[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-payroll-tax-nl-2026":3},{"detail":4,"years":63},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":17,"page":14,"limit":62},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},161,"payroll-tax-nl","Payroll Tax","NL","2026-07-08T17:00:45.478Z",2026,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":14},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":15},4,{"month":23,"count":14},5,{"month":25,"count":15},6,{"month":27,"count":15},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":15},12,[39,53],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"742","ECLI:NL:GHDHA:2026:1808","ecli-nl-ghdha-2026-1808","",58,"2026-05-27T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nTeam Belastingrecht\n\nmeervoudige kamer\n\nnummers BK-25\u002F617 tot en met BK-25\u002F619\n\nUitspraak van 27 mei 2026\n\nin het geding tussen:\n\n [X] B.V. te [Z] , belanghebbende,\n\n(gemachtigde: S. Spauwen)\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,\n\n(vertegenwoordiger: […] )\n\nop het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 10 juli 2025, nummers SGR 24\u002F8234, SGR 24\u002F8237 en SGR 24\u002F8239.\n\nProcesverloop\n\n1.1.1.. De Inspecteur heeft aan belanghebbende over het tijdvak 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017 een naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd ten bedrage van € 564.125 (de naheffingsaanslag 2017). Bij gelijktijdig gegeven beschikking heeft de Inspecteur een bedrag van € 83.070 aan belastingrente in rekening gebracht (de beschikking belastingrente 2017).\n\n1.1.2.. De Inspecteur heeft aan belanghebbende over het tijdvak 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018 een naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd ten bedrage van € 367.641 (de naheffingsaanslag 2018). Bij gelijktijdig gegeven beschikking heeft de Inspecteur een bedrag van € 39.431 aan belastingrente in rekening gebracht (de beschikking belastingrente 2018).\n\n1.1.3.. De Inspecteur heeft aan belanghebbende over het tijdvak 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 een naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd ten bedrage van € 49.279 (de naheffingsaanslag 2019). Bij gelijktijdig gegeven beschikking heeft de Inspecteur een bedrag van € 3.314 aan belastingrente in rekening gebracht (de beschikking belastingrente 2019).\n\n1.2.. Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslagen 2017, 2018 en 2019 en de beschikkingen belastingrente 2017, 2018 en 2019 bezwaar gemaakt. Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaren tegen de naheffingsaanslagen 2017, 2018 en 2019 ongegrond verklaard en de beschikkingen belastingrente 2017, 2018 en 2019 verminderd met respectievelijk € 2.194, € 1.430 en € 192.\n\n1.3.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Ter zake hiervan is € 365 griffierecht geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake hiervan is € 579 griffierecht geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Voorafgaand aan de zitting heeft de Inspecteur een pleitnota ingediend. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota overgelegd.\n\n1.5.. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 14 april 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.\n\nFeiten\n\n2.1.. \n [A] was in dienst bij belanghebbende als [functie] .\n\n2.2.. Per 31 mei 2016 is de dienstbetrekking tussen [A] en belanghebbende beëindigd en is [A] met pensioen gegaan. De voorwaarden waaronder de beëindiging heeft plaatsgevonden zijn per 30 maart 2016 in een vaststellingsovereenkomst vastgelegd (de vaststellingsovereenkomst).\n\n2.3.. Aan [A] zijn in de jaren 2017, 2018 en 2019 aandelengerelateerde beloningen\u002Fbetalingen toegekomen als gevolg van aan [A] in de jaren 2013 tot en met 2015 toegekende Restricted Stock Units (RSU’s). De RSU’s zijn onder te verdelen in market-leveraged stock units (MSU’s) en performance long-term incentive units (LTI’s).\n\n2.4.. Aan [A] zijn op 28 februari 2013, 27 februari 2014 en 26 februari 2015 voorwaardelijk MSU’s toegekend. De MSU’s vertegenwoordigen een recht om in de toekomst aandelen van belanghebbende te ontvangen en hebben een looptijdregeling van maximaal vier jaren (de performance periode). De hoeveelheid daadwerkelijk toe kennen aandelen is (onder meer) afhankelijk van de uitkomst van de Total Shareholder Return (TSR) van belanghebbende. De MSU’s zijn onderverdeeld in vier tranches, waarbij elke tranche is gekoppeld aan een specifiek deel van de performance periode, zijnde een kalenderjaar (de tranche performance periode). De datum (de share vesting date) waarop een onvoorwaardelijk recht op levering van aandelen wordt verkregen (vesting van een tranche), is (onder meer) de datum waarop de TSR wordt vastgesteld, welke vaststelling plaatsvindt in het kalenderjaar dat volgt op de performance periode van de desbetreffende tranche. Derhalve is het uitgangspunt dat ieder jaar een tranche, zijnde 25% van de (voorwaardelijk toegekende) MSU’s, wordt gevest als aan de voorwaarden wordt voldaan. De daadwerkelijke levering van de aandelen vindt plaats zo snel als mogelijk na de share vesting date. In het geval van beëindiging van de dienstbetrekking als gevolg van pensioen worden de toegekende voorwaardelijke MSU’s pro rata herrekend.\n\n2.5.. Met betrekking tot de MSU’s die (voorwaardelijk) zijn toegekend staat in de bij elke toekenning gelijkluidende “Market-leveraged stock unit agreement” (de MSU-overeenkomst), voor zover in hoger beroep van belang, het volgende vermeld:\n\n“Article 2 - TERMS OF AWARD\n\nSection 2.1 MSU Award\n\n(a) As of the date of this Agreement, the Company grants to Employee an Award of 3554 MSUs (the “MSU Award”), representing a right to receive shares of Common Stock in the future in an amount based upon the Total Shareholder Return (as defined below) at the end of each performance period described in Section 2.2, subject to the terms and conditions set forth in this Agreement and the Plan. The MSU Award shall be held on the books and records of the Company (or its designee) for Employee’s MSU account, but shall not represent an equity interest in the Company until such time as actual shares of Common Stock are issued to Employee under this Agreement. The MSU Award shall be earned, vested and paid as set forth in this Agreement. No portion of the MSU Award may be sold, transferred, assigned, pledged or otherwise encumbered by Employee until the MSU Award is earned and the shares are issued.\n\n (…)\n\nSection 2.2 Performance Period\n\n(a) The MSUs shall be ratably divided into four tranches (each, a “Tranche”) and each Tranche shall be associated with a specific performance period which shall commence on January 1 of the year of grant and end on December 31 of that year (First Tranche), the following year (Second Tranche), the next following year (Third Tranche) and the next following year (Fourth Tranche) (each such period, a “Performance Period” and the last day of such period, a “Performance Period End Date”).\n\n(b) Each Tranche of the MSUs is unvested as of the date hereof and, unless earlier forfeited pursuant to the terms of this Agreement, shall be eligible to become vested on the Share Vesting Date with respect to such Tranche. For purposes of this Agreement, “Share Vesting Date” shall mean, with respect to each Tranche, the earlier of (i) the date of the Committee’s certification of the Total Shareholder Return (which shall occur within 60 days after the end of the January following such Tranche’s Performance Period) (the “Certification Date”), or (ii) the date of Termination of Service (A) due to death or Disability or (B) by the Company (or any surviving or successor corporation or parent or subsidiary thereof) without Cause upon or within 24 months following a Change in Control; provided that, notwithstanding the foregoing, in the event any Termination of Service occurs after the Performance Period End Date, but before the Certification Date, with respect to any Tranche, the Share Vesting Date for such Tranche shall be the Certification Date for such Tranche.\n\nSection 2.3 Termination of Employment\n\nSubject to Section 2.4\n\n(…)\n\n(d) If Employee’s employment with the Company or its Subsidiaries terminates as a result of Retirement,\n\n (i) a portion of the MSUs with respect to all Performance Periods ending on or after the date of Termination of Service will remain outstanding and eligible to become vested on and after the date of Termination of Service based on a prorated time-based formula for each applicable Tranche which, with respect to each such Tranche, shall equal (A) the total number of full months between the first day of the Performance Period and the end of month in which the Termination of Service occurs divided by the total number of full months in such Tranche’s Performance Period, multiplied by (B) the number of MSUs of such Tranche; and\n\n (ii) all MSUs that do not otherwise remain outstanding pursuant to Section 2.3(a) or 2.3(d)(i) shall be automatically and immediately forfeited by Employee for no consideration as of Employee’s Termination of Service.