[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-matrimonial-property-nl-2026":3},{"detail":4,"years":197},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":195,"page":14,"limit":196},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},81,"matrimonial-property-nl","Matrimonial Property","NL","2026-07-08T16:55:03.427Z",2026,[13,15,17,19,21,24,25,27,30,32,34,36],{"month":14,"count":14},1,{"month":16,"count":14},2,{"month":18,"count":14},3,{"month":20,"count":14},4,{"month":22,"count":23},5,6,{"month":23,"count":22},{"month":26,"count":16},7,{"month":28,"count":29},8,0,{"month":31,"count":29},9,{"month":33,"count":29},10,{"month":35,"count":29},11,{"month":37,"count":29},12,[39,53,63,73,81,89,99,109,119,126,135,145,153,161,169,177,186],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"653","ECLI:NL:RBNHO:2026:7435","ecli-nl-rbnho-2026-7435","",73,"2026-07-03T00:00:00.000Z","RECHTBANKNOORD-HOLLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Alkmaar\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12142575 \\ EJ VERZ 26-97 WD\n\nBeschikking van 3 juli 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker],\n\nte [plaats 1] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoeker] ,\n\ngemachtigde: mr. P.F. Keuchenius,\n\ntegen\n\n [verweerder],\n\nte [plaats 2] ( [land] ),\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: [verweerder] ,\n\ngemachtigde: mr. E.Z. Anink.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift, met 16 producties;\n\n- het verweerschrift, met een verzoek in het incident, met 12 producties; - de brief van mr. Keuchenius met de juiste versie van productie 12; - het verweerschrift in het incident.\n\n1.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De uitgangspunten\n\n2.1.. Op [datum] 2023 is [erflater] overleden (hierna: de erflater).\n\n2.2.. De erflater was bij leven in tweede echt gehuwd met [verweerder] . Zij waren getrouwd onder huwelijkse voorwaarden. In artikel 1 van de notariële huwelijksvoorwaarden is bepaald dat de vermogensrechtelijke gevolgen van het huwelijk zullen worden bepaald door Nederlands recht, met uitzondering van het aan partijen toebehorende in Frankrijk gelegen registergoed, waarop het Franse huwelijksvermogensrecht van toepassing is verklaard.\n\n2.3.. \n [verzoeker] is de zoon van [verzoeker] uit een eerder huwelijk. Voor het overige had de erflater geen afstammelingen.2.4.. De erflater heeft ten overstaan van een Nederlandse notaris bij testament van 16 februari 2010 over zijn nalatenschap beschikt. In dit testament heeft hij, voor zover thans van belang: - bepaald dat de vererving en de wijze van afwikkeling van zijn nalatenschap zullen worden beheerst door Nederlands recht; - [verzoeker] benoemd tot enig erfgenaam; - [verweerder] benoemd tot executeur; - aan [verzoeker] gelegateerd een in [plaats 3] gelegen woning; - aan [verweerder] gelegateerd het aandeel van de erflater in de beperkte gemeenschap van inboedel, een bedrag van € 100.000,00 en het vruchtgebruik van zijn nalatenschap;\n\n2.5.. \n [verzoeker] heeft de nalatenschap van de erflater beneficiair aanvaard.\n\n2.6.. \n [verweerder] heeft haar benoeming tot executeur aanvaard en een ruimschoots verklaring afgegeven.\n\n2.7.. Tot de nalatenschap van de erflater behoren – onder meer -: - de in [plaats 3] gelegen woning; - een onverdeeld aandeel in een in Frankrijk gelegen woning; - een 100% belang in Calenus B.V. - een positief saldo bij de ING-bank - belastingschulden; - een schuld van de erflater aan Calenus B.V.3. Het verzoek en het verweer in de hoofdzaak\n\n3.1.. \n [verzoeker] verzoekt dat de kantonrechter [verweerder] ontslaat uit haar hoedanigheid van executeur en afwikkelingsbewindvoerder\n\n3.2.. \n [verweerder] voert verweer.\n\n4. Het verzoek en het verweer in het incident\n\n4.1.. \n [verweerder] verzoekt dat de kantonrechter zich niet bevoegd verklaart om van de zaak kennis te nemen.\n\n4.2.. \n [verweerder] voert daartoe, kort gezegd, als volgt aan. De laatste verblijfplaats van de erflater was gelegen in Frankijk. Dit brengt mee dat de Franse rechter bevoegd is om van de zaak kennis te nemen. Voor zover de Nederlandse rechter bevoegd is, is dat de rechter van de rechtbank Den Haag.\n\n4.3.. \n [verzoeker] voert het volgende verweer. De afwikkeling van de nalatenschap is in vele opzichten verbonden aan de Nederlandse rechtssfeer, onder meer doordat [verweerder] een Nederlandse notaris als boedelnotaris heeft benoemd, die zich in het Nederlandse boedelregister heeft laten inschrijven. Daarbij komt dat de erflater ten tijde van het opstellen en verlijden van het testament geen rekening heeft kunnen houden met de daarna ingevoerde Europese Erfrechtverordening, waar [verweerder] zich nu op beroept. Het beroep van [verweerder] op de bevoegdheid van de Franse rechter is onder deze omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. [verzoeker] verwacht dat partijen een forumkeuze overeenkomst kunnen sluiten en verzoekt hierom dat de kantonrechter een mondelinge behandeling gelast. Subsidiair verwacht [verzoeker] dat de Franse rechter zich op verzoek van [verzoeker] onbevoegd zal verklaren, omdat de Nederlandse rechter beter in staat is om uitspraak te doen over onderhavige kwestie. Daarom verzoekt [verzoeker] subsidiair dat de kantonrechter onderhavige procedure enige tijd aanhoudt.\n\n5. De beoordeling in het incident\n\n5.1.. Dit incident gaat over de vraag of de kantonrechter als Nederlandse rechter bevoegd is om van het verzoek in de hoofdzaak kennis te nemen. Deze vraag moet worden beantwoord aan de hand van de Europese Erfrechtverordening. Deze verordening is materieel van toepassing omdat de hoofdzaak betrekking heeft op de erfopvolging in nalatenschappen van overleden personen als bedoeld in artikel 1 lid 1 van de erfrechtverordening en het geschil niet ziet op de in lid 2 van voornoemd artikel voorkomende uitzonderingen. De erfrechtverordening is formeel van toepassing, omdat de erflater is overleden na 17 augustus 2015 (zie artikel 83 lid 1 van de Europese Erfrechtverordening).\n\n5.2.. De Europese Erfrechtverordening bepaalt in artikel 4 als hoofdregel dat de gerechten van de lidstaat waar de erflater op het tijdstip van overlijden zijn gewone verblijfplaats had, bevoegd zijn om uitspraak te doen over de erfopvolging in haar geheel. Toepassing van de hoofdregel zou meebrengen dat niet een in Nederland zetelende kantonrechter, maar een Franse rechter bevoegd is om van de hoofdzaak kennis te nemen. Immers, tussen partijen staat vast dat de erflater ten tijde van zijn overlijden zijn gewone verblijfplaats had in Frankrijk.\n\n5.3.. \n [verzoeker] betoogt dat in dit geval een uitzondering op voornoemde hoofdregel moet worden gemaakt. Derhalve moet de kantonrechter beoordelen of er onder de gegeven omstandigheden een uitzondering op de hoofdregel moet worden gemaakt. Anders dan [verzoeker] meent, komt bij deze beoordeling geen betekenis toe aan de eisen van redelijkheid en billijkheid. De kantonrechter gaat voorbij aan het op deze grond gevoerde verweer van [verzoeker] . Evenmin komt relevante betekenis toe aan het gegeven dat de erflater bij het verlijden van het testament de invoering van de Europese Erfrechtverordening niet heeft voorzien.\n\n5.4.. Dat partijen een forumkeuze-overeenkomst hebben gesloten als bedoeld in artikel 5 van de Europese Erfrechtverordening, is niet gebleken. De kantonrechter ziet geen aanleiding om hiertoe, zoals [verzoeker] voorstelt, een mondelinge behandeling te houden. Partijen, voorzien van professionele gemachtigden, zijn in staat een dergelijke overeenkomst te sluiten. Een mondelinge behandeling heeft in dat kader geen toegevoegde waarde.\n\n5.5.. De kantonrechter ziet wel aanleiding om, zoals subsidiair voorgesteld door [verzoeker] , de behandeling van deze zaak enige tijd aan te houden om verwijzing door een Franse rechter op grond van artikel 6 van de Europese Erfrechtverordening mogelijk te maken. Gelet op de rechtskeuze in het testament heeft de Franse rechter op grond van voornoemd artikel de mogelijkheid om zich onbevoegd te verklaren, indien deze van oordeel is dat de Nederlandse rechter beter in staat zal zijn om uitspraak te doen over de erfopvolging. Onder de gegeven omstandighedenacht de kantonrechter het niet onmogelijk dat de Franse rechter tot dit oordeel zou kunnen komen.\n\n5.6.. De kantonrechter zal deze zaak aanhouden tot maandag 5 oktober 2025. Beide partijen dienen zich uiterlijk op deze datum uit te laten over het opstarten en de voortgang van de in Frankrijk te voeren gerechtelijke procedure en de termijn waarbinnen zij verwachten dat de Franse rechter uitspraak doet over zijn bevoegdheid. Mocht de kantonrechter op basis van de berichtgeving van partijen tot het oordeel komen dat door één van beide partijen (of door allebei) in Frankrijk niet met voldoende voortvarendheid wordt geprocedeerd, zal de kantonrechter hieraan de gevolgen verbinden die hij gerade acht.\n\n5.7.. De behandeling van de hoofdzaak zal ook worden aangehouden.\n\n6. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\nin het incident6.1.. houdt de zaak aan tot maandag 5 oktober 2026 voor een akte van beide partijen over hetgeen hiervoor onder r.o. 5.6. is overwogen;\n\nin de hoofdzaak en in het incident\n\n6.2.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. J.S. Reid en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026.\n\n De kantonrechter ontleent deze opsomming aan de boedelbeschrijving die door [verweerder] is opgesteld en door [verzoeker] als productie 14 bij verzoekschrift in het geding is gebracht.\n\n VERORDENING (EU) Nr. 650\u002F2012 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring\n\n Zie 2.1. tot en met 2.7.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7435","2026-06-22T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:41.395Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":51,"updatedAt":62},"1071","ECLI:NL:RBAMS:2026:6717","ecli-nl-rbams-2026-6717",56,"2026-07-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F769715 \u002F HA ZA 25-1090\n\nVonnis van 1 juli 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [eiser 1] ,\n\nte [woonplaats 1] , 2. [eiser 2],\n\nte [woonplaats 2] ,\n\neisende partijen in conventie,\n\nverwerende partijen in reconventie,\n\nhierna te noemen: [eiser 1] en [eiser 2] (en samen [eisers] ),\n\nadvocaat: mr. M.J. Koning,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nte [woonplaats 3] ,\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nadvocaat voorheen mr. D.B. den Hartog en nu zonder advocaat.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 15 mei 2025, met producties,\n\n- de conclusie van antwoord tevens een tegenvordering (eis in reconventie), met producties,\n\n- de conclusie van antwoord in de tegenvordering (reconventie), met producties,\n\n- het tussenvonnis van 5 november 2025 waarin een mondelinge behandeling is bepaald,\n\n- de mondelinge behandeling van 25 maart 2026 waarvan een proces-verbaal is opgemaakt en\n\n- de door [eisers] op 7 april 2026 overgelegde akte met een productie en de op 18 mei 2026 door [eisers] overgelegde vertaling van die productie.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [eiser 1] en [gedaagde] zijn in Marokko met elkaar getrouwd en zij hebben drie meerderjarige kinderen. [eiser 2] is een van hun zonen. Hij is geboren op [geboortedag] 1981. De rechtbank Amsterdam heeft in oktober 2022 de echtscheiding tussen [eiser 1] en [gedaagde] uitgesproken, maar die beschikking kon niet worden ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand wegens onduidelijkheid over de huwelijksdatum en daarom zijn [eiser 1] en [gedaagde] nog met elkaar getrouwd.\n\n2.2.. Partijen zijn sinds 2005 gezamenlijk - ieder voor 1\u002F3e deel - de eigenaar van het appartement(srecht) aan de [adres 1] (hierna: het appartement). Op het appartement rust een hypothecaire geldlening. [eiser 2] heeft het appartement in 2015 verlaten en [eiser 1] in 2020. [gedaagde] woont nog in het appartement.\n\n3. Het geschil\n\nde vordering van [eisers] (conventie)\n\n3.1.. \n\n [eisers] vordert - samengevat - om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:\n\nI. de wijze van verdeling van de eenvoudige gemeenschap vast te stellen op grond van artikel 3:185 lid 2 sub c BW;\n\nII. te bepalen dat het appartementsrecht betreffende het appartement als volgt wordt verkocht:\n\na. [eisers] te machtigen om mede namens [gedaagde] opdracht te geven aan makelaar [naam] van makelaarskantoor [bedrijf] te [plaats] of, als [naam] niet beschikbaar is, aan een andere in [plaats] gevestigde makelaar, om het appartement te taxeren en te bemiddelen bij de verkoop van het appartementsrecht;\n\nb. te bepalen dat de initiële vraagprijs zal worden gesteld op de waarde volgens de taxatie, dan wel op een door de makelaar op basis van zijn\u002Fhaar kennis en ervaring verstandig geacht ander bedrag, een en ander behoudens voor zover partijen de makelaar gezamenlijk hiervan afwijkende instructies geven;\n\nc. te bepalen dat het de makelaar (steeds) gedurende het verkoopproces vrij zal staan de vraagprijs naar eigen inzicht aan te passen, behoudens voor zover partijen de makelaar gezamenlijk hiervan afwijkende instructies geven;\n\nd. te bepalen dat partijen (steeds) dienen in te stemmen met een op het appartementsrecht uitgebracht bod indien aanvaarding van dit bod naar het oordeel van de makelaar raadzaam is;\n\ne. partijen te gebieden hun voortvarende medewerking te verlenen aan het doen verlijden van de koop- en leveringsakten en de overige handelingen die nodig zijn om de verkoop en overdracht te bewerkstelligen, waaronder ook begrepen de algehele aflossing van de hypothecaire geldlening en\n\nf. te bepalen dat indien en voor zover enige partij de sub d en\u002Fof e bedoelde medewerking niet voortvarend verleent, de uitspraak van de rechtbank in de plaats treedt van de bedoelde medewerking;\n\nIII. althans subsidiair ten opzichte van het gevorderde onder II te bepalen dat het appartementsrecht zal worden verkocht en geleverd op een door de rechtbank te bepalen andere wijze;\n\nIV. te bepalen dat partijen de kosten van de makelaar en alle overige kosten verbonden aan het verkoop- en leveringsproces aan de kant van verkopers door partijen naar rato van hun aandeel in de eenvoudige gemeenschap moeten dragen;\n\nV. te bepalen dat de netto-opbrengst gelijkelijk tussen partijen wordt verdeeld;\n\nVI. [gedaagde] te verbieden het appartement of een deel daarvan aan derden in gebruik te geven of het gebruik te doen voortduren, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500,00 voor elke dag of elk dagdeel van overtreding van dit verbod, met een maximum van € 250.000,00;\n\nVII. [gedaagde] te veroordelen (ook eigen) bewoning en gebruik van het appartement binnen tien dagen na de verkoop van het appartement te doen eindigen, het appartement binnen die termijn te (doen) ontruimen en schoon te maken, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500,00 voor elke dag of elk dagdeel dat (volledige) voldoening aan deze veroordeling uitblijft, met een maximum van € 250.000,00 en\n\nVIII. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.\n\n3.2.. \n [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert primair tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] en subsidiair dat de rechtbank bepaalt dat de verdeling voor de duur van drie jaren wordt uitgesloten. Meer subsidiair voert [gedaagde] als verweer dat het appartement aan hem moet worden toegedeeld onder aftrek van een regresvordering van € 81.478,97 en een korting wegens executierisico van 10% van de marktwaarde. Uiterst subsidiair moet het appartement worden verkocht op de door [gedaagde] beschreven wijze waarbij [gedaagde] het appartement niet eerder dan na twaalf maanden na de betekening van het vonnis hoeft te ontruimen. Tot slot verzet [gedaagde] zich tegen het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van een toewijzend vonnis en moet [eisers] worden veroordeeld in de proceskosten.\n\n3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\nde tegenvordering van [gedaagde] (reconventie)\n\n3.4.. \n\n [gedaagde] vordert - samengevat - om te bepalen dat:\n\nI. [eisers] hoofdelijk is gehouden tot het betalen aan [gedaagde] van € 81.478,97, zijnde het bedrag aan door [gedaagde] betaalde eigenaarslasten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding;\n\nII. voor het geval dat de rechtbank beslist tot verkoop van de woning: het onder I gevorderde bedrag zal worden verrekend met de netto-opbrengst, voordat het restant wordt uitgekeerd aan partijen en\n\nIII. [eisers] wordt veroordeeld in de proceskosten.\n\n3.5.. \n [eisers] voert verweer. [eisers] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] , met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.\n\n3.6.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Gelet op de samenhang tussen de vorderingen van [eisers] en de tegenvorderingen van [gedaagde] worden deze samen behandeld.\n\n4.2.. De rechtbank acht het van belang om vooraf het volgende op te merken. [gedaagde] heeft nu geen advocaat en hij heeft zich tijdens de mondelinge behandeling niet laten bijstaan door een advocaat. [gedaagde] is in de gelegenheid gesteld om een advocaat te stellen en ook de rechtbank heeft moeite gedaan om ervoor te zorgen dat [gedaagde] juridische bijstand kon krijgen. Zo heeft de griffier na de mondelinge behandeling contact gezocht met mr. I.R. Feddema die in stukken van [gedaagde] wordt genoemd als mogelijke nieuwe advocaat. Mr. Feddema heeft laten weten dat zij niet als advocaat zal optreden in deze procedure. De rechtbank heeft [gedaagde] nog de gelegenheid gegeven zelf een andere advocaat te vinden, maar er heeft zich geen nieuwe advocaat gesteld. [gedaagde] wordt ook bijgestaan door een maatschappelijk werker die namens hem communiceert met de rechtbank. Ook daarvan is niets meer vernomen. Daarom moet de rechtbank afgaan op hetgeen staat in de conclusie van antwoord\u002Fde tegenvordering die de voormalig advocaten namens [gedaagde] hebben ingediend en op hetgeen [gedaagde] (in gebrekkig Nederlands) zelf tijdens de mondelinge behandeling naar voren heeft gebracht.\n\n4.3.. Hierna zal de rechtbank tot het oordeel komen dat tussen partijen een eenvoudige gemeenschap bestaat en dat de eenvoudige gemeenschap moet worden verdeeld. De woning zal moeten worden verkocht aan een derde.\n\ngeen huwelijksgoederengemeenschap\n\n4.4.. \n\nPartijen zijn allen voor een gelijk deel (1\u002F3e deel) eigenaar van het in 2005 gekochte\n\nappartement. [eiser 1] en [gedaagde] zijn op 13 juni 1980 met elkaar in Marokko\n\ngetrouwd, zo neemt de rechtbank aan. De rechtbank heeft gevraagd om een kopie van de\n\nhuwelijksakte, maar die is niet in het geding gebracht.\n\nIn de Marokkaanse akte ‘afschrift van herroeping’ die [eisers] heeft overgelegd, staat\n\nniet wanneer de datum van het huwelijk was. [eiser 1] en [gedaagde] hebben allebei\n\nverklaard dat zij op 13 juni 1980 in Marokko met elkaar zijn getrouwd. Daarvan gaat de\n\nrechtbank uit, ook omdat [eiser 2] in augustus 1981 is geboren.\n\n4.5.. \n\nWelk recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime, moet gelet op\n\nde datum van de huwelijkssluiting worden beslist door het toepassen van de\n\nconflictregels uit het Chelouche\u002F Van Leer-arrest.\n\n4.6.. \n\nBij het ontbreken van een gezamenlijke rechtskeuze van de aanstaande echtgenoten,\n\nwordt het toepasselijke recht op het huwelijksvermogensregime bepaald door de\n\ngemeenschappelijke nationaliteit op het moment van het sluiten van het huwelijk. Dat is de\n\nMarokkaanse nationaliteit en dat betekent dat Marokkaans recht van toepassing is.\n\n4.7.. Het Marokkaanse recht kent geen huwelijkse gemeenschap van goederen. Door het huwelijk als zodanig ontstaat geen gemeenschappelijk vermogen. Iedere echtgenoot behoudt wat van hem of haar is en wat hij of zij tijdens het huwelijk verkrijgt. Dit staat er niet aan in de weg dat echtgenoten goederen in gezamenlijk eigendom kunnen hebben. In dit geval hebben [eiser 1] en [gedaagde] , samen met hun zoon [eiser 2] , een appartement gekocht. De rechtbank gaat voorbij aan het betoog van [gedaagde] dat de woning valt in de huwelijksgoederengemeenschap en dat eerst die gemeenschap moet worden ontbonden voordat het appartement in een verdeling kan worden betrokken. Op de vordering van [eisers] kan dus ook worden beslist (geen niet-ontvankelijkheid).\n\n4.8.. Het appartement(srecht) en de hypotheekschuld vallen in een eenvoudige gemeenschap in de zin van artikel 3:166 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De vorderingen over de verdeling zullen worden beoordeeld aan de hand van het Nederlandse recht.\n\nde verdeling\n\n4.9.. \n [eisers] vordert dat de wijze van verdeling van het appartement wordt vastgesteld en dat wordt bepaald dat het appartement wordt verkocht. [gedaagde] is het daar niet mee eens. [gedaagde] wenst in de eerste plaats dat de verdeling voor de duur van drie jaren wordt uitgesloten (artikel 3:178 lid 3 BW) en dat als tot de verdeling wordt overgegaan het appartement aan [gedaagde] wordt toebedeeld.\n\n4.10.. Het uitgangspunt van artikel 3:178 lid 1 BW is dat iedere deelgenoot op elk moment de verdeling kan vorderen van een gemeenschappelijk goed. De rechter voor wie een vordering tot verdeling aanhangig is, kan op verlangen van een deelgenoot een of meermalen, telkens voor ten hoogste drie jaren, een vordering tot verdeling uitsluiten indien de door een onmiddellijke verdeling getroffen belangen van een of meer deelgenoten aanmerkelijk groter zijn dan de belangen die door de verdeling worden gediend.\n\n4.11.. \n [gedaagde] stelt dat de woning vanaf oktober 2005 zijn thuisbasis is en dat hij mede door sociale bindingen in de buurt emotioneel gehecht is aan de woning. Verder is sprake van een kwetsbare gezondheidssituatie en zou een gedwongen verhuizing zijn gezondheid in gevaar kunnen brengen. Gelet op de schaarste op de woningmarkt en de huurprijzen in de regio Amsterdam die afgezet tegen het bedrag van € 235,- dat [gedaagde] nu betaalt hoog is, is het zeer onzeker of [gedaagde] passende woonruimte zal kunnen vinden.\n\n4.12.. \n\nIn dit geval wegen de belangen van [eisers] bij verdeling zwaarder dan de belangen van [gedaagde] om de verdeling voor de duur van drie jaren uit te sluiten. [eisers] heeft er belang bij uit de onverdeeldheid te geraken. [eiser 1] woont nu bij haar zoon en zij heeft niet de beschikking over het vermogen dat in de woning zit. Ook [eiser 2] kan zijn vermogen nu niet aanwenden. Van hen kan niet langer worden gevergd in de onverdeelde gemeenschap te blijven. Alhoewel de rechtbank begrijpt dat [gedaagde] gehecht is aan de woning en dat hij daarin zou willen blijven wonen, maakt dat niet dat zijn belang groter is. [gedaagde] woont al sinds 2020 alleen in de woning die ten dele toebehoort aan [eisers] [gedaagde] had in ieder geval vanaf 2020 maatregelen kunnen treffen om het aandeel van [eiser 1] en [eiser 2] over te nemen of om passende vervangende woonruimte te zoeken. Hij heeft geen aanstalten gemaakt om over te gaan tot de verdeling.\n\n [gedaagde] heeft steeds te kennen gegeven dat hij de woning niet wil verlaten.\n\n [gedaagde] heeft verder niet onderbouwd dat het vinden van vervangende woonruimte niet zal lukken of dat zijn gezondheidssituatie dusdanig is dat hij niet kan verhuizen. Stukken daarover ontbreken. Verder moet ervan worden uitgegaan dat [gedaagde] na de verkoop van de woning geld ontvangt en dat hij daarmee en met zijn inkomen (AOW en pensioen) voldoende geld heeft om een andere geschikte woning te vinden.\n\n4.13.. Dit betekent dat de verdeling niet zal worden uitgesloten voor de duur van drie jaren. De rechtbank zal op grond van artikel 3:185 BW de wijze van verdeling gelasten. Die houdt in dat de woning wordt verkocht. Daarbij wordt aangesloten bij de vorderingen van [eisers] onder I, II, IV en V. De primaire vordering van [eisers] wordt toegewezen zoals hierna onder de beslissing weergegeven, zodat de rechtbank niet toekomt aan het beoordelen van de subsidiaire vordering onder III.\n\n4.14.. \n [gedaagde] heeft als verweer op de vordering een route voorgesteld voor de wijze waarop de verdeling moet plaatsvinden. [gedaagde] wordt niet in de gelegenheid gesteld om het aandeel van [eisers] in het appartement over te nemen (het appartement wordt niet aan [gedaagde] ‘toebedeeld’). [gedaagde] heeft niet aangeboden [eisers] uit te kopen en ook op geen enkele manier aangetoond dat hij dat zou kunnen. [eisers] heeft verder belang bij een spoedige verdeling van de eenvoudige gemeenschap. Daarom zal ook niet worden bepaald dat [gedaagde] niet eerder dan na twaalf maanden na betekening van het vonnis is gehouden tot het ontruimen van de woning. [gedaagde] weet dat hij in een gemeenschappelijke woning woont en dat die situatie een keer zal eindigen. Dat hij ook in de afgelopen tijd geen andere woning heeft gevonden is niet doorslaggevend, omdat hij na de verkoop in een andere financiële situatie zal verkeren. De woning heeft namelijk overwaarde.\n\n4.15.. De netto-opbrengst zal in gelijke mate tussen partijen moeten worden verdeeld. Hierna zal blijken dat [gedaagde] geen vergoedingsrecht op de eenvoudige gemeenschap heeft. Verder heeft [gedaagde] niet toegelicht waarom van de verkoopopbrengst een korting van 10% wegens executierisico in mindering moet worden gebracht. Daarmee zal geen rekening worden gehouden.\n\ngebruik woning door derden en gebruik door [gedaagde] na de verkoop\n\n4.16.. \n [eisers] vordert dat [gedaagde] (een deel van) het appartement niet in gebruik mag geven aan derden en in het geval [gedaagde] dat wel doet, hij een dwangsom moet betalen. [eiser 2] heeft verklaard dat hij ziet dat anderen in de woning verblijven als [gedaagde] in Marokko is. [gedaagde] weerspreekt dat hij de woning regelmatig aan derden in gebruik geeft. Tijdens de mondelinge behandeling heeft hij verklaard dat soms één andere persoon in het appartement is. Alhoewel onduidelijk is in welke mate derden in het appartement verblijven, heeft [gedaagde] daarmee in ieder geval te kennen gegeven dat soms een andere persoon de woning gebruikt. Op basis van de verklaring van [gedaagde] lijkt het erop dat geen sprake is van een huurovereenkomst tussen hem en een of meer anderen. Voor zover daarvan wel sprake is, is dat een beschikkingsdaad die zonder toestemming van [eisers] niet is toegestaan (artikel 3:175 BW). [eisers] heeft er belang bij dat met het oog op de verkoop van het appartement derden daarin niet verblijven. De vordering zal daarom worden toegewezen. De dwangsom zal worden gemaximeerd.\n\n4.17.. Daarnaast zal worden bepaald dat [gedaagde] de bewoning en het gebruik van het appartement drie dagen voorafgaand aan de levering van het appartement moet staken en dat hij het appartement op dat moment ontruimd en schoongemaakt moet hebben. Aan het ontruimen van de woning wordt een dwangsom verbonden, die zal worden gemaximeerd zoals in het dictum staat. [eisers] vordert dat ‘elke (d.w.z. ook eigen) bewoning en gebruik’ wordt geëindigd, maar met de toewijzing van het verbod om het appartement aan derden in gebruik te geven, heeft [eisers] geen belang bij de vordering voor zover het gaat om anderen dan [gedaagde] zelf. Daarom is de vordering enkel toewijsbaar voor zover het gaat om de bewoning en het gebruik door [gedaagde] .\n\nuitvoerbaar bij voorraad\n\n4.18.. Tot slot voert [gedaagde] verweer tegen het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van het vonnis. Volgens [gedaagde] ontbreekt de vereiste spoedeisendheid of een ander zwaarwegend belang en kan het tenuitvoerleggen van het vonnis leiden tot onherstelbare schade. Bij de beoordeling van een vordering tot het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van een vonnis, moeten de belangen van partijen tegen elkaar worden afgewogen. Het belang van [eisers] om over te gaan tot het verdelen van de eenvoudige gemeenschap weegt zwaarder dan het belang van [gedaagde] bij het behouden van de huidige toestand. Het vonnis zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.\n\nde vordering van [gedaagde]\n\n4.19.. \n [gedaagde] vordert dat [eisers] op grond van artikel 3:172 BW aan hem de met de woning verband houdende kosten moet delen. Aan hypotheekrente en aflossing is dat over de periode 2002-2025 een bedrag van € 79.884,72 en aan OZB\u002Fwaterschapslasten over de periode 2014-2025 een bedrag van € 1.594,25. De vordering van [gedaagde] wordt afgewezen. Daarvoor is het volgende van belang.\n\n4.20.. \n\nDe rechtsbetrekking tussen de deelgenoten wordt beheerst door de redelijkheid en billijkheid (artikel 3:166 BW in verbinding met artikel 6:2 BW). Uitgangspunt is dat de deelgenoten de aan de woning verbonden kosten in gelijke mate dragen. [gedaagde] betaalt geen gebruiksvergoeding, dit terwijl uit artikel 3:169 BW volgt dat de deelgenoten voor gelijke delen zijn gerechtigd tot het genot en het gebruik van een gemeenschappelijke goed. Tijdens de samenwoning heeft [eiser 1] bijgedragen aan de gezamenlijke lasten van de woning. Zij werkte en had een eigen inkomen. [eiser 1] heeft verklaard dat zij daarmee bijdroeg in de lasten. Dat heeft [gedaagde] niet concreet weersproken. Ook [eiser 2] stelt dat hij dat – voornamelijk contant – heeft gedaan. [gedaagde] heeft dat wel weersproken en [eiser 2] heeft voor zover hij per bank zou hebben betaald daarvan geen bewijs overgelegd. Ten aanzien van een verplichting tot bijdragen door [eiser 2] in de kosten van het appartement beroept hij zich op verjaring. [eiser 2] heeft de woning in 2015 verlaten. Alleen al door het eigendom zou [eiser 2] verplicht zijn om bij te dragen in de eigenaarslasten, maar hij heeft vanaf dat moment geen genot van het appartement gehad. Daartegenover zou een gebruiksvergoeding hebben moeten staan. Daarvan is geen sprake geweest. Voor dat geval beroept [eisers] zich op verrekening. Voor zover de verplichtingen ouder zijn dan vijf jaar, zijn zij verjaard. Voor zover zij jonger zijn dan vijf jaar, vallen beide verplichtingen ten aanzien van [eiser 2] tegenover elkaar weg. Tot slot betaalt [eisers] nog steeds de gemeentelijke belastingen (over de periode juni 2018 tot en met september 2025 € 1.388,75) en de verzekeringspremies (over de periode maart 2019 tot en met augustus 2025 € 1.688,20). Al deze omstandigheden maken dat [eisers] niets meer verschuldigd is aan [gedaagde] en verder dat het niet redelijk en billijk is om [eisers] bij te laten dragen in de eigenaarslasten. De tegenvordering van [gedaagde] wordt afgewezen.\n\nde proceskosten in conventie en in reconventie\n\n4.21.. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin conventie\n\n5.1.. stelt de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap als volgt vast en bepaalt dat het appartement aan de [adres 1] zal worden verkocht op de navolgende wijze:\n\n5.1.1.. machtigt [eisers] om, mede namens [gedaagde] , opdracht te geven aan makelaar [naam] van makelaarskantoor [bedrijf] te [plaats] ( [adres 2] ), althans als de heer [naam] niet beschikbaar is, aan enige andere in [plaats] gevestigde makelaar, tot bemiddeling bij de verkoop van het appartementsrecht;\n\n5.1.2.. bepaalt dat de initiële vraagprijs zal worden gesteld op de waarde volgens de taxatie, dan wel op een door de makelaar op basis van zijn\u002Fhaar kennis en ervaring verstandig geacht ander bedrag, een ander behoudens voor zover partijen gezamenlijk aan de makelaar hiervan afwijkende instructies geven;\n\n5.1.3.. bepaalt dat het de makelaar (steeds) gedurende het verkoopproces vrij zal staan de vraagprijs naar eigen inzicht aan te passen, behoudens voor zover partijen gezamenlijk aan de makelaar hiervan afwijkende instructies geven;\n\n5.1.4.. bepaalt dat partijen (steeds) dienen in te stemmen met een op het appartementsrecht uitgebracht bod indien aanvaarding van dit bod naar het oordeel van de makelaar raadzaam is;\n\n5.1.5.. gebiedt partijen hun voortvarende medewerking te verlenen aan het doen verlijden van de koop-en leveringsakten, alsmede aan alle overige handelingen die nodig zijn om de verkoop en overdracht te bewerkstelligen, waaronder ook begrepen de algehele aflossing van de hypothecaire geldlening;\n\n5.1.6.. bepaalt dat indien en voor zover enige partij de onder 5.1.4. en\u002Fof 5.1.5. bedoelde medewerking niet verleent, de uitspraak van de rechtbank in de plaats treedt van de bedoelde medewerking en wilsverklaring;\n\n5.2.. bepaalt dat partijen de kosten van de dienstverlening van de makelaar, alsmede alle overige kosten die aan verkoperszijde verbonden zijn aan het verkoop- en leveringsproces betreffende het appartementsrecht ieder voor 1\u002F3e dienen te dragen;\n\n5.3.. bepaalt dat de netto-opbrengst van de verkoop van het appartementsrecht gelijkelijk tussen partijen wordt verdeeld;5.4.. verbiedt [gedaagde] het appartement of een deel daarvan aan derden in gebruik te geven of zodanig gebruik te doen voortduren, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500,00 voor elke dag of elk dagdeel dat [gedaagde] het verbod overtreedt, met een maximum van € 100.000,00;\n\n5.5.. veroordeelt [gedaagde] de eigen bewoning en het gebruik van het appartement uiterlijk drie dagen voor de levering van het appartementsrecht te doen eindigen en het appartement op dat moment te (doen) ontruimen en schoon te maken, de ontruiming op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500,00 voor elke dag of elk dagdeel dat [gedaagde] niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 100.000,00;\n\n5.6.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.7.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nin reconventie\n\n5.8.. wijst de vorderingen af.\n\nin conventie en in reconventie\n\n5.9.. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. de Koning, rechter, bijgestaan door mr. C.E.P. Honing, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.\n\n Arrest van de Hoge Raad (HR 10 december 1976, NJ 1977, 275).\n\n De rechtbank neemt aan dat dat 2005 is, omdat de woning toen is gekocht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6717","2026-07-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:02.560Z",{"id":64,"ecli":65,"slug":66,"caseNumber":43,"courtId":67,"decisionDate":68,"fullText":69,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":70,"sourceTimestamp":71,"parsedAt":51,"updatedAt":72},"371","ECLI:NL:GHARL:2026:4253","ecli-nl-gharl-2026-4253",60,"2026-06-30T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.362.708\n\n(zaaknummer rechtbank Gelderland 436314)\n\nbeschikking van 30 juni 2026\n\ninzake\n\n [verzoeker],\n\nwonende te [woonplaats] , verzoeker in hoger beroep,\n\nverder te noemen: de man,\n\nadvocaat: mr. A.M. Beuwer,\n\nen\n\n [verweerster],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nverweerster in hoger beroep,\n\nverder te noemen: de vrouw,\n\nadvocaat: mr. E. El-Sharkawi.\n\n1. Het geding in eerste aanleg\n\nHet hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 26 september 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, hierna ook te noemen: de bestreden beschikking.\n\n2. Het geding in hoger beroep\n\n2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nhet beroepschrift met producties, ingekomen op 17 december 2025;\n\neen journaalbericht namens de man van 28 januari 2026 met producties;\n\nhet verweerschrift;\n\neen journaalbericht namens de man van 4 juni 2026 met producties;\n\neen journaalbericht namens de vrouw van 5 juni 2026 met als bijlage een begeleidende brief van diezelfde datum;\n\neen journaalbericht namens de man van 10 juni 2026 met producties;\n\neen journaalbericht namens de man van 12 juni 2026 met een productie.\n\n2.2. De hierna te noemen [kind1] heeft bij ongedateerde brief, ingekomen bij het hof op 12 juni 2026, aan het hof zijn mening kenbaar gemaakt met betrekking tot het verzoek.\n\n2.3. De mondelinge behandeling heeft op 16 juni 2026 plaatsgevonden. Aanwezig waren:\n\nde man, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk,\n\nde vrouw, bijgestaan door haar advocaat en een tolk.\n\n3. De feiten\n\n3.1. De vrouw heeft alleen de Egyptische nationaliteit. De man heeft de Egyptische en de Nederlandse nationaliteit.\n\n3.2. De man en de vrouw zijn [in] 2007 gehuwd in [plaats1] , Egypte.\n\n3.3. Zij zijn de ouders van:\n\n [kind1] , geboren [in] 2008 in [plaats1] , Egypte, en\n\n [de minderjarige2] , geboren [in] 2010 in [plaats1] , Egypte.\n\n3.4. \n [kind1] is [in] 2026 meerderjarig geworden.\n\n3.5. De vrouw heeft de rechtbank in eerste aanleg op 16 mei 2024 verzocht om:\n\nde echtscheiding tussen partijen uit te spreken;\n\nde hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw vast te stellen;\n\nde door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna ook: kinderalimentatie) vast te stellen op € 400,- per kind per maand; en\n\nde door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partneralimentatie) vast te stellen op € 1.330,- per maand.\n\n3.6. De man is in eerste aanleg niet verschenen.\n\n3.7. Op 12 februari 2025 is de hierna te noemen echtscheiding ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.\n\n4. De omvang van het geschil\n\n4.1. In de bestreden beschikking heeft de rechtbank:\n\nde echtscheiding tussen partijen uitgesproken;\n\nde partneralimentatie bepaald op € 1.330,- per maand vanaf de dag dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;\n\nde hoofdverblijfplaats van de dan nog beide minderjarige kinderen bij de vrouw bepaald;\n\nde kinderalimentatie bepaald op € 400,- per kind per maand met ingang van de datum van de beschikking.\n\n4.2. De man is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De man verzoekt het hof:\n\nprimair: de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen dan wel al haar verzoeken af te wijzen; dan wel\n\nsubsidiair: die beschikking te vernietigen ten aanzien van de daarin vastgestelde kinder- en partneralimentatie en, opnieuw beschikkende, deze bijdragen vast te stellen als het hof juist oordeelt en wel met ingang van de datum van de door het hof te wijzen beschikking;\n\nmet compensatie van de kosten in die zin dat elk van partijen zijn eigen kosten draagt.\n\n4.3. De vrouw voert verweer. De vrouw vraagt het hof om:\n\nprimair: het verzoek in hoger beroep van de man af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen;\n\nsubsidiair: de bestreden beschikking te bekrachtigen ten aanzien van de daarin uitgesproken echtscheiding en de vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw; en\n\nbij nieuwe beschikking een kinder- en partneralimentatie vast te stellen als het hof juist oordeelt en wel met ingang van (primair) 1 oktober 2024 dan wel met ingang van (subsidiair) 17 december 2025.