afdaken.\n\nDe verzekerde garandeert aan de verzekeraar(s) dat aan de bovengenoemde voorwaarden is voldaan. Deze verzekering geschiedt daarom op de uitdrukkelijke voorwaarde dat aan de hierboven vermelde voorwaarden is voldaan. Indien op de ingangsdatum van de verzekering niet aan een garantie wordt voldaan heeft verzekerde, tot uiterlijk drie maanden na de ingangsdatum, de gelegenheid alsnog aan de garantie te voldoen zonder dat dit in die periode gevolgen voor de verzekering heeft.\n\nIndien na deze drie maanden en bij schade blijkt dat aan deze voorwaarden niet is voldaan, geldt er een extra eigen risico van 10% van het schadebedrag met een minimum van € 25.000 en een maximum van € 100.000 per gebeurtenis, tenzij de verzekerde aannemelijk maakt dat de schade door het ontbreken van de genoemde voorwaarden niet is veroorzaakt of vergroot.”\n\n3.7.. \n [appellant] heeft op 16 mei 2025 per e-mail aan [geïntimeerden] c.s. gemeld dat de strook achter de bedrijfshal geen onderdeel is van het gehuurde. [appellant] heeft daarbij verzocht de strook te ontruimen. [geïntimeerden] c.s. stellen zich op het standpunt dat de strook deel is van het gehuurde en zij hebben geen gehoor gegeven aan het verzoek tot ontruiming.\n\n3.8.. \n [appellant] heeft [geïntimeerden] c.s. op 18 augustus 2025 gedagvaard in kort geding. De kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland heeft bij vonnis in kort geding van 29 september 2025 de vorderingen van [appellant] afgewezen.\n\n4. De beoordeling\n\nSpoedeisend belang\n\n4.1.. \n [appellant] vordert in dit kort geding een aantal voorlopige voorzieningen. Het hof moet eerst beoordelen of er spoedeisend belang is bij die voorzieningen. Deze beoordeling moet plaatsvinden met afweging van de belangen van partijen.\n\n4.2.. Naar het oordeel van het hof ontbreekt het spoedeisend belang bij de vorderingen om [geïntimeerden] c.s. te gebieden het eigendomsrecht van [appellant] te eerbiedigen en daarop geen inbreuk te maken (primaire vorderingen sub 1 en sub 2) en bij de vordering om [geïntimeerden] c.s. te veroordelen de huurovereenkomst onverkort na te komen (subsidiaire vordering sub 1). Gezien het algemene karakter van die vorderingen is niet in te zien welk (spoedeisend) belang met toewijzing van die vorderingen is gediend.\n\n4.3.. Wat betreft de andere vorderingen acht het hof het spoedeisend belang in beginsel aanwezig. [appellant] vordert primair ontruiming van de strook grond; subsidiair vordert zij, naar het hof begrijpt, dat een aantal voorwerpen van de strook verwijderd worden. Volgens [appellant] kan zij door de wijze waarop [geïntimeerden] c.s. de strook grond gebruiken, niet voldoen aan de voorwaarden van haar brandverzekering. Daarnaast zou het gebruik van de strook [appellant] hinderen bij het vinden van een nieuwe huurder voor de bedrijfsruimten. Naar het oordeel van het hof is er gelet op de gestelde omstandigheden in beginsel een voldoende spoedeisend belang bij een beoordeling van de gevraagde voorlopige voorzieningen.\n\nHuur\n\n4.4.. \n [appellant] stelt zich primair op het standpunt dat de strook achter de bedrijfshal niet aan [geïntimeerden] c.s. verhuurd is. Volgens [appellant] hebben de vorige eigenaren – [verhuurders] c.s. – aan [geïntimeerden] c.s. toestemming gegeven om de vruchten te plukken van de bomen die op de strook staan. Dat betekent, aldus [appellant] , echter niet dat de strook ook aan [geïntimeerden] c.s. verhuurd is. Mogelijk kan de door [verhuurders] c.s. gegeven toestemming begrepen worden als het verlenen van een gebruiksrecht voor onbepaalde tijd. [appellant] heeft een eventueel gebruiksrecht echter opgezegd, zodat van een gebruiksrecht inmiddels geen sprake meer kan zijn. Dat betekent dat [geïntimeerden] c.s. de strook zonder recht of titel gebruiken, en het gebruik is in de gegeven omstandigheden ook onrechtmatig. [geïntimeerden] c.s. zijn dan ook gehouden om de strook grond te ontruimen, aldus telkens [appellant] .\n\n4.5.. Volgens [geïntimeerden] c.s. is de strook grond achter de bedrijfshal wel degelijk aan hen verhuurd. [geïntimeerden] c.s. verklaren dat zij voorafgaand aan het sluiten van de huurovereenkomst (in 2017) met de verhuurmakelaar, de heer [naam] , over de strook grond gesproken hebben. Daarbij hebben [geïntimeerden] c.s., zo stellen zij, laten weten dat zij alleen geïnteresseerd waren in de huur van de woning als zij ook gebruik zouden kunnen maken van de strook. [geïntimeerden] is bioloog, en [geïntimeerden] c.s. wilden zodoende graag een woning huren met een tuin die de nodige ruimte bood voor onder meer het kweken van planten. Volgens [geïntimeerden] c.s. heeft makelaar [naam] destijds namens de toenmalige verhuurders [verhuurders] c.s. bevestigd dat zij de strook grond – die volgens hen tot dat moment door [verhuurders] c.s. zélf als moestuin was gebruikt – mochten gebruiken. Zij zijn er dan ook altijd van uitgegaan dat de strook grond onderdeel is van het gehuurde, aldus telkens [geïntimeerden] c.s.\n\n4.6.. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerden] c.s. in het kader van dit kort geding voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat de strook grond achter de bedrijfshal inderdaad onderdeel is van het gehuurde. [geïntimeerden] c.s. verklaren dat de strook in 2017 als onderdeel van het gehuurde aan hen in gebruik gegeven. Die verklaring vindt in enige mate steun in de door [appellant] overgelegde verklaringen van mevrouw [verhuurder] en van de betrokken verhuurmakelaar, de heer [naam] . [verhuurders] heeft over deze kwestie op 20 juni 2025 per WhatsApp aan [appellant] bericht:\n\n“(…) En bij nader denken nog even over de tuin. Er is destijds gesproken dat ze de vruchten van de zijtuin mochten plukken. Dwz de bessenstruiken, frambosen aardbeien en pruimenboom etc. Dat is dus wat anders dan een kas plaatsten etc. Eea is nooit rechtstreeks besproken. Altijd via [naam] van [naam makelaar] . Tevens zouden ze een hovenier gebruiken voor het tuin onderhoud. (…)”\n\nDe betrokken verhuurmakelaar, de heer [naam] van [naam makelaar] , schrijft over de kwestie in een e-mail aan [appellant] van 2 augustus 2025:\n\n“Per 01-11-2017 hebben wij namens onze opdrachtgever de woning [adres] verhuurd aan de heer [geïntimeerde1] en mevrouw [geïntimeerde2] .\n\nDit betrof de woning met de tuin conform de kadastrale kaart. De tuin achter het bedrijfsgedeelte hoort hier niet bij. Aangezien de huurder van het bedrijfspand deze tuin echter niet gebruikte, is mondeling overeengekomen dat de huurder van het woongedeelte dit gedeelte van de tuin mag gebruiken in die zin dat ze het mogen bijhouden c.q. snoeien en de vruchten van de planten mogen gebruiken. Voor het plaatsen van bouwwerken of het afsluiten van de tuin d.m.v. een schutting o.i.d. is nooit toestemming gegeven en is in onze periode van beheer van het pand ook nooit sprake van geweest.”\n\nMakelaar [naam] en mevrouw [verhuurder] verklaren dus dat aan [geïntimeerden] c.s. toestemming is gegeven om de strook grond te benutten in die zin dat [geïntimeerden] c.s. de vruchten mochten plukken. [naam] verklaart daarnaast dat met [geïntimeerden] c.s. is afgesproken dat zij de strook grond mogen gebruiken in die zin dat ze ‘het mogen bijhouden en snoeien’.\n\n4.7.. Van belang is verder dat vaststaat dat [geïntimeerden] c.s. de strook grond na aanvang van de huur feitelijk in gebruik hebben genomen. Daarbij hebben zij op de strook onder meer enkele tuinkassen en een opslaghok geplaatst. Volgens [geïntimeerden] c.s. hebben de vorige eigenaren en makelaar [naam] nooit kenbaar gemaakt dat dit gebruik van de strook niet toegestaan zou zijn. Daarbij merken [geïntimeerden] c.s. op dat [verhuurders] c.s. de percelen in 2024 te koop hebben aangeboden, dat makelaar [naam] daarbij optrad als verkoopmakelaar, en dat ook toen niet tegen [geïntimeerden] c.s. gezegd is dat het genoemde feitelijk gebruik niet toegestaan zou zijn. Toen [appellant] in 2024 de percelen samen met makelaar [naam] bezichtigde, zou [appellant] zelf [geïntimeerden] c.s. overigens juist gecomplimenteerd hebben met de (mede) op de strook grond aangelegde tuin. Een en ander is door [appellant] niet voldoende gemotiveerd weersproken.\n\n4.8.. \n [appellant] merkt op dat de huurovereenkomst vermeldt dat het gaat om huur van ‘ [adres] ’. [appellant] betoogt dat de huur dus alleen ziet op het kadastrale perceel 252 en niet ook op een deel van het kadastrale perceel 253. Dit betoog is tevergeefs. [geïntimeerden] c.s. wijzen er terecht op dat de huurovereenkomst daarbij niets vermeldt over de kadastrale percelen, en dat bijvoorbeeld ook niet vermeld wordt dat de huur slechts betrekking heeft op het kadastrale perceel van de woning. Verder hebben [geïntimeerden] c.s. onweersproken gesteld dat het gehuurde ook enkele parkeerplaatsen omvat die gelegen zijn op het kadastrale perceel van de bedrijfshal. De tekst van de huurovereenkomst vormt in de gegeven omstandigheden dan ook geen (voldoende) duidelijke aanwijzing dat de strook grond achter de bedrijfshal niet tot het gehuurde behoort.\n\n4.9.. Het hof komt alles afwegende tot de slotsom dat voorshands voldoende feiten en omstandigheden zijn gebleken die niet onaannemelijk maken dat de strook grond tot het gehuurde behoort. De verklaringen van [geïntimeerden] c.s. dat zij de strook huren, vinden (deels) steun in de verklaringen van makelaar [naam] en mevrouw [verhuurder] , en zij stroken kennelijk ook met de feitelijke gang van zaken sinds het aangaan van de huurovereenkomst in 2017. [appellant] heeft daar onvoldoende tegenover gesteld. Het hof ziet, gelet op het karakter van deze kortgedingprocedure, geen aanleiding om over te gaan tot nadere bewijslevering. Daarvoor zijn partijen aangewezen op een bodemprocedure. Dit betekent dat het hof er in dit kort geding voorlopig van uitgaat dat [geïntimeerden] c.s. de strook grond achter de bedrijfshal huren. De primaire vordering van [appellant] zal daarom ook in hoger beroep worden afgewezen.\n\nStrijd met de algemene huurbepalingen?\n\n4.10.. \n [appellant] stelt subsidiair – voor het geval dat aangenomen zou worden dat [geïntimeerden] c.s. de strook grond huren – dat [geïntimeerden] c.s. de strook gebruiken in strijd met het bepaalde in de huurovereenkomst. [appellant] wijst erop dat [geïntimeerden] c.s. op de strook onder meer kassen en een opberghok hebben geplaatst, en dat zij de strook aan de oostzijde hebben afgesloten met een schutting. Volgens [appellant] is op grond van de algemene bepalingen bij de huurovereenkomst het plaatsen van zulke voorwerpen alleen toegestaan met toestemming van de verhuurder. Die toestemming is, aldus [appellant] , nooit gegeven. [appellant] vordert daarom subsidiair dat [geïntimeerden] c.s. veroordeeld worden om de aanwezige (bouw)werken, opstallen, materialen, erfafscheidingen en dergelijke, van de strook grond te verwijderen.\n\n4.11.. Het hof zal ook de subsidiaire vordering afwijzen. Daarbij kan in het midden blijven of op grond van de huurvoorwaarden toestemming nodig was voor het plaatsen van de diverse objecten. [geïntimeerden] c.s. hebben namelijk toegelicht en onderbouwd dat de voorwerpen – of in elk geval de meeste ervan – al lange tijd op de strook aanwezig zijn, dat de vorige verhuurders ( [verhuurders] c.s.) en hun makelaar ( [naam] ) daarmee bekend waren, en dat er nooit tegen de aanwezigheid van de voorwerpen geprotesteerd is. Daarbij merkt het hof op dat [appellant] weliswaar betwist dat makelaar [naam] tussen 2017 en eind 2024 het gehuurde geregeld inspecteerde; niet ter discussie staat echter dat [geïntimeerden] c.s. en de aanvankelijke verhuurders ( [verhuurders] c.s.) alleen contact hadden via makelaar [naam] . Evenmin staat ter discussie dat diezelfde makelaar in het kader van de verkoop van de percelen, in 2024 op de strook grond is geweest, dat daarbij ook is gesproken met [geïntimeerden] c.s., en dat (ook) toen niet tegen de aanwezigheid van de voorwerpen geprotesteerd is. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerden] c.s. daarmee in het kader van dit kort geding voldoende hebben aangetoond dat in de handelwijze van [verhuurders] c.s. en de door hen aangewezen makelaar [naam] , besloten lag dat toestemming gegeven werd voor het aanwezig hebben van de bedoelde voorwerpen. Dat dit geen schriftelijke toestemming was op een schriftelijk verzoek, kan hier – gelet ook op het feit dat het gaat om een al langere tijd bestaande situatie – naar het voorshands oordeel van het hof in redelijkheid niet aan [geïntimeerden] c.s. worden tegengeworpen. Het betoog van [appellant] dat de toestemming van de verhuurder ontbreekt, is in zoverre dan ook tevergeefs. Dat [geïntimeerden] c.s. op grond van de redelijkheid en billijkheid gehouden zouden zijn de voorwerpen te verwijderen, valt – gelet op het feit dat het gaat om een al langer bestaande situatie en het gegeven dat [appellant] de door haar genoemde brandverzekering pas nadien, in 2025, heeft afgesloten – evenmin in te zien. Ook in zoverre wordt het betoog van [appellant] dus verworpen.\n\n4.12.. Volgens [appellant] zijn er na 2 februari 2025 – de dag waarop zij eigenaar werd van de percelen – nog méér voorwerpen op de strook geplaatst. [geïntimeerden] c.s. erkennen dat er in de loop van 2025 nog – zonder toestemming van [appellant] – een schutting is geplaatst. Het gaat, naar het hof begrijpt, om de schutting aan de oostkant van de strook grond (de schutting die is aangegeven op de kaart die is opgenomen in rov. 3.4). Het hof ziet echter geen grond om [geïntimeerden] c.s. in het kader van dit kort geding te bevelen die schutting te verwijderen. [geïntimeerden] c.s. wijzen er namelijk terecht op dat de buitenopslag-clausule BRA03 in de verzekeringspolis van [appellant] kennelijk geen gevolgen verbindt aan het aanwezig hebben van een schutting (zie hierboven, onder 3.6). De aanwezigheid van de schutting vormt, zoals [geïntimeerden] c.s. opmerken, kennelijk geen vorm van ‘opslag’ als bedoeld die clausule. Dat de aanwezigheid van de schutting voor [appellant] risico’s oplevert vanwege de brandverzekering, valt dan ook niet in te zien, in elk geval niet zonder nadere toelichting en onderbouwing. Verder valt – ervan uitgaande dat [geïntimeerden] c.s. de strook grond huren – in redelijkheid niet in te zien waarom de aanwezigheid van de schutting [appellant] zou hinderen bij het vinden van een nieuwe huurder voor de bedrijfsruimten. Daarbij merkt het hof op dat de nooduitgang van het bedrijfspand kennelijk ook niet uitkomt op de strook grond achter de bedrijfshal, maar op het terras achter de woning van [geïntimeerden] c.s. Dat de aanwezigheid van de schutting – zoals [appellant] stelt – ertoe leidt dat er vanuit het bedrijfspand geen goede vluchtweg is, kan gelet op het ontbreken van nadere onderbouwing daarvan niet in te zien. Dit betekent dat het vereiste spoedeisend belang bij de vordering tot verwijdering van de schutting ontbreekt.\n\n4.13.. \n [appellant] heeft niet voldoende duidelijk gemaakt welke concrete objecten er – afgezien van de genoemde schutting – na 2 januari 2025 nog (zonder toestemming) op de strook grond geplaatst zouden zijn. Om die reden is de vordering tot verwijdering van de voorwerpen hier ook voor het overige niet toewijsbaar. Dit betekent dat de grieven van [appellant] alle tevergeefs zijn en dat de vorderingen van [appellant] ook in hoger beroep volledig zullen worden afgewezen.\n\nSlotsom\n\n4.14.. Het hoger beroep van [appellant] slaagt niet. Het vonnis van 29 september 2025 zal onder aanpassing van gronden worden bekrachtigd. Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof haar veroordelen tot betaling van de proceskosten van het hoger beroep. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. [appellant] moet een redelijke termijn krijgen om de proceskosten te voldoen. Het hof zal daarom bepalen dat de wettelijke rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na de betekening.\n\n4.15.. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een partij de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).\n\n5. De beslissing in kort geding\n\nHet hof:\n\n5.1.. bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad , van 29 september 2025;\n\n5.2.. veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerden] c.s.:\n\n€ 362 aan griffierecht;\n\n€ 2.580 aan salaris advocaat (2 punten x tarief II ad € 1.290 per punt);\n\n5.3.. bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag; als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;\n\n5.4.. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.5.. wijst af wat verder is gevorderd.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. A.A.J. Smelt, J.H. Kuiper en W.F. Boele, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.\n\n Rb Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad (ktr) 29 september 2025 (niet gepubliceerd).\n\n Vgl. HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4231","2026-06-26T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:26.265Z",{"id":75,"ecli":76,"slug":77,"caseNumber":44,"courtId":58,"decisionDate":69,"fullText":78,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":79,"sourceTimestamp":80,"parsedAt":52,"updatedAt":81},"1872","ECLI:NL:RBAMS:2026:6408","ecli-nl-rbams-2026-6408","RECHTBANKAMSTERDAM\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZaaknummer: 12010097 \\ CV EXPL 25-17175\n\nVonnis van 30 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [verhuurster],\n\nte [woonplaats] ,\n\neisende partij in conventie,\n\ngedaagde partij in (voorwaardelijke) reconventie,\n\nhierna te noemen: [verhuurster] ,\n\ngemachtigde: mr. J. Kouvarnta,\n\ntegen\n\n [huurder],\n\nte [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in (voorwaardelijke) reconventie,\n\nhierna te noemen: [huurder] ,\n\ngemachtigde: mr. M. Wervenbos (DAS)\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties,\n\n- de conclusie van antwoord met producties,\n\n- het tussenvonnis van 13 maart 2026 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,\n\n- de dagbepaling mondelinge behandeling.\n\nVoorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft [huurder] nog nadere producties in het geding gebracht. [verhuurster] heeft een conclusie van antwoord in (voorwaardelijke) reconventie met nadere producties ingediend.\n\n1.2.. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 mei 2026. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. [verhuurster] en [huurder] zijn verschenen met hun gemachtigden. Partijen zijn gehoord en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. Beide gemachtigden hebben het woord gevoerd, onder meer aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen.\n\n1.3.. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [verhuurster] is eigenaresse van de woning aan het [adres] (hierna: de woning). Haar hypotheeklasten voor deze woning zijn thans € 641,42 bruto per maand.\n\n2.2.. \n [verhuurster] verhuurt deze woning sinds september 2016 aan [huurder] . [verhuurster] is op dat moment ingetrokken bij haar toenmalige echtgenoot. Omdat partijen het nooit eens zijn geworden over de huurcondities is de huurovereenkomst niet op schrift gesteld.\n\n2.3.. De huidige huurprijs voor de woning bedraagt € 1.177,00 per maand.\n\n2.4.. \n\nBij e-mailbericht van 4 maart 2023 heeft [huurder] [verhuurster] als volgt geïnformeerd: “(…) In het onderstaande verzoek herhaalde ik de reden waarom ik niet graag reparatieverzoeken aan jou stuur. Deze reden had ik telefonisch ook al met je gedeeld. De reden is omdat je vaker beloofd dingen op te lossen maar vervolgens niks (…) doet. (Zoals ‘het dossier’ lekkage en schimmelvorming van de badkamer en keuken dat inmiddels ruim 4,5 jaar duurt en waarvan de herstelwerkzaamheden nog steeds niet af zijn). (…). Ik informeer je alvast dat het uitblijven van een schriftelijke inhoudelijke reactie via email (…) en\u002Fof concrete oplossingen zal leiden tot de noodzaak om jou als verhuurder formeel in gebreke te stellen. Tevens kan een deel van de maandelijkse huur, ingaande bij de huur van de maand april 2023, tijdelijk worden ingehouden omdat verhuurder niet aan haar onderhoudsverplichtingen voldoet. (…).”\n\nOp 3 april 2023 en 30 mei 2023 heeft [huurder] opnieuw e-mailberichten naar [verhuurster] gestuurd waarin hij refereert aan gebreken in de woning.\n\n2.5.. Met ingang van 1 mei 2023 heeft [huurder] 20% van de huur ingehouden wegens door hem ervaren vocht- en schimmelgebreken in de woning.\n\n2.6.. Op 16 januari 2025 heeft [verhuurster] [huurder] bericht dat zij de huurovereenkomst wenste te beëindigen, omdat zij vanwege een naderende echtscheiding zelf de woning weer wilde betrekken. [huurder] heeft [verhuurster] op 15 mei 2025 bericht dat hij daaraan niet wil meewerken.\n\n2.7.. Op 9 september 2025 heeft [verhuurster] de huurovereenkomst met [huurder] opgezegd tegen 1 april 2026 op grond van dringend eigen gebruik. Op 10 september 2025 is de echtscheiding tussen [verhuurster] en haar toenmalige echtgenoot uitgesproken. Bij brief van 4 november 2025 heeft [huurder] [verhuurster] bericht dat hij niet instemt met de opzegging van de huurovereenkomst.\n\n2.8.. \n\nPer brief van 26 februari 2026 heeft de gemeente Amsterdam aan de beheerder van de VvE (die de gezamenlijke belangen van alle appartementen in het gebouw waarvan de woning deel uitmaakt, behartigt) bericht dat melding is gemaakt van vocht- en schimmelproblemen in de woning en dat daarom een inspectie in de woning is uitgevoerd. Als bijlage bij de brief is een voorzieningenlijst meegezonden waarin onder meer het volgende staat vermeld:\n\n“(…)\n\nHet aanwezige vocht in de woning condenseert op het plafond van de badkamer, gang en woonkamer met schimmelvorming tot gevolg. Zwarte schimmel is giftig en is daardoor een gevaar voor de gezondheid van personen. De schimmel moet worden verwijderd en het ontstaan van schimmel moet worden voorkomen, (art. 3.5 Bbl).\n\n(…)\n\nDe ventilatievoorziening in de badkamer heeft onvoldoende capaciteit (de gemeten waarde is 0,0 liter per seconde). Daardoor ontstaat een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht. Er moet een ventilatievoorziening met een afvoercapaciteit van ten minste 14 liter per seconde worden aangebracht, waarbij de afvoer van binnenlucht rechtstreeks naar buiten plaatsvindt. Dit kan gerealiseerd worden met een mechanische ventilatie, dan wel een oplossing hieraan gelijkwaardig.\n\n(…).”\n\nVerder staat daarin, voor zover hier van belang, ook vermeld dat in de kleine slaapkamer en op de kozijnen van de grote slaapkamer schimmel is geconstateerd. In de brief is de beheerder verzocht\u002Fgesommeerd om tot herstel van de geconstateerde gebreken over te gaan.\n\n2.5.. \n [huurder] heeft een inkomen van ruim € 6.000,00 netto per maand uit vast dienstverband. Daarnaast verricht hij af en toe tegen betaling werkzaamheden als zzp-er. [huurder] heeft een nieuwbouwwoning in [plaats 1] gekocht. Deze woning wordt naar verwachting medio 2027 opgeleverd.\n\n2.6.. \n [verhuurster] heeft een WW-uitkering van € 2.694,38 die binnenkort tot een einde komt. Als zij op dat moment nog geen baan heeft, zal zij daarna een beroep moeten doen op een bijstandsuitkering als zij daarvoor in aanmerking komt. Zij heeft een stacaravan gehuurd in [plaats 2] waarin zij tot en met mei tegen gereduceerde kosten mag verblijven.\n\n3. De vorderingen en het verweer in conventie\n\n3.1.. \n [verhuurster] vordert in conventie - samengevat - dat de kantonrechter de huurovereenkomst met betrekking tot de woning ontbindt en dat [huurder] wordt veroordeeld tot ontruiming daarvan. Verder vordert zij dat [huurder] wordt veroordeeld tot betaling van € 9.386,70 aan achterstallige huurpenningen en een maandelijkse gebruiksvergoeding gelijk aan de laatstelijk verschuldigde huur vanaf het moment van ontbinding tot de daadwerkelijke ontruiming, een en ander te vermeerderen met wettelijke rente en de proceskosten.\n\n3.2.. \n [verhuurster] legt aan haar vordering kort gezegd ten grondslag dat zij de woning vanwege haar echtscheiding en financiële situatie dringend nodig heeft voor eigen bewoning (artikel 7:274 lid 1 sub c BW) en dat haar belangen bij beëindiging van de huurovereenkomst zwaarder wegen dan de belangen van [huurder] bij voortduring daarvan. [verhuurster] heeft nauwelijks inschrijfverleden voor een sociale huurwoning en onvoldoende inkomen voor een huurwoning in de vrije sector. Bovendien heeft zij een hond die zij onderdak moet geven. [huurder] beschikt over voldoende inkomen voor een woning in de vrije sector en uit overgelegde advertenties blijkt dat voor hem passende woonruimte elders te verkrijgen is. Vanaf 30 april 2023 betaalt [huurder] niet de volledige huurprijs waardoor een achterstand is ontstaan.\n\n3.3.. \n [huurder] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen. Volgens [huurder] heeft [verhuurster] de door haar gestelde dringendheid onvoldoende onderbouwd. De door haar gestelde omstandigheden zijn algemeen van aard en onvoldoende toegespitst op een actuele en concrete noodzaak tot bewoning van de woning. Het tijdverloop tussen de echtscheiding en de gevraagde huurbeëindiging per 1 april 2026 onderstrepen dat. Verder ontbreken controleerbare inkomens- en vermogensgegevens van [verhuurster] en is niet aannemelijk gemaakt dat zelfbewoning van de woning de enige reële oplossing is voor haar omstandigheden. Er is onvoldoende toegelicht welke woonalternatieven [verhuurster] voor zichtzelf heeft onderzocht. Als al sprake zou zijn van een dringende situatie, dient een belangenafweging in het voordeel van [huurder] uit te vallen gelet op i) de langdurige\u002Fernstige gebreken die zijn huurgenot aantasten, ii) het concrete vooruitzicht op zijn verhuizing in 2027 en iii) de forse impact van een tussentijdse verhuizing. Door de lange looptijd van de huurovereenkomst is sprake van sociale inbedding in het flatgebouw en [huurder] is gebonden aan de omgeving vanwege zijn arbeidslocatie en medische behandelingen die hij ondergaat. [verhuurster] heeft verder niet aangetoond dat - gelet op de financiële en medische situatie van [huurder] - passende vervangende woonruimte voor [huurder] voor handen is. Van een huurachterstand is geen sprake. Sinds mei 2023 heeft [huurder] 20% op de huur ingehouden vanwege aanwezige vocht- en schimmelgebreken, waarvan hij [verhuurster] vanaf 2017 mededeling heeft gedaan. Verder zijn in 2024 en 2025 gebreken ontstaan aan keukenapparatuur en lekkages bij kozijnen en deuren. Omdat na melding hiervan herstel uitbleef, heeft [huurder] enkele noodzakelijke reparaties zelf uit laten voeren en de kosten begin 2025 met de huur verrekend.\n\n3.4.. \n\nVoor het geval de beëindiging van de huurovereenkomst en de ontruiming worden toegewezen, maakt [huurder] in reconventie aanspraak op een forfaitaire verhuiskostenvergoeding van € 7.673,00. Verder vordert [huurder] , onvoorwaardelijk en na wijziging van eis, dat\n\ni) voor recht wordt verklaard dat de huurprijs met 20% mag worden verminderd vanaf 30 april 2023 tot het moment dat herstel van desbetreffende gebreken in de woning heeft plaatsgevonden, dan wel dat [verhuurster] wordt veroordeeld tot betaling van schadevergoeding wegens gederfd woongenot ter hoogte van de totaal toegepaste huurkorting van € 8.003,60, te vermeerderen met wettelijke rente;\n\nii) [verhuurster] wordt veroordeeld tot herstel van deze gebreken, zijnde lekkage-, vocht- en schimmelklachten en de daardoor ontstane gevolgschade, op straffe van verbeurte van een dwangsom en\n\niii) [verhuurster] wordt veroordeeld in de proceskosten.\n\n3.5.. \n [verhuurster] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen in reconventie.\n\n3.6.. Op de stelling van partijen zal hierna, voor zover nodig, nader worden ingegaan.\n\n4. De beoordeling in conventie en reconventie\n\n4.1.. Gelet op de samenhang worden de vorderingen in conventie en reconventie gezamenlijk behandeld.\n\n4.2.. Beantwoord moet worden of [verhuurster] een geslaagd beroep kan doen op dringend eigen gebruik in de zin van artikel 7:274 lid 1 sub c van het Burgerlijk Wetboek (BW). Op grond van dat artikel kan de kantonrechter een vordering tot beëindiging van een huurovereenkomst - zoals de vordering van [verhuurster] wordt begrepen - toewijzen als de verhuurder aannemelijk maakt dat hij de woning zo dringend nodig heeft voor eigen gebruik dat van hem niet kan worden gevergd dat de huurovereenkomst wordt verlengd. De kantonrechter moet daarbij de belangen van partijen tegen elkaar afwegen. Verder moet blijken dat de huurder andere passende woonruimte kan krijgen.