[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-motor-vehicle-tax-nl-2026":3},{"detail":4,"years":137},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":35,"page":14,"limit":136},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},143,"motor-vehicle-tax-nl","Motor Vehicle Tax","NL","2026-07-08T16:58:35.935Z",2026,[13,16,18,20,23,25,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":14},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":22},4,6,{"month":24,"count":14},5,{"month":22,"count":19},{"month":27,"count":15},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":15},12,[39,52,59,68,77,87,96,103,110,117,126],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":50,"updatedAt":51},"1969","ECLI:NL:RBZWB:2026:5765","ecli-nl-rbzwb-2026-5765","",64,"2026-06-29T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nBelastingrecht\n\nzaaknummer: BRE 25\u002F6506\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende\n\n(gemachtigde: [gemachtigde] ),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 12 september 2025. Het beroep ziet op de naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) met het aanslagnummer [aanslagnummer] .\n\n1.1.. Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat het te laat is ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.\n\nToetsingskader\n\n3. Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken.Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van de uitspraak op bezwaar.Maar als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop de uitspraak op bezwaar is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending.\n\nEen beroepschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen.Wanneer het beroepschrift (aangetekend of niet-aangetekend) met de gewone postwordt verstuurd, is het bij ontvangst na het einde van de termijn onder voorwaarden ook tijdig ingediend.Die voorwaarden zijn dat het beroepschrift voor het einde van de termijn op de post is gedaan én het niet later dan een week na afloop van de termijn bij de rechtbank is ontvangen. Als op de envelop een leesbaar poststempel is geplaatst, neemt de rechtbank in beginsel aan dat het beroepschrift op die dag op de post is gedaan. De rechtbank wijkt alleen van dit uitgangspunt af als de indiener van het beroepschrift aannemelijk maakt dat het op een eerdere datum op de post is gedaan.\n\n3.1.. Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verontschuldigbaar is. Dan laat de rechtbank niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.\n\nIs het beroep te laat ingediend?\n\n4. Vast staat dat de dagtekening van de uitspraak op bezwaar 12 september 2025 is. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de verzending ervan later dan die datum heeft plaatsgevonden. De termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde dus op 24 oktober 2025.\n\n4.1.. Belanghebbende heeft het beroepschrift met PostNL verstuurd. Gelet op het poststempel gaat de rechtbank ervan uit dat het beroep op 15 december 2025 op de post is gedaan. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat het eerder op de post is gedaan. Het beroepschrift is dus niet tijdig ingediend.\n\nIs het te laat indienen verontschuldigbaar?\n\n5. De gemachtigde van belanghebbende heeft aangevoerd dat vanwege ziekte van belanghebbende de benodigde gegevens voor het beroepschrift niet tijdig konden worden aangeleverd. Dat is geen verontschuldiging voor dit verzuim. Belanghebbende – of de gemachtigde namens belanghebbende – had immers in ieder geval tijdig beroep kunnen instellen, zo nodig op nader aan te voeren gronden. De rechtbank acht ook geen sprake van geringe verwijtbaarheid aan de zijde van belanghebbende. Het te laat indienen is dus niet verontschuldigbaar.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. J.J.C.J. van Wesel-de Jongh, griffier, op 29 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Dit volgt uit artikel 6:7 van de Awb.\n\n Dit volgt uit artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.\n\n Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.\n\n Onder gewone post wordt verstaan door PostNL of door ieder ander bij de Autoriteit Consument en Markt geregistreerd postvervoerbedrijf.\n\n Dit volgt uit artikel 6:9, tweede lid, van de Awb.\n\n Dit volgt uit artikel 6:11 van de Awb.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5765","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:47.817Z",{"id":53,"ecli":54,"slug":55,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":56,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":57,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":50,"updatedAt":58},"1971","ECLI:NL:RBZWB:2026:5764","ecli-nl-rbzwb-2026-5764","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nBelastingrecht\n\nzaaknummers: BRE 25\u002F5971 en 25\u002F6411\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [belanghebbende] , uit [woonplaats] (Polen), belanghebbende\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over de beroepen van belanghebbende tegen de bestreden uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 8 oktober 2025. De beroepen zien op de naheffingsaanslagen motorrijtuigenbelasting (mrb) met aanslagnummers [aanslagnummer] Y.8 en [aanslagnummer] Y.9.2.\n\n1.1.. Omdat de beroepen kennelijk ongegrond zijn, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De inspecteur heeft de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard omdat de bezwaren niet tijdig waren ingediend. De rechtbank komt tot het oordeel dat de bezwaren te laat zijn ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. De inspecteur heeft de bezwaren terecht niet-ontvankelijk verklaard. Daarom zijn de beroepen kennelijk ongegrond.\n\nToetsingskader\n\n3. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken.Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van het aanslagbiljet of van de voor bezwaar vatbare beschikking.Maar als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop dat aanslagbiljet of die beschikking is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending.\n\nEen bezwaarschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen.Wanneer het bezwaarschrift (aangetekend of niet-aangetekend) met de gewone postwordt verstuurd, is het bij ontvangst na het einde van de termijn onder voorwaarden ook tijdig ingediend.Die voorwaarden zijn dat het bezwaarschrift voor het einde van de termijn op de post is gedaan én het niet later dan een week na afloop van de termijn bij het bestuursorgaan is ontvangen.\n\n3.1.. Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is anders als het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verontschuldigbaar is. Dan laat het bestuursorgaan niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.\n\nIs het bezwaarschrift te laat ingediend?\n\n4. Vast staat dat de dagtekeningen van de naheffingsaanslagen 26 juni 2019 en 3 september 2019 zijn. Volgens de inspecteur is niet meer vast te stellen in de systemen van de Belastingdienst wanneer de naheffingsaanslagen aan belanghebbende zijn verzonden, aangezien inmiddels al lange tijd is verstreken. De rechtbank kan daarom niet vaststellen of de naheffingsaanslagen tijdig en naar het juiste adres zijn verzonden. In het geval belanghebbende de ontvangst daarvan wel betwist, dan is de bezwaartermijn pas gaan lopen wanneer hij de naheffingsaanslagen heeft ontvangen. Uit het beroepschrift van belanghebbende valt af te leiden dat belanghebbende in ieder geval op 5 februari 2024 bekend was met de opgelegde naheffingsaanslagen, toen hij de uitschrijving bij de RDW had afgerond. Als ervan wordt uitgegaan dat de naheffingsaanslagen toen voor het eerst bekend zijn gemaakt, dan eindigde de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift op 18 maart 2024.\n\n4.1.. Belanghebbende heeft het bezwaarschrift per post verstuurd. Het bezwaarschrift is bij de inspecteur ontvangen op 26 juni 2025. Het bezwaarschrift is dus niet tijdig ingediend. De rechtbank merkt daarbij op dat uit de vastlegging van telefonisch contact van belanghebbende met de Belastingtelefoon Auto op 14 maart 2025 volgt dat belanghebbende toen in elk geval op de hoogte was van de naheffingsaanslagen. Ook als zou worden uitgegaan van die datum voor de aanvang van de bezwaartermijn, dan nog is het bezwaarschrift te laat ingediend.\n\nIs het te laat indienen verontschuldigbaar?\n\n5. Belanghebbende heeft hiervoor de volgende reden gegeven. Belanghebbende geeft aan dat hij in het jaar 2016 naar het buitenland is verhuisd en niet eerder bezwaar heeft kunnen indienen vanwege onjuiste informatieverstrekking door betrokken instanties en het niet ontvangen van de ontbrekende documenten om de auto uit te schrijven bij de RDW. Nadat de inschrijving bij de RDW op 5 februari 2024 heeft afgerond, heeft hij zijn bezwaar zo spoedig mogelijk ingediend, namelijk op 26 juni 2025..\n\n5.1.. De rechtbank constateert dat de bezwaren meer dan een jaar nadat de auto is uitgeschreven bij de RDW zijn ingediend. Dat is een aanzienlijke periode en veel langer dan de periode van zes weken die de Hoge Raad als uitgangspunt neemt. Wat belanghebbende aanvoert, leidt er naar het oordeel van de rechtbank niet toe dat de termijnoverschrijding niet aan belanghebbende is toe te rekenen. Het had op de weg van belanghebbende gelegen om op een eerder moment, eventueel met behulp van een derde, de bezwaren tegen de naheffingsaanslagen in te dienen. Verder is de stelling dat verschillende instanties onjuiste informatie hebben verstrekt niet onderbouwd, zodat hieraan geen gewicht kan worden toegekend. Bovendien is niet in te zien waarom de gestelde onjuiste informatie ertoe zou leiden dat na uitschrijving bij de RDW nog meer dan een jaar is gewacht met het maken van bezwaar. Ook als het contactmoment met de Belastingtelefoon als uitgangspunt wordt genomen, dan is geen goede reden gegeven waarom meer dan zes weken daarna is gewacht met het maken van bezwaar.\n\n5.2.. De aangevoerde omstandigheden leiden naar het oordeel van de rechtbank dus niet tot de conclusie dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. De rechtbank acht ook geen sprake van geringe verwijtbaarheid aan de zijde van belanghebbende. Het te laat indienen is dus niet verontschuldigbaar.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. De bezwaren zijn daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. De beroepen zijn daarom ongegrond. Dat betekent dat de bestreden besluiten in stand blijven. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. J.J.C.J. van Wesel-de Jongh, griffier, op 29 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Dit volgt uit artikel 6:7 van de Awb.\n\n Dit volgt uit artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.\n\n Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.\n\n Onder gewone post wordt verstaan door PostNL of door ieder ander bij de Autoriteit Consument en Markt geregistreerd postvervoerbedrijf.\n\n Dit volgt uit artikel 6:9, tweede lid, van de Awb.\n\n Dit volgt uit artikel 6:11 van de Awb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5764","2026-07-13T00:29:47.903Z",{"id":60,"ecli":61,"slug":62,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":63,"fullText":64,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":65,"sourceTimestamp":66,"parsedAt":50,"updatedAt":67},"1964","ECLI:NL:RBZWB:2026:5586","ecli-nl-rbzwb-2026-5586","2026-06-26T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nBelastingrecht\n\nzaaknummer: BRE 26\u002F201\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende\n\n(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 3 december 2025. Het beroep ziet op de naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen met aanslagnummer [aanslagnummer] .\n\n1.1.. Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat het griffierecht niet is betaald en het niet betalen niet verontschuldigbaar is. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.\n\nToetsingskader\n\n3. Iemand die beroep instelt, moet griffierecht betalen. Dit staat in artikel 8:41 van de Awb. In een zaak als deze is het griffierecht € 200,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Het hele bedrag moet binnen die termijn zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dan zijn betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig is betaald, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is. Dat betekent dat er een goede reden moet zijn waarom het griffierecht niet (tijdig) is betaald.\n\nHeeft belanghebbende het griffierecht tijdig betaald?\n\n4. De griffier heeft belanghebbende bij brief van 14 januari 2026 gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en meegedeeld dat dit binnen vier weken moet zijn voldaan. De griffier heeft vervolgens bij aangetekend verzonden brief van 12 februari 2026 belanghebbende nogmaals in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen vier weken na dagtekening van die brief. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de aangetekend verzonden brief op 17 februari 2026 om 08:17 uur is afgehaald en dat voor ontvangst is getekend.\n\n5. Belanghebbende heeft het griffierecht niet op tijd betaald.\n\nIs het niet tijdig betalen verontschuldigbaar?\n\n6. Belanghebbende heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.\n\nImmateriële schadevergoeding\n\n7. Belanghebbende heeft tevens verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke behandeltermijn. De Hoge Raad heeft in het arrest van 2 december 2016 beslist dat een niet-ontvankelijkverklaring van het beroep vanwege het niet-betalen van griffierecht met zich meebrengt, dat ook geen uitspraak meer behoeft te worden gedaan ten aanzien van het verzoek om vergoeding van immateriële schade.Dit is slechts anders in het – zich in deze zaak niet voordoende – geval waarin de rechtbank uitspraak doet nadat sinds het instellen van het beroep meer dan anderhalf jaar zijn verstreken. De rechtbank wijst het verzoek dan ook af.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van immateriële schade bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep niet-ontvankelijk;\n\nwijst het verzoek om een immateriële schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van\n\nR.P.A.G. Dekkers, griffier, op 26 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Hoge Raad 2 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2712.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5586","2026-06-25T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:47.611Z",{"id":69,"ecli":70,"slug":71,"caseNumber":43,"courtId":72,"decisionDate":73,"fullText":74,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":75,"sourceTimestamp":73,"parsedAt":50,"updatedAt":76},"1498","ECLI:NL:GHSHE:2026:1280","ecli-nl-ghshe-2026-1280",72,"2026-05-20T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nMeervoudige Belastingkamer\n\nNummer: 25\u002F91\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\nde inspecteur van de Belastingdienst,\n\nhierna: de inspecteur,\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 10 januari 2025, nummer BRE 23\u002F11121, in het geding tussen de inspecteur en\n\nV.O.F. [belanghebbende] ,\n\ngevestigd in [vestigingsplaats] ,\n\nhierna: belanghebbende.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De inspecteur heeft de volgende naheffingsaanslagen motorrijtuigenbelasting opgelegd:\n\nTijdvak\n\nKenmerk\n\nNaheffing\n\nVerzuimboete\n\n15 mei 2022 tot en met 14 mei 2023\n\n [kenmerk 1]\n\n€ 1.735\n\n€ 1.735\n\n15 mei 2023 tot en met 14 augustus 2023\n\n [kenmerk 2]\n\n€ 426\n\n-\n\nTevens is bij beschikking een verzuimboete (hierna: de boetebeschikking) opgelegd.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar tegen de verzuimboete gegrond verklaard en deze verminderd naar € 867. De bezwaren tegen de naheffingsaanslagen zijn ongegrond verklaard\n\n1.3.. \n\nBelanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank.\n\nDe rechtbank heeft het beroep gericht tegen de boetebeschikking gegrond verklaard en de beroepen voor het overige ongegrond verklaard.\n\n1.4.. De inspecteur heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. De zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen namens belanghebbende: [vennoot] (vennoot), [persoon] en de gemachtigde [gemachtigde] . Namens de inspecteur zijn verschenen: [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .\n\n1.6.