\n\nFor the avoidance of doubt, any MSUs that remain outstanding pursuant to this Section 2.3(d) will be eligible to vest thereafter based on Total Shareholder Return as set forth in Section 3.2(b).\n\nSection 3.1 Issuance of Common Stock\n\nSubject to Section 3.3 below, the Company shall issue the number of shares of Common Stock set forth in Section 3.2 via electronic transfer to Employee’s brokerage account (less any shares traded to cover, or associated with net settlement of, withholding taxes) as soon as practical following the Share Vesting Date, but in no event later than sixty (60) days after the applicable Share Vesting Date; (…)\n\nSection 3.2 Vesting \u002F Number of Shares\n\n(…)\n\n(b) In the event of any Share Vesting Date (other than as described in Section 3.2(a)) (including, without limitation, any Share Vesting Date with respect to MSUs described in Section 2.3(a)):\n\n (i) if the Total Shareholder Return for the applicable Tranche’s Performance Period is equal to or greater than 0.70, then (A) the MSUs of such Tranche, unless previously forfeited, shall become vested and (B) subject to Section 3.3, the number of shares of Common Stock that shall be issued following such Share Vesting Date will equal the product of (x) the number of vested MSUs of the applicable Tranche and (y) the lesser of (I) such Total Shareholder Return and (II) two (2).\n\n (ii) if the Total Shareholder Return for the applicable Tranche’s Performance Period is less than 0.70, then no MSUs of such Tranche shall become vested and such MSUs shall be automatically and immediately forfeited by Employee for no consideration as of such Share Vesting Date.\n\n(c) For purposes of this Agreement, “Total Shareholder Return” shall equal, with respect to a Performance Period, (i) the sum of (A) the average closing share price of Common Stock for all trading days of the January following the respective Performance Period End Date and (B) the aggregate amount of all dividends paid (on a per share basis) during such Performance Period, divided by (ii) the average closing share price of Common Stock for all trading days in January of the year of grant.”\n\n2.6.. \n\nAan [A] zijn op 27 februari 2014 en 26 februari 2015 voorwaardelijk LTI’s toegekend. De LTI’s vertegenwoordigen een recht om in de toekomst geldbetalingen van belanghebbende te ontvangen en hebben een looptijdregeling van maximaal drie jaren (de performance periode). De omvang van de betalingen is (onder meer) afhankelijk van de uitkomst van de TSR van belanghebbende in de performance periode. De datum (de share vesting date) waarop een onvoorwaardelijk recht op de geldbetalingen wordt verkregen (vesting van de LTI’s), is (onder meer) de datum waarop de TSR wordt vastgesteld.\n\nHet uit te betalen bedrag wordt bepaald op basis van het aantal geveste LTI’s vermenigvuldigd met de marktwaarde van een aandeel van belanghebbende op de datum waarop LTI’s zijn gevest. De daadwerkelijke uitbetaling vindt plaats zo snel als mogelijk na de share vesting date. In het geval van beëindiging van de dienstbetrekking als gevolg van (vervroegd) pensioen worden de toegekende voorwaardelijke LTI’s pro rata herrekend.\n\n2.7.. Met betrekking tot de LTI’s die (voorwaardelijk) zijn toegekend staat in de, bij elke toekenning gelijkluidende, “Performance long-term incentive unit agreement” (de LTI-overeenkomst) die op 16 maart 2015 is ondertekend door belanghebbende en [A] , voor zover in hoger beroep van belang, het volgende vermeld:\n\n“2.1 Performance LTI Units\n\nAs of the date of this Agreement, the Company grants to Employee an award of 2437 Performance LTI Units, assuming that the Company’s results at the end of the performance period described in Section 2.2 produce 100% of the target performance and subject to the terms and conditions set forth in this Agreement and the Plan. The Performance LTI Units shall be held on the books and records of the Company (or its designee) for Employee’s account. The Performance LTI Units shall be earned, vested and paid as set forth in this Agreement.\n\n2.2. \n\nPerformance Period\n\n(a) No portion of the Performance LTI Units may be sold, transferred, assigned, pledged or otherwise encumbered by Employee until the Performance LTI Units are earned and settled. Employee must be employed by the Company from the date of this Agreement until the date that the Performance LTI Units are earned and vested, except as provided in Sections 2.3 through 2.5. The “Performance Period” shall begin on the first day of the fiscal year in which these Performance LTI Units were granted and end on the last day of the fiscal year in which the second anniversary of the date of such grant occurs (resulting in a three-year Performance Period). Except as provided in Sections 2.3 and 2.4, after the end of the Performance Period, the specific amount of payment to be issued to Employee under the Performance LTI Units shall be determined based on the Company’s results during the Performance Period compared against the performance goals (“Goals”) approved by the Committee (as modified by any adjustment items approved by the Committee); provided that, notwithstanding anything to the contrary in the Plan or the Goals, if the Total Shareholder Return (as defined below), as determined by the Committee in its sole discretion, is less than 1.00, any payment based on the Goals related to total shareholder return, whether absolute or relative to peer companies, shall in no event exceed the amount achieved based on 100% of target performance. The Goals will be communicated, directly or indirectly, to Employee as soon as reasonably practical following their approval by the Committee. For purposes of this Agreement, “Total Shareholder Return” shall equal (i) the sum of (A) the average closing share price of Common Stock for all trading days of the January following the last day of the Performance Period and (B) the aggregate amount of all dividends paid (on a per share basis) during the Performance Period, divided by (ii) the average closing share price of Common Stock for all trading days in January of the year of grant.\n\n (…)\n\n(c) Subject to Sections 2.3 through 2.5 of this Agreement, if the Performance LTI Units have not been earned by the time of Employee’s Termination of Service, they shall be forfeited by Employee.\n\n(…)\n\n2.5. \n\nRetirement\n\nPerformance LTI Units granted to employees whose employment with the Company is terminated as a result of Retirement may be earned and vested after the end of the Performance Period based on the Company’s actual performance as determined in Section 2.2(a) on a prorated time-based formula starting with the beginning of the Performance Period through the end of the month in which there is Termination of Service, divided by the total number of months in the Performance Period.\n\n(…)\n\n3.1. \n\nSettlement of the Performance LTI Units\n\n(…)\n\n(b) The Company shall make a cash payment to Employee in an amount equal to the product of (i) the aggregate number of vested Performance LTI Units and (ii) the Fair Market Value of a share of the Company’s common stock as of the date of vesting (less withholding taxes) as soon as practical following the vesting of the same, but in no event later than two and one-half (2.5) months after the calendar year in which the Performance LTI Units vest; (…)”\n\n2.8.. Op 24 februari 2017, 22 februari 2018 en 28 februari 2019 zijn aan [A] aandelen geleverd en betalingen gedaan op basis van de MSU-overeenkomsten en LTI-overeenkomsten. Ter zake van die aandelen en betalingen zijn de volgende bedragen verloond:\n\n24 februari 2017\n\n22 februari 2018\n\n26 februari 2019\n\nAantal aandelen MSU’s\n\n3.818\n\n2.065\n\n691\n\nAantal LTI’s\n\n5.647\n\n3.068\n\nTotaal\n\n9.465\n\n5.133\n\n691\n\nWaarde aandelen MSU’s\n\n€ 290.592,82\n\n€ 197.202,41\n\n€ 65.706,02\n\nWaarde betalingen LTI’s\n\n€ 429.801,08\n\n€ 292.986,44\n\nTotaal\n\n€ 720.393,90\n\n€ 490.188,85\n\n€ 65.706,02\n\n2.9.. Belanghebbende heeft ter zake van de beëindiging van de dienstbetrekking van [A] op 1 december 2021 een aangifte loonheffingen (de aangifte) ingediend voor de pseudo-eindheffing excessieve vertrekvergoeding in de zin van artikel 32bb van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB). Als excessief deel van de vergoeding is een bedrag van € 1.592.585 opgegeven en het te betalen bedrag is berekend op € 1.194.438.