\n\nEr is sprake van dringend eigen gebruik\n\n4.3.. \n [verhuurster] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van dringend eigen gebruik, omdat zij zelf weer in de woning wil gaan wonen. Niet in geschil is dat de echtscheiding tussen [verhuurster] en haar ex-echtgenoot in november 2025 is uitgesproken en dat zij daardoor de door hen tot dat moment bewoonde woning moest verlaten omdat deze eigendom is van haar ex-echtgenoot. Zij heeft geen andere woonruimte ter beschikking, zodat zij vanaf het moment van de echtscheiding geen vaste verblijfplaats heeft. Zij heeft verbleven bij vrienden en verblijft op dit moment tijdelijk in een vakantiewoning in [plaats 2] . [huurder] heeft onvoldoende aangevoerd om aan de juistheid daarvan te twijfelen. De dringendheid van het eigen gebruik van de woning door [verhuurster] staat daarmee voldoende vast. Dat [verhuurster] een opzegtermijn van zes maanden heeft gehanteerd doet daar niet af.\n\nDe belangen van [verhuurster] wegen zwaarder dan de belangen van [huurder]\n\n4.4.. Gelet op de duur van de huurovereenkomst ligt voor de hand dat [huurder] een band met de buurt heeft opgebouwd. Ook is duidelijk dat [huurder] een belang heeft om in de woning te kunnen wonen totdat zijn nieuwbouwwoning gereed is, zodat hij niet twee keer hoeft te verhuizen. Dit belang is echter niet van zodanig gewicht dat een belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen. Tegenover het belang van [huurder] staat immers het belang van [verhuurster] om zo snel mogelijk in haar eigen woning te kunnen wonen. De nieuwbouwwoning van [huurder] wordt naar verwachting pas medio 2027 opgeleverd, zodat [verhuurster] gedurende die tijd elders zou moeten verblijven. Daarbij is van belang dat [verhuurster] voldoende onderbouwd heeft toegelicht dat zij thans leeft van een WW-uitkering waardoor zij financieel beperkt wordt om een andere passende woning te huren. De lasten daarvan zijn beduidend hoger dan de lasten van haar hypotheek. [huurder] heeft, gelet op zijn aanzienlijke inkomen, ruimere mogelijkheden voor het huren van een andere woning. Het door [huurder] aangevoerde argument dat dit hem dubbele woonlasten bezorgt (huur en hypotheekrente) gaat niet op. Dat is immers nu ook zo. [huurder] heeft verder gesteld dat hij vanwege zijn medische situatie (en behandelingen die hij moet ondergaan) en zijn werk gebonden is aan de locatie van de huurwoning. Deze stelling is echter in het geheel niet onderbouwd en valt niet te begrijpen tegen de achtergrond van het feit dat de door hem gekochte nieuwbouwwoning in [plaats 1] ligt. Aan die stelling wordt dan ook als ongemotiveerd voorbij gegaan. Evenmin valt in te zien waarom de aanwezigheid van gebreken in de woning het belang van [huurder] om daar te blijven wonen, onderstrepen. Het tegenovergestelde zou evengoed bepleit kunnen worden.\n\n4.5.. Samenvattend wegen de belangen van [verhuurster] bij dringend eigen gebruik van de woning zwaarder dan de belangen van [huurder] bij behoud van de woning. Van [verhuurster] kan in de gegeven omstandigheden niet worden gevergd dat de huurovereenkomst nog langer wordt voortgezet.\n\n [huurder] kan passende woonruimte verkrijgen\n\n4.6.. \n [verhuurster] heeft een overzicht van een aantal beschikbare huurwoningen in [locatie] overgelegd. Anders dan [huurder] heeft aangevoerd, valt niet in te zien waarom daaruit niet kan worden afgeleid dat passende woonruimte voor [huurder] beschikbaar is. Een concreet aanbod van een vervangende woning is niet vereist. [verhuurster] heeft dan ook - mede gelet op het inkomen van [huurder] en het feit dat hij alleenstaand is - aan haar stelplicht op dit punt voldaan. [huurder] heeft verder niet concreet betwist dat deze huurwoningen passend voor hem zouden kunnen zijn. Daarbij is van belang dat passende woonruimte niet gelijk hoeft te zijn aan de woning die [huurder] nu huurt. Ook woningen die bijvoorbeeld qua omvang of locatie een ander woongenot bieden dan de woning kunnen passend zijn. Gelet op het inkomen van [huurder] , geldt dit ook voor gelijkwaardige woningen met een hogere huurprijs. Hierbij speelt ook een rol dat vanwege (de medio 2027 verwachte oplevering van) de door [huurder] gekochte nieuwbouwwoning vervangende woonruimte slechts voor een beperkte duur noodzakelijk is, zodat aan de passendheid daarvan minder hoge eisen hoeven te worden gesteld. In dit verband weegt verder in het nadeel van [huurder] mee dat niet is gebleken dat hij zelf heeft geprobeerd om een andere woning te vinden, hij geen gebruik heeft gemaakt van het aanbod van [verhuurster] om van het netwerk van haar voormalige werkgever (een bedrijf dat bemiddelt bij de totstandkoming van huurovereenkomsten voor woonruimte) gebruik te maken voor het vinden van een andere huurwoning en hij de door een vriendin van [verhuurster] aan [huurder] aangeboden huurwoning heeft geweigerd. Aan het vereiste van andere passende woonruimte is in dit geval dan ook voldaan.\n\nEinde huurovereenkomst en ontruiming\n\n4.7.. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep op dringend eigen gebruik slaagt. De vorderingen om een datum vast te stellen waarop de huurovereenkomst eindigt en de woning moet worden ontruimd, zullen daarom worden toegewezen zoals in de beslissing vermeld. Nu geen sprake is van ontbinding van de huurovereenkomst en de opgezegde huurovereenkomst van rechtswege van kracht blijft, kort gezegd totdat de rechter daarover onherroepelijk heeft beslist, wordt de vordering tot betaling van een gebruiksvergoeding afgewezen. [huurder] is op grond van de huurovereenkomst de huurprijs verschuldigd zolang hij het gehuurde niet heeft ontruimd.\n\nGebreken in de woning\u002Fhuurprijsvermindering\u002Fherstel\n\n4.8.. Het begrip gebrek als bedoeld in artikel 7:204 BW is voor woonruimte uitgewerkt in artikel 7:241 BW. Dat artikel verwijst naar het Besluit Gebreken (bijlage bij het Besluit huurprijzen woonruimte), door de huurcommissie uitgewerkt in het Beleidsboek Gebreken. Op grond van artikel 7:207 lid 1 BW kan een huurder in geval van vermindering van huurgenot door een gebrek een daaraan evenredige vermindering van de huurprijs vorderen van de dag waarop hij van het gebrek behoorlijk heeft kennis gegeven aan de verhuurder of waarop het gebrek reeds in voldoende mate bekend was om tot maatregelen over te gaan, tot die waarop het gebrek is verholpen.\n\n4.9.. Ter onderbouwing van de door hem gestelde gebreken heeft [huurder] verwezen naar de e-mailberichten van 4 maart 2023, 3 april 2023 en 30 mei 2023 (zie 2.4 hiervoor). Uit die e-mailberichten valt slechts op te maken dat [huurder] (voldoende concreet) heeft geklaagd over vocht- en schimmelproblematiek in de badkamer en de keuken. Andere gebreken aan de woning worden in die e-mailberichten niet, althans niet voldoende, toegelicht. [huurder] noemt daarin weliswaar nog de reparatie van een deur en microwave\u002Foven, maar niet wat daarmee mis is. Mogelijk heeft hij andere gebreken wel toegelicht in eerdere e-mailcorrespondentie met [verhuurster] waarnaar wordt verwezen, maar die is niet in het geding gebracht. Bij gebreke daarvan kan niet worden vastgesteld of (en zo ja wanneer) [huurder] deze door hem gestelde gebreken voldoende onder de aandacht heeft gebracht van [verhuurster] , zoals is vereist om aanspraak te kunnen maken op huurvermindering.\n\n4.10.. Dat daadwerkelijk sprake is (geweest) van (vochtproblematiek en) schimmelvorming in de keuken, is evenwel onvoldoende onderbouwd. De aanwezigheid daarvan staat niet vermeld in het door de gemeente opgestelde rapport van de inspectie van de woning van 18 februari 2026. Voor zover [huurder] dit heeft willen onderbouwen met de door hem in het geding gebrachte foto’s, geldt dat op die foto’s niet valt te zien welke ruimte de keuken is.\n\n4.11.. In het rapport van de gemeente staat wel vermeld dat sprake is van schimmelvorming op het plafond van de badkamer. Volgens de gemeente heeft de ventilatievoorziening in de badkamer onvoldoende capaciteit en moet er mechanische ventilatie worden aangelegd. Ventilatiegebreken worden op grond van het beleidsboek gebreken van de huurcommissie pas als een ernstig gebrek worden aangemerkt als i) sprake is van onvoldoende mogelijkheid tot ventilatie waardoor ernstige stank- en vochtoverlast ontstaat of ii) vrijwel constant vocht- of schimmelvorming aanwezig is, veroorzaakt door condensatie van waterdamp als gevolg van onvoldoende ventilatiemogelijkheden of onvoldoende thermische kwaliteit van de constructiedelen in de badkamer, en als de vocht- en schimmelvorming aanwezig is over een oppervlakte van 0,25 m2 of meer (categorie C sub 1 en CNb3 van het gebrekenboek). [huurder] heeft niet gesteld dat sprake is van stankoverlast. Evenmin blijkt uit de door hem in het geding gebrachte foto’s (van januari 2026) of het rapport van de gemeente dat in de badkamer sprake is van vochtoverlast en\u002Fof schimmelvorming over een oppervlakte van 0,25 m2, laat staan dat dit het geval was over de gehele periode vanaf 1 mei 2023. In tegendeel, uit de e-mailberichten van [huurder] blijkt dat tussentijds maatregelen zijn getroffen om de schimmel te verhelpen en dat deze tijdelijk geholpen hebben. [huurder] heeft dus onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat in de keuken en badkamer sprake is (geweest) van een schimmelgebrek dat vermindering van het huurgenot oplevert die een huurprijsvermindering rechtvaardigt. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen.\n\n4.12.. Op grond van het voorgaande worden de door [huurder] gevorderde verklaring voor recht dat de huurprijs wegens gebreken mocht worden verminderd, en de vorderingen tot vergoeding van schade en herstel van gebreken afgewezen. [huurder] moet de door hem ingehouden huur alsnog aan [verhuurster] betalen. [huurder] heeft onvoldoende weersproken aangevoerd dat dit - na verrekening van een aantal achterstallige reparaties in de woning waarvan [verhuurster] niet heeft betwist dat deze voor haar rekening behoren te komen - een bedrag betreft van € 8.003,60, zodat dit bedrag wordt toegewezen. Ook de daarover onbetwist gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen.\n\nVerhuis- en inrichtingskosten\n\n4.13.. \n [huurder] maakt op grond van artikel 7:275 lid 1 BW aanspraak op een bijdrage aan de verhuis- en inrichtingskosten. In dit geval geldt het in lid 4 van dat artikel genoemde minimumbedrag niet. [huurder] heeft zelf geen aanknopingspunten genoemd voor de door hem te maken kosten in geval van een verhuizing naar een andere woning. Omdat [huurder] een woning heeft gekocht die naar verwachting medio 2027 wordt opgeleverd, zal hooguit sprake zijn van een verhuizing naar een andere tijdelijke woning voor korte duur en is niet aannemelijk dat [huurder] daarvoor inrichtingskosten zal moeten maken. Wel is het redelijk dat [verhuurster] [huurder] in dat geval een tegemoetkoming betaalt voor deze (extra) verhuizing. Nu [huurder] niets heeft gesteld over de te maken kosten voor een dergelijke verhuizing, worden deze in redelijkheid begroot op € 2.000,00. Het enkele feit dat [verhuurster] over beperkte financiële middelen beschikt, maakt niet dat de tegemoetkoming niet kan worden toegewezen. De vergoeding van deze kosten is pas toewijsbaar als [huurder] de woning daadwerkelijk verlaat naar een tijdelijke woning vooruitlopend op de verhuizing naar zijn koopwoning. Gelet op de hoogte van het bedrag ziet de kantonrechter geen aanleiding om gebruik te maken van de in art. 7:275 lid 2 BW gegeven mogelijkheid om [verhuurster] een termijn te gunnen waarbinnen zij de opzegging kan intrekken.\n\nOverige vorderingen en proceskosten\n\n4.14.. \n [verhuurster] heeft een machtiging gevorderd om de ontruiming zo nodig met behulp van de deurwaarder en de sterke arm zelf te kunnen bewerkstelligen. Deze vordering wordt afgewezen. De wet schrijft namelijk al voor dat de gedwongen ontruiming gebeurt door een deurwaarder. Als [huurder] de woning niet tijdig zelf verlaat, dan zal [verhuurster] na betekening van dit vonnis op grond van de wet (artikelen 555 en verder, in samenhang met artikel 444 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) de deurwaarder in moeten schakelen om [huurder] te dwingen de woning te verlaten.\n\n4.15.. Gedaagde is in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) in conventie betalen. De proceskosten van eisers worden in conventie begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding € 145,45\n\n- griffierecht € 257,00\n\n- salaris gemachtigde € 678,00 (2 punten × € 339,00)\n\n- nakosten € 72,00(plus de kosten van betekening zoals in de beslissing vermeld)\n\nTotaal € 1.152,45\n\nIn reconventie zijn partijen over en weer in het ongelijk gesteld, zodat de proceskosten worden gecompenseerd.\n\nDe beslissing wordt niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard\n\n4.15.. De gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad wordt, behoudens voor zover het om de proceskosten en de achterstallige huur gaat, afgewezen. In artikel 7:272 lid 1 BW is ten aanzien van huur van woonruimte bepaald dat een opgezegde huurovereenkomst in een geval als dit van rechtswege van kracht blijft, totdat de rechter kort gezegd daarover onherroepelijk heeft beslist. Daar kan slechts bij zeer bijzondere omstandigheden van worden afgeweken. Dergelijke zeer bijzondere omstandigheden zijn niet gebleken.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\nin conventie\n\n5.1.. stelt vast dat de huurovereenkomst met betrekking tot de woning gelegen aan het [adres] eindigt op 30 september 2026,\n\n5.2.. veroordeelt [huurder] om de woning aan het [adres] te ontruimen per 30 september 2026, met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [verhuurster] zijn, en de sleutels af te geven aan [verhuurster] ,\n\n5.3.. veroordeelt [huurder] tot betaling van € 8.003,60 aan achterstallige huur, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid van iedere afzonderlijke huurtermijn tot de dag van betaling,\n\n5.4.. veroordeelt [huurder] in de proceskosten van € 1.152,45, te vermeerderen met de kosten van betekening, te betalen binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis,\n\n5.5.. verklaart de beslissingen onder 5.3 en 5.4 uitvoerbaar bij voorraad,\n\nin reconventie\n\n5.6.. stelt het bedrag dat [verhuurster] aan [huurder] moet betalen als tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten vast op € 2.000,00,\n\n5.7.. compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,\n\nin conventie en reconventie\n\n5.8.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. B. Brokkaar, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.\n\n42146","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6408","2026-06-24T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:43.046Z",{"id":83,"ecli":84,"slug":85,"caseNumber":44,"courtId":86,"decisionDate":69,"fullText":87,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":88,"sourceTimestamp":62,"parsedAt":52,"updatedAt":89},"894","ECLI:NL:RBNNE:2026:2550","ecli-nl-rbnne-2026-2550",65,"RECHTBANKNOORD-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Groningen\n\nZaaknummer: 12236683 \\ VV EXPL 26-60\n\nVonnis in kort geding van 30 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nde besloten vennootschap\n\n [eiser] B.V.,\n\ngevestigd te [plaats] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\ngemachtigde: mr. E.T. van Dalen,\n\ntegen\n\n [gedaagde]handelend onder de naam [bedrijf],\n\nwonende te [plaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nprocederend in persoon.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding - de mondelinge behandeling van 16 juni 2026, waarbij de heer [naam 1] , bijgestaan door zijn gemachtigde, en de heer [naam 2] namens [gedaagde] zijn verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken. De gemachtigde van [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling een overzicht van de actuele huurachterstand overgelegd.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [gedaagde] huurt van [eiser] met ingang van 1 juli 2015 een pand aan het adres [adres] . Het pand is in eigendom van een derde partij, die het pand verhuurt aan [eiser] . Tussen [eiser] en [gedaagde] is een onderhuurovereenkomst gesloten.\n\n2.2.. De totale huurprijs bedraagt op dit moment € 3.719,62 per maand.2.3.. Op de huurovereenkomst zijn de algemene voorwaarden van [eiser] van toepassing verklaard. In de algemene voorwaarden is een boeteclausule opgenomen. Daarin is bepaald, voor zover hier van belang:\n\n“25.3 Telkens indien een uit hoofde van de huurovereenkomst door huurder verschuldigd bedrag niet prompt op de vervaldag is voldaan, verbeurt huurder aan verhuurder van rechtswege per kalendermaand vanaf de vervaldag van dat bedrag een direct opeisbare boete van 1% van het verschuldigde per kalendermaand, waarbij elke ingetreden maand als een volle maand geldt, met een minimum van € 300 per maand. (…)”\n\n2.4.. \n [gedaagde] heeft sinds februari 2026 een huurachterstand laten ontstaan. [eiser] heeft daarin aanleiding gezien om dit kort geding te starten.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n [eiser] vordert, samengevat weergegeven en nadat zij haar eis tijdens de mondelinge behandeling heeft verminderd:\n\nontruiming van het pand aan de [adres] binnen veertien dagen na betekening,\n\nbetaling van een bedrag van € 12.221,86 (huurachterstand tot en met juni 2026),\n\nbetaling van de huur van € 3.719,62 voor iedere maand of gedeelte daarvan dat [gedaagde] het pand nog in gebruik mocht hebben,\n\nbetaling van een bedrag van € 1.200,00 (contractuele boete),\n\n [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure.\n\n3.2.. \n [gedaagde] voert verweer.\n\n3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nSpoedeisend belang\n\n4.1.. Mede gelet op de aard van de door haar ingestelde vorderingen en de aangevoerde omstandigheden, heeft [eiser] voldoende aannemelijk gemaakt dat zij een spoedeisend belang heeft bij de door haar gevraagde voorziening.\n\nHuurachterstand\n\n4.2.. Partijen zijn het erover eens dat de huidige huurachterstand, berekend tot en met de maand juni 2026, € 12.221,86 bedraagt. De kantonrechter zal [gedaagde] daarom veroordelen tot betaling van dit bedrag.\n\nOntruiming\n\n4.3.. \n [eiser] vordert ontruiming van het pand vanwege de huurachterstand die [gedaagde] heeft laten ontstaan. De kantonrechter stelt bij de beoordeling van deze vordering voorop dat een vordering tot ontruiming van een verhuurd pand in kort geding slechts toewijsbaar is indien met grote mate van waarschijnlijkheid valt te verwachten dat in een bodemprocedure de huurovereenkomst zal worden ontbonden, terwijl niet van de verhuurder kan worden gevergd dat hij de beslissing in een bodemprocedure afwacht.\n\n4.4.. De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een huurachterstand heeft laten ontstaan van ruim drie maanden. Gelet daarop is ontbinding van de huurovereenkomst in een bodemprocedure met voldoende mate van waarschijnlijkheid te verwachten. Dat er sprake is van betalingsonmacht doet daaraan niet af. Dit is namelijk een omstandigheid die, hoe zwaarwegend die voor [gedaagde] ook is, hem niet ontslaat van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst. Daarbij komt dat [eiser] heeft toegelicht dat zij op haar beurt het pand ook huurt en iedere maand zelf ook de huur aan de eigenaar van het pand is verschuldigd. De kantonrechter begrijpt hieruit dat [eiser] afhankelijk is van de huurinkomsten van [gedaagde] om aan haar eigen betalingsverplichting te voldoen. Verder weegt mee dat namens [gedaagde] ter zitting is toegelicht dat er momenteel te weinig omzet wordt gegenereerd om de lopende kosten van de onderneming te voldoen en dat er meerdere dingen moeten gebeuren om de omzet weer te verhogen, zoals het lanceren van nieuwe marketing en het opknappen van het interieur. Daarmee zullen de nodige tijd en ook kosten gemoeid zijn. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat van [eiser] niet kan worden gevergd dat zij een beslissing in een bodemprocedure afwacht. De kantonrechter wijst de gevorderde ontruiming daarom toe.\n\n4.5.. Ten aanzien van de termijn waarbinnen de ontruiming moet plaatsvinden, overweegt de kantonrechter het volgende. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling besproken dat [gedaagde] aan [eiser] binnen één week na de mondelinge behandeling een betalingsvoorstel doet om de huurachterstand alsnog (in termijnen) te betalen, in een ultieme poging om te bezien of partijen hierover nadere afspraken kunnen maken om zo een ontruiming te voorkomen. Voor het geval die poging geen effect zal hebben en dit vonnis ten uitvoer wordt gelegd, heeft [eiser] aangegeven in te kunnen stemmen met een ontruimingstermijn van een maand. De kantonrechter zal de ontruimingstermijn daarom bepalen op 30 dagen na betekening van het vonnis.\n\nContractuele boete\n\n4.6.. \n [eiser] vordert betaling van de contractuele boete die is opgenomen in artikel 25.3 van de algemene voorwaarden, vanwege het niet tijdig betalen van de huur.\n\n4.7.. De kantonrechter overweegt dat het voor toewijzing van een geldvordering in kort geding nodig is dat deze vordering in voldoende mate vaststaat. Dat is naar het oordeel van de kantonrechter het geval, omdat vaststaat dat partijen de boeteclausule zijn overeengekomen en [gedaagde] de huur gedurende (in ieder geval) vier maanden niet op tijd heeft betaald. De kantonrechter zal [gedaagde] daarom veroordelen tot betaling van de gevorderde contractuele boete van € 1.200,00.\n\nHuurtermijnen tot de ontruiming\n\n4.8.. \n\n [eiser] vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de huurprijs van € 3.719,62 voor iedere maand of gedeelte daarvan dat [gedaagde] het pand nog in gebruik mocht hebben. [gedaagde] heeft geen verweer gevoerd tegen deze vordering. De kantonrechter wijst de vordering daarom toe.\n\nProceskosten\n\n4.9.. \n [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n130,16\n\n- griffierecht\n\n€\n\n1504,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n577,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.355,16\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n5.1.. veroordeelt [gedaagde] om binnen 30 dagen na betekening van dit vonnis het pand aan de [adres] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [eiser] zijn, en de sleutels af te geven aan [eiser] ,\n\n5.2.. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 12.221,86 aan achterstallige huur tot en met juni 2026,\n\n5.3.. \n\nveroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van\n\n€ 1.200,00 aan contractuele boete,\n\n5.4.. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 3.719,62 voor iedere maand of gedeelte daarvan dat [gedaagde] het pand aan de [adres] nog in gebruik mocht hebben,\n\n5.5.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.355,16, te vermeerderen met de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend,\n\n5.6.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.7.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. L.T. de Jonge en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.\n\n66449\u002FRG","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2550","2026-07-13T00:28:53.337Z",{"id":91,"ecli":92,"slug":93,"caseNumber":44,"courtId":94,"decisionDate":72,"fullText":95,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":96,"sourceTimestamp":69,"parsedAt":52,"updatedAt":97},"904","ECLI:NL:RBOVE:2026:3710","ecli-nl-rbove-2026-3710",78,"RECHTBANKOVERIJSSEL\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Enschede\n\nZaaknummer: 12215064 \\ CV EXPL 26-1307\n\nVonnis in kort geding van 26 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nWONINGSTICHTING DE WOONPLAATS,\n\nte Enschede,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: De Woonplaats,\n\ngemachtigde: mr. M. Douwenga,\n\ntegen\n\nSTICHTING HUMANITAS INKOMENSBEHEER,\n\nte Purmerend,\n\nin hoedanigheid van bewindvoerder van alle goederen van\n\n [betrokkene],\n\nwonende te [woonplaats],\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: Stichting Humanitas,\n\ngemachtigde: mr. A. aan het Rot.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties; - de mondelinge behandeling van 12 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Woningstichting De Woonplaats verhuurt met ingang van 9 februari 2021 aan [betrokkene] de woning aan de [adres]. Op de huurovereenkomst zijn van toepassing de Algemene Huurvoorwaarden van De Woonplaats, maar ook andere met [betrokkene] gemaakte specifieke afspraken die kort gezegd zien op het goed moeten onderhouden van de woning, op geen overlast veroorzaken en op het accepteren van hulpverlening. Dit nadat [betrokkene] in een vorige woning van De Woonplaats aanzienlijke overlast veroorzaakte.\n\n2.2.. Vanaf 2025 ontvangt De Woonplaats veel meldingen van diverse omwonenden. De meldingen gaan kort gezegd over geluidsoverlast, schelden, alcohol en\u002Fof drugsgebruik, drugshandel\u002F drugsverkeer en vernieling.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n\nDe Woonplaats vordert samengevat- ontruiming van de woning. In de dagvaarding bespreekt De Woonplaats onder meer de vele meldingen van omwonenden en de contacten die zij heeft gehad met de Politie. Al kort na het ingaan van de huurovereenkomst komt [betrokkene] de overeengekomen voorwaarden niet na. Zij komt afspraken voor huisbezoeken niet na, de woning wordt niet goed onderhouden en schoongemaakt, het raam van de voordeur wordt door haar ex-partner ingeslagen maar zij maakt hiervan geen melding etc.\n\nVanaf 2026 ging het snel bergafwaarts. Sommige omwonenden ervaren dagelijks overlast. De Woonplaats heeft gepoogd om een huisbezoek met [betrokkene] af te spreken maar dit werd twee keer afgezegd. Er is sprake van drugsgebruik door haar en de staat van de woning is ook zorgelijk. Volgens de Politie, die in mei 2026 in de woning is geweest naar aanleiding van één van de vele meldingen, ligt de hele woning in puin. De Woonplaats heeft [betrokkene] verzocht zelf de huurovereenkomst op te zeggen maar hierop is niet gereageerd. De Woonplaats vordert ontruiming van de woning vooruitlopend op ontbinding van de huurovereenkomst in een eventuele bodemprocedure. Het is vaste jurisprudentie dat het veroorzaken van overlast als hier aan de orde en het verwaarlozen van het gehuurde een tekortkoming oplevert die ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt.\n\n3.2.. \n\nStichting Humanitas voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van De Woonplaats, met veroordeling van De Woonplaats in de kosten van deze procedure.\n\nStichting Humanitas betwist het spoedeisend belang. Het is al anderhalve maand rustig, twee overlastmelders zijn inmiddels verhuisd, en het feit dat De Woonplaats de woning aan een ander wil verhuren is niet valide. De zaak is ook niet geschikt voor behandeling in kort geding. De Woonplaats onderbouwt de overlast met anonieme meldingen en die meldingen kunnen niet worden nagegaan. Stichting Humanitas betwist de overlastsituatie en de zorgelijke staat van het gehuurde. Stichting Humanitas wijst er op dat [betrokkene] stelt uitgezaaide kanker te hebben. Als tot ontruiming moet worden overgegaan dan dient de termijn verlengd te worden tot minimaal vier weken.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. \n\nDe goederen van [betrokkene] staan onder bewind van Stichting Humanitas.\n\nDe uit de huurovereenkomst voortvloeiende rechten van de rechthebbende ([betrokkene]) zijn aan te merken als goederen in de zin van art. 1:431 lid 1 BW. De bewindvoerder treedt ten behoeve van de rechthebbende op als formele procespartij in een procedure betreffende een door de verhuurder gevorderde (ontbinding van de huurovereenkomst en) ontruiming van het gehuurde (Hoge Raad 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:525).\n\n4.2.. De kantonrechter overweegt dat de onderhavige vordering slechts toegewezen kan worden als het zeer waarschijnlijk is dat in de bodemprocedure zal worden geoordeeld dat de huurovereenkomst zal worden ontbonden en dat de ontruiming zal worden toegewezen, terwijl bovendien sprake moet zijn van een zodanig ernstige tekortkoming dat de beslissing in de bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Dit gelet op het definitieve karakter van de beslissing. Bij de beoordeling dienen alle omstandigheden van het geval meegewogen te worden.\n\n4.3.. De kantonrechter is, anders dan Stichting Humanitas, van oordeel dat er sprake is van een spoedeisend belang van De Woonplaats bij haar vorderingen. De Woonplaats heeft met de overgelegde meldingen en videobeelden voldoende aannemelijk gemaakt dat omwonenden ernstige overlast ervaren en dat twee omwonenden zelfs al hierom zijn verhuisd. Van De Woonplaats kan onder deze omstandigheden niet worden gevergd een bodemprocedure af te wachten.