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. \n\nBelanghebbende was vanaf 15 mei 2018 tot en met 9 november 2023 houder van\n\neen motorrijtuig van het merk en type Isuzu ATFS met kenteken [kenteken] (hierna: de auto). Op 13 april 2018 is de auto gekeurd door de Rijksdienst voor het Wegverkeer (hierna: de RDW) en in het kentekenregister in Nederland geregistreerd als opleggertrekker. Belanghebbende heeft motorrijtuigenbelasting betaald naar het bestelautotarief.\n\n2.2.. Het dossier bevat een document ‘RDW voertuigbeeld’ met gegevens van de keuring van 13 april 2018. Dit document vermeldt onder meer:\n\n“Soort motorrijtuig: BESTELAUTO\n\n(…)\n\nType: BC (Opleggertrekker)”\n\n2.3.. Op 2 mei 2023 is de auto naar aanleiding van een zichtwaarneming onderzocht. Bij de controle zijn foto’s gemaakt waarop te zien is dat op het chassis van de auto een laadbak zit. Ook is geconstateerd dat de auto niet voldeed aan de volgende fiscale inrichtingseisen voor een bestelauto met een dubbele cabine:\n\n40% eis: de lengte van de laadruimte is 150 cm. De lengte van de laadruimte die geplaatst is voor het hart van de achterste as is 47 cm en daarmee minder dan de minimaal vereiste 40% van 150 cm is 60 cm.\n\nDe lengte van de laadruimte voldoet niet aan de inrichtingseis. De hoogte van de cabine is 120 cm. De gemeten lengte van de laadruimte is 150 cm. Dit moet minimaal tweemaal 158 cm is 316 cm zijn, omdat de cabine geen hoogte heeft van ten minste 130 cm. In dat geval moet de lengte van de laadruimte ten minste twee keer de lengte zijn van de cabine.\n\n2.4.. De inspecteur heeft de auto vervolgens fiscaal aangemerkt als een personenauto en het daarvoor geldende tarief voor de motorrijtuigenbelasting toegepast. Als gevolg daarvan zijn de naheffingsaanslagen en de boetebeschikking met dagtekening 20 juli 2023 opgelegd (zie hiervoor onder 1.1).\n\n2.5.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de opgelegde naheffingsaanslagen en de gegeven boetebeschikking. De inspecteur heeft de verzuimboete in de uitspraak op bezwaar verminderd met 50% van de nageheven motorrijtuigenbelasting vanwege een wijziging van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst. De verzuimboete bedroeg na die vermindering € 867. Voor het overige heeft de inspecteur de bezwaren afgewezen en de naheffingsaanslagen in stand gelaten.\n\n2.6.. Belanghebbende heeft hiertegen beroep ingesteld. De rechtbank heeft op 10 januari 2025 uitspraak gedaan. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard voorzover het ziet op de boetebeschikking en de boetebeschikking vernietigd. Voor het overige is het beroep ongegrond verklaard. Daarnaast heeft zij de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan belanghebbende.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de verzuimboete, na vermindering in bezwaar, terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Daarbij draait het nog slechts om het antwoord op de vraag of aan de zijde van belanghebbende sprake is van afwezigheid van alle schuld (hierna: avas).\n\n3.2.. De inspecteur heeft ter zitting bij het hof het ingestelde hoger beroep in zaaknummer 25\u002F92 ondubbelzinnig en zonder voorbehoud ingetrokken.\n\n3.2.. De inspecteur concludeert tot handhaving van de boetebeschikking, met dien verstande dat de boetebeschikking verder gematigd moet worden tot een bedrag van € 433,75. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n4. Gronden\n\nVooraf en ambtshalve\n\n4.1.. De inspecteur heeft ter zitting een e-mail van 17 april 2024 van de RDW aan de Belastingdienst overgelegd die gaat over de keuring en de vastlegging van de uitkomsten daarvan in het document ‘RDW voertuigbeeld’. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen deze overlegging en stelt dat zij geen navraag of onderzoek kan doen naar hetgeen in de e-mail staat. Naar aanleiding van vragen van het hof heeft de inspecteur niet duidelijk kunnen maken waarom hij dit stuk, waar hij gelet op de dagtekening van de e-mail al eerder over beschikte, niet eerder in de procedure heeft ingebracht.\n\n4.2.. Het hof overweegt dat bij de beslissing of een partij de gelegenheid moet krijgen bewijsstukken ter zitting alsnog over te leggen, een afweging moet plaatsvinden. Enerzijds is er het belang dat die partij heeft bij het overleggen van die stukken en de redenen waarom hij dit niet in een eerdere fase van de procedure heeft gedaan, en anderzijds het algemeen belang van een doelmatige procesgang.\n\n4.3.. Het hof erkent dat de inspecteur een belang heeft bij het overleggen van het stuk. Gelet op de gang van zaken is het hof echter van oordeel dat het algemeen belang van een doelmatige procesgang zwaarder weegt. De inspecteur had het stuk in een eerder stadium in het geding kunnen brengen en heeft geen redenen aangevoerd waarom dat niet is gebeurd. Het toelaten van dit stuk tot het geding zou meebrengen dat de andere partij de gelegenheid moet krijgen om daar inhoudelijk op te reageren. Dat zou een aanzienlijke vertraging opleveren. Het hof is dan ook van oordeel dat het belang van een goede procesorde zich tegen overlegging van dit stuk verzet.\n\nTen aanzien van het geschil\n\n4.4.. De inspecteur betoogt dat geen sprake is van avas en voert daartoe, kort gezegd, het volgende aan. De motorrijtuigenbelasting is een aangiftebelasting. Daarom rust op belanghebbende de plicht om te controleren of zij aangifte motorrijtuigenbelasting doet naar het juiste tarief. Hiervoor dient zij zich door de juiste fiscale instanties te laten informeren. In het bijzonder nu het complexe regelgeving betreft had belanghebbende zich extra inspanningen moeten getroosten om aan zijn verplichting te voldoen om voor de auto het juiste tarief te betalen. De inspecteur stelt dat belanghebbende dit niet heeft gedaan, daarom is geen sprake van de situatie dat belanghebbende geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Dat het motorrijtuig door de RDW als opleggertrekker is gekwalificeerd, maakt het voorgaande niet anders. Die kwalificatie is gebaseerd op de toestand van het motorrijtuig zonder laadbak. Bij controle nadien is gebleken dat het motorrijtuig wel is voorzien van een laadbak en daarom geen opleggertrekker is, aldus nog steeds de inspecteur.\n\n4.5.. Belanghebbende conformeert zich aan de conclusies van de uitspraak van de rechtbank, stelt dat sprake is van avas en voert daartoe, kort gezegd, het volgende aan. Belanghebbende heeft voldaan aan haar verplichting om informatie in te winnen. Zij heeft daartoe ten tijde van de aankoop zowel informatie ingewonnen bij de autodealer, als bij de RDW, als bij de Belastingdienst (website en telefoon). Daarnaast blijkt nergens uit dat de auto tijdens de RDW-keuring niet de huidige vorm had. Dat de bak tijdens de keuring mogelijk even verwijderd is om de onderliggende koppelschotel te controleren, wil niet zeggen dat deze bak niet door de RDW is gezien. De inspecteur heeft niet aannemelijk gemaakt dat de auto eerst na de keuring is aangepast, aldus belanghebbende.\n\n4.6.. Het hof neemt het volgende als uitgangspunt. Indien de belastingplichtige de belasting die op aangifte moet worden voldaan niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn heeft betaald, kan de inspecteur een verzuimboete van minimaal € 50 en ten hoogste € 5.514 opleggen.\n\n4.7.. De boete is in overeenstemming met de wet opgelegd. Het beboetbare feit is begaan. De auto voldeed namelijk niet aan de inrichtingseisen voor een bestelauto, maar niettemin is de motorrijtuigenbelasting naar het bestelautotarief aangegeven en betaald. De boete is dus in beginsel terecht aan belanghebbende opgelegd. Opzet of schuld is geen vereiste en daarom niet van belang, noch de omstandigheid dat belanghebbende te goeder trouw heeft gehandeld. Een boete dient achterwege te blijven bij avas. In dat geval wordt belanghebbende geacht niet in verzuim te zijn geweest.Van avas is sprake als belanghebbende alle in de gegeven omstandigheden van haar in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om het juiste bedrag aan motorrijtuigenbelasting te voldoen.Op belanghebbende rust de bewijslast om de relevante feiten en omstandigheden, die een geslaagd beroep op avas rechtvaardigen, te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken.\n\n4.8.. Naar het oordeel van het hof is geen sprake van avas. Het hof overweegt daartoe het volgende.\n\n4.9.. Belanghebbende stelt dat zij, in het kader van het verwerven van informatie voor het doen van de aangifte motorrijtuigenbelasting, heeft gebeld met de belastingtelefoon. De inspecteur weerspreekt gemotiveerd dat belanghebbende heeft gebeld met de belastingtelefoon en voert daartoe aan dat alle gesprekken met de belastingtelefoon worden geregistreerd. Het door belanghebbende genoemde telefoongesprek komt niet voor in de registratie van de belastingtelefoon, noch op naam van belanghebbende, noch op naam van een van de vennoten van belanghebbende. Belanghebbende heeft daarop haar stelling dat zij met de belastingtelefoon heeft gebeld niet onderbouwd met stukken of met een andere, verifieerbare onderbouwing. Daarmee is niet aannemelijk geworden dat belanghebbende in het kader van het doen van de aangifte motorrijtuigenbelasting ook daadwerkelijk met de belastingtelefoon heeft gebeld.\n\n4.10.. Verder stelt belanghebbende zich voor het doen van de aangifte te hebben laten informeren door de autodealer, verwijst zij naar de gegevens van de RDW en naar raadpleging van de website van de Belastingdienst. De twee eerstgenoemde bronnen zijn ter zake van de motorrijtuigenbelasting geen bevoegde instanties. Ter zake van de stelling dat de website van de Belastingdienst is geraadpleegd, overweegt het hof dat dit door de inspecteur wordt betwist en dat niet concreet is geworden wat belanghebbende op de website van de Belastingdienst heeft opgezocht en hoe de betreffende informatie zich verhoudt tot de auto in kwestie. Niet is gebleken dat belanghebbende zich er op een andere manier van heeft vergewist dat zij een juiste aangifte motorijtuigenbelasting zou indienen. Op grond van het voorgaande kan naar het oordeel van het hof niet worden gezegd dat belanghebbende alle in de gegeven omstandigheden van haar in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om het juiste bedrag aan motorrijtuigenbelasting te voldoen. Er is dan ook geen sprake van avas.\n\n4.11.. De inspecteur heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de boete verder gematigd moet worden tot een bedrag van € 433,75. Het hof volgt dit standpunt. Van andere omstandigheden op grond waarvan de boete moet worden gematigd, is het hof niet gebleken. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de boete aan belanghebbende terecht is opgelegd en bovendien, na matiging tot een bedrag van € 433,75, passend en geboden is.\n\nTussenconclusie\n\n4.12.. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.13.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep gegrond;\n\nvernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar alleen voorzover die ziet op de boetebeschikking;\n\nverklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar maar alleen voor zover die ziet op de boetebeschikking;\n\nvermindert de boetebeschikking tot € 433,75.\n\nDe uitspraak is gedaan door W.W. Monteiro, voorzitter, J.M. van der Vegt en M.H. van Schaik, in tegenwoordigheid van E. Royakkers, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\nDe griffier, De voorzitter,\n\nE. Royakkers W.W. Monteiro\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Artikel 24b van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: Wet MRB).\n\n Artikel 3, lid 1, onderdeel d, Wet MRB.\n\n Hoge Raad 3 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0821.\n\n Artikel 37 Wet MRB in samenhang met artikel 67c, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (tekst 2022, hierna: AWR).\n\n Paragraaf 4 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst.\n\n Hoge Raad 15 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7184.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1280","2026-07-13T00:29:24.076Z",{"id":78,"ecli":79,"slug":80,"caseNumber":43,"courtId":81,"decisionDate":82,"fullText":83,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":84,"sourceTimestamp":85,"parsedAt":50,"updatedAt":86},"1231","ECLI:NL:RBNHO:2026:5568","ecli-nl-rbnho-2026-5568",67,"2026-04-16T00:00:00.000Z","Rechtbank noord-holland\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: HAA 25\u002F4245 en HAA 25\u002F4246\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2026 in de zaken tussen\n\n [belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende\n\n(gemachtigde: mr. J.J. Wittekamp),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Apeldoorn, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nVerweerder heeft aan belanghebbende over de tijdvakken 6 januari 2024 tot en met 5 januari 2025 (HAA 25\u002F4245) en van 6 januari 2025 tot en met 5 april 2025 (HAA 25\u002F4246) naheffingsaanslagen motorrijtuigenbelasting (MRB) opgelegd van respectievelijk € 2.448 en € 586. Gelijktijdig bij de naheffingsaanslag over het eerste tijdvak is bij beschikking een boete van € 1.224 opgelegd.\n\nVerweerder heeft bij uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslagen en de boete gehandhaafd.\n\nBelanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2026 te Haarlem. Belanghebbende is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2] en\n\n [naam 3] .\n\nOverwegingen\n\nFeiten\n\n1. Sinds 22 december 2020 is belanghebbende houder van een [auto] pick-up met kenteken [kenteken] (het voertuig). Op 29 maart 2019 is het voertuig door de RDW gekeurd en per 6 april 2019 in het kentekenregister opgenomen als ‘opleggertrekker’.\n\n2. Na de keuring en registratie in het kentekenregister, maar voordat belanghebbende houder van het voertuig werd, is een laadbak op het voertuig geplaatst. Belanghebbende heeft zelf een huif geconstrueerd die op (de laadbak van) het voertuig kan worden geplaatst.\n\n3. Voor het voertuig is door belanghebbende MRB voldaan naar het bestelautotarief voor ondernemers.\n\n4. Tijdens een controle op 24 oktober 2024 is door verweerder geconstateerd dat het voertuig niet voldoet aan de inrichtingseisen voor een bestelauto. Naar aanleiding hiervan zijn naheffingsaanslagen en een boete aan belanghebbende opgelegd.\n\nGeschil\n\n5. In geschil is of de naheffingsaanslagen en de boetebeschikking terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. Daarbij is de vraag of het voertuig op grond van de (toen geldende) goedkeuring van het Besluit inrichtingseisen bpm en mrb, nr. 2021-323898 (de goedkeuring van het Besluit) als bestelauto kwalificeert. Tussen partijen is niet in geschil dat het voertuig niet voldoet aan de inrichtingseisen.\n\n6. Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslagen en boetebeschikking ten onrechte zijn opgelegd, omdat het voertuig op grond van de goedkeuring van het Besluit kwalificeert als bestelauto. Verder vindt belanghebbende dat de uitspraken op bezwaar onvoldoende zijn gemotiveerd.\n\nBelanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen en tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar en de naheffingsaanslagen. Daarnaast concludeert belanghebbende primair tot vernietiging en subsidiair tot vermindering van de boetebeschikking.\n\n7. Verweerder stelt dat niet voldaan wordt aan de goedkeuring van het Besluit, zodat de naheffingsaanslagen terecht aan belanghebbende zijn opgelegd. Verder stelt verweerder dat de uitspraken op bezwaar voldoende zijn gemotiveerd en de verzuimboete terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende is opgelegd.\n\nVerweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.\n\nBeoordeling van het geschil\n\nDe naheffingsaanslag\n\n8. Volgens artikel 3, eerste lid, van de Wet MRB zijn motorrijtuigen op drie of meer wielen voor het heffing van motorrijtuigenbelasting in principe personenauto’s. Als een motorrijtuig aan de inrichtingseisen van artikel 3, eerste lid, onderdeel d, van de Wet MRB voldoet, dan kan een motorrijtuig kwalificeren als bestelauto.