\n\n2.10.. De Inspecteur heeft naar aanleiding van de ingediende aangifte met dagtekening 22 december 2021 de naheffingsaanslagen 2017, 2018 en 2019 opgelegd, waarbij de Inspecteur is uitgegaan van de volgende loongegevens:\n\n2014\n\n2015\n\n2016\n\n2017\n\n2018\n\n2019\n\nIn Nederland belast\n\nloon\n\n€ 832.900\n\n€ 1.309.465\n\n€ 1.180.938\n\n€ 800.521\n\n€ 490.189\n\n€ 65.706\n\nCorrectie voor opties\n\n(€ 295.719)\n\n(€ 230.195)\n\nTotaal\n\n€ 832.900\n\n€ 1.013.745\n\n€ 950.743\n\n€ 800.521\n\n€ 490.189\n\n€ 65.706\n\nBij het opleggen van de naheffingsaanslagen 2017, 2018 en 2019 is de Inspecteur voorts uitgegaan van de volgende gegevens voor de berekening van de pseudo-eindheffing excessieve vertrekvergoeding in de zin van artikel 32bb Wet LB (pseudo-eindheffing):\n\n2017\n\n2018\n\n2019\n\nLoon 2016 Factor A\n\n€ 1.751.264\n\n€ 2.241.453\n\n€ 2.307.159\n\nPro rata vergelijkingsloon (2014)\n\n€ 347.042\n\n€ 347.042\n\n€ 347.042\n\n€ 1.404.222\n\n€ 1.894.410\n\n€`1.960.116\n\nLoon 2015 Factor B\n\n€ 1.013.745\n\n€ 1.013.745\n\n€ 1.013.745\n\nVergelijkingsloon (2014)\n\n€ 832.900\n\n€ 832.900\n\n€ 832.900\n\n€ 180.845\n\n€ 180.845\n\n€ 180.845\n\nVertrekvergoeding\n\n€ 1.585.067\n\n€ 2.075.255\n\n€ 2.140.961\n\nVergelijkingsloon (2014)\n\n€ 832.900\n\n€ 832.900\n\n€ 832.900\n\nExcessief deel\n\n€ 752.167\n\n€ 1.242.355\n\n€ 1.308.061\n\nAf: reeds belast\n\n€ 752.167\n\n€ 1.242.355\n\n€ 490.188\n\n€ 65.706\n\nPseudo-eindheffing 75%\n\n€ 564.125\n\n€ 367.641\n\n€ 49.279\n\n2.11.. Tegen de naheffingsaanslagen 2017, 2018 en 2019 en de beschikkingen belastingrente 2017, 2018 en 2019 heeft belanghebbende op 1 februari 2022 bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar van 31 oktober 2023 heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de naheffingsaanslagen 2016, 2018 en 2019 ongegrond verklaard en de beschikkingen belastingrente 2017, 2018 en 2019 verminderd met respectievelijk € 2.194, € 1.430 en € 192 vanwege schending van het evenredigheids- en zorgvuldigheidsbeginsel.\n\nOordeel van de Rechtbank\n\n3. De Rechtbank heeft geoordeeld, voor zover in hoger beroep van belang, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:\n\n“11. Op grond van artikel 32bb, zesde lid, van de Wet LB zijn voordelen uit aandelenoptierechten die zijn toegekend voor jaar t-1 uitgezonderd van de grondslag voor de pseudo-eindheffing. Voor de toepassing van voormeld artikel hoeft geen onderscheid te worden gemaakt tussen voorwaardelijk en onvoorwaardelijk toegekende aandelenoptierechten.[3]\n\nJaar van heffing\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat eiseres in dit geval de uit de RSU’s genoten aandelen en bonussen in de jaren 2017 tot en met 2019 heeft verloond. Eiseres heeft zich evenwel later op het standpunt gesteld dat deze voordelen niet in 2017 tot en met 2019 zijn genoten, maar al in 2016. Zij heeft daarbij verwezen naar de VSO. Volgens haar is in de VSO afgesproken dat eiseres de eis dat [de heer [A] ] ten tijde van de levering van de aandelen nog in dienstbetrekking zou zijn, heeft laten vallen, zodat het recht op de levering van aandelen onvoorwaardelijk is geworden op 31 mei 2016. De verwijzing naar de VSO kan eiseres niet baten, omdat in de VSO namelijk helemaal niets over de RSU’s (MSU’s en\u002Fof LTl’s) is opgenomen. Door eiseres is geen ander bewijs van haar (latere) standpunt ingebracht. Hoewel verweerder in de bezwaarfase aan eiseres nog om (andere) documenten heeft verzocht, waaruit zou kunnen blijken hoe zij bij het einde van de dienstbetrekking van [de heer [A] ] met de RSU’s is omgegaan, heeft eiseres te kennen gegeven dat dergelijke documenten niet beschikbaar zijn.\n\n13. Nu er geen andere documentatie voorhanden is, moet - naar verweerder terecht heeft gesteld - voor de bepaling van het fiscaal genietingsmoment gekeken worden naar hetgeen in de desbetreffende MSU’s en LTl’s is bepaald.\n\n(…)\n\n16. De rechtbank maakt uit het vorenstaande op dat de MSU’s een recht vertegenwoordigen om in de toekomst aandelen van eiseres te mogen ontvangen. De daadwerkelijke levering van de aandelen is afhankelijk van het aandeelhoudersrendement dat wordt bepaald volgens de Total Shareholder Return (TSR) van eiseres. De MSU’s hebben een looptijd van maximaal vier jaren, de zogenoemde Performance Period. De MSU’s worden onderverdeeld in vier tranches die elk betrekking hebben op een Performance Period. De startdatum van elke Performance Period is 1 januari van het jaar van toekenning van de MSU’s. Het einde van de Performance Period verschilt per tranche. Bij pensionering worden de voorwaardelijke rechten herrekend. De rechten die zijn toe te rekenen aan de periode waarin [de heer [A] ] in dienst was bij eiseres, komen voor vesting (levering) in aanmerking. De overige voorwaardelijk toegekende rechten komen te vervallen. Op het moment van het einde van de dienstbetrekking kan de hoeveelheid te leveren aandelen in 2017 tot en met 2019 en de hoogte van de betalingen nog niet worden bepaald.\n\n17. De rechtbank maakt verder uit de LTI Awards op dat bij de LTI’s een Performance Period van drie jaar geldt. De startdatum van elke Performance Period is 1 januari van het jaar van toekenning van de LTI’s. De Performance Period eindigt op de laatste dag van het jaar waarin de toekenning van de LTI’s 24 maanden eerder heeft plaatsgevonden. Het werkelijk aantal te vesten LTI’s wordt na afloop van de Performance Period bepaald en is afhankelijk van vooraf geformuleerde resultaatdoelstellingen (onder andere ook de TSR) van eiseres. De geveste LTI’s worden in geld uitbetaald (aantal geveste units x waarde aandeel op vesting datum).\n\n18. Gelet op de inhoud van voormelde MSU en LTI Awards kon op 31 mei 2016 nog niet worden vastgesteld hoeveel aandelen zouden worden gevest of hoeveel geld zou worden uitbetaald. De rechten waren toen dus nog onvoldoende bepaald. Verweerder is dan ook van het juiste genietingsmoment uitgegaan, door aan te sluiten bij het jaar waarin de aandelen en de uitbetalingen uit de RSU’s (daadwerkelijk) zijn gevest (geleverd), respectievelijk gedaan, te weten in 2017, 2018 en 2019. Dit sluit bovendien aan bij de door eiseres voor die jaren gedane verloning van die aandelen en de uitbetalingen.\n\n19. Eiseres heeft voor haar standpunt dat de voordelen moeten worden geacht te zijn genoten in 2016 nog verwezen naar jurisprudentie inzake het genietingsmoment, de bepaalbaarheid en al dan niet loskomen van de dienstbetrekking van toegekende aandelenoptierechten.[4] Voormelde jurisprudentie heeft echter betrekking op aandelenoptierechten en is, naar verweerder terecht heeft gesteld, in dit geval dus niet van toepassing. Immers, niet in geschil is dat de RSU’s geen aandelenoptierechten zijn. Alsdan is artikel 10a van de Wet LB in dit geval niet van toepassing maar dient voor het genietingsmoment bij artikel 13a, eerste lid, van de Wet LB te worden aangesloten.\n\n(…)\n\nConclusie\n\n22. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.\n\n(…)\n\n[3] Vgl. Hoge Raad 23 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2897.\n\n[4] Hoge Raad 19 juni 1968, ECLI:NL:HR:1968:AX5949, Hoge Raad 10 oktober 1984, ECLI:NL:HR:1984:AW8439, gerechtshof ’s-Hertogenbosch 10 juni 2003,\n\nECLI:NL:GHSHE:2003:AH9718, Hoge Raad 30 juni 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2812, Hoge Raad\n\n1 april 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC4952 en Hoge Raad 18 maart 1998, ECLI:NL:1998:ZC6992.”\n\nGeschil in hoger beroep en conclusies van partijen\n\n4.1.. In hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslag 2017 en de beschikking belastingrente 2017 naar de juiste bedragen zijn vastgesteld. Met betrekking tot de naheffingsaanslagen 2018 en 2019 en de beschikkingen belastingrente 2018 en 2019 is in geschil of deze terecht zijn opgelegd. Meer specifiek is in geschil in welk jaar de waarde van de aan [A] geleverde aandelen in het kader van de aan hem verstrekte MSU’s en de geldbetalingen in het kader van de aan [A] verstrekte LTI’s in aanmerking moeten worden genomen voor de berekening van de pseudo-eindheffing in de zin van artikel 32bb Wet LB.\n\n4.2.. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar, tot vermindering van de naheffingsaanslag 2017 tot een bedrag van € 60.096 en tot dienovereenkomstige vermindering van de beschikking belastingrente 2017, alsmede tot vernietiging van de naheffingsaanslagen 2018 en 2019 en de beschikkingen belastingrente 2018 en 2019. Voorts verzoekt belanghebbende om een proceskostenvergoeding in bezwaar, beroep en hoger beroep en om een vergoeding van de betaalde griffierechten.\n\n4.3.. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.\n\nBeoordeling van het hoger beroep\n\nRelevante wettelijke bepalingen\n\n5.1.. In de Wet LB zijn, voor zover in hoger beroep van belang, de volgende bepalingen opgenomen:\n\n“Artikel 13a\n\n 1. Loon wordt beschouwd te zijn genoten op het tijdstip waarop het:\n\na. betaald of verrekend wordt, ter beschikking van de werknemer wordt gesteld of rentedragend wordt, dan wel\n\nb. vorderbaar en tevens inbaar wordt.\n\n(…)\n\nArtikel 32bb\n\n1. In afwijking in zoverre van het overigens bij of krachtens deze wet bepaalde, wordt een door een inhoudingsplichtige aan een werknemer toegekende vertrekvergoeding als bedoeld in het vierde lid voor zover die vergoeding meer bedraagt dan het toetsloon, bedoeld in het derde lid, van de werknemer, aangemerkt als loon dat als een eindheffingsbestanddeel wordt belast naar een tarief van 75%.\n\n2. Dit artikel is niet van toepassing ingeval het toetsloon van de werknemer niet meer bedraagt dan [Hof:wettekst 2016:] € 538.000 [Hof: wettekst 2017: € 540.000; wettekst 2018: € 544.000; wettekst 2019: € 551.000].\n\n3. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder het toetsloon van een werknemer verstaan:\n\na. ingeval de dienstbetrekking is aangevangen vóór of met het begin van het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is beëindigd: het loon dat de werknemer in dat tweede voorafgaande kalenderjaar heeft genoten van de inhoudingsplichtige;\n\n(…)\n\n4. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een door een inhoudingsplichtige aan een werknemer toegekende vertrekvergoeding verstaan de som van het positieve verschil tussen A en het vergelijkingsloon en het positieve verschil tussen B en het vergelijkingsloon, waarbij wordt verstaan onder:\n\nA: het van de inhoudingsplichtige genoten loon in het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is beëindigd alsmede het na dat kalenderjaar van de inhoudingsplichtige genoten loon;\n\nB: het van de inhoudingsplichtige genoten loon in het kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is beëindigd;\n\nVergelijkingsloon:\n\na. ingeval de dienstbetrekking is aangevangen vóór of met het begin van het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is beëindigd: het toetsloon van de werknemer, met dien verstande dat het toetsloon voor de berekening van het verschil met A naar evenredigheid wordt verminderd gerelateerd aan het aantal dagen dat de dienstbetrekking niet meer heeft bestaan in het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is beëindigd;\n\n(…)\n\n6. Het eerste lid is niet van toepassing voor zover de inhoudingsplichtige aannemelijk maakt dat de som van de verschillen, bedoeld in het vierde lid, verband houdt met loon dat de werknemer heeft genoten ter zake van de uitoefening of vervreemding van een aandelenoptierecht als bedoeld in artikel 10a, dat onvoorwaardelijk is toegekend of geworden in een eerder jaar dan het kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking met die werknemer is beëindigd.\n\n7. Voor de toepassing van het eerste lid wordt een vertrekvergoeding beschouwd te zijn toegekend op het tijdstip waarop de dienstbetrekking is beëindigd, of, voor zover de vertrekvergoeding pas daarna als loon wordt genoten, op dat latere tijdstip. Ingeval een vertrekvergoeding ingevolge de eerste volzin wordt beschouwd te zijn toegekend op meer dan een tijdstip, wordt de berekening ingevolge het vierde lid op elk tijdstip toegepast onder verrekening van hetgeen eerder is berekend.\n\n(…)”\n\n5.2.1.. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de waarde van de RSU’s ten onrechte tot de grondslag van de berekening van de excessieve vertrekvergoeding in de jaren 2017 tot en met 2019 is gerekend. Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof verklaard dat zij de (voorwaardelijk toegekende) RSU’s beschouwt als loon in de vorm van een recht op aandelen dan wel geldbetalingen. Naar de mening van belanghebbende is het genietingstijdstip in de Wet LB voor loon in de vorm van een recht het moment waarop het recht onvoorwaardelijk is geworden en zij heeft daarbij verwezen naar de arresten van de Hoge Raad van 19 juni 1968, ECLI:NL:HR:1968:AX5949, 21 december, ECLI:NL:HR:1998:ZC3956, 18 maart 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC6992 en naar Kamerstukken II 1997\u002F98, 25 721, nr. 5, p. 4 (aanpassing heffing ter zake van aandelenoptierechten). Dat is – naar belanghebbende stelt – in dit geval het moment waarop de dienstbetrekking van [A] is beëindigd, zijnde 31 mei 2016. De RSU’s zijn dan immers onvoorwaardelijk geworden en de waarde ervan voldoende bepaalbaar en ze dienen daarom niet in 2017 tot en met 2019 tot de grondslag van de berekening van de excessieve vertrekvergoeding in de zin van artikel 32bb Wet LB te worden gerekend, maar in 2016, aldus nog steeds belanghebbende.\n\n5.2.2.. Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst belanghebbende naar het arrest van de Hoge Raad van 10 oktober 1984, ECLI:NL:HR:1984:AW8439 en stelt zij dat na beëindiging van de dienstbetrekking rechten (de RSU’s) resteren die louter aan een tijdsbepaling onderhevig zijn en daarmee onvoorwaardelijk zijn geworden. Dat de RSU’s afhankelijk zijn van onder meer de TSR en pas in 2017, 2018 en 2019 vesten en worden geleverd doet daaraan volgens belanghebbende niet af. De RSU’s hebben na uitdiensttreding de loonsfeer verlaten. Belanghebbende stelt verder onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 1 april 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC4952, dat de RSU’s op 31 mei 2016 ook inhoudelijk volledig zijn bepaald. De waarde van de RSU’s dient daarom in 2016 als genoten loon in aanmerking te worden genomen voor de berekening van de pseudo-eindheffing, aldus belanghebbende.\n\n5.3.1.. De Inspecteur betwist de stelling van de belanghebbende dat de RSU’s op 31 mei 2016 onvoorwaardelijk zijn geworden. Uit de MSU- en LTI-overeenkomsten volgt namelijk dat vesting van de nog openstaande RSU’s plaatsvindt op de share vesting date, welke datum voor alle nog openstaande tranches dan wel performance perioden na 31 mei 2016 zijn gelegen. Bovendien bestaat een mogelijkheid dat in het geheel geen aandelen aan [A] worden toegekend of uitbetalingen plaatsvinden, aangezien dit afhankelijk is van de hoogte van de TSR of de resultaatdoelstellingen van belanghebbende. Op het moment van het einde van de dienstbetrekking kan daarom nog niet worden bepaald of en hoeveel aandelen zullen worden geleverd en of en hoe hoog de geldbetalingen zullen zijn, zodat de op 24 februari 2017, 22 februari 2018 en 28 februari 2019 verkregen voordelen niet als genoten loon in 2016 kunnen worden aangemerkt.\n\n5.3.2.. Daarnaast is de Inspecteur van mening dat de door belanghebbende aangehaalde jurisprudentie (zie 5.2.1. en 5.2.2), welke jurisprudentie betrekking heeft op aandelenoptierechten, niet van toepassing is in de onderhavige zaak. De RSU’s kwalificeren namelijk niet als aandelenoptierechten en om die reden dient voor het bepalen van het genietingstijdstip van de levering van de aandelen dan wel geldbetalingen te worden aangesloten bij het genietingsmoment van artikel 13a, lid 1, Wet LB.\n\n5.4.. Tussen partijen is niet in geschil dat de RSU’s niet als aandelenoptierechten in de zin van artikel 10a Wet LB kwalificeren. Hierdoor is de bepaling, die het genietingstijdstip van de voordelen uit aandelenoptierechten regelt, niet van toepassing op de onderhavige RSU’s. Wel kwalificeren de toegekende RSU’s, zoals belanghebbende stelt, als loon in de vorm van een recht (op aandelen dan wel geldbetalingen). Zo staat in section 2.1, onderdeel a, van de MSU-overeenkomst dat de MSU’s een recht vertegenwoordigen om in de toekomst aandelen in belanghebbende te ontvangen nadat de MSU’s onvoorwaardelijk zijn geworden (gevest) en heeft belanghebbende ingevolge artikel 3.1, onderdeel b, van de LTI-overeenkomst recht op geldbetalingen nadat de LTI’s onvoorwaardelijk zijn geworden (gevest).\n\n5.5.. Hoewel de door belanghebbende aangehaalde jurisprudentie betrekking heeft op (aandelen)optierechten, is het Hof van oordeel dat de desbetreffende jurisprudentie nog steeds van belang kan zijn voor andere rechten op loon, zoals de onderhavige RSU’s. Dat betekent dat voor de vraag wat in de Wet LB het genietingstijdstip is van de voordelen uit de RSU’s, onder meer relevant is wanneer de RSU’s onvoorwaardelijk zijn geworden. Het Hof dient derhalve allereerst te beoordelen of de (openstaande tranches van) de RSU’s onvoorwaardelijk zijn geworden op het moment van uitdiensttreding van [A] op 31 mei 2016.