[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-local-taxes-nl-2025":3},{"detail":4,"years":82},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":21,"page":14,"limit":81},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},152,"local-taxes-nl","Local Taxes","NL","2026-07-08T17:00:05.844Z",2025,[13,15,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":14},1,{"month":16,"count":17},2,0,{"month":19,"count":17},3,{"month":21,"count":16},4,{"month":23,"count":17},5,{"month":25,"count":17},6,{"month":27,"count":17},7,{"month":29,"count":17},8,{"month":31,"count":17},9,{"month":33,"count":14},10,{"month":35,"count":17},11,{"month":37,"count":17},12,[39,53,62,71],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"1884","ECLI:NL:GHDHA:2025:2593","ecli-nl-ghdha-2025-2593","",58,"2025-10-01T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nTeam Belastingrecht\n\nmeervoudige kamer\n\nnummer BK-24\u002F922\n\nUitspraak van 1 oktober 2025\n\nin het geding tussen:\n\n [X] te [Z] , belanghebbende,\n\nen\n\nde Heffingsambtenaar van de gemeente Noordwijk, de Heffingsambtenaar,\n\n(vertegenwoordiger: […] )\n\nop het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 12 september 2024, nummer SGR 23\u002F3542.\n\nProcesverloop\n\n1.1.. De Heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende voor het jaar 2023 een aanslag in de afvalstoffenheffing van de gemeente Noordwijk opgelegd ter zake van het perceel [perceel] te [woonplaats] (de aanslag).\n\n1.2.. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar het bezwaar tegen de aanslag ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd.\n\n1.3.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 50. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 138. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 31 juli 2025 een nader stuk ingediend.\n\n1.7.. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 12 augustus 2025. Belanghebbende is zonder bericht van verhindering niet verschenen. Belanghebbende is via een bericht verzonden via het webportaal ‘Mijn Rechtspraak’ (het webportaal) op 11 juni 2024, 11:29 uur, onder vermelding van datum, tijdstip en plaats uitgenodigd de zitting bij te wonen. Belanghebbende heeft het Hof verzocht om via een videoverbinding aan de zitting deel te nemen. Het Hof heeft belanghebbende op 6 augustus 2025, 17:01 uur, door middel van een e-mailbericht verzonden aan het door belanghebbende via het webportaal opgegeven e-mailadres ‘ [e-mailadres] ’ uitgenodigd de zitting digitaal bij te wonen. Aan het begin van de zitting heeft de griffier vergeefs nog tweemaal getracht telefonisch contact met belanghebbende op te nemen. De Heffingsambtenaar heeft deelgenomen aan de zitting via een videoverbinding met het Hof. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.\n\n1.8.. Na sluiting van het onderzoek heeft het Hof op 12 augustus 2025 om 12:22 uur een bericht ontvangen van belanghebbende waarin hij meldt dat de gegevens voor de deelname niet zijn verstuurd en niet in de digitale mailbox staan en stelt dat de stukken van de gemeente te laat zijn toegestuurd en buiten behandeling moeten blijven. Hetgeen belanghebbende aanvoert, geeft het Hof geen aanleiding om tot heropening van het onderzoek over te gaan. Het bericht zal daarom niet tot de gedingstukken worden gerekend en buiten beschouwing worden gelaten.\n\nFeiten\n\n2.1.. Belanghebbende is eigenaar en maakt gebruik van het perceel [perceel] te [woonplaats] (het perceel).\n\n2.2.. Het perceel ligt aan een onverharde weg, die ongeveer 315 meter lang is en zich bevindt op grond die in particulier eigendom is. Aan het begin van de onverharde weg staat een bord met daarop de tekst ‘eigen weg, verboden toegang Art. 461 Wetb v Strafr’.\n\nOordeel van de Rechtbank\n\n3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:\n\n“3. Ingevolge artikel 2, tweede, lid, van de Verordening afvalstoffenheffing Noordwijk 2023, wordt afvalstoffenheffing geheven ter zake van het gebruik van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer (Wmb) een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.\n\n4. De verplichting van artikel 10.21 van de Wmb bestaat ten aanzien van percelen waar afvalstoffen geregeld kúnnen ontstaan. Het is dus niet van belang of daar daadwerkelijk (geregeld) huishoudelijke afvalstoffen ontstaan.[1]\n\n5. Vast staat dat het perceel in gebruik is als woning en dat daar geregeld afvalstoffen (kunnen) ontstaan. De gemeente heeft dus op grond van artikel 10.21 van de Wmb een verplichting tot inzameling van huishoudelijke afvalstoffen ten aanzien van het perceel.\n\n6. De gemeente maakt voor haar inzamelplicht gebruik van de diensten van [Afvalverwerkingsbedrijf] . Tussen de gemeente en [Afvalverwerkingsbedrijf] bestaat de afspraak dat de vuilniswagens van [Afvalverwerkingsbedrijf] niet op particulier terrein hoeven te rijden teneinde schade aan dat terrein en aan de vuilniswagens te voorkomen.\n\n7. Het perceel is gelegen aan een zandweg van 315 meter lang die eigendom is van diverse particulieren. De gemeente heeft daarom bepaald dat het inzamelpunt voor het huishoudelijk afval is gelegen aan de [straat] ter hoogte van nummer […] . Eiser stelt dat de afstand van het perceel tot het inzamelpunt te groot is. De gemeente voldoet daarmee volgens hem niet aan haar inzamelplicht om bij het perceel het afval op te halen. Verder heeft de Minister volgens eiser bepaald dat de afstand van het perceel tot het inzamelpunt maximaal 125 meter mag bedragen.\n\n8. De bepaling waar eiser naar verwijst, betreft artikel 3 van de Regeling voorwaarden inzamelen huishoudelijke afvalstoffen nabij elk perceel (de Regeling). In deze bepaling is uitvoering gegeven aan artikel 10.26, vierde lid, van de Wmb. Dit artikel en de Regeling zijn op 26 november 2008 vervallen. Met het vervallen van de Regeling geldt de grens van 125 meter dus niet meer. In de Memorie van Toelichting[2] is dit als volgt toegelicht:\n\n“Aangezien de wettelijke zorgplicht voor de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen bij gemeenten ligt, is het uit oogpunt van decentralisatie niet noodzakelijk om te bepalen binnen welke maximale afstand van de perceelsgrens de gemeente moet zorg dragen voor de inzameling van huishoudelijk afval. Voorgesteld wordt de dwingend voorgeschreven delegatiebevoegdheid (neergelegd in artikel 10.26, vierde lid, Wm) te laten vervallen (artikel I, onderdeel H). Met het vervallen van deze delegatiebevoegdheid komt de Regeling voorwaarden inzamelen huishoudelijke afvalstoffen nabij elk perceel van rechtswege te vervallen.”