\n\n9. Verder bestaat met toepassing van de hardheidsclausule een goedkeuring dat een motorrijtuig met de vermelding ‘oplegtrekker’ of “afneembare bovenbouw” wordt aangemerkt als bestelauto. De goedkeuring van het Besluit luidt, voor zover hier relevant, als volgt:\n\n “2.1.6.2. Bestelauto met vermelding 'opleggertrekker' of 'afneembare bovenbouw'\n\nDe motorrijtuigen die als vermelding 'opleggertrekker (voor 1 januari 2013: ‘trekker') of 'afneembare bovenbouw’ (voor 1 januari 2013: ‘voor verwisselbare opbouw', hierna ook inbegrepen als wordt gesproken over ‘afneembare bovenbouw’) in het kentekenregister krijgen, wijken af van de bestelauto’s met een bijzondere opbouw. Deze motorrijtuigen kunnen namelijk ook worden gebruikt zonder dat de oplegger, aanhanger, afneembare opbouw of container aanwezig is. Op dat moment is het personenvervoer niet langer ondergeschikt aan het vervoer van lading. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een motorrijtuig met een (kaal) chassis waarop een koppelschotel met een hulpframe dan wel een containerframe is gemonteerd; deze onderscheidt zich echter qua uiterlijk sterk van andere auto’s. Bovendien worden deze zaken enkel aangebracht met het oog op het vervoeren van een last.\n\nGoedkeuring\n\nIk keur met toepassing van artikel 63 van de AWR (de hardheidsclausule) goed dat een motorrijtuig met een (kaal) chassis waarop een koppelschotel met een hulpframe dan wel een containerframe is gemonteerd wordt aangemerkt als een bestelauto. Dit geldt ook voor een motorrijtuig dat is gekeurd met een afneembare bovenbouw (en met de bovenbouw voldoet aan alle fiscale inrichtingseisen voor een bestelauto) op het moment dat de bovenbouw \u002F container tijdelijk niet aanwezig is.\n\nWanneer het motorrijtuig met een kaal chassis met koppelschotel wordt aangepast c.q. omgebouwd, bijvoorbeeld door het aanbrengen van een laadbak, of wanneer het motorrijtuig met een kaal chassis met een containerframe wordt voorzien van een container, kan een motorrijtuig ontstaan dat zich qua uiterlijk maar ook qua vervoer van last\u002Flading niet langer onderscheidt van ‘reguliere’ motorrijtuigen. Om als bestelauto te worden aangemerkt moet het motorrijtuig dan voldoen aan alle inrichtingseisen die gelden voor een bestelauto. Als het motorrijtuig niet aan de inrichtingseisen voor een bestelauto voldoet, dan is er sprake van een personenauto.”\n\n10. Belanghebbende stelt dat het voertuig op basis van de goedkeuring van het Besluit kwalificeert als bestelauto. Ook met de geplaatste laadbak en huif onderscheidt het voertuig zich nog altijd qua uiterlijk en qua vervoer van de lading van ‘reguliere’ motorrijtuigen, zodat op basis van het Besluit niet voldaan hoeft te worden aan de inrichtingseisen om te kwalificeren als bestelauto. Het voertuig heeft primair de functie van opleggertrekker en wordt ook in overwegende mate als zodanig in belanghebbendes aannemersbedrijf gebruikt. De laadbak is afneembaar en heeft als doel om gemakkelijk klein materieel te kunnen vervoeren. Hiermee wijzigt die opleggertrekker-functie van het voertuig dan ook niet. Ook wijzigt die functie niet door de mogelijkheid om tijdelijk een huif op het voertuig aan te kunnen brengen. De huif is op eenvoudige wijze te (de)monteren en wordt enkel op het voertuig aangebracht om met het gezin op vakantie te kunnen.\n\n11. Verweerder stelt dat slechts bij kleine aanpassingen aan het voertuig niet voldaan hoeft te worden aan de inrichtingseisen om een motorrijtuig op grond van de goedkeuring van het Besluit te kwalificeren als bestelauto. In het onderhavige geval zijn de aangebrachte aanpassingen niet aan te merken als kleine aanpassingen. Het voertuig is door de aangebrachte laadbak en huif zodanig gewijzigd, dat het voertuig zich niet (langer) onderscheidt van een ‘regulier’ motorrijtuig. Om het voertuig dan alsnog aan te kunnen merken als bestelauto moet aan de inrichtingseisen worden voldaan. Nu daar niet aan wordt voldaan kwalificeert het voertuig als personenauto en niet als bestelauto.\n\n12. Naar het oordeel van de rechtbank voldeed het voertuig ten tijde van de controle niet aan de goedkeuring van het Besluit. Dat het voertuig in overwegende mate wordt gebruikt als opleggertrekker is op zichzelf niet voldoende om aan de goedkeuring van het Besluit te voldoen. Daarvoor dient het voertuig zich qua uiterlijk en qua vervoer van de lading onderscheiden van ‘reguliere’ motorrijtuigen. Door de aangebrachte laadbak en huif vertoont het voertuig dusdanige overeenkomsten in uiterlijk met een vergelijkbaar type voertuig dat als personenauto wordt verkocht en maken die aanpassingen het ook mogelijk om het voertuig te gebruiken voor personenvervoer. Hierdoor onderscheidt het voertuig zich qua uiterlijk maar ook qua vervoer van de lading niet (langer) van ‘reguliere’ motorrijtuigen. Dat de huif, zoals belanghebbende stelt, eenvoudig is te (de)monteren en geen vast onderdeel is van het voertuig, doet daaraan niet af (vgl. HR 8 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7713). Het voertuig kwalificeert dus alleen als bestelauto voor de MRB indien aan de inrichtingseisen is voldaan. Nu vaststaat dat het voertuig op het moment van de controle hier niet aan voldeed zijn de naheffingsaanslagen terecht opgelegd.\n\nMotiveringsbeginsel\n\n13. Volgens belanghebbende heeft verweerder het motiveringsbeginsel geschonden, omdat verweerder enkel motiveert dat de laadruimte niet voldoet aan de inrichtingseisen, maar gaat hij ten onrechte niet in op de vraag waarom in dit specifieke geval het motorrijtuig niet kwalificeert als bestelauto.\n\n14. Naar het oordeel van de rechtbank is het motiveringsbeginsel niet geschonden. De onderhavige uitspraken op bezwaar bevatten een voldoende toereikende motivering van de beslissingen van verweerder. Belanghebbende is het weliswaar niet eens met de volgens hem summiere motivering van verweerder, maar dat betekent niet dat sprake is van een schending van het motiveringsbeginsel. Bovendien kunnen eventuele motiveringsgebreken in de bestreden besluiten in beroep worden hersteld. Verweerder mag daarom in beroep ook zijn besluit beter onderbouwen.\n\nVerzuimboete\n\n15. Indien de belastingplichtige de belasting die op aangifte moet worden voldaan niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn heeft betaald, kan de inspecteur een verzuimboete van minimaal € 50 en ten hoogste € 5.514 opleggen (tekst 2024) (artikel 67c, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen).\n\n16. Het beboetbare feit is door belanghebbende begaan, nu het voertuig niet kwalificeerde als bestelauto, maar de motorrijtuigenbelasting wel naar het bestelautotarief is aangegeven en betaald. Dat de boete achterwege dient te blijven, omdat sprake is van afwezigheid van alle schuld (avas) is niet gesteld en ook niet gebleken. Ook acht de rechtbank de boete passend en geboden en ziet de rechtbank in de door belanghebbende aangedragen omstandigheden geen aanleiding om de boete te verminderen. Van de belastingplichtige die gebruik wenst te maken van een begunstigende regeling mag worden verwacht dat hij onderzoek doet naar de voorwaarden van die regeling.\n\n17. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.\n\nProceskosten\n\n18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.Beslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. van Doesburg, rechter, in aanwezigheid van\n\nH. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026.\n\ngriffier rechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.\n\nBij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\nbij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\nhet hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde datum van verzending;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\ne redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:5568","2026-05-19T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:11.250Z",{"id":88,"ecli":89,"slug":90,"caseNumber":43,"courtId":91,"decisionDate":92,"fullText":93,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":94,"sourceTimestamp":82,"parsedAt":50,"updatedAt":95},"1472","ECLI:NL:RBDHA:2026:9269","ecli-nl-rbdha-2026-9269",58,"2026-04-15T00:00:00.000Z","Rechtbank DEN HAAG\n\nTeam belastingrecht\n\nzaaknummer: SGR 23\u002F7934\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2026 in de zaak tussen\n\n [eiseres] B.V. , gevestigd te [plaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, verweerder\n\nen\n\nde Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid),\n\nProcesverloop\n\nVerweerder heeft aan eiseres een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd.\n\nVerweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 18 oktober 2023 de naheffingsaanslag verminderd.\n\nEiseres heeft daartegen beroep ingesteld.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nEiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2026.\n\nNamens eiseres is verschenen mr. M.U. Sahin, kantoorgenoot van de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] en mr. [naam 2] .\n\nOverwegingenFeiten\n\n1. Eiseres heeft op 5 oktober 2020 op aangifte een bedrag van € 18.969 voldaan ter zake van de inschrijving in het kentekenregister van een BMW Alpina B3 Touring (de auto). De datum van eerste toelating van de auto is 16 september 2020. De auto is gekocht op 22 september 2020 voor € 80.096,38.\n\n2. In de aangifte is de te betalen belasting voor de auto berekend op basis van een taxatierapport van Waardetaxaties.nl (het taxatierapport). De taxatie van de auto heeft op\n\n3 oktober 2020 plaatsgevonden en het taxatierapport is op dezelfde datum opgesteld. In het taxatierapport is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 137.688 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 68.658 (koerslijsten X-ray). De taxateur heeft een bedrag van € 1.084 (90% van de gecalculeerde reparatiekosten van € 1.205,35) als schade aangemerkt en de handelsinkoopwaarde na schade op € 67.574 vastgesteld.\n\n3. De auto is op 1 oktober 2020 door de RDW gekeurd.\n\n4. Eiseres heeft op 12 oktober 2020 de auto voor controle getoond aan Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Van de controle is een rapport van 14 oktober 2020 opgemaakt. In dit rapport is de historische nieuwprijs vastgesteld op € 137.688 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 100.000. Deze waarde is gebaseerd op twee referentievoertuigen. DRZ heeft verder een bedrag van € 1.284 aan schade aannemelijk geacht. Van dat schadebedrag is € 925 (72%) in aanmerking genomen, waardoor de handelsinkoopwaarde van de auto is bepaald op € 99.075.\n\n5. Verweerder heeft met dagtekening 3 december 2021 een bedrag van € 8.739 nageheven. De naheffingsaanslag is vastgesteld aan de hand van de berekening op basis van de individuele waardebepaling door DRZ.\n\n6. Bij uitspraak op bezwaar heeft verweerder de naheffingsaanslag verminderd tot een bedrag van € 4.495. Verweerder heeft verder een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend van € 592 (1 punt voor het bezwaarschrift, 1 punt voor de hoorzitting x € 296).\n\nGeschil 7. In geschil is of de aanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Niet in geschil is dat voor de bezwaarfase een te lage proceskostenvergoeding is toegekend.\n\nBeoordeling van het geschil\n\nHandelsinkoopwaarde\n\n8. Niet in geschil is dat de auto niet voorkomt op een koerslijst. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat de in haar taxatierapport weergegeven handelsinkoopwaarde van € 67.574 juist is. De door haar gebruikte BMW als referentieauto is onvoldoende vergelijkbaar met de auto (o.a. lager motorvermogen) en haar eigen aankoopprijs ligt een stuk hoger. DRZ heeft de handelsinkoopwaarde van de auto door marktonderzoek bepaald op € 99.075. Verweerder heeft verklaard dat DRZ eerder van een te lage handelingsinkoopwaarde is uitgegaan aangezien DRZ twee auto’s had geselecteerd waarbij één de onderhavige auto is. De vraagprijs voor de auto bedroeg € 129.875. Als hiervan een winstmarge van 20% wordt afgehaald, zou de handelsinkoopwaarde € 103.900 bedragen in onbeschadigde staat. De rechtbank acht aannemelijk dat de door DRZ gebruikte handelsinkoopwaarde in beschadigde staat niet te hoog is. Dat meer dan 72% van de door DRZ geconstateerde schade van € 1.284 (een hoger bedrag dan eiseres zelf taxeerde) in aftrek moet komen, heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt. De naheffingsaanslag zoals verminderd bij uitspraak op bezwaar is niet te hoog.\n\nProceskosten bezwaar\n\n9. Eiseres heeft zich in haar nadere stuk terecht op het standpunt gesteld dat verweerder een te lage proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase heeft toegekend.Het beroep is gegrond voor zover het is gericht tegen de toegekende proceskostenvergoeding in bezwaar.\n\nImmateriële schade\n\n10. Eiseres heeft in haar beroepschrift van 23 november 2023 verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een vergoeding van immateriële schade wordt op verzoek toegekend als een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. De termijn hiervoor vangt aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag op 6 januari 2022 ontvangen. De rechtbank doet op 15 april 2026 uitspraak. De redelijke termijn is derhalve overschreden met afgerond twee jaar en vier maanden. Nu eiseres een financieel belang heeft van meer dan € 1.000, heeft eiseres recht op een vergoeding van immateriële schade van € 2.500.Van de 28 maanden waarmee de redelijke termijn is overschreden, moeten 16 maanden worden toegerekend aan de bezwaarfase en het restant, derhalve 12 maanden, aan de beroepsfase. De termijnoverschrijding is dus voor € 1.429 (16\u002F28 deel van € 2.500) toe te rekenen aan verweerder en voor € 1.071 (12\u002F28 deel van €2.500) aan de Staat.\n\nProceskosten\n\n11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. De te vergoeden proceskosten in de bezwaarfase bedragen met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) € 1.332 (1 punt voor het bezwaarschrift, 1 punt voor de hoorzitting met een waarde per punt van € 666 en een wegingsfactor 1). Voor de beroepsfase bedragen de te vergoeden proceskosten € 467 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een factor 0,25). Omdat het beroep alleen gegrond is wat betreft de waarde per punt in bezwaar en er tevens sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn, hanteert de rechtbank voor de beroepsfase een factor van 0,25. De totale vergoeding bedraagt € 1.799.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar uitsluitend voor wat betreft de vastgestelde proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase;\n\nwijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade toe;\n\nveroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.429;\n\nveroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.071;\n\nveroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.799;\n\ndraagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 365 aan eiseres te vergoeden;\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Postema, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).\n\nDat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.\n\nVerder vermeldt u ten minste het volgende:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).\n\n ECLI:NL:HR:2024:1060.\n\n Vgl. Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9269","2026-07-13T00:29:22.678Z",{"id":97,"ecli":98,"slug":99,"caseNumber":43,"courtId":91,"decisionDate":92,"fullText":100,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":101,"sourceTimestamp":82,"parsedAt":50,"updatedAt":102},"988","ECLI:NL:RBDHA:2026:9264","ecli-nl-rbdha-2026-9264","Rechtbank DEN HAAG\n\nTeam belastingrecht\n\nzaaknummer: SGR 23\u002F6950\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2026 in de zaak tussen\n\n [eiser], wonende te [woonplaats], eiser\n\n(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nVerweerder heeft aan eiser een naheffingsaanslag belasting van personenauto's en motorrijwielen (Bpm) opgelegd. Daarbij is belastingrente in rekening gebracht.\n\nVerweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 12 oktober 2023 de naheffingsaanslag gehandhaafd.\n\nEiser heeft daartegen beroep ingesteld.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2026.\n\nNamens eiser is verschenen mr. M.U. Sahin, kantoorgenoot van de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [medewerker belastingdienst 1] en mr. [medewerker belastingdienst 2].\n\nOverwegingen\n\nFeiten\n\n1. Eiser heeft op 10 mei 2022 aangifte Bpm gedaan ter zake van een Jaguar F-type (de auto).