\n\n4.4.. De vele meldingen en videobeelden zijn inhoudelijk ook niet dan wel onvoldoende door Stichting Humanitas betwist. [betrokkene] zelf is door de bewindvoerder dan wel de gemachtigde uitgenodigd voor de zitting, om hierop een toelichting te geven, maar zij is niet verschenen. De op de foto’s zichtbare beschadigingen aan het gehuurde en de melding van de Politie afgelopen mei dat de woning binnen “in puin ligt” doet het ergste vermoeden qua staat van het gehuurde. De kantonrechter neemt in de beoordeling ook mee dat het hier al om een tweede kans gaat, om in een woning van De Woonplaats te wonen zonder de woning te verwaarlozen en overlast te veroorzaken.\n\n4.5.. De kantonrechter is er voldoende van overtuigd dat de tekortkomingen van [betrokkene]\u002FStichting Humanitas zullen leiden tot ontbinding van de huurovereenkomst in een eventuele bodemprocedure. Daarop vooruitlopend kan in dit kort geding vast de ontruiming worden bevolen. De situatie is daarvoor ernstig genoeg. Dat [betrokkene] uitgezaaide kanker heeft is wel gesteld maar niet onderbouwd, terwijl De Woonplaats ook al eens om die onderbouwing heeft gevraagd (en deze niet heeft gekregen). Er is evenmin aanleiding af te wijken van de standaard ontruimingstermijn van twee weken.\n\n4.6.. De vordering van De Woonplaats zal daarom als volgt worden toegewezen. Stichting Humanitas is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Woningstichting de Woonplaats worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n155,51\n\n- griffierecht\n\n€\n\n139,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n865,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.303,51\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. veroordeelt Stichting Humanitas om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de woning aan de [adres] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, in goede staat op te leveren en deze ontruimd te houden, en de sleutels af te geven aan De Woonplaats,\n\n5.2.. veroordeelt Stichting Humanitas in de proceskosten van € 1.303,51, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,\n\n5.3.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. A.J. Louter en in het openbaar uitgesproken op\n\n26 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3710","2026-07-13T00:28:53.890Z",{"id":99,"ecli":100,"slug":101,"caseNumber":44,"courtId":58,"decisionDate":102,"fullText":103,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":104,"sourceTimestamp":69,"parsedAt":52,"updatedAt":105},"1702","ECLI:NL:RBAMS:2026:6621","ecli-nl-rbams-2026-6621","2026-06-25T00:00:00.000Z","RECHTBANKAMSTERDAM\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZaaknummer: 11747444 \\ CV EXPL 25-8261\n\nVonnis van 25 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nSLOTERDAM VASTGOED B.V.,\n\ngevestigd te Woerden,\n\neisende partij in conventie,\n\nverwerende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: Sloterdam,\n\ngemachtigde: mr. M.J. Drijftholt,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nwonende te [woonplaats],\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [gedaagde],\n\ngemachtigde: mr. E.B. Doganer.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het vonnis in incident van 16 oktober 2025, met de daarin genoemde stukken,\n\n- de akte uitlaten van [gedaagde],\n\n- het tussenvonnis van 8 januari 2026 waarbij een mondelinge behandeling is bevolen, waarna daarvoor een dag is bepaald,\n\n- de conclusie van antwoord in reconventie tevens wijziging van eis in conventie met aanvullende producties,\n\n- de e-mail van 16 mei 2026 van [gedaagde] met aanvullende producties,\n\n- de e-mail van 19 mei 2026 van Sloterdam met aanvullende producties,\n\n- de mondelinge behandeling van 26 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Op de mondelinge behandeling is Sloterdam verschenen vertegenwoordigd door mr. D.H. Denecke (waarnemer van de gemachtigde). [gedaagde] is verschenen, bijgestaan door mr. A. Sarioglu (waarnemer van de gemachtigde) en vergezeld door zijn partner. Partijen hebben hun standpunt, mede aan de hand van de door de gemachtigde voorgedragen en overgelegde spreekaantekeningen, verder toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Sloterdam heeft sinds 2016 aan [gedaagde] de woning verhuurd aan de [adres] te [plaats] (hierna: het gehuurde).\n\n2.2.. Op 24 januari 2025 trof de beheerder van het gehuurde niet [gedaagde], maar [naam] (hierna: [naam]) aan in de woning.\n\n2.3.. In een e-mail op 29 januari 2025 heeft Sloterdam aan [gedaagde] meegedeeld dat het haar is gebleken dat [gedaagde] in de VS en Spanje woont\u002Fverblijft en dat hij het gehuurde heeft onderverhuurd dan wel in gebruik heeft gegeven aan een derde, terwijl dat niet is toegestaan. Sloterdam heeft [gedaagde] gesommeerd de huurovereenkomst op te zeggen en de woning te ontruimen.\n\n2.4.. Bij e-mail van 4 februari 2025 heeft [gedaagde] de huurovereenkomst opgezegd per 1 maart 2025. Daarna is een datum voor oplevering bepaald.\n\n2.5.. Op de opleverdatum waren zowel [gedaagde] als [naam] in de aanwezig. Zij hebben toen aan Sloterdam meegedeeld dat [naam] de woning niet zou verlaten. Op dit moment verblijft [naam] nog steeds in de woning.\n\n3. Het geschil\n\nIn conventie\n\n3.1.. Sloterdam vordert – samengevat en na wijziging van eis – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\n [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 67.674,51 aan verbeurde boetes en winstafdrachten, te vermeerderen met de wettelijke rente,\n\n [gedaagde] te veroordelen tot een boete van € 41,08 per dag vanaf 17 mei 2025 tot aan de dag dat [gedaagde] volledige inlichtingen heeft verstrekt met betrekking tot de ingebruikgeving,\n\n [gedaagde] te veroordelen tot een boete van € 41,08 per dag vanaf 17 mei 2025 tot aan de ontruiming van het gehuurde,\n\nte verklaren voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de geleden en te lijden schade van Sloterdam die het gevolg is van het door [gedaagde] in gebruik geven van het gehuurde aan een derde,\n\n [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten,\n\n [gedaagde] te veroordelen in de werkelijke proceskosten.\n\n3.2.. Sloterdam legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. Op de huurovereenkomst zijn de Algemene bepalingen huurovereenkomst woonruimte (ROZ), versie 30 juli 2003 (hierna: de algemene bepalingen) van toepassing. [gedaagde] heeft in strijd met artikel 1.3 van die bepalingen het gehuurde in gebruik gegeven aan een derde. Ook werkt hij niet mee aan het onderzoek van Sloterdam naar de ingebruikgeving hetgeen op grond van artikel 1.5 verplicht is. Verder heeft hij in strijd met artikel 2.3 het gehuurde op 1 maart 2025 niet ontruimd en vrij van gebruik opgeleverd aan Sloterdam. Als gevolg hiervan heeft [gedaagde] op grond van artikel 1.4 en 20.6 diverse boetes verbeurd en is hij bovendien gehouden de genereerde inkomsten af te dragen. Ook is [gedaagde], gelet op het voorgaande, aansprakelijk voor de schade die Sloterdam lijdt. Tot slot maakt Sloterdam aanspraak op de buitengerechtelijke incassokosten en de werkelijke proceskosten.\n\n3.3.. \n [gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van Sloterdam in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\nIn reconventie\n\n3.4.. \n [gedaagde] vordert – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat de algemene bepalingen niet op de tussen partijen gesloten huurovereenkomst van toepassing zijn, en voorwaardelijk – voor zover deze vordering wordt afgewezen:\n\nprimair: te verklaren voor recht dat de algemene bepalingen waar Sloterdam in de huurovereenkomst naar verwijst nietig, althans vernietigbaar zijn,\n\nsubsidiair: te verklaren voor recht dat de bepalingen 1.3, 1.4, 1.5, 2.3 en 20.6 onredelijk bezwarend zijn en daarom nietig, althans vernietigbaar zijn,\n\nmeer subsidiair: de boete te matigen tot nihil,\n\nmet veroordeling van Sloterdam in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n3.5.. Sloterdam voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n4. De beoordeling\n\nIn conventie\n\nAmbtshalve toetsing4.1.. In deze procedure gaat het om een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93\u002F13 EG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). Als er oneerlijke bepalingen in de huurovereenkomst of de algemene voorwaarden staan, moet de kantonrechter deze vernietigen. Sloterdam mag die bepalingen dan niet gebruiken en zij mag ook geen beroep meer doen op aanvullend recht (zie ECLI:EU:C:2021:68).\n\n4.2.. Sloterdam beroept zich op hetgeen is bepaald in de artikelen 1.3, 1.4 en 20.6 van de algemene bepalingen.\n\n4.3.. \n\nIn artikel 1.4 is opgenomen:\n\n“Ingeval huurder handelt in strijd met het bepaalde in 1.3 (verbod op onderhuur dan wel ingebruikgeving aan een derde, toevoeging ktr.) verbeurt hij aan verhuurder per kalenderdag dat de overtreding voortduurt een direct opeisbare boete, gelijk aan driemaal de op dat moment voor huurder geldende huurprijs per dag met een minimum van € 45,- per dag, onverminderd het recht van verhuurder om nakoming dan wel ontbinding wegens wanprestatie, alsmede schadevergoeding te vorderen voor zover de schade de boete overstijgt. Verder dient huurder alle daardoor verkregen inkomsten aan verhuurder af te dragen.”\n\n4.4.. \n\nEn in artikel 20.6 staat het volgende:\n\n“Huurder is aan verhuurder een direct opeisbare boete van € 25,- per kalenderdag verschuldigd voor elke verplichting uit deze overeenkomst met de bijbehorende algemene bepalingen die hij niet nakomt of overtreedt, onverminderd zijn verplichting om alsnog aan die verplichting te voldoen en onverminderd verhuurders overige rechten op schadevergoeding of anderszins. Genoemd bedrag is gebaseerd op het prijspeil 1 januari 2003 en wordt met ingang van 1 januari 2004 jaarlijks geïndexeerd.”\n\n4.5.. Sloterdam heeft onvoldoende onderbouwd dat over deze bedingen is onderhandeld. Weliswaar heeft zij ter zitting aangevoerd dat het meesturen van de voorwaarden reeds een daad van onderhandeling is, maar zij kon desgevraagd niet beantwoorden of partijen ook over de individuele boetebepalingen hebben onderhandeld. Bij die stand van zaken is de kantonrechter van oordeel dat niet is gebleken dat over de bedingen is onderhandeld. Dat betekent dat de kantonrechter ambtshalve moet toetsen of deze bedingen eerlijk zijn.\n\n4.6.. Alvorens dat te doen heeft de kantonrechter Sloterdam tijdens de mondelinge behandeling in de gelegenheid gesteld zich daarover uit te laten. Sloterdam heeft daarop betoogd dat de bedingen eerlijk zijn. Artikel 1.4 is volgens Sloterdam voldoende gelimiteerd aangezien huurder zelf een einde kan maken aan de tekortkoming. Ook vindt er volgens Sloterdam geen cumulatie plaats van beide bedingen, omdat artikel 1.4 ziet op een bijzondere gedraging en op grond van het lex specialis principe het beding van 20.6 dan toepassing mist. Tot slot heeft Sloterdam aangevoerd dat zij zich niet tegelijkertijd op beide bedingen beroept ten aanzien van dezelfde overtreding.\n\n4.7.. De kantonrechter volgt Sloterdam daarin niet en is van oordeel dat de bedingen zoals die in de artikel 1.4 en 20.6 van de algemene bepalingen zijn neergelegd buiten toepassing moeten worden gelaten. Dat wordt hierna als volgt toegelicht.\n\n4.8.. Gelet op het Radlinger arrest (Hof van Justitie van 21 april 2016, ECLI:EU:C:2016:283) moet worden nagegaan wat het cumulatieve effect is van alle bedingen in een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Met andere woorden: de boetes moeten gezamenlijk beoordeeld worden. Een dergelijke beoordeling is gerechtvaardigd aangezien die bedingen in hun geheel toepasselijk zijn, ongeacht of de schuldeiser daadwerkelijk de volledige nakoming ervan nastreeft. Dat betekent dat niet relevant is dat Sloterdam zich niet tegelijkertijd op beide bedingen beroept, maar dat het erom gaat of Sloterdam zich tegelijkertijd op de bedingen kanberoepen.\n\n4.9.. Sloterdam heeft naar voren gebracht dat zij zich niet tegelijkertijd op beide bedingen kan beroepen en dat dus geen cumulatie plaatsvindt, omdat op grond van het lex specialis principe het algemene boetebeding in artikel 20.6 toepassing mist in het geval van onderhuur of ingebruikgeving. Dat ziet de kantonrechter anders. Omdat niet over de bedingen onderhandeld is, prevaleert de taalkundige uitleg. Dat geldt te meer omdat het voor een consument, uit beschermingsoogpunt, direct duidelijk moet zijn welk boetebeding wanneer van toepassing is. Uit de tekst van de algemene boetebepaling volgt dat die geldt bij iedere tekortkoming. Er is immers niet toegevoegd “voor zover geen boete is gesteld op een specifieke tekortkoming”. Dat artikel 1.4 als lex specialis moet worden gezien van artikel 20.6, in welk geval het algemene boetebeding van 20.6 niet van toepassing zou zijn, volgt dan ook niet zonder meer uit de tekst. Daarbij betrekt de kantonrechter ook nadrukkelijk in de overweging dat het doel van consumentenbescherming en richtlijn 93\u002F13 is om oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten tegen te gaan. Bij gebruikmaking van de bewoordingen zoals die in de genoemde bepalingen zijn opgenomen, valt niet uit te sluiten dat Sloterdam in of vooral ook buiten gerechte aanspraak kan maken op de boete uit de algemene boetebepaling én de specifieke boetebepaling. Voor zover Sloterdam daadwerkelijk artikel 1.4 als lex specialis heeft beoogd ten opzichte van het algemene boetebeding zoals opgenomen in artikel 20.6, had zij dit dan ook nadrukkelijk in de algemene voorwaarden moeten vermelden (bijvoorbeeld op de hiervoor genoemde wijze). Omdat zij dat niet heeft gedaan, is de kantonrechter van oordeel dat de algemene bepaling van artikel 20.6, naast het boetebeding in artikel 1.4, van toepassing is in geval van onderhuur of ingebruikgeving en dat Sloterdam zich dus op beide bepalingen zou kunnen beroepen.\n\n4.10.. Ook het verweer dat de boete van artikel 1.4 voldoende gelimiteerd is omdat de huurder zelf een einde kan maken aan de overtreding passeert de kantonrechter. Nog daargelaten dat situaties denkbaar zijn waarin de huurder niet op de hoogte is van een overtreding – in welk geval de boete oneindig doorloopt – zou die redenering in de kern betekenen dat een boetebeding in beginsel niet meer gelimiteerd hoeft te zijn; de betrokkene kan – wanneer hij daarvan wel op de hoogte is – in de meeste gevallen immers zelf een einde maken aan de tekortkoming. Daarbij komt dat het voorgaande ertoe zou leiden dat een huurder een boete van in totaal € 70,00 (te weten € 45,00 plus € 25,00) per dag verbeurt ingeval van onderhuur\u002Fingebruikgeving aan een derde, zonder dat deze boete is gemaximeerd. Daarnaast is in artikel 1.4 ook opgenomen dat deze boete geldt onverminderd het recht van verhuurder om ontbinding van de huurovereenkomst en afdracht van winst te vorderen. Ook wordt daarin de mogelijkheid gegeven om aanvullende schadevergoeding te vorderen voor zover die schade de boete overstijgt, waarmee het afwijkt van het wettelijke stelsel zoals neergelegd in artikel 6:92 lid 2 BW waarin is bepaald dat hetgeen ingevolge een boetebeding verschuldigd is, in plaats treedt van de schadevergoeding op grond van de wet. Dat betekent dat in geval van onderhuur of ingebruikgeving een huurder, naast het verlies van zijn woning, winstafdracht en aanvullende schadevergoeding, ook nog een ongelimiteerde boete boven het hoofd zou hangen. Naar het oordeel van de kantonechter wordt hierdoor het evenwicht tussen partijen aanzienlijk verstoord en komt een huurder daardoor in een zeer ongelijkwaardige positie terecht. Dat Sloterdam als verhuurder een groot belang heeft om onderhuur of ingebruikgeving doeltreffend tegen te gaan is evident, maar dat maakt nog niet dat een ongelimiteerde boete (laat staan in combinatie met de overige inhoud van artikel 1.4) het evenwicht niet zou verstoren en daarmee eerlijk wordt. Dat in dít geval de huurder reeds was verhuisd maakt dat niet anders.\n\n4.11.. De kantonrechter komt dan ook tot het slotsom dat de door Sloterdam gehanteerde bedingen zoals neergelegd in de artikelen 1.4 en 20.6 van de algemene voorwaarden, in onderlinge samenhang bezien, oneerlijk zijn. Dat betekent dat beide bedingen buiten toepassing worden gelaten. Dat geldt ten aanzien van artikel 1.4 niet alleen ten aanzien van het daarin neergelegde boetebeding, maar ook ten aanzien van het bepaalde in artikel 1.4 dat huurder alle verkregen inkomsten aan verhuurder moet afdragen en het onverminderde recht op aanvullende schadevergoeding, omdat (mede gelet op het voorgaande) deze afspraken niet los kunnen worden gezien van het overige dat in artikel 1.4 is bepaald.\n\nDe vordering4.12.. Omdat door Sloterdam gevorderde boetes gegrond zijn op oneerlijke bedingen die door de kantonrechter buiten toepassing worden gelaten, zijn de vorderingen die zien op de betaling van boetes niet toewijsbaar.\n\n4.13.. Dat geldt ook ten aanzien van de vordering tot afdracht van gemaakte winst, omdat die vordering eveneens is gebaseerd op het oneerlijk bevonden beding in artikel 1.4 van de algemene voorwaarden. Sloterdam kan op grond van de uitspraak van het Europees Hof van 27 januari 2021 (de Dexia-arresten) ook geen aanspraak maken op winstafdracht op grond van artikel 6:104 BW. Terugvallen daarop zou immers het afschrikwekkende karakter van de richtlijn ernstig verminderen. In dat geval zou voor de professionele gebruiker de noodzakelijke prikkel ontbreken om oneerlijke bedingen uit overeenkomsten met consumenten te verwijderen. Daarom bestaat voor toewijzing van de gevorderde winst geen grondslag en zal deze vordering worden afgewezen\n\n4.14.. De vordering tot verklaring voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor schade van Sloterdam is evenmin toewijsbaar. Zoals hiervoor overwogen biedt artikel 1.4, in afwijking van het wettelijk stelsel zoals neergelegd artikel 6:92 lid 2 BW, aan de verhuurder de mogelijkheid om aanvullende schadevergoeding te vorderen voor zover die schade de boete overstijgt. Daaruit volgt dat deze bepaling er mede op gericht is om schade te vergoeden. Nu artikel 1.4 in zijn geheel oneerlijk is bevonden, kan Sloterdam ook voor vergoeding van schade niet terugvallen op het wettelijke systeem. Bij die stand van zaken heeft Sloterdam geen belang bij de door haar gevorderde verklaring voor recht en zal deze vordering eveneens worden afgewezen.\n\n4.15.. Gelet op het voorgaande wordt ook de vordering tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten afgewezen.\n\n4.16.. Sloterdam is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n1.732,00\n\n(2 punten × € 866,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.876,00\n\nIn reconventie4.17.. Gelet op de uitkomst in conventie, heeft [gedaagde] onvoldoende belang bij toewijzing van zijn vorderingen in reconventie, zodat deze worden afgewezen.\n\n4.18.. \n [gedaagde] wordt in de proceskosten in reconventie veroordeeld, aan de zijde van Sloterdam begroot op nihil.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\nIn conventie\n\n5.1.. wijst de vorderingen van Sloterdam af,\n\n5.2.. veroordeelt Sloterdam in de proceskosten van € 1.876,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Sloterdam niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.\n\n5.3.. veroordeelt Sloterdam in de wettelijke rente over de proceskosten, te voldoen vanaf de 15e dag na betekening van het vonnis.\n\nIn reconventie\n\n5.4.. wijst de vorderingen van [gedaagde] af,\n\n5.5.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Sloterdam tot op heden begroot op nihil.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M. Wiltjer en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.\n\n58984","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6621","2026-07-13T00:29:34.348Z",{"id":107,"ecli":108,"slug":109,"caseNumber":44,"courtId":110,"decisionDate":102,"fullText":111,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":112,"sourceTimestamp":69,"parsedAt":52,"updatedAt":113},"1829","ECLI:NL:RBGEL:2026:5156","ecli-nl-rbgel-2026-5156",68,"RECHTBANKGELDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Zutphen\n\nZaaknummer: 12216454 \\ VV EXPL 26-26\n\nVonnis in kort geding van 25 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nSTICHTING TORENSTAD MONUMENTENBEHEER,\n\nte Zutphen,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: Torenstad,\n\ngemachtigde: mr. S. Goriya,\n\ntegen\n\n [naam gedaagde],\n\nte [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [de gedaagde] ,\n\nprocederend in persoon.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding,\n\n- de mondelinge behandeling van 11 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, - de pleitnota van Torenstad.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Tussen partijen is een huurovereenkomst tot stand gekomen op grond waarvan Torenstad per 1 februari 2024 de woning aan de [adres] (hierna: het gehuurde) aan [de gedaagde] heeft verhuurd. De huurovereenkomst is aangegaan voor de duur van één jaar.\n\n2.2.. Bij brief van 7 november 2024 heeft Torenstad aan [de gedaagde] bericht dat de huurovereenkomst eindigt op 31 januari 2025.\n\n2.3.. Op 18 december 2024 hebben partijen een koopovereenkomst gesloten op grond waarvan [de gedaagde] het gehuurde van Torenstad heeft gekocht onder voorbehoud van financiering. In de koopovereenkomst is de leveringsdatum bepaald op 31 januari 2025.\n\n2.4.. In het voorjaar van 2025 heeft [de gedaagde] Torenstad diverse malen verzocht de leveringsdatum uit te stellen en de termijn voor het financieringsvoorbehoud te verlengen omdat [de gedaagde] op dat moment geen hypothecaire geldlening kon verkrijgen voor de financiering van het gehuurde. Torenstad heeft met deze verzoeken ingestemd.\n\n2.5.. In juli 2025 hebben partijen afgesproken dat Torenstad de verkoop van het gehuurde weer openbaar kon opstarten en dat [de gedaagde] het gehuurde uiterlijk 31 januari 2026 zou opleveren aan Torenstad, alsmede dat [de gedaagde] een vergoeding van € 1.482,85 aan Torenstad zou betalen voor iedere maand dat hij het gehuurde niet zou opleveren.\n\n2.6.. Op 30 januari 2026 heeft [de gedaagde] geen medewerking verleend aan de door Torenstad aangekondigde eindinspectie en oplevering van het gehuurde.\n\n2.7.. Bij brief van 13 maart 2026 heeft de gemachtigde van Torenstad de koopovereenkomst tussen partijen buitengerechtelijk ontbonden.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. Torenstad vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\n1. [de gedaagde] zal veroordelen om het gehuurde binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, te ontruimen en ontruimd te houden en te verlaten met al het zijne en de zijnen, onder afgifte van alle sleutels aan Torenstad,\n\n2. [de gedaagde] zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 10.323,20, vermeerderd met een bedrag van € 1.482,85 per maand, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere maand of gedeelte daarvan dat [de gedaagde] het gehuurde na 1 april 2026 onder zich houdt tot aan de dag van de feitelijke ontruiming en oplevering, vermeerderd met de wettelijke rente,\n\n3. althans een zodanige beslissing zal nemen als de kantonrechter in goede justitie zal vermenen te behoren,\n\nen [de gedaagde] zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met wettelijke rente.\n\n3.2.. \n [de gedaagde] voert verweer en concludeert tot gedeeltelijke afwijzing van de vorderingen van Torenstad.\n\n3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Vooropgesteld wordt dat een vordering tot ontruiming in kort geding een maatregel is die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet – volgens vaste jurisprudentie – grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een diepgaand onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.\n\n4.2.. Torenstad legt primair aan de vordering tot ontruiming van het gehuurde ten grondslag dat partijen de huurovereenkomst zijn aangegaan voor bepaalde tijd en dat de huurovereenkomst daarom is geëindigd per 1 februari 2025.\n\n4.3.. Op grond van artikel 7:228 lid 1 BW (oud) eindigen huurovereenkomsten die zijn aangegaan vóór 1 juli 2024 en waarin een maximale looptijd van twee jaar is bepaald, wanneer de looptijd is verstreken en het einde van de huurovereenkomst tijdig en correct door de verhuurder is aangezegd.\n\n4.4.. In onderhavig geval hebben partijen een huurovereenkomst gesloten voor de duur van één jaar. Bij brief van 7 november 2024 heeft Torenstad het einde van de huurovereenkomst tijdig en correct aangezegd. Voldoende aannemelijk is dan ook dat de huurovereenkomst door het verstrijken van de looptijd is geëindigd per 1 februari 2025.\n\n4.5.. Uit de hiervoor uiteengezette feiten blijkt dat [de gedaagde] voor het eindigen van de huurovereenkomst het gehuurde van Torenstad heeft gekocht onder voorbehoud van financiering. Partijen zijn in dit kader overeengekomen dat [de gedaagde] in afwachting van de levering het gehuurde mocht blijven gebruiken tot uiterlijk 31 januari 2026 tegen een door [de gedaagde] te betalen vergoeding van € 1.482,85 per maand. Uiteindelijk is de koopovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden omdat [de gedaagde] geen hypothecaire geldlening heeft kunnen verkrijgen voor de financiering van de woning. Naar voorshands oordeel van de kantonrechter heeft [de gedaagde] gelet op deze feiten en omstandigheden vanaf 1 februari 2026 geen recht of titel meer om het gehuurde te gebruiken.\n\n4.6.. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat een gevorderde ontruiming van het gehuurde in een bodemprocedure met grote mate van waarschijnlijkheid zal worden toegewezen omdat [de gedaagde] geen recht of titel meer heeft om het gehuurde te gebruiken. De in dit kort geding gevorderde ontruiming van het gehuurde zal daarom worden toegewezen. De ontruimingstermijn zal worden bepaald op veertien dagen na betekening van dit vonnis.\n\n4.7.. Torenstad vordert voorts betaling van een bedrag van € 10.323,20. Torenstad stelt daartoe dat [de gedaagde] de maandelijkse vergoeding van € 1.482,85 over de periode van oktober 2025 tot en met april 2026 niet (volledig) heeft betaald. [de gedaagde] heeft deze stelling en de hoogte van de gestelde betalingsachterstand niet betwist.\n\n4.8.. De kantonrechter overweegt dat [de gedaagde] over de maanden oktober tot en met januari 2026 een maandelijkse vergoeding van € 1.482,85 is verschuldigd op grond van de afspraken die partijen in juli 2025 met elkaar hebben gemaakt (zie hiervoor 2.5.). Vanaf 1 februari 2026 gebruikt [de gedaagde] het gehuurde zonder recht of titel. [de gedaagde] moet ook voor het gebruik vanaf deze datum een vergoeding aan Torenstad betalen omdat hij anders ongerechtvaardigd zou worden verrijkt. Deze vergoeding is gelijk aan de daarvoor door [de gedaagde] verschuldigde maandelijkse vergoeding van € 1.482,85. De vorderingen die strekken tot betaling van het bedrag van € 10.323,20 en de maandelijkse vergoeding van € 1.482,85 vanaf 1 mei 2026 tot aan de datum van de ontruiming zullen dan ook worden toegewezen. De niet betwiste wettelijke rente over het bedrag van € 10.323,20 is als op de wet gegrond eveneens toewijsbaar op de wijze zoals hierna in de beslissing is vermeld.\n\n4.9.. \n [de gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Torenstad worden vastgesteld en begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n153,02\n\n- griffierecht\n\n€\n\n559,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n865,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.721,02\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. veroordeelt [de gedaagde] om het gehuurde aan de [adres] binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen en ontruimd te houden en te verlaten met al het zijne en de zijnen, onder afgifte van alle sleutels aan Torenstad,\n\n5.2.. veroordeelt [de gedaagde] om aan Torenstad te betalen een bedrag van € 10.323,20, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de vervaldatum van de verschuldigde vergoedingen tot aan de dag van volledige betaling,\n\n5.3.. veroordeelt [de gedaagde] om aan Torenstad te betalen € 1.482,85 voor iedere maand vanaf 1 mei 2026 tot aan de dag der algehele ontruiming,\n\n5.4.. veroordeelt [de gedaagde] in de proceskosten van € 1.721,02, te vermeerderen met de kosten van betekening en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na heden,\n\n5.5.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.6.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. I.C.J.I.M. van Dorp en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.