\n\n4.4. Bij beschikking van 17 maart 2026 heeft het hof geoordeeld dat de man tijdig hoger beroep heeft ingesteld van de bestreden beschikking en hem ontvankelijk verklaard in zijn verzoek in hoger beroep.\n\n5. De motivering van de beslissing\n\nEchtscheiding\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\n5.1. Partijen zijn in Egypte met elkaar gehuwd. Daardoor heeft deze zaak een internationaal karakter en dient het hof ambtshalve de rechtsmacht te onderzoeken.\n\n5.2. Omdat het verzoek tot echtscheiding is ingediend na 1 augustus 2022, dient de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter in dit geval beoordeeld te worden volgens de bevoegdheidsregels van de Verordening Brussel II-ter (nr. 2019\u002F1111). Op grond van artikel 3, aanhef en onder a sub v Brussel II-ter heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht, omdat partijen de gewone verblijfplaats in Nederland hebben en de man sinds 1995 in Nederland woont.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\n5.3. In het kader van de echtscheiding moet eerst worden vastgesteld of de echtscheiding in Egypte kan worden erkend in Nederland.\n\n5.4. Artikel 10:57 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt, voor zover hier van belang, in het eerste lid dat een in het buitenland na een behoorlijke rechtspleging verkregen ontbinding van het huwelijk in Nederland wordt erkend, indien zij tot stand is gekomen door de beslissing van een rechter (of een andere autoriteit) en indien aan die rechter (of die andere autoriteit) daartoe rechtsmacht toekwam. Voor de toepassing van artikel 10:57 BW is dus vereist dat de ontbinding van het huwelijk tot stand is gekomen door een beslissing van een rechter en constitutief is, nadat een behoorlijke rechtspleging heeft plaatsgevonden. De ontbinding van het huwelijk van partijen is niet tot stand gekomen door de uitspraak van de rechtbank na een behoorlijke rechtspleging. In plaats van die ontbinding uit te spreken, heeft de rechtbank immers vastgesteld dat de echtscheiding op 21 september 2012 heeft plaatsgevonden door de eenzijdige verklaring van de man. Van hoor en wederhoor is dan ook geen sprake geweest. De uitspraak van de rechtbank is daarmee niet constitutief voor de ontbinding van het huwelijk, maar declaratoir van aard omdat wordt vastgesteld dat de “retourneerbare” echtscheiding heeft plaatsgevonden. De wilsverklaring van de man heeft de ontbinding van het huwelijk teweeg gebracht, niet de beslissing van de rechter. Op de erkenning van een ontbinding van een huwelijk door een eenzijdige verklaring van een der echtgenoten is artikel 10:58 BW van toepassing.\n\n5.5. In artikel 10:58 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is te lezen dat een ontbinding van het huwelijk in het buitenland, die uitsluitend door een eenzijdige verklaring van een der echtgenoten is tot stand gekomen, erkend wordt indien:\n\nde ontbinding in deze vorm overeenstemt met een nationaal recht van de echtgenoot, die het huwelijk eenzijdig heeft ontbonden;\n\nde ontbinding in de staat waar zij geschiedde rechtsgevolg heeft; en\n\nduidelijk blijkt dat de andere echtgenoot uitdrukkelijk of stilzwijgend met de ontbinding heeft ingestemd dan wel daarin heeft berust.\n\n5.6. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de vrouw nader toegelicht dat de vrouw erkent dat de echtscheiding in Egypte rechtsgeldig tot stand is gekomen en dat deze echtscheiding in Egypte ook rechtsgevolg heeft. Echter, omdat sprake is van een eenzijdige verstoting (een recht van de man) kan deze echtscheiding niet worden erkend in Nederland. Nederland kent deze vorm van echtscheiding immers niet. Bovendien heeft de vrouw niet met de inschrijving van de echtscheiding ingestemd en heeft zij ook niet stilzwijgend ingestemd met de echtscheiding.\n\n5.7. Het hof is van oordeel dat voldaan is aan sub a en sub b van artikel 10:58 BW. De man had ten tijde van de ontbinding van het huwelijk in Egypte zowel de Egyptische als de Nederlandse nationaliteit. De ontbinding stemt overeen met het Egyptisch recht, terwijl de ontbinding in Egypte ook rechtsgevolg heeft. Daarover verschillen partijen ook niet van mening. Het hof dient daarom nog te beoordelen of uit de door partijen geschetste omstandigheden blijkt dat de vrouw stilzwijgend met de ontbinding heeft ingestemd dan wel daarin heeft berust (sub c). Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend en legt deze beslissing hierna uit.\n\n5.8. Het hof overweegt allereerst dat uit de door de man overgelegde productie 26 (bij journaalbericht van 10 juni 2026) blijkt dat de vrouw in 2007 en 2017 identiteitsbewijzen heeft aangevraagd. In 2007 stond op dit identiteitsbewijs dat de vrouw getrouwd was met de man, terwijl in 2017 dit niet meer op het identiteitsbewijs stond vermeld. Daarbij komt dat de vrouw tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft verklaard dat zij geen verblijfsvergunning voor Nederland heeft gekregen in het kader van gezinshereniging met de man, maar op grond van verblijf bij een minderjarig kind (op grond van het Chavez-Vilchez-arrest). De vrouw kon ook niet naar Nederland komen op grond van gezinshereniging, omdat de man in Nederland inmiddels opnieuw was gehuwd en zij bovendien toestemming had moeten vragen aan de man om naar Nederland te komen. Hieruit volgt dat de vrouw er in Egypte naar heeft gehandeld dat zij van de man is gescheiden. Partijen hebben ook sinds de echtscheiding in 2012 geen rechtstreeks contact meer met elkaar gehad. Verder is van belang dat de families van partijen hebben bemiddeld om ervoor te zorgen dat de man zou bijdragen in de kosten van de kinderen. De vrouw heeft verder ter zitting verklaard dat zij wist dat er een echtscheiding was. Voor zover de vrouw tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat een tante tegen haar heeft gezegd dat de echtscheiding van de man in het belang van de kinderen was teruggedraaid, overweegt het hof dat de vrouw dit op geen enkele wijze nader heeft onderbouwd, zodat het hof hieraan voorbij gaat. Het hof is in het licht van de voorgaande van oordeel dat de vrouw heeft berust in de echtscheiding in Egypte.\n\n5.9. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de ontbinding van het huwelijk van partijen in 2012 in Egypte in Nederland wordt erkend. De vrouw kan dus niet opnieuw vragen om de echtscheiding tussen partijen uit te spreken en moet niet-ontvankelijk worden verklaard in dit verzoek.\n\nKinder- en partneralimentatie\n\n5.10. Het hof overweegt dat de omstandigheid dat de vrouw niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar verzoek tot echtscheiding er niet aan in de weg staat om de door de vrouw verzochte nevenvoorzieningen te beoordelen. De vrouw hoeft hiervoor geen afzonderlijke procedure te starten. Het hof weegt hierbij mee dat zowel de man als de vrouw standpunten hebben ingenomen over de kinder- en partneralimentatie en dat zij deze standpunten tijdens de mondelinge behandeling nader hebben kunnen toelichten.\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\n5.11. Aangezien de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om kennis te nemen van het verzoek tot echtscheiding, heeft de Nederlandse rechter op grond van artikel 3, aanhef en onder c, Alimentatieverordening (Verordening (EG) nr. 4\u002F2009) ook rechtsmacht wat betreft het verzoek betreffende de partneralimentatie, omdat dit een nevenverzoek is dat verbonden is met het echtscheidingsverzoek en de echtscheidingsbevoegdheid van de Nederlandse rechter niet uitsluitend op de nationaliteit van een der partijen berust.\n\n5.12. De toepasselijkheid van het Nederlandse recht is ook hier niet in geschil, zodat het hof daarvan zal uitgaan.\n\nPartneralimentatie\n\n5.13. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de vrouw verklaard afstand te doen van haar recht op partneralimentatie. Het hof ziet daarom aanleiding om de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie vast te stellen op hetgeen door hem tot 16 juni 2026 is betaald.\n\nKinderalimentatie\n\n5.14. De vrouw heeft in eerste aanleg verzocht kinderalimentatie vast te stellen. De man is in eerste aanleg niet verschenen. Daarop heeft de rechtbank een door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie vastgesteld.\n\n5.15. De man voert in hoger beroep aan dat de vrouw de behoefte van de kinderen en haar draagkracht om in die behoefte bij te dragen niet heeft onderbouwd, zodat dit verzoek moet worden afgewezen.\n\n5.16. Het hof overweegt dat de vrouw - ondanks haar toezegging hiertoe - op geen enkele wijze inzage heeft gegeven in de behoefte van de kinderen en haar mogelijkheid om in deze behoefte bij te dragen. De vrouw heeft niet alleen nagelaten de hoogte van de behoefte van de kinderen te becijferen, maar zij heeft ook nagelaten om enig financieel stuk over te leggen. Dit terwijl de man wel inzage heeft gegeven in zijn inkomen en de vrouw nu zelf aanvoert dat zij in deeltijd werkt en inkomen uit arbeid heeft. De man heeft in hoger beroep wel verzocht om financiële gegevens van de vrouw. Het voorgaande klemt temeer nu de vrouw kennelijk langdurig in staat is geweest om zelf in de behoefte van de kinderen te voorzien. Weliswaar heeft de man gedurende een periode € 150,- per maand aan de vrouw voldaan, maar deze bijdrage was niet alleen ten titel van kinderalimentatie. De man betaalde hiermee ook de kosten van de huishouding. Daar komt bij dat tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep niet duidelijk is geworden over welke periode de man deze bijdrage heeft voldaan. Gelet op het vorenstaande wijst het hof het verzoek van de vrouw om kinderalimentatie vast te stellen af, omdat dit verzoek onvoldoende is onderbouwd.\n\n6. De slotsom\n\n6.1. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de vrouw niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek tot echtscheiding. Daarnaast zal het hof beslissen over de verzoeken over de kinder- en partneralimentatie als hierna te melden.\n\n6.2. Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt.\n\n7. De beslissing\n\nHet hof, beschikkende in hoger beroep:\n\nvernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 26 september 2024 en opnieuw beschikkende:\n\nverklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek tot echtscheiding;\n\nwijst af het verzoek van de vrouw om een bijdrage vast te stellen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen;\n\nwijst af het verzoek van de vrouw om een bijdrage vast te stellen in de kosten van haar levensonderhoud, met dien verstande dat de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud wordt bepaald op hetgeen de man tot 16 juni 2026 heeft voldaan;\n\nverklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\ncompenseert de kosten van het geding in hoger beroep;\n\nwijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, D.J.M. van de Voort en A.T. Bol, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, en is op 30 juni 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4253","2026-06-29T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:26.489Z",{"id":74,"ecli":75,"slug":76,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":77,"fullText":78,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":79,"sourceTimestamp":71,"parsedAt":51,"updatedAt":80},"858","ECLI:NL:GHAMS:2026:1704","ecli-nl-ghams-2026-1704","2026-06-16T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nafdeling civiel recht en belastingrecht, team I\n\nzaaknummer : 200.308.779\u002F01\n\nzaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : 9162043 EL 21-56\n\narrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 16 juni 2026\n\ninzake\n\n [appellant 1],\n\nwonend te [plaats 1] , gemeente [plaats 2] ,\n\nappellant,\n\nadvocaat: mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam,\n\ntegen\n\nDEXIA NEDERLAND B.V.,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\ngeïntimeerde,\n\nadvocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,\n\nPartijen worden hierna afnemer en Dexia genoemd.\n\n1. De zaak in het kort\n\nAfnemer is een of meer effectenleaseovereenkomsten aangegaan met Dexia. De echtgenote van afnemer heeft deze effectenleaseovereenkomsten met een beroep op artikelen 1:88 en 1:89 Burgerlijk Wetboek (BW) vernietigd. In dit hoger beroep behandelt het hof de vraag of de vordering uit onverschuldigde betaling die voortvloeit uit de vernietiging is verjaard.\n\n2. Het geding in hoger beroep\n\nDexia is bij dagvaarding van 23 februari 2022 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 25 november 2021, onder bovengenoemd zaak- en rolnummer gewezen tussen afnemer als eiser en Dexia als gedaagde.\n\nPartijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:\n\n- memorie van grieven, met producties;\n\n- memorie van antwoord, met productie;\n\n- akte uitlating afnemer, met producties;\n\n- antwoordakte Dexia.\n\nPartijen hebben geconcludeerd zoals verwoord in de processtukken.\n\nTen slotte is arrest gevraagd.\n\n3. Feiten\n\nDe kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2. vastgesteld van welke feiten is uitgegaan. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil, zodat ook het hof deze feiten als vaststaand zal aannemen. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten, komen de feiten neer op het volgende.\n\n3.1.. Afnemer heeft met een rechtsvoorgangster van Dexia onderstaande effectenleaseovereenkomsten gesloten (hierna: de effectenleaseovereenkomsten). De effectenleaseovereenkomsten zijn op enig moment geëindigd, waarna Dexia de eindafrekeningen heeft opgesteld. De relevante gegevens van de effectenleaseovereenkomsten zijn als volgt:\n\nNr.\n\nContractnummer\n\nDatum\n\nNaam\n\nLooptijd\n\nEindafrekening\n\nResultaat\n\n1.\n\n [nummer 1]\n\n18-1-2001\n\n21-1-2004\n\nWinstVerDriedubbelaar\n\nVerlenging\n\n36 mnd\n\n36 mnd\n\n16-1-2007\n\n-\u002F- € 6.147,98\n\n2.\n\n [nummer 2]\n\n18-1-2001\n\n21-1-2004\n\nWinstVerDriedubbelaar\n\nVerlenging\n\n36 mnd\n\n36 mnd\n\n16-1-2007\n\n-\u002F- € 8.891,07\n\n3.2.. De echtgenote van afnemer (hierna: de echtgenote) heeft afnemer geen (schriftelijke) toestemming verleend voor het aangaan van de effectenleaseovereenkomsten.\n\n3.3.. Bij brief van 9 juni 2006 aan Dexia (hierna: de vernietigingsbrief) heeft de echtgenote met een beroep op artikel 1:89 BW in samenhang met artikel 1:88 BW de effectenleaseovereenkomsten vernietigd.\n\n4. Beoordeling\n\n4.1.. Bij beschikking van 25 januari 2007 (ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033) heeft dit hof op de voet van artikel 7:907 lid 1 BW een overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard voor de kring van gerechtigden als bedoeld in artikel 2 van de WCAM-overeenkomst, inhoudende een algemene regeling voor de afwikkeling van effectenleaseovereenkomsten. Afnemer en de echtgenote hebben tijdig een opt out-verklaring uitgebracht, zodat deze WCAM-overeenkomst hen niet bindt.\n\n4.2.. Het staat in hoger beroep niet ter discussie dat de onderhavige effectenleaseovereenkomsten op grond van artikel 1:89 BW zijn vernietigd.\n\n4.3.. De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis in rov. 5.8 overwogen dat afnemer geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij de verjaring van de rechtsvordering uit onverschuldigde betaling na 2012 heeft gestuit, zodat de vordering is verjaard. Afnemer voert aan dat hij de verjaring wel tijdig heeft gestuit. Het hof overweegt als volgt.\n\n4.4.. De verjaringstermijn van een vordering uit onverschuldigde betaling bedraagt vijf jaar nadat de schuldeiser zowel met het bestaan van de vordering als de persoon van de ontvanger bekend is geworden (artikel 3:309 BW). De effectenleaseovereenkomsten zijn op 9 juni 2006 buitengerechtelijk vernietigd door de echtgenote en de op dat moment aanhangige, hiervoor genoemde collectieve actie heeft de verjaring van de vordering uit onverschuldigde betaling van de echtgenote gestuit tot zes maanden nadat dit hof in zijn beschikking van 25 januari 2007 de WCAM-overeenkomst verbindend heeft verklaard, dus tot en met 25 juli 2007 (HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3018 en HR 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:936).\n\n4.5.. Afnemer betoogt in hoger beroep dat de verjaring is gestuit door de brieven van 24 januari 2012 en 27 oktober 2016 die Leaseproces namens al haar cliënten, waaronder afnemer, aan Dexia heeft gestuurd. Dexia stelt dat uit de brieven onvoldoende blijkt welk recht op nakoming wordt voorbehouden en waartegen zij zich eventueel heeft te verweren. Voorts voert Dexia aan dat zij nooit een sommatiebrief ten aanzien van de vorderingen van afnemer heeft ontvangen.\n\n4.6.. Ten aanzien van de brieven van 24 januari 2012 en 27 oktober 2016 heeft dit hof reeds als volgt geoordeeld (hof Amsterdam 15 oktober 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:3735, rov. 2.4):\n\n“(…)\n\nDe brief van 24 januari 2012 luidt, voor zover van belang, als volgt:\n\n“Namens de op de bijgesloten lijsten A en B vermelde personen berichten wij u dat zij hun vorderingen op Dexia onverkort handhaven en dat deze brief met bijlagen bedoeld is om de verjaring van deze vorderingen, voor zover nodig, te stuiten. Dit geldt ook voor de vorderingen van de eega’s (…) van de op deze lijst vermelde personen uit hoofde van de artikelen 1:88 en 1:89 BW.”\n\nDexia brengt daartegen in dat genoemde brieven dermate algemeen van aard zijn dat daaruit geenszins kan worden afgeleid welke specifieke vordering Leaseproces namens haar cliënten wenst te stuiten en dat [Y] niet in de bijlagen staat.\n\nVoor zover Dexia met dit betoog het oog heeft op de vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling wegens de door [Y] ingeroepen buitengerechtelijke vernietiging, overweegt het hof dat in de brief van 24 januari 2012 deze bevoegdheid uitdrukkelijk wordt vermeld. Dit geldt eveneens voor de brief van 27 oktober 2016 die op dit punt gelijkluidend is. Het bestaan van en de inhoud van deze brieven heeft Dexia niet weersproken. Anders dan Dexia nog heeft betoogd, is het hof van oordeel dat met de verwijzing in de brieven naar de eega’s van de op de bijgesloten lijsten vermelde personen, hier: [X], wel aan de eisen van artikel 3:317 BW is voldaan.”\n\nHet hof blijft bij dit oordeel. Dexia heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd die het hof aanleiding geven om hiervan terug te komen. Dexia betwist ook niet dat afnemer staat vermeld op de lijsten die behoren bij de brieven van 24 januari 2012 en 27 oktober 2016. Door het feit dat de effectenleaseovereenkomsten met een beroep op artikelen 1:88 en 89 BW zijn vernietigd behoorde het voor Dexia redelijkerwijs duidelijk te zijn dat afnemer (dan wel de echtgenote) op enig moment een vordering pretendeerde tot terugbetaling van al hetgeen uit hoofde van de effectenleaseovereenkomsten is betaald.\n\n4.7.. Uit het vorenstaande volgt dat de verjaring van de vordering uit onverschuldigde betaling tijdig is gestuit, zodat het verjaringsverweer van Dexia wordt verworpen. Dit betekent dat de effectenleaseovereenkomsten zijn vernietigd en dat Dexia gehouden is tot terugbetaling van al hetgeen aan haar uit hoofde van de effectenleaseovereenkomsten is betaald.\n\nSlotsom\n\n4.8.. Uit het voorgaande volgt dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd.\n\n4.9.. Dexia is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof stelt deze kosten als volgt vast:\n\nkosten dagvaarding € 131,18\n\ngriffierecht € 783,00\n\nsalaris advocaat € 1.935,00(tarief II, 1,5 punt)\n\ntotaal € 2.849,18\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nvernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;\n\nen opnieuw recht doende:\n\nverklaart voor recht dat de effectenleaseovereenkomsten zoals bedoeld in 3.1 zijn vernietigd;\n\nveroordeelt Dexia tot terugbetaling aan afnemer van al hetgeen afnemer uit hoofde van de effectenleaseovereenkomsten aan Dexia heeft betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente telkens vanaf de dag van betaling tot aan de dag van algehele voldoening;\n\nveroordeelt Dexia in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van afnemer begroot op € 2.849,18 en op € 189,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt;\n\nverklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. L. Alwin, W.J.J. Los en R.M. de Winter en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1704","2026-07-13T00:28:51.592Z",{"id":82,"ecli":83,"slug":84,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":77,"fullText":85,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":86,"sourceTimestamp":87,"parsedAt":51,"updatedAt":88},"855","ECLI:NL:GHAMS:2026:1859","ecli-nl-ghams-2026-1859","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nafdeling civiel recht en belastingrecht, team I\n\nzaaknummer : 200.312.704\u002F01\n\nzaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : 9508348 EL 21-271\n\narrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 16 juni 2026\n\ninzake\n\nDEXIA NEDERLAND B.V.,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\nappellante,\n\nadvocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,\n\ntegen\n\n [geïntimeerde],\n\nwonend te [plaats] ,\n\ngeïntimeerde,\n\nadvocaat: mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam.\n\nPartijen worden hierna Dexia en de echtgenote genoemd.\n\n1. De zaak in het kort\n\nDe afnemer is een of meer effectenleaseovereenkomsten aangegaan met Dexia. De echtgenote van de afnemer heeft deze effectenleaseovereenkomst(en) met een beroep op artikelen 1:88 en 1:89 Burgerlijk Wetboek (BW) vernietigd. In dit hoger beroep behandelt het hof onder meer de vraag of Leaseproces bevoegd was om namens de echtgenote de verjaring te stuiten van de vordering uit onverschuldigde betaling die voortvloeit uit de vernietiging.\n\n2. Het geding in hoger beroep\n\nDexia is bij dagvaarding van 2 juni 2022 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 17 maart 2022, onder bovengenoemd zaak- en rolnummer gewezen tussen de echtgenote als eiseres en Dexia als gedaagde.\n\nPartijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:\n\n- memorie van grieven, met productie;\n\n- memorie van antwoord, met producties;\n\n- akte uitlaten producties, met productie.\n\nPartijen hebben geconcludeerd zoals verwoord in de processtukken.\n\nTen slotte is arrest gevraagd.\n\n3. Feiten\n\nDe kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2. vastgesteld van welke feiten is uitgegaan. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil, zodat ook het hof deze feiten als vaststaand zal aannemen. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten, komen de feiten neer op het volgende.\n\n3.1.. De afnemer heeft met een rechtsvoorgangster van Dexia onderstaande effectenleaseovereenkomsten gesloten (hierna: de effectenleaseovereenkomsten). De effectenleaseovereenkomsten zijn op enig moment geëindigd, waarna Dexia de eindafrekeningen heeft opgesteld. De relevante gegevens van de effectenleaseovereenkomsten zijn als volgt:\n\nNr.\n\nContractnummer\n\nDatum\n\nNaam\n\nLooptijd\n\nEindafrekening\n\nResultaat\n\n1.\n\n [nummer 1]\n\n31-3-2000\n\nLegio BespaarPlan\n\n60 mnd\n\n30-3-2005\n\n-\u002F- € 3.648,68\n\n2.\n\n [nummer 2]\n\n18-5-2000\n\nWinstVerDriedubbelaar\n\n36 mnd\n\n19-5-2003\n\n-\u002F- € 21.903,12\n\n3.2.. De echtgenote, met wie de afnemer ten tijde van het aangaan van de effectenleaseovereenkomsten was gehuwd, heeft de afnemer geen (schriftelijke) toestemming verleend voor het aangaan van de effectenleaseovereenkomsten.\n\n3.3.. Bij brief van 21 december 2005 aan Dexia dan wel bij brief die door Dexia op 30 maart 2006 is ontvangen (hierna: de vernietigingsbrieven) heeft de echtgenote met een beroep op artikel 1:89 BW in samenhang met artikel 1:88 BW de effectenleaseovereenkomsten vernietigd.\n\n4. Beoordeling\n\n4.1.. Bij beschikking van 25 januari 2007 (ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033) heeft dit hof op de voet van artikel 7:907 lid 1 BW een overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard voor de kring van gerechtigden als bedoeld in artikel 2 van de WCAM-overeenkomst, inhoudende een algemene regeling voor de afwikkeling van effectenleaseovereenkomsten. De afnemer en de echtgenote hebben tijdig een opt out-verklaring uitgebracht, zodat deze WCAM-overeenkomst hen niet bindt.\n\n4.2.. Het staat in hoger beroep niet ter discussie dat de onderhavige effectenleaseovereenkomsten op grond van artikel 1:89 BW zijn vernietigd.\n\n4.3.. Dexia doet een beroep op de verjaring van de rechtsvordering van de echtgenote uit onverschuldigde betaling. Dexia stelt dat zij na vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten dan wel na het uitbrengen van de opt out-verklaring in 2007 niets meer van de echtgenote vernomen heeft. De echtgenote voert aan dat zij de verjaring tijdig heeft gestuit. Het hof overweegt als volgt.\n\n4.4.. De verjaringstermijn van een vordering uit onverschuldigde betaling bedraagt vijf jaar nadat de schuldeiser zowel met het bestaan van de vordering als de persoon van de ontvanger bekend is geworden (artikel 3:309 BW). De effectenleaseovereenkomsten zijn op 21 december 2005 dan wel 30 maart 2006 buitengerechtelijk vernietigd door de echtgenote en de op dat moment aanhangige, hiervoor genoemde collectieve actie heeft de verjaring van de vordering uit onverschuldigde betaling van de echtgenote gestuit tot zes maanden nadat dit hof in zijn beschikking van 25 januari 2007 de WCAM-overeenkomst verbindend heeft verklaard, dus tot en met 25 juli 2007 (HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3018 en HR 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:936).\n\n4.5.. De echtgenote betoogt dat de verjaring is gestuit door onder meer de brieven van 24 januari 2012, 27 oktober 2016 en 20 januari 2017 die Leaseproces namens al haar cliënten, waaronder de afnemer, en de echtgenoten van de betreffende cliënten, waaronder de echtgenote, aan Dexia heeft gestuurd.\n\n4.6.. Ten aanzien van de brieven van 24 januari 2012 en 27 oktober 2016 heeft dit hof reeds als volgt geoordeeld (hof Amsterdam 15 oktober 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:3735, rov. 2.4):\n\n“(…)\n\nDe brief van 24 januari 2012 luidt, voor zover van belang, als volgt:\n\n“Namens de op de bijgesloten lijsten A en B vermelde personen berichten wij u dat zij hun vorderingen op Dexia onverkort handhaven en dat deze brief met bijlagen bedoeld is om de verjaring van deze vorderingen, voor zover nodig, te stuiten. Dit geldt ook voor de vorderingen van de eega’s (…) van de op deze lijst vermelde personen uit hoofde van de artikelen 1:88 en 1:89 BW.”\n\nDexia brengt daartegen in dat genoemde brieven dermate algemeen van aard zijn dat daaruit geenszins kan worden afgeleid welke specifieke vordering Leaseproces namens haar cliënten wenst te stuiten en dat [Y] niet in de bijlagen staat.\n\nVoor zover Dexia met dit betoog het oog heeft op de vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling wegens de door [Y] ingeroepen buitengerechtelijke vernietiging, overweegt het hof dat in de brief van 24 januari 2012 deze bevoegdheid uitdrukkelijk wordt vermeld. Dit geldt eveneens voor de brief van 27 oktober 2016 die op dit punt gelijkluidend is. Het bestaan van en de inhoud van deze brieven heeft Dexia niet weersproken. Anders dan Dexia nog heeft betoogd, is het hof van oordeel dat met de verwijzing in de brieven naar de eega’s van de op de bijgesloten lijsten vermelde personen, hier: [X], wel aan de eisen van artikel 3:317 BW is voldaan.”\n\nHet hof blijft bij dit oordeel. Dexia heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd die het hof aanleiding geven om hiervan terug te komen. Dit betekent dat het hof ervan uitgaat dat deze brieven ook zien op de echtgenote, nu Dexia niet betwist dat de afnemer staat vermeld op de lijsten die behoren bij de brieven van 24 januari 2012 en 27 oktober 2016.\n\n4.7.. Dexia betwist voorts dat Leaseproces gemachtigd was om namens de echtgenote enige verjaring te stuiten. Dexia voert in dat verband aan dat de brieven van 17 en 27 oktober 2016 op grond van artikel 3:71 BW geen rechtsgevolg hebben gehad. Op grond van dat artikel kunnen verklaringen die een gevolmachtigde heeft afgelegd, door de wederpartij als ongeldig van de hand worden gewezen, indien zij de gevolmachtigde terstond om bewijs van de volmacht heeft gevraagd en dit bewijs niet op de in artikel 3:71 BW omschreven wijze wordt geleverd. Dexia stelt dat zij in haar brief aan Leaseproces van 31 oktober 2016 de volmacht heeft betwist.\n\n4.8.. Naar het oordeel van het hof is niet gesteld of gebleken dat Dexia destijds ten aanzien van de brief van 24 januari 2012 heeft betwist dat de afnemer als cliënt van Leaseproces een volmacht heeft verstrekt aan Leaseproces om namens hem de verjaring te stuiten en dat Leaseproces tevens gevolmachtigd was om dit ook namens de echtgenote te doen, zodat op die grond ervan moet worden uitgegaan dat deze brief mede namens de echtgenote is verzonden. De stuitingsbrieven van 27 oktober 2016 en 20 januari 2017 bouwen hierop voort. Nu Dexia na ontvangst van de brief van 24 januari 2012 niet terstond om bewijs van een volmacht heeft gevraagd, kan op artikel 3:71 BW geen beroep meer worden gedaan. Niet gesteld of gebleken is dat de echtgenote op enig moment na 24 januari 2012 de volmacht heeft herroepen dan wel dat Leaseproces de volmacht heeft opgezegd. Bovendien hebben de afnemer en de echtgenote ook steeds gesteld dat deze volmacht bestond. Na de brief van 20 januari 2017 is de dagvaarding vervolgens binnen de lopende verjaringstermijn van vijf jaar vanaf 21 januari 2017 uitgebracht, namelijk op 28 oktober 2020 (hof Amsterdam 22 december 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:3567, rov. 2.16). Bij bespreking van de brief van 17 oktober 2016 bestaat, gezien het voorgaande, geen belang.\n\n4.9.. Of en op welke wijze Leaseproces voorafgaand aan de brief van 24 januari 2012 gevolmachtigd was en of Dexia in haar brief van 31 oktober 2016 de volmacht van de echtgenote aan Leaseproces heeft betwist, is in het licht van het bovenstaande niet meer relevant.\n\n4.10.. Uit het vorenstaande volgt dat namens de echtgenote de verjaring van de vordering uit onverschuldigde betaling tijdig is gestuit, zodat het verjaringsverweer van Dexia wordt verworpen. Dit betekent dat de effectenleaseovereenkomsten zijn vernietigd en dat Dexia gehouden is tot terugbetaling van al hetgeen aan haar uit hoofde van de effectenleaseovereenkomsten is betaald.\n\nSlotsom\n\n4.11.. Bij verdere bespreking van de grieven bestaat geen belang. Uit het vorenstaande volgt dat het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.\n\n4.12.. Dexia is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof stelt deze kosten als volgt vast:\n\ngriffierecht € 783,00\n\nsalaris advocaat € 1.290,00(tarief II, 1 punt)\n\ntotaal € 2.073,00\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nbekrachtigt het vonnis waarvan beroep;\n\nveroordeelt Dexia in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van de echtgenote begroot op € 2.073,00 voor salaris en op € 189,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, het eerste bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente indien niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;\n\nverklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. L. Alwin, W.J.J. Los en R.M. de Winter en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1859","2026-07-07T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:51.431Z",{"id":90,"ecli":91,"slug":92,"caseNumber":43,"courtId":93,"decisionDate":94,"fullText":95,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":96,"sourceTimestamp":97,"parsedAt":51,"updatedAt":98},"1679","ECLI:NL:RBLIM:2026:5578","ecli-nl-rblim-2026-5578",74,"2026-06-11T00:00:00.000Z","RECHTBANK Limburg\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nZaaknummer: C\u002F03\u002F352304 \u002F KG ZA 26-178\n\nVonnis in kort geding van 11 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonende te [plaats 1] ,\n\neiser\u002Foppossant,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\nadvocaat: mr. B. Coomans,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nwonende te [plaats 2] ,\n\ngedaagde\u002Fgeopposseerde,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nadvocaat: mr. R.P.H.W. Haas.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de onderhavige verzetprocedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding, met de producties 1 tot en met 4,\n\n- de brief met de producties 19 tot en met 24 van [gedaagde] , - de mondelinge behandeling van 4 juni 2026 met de spreekaantekeningen van mr. Haas.\n\n1.2.. In verband met de spoedeisendheid van de zaak is bij kop-staartvonnis van 4 juni 2026 op het door [eiser] gevorderde beslist. De feiten en de motivering waarop de in dat vonnis gegeven beslissing steunt, volgen hieronder.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Partijen zijn op 10 januari 2024 onder huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd. Voorafgaand aan het huwelijk hebben zij gedurende 37 jaar een affectieve relatie gehad.\n\n2.2.. \n [eiser] en [gedaagde] hebben de woning aan [adres 1] , in gezamenlijk eigendom (hierna: de woning).\n\n2.3.. Op 11 maart 2025 heeft [gedaagde] een verzoekschrift tot echtscheiding (met zaaknummer C\u002F03\u002F339833) bij de rechtbank Limburg ingediend (zaaknummer C\u002F03\u002F339833). De mondelinge behandeling staat gepland voor 21 oktober 2026.\n\n2.4.. \n [gedaagde] heeft de rechtbank Limburg verzocht om voorlopige voorzieningen voor de duur van de echtscheidingsprocedure te treffen. Bij proces-verbaal van 9 mei 2025 zijn partijen (onder andere) het volgende overeengekomen:\n\n“(…) 3. De man zal de woning gelegen aan [adres 1] niet zonder\n\nvoorafgaand overleg met de vrouw betreden. (…)”\n\n2.5.. \n [gedaagde] heeft op 27 november 2025 tegen [eiser] aangifte gedaan voor diefstal van de bestelauto.\n\n2.6.. Op 1 januari 2026 heeft [gedaagde] tegen [eiser] aangifte gedaan van stalking.\n\n2.7.. Op 27 februari 2026 heeft [gedaagde] tegen [eiser] aangifte gedaan van het middels braak of inklimming betreden van de woning, het vernielen van de meterkast en het zonder haar toestemming wegnemen van haar laptop, internetmodem, camera en papieren van haar advocaat. Achter het raam van de woning trof zij een bordje ‘'Drugspand gesloten” aan en de gaskraan in de berging was opengedraaid.\n\n2.8.. \n [gedaagde] heeft op 28 februari 2026 en 13 maart 2026 opnieuw aangifte tegen [eiser] gedaan voor vernieling van de sloten van de woning.\n\n2.9.. De politie heeft [eiser] op 13 maart 2026 aangehouden, omdat hij probeerde de woning binnen te komen.\n\n2.10.. Op 16 maart 2026 heeft [gedaagde] tegen [eiser] aangifte gedaan van stalking en bedreiging.\n\n2.11.. \n [gedaagde] en de politie hebben de sloten van de woning meermaals vervangen.\n\n2.12.. Bij kort geding vonnis van 15 april 2026, waarbij de voorzieningenrechter tegen [eiser] verstek heeft verleend, is (onder andere) het volgende beslist:\n\n“(…) 5.1. verbiedt [eiser] zich onmiddellijk na betekening van dit vonnis voor de duur van één jaar te bevinden dan wel op te houden binnen een straal van 400 meter rondom de\n\nwoning, staande en gelegen te [adres 1] , zulks op\n\nverbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor elke overtreding hiervan, tot een maximum\n\nvan € 25.000,00 en - indien [eiser] geen gehoor geeft aan het verbod - met machtiging aan\n\n [gedaagde] tot handhaving van het gegeven verbod om de hulp in te roepen van de sterke arm\n\nvan politie en justitie, (…)”\n\n2.13.. De voorzieningenrechter heeft daartoe (onder meer) het volgende overwogen:\n\n“(…) Achter de woning liggen voetbalvelden en groen. Zij[ [gedaagde] , toevoeging de voorzieningenrechter]vordert daarom een straatverbod met een straal van 400 meter rondom de woning en niet alleen een verbod om specifieke straten te betreden. [eiser] staat vaak in de [straat 1] en [straat 2] te posten. [gedaagde] moet via de [straat 3] naar haar werk gaan. Deze voornoemde straten vallen allemaal in de gevorderde 400-meter-straal. [eiser] wordt niet in de uitoefening van zijn werk belemmerd door het straatverbod in een straal van 400 meter rondom de woning. (…)”\n\n2.14.. \n [gedaagde] heeft op 8 april 2026 aangifte gedaan bij de politie van vernieling, omdat een voor [gedaagde] onbekende man het slot van haar voordeur met een boormachine heeft vernield. Op 5 mei 2026 heeft zij opnieuw aangifte gedaan van (poging) vernieling, omdat een andere voor [gedaagde] onbekende man een klinker naar\u002Ftegen de woning heeft gegooid.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n [eiser] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. bepaalt dat het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, op 15 april 2026 gewezen verstekvonnis onder zaaknummer C\u002F03\u002F350724 \u002F KG ZA 26-103, wordt vernietigd en dat daarbij het straatverbod wordt beperkt tot uitsluitend de [straat 4] te [plaats 3] , althans tot de directe omgeving van de woning aan [adres 1] , zulks ter beoordeling van de voorzieningenrechter;\n\nII. de aan het straatverbod gekoppelde dwangsom van € 500,00 per overtreding,\n\nmet een maximum van € 25.000,00, wordt gematigd tot een bedrag van € 100,00\n\nper overtreding met een maximum van € 5.000,00;\n\nIII. [gedaagde] wordt veroordeeld in de kosten van deze procedure.\n\n3.2.. \n [gedaagde] voert verweer.\n\n3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nVerzet tijdig\n\n4.1.. Het verzet is tijdig en op de juiste wijze ingesteld (artikel 143 lid 2 Rv), zodat [eiser] in zijn verzet kan worden ontvangen.\n\nSpoedeisend belang\n\n4.2.. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er gelet op de aard van de zaak en de ernstig verstoorde verhouding tussen partijen sprake van een spoedeisend belang.\n\nBeperking straatverbod en matiging dwangsom?