\n\n2. De aangifte is gebaseerd op een taxatierapport van [de taxateur] (de taxateur). De taxateur heeft de auto op 4 mei 2022 getaxeerd naar een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 51.119 en een handelsinkoopwaarde in beschadigde staat van € 6.550. In het taxatierapport is opgenomen dat de algemene indruk van de auto goed is. Tevens is een waardevermindering van € 16.898,85 opgenomen met als omschrijving “Ter halve waarde in 40% schadevoertuig (WOK) status.” Op bij het taxatierapport gevoegde foto’s is waarneembaar dat de voorzijde van de auto (rood van kleur) beschadigd is.\n\n3. Van de auto is geen aankoopfactuur overgelegd.\n\n4. In de aangifte is uitgegaan van een huidige inkoopwaarde van € 6.550. De volgens de aangifte verschuldigde Bpm bedraagt € 1.643 en is op aangifte voldaan.\n\n5. De auto is op 22 juli 2022 door de RDW goedgekeurd. De voorzijde van de auto (nu zwart van kleur) was op dat moment gerepareerd.\n\n6. De nageheven Bpm bedraagt € 11.185. Bij de vaststelling van de naheffingsaanslag is uitgegaan van een huidige inkoopwaarde van € 51.119. Er is geen waardevermindering wegens schade in aanmerking genomen. De in rekening gebrachte belastingrente bedraagt € 89.\n\nGeschil\n\n7. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en naar een juist bedrag is opgelegd. Meer specifiek is in geschil of de taxatiemethode kan worden toegepast en, indien dat het geval is of een waardevermindering wegens schade in aanmerking dient te worden.\n\nBeoordeling van het geschil\n\n8. Naar het oordeel van de rechtbank kleven aan het taxatierapport van eiser zowel formele- als materiële gebreken. Tussen de taxatie door de taxateur en de keuring door de RDW zijn meer dan twee maanden verstreken, wat het taxatierapport al onbruikbaar maakt. Daarnaast zijn in het taxatierapport tegenstrijdige bevindingen opgenomen (algemene indruk en staat goed terwijl er ruim € 44.500 aan aftrek wordt geclaimd en er WOK staat vermeld) en is de auto na de taxatie overduidelijk gerepareerd zodat het taxatierapport niet de staat van de auto weergeeft ten tijde van het belastbare feit. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de reële waardedaling van de auto en dus ook de vermindering van de Bpm niet kunnen worden vastgesteld op basis van het taxatierapport. De naheffingsaanslag is terecht en niet naar een te hoog bedrag opgelegd.\n\n9. Eiser heeft geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken\n\n10. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.\n\n11. Eiser heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een vergoeding van immateriële schade wordt op verzoek toegekend als een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. De termijn hiervoor vangt aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag in juni 2023 ontvangen. De rechtbank doet op 15 april 2026 uitspraak. De redelijke termijn is dan ook met ongeveer 10 maanden overschreden. In zoverre zou recht kunnen bestaan op een vergoeding van immateriële schade als sprake is van een financieel belang van € 1.000 of meer. Bij een geschil over een zeer gering financieel belang (kleiner dan € 1.000) hoeft geen vergoeding van immateriële schade te worden toegekend, maar kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.\n\n12. Zoals de Hoge Raad heeft geoordeeld in zijn arrest van 14 juni 2024bestaat het financiële belang bij de procedure in beginsel uit het financiële voordeel dat de belanghebbende met betrekking tot de fiscale beschikking(en) krijgt indien het door hem in die procedure ingenomen standpunt wordt gehonoreerd. Het financiële belang bij de procedure wordt dus niet bepaald door de hoogte van een of meer fiscale beschikkingen en ook niet door de omvang van het (uiteindelijk) door de belanghebbende in de procedure bereikte financiële resultaat. Het financiële effect van een of meer door de belanghebbende ingenomen standpunten wordt buiten beschouwing gelaten indien en voor zover hij deze standpunten tegen beter weten in heeft ingenomen.\n\n13. Nu eiser heeft geprocedeerd op basis van een ondeugdelijk taxatierapport dat, naar hiervoor onder 8 is overwogen, overduidelijk niet als bewijs voor de afschrijving van de auto kan dienen, trekt de rechtbank de conclusie dat (de gemachtigde van) eiser zijn standpunten gebaseerd op dit taxatierapport tegen beter weten in heeft ingenomen. Die standpunten laat de rechtbank dan ook buiten beschouwing.Niet aannemelijk is dat er een reëel procesbelang van € 1.000 of meer speelt. Daarbij bedraagt de overschrijding van de redelijke termijn minder dan twaalf maanden. Onder deze omstandigheden bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om eiser een vergoeding van immateriële schade toe te kennen. De rechtbank volstaat dan ook met de constatering dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn.\n\nProceskosten\n\n14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Postema, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).\n\nDat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.\n\nVerder vermeldt u ten minste het volgende:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).\n\n ECLI:NL:HR:2024:853.\n\n ECLI:NL:HR:2024:853.\n\n ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.3.3.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9264","2026-07-13T00:28:57.682Z",{"id":104,"ecli":105,"slug":106,"caseNumber":43,"courtId":91,"decisionDate":92,"fullText":107,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":108,"sourceTimestamp":82,"parsedAt":50,"updatedAt":109},"1456","ECLI:NL:RBDHA:2026:9267","ecli-nl-rbdha-2026-9267","Rechtbank DEN HAAG\n\nTeam belastingrecht\n\nzaaknummer: SGR 23\u002F8111\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2026 in de zaak tussen\n\n [eiseres] B.V. , gevestigd te [plaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, verweerder\n\nen\n\nde Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).\n\nProcesverloop\n\nVerweerder heeft aan eiseres een naheffingsaanslag Belasting van personenauto's en motorrijwielen (Bpm) opgelegd.\n\nVerweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 30 oktober 2023 de naheffingsaanslag gehandhaafd.\n\nEiseres heeft daartegen beroep ingesteld.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2026.\n\nNamens eiseres is verschenen mr. M.U. Sahin, kantoorgenoot van de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] en mr. [naam 2] .\n\nOverwegingenFeiten\n\n1. Eiseres heeft op 6 december 2021 aangifte Bpm gedaan ter zake van een BMW Alpina B5 (de auto). De datum van eerste toelating is 2 januari 2019. De CO2 uitstoot bedraagt 265 g\u002Fkm NEDC en 362 g\u002Fkm WLTP.\n\n2. In de aangifte Bpm is de te betalen belasting van € 12.693 berekend op basis van een taxatierapport. De taxatie van de auto heeft op 29 november 2021\n\nplaatsgevonden en het taxatierapport is op 2 december 2021 opgesteld. In het taxatierapport is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 171.265 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 51.528. De taxateur heeft een bedrag van € 3.993 (95% van de totale gecalculeerde reparatiekosten van afgerond € 4.203) als schade aangemerkt en de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat op € 47.265 vastgesteld.\n\n3. De datum van keuring door de RDW is 2 december 2021.\n\n4. Naar aanleiding van een controle van de aangifte is aan eiseres met dagtekening 2 juni 2023 een naheffingsaanslag Bpm opgelegd van in totaal € 12.389 (€12.300 aan na te heffen Bpm en € 89 belastingrente). Verweerder heeft de naheffingsaanslag gebaseerd op de forfaitaire tabel.\n\nGeschil 5. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Meer specifiek is in geschil:\n\nof de verschuldigde Bpm bepaald kan worden aan de hand van de herrekende bruto Bpm van eerder ingevoerde gelijksoortige auto’s (de herleidingsmethode);\n\nof van het door eiseres overgelegde taxatierapport gebruik kan worden gemaakt;\n\nof indien het taxatierapport niet bruikbaar is, gebruik kan worden gemaakt van de koerslijstmethode.\n\nBeoordeling van het geschil\n\nHerleidingsmethode\n\n6. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025slaagt de beroepsgrond van eiseres met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.\n\nTaxatierapport en schade\n\n7. De bewijslast van de door eiseres bepleite handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat en de waardevermindering door schade, in de omvang als door eiseres gesteld, rust op eiseres. Zij heeft daartoe verwezen naar het taxatierapport dat ten grondslag is gelegd aan de aangifte. Ook heeft eiseres herstelnota’s overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van de auto € 51.528 bedroeg noch dat de auto ten tijde van het doen van aangifte meer schade had dan alleen gebruiksschade. Verweerder stelt terecht dat de in het taxatierapport gebruikte referentieauto te veel verschilt van de auto. Het vermogen van de auto is 447 kw tegenover 250 kw van de gekozen referentieauto en ook de CO2 uitstoot verschilt wezenlijk (265 g\u002Fkm tegenover 174 g\u002Fkm). Op de foto’s van de auto in het dossier is bovendien geen schade te zien waarvoor de kwalificatie ‘normale gebruiksschade’ niet passend zou zijn. Uit de herstelnota’s volgt enkel dat een alarmklasse is ingebouwd en dat het voertuig gepolijst is en rijklaar is gemaakt. Het taxatierapport kan niet dienen. De handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat bedraagt volgens verweerder op basis van aansluiting bij de koerslijst van een beter vergelijkbaar voertuig € 85.456; afschrijving op basis van de tabel is voordeliger.\n\nKan eiseres een beroep doen op de koerslijst?\n\n8. Nu de auto als zodanig niet voorkomt op een koerslijst, kan de koerslijstmethode niet worden toegepast.\n\n9. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de naheffingsaanslag niet naar een te hoog bedrag opgelegd en is het beroep ongegrond.\n\nImmateriële schadevergoeding\n\n10. Eiseres heeft in haar beroepschrift van 30 november 2023 verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een vergoeding van immateriële schade wordt op verzoek toegekend als een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. De termijn hiervoor vangt aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag op 21 juni 2023 ontvangen. De rechtbank doet op 15 april 2026 uitspraak. De redelijke termijn is derhalve overschreden met afgerond tien maanden. Nu eiseres een financieel belang heeft van meer dan € 1.000, heeft eiseres recht op een vergoeding van immateriële schade van € 1.000.Aangezien verweerder uitspraak op bezwaar heeft gedaan met dagtekening 30 oktober 2023, is de termijnoverschrijding geheel aan de beroepsfase toerekenbaar.\n\nProceskosten\n\n11. Nu aan eiseres een vergoeding van immateriële schade wordt toegekend, bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten stelt de rechtbank met inachtneming van het bepaalde in het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023en het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 233,50 (1 punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor van 0,25).\n\n12. Eiseres heeft reeds vóór het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, maar de redelijke termijn voor bezwaar en beroep was op de datum van dat arrest nog niet overschreden. Gelet daarop ziet de rechtbank geen aanleiding om het betaalde griffierecht aan eiseres te laten vergoeden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nveroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1000; en\n\nveroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 233,50.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Postema, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).\n\nDat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.\n\nVerder vermeldt u ten minste het volgende:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).\n\n Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.\n\n Hoge Raad 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1472.\n\n Vgl. Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.\n\n HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.\n\n HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9267","2026-07-13T00:29:21.991Z",{"id":111,"ecli":112,"slug":113,"caseNumber":43,"courtId":91,"decisionDate":92,"fullText":114,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":115,"sourceTimestamp":82,"parsedAt":50,"updatedAt":116},"1788","ECLI:NL:RBDHA:2026:9268","ecli-nl-rbdha-2026-9268","Rechtbank DEN HAAG\n\nTeam belastingrecht\n\nzaaknummer: SGR 23\u002F7106\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2026 in de zaak tussen\n\n [eiser], wonende te [woonplaats], eiser\n\n(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nVerweerder heeft aan eiser een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd. Daarbij is tevens € 31 aan belastingrente berekend.\n\nVerweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 18 oktober 2023 de naheffingsaanslag gehandhaafd.\n\nEiser heeft daartegen beroep ingesteld.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nEiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2026.\n\nNamens eiser is verschenen mr. M.U. Sahin, kantoorgenoot van de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [medewerker belastingdienst 1] en mr. [medewerker belastingdienst 2].\n\nOverwegingenFeiten\n\n1. Eiser heeft op 11 mei 2022 aangifte Bpm gedaan ter zake van een Volkswagen Tiguan Allspace 1.5 TSI Elegance (de auto) met een CO2 uitstoot van 164 gr\u002Fkm WLTP. De datum van eerste toelating is 28 september 2021.\n\n2. In de aangifte Bpm is de te betalen belasting berekend op basis van een taxatierapport van [taxateur] B.V.. Daarin is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 49.145 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 27.400 (gebaseerd op een de gemiddelde vraagprijs van vier referentievoertuigen onder aftrek van een marge van 25%). Met inachtneming van een waardevermindering wegens schade aan de auto (de schade is bepaald op € 23.182,39 waarvan 92,3% (€ 21.400) in aanmerking is genomen) is de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat bepaald op € 6.000. De fysieke opname heeft volgens het taxatierapport plaatsgevonden op 21 maart 2022. Het taxatierapport is gedagtekend 9 mei 2022.\n\n3. Eiser heeft een aankoopfactuur van de auto overgelegd van 18 maart 2022, die een aankoopbedrag van € 16.364 (exclusief Btw en Bpm) toont.\n\n4. De datum van keuring door de RDW is 11 mei 2022.\n\n5. Er heeft een hertaxatie plaatsgevonden door Domein Roerende Zaken (DRZ). Het DRZ-rapport van 24 mei 2022 vermeldt een historische nieuwprijs van € 48.398, een handelsinkoopwaarde van € 27.326 en een handelsinkoopwaarde in beschadigde staat van € 26.786 (schade € 750, aftrek 72% (€ 540)). De overige beschadigingen zijn door DRZ aangemerkt als zijnde niet meer dan gebruikersschade of reeds hersteld.\n\n6. De volgens de aangifte verschuldigde Bpm bedraagt € 1.814 en is voldaan.\n\n7. Verweerder heeft een naheffingsaanslag van € 4.706 opgelegd.\n\nGeschil 8. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Meer specifiek is in geschil:\n\nof de DRZ deskundig is en of het rapport van de DRZ voldoet aan de eisen die het recht daaraan stelt;\n\nof verweerder een te lage waardevermindering wegens schade in aanmerking heeft genomen, waarbij tevens in geschil is of de schadeaftrek terecht op 72% is gesteld;\n\nof de historische nieuwprijs tot het juiste bedrag is vastgesteld;\n\nof meerdere fundamentele beginselen geschonden zijn;\n\nof de uitspraak op bezwaar is genomen in strijd met artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (het mandaatverbod).\n\nBeoordeling van het geschil\n\nDeskundigheid hertaxateur DRZ\n\n9. Eiser heeft aangevoerd dat de taxateur van DRZ niet deskundig is. Het staat verweerder vrij om een deskundige naar eigen keuze in te schakelen. Het bepaalde in artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 staat daar niet aan in de weg, omdat dit betrekking heeft op de door de belastingplichtige in te schakelen taxateur. In het kader van deze procedure beschouwt de rechtbank de taxateur van DRZ als een partijdeskundige, omdat hij door verweerder is aangezocht om een oordeel te geven over de waarde van de auto. De rechtbank heeft, afgaande op de inhoud van het DRZ-rapport en de daarop gegeven toelichting, geen reden aan de deskundigheid of de onafhankelijkheid van de (her)taxateur te twijfelen.