\n\nlt","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5156","2026-07-13T00:29:40.840Z",{"id":115,"ecli":116,"slug":117,"caseNumber":44,"courtId":58,"decisionDate":102,"fullText":118,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":119,"sourceTimestamp":62,"parsedAt":52,"updatedAt":120},"1075","ECLI:NL:RBAMS:2026:6716","ecli-nl-rbams-2026-6716","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZaaknummer: 11971975 \\ CV EXPL 25-16096\n\nVonnis van 25 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonende te [woonplaats 1],\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser],\n\ngemachtigde: mr. E.L.B. Hundscheidt,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nwonende te [woonplaats 2],\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde],\n\nprocederend in persoon.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 19 maart 2026, - de akte van [eiser], tevens houdende een voorwaardelijke vermeerdering van eis, met een productie,\n\n- de rolmededeling van 30 april 2026.\n\n1.2.. De akte die [eiser] naar aanleiding van het tussenvonnis heeft genomen is aan [gedaagde] toegestuurd. [gedaagde] is in de gelegenheid gesteld hierop te reageren, maar heeft dat niet gedaan.\n\n1.3.. \n [eiser] heeft naar aanleiding van de rolmededeling geen akte genomen.\n\n1.4.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De verdere beoordeling\n\n2.1.. Bij voornoemd tussenvonnis zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de oneerlijkheid en de gevolgen van het buiten toepassing laten van het in het tussenvonnis geciteerde boetebeding dat in de huurovereenkomst is opgenomen en aan de onderhavige vordering ten grondslag ligt.\n\n2.2.. \n [eiser] heeft laten weten, kort gezegd, dat [gedaagde] bij brief van 23 april 2024 in kennis is gesteld dat de huurovereenkomst tegen 23 juli 2025 zou worden beëindigd en de huurwoning zou moeten worden verlaten. [gedaagde] heeft dan ook ruim de tijd gekregen om een andere huurwoning te zoeken. [gedaagde] weigert de woning te verlaten en betaalt met ingang van 1 december 2025 ook geen gebruiksvergoeding meer voor de woning. Op dit moment bestaat er een huurachterstand van € 10.520,-, die maandelijks moet worden verhoogd met € 2.104,-. Door de houding van [gedaagde] kan [eiser] de woning niet verkopen en ook de overbruggingshypotheek niet aflossen. Ook ondervindt [eiser] bijkomende schade, waaronder een belastingaanslag van € 7.169,- voor het jaar 2024. Naar verwachting zal [eiser] dat bedrag aan belasting ook over het jaar 2025 moeten betalen. [eiser] verzoekt om toewijzing van de gevorderde schadevergoeding van € 50.000,- in verband met het onrechtmatig handelen door [gedaagde], waardoor [eiser] onevenredig financieel wordt getroffen. Mocht het beding toch oneerlijk zijn, dan verzoekt [eiser] om toewijzing van de huurachterstand, tot en met 1 april 2026 begroot op € 10.520,- alsmede ontbinding van de huurovereenkomst en toestemming voor ontruiming van de woning, aldus – steeds – [eiser].\n\n2.3.. Bij de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding gaat het erom of dat beding, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort (artikel 3 lid 1 van de richtlijn). Hierbij moeten alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst worden meegewogen en alle andere bedingen van de overeenkomst, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft, in aanmerking worden genomen. Daarbij moet worden uitgegaan van de datum waarop de overeenkomst is gesloten.\n\n2.4.. Gelet op het hiervoor weergegeven beoordelingskader, zijn de door [eiser] genoemde omstandigheden die zijn ontstaan na het sluiten van de huurovereenkomst, hoe vervelend deze ook voor haar zijn, niet van belang bij de oneerlijkheidstoets. Deze toets vindt immers plaats op het moment van sluiting van de overeenkomst. In dat verband heeft de kantonrechter in overweging 2.5 van het tussenvonnis al geoordeeld dat het boetebeding, zeker in combinatie met de verplichting om ook alle aanvullende schade te vergoeden, kan leiden tot een onevenredig hoge schadevergoeding. Het (onrechtmatig) handelen van [gedaagde] is daarbij niet relevant. Nu partijen niets hebben aangevoerd dat moet leiden tot een ander oordeel dan verwoord in het tussenvonnis, blijft overeind dat het boetebeding oneerlijk is en daarom buiten toepassing moet blijven. De gevorderde boete van € 50.000,- wordt dan ook afgewezen.\n\n2.5.. In haar akte verzoekt [eiser] in dat geval om toewijzing van de inmiddels ontstane huurachterstand. Dit is een wijziging van eis. Ondanks dat [eiser] naar aanleiding van de rolmededeling niet heeft laten weten waarom zij de huurachterstand, ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning zowel in de onderhavige procedure bij voorwaardelijke eisvermeerdering vordert alsook gelijktijdig in een afzonderlijke procedure, heeft de kantonrechter geconstateerd dat [eiser] in de afzonderlijke procedure naar aanleiding van de rolmededeling die in die zaak is uitgegaan een verzoek tot doorhaling van de procedure heeft gedaan. De andere zaak is daarmee afgedaan, zodat de voorwaardelijke eiswijziging in deze procedure zal worden toegelaten, waarbij van belang is dat [gedaagde] in de onderhavige procedure is verschenen en tegen de eiswijziging geen bezwaren kenbaar heeft gemaakt.\n\n2.6.. De (gewijzigde) eis van [eiser] is niet weersproken en kan worden toegewezen zoals hierna vermeld.\n\n2.7.. De ontruimingstermijn wordt naar vast beleid vastgesteld op 14 dagen na betekening van het vonnis.\n\n2.8.. Gelet op wat [eiser] heeft gesteld in haar akte, gaat de kantonrechter er vanuit dat zij de huur tot ontbinding vordert en een gebruiksvergoeding gelijk aan de laatst geldende huur tot aan de ontruiming. De gebruiksvergoeding na ontbinding wordt toegewezen tot en met de dag van de ontruiming. Dat wil zeggen naar rato, waarbij niet een gedeelte van de maand voor een gehele maand wordt gerekend.\n\n2.9.. \n [gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij aangemerkt en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Nu een gedeelte van de vordering is afgewezen wordt [gedaagde] veroordeeld in de proceskosten corresponderend bij het toegewezen gedeelte van de vordering. Het meer verschuldigde blijft voor rekening van [eiser]. Met inachtneming daarvan worden de proceskosten van [eiser] begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n120,78\n\n- griffierecht\n\n€\n\n257,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n432,00\n\n(1 punt × € 432,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n72,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n881,78\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n3.1.. ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de woning gelegen aan de [adres],\n\n3.2.. veroordeelt [gedaagde] de woning gelegen aan de [adres] binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, met al het zijne en de zijnen te ontruimen en te verlaten en door overgave van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van [eiser] te stellen,\n\n3.3.. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 10.520,00 aan huurachterstand, berekend tot 1 mei 2026,\n\n3.4.. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 2.104,00 per maand vanaf 1 mei 2026 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt,\n\n3.5.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 881,78, te vermeerderen met de kosten van betekening, te betalen binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis,\n\n3.6.. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,\n\n3.7.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.\n\n991","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6716","2026-07-13T00:29:02.791Z",{"id":122,"ecli":123,"slug":124,"caseNumber":44,"courtId":94,"decisionDate":102,"fullText":125,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":126,"sourceTimestamp":72,"parsedAt":52,"updatedAt":127},"1913","ECLI:NL:RBOVE:2026:3621","ecli-nl-rbove-2026-3621","RECHTBANKOVERIJSSEL\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Enschede\n\nZaaknummer: 12223215 \\ CV EXPL 26-1390\n\nVonnis in kort geding van 25 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nSTICHTING WELBIONS,\n\nte Hengelo (O),\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: Welbions,\n\ngemachtigde: Groothuis Ligtermoet & Nijhuis,\n\ntegen\n\nARJEN DIEDERICK HULTINK,\n\nin hoedanigheid van curator van [gedaagde] (hierna: [gedaagde]),\n\nte [woonplaats],\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: Hultink q.q.,\n\ngemachtigde: mr. A. aan het Rot.\n\nDe zaak in het kort\n\nWelbions verhuurt een woning aan [gedaagde]. Volgens Welbions veroorzaakt [gedaagde] structureel ernstige overlast. Zij vordert daarom ontruiming van de woning. Daarnaast vordert zij betaling van de huurachterstand. De vorderingen zijn ingesteld tegen Hultink q.q., de curator van [gedaagde]. Hij voert verweer.\n\nAangezien [gedaagde] onder curatele is gesteld, is de curator de formele procespartij. De vorderingen zijn dus terecht tegenover Hultink q.q. ingesteld. Naar het oordeel van de kantonrechter is voldoende aannemelijk geworden dat [gedaagde] structureel ernstige overlast veroorzaakt en dat een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst in een eventuele bodemprocedure zal worden toegewezen. Gelet op de plicht van Welbions om te zorgen voor rustig woongenot voor omwonenden, kan van Welbions niet worden verwacht dat zij een bodemprocedure afwacht. De vordering tot ontruiming wordt daarom in dit kort geding toegewezen. Welbions heeft de gevorderde huurachterstand op de mondelinge behandeling verminderd. Aangezien Hultink q.q. het gevorderde bedrag daarna niet meer (onderbouwd) heeft weersproken, wordt de vordering tot betaling van de huurachterstand ook toegewezen.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties, - de producties van Welbions, - de producties van Hultink q.q., - de mondelinge behandeling van 11 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, - de spreekaantekeningen van Welbions, - de spreekaantekeningen van Hultink q.q.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Sinds 18 februari 2022 verhuurt Welbions de woning aan de [adres] aan [gedaagde]. Op de huurovereenkomst zijn algemene huurvoorwaarden van toepassing verklaard. De huurprijs bedroeg aanvankelijk € 564,46 per maand inclusief het voorschot voor de nutsvoorzieningen.\n\n2.2.. In artikel 6.7 van de algemene huurvoorwaarden staat dat [gedaagde] ervoor moet zorgen dat hij geen overlast aan omwonenden veroorzaakt.\n\n2.3.. Tussen 9 september 2024 en 24 maart 2025 heeft Welbions zes brieven naar [gedaagde] gestuurd waarin zij heeft medegedeeld overlastmeldingen over hem te hebben ontvangen. Welbions heeft [gedaagde] meerdere keren gesommeerd direct te stoppen met het veroorzaken van overlast.\n\n2.4.. Op 31 maart 2025 heeft [gedaagde] een gedragsaanwijzing ondertekend. Daarin is onder andere afgesproken dat [gedaagde] stopt met het veroorzaken van overlast, dat zijn middelengebruik geen overlast veroorzaakt naar omwonenden, dat hij openstaat voor Tactus in verband met zijn middelengebruik, dat hij stopt met het vernielen van zijn woning en het complex, dat zijn woning netjes en opgeruimd is, dat hij geen huurachterstand laat ontstaan en dat hij medewerking verleent aan controles.\n\n2.5.. Op 25 augustus 2025 heeft Welbions per brief aan [gedaagde] medegedeeld dat hij zich niet aan de afspraken houdt. Welbions heeft [gedaagde] de mogelijkheid geboden de huurovereenkomst op te zeggen om een juridische procedure te voorkomen. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan.\n\n2.6.. Op 14 januari en 18 februari 2026 heeft Welbions [gedaagde] per brief gesommeerd om de huurachterstand te betalen.\n\n2.7.. Op 19 mei 2026 is Hultink q.q. benoemd tot curator van [gedaagde].\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. Welbions vordert samengevat en na vermindering van eis op de mondelinge behandeling:\n\nprimair ontruiming van het gehuurde, dan wel subsidiair oplegging van een gedragsaanwijzing en ontruiming als niet aan de gedragsaanwijzing wordt voldaan,\n\nbetaling van € 591,25 aan achterstallige huur tot en met juni 2026, vermeerderd met de buitengerechtelijke incassokosten, btw en rente,\n\nbetaling van € 663,77 per maand vanaf 1 juli 2026 totdat het gehuurde is ontruimd,\n\nveroordeling van Hultink q.q. in de proceskosten.\n\n3.2.. Welbions legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde] veroorzaakt structureel overlast voor omwonenden, bestaande uit onder andere ernstige geluidsoverlast door schreeuwen, gebonk op muren en het schuiven en gooien met meubels, agressief, dreigend en intimiderend gedrag – al dan niet onder invloed van verdovende middelen – tegenover omwonenden en een monteur, aanbellen bij buren “gewapend” met een kapotte wijnfles of met de broek op de enkels, naakt op het balkon staan, rondspoken in de nacht, met de broek op de enkels door de gemeenschappelijke ruimten lopen, vernielingen in het gehuurde en de gemeenschappelijke ruimten, het besmeuren van de gemeenschappelijke ruimten met urine, ontlasting en bloed vanwege verwondingen, huisraad over het balkon gooien en gooien met messen naar omstanders en voorbijgangers. Daarnaast heeft [gedaagde] een huurachterstand. Volgens Welbions is sprake van een ernstige tekortkoming die ontbinding van de huurovereenkomst in een eventuele bodemprocedure rechtvaardigt en die vooruitlopend daarop ontruiming in dit kort geding rechtvaardigt.\n\n3.3.. Hultink q.q. voert verweer. Hij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Welbions, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Welbions, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Welbions in de kosten van deze procedure.\n\n3.4.. \n\nVolgens Hultink q.q. leent de zaak zich niet voor behandeling in kort geding, omdat er geen spoedeisend belang is en de zaak veel te complex is. Hultink q.q. betwist dat sprake is van structurele en ernstige overlast. Uit de stukken blijkt niet dat er vóór\n\n9 september 2024 sprake is geweest van enige overlast door [gedaagde]. Daarnaast is geen sprake van objectief vastgestelde overtredingen. De vordering wordt alleen onderbouwd met interne en geanonimiseerde meldingen en registraties. [gedaagde] heeft niet met messen en huisraad gegooid, niemand is daadwerkelijk bedreigd en de politie heeft geen strafbare feiten geconstateerd. Hultink q.q. beroept zich op vernietigbaarheid van de gedragsaanwijzing, vanwege het ontbreken van wil. [gedaagde] stond op het moment van ondertekenen nog niet onder curatele, had geen werkelijk besef van wat hij ondertekende en moest tekenen om zijn woning niet kwijt te raken. Als al sprake is van een tekortkoming, dan rechtvaardigt de tekortkoming geen ontbinding en ontruiming. Dit is disproportioneel. [gedaagde] wil zich laten behandelen en Tactus heeft inmiddels een zorgplan opgesteld. Als [gedaagde] de woning moet ontruimen, komt hij op straat te staan. Dit zal een negatief effect hebben op de uitvoering van het zorgplan en het vergroot de risico’s voor [gedaagde] en zijn omgeving. Ten slotte betwist Hultink q.q. de hoogte van de huurachterstand.\n\n3.5.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nFormele procespartij\n\n4.1.. Aangezien [gedaagde] onder curatele is gesteld, is de curator de formele procespartij. De vorderingen tot ontruiming van het gehuurde en betaling van de huurachterstand zijn daarom terecht tegenover Hultink q.q. als curator ingesteld.\n\nOntruiming\n\n4.2.. De kantonrechter stelt in dit kader voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet – volgens vaste jurisprudentie – grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een (diepgaand) onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding.\n\n4.3.. Naar het oordeel van de kantonrechter is uit de overgelegde stukken voldoende aannemelijk geworden dat [gedaagde] structureel ernstige overlast voor omwonenden veroorzaakt. Dit blijkt onder andere uit de vele overlastmeldingen die over hem zijn geregistreerd. Het gaat om meldingen vanaf augustus 2024 tot en met juni 2026. Het betreft ernstige overlast zoals geluidsoverlast in de nachten, het vernielen van de balkondeur, het vernielen van ruiten van verschillende woningen en een auto, het aanbellen bij een omwonende met een kapotte wijnfles in de hand of in zijn blote kont, het proberen de deur van een omwonende te forceren door daar tegenaan te trappen, het gooien met messen naar omstanders, het gooien met huisraad, het naakt op het balkon staan, het met de broek op de enkels of met bloedende verwondingen door gemeenschappelijke ruimten lopen en poep in de lift smeren. Uit de meldingen blijkt ook dat de politie vaak is ingeschakeld.\n\n4.4.. Hultink q.q. ontkent weliswaar dat [gedaagde] met messen en huisraad heeft gegooid, maar hij heeft de overige meldingen niet inhoudelijk weersproken. Dat een groot deel van de meldingen anoniem is gedaan, is weliswaar een factor die bij de bewijswaardering moet worden meegewogen, maar betekent, anders dan Hultink q.q. meent, niet daaraan geen bewijskracht kan worden ontleend (zie ECLI:NL:HR:1989:AD0929). Bovendien zijn in een aantal meldingen huisnummers van omwonenden vermeld. Ook worden de meldingen (deels) bevestigd door foto’s en krantenartikelen en erkent Hultink q.q. dat [gedaagde] ernstig verslaafd is aan middelen en dat de politie meerdere keren bij [gedaagde] langs is geweest. Daarnaast is niet onderbouwd of gebleken dat aanleiding bestaat om te vermoeden dat de meldingen niet juist en\u002Fof niet van omwonenden zijn.\n\n4.5.. \n [gedaagde] heeft een gedragsaanwijzing ondertekend waarin is afgesproken dat hij zou stoppen met het veroorzaken van overlast. Daargelaten de vraag of zijn wil op dat moment met die verklaring overeenstemde (dan wel Welbions daarop mocht vertrouwen), geldt dat hij op grond van de wet en de algemene huurvoorwaarden verplicht is om zich als goed huurder te gedragen en geen overlast voor omwonenden te veroorzaken. Hij is er meerdere keren op gewezen dat hij overlast veroorzaakt, maar is daar niet mee gestopt.\n\n4.6.. Door het structureel veroorzaken van ernstige overlast, schiet [gedaagde] ernstig tekort in de nakoming van de huurovereenkomst. Naar het oordeel van de kantonrechter is voldoende aannemelijk dat in een eventuele bodemprocedure zal worden geoordeeld dat de veroorzaakte overlast ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. Gelet op de plicht van Welbions om te zorgen voor rustig woongenot voor omwonenden, kan van Welbions niet worden verwacht dat zij een bodemprocedure tot ontbinding van de huurovereenkomst afwacht. Welbions heeft dus voldoende spoedeisend belang bij haar vordering tot ontruiming in dit kort geding. Deze vordering zal daarom worden toegewezen.\n\n4.7.. Hultink q.q. zal worden veroordeeld het gehuurde te ontruimen op een termijn van veertien dagen na betekening van het vonnis. De kantonrechter is van oordeel dat dit een redelijke termijn is om aan de veroordeling te voldoen.\n\nSubsidiaire vordering: gedragsaanwijzing\n\n4.8.. Aangezien de primaire vordering tot ontruiming wordt toegewezen, hoeven de subsidiaire vorderingen (tot het opleggen van een gedragsaanwijzing en tot ontruiming als daar niet aan wordt voldaan) niet meer beoordeeld te worden.\n\nHuurachterstand\n\n4.9.. De huurovereenkomst is gesloten met een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93\u002F13\u002FEEG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). De voor de vordering relevante bedingen in de huurovereenkomst en de daarbij behorende algemene voorwaarden zijn getoetst en niet oneerlijk bevonden.\n\n4.10.. Welbions vorderde eerst een bedrag van € 1.254,32 aan huur tot 1 juni 2026. Volgens Hultink q.q. klopt dat bedrag niet, aangezien Welbions op 8, 15 en 20 mei 2026 per e-mail aan hem heeft laten weten dat het openstaande bedrag € 590,55 was. Op de mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van Welbions verklaard dat ná het opstellen van de dagvaarding (naar de kantonrechter begrijpt ná april 2026) nog betalingen zijn gedaan en dat de huidige huurachterstand € 591,25 bedraagt. Naar de kantonrechter begrijpt, is dit de huurachterstand tot en met juni 2026. Aangezien Hultink q.q. hier geen (onderbouwd) verweer meer tegen heeft gevoerd, zal dit bedrag worden toegewezen.\n\nWettelijke rente\n\n4.11.. De wettelijke rente is op artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (BW) gegrond en niet onderbouwd weersproken en zal daarom worden toegewezen. Aangezien Welbions niet heeft onderbouwd wanneer de betalingen na het opstellen van de dagvaarding precies hebben plaatsgevonden, zal de wettelijke rente vanaf 1 mei 2026 worden toegewezen over het nu nog openstaande bedrag van € 591,25.\n\nBuitengerechtelijke incassokosten\n\n4.12.. Welbions vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Aangezien [gedaagde] een consument is, moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Welbions heeft aan [gedaagde] twee aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. De kantonrechter heeft de hoogte van de vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaald na aftrek van de deelbetaling die voor het einde van de aanmaningstermijn is gedaan.\n\n4.13.. Op 14 januari 2026 is [gedaagde] gesommeerd om de huur voor de maand december 2025 (€ 660,77) te betalen. [gedaagde] heeft dit bedrag niet voor het einde van de aanmaningstermijn betaald. Hij is hiervoor een bedrag van € 119,93 aan buitengerechtelijke incassokosten inclusief btw verschuldigd. Op 18 februari 2026 is [gedaagde] gesommeerd om de huur voor de maanden januari en februari 2026 (€ 660,77 en € 663,77) te betalen. Op 2 februari 2026 is door of namens [gedaagde] een bedrag van € 50,00 aan huur betaald en op 2 maart 2026 een bedrag van € 663,77. Deze bedragen moeten grotendeels in mindering worden gebracht op de huur voor de maand december 2025. Dan resteert een bedrag van € 53,00 dat in mindering moet worden gebracht op de huur voor de maand januari 2026. Aangezien dit bedrag vóór het einde van de aanmaningstermijn is betaald, moeten de buitengerechtelijke incassokosten voor de tweede aanmaning worden berekend over een bedrag van € 1.272,54 (€ 660,77 + € € 663,77 – € 53,00). [gedaagde] is hiervoor een bedrag van € 230,97 aan buitengerechtelijke incassokosten inclusief btw verschuldigd. In totaal wordt dus een bedrag van € 350,90 aan buitengerechtelijke incassokosten inclusief btw worden toegewezen.\n\nProceskosten\n\n4.14.. Hultink q.q. is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Welbions worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n153,02\n\n- griffierecht\n\n€\n\n397,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n577,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\ntotaal\n\n€\n\n1.271,02\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. veroordeelt Hultink q.q. om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde aan de [adres] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Welbions zijn, en de sleutels af te geven aan Welbions,\n\n5.2.. veroordeelt Hultink q.q. om te betalen aan Welbions:\n\n€ 591,25 aan achterstallige huur tot en met juni 2026,\n\n€ 17,77 aan wettelijke rente over de achterstallige huur tot 1 mei 2026,\n\nde wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over € 591,25 vanaf 1 mei 2026 tot de dag van voldoening,\n\n€ 663,77 per maand vanaf 1 juli 2026 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden,\n\n€ 350,90 aan buitengerechtelijke kosten inclusief btw,\n\n5.3.. veroordeelt Hultink q.q. in de proceskosten van € 1.271,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Hultink q.q. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.4.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.5.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. E. Horsthuis en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3621","2026-07-13T00:29:45.177Z",{"id":129,"ecli":130,"slug":131,"caseNumber":44,"courtId":132,"decisionDate":102,"fullText":133,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":134,"sourceTimestamp":102,"parsedAt":52,"updatedAt":135},"1915","ECLI:NL:RBOVE:2026:3543","ecli-nl-rbove-2026-3543",57,"RECHTBANKOVERIJSSEL\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nZaaknummer: 12210003 \\ CV EXPL 26-1498\n\nVonnis in kort geding van 25 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nSTICHTING OPENBAAR BELANG,\n\nte Zwolle,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: Stichting Openbaar Belang,\n\ngemachtigde: mr. M.J. Seijbel,\n\ntegen\n\nZEKER FINANCIËLE ZORGVERLENING B.V., handelend in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de (toekomstige) goederen van de heer[betrokkene],\n\nte Almere,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna afzonderlijk te noemen: Zeker Financiële Zorgverlening; [betrokkene].\n\ngemachtigde: mr. O. Saaliti.\n\n1. De zaak en het oordeel in het kort\n\n1.1.. \n [betrokkene] huurt een woning van Stichting Openbaar Belang. Omdat [betrokkene] structureel ernstige overlast veroorzaakt en vernielingen heeft aangericht in de woning vordert Stichting Openbaar Belang ontruiming van de woning door [betrokkene]. [betrokkene] is het daar niet mee eens. Hij heeft psychische problemen waardoor hij overlast heeft veroorzaakt en waarvoor hij op dit moment een behandeling krijgt in een zorginstelling. Het is voor hem van groot belang dat hij een woonruimte heeft wanneer hij de zorginstelling mag verlaten. Volgens Zeker Financiële Zorgverlening is geen sprake van een spoedeisend belang en weegt het belang van [betrokkene] bij behoud van de woning zwaarder dan het belang van Stichting Openbaar Belang bij ontruiming daarvan. Volgens Zeker Financiële Zorgverlening moet de vordering dan ook worden afgewezen.\n\n1.2.. De kantonrechter zal de vordering van Stichting Openbaar Belang toewijzen en Zeker Financiële Zorgverlening (en dus [betrokkene]) veroordelen de woning te ontruimen. De kantonrechter zal dat oordeel hierna uitleggen.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding; - de mondelinge behandeling van 11 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt; - de pleitnota van Zeker Financiële Zorgverlening.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. Stichting Openbaar Belang vordert samengevat - ontruiming van het gehuurde, de woning aan [adres].\n\n3.2.. Stichting Openbaar Belang legt aan de vordering ten grondslag dat [betrokkene] sinds maart 2025 ernstige en structurele (geluids)overlast veroorzaakt. [betrokkene] schreeuwt in de woning, bonkt op de muren en richt vernielingen aan in de woning. Hij veroorzaakt daardoor ook een gevoel van onveiligheid bij zijn buren. [betrokkene] gedraagt zich daarom niet als goed huurder en schiet tekort in de nakoming van zijn verplichtingen onder de huurovereenkomst en moet de woning ontruimen, aldus Stichting Openbaar Belang\n\n3.3.. Zeker Financiële Zorgverlening voert verweer. Zeker Financiële Zorgverlening concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Stichting Openbaar Belang en voert het volgende aan. [betrokkene] heeft ernstige psychische problemen waardoor zijn gedrag werd veroorzaakt en hij verblijft op dit moment met een in een zorginstelling waar hij onder behandeling staat. Omdat het voor [betrokkene] van groot belang is dat hij een woonruimte heeft wanneer hij de zorginstelling mag verlaten, weegt zijn belang zwaarder dan het belang van Stichting Openbaar Belang bij ontruiming van de woning. Ook is er volgens Zeker Financiële Zorgverlening geen spoedeisend belang omdat [betrokkene] niet in de woning verblijft en dus geen overlast veroorzaakt.\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nVordering tot ontruiming4.1.. De kantonrechter stelt voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is die diep ingrijpt in het gebruiksrecht van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet volgens vaste jurisprudentie grote terughoudendheid worden betracht omdat er in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een diepgaand onderzoek naar bestreden feiten en omdat een ontruiming in kort geding vergaande en vaak onomkeerbare gevolgen heeft.\n\n4.2.. Een dergelijke vordering kan daarom alleen toegewezen worden als in hoge mate waarschijnlijk is dat de bodemrechter, in een eventuele bodemprocedure, de vordering zal toewijzen. Bovendien moet ook sprake zijn van een zodanig ernstige tekortkoming dat de beslissing in de bodemzaak niet kan worden afgewacht.