\n\n4.3.. \n\n [eiser] stelt dat het bij verstekvonnis van 15 april 2026 opgelegde straatverbod dat hem verbiedt zich binnen een straal van 400 meter rondom de woning te bevinden, disproportioneel is. [eiser] betoogt dat hij door het opgelegde verbod wordt belemmerd om zich vrijelijk naar het kantoorpand van zijn onderneming (gelegen aan de [adres 2] ) te begeven. Daarnaast voert [eiser] aan dat hij, voorafgaand aan het opgelegde straatverbod, een verbouwingsopdracht had aangenomen voor een woning die binnen de straal van 400 meter van de woning gelegen is, waardoor hij inkomsten zal mislopen als het verbod gehandhaafd zal blijven. Voorts stelt [eiser] dat hij door het verbod ook in zijn dagelijkse leven ernstig wordt belemmerd, omdat hij niet in de gelegenheid is om naar de woning van hun dochter en naar zijn huisarts te gaan. [eiser] voert derhalve aan dat het straatverbod dient te worden beperkt tot de straat waar de woning gelegen is (de [straat 4] te [plaats 3] ).\n\n [gedaagde] betwist dat het opgelegde straatverbod disproportioneel is.\n\n4.4.. \n\nNaar het oordeel van de voorzieningenrechter dient voorop te worden gesteld dat een straatverbod inbreuk maakt op het aan ieder toekomende fundamenteel recht zich vrijelijk te bewegen en te gedragen. Voor het opleggen van een dergelijke ingrijpende maatregel moet –\n\nzoals de voorzieningenrechter onder rechtsoverweging 4.2. van het verstekvonnis van 15 april 2026 reeds heeft opgemerkt – sprake zijn van in hoge mate aannemelijke feiten en omstandigheden die een zodanige inbreuk kunnen rechtvaardigen.\n\n4.5.. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het in de onderhavige procedure opgelegde straatverbod met een straal van 400 meter rondom de woning – ondanks het ingrijpende karakter ervan – op zijn plaats is. Daarvoor is van belang dat de voorzieningenrechter het betoog van [eiser] dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan gedragingen waardoor [gedaagde] zich, kort gezegd, voortdurend bedreigd voelt in haar veiligheid en woonrust onvoldoende aannemelijk acht. Uit de door [gedaagde] gedane aangiftes kan immers genoegzaam worden afgeleid dat [eiser] , nadat partijen waren overeengekomen dat hij de woning niet zou betreden, zich desondanks bij herhaling rondom de woning heeft begeven dan wel de woning wilde betreden. In het licht hiervan is [eiser] door het openbaar ministerie dan ook als verdachte aangemerkt dat op termijn hierover een vervolgingsbeslissing zal nemen. Dat het “slechts om aangiftes” zou gaan, waarmee niet vaststaat dat hetgeen daarin staat ook waar is, zoals [eiser] stelt, maakt dat niet anders, mede in aanmerking genomen dat voor ‘aannemelijkheid’, de toets die de voorzieningenrechter in civilibusdient te hanteren, geen strafrechtelijk bewijs vereist is.\n\n4.6.. \n\nHet bezwaar van [eiser] dat hij zich door het straatverbod met een straal van 400 meter niet vrijelijk naar zijn kantoorpand kan begeven, kan hem niet baten. [eiser] heeft naar eigen zeggen immers verklaard dat zijn kantoorpand op 500 meter van de woning gelegen is en derhalve buiten de straal van 400 meter ligt. De voorzieningenrechter stelt daarnaast vast dat zijn kantoorpand via andere wegen (zoals de [straat 5] , de [straat 6] en de [straat 7] te [plaats 3] ) voldoende bereikbaar is. Voorts passeert de voorzieningenrechter het bezwaar van [eiser] dat hij door het opgelegde straatverbod inkomsten uit een verbouwingsopdracht zou mislopen, nu niet gebleken is dat de onderhandelingen tot een overeenkomst hebben geleid. Voorts heeft [gedaagde] in reactie op de stelling van [eiser] onweersproken gesteld dat de woning van de dochter van partijen ruim buiten de straal van 400 meter van de woning gelegen is, omdat zij woonachtig is in Geleen aan de andere kant van de snelweg. [gedaagde] heeft ook betwist dat de huisarts van [eiser] gelegen is binnen de straal van 400 meter van de woning.\n\nDe voorzieningenrechter concludeert op basis van de aangevoerde feiten en omstandigheden dat het opgelegde straatverbod met een straal van 400 meter gerechtvaardigd is.\n\n4.7.. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om de opgelegde dwangsom te matigen. [gedaagde] heeft terecht aangevoerd dat gelet op de stelselmatige eerdere gedragingen en bejegeningen en de invloed hiervan op haar woonrust en haar veiligheidsgevoel – en de ernst hiervan – maken dat de opgelegde (hoogte van de) dwangsom een voldoende prikkel tot nakoming dient te vormen. Van een disproportionele omvang is daarom geen sprake. Dit spreekt temeer, nu [eiser] het verbeuren van dwangsommen niet hoeft te vrezen, als hij zich aan het opgelegde straatverbod met een straal van 400 meter houdt en zal houden.\n\n4.8.. Gelet op het voorgaande, zal het verzet van [eiser] ongegrond worden verklaard en het gewezen verstekvonnis zal integraal in stand worden gelaten.\n\nProceskosten\n\n4.9.. De voorzieningenrechter ziet gelet op de aangevoerde feiten en omstandigheden geen aanleiding om de proceskosten te compenseren. [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n341,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.177,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.707,00\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n5.1.. verklaart het verzet ongegrond,\n\n5.2.. laat het gewezen verstekvonnis van 15 april 2026 onder zaaknummer C\u002F03\u002F350724 \u002F KG ZA 26-103 integraal in stand,\n\n5.3.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.707,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.4.. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Provaas, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026.\n\nProductie 1 bij de originele dagvaarding van [gedaagde] .","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5578","2026-06-10T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:33.154Z",{"id":100,"ecli":101,"slug":102,"caseNumber":43,"courtId":103,"decisionDate":104,"fullText":105,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":106,"sourceTimestamp":107,"parsedAt":51,"updatedAt":108},"1999","ECLI:NL:RBMNE:2026:3245","ecli-nl-rbmne-2026-3245",63,"2026-06-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nFamilierecht\n\nlocatie Utrecht\n\nzaaknummer: C\u002F16\u002F609376 \u002F FA RK 26-657\n\nVoorlopige voorzieningen\n\nBeschikking van 8 juni 2026\n\nin de zaak van:\n\n [de vader],\n\nwonende in [plaats] ,\n\nhierna te noemen: de vader,\n\nadvocaat mr. D. Rezaie,\n\ntegen\n\n [de moeder],\n\nwonende in [plaats] ,\n\nhierna te noemen: de moeder,\n\nadvocaat mr. A. Hashem Jawaheri.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:\n\nhet verzoekschrift (met bijlagen) van de vader, binnengekomen op 1 april 2026;\n\nhet verweerschrift van de moeder met daarin een aantal zelfstandige verzoeken (tegenverzoeken);\n\nhet bericht (met bijlagen) van de vader van 19 mei 2026 (via F9-formulier).\n\n1.2.. De verzoeken zijn behandeld tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 20 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\nde vader met zijn advocaat en S.M. Razagi als tolk;\n\nde moeder met haar advocaat en M. Abdi als tolk.\n\n2. Waar deze procedure over gaat\n\n2.1.. Partijen zijn met elkaar getrouwd.\n\n2.2.. Partijen hebben samen een kind: [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats] , roepnaam: [minderjarige] .\n\n2.3.. De vader wil scheiden. Hij vraagt de rechtbank om voorlopige voorzieningen te treffen. Dat zijn tijdelijke maatregelen die gelden voor de duur van de echtscheidingsprocedure.2.4.. De vader verzoekt de rechtbank om:\n\n [minderjarige] aan de vader toe te vertrouwen;\n\nte beslissen dat alleen de vader de woning mag gebruiken.\n\n2.5.. De moeder is het niet eens met de verzoeken van de vader. Zij wil dat de vader niet ontvankelijk wordt verklaard in zijn verzoeken of dat de verzoeken worden afgewezen, omdat er geen sprake is van een noodzaak voor het treffen van voorlopige voorzieningen. In het geval dat de rechtbank wel oordeelt dat er sprake is van een noodzaak, verzoekt de moeder de rechtbank om:\n\n [minderjarige] aan de moeder toe te vertrouwen;\n\neen voorlopige zorgregeling vast te stellen waarbij de vader en [minderjarige] omgang met elkaar hebben op zaterdag en zondag van 12.00 uur tot 15.00 uur;\n\nte beslissen dat alleen de moeder de woning mag gebruiken.\n\n3. De beoordeling\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht3.1.. De Nederlandse rechter komt in deze voorlopige voorzieningenprocedure rechtsmacht toe en past daarbij Nederlands recht toe.\n\nDe beslissing3.2.. De rechtbank zal de verzoeken van de vader afwijzen. Hierna legt de rechtbank uit waarom zij deze beslissing neemt.\n\nDe toelichting3.3.. De rechtbank is van oordeel dat de vader onvoldoende heeft onderbouwd dat de situatie op dit moment onhoudbaar is dat de ouders niet langer gezamenlijk in één woning kunnen verblijven. De moeder heeft op de zitting toegelicht dat de ouders al jaren gescheiden van elkaar in de woning wonen en dat zij nauwelijks met elkaar communiceren. De vader heeft dit niet betwist. Voor de rechtbank staat daarom vast dat de ouders al een langere periode op de huidige manier leven. De rechtbank begrijpt dat dit geen ideale situatie is en ziet ook dat er spanningen binnen het gezin zijn. Maar volgens de rechtbank kunnen die spanningen er niet toe leiden dat één partij niet meer in de woning mag blijven. Beide ouders hebben gesteld dat zij nergens anders terecht kunnen, dus dat betekent dat één partij op straat komt te staan als de ander het uitsluitend gebruiksrecht toegewezen krijgt. Dat vindt de rechtbank niet in het belang van het gezin. Het is het belang van beide ouders dat zij ergens kunnen wonen.\n\n3.4.. De rechtbank vindt het belangrijk dat de ouders er alles aan doen om de spanningen in de woning verminderen. Op de zitting is naar voren gekomen dat de spanningen voornamelijk zien op de opvoeding van [minderjarige] . Bij het gezin is een opvoedondersteuner betrokken. De rechtbank vindt dat de ouders zich moeten inspannen om het verschil in opvoeding aan de opvoedondersteuner voor te leggen en de adviezen daarover op te volgen. Daarnaast is het belangrijk dat de ouders met elkaar aan de slag gaan om verdere afspraken te maken over de gevolgen van de echtscheiding. Uiteindelijk zal toch iemand de woning moeten verlaten en moet er een ouderschapsplan worden opgesteld. Het is de rechtbank gebleken dat de ouders daar nog helemaal niet met elkaar, met behulp van de advocaten, over hebben gesproken.\n\n3.5.. Omdat er geen zodanige conflictsituatie is, zal de rechtbank het verzoek van de vader om het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan hem toe te kennen, afwijzen. De rechtbank ziet daarom ook geen aanleiding om [minderjarige] aan de vader toe te vertrouwen en wijst ook dat verzoek af.\n\n3.6.. De moeder heeft voorwaardelijke zelfstandige verzoeken ingediend. Gelet op het feit dat de rechtbank vindt dat er geen sprake is van een onhoudbare situatie, hoeft zij de verzoeken van de moeder verder niet te bespreken.\n\n4. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n4.1.. wijst de verzoeken van de vader af.\n\nDit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. L.A.C. de Vaan, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. I.C. van Schip, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3245","2026-06-12T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:49.378Z",{"id":110,"ecli":111,"slug":112,"caseNumber":43,"courtId":113,"decisionDate":114,"fullText":115,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":116,"sourceTimestamp":117,"parsedAt":51,"updatedAt":118},"350","ECLI:NL:RBDHA:2026:17378","ecli-nl-rbdha-2026-17378",58,"2026-05-27T00:00:00.000Z","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 26-2333\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F701011\n\nDatum beschikking: 27 mei 2026Voorlopige voorzieningen\n\nBeschikking op het op 9 maart 2026 ingekomen verzoek van:\n\n [de man] ,\n\nde man,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. S.L.A. Verburgt te Den Haag.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de vrouw] ,\n\nde vrouw,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. P. van de Kolk te Den Haag.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet verweerschrift.\n\nOp 13 mei 2026 is de zaak op een zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:\n\n- de man, bijgestaan door mr. M.S. Odink als waarnemend advocaat en een tolk,\n\nE. Roest;\n\n- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en een tolk: S. Steinert.\n\nVan de zijde van de vrouw zijn pleitnotities overgelegd.\n\nFeiten\n\nPartijen zijn gehuwd op [datum] 2020 te [plaats] , Duitsland.\n\nDe man en de vrouw zijn beiden burgers van de Bondsrepubliek Duitsland. De\n\nvrouw heeft daarnaast ook de Britse nationaliteit.\n\nVerzoek en verweer\n\nHet verzoek van de man strekt ertoe dat:\n\n- de man gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [adres] , met inbegrip van de inboedel, en met het bevel dat de vrouw die woning moet verlaten en verder niet meer mag betreden;\n\n- een door de vrouw aan de man te betalen voorlopige partneralimentatie van\n\n € 4.049,- per maand wordt vastgesteld, met ingang van 1 maart 2026, telkens bij vooruitbetaling te voldoen en waarbij de vrouw de hypotheeklasten van de echtelijke woning zal blijven voldoen;\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe vrouw voert verweer tegen de verzochte partneralimentatie en het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nBeoordeling\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\nDe Nederlandse rechter komt rechtsmacht toe. De rechtbank past in deze voorlopige voorzieningenprocedure Nederlands recht toe.\n\nUitsluitend gebruik echtelijke woning\n\nDe man heeft verzocht om het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning voor de duur van de echtscheidingsprocedure aan hem toe te wijzen. Partijen zijn het erover eens dat de woning uiteindelijk aan derden moet worden verkocht. De man gaat er daarbij van uit dat de vrouw vooralsnog de hypotheeklasten van de echtelijke woning zal blijven voldoen, gelet op haar inkomen en het feit dat de man op dit moment zelf geen inkomsten heeft.\n\nDe vrouw heeft ingestemd met het uitsluitend gebruik door de man en het voldoen van de hypotheeklasten, op de voorwaarde dat zij in de gelegenheid wordt gesteld om persoonlijke spullen, zoals kleding, foto’s en administratie uit de woning op te halen. Partijen hebben op de zitting afgesproken dat de vrouw op zaterdag 16 mei 2026 de spullen ophaalt, waarbij een Duitse gast van de man aanwezig is. De man is op dat moment niet thuis. Gelet op het feit dat dit op de datum van de beschikking al heeft plaatsgevonden, ziet de rechtbank geen aanleiding om deze afspraak in het dictum op te nemen.\n\nNu partijen overeenstemming hebben over het uitsluitend gebruik, zal de rechtbank dit vastleggen. Het verzoek om te bepalen dat dit uitsluitend gebruik ‘met inbegrip van de inboedel’ is, zal de rechtbank bij gebrek aan belang afwijzen. Bij toewijzing van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan een partij is die partij ook uitsluitend gerechtigd tot de tot die woning behorende inboedelgoederen, voor zover niet bij rechterlijke beschikking tot het dagelijks gebruik aan de andere partij.\n\nVoorlopige partneralimentatie\n\nLotsverbondenheid\n\nDe man heeft verzocht om een voorlopige bijdrage aan partneralimentatie. De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd. Zij is van mening dat de lotsverbondenheid, als grondslag van de onderhoudsverplichting, tussen partijen is verbroken vanwege grievend gedrag van de man. Dit bedrag bestaat uit intieme terreur, stalking, bedreigende berichten en ander grensoverschrijdend gedrag. Daarbij heeft de vrouw een eigen verklaring overgelegd, en ook verklaringen van haar therapeut en haar kinderen. De man betwist dat sprake is geweest van grievend gedrag. Hij erkent dat er een stopgesprek heeft plaatsgevonden bij de politie naar aanleiding van zijn berichten, maar wijt dit aan de emoties rondom het verbreken van de relatie. De man ontkent de door de vrouw beschreven gedragingen tijdens het huwelijk stellig. Volgens hem moeten zijn berichten anders geïnterpreteerd worden: niet als een bedreiging, maar als hoop op herstel van de relatie.\n\nDe rechtbank stelt voorop dat artikel 1:156 Burgerlijk Wetboek (BW) het uitgangspunt is bij de beantwoording van de vraag of aan de (gewezen) echtgenoot een uitkering voor het levensonderhoud moet worden toegekend. Daar kan van worden afgeweken als de redelijkheid en billijkheid daar om vraagt, waarbij rekening wordt gehouden met alle omstandigheden van het geval. Hieronder vallen ook niet-financiële omstandigheden, zoals grievend gedrag van de echtgenoot die om een onderhoudsbijdrage verzoekt. Er kan sprake zijn van grievend gedrag van een zodanige aard dat van een (gewezen) echtgenoot in redelijkheid niet of niet ten volle kan worden gevergd aan het levensonderhoud van de ander bij te dragen. De lotsverbondenheid die door het huwelijk is ontstaan en ook na de beëindiging van het huwelijk doorwerkt, kan in zo'n situatie niet langer gelden als grondslag voor de onderhoudsverplichting.\n\nDe rechtbank overweegt als volgt. Hoewel de man de inhoud van de door de vrouw overgelegde verklaringen van haar jong-meerderjarige kinderen heeft betwist, ziet de rechtbank in beginsel geen aanleiding om aan de feitelijke en zeer gedetailleerde beschrijvingen hierin te twijfelen. De rechtbank kan zich dan ook niet aan de indruk onttrekken dat de man zich gedurende langere tijd zeer onaangenaam heeft gedragen. De rechter kan echter niet vaststellen dat het gedrag van dien aard is geweest dat in het kader van deze voorlopige voorzieningen-procedure kan worden geconcludeerd dat de lotsverbondenheid hierdoor is verbroken. In een bodemprocedure zal hier wellicht meer onderzoek naar gedaan kunnen worden.\n\nDe rechtbank zal het verzoek om een voorlopige partneralimentatie daarom hierna inhoudelijk beoordelen.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nBij de beoordeling van het verzoek stelt de rechtbank voorop dat deze voorlopige vaststelling het karakter heeft van een ordemaatregel. Daarbij is het uitgangspunt dat wordt uitgegaan van de actuele situatie van partijen, voor zover de rechtbank daar voldoende inzicht in heeft. Indien de rechtbank onvoldoende inzicht in de situatie van partijen heeft, zal de rechtbank beoordelen wat zij redelijk acht en in dat kader een schatting maken.\n\nDaarbij merkt de rechtbank vooraf ook op dat bij de vaststelling van alimentatie de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie, opgenomen in het Rapport alimentatienormen zoveel mogelijk als uitgangspunt worden genomen. Zoals in het navolgende zal blijken, is in dit geval echter sprake van een atypische situatie, omdat de vrouw werkzaam is voor de NAVO, een internationale organisatie. Zij is daardoor niet belastingplichtig in Nederland, waardoor steeds gerekend zal worden met netto bedragen. Verder is ook haar inkomen en de daarbij komende toelagen anders opgebouwd dan gebruikelijk, zodat de rechtbank in dit specifieke geval aanleiding ziet om op bepaalde onderdelen af te wijken van voornoemde aanbevelingen om tot een bijdrage in het levensonderhoud te komen die aansluit op de feitelijke situatie van partijen.\n\nIngangsdatum\n\nOm proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek (BW) een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. De rechtbank zal de voorlopige partneralimentatie vaststellen met ingang van de datum van deze beschikking, omdat de vrouw in de afgelopen periode de hypotheeklasten van de woning heeft betaald en de man kennelijk in staat is geweest om in zijn levensonderhoud te voorzien.\n\nBehoefte en aanvullende behoefte\n\nDe rechtbank zal de huwelijksgerelateerde behoefte van de man berekenen aan de hand van de hofnorm. Hierbij wordt de behoefte van de onderhoudsgerechtigde vastgesteld op 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van partijen. De man had ten tijde van het huwelijk geen inkomen. Aan de zijde van de vrouw gaat de rechtbank uit van het inkomen dat zij verdient bij de NAVO. Daarbij gaat de rechtbank uit van haar netto-inkomen, nu zij door haar baan bij een internationale organisatie in Nederland niet belastingplichtig is.\n\nDe rechtbank neemt daarbij haar loonstrook van december 2025 als uitgangspunt. Hieruit volgt:\n\neen basissalaris van € 10.773,- per maand;\n\neen expatriation allowance van € 1.025,- per maand;\n\neen basic family allowance van € 653,- per maand.\n\nPartijen zijn het erover eens dat de ‘child allowance’ niet zal worden meegenomen, omdat dit een toelage betreft voor de meerderjarige kinderen van de vrouw. Rekening houdend met de inhoudingen op het loon van in totaal € 1.513,- per maand is haar netto-inkomen € 10.937,- per maand. Daarbij is de vergoeding voor benzinekosten buiten beschouwing gelaten.\n\nDe huwelijksgerelateerde behoefte van de man bedraagt dan volgens de hofnorm afgerond\n\n€ 6.562,- netto per maand (60% van € 10.937,- per maand). Hierop moet het inkomen van de man in mindering worden gebracht. Omdat de man op dit moment geen inkomen heeft, is zijn aanvullende behoefte in beginsel gelijk aan de behoefte op basis van de hofnorm, aldus € 6.562,- netto per maand.\n\nDraagkracht\n\nDe rechtbank gaat bij de berekening van de draagkracht van de vrouw uit van een inkomen dat als volgt is opgebouwd:\n\neen basissalaris van € 10.773,- per maand;\n\neen expatriation allowance van € 1.025,- per maand;\n\neen single parent allowance van € 422,- per maand.\n\nDaarbij geldt ten aanzien van de laatstgenoemde toelage dat de rechtbank deze, anders dan door de vrouw betoogd, wel zal meenemen bij de berekening van het inkomen van de vrouw. Gebleken is dat de ‘single parent allowance’ na het verbreken van de relatie van partijen in de plaats komt van de ‘basic family allowance’. Het betreft daarmee geen aanvullende toelage ten behoeve van de kinderen. Voor hen ontvangt de vrouw de ‘child expatriation allowance’ en het ‘dependent child supplement’. Naar oordeel van de rechtbank moet het worden aangemerkt als een toelage voor extra kosten die een alleenstaande maakt. De vrouw heeft gesteld dat de ‘single parent allowance’ € 422,- per maand bedraagt. De man heeft dit niet betwist, zodat de rechtbank hier van uitgaat. Het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vrouw bedraagt, rekening houdend met dezelfde inhoudingen als bij de behoefte, dan € 9.863,- per maand.\n\nBij de berekening van de draagkracht van de vrouw neemt de rechtbank de volgende lasten in aanmerking:\n\nde werkelijke woonlasten van de vrouw;\n\nkosten van de kinderen.\n\nAd a)Gebleken is dat de vrouw op dit moment zowel de volledige hypotheeklasten van de echtelijke woning van € 2.123,- per maand voldoet als de huurlasten van haar tijdelijke woning van € 2.500,- per maand. Haar woonlasten zijn dus in totaal € 4.623,- per maand. Anders dan de man is de rechtbank met de vrouw van oordeel dat aanleiding bestaat om rekening te houden met haar werkelijke woonlasten, omdat deze aanmerkelijk hoger zijn dan op basis van het woonbudget van 30% van haar NBI (€ 2.959,- per maand).\n\nAd b)De vrouw heeft verder gesteld dat rekening moet worden gehouden met de kosten die zij draagt voor haar beide meerderjarige kinderen. Zij maakt aan hen ieder € 700,- per maand over en betaalt daarnaast losse kosten voor hen. In totaal betaalt de vrouw ongeveer € 1.100,- per maand per kind. De man betwist deze kosten. De kinderen van de vrouw zijn 21 en 23 jaar, zodat geen rekening meer moet worden gehouden met hun kosten. Uit de door de vrouw overgelegde toelichting volgt dat vanuit de NAVO rekening wordt gehouden met kosten van kinderen tot 22 jaar. De rechtbank zal daarom rekening houden met de kosten die de vrouw draagt voor het jongste kind van 21 jaar van € 700,- per maand, met aftrek van de toelages die zij voor dit kind ontvangt van € 522,- per maand. De aanvullende kosten zoals door de vrouw gesteld, laat de rechtbank buiten beschouwing, omdat de vrouw deze kosten, tegenover de gemotiveerde betwisting door de man, niet heeft onderbouwd. De rechtbank zal daarom rekening houden met kosten van het jongste kind van € 177,- per maand.\n\nOp grond van het voorgaande, bedraagt de draagkrachtruimte van de vrouw € 3.875,- per maand. Hiervan is 60% beschikbaar voor partneralimentatie, wat neerkomt op € 2.325,- netto per maand. Daarop wordt het aandeel vrouw in de kosten van het jongste kind van € 175,- per maand in mindering gebracht. Hierna is € 2.150,- netto per maand nog beschikbaar voor partneralimentatie. De rechtbank verwijst naar de aangehechte berekening.\n\nDe rechtbank zal het verzoek van de man tot een voorlopige bijdrage in zijn levensonderhoud toewijzen tot een bedrag van € 2.150,- netto per maand en afwijzen voor het overige.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nbepaalt dat de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [adres] en beveelt mitsdien dat de vrouw die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;\n\nbepaalt dat de vrouw aan de man, met ingang van heden een voorlopige partneralimentatie van € 2.150,- netto per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen,\n\nverklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;\n\nwijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, rechter, bijgestaan door mr. S.B. Boekema als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17378","2026-06-27T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:25.587Z",{"id":120,"ecli":121,"slug":122,"caseNumber":43,"courtId":113,"decisionDate":114,"fullText":123,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":124,"sourceTimestamp":117,"parsedAt":51,"updatedAt":125},"306","ECLI:NL:RBDHA:2026:17385","ecli-nl-rbdha-2026-17385","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 26-2019\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F700441\n\nDatum beschikking: 27 mei 2026Voorlopige voorzieningen\n\nBeschikking op het op 27 februari 2026 ingekomen verzoek van:\n\n [de vrouw],\n\nde vrouw,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. N. Bagci-Çiçek te ’s-Gravenhage.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de man],\n\nde man,\n\nwonende te op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. A. Sanger te Rotterdam.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet verweerschrift tevens verzoekschrift.\n\nOp 13 mei 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw met haar advocaat en de man met zijn advocaat.\n\nFeiten\n\n- Partijen zijn op [datum] 2021 te [plaats 1] met elkaar gehuwd.\n\n- Op 5 februari 2026 heeft de man een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend, bij de rechtbank bekend onder zaakkenmerk C\u002F09\u002F699137.\n\nVerzoek en verweer\n\nHet verzoek van de vrouw strekt ertoe dat:\n\n- de vrouw gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [plaats 2] aan de [adres], met inbegrip van de inboedel, met het bevel dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;\n\n- een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige partneralimentatie van € 2.331,- per maand wordt vastgesteld, met ingang van de datum van het verzoekschrift, te weten 27 februari 2026, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;\n\n- althans een beschikking af te geven zoals de rechtbank in goede justitie mocht vermenen te behoren,\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe man voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Tevens verzoekt de man zelfstandig te bepalen dat:\n\n- de man gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de [adres], met het bevel dat de vrouw die woning verder niet mag betreden;\n\n- indien de rechtbank een bijdrage aan voorlopige partneralimentatie vaststelt, deze te bepalen op maximaal € 878,- bruto per maand, althans op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen lager bedrag,\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe vrouw voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nBeoordeling\n\nUitsluitend gebruik echtelijke woning\n\nBeide partijen hebben verzocht het voorlopig uitsluitend gebruik van de woning te verkrijgen voor de duur van de echtscheidingsprocedure.\n\nPartijen hebben op 27 juli 2025 afspraken gemaakt. Een van die afspraken was dat de man in de woning zou blijven. De broer van de vrouw heeft partijen geholpen om deze afspraken tot stand te brengen. Volgens de vrouw zijn deze afspraken echter onder dwang en druk tot stand gekomen. Zij wil terug naar de echtelijke woning, onder andere omdat zij in die omgeving haar sociale contacten heeft en psychologische behandeling krijgt. De vrouw stelt geen andere zelfstandige woonruimte te kunnen vinden in de omgeving. Zij heeft de afgelopen maanden bij familie en vrienden verbleven maar daar kan zij niet langer terecht. De man betwist dat de afspraken onder dwang of druk tot stand zijn gekomen. Hij verzoekt te bepalen dat het uitsluitend gebruik aan hem toekomt omdat hij niet over andere zelfstandige woonruimte beschikt en niet bij derden terecht kan.\n\nTussen partijen zijn afspraken vastgelegd, onder andere met betrekking tot de woning. De rechtbank gaat voorbij aan de stellingen van de vrouw dat deze afspraken onder druk tot stand zijn gekomen. Het lag op de weg van de vrouw om die stelling handen en voeten te geven maar zij heeft in het kader van deze procedure op geen enkele manier onderbouwd dat zij met de afspraken die zijn gemaakt op 27 juli 2025 onder druk heeft ingestemd. Bovendien is ook uitvoering gegeven aan de afspraken in die zin dat de vrouw de woning heeft verlaten, de man in de woning is gebleven en de man aan de vrouw een bedrag van € 5.500,- heeft betaald. De enkele omstandigheid dat zij enkele maanden later door de verhuurder weer is aangemerkt als medehuurder doet daar niet aan af. Een afweging van de belangen maakt dit niet anders. De vrouw heeft gesteld dat zij de afgelopen acht maanden bij familie en vrienden heeft verbleven in de omgeving van [plaats 3]. Zij reist nu voor haar psychologische behandeling vanuit die omgeving naar [plaats 2]. Daarnaast heeft zij op de zitting aangegeven dat zij deze behandeling ook op een andere plek kan volgen. De man verblijft momenteel in de echtelijke woning conform de door partijen gemaakte afspraken. De rechtbank ziet geen aanleiding daar nu verandering in te brengen en zal het verzoek van de vrouw afwijzen. Het verzoek van de man zal de rechtbank toewijzen en aan hem zal het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning toekennen voor de duur van echtscheidingsprocedure.\n\nVoorlopige partneralimentatie\n\nDe vrouw verzoekt een voorlopige partneralimentatie vast te stellen. Bij de beoordeling van het verzoek stelt de rechtbank voorop dat deze voorlopige vaststelling het karakter heeft van een ordemaatregel. Daarbij is het uitgangspunt dat wordt uitgegaan van de actuele situatie van partijen, voor zover de rechtbank daar voldoende inzicht in heeft. Indien de rechtbank onvoldoende inzicht in de situatie van partijen heeft, zal de rechtbank beoordelen wat zij redelijk acht en in dat kader een schatting maken.\n\nSpoedeisend belang\n\nDe vrouw heeft verzocht om een voorlopige partneralimentatie vast te stellen van € 2.331,- per maand.\n\nDe man heeft zich hiertegen verzet. Hij stelt dat de vrouw haar spoedeisend belang bij een dergelijke voorziening onvoldoende heeft onderbouwd. Ook heeft zij haar behoefte en haar aanvullende behoefte onvoldoende onderbouwd, aldus de man.\n\nDe rechtbank overweegt als volgt. Het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een voorlopige partneralimentatie is, anders dan de man heeft aangegeven, gegrond op artikel 822 lid 1 sub e van het Wetboek van Rechtsvordering (Rv). Dit artikel vereist niet dat een spoedeisend belang wordt aangetoond. De voorlopige voorzieningen op grond van artikel 822 Rv zijn wettelijk bedoeld als tijdelijke ordemaatregelen voor de duur van de echtscheidingsprocedure. De wetgever veronderstelt dat een spoedeisend belang aanwezig is, omdat partijen tijdens de scheidingsprocedure onmiddellijke duidelijkheid nodig hebben. Dit betekent dat de rechtbank voorbijgaat aan het primaire standpunt van de man en het verzoek van de vrouw inhoudelijk zal beoordelen.\n\nBehoefte\n\nDe vrouw heeft gesteld dat haar huwelijkse behoefte € 5.998,- netto per maand bedraagt. Zij heeft haar behoefte berekend aan de hand van de hofnorm. Primair betwist de man dat de vrouw behoeftig is, subsidiair berekent hij haar behoefte op € 4.348,- netto per maand.\n\nDe rechtbank zal de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw berekenen aan de hand van de hofnorm. Hierbij wordt de behoefte van de onderhoudsgerechtigde vastgesteld op 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van partijen. Voor het bepalen van de huwelijksgerelateerde behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens hun huwelijk, op het moment van feitelijk uiteengaan, worden bepaald.\n\nNBI man\n\nHet NBI van de man wordt berekend aan de hand van zijn gemiddelde winst uit onderneming over de jaren 2023, 2024 en 2025. Deze gemiddelde winst uit onderneming bedraagt afgerond € 72.916,- bruto per jaar, gebaseerd op de door de man overgelegde aangiften Inkomstenbelasting van 2023 en 2024 en de prognose van 2025. Ook ten aanzien van zijn inkomen uit loon zal de rechtbank uitgaan van het gemiddelde van deze drie jaren. In 2023 had de man een inkomen uit loon van € 19.438,- bruto per jaar, in 2024 bedroeg dit € 3.872,- en van 2025 heeft de man op de zitting onbetwist gesteld dat dit circa € 6.000,- bruto bedroeg. Het gemiddelde inkomen uit loon van de man berekent de rechtbank daarmee op € 9.770,- bruto per jaar.\n\nOp basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank het NBI van de man in 2025 op € 4.670,- per maand.\n\nNBI vrouw\n\nVoor het NBI van de vrouw gaat de rechtbank uit van de door haar overgelegde loonstroken van 2025, waaruit een brutoloon volgt van afgerond € 2.612,- per maand, te vermeerderen met 8% vakantiegeld.\n\nDe rechtbank houdt verder rekening met de volgende ingehouden premies:\n\nde pensioenpremie van afgerond € 120,- per maand;\n\nde premie AOP van afgerond € 2,- per maand;\n\nde premie PAWW van afgerond € 5,- per maand.\n\nOp basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank haar NBI in 2025 op € 2.410,- per maand.\n\nDe rechtbank berekent het netto besteedbaar gezinsinkomen op € 7.080,- per maand (€ 4.670 + € 2.410). De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw bedraagt dan volgens de hofnorm € 4.248,- netto per maand (60% van € 7.080,- per maand). Geïndexeerd naar 2026 bedraagt deze behoefte € 4.443,- per maand.\n\nAanvullende behoefte vrouw\n\nOp de hiervoor berekende netto behoefte van de vrouw van € 4.443,- per maand moet in mindering worden gebracht haar netto besteedbaar inkomen. Het bruto-inkomen van de vrouw is in 2026 toegenomen naar afgerond € 2.733,- per maand. Dit volgt uit de door haar overgelegde loonstroken van januari en februari 2026. De rechtbank zal ook hier rekening houden met 8% vakantietoeslag.\n\nDe rechtbank houdt verder rekening met de volgende ingehouden premies:\n\nde pensioenpremie van afgerond € 136,- per maand;\n\nde premie AOP van afgerond € 3,- per maand;\n\nde premie PAWW van afgerond € 3,- per maand.\n\nOp basis hiervan berekent de rechtbank het NBI van de vrouw in 2026 op € 2.498,- per maand.\n\nDe man heeft aangevoerd dat voor de berekening van de aanvullende behoefte van de vrouw moet worden afgeweken van het woonbudget van 30% en dat voor de vrouw geen rekening moet worden gehouden met woonlasten. Zij woont immers nu in bij familie. De vrouw heeft dit betwist, haar woonlasten zijn niet nihil. Zij draagt bij in de woonkosten bij haar familie. Bovendien is zij opzoek naar een woning en hiervoor is ook het woonbudget bedoeld.\n\nDe rechtbank zal rekening houden met het gebruikelijke woonbudget van 30% van het NBI. In het kader van de voorlopige voorzieningenprocedure ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om hiervan af te wijken. De man heeft zijn stellingen dat niet gerekend moet worden met woonlasten onvoldoende onderbouwd.\n\nHet voorgaande leidt tot een aanvullende behoefte van € 1.945,- netto per maand (€ 4.443 -\u002F- € 2.498). Dat is € 3.780,- bruto per maand.\n\nDraagkracht man\n\nOp basis van de inkomensgegevens van de man bij de berekening van de huwelijkse behoefte in 2025 berekent de rechtbank zijn NBI in 2026 op € 4.693,- per maand.\n\nOmdat het NBI van de man hoger is dan € 2.200,- per maand, zal de rechtbank voor de bepaling van zijn draagkracht volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie de daarbij behorende draagkrachtformule van 60% x [NBI – (0,3 x NBI + 1365)] toepassen.\n\nDe man heeft aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met zijn maandelijkse aflossing van € 129,- voor zijn studieschuld. De vrouw heeft dit betwist en stelt dat deze schuld al lange tijd afgelost had kunnen zijn. Een last wordt niet meegenomen in de berekening van alimentatie wanneer deze vermijdbaar en\u002Fof verwijtbaar is. Van een vermijdbare last is sprake als de betaler zich geheel of gedeeltelijk van deze last kan bevrijden, bijvoorbeeld als de betaler de schuld met spaartegoed kan aflossen of de maandelijkse aflossingen kan verlagen. Uit de stukken en de mondelinge behandeling blijkt niet dat dit voor de man mogelijk is. Ook is de rechtbank van oordeel dat de last niet verwijtbaar is. Een verwijtbare last is een last die de onderhoudsplichtige met het oog op zijn onderhoudsverplichting niet had mogen laten ontstaan of die hij niet mag laten voortbestaan. Dat daarvan sprake is, is niet gebleken. De rechtbank houdt er daarom rekening mee in de berekening van de draagkracht van de man.\n\nHieruit volgt een draagkracht van de man van € 1.075,- per maand (60% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,- + € 129,-)]). Gebruteerd komt dit neer op € 1.721,- per maand.\n\nInkomensvergelijking\n\nOm te bepalen of de man door voldoening van partneralimentatie niet in een nadeliger financiële positie komt te verkeren dan de vrouw, heeft de rechtbank een inkomensvergelijking gemaakt. Uit de inkomensvergelijking volgt dat de man gehouden zou zijn een hoger bedrag te betalen dan zijn draagkracht toelaat, namelijk € 1.918,- bruto per maand. De rechtbank zal daarom de voorlopige alimentatie vaststellen gelijk aan zijn bruto draagkracht van € 1.721,- per maand.\n\nIngangsdatum\n\nDe vrouw heeft verzocht de voorlopige alimentatie vast te stellen per datum indiening verzoekschrift. De man heeft hier geen verweer tegen gevoerd. De rechtbank komt deze ingangsdatum ook redelijk voor, omdat de man vanaf dit moment rekening heeft kunnen houden met een voorlopige bijdrage aan partneralimentatie. De rechtbank zal daarom de datum van het verzoekschrift als ingangsdatum hanteren.