\n\nWaardevermindering wegens schade\n\n10. De bewijslast dat de waardevermindering door schade, in de omvang als door eiser gesteld, in mindering komt bij de waardebepaling van de auto, rust op eiser. Hij heeft daartoe verwezen naar het taxatierapport dat ten grondslag is gelegd aan de aangifte. Gelet op de door verweerder aangedragen formele- en materiële gebreken van het taxatierapport van eiser kan het taxatierapport niet dienen voor de vaststelling van de verschuldigde Bpm. Tussen de fysieke opname door de taxateur en de keuring door de RDW is meer dan een maand verstreken, zodat het taxatierapport reeds daarom niet bruikbaar is. Het taxatierapport is bovendien niet bruikbaar omdat de staat van de auto tijdens de fysieke opname en zoals weergegeven in het taxatierapport duidelijk niet overeenkomt met de staat van de auto ten tijde van de goedkeuring door de RDW. In het taxatierapport is een schadebedrag van ruim € 23.000 vermeld, welke schade DRZ niet heeft aangetroffen. Ook de aankoopprijs wijst erop dat eisers taxatie naar een waarde van € 6.000 onjuist en ondeugdelijk is.\n\n11. Nu eiser zich niet op het taxatierapport kan beroepen, heeft eiser daarmee ook niet aannemelijk gemaakt dat de auto ten tijde van het doen van aangifte meer schade had dan door verweerder is onderkend. Dat binnen de branche beleid is ontwikkeld over het onderscheid tussen normale gebruikssporen en echte schade en dat een of meer van de volgens dat beleid geldende schade zich voordoet bij de auto, kan niet tot een ander oordeel leiden. Verweerder noch DRZ is gebonden aan beleid dat binnen de branche zou zijn ontwikkeld. Voor de door eiser bepleite schadeaftrek van 92,3% is ook geen plaats.\n\nHistorische nieuwprijs\n\n12. Voor zover eiser een hogere historische nieuwprijs bepleit, wat moet leiden tot vermindering van de naheffingsaanslag naar € 4.199, faalt dit. De rechtbank stelt in dit verband voorop dat op verweerder met betrekking tot de waardevermindering geen enkele bewijslast rust. De schouw van de auto door DRZ vindt dan ook niet plaats in het kader van enige bewijsvoering door verweerder, maar slechts ter controle van de aangifte van eiser. Verweerder is wel gehouden zijn beslissing met betrekking tot het opleggen van een naheffingsaanslag en de hoogte hiervan te motiveren. Verweerder heeft zijn beslissing met betrekking tot (de hoogte van) de naheffingsaanslag onderbouwd met de door DRZ vastgestelde feiten. Eiser lijkt er ten onrechte vanuit te gaan dat verweerder gehouden is de naheffingsaanslag vast te stellen als ware aangifte gedaan met een taxatierapport waarin de door DRZ vastgestelde feiten met betrekking tot de auto (zoals eigenschappen, omvang van de schade, historische nieuwprijs en handelsinkoopwaarde) zijn opgenomen. Het wettelijk systeem brengt mee dat verweerder in een geval als het onderhavige de naheffingsaanslag vaststelt met inachtneming van het afschrijvingspercentage van de afschrijvingstabel (in dit geval 25,75%). Verweerder heeft in plaats daarvan een hoger afschrijvingspercentage in acht genomen (39,34%). De naheffingsaanslag is dus eerder te laag dan te hoog vastgesteld.\n\nSwitchen naar koerslijstmethode\n\n13. Eiser neemt in zijn nader stuk subsidiair het standpunt in dat hij wil switchen naar de koerslijstmethode, wat moet leiden tot vermindering van de naheffingsaanslag naar € 4.226. Uit de tot het dossier behorende X-Ray koerslijst volgt een afschrijving van 38,66%. Verweerder heeft een hoger percentage afschrijving toegepast, zodat eiser beroep reeds daarom faalt. Anders dan eiser voorstaat, is het aanpassen van gegevens van een auto uit een koerslijst (zoals verhoging van de CO2 uitstoot) binnen de koerslijstmethode niet mogelijk.\n\nMandaatverbod\n\n14. Eiser stelt dat de uitspraak op bezwaar mogelijk onbevoegd is genomen. Ter onderbouwing voert hij aan dat de kennisgeving en mededeling naheffingsaanslag zijn ondertekend door drs. [naam 1], maar dat mag worden aangenomen dat [naam 1], als [functienaam], niet zelf betrokken is geweest bij het opstellen van deze stukken. Volgens eiser kan daarom niet worden uitgesloten dat de naheffingsaanslag en de uitspraak op bezwaar door dezelfde persoon zijn opgelegd c.q. gedaan.\n\n15. Dit punt is eerder in meerdere procedures door de gemachtigde aangevoerd. Het is de rechtbank daarom ambtshalve bekend dat [naam 1] ondertekent maar niet de behandelaar van de kennisgeving en de naheffingsaanslag is en verweerder het werkproces standaard zo heeft ingericht dat degene die de naheffingsaanslag vaststelt niet dezelfde persoon is als degene die het bezwaar behandelt. De rechtbank ziet geen aanleiding te veronderstellen dat dat in deze zaak anders is. Er is dan ook geen aanleiding te veronderstellen dat [medewerker belastingdienst 3], die de uitspraak op bezwaar heeft ondertekend, betrokken is geweest bij het opleggen van de onderhavige naheffingsaanslag. Uit de door verweerder overgelegde stukken komt naar voren dat de behandelaar van de naheffingsaanslag en degene die de kennisgeving en de mededeling heeft gemaakt en opgevoerd ‘[gebruikersnaam]’ is, oftewel mevrouw [naam 2]. Van schending van artikel 10:3, derde lid, Awb acht de rechtbank geen sprake.\n\n16. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond.\n\nImmateriële schadevergoeding\n\n17. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een vergoeding van immateriële schade wordt op verzoek toegekend als een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag op 16 juni 2023 ontvangen. De rechtbank doet op 15 april 2026 uitspraak. De redelijke termijn is derhalve overschreden met tien maanden. In zoverre zou recht kunnen bestaan op een vergoeding van immateriële schade als sprake is van een financieel belang van € 1.000 of meer.\n\n18. De rechtbank wijst het verzoek van eiser af. Eiser heeft aangifte gedaan en procedeert met een ondeugdelijk taxatierapport, waarbij voor ruim € 22.000 niet door DRZ geconstateerde schade in aanmerking is genomen en in de aangifte een handelsinkoopwaarde in beschadigde staat van € 6.000 is opgenomen, terwijl de auto blijkens de inkoopfactuur voor een aanmerkelijk hoger bedrag van € 16.364 ex Btw door eiser is gekocht. Standpunten gebaseerd op dit taxatierapport beschouwt de rechtbank als tegen beter weten in ingenomen en laat de rechtbank buiten beschouwing. Het financiële belang bij de procedure op basis van de overige standpunten bedraagt minder dan € 1.000. De rechtbank volstaat dan ook met de constatering dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn.\n\nProceskosten\n\n19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nwijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Postema, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).\n\nDat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.\n\nVerder vermeldt u ten minste het volgende:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).\n\n Vgl. ECLI:NL:HR:2025:1472.\n\n Vgl. Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.3.3.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9268","2026-07-13T00:29:38.944Z",{"id":118,"ecli":119,"slug":120,"caseNumber":43,"courtId":91,"decisionDate":121,"fullText":122,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":123,"sourceTimestamp":124,"parsedAt":50,"updatedAt":125},"1434","ECLI:NL:GHDHA:2026:1607","ecli-nl-ghdha-2026-1607","2026-04-01T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nTeam Belastingrecht\n\nmeervoudige kamer\n\nnummers BK-25\u002F39 t\u002Fm 25\u002F41\n\nUitspraak van 1 april 2026\n\nin het geding tussen:\n\n [X] B.V. te [Z] , belanghebbende,\n\n(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven)\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,\n\n(vertegenwoordiger: […] )\n\nop het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 19 december 2024, nummers SGR 22\u002F7798, 22\u002F7801 en 22\u002F8524.\n\nProcesverloop\n\n1.1.. Belanghebbende heeft voor drie auto’s belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) op aangifte voldaan.\n\n1.2.. De Inspecteur heeft de bezwaren tegen de voldoeningen ongegrond verklaard bij uitspraken op bezwaar.\n\n1.3.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 365. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:\n\n“De rechtbank:\n\nverklaart de beroepen ongegrond;\n\nveroordeelt verweerder tot vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 882;\n\nveroordeelt de Minister van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 618;\n\nveroordeelt verweerder en de Minister van Justitie en Veiligheid in de proceskosten van eiseres, elk tot een bedrag van € 109,38; en\n\nbepaalt dat de termijn voor de vergoeding van wettelijke rente gaat lopen vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak, dan wel, indien dit een later gelegen datum is, vier weken na de datum waarop opgaaf is gedaan van een bankrekening op naam van eiseres.”\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Van belanghebbende is een griffierecht van € 579 geheven. De Inspecteur heeft een nader stuk, aangeduid als verweerschrift, ingediend. Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend, aangeduid als conclusie van repliek. Op 27 februari 2026 heeft belanghebbende nog een nader stuk ingediend (een pleitnota met bijlagen). De Inspecteur heeft op 27 februari 2016 een nader stuk ingediend. Op 4 maart 2026 heeft belanghebbende nog een pleitnota ingediend. Partijen hebben beide op 9 maart 2026 nadere stukken ingediend.\n\n1.5.. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 12 maart 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.\n\nFeiten\n\n2.1.. Belanghebbende heeft op aangifte bpm voldaan ter zake van de registratie van de volgende auto’s:\n\nAuto\n\nDatum eerste toelating\n\nDatum voldoening\n\nDatum\n\ntenaamstelling\n\nJeep Wrangler\n\n16-07-2020\n\n23-07-2021\n\n03-08-2021\n\nM-B S-klasse 350d Lang\n\n04-09-2020\n\n16-08-2021\n\n18-08-2021\n\nVW Golf 1.5 eTSI Style\n\n16-09-2020\n\n30-06-2021\n\n05-07-2021\n\n2.2.. Belanghebbende heeft gebruikgemaakt van koerslijsten (XRAY Marge). Voor de Mercedes-Benz en de Volkswagen Golf is een koerslijst voor een ex-rental gebruikt.\n\nOordeel van de Rechtbank\n\n3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, overwogen en geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:\n\n“Vooraf\n\n4. De beroepsgronden van eiseres berusten voor een groot deel op de opvatting dat door de Hoge Raad gegeven rechtsoordelen in strijd zijn met het Unierecht. Ze strekken verder ten betoge dat het de nationale rechter in het geheel niet is toegestaan het Unierecht uit te leggen, omdat het Hof van Justitie van de Europese Unie daartoe exclusief bevoegd is. Waar uitlegging van het Unierecht aan de orde is, dient de nationale rechter prejudiciële vragen te stellen, aldus eiseres.\n\n5. De rechtbank volgt eiseres niet in deze opvatting. De rechtsoordelen van de Hoge Raad hebben binnen de Nederlandse rechtsorde informele precedentwerking. Het doorbreken daarvan zou de rechtseenheid en rechtszekerheid die daarmee gediend zijn niet ten goede komen. De rechtbank zal zich derhalve aansluiten bij de rechtspraak van de Hoge Raad over de Wet bpm en niet in elk\n\nafzonderlijk geval motiveren waarom daarvan niet wordt afweken.\n\n6. Er bestaat geen aanleiding voor een andere benadering als het gaat om kwesties van Unierecht. De rechtbank is zich ervan bewust dat zij in het kader van haar bevoegdheid belast is met de toepassing van de bepalingen van het Unierecht en derhalve zorg dient te dragen voor de volle werking van deze normen, en daarbij zo nodig moet afwijken van vaste rechtspraak.[1] Voor dat laatste bestaat vanzelfsprekend slechts aanleiding indien het gaat om met het Unierecht onverenigbare rechtspraak. Waar eiseres met een beroep op die regel de rechtbank verzoekt af te wijken van rechtspraak van de Hoge Raad, dient de rechtbank een dergelijk beroep te beoordelen. Waar de verenigbaarheid van de regels over de heffing van bpm met het Unierecht reeds door de Hoge Raad is beoordeeld en de rechtbank zich daaraan conformeert, zal zij voor de motivering van haar oordeel evenwel volstaan met een verwijzing naar het desbetreffende arrest van de Hoge Raad.\n\n7. De rechtbank acht zich in dit verband ook niet gehouden telkens op de voet van artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) prejudiciële vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Dit betreft voor haar, anders dan voor de hoogste nationale rechter, geen verplichting maar een bevoegdheid.[2] Dat ligt anders indien ter discussie staat of een handeling van een instelling van de Europese Unie geldig is.[3] Een zodanige kwestie doet zich in de onderhavige zaken evenwel niet voor.\n\nHoorrecht\n\n8. Eiseres heeft zich beklaagd over schending van het hoorrecht in bezwaar en verzocht om terugwijzing. Bij de behandeling van deze klacht stelt de rechtbank voorop dat verweerder op grond van artikel 25, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, gelezen in verbinding met artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), verplicht was eiseres in de gelegenheid te stellen te worden gehoord. Zij had daarom immers verzocht. In de onderhavige zaken is komen vast te staan dat eiseres in alle zaken driemaal (per aangetekende brief) schriftelijk is uitgenodigd voor een hoorgesprek. De gemachtigde heeft echter geweigerd de (aangetekende) brieven van verweerder aan te nemen dan wel te openen, omdat hij niet wist wat erin zou staan. Anders dan eiseres stelt, heeft verweerder ook per e-mail een uitnodiging gestuurd voor een hoorgesprek via WebEx. Gemachtigde van eiseres heeft niet ingelogd via WebEx om hieraan deel te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiseres aldus meer dan voldoende gelegenheid geboden om te worden gehoord. Dat gedurende de bezwaarfase geen hoorgesprek heeft plaatsgevonden komt onder deze omstandigheden voor rekening en risico van eiseres. Het hoorrecht is niet geschonden.\n\nHistorische nieuwprijs\n\n9. Eiseres heeft aangevoerd dat voor de berekening van de ten onrechte niet is uitgegaan van de invulling die de Hoge Raad aan de historische nieuwprijs heeft gegeven in zijn arrest van 22 december 2023.[4] Deze grond wordt terecht aangevoerd. Eiseres heeft de daaruit voortvloeiende teruggaven als volgt berekend:\n\n- SGR 22\u002F8524: historische nieuwprijs: € 37.260; teruggaaf: € 15;\n\n- SGR 22\u002F7798: historische nieuwprijs: € 96.984; teruggaaf: € 1.917;\n\n- SGR 22\u002F7801: historische nieuwprijs: € 175.491; teruggaaf € 105.\n\n10. Verweerder heeft ter zitting laten weten dat hij de juistheid van de berekeningen van eiseres op zichzelf niet betwist. De rechtbank zal daarom daarvan uitgaan.\n\nOnjuiste koerslijsten\n\n11. Ter zitting heeft verweerder aangevoerd dat in de zaken met zaaknummers SGR 22\u002F7798 en SGR 22\u002F7801 niet de juiste koerslijsten zijn gebruikt bij de aangifte. De desbetreffende koerslijsten zijn namelijk niet ingevuld op basis van WLTP. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres bij de aangiften in de zaken met zaaknummers SGR 22\u002F7798 en SGR 22\u002F7801 inderdaad niet de juiste koerslijst overgelegd, zulks in strijd met artikel 8, vierde lid, aanhef en letter a, van de Uitvoeringsregeling bpm. In beroep heeft zij, daartoe in de gelegenheid gesteld, dat verzuim niet hersteld. Daarom kan in deze zaken de koerslijstmethode niet worden toegepast en dient voor de berekening van de verschuldigde bpm te worden teruggevallen op de afschrijvingstabel in de zin van artikel 8, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling bpm.\n\n12. Daarvan uitgaande moet de afschrijving op de Jeep Wrangler worden vastgesteld op 33,776% in plaats van het in de aangifte toegepaste percentage van 54,15% (zaaknummer SGR 22\u002F7798). Voor de Mercedes-Benz geldt dat de afschrijving 32,332% bedraagt in plaats van het in de aangifte toegepaste percentage van 61,05% (zaaknummer SGR 22\u002F7801). Dat betekent dat voor deze auto’s de aangifte niet naar een te hoog bedrag is gedaan en de grond ontvalt aan de hiervoor onder 9. vermelde teruggaven in de zaken met zaaknummers SGR 22\u002F7798 en SGR 22\u002F7801.\n\n13. Verweerder heeft verder ter zitting aangevoerd dat in de zaken met zaaknummers SGR 22\u002F7801 en SGR 22\u002F8524 geen sprake is van een ex-rental auto, terwijl hiermee in de berekening van de verschuldigde bpm in de desbetreffende aangiften wel rekening is gehouden, waardoor te weinig bpm is afgedragen. Verweerder doet in dat verband een beroep op interne compensatie, zodat ten aanzien van zaaknummers SGR 22\u002F7801 en SGR 22\u002F8524 eiser geen recht heeft op een teruggave als hiervoor onder 9. vermeld. Eiseres heeft ter zitting laten weten nog bewijs te willen leveren dat wel degelijk sprake is van ex-rental auto’s. Daarnaast heeft zij aangevoerd dat een beroep op interne compensatie in strijd is met Unierecht en niet pas ter zitting kan worden gedaan.