\n\nSpoedeisend belang4.3.. Hoewel [betrokkene] op dit moment in een zorginstelling verblijft en daarom geen overlast veroorzaakt in de woning, heeft Stichting Openbaar Belang voldoende spoedeisend belang bij haar vordering. Zoals Stichting Openbaar Belang tijdens de mondelinge behandeling heeft toegelicht – en [betrokkene] heeft bevestigd – verblijft [betrokkene] met een zorgmachtiging in een instelling, maar is het onduidelijk hoe lang hij daar nog zal (moeten) verblijven. Nu onzeker is of [betrokkene] al dan niet op korte termijn terug zal keren naar de woning, is het spoedeisend belang gegeven.\n\nTekortkoming4.4.. \n [betrokkene] erkent dat hij ernstige geluidsoverlast heeft veroorzaakt en dat hij vernielingen in de woning heeft aangericht. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [betrokkene] daarover verklaard dat hij psychische problemen heeft en last heeft van PTSS. Die psychische problemen zorgen voor onbeheersbare woede uitbarstingen waardoor hij schreeuwt, op de muren en ramen bonkt en de woning vernielt. Voor deze psychische problemen ontvangt hij nu een behandeling. [betrokkene] heeft nog wel aangevoerd dat de meldingen slechts door een klein aantal buren zijn gedaan, maar dat brengt in de ernst van zijn handelen en de ervaren overlast geen verandering. De tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen onder huurovereenkomst door [betrokkene] staat daarmee vast.\n\n4.5.. De kantonrechter overweegt dat het voldoende aannemelijk is dat een bodemrechter in een eventuele bodemprocedure tot het oordeel komt dat deze tekortkomingen ook de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigen.\n\nBelangenafweging4.6.. Zeker Financiële Zorgverlening voert aan dat ondanks de tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen onder de huurovereenkomst, een belangenafweging in het voordeel van [betrokkene] moet uitvallen en de vordering moet worden afgewezen. Zij voert daartoe aan dat [betrokkene] met een zorgmachtiging in de zorginstelling de Woenselse Poort verblijft en dat [betrokkene], zoals hij zelf ook heeft toegelicht tijdens de mondelinge behandeling, groot belang heeft bij een woning wanneer hij de zorginstelling mag verlaten. Omdat hij geen vrienden of familie heeft waar hij kan verblijven zal hij zonder zijn woning waarschijnlijk dakloos worden, waardoor zijn psychische problemen zullen verergeren.\n\n4.7.. Stichting Openbaar Belang vindt dat de belangenafweging in haar voordeel moet uitvallen. [betrokkene] veroorzaakt sinds maart 2025 ernstige overlast voor de omwonenden waardoor een gevoel van onveiligheid en grote onrust is ontstaan in de wijk. Zoals Stichting Openbaar Belang tijdens de mondelinge behandeling onbetwist heeft aangevoerd, heeft [betrokkene] voor een bedrag van bijna € 40.000,- aan schade aangericht in de woning en is de woning door de aangerichte vernielingen ook niet veilig voor bewoning. Tot slot voert zij aan dat zij in 2025 al een kort geding tot ontruiming is gestart, maar dat zij die procedure heeft ingetrokken omdat [betrokkene] kort voor de mondelinge behandeling was opgenomen voor een behandeling bij Tactus. Omdat [betrokkene] kort na zijn terugkeer in de woning opnieuw overlast veroorzaakte, heeft zij er geen vertrouwen in dat het na zijn terugkeer uit de Woenselse Poort wel goed zal gaan.\n\n4.8.. Vooropgesteld onderkent de kantonrechter dat [betrokkene] groot belang heeft bij behoud van zijn woning zodat hij een woonruimte heeft om naar terug te keren wanneer zijn behandeling is afgerond. Ook is voor de kantonrechter duidelijk dat, zoals [betrokkene] heeft toegelicht tijdens de mondelinge behandeling, zijn gedrag was ingegeven door psychische problemen en dat hij daarvoor nu de juiste zorg ontvangt. Naar het oordeel van de kantonrechter weegt zijn belang echter niet zwaarder dan het belang van Stichting Openbaar Belang. Zoals Stichting Openbaar Belang heeft aangevoerd moet zij ook aan de buren van [betrokkene] huurgenot verschaffen en moet zij ook hun belangen behartigen. Zij heeft daarom na de lange periode van overlast en de intrekking van het eerste kort geding door de opname van [betrokkene] bij Tactus, behoefte aan duidelijkheid. Die duidelijkheid krijgt zij alleen wanneer [betrokkene] de woning ontruimt. Bij afwijzing van de vordering blijft het immers onduidelijk wanneer [betrokkene] de zorginstelling zal mogen verlaten en terug zal keren naar zijn woning. Het is ook onduidelijk of de overlast dan zal stoppen. Daarbij komt dat er door de ernst en de duur van de overlast veel onrust is ontstaan in de buurt en dat de enkele terugkeer van [betrokkene] die onrust waarschijnlijk weer zal doen oplaaien. Daarnaast wil Stichting Openbaar Belang de woning restaureren maar kan zij dat niet doen zolang [betrokkene] de woning niet verlaten heeft. Ook heeft Stichting Openbaar Belang onbetwist aangevoerd dat zij de benedenwoning onder die van [betrokkene] niet kan verhuren omdat de aanblik van de bovenwoning en de verhalen van de omwonenden over het gedrag van [betrokkene], ervoor zorgen dat potentiële huurders afzien van de woning. Het belang van Stichting Openbaar Belang bij ontruiming van de woning weegt daarom zwaarder dan het belang van [betrokkene].\n\n4.9.. Gelet op het voorgaande zal de vordering van Stichting Openbaar Belang worden toegewezen en zal Zeker Financiële Zorgverlening in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de (toekomstige) goederen van [betrokkene], worden veroordeeld tot ontruiming van de woning.\n\nOntruimingstermijn4.10.. Zeker Financiële Zorgverlening voert verweer tegen de gevorderde ontruimingstermijn van 48 uur na betekening van het te wijzen vonnis. Omdat [betrokkene] is opgenomen in een zorginstelling die hij niet mag verlaten en hij geen familie of vrienden heeft die de woning voor hem zouden kunnen ontruimen, is het voor hem onmogelijk om binnen de gestelde termijn de woning te ontruimen.\n\n4.11.. De kantonrechter acht de termijn van 48 uur gelet op het voorgaande te kort en zal een termijn van veertien dagen na betekening van het vonnis hanteren zodat [betrokkene] tijd heeft om persoonlijke spullen uit de woning te (laten) halen. Verder heeft Stichting Openbaar Belang tijdens de mondelinge behandeling toegezegd om, in overleg met de deurwaarder, bij ontruiming van de woning de spullen van [betrokkene] op te laten slaan.\n\nProceskosten4.12.. Zeker Financiële Zorgverlening is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Stichting Openbaar Belang worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n151,94\n\n- griffierecht\n\n€\n\n139,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n577,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n43,50\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n911,44\n\n4.13.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. veroordeelt Zeker Financiële Zorgverlening in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de (toekomstige) goederen van de heer [betrokkene], om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de woning aan [adres] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Stichting Openbaar Belang zijn, en de sleutels af te geven aan Stichting Openbaar Belang,\n\n5.2.. veroordeelt Zeker Financiële Zorgverlening in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de (toekomstige) goederen van de heer [betrokkene] in de proceskosten van € 911,44, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als zij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. veroordeelt Zeker Financiële Zorgverlening in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de (toekomstige) goederen van de heer [betrokkene] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n5.4.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.W. Eshuis en in het openbaar uitgesproken op\n\n25 juni 2026.(mb)","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3543","2026-07-13T00:29:45.279Z",{"id":137,"ecli":138,"slug":139,"caseNumber":44,"courtId":140,"decisionDate":102,"fullText":141,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":142,"sourceTimestamp":102,"parsedAt":52,"updatedAt":143},"1916","ECLI:NL:RBMNE:2026:3678","ecli-nl-rbmne-2026-3678",79,"RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Almere\n\nZaaknummer: 12213252 \\ MV EXPL 26-62\n\nVonnis in kort geding van 25 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nWOONSTICHTING GOEDESTEDE,\n\ngevestigd te Almere,\n\neisende partij,\n\ngemachtigde: mr. T. Mulder,\n\ntegen\n\n [gedaagde partij]in hoedanigheid van bewindvoerder van de heer[onderbewindgestelde], wonende te [woonplaats] ,\n\ngevestigd te [vestigingsplaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\ngemachtigde: mr. E.D. van Tellingen.\n\nPartijen worden hierna GoedeStede en [gedaagde partij] of de bewindvoerder genoemd.\n\nDe onderbewindgestelde wordt [onderbewindgestelde] genoemd.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 22 mei 2026 met 14 producties;\n\n- de nadere producties 15 en 16 van GoedeStede.\n\n1.2.. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 juni 2026. Namens GoedeStede is verschenen mevrouw [A] , consulent leefbaarheid (hierna: [A] ), bijgestaan door mr. L. Wanders (kantoorgenote van mr. T. Mulder). Namens de bewindvoerder is verschenen mr. E.D. van Tellingen. [onderbewindgestelde] is ook verschenen. Partijen hebben hun standpunten (aan de hand van overgelegde aantekeningen) toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat is besproken.\n\n1.3.. Aan het einde van de mondelinge behandeling is bepaald dat vandaag vonnis zal worden gewezen.\n\n2. De kern van de zaak\n\nGoedeStede verhuurt sinds 15 maart 2021 de woning aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning) aan [onderbewindgestelde] , die onder bewind staat bij [gedaagde partij] . Op 30 december 2025 heeft de burgemeester van de gemeente Almere besloten om de woning te sluiten voor de duur van drie maanden tot en met 1 april 2026 op grond van artikel 174a lid 1 sub c van de Gemeentewet.GoedeStede heeft bij brief van 26 januari 2026 de huurovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden en in dit kort geding ontruiming van de woning gevorderd.\n\nDe kantonrechter is van oordeel dat de ontruiming – vooruitlopend op de bodemprocedure – toewijsbaar is.\n\n3. De beoordeling\n\nSpoedeisend belang\n\n3.1.. In een kort geding moet eerst worden beoordeeld of er sprake is van een spoedeisend belang. De kantonrechter is van oordeel dat hiervan voldoende is gebleken, gelet op de aard van de vordering tot ontruiming en de omstandigheid dat, na de sluiting van de woning door de burgemeester, de huurovereenkomst buitengerechtelijk is ontbonden door GoedeStede. Dit brengt namelijk met zich dat [onderbewindgestelde] op dit moment zonder recht of titel in de woning verblijft. Dat er enige tijd zit tussen de ontbinding en de dagvaarding doet niet af aan het spoedeisend belang. In de tussenliggende periode hebben partijen namelijk gecorrespondeerd over een vrijwillige opzegging zodat dit kort geding kon worden voorkomen.\n\nOntruiming in kort geding\n\n3.2.. \n\nToewijzing van de ontruiming in kort geding heeft het verstrekkende (en in de praktijk vaak onomkeerbare) gevolg dat de huurder zijn woning verliest. Daarom is voor toewijzing in kort geding vereist dat het in hoge mate waarschijnlijk moet zijn dat de bodemrechter de ontruiming eveneens zal toewijzen in een bodemprocedure.\n\nToetsingskader buitengerechtelijke ontbinding\n\n3.3.. Door het sluitingsbesluit van de burgemeester is GoedeStede bevoegd om op grond van artikel 7:231 lid 2 BW tot buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst over te gaan. Omdat de bewindvoerder zich niet hierbij neerlegt, moet de kantonrechter, als daartoe voldoende is aangevoerd, beoordelen of de ontbinding of de ontruiming naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (art. 6:248 lid 2 BW) en of GoedeStede haar bevoegdheid tot ontbinding heeft misbruikt (art. 3:13 BW). Bij de beoordeling hiervan moet de kantonrechter ook een belangenafweging maken, waarbij onder meer kunnen worden betrokken de aard en ernst van de feiten en omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot sluiting van de woning door het bevoegd gezag en in hoeverre de huurder een verwijt kan worden gemaakt van deze feiten en omstandigheden.\n\nDe buitengerechtelijke ontbinding kan in stand blijven\n\n3.4.. De kantonrechter is voorshands van oordeel dat de buitengerechtelijke ontbinding in stand kan blijven.\n\n3.5.. Vooropgesteld wordt dat sprake is geweest van een heftig incident, dat aanleiding is geweest voor de woningsluiting. Op 29 november 2025 heeft namelijk bij een juwelier in de nabije omgeving van de woning een gewelddadige overval plaatsgevonden door drie overvallers. Direct na de overval werd één verdachte op straat aangehouden en werd bij hem een vuurwapen aangetroffen. De twee andere verdachten zijn gevlucht naar de woning van [onderbewindgestelde] en vervolgens door het arrestatieteam in de woning aangehouden. Daarbij is in de prullenbak in de woning een vuurwapen aangetroffen dat is gebruikt tijdens de overval. Uit de overgelegde (aanvullende) bestuurlijke rapportage van de politie van 2 (en 10) december 2025 (hierna: de rapportage) en het overgelegde nieuwsartikel (productie 5) volgt dat de overval de openbare orde ernstig heeft verstoord: de locatie was middenin een winkelstraat waar veel mensen aanwezig waren.\n\n3.6.. Verder volgt uit de rapportage dat toen het arrestatieteam voor de deur van de woning stond [onderbewindgestelde] verklaarde dat hij lag te slapen met zijn vriendin en dat hij niet wist dat twee jongens in zijn woning aanwezig waren. De kantonrechter acht dit ongeloofwaardig. Uit de rapportage (pagina 2) volgt namelijk dat uit onderzoek is gebleken dat twee van de drie overvallers vóór de overval uit het portiek van de woning kwamen en dat ná de overval de centrale toegangsdeur direct na aanbellen werd geopend waarop de twee verdachten naar binnen gaan.\n\n3.7.. Op de mondelinge behandeling heeft [onderbewindgestelde] zijn verklaring genuanceerd: [onderbewindgestelde] wist wel dat hij de jongens had binnengelaten, maar wat daarna is gebeurd weet hij niet, omdat hij verder ging slapen. Echter, voorafgaand aan het binnentreden van de woning heeft het arrestatieteam via de megafoon omgeroepen dat alle bewoners binnen moesten blijven, cirkelde een helikopter boven het gebied, werd de openbare weg afgezet en werden meerdere politieauto’s ingezet. Ook is de kleding die gebruikt was tijdens de overval aangetroffen in de wasmachine van [onderbewindgestelde] , die op dat moment aan het draaien was. Dat [onderbewindgestelde] van niks wist omdat hij lag te slapen, acht de kantonrechter onder deze omstandigheden dan ook ongeloofwaardig en kan daarom – ook bij gebrek aan onderbouwing – niet worden gevolgd. Bovendien heeft [onderbewindgestelde] op de mondelinge behandeling verklaard dat de jongens van de overval een dag ervoor op een feestje bij hem thuis waren en drugs gebruikten.\n\n3.8.. Maar ook als ervan moet worden uitgegaan dat [onderbewindgestelde] geen enkele betrokkenheid had bij of wetenschap had van de overval en het vuurwapen, kan dit niet afdoen aan zijn aansprakelijkheid voor de gedragingen van derden die met zijn goedvinden in de woning verblijven. Ook na de heropening van de woning op 1 april 2026 heeft [onderbewindgestelde] zijn woning laten gebruiken door personen die zich bezighouden met drugshandel. GoedeStede heeft in dit kader een e-mail overgelegd van [A] (productie 15) met een verslag naar aanleiding van haar contacten met de wijkagent [wijkagent] . Hieruit volgt onder meer dat op 15 mei 2026 een drugsdealer is aangehouden die aangaf te verblijven in de woning van [onderbewindgestelde] en een sleutel van de woning te hebben. Op 21 mei 2026 is [A] met de wijkagent naar de woning gegaan waar zij een andere bekende drugsdealer aantroffen, die aangaf dat hij van [onderbewindgestelde] in de woning mocht verblijven. Verder is geconstateerd dat de twee slaapkamers zijn voorzien van cilindersloten (productie 16), hetgeen ook een indicatie is dat [onderbewindgestelde] zijn woning in gebruik geeft. Ook geeft [A] aan dat op 1 juni 2026 een melding is ontvangen van een bewoner die aangaf dat de woning wordt betreden door verschillende personen die betrokken zijn bij “straatactiviteiten” en die kennelijk ook de sleutel hebben. Weliswaar heeft de bewindvoerder voornoemde meldingen betwist, maar zij heeft, hoewel dit op haar weg lag, geen enkel stuk in het geding gebracht dat deze meldingen ontkracht. Aan de blote betwisting moet dan ook worden voorbijgegaan. Bovendien heeft GoedeStede de onderliggende verklaringen van de wijkagent voorgelezen op de mondelinge behandeling en de inhoud daarvan komt overeen met voornoemde e-mail van [A] .\n\n3.9.. Anders dan [onderbewindgestelde] meent, kan het incident met de overval dus niet worden gezien als een op zichzelf staand incident. Niet alleen ná de heropening van de woning, maar ook in het verleden zijn vele (drugsgerelateerde) meldingen bij de politie gedaan vanwege overlast door drugsdealer en -gebruikers die [onderbewindgestelde] toelaat in zijn woning.Het valt [onderbewindgestelde] te verwijten dat hij onvoldoende toezicht houdt op zijn woning dan wel zijn woning nog steeds laat gebruiken door verschillende personen die zich bezighouden met drugsgerelateerde activiteiten. Dit geldt des te meer omdat de overval een heftige impact heeft gemaakt op de buurt. De gemeente heeft daarom ook besloten om sinds 1 april 2026 cameratoezicht in de omgeving in te stellen en politie en handhavers in te zetten om de drugsgerelateerde overlast aan te pakken.\n\n3.10.. De bewindvoerder heeft verder aangevoerd dat de bezwaarprocedure nog loopt tegen de sluiting van de woning, maar dit verweer kan [onderbewindgestelde] niet baten. Het sluitingsbesluit hoeft namelijk niet onherroepelijk te zijn. De feitelijke sluiting van het gehuurde vormt de grondslag voor de buitengerechtelijke ontbinding, zodat de verhuurder niet behoeft te wachten tot het sluitingsbesluit onherroepelijk is geworden om tot buitengerechtelijke ontbinding over te gaan.De civiele rechter dient niet te treden in de beoordeling van het bestuursrechtelijke besluit tot sluiting van een woning.\n\nOntruiming wordt toegewezen\n\n3.11.. \n\nUit het voorgaande volgt dat er onvoldoende omstandigheden naar voren zijn gebracht waaruit blijkt dat GoedeStede naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen gebruik heeft mogen maken van haar ontbindingsbevoegdheid. Dat sprake is van misbruik van bevoegdheid is niet gesteld, maar ook niet gebleken. Ook een belangenafweging kan de bewindvoerder niet baten. De kantonrechter begrijpt dat ontruiming ingrijpende gevolgen voor [onderbewindgestelde] heeft, maar de kantonrechter moet ook rekening houden met de zwaarwegende belangen van GoedeStede en haar andere huurders die daar wonen. Dit belang weegt extra zwaar sinds het incident met de overval. GoedeStede moet immers zoveel mogelijk zorgen voor het rustig en veilig huurgenot van haar huurders. GoedeStede heeft er belang bij dat haar andere huurders niet (nog) langer overlast hoeven te ondervinden van [onderbewindgestelde] en de mensen die hij nog steeds in zijn woning toelaat. De belangen van GoedeStede en haar andere huurders wegen in dit geval zwaarder dan het belang van [onderbewindgestelde] bij woningbehoud. Bij deze stand van zaken is het hoogst waarschijnlijk dat in een bodemprocedure geoordeeld zal worden dat de huurovereenkomst terecht buitengerechtelijk is ontbonden.\n\nVan GoedeStede kan dus niet worden gevergd dat de uitkomst van een (lange) bodemprocedure wordt afgewacht. De gevorderde ontruiming is daarom – vooruitlopend op de bodemprocedure – toewijsbaar.\n\n3.12.. Omdat de vordering tot ontruiming op basis van de primaire grondslag wordt toegewezen, behoeft de subsidiaire grondslag van de vordering (ontbinding wegens gestelde tekortkomingen) geen verdere behandeling.\n\n3.13.. \n\nDe ontruimingstermijn zal worden bepaald op zeven dagen zoals is gevorderd.\n\nDe bewindvoerder heeft geen omstandigheden naar voren gebracht die een langere ontruimingstermijn rechtvaardigen. Bovendien is geen afzonderlijk verweer gevoerd tegen deze termijn en heeft (de bewindvoerder van) [onderbewindgestelde] er al geruime tijd rekening mee kunnen houden dat de woning moet worden ontruimd.\n\nDe bewindvoerder moet de proceskosten betalen3.14.. De bewindvoerder van [onderbewindgestelde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van GoedeStede worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n 151,94\n\n- griffierecht\n\n€\n\n 139,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n 865,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n 144,00\n\n(plus eventuele betekeningskosten)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.299,94\n\n3.15.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\nDit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad\n\n3.16.. GoedeStede vordert tot slot dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Hierbij moet worden beoordeeld of de belangen van GoedeStede bij tenuitvoerlegging van het vonnis zwaarder wegen dan het belang van [onderbewindgestelde] bij behoud van de bestaande toestand tot het einde van de beroepstermijn of tot op een eventueel in te stellen rechtsmiddel is beslist. Dit is niet het geval, gezien hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 3.11 is overwogen. Daarom zal het vonnis uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter, rechtdoende in kort geding\n\n4.1.. veroordeelt [gedaagde partij] , in haar hoedanigheid van beschermingsbewindvoerder van [onderbewindgestelde] , om binnen zeven dagenna betekening van dit vonnis de woning aan de [adres] te [woonplaats] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van GoedeStede zijn, en de sleutels af te geven aan GoedeStede, met het verbod de woning na de ontruiming opnieuw te betrekken c.q. te gebruiken;\n\n4.2.. veroordeelt de bewindvoerder van [onderbewindgestelde] in de proceskosten van € 1.299,94, te vermeerderen met de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend;\n\n4.3.. veroordeelt de bewindvoerder van [onderbewindgestelde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na betekening zijn betaald;\n\n4.4.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n4.5.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.\n\n4578\n\n ingeval door het aantreffen in de woning van een wapen als bedoeld in art. 2 van de Wet wapens en munitie de openbare orde rond de woning ernstig wordt verstoord of ernstige vrees bestaat voor het ontstaan van een zodanige verstoring.\n\n HR 10 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:587, r.o. 3.4.\n\n Zie pagina 3 van de rapportage en pagina’s 2 en 3 van de aanvullende rapportage.\n\n bijv. Hof Arnhem-Leeuwarden 6 september 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:7167.\n\n bijv. Hof Den Haag 21 november 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:3462.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3678","2026-07-13T00:29:45.323Z",{"id":145,"ecli":146,"slug":147,"caseNumber":44,"courtId":132,"decisionDate":148,"fullText":149,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":150,"sourceTimestamp":151,"parsedAt":52,"updatedAt":152},"1660","ECLI:NL:RBOVE:2026:3800","ecli-nl-rbove-2026-3800","2026-06-23T00:00:00.000Z","RECHTBANKOVERIJSSEL\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nZaaknummer: 11781627 \\ CV EXPL 25-2062\n\nVonnis van 23 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nde stichting\n\nWONINGSTICHTING RENTREE,\n\nuit Deventer,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: Rentree,\n\ngemachtigde: mr. M.P.H. van Wezel,\n\ntegen\n\n [bewindvoerder],handelend onder de naam [bedrijf],\n\nin zijn hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [gedaagde],\n\nuit [vestigingsplaats],\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: de Bewindvoerder,\n\ngemachtigde: mr. A. aan het Rot.\n\n1. Samenvatting\n\n1.1. \n [gedaagde] huurt een woning van Rentree. Volgens Rentree onderhoudt [gedaagde] de woning niet. Daarom vraagt Rentree de kantonrechter om de huurovereenkomst te beëindigen (ontbinden).Rentree en de bewindvoerder hebben op de mondelinge behandeling afgesproken dat de zaak wordt aangehouden zodat Rentree de woning kan bezichtigen en er eventueel afspraken kunnen worden gemaakt met [gedaagde]. Mr. Aan het Rot heeft de kantonrechter vervolgens verzocht vonnis te wijzen. Of een huisbezoek heeft plaatsgevonden, zo nee, waarom niet en zo ja, wat de staat van de woning is, is de kantonrechter niet meegedeeld. Daarom wijst de kantonrechter een tussenvonnis waarin hij partijen verzoekt zich daarover uit te laten. Ook overweegt de kantonrechter alvast dat het verweer van de bewindvoerder dat Rentree niet-ontvankelijk is, niet slaagt.\n\n2. De procedure\n\n2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nde dagvaarding met producties van 2 juli 2025;\n\nde conclusie van antwoord met producties;\n\nproducties 5A tot en met 7E van de bewindvoerder;\n\nde mondelinge behandeling van 23 maart 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n2.2. \n\nNa de mondelinge behandeling is de zaak enige tijd aangehouden zodat\n\ner een afspraak kan worden gemaakt voor een huisbezoek door Rentree bij [gedaagde] en om\n\neventueel (onderhouds)afspraken te maken.\n\n2.3. \n\nPer e-mail van 22 mei 2026 heeft mr. Aan het Rot de griffie met kopie aan mr. Van\n\nWezel de kantonrechter verzocht om vonnis te wijzen. De griffie heeft van mr. Van Wezel\n\ngeen afzonderlijk bericht ontvangen.\n\n3. De feiten\n\n3.1. Sinds 25 november 2010 huurt [gedaagde] van Rentree de woning inclusief tuin aan de [adres] (hierna: het gehuurde).\n\n3.2. Bij verstekvonnis van 6 juli 2021 is de huurovereenkomst ontbonden en de ontruiming van het gehuurde toegewezen door de rechtbank Overijssel vanwege een huurachterstand die [gedaagde] had laten ontstaan.\n\n3.3. Rentree heeft de ontruiming niet doorgezet. [gedaagde] is in het gehuurde blijven wonen.\n\n3.4. Op 25 augustus 2021 zijn alle goederen die (zullen) toebehoren aan [gedaagde], wegens verkwisting of het hebben van problematische schulden door de rechtbank Overijssel onder bewind gesteld en is de bewindvoerder benoemd.\n\n3.5. Op 1 februari 2024 hebben Rentree en [gedaagde] in verband met de staat van de woning en de tuin een ‘allonge huurovereenkomst in het kader van gedragsaanwijzing’ (hierna: de gedragsaanwijzing) gesloten. In de gedragsaanwijzing staat – kort gezegd – hoe [gedaagde] het gehuurde moet onderhouden.\n\n3.6. Op 12 februari 2024 bericht de hulpverlener aan Rentree dat [gedaagde] hulp afhoudt. Hierna vindt er meermaals een multidisciplinaire overleg (hierna: MDO) plaats met verschillende hulpverleningsorganisaties en -instanties.\n\n3.7. Op 21 november 2024 ontvangt Rentree het bericht dat de hulpverlener van [gedaagde] de begeleiding per direct stopt in verband met de onveilige situatie die de honden van [gedaagde] veroorzaken en het gebrek aan eerlijkheid, samenwerking en vertrouwen. Hierna worden geplande huisbezoeken meerdere keren door [gedaagde] afgezegd.\n\n3.8. Op 15 mei 2025 vindt de laatste MDO plaats. In het verslag concluderen de ketenpartners dat de situatie onhoudbaar is en de grens is bereikt.\n\n3.9. Op 28 mei 2025 stuurt Rentree [gedaagde] een brief. In de brief wijst Rentree erop dat [gedaagde] zich al langere tijd niet aan de gedragsaanwijzing. Daarom kondigt Rentree aan dat zij naar de rechter gaat om de huurovereenkomst te laten ontbinden met het gevolg dat [gedaagde] het gehuurde zal moeten verlaten.\n\n4. Het geschil\n\nWat vordert Rentree en waarom?\n\n4.1. \n\nRentree vordert – samengevat en onder uitvoerbaarheid bij voorraad verklaring – primair ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde.\n\nSubsidiair vordert Rentree ontbinding van de huurovereenkomst onder de opschortende voorwaarde dat [gedaagde] zich niet houdt aan de verplichtingen ervoor te zorgen dat:\n\nhet gehuurde in goede staat wordt onderhouden, schoon en opgeruimd is en blijft,\n\nde tuin in goede staat wordt onderhouden, schoon en opgeruimd is waarbij de tuin een nette en verzorgde indruk moet maken,\n\nzij zich als een goed huurder zal gedragen, en\n\nzij op afspraak medewerkers van Rentree ten minste twee keer per jaar tot de woning toelaat om het gehuurde te inspecteren.\n\nIn het geval dat de huurovereenkomst is ontbonden vanwege een van de opschortende voorwaarden, vordert Rentree ontruiming. Tot slot vordert Rentree veroordeling van de bewindvoerder tot betaling van de proceskosten.\n\n4.2. Aan haar vorderingen legt Rentree ten grondslag dat [gedaagde] tekortschiet in de nakoming van haar verplichtingen uit de huurovereenkomst waardoor ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde gerechtvaardigd is.