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n*\n\nbepaalt dat de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] te [plaats 2] en beveelt mitsdien dat de vrouw die woning verder niet mag betreden;\n\n*\n\nbepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van het verzoekschrift voorlopig een partneralimentatie van € 1.721,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;\n\n*\n\nverklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n*\n\nwijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. A.P. de Klerk, rechter, bijgestaan door mr. L.E. Meisters als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17385","2026-07-13T00:28:23.652Z",{"id":127,"ecli":128,"slug":129,"caseNumber":43,"courtId":113,"decisionDate":130,"fullText":131,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":132,"sourceTimestamp":133,"parsedAt":51,"updatedAt":134},"1602","ECLI:NL:RBDHA:2026:17233","ecli-nl-rbdha-2026-17233","2026-05-26T00:00:00.000Z","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 26-1859\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F700170\n\nDatum beschikking: 26 mei 2026Voorlopige voorzieningen\n\nBeschikking op het op 23 februari 2026 ingekomen verzoek van:\n\n [de vrouw],\n\nde vrouw,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. A. El Aqde te Amsterdam.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de man],\n\nde man,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. A.G. de Jong te ‘s-Gravenhage.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet F9-formulier van 7 mei 2026, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;\n\nhet verweerschrift, tevens verzoekschrift.\n\nOp 12 mei 2026 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, de man, bijgestaan door zijn advocaat, alsmede [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.\n\nVerzoek en verweer\n\nHet verzoek van de vrouw strekt ertoe dat:\n\n- de vrouw gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [plaats], [adres], met inbegrip van de inboedel, met het bevel dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;\n\n- het minderjarige kind van partijen, [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats], aan de vrouw wordt toevertrouwd;\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe man heeft verweer gevoerd tegen de verzoeken van de vrouw, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nTevens heeft de man zelfstandig verzocht:\n\n- primair: te bepalen dat de man met ingang van de datum van de beschikking gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [plaats], [adres];\n\n- subsidiair: te bepalen dat de vrouw gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [plaats], [adres] gedurende de tijd dat [minderjarige] volgens de voorlopige zorgregeling bij de vrouw is en te bepalen dat de man gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [plaats], [adres] gedurende de tijd dat [minderjarige] volgens de voorlopige zorgregeling bij de man is;\n\n- het minderjarige kind van partijen [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats], aan de man toe te vertrouwen;\n\n- en een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van het minderjarige kind van partijen vast te stellen, in die zin dat [minderjarige] afwisselend twee om drie dagen bij elk van de ouders verblijft, met dien verstande dat:\n\n- in de even weken [minderjarige] op maandag, dinsdag, vrijdag zaterdag en zondag bij de man verblijft en op woensdag en donderdag bij de vrouw;\n\n- in de oneven weken [minderjarige] op maandag, dinsdag, vrijdag, zaterdag en zondag bij de vrouw verblijft en op woensdag en donderdag bij de man;\n\n en daarbij te bepalen dat de vrouw een dwangsom van € 250,-- met een maximum van € 25.000,-- verbeurt per dag dat zij haar medewerking niet verleent aan de voorlopige zorgregeling;\n\n en te bepalen dat de feestdagen afwisselend in onderling overleg bij helfte worden gedeeld;\n\neen en ander met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe vrouw heeft verweer gevoerd tegen de verzoeken van de man, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nBeoordelingToevertrouwing minderjarige, uitsluitend gebruik echtelijke woning en zorgregeling\n\nStandpunten van partijen\n\nDe vrouw stelt dat het in het belang is van [minderjarige] dat zij bij uitsluiting gebruik mag maken van de echtelijke woning, dat [minderjarige] aan haar wordt toevertrouwd en dat de contacten tussen de man en [minderjarige] onder professionele begeleiding worden opgestart. De vrouw voert daartoe aan dat zij vermoedt dat de man kampt met psychiatrische problematiek, dat er een patroon is van intieme terreur en verbaal en fysiek geweld, waarvan [minderjarige] getuige is geweest. Professionele omgangsbegeleiding is gelet op deze voorgeschiedenis noodzakelijk om de veiligheid van [minderjarige] en de vrouw te waarborgen. Het is ook in het belang van [minderjarige] dat hij – samen met de vrouw, die altijd zijn hoofdverzorger is geweest – in zijn vertrouwde omgeving kan wonen, zodat het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de vrouw toegekend zou moeten worden. De vrouw verblijft nu met [minderjarige] bij haar moeder, maar dat is voor zowel de vrouw als [minderjarige] onwenselijk.\n\nDe man heeft betwist dat de vrouw altijd de hoofdverzorger van [minderjarige] is geweest en gesteld dat er sprake is geweest van gedeelde zorg. De man wenst dat [minderjarige] aan hem wordt toevertrouwd, nu hij [minderjarige] sinds het vertrek van de vrouw uit de echtelijke woning niet meer heeft gezien en de vrouw hiermee heeft laten zien dat zij niet in het belang van [minderjarige] handelt. De man heeft geen beschikking over andere woonruimte waar hij voor [minderjarige] kan zorgen en daarom wil hij dat het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan hem wordt toegekend. Subsidiair verzoekt de man de rechtbank om een birdnestingregeling vast te stellen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n [minderjarige] is getuige is geweest van hoogoplopende ruzies tussen partijen. Dat is onwenselijk, maar de rechtbank ziet daarin geen aanleiding om te oordelen dat het contact tussen de man en [minderjarige] alleen onder begeleiding zou kunnen worden opgestart. Dat de veiligheid van [minderjarige] in het geding zou zijn als hij bij de man verblijft – doordat sprake is van psychiatrische problematiek bij de man en\u002Fof omdat sprake is van een patroon van geweld of intieme terreur – is door de vrouw niet onderbouwd en ook niet anderszins aannemelijk geworden. Dat betekent dat de rechtbank een onbegeleide zorgregeling zal vaststellen. De rechtbank vindt voor de voorlopig vast te stellen zorgregeling een opbouwregeling als na te melden nodig, omdat [minderjarige] pas 2 jaar is en hij de man na enkele hoogopgelopen ruzies 3 maanden niet heeft gezien. De rechtbank zal het verzoek om te bepalen dat de feestdagen in onderling overleg bij helfte worden verdeeld afwijzen, nu de vast te stellen voorlopige zorgregeling er uiteindelijk op neerkomt dat de ouders [minderjarige] de helft van de tijd bij zich hebben en daarmee ook ongeveer de helft van de feestdagen.\n\nHet voorgaande houdt in dat de over en weer gedane verzoeken met betrekking tot de toevertrouwing van [minderjarige] zullen worden afgewezen.\n\nMet betrekking tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning overweegt de rechtbank als volgt. Beide partijen hebben geen goed alternatief voor woonruimte. De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] dat hij afwisselend door beide ouders verzorgd wordt. De rechtbank zal daarom vaststellen dat sprake zal zijn van birdnesting, waarbij [minderjarige] in zijn vertrouwde omgeving kan verblijven en de ouders om en om met hem in de echtelijke woning verblijven. De rechtbank realiseert zich dat birdnesting geen ideale situatie is voor beide partijen, maar op dit moment is dit wel de situatie die het meest in het belang is van [minderjarige].\n\nHet verzoek om te bepalen dat dit uitsluitend gebruik ‘met inbegrip van de inboedel’ is, zal de rechtbank bij gebrek aan belang afwijzen. Bij toewijzing van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan een partij is die partij ook uitsluitend gerechtigd tot de tot die woning behorende inboedelgoederen.\n\nOp de zitting is nog gesproken over de overdracht. Nu er sprake zal zijn van birdnesting kan [minderjarige] in de echtelijke woning blijven en kunnen de ouders elkaar aflossen in de echtelijke woning. De rechtbank gaat ervan uit dat de ouders zich ervoor zullen inspannen om de overdrachten, in het belang van [minderjarige], rustig te laten verlopen en elkaar in het bijzijn van [minderjarige] geen verwijten te maken. Het ligt daarbij op de weg van de ouder die de woning moet verlaten om ervoor te zorgen dat alle benodigde spullen klaar staan op het moment van de wissel, zodat partijen niet langdurig gezamenlijk in de echtelijke woning hoeven te verblijven.\n\nDwangsom\n\nDe rechtbank zal het verzoek van de man tot het opleggen van een dwangsom afwijzen. De vrouw heeft zich ter zitting weliswaar verzet tegen onbegeleid contact tussen [minderjarige] en de man, maar zij heeft tevens verklaard dat zij inziet dat het in het belang is van [minderjarige] om contact te hebben met zijn vader. De rechtbank verwacht dat de vrouw uitvoering zal geven aan de voorlopige zorgregeling, omdat zij inziet dat contact in het belang van [minderjarige] is. De rechtbank vindt het opleggen van een dwangsom in dit stadium daarom prematuur.\n\nUniform hulpaanbod\n\nOp de zitting hebben beide ouders de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject ouderschapsbemiddeling. De vrouw zou graag zien dat ook het traject ook ziet op omgangsbegeleiding, maar de rechtbank ziet daartoe, zoals hiervoor is overwogen, geen aanleiding. De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan het traject ouderschapsbemiddeling, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemd traject en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal (een kennisgeving van) deze beschikking per post zenden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding.\n\nDe rechtbank verzoekt de ouders om in de scheidingsprocedure bekend onder kenmerk C\u002F09\u002F700178 en FA RK 26-1863 de rechtbank tijdig te informeren over het verloop van het ouderschapsbemiddelingstraject. Van de uitvoerende hulpverleningsinstantie verwacht de rechtbank dat zij de eindrapportage over het verloop van het traject indient op de hierna vermelde wijze. De hulpverleningsinstantie kan de rechtbank tussentijds informeren als daartoe aanleiding is.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n*\n\nstelt de voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats], als volgt vast:\n\nde eerste twee weken na heden: [minderjarige] verblijft iedere woensdag en zondag van 10.00 uur tot 15.00 uur bij de man en de rest van de tijd bij de vrouw;\n\nde daarop volgende twee weken: [minderjarige] verblijft iedere woensdag en zondag van 9.00 uur tot 18.00 uur bij de man en de rest van de tijd bij de vrouw;\n\nde daarop volgende twee weken: [minderjarige] verblijft iedere woensdag van 9.00 uur tot donderdag 18.00 uur en zondag van 9.00 uur tot maandag 18.00 uur bij de man en de rest van de tijd bij de vrouw;\n\ndaarna: [minderjarige] verblijft afwisselend twee om drie dagen bij elk van de ouders, met dien verstande dat:\n\n- [minderjarige] in de even weken op maandag, dinsdag, vrijdag zaterdag en zondag bij de man verblijft en op woensdag en donderdag bij de vrouw;\n\n- [minderjarige] in de oneven weken op maandag, dinsdag, vrijdag, zaterdag en zondag bij de vrouw verblijft en op woensdag en donderdag bij de man;\n\n*\n\nbepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [plaats], [adres] gedurende de tijd dat [minderjarige] volgens de voorlopige zorgregeling bij de vrouw is en beveelt mitsdien dat de man gedurende die tijd die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;\n\nbepaalt dat de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [plaats], [adres] gedurende de tijd dat [minderjarige] volgens de voorlopige zorgregeling bij de man is en beveelt mitsdien dat de vrouw gedurende die tijd die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;\n\n*\n\nstelt vast dat de ouders, te weten:\n\n [de man],\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nen\n\n [de vrouw],\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres;\n\nbij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;\n\nbeveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar:\n\nKenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;\n\nbepaalt dat de ouders de rechtbank in de scheidingsprocedure met kenmerk C\u002F09\u002F700178 en FA RK 26-1863 informeren over het verloop van voornoemd traject;\n\nbepaalt dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank in de scheidingsprocedure met kenmerk C\u002F09\u002F700178 en FA RK 26-1863 (tussentijds) rapporteert over het verloop van voornoemd traject, met kopie aan beide ouders;\n\n*\n\nverklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n*\n\nwijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. R.S. Matthijssen, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door P. Lahman als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 mei 2026.\n\nDe griffier is buiten staat om deze beschikking mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17233","2026-06-26T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:29.133Z",{"id":136,"ecli":137,"slug":138,"caseNumber":43,"courtId":139,"decisionDate":140,"fullText":141,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":142,"sourceTimestamp":143,"parsedAt":51,"updatedAt":144},"496","ECLI:NL:RBZWB:2026:5441","ecli-nl-rbzwb-2026-5441",62,"2026-05-20T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nMiddelburg\n\nZaaknummers: C\u002F02\u002F419261 \u002F FA RK 24-764 (echtscheiding met nevenvoorzieningen) C\u002F02\u002F439527 \u002F FA RK 25-4561 (afwikkeling huwelijkse voorwaarden)\n\nbeschikking d.d. 20 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n [de vrouw],\n\nwonende te [plaats 1] ,\n\nhierna te noemen: de vrouw,\n\nadvocaat: mr. M. Kalle, kantoorhoudende te Middelburg,\n\nen\n\n [de man],\n\nbriefadres te [plaats 2] ,\n\nhierna te noemen: de man,\n\nadvocaat: voorheen mr. E.A.G. van Acker (gedesisteerd), thans mr. N.P.M. Planthof, kantoorhoudende te Goes.\n\nOuders van de minderjarigen: - [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2009; - [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2011; - [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 3] 2016.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\nde gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,\n\ngevestigd te Middelburg,\n\nhierna te noemen de GI.\n\nOp grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:\n\n- de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna te noemen: de Raad, om de rechter over de verzoeken te adviseren.\n\n1. Het verdere procesverloop\n\n1.1.. Dit blijkt uit de volgende stukken:\n\n- de beschikking van deze rechtbank van 27 februari 2025 en alle daarin genoemde stukken;\n\n- de brief d.d. 1 april 2025 van mr. Kalle, met nadere producties;\n\n- de brief d.d.13 mei 2025 van mr. Planthof, met nadere producties;\n\n- het op 13 juni 2025 ingekomen rapport en advies van de Raad d.d. 11 juni 2025;\n\n- de brief d.d. 17 november 2025 van mr. Planthof tevens houdende aanvullend verzoek, met nadere producties;\n\n- het F-formulier van mr. Planthof d.d. 19 november 2025;\n\n- de brief d.d. 5 december 2025 van mr. Kalle, houdende verweerschrift laatste verzoek, tevens aanvulling verzoeken en overlegging stukken, met bijlagen;\n\n- de tijdens de mondelinge behandeling op 16 december door mr. Planthof overgelegde draagkrachtberekening;\n\n- de tijdens de mondelinge behandeling op 16 december door mr. Kalle overgelegde draagkrachtberekening.\n\n1.2.. De zaak is laatstelijk behandeld op de mondelinge behandeling van 16 december 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. De man is verder bijgestaan door zijn forensisch begeleidster. Tevens was aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad en een vertegenwoordigster van de GI.\n\n1.3.. Na afloop van de mondelinge behandeling zijn de navolgende stukken ontvangen:\n\n- het F-formulier d.d. 6 januari 2026 van mr. Kalle;\n\n- het F-formulier d.d. 6 januari 2026 van mr. Planthof;\n\n- het F-formulier d.d. 20 januari 2026 van mr. Kalle;\n\n- het F-formulier d.d. 20 januari 2026 van mr. Planthof;\n\n- het F-formulier d.d. 3 februari 2026 van mr. Planthof;\n\n- het F-formulier d.d. 3 februari 2026 van mr. Kalle;\n\n- het F-formulier d.d. 2 maart 2026 van mr. Planthof;\n\n- het F-formulier d.d. 3 maart 2026 van mr. Kalle;\n\n- het F-formulier d.d. 5 maart 2026 van mr. Planthof;\n\n- het F-formulier d.d. 18 maart 2026 van mr. Kalle;\n\n- het F-formulier d.d. 31 maart 2026 van mr. Kalle, met daarbij gevoegd een door partijen ondertekende vaststellingsovereenkomst;\n\n- het F-formulier d.d. 1 april 2026 van mr. Planthof.\n\n1.4.. De minderjarigen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt door middel van een kindgesprek op 12 december 2025 en [minderjarige 1] door middel van het schrijven van een brief.\n\n2. De verdere beoordeling\n\nIn de procedure FA RK 24-764;\n\n2.1.. De rechtbank verwijst naar de beschikking van 27 februari 2025 waarbij de echtscheiding in het huwelijk tussen partijen is uitgesproken en het hoofdverblijf van de minderjarigen is bepaald bij de vrouw. De echtscheidingsbeschikking is op 20 mei 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.\n\n2.2.. Verder volgt uit voornoemde beschikking van 27 februari 2025 dat de Raad naar aanleiding van diverse zorgmeldingen een beschermingsonderzoek zal starten ten aanzien van de minderjarigen. De Raad zal in dit beschermingsonderzoek tevens onderzoek doen naar de zorgregeling.\n\n2.3.. De Raad heeft op 11 juni 2025 gerapporteerd en geadviseerd. Samengevat en voor zover van belang adviseert de Raad om de minderjarigen onder toezicht te stellen voor de duur van 12 maanden en de behandeling van de verzoeken m.b.t. de zorgregeling en het contact aan te houden voor een periode van een jaar in afwachting van de resultaten van de hulpverlening binnen de ondertoezichtstelling.2.4.. Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 22 juli 2025 zijn de minderjarigen onder toezicht gesteld van de GI van 22 juli 2025 tot 22 juli 2026.\n\n2.5.. In geschil zijn nog de (schorsing van de) zorgregeling, de informatieregeling en de kinderbijdrage.\n\nZorgregeling en informatieregeling;\n\n2.6.. De vrouw verzoekt om voor de duur van één jaar te bepalen dat er geen contacten zijn tussen vader en de kinderen, dan wel te bepalen dat de zorgregeling nader door hulpverlening zal worden vastgesteld. Verder heeft de vrouw verzocht te bepalen dat partijen eens per drie maanden met elkaar informatie zullen uitwisselen en zullen raadplegen volgens een nader door de hulpverlening vast te stellen wijze.\n\n2.7.. \n\nDe man kan niet instemmen met het verzoek van de vrouw om te bepalen dat er één jaar geen contact tussen de kinderen en de man zal zijn en is van mening dat dit verzoek dient te worden afgewezen. De man is van mening dat het contact tussen hem en de kinderen – met tussenkomst van de hulpverlening – zo spoedig mogelijk dient te worden hersteld.\n\nDe man is voorts van mening dat de informatieregeling die door de vrouw is verzocht, te beperkt is. De man krijgt weinig tot geen informatie over de kinderen. In het verlengde hiervan is de man van mening dat de vrouw één keer per maand op de eerste van iedere maand per e-mailbericht hem dient te informeren over de ontwikkelingen en het welzijn van de kinderen\n\n2.8.. Door de Raad is ter zitting onder verwijzing naar het raadsrapport van 11 juni 2025 geadviseerd om de regie over de contacten tussen de man en de minderjarigen en over de informatievoorziening bij de GI te beleggen in het kader van de ondertoezichtstelling.\n\n2.9.. De rechtbank stelt vast dat er al geruime tijd geen contact is tussen de man en de minderjarigen [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Beide minderjarigen hebben verklaard op dit moment ook geen contact met hun vader te willen. Duidelijk is dat beide minderjarigen angst hebben voor de man. Hoe dit beeld is ontstaan en of het is ‘aangepraat’ zoals door de man wordt gesteld, doet niet af aan de huidige feitelijke situatie bij de minderjarigen. Van belang is dat dit angstbeeld eerst moet verdwijnen. De minderjarige [minderjarige 1] staat wel open voor contact met zijn vader en er vinden - zo is ter zitting door de man verklaard - ook contacten plaats tussen hen. Verder is door de vrouw verklaard dat er door haar via de GI tweewekelijks een informatieoverdracht plaatsvindt over de minderjarigen aan de man.\n\n2.10.. De rechtbank is van oordeel dat de prioriteit moet liggen bij de kwetsbare minderjarigen. Zij moeten eerst kunnen toekomen aan hun eigen ontwikkeling. Uit het verhandelde ter zitting volgt dat partijen het er over eens zijn - overeenkomstig het advies van de Raad – om de regie over de contacten tussen de man en de minderjarigen alsmede over de informatieregeling te beleggen bij de GI in het kader van de ondertoezichtstelling. De rechtbank zal dit op onderstaande wijze bepalen. Partijen hebben ter zitting hun verzoeken ingetrokken.\n\nKinderbijdrage;\n\n2.11.. De vrouw verzoekt om een door de man aan haar te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te voldoen van € 300,= per kind per maand, met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift ‒ zijnde 26 juni 2024.\n\nBehoefte minderjarigen;\n\n2.12.. Bij het bepalen van de behoefte aan een kinderbijdrage hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen.\n\n2.13.. Voor de vaststelling van de behoefte van de minderjarige is in beginsel het uitgangspunt het netto besteedbaar gezinsinkomen (verder: NBGI) ten tijde van de samenleving van partijen. De rechtbank gaat voor de bepaling van dat gezinsinkomen uit van de inkomens van partijen in 2023, zijnde het laatste volledige jaar voor het uiteengaan.\n\n2.14.. Uit het verhandelde ter zitting volgt dat partijen het erover eens zijn dat het NBGI € 6.279,= bedroeg, hetgeen ook volgt uit de door mr. Kalle ter zitting overgelegde draagkrachtberekening. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen volgens de tabel bedraagt op basis van dat NBGI € 1.630,=. Geïndexeerd naar 2024 is dit € 1.731,=.\n\nDraagkracht onderhoudsplichtigen;\n\n2.15.. Beoordeeld dient te worden in welke verhouding de behoefte van de minderjarigen tussen de onderhoudsplichtigen zal worden verdeeld. De rechtbank volgt ook in dit opzicht de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie, inhoudende dat de behoefte van de minderjarigen tussen de onderhoudsplichtigen wordt verdeeld naar rato van hun draagkracht. Daartoe dient eerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de onderhoudsplichtigen te worden bepaald. Het bedrag aan draagkracht wordt in 2024 bij inkomens vanaf € 2.065,= per maand vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.270,=)]. Voor de lagere inkomens (beneden een NBI van € 2.065,= per maand) zijn vaste bedragen per categorie van toepassing.\n\n2.16.. Het aandeel van de onderhoudsplichtigen in de behoefte van de minderjarigen becijfert de rechtbank aan de hand van ieders NBI, waarbij hun draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule of de tabel, zoals opgenomen in eerder genoemde aanbevelingen.\n\nDraagkracht man;\n\n2.17.. De rechtbank gaat bij gebrek aan recente inkomensgegevens van de man uit van de door de man overgelegde loonstroken over 2024. Daaruit volgt een jaarinkomen van € 51.584,=. De rechtbank houdt verder rekening met de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting en arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen.\n\n2.18.. Aan de hand van voormelde uitgangspunten becijfert de rechtbank het NBI van de man op een bedrag van € 3.240,= per maand, hetgeen ook volgt uit voornoemde door mr. Kalle ter zitting overgelegde draagkrachtberekening.\n\nDraagkracht vrouw;\n\n2.19.. De rechtbank zal aan de zijde van de vrouw eveneens uitgaan van haar inkomensgegevens over 2024. De rechtbank zal geen rekening houden met het hogere inkomen van de vrouw per 1 augustus 2025 zoals dat volgt uit de door haar overgelegde salarisspecificaties, omdat de man mogelijk ook een hoger inkomen heeft en dit – in tegenstelling tot de vrouw - niet inzichtelijk heeft gemaakt.\n\n2.20.. De vrouw heeft volgens de jaaropgaaf over 2024 een inkomen van € 40.137,= bruto per jaar. De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting, inkomensafhankelijke combinatiekorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting. Aan de hand van voormelde uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige inkomen van de vrouw op een bedrag ter hoogte van € 3.010 ,= per maand. Het NBI van de vrouw wordt verhoogd met het kind gebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop waarvoor zij thans in aanmerking komt. Het totale NBI van de vrouw bedraagt aldus € 3.949,=. Dit NBI volgt overigens ook uit de draagkrachtberekeningen die door advocaten ter zitting zijn overgelegd.\n\nDraagkrachtvergelijking;\n\n2.21.. De draagkracht van de man is volgens vorenstaande formule € 699,= per maand. De draagkracht van de vrouw bedraagt volgens de formule € 1.046,= per maand.\n\n2.22.. \n\nDe verdeling van de kosten van de minderjarigen over de onderhoudsplichtigen wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte van de minderjarigen, oftewel:\n\nhet aandeel van de man bedraagt: € 699 \u002F € 1.745 x € 1.731 = € 693,=;\n\nhet aandeel van de vrouw bedraagt: € 1.046 \u002F € 1.745 x € 1.731 = € 1.038,=.\n\nZorgkorting;\n\n2.23.. Partijen zijn het erover eens dat er geen zorgkorting van toepassing is. Dit betekent dat de man tot het volledige bedrag van zijn draagkracht, zijnde € 693,= ofwel € 231,= per kind per maand in de kosten van de minderjarigen moet voorzien. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw dan ook deels toewijzen.\n\nIngangsdatum;\n\n2.24.. De rechtbank zal de verplichting tot betaling van die bijdrage laten ingaan op 26 juni 2024, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift, nu de man vanaf dat moment rekening kon houden met de vaststelling van een bijdrage en deze ingangsdatum tussen partijen verder ook niet in geschil is.\n\nIn de procedure FA RK 25-4561;\n\n2.25.. Partijen zijn op 25 april 2008 met elkaar gehuwd. Voorafgaand aan het huwelijk hebben partijen huwelijkse voorwaarden opgemaakt bij akte op 23 april 2008. Deze akte is verleden door [notaris] , notaris te [plaats 1] . De huwelijkse voorwaarden houden een gemeenschap van inboedel in, met uitsluiting van elke andere gemeenschap van goederen.\n\n2.26.. Partijen hebben na een schorsing ter zitting overeenstemming bereikt. Partijen zijn overeengekomen dat de voormalige echtelijke woning staande en gelegen te [plaats 1] , gemeente Borsele, [adres] , zal worden verkocht en dat de man (van zijn deel van de verkoopopbrengst) eenmalig een bedrag van € 6.000,= zal voldoen aan de vrouw. Partijen stellen dat daarmee de huwelijkse voorwaarden zijn afgewikkeld. Partijen hebben voornoemde afspraken nader uitgewerkt en vastgelegd in de door mr. Kalle bij F-formulier van 31 maart 2026 ter kennisneming ingediende door partijen ondertekende vaststellingsovereenkomst.\n\n2.27.. Nu partijen overeenstemming hebben bereikt, welke mede is vastgelegd in een door hen opgemaakte vaststellingsovereenkomst, zullen de verzoeken van partijen worden afgewezen. Mr. Kalle heeft met instemming van mr. Planthof aangegeven dat het niet de bedoeling is dat de vaststellingsovereenkomst aan de beschikking wordt gehecht. De rechtbank laat dit dan ook achterwege. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat partijen aan de door hen overeengekomen afspraken zijn gebonden.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nbepaalt dat de regie over de zorgregeling en over de informatieregeling betreffende de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2009, [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2011, en [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 3] 2016, bij de GI zal zijn;\n\nbepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarigen op € 231,= per kind per maand, met ingang van 26 juni 2024;\n\nverklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\nwijst af hetgeen meer of anders is verzocht.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Holierhoek, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026, in tegenwoordigheid van De Pooter, griffier.\n\nMededeling van de griffier:\n\nIndien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:\n\ndoor de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,\n\ndoor andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.\n\nHet hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5441","2026-06-20T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:33.438Z",{"id":146,"ecli":147,"slug":148,"caseNumber":43,"courtId":149,"decisionDate":140,"fullText":150,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":151,"sourceTimestamp":143,"parsedAt":51,"updatedAt":152},"399","ECLI:NL:RBZWB:2026:5413","ecli-nl-rbzwb-2026-5413",64,"vonnisRECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nC\u002F02\u002F430758 \u002F HA ZA 25-3226 maart 2025\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nBreda\n\nzaaknummer \u002F rolnummer: C\u002F02\u002F430758 \u002F HA ZA 25-32\n\nVonnis van 20 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n [de vrouw],\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\neiseres,\n\nadvocaat mr. M.A. Breewel-Witteveen te Goes,\n\ntegen\n\n [de man],\n\nwonende op het [adres] , [woonplaats 2] ),\n\ngedaagde,\n\nniet verschenen.\n\nPartijen worden hierna de vrouw en de man genoemd.\n\n1. De procedure1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n het tussenvonnis van 23 juli 2025 en alle daarin vermelde stukken;\n\n de akte uitlaten rechtsmacht en toepasselijk recht van de zijde van de vrouw;\n\n de mondelinge behandeling op 19 november 2025;\n\n de akte uitlaten en wijzigen eis van de zijde van de vrouw;\n\n het op 27 januari 2026 aan de man uitgebrachte betekeningsexploot.\n\n1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. Het geschil2.1. Na wijziging van eis vordert de vrouw nu, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nter zake de polis bij Aegon met nummer [nummer 1]\n\nI. voor recht te verklaren dat de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap na echtscheiding nog niet volledig heeft plaatsgevonden, maar dat de polis bij Aegon (polisnummer [nummer 1] ), als ook de verdeling van het tijdens huwelijk door de man opgebouwde pensioen bij de Stichting Pensioenfonds Hoogovens met polisnummer [nummer 2] \u002F [nummer 3] nog uitgevoerd moet worden;\n\nII. de man te veroordelen aan de vrouw te betalen haar aandeel uit de nog onverdeelde waarde uit de polis bij Aegon ten bedrage van (50% van € 40.325,=) € 20.162,50, althans (50% van € 39.171,98) € 19.585,99, althans een nader te bepalen bedrag, te voldoen binnen twee weken na dit vonnis, bij uitblijven waarvan de man in verzuim is en over het toe te kennen bedrag de wettelijke rente verschuldigd is vanaf de dag dat de man in verzuim is tot de dag der algehele voldoening;\n\nter zake het pensioen bij Stichting Pensioenfonds Hoogovens\n\nprimair\n\nIII. te bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt van de medewerking en uitvoering van de man aan het betalen van het aan de vrouw toekomende aandeel uit de maandelijks door de man te ontvangen pensioenuitkering van de Stichting Pensioenfonds Hoogovens (met polisnummer [nummer 2] \u002F [nummer 3] ), in die zin dat de Stichting Pensioenfonds Hoogovens rechtstreeks aan de vrouw zal voldoen haar aandeel uit de maandelijks door de man te ontvangen pensioenuitkeringen van de Stichting Pensioenfonds Hoogovens vanaf de dag dat de man de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, voor de toekomst bij vooruitbetaling voor de eerste van elke maand te voldoen;\n\nsubsidiair\n\nIV. de man te verplichten aan de vrouw opgave te doen van de aan hem toekomende pensioenuitkering van de Stichting Pensioenfonds Hoogovens binnen twee weken na dit vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van € 250,= per dag dat de man nalatig is uitvoering te geven aan de veroordeling tot het doen van opgave aan de vrouw van de aan hem toekomende pensioenuitkering, met een maximum van € 50.000,=, althans een nader te bepalen dwangsom;\n\nV. de man te veroordelen aan de vrouw te betalen haar aandeel uit de maandelijks door de man te ontvangen pensioenuitkering van de Stichting Pensioenfonds Hoogovens (met polisnummer [nummer 2] \u002F [nummer 3] ), voor zover dit pensioen door de man is opgebouwd tijdens het huwelijk van partijen, met ingang van de dag dat de man de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, voor de toekomst bij vooruitbetaling voor de eerste van elke maand te voldoen, bij uitblijven waarvan de man in verzuim is vanaf de eerste dag van elke maand dat de man niet heeft betaald en hij over het aan de vrouw toekomende aandeel van het door de man opgebouwde pensioen tijdens het huwelijk de wettelijke rente verschuldigd is vanaf de dag dat de man in verzuim is tot de dag der algehele voldoening;\n\nen overigens\n\nVI. de man te veroordelen in de proceskosten van het geding, waaronder het salaris van de advocaat van de vrouw, alsmede de nakosten\u002Fhet nasalaris.\n\n3. De nadere beoordelingBetekening \u002F verstekverlening\n\n3.1. Blijkens het (tussen)vonnis van 23 juli 2025 is tegen de man verstek verleend. Vervolgens heeft de vrouw bij akte van 14 januari 2026 haar vorderingen gewijzigd.\n\n3.2. Nu de man in de Dominicaanse Republiek woont, moet betekening gebeuren volgens de bepalingen in het Haags Betekeningsverdrag 1965. De rechtbank stelt vast dat zowel de dagvaarding als de akte van wijziging van eis op juiste wijze aan de man zijn betekend. Ook na de wijziging van eis is de man niet in de procedure verschenen. Voor zover nodig wordt in dit vonnis ter zake de gewijzigde vorderingen van de vrouw tegen de man verstek verleend.\n\n3.3. De rechtbank zal hierna beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot de vorderingen van de vrouw en zo ja, welk recht op die vorderingen van toepassing is.\n\nPolis bij Aegon, met nummer [nummer 1] (vorderingen onder I. en II.)\n\n3.4. De vrouw heeft gesteld dat partijen ten tijde van het huwelijk een beleggingspolis bij Aegon hadden (met nummer [nummer 1] ), welke tot de huwelijksgemeenschap behoorde. In het kader van de echtscheiding heeft de vrouw verzocht om over te gaan tot verdeling van de waarde van de polis door splitsing of afkoop, maar de man wilde hier niet aan meewerken. In de afgelopen jaren heeft de vrouw de man meerdere keren aangeschreven met het verzoek om alsnog tot verdeling van de waarde van de Aegon polis over te gaan. De vrouw maakt aanspraak op de helft van de waarde van de polis per datum echtscheiding, zijnde 22 juni 2015. Volgens de vrouw is de polis vanaf 20 mei 2021 tot uitkering gekomen. De waarde van de polis per 20 mei 2021 werd volgens de vrouw gegarandeerd tot in ieder geval € 40.325,=, waarvan aan haar de helft toekomt, zijnde een bedrag van € 20.162,=.\n\n3.5. De vordering van de vrouw onder I., voor zover deze betrekking heeft op de Aegon polis, en de vordering onder II. strekken, kort samengevat, tot verdeling van de waarde van de polis van Aegon. Deze vorderingen vloeien voort uit het staken van de huwelijksband tussen partijen. Gelet hierop moet de rechtsmacht beoordeeld worden aan de hand van de Huwelijksvermogensrechtverordening. Op grond van het bepaalde in artikel 6 onder b van deze verordening heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht, omdat de laatste gewone verblijfplaats van de echtgenoten in Nederland was en de vrouw daar op het tijdstip van het aanbrengen van de zaak nog verblijft.\n\n3.6. De vraag welk recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime moet worden beantwoord aan de hand van het Chelouche-Van Leer arrest (HR 10 december 1976, NJ 1977, 275), omdat het huwelijk van partijen is gesloten voor 1 september 1992 en het Haags Huwelijskvermogensverdrag niet van toepassing is. Op het huwelijksvermogensregime is Nederlands recht van toepassing, omdat beide partijen ten tijde van huwelijkssluiting beiden de Nederlandse nationaliteit hadden.\n\n3.7. De toepasselijkheid van het Nederlandse recht brengt mee dat partijen waren gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. De rechtbank begrijpt dat de vrouw alsnog verdeling van de waarde van de polis van Aegon vordert in die zin dat de polis aan de man moet worden toegedeeld, onder gehoudenheid de helft van de waarde aan de vrouw te voldoen. Met betrekking tot de Aegon polis kunnen de vorderingen van de vrouw onder I. en II. als niet weersproken worden toegewezen op de wijze als hierna in het dictum is verwoord.\n\nPensioen (vorderingen onder I., III., IV. en V.)\n\n3.8. De vorderingen van de vrouw met betrekking tot het pensioen strekken tot verevening van het door de man tijdens het huwelijk bij Stichting Pensioenfonds Hoogovens opgebouwde pensioen en op de uitvoering van die verevening.\n\n3.9. Gelet op de woonplaats van de man in de Dominicaanse Republiek zijn er geen verdragen of EU-verordeningen van toepassing die het onderwerp van de pensioenverevening tussen voormalige echtgenoten bestrijken. De rechtsmacht van de Nederlandse rechter zal dan ook op grond van artikel 1 Rv moeten worden beoordeeld volgens de regels van het Nederlandse commune internationaal bevoegdheidsrecht, zoals neergelegd in de artikelen 2 tot en met 14 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv.).\n\n3.10. De vrouw betoogt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht kan ontlenen aan artikel 9, aanhef en onder c, Rv., omdat de zaak voldoende met de Nederlandse rechtssfeer is verbonden en het onaanvaardbaar is om van de vrouw te vergen dat zij de zaak aan het oordeel van een rechter in de Dominicaanse Republiek onderwerpt. Ook is de Nederlandse rechter volgens de vrouw bevoegd omdat de vorderingen verband houden met Nederlandse pensioenrechten en Nederlands huwelijksvermogensrecht.