\n\n9. Met het vervallen van de Regeling geldt er dus geen maximale afstand meer van een perceel tot het inzamelpunt.\n\n10. Een redelijke uitlegging van artikel 10.21 van de Wmb brengt mee dat de in dat artikel bedoelde inzamelplicht zich niet uitstrekt tot buiten de voor het openbare rijverkeer openstaande wegen.[3] Van een gemeente kan in redelijkheid niet worden geëist dat zij huishoudelijk afval ophaalt op particulier terrein. Verweerder heeft onweersproken gesteld en de rechtbank acht aannemelijk dat het door de gemeente aangewezen inzamelpunt de dichtst bij het perceel gelegen voor het openbare rijverkeer openstaande weg is waar de vuilniswagens het huishoudelijk afval kunnen ophalen. Hiermee komt de gemeente dan ook haar inzamelplicht na. Dat eiser een heel eind moet lopen met de containers doet hier niet aan af. De landelijke ligging van het perceel maakt dit nodig. De aanslag is daarom terecht aan eiser opgelegd.\n\n11. De eerst ter zitting ingenomen stelling van eiser dat het opleggen van de aanslag in strijd is met diverse mensenrechten is op geen enkele wijze onderbouwd en ook overigens is de rechtbank niet gebleken dat sprake is van enige schending van de mensenrechten.\n\n12. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.\n\n(…)\n\n[1] Zie Hoge Raad, 30 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1838.\n\n[2] Kamerstukken II 2007\u002F08, 31 337, nr. 3, blz. 3.\n\n[3] Vgl. HR 15 februari 1984, nr. 22 311, ECLI:NL:HR:1984:AC4018.”\n\nGeschil in hoger beroep en conclusies van partijen\n\n4.1.. In geschil is of de aanslag terecht is opgelegd. Meer specifiek is in geschil of de gemeente Noordwijk aan haar inzamelverplichting heeft voldaan en of de aanslag is opgelegd in strijd met diverse bepalingen van internationale verdragen. Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend, de Heffingsambtenaar ontkennend.\n\n4.2.. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak op bezwaar en de aanslag.\n\n4.3.. De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.\n\nBeoordeling van het hoger beroep\n\nInzamelverplichting\n\n5.1.. Op grond van artikel 10.21, lid 1 van de Wet Milieubeheer (Wm) draagt de gemeente ervoor zorg dat de huishoudelijke afvalstoffen tenminste eenmaal per week worden ingezameld nabij elk binnen haar grondgebied gelegen perceel, waar zodanige afvalstoffen geregeld kunnen ontstaan.\n\n5.2.. Op grond van artikel 3 in verbinding met artikel 2 van de Verordening afvalstoffenheffing Noordwijk 2023 (de Verordening) wordt een afvalstoffenheffing geheven van degene die in de gemeente Noordwijk gebruik maakt van een perceel waarvoor volgens artikel 10.21 en 10.22 Wm een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt. Daarbij is niet van belang of de gebruiker van het perceel daadwerkelijk gebruik maakt van de gemeentelijke afvalophaaldienst.\n\n5.3.. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de gemeente Noordwijk haar inzamelplicht van huishoudelijke afvalstoffen niet nakomt. Hiertoe voert belanghebbende aan dat de gemeente Noordwijk geen mogelijkheid biedt om de huishoudelijke afvalstoffen in de nabijheid van de woning, en aldus binnen redelijke afstand tot de woning, aan te bieden. De Heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat de gemeente Noordwijk haar inzamelplicht wel nakomt.\n\n5.4.. Naar oordeel van het Hof heeft de Rechtbank juist en op goede gronden beslist dat de gemeente Noordwijk belanghebbende de gelegenheid biedt om huishoudelijke afvalstoffen aan te bieden op een plaats binnen een redelijke afstand van zijn perceel. Vast staat dat belanghebbende gebruikmaakt van het perceel. Niet in geschil is dat het door de gemeente Noordwijk aangewezen inzamelpunt de dichtst bij het perceel van belanghebbende voor het openbare rijverkeer openstaande en voor de ter plaatse gebezigde vuilniswagens toegankelijke weg is. Omdat de gemeente Noordwijk aan belanghebbende de mogelijkheid biedt om op dit punt zijn huishoudelijk afval aan te bieden, voldoet de gemeente Noordwijk aan haar inzamelplicht. De inzamelplicht omvat niet het ophalen van huishoudelijke afvalstoffen die zich op particulier terrein bevinden. Bovendien staat aan het begin van de zandweg een bord met daarop de tekst ‘eigen weg, verboden toegang Art. 461 Wetb v Strafr’. Zoals de Rechtbank terecht heeft geoordeeld geldt er geen maximale afstand (van 125 meter) van het perceel van belanghebbende tot het voornoemde inzamelpunt.\n\n5.5.. Anders dan belanghebbende stelt, heeft de gemeente Noordwijk niet de vrijheid om geen afvalstoffenheffing aan belanghebbende in rekening te brengen, al dan niet omdat belanghebbende feitelijk geen gebruik maakt van de afvalophaaldienst. Afvalstoffenheffing is op grond van de Verordening verschuldigd op grond van het gebruik van een perceel waar huishoudelijke afvalstoffen geregeld kunnen ontstaan, zoals het perceel van belanghebbende. Hierop zijn in de Verordening geen uitzonderingen gemaakt.\n\nSchending van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.\n\n5.6.. Belanghebbendes stelling dat met het opleggen van de aanslag sprake is van een schending van diverse bepalingen van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het handvest) treft geen doel. Het handvest richt zich slechts tot de lidstaten wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Met het heffen van afvalstoffenheffing brengt de gemeente Noordwijk niet het recht van de Unie tot uitvoering, zodat belanghebbende ten aanzien van die heffing geen rechten kan ontlenen aan het handvest (vgl. HvJ EU 6 maart 2014, Siragusa, C-206\u002F13, r.o. 24 e.v.).\n\nSchending Arbeidsomstandighedenwet en onrechtmatige daad\n\n5.7.. Voor zover de klachten betrekking hebben een schending van de Arbeidsomstandighedenwet is het Hof, nog daargelaten dat die wet de arbeidsomstandigheden tussen werkgever en werknemer regelt en met de afvalstoffenheffing geen verband houdt, niet bevoegd daarover een oordeel te geven. Ook ten aanzien van het verzoek van belanghebbende om een schadevergoeding in verband met een onrechtmatige daad van de gemeente Noordwijk, is de belastingrechter onbevoegd om daarover te oordelen.\n\nSlotsom\n\n5.8.. Het hoger beroep is ongegrond.\n\nProceskosten\n\nEr is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.\n\nBeslissing\n\nHet Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.