\n\nWat vindt de bewindvoerder daarvan?\n\n4.3. De bewindvoerder voert verweer. Volgens hem moet de vorderingen tot (voorwaardelijke) ontbinding niet-ontvankelijk worden verklaard omdat de huurovereenkomst al is ontbonden. Daardoor kan Rentree volgens de bewindvoerder ook geen rechten aan de gedragsaanwijzing, die verbonden is aan de huurovereenkomst, ontlenen. Verder voert de bewindvoerder aan dat [gedaagde] de gedragsaanwijzing heeft getekend zonder te kunnen overzien wat de gevolgen daarvan waren. Dat maakt de gedragsaanwijzing een nietige rechtshandeling dan wel een rechtshandeling die vernietigd moet worden, want volgens de bewindvoerder heeft Rentree misbruik heeft gemaakt van de omstandigheden. [gedaagde] weerspreekt dat zij overlast (heeft) veroorzaakt en de bewindvoerder voert aan dat de tekortkomingen ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming niet rechtvaardigen. Voor het geval de kantonrechter tot het oordeel zou komen dat ontbinding wel gerechtvaardigd is, verzoekt de bewindvoerder een termijn van maximaal één maand voor de ontruiming. Tot slot vraagt de bewindvoerder de kantonrechter om Rentree te veroordelen in de proceskosten. Mocht de bewindvoerder ongelijk krijgt, dan vraagt hij de kantonrechter om de proceskosten in verband het beschermingsbewind te compenseren.\n\n4.4. De kantonrechter gaat hierna, voor zover dat nodig is voor zijn beslissing, verder in op de stellingen van beide partijen.\n\n5. De beoordeling\n\nNiet-ontvankelijkheid\n\n5.1. Het meest verstrekkende verweer van de bewindvoerder is de niet-ontvankelijkheid van de vorderingen van Rentree omdat de huurovereenkomst op 6 juli 2021 al is ontbonden, daardoor niet meer bestaat en dus niet nogmaals kan worden ontbonden.\n\n5.2. Dit verweer slaag niet. De kantonrechter stelt namelijk vast dat er geen uitvoering is gegeven aan het vonnis van 6 juli 2021. In plaats daarvan is bewind ingesteld en is de gedragsaanwijzing gesloten. Het gehuurde is ook niet ontruimd. [gedaagde] woont er met goedvinden van Rentree nog steeds en blijft ook (dezelfde) huur betalen. Dat brengt met zich dat de huurovereenkomst gelet op artikel 7:230 BW voor onbepaalde tijd is verlengd. Dat partijen een andere bedoeling hadden, is niet gesteld en de kantonrechter ook niet gebleken.\n\nIs er sprake van een tekortkoming door [gedaagde]?\n\n5.3. Volgens de wet kan een huurovereenkomst worden ontbonden als een van de partijen niet goed nakomt (tekortschiet), tenzij dat tekortschieten op grond van de bijzondere aard of geringe betekenis ontbinding van de overeenkomst niet rechtvaardigt (artikel 6:265 lid 1 en 7:231 van het Burgerlijk Wetboek). Bij de beoordeling of ontbinding mogelijk is, moet rekening worden gehouden met alle aangevoerde omstandigheden van het geval. In een huursituatie valt daaronder het woonbelang van de huurder en het belang van de verhuurder. Die belangen moet de kantonrechter tegen elkaar afwegen.\n\n5.4. De eerste vraag die de kantonrechter moet beantwoorden, is of [gedaagde] tekortgeschoten is. Volgens Rentree is dat het geval, omdat [gedaagde] het gehuurde slecht onderhoudt en haar honden geluids- en stankoverlast veroorzaken. Ter onderbouwing van haar standpunt over de staat van het gehuurde, heeft Rentree onder andere gewezen op een MDO verslag uit mei 2025 waarin de hulpverlener van [gedaagde] meedeelt dat het gehuurde er ‘verschillelijk uitziet’. Hierna zijn volgens Rentree geen berichten meer ontvangen over de staat van het gehuurde. Op de mondelinge behandeling heeft mevrouw [naam] (woonconsulent bij Rentree) toegelicht dat zij vijf maanden geleden voor het laatst in het gehuurde is geweest en over de staat van nu niets kan zeggen. Daartegenover staat dat de bewindvoerder foto’s heeft overgelegd van de woning en [gedaagde] op de mondelinge behandeling heeft uitgelegd dat het er nu netjes uitziet.\n\n5.5. Naar aanleiding van het debat dat partijen hebben gevoerd, hebben zij op de mondelinge behandeling afgesproken dat Rentree op huisbezoek zal komen zodat zij de actuele staat van het gehuurde kan beoordelen en er eventueel (onderhouds)afspraken kunnen worden gemaakt met [gedaagde]. Vervolgens heeft mr. Aan het Rot de kantonrechter verzocht vonnis te wijzen. Over de staat van de woning heeft geen van partijen iets meegedeeld, terwijl de kantonrechter die informatie nodig heeft om te kunnen beoordelen of er op dit moment sprake is van een zodanige tekortkoming die ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt en waardoor ontruiming op zijn plaats is.\n\n5.6. De kantonrechter wil dan ook geïnformeerd worden over de huidige staat van het gehuurde. Hij zal partijen in de gelegenheid stellen zich daarover uiterlijk 21 juli 2026uit te laten. Indien er geen huisbezoek door Rentree heeft plaatsgevonden, dienen partijen zich uit te laten over de reden waarom dat niet is gebeurd. Als er wel een huisbezoek heeft plaatsgevonden, dienen zij zich gemotiveerd uit te laten over de huidige staat van het gehuurde.\n\n5.7. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.\n\n6. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n6.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van dinsdag 21 juli 2026voor het nemen van een akte door beide partijen over wat is vermeld onder overweging 5.6., waarna het schriftelijk debat tussen partijen in beginsel is geëindigd;\n\n6.2. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3800","2026-07-04T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:32.127Z",{"id":154,"ecli":155,"slug":156,"caseNumber":44,"courtId":157,"decisionDate":148,"fullText":158,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":159,"sourceTimestamp":72,"parsedAt":52,"updatedAt":160},"897","ECLI:NL:RBROT:2026:7465","ecli-nl-rbrot-2026-7465",61,"RECHTBANK ROTTERDAM\n\nlocatie Rotterdam\n\ndatum uitspraak: 23 juni 2026\n\nBeschikking van de kantonrechter\n\nin de zaak met zaaknummer 11570718 VZ VERZ 25-1262\n\nvan\n\n [bedrijf 1] B.V.,\n\ngevestigd in [plaats] ,\n\nverzoekster,\n\nvoormalig gemachtigden: mrs. R.J.G. Bäcker en D.H.P. Groen,\n\nhuidige gemachtigden: mrs. R.J.G. Bäcker en K.H.M Brackel,\n\ntegen\n\nde publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nGemeente Rotterdam,\n\nzetelend in Rotterdam ,\n\nverweerder,\n\ngemachtigde: mr. N.C. van Eck,\n\nen in de zaak met zaaknummer 11993851 VZ VERZ 25-7082\n\nvan\n\n [bedrijf 1] B.V.,\n\ngevestigd in [plaats] ,\n\nverzoekster,\n\ngemachtigden: mrs. R.J.G. Bäcker en K.H.M Brackel,\n\ntegen\n\nde publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nGemeente Rotterdam,\n\nzetelend in Rotterdam ,\n\nverweerder,\n\ngemachtigde: mr. N.C. van Eck.\n\nDe partijen worden hierna ‘ [verzoekster] ’ en ‘ [verweerder] ’ genoemd.\n\n1. De procedures1.1.. Het verloop van de procedures blijkt uit:\n\nhet verzoekschrift met bijlagen (ontvangen op 28 februari 2025), geregistreerd onder zaaknummer 11570718 VZ VERZ 25-1262;\n\nhet verweerschrift met bijlagen in reactie op dat verzoekschrift;\n\nde spreekaantekeningen van mr. Brackel met bijlage voor de zitting van 9 juli 2025;\n\nde spreekaantekeningen van mr. Van Eck met bijlage voor de zitting van 9 juli 2025;\n\nhet verzoekschrift met bijlagen (ontvangen op 28 november 2025), geregistreerd onder zaaknummer 11993851 VZ VERZ 25-7082;\n\nhet verweerschrift met bijlagen (ontvangen op 28 november 2025) in reactie op dat verzoekschrift;\n\nde spreekaantekeningen van mr. Brackel voor de zitting van 18 mei 2026;\n\nde spreekaantekeningen van mr. Van Eck voor de zitting van 18 mei 2026.\n\n1.2.. Op 9 juli 2025 is de zaak met zaaknummer 11570718 VZ VERZ 25-1262 tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig:\n\nvan [verzoekster] [persoon A] ( [functie 1] ) en [persoon B] ( [functie 2] ) met mrs. Bäcker en Brackel;\n\nvan [verweerder] [persoon C] ( [functie 3] ) en [persoon D] ( [functie 4] ) met mr. Van Eck en verder van vastgoedbeheerder [naam vastgoedbeheerder] [persoon E] ( [functie 5] ).\n\n1.3.. De zaak met zaaknummer 11570718 VZ VERZ 25-1262 is vervolgens op verzoek van de partijen aangehouden voor onderling overleg.\n\n1.4.. Op 18 mei 2026 zijn beide zaken tegelijk op een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig:\n\nvan [verzoekster] [persoon A] ( [functie 1] ) en [persoon B] ( [functie 2] ) met mrs. Bäcker en Brackel;\n\nvan [verweerder] [persoon C] ( [functie 3] ) en [persoon D] ( [functie 4] ) met mr. Van Eck.\n\n1.5.. Gelet op het hiervoor geschetste verloop van de procedures, beschouwt de kantonrechter de processtukken in zaaknummer 11993851 VZ VERZ 25-7082 mede als een aanvulling op de processtukken in zaaknummer 11570718 VZ VERZ 25-1262.\n\n2. De beoordeling\n\nWaar gaan de zaken over?\n\n2.1.. Tussen (de rechtsvoorganger van) [verzoekster] en [verweerder] is een huurovereenkomst tot stand gekomen voor de bedrijfsruimte aan [adres] in [plaats] ( [naam bedrijfsruimte] ), een en ander zoals omschreven in die overeenkomst. De huurovereenkomst is ingegaan op 1 januari 2013. [verweerder] heeft in een brief van 20 december 2023 de huurovereenkomst opgezegd tegen 31 december 2024 en aan [verzoekster] de ontruiming aangezegd per die datum. [verweerder] stelt zich in dat verband op het standpunt dat de huurovereenkomst valt onder het huurregime van artikel 7:230a BW. [verzoekster] is het daar niet mee eens en stemt niet in met de opzegging, maar stelt wel voorwaardelijk een verzoek in om haar rechten met betrekking tot ontruimingsbescherming veilig te stellen.\n\n2.2.. \n [verzoekster] verzoekt de kantonrechter primair haar niet-ontvankelijk te verklaren omdat sprake is van bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW en een verklaring voor recht te geven dat de huurovereenkomst wordt beheerst door de artikelen 7:290 t\u002Fm 7:300 BW. Subsidiair en voorwaardelijk, namelijk voor het geval de kantonrechter oordeelt dat de huurovereenkomst wordt beheerst door artikel 7:230a BW, verzoekt [verzoekster] om de termijn waarbinnen de ontruiming moet plaatsvinden te verlengen. [verzoekster] meent namelijk dat haar belangen ernstiger worden geschaad door de ontruiming dan die van [verweerder] bij voortzetting van het gebruik door [verzoekster] . [verweerder] is het niet eens met de verzoeken en wil dat die worden afgewezen. [verweerder] vindt dat sprake is van bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW en dat haar belangen bij ontruiming zwaarder wegen dan die van [verzoekster] bij voortgezet gebruik.\n\nWat is de kern?\n\n2.3.. \n [verzoekster] is ontvankelijk in haar verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn, omdat de huurovereenkomst onder het huurregime van artikel 7:230a BW valt en de huurovereenkomst is geëindigd. De beoordeling van het eerste verlengingsverzoek is niet meer relevant gelet op de verstreken tijd. Het tweede verlengingsverzoek wordt wel inhoudelijk beoordeeld en toegewezen: de ontruimingstermijn wordt verlengd tot en met 31 december 2026. Hierna wordt uitgelegd waarom dit de uitkomst is.\n\nin de zaak met zaaknummer 11570718 VZ VERZ 25-1262\n\nDe huurovereenkomst valt onder het huurregime van artikel 7:230a BW\n\n2.4.. De huurovereenkomst valt onder het huurregime van artikel 7:230a BW. Daartoe wordt als volgt overwogen.\n\n2.5.. Om het primaire verzoek te beoordelen moet worden vastgesteld of het gehuurde valt onder het huurregime van artikel 7:230a BW of onder het huurregime van artikel 7:290 BW. Een huurovereenkomst valt onder het huurregime van artikel 7:290 BW als sprake is van huur en verhuur van bedrijfsruimte (artikel 7:290 lid 1 BW). Onder bedrijfsruimte wordt verstaan een gebouwde onroerende zaak of gedeelte daarvan, die krachtens overeenkomst van huur en verhuur is bestemd voor de uitoefening van een kleinhandelsbedrijf, van restaurant- of cafébedrijf, van een afhaal- of besteldienst of van een ambachtsbedrijf, een en ander indien in de verhuurde ruimte een voor het publiek toegankelijk lokaal voor rechtstreekse levering van roerende zaken of voor dienstverlening aanwezig is (artikel 7:290 lid 2 onder a BW). Bij de beantwoording van de vraag voor welk doel of met welke bestemming de ruimte is verhuurd, is beslissend wat partijen, mede in aanmerking genomen de inrichting van het gehuurde, omtrent het gebruik daarvan voor ogen heeft gestaan.\n\n2.5.1.. De partijen betrekken de voorgeschiedenis van de totstandkoming van de huurovereenkomst bij de kwalificatie. Die voorgeschiedenis is – kort samengevat – dat sinds 1997 (een vennootschap van) [bedrijf 2] (via rechtsvoorgangers) van [verweerder] circa 5.238 m2 ruimte aan de [adres] huurde. Over de contractuele bestemming van de oude huurovereenkomst zijn de partijen het niet helemaal eens, omdat zij uitgaan van twee verschillende versies van de oude huurovereenkomst. Volgens [verzoekster] is de contractuele bestemming “terminal, lounge, feestzaal annex cafe-restaurant”. [verweerder] wijst op een andere versie en stelt dat de bestemming verschillend is voor twee gedeeltes van de gehuurde ruimte: gedeelte A van in totaal 925 m2 is bestemd als café-restaurant en keuken met kantoorruimte, opslagruimte en toiletten en gedeelte B van in totaal 4.338 m2 heeft de bestemming entreehal met balie, terminal lounge\u002Ffeestzaal, kofferopstelruimte\u002Ffeestzaal en toiletten. De kantonrechter acht dit verschil evenwel niet relevant, omdat uit beide versies kan worden afgeleid dat slechts een deel van de ruimte is bestemd als café-restaurant. Wel relevant is dat de oude huurovereenkomst met ingang van 2013 is ‘gesplitst’ in twee huurovereenkomsten in die zin dat 578 m2 van de bovenverdieping wordt verhuurd aan (de rechtsvoorganger van) [bedrijf 3] B.V. (hierna: [bedrijf 3] ) en de benedenverdieping en een deel van de bovenverdieping (in totaal 4.174 m2) wordt verhuurd aan (de rechtsvoorganger van) [verzoekster] . Rondom de splitsing zijn wijzigingen aangebracht, waardoor de bovenverdieping – het deel dat nu door [bedrijf 3] wordt gehuurd – via een trap aan de buitenzijde een aparte ingang heeft gekregen. Die wijziging is ook vastgelegd in de nieuwe huurovereenkomst met [bedrijf 3] . Die huurovereenkomst is vormgegeven naar het model voor 290-bedrijfsruimte en daarin is als bestemming opgenomen: horecavoorziening met keuken, opslag en kantoorruimten.\n\n2.5.2.. Bovenaan de huurovereenkomst met [verzoekster] staat “huurovereenkomst kantoorruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW” en de hierbij horende algemene bepalingen zijn van toepassing verklaard. Het gehuurde heeft als contractuele bestemming: evenementenlocatie. Vóór de totstandkoming van de huidige huurovereenkomst en ook nu wordt het (onderhavige) gehuurde (deel) ook als zodanig gebruikt door [verzoekster] . Daar is geen discussie over. De bedrijfsruimte is een lege hal en wordt alleen daadwerkelijk gebruikt als er een evenement is. Sommige van deze evenementen zijn periodiek terugkerende evenementen en worden niet alleen in het gehuurde georganiseerd, maar ook op locaties elders in Nederland. Van reguliere openingstijden of van even binnenlopen voor een hapje of drankje in het gehuurde is geen sprake. Er moet een evenement plaatsvinden en voor toegang tot het gehuurde tijdens een evenement moeten bezoekers een toegangskaart kopen. Ook externen kunnen gebruik maken van het gehuurde om een (besloten) evenement te organiseren. Het gehuurde beschikt zelf niet over horecafaciliteiten. Voor het verzorgen van eten en drinken tijdens evenementen maakte en maakt [verzoekster] gebruik van de faciliteiten van de ruimte die nu door [bedrijf 3] wordt gehuurd. Als dat niet meer mogelijk zou zijn, moet [verzoekster] externe catering inhuren, aldus [verzoekster] . Verder is van belang dat met [verzoekster] geen vaste huurprijs is afgesproken, maar afhankelijk van het aantal zogenoemde callsper jaar (eventueel) een basishuur en in ieder geval een vaste vergoeding per evenement. Deze afspraak houdt verband met de omstandigheid dat [verweerder] [naam bedrijfsruimte] voor een deel van de tijd verhuurt aan [bedrijf 4] B.V. (hierna: [bedrijf 4] ) als aankomst- en vertrekhal voor cruiseschepen. In de huurovereenkomst met [verzoekster] is vastgelegd dat het gebruik van de ruimte door [bedrijf 4] voorrang heeft. Als er eencallis en de ruimte moet door [bedrijf 4] worden gebruikt als aankomst- en vertrekhal, kan [verzoekster] op haar beurt geen gebruik maken van het gehuurde. Maar ook als er geencallszijn en [naam bedrijfsruimte] wel ter beschikking staat aan [verzoekster] , wordt het gehuurde uitsluitend geëxploiteerd als er een evenement plaatsvindt. Gelet op deze kenmerken kunnen de activiteiten van [verzoekster] niet worden gelijkgesteld met het uitoefenen van een restaurant- of cafébedrijf in een voor het algemeen publiek toegankelijk lokaal zoals bedoeld in artikel 7:290 BW. De door [verzoekster] aangevoerde omstandigheid dat een horecavergunning is afgegeven, brengt ook niet mee dat het gehuurde als restaurant- of cafébedrijf moet worden aangemerkt. Ook in het geval van een 230a-bedrijfsruimte kan een horecavergunning nodig zijn.\n\n2.5.3.. Dat [verzoekster] na de splitsing van de oude huurovereenkomst haar activiteiten op dezelfde manier heeft voortgezet als zij eerst deed – namelijk gebruik maken van de horecafaciliteiten van het nu door [bedrijf 3] gehuurde deel – overtuigt de kantonrechter niet van de stelling dat de partijen bij de totstandkoming van de huidige huurovereenkomst voor ogen hebben gehad dat het door [verzoekster] gehuurde wordt gebruikt als restaurant-, café- of daarmee gelijk te stellen bedrijf in de zin van artikel 7:290 BW. De contractueel afgesproken bestemming, de voorgeschiedenis van de totstandkoming van de huidige huurovereenkomst waarbij het horecagedeelte is afgesplitst van de evenementenlocatie en de wijzigingen in de feitelijke situatie duiden juist op het tegenovergestelde.\n\n2.5.4.. De kantonrechter volgt [verzoekster] ook niet in de stelling, die door [verweerder] wordt betwist, dat uit een aantal bepalingen uit de huurovereenkomst moet worden afgeleid dat de partijen het gehuurde als 290-bedrijfsruimte hebben willen kwalificeren. Een aantal bepalingen uit de huurovereenkomst vertoont inderdaad enige gelijkenis met het huurregime van artikel 7:290 BW, maar dat betekent nog niet dat het gehuurde moet worden gekwalificeerd als 290-bedrijfsruimte. De toepasselijkheid van artikel 7:230a BW laat namelijk onverlet dat de partijen zelf afspreken dat zij (bepaalde regels van) het dwingendrechtelijke huurregime van artikel 7:290 BW van overeenkomstige toepassing (kunnen) verklaren op de huurovereenkomst.\n\nDe huurovereenkomst is geëindigd\n\n2.6.. Voordat aan inhoudelijke beoordeling van het verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn wordt toegekomen, moet de voorvraag worden beantwoord of de huurovereenkomst is geëindigd. De partijen denken daar namelijk allebei anders over. De kantonrechter beantwoordt de vraag bevestigend.\n\n2.6.1.. De kantonrechter volgt [verzoekster] niet in haar stelling dat de opzegging van de huurovereenkomst tegen 31 december 2024 geen effect sorteert. [verzoekster] is die mening toegedaan, omdat in de huurovereenkomst is bepaald dat de wettelijke opzeggingsgronden in acht moeten worden genomen en [verweerder] in strijd daarmee geen wettelijke opzeggingsgronden heeft genoemd in de opzeggingsbrief. De kantonrechter stelt vast dat er geen discussie is over hoe de betreffende bepaling in de huurovereenkomst (artikel 3.4) moet worden begrepen. De partijen gaan allebei ervan uit dat met ‘de wettelijke opzeggingsgronden’ de opzeggingsgronden zoals genoemd in artikel 7:296 BW worden bedoeld. In de opzeggingsbrief wordt weliswaar niet uitdrukkelijk benoemd dat de huurovereenkomst wordt opgezegd op grond van de belangenafweging zoals bedoeld in artikel 7:296 lid 3 BW, maar de kantonrechter is met [verweerder] eens dat [verzoekster] dit wel uit de motivering van de opzegging in die brief heeft moeten begrijpen.\n\n2.6.2.. \n [verzoekster] meent dat de huurovereenkomst niet door opzegging is geëindigd, omdat zij niet heeft ingestemd met de opzegging. Echter, instemming met de opzegging is niet nodig. Dat is wel zo als de regels van het huurregime van artikel 7:290 BW van toepassing zouden zijn, maar dat is niet het geval.\n\n [verzoekster] is ontvankelijk in haar verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn\n\n2.7.. Het primair verzochte wordt afgewezen. [verzoekster] is wél ontvankelijk in haar verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn, omdat de huurovereenkomst onder het huurregime van artikel 7:230a BW valt.\n\nHet (eerste) verlengingsverzoek wordt niet inhoudelijk beoordeeld\n\n2.8.. Hoewel [verzoekster] ontvankelijk is in het verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn, beoordeelt de kantonrechter het (eerste) verlengingsverzoek niet inhoudelijk. De beoordeling van dat verzoek is niet meer relevant, omdat de (eerste) verlengingstermijn al is verstreken en de verplichting om te ontruimen geschorst is gebleven tot voorbij de maximale verlengingstermijn vanwege het tijdsverloop van de procedure (artikel 7:230a lid 3 BW).\n\nin de zaak met zaaknummer 11993851 VZ VERZ 25-7082\n\nAlleen het (tweede) verlengingsverzoek wordt beoordeeld\n\n2.9.. De kantonrechter beoordeelt het primair verzochte niet, omdat dat verzoek al in de eerste zaak is beoordeeld. Omdat [verzoekster] ontvankelijk is in haar verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn, wordt hierna wel het (tweede) verlengingsverzoek beoordeeld.\n\nDe ontruimingstermijn wordt verlengd tot en met 31 december 2026\n\n2.10.. Het verlengingsverzoek wordt toegewezen en de termijn waarbinnen ontruiming moet plaatsvinden wordt verlengd met een jaar, tot en met 31 december 2026. Het oordeel wordt hierna toegelicht.\n\n2.11.. Vooropgesteld wordt dat een verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn slechts wordt toegewezen als de belangen van de huurder door de ontruiming ernstiger worden geschaad dan die van de verhuurder bij voortzetting van het gebruik door de huurder (artikel 7:230a lid 4 BW). In de wet is ook een aantal verplichte afwijzingsgronden bepaald, maar die doen zich hier niet voor. In deze zaak staat de belangenafweging centraal.\n\n2.11.1.. \n [verweerder] voert als belang bij ontruiming van het gehuurde aan dat de bestaande constructie niet meer wenselijk en houdbaar is. De bestaande constructie houdt zoals gezegd in dat de ruimte voor een deel van de tijd in gebruik is bij [verzoekster] , namelijk voor dat deel van de tijd dat de ruimte niet wordt gebruikt door [bedrijf 4] als aankomst- en vertrekhal voor cruiseschepen. Volgens [verweerder] was bij aanvang van de huurovereenkomst met [verzoekster] in 2013 niet voorzien dat het aantal callsmet de jaren enorm zou toenemen, wat wel het geval is. Het aantalcallsis de afgelopen jaren vrijwel verdubbeld. Door de sterke toename van het aantalcallsen de afspraken in de huurovereenkomst is de vergoeding die [verzoekster] aan [verweerder] betaalt afhankelijk van diens bedrijfsvoering en niet kostendekkend; dat past niet langer binnen haar beleid, aldus [verweerder] . [verzoekster] betwist het voorgaande niet, maar voert aan dat het pijnpunt niet zit in de huurrelatie tussen haar en [verweerder] , maar in de huurrelatie tussen [bedrijf 4] en [verweerder] en de inhoud van de afspraken die [bedrijf 4] en [verweerder] hebben over vergoeding voor het gebruik van het gehuurde en de kosten ( [verzoekster] noemt dit een ‘all-in’ huurovereenkomst). [verweerder] heeft dat niet bestreden, dus de kantonrechter gaat uit van de juistheid hiervan.\n\n2.11.2.. De kantonrechter is met [verzoekster] eens dat ontruiming door [verzoekster] niet tegemoet komt aan het (financiële) belang dat [verweerder] stelt. Door ontruiming zal [verweerder] juist inkomsten (namelijk de huur van [verzoekster] ) mislopen en niet de financiële moeilijkheden oplossen. Er zijn geen concrete feiten en omstandigheden naar voren gebracht die dit anders maken. Tegen deze achtergrond valt niet in te zien waarom voortgezet gebruik van het gehuurde door [verzoekster] de belangen van [verweerder] schaadt.\n\n2.11.3.. \n [verzoekster] heeft wel belang bij voortgezet gebruik van het gehuurde en dat belang wordt geschaad als zij moet ontruimen. Zij licht toe dat er geen vervangende locaties zijn in [plaats] , dat het verlies van [naam bedrijfsruimte] als evenementenlocatie tot verlies van haar klantenkring zal leiden en dat zij haar onderneming zal moeten beëindigen omdat die dan niet langer levensvatbaar is. [verweerder] heeft nog wel andere locaties in [plaats] benoemd, maar [verzoekster] heeft gemotiveerd bestreden dat dat (beschikbare) alternatieven zijn.2.11.4.. Gelet op het voorgaande worden de belangen van [verzoekster] door ontruiming ernstiger geschaad dan de belangen van [verweerder] bij voortgezet gebruik door [verzoekster] . Dat leidt tot toewijzing van het verlengingsverzoek.\n\nin beide zaken\n\nProceskosten\n\n2.12.. De kantonrechter bepaalt dat de partijen de eigen proceskosten dragen. Dat betekent dat zij geen vergoeding hoeven te betalen voor de kosten die de andere partij heeft gemaakt.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\nin de zaak met zaaknummer 11570718 VZ VERZ 25-1262\n\n3.1.. wijst het primair verzochte af;\n\n3.2.. bepaalt dat de partijen de eigen proceskosten dragen;\n\nin de zaak met zaaknummer 11993851 VZ VERZ 25-7082\n\n3.3.. verlengt de termijn waarbinnen ontruiming moet plaatsvinden met een jaar, tot en met 31 december 2026;\n\n3.4.. bepaalt dat de partijen de eigen proceskosten dragen.\n\nDeze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7465","2026-07-13T00:28:53.564Z",{"id":162,"ecli":163,"slug":164,"caseNumber":44,"courtId":132,"decisionDate":148,"fullText":165,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":166,"sourceTimestamp":151,"parsedAt":52,"updatedAt":167},"1063","ECLI:NL:RBOVE:2026:3795","ecli-nl-rbove-2026-3795","RECHTBANKOVERIJSSEL\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nZaaknummer: 11983032 \\ CV EXPL 25-3765\n\nVonnis van 23 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nde stichting STICHTING WOONBEDRIJF IEDER1,\n\ngevestigd in Deventer,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: Ieder1,\n\ngemachtigde: mr. J.J. Pullen en mr. R.F.A. Rorink\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nwonende in [woonplaats],\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde],\n\ngemachtigde: mr. E.J. Bijl.\n\n1. De zaak in het kort\n\n1.1. \n [gedaagde] huurt een woning van Ieder1. Ieder1 vordert in deze procedure ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning, omdat volgens Ieder1 [gedaagde] zijn woning ter beschikking heeft gesteld aan vrouwen die zichzelf hebben geprostitueerd vanuit de woning. [gedaagde] heeft verklaard geen wetenschap te hebben van de prostitutieactiviteiten.\n\n1.2. De kantonrechter wijst de vordering van Ieder1 toe. Kort gezegd is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde] rekening had te houden met prostitutieactiviteiten vanuit zijn woning en dat Aldi heeft nagelaten maatregelen te treffen die van hem als huurder verlangd hadden mogen worden.\n\n2. De procedure\n\n2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding, uitgebracht op 11 november 2025, - de conclusie van antwoord, - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald\n\n- de mondelinge behandeling van 21 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,\n\n- spreekaantekeningen van beide partijen.2.2. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n3. De feiten\n\n3.1. Ieder1 verhuurt met ingang van 16 januari 2025 aan [gedaagde] de woning aan het adres [adres] (hierna: de woning). De huur bedraagt € 650,43 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd.\n\n3.2. Meerdere omwonenden, als ook een huismeester en een installateur die werkte in opdracht van Ieder1, hebben in mei en juni 2025 verklaringen aan Ieder1 afgelegd die er – kort samengevat – neerkomen dat bij hen het vermoeden bestaat dat er illegale prostitutie plaatsvindt vanuit de woning.\n\n3.3. Op 18 juni 2025 zijn twee medewerkers van Ieder1 en de wijkagent op huisbezoek geweest bij de woning. Diezelfde dag heeft Ieder1 aan [gedaagde] een brief gestuurd waarin zij [gedaagde] heeft gevraagd de huur vrijwillig op te zeggen en heeft aangegeven dat zij anders een procedure tegen [gedaagde] zou starten. [gedaagde] heeft de huur niet opgezegd.\n\n3.4. Ieder1 is op 29 juli 2025 een kort geding tegen [gedaagde] begonnen, met als doel ontruiming van de woning. Bij vonnis van 26 augustus 2025 heeft de kantonrechter de vordering van Ieder1 afgewezen, kort gezegd omdat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [gedaagde] op de hoogte was van illegale prostitutie in de woning of daarmee rekening moest houden.