\n\n14. In de zaak met zaaknummer SGR 22\u002F7798 heeft eiseres bij de aangifte niet gebruikgemaakt van een koerslijst voor een ex-rentalauto, maar heeft zij in beroep wel naar voren gebracht dat daarvan bij de berekening van de verschuldigde bpm dient te worden uitgegaan. Verweerder heeft dat bestreden.\n\n15. De rechtbank stelt vast dat nu de vermindering in de zaken met zaaknummers SGR 22\u002F7798 en SGR 22\u002F7801 moet worden vastgesteld aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel, de kwalificatie als ‘ex-rental’ alleen nog van belang is in de zaak met zaaknummer SGR 22\u002F8524. Dienaangaande oordeelt de rechtbank als volgt. Wanneer in een in de handel algemeen toegepaste koerslijst ex-rental als variabele is opgenomen, moet ervan worden uitgegaan dat het in de handel voor de waardebepaling van een personenauto verschil maakt of de desbetreffende personenauto als rental is gebruikt of niet. Daaruit volgt dat bij toepassing van die koerslijst de aan deze variabele te verbinden waardevermindering alleen kan worden toegepast op personenauto’s die een ex-rental zijn.[5] Eiseres dient derhalve aannemelijk te maken dat er sprake is van ex-rentals. Na heropening van het onderzoek heeft de rechtbank eiseres op haar verzoek in de gelegenheid gesteld om daartoe in de zaken met zaaknummers SGR 22\u002F7801 en SGR 22\u002F8524 stukken in te zenden. Eiseres heeft dat echter nagelaten. Eiseres heeft daardoor voor geen van de betrokken auto’s aannemelijk gemaakt dat zij als ex-rental kunnen worden aangemerkt.\n\n16. Het voorgaande betekent dat ook in de zaak met zaaknummer SGR 22\u002F8524 een onjuiste koerslijst is gehanteerd, de koerslijstmethode geen toepassing kan vinden en de vermindering dient te worden bepaald aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel. Daarvan uitgaande moet de afschrijving worden vastgesteld op 28% in plaats van het in de aangifte toegepaste percentage van 48,60%. Dat betekent dat ook voor deze auto de aangifte niet naar een te hoog bedrag is gedaan en de grond ontvalt aan de hiervoor onder 9. vermelde teruggaaf in de zaak met zaaknummer SGR 22\u002F8524.\n\nInterne compensatie\n\n17. Verweerder heeft zich voor zijn standpunten over onjuiste koerslijsten en onterechte kwalificatie als ex-rental beroepen op interne compensatie. Eiseres heeft aangevoerd dat een beroep op interne compensatie in strijd is met Unierecht en niet pas ter zitting kan worden gedaan.\n\n18. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt. Interne compensatie kan plaatsvinden wanneer een als verschuldigd vastgesteld bedrag is opgebouwd uit meerdere elementen. Het houdt in dat als de belastingplichtige een bepaald element met succes bestrijdt, de inspecteur andere elementen aan de orde mag stellen met het standpunt dat het verschuldigde bedrag gelet op die andere elementen toch niet te hoog is vastgesteld.[6] Het betoog van verweerder heeft echter betrekking op hetzelfde element van het verschuldigde bedrag als de slagende beroepsgrond van eiseres, te weten de vermindering als bedoeld in artikel 10 van de Wet bpm. Het gaat hier dus niet om een beroep op interne compensatie, maar om een alternatief, zelfstandig dragend argument waarom de vermindering niet te laag is vastgesteld. Voor de uitkomst maakt dat overigens geen geschil, want het aanvoeren van een zodanig argument in beroep is toegestaan zolang het niet in strijd is met de goede procesorde,[7] net zoals dat het geval is met een beroep op interne compensatie.[8] Een dergelijke strijd doet zich in dit geval niet voor, omdat de stellingen van verweerder weliswaar pas ter zitting zijn ingenomen, maar betrekking hebben op feiten die tussen partijen niet in geschil zijn en de rechtsstrijd niet uitbreiden. Eiseres heeft voldoende gelegenheid gehad om inhoudelijk erop te reageren. Verder heeft te gelden dat noch het aanvoeren van nieuwe rechtsgronden ter onderbouwing van het verweer ter zake van een bestaand geschilpunt, noch een beroep op interne compensatie in strijd komt met het Unierecht.[9]\n\nUitspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 maart 2022\n\n19. Eiseres verwijst verder naar een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 maart 2022[10] en stelt dat ze gelet op die uitspraak voor de onderhavige auto’s mag uitgaan van een CO2-uitstoot berekend volgens de Scandinavische rekenmethode, indien dat resulteert in een lagere CO2-uitstoot. Deze stelling berust evenwel op een onjuiste uitleg van de bewuste uitspraak. Uit die uitspraak volgt niet, zoals eiseres kennelijk meent, dat een belastingplichtige bij de berekening van de bpm zelf de keuze heeft tussen verschillende rekenmethodes voor het vaststellen van de CO2-uitstoot. De uitspraak had betrekking op een geval waarin ten processe was komen vast te staan dat soortgelijke personenauto’s als de importauto (van hetzelfde merk, type, uitvoering, productiejaar en datum eerste toelating) over een Europese typegoedkeuring beschikten waarop een bepaalde CO2-uitstoot was vermeld, maar niettemin voor een lagere, op basis van de zogenoemde Scandinavische methode berekende CO2-uitstoot in het Nederlandse kentekenregister waren geregistreerd en op die voet in de heffing van bpm waren betrokken. Die situatie doet zich in de onderhavige zaken niet voor.\n\nLeeftijdskorting\n\n20. Eiseres heeft in al de onderhavige zaken geopperd dat een extra leeftijdskorting zou moeten worden toegekend. Zij heeft deze stellingen niet nader geconcretiseerd. De rechtbank ziet daarin dan ook geen aanleiding voor een teruggaaf van bpm.\n\nVerschil in heffingsmodaliteiten\n\n21. De rechtbank volgt eiseres evenmin in haar stelling dat sprake is van een met het Unierecht strijdig verschil in heffingsmodaliteiten, aangezien deze stelling reeds is verworpen door de Hoge Raad.[11] Voor het rentenadeel dat eiseres stelt te ondervinden van het moeten voldoen van de belasting voorafgaand aan de tenaamstelling van het kenteken, dient eiseres zich te wenden tot de civiele rechter.\n\nRentevergoeding wegens in strijd met Unierecht geheven belasting\n\n22.Eiseres betoogt dat zij recht heeft op vergoeding van rente, voor zover in strijd met Unierecht bpm van haar geheven is. Zij betoogt dat de verplichting om deze rente te vergoeden rechtstreeks voortvloeit uit het Unierecht, zodat een beroep op artikel 28c van de Invorderingswet 1990 – dat in zoverre in strijd met het Unierecht is – niet nodig is. De rechtbank verwerpt dit betoog reeds omdat in de onderhavige zaken geen sprake is van in strijd met het Unierecht geheven belasting.\n\nGriffierecht en wettelijke rente\n\n23. Eiseres heeft aangevoerd dat het in strijd is met het Unierecht om vooraf griffierecht te moeten betalen. De rechtbank overweegt hierover als volgt. In het algemeen kan worden aangenomen dat de in Nederland bestaande regeling in het bestuursrecht over heffing van griffierecht van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen. Verder kan een rechtzoekende bij de rechter een beroep op betalingsonmacht doen indien heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor hem onmogelijk, althans uiterst moeilijk, maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang.[12] Het is niet voor redelijke twijfel vatbaar dat met deze voorziening wordt voldaan aan het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel.[13] Eiseres heeft de naar Nederlands recht verschuldigde griffierechten voldaan en geen beroep gedaan op betalingsonmacht. Gelet op het voorgaande zijn deze griffierechten niet in strijd met het Unierecht geheven.\n\n24. Voor de door eiseres bepleite rentevergoeding over het betaalde griffierecht over de periode, beginnend op de dag waarop eiseres het griffierecht heeft voldaan, bestaat evenmin aanleiding. Het Unierecht dwingt niet tot vergoeding van dergelijke rente.[14] Het voorgaande neemt overigens niet weg dat wettelijke rente verschuldigd wordt indien het griffierecht niet tijdig aan eiseres wordt vergoed.\n\nSlotsom\n\n25. De slotsom is dat de beroepen ongegrond zijn.\n\nVerzoek om vergoeding van immateriële schade\n\n26. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (isv). De rechtbank merkt de onderhavige bezwaren en beroepen voor wat betreft de isv aan als samenhangende zaken, omdat zij in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp.[15] De rechtbank heeft daarbij onder andere in aanmerking genomen dat de zaken in de beroepsfase gezamenlijk zijn behandeld op de zitting van 20 juni 2024. Daarnaast hebben de zaken in hoofdzaak betrekking op dezelfde onderwerpen. Het gaat om procedures inzake voldoening van bpm op aangiften, waarin telkens nagenoeg dezelfde geschilpunten ter discussie staan. Dit betekent dat in de onderhavige zaken één vergoeding zal worden toegekend.\n\n27. Het voorgaande brengt verder mee dat voor de vaststelling van het financiële belang dient te worden uitgegaan van het totale financiële belang dat gemoeid is met de geschillen in al de voorliggende zaken. Mede gelet op het feit dat eiseres haar verzoek om schadevergoeding eerst op 13 juni 2024 heeft gedaan en de redelijke termijn voor bezwaar en beroep op die datum reeds was overschreden, kan alsdan kan niet worden gezegd dat sprake is van een procedure met een zeer gering financieel belang, zoals verweerder in sommige van de onderhavige zaken heeft aangevoerd.[16]\n\n28. De bezwaarschriften in de oudste zaken zijn door verweerder ontvangen op 9 augustus 2021 en verweerder heeft de eerste uitspraken op bezwaar gedaan op 17 november 2022. De uitspraak van de rechtbank is op 19 december 2024 gedaan. Dat is dus afgerond 41 maanden na indiening van het oudste bezwaarschrift, zodat de redelijke termijn met afgerond 17 maanden is overschreden. Van bijzondere omstandigheden is niet gebleken. De overschrijding is voor 10 maanden toe te rekenen aan verweerder en voor het overige aan de rechtbank.\n\n29. Voor de bepaling van de hoogte van de toe te kennen vergoeding van immateriële schade is de mate waarin eiseres daadwerkelijk spanning en frustratie heeft ondervonden in beginsel niet van belang, behoudens bijzondere omstandigheden. Van dergelijke omstandigheden is de rechtbank in onderhavige zaak niet gebleken. Dit betekent dat eiseres recht heeft op een vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.500. Dit bedrag is voor 10\u002F17 * € 1.500 = € 882 verschuldigd door verweerder en voor 7\u002F17 * € 1.500 = € 618 door de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).\n\nProceskosten\n\n30. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiseres in beroep gemaakte proceskosten nu eiseres recht heeft op immateriële schadevergoeding. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 218,75 (1 punt voor het indienen van het verzoek met een waarde per punt van € 875 met een wegingsfactor 0,25 voor het gewicht van de zaken).[17] De vergoeding van dit bedrag zal deels moeten plaatsvinden door verweerder en deels door de Staat, waarbij om redenen van eenvoud en uitvoerbaarheid dient te worden uitgegaan van een verdeling waarbij ieder van hen de helft betaalt.[18]\n\n31. Eiseres heeft eerst in haar pleitnota’s van 13 juni 2024 om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, die op 9 augustus 2023 was overschreden. Alsdan bestaat geen recht op vergoeding van het betaalde griffierecht.[19]\n\n32. Voor een integrale proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. De beroepen zijn ongegrond. Uit de gedingstukken en hetgeen eiseres overigens heeft gesteld, valt niet op te maken dat verweerder zodanig ernstig onzorgvuldig heeft gehandeld dat daarin grond is gelegen om van de forfaitaire regeling voor de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand af te wijken. Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb is ook anderszins niet gebleken. Anders dan eiseres heeft betoogd is het enkele feit dat de vergoeding van proceskosten waarop ingevolge het Bpb aanspraak kan worden gemaakt, de werkelijk gemaakte kosten slechts voor een deel dekt, ook niet voldoende om te concluderen dat aan het Unierecht aanspraak op een hogere vergoeding kan worden ontleend.[20]\n\n(…)\n\n[1] Zie bijvoorbeeld HvJ 11 januari 2024, C-537\u002F22, Global Ink Trade, ECLI:EU:C:2024:6, punten 23 en 25.\n\n[2] Zoals reeds volgt uit de tekst van artikel 267 van het VWEU. Vgl. ook HvJ 6 oktober 2021, C-561\u002F19, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 28, 32, 37 en 55.\n\n[3] HvJ 22 oktober 1987, C-314\u002F85, Foto-Frost, ECLI:EU:C:1987:452, punten 12-20; vgl. recenter bijvoorbeeld ook het door eiseres aangehaalde arrest HvJ 10 januari 2006, C-344\u002F04, IATA, ECLI:EU:C:2006:10, punt 27.\n\n[4] HR 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1714.\n\n[5] HR 28 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:331, r.o. 2.3.2.\n\n[6] Zie bijvoorbeeld HR 24 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AD9713, r.o. 3.3.\n\n[7] HR 10 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO6786, r.o. 3.1.\n\n[8] HR 3 augustus 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN3831.\n\n[9] HR 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752, r.o. 3.2.1-3.2.2.\n\n[10] Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 maart 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:1963.\n\n[11] HR 23 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1277.\n\n[12] Vgl. HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:699.\n\n[13] HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579, r.o. 3.1.4.\n\n[14] HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:623, r.o. 2.4.3.\n\n[15] Vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.10.2, HR 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:154, r.o. 2.4.3 en HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:700, r.o. 2.2.2.\n\n[16] Vgl. HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.3.2, 3.4.1, 3.4.3 en 3.5.\n\n[17] HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526\n\n[18] HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.14.2.\n\n[19] HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, r.o. 7.1.1-7.1.2.\n\n[20] Vgl. HR 7 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3929, r.o. 2.4.”\n\nGeschil in hoger beroep en conclusies van partijen\n\n4.1.. In geschil is of belanghebbende voor de drie auto’s te veel bpm op aangifte heeft voldaan en of zij recht heeft op vergoeding van het door de Rechtbank geheven griffierecht. Verder klaagt belanghebbende dat de Rechtbank de proceskostenvergoeding en de (immateriële)schadevergoeding onjuist heeft vastgesteld. Ook wil belanghebbende een passende rentevergoeding over alle bedragen waarop zij recht heeft.\n\n4.2.. Belanghebbende concludeert, zo begrijpt het Hof, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en tot vermindering van de verschuldigde bpm. Daarnaast concludeert belanghebbende tot toekenning van een hogere proceskostenvergoeding alsmede een hogere (immateriële)schadevergoeding. Belanghebbende verzoekt voorts om vergoeding van het griffierecht in beide instanties en om een passende rentevergoeding.\n\n4.3.. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.\n\nBeoordeling van het hoger beroep\n\nVooraf\n\n5.1.. Het Hof stelt voorop dat het de beslissingen van de Rechtbank en de overwegingen daartoe tot de zijne maakt, behoudens de hierna te behandelen uitzonderingen. In hoger beroep heeft belanghebbende niets aangevoerd dat aanleiding kan zijn om anders te beslissen over de eerstbedoelde categorie geschilpunten. Het gaat hier vooral om het beroep op het Unierecht, de gestelde onbevoegdheid van de Nederlandse rechter en de verplichting tot het stellen van prejudiciële vragen, het hoorrecht, de leeftijdskorting, het verzoek om vergoeding van immateriële schade en (rente over) het griffierecht.