\n\n5.6.. Het Hof merkt op dat in de vaststellingsovereenkomst niets is vastgesteld over de afwikkeling van de MSU’s dan wel de LTI’s bij de uitdiensttreding van [A] op 31 mei 2016. Met de Rechtbank is het Hof van oordeel dat de inhoud van de MSU- en LTI-overeenkomsten dan bepalend zijn voor de beantwoording van de vraag op welk moment de toegekende RSU’s onvoorwaardelijk zijn geworden (gevest).\n\n5.7.1.. Uit de MSU-overeenkomsten volgt dat van de aan [A] toegekende MSU’s gedurende de (totale) performance periode van vier jaren na afloop van elk jaar een tranche van 25% zal worden gevest op basis van een performance periode van één kalenderjaar. Op grond van section 2.3, onderdeel d, onder ii, van de MSU-overeenkomst (zie 2.5) wordt bij de beëindiging van een dienstverband als gevolg van pensionering, het aantal MSU’s dat in aanmerking komt om te worden gevest op of na de datum van beëindiging van het dienstverband, herrekend voor elke tranche. Het aantal (mogelijk) te vesten MSU’s wordt voor elke tranche dus opnieuw bepaald, waarbij (slechts) de MSU’s die zijn toe te rekenen aan de periode waarin [A] in dienst was bij belanghebbende, op grond van voornoemd artikel voor vesting in aanmerking komen. Ingevolge section 2.2, onderdeel b, van de MSU-overeenkomst worden de (nog openstaande tranches) MSU’s gevest op de share vesting date, welke datum uiterlijk 60 dagen na het einde van de maand januari volgend op het kalenderjaar van een tranche is gelegen. Dat betekent dat de share vesting date voor alle reeds lopende tranches op het moment van de uitdiensttreding, na 31 mei 2016 zijn gelegen. Op grond van het voorgaande stelt het Hof vast dat op de datum van uitdiensttreding (31 mei 2016) nog niet alle aan [A] toegekende MSU’s zijn gevest.\n\n5.7.2.. Uit de MSU-overeenkomst volgt voorts dat de hoeveelheid daadwerkelijk toe kennen aandelen afhankelijk is van de TSR van belanghebbende voor de tranche performance periode en dat in het geval de TSR lager is dan een bepaalde factor, de openstaande MSU’s (definitief) komen te vervallen (volgens section 3.2, onderdeel b, onder i en ii, van de MSU-overeenkomst, zie 2.5). Verder volgt uit de MSU-overeenkomst dat de TSR afhankelijk is van meerdere op het moment van uitdiensttreding nog onzekere variabelen, namelijk de gemiddelde aandelenslotkoers over alle handelsdagen in de maand januari na het einde van een tranche en het totale bedrag van alle dividenden (per aandeel) die gedurende de tranche performance periode zijn uitgekeerd (zie section 3.2, onderdeel c, van de MSU-overeenkomst). Het voorgaande betekent dat de TSR voor de toekomstige tranche performance periodes op het moment van uitdiensttreding nog niet bekend was op 31 mei 2016.\n\n5.8.. Met betrekking tot de LTI’s geldt dat deze bij de beëindiging van een dienstverband als gevolg van pensionering, na aan het einde van een performance periode kunnen worden gevest, afhankelijk van de daadwerkelijke resultaten van belanghebbende. Net als bij de MSU’s worden de LTI’s daarbij herrekend, zodat het aantal LTI’s dat is toe te rekenen aan de periode waarin [A] in dienst was bij belanghebbende voor vesting in aanmerking komt (artikel 2.5 van de LTI-overeenkomst, zie 2.7). Dat betekent dat (een deel van de) LTI’s kunnen worden gevest na 31 mei 2016 met betrekking tot de op die datum nog lopende performance periodes. Voorts geldt dat de hoogte van de geldbetalingen afhankelijk is van het totaal aantal geveste LTI’s en de marktwaarde van een aandeel in het kapitaal van belanghebbende op het moment dat de LTI’s worden gevest (artikel 3.1, onderdeel b, van de LTI-overeenkomst).\n\n5.9.. Uit het voorgaande volgt dat op 31 mei 2016 niet alle (na herrekening) nog resterende (tranches van) MSU’s dan wel LTI’s zijn gevest, aangezien op 31 mei 2016 niet alle tranche performance periodes respectievelijk performance periodes waren voltooid. Daarnaast geldt dat het aantal daadwerkelijk te leveren aandelen afhankelijk is van de TSR van belanghebbende, die weer afhankelijk is van diverse variabelen die met betrekking tot de nog resterende (tranches van) RSU’s op 31 mei 2016 nog niet vaststonden. Afhankelijk van de hoogte van de TSR, is het ook mogelijk dat openstaande MSU’s in het geheel komen te vervallen en dat [A] dus geen aandelen geleverd krijgt met betrekking tot die openstaande MSU’s. Ten aanzien van de LTI’s geldt dat, naast het aantal (mogelijk) te vesten LTI’s, ook de omvang van de uiteindelijke geldbetalingen op de datum van uitdiensttreding nog niet bepaalbaar was, aangezien de relevante performance periodes nog niet waren afgerond en daardoor niet bekend was of de resultaatdoelstellingen aan het einde van de performance periode waren gehaald. Evenmin kon op 31 mei 2016 de marktwaarde van een aandeel in het kapitaal van belanghebbende worden bepaald, gelet op de omstandigheid dat het moment van vesten van de LTI’s van de (nog lopende) performance periodes ook na 31 mei 2016 is gelegen (zie 5.8).\n\n5.10.. Anders dan belanghebbende stelt, beschikte [A] op 31 mei 2016 dus niet over rechten die louter onderhevig waren aan een tijdsbepaling en voorts waren de RSU’s niet inhoudelijk volledig bepaald. Dat [A] na zijn uitdiensttreding geen invloed meer kon uitoefenen op de TSR, doet hier - anders dan belanghebbende betoogt - niet aan af.\n\n5.11.. Overigens merkt het Hof op dat belanghebbende de waarde van de RSU’s reeds als (regulier) loon uit dienstbetrekking in aanmerking heeft genomen in de jaren 2017 tot en met 2019. Het is het Hof dan niet duidelijk waarom voor de berekening van de pseudo-eindheffing in de zin van artikel 32bb van een ander genietingsmoment zou moeten worden uitgegaan.\n\n5.12.. Op grond van al het voorgaande komt het Hof tot het oordeel dat [A] op 31 mei 2016 geen onvoorwaardelijk recht op de levering van aandelen dan wel voldoening van geldbedragen heeft verkregen. Gelet op hetgeen in artikel 13a, lid 1, Wet LB is bepaald en hoe dat in de rechtspraak van de Hoge Raad is uitgelegd, moet het moment waarop de RSU’s zijn gevest worden aangemerkt als het genietingstijdstip. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende bevestigd dat de daadwerkelijke levering van aandelen en uitbetaling van geld op of rond het moment van vesten heeft plaatsgevonden, hetgeen tot de conclusie leidt dat de desbetreffende voordelen door [A] zijn genoten in de jaren 2017 tot en met 2019. De Inspecteur heeft de waarde van de aandelen en de geldbetalingen derhalve terecht tot de grondslag in voornoemde jaren gerekend voor de berekening van de pseudo-eindheffing in de zin van artikel 32bb Wet LB. Tussen partijen is alsdan de berekening van de naheffingsaanslagen niet in geschil. Het voorgaande brengt mee dat de naheffingsaanslag 2017 naar het juiste bedrag is berekend en de naheffingsaanslagen 2018 en 2019 terecht zijn opgelegd.\n\nBelastingrente\n\n5.13.. Belanghebbende heeft in hoger beroep geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Dat in strijd met de wet belastingrente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.\n\nSlotsom\n\n5.14.. Het hoger beroep is ongegrond.\n\nProceskosten\n\nEr bestaat geen aanleiding voor toekenning van een proceskostenvergoeding\n\nBeslissing\n\nHet Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.\n\nDeze uitspraak is vastgesteld door T.A. de Hek, C. Maas en P.C. van den Brink, in tegenwoordigheid van de griffier X. Evers. De griffier is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen.\n\nDe griffier, de voorzitter,\n\nX. Evers T.A. de Hek\n\nDe beslissing is op 27 mei 2026 in het openbaar uitgesproken.\n\nDeze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.\n\nAlle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\n1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;\n\n2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\n3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\n a. - de naam en het adres van de indiener;\n\n b. - de dagtekening;\n\n c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\n d. - de gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:1808","2026-05-29T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:46.032Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":57,"fullText":58,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":60,"parsedAt":51,"updatedAt":61},"741","ECLI:NL:RBDHA:2026:3577","ecli-nl-rbdha-2026-3577","2026-02-09T00:00:00.000Z","Rechtbank DEN HAAG\n\nTeam belastingrecht\n\nzaaknummer: SGR 24\u002F5228\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 9 februari 2026 in de zaak tussen\n\nGemeente Zoetermeer, gevestigd te Zoetermeer, eiseres,\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nVerweerder heeft aan eiseres een beschikking Loonheffingen gedifferentieerd premiepercentage Werkhervattingskas (Whk) voor het jaar 2021 gegeven (de beschikking).\n\nVerweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 3 april 2024 het bezwaar van eiseres tegen de beschikking ongegrond verklaard.