\n\nDeze uitspraak is vastgesteld door M.J.M. van der Weijden, T.A. de Hek en R.M. Hermans, in tegenwoordigheid van de griffier T. van Hout.\n\nDe griffier, de voorzitter,\n\nT. van Hout M.J.M. van der Weijden\n\nDe beslissing is op 1 oktober 2025 in het openbaar uitgesproken.\n\nDeze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.\n\nAlle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\n a. - de naam en het adres van de indiener;\n\n b. - de dagtekening;\n\n c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\n d. - de gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2025:2593","2025-12-08T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:43.713Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":57,"fullText":58,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":60,"parsedAt":51,"updatedAt":61},"1676","ECLI:NL:RBDHA:2025:9392","ecli-nl-rbdha-2025-9392","2025-04-29T00:00:00.000Z","Rechtbank DEN HAAG\n\nTeam belastingrecht\n\nzaaknummer: SGR 24\u002F1072\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 april 2025 in de zaak tussen\n\n [eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels),\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nVerweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2021 een aanslag zuiveringsheffing bedrijfsruimten opgelegd.\n\nVerweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 22 december 2023 de aanslag gehandhaafd.\n\nEiseres heeft daartegen beroep ingesteld.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nEiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2025. Namens eiseres is haar gemachtigde verschenen. Namens verweerder is drs. [naam] verschenen.\n\nOverwegingen\n\nFeiten\n\n1. Aan eiseres is met dagtekening 28 februari 2021 een aanslag zuiveringsheffing bedrijfsruimten 2021 (de aanslag) ten bedrage van € 64,60 opgelegd voor het object [adres] te [plaats] (het object).\n\n2. Het object bestaat uit hallen met een kantoorgebouw.\n\nGeschil 3. In geschil is of de aanslag terecht aan eiseres is opgelegd.\n\n4. Eiseres stelt dat er geen aansluiting op het waternet was en dat daarom de aanslag ten onrechte is opgelegd.\n\n5. Verweerder stelt dat er gedurende het belastingjaar 2021 niet alleen een aansluiting maar ook waterverbruik was en dat de aanslag terecht is.\n\nBeoordeling van het geschil\n\n6. Het bezwaarschrift van eiseres tegen de aanslag bevat enkel stellingen en verzoeken omtrent de WOZ-waardering. Bij brief van 6 juli 2021 verzocht verweerder eiseres om het bezwaarschrift van een op de aanslag betrekking hebbende motivering te voorzien. De gemachtigde van eiseres heeft deze brief geretourneerd met daarop de handgeschreven toevoeging: “geen aansluiting”. Bij brief van 30 december 2021 liet verweerder weten dat volgens opgave van Dunea er in 2021 een aansluiting op naam van eiseres was, met watergebruik, en verzocht hij eiseres om een nadere motivering van het bezwaar. Daar heeft eiseres niet op gereageerd. Nadat eiseres de haar geboden gelegenheden voor een hoorzitting ongebruikt heeft gelaten, heeft verweerder het bezwaar afgewezen.\n\n7. Het beroepschrift en de verdere in de beroepsprocedure namens eiseres ingediende stukken bevatten vele stellingen die op de WOZ-waardering betrekking hebben, maar niets dat verband houdt met zuiveringsheffing. Eerst ter zitting heeft de gemachtigde naar voren gebracht dat het object in 2001 leeg stond en in verband daarmee van het water was afgesloten. Verweerder heeft daartegenover ter zitting benadrukt dat blijkens de gegevens van Dunea er in 2021 niet alleen een aansluiting was, maar ook water is verbruikt.\n\n8. In aanmerking genomen dat a priori aannemelijk dat is bij tijdelijke leegstand van een object als het onderhavige de wateraansluiting gehandhaafd blijft, alsmede gelet op de manier en de momenten waarop de gestelde afsluiting door de gemachtigde naar voren is gebracht, beoordeelt de rechtbank die stelling tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door verweerder als ongeloofwaardig. Gelet daarop moet het beroep ongegrond worden verklaard.\n\nVerzoek om vergoeding van immateriële schade\n\n9. De gemachtigde heeft in naam van eiseres verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting. Het bezwaarschrift is door verweerder ontvangen op 10 maart 2021, zodat de redelijke termijn ten tijde van het doen van deze uitspraak is overschreden. Op grond van de navolgende overwegingen is de rechtbank van oordeel dat die overschrijding geen aanleiding kan geven tot vergoeding van immateriële schade. Uit de correspondentie rond de totstandkoming van de volmacht, in het bijzonder uit de e-mail van 10 mei 2021, leidt de rechtbank af dat de machtiging door eiseres is verstrekt met het oog op de krachtens onderlinge afspraak door de gemachtigde te controleren beschikkingen WOZ en aanslagen OZB. Mede in aanmerking genomen dat verweerder in de bezwaarfase al had gewezen op het waterverbruik in 2021 acht de rechtbank niet geloofwaardig dat eiseres heeft gewild dat in haar naam een procedure werd gevoerd met als inzet dat het object in 2021 van het waternet was afgesloten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres dan ook geen spanning en frustratie ter zake van de lange duur van de procedure kunnen ondervinden.\n\nProceskosten\n\n10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Pelinck, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. B. van Eeuwijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 april 2025.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).\n\nDat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.\n\nVerder vermeldt u ten minste het volgende:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:9392","2025-05-27T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:33.001Z",{"id":63,"ecli":64,"slug":65,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":66,"fullText":67,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":68,"sourceTimestamp":69,"parsedAt":51,"updatedAt":70},"1657","ECLI:NL:RBDHA:2025:9624","ecli-nl-rbdha-2025-9624","2025-04-04T00:00:00.000Z","Rechtbank DEN HAAG\n\nTeam belastingrecht\n\nzaaknummers: SGR 23\u002F6557, SGR 23\u002F6558, SGR 23\u002F6559, SGR 23\u002F6561, SGR 23\u002F6562, SGR 23\u002F6563, SGR 23\u002F6564, SGR 23\u002F6566, SGR 23\u002F6567\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 april 2025 in de zaken tussen\n [eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels),\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de gemeente Noordwijk, verweerder.