\n\nHuurverleden\n\n5.2.. Belanghebbende heeft voor de Mercedes-Benz en de Volkswagen Golf aangifte gedaan met behulp van een koerslijst voor voertuigen met een huurverleden. Belanghebbende heeft, hoewel zij hiertoe ruim in de gelegenheid is gesteld, geen bewijs overgelegd dat de desbetreffende auto’s een verleden als huurauto hebben. Belanghebbende heeft daarom ten onrechte gebruikgemaakt van deze koerslijst. Het beroep op de hogere historische nieuwprijs leidt daarom niet tot een vermindering van de verschuldigde bpm. De berekende teruggaaf (€ 15 voor de Volkswagen Golf en € 105 voor de Mercedes-Benz) is lager dan de bpm die belanghebbende voor deze auto’s extra op aangifte had moeten voldoen bij gebruikmaking van een koerslijst voor voertuigen zonder huurverleden. Voor de Mercedes-Benz en de Volkswagen Golf heeft belanghebbende, behalve de onder 5.1 al genoemde en verworpen geschilpunten, verder niets aangevoerd. Dit betekent dat belanghebbende voor deze auto’s in ieder geval niet te veel bpm op aangifte heeft voldaan.\n\nKoerslijst Jeep Wrangler\n\n5.3.. Voor de Jeep Wrangler is in geschil of belanghebbende kan gebruikmaken van de koerslijst van een Jeep Wrangler 2.0 T Sahara. De Inspecteur stelt dat dit niet mogelijk is, omdat de auto een Jeep Wrangler Unlimited 2.0 T Sahara zou zijn. Zoals het Hof de Inspecteur ter zitting al heeft voorgehouden, blijkt uit de ter zitting overgelegde informatie en de op internet over de auto beschikbare informatie dat het gelijk op dit punt aan belanghebbende is. Merk, model, type, uitvoering en leeftijd van de Jeep Wrangler komen overeen met die van het referentievoertuig (HR 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1472). Dat de volgens de NEDC-meetmethode vastgestelde CO2-uitstoot van het referentievoertuig is vermeld en niet de CO2-uitstoot die is vastgesteld volgens de WLTP-meetmethode doet hieraan niet af, omdat de NEDC-uitstoot van de Jeep Wrangler van belanghebbende slechts 1 g\u002Fkm verschilt van die van het referentievoertuig. De Inspecteur heeft verder niet onderbouwd dat het referentievoertuig toch niet soortgelijk zou zijn. De koerslijst kan dus dienen. De tegenwerping van de Inspecteur dat van een soortgelijk voertuig volgens koerslijstprovider AutotelexPro geen handelstransacties beschikbaar zijn, volgt het Hof niet. De Inspecteur is immers uitgegaan van het verkeerde voertuig (een Unlimited). De berekening van de teruggaaf is niet in geschil, zo blijkt uit het dossier van de Rechtbank. Dit betekent dat belanghebbende € 1.917 te veel bpm op aangifte heeft voldaan. Het Hof zal de Inspecteur gelasten een teruggaaf te verlenen.\n\nOverige geschilpunten\n\n5.4.. Belanghebbende heeft zich in de pleitnota beroepen op het arrest van het HvJ EU van 28 februari 2012, Inter-Environnement Wallonie en Terre wallonne (ECLI:EU:C:2012:103). Hoewel op het Hof geen enkele verplichting rust om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU, hecht het Hof eraan op te merken dat dit arrest een heel specifieke situatie betreft en geen algemeen toepasselijk criterium bevat voor de verplichting van de nationale rechter in laatste instantie om prejudiciële vragen te stellen.\n\n5.5.. Voor vergoeding van rente over de teruggaaf voor de Jeep dient belanghebbende zich te wenden tot de ontvanger.\n\nSlotsom\n\n5.6.. Het hoger beroep is gegrond.\n\nProceskosten en griffierecht\n\n6.1.. Omdat het hoger beroep gegrond is, bestaat aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte (proces)kosten in bezwaar, beroep en hoger beroep, welke kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, worden vastgesteld op € 3.001 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand (bezwaar: 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde van € 666; beroep: 1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; hoger beroep: 1 punt voor het indienen van een hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934). Voor het hoger beroep wordt de gemachtigde niet aangemerkt als een bijzonder geval als bedoeld in artikel 19a Wet belasting van personenauto’s en motorrijwielen. Voor het hoger beroep hanteert het Hof daarom de wegingsfactor 0,25. Voor het als conclusie van repliek aangeduide processtuk kent het Hof geen vergoeding toe, omdat belanghebbende geen toestemming heeft gevraagd voor het indienen van dit stuk.\n\n6.2.. Voorts dienen aan belanghebbende de voor de behandeling in beroep en hoger beroep gestorte griffierechten van in totaal € 944 (€ 365 + € 579) te worden vergoed.\n\nBeslissing\n\nHet Gerechtshof:\n\nvernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissing over de vergoeding van immateriële schade;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar die betrekking heeft op de Jeep Wrangler;\n\nbevestigt de overige twee uitspraken op bezwaar;\n\ngelast dat de Inspecteur voor de Jeep Wrangler een teruggaaf bpm verleent van € 1.917;\n\nveroordeelt de Inspecteur in de proceskosten in bezwaar, beroep en hoger beroep aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 3.001; en\n\ngelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 944 aan griffierechten te vergoeden;\n\nbepaalt dat, voor zover de in hoger beroep toegekende (proces)kostenvergoeding en\u002Fof de vergoeding van griffierecht niet tijdig wordt betaald, de wettelijke rente daarover gaat lopen vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan.\n\nDeze uitspraak is vastgesteld door A. van Dongen, L.D.M.A. Reijs en W. de Wit, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.\n\nDe griffier, de voorzitter,\n\nL. van den Bogerd A. van Dongen\n\nDe beslissing is op 1 april 2026 in het openbaar uitgesproken.\n\nDeze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die\n\nberoepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.\n\nAlle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\n a. - de naam en het adres van de indiener;\n\n b. - de dagtekening;\n\n c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\n d. - de gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:1607","2026-05-12T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:20.849Z",{"id":127,"ecli":128,"slug":129,"caseNumber":43,"courtId":130,"decisionDate":131,"fullText":132,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":133,"sourceTimestamp":134,"parsedAt":50,"updatedAt":135},"627","ECLI:NL:GHARL:2026:700","ecli-nl-gharl-2026-700",60,"2026-02-03T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\n\nnummer BK-ARN 23\u002F2494\n\nuitspraakdatum: 3 februari 2026\n\nUitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer\n\nop het hoger beroep van\n\n [belanghebbende]te[woonplaats](hierna: belanghebbende)\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 29 juni 2023, nummer AWB 22\u002F1256, ECLI:NL:RBGEL:2023:3626, in het geding tussen belanghebbende en\n\nde inspecteurvan de Belastingdienst\u002FCentrale administratieve processen(hierna: de Inspecteur)\n\nalsmede de Staat der Nederlanden(de Minister van Justitie en Veiligheid; hierna: de Staat)\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. Aan belanghebbende is over het tijdvak 30 mei 2018 tot en met 25 maart 2020 een naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting opgelegd van € 2.181. Daarbij is bij beschikking een boete opgelegd van € 2.181.\n\n1.2.. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 27 oktober 2021 het bezwaar ongegrond verklaard.\n\n1.3.. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd voor zover deze de boete betrof en de boete verminderd tot een bedrag van € 926. Daarnaast heeft de Rechtbank de Inspecteur en de Staat veroordeeld tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van in totaal € 1.000 en de Inspecteur veroordeeld tot het betalen van een proceskostenvergoeding. Verder heeft de Rechtbank bepaald dat de Inspecteur het griffierecht aan belanghebbende moet vergoeden.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.\n\n1.5.. Belanghebbende heeft voor de zitting nadere stukken ingediend.\n\n1.6.. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende en A.M.J.F. Verhoeven, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] en [naam2] namens de Inspecteur. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.\n\n2. Vaststaande feiten\n\n2.1.. Belanghebbende is woonachtig in Nederland en staat blijkens de gegevens uit de basisregistratie personen (BRP) vanaf 12 januari 2017 ingeschreven op zijn huidige adres in [woonplaats] .\n\n2.2.. Bij een controle op 26 maart 2020 omstreeks 10:07 uur is geconstateerd dat belanghebbende als bestuurder van een personenauto van het merk Mercedes (hierna: de auto) gebruik maakte van de openbare weg in Nederland, te weten [straatnaam] te [woonplaats] . De auto was voorzien van een Duits kenteken.\n\n2.3.. Tot het dossier behoort een formulier dat is opgesteld naar aanleiding van de bij 2.2. genoemde controle. Op dit formulier staat onder andere het volgende vermeld:\n\n “7. Verklaring bestuurder\u002Fbijzonderheden (…)\n\n Bestuurder is medegedeeld dat hij niet tot antwoorden verplicht is:\n\n Waarom rijdt u in deze auto?\n\n “Ik heb de auto geleend.”\n\nVolgens ons bent u gewoon in het bezit van deze auto. U bent er vaker in gecontroleerd (bijvoorbeeld 07-05-2019 – 11-09-2019 en vandaag weer) en deze auto staat de laatste tijd vaker voor uw woning. “Daar heeft u een punt.” ”\n\n2.4.. De Inspecteur heeft naar aanleiding van de onder 2.2. genoemde controle met dagtekening 10 juli 2020 de naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting en de verzuimboete opgelegd.\n\n3. Geschil\n\n3.1.. In geschil is of de naheffingsaanslag en de boete terecht aan belanghebbende zijn opgelegd. Daarnaast is in geschil of de Rechtbank de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en de proceskostenvergoeding juist heeft vastgesteld.\n\n3.2.. Belanghebbende stelt dat hij slechts één keer in de auto heeft gereden en de naheffingsaanslag daarom ten onrechte over een te lange periode is opgelegd en de boete te hoog is vastgesteld. Verder bepleit belanghebbende dat het Unierecht in de weg staat aan het opleggen van de naheffingsaanslag en de boete, omdat op grond van het Unierecht rekening moet worden gehouden met het daadwerkelijk gebruik van de auto. Belanghebbende stelt zich daarnaast op het standpunt dat de Rechtbank de vergoeding van immateriële schade vast had moeten stellen op een bedrag van (minstens) € 1.500 en de Rechtbank ten onrechte geen vergoeding voor de kosten van de behandeling van het bezwaar heeft toegekend. De Inspecteur heeft de standpunten van belanghebbende gemotiveerd bestreden en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.\n\n4. Beoordeling van het geschil\n\nNaheffingsaanslag4.1.. Op grond van artikel 1, lid 1, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: de Wet MRB) wordt voor het houden van een personenauto motorrijtuigenbelasting geheven. De motorrijtuigenbelasting wordt geheven van degene die bij de aanvang van een tijdvak de auto houdt (artikel 6 van de Wet MRB). Als een auto in het buitenland is geregistreerd, is degene die in Nederland de feitelijke beschikking heeft over de auto degene die voor de heffing van de motorrijtuigenbelasting de auto houdt (artikel 7, lid 1, aanhef en onder c, van de Wet MRB). De houder van een in het buitenland geregistreerde auto wordt, behoudens tegenbewijs, geacht in Nederland zijn hoofdverblijf te hebben indien hij in Nederland als ingezetene is ingeschreven in de BRP (artikel 7, lid 3, van de Wet MRB).\n\n4.2.. Bij constatering van gebruik van de weg met een in het buitenland geregistreerde auto waarvoor de belasting geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de belasting worden nageheven (artikel 34, lid 1, van de Wet MRB). De hoogte van de naheffingsaanslag wordt, aan de hand van het vermoeden van hoofdverblijf in Nederland en het vermoeden van de duur van houderschap in Nederland, vastgesteld op het totaal van het bedrag aan motorrijtuigenbelasting dat voor de auto is verschuldigd voor alle tijdvakken die zijn gelegen vanaf de dag waarop de houder van de in het buitenland geregistreerde auto is ingeschreven in de BRP tot en met de dag voorafgaande aan de dag waarop het gebruik van de weg in Nederland is geconstateerd (artikel 34, lid 2 (tekst 2020), in samenhang met artikel 7, lid 3 en artikel 13, lid 2, van de Wet MRB). De periode waarover ingevolge deze bepaling mag worden nageheven kan worden beperkt voor zover de belanghebbende aannemelijk maakt dat de auto hem op een later tijdstip in Nederland ter beschikking is komen te staan of de auto hem in een of enkele tussenliggende tijdvakken niet in Nederland ter beschikking heeft gestaan (artikel 13, lid 2, van de Wet MRB).De toets die moet worden aangelegd is dus of de auto de belanghebbende feitelijk ter beschikking heeft gestaan. Hoeveel dagen daadwerkelijk in Nederland gebruik is gemaakt van de openbare weg met de auto, is niet relevant.\n\n4.3.. Vast staat dat tijdens de controle op 26 maart 2020 belanghebbende met de auto gebruik van de weg in Nederland maakte, en dat belanghebbende op dat moment, vanaf 12 januari 2017, stond ingeschreven als ingezetene in de BRP met een Nederlands adres. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag berekend over de periode 30 mei 2018, de datum waarop de auto in het buitenland te naam is gesteld, tot en met 25 maart 2020. Gelet op het hiervoor bij 4.1. en 4.2. uiteengezette wettelijke kader heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag in beginsel in overeenstemming met de Wet MRB opgelegd. Er geldt immers het bewijsvermoeden dat de auto gedurende deze periode belanghebbende feitelijk ter beschikking heeft gestaan. Het ligt vervolgens op de weg van belanghebbende om die feiten en omstandigheden te stellen, en bij gemotiveerde betwisting aannemelijk te maken, die de conclusie rechtvaardigen (i) dat de auto belanghebbende met ingang van een latere datum dan 30 mei 2018 in Nederland feitelijk ter beschikking heeft gestaan, en\u002Fof (ii) dat de auto belanghebbende in een of meer tussenliggende tijdvakken niet in Nederland feitelijk ter beschikking heeft gestaan.\n\n4.4.. Belanghebbende stelt dat de auto hem niet gedurende het gehele naheffingstijdvak feitelijk ter beschikking heeft gestaan. Belanghebbende heeft hierover ter zitting verklaard dat de auto van een vriend van hem was, dat de auto alleen voor het moment van de controle een paar weken bij hem voor huis heeft gestaan toen zijn vriend bij hem verbleef, en dat hij de auto op de dag van de controle terugreed naar het huis van zijn vriend in Duitsland, omdat zijn vriend daartoe niet in staat was. Verder heeft belanghebbende verklaard dat hij op het moment van de eerdere controles die zijn genoemd in het controleformulier (zie 2.3.) samen met zijn vriend in de auto reed.\n\n4.5.. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende, tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, niet het van hem verlangde bewijs geleverd dat de auto hem niet vanaf 30 mei 2018 tot en met 25 maart 2020 feitelijk ter beschikking heeft gestaan. Het Hof merkt hierbij allereerst op dat belanghebbende wisselende verklaringen heeft afgelegd waarom hij tijdens de controle in de auto reed. Belanghebbende heeft tijdens de controle verklaard dat hij de auto had geleend, terwijl hij ter zitting heeft verklaard dat hij de auto voor zijn vriend naar huis heeft gereden. Wat daar verder ook van zij, zowel in de situatie dat belanghebbende de auto had geleend als in de situatie dat hij de auto voor zijn vriend naar huis reed, kan ervan uit worden gegaan dat de auto belanghebbende op dat moment feitelijk ter beschikking stond. Belanghebbende heeft verder enkel gesteld dat de auto hem – afgezien van het moment van de controle – gedurende de rest van het naheffingstijdvak niet feitelijk ter beschikking heeft gestaan, omdat deze van zijn vriend was en die de auto gebruikte. Zonder nadere onderbouwing, die belanghebbende niet heeft gegeven, acht het Hof deze stelling niet geloofwaardig, te meer nu uit het controleformulier volgt dat belanghebbende eerder in de hoedanigheid van bestuurder met de auto is gesignaleerd en dat de auto vaker voor de woning van belanghebbende stond. Het Hof gaat in dit verband voorbij aan de verklaring van belanghebbende ter zitting dat hij tijdens de eerdere controles samen met zijn vriend in de auto reed, nu belanghebbende geen nader bewijs daarvoor heeft aangedragen en dit ook niet valt af te leiden uit de eerdere verklaring van belanghebbende die is vermeld op het controleformulier. Aan het vorengaande doet niet af dat belanghebbende heeft gesteld (ook) een andere auto tot zijn beschikking te hebben gehad.