\n\nEiseres heeft daartegen beroep ingesteld.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nOp 11 april 2025 is de zaak ter zitting behandeld door de enkelvoudige kamer van de rechtbank. Namens eiseres zijn mr. M.R. Hoendermis en C.A.P. Pouwer verschenen. Namens verweerder zijn [naam 1] , mr. [naam 2] , drs. [naam 3] en mr. [naam 4] verschenen.\n\nHet onderzoek is ter zitting gesloten.\n\nBij bericht van 14 mei 2025 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.\n\nVerweerder heeft vóór de zitting van de meervoudige kamer nadere stukken ingediend.\n\nHet onderzoek ter zitting voor de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2025.\n\nNamens eiseres zijn mr. M.R. Hoendermis en C.A.P. Pouwer verschenen. Namens verweerder zijn [naam 1] , drs. [naam 3] , mr. [naam 4] en mr. [naam 5] verschenen.\n\nHet onderzoek is ter zitting gesloten.\n\nOverwegingen\n\nFeiten\n\n1. Eiseres is een gemeente. Zij is voor de werknemersverzekeringen als werkgever ingedeeld in sector 064 (Overheid, provincies, gemeenten en waterschappen). Voor toepassing van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) is zij een grote werkgever.\n\n2. Eiseres is verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wet sociale Werkvoorzieningen (Wsw) in haar regio.\n\nTot 2021 gaf eiseres uitvoering aan die verantwoordelijkheid in het verband van een Gemeenschappelijke Regeling, met twee andere gemeenten, de Gemeenschappelijke Regeling Dienst Sociale Werken (DSW). De werknemers op grond van de Wsw (Wsw’ers) waren in dienst van DSW.\n\nEind 2020 vond een reorganisatie plaats. Daarbij is DSW ontmanteld en zijn de Wsw’ers in dienst gekomen van de drie gemeentes, waaronder eiseres. Voorafgaand aan de reorganisatie had eiseres geen Wsw’ers in dienst.\n\n3. Voor het jaar 2020 was de gedifferentieerde premie Whk van eiseres vastgesteld op 0,93%, bestaande uit een WGA-component van 1,13% en een ZW-component van 0,26%.\n\n4. Voor het onderhavige jaar, 2021, heeft verweerder de gedifferentieerde premie Whk van eiseres vastgesteld op 1,19%. Die percentage is opgebouwd uit een WGA-component van 0,86% en een ZW-component van 0,33%. De WGA-component van de premie is het gemiddelde premiepercentage van 0,78% met een opslag van 0,10%.\n\n5. De premie van 1,19% is van toepassing op het premieloon van de reguliere werknemers van eiseres, dat wil zeggen de niet-Wsw’ers. Over het premieloon van de Wsw’ers is vervangende premie verschuldigd van 1,11%, opgebouwd uit de WGA-component van 0,78% en de ZW-component van 0,33%.\n\n6. Verweerder heeft op verzoek van de rechtbank door het UWV laten berekenen wat de gedifferentieerde premie Whk van eiseres voor het onderhavige jaar is als niet de uitkeringslasten van Wsw’ers in aanmerking worden genomen. De gedifferentieerde premie is dan 0,92%. De WGA-component is 0,61% en de ZW-component 0,31%. De WGA-component is opgebouwd uit de gemiddelde premie van 0,78% en een korting van 0,17%.\n\nGeschil\n\n7. In geschil is of het gedifferentieerde premiepercentage Whk voor het jaar 2021 naar het juiste percentage is vastgesteld.\n\n8. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de premie naar een te hoog percentage is vastgesteld, doordat verweerder ten onrechte bij de berekening daarvan ook de uitkeringslasten van Wsw’ers in aanmerking heeft genomen.\n\n9. Het standpunt van verweerder is dat hij de uitkeringslasten van Wsw’ers terecht bij de bepaling van het premiepercentage in aanmerking heeft genomen en dat dit percentage op het juiste bedrag is vastgesteld.\n\nBeoordeling van het geschil\n\n10. De voor deze zaak relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage hierbij, die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak. De voor het geschil belangrijkste bepalingen laten zich samenvatten als volgt.\n\nArtikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) regelt de gedifferentieerde premie Whk. De premie bestaat uit twee componenten: de gemiddelde premie enerzijds en de opslag dan wel korting anderzijds. De gemiddelde premie is een voor alle takken van bedrijf en beroep gelijk percentage (artikel 38, tweede lid, Wfsv). De opslag\u002Fkorting wordt op verschillende manieren vastgesteld voor kleine, middelgrote en grote werkgevers (artikel 38, derde lid, Wfsv).\n\nOp grond van artikel 38a van de Wfsv is over sociale-verzekeringsuitkeringen, over toeslagen en over het loon uit een dienstbetrekking op grond van de Wsw als gedifferentieerde premie een vervangende premie verschuldigd.\n\nDe manier waarop de gemiddelde premie en de opslag\u002Fkorting worden berekend, is krachtens delegatie geregeld in het Besluit Wet financiering sociale verzekeringen (het Besluit).\n\nDe gemiddelde premie wordt op de voet van artikel 2.8 van het Besluit berekend door een aan het loon evenredige omslag van het totaal van de WGA- en ZW-uitkeringen die ten laste komen van de werkhervattingskas.\n\nOp grond van artikel 2.9 van het Besluit is de vervangende premie van artikel 38a Wfsv gelijk aan de gemiddelde premie.\n\nVoor wat betreft de opslag\u002Fkorting hangt de berekeningswijze ervan af of de werkgever klein, middelgroot of groot is (artikelen 2.6, 2.11 en 2.13 van het Besluit). Voor kleine werkgevers geldt per sector een uniforme opslag\u002Fkorting die wordt bepaald op basis van de uitkeringslasten binnen de desbetreffende sector. Voor grote werkgevers is de opslag\u002Fkorting een functie van de aan de individuele werkgever toe te rekenen WGA- en ZW-lasten, dat wil zeggen de uitkeringen waarop recht is ontstaan ten tijde van het dienstverband met de desbetreffende werkgever. Voor middelgrote ondernemingen is de opslag\u002Fkorting een functie van de sectorale opslag\u002Fkorting en de individueel bepaalde opslag\u002Fkorting.\n\n11. Over het loon van reguliere werknemers is derhalve een premie verschuldigd die in hoogte afhankelijk van toerekenbare uitkeringslasten is, terwijl over door het UWV betaalde uitkeringen en over het loon van Wsw’ers een uniforme premie wordt geheven. De kern van het geschil is of bij de berekening van de gedifferentieerde premie die over het loon van reguliere werknemers verschuldigd is, ook de uitkeringslasten van Wsw’ers in aanmerking moeten worden genomen. De rechtbank overweegt daaromtrent als volgt.\n\n12. Zoals volgt uit artikel 38a van de Wfsv heeft de wetgever niet gewild dat sectorale of aan individuele werkgevers toerekenbare uitkeringslasten in aanmerking worden genomen bij de bepaling van de over sociale-verzekeringsuitkeringen en het loon van Wsw’ers verschuldigde premie.\n\n13. Waarom de wetgever dat niet wilde, is bij de totstandkoming van artikel 38a van de Wfsv niet toegelicht.\n\nWel kan voor de overwegingen hiertoe van de wetgever aanwijzing worden gevonden in het doel dat hij met de premiedifferentiatie voor ogen had. Hij heeft daarmee willen voorzien in een financiële prikkel voor sectoren en individuele werkgevers tot het nemen van maatregelen om het risico op arbeidsongeschiktheid terug te dringen en zich voor re-integratie in te spannen.Een dergelijke prikkel is bij het UWV niet zinvol, aangezien het geen invloed heeft op het arbeidsongeschiktheids- respectievelijk ziekterisico van degenen die de door haar verstrekte uitkeringen ontvangen. Dat geldt tot op grote hoogte ook voor werkgevers van Wsw’ers. Deze groep werknemers wordt immers gevormd door personen die ten gevolge van lichamelijke, verstandelijke of psychische beperkingen niet in het reguliere arbeidsproces inzetbaar zijn en die daarmee verband houdende risico’s van uitval hebben waar de werkgever geen of maar beperkt invloed op heeft.\n\nAan het doel dat met premiedifferentiatie wordt nagestreefd kan aldus worden ontleend dat uitkeringsgerechtigden en Wsw’ers buiten het systeem daarvan zijn geplaatst om de reden dat het UWV en de werkgevers van Wsw’ers geen, althans niet in betekenisvolle mate invloed hebben op het uitvalrisico.\n\n14. Als de Wsw-uitkeringslasten worden betrokken in het bepalen van de opslag\u002Fkorting in het premiepercentage dat van toepassing is over het loon van reguliere werknemers, dan wordt toch – maar indirect – een premieopslag ter zake van de uitval van Wsw’ers aan hun (oud-)werkgevers in rekening gebracht. Dat gebeurt dan bovendien in een mate die afhangt van een grootheid die met het doel van de premiedifferentiatie niet van doen heeft; te weten de verhouding tussen het aantal reguliere werknemers en Wsw’ers. Dit is als volgt in te zien.