\n\nDe bestreden uitspraak op bezwaar\n\nDe uitspraak van verweerder van 4 oktober 2023 op het bezwaar van eiseres tegen na te noemen beschikking en aanslag.\n\nZitting\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2025.\n\nNamens eiseres is verschenen haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] en [naam 2] .\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart de beroepen ongegrond;\n\nwijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.\n\nOverwegingen\n\n1. Verweerder heeft bij beschikkingen van 24 februari 2023 (de beschikkingen) op grond van de Wet waardering onroerende zaken (de Wet WOZ) de waarde van acht verschillende objecten te Noordwijk vastgesteld voor het belastingjaar 2023 naar de waardepeildatum 1 januari 2022 (de waardepeildatum). Met de beschikkingen zijn in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan eiseres opgelegde aanslagen onroerende-zaakbelastingen voor het jaar 2023 (de aanslagen). Verweerder heeft de waarde van de hieronder genoemde objecten (de onroerende zaken) als volgt vastgesteld:\n\nZaaknummer\n\nObject\n\nWaarde\n\nType\n\nGrootte\n\nBouwjaar\n\nSGR 23\u002F6557\n\n [adres 1]\n\n€ 260.000\n\nBovenwoning\n\nWoning: 55 m²\n\nSchuur: 4 m²\n\n1985\n\nSGR 23\u002F6558\n\n [adres 2]\n\n€ 244.000\n\nAppartement\n\nWoning: 49 m²\n\nSchuur: 4 m²\n\n1985\n\nSGR 23\u002F6559\n\n [adres 3]\n\n€ 244.000\n\nAppartement\n\nWoning: 49 m²\n\nSchuur: 4 m²\n\n1985\n\nSGR 23\u002F6561\n\n [adres 4]\n\n€ 317.000\n\nAppartement\n\nWoning: 91 m²\n\nSchuur: 4 m²\n\n1985\n\nSGR 23\u002F6562\n\n [adres 5]\n\n€ 339.000\n\nBenedenwoning\n\nWoning: 101 m²\n\nSchuur: 4 m²\n\n1985\n\nSGR 23\u002F6563\n\n [adres 6]\n\n€ 319.000\n\nAppartement\n\nWoning: 92 m²\n\nSchuur: 4 m²\n\n1985\n\nSGR 23\u002F6564\n\n [adres 7]\n\n€ 1.341.000\n\nWinkel met opslagruimte en kelder\n\nWinkel: 400 m²\n\nOpslag: 146 m²\n\nKelder: 188 m²\n\n1963\n\nSGR 23\u002F6566\n\n [adres 8]\n\n€ 671.000\n\nWinkel met opslagruimte en kelder\n\nWinkel: 200 m²\n\nOpslag: 75 m²\n\nKelder: 42 m²\n\n1963\n\nSGR 23\u002F6567\n\n [adres 9]\n\n€ 1.108.000\n\nVrijstaande woning met aanbouw, garage en vrijstaande schuur\n\nWoning en aanbouw: 319 m²\n\nGarage: 79 m²\n\nSchuur: 18 m²\n\nGrond: 6.370 m²\n\n1975\n\n1966\n\n2. Eiseres is eigenaar van de onroerende zaken.\n\n3. In geschil zijn de waarden van de onroerende zaken op de waardepeildatum.\n\nEiseres heeft pas ter zitting de volgende waarden bepleit:\n\nObject\n\nWaarde\n\n [adres 1]\n\n€ 199.000\n\n [adres 2]\n\n€ 184.000\n\n [adres 3]\n\n€ 184.000\n\n [adres 4]\n\n€ 229.000\n\n [adres 5]\n\n€ 249.000\n\n [adres 6]\n\n€ 230.000\n\n [adres 7]\n\n€ 999.000\n\n [adres 8]\n\n€ 419.000\n\n [adres 9]\n\n€ 799.000\n\n4. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 12 april 2024toegelicht hoe de bewijslastverdeling in WOZ-zaken over de waarde, rekening houdend met het zogenoemde ‘Oostflakkee’-arrest, moet worden uitgelegd. In dit eerstgenoemde arrest stelt de Hoge Raad voorop dat de bewijslastverdeling, anders dan vaak uit het Oostflakkee-arrest wordt afgeleid (en vaak wordt aangeduid als de drietrapsraket), niets anders behelst dan het toepassen van de gewone regels van bewijslastverdeling. Dat betekent dat de rechtbank eerst beoordeelt of verweerder de vastgestelde waarde aannemelijk heeft gemaakt, bezien in het licht van de betwisting door eiseres. Als er aspecten zijn die volgens eiseres tot een lagere waardering zouden moeten leiden, is het ook aan eiseres om deze aspecten aan te dragen en aannemelijk te maken. Als verweerder er niet in slaagt om de door hem vastgestelde waarde aannemelijk te maken, dan moet de rechtbank, als eiseres een lagere waarde bepleit, beoordelen of eiseres die lagere waarde aannemelijk heeft gemaakt. Pas als beide partijen de door hen voorgestane waarde niet aannemelijk hebben gemaakt en dus niet het van hen te verlangen bewijs hebben geleverd, volgt volgens de Hoge Raad uit het Oostflakkee-arrest dat de rechter de waarde van de onroerende op een door hem gekozen grondslag mag vaststellen. De rechtbank zal de waarde van de onroerende zaken hierna dan ook op voormelde wijze beoordelen.\n\n5. De gemachtigde van eiseres heeft in zijn beroepschrift, nadere stukken en zijn zogenoemde “pinpoint”brief volstaan met een opsomming van algemene niet naar de zaken zelf geconcretiseerde beroepsgronden en een verwijzing naar het door hem ingediende bezwaarschrift. Nog afgezien van het feit dat een enkele verwijzing naar een bezwaarschrift onvoldoende is als beroepsgrond, heeft de gemachtigde in dat bezwaarschrift ook volstaan met algemene gronden en niet nader geconcretiseerd dat en in hoeverre deze algemene gronden van toepassing zijn in de onderhavige zaken.\n\n6. Door pas ter zitting zijn beroepsgronden concreet te maken, heeft de gemachtigde verweerder de kans ontnomen deze gronden te onderzoeken en een nadere toelichting of onderbouwing (met stukken) te verstrekken. Ter zitting heeft de gemachtigde voor het eerst concreet gemaakt waarom de vergelijkingsobjecten van de woningen niet goed vergelijkbaar zouden zijn en voor de twee winkelpanden gesteld dat deze ten onrechte als woning zijn gewaardeerd, de kelders van de winkelpanden ten onrechte verschillend zijn gewaardeerd en de in aftrek gebrachte coronavermindering op een te laag percentage is vastgesteld. De rechtbank acht dit in strijd met de goede procesorde en zal deze stellingen van eiseres derhalve niet betrekken in de beoordeling.De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de gemachtigde veelvuldig procedeert, met de gang van zaken tijdens een belastingprocedure bekend is en voor de late inbreng van zijn concrete standpunten desgevraagd geen afdoende verklaring heeft kunnen geven.Het ter zitting ingenomen standpunt van de gemachtigde dat de beroepsgronden in zijn stukken zijn opgenomen dan wel dat de rechtbank deze zelfstandig uit de stukken had kunnen afleiden miskent de rol van de rechtbank. De bezwaren van de gemachtigde die samenhangen met de door verweerder op 18 maart 2025 overgelegde iWOZ-rapportages voor [adres 9] worden niet buiten beschouwing gelaten, omdat van de gemachtigde redelijkerwijs niet mocht worden verwacht dat hij eerder op die rapportages zou reageren.