\n\n4. Het geschil\n\n4.1. Ieder1 vordert – samengevat – ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde.\n\n4.2. \n [gedaagde] voert verweer.\n\n4.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1. De kern van het geschil is de vraag of sprake is van een tekortkoming aan de zijde van [gedaagde] die ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt. Uit artikel 6:265 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat iedere tekortkoming van een partij en de nakoming van één van haar verplichtingen kan leiden tot gehele of gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Bij beantwoording van de vraag of de ontbinding gerechtvaardigd is, kunnen alle omstandigheden van het geval van belang zijn. Daarnaast is een huurder op grond van artikel 7:213 BW gehouden zich ten aanzien van het gebruik van het gehuurde als goed huurder te gedragen en op grond van artikel 7:214 BW verplicht het gehuurde overeenkomstig de bestemming te gebruiken. Op grond van artikel 7:219 BW kan de huurder ook aansprakelijk worden gesteld voor gedragingen van hen die met goedvinden van de huurder het gehuurde gebruiken of zich met zijn goedvinden daarin bevinden.5.2. Gelet op wat er in het gehuurde is geconstateerd tijdens het huisbezoek van 18 juni 2025, de verklaringen van omwonenden en een installateur werkzaam in opdracht van Ieder1, en de advertenties van Kinky.nl ziet de kantonrechter geen reden om eraan te twijfelen dat de tijdens het huisbezoek in het gehuurde aangetroffen personen in de woning aanwezig waren met als doel het verrichten van prostitutieactiviteiten. Overigens is dit door [gedaagde] ook niet met zoveel woorden t weersproken.\n\n5.3. Deze zaak spitst zich toe op de vraag of [gedaagde] weet had van de prostitutieactiviteiten, of dat hij dit redelijkerwijs had moeten weten. [gedaagde] stelt dat dit niet zo is, en dat er daarom geen sprake is van een tekortkoming.\n\n5.4. \n\nDe kantonrechter overweegt dat een huurder op grond van artikel 7:219 BW met betrekking tot gedragingen van derden, die zich met zijn instemming in het gehuurde bevinden, ook zelf is tekortgeschoten, bijvoorbeeld door niet in te grijpen of onvoldoende toezicht te houden. Bij de beantwoording van de vraag of hiervan sprake is, moet de rechter rekening houden met alle omstandigheden van het geval, waaronder de vraag of er voldoende verband bestaat tussen die gedragingen en het gebruik van het gehuurde. Daarvan is in elk geval sprake indien de huurder van (het voornemen tot) die gedragingen op de hoogte was of daarmee ernstig rekening had te houden, maar heeft nagelaten de in verband daarmee redelijkerwijs van hem te verlangen maatregelen te treffen (ECLI:NL:HR:2007:\n\nAZ8743).\n\n5.5. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] onvoldoende toezicht heeft uitgeoefend op de wijze waarop zijn (inmiddels) ex-vriendin gebruik maakte van de woning. Voor dit oordeel is van belang dat [gedaagde] zijn ex-vriendin, die hij eind mei 2025 in het centrum van Deventer op straat heeft leren kennen, vrijwel meteen een sleutel van de woning heeft gegeven en haar heeft toegestaan zijn woning te gebruiken op momenten dat hij zelf niet thuis was. Dit terwijl [gedaagde] naar eigen zeggen overdag vaak weg van huis was, bijvoorbeeld naar vrienden in Rotterdam, en dus geen zicht had op wat er in die woning gebeurde op die momenten. Verder is van belang dat [gedaagde] heeft verklaard dat zijn ex-vriendin op dat moment geen werk had, en dus niet om die reden zijn woning zou verlaten. De kantonrechter is van oordeel dat als je de sleutel van je woning onder deze omstandigheden aan iemand geeft die je nauwelijks kent, dit een bepaald risico met zich brengt. Hiermee heeft [gedaagde] zich niet als een goed huurder gedragen en is hij tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst\n\n5.6. Daar komt bij dat de kantonrechter het niet aannemelijk acht dat [gedaagde] helemaal geen weet had van wat er in zijn woning gebeurde. Hoewel [gedaagde] – zoals hij zelf stelt – overdag vaak van huis was, sliep hij naar eigen zeggen wel iedere nacht in de woning. Dit terwijl uit een van de verklaringen van omwonenden blijkt dat de prostitutieactiviteiten tot laat in de avond doorgingen. Dit maakt dat de kantonrechter het onwaarschijnlijk acht dat [gedaagde] niets gemerkt heeft van wat er zich in zijn woning heeft afgespeeld. Verder is van belang dat [gedaagde] op de zitting heeft verklaard dat de spullen die tijdens het huisbezoek zijn aangetroffen, onder andere condooms, vrouwelijke cosmeticaproducten en lingerie, eerder ook al steeds in zijn woning aanwezig waren. Dit had naar het oordeel van de kantonrechter bij [gedaagde] de nodige argwaan moeten wekken.\n\n5.7. Een tekortkoming rechtvaardigt in beginsel de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde, tenzij de bijzondere aard of geringe betekenis van de tekortkoming de ontbinding niet rechtvaardigt. [gedaagde] heeft een beroep gedaan op de uitzondering van artikel 6:265 lid 1 BW.\n\n5.8. De kantonrechter is van oordeel dat het laten plaatsvinden van illegale prostitutie in een sociale huurwoning geen tekortkoming van geringe betekenis is. Het is een feit van algemene bekendheid dat prostitutie kan leiden tot overlast voor de leefomgeving in een wijk. Daar komt bij dat Ieder1 een zwaarwegend belang heeft om hiertegen op te treden, en dat zij wat dit betreft een zero tolerance beleid hanteert. Verder heeft Ieder1 een zwaarwegend belang dat haar woningen worden gebruikt als woonruimte en niet voor andere doeleinden, mede gelet op haar taak om schaarse sociale huurwoningen te verdelen. De kantonrechter begrijpt dat ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning voor [gedaagde] ingrijpend zal zijn, gelet op zijn uitkeringsrecht, de samenhang van die uitkering met zijn taalcursus en het belang daarvan voor de integratie van [gedaagde], die waarschijnlijk komt stil te staan wanneer hij de woning moet verlaten. Maar dit belang weegt gelet op het voorgaande niet op tegen het belang van Ieder1.\n\n5.9. De gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst zal op grond van het voorgaande worden toegewezen.\n\nLangere ontruimingstermijn\n\n5.10. \n [gedaagde] heeft gevraagd om een langere ontruimingstermijn, namelijk van drie maanden. Hiertoe heeft [gedaagde] aangevoerd dat hij geen familie of vrienden heeft naar wie hij kan toegaan voor tijdelijk onderdak. De kantonrechter acht een termijn van een drie maanden te lang, maar ontruiming binnen veertien dagen na betekening van het vonnis, zoals door Ieder1 gevraagd is, te kort voor [gedaagde] om onderdak te regelen. Een ontruimingstermijn van een maand na betekening van dit vonnis acht de kantonrechter in deze omstandigheden redelijk.\n\nDe proceskosten\n\n5.11. \n [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Ieder1 worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n145,45\n\n- griffierecht\n\n€\n\n135,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n434,00\n\n(2 punten × € 217,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n108,50\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n822,95\n\nUitvoerbaar bij voorraad\n\n5.12. Ieder1 heeft gevraagd om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, terwijl [gedaagde] heeft gevraagd om die af te wijzen. Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat Ieder1 het vonnis direct kan (laten) uitvoeren, als [gedaagde] niet aan het vonnis (waaronder de veroordeling tot ontruiming) voldoet. [gedaagde] kan dus niet wachten met voldoen aan het vonnis in de periode dat tegen het vonnis nog hoger beroep mogelijk is of als hij hoger beroep heeft ingesteld en nog niet op dat hoger beroep is beslist. Het uitgangspunt is dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als de belangen van [gedaagde] om de uitkomst van een eventueel hoger beroep af te wachten zwaarder wegen dan de belangen van Ieder1 om direct over te kunnen gaan tot uitvoering van het vonnis. De belangen die hierbij worden meegewogen, zijn onder meer genoemd onder 5.8. De kantonrechter is van oordeel dat in dit geval de belangen van Ieder1 zwaarder wegen dan de belangen van [gedaagde]. Daarom zal het vonnis volgens het uitgangspunt uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.\n\n6. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n6.1. ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan het adres [adres],\n\n6.2. veroordeelt [gedaagde] om binnen een maand na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Ieder1 zijn, en de sleutels af te geven aan Ieder1,\n\n6.3. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 822,95, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n6.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n6.5. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. W.R.H. Lutjes en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026. (wv)","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3795","2026-07-13T00:29:02.190Z",{"id":169,"ecli":170,"slug":171,"caseNumber":44,"courtId":58,"decisionDate":148,"fullText":172,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":173,"sourceTimestamp":102,"parsedAt":52,"updatedAt":174},"644","ECLI:NL:RBAMS:2026:6466","ecli-nl-rbams-2026-6466","vonnisRECHTBANK AMSTERDAM\n\nAfdeling privaatrecht\n\nzaaknummer: 11767194 CV EXPL 25-8864\n\nvonnis van: 23 juni 2026\n\nfno.: 58865\n\nvonnis van de kantonrechter\n\nI n z a k e\n\n [eiser]\n\nwonende te [woonplaats]\n\nEiser in conventie, verweerder in reconventie\n\nnader te noemen: [eiser]\n\ngemachtigde: mr. Y. Sasson\n\nt e g e n\n\nde stichting Stichting Stadgenoot\n\ngevestigd te Amsterdam\n\ngedaagde in conventie, eiseres in reconventie\n\nnader te noemen: verhuurder\n\ngemachtigde: mr. drs. S.J.M. Verhoeven.\n\n1. Het procesverloop\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nde dagvaarding van 20 juni 2025, met producties;\n\nde conclusie van antwoord, tevens conclusie van eis in voorwaardelijke reconventie;\n\nhet instructievonnis van 9 september 2025, met dagbepaling mondelinge behandeling;\n\nde mondelinge behandeling op 19 december 2025;\n\nde dagbepaling van de voortzetting van de mondelinge behandeling;\n\nde akte aanvullende producties 1 en 2 van verhuurder;\n\nde akte aanvullende producties 9 en 10 van [eiser] .\n\n1.2.. Op 20 mei 2026 is de mondelinge behandeling voortgezet. [eiser] verscheen in persoon, vergezeld van vier toehoorders en bijgestaan door de gemachtigde. Namens verhuurder verscheen [eiser] , bijgestaan door de gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht, verhuurder deed dat mede aan de hand van spreekaantekeningen, en vragen van de kantonrechter beantwoord. Van hetgeen is besproken ter zitting heeft de griffier aantekeningen gemaakt. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\nAls gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast:\n\n2.1.. \n [de moeder] , wijlen moeder van [eiser] (hierna: de moeder), huurde van de (rechtsvoorganger van) verhuurder de woning aan het [adres] (hierna: de woning). De woning werd sinds 1 augustus 1982 gehuurd door de moeder. De woning heeft een gebruiksoppervlakte van 86,55 m² en bestaat uit vier kamers.\n\n2.2.. \n [eiser] , thans 41 jaar oud, is op het adres van de woning geboren en heeft daar tot op heden altijd gewoond. In de verklaring van de huisarts van 7 februari 2025 is onder meer vermeld dat [eiser] bekend is met een lichte psychomotore retardatie en een lichte diplegia spastica, dat hij mantelzorger was voor moeder, dat hij boodschappen deed, het huishouden en dat hij kookte. Ook staat daarin dat [eiser] gebaat is bij een rustige en voorspelbare omgeving, moeite heeft met veranderingen, dat hij voor zichzelf kan zorgen en gebaat is te mogen blijven in de woning.\n\n2.3.. Eind november 2024 hebben de moeder en [eiser] bij verhuurder een gezamenlijk verzoek ingediend om [eiser] op grond van artikel 7:267 van het Burgerlijk Wetboek (BW) als medehuurder van de woning aan te merken; dit verzoek is op 3 januari 2025 per e-mail herhaald.\n\n2.4.. Naar aanleiding van het verzoek hebben, begin februari 2025 en op 13 februari 2025, gesprekken plaatsgevonden tussen [eiser] en (een medewerker van) verhuurder. Bij e-mail van 18 februari 2025 heeft verhuurder [eiser] bericht het verzoek af te wijzen, omdat naar haar oordeel niet was voldaan aan de criteria van artikel 7:267 lid 3 BW.\n\n2.5.. De moeder is op [overlijdensdatum] 2025 overleden. Voorafgaand aan haar overlijden verbleef zij in een verzorgingstehuis.\n\n2.6.. Bij brief van 26 maart 2025 heeft de gemachtigde van [eiser] verhuurder verzocht het verzoek tot medehuurderschap te heroverwegen.\n\n2.7.. Bij brief van 3 april 2025 heeft verhuurder geantwoord dat medehuurderschap na het overlijden van de moeder niet meer aan de orde is, dat moet worden uitgegaan van de situatie van artikel 7:268 lid 2 BW, en dat [eiser] niet in aanmerking komt voor de daarvoor benodigde huisvestingsvergunning omdat de woning gelet op haar omvang niet passend is voor een eenpersoonshuishouden. Verhuurder heeft zich daarbij steeds bereid verklaart een passende woning aan te bieden.\n\n2.8.. \n [eiser] woont nog steeds in de woning.\n\n3. De vorderingen en het verweer\n\nin conventie\n\n3.1.. \n\n [eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, dat:\n\nI. [eiser] medehuurder zal zijn van de woning, met ingang van de datum van het vonnis, althans met ingang van een door de rechter te bepalen tijdstip;\n\nII. verhuurder veroordeeld wordt tot het verlenen van medewerking aan het aanvragen en verkrijgen van een huisvestingsvergunning ten behoeve van [eiser] voor het bewonen van de woning;\n\nIII. verhuurder veroordeeld wordt tot betaling van de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten.\n\n3.2.. \n [eiser] legt aan zijn vordering – kort gezegd – ten grondslag dat hij ten tijde van het gezamenlijk met de moeder gedane verzoek voldeed aan alle vereisten voor medehuurderschap van artikel 7:267 lid 3 BW. Omdat dat verzoek reeds vóór het overlijden van de moeder is ingediend, is en blijft artikel 7:267 BW van toepassing en staat het overlijden niet aan toewijzing in de weg. Het niet beschikken over een huisvestingsvergunning is geen afwijzingsgrond onder artikel 7:267 lid 3 BW; een medehuurder wordt bij overlijden van de hoofdhuurder van rechtswege huurder (artikel 7:268 lid 1 BW), aldus [eiser] .\n\n3.3.. Verhuurder voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] , althans tot afwijzing van zijn vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de proces- en nakosten.\n\nin voorwaardelijke reconventie\n\n3.4.. In reconventie vordert verhuurder, onder de voorwaarde dat [eiser] in conventie in het ongelijk wordt gesteld, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, dat [eiser] – kort gezegd – wordt veroordeeld de woning te ontruimen, en wel één maand nadat verhuurder aan [eiser] een passende sociale huurwoning in [woonplaats] te huur heeft aangeboden. Verhuurder verzoekt daarbij de uitvoerbaarverklaring bij voorraad gemotiveerd uit te spreken en tot slot [eiser] in de proces- en nakosten te veroordelen. Verhuurder legt aan de vordering ten grondslag dat de huurovereenkomst door het overlijden van de moeder is geëindigd op grond van artikel 7:268 BW en dat [eiser] de woning sindsdien zonder recht of titel gebruikt.\n\n3.5.. \n [eiser] heeft op zijn beurt daartegen verweer gevoerd. Op de standpunten van partijen over en weer wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nin conventie\n\n4.1.. \n [eiser] vordert op de voet van artikel 7:267 BW dat hij medehuurder van de woning wordt. Verhuurder stelt zich primair op het standpunt dat deze weg na het overlijden van de moeder niet meer openstaat en dat [eiser] daarom niet-ontvankelijk is. De kantonrechter ziet zich dus eerst gesteld voor de vraag of [eiser] , na het overlijden van de hoofdhuurder en vóórdat enige gerechtelijke procedure aanhangig was, nog een vordering tot medehuurderschap kan instellen. Die voorvraag is beslissend; pas als zij bevestigend wordt beantwoord, komt de kantonrechter toe aan de criteria van artikel 7:267 lid 3 BW.\n\nJuridisch kader\n\n4.2.. Een vordering tot medehuurderschap op grond van artikel 7:267 lid 1 BW kan worden ingesteld door de huurder én de beoogd medehuurder gezamenlijk, nadat zij de verhuurder eerst schriftelijk om instemming hebben verzocht en de verhuurder daarmee niet binnen drie maanden heeft ingestemd. De gezamenlijkheid van huurder en beoogd medehuurder is een voorwaarde voor het instellen van de vordering.\n\n4.3.. Voor de situatie ná het overlijden van de huurder kent de wet een andere regeling. De medehuurder zet de huur dan van rechtswege als huurder voort (artikel 7:268 lid 1 BW). Wie geen medehuurder is maar wel in het gehuurde zijn hoofdverblijf heeft en met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde, zet de huur gedurende zes maanden na het overlijden voort en daarna alleen indien hij binnen die termijn een vordering tot voortzetting heeft ingesteld (artikel 7:268 lid 2 BW). Tot de afwijzingsgronden van die voortzettingsvordering behoort dat de samenwoner niet beschikt over een vereiste huisvestingsvergunning (artikel 7:268 lid 3, aanhef en onder c, BW). Dat vergunningsvereiste geldt bij medehuurderschap op grond van artikel 7:267 BW niet.\n\nDe 7:267-route was na het overlijden niet meer begaanbaar\n\n4.4.. Vast staat dat de moeder, de huurder, op [overlijdensdatum] 2025 is overleden en dat de dagvaarding ruim vier maanden later, op 20 juni 2025, is uitgebracht. Op dat moment was er geen huurder meer die met [eiser] gezamenlijk een vordering kon instellen. [eiser] beroept zich op de uitspraken van de Hoge Raad van 10 oktober 1980 ( [naam 1] ) ECLI:NL:PHR:1980:AC1632, en 18 februari 1994 ( [naam 2] \u002F [naam 3] ) ECLI:NL:HR:1994:ZC1281. Het eerste arrest gaat niet over de hier voorliggende vraag. Het tweede arrest betreft wél over de hier voorliggende vraag, maar betreft een andere situatie.\n\n4.5.. In [naam 2] \u002F [naam 3] hadden de huurster en de beoogd medehuurder vóór het overlijden van de huurster gezamenlijk een gerechtelijke procedure tot medehuurderschap ingesteld; de huurster overleed pas daarna, hangende die procedure. De Hoge Raad oordeelde dat het verzoek ontvankelijk was omdat de huurder op de datum van indiening van het verzoek nog in leven was, en dat het medehuurderschap kon worden toegewezen met ingang van een datum vóór het overlijden, zodat de beoogd medehuurder de huur na het overlijden als huurder voortzette (thans artikel 7:268 lid 1 BW).\n\n4.6.. Bepalend in die zaak was dus of de huurder nog in leven was toen de gerechtelijke procedure werd ingesteld. In de nu aan de orde zijnde zaak is dat niet het geval. De moeder is op [overlijdensdatum] 2025 overleden en de dagvaarding is pas op 20 juni 2025 uitgebracht. Artikel 7:267 lid 1 BW benoemt expliciet dat “huurder en die andere persoon […] gezamenlijk” de rechter kunnen verzoeken om die persoon medehuurder te laten zijn. Anders dan in [naam 2] \u002F [naam 3] was vóór het overlijden geen gezamenlijke vordering tot medehuurderschap ingesteld. Het aan verhuurder gerichte verzoek van eind 2024 maakt dat niet anders: dat verzoek is slechts de voorwaarde om de gezamenlijke vordering bij de rechter te mogen instellen (artikel 7:267 lid 1 BW) en niet de vordering zelf. [eiser] kon na het overlijden langs de weg van artikel 7:267 BW dus geen medehuurder meer worden. Voor zijn positie als achterblijver kent de wet, zoals hiervoor al is overwogen, nadrukkelijk een eigen regeling (artikel 7:268 BW).De vordering tot vaststelling van het medehuurderschap kan dus uitsluitend samen met de huurder worden ingesteld. Daarvan is hier geen sprake. Dit betekent dat [eiser] niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn verzoek.4.7.. Ten aanzien van de vordering om medewerking te verlenen aan het verkrijgen van een huisvestingsvergunning heeft [eiser] geen belang. De verkrijging van een huisvestingsvergunning kan relevant zijn in het kader van de voortzetting van de huur in zin van artikel 7:268 BW. Door [eiser] is echter uitdrukkelijk naar voren gebracht dat deze procedure niet moet worden gezien als een vordering op grond van artikel 7:268 BW. Daarbij is de vervaltermijn van zes maanden na het overlijden van de huurder voor het instellen van een dergelijke vordering al geruime tijd verstreken. Deze vordering wordt dus afgewezen.\n\n4.8.. \n [eiser] wordt als de in conventie in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten. De proceskosten van verhuurder worden begroot op:\n\n- salaris gemachtigde € 434,00 (2 x liquidatietarief á € 217,00)\n\n- nakosten € 72,00 (plus de kosten van betekening\n\n zoals vermeld in de beslissing)\n\n -----------\n\n totaal € 506,00\n\nin reconventie\n\n4.9.. Verhuurder heeft haar vordering tot ontruiming ingesteld onder de voorwaarde dat [eiser] in conventie in het ongelijk wordt gesteld. Gelet op de uitkomst van de procedure in conventie komt de kantonrechter toe aan de reconventionele vordering.\n\n4.10.. Door het overlijden van de moeder op [overlijdensdatum] 2025 is de huurovereenkomst geëindigd. [eiser] is geen medehuurder en verblijft in de woning zonder recht of titel.\n\n4.11.. De gevorderde ontruiming is dus toewijsbaar. Verhuurder heeft die vordering zelf verbonden aan de voorwaarde dat [eiser] de woning pas hoeft te ontruimen één maand nadat zij hem een passende sociale huurwoning in [woonplaats] te huur heeft aangeboden die hij na ondertekening van de huurovereenkomst direct in gebruik kan nemen. Hiermee bedoelt de verhuurder, zo volgt uit de dagvaarding, dat het moet gaat om een woning die in [woonplaats] ligt, ongeacht in welk stadsdeel dit ligt. De rechter zal de ontruiming in die vorm toewijzen.\n\nUitvoerbaarheid bij voorraad\n\n4.12.. Verhuurder heeft gevorderd het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en verzocht dat gemotiveerd te doen. [eiser] heeft zich daartegen verzet en aandacht gevraagd voor zijn medische situatie. De kantonrechter overweegt dat hier geen sprake is van een opgezegde huurovereenkomst, waarbij het wettelijke uitgangspunt is dat de huurovereenkomst van kracht blijft totdat hierover onherroepelijk is beslist door de rechter. [eiser] bevindt zich zonder recht of titel in de woning. Verhuurder heeft er, gezien haar wettelijke taak tot eerlijke verdeling van sociale huurwoningen, een zwaarwegend belang bij dat deze ruime sociale huurwoning beschikbaar komt voor een gezin. Daar komt bij dat [eiser] bij een ontruiming niet dakloos hoeft te worden, er wordt hem immers een alternatieve woning aangeboden. Het vonnis wordt daarom uitvoerbaar bij voorraad verklaard.\n\n4.13.. Ook in reconventie wordt [eiser] in het ongelijk gesteld. [eiser] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten. Deze kosten worden in reconventie vastgesteld op nihil.\n\nBESLISSING\n\nDe kantonrechter:\n\nin conventie\n\nI. verklaart [eiser] niet ontvankelijk in vordering I;\n\nII. wijst vordering II af;\n\nIII. veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van verhuurder tot en met vandaag vaststelt op € 506,00, voor zover van toepassing, inclusief btw en te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet hij ook de wettelijke\u002FBtag kosten van betekening betalen;\n\nin reconventie\n\nIV. veroordeelt [eiser] om de woning aan het [adres] , met medeneming van de zijnen en het zijne, te ontruimen en overeenkomstig de huurovereenkomst aan verhuurder op te leveren met inlevering van de sleutels, en wel één maand nadat verhuurder [eiser] een passende sociale huurwoning in [woonplaats] (betreffende alle stadsdelen) te huur heeft aangeboden;\n\nV. veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten welke aan de zijde van verhuurder worden begroot op nihil;\n\nin conventie en reconventie\n\nVI. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;\n\nVII. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. B.T. Beuving, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026 in tegenwoordigheid de griffier.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6466","2026-07-13T00:28:40.822Z",{"id":176,"ecli":177,"slug":178,"caseNumber":44,"courtId":157,"decisionDate":179,"fullText":180,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":181,"sourceTimestamp":72,"parsedAt":52,"updatedAt":182},"817","ECLI:NL:RBROT:2026:7445","ecli-nl-rbrot-2026-7445","2026-06-19T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nlocatie Rotterdam\n\nzaaknummer: 11809129 CV EXPL 25-16089\n\ndatum uitspraak: 19 juni 2026\n\nVonnis van de kantonrechter\n\nin de zaak van\n\n [bedrijf] B.V.,\n\nvestigingsplaats: [plaats] ,\n\neiseres,\n\ngemachtigde: mr. J.A.M. van de Sande,\n\ntegen\n\n1. [gedaagde 1] ,\n\n2. [gedaagde 2],,\n\nwoonplaats: [woonplaats] ,\n\ngedaagden,\n\ngemachtigde: mr. V.J. Verhulst.\n\nDe partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’, ‘ [gedaagde 1] ’ en ‘ [gedaagde 2] ’ genoemd.\n\n1. De procedure1.1.. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:\n\nde dagvaarding van 16 juli 2025, met bijlagen;\n\nhet antwoord;\n\nde mail van [eiseres] van 19 mei 2026.\n\n1.2.. Op 19 mei 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij is [gedaagde 2] verschenen met [persoon A] , bijgestaan door haar gemachtigde. [eiseres] is niet verschenen.\n\n2. De beoordeling\n\nWat is de kern?\n\n2.1.. \n [eiseres] wil de woning die wordt gehuurd door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] renoveren. De fundering moet worden hersteld en onder andere de kozijnen, de daken en de technische installaties bevinden zich aan het einde van de levensduur. In totaal gaat het om bijna € 440.000,00 aan renovatiewerkzaamheden. [eiseres] geeft aan dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de woning tijdens de renovatie niet kunnen gebruiken en geven aan dat de huurinkomsten de huidige en toekomstige exploitatiekosten niet dekken. [eiseres] heeft de woning nodig voor eigen gebruik en heeft daarom de huurovereenkomst opgezegd. In deze procedure eist zij dat de kantonrechter bevestigt dat de huurovereenkomst op 1 oktober 2025 eindigt of een einddatum vaststelt. Daarnaast eist [eiseres] dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de woning verlaten onder verbeurte van een dwangsom als zij dit niet doen en dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden veroordeeld in de proceskosten.\n\n2.2.. \n [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn het niet eens met de opzegging. Zij vinden dat [eiseres] onvoldoende heeft onderbouwd dat de renovatiewerkzaamheden dringend zijn en nu moeten plaatsvinden. Daarnaast vinden [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat de werkzaamheden kunnen plaatsvinden terwijl zij in de woning blijven wonen. Verder beargumenteren [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat zij meer belang hebben bij de woning dan [eiseres] heeft bij de renovatie van de woning. Tot slot betwisten zij dat passende woonruimte beschikbaar is. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] vragen de kantonrechter dan ook de vorderingen af te wijzen en [eiseres] in de proceskosten te veroordelen.\n\n2.3.. \n [eiseres] heeft vervolgens vlak voor de zitting haar vorderingen ingetrokken en verzocht de procedure door te halen. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben hiermee niet ingestemd. De kantonrechter zal daarom een oordeel geven over de proceskosten.\n\n [eiseres] moet de proceskosten betalen\n\n2.4.. Op grond van artikel 246 lid 1 Rv kan doorhaling van de procedure alleen plaatsvinden op verzoek van beide partijen. Nu daarvan geen sprake is, is doorhaling niet mogelijk.\n\n2.5.. De proceskosten komen voor rekening van [eiseres] , omdat zij na intrekking van haar vordering als de in het ongelijk gestelde partij wordt aangemerkt (artikel 237 Rv). Nu [gedaagde 1] en [gedaagde 2] al een conclusie van antwoord hebben ingediend en de vordering enkele uren voor de zitting pas is ingetrokken, worden de proceskosten aan de kant van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als volgt berekend: € 576,00 (2 punten x € 288,00) aan salaris voor de gemachtigde en € 144,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 720,00. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.\n\nDit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad\n\n2.6.. Dit vonnis wordt voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat eisen en [eiseres] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n3.1.. verstaat dat [eiseres] haar vorderingen op [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet langer handhaaft;\n\n3.2.. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden begroot op € 720,00;\n\n3.3.. verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad en wijst al het andere af.\n\nDit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7445","2026-07-13T00:28:49.555Z",{"id":184,"ecli":185,"slug":186,"caseNumber":44,"courtId":187,"decisionDate":188,"fullText":189,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":190,"sourceTimestamp":191,"parsedAt":52,"updatedAt":192},"783","ECLI:NL:RBLIM:2026:5843","ecli-nl-rblim-2026-5843",74,"2026-06-18T00:00:00.000Z","RECHTBANKLIMBURG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nZaaknummer: 12245721 \\ CV EXPL 26-2921\n\nVonnis in kort geding van 18 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [verhuurder] h.o.d.n. [bedrijf],\n\nte [plaats 1] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [verhuurder] ,\n\ngemachtigde: mr. D.L. Hendrikx,\n\ntegen\n\n [huurder],\n\nte [plaats 2] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [huurder] ,\n\ngemachtigde: mr. M. Raaijmakers.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties 1 tot en met 7\n\n- de aanvullende producties 8 en 9 van [verhuurder]\n\n- het verplaatsingsverzoek van [huurder]\n\n- de reactie van [verhuurder]\n\n- het bericht namens de kantonrechter aan partijen\n\n- de conclusie van antwoord\n\n- de pleitnota van [verhuurder] - de mondelinge behandeling van 11 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [verhuurder] verhuurt aan [huurder] de woonruimte aan [adres] (hierna: de woning) met ingang van 19 januari 2026. De kale huurprijs bedraagt € 725,00 per maand en het maandelijkse voorschot energie bedraagt € 150,00. Het totale maandelijkse bedrag van € 875,00 dient bij vooruitbetaling aan [verhuurder] voldaan te worden.\n\n2.2.. Partijen zijn een borgsom overeengekomen van € 820,00.\n\n2.3.. \n [huurder] is twee jaar geleden vanuit Georgië naar Nederland gekomen in het kader van gezinshereniging met haar vrouwelijke partner. [huurder] woont in de woning met haar minderjarig kind. Haar partner woont in een studio in [plaats 3].\n\n2.4.. Ondanks meerdere aanmaningen heeft [huurder] de huurpenningen vanaf aanvang van de huurovereenkomst en de borgsom niet betaald aan [verhuurder] .\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n\n [verhuurder] vordert – samengevat - om [huurder] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis te veroordelen tot:\n\nI. ontruiming van de woning binnen veertien dagen na betekening van het vonnis,\n\nII. betaling van € 4.375,00 aan achterstallige huurpenningen berekend tot en met mei 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente, alsmede de huurpenningen vanaf juni 2026 tot aan de dag van ontruiming,\n\nIII. betaling van € 820,00 aan overeengekomen borgsom, te vermeerderen met de wettelijke rente,\n\nIV. betaling van de proceskosten, alsmede de nakosten.\n\n3.2.. \n [verhuurder] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [huurder] heeft sinds aanvang van de huurovereenkomst geen enkele huurtermijn betaald. Ten aanzien van de borgsom zijn partijen overeengekomen dat [huurder] het verschuldigde bedrag in drie gelijke delen van € 273,33 per maand zou voldoen vanaf januari 2026. Enige betaling is uitgebleven. [huurder] is dan ook structureel tekortgeschoten in de nakoming van haar betalingsverplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst. Op grond van artikel 6:265 BW in samenhang met artikel 7:231 BW is ontbinding van de huurovereenkomst, indien het geschil zou worden voorgelegd aan de bodemrechter, gerechtvaardigd.\n\n3.3.. \n [huurder] voert verweer. [huurder] concludeert tot ongegrondverklaring van de verzoeken van [verhuurder] , althans deze aan hem te ontzeggen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [verhuurder] in de kosten van deze procedure.\n\n3.4.. \n\n [huurder] voert het volgende aan. Er is geen sprake van betalingsonwil, maar van betalingsonmacht. [huurder] had onvoldoende inkomen – slechts € 250,00 per maand uit verhuur van een appartement in Georgië – om de huurpenningen te kunnen voldoen. [huurder] had geen verblijfsstatus en kon daarom niet werken. De verblijfsstatus is sinds\n\n1 juni 2026 toegewezen en [huurder] zal fulltime gaan werken. Met het te ontvangen loon kan zij de lopende huur betalen. [huurder] stelt zich op het standpunt dat de tekortkoming de ontruiming met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Bij een ontruiming zullen [huurder] en haar minderjarig kind dakloos worden en zeer waarschijnlijk uitgezet worden naar het land van herkomst. Er is dan ook sprake van een noodtoestand. [huurder] doet een beroep op artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (hierna: IVRK). Ten slotte verzoekt [huurder] om een eventuele veroordeling niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n3.5.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nSpoedeisend belang\n\n4.1.. Uit de stukken en de toelichting op de mondelinge behandeling is genoegzaam gebleken dat [verhuurder] een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen.\n\nBetalingsachterstand en ontruiming\n\n4.2.. De kantonrechter stelt voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet – volgens vaste jurisprudentie – grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een – diepgaand – onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.\n\n4.3.. \n [huurder] heeft de hoogte van de huurachterstand niet betwist. Daarmee staat de bij dagvaarding gestelde huurachterstand van vijf maanden vast. Het gevorderde bedrag van € 4.375,00 aan achterstallige huurpenningen berekend tot en met mei 2026 wordt toegewezen.\n\n4.4.. De vraag is of deze huurachterstand kan leiden tot ontruiming van de woning. De maatstaf is of voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter de huurovereenkomst wegens deze tekortkoming op grond van artikel 6:265 BW zal ontbinden. Op grond van voornoemd artikel geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van haar verbintenissen, aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.\n\n4.5.. Op het moment van de mondelinge behandeling was sprake van zes maanden huurachterstand. Een bestaande betalingsonmacht komt voor rekening en risico van [huurder] . [huurder] wist bij het sluiten van de huurovereenkomst dat zij over onvoldoende inkomsten beschikte om de maandelijkse huurpenningen te kunnen voldoen. [huurder] voert aan dat zij dacht dat zij de huurpenningen in termijnen kon betalen en dat zij daarmee meende juist te handelen. Zoals de gemachtigde van [huurder] ook zelf ter mondelinge behandeling heeft erkend, ligt het logischerwijs niet voor de hand om maandelijkse huurpenningen in termijnen te betalen. Op die manier zou de huurachterstand alsmaar blijven oplopen.\n\n4.6.. De kantonrechter stelt voorop dat een huurachterstand van drie maanden of meer in de regel van voldoende gewicht wordt gevonden om tot ontbinding van de huurovereenkomst, en vooruitlopend daarop in kort geding, de ontruiming van het gehuurde uit te spreken. Het beroep van [huurder] op de tenzij-bepaling van artikel 6:265 BW slaagt niet. [huurder] heeft naar het oordeel van de kantonrechter geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die ertoe kunnen leiden dat de ontbinding (en dus de ontruiming in kort geding) niet gerechtvaardigd is. De gevolgen van een ontruiming zijn altijd ingrijpend voor een huurder, maar zijn ook inherent eraan. Dat [huurder] bij een ontruiming zeer waarschijnlijk zal worden uitgezet naar het land van herkomst is geheel niet onderbouwd en ligt in de risicosfeer van [huurder] . De kantonrechter is van oordeel dat het belang van [huurder] om in de woning te blijven wonen – gezien de substantiële huurachterstand – niet prevaleert boven het belang van [verhuurder] bij de ontruiming van de woning.\n\n4.7.. Bij de beoordeling van de ontruimingsvordering wordt ook het belang van het minderjarig kind van [huurder] in overweging genomen. Ingevolge het bepaalde in artikel 3 van het IVRK vormen de belangen van het kind de eerste overweging bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen. Aangenomen moet worden dat een ontruiming van de woning (ook) voor het minderjarige kind van [huurder] nadelige gevolgen meebrengt. Bij de beoordeling van een op zichzelf gerechtvaardigde vordering tot ontruiming zullen de belangen van de daarbij betrokken kinderen onder ogen gezien dienen te worden. Dit gaat evenwel niet zover dat de betrokkenheid van kinderen automatisch leidt tot een blokkade voor de toewijzing van een vordering tot ontruiming. Het is voor alles de taak van [huurder] om de nodige maatregelen te nemen ter voorkoming van al te nadelige gevolgen. Zowel de verantwoordelijkheid voor de tekortkoming die tot de ontruiming leidt (of kan leiden) als de verantwoordelijkheid voor het welzijn van de kinderen ligt bij haar. Om die reden dient niet te snel te worden aangenomen dat de betrokkenheid van minderjarige kinderen aan toewijzing van de vordering tot ontruiming in de weg staat. Dit zal in bepaalde omstandigheden wel het geval kunnen zijn als de ontruiming tot een acute noodsituatie voor een kind zou leiden. Volgens [huurder] is haar inmiddels een verblijfsstatus toegewezen. Dit betekent dat [huurder] zich kan wenden tot hulpinstanties. Dat sprake is van een acute noodtoestand is dan ook niet aannemelijk geworden zodat de enkele aanwezigheid van het minderjarig kind in dit concrete geval niet tot afwijzing van de ontruimingsvordering zal leiden. Wel ziet de kantonrechter hierin aanleiding om de gevorderde ontruimingstermijn van veertien dagen te verlengen naar drie weken. De kantonrechter vindt deze termijn redelijk nu ter mondelinge behandeling al aan partijen is medegedeeld dat de gevorderde ontruiming zal worden toegewezen en [huurder] dus vanaf dat moment kon beginnen met het treffen van maatregelen.\n\nBorgsom\n\n4.8.. \n [huurder] dient de borgsom op grond van de huurovereenkomst te betalen aan [verhuurder] . Vast staat dat [huurder] dat niet gedaan heeft. [huurder] heeft geen verweer gevoerd tegen de verschuldigdheid van deze borgsom. Het gevorderde bedrag van € 820,00 aan borgsom wordt daarom toegewezen.\n\nWettelijke rente\n\n4.9.. De wettelijke rente over de achterstallige huurpenningen en de waarborgsom wordt toegewezen zoals gevorderd nu [huurder] daartegen geen inhoudelijk verweer heeft gevoerd en [huurder] in verzuim verkeert.\n\nUitvoerbaar bij voorraad\n\n4.10.. Hoewel [huurder] hier bezwaar tegen heeft gemaakt, zal de kantonrechter dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren. De kantonrechter is van oordeel dat – zoals hiervoor is vastgesteld – de substantiële mate waarin [huurder] is tekortgeschoten in haar betalingsverplichtingen als huurder, maken dat [verhuurder] er belang bij heeft om op zo kort mogelijke termijn de woning aan een huurder te verhuren die wel zijn verplichtingen nakomt. Hoewel [huurder] een evident belang heeft bij het kunnen blijven wonen in de woning totdat deze uitspraak kracht van gewijsde heeft of op een eventueel rechtsmiddel is beslist, weegt dat belang in de gegeven omstandigheden niet op tegen het belang van [verhuurder] bij de ontruiming van de woning.\n\nProceskosten\n\n4.11.. \n [huurder] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verhuurder] worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n153,02\n\n- griffierecht\n\n€\n\n265,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n865,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.427,02\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. veroordeelt [huurder] om binnen drie weken na betekening van dit vonnis de woning aan de [adres] met al het hare en de haren te verlaten en te ontruimen en ontruimd te houden, onder afgifte van alle sleutels aan [verhuurder] ,\n\n5.2.. veroordeelt [huurder] om te betalen aan [verhuurder] :\n\na. a) € 4.375,00 aan achterstallige huur tot en met mei 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente over de verschuldigde huurtermijnen, telkens te rekenen vanaf de vervaldata van die huurtermijnen tot de dag van voldoening,\n\nb) € 875,00 per maand vanaf juni 2026 tot aan de dag waarop de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden,\n\n5.3.. veroordeelt [huurder] om te betalen aan [verhuurder] € 820,00 aan borgsom, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de datum waarop deze opeisbaar is geworden, tot aan de dag van volledige betaling,\n\n5.4.. veroordeelt [huurder] in de proceskosten van € 1.427,02, te vermeerderen met de kosten van betekening,\n\n5.5.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.6.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Quaedackers en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5843","2026-06-17T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:47.827Z",{"id":194,"ecli":195,"slug":196,"caseNumber":44,"courtId":187,"decisionDate":188,"fullText":197,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":198,"sourceTimestamp":199,"parsedAt":52,"updatedAt":200},"782","ECLI:NL:RBLIM:2026:5790","ecli-nl-rblim-2026-5790","RECHTBANKLIMBURG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nZaaknummer: 12238701 CV EXPL 26-2803\n\nVonnis in kort geding van 18 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nWONINGSTICHTING SERVATIUS,\n\nte Maastricht,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: Servatius,\n\ngemachtigde: mr. G. Vansant,\n\ntegen\n\n1. [huurder],\n\nte [plaats] ,\n\ngedaagde partij sub 1,\n\nhierna te noemen: [huurder],\n\nniet verschenen,2. 2. [bewindvoerder], h.o.d.n. [bewindvoerderskantoor],\n\nin hoedanigheid van bewindvoerder in het beschermingsbewind van [huurder],\n\nte [plaats] ,\n\ngedaagde partij sub 2,\n\nhierna te noemen: de bewindvoerder q.q.,\n\nprocederend in persoon.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaardingen - de mondelinge behandeling van 15 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.2. De feiten en het geschil\n\n2.1.. Tussen Servatius en [huurder] is in maart 2022 een huurovereenkomst tot stand gekomen, waarbij Servatius de woning aan [adres] (hierna: het gehuurde) verhuurt aan [huurder].\n\n2.2.. Bij beschikking van de kantonrechter zijn alle goederen die behoren of zullen toebehoren aan [huurder] onder bewind gesteld.\n\n2.3.. Bij brief van 29 september 2025 heeft Servatius de huurovereenkomst opgezegd tegen 1 januari 2026, met als reden dat [huurder] het gehuurde niet als hoofdverblijf heeft.\n\n2.4.. Tussen Servatius en [huurder] is vervolgens een afspraak tot stand gekomen inhoudende dat [huurder] het gehuurde zou ontruimen en opleveren aan Servatius.\n\n2.5.. Omdat [huurder] telkens niet is verschenen bij de opleveringsafspraken, heeft Servatius [huurder] gesommeerd het gehuurde uiterlijk 20 april 2026 te ontruimen. Een kopie van dit schrijven is aan de bewindvoerder q.q. gestuurd.\n\n3. Het geschil en de beoordeling\n\n3.1.. Servatius vordert - samengevat - ontruiming van het gehuurde.\n\n3.2.. De bewindvoerder q.q. heeft tijdens de mondelinge behandeling geen verweer gevoerd en de feiten, zoals ten grondslag gelegd aan de vordering, niet betwist.\n\n3.3.. Tegen de niet verschenen [huurder] wordt verstek verleend, nu de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht zijn genomen.\n\n3.4.. De vorderingen tegen de [huurder] komen niet onrechtmatig of ongegrond voor (tenzij hierna anders wordt overwogen), en zullen conform het bepaalde in art. 140 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering als een vonnis op tegenspraak in dezelfde zin worden toegewezen als tegen de wel verschenen gedaagde.\n\n3.5.. \n\nIn het petitum is, gelet op het lichaam van de dagvaarding, een duidelijke omissie geslopen in de zin dat onder 1. voor “[huurder]” moet worden gelezen:\n\n“de bewindvoerder q.q. - en [huurder] voorwaardelijk, onder de voorwaarde dat het bewind na datum vonnis wordt beëindigd -”. [huurder] wordt hierdoor niet benadeeld.\n\n3.6.. \n [huurder] staat onder bewind. In 2014 heeft de Hoge Raad beslist dat in een geding met betrekking tot een onder bewind gesteld goed, de bewindvoerder en niet de rechthebbende in rechte betrokken dient te worden (ECLI:NL:HR:2014:525). De eisende partij wordt normaliter niet-ontvankelijk verklaard in de vordering jegens de rechthebbende. Servatius heeft hier zowel de bewindvoerder als de rechthebbende in rechte betrokken, omdat een voorwaardelijkevordering is ingesteld tegen [huurder] voor het geval het bewind zou eindigen tussen de datum vonnis en de datum van de aangezegde ontruiming. Aangezien een einde van het bewind niet is uit te sluiten, is Servatius ontvankelijk in haar voorwaardelijke vordering jegens [huurder].\n\n3.7.. De kantonrechter stelt voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet - volgens vaste jurisprudentie - grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een - diepgaand - onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.\n\n3.8.. Het spoedeisend belang is niet weersproken en vloeit voort uit de stelling dat het gehuurde reeds geruime tijd niet wordt bewoond, dat de leegstand heeft geleid tot verwaarlozing en overlast en dat Servatius de woning thans niet kan toewijzen aan een woningzoekende. Gewezen is op de schaarste op de sociale woningmarkt.\n\n3.9.. De bewindvoerder q.q. erkent dat [huurder] met Servatius de afspraak heeft gemaakt dat [huurder] het gehuurde zou ontruimen en opleveren. [huurder] heeft op enig moment zelf de huur opgezegd. De bewindvoerder q.q. kan zich vinden in het einde van de huur. [huurder] woont namelijk bij haar vriend en wil niet meer terug naar het gehuurde, aldus de bewindvoerder q.q. Deze was zelfs al in de veronderstelling dat het gehuurde reeds was opgeleverd – reden waarom de huur over de laatste maand (nog) niet is betaald. De kantonrechter begrijpt uit dit laatste dat de datum, waarop de huurovereenkomst (ook volgens bewindvoerder q.q.) is geëindigd, inmiddels is gepasseerd. Daarmee wordt aangenomen dat de huurovereenkomst inmiddels formeel tot een einde is gekomen.\n\n3.10.. De bewindvoerder q.q. erkent eveneens dat in de woning nog altijd (veel) spullen van [huurder] aanwezig zijn en dat het gehuurde ook anderszins niet is opgeleverd. Zo is niet betwist dat de sleutels ook niet zijn ingeleverd. De bewindvoerder q.q. verzet zich niet tegen de gevorderde ontruiming. Zo heeft hij [huurder] geadviseerd de woning op tijd leeg te maken. Concluderend is de kantonrechter voorshands van oordeel het zeer waarschijnlijk is dat een ontruiming in een bodemprocedure zal worden toegewezen. De gevorderde ontruiming is daarmee toewijsbaar. De vordering zal voorwaardelijk worden toegewezen jegens [huurder].\n\n3.11.. Een ontruimingstermijn van twee weken is gebruikelijk. Servatius stelt dat een kortere termijn van zeven dagen hier is gerechtvaardigd omdat [huurder] al niet meer in het gehuurde woont. De bewindvoerder q.q. heeft zich niet met zoveel woorden tegen die verkorte termijn verzet. Wel heeft hij erop gewezen dat [huurder], die een Wajong-uitkering ontvangt, begeleiding krijgt en hulp nodig heeft om het gehuurde leeg te krijgen. De bewindvoerder q.q. heeft twee weken geleden geld overgemaakt naar [huurder] om het gehuurde met hulp te doen ontruimen. Het bewind loopt goed. [huurder] heeft het schuldsaneringstraject doorlopen. Een gedwongen ontruiming zal evenwel tot kosten, en daarmee nieuwe schulden, leiden. De bewindvoerder q.q. wil daarom proberen om middels Opruimservice Limburg het gehuurde nog tijdig leeg te krijgen. Voorkomen moet worden dat [huurder] opnieuw in de schulden geraakt. Aangegeven is dat sowieso nog (een vergoeding gelijk aan) de huurprijs zal worden doorbetaald.\n\n3.12.. Hoewel een kortere termijn hier in beginsel is gerechtvaardigd, is de kantonrechter al met al van oordeel dat in dit geval een ontruimingstermijn van veertien dagen (óók in het voorwaardelijke geval) het meest redelijk is. Daarmee wordt aan [huurder] alsnog een reële(re) kans geboden om een gedwongen ontruiming, met alle financiële gevolgen van dien, te voorkomen.\n\n3.13.. De (ook voorwaardelijk) gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van justitie zal worden afgewezen, omdat zij ingevolge artikel 556 lid 1 en artikel 557 Rv overbodig is.3.14.. \n\nDe bewindvoerder q.q. en [huurder] (als voorwaardelijke partij) zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Het tarief voor verstek is hier overigens niet van toepassing op [huurder].\n\nDe proceskosten van Servatius worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n156,75\n\n- griffierecht\n\n€\n\n139,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n865,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.304,75\n\n3.15.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n4.1.. veroordeelt de bewindvoerder q.q. - en [huurder] voorwaardelijk, onder de voorwaarde dat het bewind na datum vonnis wordt beëindigd - om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde aan [adres] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Servatius zijn, en de sleutels af te geven aan Servatius,\n\n4.2.. veroordeelt de bewindvoerder q.q. - en [huurder] voorwaardelijk, onder de voorwaarde dat het bewind na datum vonnis wordt beëindigd - in de proceskosten van € 1.304,75, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de bewindvoerder q.q. niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n4.3.. veroordeelt de bewindvoerder q.q. - en [huurder] voorwaardelijk, onder de voorwaarde dat het bewind na datum vonnis wordt beëindigd - tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n4.4.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n4.5.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5790","2026-06-16T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:47.792Z",{"id":202,"ecli":203,"slug":204,"caseNumber":44,"courtId":205,"decisionDate":191,"fullText":206,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":207,"sourceTimestamp":208,"parsedAt":52,"updatedAt":209},"452","ECLI:NL:RBGEL:2026:5204","ecli-nl-rbgel-2026-5204",75,"RECHTBANKGELDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Nijmegen\n\nZaakgegevens: 12228824 \\ VV EXPL 26-37\n\nVonnis in kort geding van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nVEVAG B.V.,\n\ngevestigd in Berkel-Enschot,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: Vevag,\n\ngemachtigde: mr. M. Stokdijk,\n\ntegen\n\n [naam gedaagde], tevens handelende onder de naam[gedaagd bedrijf],\n\nwonende en zaakdoende in [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [de gedaagde] ,\n\nniet verschenen.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Bij dagvaarding van 22 mei 2026, met producties, heeft Vevag een voorziening gevorderd.\n\n1.2.. Op 2 juni 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Voor Vevag zijn [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] , beiden aandeelhouder en bestuurder van Vevag, en de gemachtigde verschenen. Aangezien alle voorgeschreven formaliteit en termijnen voor oproeping in acht zijn genomen, heeft de kantonrechter tegen de niet verschenen [de gedaagde] verstek verleend. Vevag heeft haar vorderingen toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. Vervolgens heeft de kantonrechter bepaald dat hij een vonnis in de zaak zal wijzen.\n\n2. De vordering en de beoordeling daarvan\n\n2.1.. Vevag verhuurt aan [de gedaagde] de bedrijfsruimte gelegen aan de [adres] in [plaatsnaam] (hierna: het gehuurde). Vanaf december 2023 is een huurachterstand ontstaan, die tot en met mei 2026 is opgelopen tot een bedrag van € 14,899,60, zoals blijkt uit de stellingen uit de dagvaarding en de daarbij overgelegde specificatie (productie 4). Tegen deze achtergrond vordert Vevag – zakelijk weergegeven – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [de gedaagde] te veroordelen om het gehuurde binnen twee dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen en tot betaling van:\n\neen bedrag van € 14.993,57 ter zake achterstallige huur tot en met mei 2026,\n\nde huur van € 4.906,03 per maand over de periode van 1 juni 2026 tot en met de dag waarop het gehuurde door [de gedaagde] leeg en ontruimd ter beschikking aan Vevag wordt gesteld of na gedwongen ontruiming ter beschikking van Vevag komt te staan, waarbij een gedeelte van een ingetreden maand voor een gehele maand heeft te gelden,\n\neen bedrag van € 32.100,00 aan verbeurde contractuele boetes,\n\nde buitengerechtelijke incassokosten van € 10.086,39,\n\nde proceskosten en nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover.\n\n2.2.. In geval van verstek, wijst de kantonrechter de vordering toe, tenzij deze hem onrechtmatig of ongegrond voorkomt (artikel 139 Rv). In geval van een vordering in kort geding geldt verder dat deze slechts kan worden toegewezen als de eisende partij hierbij zodanig veel spoed heeft dat hij\u002Fzij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten (artikel 254 lid 1 Rv). Uit de stellingen van Vevag volgt dat zulke spoed aanwezig is.\n\n2.3.. De vorderingen komen de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat deze zullen worden toegewezen, met inachtneming en uitzondering van het navolgende.\n\n2.4.. \n\nVevag vordert betaling van een bedrag van € 32.100,00 aan verbeurde contractuele boetes vanwege niet of te late betaling van de huur als bedoeld in artikel 26.2 van de toepasselijke algemene voorwaarden. Deze vordering zal voor een bedrag van € 9.000,00 worden toegewezen. Dat bedrag staat gelijk aan het aantal niet-betaalde huurtermijnen (30) vermenigvuldigd met de (enkelvoudige) contractuele boete van (minimaal) € 300,00. De cumulatieve uitleg die Vevag aan het boetebeding geeft, inhoudende dat iedere maand opnieuw een boete verschuldigd is van minimaal € 300,00 als de huur niet op tijd wordt betaald, komt de kantonrechter voorshands ongegrond voor. Deze uitleg strookt immers niet met de in de rechtspraak gangbare uitleg dat de boetes die verschuldigd raken op grond van een boeteding als de onderhavige niet cumuleren, maar slechts eenmalig verbeurd raken (vgl. Hof Amsterdam 17 december 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:4499 en\n\nHof ‘s-Hertogenbosch 16 maart 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:892). Vevag heeft, daar ter zitting door de kantonrechter naar gevraagd, geen omstandigheden gesteld die maken dat in deze zaak anders moet worden geoordeeld.\n\n2.5.. Vevag vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Vevag heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Zij heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Wel zal deze vergoeding worden berekend op basis van de toe te wijzen hoofdsom, te weten over (€ 14.993,57 + € 9.000,00 =) € 23.993,57. Op grond van de staffel bij het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt een bedrag van € 1.228,07 inclusief btw toegewezen.\n\n2.6.. \n [de gedaagde] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Vevag worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n126,46\n\n- griffierecht\n\n€\n\n1.504,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n865,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.639,46\n\n2.7.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n3.1.. veroordeelt [de gedaagde] om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis de bedrijfsruimte gelegen aan [adres] in [plaatsnaam] verlaten en te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Vevag zijn, en de sleutels af te geven aan Vevag,\n\n3.2.. veroordeelt [de gedaagde] om te betalen aan Vevag:\n\na. a) € 14.993,57 aan achterstallige huur tot en met mei 2026,\n\nb) de huur van € 4.906,03 per maand vanaf 1 juni 2026 tot en met de dag waarop het gehuurde door [de gedaagde] leeg en ontruimd ter beschikking aan Vevag wordt gesteld of na gedwongen ontruiming ter beschikking van Vevag komt te staan, waarbij een gedeelte van een ingetreden maand voor een gehele maand heeft te gelden,\n\nc) een bedrag van € 9.000,00 aan verbeurde contractuele boetes,\n\nd) een bedrag van € 1.228,07 aan buitengerechtelijke incassokosten,\n\n3.3.. \n\nveroordeelt [de gedaagde] in de proceskosten van € 2.639,46, te vermeerderen met de kosten van betekening als het vonnis wordt betekend, verder te vermeerderen met\n\nde wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n3.4.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n3.5.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.\n\n61512\u002F560","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5204","2026-07-01T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:31.021Z",37,20,[11,213],2025]