\n\nIn het hypothetische geval dat een werkgever alleen Wsw’ers in dienst heeft, zijn de Wsw-uitkeringslasten niet van invloed: dan is immers alleen vervangende premie verschuldigd. Zijn er daarnaast een paar reguliere werknemers in dienst, dan werken de Wsw-uitkeringslasten zeer sterk door in de opslag\u002Fkorting van artikel 38 Wfsv. Artikel 6, vierde lid, van het Besluit maximeert evenwel de hoogte van de opslag. Het effect op de totale premiesom is daardoor verhoudingsgewijs beperkt. Anders wordt het naar mate het relatieve aantal reguliere werknemers stijgt: het mitigerende effect van de maximering van artikel 6, vierde lid, van het Besluit daalt dan tot nihil.\n\nDe cijfers van het onderhavige geval illustreren hoezeer de uitkeringslasten van oud-Wsw’ers bij een relatief groot aantal reguliere werknemers van invloed zijn op de totale premiesom: naar eiseres onweersproken heeft gesteld, is de premiesom over het loon van haar reguliere werknemers door de reorganisatie gestegen met ongeveer € 200.000 per jaar.\n\n15. Een dergelijke doorwerking van Wsw-uitkeringslasten deed zich tot medio 2018 – zie navolgend - effectief niet voor.\n\nDe Wet sociale werkvoorziening van 1969legde gemeenten op om ingezetenen met een Wsw-indicatie een arbeidsovereenkomst aan te bieden. Deze verplichting is met de Participatiewetper 1 januari 2015 vervallen. Daarmee is alleen een einde gemaakt aan de instroom; bestaande dienstbetrekkingen zijn blijven doorlopen.\n\nOm aan hun verplichting uit hoofde van de Wet sociale werkvoorziening te voldoen, werden door de gemeentes sociale-werkvoorzieningsbedrijven opgericht. Veelal deden zij dat in het verband van een Gemeenschappelijke Regeling. Deze is dan de werkgever van de Wsw’ers; voor zover ook reguliere werknemers in dienst zijn, is het aantal verhoudingsgewijs gering zodat de doorwerking van Wsw-uitkeringslasten op de totale premiesom verhoudingsgewijs (zeer) beperkt is.\n\nWas de gemeente zelf de werkgever, dan werd hetzelfde bereikt door gesplitste sectorindeling. Die mogelijkheid is echter per 29 juni 2018 voor nieuwe aanvragen vervallen, en per 1 januari 2020 ook voor bestaande gevallen. Dat was niet ingegeven door een reden die met de thans voorliggende materie van doen heeft, maar door overwegingen van uitvoerbaarheid.\n\n16. Verweerder betoogt dat in het systematiek van de wet besloten ligt dat Wsw-uitkeringslasten in aanmerking komen bij de vaststelling van de opslag\u002Fkorting van artikel 38 Wfsv. Hij heeft daartoe naar voren gebracht:\n\n“In de artikelen 117a en 117b van de Wfsv is geregeld wat de middelen en uitgaven van de Werkhervattingskas zijn. Artikel 117a bepaalt dat de gedifferentieerde premie Whk van artikel 38 Wfsv en de vervangende premie van artikel 38a Wfsv ten gunste komen van de werkhervattingskas. Artikel 117b bepaalt dat (onder andere) door UWV betaalde WGA-uitkeringen ten laste van de Werkhervattingskas komen. In artikel 117b Wfsv, derde lid, onder a t\u002Fm l, zijn 12 uitzonderingen genoemd van arbeidsongeschiktheidslasten die niet ten laste komen van de Werkhervattingskas en daarmee niet worden meegenomen bij de vaststelling van de gedifferentieerde premie Whk. Onder deze uitzonderingen zijn niet de uitkeringen begrepen die worden betaald aan ex-werknemers die loon uit dienstbetrekking op grond van de Wsw ontvingen. Deze uitkeringslasten moeten volgens de wettelijke systematiek dan ook niet worden uitgezonderd bij de vaststelling van de gedifferentieerde premie Whk.”\n\nKrachtens artikel 117a, aanhef en onder a, Wfsv komen de premies van de artikelen 38 en 38a Wfsv ten gunste van de werkhervattingskas. Verder wordt de werkhervattingskas op voet van datzelfde artikel onder c jo. artikel 118 Wfsv gevoed door overheveling van gelden uit het arbeidsongeschiktheidsfonds.\n\nHet gros van de WGA- en ZW-uitkeringen komt op grond van artikel 117b, eerste lid, onderdelen a en b, Wfsv ten laste van de Werkhervattingskas. Een 11-tal specifieke WGA- en ZW-uitkeringen, genoemd in het derde lid, wordt rechtstreeks uit het arbeidsongeschiktheidsfonds bekostigd.\n\nDe uitkeringen van het derde lid van artikel 117b Wfsv worden inderdaad, zoals verweerder stelt, niet meegenomen bij de vaststelling van de gedifferentieerde premie Whk (dus ook niet bij de berekening van de gemiddelde premie). De specifieke uitkeringen van het derde lid van artikel 117b Wfsv aan Wsw’ersworden dus niet meegenomen bij de bepaling van de gemiddelde premie en de opslag\u002Fkorting. Verreweg de meeste WGA- en ZW-uitkeringen aan Wsw’ers komen (wel) ten laste van de kas en worden dan ook (wel) in aanmerking genomen bij de bepaling van de premie die ten gunste van de kas komt. De vraag is nu: bij welke van de twee premies die in artikel 117a Wfsv worden genoemd? Op de voet van die bepaling komen immers zowel de premie van artikel 38 Wfsv als die van artikel 38a Wfsv ten gunste van de kas. De voorliggende vraag is of uitkeringen aan Wsw’ers alleen moeten worden meegenomen bij het bepalen van de gemiddelde premie (die van artikel 38aWfsv), dan wel tevens bij de berekening van de opslag (die samen met de gemiddelde premie de premie van artikel 38 vormt). Anders dan verweerder betoogt, is het antwoord op die vraag niet te vinden in het gegeven dat het gros van de Wsw-lasten niet onder de uitzonderingen van het derde lid van artikel 117b Wfsv zijn opgenomen: dat is nu juist, waardoor de vraag wordt opgeroepen. Het betoog van verweerder gaat dan ook niet op.\n\n17. Voorts wijst verweerder er op dat het Besluit bepaalt dat de Wsw-uitkeringslasten voor de bepaling van de premie van artikel 38 Wfsv in aanmerking moeten worden genomen.\n\nArtikel 2.5, eerste lid, onder g en h, van het Besluit omschrijft de WGA-lasten, respectievelijk WGA-totaallasten als:\n\n“… de lasten van uitkeringen als bedoeld in artikel 117b, eerste lid, onderdeel a, van de Wfsv voor zover deze uitkeringen ten laste komen van de Werkhervattingskas ...”,\n\nen artikel 2.5, eerste lid, onderdeel i, van het Besluit omschrijft ZW-lasten als:\n\n“…lasten van ziekengeld als bedoeld in artikel 117b, eerste lid, onderdeel b, van de Wfsv, voor zover deze uitkeringen ten laste komen van de Werkhervattingskas …”.\n\nDe aldus gedefinieerde WGA-(totaal)lasten en ZW-lasten worden vervolgens in de artikelen 2.8, 2.11 en 2.13 van het Besluit betrokken in de berekening van het gemiddelde premiepercentage en de opslag\u002Fkorting. Naar de letter genomen worden de Wsw-uitkeringslasten die via artikel 117b, eerste lid, Wfsv ten laste van de werkhervattingskas dus inderdaad, via de definities van artikel 2.5 Besluit, meegenomen bij de bepaling van de opslag\u002Fkorting. De rechtbank heeft evenwel geen aanknopingspunt ervoor gevonden dat de besluitgever deze uitwerking onder ogen heeft gehad. Dat vroeg ten tijde van de totstandkoming van het Besluitook niet om aandacht, omdat die uitwerking op dat moment nagenoeg zonder effect was (zie onder 17).\n\n18. Op grond van wat hiervoor is overwogen, kan naar het oordeel van de rechtbank niet als de bedoeling van de wet- en besluitgever worden verondersteld dat de uitkeringslasten van de artikel 38a-categorie doorwerken in de premie van artikel 38 Wfsv. De artikelen 2.11 en 2.13 van het Besluit moeten daarom naar haar oordeel zo worden uitgelegd dat bij de toepassing ervan de WGA-lasten, WGA-totaallasten en ZW-lasten zonder de Wsw-lasten in aanmerking worden genomen.\n\n19. Het gelijk is daarmee aan eiseres, zodat het beroep gegrond moet worden verklaard. Tussen partijen is niet in geschil dat dan de gedifferentieerde premie Whk van eiseres voor het onderhavige jaar op 0,92% moet worden vastgesteld.\n\nProceskosten\n\n20. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten, bestaand uit reiskosten voor een bedrag van € 14,32 (€ 3,58 x 2 per zitting op basis van retour reiskosten openbaar vervoer 2e klas, totaal derhalve € 14,32).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt de uitspraak op bezwaar;\n\n- wijzigt de beschikking aldus dat de gedifferentieerde premie Whk wordt vastgesteld op 0,92%;\n\n- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;\n\n- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 14,32;\n\n- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 371 aan eiseres te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Pelinck, voorzitter, en mr. E. Kouwenhoven en mr. J.J. Arts, leden, in aanwezigheid van mr. B. van Eeuwijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2026.\n\ngriffier voorzitter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).\n\nDat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.\n\nVerder vermeldt u ten minste het volgende:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).