\n\nWoningen [adres 1] [adres 2] , [adres 3] , [adres 4] , [adres 5] en [adres 6]\n\n7. De rechtbank is van oordeel dat in het licht van hetgeen eiseres heeft aangevoerd, verweerder erin is geslaagd aannemelijk te maken dat de door hem verdedigde waarden van [adres 1] , [adres 2] , [adres 3] [adres 4] , [adres 5] en [adres 6] per waardepeildatum niet te hoog zijn vastgesteld. Zoals volgt uit de waarderapporten, zijn de waarden van de woningen aan de [straatnaam] bepaald met behulp van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn. Verweerder heeft de waarden van de [adres 1] , [adres 2] en [adres 3] onderbouwd met de verkoopgegevens van de vergelijkingsobjecten [adres 10] (verkocht op 7 januari 2021 voor € 325.000), [adres 11] (verkocht op 1 maart 2022 voor € 280.500) en [adres 12] (verkocht op 27 december 2021 voor € 450.000). De waarden van de [adres 4] , [adres 5] en [adres 6] heeft verweerder onderbouwd met de verkoopgegevens van de vergelijkingsobjecten [adres 11] (verkocht op 1 maart 2022 voor € 280.500), [adres 13] (verkocht op 15 september 2022 voor € 450.000) en [adres 14] (verkocht op 29 september 2022 voor € 260.000). De rechtbank acht deze vergelijkingsobjecten gelet op het type woning, bouwjaar, de gebruiksoppervlakte en objectkenmerken voldoende vergelijkbaar. Uit de waarderapporten volgt dat verweerder rekening heeft gehouden met verschillen in primaire kenmerken (zoals bouwjaar en gebruiks- en perceeloppervlakte), secundaire kenmerken (ligging en niveau van kwaliteit, onderhoud, uitstraling, doelmatigheid en voorzieningen) en bijgebouwen tussen de vergelijkingsobjecten en de woningen in de [straatnaam] . Met de verschillen is ook in voldoende mate rekening gehouden. Eiseres heeft de door haar bepleitte waarden niet onderbouwd.\n\n [adres 9]\n\n8. De rechtbank is van oordeel dat in het licht van hetgeen eiseres heeft aangevoerd, verweerder erin is geslaagd aannemelijk te maken dat de door hem verdedigde waarde van [adres 9] per waardepeildatum niet te hoog is vastgesteld. Zoals volgt uit het waarderapport is de waarde van [adres 9] bepaald met behulp van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn, te weten [adres 15] (verkocht op 19 augustus 2022 voor € 1.050.000), [adres 16] (verkocht op 2 juni 2022 voor € 762.000) en [adres 17] (verkocht op 24 september 2021 voor € 1.345.000). De rechtbank acht deze vergelijkingsobjecten gelet op het type woning (vrijstaand), het identieke waardegebied (W053), de identieke ligging (3), bouwjaar, de gebruiksoppervlakte en objectkenmerken goed vergelijkbaar. Uit het waarderapport volgt dat verweerder rekening heeft gehouden met verschillen in primaire kenmerken (zoals bouwjaar en gebruiks- en perceeloppervlakte), secundaire kenmerken (ligging en niveau van kwaliteit, onderhoud, uitstraling, doelmatigheid en voorzieningen) en bijgebouwen tussen de vergelijkingsobjecten en [adres 9] . Met de verschillen is ook in voldoende mate rekening gehouden.\n\n9. In reactie op de door verweerder ingediende iWOZ-rapporten van de vergelijkingsobjecten voor [adres 9] heeft de gemachtigde ter zitting aangevoerd dat er verschillen bestaan in het aantal vierkante meters in de iWOZ-rapportages tussen de BAGoppervlakte en de gebruiksoppervlakte en dat er gegevens over de inhoud staan genoemd. De gemachtigde heeft vervolgens opgemerkt dat deze verschillen kunnen leiden tot een hogere of lagere waarde. De gemachtigde heeft hiermee niet aannemelijk gemaakt dat en vooral in hoeverre dit tot een waardeverschil zou moeten leiden voor [adres 9] . Verder geldt dat de gegevens in iWOZ-rapportages marktinformatie betreft afkomstig uit de verkoopadvertenties van makelaars die de inhoud en oppervlakte op andere wijze vaststellen. Die informatie is dan ook niet bepalend. Een verschil in vierkante meters tussen de in de iWOZ-rapportages opgenomen gebruiksoppervlakte en BAG oppervlakte leidt niet tot de conclusie dat de vergelijkingsobjecten ongeschikt zijn om als vergelijkingsobject te dienen.\n\n10. De ter zitting overgelegde schriftelijke toelichting van eiseres op de onderhoudstoestand en het fotomateriaal, leiden evenmin tot een ander oordeel. Uit de foto’s kan weliswaar worden afgeleid dat er (water)schade is geweest en dat er werkzaamheden hebben plaatsgevonden, maar eiseres heeft hiermee niet onderbouwd dat de volgens haar met het herstel gemoeide kosten € 30.000 bedragen. De stelling van de gemachtigde ter zitting dat eiseres een dochter van een architect is en dus precies weet hoeveel de kosten bedragen is daartoe onvoldoende. Er is ook geen offerte of factuur overgelegd waaruit deze kosten blijken en evenmin is aannemelijk geworden dat deze kosten een waardevermindering op de woning rechtvaardigen van eenzelfde bedrag.\n\nWinkelpanden [adres 7] en [adres 8]\n\n11. De rechtbank is van oordeel dat in het licht van hetgeen eiseres heeft aangevoerd, verweerder erin is geslaagd aannemelijk te maken dat de door hem verdedigde waarden van [adres 7] en [adres 8] per waardepeildatum niet te hoog zijn vastgesteld. De waarden van deze twee winkelpanden heeft verweerder bepaald met behulp van de huurwaardekapitalisatiemethode. Voor [adres 7] heeft verweerder een kapitalisatiefactor van 11,3 toegepast en is uitgegaan van huurwaarden van € 239,50 per m² (winkelruimte), € 95,80 per m² (opslag) en € 60,35 per m² (kelder). Voor [adres 8] heeft verweerder eveneens een kapitalisatiefactor van 11,3 toegepast en is uitgegaan van huurwaarden van € 250,75 per m² (winkelruimte), € 100,30 per m² (opslag) en € 70,21 per m² (kelder). Deze gegevens heeft hij gebaseerd op huurtransacties van [adres 18] (verhuurd per 15 mei 2023 voor € 34.000) en [adres 19] (verhuurd per 1 september 2020 voor € 30.000) en op een verkooptransactie van [adres 20] (verkocht op 24 januari 2022 voor € 1.235.000), winkelpanden gelegen in dezelfde straat op een A1locatie. De door verweerder gehanteerde huurwaarden voor [adres 7] en [adres 8] vallen allemaal binnen de bandbreedte van de huurwaarden van de vergelijkingsobjecten. Vanwege de Coronacrisis heeft verweerder voor [adres 7] en [adres 8] over de totale huurwaarden een coulancekorting van 2% toegepast, gebaseerd op een advies van de Waarderingskamer. Verweerder heeft de kapitalisatiefactor van [adres 7] en [adres 8] berekend aan de hand van het object [adres 18] . Tot de gedingstukken behoort een afschrift van deze berekening. Hieruit blijkt dat verweerder gebruik heeft gemaakt van een geïndexeerde transactieprijs en een onderbouwde huurwaarde. Daarmee heeft hij de gehanteerde kapitalisatiefactor in voldoende mate onderbouwd. Gelet op de gelijke ligging op een A1-locatie, heeft verweerder deze kapitalisatiefactor terecht toegepast voor [adres 7] en [adres 8] . Eiseres heeft tegen de onderbouwing geen concrete gronden aangevoerd en heeft de door haar bepleitte waarden niet onderbouwd.