[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-nationality-law-nl-2023":3},{"detail":4,"years":63},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":16,"page":14,"limit":62},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},111,"nationality-law-nl","Nationality Law","NL","2026-07-08T16:56:56.642Z",2023,[13,15,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":14},1,{"month":16,"count":17},2,0,{"month":19,"count":17},3,{"month":21,"count":17},4,{"month":23,"count":17},5,{"month":25,"count":17},6,{"month":27,"count":17},7,{"month":29,"count":17},8,{"month":31,"count":14},9,{"month":33,"count":17},10,{"month":35,"count":17},11,{"month":37,"count":17},12,[39,53],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"526","ECLI:NL:RBDHA:2023:14713","ecli-nl-rbdha-2023-14713","",58,"2023-09-27T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SGR 23\u002F119, 23\u002F1684 en 23\u002F1688\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 september 2023 in de zaak tussen\n\n [eiser 1] ,\n\n [eiser 2] ,\n\n [eiser 3], uit Iran, eisers\n\n(gemachtigde: mr. M. Wiersma),\n\nen\n\nde minister van Buitenlandse Zaken, verweerder,\n\n(gemachtigde: mr. L.H.T. Geuzendam).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen het niet in behandeling nemen van hun aanvraag voor een Nederlands paspoort.\n\n1.1. Bij besluiten van 29 november 2021 en 25 januari 2022 (de primaire besluiten) heeft verweerder geweigerd de aanvragen voor een Nederlands paspoort van eisers in behandeling te nemen (lees: af te wijzen). Bij besluit van 24 november 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eisers tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.\n\n1.2. Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.3. De zitting was op 19 september 2023 met behulp van een beeldverbinding. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWat heeft verweerder besloten?\n\n2. Verweerder heeft de aanvragen voor een Nederlands paspoort van eisers niet in behandeling genomen. De reden daarvoor is dat [eiser 1] en [eiser 2] het Nederlanderschap op 15 oktober 2019 respectievelijk 12 augustus 2020 zouden hebben verloren,waardoor hun destijds minderjarige zoon [eiser 3] eveneens het Nederlanderschap zou hebben verloren.\n\nWat vinden eisers in beroep?\n\n3. Eisers stellen dat het verlies van het Nederlanderschap onevenredige gevolgen voor hen heeft, omdat [eiser 1] en [eiser 2] het Unieburgerschap nodig hebben om hun in Europa studerende kinderen te bezoeken en [eiser 3] al vóór het verlies van het Nederlanderschap het voornemen had om in Europa te gaan studeren.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\n4. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eisers tevens de Iraanse nationaliteit hebben en dat [eiser 1] en [eiser 2] op 15 oktober 2019 respectievelijk 12 augustus 2020 gedurende 10 jaar onafgebroken woonachtig waren in Iran. Dat betekent dat aan de toepassingsvoorwaarden zoals ten tijde van het bestreden besluit geformuleerd in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN, is voldaan en [eiser 1] en [eiser 2] het Nederlanderschap in beginsel hebben verloren. Verder betekent dat, dat [eiser 3] – als destijds minderjarige zoon – op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, van de RWN het Nederlanderschap in beginsel ook heeft verloren op 12 augustus 2020.\n\n5. Tussen partijen is in geschil of het verlies van de Nederlandse nationaliteit in het geval van eisers de evenredigheidstoets doorstaat zoals die voortvloeit uit de uitspraak van het Europees Hof van Justitie in de zaak Tjebbes e.a.Het Hof oordeelde dat de verliesgrond zoals vastgelegd in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN niet principieel in strijd is met het Unierecht, maar dat het wel mogelijk moet zijn om achteraf de proportionaliteit van het mogelijke verlies te toetsen in het licht van het Europese recht. Het Hof overwoog onder meer dat met name relevant kan zijn het feit dat de betrokkene door het verlies van rechtswege van het Nederlanderschap en van het Unieburgerschap zou worden geconfronteerd met beperkingen in de uitoefening van zijn recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten, wat in voorkomend geval leidt tot bijzondere moeilijkheden om zich naar Nederland of een andere lidstaat te blijven begeven om daar zijn beroepsactiviteiten te verrichten of de noodzakelijke stappen te ondernemen om er dergelijke activiteiten te verrichten.