\n\n3.11. De rechtbank stelt vast dat artikel 9 Rv. twee cumulatieve voorwaarden stelt voor de uitoefening van een noodbevoegdheid door de Nederlandse rechter, te weten: (i) de zaak is voldoende verbonden met de rechtssfeer van Nederland en (ii) het is onaanvaardbaar om van de eiser te vergen dat hij de zaak aan het oordeel van een rechter van een vreemde staat onderwerpt. Voldoende binding met Nederland volgt uit het feit dat de vrouw haar gewone verblijfplaats heeft in Nederland en dat de vordering van de vrouw ziet op pensioen dat in Nederland en bij een Nederlands pensioenfonds (Stichting Pensioenfonds Hoogovens) is opgebouwd. Daarnaast ontvangt de vrouw een bijstandsuitkering en kan naar het oordeel van de rechtbank niet van haar gevergd worden dat zij een gerechtelijke procedure gaat voeren in de Dominicaanse Republiek. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank van oordeel is dat is voldaan aan de vereisten van artikel 9, aanhef en onder c, Rv., zodat aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt.\n\n3.12. Vervolgens moet beoordeeld worden welk recht van toepassing is op de vorderingen van de vrouw. In artikel 10:51 BW is bepaald dat de vraag, of een echtgenoot bij scheiding recht heeft op een deel van de door de ander opgebouwde pensioenaanspraken, in beginsel wordt beheerst door het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van de echtgenoten. Een uitzondering wordt gevormd door artikel 1 lid 7 van de Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding (WVPS), dat bepaalt dat de Nederlandse wet de Verevening beheerst van pensioenrechten die opgebouwd zijn ingevolge een pensioenregeling als bedoeld in artikel 1 lid 4-6 WVPS.\n\n3.13. De vrouw heeft onweersproken gesteld dat de man in Nederland voor verevening vatbare pensioenrechten heeft opgebouwd, te weten bij Stichting Pensioenfonds Hoogovens. Derhalve is Nederlands recht van toepassing op de vordering van de vrouw ter zake de verevening van het pensioen.\n\n3.14. Overeenkomstig de vordering van de vrouw (onder I.) zal de rechtbank voor recht verklaren dat het door de man tijdens het huwelijk van partijen bij Stichting Pensioenfonds Hoogovens (polisnummer [nummer 2] \u002F [nummer 3] ) opgebouwde pensioen nog niet is verevend. Dit nu door de man geen verweer is gevoerd tegen de vordering van de vrouw.\n\n3.15. Ook het door de vrouw onder III. gevorderde zal als niet weersproken worden toegewezen. Nu het door de vrouw primair gevorderde wordt toegewezen, behoeven de subsidiaire vorderingen onder IV. en V. geen verdere bespreking. Deze subsidiaire vorderingen zullen worden afgewezen.\n\nProceskosten (vordering onder VI.)\n\n3.16. De vrouw vordert de man te veroordelen in de proceskosten van het geding, waaronder het salaris van de advocaat en nakosten.\n\n3.17. In zaken tussen ex-echtgenoten is het gebruikelijk dat de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt. De rechtbank ziet op dit moment geen aanleiding om af te wijken van dit uitgangspunt. De vordering van de vrouw zal worden afgewezen en de proceskosten zullen tussen partijen worden gecompenseerd.\n\n3.18. De rechtbank begrijpt dat de vrouw tevens vergoeding van nakosten wenst, maar ingevolge artikel 8 van het liquidatietarievenbesluit bestaat in geval van proceskostencompensatie geen aanspraak op vergoeding van nakosten. Ook deze vordering zal worden afgewezen.\n\n4. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n4.1. verleent verstek tegen de man;\n\n4.2. verklaart voor recht dat de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap na echtscheiding nog niet volledig heeft plaatsgevonden, maar dat de verdeling van de polis bij Aegon, met nummer [nummer 1] nog uitgevoerd moet worden;\n\n4.3. deelt de polis bij Aegon met nummer [nummer 1] toe aan de man, onder de verplichting van de man om de helft van de waarde van € 40.325,= aan de vrouw te betalen, zijnde een bedrag van € 20.162,50;\n\n4.4. veroordeelt de man om, binnen twee weken na dit vonnis, ter zake de onverdeelde waarde van de hiervoor genoemde polis bij Aegon een bedrag van € 20.162,50 (twintigduizend eenhonderdentweeënzestig euro en vijftig eurocent) aan de vrouw te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag dat de man in verzuim is tot de dag van algehele betaling;\n\n4.5. verklaart voor recht dat de verevening van het tijdens het huwelijk door de man opgebouwde pensioen bij de Stichting Pensioenfonds Hoogovens met polisnummer [nummer 2] \u002F [nummer 3] nog uitgevoerd moet worden;\n\n4.6. bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de medewerking en uitvoering van de man aan het betalen van het aan de vrouw toekomende aandeel uit de maandelijks door de man te ontvangen pensioenuitkering van de Stichting Pensioenfonds Hoogovens, uit de polis met nummer [nummer 2] \u002F [nummer 3] , op die manier dat de Stichting Pensioenfonds Hoogovens rechtstreeks aan de vrouw zal voldoen haar aandeel uit de maandelijks door de man ter zake voormeld polisnummer te ontvangen pensioenuitkeringen van de Stichting Pensioenfonds Hoogovens vanaf de dag dat de man de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen voor de eerste van elke maand;\n\n4.7. verklaart de beslissingen hiervoor onder 4.3., 4.4. en 4.5. uitvoerbaar bij voorraad;\n\n4.8. compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;\n\n4.9. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Meyboom, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026 in tegenwoordigheid van Van der Burgt-de Klerk,\n\n griffier.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5413","2026-07-13T00:28:27.849Z",{"id":154,"ecli":155,"slug":156,"caseNumber":43,"courtId":139,"decisionDate":157,"fullText":158,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":159,"sourceTimestamp":107,"parsedAt":51,"updatedAt":160},"1831","ECLI:NL:RBZWB:2026:5175","ecli-nl-rbzwb-2026-5175","2026-05-12T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nMiddelburg\n\nZaaknummers: C\u002F02\u002F434457 \u002F FA RK 25-2019 (echtscheiding) en\n\nC\u002F02\u002F440942 \u002F FA RK 25-5329 (boedel)\n\nbeschikking d.d. 12 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n [de man],\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\nhierna te noemen de man,\n\nadvocaat mr. F.L.I. de Vleesschauwer te Terneuzen,\n\nen\n\n [de vrouw],\n\nwonende te [woonplaats 2] ,\n\nhierna te noemen de vrouw,\n\nadvocaat mr. R.P.H.W. Haas te Heerlen.\n\n1 Het procesverloop\n\nin beide zaken\n\n1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:\n\n- het op 15 april 2025 ontvangen verzoekschrift tot echtscheiding, met producties;\n\n- het verweerschrift echtscheiding tevens houdende zelfstandige verzoeken, ontvangen op 9 juli 2025, met producties;\n\n- het op 1 augustus 2025 ontvangen verweerschrift tevens zelfstandige verzoeken, met producties;\n\n- het op 18 september 2025 ontvangen verweerschrift op zelfstandig verzoek, met bijlagen;\n\n- het F-formulier van 30 december 2025 van de kant van de vrouw, met bijlagen;\n\n- het F-formulier van 15 januari 2026 van de kant van de man, met een productie, met producties.\n\n1.2 De verzoeken zijn behandeld op de mondelinge behandeling van 29 januari 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat.\n\n1.3. Na de mondelinge behandeling is – overeenkomstig daartoe tijdens die behandeling gemaakte afspraken – door de vrouw nog een akte houdende nadere producties overgelegd. De man heeft daarop bij akte uitlaten producties gereageerd. Daarna heeft de vrouw eigener beweging nog een akte houdende nadere productie genomen; nu de man bij brief op deze akte heeft gereageerd, zal de rechtbank deze akte – en ook de brief van de man – bij de beoordeling van de verzoeken betrekken.\n\n2 De feiten\n\nin beide zaken\n\n2.1. Partijen zijn op [datum] 1996 in het Marokkaanse consulaat te [plaats 1] , Duitsland, met elkaar gehuwd. Partijen hebben beiden de Marokkaanse nationaliteit; daarnaast heeft de man de Nederlandse nationaliteit en de vrouw de Duitse.3. De verzoeken\n\nin beide zaken\n\n3.1.. \n\nDe man verzoekt de rechtbank\n\n(I) om tussen partijen de echtscheiding uit te spreken,\n\nen voorts – na vermeerdering van zijn verzoeken – om, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nII. de vrouw te veroordelen om binnen twee weken na de beschikking medewerking te verlenen aan het verstrekken van een opdracht tot bemiddeling aan een lokale makelaar in de omgeving [woonplaats 2] met betrekking tot de verkoop van de woning, gelegen aan de [adres] , te [woonplaats 2] (hierna: de woning);\n\nIII. de vrouw te veroordelen om vervolgens medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning tegen een zo hoog mogelijke opbrengst, één en ander te bepalen door de betreffende makelaar;\n\nIV. de vrouw te veroordelen om de woning uiterlijk twee weken voor de levering leeg, ontruimd en in goede staat achter te laten en niet verder te betreden;\n\nV. de man te machtigen, indien de vrouw niet tijdig voldoet aan hetgeen is bepaald in II en III, de beschikking in de plaats te doen stellen van het deel van de schriftelijke bemiddelingsovereenkomst, de schriftelijke koopovereenkomst of de notariële akte van levering, waaruit moet blijken van de wilsverklaring van de vrouw dat zij opdracht geeft tot bemiddeling, de woning (mede) verkoopt c.q. (mede) levert aan de koper(s).\n\nDe man heeft zich verweerd tegen de verzoeken van de vrouw, hierna in rechtsoverweging 3.2 weergegeven onder B.\n\n3.2.. \n\nDe vrouw verweert zich niet tegen het verzoek onder (I) van de man. Bij zelfstandige verzoeken vraagt zij de rechtbank om bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nA. tussen partijen de echtscheiding uit te spreken, subsidiair een scheiding van tafel en bed;\n\nB. primair:te bepalen dat de man ex art. 3:194 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW), zijn aandeel in het onroerend goed te Marokko, de bank- en spaarrekeningen inclusief saldo in Marokko, de inboedel en de auto verbeurt aan de vrouw, nu de man opzettelijk diverse bedragen c.q. de genoemde vermogensbestanddelen heeft weggemaakt in het vooruitzicht van de echtscheiding (verzwijging c.q. zoek maken c.q. verborgen houden) ten einde de vrouw te benadelen, althans ex art. 1:164 BW te bepalen dat de man de gemeenschap binnen zes maanden voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding goederen van de gemeenschap heeft verspild en hierdoor de gemeenschap heeft benadeeld door diverse geldbedragen c.q. vermogensbestanddelen zonder toestemming van de vrouw over te boeken naar derden en\u002Fof verborgen te houden, zodat de man verplicht is deze geldbedragen en vermogensbestanddelen aan de huwelijksgoederengemeenschap te vergoeden;\n\nsubsidiair:\n\n1. te bepalen dat de woning door [taxateur] dan wel door een door de rechtbank aan te wijzen deskundige zal worden getaxeerd op basis van de huidige vrije onderhandse verkoopwaarde, waarna de woning aan de vrouw zal worden toegedeeld;\n\n2. de hypotheek welke rust op de woning aan de vrouw toe te scheiden, onder de verplichting van de vrouw om de man te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid;\n\n3. de man te veroordelen tot overlegging van verificatoire (eigendoms)stukken ten aanzien van het appartementencomplex te Marokko alsmede ten aanzien van de bankrekeningen te Marokko inclusief saldi per peildatum, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per dag of gedeelte van de dag dat de man hiermee in gebreke blijft;\n\n4. te bepalen dat het appartementencomplex te Marokko behoort tot de te verdelen huwelijksgoederengemeenschap en dat dit appartementencomplex door een door de rechtbank aan te wijzen onafhankelijk deskundige zal worden getaxeerd op basis van de huidige vrije onderhandse verkoopwaarde, waarna dit onroerend goed aan de man zal worden toebedeeld onder verrekening van de overwaarde tussen partijen van zowel de voormalige echtelijke woning als het appartementencomplex;\n\n5. te bepalen dat de spaarrekening(en) in Marokko aan de man kan\u002Fkunnen worden toegedeeld en de bankrekening van de vrouw bij ING aan de vrouw kan worden toegedeeld onder verrekening van de saldi tussen partijen bij helfte, per peildatum;\n\n6. te bepalen dat de personenauto, merk Jeep, aan de man zal worden toegedeeld onder de verplichting van de man om de helft van de waarde aan de vrouw te voldoen;\n\n7. te bepalen dat de inboedel van de voormalige echtelijke woning aan de vrouw wordt toebedeeld en de inboedel in de woning van de man in Marokko aan de man wordt toebedeeld;\n\nmeer subsidiair: een zodanige verdeling vast te stellen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.\n\n3.3.. Op de standpunten van partijen zal hierna, voor zover nodig, nader worden ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nin de zaak met nummer C\u002F02\u002F434457 \u002F FA RK 25-2019\n\nEchtscheiding\n\nbevoegdheid en toepasselijk recht\n\n4.1.. Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de gewone verblijfplaats van ten minste één van partijen zich in Nederland bevond, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.\n\n4.2.. Op grond van artikel 10:56 BW is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.\n\n4.3.. Beide partijen verzoeken de echtscheiding in hun huwelijk uit te spreken. Zij hebben beiden gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Het verzoek tot echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen.\n\nin de zaak met nummer C\u002F02\u002F440942 \u002F FA RK 25-5329\n\nVerdeling van de huwelijksgoederengemeenschap\n\nbevoegdheid en toepasselijk recht\n\n4.4.. De rechtbank heeft rechtsmacht om van de verzoeken van de man kennis te nemen, omdat de rechtbank rechtsmacht had ten aanzien van het echtscheidingsverzoek (artikel 4 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering)\n\n4.5.. Volgens het Nederlandse internationaal privaatrecht wordt het toepasselijk recht op het huwelijksgoederenregime bepaald door het Verdrag van 14 maart 1987, Trb. 1988,130, inzake het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime (hierna te noemen: Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978). Dit verdrag, dat op 1 september 1992 in werking is getreden, geldt voor echtgenoten die – zoals partijen – na 1 september 1992 in het huwelijk zijn getreden dan wel na die datum het toepasselijke recht op hun huwelijksvermogensregime hebben aangewezen.\n\n4.6.. Partijen hebben vóór of tijdens het huwelijk geen (geldige) rechtskeuze gemaakt overeenkomstig artikelen 3 en 6 van Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978. Partijen hadden ten tijde van de huwelijkssluiting allebei de Marokkaanse nationaliteit. De vrouw had toen ook al de Duitse nationaliteit. De man heeft in 1997 naast de Marokkaanse ook de Nederlandse nationaliteit verkregen. Partijen zijn (kort) na de huwelijkssluiting in Nederland gaan wonen.\n\n4.7.. Partijen hadden aldus ten tijde van de huwelijkssluiting een gemeenschappelijke nationaliteit, namelijk de Marokkaanse, terwijl hun gewone verblijfplaats na het huwelijk was gelegen in Nederland. Marokko is een zgn. nationaliteitsland en Nederland heeft een verklaring op grond van artikel 5 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 afgelegd. Dit betekent dat ten tijde van de huwelijkssluiting op grond van artikel 4 lid 2 onder a van dat verdrag Marokkaans recht van toepassing is op het huwelijksgoederenregime van partijen.\n\n4.8.. \n\nVervolgens is de vraag of op enig moment alsnog op het huwelijksgoederenregime van partijen Nederlands recht van toepassing is geworden. Artikel 7 lid 2 onder 1 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 bepaalt immers:\n\n“Het recht dat op grond van de bepalingen van het Verdrag van toepassing is, blijft van toepassing zolang de echtgenoten geen ander toepasselijk recht hebben aangewezen, zelfs in geval van wijziging van hun nationaliteit of gewone verblijfplaats.\n\nIndien de echtgenoten echter noch het toepasselijke recht hebben aangewezen, noch huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt, wordt in plaats van het recht waaraan hun huwelijksvermogensregime tevoren was onderworpen het interne recht van de Staat waar de echtgenoten beiden hun gewone verblijfplaats hebben, toepasselijk 1. vanaf het tijdstip waarop zij daar hun gewone verblijfplaats vestigen, indien de nationaliteit van die Staat hun gemeenschappelijke nationaliteit is, dan wel vanaf het tijdstip waarop zij die nationaliteit verkrijgen, of 2. wanneer zij na het huwelijk gedurende meer dan tien jaar daar hun gewone verblijfplaats hebben gehad, of 3. vanaf het tijdstip waarop zij daar hun gewone verblijfplaats vestigen, indien hun huwelijksvermogensregime uitsluitend op grond van artikel 4, tweede lid, onder 3, was onderworpen aan het recht van de Staat van hun gemeenschappelijke nationaliteit.”4.9.. Nu partijen na de huwelijkssluiting Nederland als gewone verblijfplaats hadden, is dus na tien jaar gewone verblijfplaats in Nederland – dat wil zeggen: op [datum] 2006 – voldaan aan de vereisten voor een automatische wijziging overeenkomstig artikel 7, aanhef, sub 2 van het Verdrag van het op het huwelijksgoederenregime van partijen toepasselijke recht naar Nederlands recht.\n\n4.10.. Het vorenstaande betekent dat voor de tijdens het huwelijk door (een van) partijen verkregen goederen dan wel aangegane schulden geldt, dat zover deze goederen zijn verkregen of deze schulden zijn aangegaan vóór [datum] 2006; op de afwikkeling daarvan Marokkaans recht van toepassing is. Aangezien het Marokkaanse recht geen gemeenschap van goederen kent, betekent het vorenstaande voor die goederen\u002Fschulden dat deze blijven bij degene die ze had, heeft verkregen of is aangegaan. Vanaf [datum] 2006 geldt voor partijen het Nederlandse huwelijksvermogensrecht, hetgeen betekent – nu zij geen huwelijkse voorwaarden zijn aangegaan – dat er sprake is van een gemeenschap van goederen.\n\ninhoudelijk\n\n4.11.. Voor de vaststelling van de omvang van de (sinds [datum] 2006 tussen partijen ontstane) bij de verdeling te betrekken huwelijksgoederengemeenschap geldt als peildatum de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend, dus 15 april 2025.\n\n4.12.. De vrouw heeft de navolgende goederen genoemd als vermogensbestanddelen van de tussen partijen bestaan hebbende huwelijksgoederengemeenschap behoren: - de woning, gelegen aan de [adres] te [woonplaats 2] ; - een appartementencomplex met grond, gelegen in [plaats 2] , Marokko; - spaartegoeden in Marokko op naam man, groot € 803.737,--; - een bankrekening op naam van de vrouw, met een saldo van € 784,15; - een auto, Jeep, in gebruik bij de man, met een waarde van € 40.000,--; - de inboedel van de woning [woonplaats 2] en van die in Marokko. Daarnaast noemt zij als in de gemeenschap vallende schuld: - hypothecaire schuld bij Woonfonds, groot € 31.346,--.. De man betwist dat de door de vrouw genoemde vermogensbestanddelen in Marokko (het appartement en de spaartegoeden) en de auto tot de huwelijksgoederengemeenschap van partijen behoren; hij stelt dat deze zaken er helemaal niet zijn.\n\n4.13.. De rechtbank zal eerst ingaan op het verzoek van de vrouw (onder B, primair), om te bepalen dat de man zijn aandeel in een aantal door haar genoemde vermogensbestanddelen aan haar heeft verbeurd, zulks op grond van het bepaald in artikel 3:194 lid 2 BW, dan wel te bepalen dat de man op grond van artikel 1:164 BW gehouden is de vrouw door hem (gedurende de laatste zes maanden voor de indiening van het echtscheidingsverzoek) verspilde geldbedragen en goederen aan haar te vergoeden.\n\n4.14.. Artikel 3:194, lid 2 BW bepaalt dat een deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, zijn aandeel in die goederen aan de andere deelgeno(o)t(en) verbeurt. De vrouw stelt dat de man verzwijgt dan wel verborgen houdt, dat in Marokko tot de gemeenschap behorende vermogensbestanddelen aanwezig zijn; zij noemt een stuk grond met daarop een appartement met inboedel, een spaarrekening met daarop een groot bedrag en een auto, Jeep. De man ontkent dat deze zaken er zijn.\n\n4.15.. De rechtbank overweegt en beslist ten aanzien van deze zaken als volgt:|\n\nde onroerende zaak (met inboedel) in Marokko4.16.1. Vast staat dat de man in juli 2006 in [plaats 2] , Marokko een tweetal stukken grond heeft gekocht. Gelet op het hiervoor onder 4.10 overwogene is die grond toen niet in een huwelijksgoederengemeenschap van partijen gevallen; de grond werd eigendom van alleen de man 4.16.2. De vrouw stelt dat de man op de grond een appartementencomplex heeft gebouwd, welk complex, zo stelt zij, tot de huwelijksgoederengemeenschap behoort. De man betwist dat; hij stelt de grond in 2010 te hebben verkocht. Hij heeft van die gestelde verkoop een stuk, in de vertaling geheten “Belofte tot verkoop” overgelegd. De vrouw betwist de betrouwbaarheid van dat stuk en stelt dat dit valselijk is opgemaakt. Dat de man (ver) na de datum van de “Belofte tot verkoop” nog over de grond beschikte en er een appartement op heeft gebouwd, kan, zo stelt de vrouw, worden afgeleid uit een door haar overgelegd stuk, waaruit blijkt dat in oktober 2018 aan de man voor de betreffende percelen een bouwvergunning is afgegeven. Van dit stuk heeft de man weer gesteld dat het valselijk is opgemaakt. De vrouw heeft diverse foto’s en beeldfragmenten overgelegd (zonder bezwaar daartegen zijdens de man), die de bouw, dan wel het bestaan van een gebouw laten zien. De vrouw stelt verder nadere kadastrale stukken in Marokko te hebben opgevraagd.. 4.16.3. De rechtbank is van oordeel dat met het door de man overgelegde stuk onvoldoende is komen vast te staan dat hij de grond heeft verkocht. Daarmee staat evenwel nog niet vast, dat de man op de grond een appartementencomplex heeft gebouwd. Weliswaar is hem – zo blijkt uit het door de vrouw overgelegde stuk, in 2018 een vergunning verleend, maar omdat de uitgewerkte bouwplannen, waarnaar genoemde vergunning verwijst en die bij die vergunning een bijlage zijn, niet zijn overgelegd, kan de rechtbank niet vaststellen waarop de bouwvergunning precies betrekking heeft. Of deze vergunning de bouw betreft van een appartementencomplex en dat die bouw zal plaatsvinden op de hier bedoelde grond van de man, kan de rechtbank niet vaststellen. Daarnaast kan ook uit de door de vrouw overgelegde foto’s en beeldfragmenten niet worden afgeleid (a) dat het daarop zichtbare gebouw wordt gebouwd op de hier bedoelde grond, (b) dat het de bouw betreft waarvoor genoemde bouwvergunning is verleend, en (c) dat de man bij die bouw betrokken was, terwijl voorts (d) niet blijkt dat de beelden zijn gemaakt in de door de vrouw genoemde – en door de man betwiste – jaren 2019 en 2020. Tenslotte moet worden vastgesteld dat het door de vrouw genoemde verzoek om kadastrale stukken uit Marokko– kennelijk – niet heeft geleid tot de verkrijging van stukken die erop wijzen dat er in [plaats 2] onroerende zaken op naam van de man zijn geregistreerd. De rechtbank ziet geen grond om nog langer op stukken te wachten. 4.16.4. Alles overziende oordeelt de rechtbank dat onvoldoende is komen vast te staan dat er op aan de man in eigendom toebehorende grond in [plaats 2] een appartementencomplex is gebouwd, dat onderdeel is van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen; dat zal dan ook voor een eventuele inboedel van dat complex gelden. Het door de vrouw aangeboden nadere bewijs – het als getuige doen horen van de zoon van partijen – zal hierin geen verandering kunnen brengen, nu de vrouw enkel heeft aangegeven dat de zoon kan verklaren over het bestaan van een appartementencomplex, maar niet van de omstandigheid dat dit complex onderdeel is geworden van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen. Dit bewijsaanbod zal dan ook worden gepasseerd. 4.16.5. Het verzoek van de vrouw om te bepalen dat de man de grond en een appartementencomplex in Marokko aan haar heeft verbeurd, zal op grond van het voorgaande moeten worden afgewezen.\n\nde spaarrekening met saldo in Marokko4.17.1. Uit de door de vrouw overgelegde stukken blijkt dat in Marokko een spaarrekening bestaat (of heeft bestaan) op naam van de man, met nr. [nummer 1] bij de Banque Populaire. Op deze rekening zijn in de jaren 2004 tot en met 2018 (grote) bedragen (tijdelijk) vastgezet, telkens voor één of twee jaar. In september 2018 bedroeg het saldo van deze rekening 8.500.000,-- MAD, zijnde de equivalent van € 803.734,--. De man betwist dat hij deze rekening heeft gehad – hij legt daartoe een verklaring over van de betreffende Banque Populaire, waarin wordt aangegeven dat de man bij die bank maar één bankrekening heeft, namelijk een rekening met [nummer 2] . 4.17.2. De door de man overgelegde verklaring is naar het oordeel van de rechtbank, in het licht van de door de vrouw over de bankrekening met eindcijfers 009 overgelegde stukken – die betrekking hebben op een periode van veertien jaar –, onvoldoende om op grond daarvan te moeten vaststellen dat de genoemde spaarrekening 009 er nooit is geweest. Dat betekent dat de rechtbank ervan uitgaat dat de rekening heeft bestaan en in 2018 het hierboven genoemde saldo had. De stellingen van de man moeten dan aldus worden begrepen, dat hij stelt dat die rekening\u002Fdat saldo er op de peildatum niet meer was. En het is dan aan de man – ook omdat de rekening op (alleen) zijn naam stond en werd aangehouden bij een bank in Marokko, waar partijen niet woonde maar waar, naar onbetwist is, de man al langere tijd verblijft – om toelichting te geven over wat er sinds 2018 met de rekening\u002Fhet saldo is gebeurd. De man heeft die toelichting niet gegeven; hij heeft enkel laten zien dat op dit moment de bankrekening niet meer bestaat. De rechtbank moet dan aannemen dat het saldo er nog wel is (zij het dat het mogelijk niet meer op de spaarrekening staat) en dat de man dat saldo bewust weghoudt uit deze (verdelings-)procedure. Vastgesteld moet dan worden dat het saldo onderdeel is van de te verdelen huwelijksgoederengemeenschap van partijen en dat de man ten aanzien van dat saldo handelt zoals is omschreven in artikel 3:194, lid 2 BW: hij verzwijgt het geld opzettelijk, dan wel houdt het opzettelijk verborgen. Hij verbeurt daarmee zijn aandeel in dit saldo, hetgeen tot gevolg moert hebben dat het saldo geheel toekomt taan de vrouw. Nu de man geen inzicht heeft gegeven in het verloop van het saldo na september 2018, kan de rechtbank niet anders dan uitgaan van het laatst bekende saldo. De man zal dus een bedrag van € 803.734,-- aan de vrouw dienen te betalen.\n\nde auto Jeep4.18.1. De vrouw heeft gesteld dat tot de gemeenschap behoort een auto, Jeep, die door de man (in Marokko) wordt gebruikt. De man heeft ontkent over een auto te beschikken. De vrouw heeft een foto van een Jeep – naar zij onbetwist heeft gesteld: gemaakt in 2025 – overgelegd, en voorts bij haar laatste akte een proces-verbaal van uitvoering (met vertaling in het Nederlands), waaruit blijkt dat door een daartoe bevoegde instantie op 8 april 2026 onderzoek is gedaan bij het voertuigenregistratie-kantoor te [plaats 2] en dat in dat onderzoek is vastgesteld dat daar een auto, Jeep, met [kenteken] op naam van de man is geregistreerd. In onderlinge samenhang beschouwd, leveren deze stukken voldoende bewijs op van de stelling van de vrouw dat de man op de peildatum over deze auto beschikte, en dat de auto dus tot de te verdelen huwelijksgoederengemeenschap behoort. 4.18.2. De man heeft nog twee stukken overgelegd, waaruit naar hij stelt blijkt dat de Jeep met genoemd kenteken bij een ander – en dus niet bij hem – in eigendom is. Deze stukken zijn echter in het Marokkaans gesteld en niet voorzien van een vertaling in het Nederlands; de rechtbank kan daardoor de juistheid van de stelling van de man niet uit die stukken afleiden. Wel ziet de rechtbank dat de stukken betrekking (lijken te) hebben op feiten van op en na 8 april 2026 (de datum waarop het door de vrouw overgelegde onderzoek is gedaan). De stukken zijn dan onvoldoende om het hiervoor vastgestelde – dat de auto op de peildatum in bezit van de man was en tot de huwelijksgoederengemeenschap behoord – te weerleggen. 4.18.3. De rechtbank gaat er dus vanuit, dat de auto onderdeel is van de huwelijksgoederen-gemeenschap van partijen. Dan moet worden vastgesteld dat de man ten aanzien van deze auto handelt zoals is omschreven in artikel 3:194, lid 2 BW: hij verzwijgt de auto opzettelijk, dan wel houdt deze opzettelijk verborgen. Hij verbeurt daarmee zijn aandeel in de auto, hetgeen feitelijk betekent dat die auto geheel zal toekomen aan de vrouw. De rechtbank zal aldus beslissen. Onder die omstandigheden is het niet meer nodig om een waarde van de auto vast te stellen.\n\n4.19.. Nu het primaire verzoek van de vrouw deels wordt afgewezen, komt de rechtbank toe aan de subsidiaire verzoeken. De verzoeken onder B, 1 en 2 hebben betrekking op de voormalige echtelijke woning aan de [adres] te [woonplaats 2] . Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling zijn partijen overeengekomen deze woning bindend te laten taxeren door een – door hen beide geaccordeerde – taxateur. Bij haar latere akte heeft de vrouw het van die taxatie opgemaakte rapport overgelegd; de man heeft zich met dit rapport akkoord verklaard. De waarde van de woning is door de taxateur vastgesteld op € 450.000,--; De vrouw heeft verzocht de woning aan haar toe te delen. Daarbij zal zij de op die woning rustende hypothecaire schuld als eigen schuld op zich nemen en voldoen, en de man doen ontslaan uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze schuld. Zij heeft gesteld tot de overname van de woning in staat te zijn; de man heeft dat betwist. Na de taxatie zijn partijen op deze discussie niet meer teruggekomen. De rechtbank zal daarom aannemen dat de woning – nu de waarde bekend is – voor die waarde (€ 450.000,--) aan de vrouw kan worden toegedeeld; zij zal daartoe beslissen en bepalen dat de vrouw de hypothecaire schuld (die onbetwist € 31.346,-- bedraagt) als haar eigen schuld op zich zal nemen en zal voldoen, onder de verplichting de man het doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze schuld. Wegens overbedeling zal de vrouw aan de man dienen uit te keren een bedrag van (€ 450.000,-- – € 31.346,--) : 2= € 209.327,--. De vrouw heeft verder – onder B, 7 verzocht de inboedel van de echtelijke woning zonder verrekening aan haar toe te delen. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling daarmee ingestemd. De rechtbank zal aldus beslissen.\n\n4.20.. De rechtbank zal het onbetwiste verzoek van de vrouw onder B, 5 om het saldo van de bankrekening op haar naam bij ING-bank met nr. [iban] aan haar toe te delen, toewijzen; de vrouw zal wegens overbedeling de helft van het saldo, dus (€ 784,15 : 2 =) € 397,08, aan de man dienen uit te keren. Het saldo op de bankrekening op naam van de man bij Banque Populaire in Marokko met [nummer 2] wordt – nu daartegen geen verweer is gevoerd – toegedeeld aan de man. Wegens overbedeling zal hij de helft van het saldo op de peildatum (15 april 2025) aan de vrouw dienen te vergoeden. Op grond van de door de man overgelegde bankafschriften kan het saldo op genoemde datum worden vastgesteld op 35.460,38 MAD, zijnde € 3.190,--. De man dient dus een bedrag van € 1.595,-- aan de vrouw uit te keren.\n\n4.21.. Aan de subsidiaire verzoeken betreffende de grond en het appartementencomplex (inclusief de inboedel) in Marokko, de bankrekeningen aldaar en de auto komt de rechtbank, gelet op hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 4.16, 4.17 en 4.18 is overwogen en beslist, niet toe.\n\n4.22.. Resumerend zal de rechtbank de wijze van verdelen van de tussen partijen bestaan hebbende huwelijksgoederengemeenschap als volgt vaststellen: ● de woning aan de [adres] te [woonplaats 2] (inclusief de inboedel) wordt toegedeeld aan de vrouw; zij zal de op die woning rustende hypothecaire schuld als eigen schuld op zich nemen en voldoen, en de man doen ontslaan uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze schuld. Wegens overbedeling zal de vrouw aan de man dienen uit te keren een bedrag van € 209.327,--; ● het saldo van de bankrekening bij ING-bank met nr. [iban] wordt toegedeeld aan de vrouw; wegens overbedeling zal de vrouw € 397,08, aan de man dienen uit te keren ● het saldo op de bankrekening met [nummer 2] bij Banque Populaire in Marokko wordt toegedeeld aan de man; wegens overbedeling zal de man een bedrag van € 1.595,-- aan de vrouw dienen uit te keren; ● het saldo van de spaarrekening met nr. [nummer 1] bij de Banque Populaire in Marokko komt geheel toe aan de vrouw; de man zal een bedrag van € 803.734,-- aan de vrouw dienen te betalen; ● de auto Jeep, met [kenteken] , komt geheel toe aan de vrouw; de man zal de auto aan de vrouw dienen af te geven.\n\n4.23.. De rechtbank zal overeenkomstig rechtsoverweging 4.19 beslissen, en afwijzen wat meer of anders is verzocht.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin de zaak met nummer C\u002F02\u002F434457 \u002F FA RK 25-2019\n\nspreekt de echtscheiding uit in het op [datum] 1996 tussen partijen in het Marokkaans consulaat te [plaats 1] gesloten huwelijk;\n\nin de zaak met nummer C\u002F02\u002F440942 \u002F FA RK 25-5329\n\nstelt – uitvoerbaar bij voorraad – de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaan hebbende huwelijksgoederengemeenschap als volgt vast:\n\n● de woning aan de [adres] te [woonplaats 2] (inclusief de inboedel) wordt toegedeeld aan de vrouw; zij zal de op die woning rustende hypothecaire schuld als eigen schuld op zich nemen en voldoen, en de man doen ontslaan uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze schuld. Wegens overbedeling zal de vrouw aan de man dienen uit te keren een bedrag van € 209.327,--; ● het saldo van de bankrekening bij ING-bank met nr. [iban] wordt toegedeeld aan de vrouw; wegens overbedeling zal de vrouw € 397,08, aan de man dienen uit te keren ● het saldo op de bankrekening met [nummer 2] bij Banque Populaire in Marokko wordt toegedeeld aan de man; wegens overbedeling zal de man een bedrag van € 1.595,-- aan de vrouw dienen uit te keren; ● het saldo van de spaarrekening met nr. [nummer 1] bij de Banque Populaire in Marokko komt geheel toe aan de vrouw; de man zal een bedrag van € 803.734,-- aan de vrouw dienen te betalen; ● de auto Jeep, met [kenteken] , komt geheel toe aan de vrouw; de man zal de auto aan de vrouw dienen af te geven.\n\nwijst af hetgeen meer of anders is verzocht.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Van Dijk, en, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.\n\nMededeling van de griffier:\n\nIndien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:\n\n- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,\n\n- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.\n\nHet hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het\n\ngerechtshof ’s-Hertogenbosch.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5175","2026-07-13T00:29:40.942Z",{"id":162,"ecli":163,"slug":164,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":165,"fullText":166,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":167,"sourceTimestamp":107,"parsedAt":51,"updatedAt":168},"905","ECLI:NL:RBNHO:2026:6975","ecli-nl-rbnho-2026-6975","2026-04-22T00:00:00.000Z","RECHTBANK Noord-Holland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Alkmaar\n\nZaaknummer: C\u002F15\u002F363642 \u002F HA ZA 25-176\n\nVonnis van 22 april 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nte [woonplaats] ,\n\neisende partij in conventie,\n\nverwerende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: de man,\n\nadvocaat: mr. H.I. Park,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nte [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: de vrouw,\n\nadvocaat: mr. V. Goudriaan.\n\nDe zaak in het kort\n\nPartijen hebben een affectieve relatie gehad. Zij hebben samengewoond in de woning, waarvan zij ieder voor de helft eigenaar zijn. In 2024 is de relatie van partijen beëindigd. Partijen zijn er niet in geslaagd onderling afspraken te maken over de verdeling van de woning. De rechtbank stelt de verdeling vast. Daarnaast beslist de rechtbank over een aantal geldvorderingen die partijen over en weer hebben ingesteld.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 1 oktober 2025;\n\n- de akte vermeerdering eis tevens overlegging van producties van de man;\n\n- het bezwaar van de vrouw tegen de akte vermeerdering eis;\n\n- de reactie daarop van de man;\n\n- de beslissing van de rechtbank van 9 februari 2026 over het toelaten van de vermeerdering van eis;\n\n- de aanvullende productie 10 van de vrouw;\n\n- de mondelinge behandeling van 13 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. De advocaat van de vrouw heeft spreekaantekeningen overgelegd en de vrouw heeft haar eis vermeerderd.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De man en de vrouw hebben vanaf april 2020 een affectieve relatie gehad. Zij woonden samen in een woning aan de [adres] ( [postcode] ) in [woonplaats] (hierna: de woning). De man en de vrouw zijn ieder voor de helft eigenaar van de woning.\n\n2.2.. De relatie van de man en de vrouw is in juli 2024 beëindigd.\n\n2.3.. In november 2024 is de man een kortgedingprocedure gestart, waarin hij het uitsluitend gebruik van de woning vorderde. Naar aanleiding van de zitting in kort geding hebben partijen afgesproken opdracht te geven voor een taxatie van de waarde van de woning. De woning is getaxeerd op € 405.000,-.\n\n2.4.. Op 20 januari 2025 heeft de man aan de vrouw bericht dat hij de woning kan herfinancieren en gevraagd of zij ook de wens heeft en in staat is de woning over te nemen. De vrouw heeft laten weten dat dit het geval is. Dit heeft niet tot (verdere onderhandelingen over) de overname van de woning door een van partijen geleid.\n\n2.5.. Bij kortgedingvonnis van 24 maart 2025 heeft de voorzieningenrechter de vordering van de man om hem het exclusieve gebruik van de woning toe te kennen, afgewezen.\n\n2.6.. Partijen zijn er ook daarna niet in geslaagd om onderling afspraken te maken over verdeling van de woning.