\n\n12. Gelet op wat hiervoor is overwogen heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat de waarden van de onroerende zaken niet te hoog zijn vastgesteld.\n\n13. Eiseres heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat, behoudens bijzondere omstandigheden, een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. De termijn hiervoor vangt aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Het bezwaarschrift is door verweerder ontvangen op 6 april 2023 en door de rechtbank is heden, op 4 april 2025, uitspraak gedaan. Dit betekent dat de redelijke termijn van twee jaar niet is overschreden. De rechtbank wijst dit verzoek daarom af.\n\n14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.A. Dirks, rechter, in aanwezigheid van mr. L.J.E. Steijvers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 april 2025.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).\n\nDat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.\n\nVerder vermeldt u ten minste het volgende:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).\n\n ECLI:NL:HR:2024:571.\n\n Hoge Raad 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4300.\n\n Vgl. Gerechtshof Den Haag 9 januari 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:111.\n\n Vgl. Gerechtshof Amsterdam 11 februari 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:475.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:9624","2025-06-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:31.982Z",{"id":72,"ecli":73,"slug":74,"caseNumber":43,"courtId":75,"decisionDate":76,"fullText":77,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":78,"sourceTimestamp":79,"parsedAt":51,"updatedAt":80},"1093","ECLI:NL:RBZWB:2025:213","ecli-nl-rbzwb-2025-213",64,"2025-01-24T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBelastingrecht\n\nzaaknummers: BRE 23\u002F10648, 23\u002F10649, 23\u002F10650, 23\u002F10651\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 januari 2025 in de zaak tussen\n \n [belanghebbende] , uit [plaats 1] , belanghebbende,\n\n(gemachtigde: mr. R.W. Jagtenberg),\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van SaBeWa, de heffingsambtenaar.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar van 21 september 2023 en 3 oktober 2023.\n\n1.1.. De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende over het jaar 2021 op één aanslagbiljet een aanslag zuiveringsheffing en een aanslag forensenbelasting opgelegd. Over het jaar 2022, heeft de heffingsambtenaar een aanslag zuiveringsheffing en een aanslag forensenbelasting opgelegd.\n\n1.2.. De heffingsambtenaar heeft de bezwaren van belanghebbende wat betreft de zuiveringsheffing voor beide jaren gegrond verklaard. Daarbij heeft de heffingsambtenaar deze aanslagen verminderd tot en berekend naar 1 vervuilingseenheid. De heffingsambtenaar heeft de bezwaren van belanghebbende wat betreft de forensenbelasting voor beide jaren ongegrond verklaard.\n\n1.3.. De rechtbank heeft de beroepen op 27 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, bijgestaan door haar gemachtigde. Namens de heffingsambtenaar heeft [naam] deelgenomen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt of de aanslagen forensenbelasting voor de jaren 2021 en 2022 terecht aan belanghebbende zijn opgelegd. Ook beoordeelt zij of de beroepen tegen de aanslagen zuiveringsheffing ontvankelijk zijn. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n2.1.. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de aanslagen forensenbelasting terecht aan belanghebbende opgelegd. De beroepen tegen de aanslagen zuiveringsheffing zijn niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nFeiten\n\n3. Belanghebbende is eigenaar van de woning aan [adres] (de woning). De woning is het ouderlijk huis van belanghebbende. Zij heeft de woning als enig erfgename en rechtsopvolgster krachtens algemene titel verkregen. Belanghebbende stond in 2021 en 2022 niet in de woning of op een ander adres in de Gemeente Terneuzen ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP).\n\nOverwegingen\n\nOntvankelijkheid van de beroepen tegen de aanslagen zuiveringsheffing\n\n4. Ter zitting heeft belanghebbende bevestigd dat de aanslagen zuiveringsheffing over de jaren 2021 en 2022, na vermindering in bezwaar, niet langer in geschil zijn. De rechtbank zal de beroepen tegen de aanslagen zuiveringsheffing niet-ontvankelijk verklaren, nu belanghebbende aangeeft niet langer enig belang bij de beroepen te hebben.Enig belang is ook in komende jaren niet te vinden.\n\nSchending hoorrecht\n\n4.1.. Belanghebbende stelt dat zij meermaals heeft verzocht om over de bezwaren te worden gehoord, maar dat dit ten onrechte achterwege is gebleven. Hierdoor is sprake van een schending van het hoorrecht, aldus belanghebbende.\n\n4.2.. De heffingsambtenaar heeft in zijn verweerschrift en ter zitting erkend dat belanghebbende gehoord had moeten worden en dit ten onrechte niet is gebeurd. De rechtbank ziet geen aanleiding om anders te oordelen. De rechtbank ziet geen aanleiding om de zaak terug te wijzen naar de heffingsambtenaar, belanghebbende heeft hierom ook niet verzocht. De rechtbank passeert het gebrek daarom met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Wel ziet de rechtbank in de schending van het hoorrecht aanleiding om de heffingsambtenaar te verplichten het griffierecht te vergoeden en de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten voor de beroepsfase.\n\nZijn de aanslagen forensenbelasting opgelegd in strijd met Europees recht?\n\n4.3.. Op grond van artikel 223, eerste lid van de Gemeentewet kan een gemeente forensenbelasting heffen. Forensenbelasting strekt ertoe om mensen die relatief veel in een gemeente verblijven of voor langere tijd een verblijfsruimte beschikbaar houden, maar geen ingezetene zijn van deze gemeente, mee te laten betalen aan voorzieningen in die gemeente. In de Verordening forensenbelasting 2021 van de gemeente Terneuzen is bepaald dat van deze wettelijke mogelijkheid gebruik wordt gemaakt.\n\nIs sprake van een toereikende wettelijke grondslag voor de heffing van forensenbelasting?