\n\n6.1. De hoogste bestuursrechter heeft beslist dat het peilmoment waarop dient te worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel het moment van het verlies van het Nederlanderschap is. Ook besliste de hoogste bestuursrechter dat slechts feiten en omstandigheden die verband houden met rechten voortvloeiend uit het Europees burgerschap relevant zijn voor de evenredigheidstoets. Bij de beoordeling moeten niet alleen de gevolgen van het verlies van het Nederlanderschap die zich op het peilmoment reeds hebben gemanifesteerd worden betrokken, maar ook de gevolgen die op dat moment redelijkerwijze voorzienbaar waren. Gevolgen die op het peilmoment hypothetisch zijn of waarvan niet vaststaat dat die zich voor zullen doen, hoeven niet in de beoordeling te worden betrokken. Het is daarom aan de betrokkene om concreet te onderbouwen dat op het moment van het verlies van het Nederlanderschap redelijkerwijs voorzienbaar was dat hij zijn met het Unieburgerschap gepaard gaande rechten of verplichtingen uit zou gaan oefenen.\n\n6.2. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de evenredigheidstoets met betrekking tot [eiser 1] en [eiser 2] juist heeft verricht. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) heeft in dit kader advies uitgebracht aan verweerder. Dat [eiser 1] en [eiser 2] op het moment van het verlies van het Nederlanderschap (15 oktober 2019 respectievelijk 12 augustus 2020) gebruik maakten van hun aan het Unieburgerschap verbonden rechten, is niet door hen gesteld en ook niet gebleken. De rechtbank volgt eisers niet in hun betoog dat zij het Unieburgerschap nodig hebben om hun in Europa studerende kinderen te bezoeken, omdat niet valt in te zien dat een toeristenvisum daar niet voor zou volstaan. Het betoog slaagt niet.\n\n6.3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de evenredigheidstoets ook met betrekking tot [eiser 3] juist heeft verricht. De rechtbank heeft niet vast kunnen stellen dat het voornemen van [eiser 3] om in een lidstaat van de Europese Unie te gaan studeren op het peilmoment – 12 augustus 2020 – meer dan hypothetisch was. Het gegeven dat [eiser 3] op 8 september 2021 een Nederlands paspoort heeft aangevraagd kan, anders dan door eisers ter zitting is betoogd, hierbij niet in aanmerking worden genomen, omdat die aanvraag na het peilmoment is gedaan. De stelling van [eiser 3] dat hij op het peilmoment op korte termijn voor dienstplicht in aanmerking kwam en dat hij voornemens was deze te ontlopen door, net als zijn zus, in Nederland te gaan studeren, vormt geen voldoende concreet voornemen. De door eisers overgelegde email van mw. [naam] van 24 juli 2022, waarin zij aangeeft dat de ouders van [eiser 3] contact met haar hebben gehad over een mogelijke studiekeuze en studentenkamer, maakt dat niet anders. De rechtbank volgt de redenatie van de IND dat [eiser 3] niet nader heeft gespecificeerd welke studie hij waar en wanneer wilde gaan volgen of welke concrete voorbereidende stappen hij daarvoor heeft ondernomen. Eisers hebben verweerder desgevraagd enkel toegelicht dat hij graag ICT of bouwkunde wilde gaan studeren. Verweerder heeft hieruit mogen concluderen dat het voornemen van [eiser 3] op het peilmoment niet meer dan hypothetisch was. Ook dit betoog slaagt niet.\n\n7. Het beroep is ongegrond. Verweerder hoeft de kosten die eisers hebben gemaakt voor deze procedure niet te vergoeden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. van Nooijen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F. Janmaat, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 september 2023.