\n\n3. Het geschil\n\nin conventie\n\n3.1.. De man vordert – samengevat en na wijziging van eis – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:\n\nPrimair\n\nI. bepaalt dat de woning tegen een waarde van € 405.000,-, of een nog te taxeren waarde, aan de man wordt toebedeeld, onder de verplichting om de vrouw te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de aan de woning verbonden hypothecaire geldlening;\n\nII. de vrouw veroordeelt om binnen acht weken nadat de man een bindend hypotheekadvies heeft ontvangen haar medewerking te verlenen aan een zo spoedig mogelijke levering van de woning;\n\nIII. bepaalt dat wanneer de vrouw haar medewerking niet verleent aan het onder II. gevorderde, dit vonnis op grond van artikel 3:300 BW in de plaats treedt van de benodigde medewerking van de vrouw aan die rechtshandelingen;\n\nSubsidiair\n\nIV. de vrouw veroordeelt om binnen 14 dagen na dit vonnis alle medewerking te verlenen aan een zo spoedig mogelijke verkoop en levering van de woning door onder meer een verkoopopdracht te geven aan Luca Makelaardij, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom;\n\nV. bepaalt dat, indien de door de rechtbank aangewezen makelaar zich terugtrekt, de man gerechtigd is een andere makelaar de verkoopopdracht te verstrekken en de vrouw ten aanzien van die makelaar gehouden is tot het onder IV. gevorderde;\n\nVI. bepaalt dat wanneer de vrouw weigert om medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning, dit vonnis in de plaats treedt van de voor de verkoop benodigde machtiging en handelingen van de vrouw;\n\nVII. de vrouw veroordeelt om medewerking te verlenen aan het opstellen en ondertekenen van de verkoopovereenkomst van de woning, waarbij de leveringstermijn door de kopers wordt bepaald, op straffe van verbeurte van een dwangsom;\n\nVIII. de vrouw veroordeelt om te verschijnen bij de door de kopers gekozen notaris op een door de notaris vast te stellen tijdstip, de voor de levering op te maken notariële akte te ondertekenen volgens de door de notaris juist geachte tekst en verder al hetgeen te doen en uit te voeren dat door de notaris voor de levering noodzakelijk wordt geacht, op straffe van verbeurte van een dwangsom;\n\nIX. bepaalt dat wanneer de vrouw haar medewerking niet verleent aan het onder VI. tot en met VIII. gevorderde, dit vonnis op grond van artikel 3:300 BW in de plaats treedt van de benodigde medewerking van de vrouw aan die rechtshandelingen;\n\nX. de vrouw veroordeelt de helft van de makelaarskosten en de helft van de notariskosten te betalen, alsmede de helft van eventuele andere kosten die verband houden met de verkoop en levering van de woning;\n\nXI. bepaalt dat de vrouw de notaris opdracht dient te geven de overwaarde van de woning bij helfte te delen, met dien verstande dat de man gerechtigd is om zijn vorderingen zoals omschreven onder XII en XIII op de vrouw met het aan haar toekomende deel van de verkoopopbrengst te verrekenen, op straffe van verbeurte van een dwangsom;\n\nZowel primair als subsidiair\n\nXII. bepaalt dat de vrouw de helft van € 88.056,58, derhalve een bedrag van € 44.028,29 aan de man dient te voldoen uit hoofde van door de man gedane investeringen in de woning, waarbij de man gerechtigd is om dit bedrag te verrekenen met de door hem aan de vrouw te betalen uitkoopsom, althans met het aan de vrouw toekomende deel van de verkoopopbrengst;\n\nXIII. bepaalt dat de vrouw gehouden is om over de periode van 1 juni 2025 tot aan het moment dat de man het exclusief gebruik krijgt over de woning, bij te dragen in de helft van de aan de woning verbonden lasten, te weten € 688,57, waarbij de man gerechtigd is om al hetgeen de vrouw te weinig heeft betaald te verrekenen met de door hem aan de vrouw te betalen uitkoopsom, althans met het aan de vrouw toekomende deel van de verkoopopbrengst;\n\nXIV. bepaalt dat de vrouw haar medewerking zal verlenen aan verrekening van de onder XII en XIII genoemde vorderingen met de door de man aan haar te betalen uitkoopsom, dan wel het aan de vrouw toekomende deel van de verkoopopbrengst, door de notaris opdracht te geven om de onder XII en XIII genoemde vorderingen in mindering te brengen op c.q. te verrekenen met de aan de vrouw toekomende uitkoopsom, dan wel aan de man te voldoen vanuit de aan de vrouw toekomende verkoopopbrengst;\n\nXV. bepaalt dat wanneer de vrouw haar medewerking niet verleent aan het onder XII, XIII en XIV gevorderde, dit vonnis op grond van artikel 3:300 BW in de plaats treedt van de benodigde medewerking van de vrouw aan die rechtshandelingen;\n\nXVI. bepaalt dat de goederen aan de man worden toebedeeld conform de door de man als productie 31 overgelegde inboedellijst;\n\nXVII. bepaalt dat de man het exclusieve woongenot van de woning zal hebben vanaf de datum van afgifte van dit vonnis, waarbij de man de volledige eigenaarslasten en gebruikerslasten voor zijn rekening neemt als gebruiksvergoeding en de vrouw de woning niet zonder toestemming van de man betreedt.\n\n3.2.. De vrouw voert verweer tegen de vorderingen van de man.\n\n3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\nin reconventie\n\n3.4.. De vrouw vordert – samengevat en na wijziging van eis – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:\n\nter zake van de geldlening\n\na. de man veroordeelt aan de vrouw de lening van € 6.500,- terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 november 2020 dan wel 24 juli 2025 tot aan de dag van algehele betaling en de wettelijke incassokosten van € 700,-;\n\nter zake van de gebruiksvergoeding\n\nprimair\n\nde man veroordeelt om aan de vrouw een gebruiksvergoeding te betalen die wordt berekend op vijf procent van de helft van de overwaarde per jaar, vanaf 27 juli 2025 en zolang de vrouw hoofdelijk verbonden is aan de hypothecaire geldlening;\n\nsubsidiair\n\nde man veroordeelt om aan de vrouw een gebruiksvergoeding te betalen die wordt berekend op de helft van de eigenaarslasten en gebruikerslasten van de woning, vanaf 27 juli 2025 en zolang de vrouw hoofdelijk verbonden is aan de hypothecaire geldlening;\n\nmeer subsidiair\n\nde man veroordeelt om aan de vrouw een gebruiksvergoeding te betalen ter hoogte van een bedrag dat de rechtbank redelijk acht;\n\nter zake van de verdeling van de woning\n\nprimair\n\n- bepaalt dat de woning zal worden verkocht aan een derde, waarbij de man binnen één week na afgifte van het vonnis drie erkende verkoopmakelaars aan de vrouw noemt, waarvan de vrouw er binnen één week daarna één uitkiest die belast wordt met de verkoop van de woning;\n\n- bepaalt dat, indien partijen niet binnen twee weken na de opdrachtbevestiging erin slagen om gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, de makelaar de vraagprijs bindend voor partijen vaststelt;\n\n- bepaalt dat als partijen geen overeenstemming kunnen bereiken over de verkoopprijs, partijen of één van hen aan de makelaar kunnen\u002Fkan verzoeken om de verkoopprijs bindend vast te stellen;\n\n- bepaalt dat, als de verkoopprijs bindend is vastgesteld, beide partijen verplicht zijn hun medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning aan de koper(s);\n\n- bepaalt dat iedere partij gehouden is de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering aan een derde te dragen;\n\n- bepaalt dat de netto-verkoopopbrengst gelijkelijk tussen partijen dient te worden verdeeld;\n\n- bepaald dat de man een dwangsom dient te betalen van € 300,- voor iedere dag dat hij geen medewerking verleent aan de verkoop van de woning;\n\n- bepaalt dat wanneer de man zijn medewerking niet verleent aan het onder f. gevorderde, het vonnis op grond van artikel 3:300 BW in de plaats treedt van de benodigde medewerking van de man aan die rechtshandelingen;\n\nsubsidiair\n\nde woning toedeelt aan de vrouw voor de waarde van € 420.000,- waarbij de overwaarde bij helfte tussen partijen wordt gedeeld, onder verplichting van de vrouw de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te ontslaan en onder voorwaarde dat partijen ter zake van de woning schriftelijk verklaren dat zij niets meer van elkaar te vorderen hebben;\n\nter zake van de vergoedingsrechten van de vrouw\n\nbepaalt dat de man aan de vrouw op grond van vergoedingsrechten een bedrag aan haar dient te betalen van € 17.830,44, dan wel een bedrag dat de rechtbank redelijk acht, vermeerderd met de wettelijke rente;\n\nter zake de proceskosten\n\nde man veroordeelt in de proceskosten, vermeerderd met de nakosten en wettelijke rente.\n\n3.5.. De man voert verweer tegen de vorderingen van de vrouw.\n\n3.6.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nin conventie en reconventie\n\n4.1.. Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.\n\nUitgangspunten\n\n4.2.. Partijen twisten over een groot aantal zaken. Deels gaat de discussie over de wijze waarop de gemeenschappelijke woning verdeeld moet worden, waarbij de vraag voorop staat of de man of de vrouw nog de gelegenheid moet krijgen om te proberen het aandeel van de ander in de woning over te nemen en zo ja, tegen welke waarde. Deels gaat de discussie over het exclusief gebruik van de woning en de vraag wie van partijen (welk deel van) de kosten van de woning moet betalen. Ook zijn er vorderingen ingesteld die zien op goederen op een inboedellijst en een geldlening. Ten slotte gaat het over vorderingen uit hoofde van vergoedingsrechten die partijen over en weer menen te hebben. Bij de beoordeling van al die geschilpunten gelden de volgende uitgangspunten.\n\n4.3.. In beginsel vindt verdeling van gemeenschappelijke goederen plaats op basis van de waarde van het betreffende goed ten tijde van de verdeling. Dat is slechts anders indien, kort gezegd, partijen iets anders overeenkomen of de redelijkheid en billijkheid zich hiertegen verzetten.\n\n4.4.. Waar het gaat om de diverse vorderingen\u002Fvergoedingsrechten die partijen op elkaar menen te hebben, is van belang dat partijen niet gehuwd waren en hun samenleving ook niet geregeld hadden in een samenlevingsovereenkomst. Daarmee zijn partijen zogenaamde informele samenlevers. Tussen partijen bestaat een eenvoudige gemeenschap in de zin van artikel 3:166 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Bij de beoordeling van de diverse vorderingen van partijen zal de rechtbank aan de hand van het algemene verbintenissenrecht moeten beoordelen of een partij ter zake van zijn\u002Fhaar uitgaven ten behoeve van de ander, zo deze vast komen te staan, een vergoedingsrecht jegens de ander geldend kan maken. Daarbij ligt het op de weg van degene die stelt een vorderingsrecht te hebben te stellen en zo nodig te bewijzen dat partijen daarover uitdrukkelijke dan wel stilzwijgende afspraken hebben gemaakt. Daarnaast is mogelijk dat een van de informeel samenlevenden, indien aan de voorwaarden van onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking is voldaan, op een van die gronden een aanspraak heeft op teruggave of vergoeding van bepaalde uitgaven die zijn gegeven aan of ten gunste zijn gekomen van de andere informeel samenlevende.\n\n4.5.. Verder bestaat tussen informeel samenlevenden een rechtsverhouding die mede door de redelijkheid en billijkheid wordt beheerst. Ook als ter zake van bepaalde uitgaven niet een vergoedingsrecht van de ene samenlevende jegens de andere samenlevende kan worden aangenomen op grond van een tussen partijen gesloten overeenkomst of op grond van de overige in Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek geregelde rechtsfiguren, kan zo’n vergoedingsrecht in verband met de bijzondere omstandigheden van het geval voortvloeien uit de in artikel 6:2 lid 1 BW bedoelde eisen van redelijkheid en billijkheid. Het ligt op de weg van de samenlevende die aanspraak maakt op vergoeding van een investering om de bijzondere feiten en omstandigheden te stellen die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat een vergoedingsrecht bestaat.4.6.. \n\nDe rechtbank zal in het vervolg van dit vonnis ingaan op de volgende geschilpunten:\n\n- de verdeling van de woning;\n\n- het exclusief gebruik van de woning;\n\n- de gebruiksvergoeding en de eigenaarslasten;\n\n- de vergoedingsrechten;\n\n- de inboedellijst;\n\n- de geldlening.\n\nDe verdeling van de woning\n\n4.7.. Partijen zijn het erover eens dat de woning die zij gezamenlijk in eigendom hebben, verdeeld moet worden. De man vordert dat de woning tegen een waarde van € 405.000,- aan hem wordt toebedeeld. De vrouw vordert primair dat de woning aan een derde wordt verkocht, en subsidiair dat de woning tegen een waarde van € 420.000,- aan haar wordt toebedeeld.\n\n4.8.. De rechtbank zal op grond van artikel 3:185 BW de (wijze van) verdeling vaststellen. Bij deze vaststelling moet de rechtbank rekening houden met de belangen van partijen en met het algemeen belang. De rechtbank heeft daarom een mate van vrijheid. Zij is niet gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben gevorderd en zij hoeft niet expliciet in te gaan op hetgeen partijen aanvoeren.\n\n4.9.. Beide partijen hebben de wens het aandeel van de ander in de woning over te nemen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de woning pas verkocht hoeft te worden, als blijkt dat geen van partijen in staat is de woning over te nemen. Vervolgens is het de vraag wie van partijen als eerste de mogelijkheid krijgt het aandeel van de ander in de woning over te nemen. De man voert aan dat zijn belang bij behoud van de woning is dat zijn twee kinderen uit een eerdere relatie in hun vertrouwende omgeving kunnen blijven en een goede omgang met hun vader kunnen hebben. Het belang van de vrouw om het volledige eigendom van de woning te verkrijgen is dat zij op dit moment zwanger is en de woning waar zij nu verblijft te klein is voor haar gezin.\n\n4.10.. De rechtbank zal de man als eerste de mogelijkheid geven om het aandeel van de vrouw in de woning over te nemen. Hij heeft zijn belang bij overname van de woning voldoende onderbouwd en de vrouw is eind februari 2025 uit de woning vertrokken. Mocht de man er niet in slagen de woning over te nemen, dan mag de vrouw een poging doen. Als beiden er niet in slagen de woning over te nemen, zal de woning verkocht moeten worden aan een derde.\n\n4.11.. De volgende vraag is tegen welk bedrag eerst de man en eventueel daarna de vrouw de woning mag proberen over te nemen. In dat kader stelt de rechtbank voorop dat als peildatum voor de waardering van de woning als hoofdregel geldt de datum van feitelijke verdeling, tenzij partijen anders zijn overeengekomen of uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat daarvan afgeweken moet worden.\n\n4.12.. De rechtbank stelt vast dat van een afspraak tussen partijen over de (peildatum van de) waarde niets is gebleken. Dan rest de vraag of er op basis van de redelijkheid en billijkheid van een andere peildatum dan wel een andere waarde van de woning moet worden uitgegaan. De man legt aan zijn vordering een taxatierapport ten grondslag waarin de marktwaarde op 19 december 2024 is vastgesteld op € 405.000,-. De vrouw voert hiertegen verweer. De vrouw voert als primair standpunt aan dat – overeenkomstig de hoofdregel – moet worden uitgegaan van de waarde op de datum van de feitelijke verdeling en dat het door de man voorgestelde bedrag door de ontwikkelingen op de woningmarkt geen recht doet aan de werkelijke waarde van de woning op de datum van feitelijke verdeling. Subsidiair voert zij aan dat – voor het geval dat de rechtbank reden ziet af te wijken van de hoofdregel – de woning voor een waarde van € 420.000,- aan haar moet worden toebedeeld. Dit bedrag is gebaseerd op de recente verkoopprijs van een vergelijkbare woning in de buurt.\n\n4.13.. Naar het oordeel van de rechtbank hebben zowel de man als de vrouw onvoldoende aangevoerd om aan te nemen dat op grond van de redelijkheid en billijkheid van een andere peildatum dan wel een andere waarde van de woning moet worden uitgegaan dan de hoofdregel voorschrijft. Het bestaan van een taxatierapport uit december 2024 en de verwijzing naar een verkoopprijs van een mogelijk vergelijkbare woning in oktober 2025 zijn daarvoor onvoldoende.\n\n4.14.. Dit betekent dat de actuele marktwaarde van de woning getaxeerd moet worden. Ter zitting heeft de rechter met partijen besproken en afgesproken op welke wijze dit (praktisch) zal plaatsvinden. De man mag drie taxateurs voorstellen. Hiertoe krijgt hij een termijn van twee weken na de datum van dit vonnis. De vrouw mag één van de door de man voorgestelde taxateurs uitkiezen. Zij krijgt daarvoor ook een termijn van twee weken, vanaf de datum dat zij het voorstel van de man heeft ontvangen. Partijen dienen vervolgens binnen een week nadat de vrouw haar keuze kenbaar heeft gemaakt, gezamenlijk opdracht te geven aan de taxateur voor de taxatie van de actuele marktwaarde van de woning. Partijen dragen ieder de helft van de kosten daarvan.\n\n4.15.. Ter zitting hebben partijen verklaard dat de uitkomst van de taxatie voor partijen bindend zal zijn.\n\n4.16.. Uiterlijk twee weken na ontvangst van het taxatierapport, dient de man aan de vrouw schriftelijk mee te delen of hij de woning tegen de getaxeerde waarde wenst over te nemen. Indien de man de woning wenst over te nemen, zal de woning aan hem worden toegedeeld onder de (opschortende) voorwaarden dat (a) de man de hypothecaire lening als eigen schuld op zich neemt, (b) hij ervoor zorgt dat de levering van de woning ten overstaan van de notaris uiterlijk binnen drie maanden na het verstrijken van de hiervoor genoemde termijn van twee weken plaatsvindt, en (c) de vrouw uiterlijk ten tijde van de levering is of wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening.\n\n4.17.. Mocht de man de woning niet willen of niet (onder de hiervoor genoemde voorwaarden) kunnen overnemen, dan mag de vrouw proberen de woning over te nemen. In dat geval dient zij binnen twee weken na het bericht van de man dat hij de woning niet wenst over te nemen of na het verstrijken van de termijn van drie maanden, aan de man schriftelijk mee te delen of zij de woning tegen de getaxeerde waarde wenst over te nemen. Indien de vrouw de woning wenst over te nemen, zal de woning aan haar worden toegedeeld onder dezelfde (opschortende) voorwaarden die in de vorige overweging zijn genoemd.\n\n4.18.. In het geval de woning aan de man of de vrouw wordt toegedeeld, dienen zij mee te werken aan de notariële overdracht. De kosten daarvan komen voor rekening van de partij aan wie de woning wordt toegedeeld.\n\n4.19.. Op het moment dat duidelijk is dat beide partijen niet in staat zijn de woning over te nemen, moet de woning in de verkoop gezet worden. De rechtbank zal beschrijven hoe dit proces zal moeten verlopen.\n\n4.20.. De man mag drie makelaars voorstellen. Hiertoe krijgt hij een termijn van twee weken vanaf de datum waarop duidelijk is geworden dat de vrouw de woning niet kan overnemen. De vrouw mag één van de door de man voorgestelde makelaars uitkiezen. Zij krijgt hiervoor een termijn van twee weken vanaf de datum dat zij het voorstel van de man heeft ontvangen.\n\n4.21.. Partijen verlenen in dat geval binnen een week nadat de vrouw haar keuze kenbaar heeft gemaakt, gezamenlijk de opdracht tot verkoop van de woning aan de makelaar. Partijen zullen in onderling overleg en met de makelaar binnen twee weken na opdrachtverlening de vraagprijs en de voorwaarden van de verkoop vaststellen. Indien partijen dit niet in onderling overleg kunnen afspreken, zullen zij de adviezen van de makelaar hierover moeten opvolgen.\n\n4.22.. Partijen moeten de aanwijzingen van de makelaar opvolgen. Zij moeten hun volledige medewerking verlenen aan het verkoopproces, waaronder het verlenen van toegang tot de woning aan de makelaar voor het (laten) maken van foto’s van de woning en bezichtigingen door potentiële kopers. Partijen mogen zelf niet aanwezig zijn bij die bezichtigingen.\n\n4.23.. Indien een bod op de woning wordt gedaan, dienen partijen dit te accepteren als de makelaar dit adviseert. Partijen dienen na het tot stand komen van een koopovereenkomst mee te werken aan de ondertekening van een schriftelijke koopovereenkomst. Partijen dienen ook mee te werken aan de levering van de woning ten overstaan van de notaris door de leveringsakte na behoorlijke oproeping bij de notaris te ondertekenen of daartoe (op eigen kosten) een getekende volmacht aan de notaris te verstrekken. De kosten die verband houden met de verkoop en levering van de woning dragen partijen ieder voor de helft.\n\n4.24.. In het geval een van partijen het aandeel van de ander in de woning overneemt, geldt dat de overnemende partij de helft van de overwaarde (de getaxeerde waarde van de woning minus de hypothecaire geldlening) aan de andere partij dient te betalen. In het geval de woning moet worden verkocht, is het uitgangspunt dat partijen allebei recht hebben op de helft van de overwaarde.\n\n4.25.. Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank de wijze van verdeling zal vaststellen, zoals in de beslissing is bepaald.\n\n4.26.. Partijen hebben beide gevorderd dat de rechtbank de andere partij veroordeelt tot medewerking aan de verdeling en dat de rechtbank aan die medewerking een dwangsom verbindt. Waar het gaat om rechtshandelingen die partijen jegens elkaar verplicht zijn te verrichten, zal de rechtbank op grond van artikel 3:300 lid 1 BW bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt van de medewerking van partijen in het geval een partij zijn of haar medewerking weigert. Nu beide partijen daarnaast ter zitting hebben verklaard dat zij hun medewerking zullen verlenen aan de verdeling van de woning, ziet de rechtbank geen aanleiding om over en weer dwangsommen aan partijen op te leggen.\n\nHet exclusief gebruik van de woning\n\n4.27.. De man vordert het exclusief gebruik van de woning. Ter zitting heeft de vrouw verklaard hiertegen geen bezwaar te hebben. De rechtbank zal de vordering van de man daarom toewijzen, in die zin dat de man het exclusief gebruik van de woning verkrijgt vanaf 1 mei 2026. Dit betekent dat de man vanaf 1 mei 2026 de volledige eigenaars- en gebruikerslasten voor zijn rekening moet nemen.\n\nGebruiksvergoeding en eigenaarslasten\n\n4.28.. De vrouw vordert dat de man een gebruiksvergoeding aan haar betaalt vanaf 27 februari 2025 tot het moment dat zij niet meer hoofdelijk verbonden is aan de hypothecaire geldlening van de woning. De man vordert dat de vrouw gehouden is de helft van de vaste lasten die zijn verbonden aan de woning te dragen over de periode vanaf 1 juni 2025 tot het moment dat hij exclusieve gebruik krijgt.\n\n4.29.. De rechtbank stelt vast dat partijen tot op heden geen afspraak hebben gemaakt over wie wanneer in de woning mag verblijven. Ook is er niets afgesproken over de verdeling van de eigenaars- en gebruikerslasten.\n\n4.30.. Ter zitting heeft de vrouw verklaard dat zij in februari 2025 de woning heeft verlaten nadat de spanningen tussen partijen opliepen. Vanaf maart 2025 woonde zij niet meer in de woning, maar kwam zij eens in de twee dagen nog wel kort in de woning om post op te halen en haar katten te verzorgen. De man heeft dat niet betwist. Hij woonde vanaf maart 2025 dus alleen in de woning, met dien verstande dat de vrouw af en toe nog langs kwam voor de katten en de post. De man heeft ter zitting verklaard dat ook hij de woning heeft verlaten en in of omstreeks juni 2025 ”uit zelfbescherming” tijdelijk elders is gaan wonen. De vrouw betwist dat de man de woning heeft verlaten. De rechtbank is van oordeel dat, voor zover de man niet meer in de woning verbleef, dit een eigen keus van de man was.\n\n4.31.. De vrouw kan daarom ten laste van de man aanspraak maken op een gebruiksvergoeding vanwege het gemis van gebruik en genot van de woning. Daar staat het volgende tegenover.\n\n4.32.. De man en de vrouw dienen als mede-eigenaren van de woning in beginsel ieder de helft van de eigenaarslasten van de woning te dragen. Vanaf 27 februari 2025 heeft de man alleen in de woning gewoond, zodat de gebruikerslasten vanaf die datum voor zijn rekening komen. De rechtbank stelt de eigenaarslasten met betrekking tot de woning als volgt vast:\n\n- Hypotheek\n\n€\n\n843,35\n\n- Nationale Nederlanden\n\n€\n\n28,62\n\n- Univé\n\n€\n\n76,12\n\n- Hoogheemraadschap\n\n€\n\n41,70\n\nTotaal\n\n€\n\n989,79\n\nDit betekent dat de man en de vrouw in beginsel ieder een bedrag van € 494,89 per maand verschuldigd zijn voor de eigenaarslasten van de woning.\n\n4.33.. Tussen partijen is niet in geschil dat de man de eigenaarslasten aan de verschillende instanties heeft betaald. Ook staat niet ter discussie dat de vrouw maandelijks een bedrag aan de man heeft betaald. In april 2025 was dit € 234,03, in mei 2025 € 678,00, in juni 2025 € 436,50 en vanaf juli 2025 € 270,95 per maand. Dit betekent dat de man in beginsel nog een vordering op de vrouw heeft voor de eigenaarslasten van de woning.\n\n4.34.. De rechtbank vindt het echter praktisch en redelijk de gebruiksvergoeding waarop de vrouw nog aanspraak kan maken en de eigenaarslasten waarop de man nog aanspraak kan maken, tegen elkaar weg te strepen (met elkaar te verrekenen), zodat zij over en weer in dit kader niets van elkaar te vorderen hebben. De vrouw heeft onvoldoende gesteld om aan te nemen dat een hogere gebruiksvergoeding redelijk is, zodat de rechtbank daaraan voorbijgaat.\n\n4.35.. Voor de periode vanaf 1 mei 2026 geldt, zoals hiervoor in 4.27 is overwogen, dat de man de volledige eigenaars- en gebruikerslasten voor zijn rekening moet nemen. Onder die omstandigheden vindt de rechtbank het niet redelijk de man nog een (aanvullende) gebruiksvergoeding aan de man te laten betalen vanaf die datum.\n\n4.36.. De vorderingen over de betaling van een gebruiksvergoeding en de eigenaars- en gebruikerslasten worden dan ook over en weer afgewezen.\n\nVergoedingsrechten man\n\n4.37.. De man stelt dat hij een vergoedingsrecht op de vrouw heeft, omdat hij met zijn privévermogen verschillende investeringen in de gezamenlijke woning heeft gedaan. Het gestelde vergoedingsrecht bestaat uit twee delen:\n\nEen bedrag van € 33.803,- dat hij bij aankoop van de woning heeft ingelegd;\n\nEen bedrag van € 54.235,58 aan investeringen die hij in de woning heeft gedaan.\n\nIn totaal gaat het daarmee om een vordering van € 88.056,58. Volgens de man is de vrouw hem de helft van dit bedrag – een bedrag van € 44.028,29 – verschuldigd.\n\n4.38.. De man stelt primair dat partijen al bij de aankoop van de woning hebben afgesproken dat er een vergoedingsrecht zou zijn op het moment dat de relatie zou eindigen. Er is een “rondetafelgesprek” geweest bij de notaris waar is besproken hoe, en wat daarvoor schriftelijk zou moeten worden vastgelegd. Dat zag zowel op de inbreng van de man bij de aankoop van de woning als op toekomstige investeringen. De man heeft ter onderbouwing van zijn standpunt verklaringen overgelegd van zowel de heer C. Luca (makelaar) als mevrouw S. Hartog (hypotheekadviseur), waaruit de afspraak over de vergoedingsrechten zou blijken. Hoewel het klopt dat partijen vervolgens geen werk hebben gemaakt van het schriftelijk vastleggen van de afspraak, is overeengekomen dat de vrouw de helft van de door de man ingelegde bedragen moe terugbetalen, aldus de man.\n\n4.39.. De vrouw betwist dat een dergelijke afspraak is gemaakt. Het klopt dat de man financieel heeft bijdragen bij de aankoop van de woning en dat er bij de aankoop van de woning een adviesgesprek is geweest over het maken van afspraken daarover. Partijen hebben er vervolgens echter voor gekozen om van het maken van afspraken en het schriftelijk vastleggen daarvan af te zien. Volgens de vrouw heeft zij zelf veel aan werk aan de woning gedaan en heeft de man toen op enig moment gezegd “ik werk hard, jij werkt hard, we doen het samen” en “laat maar zitten”.\n\n4.40.. Niet in geschil is dat de man het door hem genoemde bedrag heeft ingelegd bij de aankoop van de woning en dat hij na aankoop investeringen in de woning heeft gedaan. De rechtbank stelt vast dat partijen hebben gesproken over het maken en vastleggen van een afspraak over de vergoedingsrechten. Dat er over gesproken is volgt ook uit de verklaringen die door de man zijn overgelegd. Zowel de makelaar als de hypotheekadviseur hebben geadviseerd om een en ander schriftelijk te laten vastleggen. Uit de verklaringen blijkt echter niet dat partijen onderling overeenstemming hadden over het bestaan dan wel het vastleggen van zo een afspraak. De hypotheekadviseur heeft partijen ook gewezen op het ontbreken van wederzijdse rechten bij gebreke van een samenlevingscontract. De rechtbank stelt vast dat het advies van de makelaar en de hypotheekadviseur uiteindelijk niet is uitgevoerd en dat er schriftelijk niets is vastgelegd. Dat partijen bij de notaris een adviesgesprek hebben gevoerd, is onvoldoende voor het aannemen van een tussen partijen geldende afspraak over de vergoedingsrechten. Het ligt op de weg van de man om te stellen en aannemelijk te maken dat er tussen partijen (stilzwijgende) bindende afspraken gemaakt zijn. In het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw is de rechtbank van oordeel dat de man onvoldoende heeft gesteld om vast te kunnen stellen dat er afspraken tussen de man en de vrouw zijn gemaakt die inhouden dat de man een vergoedingsrecht heeft op de vrouw wegens door zijn financiële inbreng bij aankoop van de woning of voor latere investeringen in de woning die de man uit privévermogen heeft betaald. De rechtbank komt daarom niet toe aan bewijslevering.\n\n4.41.. Dit betekent dat de man op de door hem primair aangevoerde grondslag geen vorderingsrecht op de vrouw heeft. De man heeft nog drie andere grondslagen aangevoerd op grond waarvan de vrouw hem een vergoeding verschuldigd zou zijn: onverschuldigde betaling, ongerechtvaardigde verrijking en de redelijkheid en billijkheid. Deze grondslagen zal de rechtbank hierna bespreken.\n\nOnverschuldigde betaling\n\n4.42.. Van onverschuldigde betaling in de zin van artikel 6:203 BW is sprake, indien door een partij een geldsom is betaald zonder dat daarvoor een rechtsgrond bestaat die de betaling rechtvaardigt.\n\n4.43.. \n\nDe man stelt dat hij uit privémiddelen heeft bijgedragen aan de gezamenlijke woning en dat deze investeringen niet gebaseerd zijn op een overeenkomst of een afspraak die hem verplichtte te betalen, zodat er sprake is van onverschuldigde betaling.\n\nDe vrouw voert aan dat het aan de man is om feiten en omstandigheden te stellen waaruit moet worden afgeleid dat een rechtsgrond voor de investeringen ontbreekt. Dit heeft de man volgens de vrouw onvoldoende gedaan, zodat zijn vordering op grond van onverschuldigde betaling moet worden afgewezen.\n\n4.44.. De rechtbank wijst de vordering van de man op de vrouw op grond van onverschuldigde betaling af. De man heeft de betreffende betalingen niet aan de vrouw gedaan, zodat alleen al om die reden geen sprake is van onverschuldigde betaling aan de vrouw en zij op deze grondslag dus niet gehouden is enig bedrag terug te betalen aan de man. Zelfs als zou komen vast te staan dat een rechtsgrond voor de door de man betaalde bedragen ontbreekt, geldt dus dat de man de ontvanger van de (onverschuldigd) betaalde gelden zou moeten aanspreken en niet de vrouw.\n\nOngerechtvaardigde verrijking\n\n4.45.. De man stelt dat de gezamenlijke woning van partijen in waarde is gestegen door de investeringen die hij in de woning heeft gedaan. De man heeft de investeringen uit privémiddelen betaald, zonder dat hij daarvoor een tegenprestatie heeft gekregen. De man is daardoor verarmd, terwijl de vrouw als gevolg van de waardestijging van de woning is verrijkt. Volgens de man is er daarom sprake van onrechtvaardige verrijking van de vrouw en moet zij de helft van de door hem gedane investeringen vergoeden.\n\n4.46.. Ongerechtvaardigde verrijking in de zin van artikel 6:212 BW is pas aan de orde indien aan de navolgende voorwaarden is voldaan. Er moet sprake zijn van (1) een verrijking van de vrouw, (2) ten koste van de man en (3) deze verrijking moet ongerechtvaardigd zijn.\n\n4.47.. De rechtbank oordeelt als volgt. De man legt aan zijn vordering ten grondslag dat de woning door de gedane investeringen in waarde is gestegen. De rechtbank stelt voorop dat een eventuele waardestijging in ieder geval niet het gevolg is van de inleg van de man bij de aankoop van de woning. Dat de waarde van de woning als gevolg van de investeringen is gestegen wordt door de man wel gesteld, maar niet onderbouwd. Zonder nadere toelichting van de man blijkt niet wat het effect van de verbouwing is geweest voor de waarde van de woning. De rechtbank kan daarom niet beoordelen of de vrouw door de verbouwing is verrijkt doordat de waarde van de woning is toegenomen.\n\n4.48.. Volgens rechtspraak van de Hoge Raad kan ook in het geval een verbouwing niet heeft geleid tot een waardestijging van een woning toch sprake zijn van ongerechtvaardigde verrijking, indien de kosten ten behoeve van de verbouwing voor rekening van één partij zijn gekomen en de andere partij zich die kosten heeft bespaard. Voor het oordeel dat de andere partij zich de kosten van de verbouwing heeft bespaard en aldus is verrijkt, is nodig dat als de eerste partij die kosten niet voor zijn rekening had genomen, de andere partij de kosten zelf zou hebben gemaakt of verplicht was te maken.\n\n4.49.. Het is dus de vraag of de vrouw de kosten voor de gedane investeringen in de gezamenlijke woning zou hebben gedaan, als de man dat niet had gedaan. De vrouw heeft onbetwist gesteld dat zij dat niet zou hebben gedaan, omdat zij daar financieel niet toe in staat geweest was. Dit betekent dat niet kan worden aangenomen dat de vrouw de kosten voor de investeringen zou hebben gemaakt, zodat niet valt in te zien dat de betalingen door de man ongerechtvaardigd zijn gedaan. De rechtbank wijst de vorderingen van de man uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking daarom af.\n\nRedelijkheid en billijkheid\n\n4.50.. Om een vergoedingsrecht aan te nemen uit hoofde van de redelijkheid en billijkheid, dient de man bijzondere feiten en omstandigheden te stellen die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat er een vergoedingsrecht bestaat. De man heeft slechts gesteld dat het zijn geld was en dat het niet eerlijk is dat de vrouw daar nu van profiteert. Dit zijn geen bijzondere feiten of omstandigheden, zeker niet nu uit de processtukken en wat is besproken op de zitting het beeld rijst dat de vrouw ook betalingen heeft verricht ten behoeve van de woning en de gezamenlijke huishouding. De rechtbank wijst de vorderingen van de man uit hoofde van de redelijkheid en billijkheid af.\n\nVergoedingsrechten vrouw\n\n4.51.. De vrouw stelt dat zij een vergoedingsrecht heeft op de man van € 17.830,44. Van een afspraak tussen partijen over het bestaan van dit vergoedingsrecht is niet gebleken. Ter zitting heeft de vrouw ook verteld dat er geen afspraken zijn geweest. Dat sprake zou zijn van een vergoedingsrecht op grond van onverschuldigde betaling of de redelijkheid en billijkheid is door de vrouw niet gesteld. De vrouw heeft wel gesteld dat er een vergoedingsrecht bestaat uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking, maar zij heeft dit niet inhoudelijk toegelicht. De rechtbank wijst de vordering van de vrouw daarom bij gebrek aan een deugdelijke onderbouwing af.\n\nInboedellijst\n\n4.52.. De man vordert dat de goederen op de inboedellijst zoals overgelegd in productie 31 bij de dagvaarding aan hem worden toebedeeld. De vrouw heeft hiertegen geen verweer gevoerd. Zij heeft ter zitting verklaard dat zij al haar spullen al uit de woning heeft meegenomen. De rechtbank zal de vordering van de man daarom toewijzen.\n\nGeldlening\n\n4.53.. De vrouw stelt dat de man op 6 november 2020 een bedrag van € 6.500,- van haar heeft geleend. De man heeft erkend dat hij dit bedrag heeft geleend van de vrouw, zodat de vordering van de vrouw tot terugbetaling van dit bedrag kan worden toegewezen.\n\n4.54.. De vrouw vordert ook wettelijke rente over het geleende bedrag. Primair vordert zij de wettelijke rente vanaf 6 november 2020. De rechtbank stelt voorop dat partijen niet zijn overeengekomen dat de man rente over de hoofdsom hoeft te betalen. De rechtbank overweegt dat de man daarom pas rente over de hoofdsom verschuldigd is vanaf het moment dat hij in verzuim verkeert. De man verkeerde op 6 november 2020 niet in verzuim, zodat de wettelijke rente niet vanaf die dag verschuldigd kan zijn. Subsidiair vordert de vrouw de wettelijke rente vanaf de datum van indiening van de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie. Het is juist dat een conclusie als ingebrekestelling kan dienen. Daarvoor is echter wel vereist dat die conclusie dan voldoet aan de vereisten genoemd in artikel 6:82 BW.In de conclusie wordt het bedrag van de geldlening voor het eerst opgevraagd en wordt door de vrouw niets gezegd over een termijn waartegen het bedrag moet zijn ontvangen. Dit betekent dat de conclusie niet voldoet aan de gestelde vereisten, zodat de man geen wettelijke rente is verschuldigd over het bedrag van de geldlening.\n\n4.55.. Ten slotte vordert de vrouw incassokosten. De rechtbank is van oordeel dat niet is gesteld of gebleken van verrichte incassowerkzaamheden, zodat er geen incassokosten verschuldigd zijn.\n\nUitvoerbaarheid bij voorraad en zekerheidstelling\n\n4.56.. De vrouw heeft in de conclusie van antwoord verweer gevoerd tegen de vordering van de man om dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en subsidiair verzocht om te bepalen dat de man zekerheid stelt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw laten weten dat dit verweer alleen geldt als de rechtbank de woning aan de man toedeelt tegen een waarde van € 405.000,-. Uit wat hiervoor is overwogen, blijkt dat die situatie zich niet voordoet. De rechtbank zal dit verweer daarom verder niet bespreken en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad (zonder zekerheidstelling) verklaren.\n\nProceskosten\n\n4.57.. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin conventie en reconventie\n\n5.1.. gelast de navolgende wijze van verdeling van de woning aan de [adres] ( [postcode] ) in [woonplaats] en bepaalt:\n\ndat de man binnen twee weken na de datum van dit vonnis drie taxateurs aan de vrouw voorstelt, van wie de vrouw er binnen twee weken daarna één uitkiest die belast wordt met de taxatie van de woning;\n\ndat partijen binnen één week nadat de vrouw haar keuze aan de man kenbaar heeft gemaakt opdracht dienen te verstrekken aan de taxateur om de woning te taxeren tegen de actuele marktwaarde;\n\ndat de uitkomst van de taxatie voor beide partijen bindend is en dat beide partijen de helft van de kosten van de taxatie dienen te betalen;\n\ndat de man binnen twee weken nadat de getaxeerde waarde van de woning schriftelijk aan partijen kenbaar is gemaakt, aan de vrouw schriftelijk dient mee te delen of hij de woning tegen die getaxeerde waarde wenst over te nemen;\n\ndat de man, indien hij de woning wenst over te nemen, de woning krijgt toegedeeld onder de (opschortende) voorwaarden dat (a) de man de hypothecaire lening als eigen schuld op zich neemt, (b) hij ervoor zorgt dat de levering van de woning ten overstaan van de notaris uiterlijk binnen drie maanden na het verstrijken van de onder 4 vermelde termijn plaatsvindt, en (c) de vrouw uiterlijk ten tijde van de levering is of wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening;\n\ndat, indien de man slaagt in het bepaalde onder 5, partijen moeten meewerken aan de notariële overdracht van het aandeel van de vrouw in de woning aan de man en dat de kosten van het notariële transport van de woning voor rekening van de man komen;\n\ndat, indien de man niet binnen de 4 genoemde termijn aan de vrouw meedeelt dat hij de woning wenst over te nemen of meedeelt de woning niet willen overnemen of indien hij niet slaagt in het bepaalde onder 5, de vrouw binnen twee weken daarna aan de man schriftelijk dient mee te delen of zij de woning tegen de getaxeerde waarden wenst over te nemen;\n\ndat de vrouw, indien zij de woning wenst over te nemen, de woning krijgt toegedeeld onder de (opschortende) voorwaarden dat (a) de vrouw de hypothecaire lening als eigen schuld op zich neemt, (b) zij ervoor zorgt dat de levering van de woning ten overstaan van de notaris uiterlijk binnen drie maanden na het verstrijken van de onder 7 vermelde termijn plaatsvindt, en (c) de vrouw uiterlijk ten tijde van de levering is of wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening;\n\ndat, indien de vrouw slaagt in het bepaalde onder 8, partijen moeten meewerken aan de notariële overdracht van het aandeel van de man in de woning aan de vrouw en de kosten van het notariële transport van de woning voor rekening van de vrouw komen;\n\ndat, indien geen van partijen de woning wenst over te nemen of er in slaagt de woning over te nemen tegen de taxatiewaarde, de woning verkocht dient te worden;\n\ndat de man dan binnen twee weken vanaf de datum waarop duidelijk is geworden dat de vrouw de woning niet wil of kan overnemen drie makelaars aan de vrouw voorstelt, van wie de vrouw er binnen twee weken één uitkiest;\n\ndat partijen binnen één week nadat de vrouw haar keuze aan de man kenbaar heeft gemaakt, opdracht dienen te verstrekken aan de gekozen makelaar om de woning te verkopen;\n\ndat partijen binnen twee weken na opdrachtverlening in onderling overleg en met de makelaar de vraagprijs en de voorwaarden van de verkoop vaststellen, Indien partijen dit niet in onderling overleg kunnen afspreken, zullen zij de adviezen van de makelaar hierover moeten opvolgen. Ook moeten partijen alle verdere adviezen en aanwijzingen van de makelaar over het verkooptraject opvolgen;\n\ndat partijen moeten meewerken aan de verkoop van de woning door het verlenen van toegang tot de woning aan de makelaar of door hem ingeschakelde hulppersonen voor onder meer het maken van foto’s van de woning en aan de makelaar en potentiële kopers voor bezichtigingen van de woning. Partijen zullen niet aanwezig zijn bij bezichtigingen;\n\ndat partijen, indien een bod op de woning wordt gedaan, dit dienen te accepteren als de makelaar dit adviseert;\n\ndat partijen dienen mee te werken aan het opstellen en ondertekenen van de koopovereenkomst;\n\ndat partijen dienen mee te werken aan de levering van de woning ten overstaan van de notaris door de leveringsakte na behoorlijke oproeping bij de notaris te ondertekenen of daartoe (op eigen kosten) een getekende volmacht aan de notaris te verstrekken;\n\ndat partijen ieder de helft van de kosten die verband houden met de verkoop en levering van de woning (kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering) dragen;\n\ndat de verkoopopbrengst na aftrek van de verkoopkosten ter aflossing van de hypothecaire lening dient te worden aangewend;\n\ndat partijen een eventuele overwaarde of een eventuele restschuld bij helfte dienen te verdelen.\n\n5.2.. bepaalt dat partijen verplicht zijn hun medewerking te verlenen aan het bepaalde onder 5.1.,\n\n5.3.. bepaalt dat indien één van partijen niet (tijdig) meewerkt aan het bepaalde onder 5.1., dit vonnis op grond van artikel 3:300 lid 1 BW dezelfde kracht heeft als een door de betreffende partij ondertekende volmacht aan de andere partij om de in deze veroordeling omschreven rechtshandeling(en) te verrichten,\n\n5.4.. bepaalt dat de man het exclusief gebruik van de woning verkrijgt en de vrouw de woning niet zonder toestemming van de man mag betreden vanaf 1 mei 2026 tot het moment dat de woning aan één van partijen wordt toebedeeld of de woning is verkocht en geleverd aan een derde,\n\n5.5.. bepaalt dat vanaf 1 mei 2026 tot het moment dat de woning aan één van partijen wordt toebedeeld of de woning is verkocht en geleverd aan een derde de volledige eigenaars- en gebruikerslasten van de woning voor rekening van de man komen,\n\n5.6.. bepaalt dat de goederen die op de inboedellijst (productie 31 van de man) staan aan de man worden toebedeeld,\n\n5.7.. veroordeelt de man een bedrag van € 6.500,- aan de vrouw te betalen,\n\n5.8.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.9.. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,\n\n5.10.. wijst het meer of anders gevorderde af,\n\nDit vonnis is gewezen door mr. N. Boots, rechter, bijgestaan door de griffier mr. M. Bouwen en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.\n\n De man heeft afgesproken de waterschapsbelasting in tien termijnen van € 50,04 te betalen. Dit komt neer op een last van € 41,70 per maand (€ 50,04 x 10 = € 500,40 : 12 maanden).\n\n Hoge Raad 10 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:707.\n\n Hoge Raad 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1012","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:6975","2026-07-13T00:28:53.961Z",{"id":170,"ecli":171,"slug":172,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":173,"fullText":174,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":175,"sourceTimestamp":173,"parsedAt":51,"updatedAt":176},"1823","ECLI:NL:RBNHO:2026:2240","ecli-nl-rbnho-2026-2240","2026-03-05T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nFamilie en Jeugd\n\nlocatie Alkmaar\n\nzaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F15\u002F360255 \u002F FA RK 24-6431 en C\u002F15\u002F366942 \u002F FA RK 25-3302\n\nBeschikking d.d. 5 maart 2026 betreffende de echtscheiding\n\nin de zaak van:\n\n [de man] ,\n\nwonende te [plaats] , gemeente [gemeente] ,\n\nhierna te noemen de man,\n\nadvocaat mr. A.C. Mens, gevestigd te Hoofddorp,\n\ntegen\n\n [de vrouw] ,\n\nwonende te [plaats] , [land] ,\n\nhierna te noemen de vrouw,\n\nadvocaat mr. B.R. de Boer-Kühn, gevestigd te Amsterdam.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift van de man, ingekomen op 17 december 2024;\n\n- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de vrouw, ingekomen op 20 mei 2025;\n\n- het verweerschrift op het zelfstandig verzoek van de man, ingekomen op 24 juni 2025;\n\n- nadere stukken van de vrouw, ingekomen op 18 september 2025;\n\n- het gewijzigd verzoek van de vrouw, ingekomen op 8 januari 2026;\n\n- nadere stukken van de man, ingekomen op 26 januari 2026 en 27 januari 2026;\n\n- nadere stukken van de vrouw, ingekomen op 3 februari 2026.\n\n1.2.. \n\nDe mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 februari 2026.\n\nBij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten.\n\n2. De beoordeling\n\n2.1.. Partijen zijn met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum] te [plaats] . De man heeft de Nederlandse nationaliteit. De vrouw is burger van de Bondsrepubliek Duitsland.\n\n2.2.. Scheiding\n\n2.2.1.. De man heeft verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Hij heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.\n\n2.2.2.. De vrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\n2.2.3.. Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de gewone verblijfplaats van de man zich in Nederland bevond, deze daar sinds ten minste zes maanden onmiddellijk voorafgaand aan die indiening verblijfplaats had en ten tijde van de indiening reeds de Nederlandse nationaliteit bezat, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.\n\n2.2.4.. Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.\n\n2.2.5.. Het verzoek tot echtscheiding zal, als niet weersproken en op de wet gegrond, worden toegewezen.\n\n2.3.. Onderhoudsbijdrage\n\n2.3.1.. De man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw aan hem een bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud (hierna: partnerbijdrage) moet betalen van € 1.500,- per maand.\n\n2.3.2.. De vrouw heeft zich verweerd tegen dit verzoek en heeft verzocht de partnerbijdrage op nihil te stellen. De rechtbank begrijpt dat de vrouw verzoekt het verzoek tot het vaststellen van een partnerbijdrage af te wijzen, omdat van nihilstelling pas sprake kan zijn als eerder een partnerbijdrage is vastgesteld.\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\n2.3.3.. De Nederlandse rechter is op grond van artikel 3 sub b van de Alimentatieverordening (nr. 4\u002F2009 Raad van 18 december 2008) bevoegd om van het alimentatieverzoek kennis te nemen.\n\n2.3.4.. De rechtbank zal op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 het Nederlands recht toepassen op het verzoek tot vaststelling van een partnerbijdrage, nu de onderhoudsgerechtigde gewone verblijfplaats in Nederland heeft.\n\nBehoefte\n\n2.8.3.. De rechtbank zal het verzoek beoordelen aan de hand van de aanbevelingen die zijn opgenomen in het Tremarapport. De hierna genoemde bedragen zijn steeds op hele euro’s afgerond.\n\nIngangsdatum\n\n2.3.5.. Uit de wet volgt dat de rechtbank de partnerbijdrage niet kan laten ingaan op een datum gelegen voor de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding. De rechtbank zal de ingangsdatum dan ook bepalen op laatstgenoemde datum.\n\nBehoefte\n\n2.3.6.. De man heeft zijn huwelijksgerelateerde behoefte aan de hand van de zogenoemde Hofnorm berekend, waartegen de vrouw zich niet heeft verweerd. De rechtbank zal de huwelijksgerelateerde behoefte van partijen beoordelen aan de hand van het netto gezinsinkomen van partijen over 2023, zijnde het laatste volledige jaar voordat partijen medio 2024 feitelijk uit elkaar zijn gegaan. De rechtbank volgt de vrouw niet in haar stelling dat de behoefte moet worden berekend aan de hand van het inkomen van één echtgenoot. Tijdens haar studie heeft de vrouw immers evenals de man gewerkt en in Duitsland heeft de man ook gewerkt gelijktijdig met de vrouw. De rechtbank constateert verder dat geen van partijen duidelijk en volledig inzage heeft gegeven in zijn of haar inkomen over 2023. Van de vrouw is een salarisspecificatie van juni 2023 overgelegd, waaruit een netto inkomen volgt van € 2.048,- per maand, exclusief extra’s zoals de kerstbonus die zij stelt jaarlijks te ontvangen. Zij heeft zelf gesteld dat zij een netto besteedbaar inkomen had van € 2.115,- per maand, wat de rechtbank gelet op het bovenstaande netto inkomen van de vrouw niet onaannemelijk voorkomt, zodat hierbij zal worden aangesloten. De man heeft gesteld dat hij tijdens het huwelijk een salaris had van € 1.933,- netto per maand, welk bedrag door de vrouw niet is betwist, zodat de rechtbank daar eveneens van zal uitgaan.2.3.7.. Op grond van bovenstaande inkomens van partijen, bedroeg het netto besteedbaar inkomen van partijen in 2023 € 4.048,- per maand. De huwelijksgerelateerde behoefte van de man bedroeg dan 60% hiervan, te weten € 2.429,- netto per maand.\n\nAanvullende behoefte\n\n2.3.8.. De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de man geen behoefte heeft aan een bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud. De man heeft gedurende het huwelijk altijd gewerkt en heeft voldoende mogelijkheden om een baan te vinden. Volgens de vrouw moet worden uitgegaan van een verdiencapaciteit van de man gelijk aan het minimumloon voor een 36-urige werkweek ter hoogte van € 2.304,- netto per maand. De man heeft gesteld dat hij niet in staat is te werken vanwege zijn psychische gesteldheid. Hij lijdt aan een depressie als gevolg van de scheiding van partijen en de situatie waarin hij hierdoor is komen te verkeren. De man ontvangt sinds mei 2025 een bijstandsuitkering, waarbij hij is vrijgesteld van zijn sollicitatieplicht.\n\n2.3.9.. De rechtbank stelt vast dat de man al langere tijd een bijstandsuitkering ontvangt. De man heeft verder voldoende onderbouwd dat hij om psychische redenen nu niet in staat is te werken. Om die reden zal de rechtbank niet uitgaan van een hogere verdiencapaciteit aan de zijde van de man. Wel wordt rekening gehouden met een eigen inkomen ter hoogte van de bijstandsuitkering die de man ontvangt van € 782,- netto per maand. Na aftrek van deze eigen inkomsten, resteert een aanvullende behoefte van de man van € 1.647,- netto per maand.\n\nDraagkracht vrouw\n\n2.3.10.. De rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte draagkrachtberekening. Met betrekking tot de daarin gehanteerde uitgangspunten overweegt de rechtbank als volgt.\n\n2.3.11.. Bij het bepalen van de draagkracht van de vrouw, sluit de rechtbank aan bij haar inkomen zoals blijkt uit haar salarisspecificatie van november 2025. De rechtbank is van oordeel dat hieruit voldoende gegevens zijn af te leiden over het inkomen van de vrouw, mede gelet op de toelichting die de vrouw ter zitting heeft gegeven, zodat voorbij zal worden gegaan aan het verzoek van de man de vrouw te gelasten haar jaaropgave 2025 te overleggen, temeer nu de vrouw onweersproken heeft gesteld dat deze in beginsel niet wordt verstrekt in Duitsland.\n\n2.3.12.. Partijen zijn het erover eens dat de draagkracht moet worden berekend aan de hand van het netto inkomen van de vrouw, omdat zij in Duitsland belastingplichtig is. Uit de salarisspecificatie van november 2025 blijkt een netto inkomen van de vrouw van € 2.358,- per maand, wat neerkomt op € 28.296,- netto per jaar. De vrouw heeft gesteld dat zij daarnaast jaarlijks een “kerstbonus” krijgt, welke in 2025 € 888,- netto bedroeg. De rechtbank houdt daarom rekening met een totaal inkomen van de vrouw van € 29.184,- netto per jaar.\n\n2.3.13.. Verder houdt de rechtbank rekening met de forfaitaire woonlast. De man heeft gesteld dat de vrouw bij haar ouders woont en geen woonlasten heeft. De vrouw heeft deze stelling weersproken en gesteld dat zij inmiddels weer een eigen woning heeft en hiervoor maandelijks huur betaalt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man onvoldoende onderbouwd dat moet worden afgeweken van het uitgangspunt om rekening te houden met de forfaitaire woonlast.\n\n2.3.14.. Uitgaande van bovenstaande gegevens, berekent de rechtbank de draagkracht van de vrouw op € 202,- netto per maand. De rechtbank zal een door de vrouw aan de man te betalen partnerbijdrage vaststellen ter hoogte van dit bedrag, te voldoen met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand. De rechtbank zal de partnerbijdrage vaststellen als netto bijdrage, omdat partijen niet weten of deze bijdrage aftrekbaar is voor de vrouw in Duitsland.\n\n2.4.. Verdeling\n\n2.4.1.. Partijen hebben verzocht te bepalen dat de tussen hen bestaande beperkte gemeenschap van goederen wordt verdeeld op de door ieder van hen voorgestelde wijze.\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\n2.4.2.. Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensregime van partijen.\n\n2.4.3.. Op het huwelijksvermogensregime is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 van toepassing.\n\n2.4.4.. Niet gebleken is dat partijen een geldige rechtskeuze hebben uitgebracht.\n\n2.4.5.. Zij hadden bij de huwelijksvoltrekking dan wel kort daarna geen nationaliteit gemeenschappelijk in de zin van artikel 15, lid 1 van het Verdrag.\n\n2.4.6.. Partijen hebben hun eerste gewone verblijfplaats na de huwelijksvoltrekking op het grondgebied van dezelfde staat gevestigd. Nu geen van de uitzonderingen van artikel 4, lid 2 van het Verdrag zich heeft voorgedaan, werd krachtens het bepaalde in artikel 4, lid 1 van het Verdrag vanaf de datum van de huwelijksvoltrekking het recht van de eerste gewone verblijfplaats, te weten het Nederlandse recht, van toepassing op het huwelijksvermogensregime. Dit recht is daarop nog steeds van toepassing.\n\n2.4.7.. Partijen hebben geen huwelijkse voorwaarden opgesteld. Dit betekent dat tussen hen een wettelijke beperkte huwelijksgemeenschap is ontstaan.\n\nPeildatum\n\n2.4.8.. De rechtbank stelt voorop dat de wettelijke peildatum voor de omvang van de gemeenschap de datum van indiening van het verzoekschrift is, zijnde 17 december 2024. Vanaf dat moment is de gemeenschap ontbonden en vatbaar voor verdeling.\n\n2.4.9.. Voor wat betreft de waarde van de bestanddelen zal ten aanzien van de banksaldi en de schulden in beginsel worden uitgegaan van de waarde per peildatum. Ten aanzien van de overige bestanddelen is het uitgangspunt de waarde op het moment van de feitelijke verdeling, waarvan partijen in onderling overleg kunnen afwijken. Voor wat betreft schulden van partijen geldt dat deze niet kunnen worden verdeeld. De rechtbank kan enkel een beslissing nemen over de onderlinge draagplicht van partijen.\n\nBestanddelen\n\n2.4.10.. De rechtbank zal hieronder de bestanddelen bespreken die volgens partijen of één van hen in de verdeling moeten worden betrokken.\n\n2.4.11.. De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 3:185 BW de rechter de wijze van verdeling gelast of de verdeling vaststelt, enkel indien en voor zover partijen over een verdeling niet tot overeenstemming komen. Voor zover partijen overeenstemming hebben bereikt, is er geen rol voor de rechter weggelegd.\n\n1. Inboedel\n\n2.4.12.. Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw een bedrag van € 500,- zal voldoen aan de man, zijnde de helft van de verkoopopbrengst van de inboedel. Nu partijen het hierover eens zijn, hoeft de rechtbank op dit punt geen beslissing meer te nemen.\n\n2. Bankrekeningen\n\n2.4.13.. De man had op de peildatum een bankrekening bij de ABN AMRO met rekeningnummer [nummer] . Uit de door man overgelegde bankafschriften leidt de rechtbank af dat het saldo op deze bankrekening op de peildatum (nagenoeg) nihil was, zodat partijen in zoverre niets meer met elkaar hebben te verdelen.\n\n2.4.14.. De vrouw heeft geen inzage gegeven in haar banksaldi per peildatum. De rechtbank zal daarom de wijze van verdeling van de banksaldi vaststellen, inhoudende dat de vrouw alsnog inzage dient te geven aan de man in haar banksaldi per 17 december 2024, waarna deze saldi bij helfte tussen partijen zullen worden verdeeld, dan wel waarbij zij ieder voor de helft draagplichtig zijn voor het negatieve saldo.\n\n3. Waarborgsom\n\n2.4.15.. Vast staat dat de waarborgsom voor de huurwoning van partijen € 2.400,- bedroeg. Partijen verschillen van mening over de vraag hoe deze waarborgsom moet worden verdeeld.\n\n2.4.16.. De rechtbank stelt vast dat de vrouw in haar verweerschrift heeft gesteld dat de waarborgsom van partijen nog niet is vrijgegeven, omdat de nevenkosten nog moesten worden voldaan en de hoogte daarvan nog moest worden vastgesteld. De man heeft zich op het standpunt gesteld dat de nevenkosten moeten worden verrekend met de waarborgsom die de vrouw heeft teruggekregen en dat het restant tussen partijen moet worden verdeeld. Uit de door de vrouw overgelegde stukken leidt de rechtbank af dat over 2023 een bedrag van € 1.290,97 aan nevenkosten in rekening is gebracht en over 2024 een bedrag van € 588,-, derhalve in totaal € 1.878,97. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw met de door haar overgelegde stukken niet aangetoond dat zij de waarborgsom niet heeft teruggekregen en dat bovenstaande nevenkosten hier bovenop in rekening zijn gebracht. Nu de nevenkosten de waarborgsom niet overstijgen, zal de rechtbank bepalen dat het resterende deel van de waarborgsom bij helfte moet worden verdeeld tussen partijen. Dit betekent dat de vrouw een bedrag van € 260,52 aan de man moet voldoen (€ 2.400 - € 1.878,97 \u002F 2).\n\n4. Tegemoetkoming DUO\n\n2.4.17.. Tussen partijen staat vast dat de vrouw tijdens het huwelijk een tegemoetkoming heeft ontvangen van de DUO ter hoogte van € 1.800,-. De man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw de helft van dit bedrag aan hem moet voldoen. De vrouw heeft hiertegen naar voren gebracht dat de tegemoetkoming niet in de gemeenschap valt, omdat deze is verknocht aan haar.\n\n2.4.18.. De rechtbank stelt voorop dat naar vaste rechtspraak alleen in uitzonderlijke gevallen op grond van bijzondere verknochtheid kan worden afgeweken van de hoofregel dat de gemeenschap alle tegenwoordige en toekomstige goederen van de echtgenoten omvat. De vraag of een goed op bijzondere wijze is verknocht en zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed in de gemeenschap valt, hangt af van de aard van dat goed, zoals mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald. De omstandigheid dat de vrouw een tegemoetkoming heeft ontvangen, omdat zij in coronatijd is afgestudeerd, betekent niet reeds dat sprake is van verknochtheid. De stelplicht en de bewijslast ten aanzien van de verknocht rust op de vrouw.\n\n2.4.19.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw onvoldoende gesteld en onderbouwd dat de tegemoetkoming die zij heeft ontvangen van de DUO, aan haar is verknocht. De tegemoetkoming is een financiële compensatie waar studenten tijdens de corona epidemie onder voorwaarden aanspraak op hebben, wat niet kan worden aangemerkt als verknocht aan de vrouw. Dit betekent dat de tegemoetkoming bij helfte moet worden verdeeld tussen partijen, wat betekent dat de vrouw een bedrag van € 900,- aan de man moet voldoen.\n\n5. Schulden\n\n2.4.20.. Uit de door de man overgelegde stukken leidt de rechtbank af dat op de peildatum een schuld aan de belastingdienst aanwezig was in verband met teveel ontvangen zorgtoeslag over de jaren 2018 tot en met 2020. De man heeft daarnaast gesteld dat op de peildatum een creditcardschuld aanwezig was van de ABN AMRO Credit Card, welke schuld is ontstaan tijdens het huwelijk. Ook heeft de man gesteld dat hij daadwerkelijk een schuld heeft aan [naam] vanwege een lening die hij heeft afgesloten om in de kosten van zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. De man heeft daartoe ook een lening overeenkomst overgelegd.\n\n2.4.21.. Nu de vrouw niet, althans onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken dat bovenstaande schulden huwelijkse schulden betreffen die aanwezig waren op de peildatum, zal de rechtbank bepalen dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de hoogte van deze schulden per peildatum (17 december 2024).\n\n2.5.. Proceskosten\n\n2.5.1.. Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n3.1.. spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats] op [huwelijksdatum] ;\n\n3.2.. bepaalt dat de vrouw € 202,- per maand dient te betalen aan de man als uitkering tot levensonderhoud, met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;\n\n3.3.. gelast de wijze van verdeling van de banksaldi van partijen aldus, dat de vrouw de man inzage moet geven in de saldi van de op haar naam staande bankrekeningen per peildatum (17 december 2024), waarna zij de helft van de banksaldi aan de man moet betalen;\n\n3.4.. bepaalt verder in het kader van de verdeling dat de vrouw een bedrag van € 260,52 aan de man moet voldoen uit het restant van de waarborgsom, alsmede een bedrag van € 900,- inzake de tegemoetkoming van DUO;\n\n3.5.. bepaalt dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de hoogte van de schuld aan de belastingdienst, de creditcardschuld bij de ABN AMRO en de schuld aan [naam] per peildatum (17 december 2024);\n\n3.6.. verklaart de beslissing met betrekking tot de verdeling uitvoerbaar bij voorraad;\n\n3.7.. bepaalt dat elke partij de eigen kosten van deze procedure draagt;\n\n3.8.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. C.S. Goedèl, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier T. Jelierse op 5 maart 2026.\n\nTegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:2240","2026-07-13T00:29:40.532Z",{"id":178,"ecli":179,"slug":180,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":181,"fullText":182,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":183,"sourceTimestamp":184,"parsedAt":51,"updatedAt":185},"1094","ECLI:NL:GHAMS:2026:439","ecli-nl-ghams-2026-439","2026-02-24T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nAfdeling civiel recht en belastingrecht\n\nTeam III (familie- en jeugdrecht)\n\nzaaknummers : 200.335.313\u002F01\n\nzaaknummer rechtbank : C\u002F13\u002F712123 \u002F HA ZA 22-11\n\narrest van de meervoudige familiekamer van 24 februari 2026\n\ninzake\n\n [de man]\n\nwonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,\n\nappellant in het principaal hoger beroep,\n\ngeïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,\n\nhierna ook te noemen: de man,\n\nadvocaat: mr. B.J. Davidse,\n\ntegen\n\n [de vrouw]\n\nwonende te [plaats B] ,\n\ngeïntimeerde in het principaal hoger beroep,\n\nappellante in het incidenteel hoger beroep,\n\nhierna ook te noemen: de vrouw,\n\nadvocaat: mr. H.J. Loonstein.\n\n1. Het geding in hoger beroep\n\n1.1.. De man is bij dagvaarding van 17 oktober 2023 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 19 juli 2023 dat is gewezen tussen de man als eiser in conventie, verweerder in reconventie en de vrouw als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie (hierna: het bestreden vonnis).\n\n1.2.. Partijen hebben daarna (in de hoofdzaak) de volgende stukken ingediend:\n\n- memorie van grieven van de zijde van de man;\n\n- memorie van antwoord, tevens houdende incidenteel hoger beroep, van de zijde van de vrouw;\n\n- akte uitlaten producties tevens antwoord in het principaal appel [het hof begrijpt: incidenteel appel] van de zijde van de man;\n\n- akte houdende uitlating producties van de zijde van de vrouw.\n\n1.3.. De vrouw heeft vóór haar memorie van antwoord een incidentele memorie tot zekerheidsstelling op de voet van artikel 224 Rv ingediend, waarna beide partijen in het incident nog een aantal processtukken hebben ingediend. Het heeft hof op 26 november 2024 in dit incident arrest gewezen. Daarbij is de incidentele vordering van de vrouw afgewezen.\n\n1.4.. De man heeft, onder intrekking van het oorspronkelijk onder primair 2 gevorderde, in het principaal hoger beroep geconcludeerd dat het hof bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis zal vernietigen en in zoverre opnieuw rechtdoende:\n\nPrimair\n\nzal bepalen dat de vrouw aan de man een bedrag van € 500.000,- verschuldigd is, en dat die betaling strekt tot nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst tot betaling van dit bedrag, al dan niet in de vorm van een schenking, met veroordeling van de vrouw tot betaling van voornoemd bedrag, binnen 10 dagen, althans binnen een door het hof in goede justitie vast te stellen termijn, na de in deze te wijzen uitspraak, te verhogen met de wettelijke rente van de dag van dagvaarding in eerste instantie en de kosten van executie;\n\nzal bepalen dat de vrouw de helft van de waarde van de te verdelen inboedel dient te vergoeden aan de man, te weten voor een totaalbedrag van € 44.950,-. In het geval de inboedel op een andere wijze gewaardeerd dient te worden verzoekt de man het hof dat het een deskundige aanwijst die de inboedel zal waarderen;\n\nSubsidiair\n\n3. te bepalen dat de vrouw aan de man een bedrag van € 81.739,94 verschuldigd is op grond van ongerechtvaardigde verrijking voor de betalingen gedaan vanaf de privérekening van de man ten behoeve van aankoop van goederen en zaken en overboekingen naar bankrekeningen van de vrouw;\n\n4. in het geval het hof de in randnummer 33 tot en met 46 genoemde betalingen (van de memorie van grieven) niet kwalificeert als een onverschuldigde betaling doet de man een beroep op vergoeding door de vrouw aan hem van € 81.739,94 op grond van de naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid vast te stellen vergoeding.\n\n1.5.. \n\nDe vrouw heeft in het principaal hoger beroep geconcludeerd het hoger beroep van de man, althans zijn memorie van grieven, nietig althans niet ontvankelijk te verklaren, dan wel het door de man gevorderde af te wijzen en het bestreden vonnis te bekrachtigen.\n\nIn het incidenteel hoge beroep heeft de vrouw gevorderd om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de man te veroordelen om aan haar een bedrag van € 41.500,- aan onrechtmatig verkregen gelden te betalen, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van ieder van de onrechtmatige opnames, alsmede op te heffen de door de man uit hoofde van het beslagverlof d.d. 2 februari 2022 gelegde conservatoire beslagen. Daarnaast heeft de vrouw gevorderd om de man in alle instanties te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n1.6.. De man heeft in het incidenteel hoger beroep geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw.\n\n1.7.. Partijen hebben de zaak ter zitting van 3 december 2025 doen bepleiten door hun advocaten, ieder aan de hand van pleitnotities die aan het hof zijn overgelegd. De man was daarbij in persoon aanwezig, de vrouw niet.\n\n1.8.. Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Partijen hebben vanaf medio 2006 een affectieve relatie met elkaar gehad. Op 27 mei 2020 hebben zij een samenlevingsovereenkomst met elkaar gesloten. Medio juli 2021 is de relatie tussen partijen beëindigd en is de samenlevingsovereenkomst opgezegd.\n\n2.2.. De vrouw houdt alle aandelen in [X] B.V., welke vennootschap op haar beurt alle aandelen houdt in een aantal dochtervennootschappen. De vrouw is daarnaast eigenaar (geweest) van een aantal onroerende zaken, waaronder een tweetal panden aan de [A-straat] te [plaats B] .\n\n3. Beoordeling\n\n3.1. \n\nDe rechtbank heeft in het bestreden vonnis, voor zover in hoger beroep van belang, de vordering van de man om de vrouw te veroordelen € 500.000,- aan hem te betalen, afgewezen. Aan deze vordering had de man primair de nakoming van een tussen partijen gesloten overeenkomst ten grondslag gelegd, subsidiair dat sprake is van een vergoedingsrecht uit hoofde van een stilzwijgende afspraak, onverschuldigde betaling en\u002Fof ongerechtvaardigde verrijking en\u002Fof de redelijkheid en billijkheid.\n\nVerder heeft de rechtbank op vordering van de man de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap van inboedel vastgesteld. Deze wijze van verdeling houdt in dat partijen om de beurt een inboedelgoed van de door de man overgelegde inboedellijst moeten kiezen totdat de gehele inboedel is verdeeld, een en ander zonder nadere verrekening.\n\nDe (meer subsidiaire) vordering van de man uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking in verband met bijdragen aan de verbouwingen aan onroerende zaken van de vrouw is afgewezen.\n\nOok de vordering van de vrouw tot betaling van € 41.500,- door de man in verband met onterechte overboekingen van haar rekening naar zijn rekening is afgewezen.\n\n3.2.. Tegen dit vonnis is de man met een vijftal afzonderlijk genummerde grieven opgekomen. In incidenteel hoger beroep heeft de vrouw twee grieven gericht tegen het bestreden vonnis.\n\nOntvankelijkheid van het hoger beroep\n\n3.3.. \n\nHet meest verstrekkende verweer van de vrouw in hoger beroep is dat de memorie van grieven van de man nietig is, althans dat de man in zijn hoger beroep niet ontvankelijk verklaard dient te worden. De vrouw heeft daartoe aangevoerd dat nergens in de memorie van grieven blijkt tegen welke specifieke rechtsoverwegingen van het bestreden vonnis de man zijn grieven richt. Bovendien geeft de man niet aan waarom hij het met bepaalde rechtsoverwegingen in het bestreden vonnis niet eens is. Volgens de vrouw heeft de man in zijn memorie van grieven (dus) niet voldoende duidelijk gemaakt wat in hoofdlijnen zijn bezwaren tegen het bestreden vonnis zijn en welke grieven opkomen tegen welke specifieke rechtsoverwegingen. De memorie van grieven voldoet volgens de vrouw dan ook niet aan de minimale eisen van leesbaarheid en begrijpelijkheid.\n\nDe man heeft betwist dat zijn memorie van grieven niet aan de daaraan te stellen vereisten voldoet. Volgens hem is duidelijk op welke onderdelen hij het niet met de uitspraak van de rechtbank eens is en waarom hij van mening is dat de uitspraak van de rechtbank vernietigd dient te worden.\n\n3.4.. Het hof oordeelt als volgt. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad worden aan grieven geen formele vereisten gesteld. Als grieven dienen te worden aangemerkt alle gronden die een appellant aanvoert ten betoge dat de bestreden uitspraak behoort te worden vernietigd, waarbij de eis geldt dat die gronden behoorlijk in het geding naar voren zijn gebracht, zodat zij voor de rechter en de wederpartij voldoende kenbaar zijn (zie HR 5 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AJ3242 en HR 12 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1899). Naar het oordeel van het hof heeft de man in zijn memorie van grieven voldoende duidelijk naar voren gebracht op welke gronden de uitspraak van de rechtbank naar zijn mening moet worden vernietigd. Daartoe heeft de man een vijftal afzonderlijk genummerde grieven aangevoerd, waarbij hij telkens heeft aangegeven welke beslissing van de rechtbank naar zijn mening onjuist is en waarom dit wat hem betreft het geval is. Voor de vrouw was dit blijkens de memorie van antwoord ook voldoende kenbaar, aangezien zij hiertegen verweer heeft gevoerd. Naar het oordeel van het hof is de man dan ook ontvankelijk in zijn hoger beroep en is van nietigheid van de memorie van grieven geen sprake.\n\nInhoudelijke beoordeling van het hoger beroep\n\nIn het principaal hoger beroep\n\nGrief 1 (schenkingsovereenkomst)\n\n3.5.. In grief 1 komt de man op tegen het oordeel van de rechtbank dat het e-mailbericht van de vrouw aan hem van 24 juni 2021 slechts als een voornemen tot schenking kwalificeert en niet als een overeenkomst. Volgens de man was de verdeling van het vermogen al langer onderwerp van gesprek tussen partijen. In dat kader hadden zij eerder al met elkaar afgesproken dat de vrouw aan hem een bedrag van € 500.000,- zou betalen. Dat bedrag kwam hem toe, omdat al het vermogen van partijen (waaronder de onderneming en onroerende zaken) vanwege ‘oude’ financiële problemen aan zijn zijde op naam van de vrouw waren gesteld, terwijl de waarde(-stijging) van dit vermogen door gezamenlijke inspanning van partijen is gerealiseerd. Deze ongelijkheid wilden partijen herstellen. Zij zijn vervolgens op 18 juni 2021 op een terras in [plaats C] bij elkaar gekomen om met elkaar te praten over de wijze waarop het bedrag van € 500.000,- aan de man zou worden overgemaakt. Partijen hebben daarbij ook nog over andere onderwerpen gesproken, zelfs over de mogelijkheid dat zij alsnog zouden trouwen. Bij dit gesprek was ook de heer [naam 1] aanwezig. Hij was de financieel adviseur van partijen, en kon partijen onder meer adviseren over de wijze waarop het bedrag van € 500.000,- met zo min mogelijk fiscale consequenties aan de man voldaan kon worden. De man had zelf naar de bespreking een berekening meegenomen, waaruit volgde dat bij betaling van een bedrag van € 500.000,- een bedrag van € 86.476,- aan schenkbelasting betaald zou moeten worden. Volgens de man hebben partijen tijdens het gesprek van 18 juni 2021 definitief met elkaar afgesproken dat de vrouw een bedrag van € 500.000,- aan hem zou betalen. Dit blijkt volgens de man uit de uitvoerige brief die hij op 20 juni 2021 aan de heer [naam 1] heeft gestuurd. Ook verwijst de man naar het appbericht van de vrouw van 23 juni 2021 met daarin de belofte: “Ik ga alles met je delen (..) wacht maar af.” Daarnaast heeft de vrouw de overeenstemming bevestigd in haar e-mailbericht van 24 juni 2021 aan de man en de heer [naam 1] . De man heeft de gemaakte afspraak bovendien nog eens bevestigd in zijn e-mailbericht van 27 juni 2021 (tijdstip 9.11 uur) aan de heer [naam 1] . Vervolgens stelde vrouw in haar e-mailbericht van 27 juni 2021 opeens als aanvullende voorwaarde dat betaling van het bedrag van € 500.000,- tegen finale kwijting zou moeten geschieden. Deze voorwaarde was echter niet eerder overeengekomen. Deze finale kwijting maakte dus geen deel uit van de al eerder gemaakte afspraak. De vrouw kon deze aanvullende voorwaarde dus ook niet meer stellen, aldus de man.\n\n3.6.. De vrouw heeft betwist dat partijen zijn overeengekomen dat zij aan de man een bedrag van € 500.000,- zou betalen. De vrouw heeft in het kader van de tussen partijen gevoerde gesprekken weliswaar een bedrag van € 500.000,- genoemd, maar daar is het bij gebleven. Het is aan de man om te bewijzen dat een afspraak tot stand is gekomen. Tijdens het gesprek op 18 juni 2021 is geen overeenkomst tot betaling van een bedrag van € 500.000,- gesloten, en een dergelijke overeenkomst kan volgens de vrouw ook niet uit de latere e-mailberichten van 24 en 27 juni 2021 worden afgeleid.\n\n3.7.. \n\nHet hof stelt bij zijn beoordeling voorop dat op de man de stelplicht en bewijslast rust van de feiten en omstandigheden die leiden tot het bestaan van een overeenkomst op grond waarvan de vrouw gehouden is om aan hem een bedrag van € 500.000,- te betalen. Hij doet immers een beroep op de rechtsgevolgen van die feiten en omstandigheden.\n\nNaar het oordeel van het hof heeft de man voldoende gemotiveerd gesteld dat sprake is van een afspraak. Ter onderbouwing van zijn stelling dat partijen een overeenkomst met elkaar hebben gesloten, heeft hij gewezen op het gesprek dat partijen op 18 juni 2021 in aanwezigheid van de heer [naam 1] op het terras hebben gevoerd. Daarbij heeft hij de notitie in geding gebracht die hij bij gelegenheid van dat gesprek had meegenomen. In die notitie wordt uitgegaan van een schenking van € 500.000,-. Op de notitie heeft de man met de hand geschreven ‘dure optie’. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man toegelicht dat deze opmerking betrekking had op de hoge schenkbelasting die verschuldigd zou zijn als ervoor zou worden gekozen om de betaling aan hem in de vorm van een schenking plaats te laten vinden. De man heeft verder gewezen op de uitvoerige brief die hij naar aanleiding van het gesprek op 18 juni 2021 aan de heer [naam 1] stuurde. Daarin schrijft hij onder meer: “Dan over vrijdag (…) op het terras in [plaats C] waar we een afspraak hadden om over de 5 ton schenking aan mij te praten, op welke manier dat nu eindelijk mijn kant op zou komen, eens waren we het al op het moment dat de serveerster aan tafel kwam afruimen en [de vrouw] niet het fatsoen had even haar mond te houden maar juist begon uit varen over verduistering van 9 ton, welke onjuist is, het vreemd gaan e.d. ik vind daar geen enkel excuus voor op zijn plaats, ze had dit nooit mogen doen, beschamend. Jij zat erbij en keer ernaar.” De man heeft verder nog gewezen op het mailbericht van de vrouw aan hem en de heer [naam 1] d.d. 24 juni 2021. Daarin schrijft de vrouw: “Wat er dan wel meteen kan gebeuren in(het hof begrijpt “is”)dat [naam 2] een aanvraag doet om [de man] 5 ton te schenken. Met zo min mogelijk kleerscheuren.” Ook hieruit volgt volgens de man dat partijen met elkaar de afspraak hadden gemaakt dat de vrouw aan de man een bedrag van € 500.000,- zou betalen.\n\n3.8.. De vrouw heeft de door man gestelde feiten echter gemotiveerd betwist. Zo heeft zij erop gewezen dat de man in zijn brief aan de heer [naam 1] (ook) heeft geschreven: “Een gesprek met zijn drieën vond ik zelf eigenlijk geen goed idee, (ik had ook iemand mee moeten nemen die aan mijn zijde stond) het is eigenlijk zo gelopen als ik had verwacht, het escaleerde en draaide uit op niets. We zijn dus geen steek verder gekomen.”. Hieruit volgt volgens de vrouw dat partijen nu juist geen afspraken met elkaar hebben gemaakt. De vrouw heeft verder gewezen op de brief van de advocaat van de man aan haar d.d. 8 juli 2021. In die brief schrijft de advocaat van de man: “Client zou graag afspraken met u willen maken over de verdeling van de (waarde van de) bedrijven, het onroerend goed en overig vermogen. U heeft al aan client toegezegd dat hij in ieder geval recht heeft op een bedrag van EUR 500.000,-“. Als sprake zou zijn geweest van een overeenkomst (aanbod en aanvaarding), had de advocaat van de man volgens de vrouw niet gesproken over ‘een toezegging’ maar had zij nakoming van de overeenkomst gevorderd. De vrouw heeft verder aangevoerd dat zij bij het schrijven van haar e-mailbericht van 24 juni 2021 nog hoopte dat zij haar relatie met de man kon redden. Ze zat op dat moment in een emotionele achtbaan. Zij heeft nooit de bedoeling gehad om aan de man zo maar een bedrag van € 500.000,- te schenken, ongeacht of haar relatie met de man nu wel of niet zou eindigen.\n\n3.9.. Gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, is het hof van oordeel dat de door de man gestelde afspraak (vooralsnog) niet is komen vast te staan. De man heeft in hoger beroep echter bewijs van zijn stellingen aangeboden. Daarbij heeft hij onder meer aangeboden om de heer [naam 1] als getuige te horen. Hij kan volgens de man verklaren over de afspraken die partijen met elkaar hebben gemaakt. Gelet op de hiervoor geschetste stand van zaken, zal het hof de man toelaten tot het bewijs van zijn stelling dat partijen met elkaar een overeenkomst hebben gesloten op grond waarvan de vrouw aan hem een bedrag van € 500.000,- dient te betalen. In dat kader overweegt het hof nog dat de man spreekt van een schenkingsovereenkomst, maar dat hij tegelijkertijd aangeeft dat het overeengekomen bedrag betrekking had op ‘zijn aandeel’ in het vermogen van de vrouw. In dat laatste geval is van een (civielrechtelijke) schenkingsovereenkomst geen sprake. De grond voor betaling van het bedrag van € 500.000,- is dan geen vrijgevigheid. Tijdens de mondelinge behandeling heeft het hof aan partijen voorgehouden dat in geval sprake is van een civielrechtelijke schenking, het tot een bepaalde persoon gericht schenkingsaanbod als aangenomen geldt wanneer deze, na er kennis van te hebben genomen, het niet onverwijld heeft afgewezen (artikel 7:175 lid 2 BW). Aan de aanvaarding van een schenkingsaanbod, en daarmee aan de totstandkoming van een schenkingsovereenkomst, worden dus minder strenge eisen gesteld dan aan een wederkerige overeenkomst. Om die reden is niet alleen van belang of de vrouw een aanbod tot betaling van een bedrag van € 500.000,- aan de man heeft gedaan, maar ook wat het (civielrechtelijke) karakter van dit aanbod is geweest. Ook dit ligt in de hiervoor weergegeven bewijsopdracht aan de man besloten.\n\nGrief 2 (stilzwijgende overeenkomst)\n\n3.10.. Grief 2 van de man heeft betrekking op het oordeel van de rechtbank dat tussen partijen geen stilzwijgende overeenkomst tot stand is gekomen die inhoudt dat zij het opgebouwde vermogen bij helfte zullen delen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man het in zijn oorspronkelijke petitum onder 2 primair gevorderde ingetrokken. Daarin vorderde de man te bepalen dat de vrouw dient mee te werken aan verdeling van het vermogen dat zij onder zich had op 21 juli 2021, zodanig dat ieder de helft van dat vermogen wordt toebedeeld op grond van de tussen partijen overeengekomen afspraak dat op die wijze zou worden gedeeld. Nu de man deze vordering heeft ingetrokken, behoeft grief 2 geen verdere behandeling. Deze grief zal dan ook bij eindarrest worden afgewezen.\n\nGrief 3 en grief 4 (ongerechtvaardigde verrijking en redelijkheid en billijkheid)\n\n3.11.. Met zijn grieven 3 en 4 komt de man op tegen de afwijzing van zijn vordering tot betaling van een vergoeding omdat hij vanaf zijn privérekening betalingen heeft gedaan voor de verbouwingen van de onroerende zaken van de vrouw. Deze grieven dienen ter onderbouwing van de vorderingen hiervoor vermeld onder 3 en 4 en hebben een subsidiair karakter. Aan beoordeling van deze grieven komt het hof pas toe als de primaire vordering van de man tot betaling van een bedrag van € 500.000,- wordt afgewezen. Vanwege dit subsidiaire karakter zal het hof de beslissing op deze grieven aanhouden in afwachting van de uitkomst van de bewijsopdracht die aan de man zal worden gegeven.\n\nGrief 5 (inboedel)\n\n3.12.. Grief 5 van de man is gericht tegen de beslissing van de rechtbank over de wijze van verdeling van de inboedel. De rechtbank heeft bepaald dat partijen om de beurt een goed mogen aanwijzen van de door de man overgelegde inboedellijst. Deze lijst blijkt volgens de man echter niet compleet en bovendien waren er op de aan de lijst genoemde goederen geen waarden gekoppeld. De man heeft daarom als productie 23 in hoger beroep een nieuwe inboedellijst in geding gebracht. Daarin is de waarde van de totale inboedel gesteld op een bedrag van € 89.900,-. Volgens de man werkt de vrouw niet mee aan verdeling van de inboedel en heeft zij een groot deel van de inboedel inmiddels verkocht. Om die reden vordert de man in hoger beroep de vrouw te veroordelen om aan hem de helft van de waarde van de inboedel te vergoeden. Aldus dient de vrouw aan hem een bedrag van € 44.950,- te betalen. Indien het hof van oordeel is dat de door de man genoemde waarden van de inboedelgoederen niet gevolgd kan worden, wil hij dat er een deskundige wordt benoemd die de waarde van de goederen vaststelt.\n\n3.13.. De vrouw heeft de inhoud van de aangepaste inboedellijst betwist. Bovendien heeft zij betwist dat zij de op die lijst genoemde inboedelgoederen in haar bezit heeft. De man heeft na beëindiging van de relatie zijn persoonlijke eigendommen meegenomen of uit de garage gehaald. De vrouw kan de door de man genoemde inboedelgoederen dus niet (meer) afgeven. Ook de waarden die de man aan de inboedelgoederen toekent, zijn volgens de vrouw niet juist. Zij zijn door de man ook op geen enkele wijze onderbouwd.\n\n3.14.. Het hof oordeelt als volgt. De man vordert verdeling van de inboedel. Om die reden rust op hem de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de omvang en de waarde daarvan. In eerste aanleg heeft de man als productie 20 een inboedellijst overgelegd. De vrouw heeft op die inboedellijst inhoudelijk gereageerd. In hoger beroep heeft de man een veel uitgebreidere inboedellijst overgelegd, maar de vrouw heeft zowel de omvang als de waarde van de op deze lijst genoemde goederen betwist. Daarbij heeft zij erop gewezen dat de man geen aankoopfacturen of waardebepaling heeft overgelegd. Bij die stand van zaken had het op de weg van de man gelegen om nadere feiten en omstandigheden stellen waaruit volgt dat de door hem genoemde inboedelgoederen aan partijen toebehoorden, dat hij de genoemde inboedelgoederen niet onder zich heeft maar de vrouw wel, en wat de waarden van deze goederen zijn. Dat heeft hij nagelaten. Wel heeft de vrouw in eerste aanleg reeds aangegeven dat zij aan de man het horloge merk Rolex en de dekens en plaids zal afgeven, en dat hij – mits nog aanwezig – zijn Koga Miyata racefiets, Biblos sportfiets en Segwaystep met oplader kan krijgen. Ten aanzien van het zebrakleed heeft de vrouw aangegeven dat dit met de woning is meeverkocht, en wat betreft de Rimowa koffer heeft zij aangegeven dat deze ‘in de plomp ligt’. Het hof is van oordeel dat de vrouw ten aanzien van deze goederen in hoger beroep dan ook niet kon volstaan met de enkele betwisting dat zij deze goederen niet in bezit heeft. Zij had deze zaken blijkbaar wel in haar bezit, dan wel had (als laatste) daarover de beschikking. Evenmin kon zij volstaan met de enkele betwisting van de waarde van deze goederen. Het hof zal daarom bepalen dat de vrouw de helft van de waarde van deze goederen aan de man dient te vergoeden, waarbij het hof zal uitgaan van de door de man in productie 23 genoemde waarden met dien verstande dat het hof voor de waarde van de Rolex zal uitgaan van een bedrag van € 6.600,-. Dit is de waarde die de man in eerste aanleg aan het horloge heeft toegekend en die hij heeft gebaseerd op een taxatierapport. Waarom het horloge nu (in hoger beroep) € 2.400,- meer waard zou zijn, heeft de man niet toegelicht of onderbouwd. Dat betekent dat de vrouw aan de man ter zake de inboedel per saldo een bedrag van € 6.850,-,- dient te vergoeden. Het hof zal de vrouw bij eindarrest veroordelen om dit bedrag aan de man te betalen.\n\nIncidenteel hoger beroep\n\nGrief 1 (vordering van € 41.500,-)\n\n3.15.. In haar eerste grief in incidenteel appel komt de vrouw op tegen de afwijzing door de rechtbank van haar vordering van € 41.500,- die zij op de man stelt te hebben. De man heeft volgens de vrouw stelselmatig bedragen van haar bankrekening naar zijn eigen bankrekening overgemaakt. Weliswaar had de man een volmacht om namens haar en\u002Fof haar onderneming ten laste van haar (zakelijke) bankrekeningen betalingen te doen, maar hij mocht op basis van deze volmacht niet zonder medeweten en toestemming van bedragen van haar bankrekeningen naar zijn eigen bankrekening overmaken. De man heeft zijn volmacht dan ook misbruikt en heeft daarmee onrechtmatig jegens de vrouw gehandeld.\n\n3.16.. De man heeft aangevoerd dat partijen gedurende hun relatie onderling regelmatig geldbedragen overmaakten. Volgens de man wist de vrouw van alle overboekingen af en heeft hij geen misbruik gemaakt van de aan hem afgegeven volmacht. De vrouw heeft bovendien niet aangegeven welke overboekingen volgens haar dan precies met misbruik van de volmacht hebben plaatsgevonden.\n\n3.17.. Het hof oordeelt als volgt. Onderdeel van de subsidiaire vordering van de man is terugbetaling door de vrouw van een bedrag van € 47.500,- waarvan hij stelt dat hij dit in de loop van de relatie van partijen aan de vrouw heeft overgemaakt. Volgens de man dient de vrouw dit bedrag aan hem te vergoeden uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking. Partijen stellen dus over en weer dat de ander bedragen aan hem\u002Fhaar moet vergoeden vanwege overboekingen die in de loop van de jaren tussen hen hebben plaatsgevonden. Het hof wil deze vorderingen zoveel mogelijk gezamenlijk behandelen. Daarom zal het hof de beslissing op de eerste grief in het incidenteel appel aanhouden, in afwachting van de uitkomst van de bewijsopdracht die aan de man zal worden gegeven.\n\nGrief 2 (opheffing conservatoir beslag)\n\n3.18.. In haar tweede grief stelt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte de conservatoire beslagen niet heeft opgeheven die de man ten laste van haar heeft gelegd. De rechtbank heeft deze vordering afgewezen, omdat de vrouw de beslagstukken niet in geding had gebracht en in het petitum van haar reconventionele vordering enkel over ‘de beslagen’ had gesproken. Aldus was deze vordering volgens de rechtbank te onbepaald. In hoger beroep heeft de vrouw de beslagstukken alsnog overgelegd. Als de vorderingen van de man in principaal hoger beroep worden afgewezen, is sprake van summierlijk gebleken ondeugdelijkheid van het door de man ingeroepen recht en dienen de beslagen volgens de vrouw te worden opgeheven.\n\n3.19.. Het hof constateert dat de vrouw zelf stelt dat de beslagen dienen te worden opgeheven als de vorderingen van de man in principaal hoger beroep worden afgewezen. Omdat ten aanzien van de vorderingen van de man nog geen eindbeslissing zal worden gegeven, zal de beslissing over de opheffing van de beslagen ook worden aangehouden.\n\n4. Beslissing\n\nHet hof:\n\nlaat de man toe tot het bewijs van zijn stelling dat partijen zijn overeengekomen dat de vrouw aan de man een bedrag van € 500.000,- dient te betalen;\n\nbepaalt dat als de man bewijs door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal plaatsvinden ten overstaan van mr. M.C. Schenkeveld, daartoe tot raadsheer-commissaris benoemd, in het Paleis van Justitie, IJdok 20 te Amsterdam op een nader te bepalen dag en uur;\n\nverwijst de zaak naar de rol van 10 maart 2026voor opgave van de verhinderdagen van beide partijen en hun advocaten en van de getuigen in de maanden mei tot en met augustus 2026, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald;\n\nbepaalt dat de man overeenkomstig artikel 170 Rv de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste 10 dagen voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;\n\nhoudt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit arrest is gewezen door mr. M.C. Schenkeveld, mr. J.M. van Baardewijk en mr. T.M. Subelack en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:439","2026-02-25T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:03.663Z",{"id":187,"ecli":188,"slug":189,"caseNumber":43,"courtId":190,"decisionDate":191,"fullText":192,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":193,"sourceTimestamp":191,"parsedAt":51,"updatedAt":194},"716","ECLI:NL:GHARL:2026:81","ecli-nl-gharl-2026-81",70,"2026-01-08T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.349.155\u002F01\n\n(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 562863)\n\nbeschikking van 8 januari 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker](de man),\n\ndie woont in [woonplaats] ,\n\nverzoeker in het principaal hoger beroep,\n\nverweerder in het incidenteel hoger beroep,\n\nadvocaat: mr. D. Rezaie te Amsterdam,\n\nen\n\n [verweerster](de vrouw),\n\ndie woont in [woonplaats] ,\n\nverweerster in het principaal hoger beroep,\n\nverzoekster in het incidenteel hoger beroep,\n\nadvocaat: mr. I.M.G. Maste te Almere.\n\n1. De procedure in eerste aanleg\n\nHet hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 11 september 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.\n\n2. De procedure in hoger beroep\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het beroepschrift met bijlage(n)*, ingekomen op 10 december 2024;\n\n- een journaalbericht namens de man van 26 januari 2025 net bijlage(n);\n\n- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met bijlage(n);\n\n- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep;\n\n- een journaalbericht namens de man van 8 oktober 2025 met bijlage(n);\n\n- een journaalbericht namens de vrouw van 28 oktober 2025 met bijlage(n);\n\n- een journaalbericht namens de man van 3 november 2025 met bijlage(n);\n\n- een journaalbericht namens de man van 10 november 2025 met bijlage(n).\n\n2.2.. De mondelinge behandeling heeft op 11 november 2025 plaatsgevonden. Verschenen zijn de man met zijn advocaat en een tolk in de taal Farsi en de vrouw met haar advocaat. De advocaat van de vrouw heeft mede het woord gevoerd aan de hand van de door haar overgelegde pleitaantekeningen.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. \n\nPartijen zijn op [huwelijksdatum] met elkaar gehuwd in [plaats] ( Iran ). In de (vertaalde) huwelijksakte is onder andere het volgende opgenomen:\n\n“MARRIAGE PORTION : One volume of Holy Koran for Rls. 10,000 and one set of mirror and a candle holder for Rls.200,000 which are recieved and 100 gold coins which are indebted by the husband and payable on demand.signed.”\n\n3.2.. De man is in 1994 naar Nederland gekomen. De vrouw is in 1998 met de oudste dochter van partijen in het kader van gezinshereniging in Nederland bij de man komen wonen. In 2000 hebben de man en de vrouw samen nog een dochter gekregen.\n\n3.3.. Partijen hebben sinds ongeveer 2008 de Nederlandse nationaliteit.\n\n3.4.. De man en de vrouw waren eigenaar van een woning aan de [adres] te [woonplaats] . Voor de aankoop van die woning hadden zij een hypothecaire lening afgesloten bij NIBC.\n\n3.5.. De vrouw heeft op 29 augustus 2023 een verzoek tot echtscheiding met nevenverzoeken ingediend bij de rechtbank Midden-Nederland. De rechtbank heeft bij de bestreden beschikking van 11 september 2024 de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 22 januari 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, waardoor het huwelijk is ontbonden.\n\n3.6.. \n\nBij beschikking van 2 december 2024 heeft de rechtbank Midden-Nederland in aanvulling op de bestreden beschikking als volgt beslist:\n\n“4.1. gelast, in aanvulling op de beschikking van 11 september 2024, de wijze van verdeling van de woning aan de [adres] in [woonplaats] als volgt:e. in beide situaties, bij overname door de vrouw of bij verkoop van de woning aan een derde, dient de over- dan wel onderwaarde tussen partijen bij helfte te worden verdeeld, dan wel te worden gedragen. De over- of onderwaarde wordt als volgt berekend = taxatiewaarde of verkoopprijs -\u002F- hypotheekschuld op 26 november 2023;4.2.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;4.3. bepaalt dat partijen hun eigen proceskosten betalen;4.4. wijst de verzoeken van partijen voor het overige af.”3.7.. De voorzieningenrechter in kort geding in de rechtbank Midden-Nederland heeft bij vonnis van 22 april 2025, in conventie, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat dat vonnis ex artikel 3:300 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in de plaats treedt van de medewerking van de man en alle daarmee verband houdende stukken benodigd voor de juridische levering van de eigendom van de onroerende zaak [adres] te [woonplaats] aan de vrouw, de man veroordeeld in de proceskosten en het meer of anders verzochte afgewezen. In reconventie heeft hij de vorderingen van de man afgewezen.\n\n3.8.. \n\nDe akte van verdeling van de bovenvermelde woning is op 17 juli 2025 gepasseerd. Hierbij is de woning toegedeeld aan de vrouw tegen een waarde van € 415.000,- en onder de verplichting voor de vrouw om: a. met ingang van de overnamedatum alle verplichtingen voortvloeiend uit de hypotheekschuld bij NIBC ter hoogte van (afgerond) € 256.870,- voor haar rekening te nemen en als eigen schuld te voldoen;\n\nb. wegens overbedeling aan de man een bedrag van € 79.065,- te voldoen.\n\n4. De omvang van het geschil\n\n4.1.. Bij de bestreden beschikking van 11 september 2024 heeft de rechtbank, voor zover in dit hoger beroep van belang, als volgt beslist:\n\n“4.3. gelast de wijze van verdeling van de woning aan de [adres] in [woonplaats] als volgt:\n\na. de woning zal worden toegedeeld aan de vrouw tegen een nog te taxeren waarde, onder de ontbindende voorwaarden dat de vrouw binnen drie maanden na datum inschrijving echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand aan de man aantoont dat zij in staat is de woning over te nemen en hem te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de aan de woning verbonden hypothecaire geldlening;\n\nb. de woning wordt getaxeerd door [makelaardij] waartoe partijen binnen een week na vandaag gezamenlijk opdracht tot taxatie geven. Beide partijen behoren hun medewerking aan de taxatie te verlenen en geen van hen (ook geen derde) zal aanwezig zijn bij de taxatie. Partijen dienen de kosten van de taxatie bij helfte te dragen;\n\nc. indien aan de hiervoor onder a. genoemde voorwaarden wordt voldaan, zal de man zijn aandeel in de woning overdragen aan de vrouw, onder de voorwaarde dat hij uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de aan de woning verbonden hypothecaire geldlening wordt ontslagen;\n\nd. indien en voor zover niet aan de hiervoor onder a genoemde voorwaarden wordt voldaan, zal de woning worden verkocht en geleverd aan een derde, waartoe partijen gezamenlijk een verkoopopdracht zullen verstrekken aan de hiervoor bedoelde makelaar, die partijen, indien zij geen overeenstemming bereiken, bindend zal adviseren ten aanzien van de vraag- en laatprijs. Bij verkoop en levering van de woning dient uit de verkoopopbrengst de op de woning rustende hypothecaire geldlening te worden afgelost en dienen de kosten verbonden aan de verkoop te\n\nworden voldaan;4.4.. bepaalt dat de man aan de vrouw dient te voldoen de bruidsgave, zijne het equivalent van 100 gouden munten, zijnde een bedrag van€ 49.820,-;\n\n4.5.. verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad, behalve voor zover het de echtscheiding betreft;”.\n\n4.2.. De man is met vier grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Hij verzoekt het hof voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\n- de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het de beslissingen betreft met betrekking tot de bruidsgave en de toedeling van de woning aan de vrouw tegen een nog te taxeren waarde,\n\nen opnieuw beschikkende, te bepalen dat:\n\nde woning tegen een waarde van € 427.261,- aan de vrouw zal worden toegedeeld;\n\nde inboedelgoederen van de echtelijke woning onder verrekening van een bedrag van € 10.000,- door de vrouw aan de man, aan de vrouw worden toegescheiden,\n\nde sieraden van partijen onder verrekening van een bedrag van € 25.000,- door de vrouw aan de man, aan de vrouw worden toegescheiden.\n\n4.3.. \n\nDe vrouw voert verweer en is op haar beurt in incidenteel hoger beroep gekomen. Haar grief ziet op de waarde van de bruidsgave. De vrouw verzoekt het hof in het principaal hoger beroep: primair de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken in hoger beroep en subsidiair de verzoeken van de man in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.in het incidenteel hoger beroep:1. A. de bestreden beschikking onder 4.4 van het dictum op het punt van de waarde van de\n\n100 gouden munten te vernietigen en\n\n B. te bepalen dat de man binnen één week na de door het hof uit te spreken beschikking aan de vrouw moet voldoen: 100 (honderd) Bahar Azadi gouden munten met de volgende specifieke informatie: maat 1 met een gewicht van 8,13598 (gram), met nettogewicht van puur goud 7.32238 (gram), 22 mm met de puurheid van 0.9000 en bij het uitblijven van deze betaling: het equivalent daarvan te bepalen aan de hand van de wisselkoers primair per datum beschikking, subsidiair per datum zitting.\n\n2. Te bepalen dat de man het onder 1 toegekende equivalent binnen één week en één dag na de beschikking dient te voldoen.\n\n3. Te bepalen dat het onder 1 vermelde bedrag na het verstrijken van de termijn van één week zal worden vermeerderd met de wettelijke rente tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nIn het principaal en incidenteel hoger beroep:\n\n4. onder veroordeling van de man in de kosten van deze procedure.\n\n4.4.. De man voert verweer en hij verzoekt de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken in het incidenteel hoger beroep, dan wel die verzoeken af te wijzen en de bestreden beschikking op de punten waarop het incidenteel hoger beroep betrekking heeft te bekrachtigen.\n\n5. De motivering van de beslissing\n\n5.1.. De kern van het geschil betreft de vermogensrechtelijke afwikkeling ten gevolge van de ontbinding van het huwelijk van partijen en meer in het bijzonder de waarde van de voormalige echtelijke woning, de vraag of de man de bruidsgave aan de vrouw dient te voldoen en zo ja, welke waarde aan de bruidsgave moet worden toegekend. Daarnaast ligt de vraag voor of de inboedel, de sieraden en het goud moeten worden verdeeld en zo ja, tegen welke waarde.\n\nRechtsmacht5.2.. \n\nDe zaak kent internationale elementen. Daarom zal het hof beoordelen of de Nederlandse rechter bevoegd is de hiervoor vermelde nevenverzoeken in de echtscheidingsprocedure te beoordelen.\n\nOmdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot de echtscheiding, komt de Nederlandse rechter tevens rechtsmacht toe om beslissingen te nemen over zaken betreffende de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk.Op de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk is Iraans recht van toepassing (zie 5.7). Volgens Iraans recht ontstaat er geen gemeenschappelijk vermogen door het huwelijk, maar is er een strikte scheiding van vermogen gedurende het huwelijk. De voorliggende verzoeken betreffen, met uitzondering van het verzoek over de bruidsgave, dan ook verzoeken die hun grondslag vinden in het algemene vermogensrecht.\n\n5.3.. Volgens de in Nederland geldende heersende leer is de bruidsgave een rechtsfiguur met een geheel eigen karakter (sui generis). De rechtsmacht ten aanzien van het verzoek dat betrekking heeft op de bruidsgave wordt niet bestreken door internationale verdragen of verordeningen. Het betreft een nevenvoorziening bij het echtscheidingsverzoek. Omdat de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van de echtscheiding, heeft de Nederlandse rechter tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzoek over de bruidsgave.\n\n5.4.. De eenvoudige gemeenschap van woning vindt zijn oorsprong niet in het relatievermogensrecht. Het verzoek heeft betrekking op de toedeling van de woning en de waarde van de woning in het kader van de verdeling van die woning en betreft dus een zakelijk recht. Omdat de ligging van de woning in Nederland is, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht.\n\n5.5.. Ook de verzoeken ten aanzien van de inboedel, de sieraden en het goud vinden hun als gezegd hun grondslag in het algemene vermogensrecht. Omdat de man, verweerder in eerste aanleg, in Nederland woonplaats heeft, komt de Nederlandse rechter ook ten aanzien van deze verzoeken rechtsmacht toe.\n\nToepasselijk recht5.6. Partijen verschillen van mening over het van toepassing zijnde recht op de verzoeken die betrekking hebben op de bruidsgave en op de (verdeling van de) inboedel, de sieraden en het goud. Het hof dient daarom te beoordelen welk recht van toepassing is op de genoemde verzoeken.\n\n5.7.. Partijen zijn gehuwd op [huwelijksdatum] in Iran . Zij hebben geen rechtskeuze uitgebracht. Partijen hadden ten tijde van de huwelijkssluiting beiden de [nationaliteit] . Gelet op het arrest Chelouche\u002FVan Leerdient – bij gebreke van een rechtskeuze – te worden aangesloten bij het recht van het land waarvan de echtgenoten ten tijde van de huwelijkssluiting beiden de nationaliteit hadden. Dat betekent dat het Iraans huwelijksvermogensrecht dient te worden toegepast. Partijen zijn het erover eens dat de woning, de inboedel, de sieraden en het goud op grond van het toepasselijke huwelijksvermogensrecht niet gemeenschappelijk eigendom van partijen zijn geworden.\n\n5.8.. De rechtsfiguur van de bruidsgave, die is gekwalificeerd als sui generis, wordt volgens de heersende leer onderworpen aan het recht dat het huwelijk beheerst, omdat de bruidsgave onlosmakelijk is verbonden met het huwelijk. Omdat op het huwelijk Iraans recht wordt toegepast, leidt dat ertoe dat de aanspraak van de vrouw op de bruidsgave moet worden beoordeeld naar het Iraans recht. Dat kennelijk slechts in zeer geringe mate een nauwe band met Iran bestaat en een veel nauwere band met Nederland bestaat, zoals door de man aangevoerd, is door hem slechts ten dele en daarmee onvoldoende onderbouwd en ook overigens niet gebleken.\n\n5.9.. Bij de mondelinge behandeling bij het hof is duidelijk geworden dat geen van partijen beoogd heeft een grief te richten tegen de toepassing van Nederlands recht op het verzoek van de man met betrekking tot de woning. Daarom zal ook het hof van de toepasselijkheid van het Nederlandse recht op dit verzoek uit gaan.\n\n5.10.. \n\nDe verzoeken van de man met betrekking tot de (verdeling van de) inboedel, de sieraden en het goud betreffen het goederenrechtelijke regime van deze zaken. Omdat deze zaken zich op het grondgebied van Nederland bevinden, is hierop Nederlands recht van toepassing.\n\nBespreking van de geschilpunten\n\nDe bruidsgave5.11.. Aan de orde is de vraag of de man de bruidsgave aan de vrouw is verschuldigd en zo ja, wat het equivalent van de waarde van de gouden munten in euro’s is.\n\n5.12.. Het staat vast dat partijen bij de huwelijksvoltrekking in Iran een bruidsgave zijn overeengekomen van 100 gouden munten. Deze bruidsgave is naar Iraans recht opeisbaar. Ook staat vast dat de vrouw geen afstand heeft gedaan van de bruidsgave. Dit heeft ze ter zitting expliciet verklaard. De man is dan ook de 100 gouden munten aan de vrouw verschuldigd.\n\n5.13.. Het hof moet vervolgens nagaan of de hiervoor vermelde uitkomst naar Iraans recht mogelijk in strijd is met de Nederlandse openbare orde. De man voert aan dat er sprake is van een khul-echtscheiding op grond waarvan hij de bruidsgave in Iran niet zou zijn verschuldigd. De vrouw betwist dit. Naar het oordeel van het hof is er geen sprake van schending van de Nederlandse openbare orde. In Nederland is een echtscheidingsprocedure gevoerd waarbij Nederlands recht op de beslissing tot echtscheiding is toegepast. Dit echtscheidingsverzoek is tegelijk met het verzoek tot voldoening van de bruidsgave ingediend en tegen de echtscheidingsbeslissing is geen grief ingesteld, waardoor de beslissing met betrekking tot de naar Nederlands recht uitgesproken echtscheiding onherroepelijk is geworden. De aldus in Nederland gevoerde echtscheidingsprocedure kan niet worden gekwalificeerd als een khul-scheiding. Dat de vrouw in het kader van een kuhl-scheiding in Iran mogelijk afstand had moeten doen van de bruidsgave, maakt niet dat veroordeling van de man tot betaling van de bruidsgave in strijd komt met de Nederlandse openbare orde. Vaststaat immers dat de vrouw van de bruidsgave geen afstand heeft gedaan, zodat deze opeisbaar is. Ook in de hoogte van de bruidsgave ziet het hof geen reden om veroordeling van de man tot betaling daarvan in strijd te achten met de Nederlandse openbare orde. Wat er ook zij van het argument als zodanig, uit het dossier is voldoende gebleken dat de man geacht kan worden de bruidsgave te kunnen voldoen. Het hof zal het verzoek van de vrouw tot voldoening van de bruidsgave in gouden munten daarom toewijzen.\n\nDe waarde van de gouden munten5.14.. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat het hof toekomt aan de beoordeling van de vraag hoe de waarde van de gouden munten moet worden vastgesteld. Niet in geschil is dat met de gouden munten waar de bruidsgave op ziet, gedoeld wordt op de Iraanse Bahar Azadi munt, die als volgt is gespecificeerd: een diameter van 22 millimeter en een gewicht van 8,13598 gram waarvan 7,32238 gram puur goud met een fijnheid van 0.900.\n\n5.15.. In hoger beroep wenst de vrouw, anders dan in eerste aanleg, uit te gaan van een waarde in euro’s ter hoogte van de waarde op primair de datum van de uitspraak van het hof en subsidiair van de datum van de zitting bij het hof (11 november 2025).\n\n5.16.. Het hof constateert dat het Iraanse recht geen rechtsregel kent die iets bepaalt over de waarde van het equivalent van de gouden munten in andere (buitenlandse) valuta. Wel kent het Iraanse recht regels met betrekking tot de waarde van de bruidsgave als het bedrag daarvan is overeengekomen in Rial . Deze regels zijn opgenomen in de uitvoeringswetgeving bij artikel 1082 van het Iraans Burgerlijk Wetboek. Hierin is bepaald dat het moment waarop uitbetaling wordt gevraagd, beslissend is voor de bepaling van de waarde van de bruidsgave. Hierbij zal het hof naar analogie aansluiten. Dat betekent dat de waarde van de gouden munten moet worden bepaald tegen de koers op de dag dat de vrouw voor het eerst de bruidsgave in rechte heeft opgeëist. In dit geval is dat de dag van indiening van het echtscheidingsverzoek (29 augustus 2023).\n\n5.17.. Het hof ziet geen aanleiding om, zoals de vrouw wenst, op grond van de (Nederlandse) redelijkheid en billijkheid een andere waarde vast te stellen dan € 49.820,-, zijnde het bedrag dat de vrouw in eerste aanleg heeft verzocht en welk bedrag door de man niet wordt weersproken. Het Iraanse recht is van toepassing op de bruidsgave en dit recht biedt verder geen aanknopingspunten voor de vaststelling van de waarde per een andere datum. Dat geldt ook voor de door de vrouw verzochte toepassing van de wettelijke rente bij te late voldoening (volgens Nederlands recht).\n\n5.18.. \n\nUit rechtsoverweging 5.13 in combinatie met rechtsoverweging 5.17 en 5.18 volgt dat de man een bruidsgave van 100 gouden munten is verschuldigd aan de vrouw of een bedrag van € 49.820,- als equivalent voor de waarde van die munten per datum waarop de vrouw de bruidsgave voor het eerst in rechte heeft opgeëist. Omdat de vrouw in hoger beroep haar verzoek met betrekking tot de bruidsgave heeft aangepast, zal het hof de man veroordelen tot betaling van de gouden munten of de vervangende waarde daarvan in euro’s van € 49.820,-. Hieruit volgt dat grief I van de man faalt en grief A van de vrouw deels faalt en deels slaagt.\n\nDe woning in [woonplaats]5.19.. Partijen verschillen van mening over de waarde van de woning. De man wil uitgaan van een waarde van € 427.261,- (het gemiddelde van de op pagina 29 van het taxatierapport van 24 september 2024 vermelde modelwaardes van € 429.318,- (Calcasa) en € 425.203,- (Ortax)). De vrouw vindt dat van de getaxeerde waarde van € 415.000,- moet worden uitgegaan.\n\n5.20.. \n\nPartijen hebben gezamenlijk een taxatierapport laten opmaken door [makelaardij] . Deze heeft de waarde van de woning getaxeerd op € 415.000,-.\n\nIn het taxatierapport wordt de afwijking van de door de man aangehaalde modelwaardes toegelicht: de kwaliteit van de verbouwing is matig uitgevoerd, de hal is weggehaald, waardoor het toilet grenst aan de woonkamer en ook de trap naar de verdieping is open, waardoor er warmteverlies is. Naar het oordeel van het hof heeft de makelaar hiermee de getaxeerde waarde van € 415.000,- onderbouwd. De man heeft op geen enkele wijze, bijvoorbeeld door een andere rapportage, onderbouwd dat de waarde van € 415.000,- niet klopt of dat de deskundige zijn werk niet goed heeft gedaan. Daarom faalt grief II van de man\n\nDe inboedel, de sieraden en het goud5.21.. De man vindt dat de inboedel, de sieraden en het goud moet worden verdeeld en dat alles aan de vrouw moet worden toegescheiden, waarbij zij aan hem dan voor de inboedel een bedrag van € 10.000,- is verschuldigd en een bedrag van € 25.000,- voor de sieraden en het goud. De vrouw stelt zich op het standpunt dat er niets hoeft te worden verdeeld, omdat het Iraanse recht geen huwelijksgemeenschap kent en de zaken ook overigens geen gemeenschappelijk eigendom van partijen zijn geworden.\n\n5.22.. Het hof stelt voorop dat het toepasselijke Iraanse huwelijksvermogensrecht geen gemeenschap van goederen kent. Ter zitting heeft de man aangevoerd dat de inboedel, de sieraden en het goud in Nederland zijn aangeschaft van gemeenschappelijke gelden, te weten de PGB-gelden die werden ontvangen ten behoeve van de dochter van partijen. Niet gebleken is echter dat de PGB-gelden gemeenschappelijke inkomsten van partijen waren. De vrouw nam de zorg voor de dochter van partijen voor haar rekening, wat de man niet heeft betwist. Het daarvoor ontvangen PGB behoort daarom tot het inkomen van de vrouw en is op basis van het toepasselijke Iraanse huwelijksvermogensrecht niet in enige gemeenschap gevallen. Overigens is niet komen vast te staan dat de vrouw de ontvangen PGB-gelden anders heeft besteed, dan waarvoor deze waren bedoeld. Ook verder is niet komen vast te staan dat de inboedel, de sieraden en het goud van (andere) gemeenschappelijke gelden zijn aangeschaft of anderszins gemeenschappelijk eigendom van partijen zijn. Hieruit volgt dat de grieven III en IV van de man falen.\n\n6. De slotsom\n\n6.1.. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven van de man in het principaal hoger beroep en faalt grief A van de vrouw in het incidenteel hoger beroep voor zover het de waarde van de gouden munten betreft. Het hof zal vanwege het aanvullende verzoek van de vrouw in hoger beroep en ter voorkoming van misverstanden punt 4.4 van het dictum van de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als hierna onder 7 vermeld.\n\n6.2.. Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, omdat het verzoek om een proceskostenveroordeling door de vrouw niet is gemotiveerd, partijen (gewezen) echtgenoten zijn en de procedure de vermogensrechtelijke gevolgen van de ontbinding van hun huwelijk betreft.\n\n7. De beslissing\n\nHet hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:7.1.. vernietigt punt 4.4 van het dictum van de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere , van 11 september 2024, en in zoverre opnieuw beschikkende:7.2.. bepaalt dat de man binnen één week van de datum van deze beschikking aan de vrouw dient te voldoen de bruidsgave van 100 gouden Bahar Azadi munten met de volgende specifieke informatie: een diameter van 22 millimeter en een gewicht van 8,13598 gram waarvan 7,32238 gram puur goud met een fijnheid van 0.900, althans het equivalent daarvan in euro’s, zijnde een bedrag van € 49.820,-;7.3.. bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere , van 11 september 2024 voor het overige, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;7.4.. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n7.5.. compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;7.6.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Knot, M.A.F. Veenstra en M. Kemmers, bijgestaan door mr. J.M.G. van Wijk als griffier, en is op 8 januari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.\n\n Artikel 5 lid 1 Huwelijksvermogensrechtverordening.\n\n Artikel 4 lid 3 Rv.\n\n Artikel 24, aanhef en sub 1, Brussel I-bis.\n\n Artikel 4 lid 1 Brussel I-bis.\n\n HR 10 december 1976, NJ 1977, 275.\n\n Een en ander in de zin van artikel 10:8 BW.\n\n Artikel 10:127 lid 1 BW.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:81","2026-07-13T00:28:44.473Z",17,20,[11,198],2025]