\n\n4.4.. Belanghebbende stelt dat artikel 223 van de Gemeentewet een ontoereikende wettelijke grondslag biedt voor de heffing van forensenbelasting, omdat artikel 223 van de Gemeentewet in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 8 EVRM. Artikel 223 van de Gemeentewet vormt een ongerechtvaardigde inbreuk op het genot van haar eigendom en respect voor haar woning, in de zin van artikel 1 EP en artikel 8 EVRM. Artikel 223 van de gemeentewet is onvoldoende toegankelijk, precies en voorzienbaar om een gerechtvaardigde inbreuk te maken op deze rechten. Doordat verschillende gemeenten heffen en anderen niet is tevens sprake van willekeur. Daarnaast is de heffing van forensenbelasting in strijd met artikel 1 EP wegens ontbrekende proportionaliteit op zowel regelniveau als individueel niveau.\n\n4.5.. De rechtbank overweegt dat artikel 1 EP met zich meebrengt dat een inbreuk op het eigendomsrecht van artikel 1 EP door belastingheffing in beginsel wordt gerechtvaardigd door het bepaalde in het tweede lid van artikel 1 EP, dat uitdrukkelijk voorziet in een uitzondering voor – onder meer – belastingheffing. Voorts overweegt de rechtbank dat iedere maatregel die het ongestoorde genot van eigendom aantast, waaronder de heffing van belasting, een basis dient te hebben in het nationale recht, dat dit toepasselijke nationale recht voldoende toegankelijk, precies en voorzienbaar moet zijn in de uitoefening en vergezeld dient te gaan van procedurele garanties die de betrokkene een redelijke mogelijkheid biedt tot effectieve betwisting van de rechtmatigheid van die inbreuk.\n\n4.6.. \n\nDe rechtbank stelt voorop dat artikel 223 van de Gemeentewet, in samenhang met artikel 219, tweede lid, van de Gemeentewet, voorziet in de grondslag voor de bevoegdheid van een gemeente om forensenbelasting te heffen.De forensenbelasting is een directe belasting die wordt geheven van niet-ingezetenen, die door het beschikbaar houden van een woning voor minstens negentig dagen per jaar gebruik kunnen maken van gemeentelijke voorzieningen. De wettelijke grondslag voor de heffing van forensenbelasting en de daaruit voortvloeiende vrijheid van de gemeentelijke wetgever bij het bepalen van de heffingsgrondslag en van het tarief, brengt mee dat hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd niet kan leiden tot het oordeel dat het opleggen van de aanslagen forensenbelasting onverenigbaar is met artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM.\n\n Dat niet alle gemeenten gebruik maken van de wettelijke grondslag om forensenbelasting te heffen, staat er niet aan in de weg dat de gemeentelijke wetgever in Terneuzen wel van deze wettelijke grondslag gebruik maakt en forensenbelasting heft.\n\nIs sprake van proportionaliteit op regelniveau?\n\n4.7.. Artikel 1 EP brengt voorts mee dat een inbreuk op het ongestoord genot van eigendom slechts is toegestaan als er een redelijke mate van evenredigheid bestaat tussen de daartoe in het algemeen belang gebruikte middelen en het legitieme doel dat daarmee wordt nagestreefd. Dit vereist het bestaan van een redelijke verhouding (‘fair balance’) tussen het algemeen belang en de bescherming van individuele rechten. Waar het gaat om de beoordeling van wat in het algemeen belang is en de keus van de middelen om dit belang te dienen, komt aan de wetgever op het terrein van het belastingrecht een ruime beoordelingsvrijheid toe. Die marge wordt slechts overschreden als de wetgever een belastingmaatregel treft die elke redelijke grond ontbeert.\n\n4.8.. De rechtbank overweegt dat bij de beoordeling van wat in het algemeen belang is en de keus van de middelen om dit belang te dienen, aan de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid (‘wide margin of appreciation’) toekomt. Het voorzien in de algemene middelen van een gemeente door belastingheffing dient een legitiem doel in het algemeen belang. Het is – anders dan belanghebbende lijkt te verdedigen – niet vereist dat de opbrengst van de forensenbelasting een specifieke bestemming heeft en\u002Fof dat er een verband bestaat tussen de opbrengst van de belasting en de voor de gemeente verbonden kosten. Evenmin is vereist dat een verband moet bestaan tussen de mate van het profijt dat belanghebbende van gemeentelijke voorzieningen trekt enerzijds en het beloop van de door haar verschuldigde forensenbelasting.De forensenbelasting betreft immers geen doelbelasting, maar een algemene belastingheffing. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom geen sprake van een ontbrekende proportionaliteit op regelniveau.\n\nIs sprake van een individuele excessieve last?\n\n4.9.. Belanghebbende stelt dat in haar geval sprake is van een individuele excessieve last omdat sprake is van cumulatie van belastingen (forensenbelasting en onroerendezaakbelasting) en de forensenbelasting een veelvoud betreft van de geheven onroerende zaakbelasting. Ook al kunnen de forensenbelasting en onroerendezaakbelasting onafhankelijk van elkaar gezien rechtmatig zijn, leidt het gecombineerd effect van deze afzonderlijke heffingen, waarbij voor beide heffingen de waarde van de woning als grondslag wordt genomen, tot een individuele excessieve last, aldus belanghebbende.\n\n4.10.. De rechtbank overweegt dat voor het aannemen van een redelijke verhouding tussen het algemeen belang en de bescherming van individuele rechten geen sprake is indien de betrokken persoon wordt getroffen door een individuele en buitensporige last. Van een individuele buitensporige last is sprake indien en voor zover deze last zich in het geval van de belastingplichtige sterker laat voelen dan in het algemeen. Of daarvan sprake is, hangt sterk af van de feiten en omstandigheden van het geval.\n\n4.11.. De onroerendezaakbelasting, gebaseerd op artikel 220 van de Gemeentewet, wordt geheven vanwege het gebruik van een in de gemeente gelegen onroerende zaak. De forensenbelasting, gebaseerd op artikel 223 van de Gemeentewet, wordt geheven wegens het beschikbaar houden van een gemeubileerde woning, zijnde een onroerende zaak. De onroerendezaakbelasting en de forensenbelasting zijn twee verschillende belastingen met elk een eigen aard, die naast en onafhankelijk van elkaar kunnen worden geheven. Tot het heffen van beide belastingen kan de gemeenteraad zelfstandig beslissen. De tekst en de geschiedenis van de totstandkoming van de artikelen 220 en 223 van de Gemeentewet bieden geen steun voor de stelling dat de wet niet toestaat dat ten aanzien van hetzelfde object of met de waarde van hetzelfde object als maatstaf naast elkaar onroerendezaakbelasting en forensenbelasting wordt geheven. Een dergelijk verbod is evenmin vervat in of af te leiden uit enige verdragsbepaling.