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN).\n\n Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, van de RWN.\n\n Uitspraak van 12 maart 2019, C-221\u002F17 (ECLI:EU:C:2019:189).\n\n Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 februari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:423).","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:14713","2023-10-02T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:34.835Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":57,"fullText":58,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":60,"parsedAt":51,"updatedAt":61},"2014","ECLI:NL:RBDHA:2023:57","ecli-nl-rbdha-2023-57","2023-01-12T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SGR 22\u002F1191\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 januari 2023 in de zaak tussen\n\n [eiser], te Turkije, eiser\n\n(gemachtigde: mr. C.A. Madern),\n\nen\n\nde minister van Buitenlandse Zaken, verweerder\n\n(gemachtigde: mr I.S. IJserinkhuijsen).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 29 juli 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een Nederlands paspoort niet in behandeling genomen.\n\nBij besluit van 13 januari 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden via een beeldverbinding op 4 januari 2023. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n1. Eiser heeft op 10 juni 2021 bij het Nederlands Consulaat in Turkije een paspoort aangevraagd. Verweerder heeft geweigerd eiser een Nederlands paspoort te verstrekken, omdat eiser het Nederlanderschap heeft verloren. Eiser is het daar niet mee eens.\n\nWat vindt verweerder?\n\n2. Eiser is op [geboortedag 1] 1968 in Turkije geboren en kreeg bij zijn geboorte de Turkse nationaliteit. Op 9 juni 1988 werd hij voor het eerst ingeschreven in Nederland. Eiser trad op 22 juni 1988 in Den Haag in het huwelijk met [A]. Uit dit huwelijk is op [geboortedag 2] 1992 in Den Haag een zoon, [B], geboren. Eisers echtgenote is op 2 mei 2014 overleden, waardoor het huwelijk werd ontbonden.\n\nEiser verkreeg het Nederlanderschap bij Koninklijk Besluit van 16 oktober 1991. Hij had vanaf dat moment zowel de Nederlandse als de Turkse nationaliteit.\n\nIn het paspoortaanvraagformulier heeft eiser ingevuld dat hij vanaf 8 september 1998 in Turkije woonplaats heeft. Op 18 november 2002 is hij uitgeschreven uit de Basisregistratie Personen (BrP) van de gemeente Den Haag wegens emigratie naar Turkije. Aan eiser is op 19 februari 1997 voor het laatst een Nederlands paspoort verstrekt, geldig tot 19 februari 2002.\n\nEiser heeft het Nederlanderschap op 1 april 2013 van rechtswege verloren op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN), zoals die bepaling vanaf 1 april 2003 luidt, omdat hij vanaf 1 april 2003 gedurende een onafgebroken periode van tien jaar hoofdverblijf heeft gehad in Turkije en zowel de Nederlandse als de Turkse nationaliteit had. Overeenkomstig het advies van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) acht verweerder het verlies van het Nederlanderschap uit oogpunt van uit het Unieburgerschap voortvloeiende rechten, niet onevenredig.\n\nDaarom is afgifte van een Nederlands paspoort terecht geweigerd.\n\nWat vindt eiser?\n\n3. Eiser stelt dat hij zijn hoofdverblijf niet heeft verplaatst naar Turkije. Nederland heeft aan Turkije verzocht om eiser de in Nederland opgelegde gevangenisstraf in Turkije te laten uitzitten. Daarop is door de Turkse autoriteiten op 4 januari 2019 positief beslist.\n\nEiser wist niet dat zijn Nederlanderschap na een termijn van tien jaar na 1 april 2003 zou vervallen. Hij is daarover ten onrechte niet voorgelicht.\n\nVerweerder heeft eiser ten onrechte geen consulaire bijstand aangeboden toen hij in Turkije in detentie zat. Dan zou ongetwijfeld de tienjaarstermijn zijn besproken en had deze kunnen worden gestuit.