\n\n4.6.. Belanghebbende betoogt verder dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd, omdat deze in strijd is met het Unierecht. Het Hof volgt belanghebbende niet in dit betoog. Het stelsel van wettelijke bepalingen dat ten grondslag ligt aan de naheffingsaanslag is niet in strijd met de (bijzondere) discriminatieverboden en vrijheden die zijn opgenomen in het VWEU en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest).Van strijdigheid met het eigendomsrecht zoals dat is opgenomen in artikel 17 van het Handvest is, voor zover dit artikel al van toepassing moet worden geacht op het onderhavige geval, evenmin sprake. Artikel 17 van het Handvest stemt overeen met artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).Hoewel het heffen van belasting een inmenging is in het door artikel 1 EP gewaarborgde recht op ongestoord genot van eigendom, is deze inmenging in het algemeen gerechtvaardigd, omdat deze bepaling voorziet in een uitzondering om de betaling van belastingen of andere heffingen te verzekeren. Wel moet die inmenging volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ‘lawful’ zijn, een ‘legitimate aim’ dienen en een ‘fair balance’ tussen de belangen van het betrokken individu en het algemene belang respecteren. Bij deze beoordeling of sprake is van een ‘fair balance’ gaat het erom of er een redelijke, proportionele verhouding is tussen de gehanteerde middelen en het met de heffing beoogde doel. Zowel met betrekking tot die middelen als met betrekking tot hun geschiktheid om dat doel te bereiken heeft de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid.Aan deze voorwaarden is in dit geval voldaan. De wetgever heeft gekozen voor de heffing van deze belasting bij de houder van een auto, dat is degene die de auto feitelijk ter beschikking heeft. Deze keuze is niet van redelijke grond ontbloot. Ook met het bewijsvermoeden van artikel 34, lid 2, van de Wet BPM heeft de wetgever zijn ruime beoordelingsvrijheid niet overschreden en dus kan ook daarvan niet worden gezegd dat het in strijd is met artikel 1 EP en daarmee dus in strijd met artikel 17 van het Handvest.Belanghebbende heeft verder niet gesteld dat hij met de heffing van de motorrijtuigenbelasting in dit geval wordt getroffen door een individuele en buitensporige last.\n\nVerzuimboete4.7.. Op grond van artikel 37 van de Wet MRB, in samenhang met artikel 67c (tekst 2020) van de Algemene wet inzake rijksbelastingen kan de inspecteur, indien de belastingplichtige de verschuldigde belasting ingeval van een in het buitenland geregistreerde auto niet heeft betaald, een verzuimboete opleggen van ten hoogste 100% van de nageheven belasting met een maximum van € 5.514.\n\n4.8.. De Rechtbank heeft, vooruitlopend op een wijziging van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB), de verzuimboete eerst verminderd tot een boete van 50% van de nageven belasting (€ 1.090) en de aldus verminderde boete passend en geboden geacht. Vervolgens heeft de Rechtbank de boete verder met 15% verminderd tot een boete van € 926 wegens overschrijding van de redelijke termijn.\n\n4.9.. Het Hof stelt voorop dat de aan belanghebbende opgelegde boete een verzuimboete is wegens het niet betalen van verschuldigde belasting. Voor het opleggen van een dergelijke verzuimboete is niet vereist dat sprake is van opzet of grove schuld. Wel moet het opleggen van een verzuimboete achterwege blijven bij afwezigheid van alle schuld (avas) van de belastingschuldige. Belanghebbende heeft niet gesteld en het is het Hof ook niet gebleken dat in dit geval sprake is van avas.\n\n4.10.. Belanghebbende betoogt in hoger beroep dat de verzuimboete moet worden vernietigd vanwege strijdigheid met het Unierecht. Het Hof volgt belanghebbende niet in dit betoog. Het Unierecht staat niet in de weg aan het opleggen van de verzuimboete. Ook volgt het Hof belanghebbende niet in zijn betoog dat de Rechtbank ten onrechte eerst de boete heeft verminderd tot 50% van de nageheven belasting en pas daarna heeft verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn. Indien in een boetezaak de redelijke termijn is overschreden moet de rechter eerst oordelen of de opgelegde boete passend en geboden is en vervolgens beoordelen of op het boetebedrag dat de rechter passend en geboden acht, een vermindering plaats moet vinden wegens de overschrijding van de redelijke termijn, en zo ja, wat de omvang van die vermindering moet zijn.\n\n4.11.. Belanghebbende heeft verder niet gesteld en het is het Hof ook niet gebleken dat sprake is van strafverminderende omstandigheden. Het Hof acht de na vermindering door de Rechtbank resterende boete gelet op alle omstandigheden van het geval een passende en geboden sanctie voor het verzuim dat door belanghebbende is begaan. Het Hof betrekt bij dit oordeel ook de omstandigheid dat de hoogte van de nageheven belasting is komen vast te staan met toepassing van het berekeningsvoorschrift van artikel 34, lid 2, tweede volzin, van de Wet MRB en de daarbij gehanteerde weerlegbare bewijsvermoedens.Het Hof stelt vast dat ook in hoger beroep de redelijke termijn is overschreden. Omdat het bedrag van de boete na vermindering door de Rechtbank lager is dan € 1.000, volstaat het Hof met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden.\n\nKosten voor de behandeling van het bezwaar en de proceskostenvergoeding in eerste aanleg4.12.. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Rechtbank ten onrechte geen vergoeding van kosten voor de behandeling van het bezwaar heeft toegekend, hoewel de Rechtbank wel aanleiding heeft gezien de boete te verminderen tot 50% van de nageheven belasting.\n\n4.13.. Op grond van artikel 7:15, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Het woord ‘herroepen’ impliceert in dit geval dat het oorspronkelijke besluit inhoudelijk onjuist moet zijn geweest.\n\n4.14.. De Rechtbank heeft de boete vooruitlopend op een aangekondigde wijziging van het BBBB verminderd met 50%. De Rechtbank heeft in deze vermindering geen aanleiding gezien voor een vergoeding van de kosten voor de behandeling van het bezwaar, omdat volgens de Rechtbank het opleggen van een boete van 100% in overeenstemming met de destijds geldende regelgeving was, en daarom in zoverre niet kon worden gezegd dat sprake is van een fout van de Inspecteur. In dit oordeel van de Rechtbank ligt besloten dat de Rechtbank overigens een boete van 100% wel passend en geboden achtte. Het Hof is met de Rechtbank van oordeel dat het opleggen van een boete van 100% in overeenstemming was de destijds geldende regelgeving en dat van een boete van 100% in dit geval ook kon worden gezegd dat die passend en geboden was. De gronden waarop de Rechtbank de boete heeft verminderd maken dat deze boete daarom niet is herroepen vanwege een aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid. Voor een vergoeding van de kosten voor de behandeling van het bezwaar bestond daarom geen aanleiding.\n\n4.15.. De Rechtbank is voor de hoogte van de proceskostenvergoeding terecht uitgegaan van het forfaitaire stelsel van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en heeft terecht geoordeeld dat ook op grond van het Unierecht geen aanleiding bestond voor een hogere of integrale vergoeding van de proceskosten voor het beroep in eerste aanleg. Het Unierechtelijke beginsel van een effectieve en doeltreffende rechtsbescherming brengt mee dat nationale bepalingen op procesrechtelijk gebied niet ertoe mogen leiden dat de verwezenlijking van de aanspraken die een belanghebbende aan het Unierecht kan ontlenen, onmogelijk of uiterst moeilijk wordt. De regeling van het Bpb, waarbij de vergoeding van proceskosten in beginsel een forfaitair karakter heeft, voldoet aan deze eis.Daarbij is van belang dat in geval van bijzondere omstandigheden de mogelijkheid bestaat om op grond van artikel 2, lid 3, van het Bpb een hogere vergoeding voor proceskosten toe te kennen dan volgens het forfaitaire tarief geldt. Een eventuele wanverhouding tussen de tegemoetkoming in de proceskosten volgens het forfaitaire tarief en de werkelijk gemaakte kosten, vormt evenwel geen bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, lid 3, van het Bpb voor een hogere vergoeding.In dit geval is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die tot een hogere vergoeding zouden moeten leiden.\n\nVergoeding van immateriële schade in eerste aanleg4.16.. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Rechtbank de vergoeding van immateriële schade te laag heeft vastgesteld. Belanghebbende betoogt daartoe onder meer dat de Rechtbank wat betreft de aanvang van de redelijke termijn is uitgegaan van een onjuiste datum, omdat in dit geval een boete in geschil is.\n\n4.17.. De Rechtbank heeft in haar uitspraak met betrekking tot de immateriële schadevergoeding het volgende overwogen:\n\n“24. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016[voetnoot: ECLI:NL:HR:2016:252.].\n\n25. Belastinggeschillen moeten binnen een redelijke termijn worden berecht. Als uitgangspunt geldt daarvoor een termijn van twee jaar vanaf het moment dat het bezwaarschrift is ontvangen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor verlenging van die termijn. In dit geval is het bezwaarschrift ontvangen op 29 juni 2020. Sindsdien is een periode van precies drie jaren verstreken. Dat betekent dat de redelijke termijn met een jaar is overschreden. Uitgaand van een vergoeding van € 500 per halfjaar of gedeelte daarvan, bestaat recht op een schadevergoeding van € 1.000. Dat sprake is van no cure, no pay geeft de rechtbank geen aanleiding om het bedrag te verlagen. De vergoeding van immateriële schade is immers in de eerste plaats bedoeld als signaal aan de rechtspraak dat tijdig beslist dient te worden. De noodzaak daartoe is niet minder in zaken waarin een gemachtigde procedeert op basis van no cure, no pay.”\n\n4.18.. Naar het oordeel van het Hof, heeft de Rechtbank met haar hiervoor onder 4.17. aangehaalde overwegingen op goede gronden een juiste beslissing genomen. Het Hof neemt deze overwegingen dan ook over en maakt deze tot de zijne. Indien zoals in dit geval de procedure zowel een belastingaanslag als een daarmee samenhangende boete betreft, worden de immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, en de boetevermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn met betrekking tot de boete, naast elkaar toegepast.Op de immateriële schadevergoeding wegens de overschrijding van de redelijke termijn zijn daarom de regels voor de aanvang van de redelijke termijn die gelden voor de boetevermindering niet van toepassing. Het Hof volgt belanghebbende verder niet in zijn betoog dat op grond van het Unierecht een hogere vergoeding aangewezen is.\n\n4.19.. Belanghebbende heeft voor het overige nog gronden van min of meer algemene aard aangevoerd over schendingen van het Unierecht, waaronder beweerdelijk onbevoegde uitleggingen van dat recht door de Hoge Raad. Het Hof ziet geen aanleiding om op die gronden het hoger beroep gegrond te achten en de uitspraak van de Rechtbank te vernietigen. Het Hof merkt hierbij nog op dat, anders dan belanghebbende betoogt, het Hof in onderhavige zaak niet verplicht is om vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie) over de toepassing van het Unierecht. Alleen de hoogste nationale rechter heeft op grond van artikel 267 VWEU een plicht zich tot het Hof van Justitie te wenden bij vragen over de uitleg van het Unierecht als daarover onduidelijkheid bestaat. In onderhavige procedure ziet het Hof geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. In dat verband wordt opgemerkt dat de uitspraken van het Hof vatbaar zijn voor cassatieberoep bij de Hoge Raad, zodat artikel 267 VWEU niet dwingt tot het voorleggen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.\n\nVergoeding van immateriële schade in hoger beroep4.20.. Belanghebbende heeft in zijn nadere stuk van 20 november 2025 een verzoek om vergoeding van immateriële schade gedaan wegens de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Het hogerberoepschrift is op 8 augustus 2023 ingediend en het Hof doet heden uitspraak. Dit betekent dat de redelijke termijn in hoger beroep van twee jaar met afgerond zes maanden is overschreden en dat daarom aanleiding bestaat voor toekenning van een vergoeding van immateriële schade voor het hoger beroep van € 500. Ook voor wat betreft deze vergoeding geldt dat belanghebbende aan het Unierecht geen recht kan ontlenen op een hogere vergoeding. Nu de overschrijding uitsluitend is toe te rekenen aan het Hof, moet dit bedrag worden vergoed door de Staat.\n\nSlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond. Wel dient aan belanghebbende de in 4.20. vermelde vergoeding van € 500 te worden toegekend.\n\n5. Griffierecht en proceskosten\n\n5.1.. In zijn arrest van 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat in een geval als het onderhavige waarbij het hoger beroep op zichzelf beschouwd ongegrond is, maar wel een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toekend, geen aanleiding bestaat om aan de belanghebbende het griffierecht te vergoeden. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Het Hof merkt hierbij nog op dat de redelijke termijn in hoger beroep op de datum van 31 mei 2024 nog niet was verstreken en belanghebbende na deze datum heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, zodat het in het hiervoor genoemde arrest opgenomen overgangsrecht, op grond waarvan belanghebbende wel recht zou hebben op een vergoeding van het griffierecht, niet van toepassing is.\n\n5.2.. In de omstandigheid dat de belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep ziet het Hof aanleiding de Staat te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling het hoger beroep heeft moeten maken. Het Hof stelt deze kosten overeenkomstig het Bpb vast op € 233,50 (1 punt voor het verzoek om schadevergoeding  wegingsfactor 0,25  € 934). Wat betreft de stelling van belanghebbende dat het Unierecht dwingt tot een hogere vergoeding, verwijst het Hof naar hetgeen hiervoor bij 4.15. is overwogen.\n\n6. Beslissing\n\nHet Hof:\n\nbevestigt de uitspraak van de Rechtbank,\n\nveroordeelt de Staat tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 500, en\n\nveroordeelt de Staat in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 233,50.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.R. van der Heide, voorzitter, mr. T.H.J. Verhagen en mr. M. Harthoorn, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.\n\nDe beslissing is op 3 februari 2026 in het openbaar uitgesproken.\n\nDe griffier, De voorzitter,\n\n(E.D. Postema (R.R. van der Heide)\n\nDeze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\n1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;\n\n2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\n3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\n a. de naam en het adres van de indiener;\n\n b. de dagtekening;\n\n c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\n d. de gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Zie eveneens Hoge Raad 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:483, r.o. 5.3.4. tot en met 5.3.10.\n\n Zie Hoge Raad 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:483, r.o. 5.4.1. tot en met 5.8.\n\n Zie Toelichtingen bij het handvest van de grondrechten, PbEU 2007, C 303\u002F17.\n\n Zie onder andere, EHRM 29 april 2008, nr. 13378\u002F05, Burden and Burden tegen het Verenigd. Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2008:0429JUD001337805, EHRM 14 mei 2013, nr. 66529\u002F11, N.K.M. tegen Hongarije, ECLI:CE:ECHR:2013:0514JUD006652911 en Hoge Raad 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816.\n\n Zie Hoge Raad, 25 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:972.\n\n Zie Hoge Raad, 5 april 2019 ECLI:NL:HR:2019:483, r.o. 5.10.2.\n\n Vergelijk Hoge Raad 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0191, rechtsoverweging 4.2.\n\n Kamerstukken II 2000-2001, 27 024, nr. 14, blz. 1-2.\n\n Hoge Raad 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ3810, r.o. 3.5.\n\n Hoge Raad 13 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:833, r.o. 2.5.\n\n Zie Hoge Raad, 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.2.1. en de aldaar aangehaalde rechtspraak.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:700","2026-02-06T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:39.954Z",20,[11]]