\n\n4.12.. Belanghebbende heeft onvoldoende feiten gesteld waaruit blijkt dat door de heffing van zowel onroerendezaakbelasting als forensenbelasting ten aanzien van hetzelfde object sprake is van individuele buitensporige last. Het enkele feit dat de geheven forensenbelasting ongeveer 8 keer meer is dan de onroerendezaakbelasting is daarvoor onvoldoende. De rechtbank merkt daarbij op dat het doel van de heffing van forensenbelasting in dit geval onbetwist is het generen van algemene middelen. Dat maakt dat de vergelijking van deze zaak met de kwestie die speelde in de uitspraak van de Hoge Raad van 13 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1178 niet opgaat. In die zaak stond immers vast dat de te heffen forensenbelasting fors was verhoogd ten behoeve van het reguleren van de woningmarkt. Gelet op voorgaande is in het geval van belanghebbende geen sprake van een individuele excessieve last.\n\nIs de aanslag forensenbelasting terecht opgelegd?\n\n4.13.. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een gemeubileerde woning, die belanghebbende op meer dan 90 dagen van het belastingjaar voor zichzelf beschikbaar houdt. Belanghebbende stelt zowel in [plaats 1] als in [plaats 2] hoofdverblijf te houden. Dat volgens de forensenbelasting maar één woning als hoofdverblijf kan worden aangemerkt, is in strijd met artikel 8 EVRM, aldus belanghebbende.\n\n4.14.. Artikel 8 EVRM geeft het recht op respect voor, onder meer, de woning van belanghebbende. Geen inmenging van het enig openbaar gezag in de uitoefening van dit recht is toegestaan anders dan bij wet voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk te achten belang van onder meer het economische welzijn van het land.\n\n4.15.. De rechtbank overweegt dat de wetgever in formele zin heeft voorzien in een wettelijke grondslag voor de heffing van forensenbelasting en de gemeentelijke wetgever heeft de heffing van forensenbelasting noodzakelijk geacht voor het economische welzijn van haar gemeente. Dat betekent dat de heffing van forensenbelasting, voor zover de heffing al een inbreuk maakt op het door artikel 8 EVRM beschermde recht, naar het oordeel van de rechtbank onder het bereik van artikel 8, tweede lid EVRM valt.\n\n4.16.. Of iemand in de gemeente hoofdverblijf heeft wordt naar de omstandigheden beoordeeld. Belanghebbende is in [plaats 1] ingeschreven in de Basisregistratie Personen. Het is dan aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat zij haar hoofdverblijf in [plaats 2] heeft. Belanghebbende is daar naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd. Zij verblijft doorgaans in haar woning in [plaats 1] en de enkele omstandigheid dat de woning in [plaats 2] haar ouderlijk huis is, is onvoldoende om aan te nemen dat de woning in [plaats 2] (ook) haar hoofdverblijf is. Dat betekent, nu niet in geschil is dat de woning gemeubileerd is en dat deze voor meer dan 90 dagen per jaar aan belanghebbende ter beschikking staat, dat aan de voorwaarden voor het heffen van forensenbelasting is voldaan.\n\n4.17.. De namens belanghebbende ter zitting naar voren gebrachte stelling dat zij na het overlijden van haar moeder, als rechtsopvolger onder algemene titel ook als inwoner van [plaats 2] moet worden beschouwd, zodat zij alleen al daarom (ook) als inwoner van [plaats 2] moet worden beschouwd, kan de rechtbank niet volgen. Zoals zowel belanghebbende als haar gemachtigde wel moeten weten, heeft de rechtsfiguur van rechtsopvolging onder algemene titel slechts effecten voor vermogensrechten.\n\n4.18.. Al het voorgaande betekent dat de aanslagen forensenbelasting over de jaren 2021 en 2022 terecht aan belanghebbende zijn opgelegd.\n\nSchadevergoeding\n\n4.19.. Belanghebbende verzoekt op grond van artikel 8:88 van de Awb vergoeding van de door hem geleden schade. Op een procedure zoals deze is artikel 8:88 van de Awb van toepassing. Op grond van dat artikel is veroordeling tot betaling van schadevergoeding alleen mogelijk als er sprake is van een onrechtmatig besluit. Naar het oordeel van de rechtbank is, nu het beroep ongegrond is, geen sprake van een onrechtmatig besluit. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de aanslagen forensenbelasting voor de jaren 2021 en 2022 gehandhaafd blijven. Omdat sprake was van een gebrek en artikel 6:22 van de Awb is toegepast, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.5.1.. Daarnaast zal de rechtbank de heffingsambtenaar veroordelen in de proceskosten die belanghebbende in beroep heeft gemaakt. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 907 per punt en een wegingsfactor 1.5, vanwege het aantal samenhangende zaken. De kosten die belanghebbende heeft gemaakt in de bezwaarfase komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat in de bezwaarfase geen sprake is geweest van beroepsmatig verleende rechtsbijstand waarvoor in het Besluit proceskostenvergoeding bestuursrecht in vergoeding wordt voorzien. Verder zijn er geen kosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen. De vergoeding bedraagt dus in totaal € 2.721. Deze vergoeding moet rechtstreeks aan belanghebbende zelf worden betaald.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart de beroepen in de zaken met nummers BRE 23\u002F10649 en BRE 23\u002F10651 niet-ontvankelijk;\n\nverklaart de beroepen in de zaken met nummers BRE 23\u002F10648 en BRE 23\u002F10650 ongegrond;\n\nveroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 2.721 aan proceskosten aan belanghebbende;\n\nbepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 50 aan belanghebbende moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van F. de Jong, griffier, op 24 januari 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.\n\n Hoge Raad 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:878, r.o. 3.4.2.\n\n Artikel 2, eerste lid, van de Verordening forensenbelasting 2021 is gelijkluidend aan artikel 223 van de Gemeentewet.\n\n Hoge Raad 4 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:648.\n\n Hoge Raad 9 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AX0678.\n\n Artikel 30a, vierde en vijfde lid van de Wet WOZ.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2025:213","2025-01-17T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:03.621Z",20,[83,11,84],2026,2024]