\n\nVerder stelt eiser dat het verlies van het Nederlanderschap voor eiser uit oogpunt van het daarmee gepaard gaande verlies van Unierechten onevenredig is. Op de peildatum 1 april 2013 was eisers echtgenote nog in leven. Eiser wilde na zijn detentie terugkeren naar zijn vrouw en kind in Nederland. Zijn zoon was toen weliswaar 21 jaar oud, maar woonde nog steeds bij zijn moeder, zodat de gezinsband als bedoeld in artikel 8 van het EVRM in stand is gebleven.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\nHoofdverblijf\n\n4.1.. \n\nVerweerder heeft op goede gronden vastgesteld dat eiser vanaf 8 september 1998 zijn hoofdverblijf in Turkije had. Eiser is op dat moment uit eigen vrije wil naar Turkije vertrokken. Dat zijn Nederlandse paspoort toen nog geldig was en hij toen geen afstand wilde doen van zijn Nederlandse nationaliteit, betekent niet dat hij zijn hoofdverblijf toen niet heeft verplaatst naar Turkije. Dat Nederland heeft verzocht dat eiser zijn in Nederland opgelegde gevangenisstraf in Turkije mocht uitzitten, betekent evenmin dat hij zijn hoofdverblijf niet in Turkije had. Verweerder stelt terecht dat het begrip hoofdverblijf feitelijk moet worden opgevat. Eiser was bovendien al gedetineerd op basis van Turkse strafrechtelijke veroordelingen.\n\nOok het feit dat eisers gezin, woning en inboedel zich in Nederland bevond betekent niet dat zijn hoofdverblijf in Nederland was. Het gaat erom of eiser zelf bij zijn gezin en in zijn woning verbleef en dat was niet het geval. Verder betekent ook het feit dat eiser zich niet heeft laten uitschrijven bij de gemeente Den Haag bij zijn vertrek naar Turkije, niet dat zijn hoofdverblijf in Nederland is gebleven. Eiser was verplicht zich te laten uitschrijven. De gemeente Den Haag heeft eiser later terecht ambtshalve uitgeschreven.\n\nNu eiser vanaf 8 september 1998 tot op heden zijn hoofdverblijf in Turkije had, heeft verweerder terecht vastgesteld dat eiser in beginsel op 1 april 2013 zijn Nederlanderschap van rechtswege heeft verloren.\n\nOnvoldoende voorlichting?\n\n4.2.. \n\nMet de stelling dat eiser door de Nederlandse autoriteiten niet is voorgelicht over de mogelijkheid van verval van het Nederlanderschap, doet eiser kennelijk een beroep op het vertrouwensbeginsel.\n\nOp de Nederlandse autoriteiten rust geen verplichting om eiser voor te lichten over wet- en regelgeving over verlies en behoud van het Nederlanderschap. Het is de eigen verantwoordelijkheid van Nederlanders met een dubbele nationaliteit die in het buitenland wonen zich te laten voorlichten over mogelijke gevolgen van hun verblijf in het buitenland voor hun nationaliteit.\n\n4.3.. \n\nEiser heeft in Turkije in 2003 en vanaf 2006 tot 2009 in detentie gezeten. Ook vanaf 2010 tot 22 maart 2021 heeft hij in Turkije in detentie gezeten.\n\nEiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij tijdens zijn detentie in Turkije om consulaire bijstand heeft gevraagd. Verder is geenszins zeker dat de consulaire bijstand, indien eiser die zou hebben gevraagd en gekregen, zich ook zou hebben uitgestrekt of zou hebben moeten uitstrekken tot hulp bij het behoud van het Nederlanderschap.\n\nWat hier verder ook van zij, verweerder heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raadhet Nederlanderschap niet door de werking van een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, zoals het vertrouwensbeginsel, kan worden verkregen of kan worden behouden. Reeds daarom slaagt eisers betoog dat hij onvoldoende is voorgelicht en onvoldoende consulaire bijstand heeft gekregen, niet.\n\nEvenredigheidstoets\n\n4.4.. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in het Tjebbes-arrest, geoordeeld dat de verliesgrond van rechtswege zoals vastgelegd in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN niet principieel in strijd is met het Unierecht, maar dat het wel mogelijk moet zijn om achteraf de proportionaliteit van het mogelijke verlies te toetsen in het licht van het Europese recht. Het Hof overwoog onder meer dat met name relevant kan zijn het feit dat de betrokkene door het verlies van rechtswege van het Nederlanderschap en van het Unieburgerschap zou worden geconfronteerd met beperkingen in de uitoefening van zijn recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten, wat in voorkomend geval leidt tot bijzondere moeilijkheden om zich naar Nederland of een andere lidstaat te blijven begeven om daar zijn beroepsactiviteiten te verrichten of de noodzakelijke stappen te ondernemen om er dergelijke activiteiten te verrichten.\n\n4.5.. De hoogste bestuursrechter heeft beslist dat het peilmoment waarop dient te worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel het moment van het verlies van het Nederlanderschap is.Ook besliste de hoogste bestuursrechter dat slechts feiten en omstandigheden die verband houden met rechten voortvloeiend uit het Europees burgerschap, relevant zijn voor de evenredigheidstoets.\n\n4.6.. Over de evenredigheidstoets heeft de IND op 10 november 2021, op verzoek van verweerder, advies uitgebracht.\n\n4.7.. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het advies van de IND mocht volgen en op basis van dat advies terecht heeft geoordeeld dat op en rond de peildatum 1 april 2013 eiser geen gebruik maakte van zijn uit het Unieburgerschap voortvloeiende rechten of dat voorzienbaar was dat hij dat zou gaan doen.\n\nIn het Tjebbes-arrest is onder 45 overwogen dat “In het kader van die evenredigheidstoetsing met name de bevoegde nationale autoriteiten en in voorkomend geval de nationale rechterlijke instanties zich ervan dienen te vergewissen dat het nationaliteitsverlies verenigbaar is met de door het Handvest gewaarborgde grondrechten, waarvan het Hof de eerbiediging verzekert, en in het bijzonder met het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven zoals dat is neergelegd in artikel 7 van het Handvest, waarbij dit artikel moet worden gelezen in samenhang met de verplichting tot inachtneming van het in artikel 24, lid 2, van het Handvest erkende belang van het kind (arrest van 10 mei 2017, Chavez-Vilchez e.a., C‑133\u002F15, EU:C:2017:354, punt 70).”\n\nEiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er rond de peildatum sprake was van een beschermenswaardige uitoefening van het familie- of gezinsleven. Eiser is in 1998 zonder zijn (in 2014 overleden) echtgenote in Turkije gaan verblijven. Eiser is ook nadien niet - vòòr en tussen de Turkse detentieperiodes in 2003 en vanaf 2006 - in Nederland bij zijn gezin gaan verblijven. Rond de peildatum was eiser overigens gedetineerd, zodat hij niet kon reizen. Zijn zoon was op dat moment meerderjarig. Eisers kleinzoon was toen nog niet geboren.\n\nVoor het aannemen van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 7 van het Europees Handvest en artikel 8 van het EVRM met meerderjarige kinderen moet sprake zijn van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie.\n\nEiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat daarvan sprake was ten tijde van het verlies van het Nederlanderschap.\n\nConclusie\n\n4.8.. Het beroep is ongegrond\n\n4.9.. \n\nVoor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. van Nooijen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Leijten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op\n\n12 januari 2023.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.\n\n Beschikkingen van de Hoge Raad van 16 september 1994 (NJ 1995,563) en 19 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8544 en Prejudiciële Beslissing van 25 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:331\n\n Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 12 maart 2019, C-221\u002F17 (ECLI:EU:C:2019:189).\n\n Uitspraak van 12 februari 2020 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), ECLI:NL:RVS:2020:423 onder 11.2.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:57","2023-01-05T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:49.912Z",20,[64,11],2026]