\n\nBIJLAGE\n\nWet financiering sociale verzekeringen\n\nArtikel 38 Wfsv\n\nGedifferentieerde premie Werkhervattingskas\n\n1. In dit artikel wordt onder categorie werkgeversverstaan:\n\nwerkgevers ten laste van wie, in het tweede kalenderjaar dat aan het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld vooraf is gegaan, loon waarover de premies op grond van dit hoofdstuk worden geheven, is gekomen dat gelijk is aan, meer of minder bedraagt dan een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen omvang van het gemiddelde van dit loon, bedoeld in paragraaf 1 van afdeling 1 van dit hoofdstuk, per werknemer in dat kalenderjaar.\n\n2. Het UWV stelt voor de berekening van de gedifferentieerde premie een voor alle takken van bedrijf en beroep gelijk gemiddeld percentage vast.\n\n3. Elk jaar wordt met ingang van 1 januari een opslag of korting vastgesteld waarmee het in het tweede lid bedoelde percentage wordt verhoogd respectievelijk verlaagd. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de opslag of korting naar categorie werkgevers voor de werkgever afzonderlijk of per sector als bedoeld in artikel 95, wordt vastgesteld, waarbij de korting of opslag voor werkgevers per sector of sectoronderdelen kan verschillen of op nihil kan worden vastgesteld. Indien een werkgever met toepassing van de artikelen 96 of 97 is aangesloten bij verschillende sectoren, wordt voor elk bedrijfsonderdeel van de werkgever waar werkzaamheden worden verricht die behoren tot een afzonderlijke sector, de opslag of korting toegepast als was dat bedrijfsonderdeel een afzonderlijke werkgever. Voor de werkgever voor wie de korting of opslag afzonderlijk wordt vastgesteld, stelt de inspecteur de korting of opslag vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. Ten aanzien van werkgevers voor wie de opslag of korting per sector wordt vastgesteld kan in bijzondere gevallen bij regeling van Onze Minister worden bepaald dat de opslag of korting op een door Onze Minister te bepalen wijze wordt vastgesteld aan de hand van het gemiddelde van de opslag of korting van een aantal sectoren.\n\n4. De inspecteur stelt in geval van overgang van een onderneming in de zin van artikel 662 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede in geval van een dergelijke overgang bij faillissement, de vastgestelde opslag of korting, bedoeld in het derde lid, opnieuw bij voor bezwaar vatbare beschikking vast voor de werkgever die een onderneming of een deel daarvan verkrijgt en voor de werkgever die een deel van zijn onderneming overdraagt.\n\n5. Indien de werkgever een overheidswerkgever is op wie artikel 7:662 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing is, en deze geheel of gedeeltelijk is overgegaan naar een andere werkgever, alsmede in geval van een dergelijke overgang bij faillissement, stelt de inspecteur de vastgestelde opslag of korting, bedoeld in het derde lid, opnieuw vast bij voor bezwaar vatbare beschikking voor:\n\na. de rechtsopvolger van die overheidswerkgever dan wel de verkrijger van een deel daarvan, en\n\nb. voor de overheidswerkgever die een deel van de organisatie overdraagt.\n\nHet bepaalde bij of krachtens het zevende lid, inzake de in het derde, vierde en vijfde lid bedoelde opslag en korting is van overeenkomstige toepassing.\n\n6. De inspecteur stelt, in geval aan een werkgever toestemming is verleend om zelf het risico te dragen van betaling van ziekengeld of WGA-uitkering en overlijdensuitkeringen als bedoeld in artikel 40, eerste lid, alsmede in geval het door de werkgever zelf dragen van het risico, bedoeld in artikel 40, eerste lid, is geëindigd of wordt beëindigd, de vastgestelde opslag of korting, bedoeld in het derde lid, opnieuw bij voor bezwaar vatbare beschikking vast met ingang van de datum waarop het zelf dragen van het risico aanvangt dan wel is geëindigd of wordt beëindigd.\n\n7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent:\n\na. de wijze waarop het gemiddelde percentage, bedoeld in het tweede lid, wordt vastgesteld, rekening houdend met de verschillende lasten voor de Werkhervattingskas;\n\nb. de wijze waarop de in het derde en het vierde lid, bedoelde opslag en korting worden berekend;\n\nc. de percentages die op grond van dit artikel ten hoogste voor categorieën van werkgevers, sector of sectoronderdeel mogen gelden en omtrent de percentages die op grond van dit artikel ten minste voor categorieën van werkgevers, sector of sectoronderdeel gelden.\n\n8. De inspecteur is bevoegd tot herziening van een beschikking op grond van dit artikel indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat de beschikking is gegeven op grond van onjuiste of onvolledige gegevens. Een herziening ten nadele van de werkgever is uitsluitend mogelijk indien deze tekortkoming een gevolg is van een feit dat aan de werkgever of de gewezen werkgever kan worden toegerekend of redelijkerwijs kenbaar had kunnen zijn. De inspecteur stelt de herziening vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. De bevoegdheid tot herziening werkt uiterlijk terug tot en met 1 januari van enig jaar waarop de beschikking betrekking heeft en vervalt door verloop van 5 jaren na het einde van het kalenderjaar waarop de beschikking betrekking heeft.\n\n9. Beschikkingen van de inspecteur op grond van dit artikel worden genomen gehoord het UWV en in overeenstemming met het UWV.\n\nArtikel 38a Wfsv\n\nVervanging gedifferentieerde premie\n\nIn afwijking van artikel 38 is over een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Ziektewet, hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, of de artikelen 4:2b, eerste tot en met zesde lid, en 6:3, eerste tot en met zesde lid, van de Wet arbeid en zorg, de Werkloosheidswet, over een toeslag op grond van de Toeslagenwet en over het loon uit een dienstbetrekking op grond van de Wet sociale werkvoorziening, als gedifferentieerde premie ten behoeve van de Werkhervattingskas een vervangende premie verschuldigd. Met een uitkering op grond van de Werkloosheidswet wordt gelijkgesteld een wachtgeld als bedoeld in artikel 1, onderdeel r, van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen.\n\nBehalve voor degene die loon ontvangt uit een dienstbetrekking op grond van de Wet sociale werkvoorziening wordt het eerste lid niet toegepast ingeval het UWV de uitkering, vermeerderd met de daarover door de werkgever verschuldigde premies en de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet, betaalt aan de werkgever, bedoeld in artikel 11 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en in artikel 9, 10 of 12 van de Werkloosheidswet en de Ziektewet, onafhankelijk van het voortbestaan van de dienstbetrekking met die werkgever.\n\nHet eerste lid wordt eveneens niet toegepast ingeval een eigenrisicodrager de uitkering, bedoeld in artikel 63a Ziektewet, betaalt of de uitkering, bedoeld in artikel 82 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, betaalt, onafhankelijk van het voortbestaan van de dienstbetrekking met die eigenrisicodrager.\n\nBij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor de wijze waarop de vervangende premie, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld.\n\nArtikel 117a Wfsv\n\nMiddelen Werkhervattingskas\n\nTen gunste van de Werkhervattingskas komen:\n\na. de gedifferentieerde premie op grond van de artikelen 38, tweede lid, en 38a, eerste lid;\n\nb. de gelden die het UWV ontvangt met toepassing van de artikelen 76, 82, vierde en vijfde lid, 84, derde lid, en 99 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen in verband met uitkeringen als bedoeld in artikel 117b, eerste lid;\n\nc. de gelden die door toepassing van artikel 118 worden overgeheveld uit het Arbeidsongeschiktheidsfonds.\n\nArtikel 117b Wfsv\n\nUitgaven Werkhervattingskas\n\n1. Ten laste van de Werkhervattingskas komen de door het UWV te betalen:\n\na. WGA-uitkeringen en de overlijdensuitkering, bedoeld in artikel 74, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen gedurende de periode die op grond van artikel 83, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, geldt op de dag waarop het recht van uitkering op grond van die wet is ontstaan te rekenen vanaf die dag, met dien verstande dat de WGA-staartlastuitkeringen en de uitvoeringskosten en andere kosten in verband met deze uitkeringen ten laste komen van het staartlastenvermogen;\n\nb. ziekengeld als bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdeel a, b of c, en de overlijdensuitkering, bedoeld in artikel 35 van de Ziektewet;\n\nc. de op grond van enige wet over de uitkeringen, bedoeld in de onderdelen a en b, door het UWV verschuldigde premies en de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet;\n\nd. uitvoeringskosten die betrekking hebben op de uitkeringen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.\n\n2 Indien een WGA uitkering wordt toegekend direct aansluitend op een op grond van artikel 24 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen verlengd tijdvak waarin de verzekerde recht heeft op loon, wordt de duur van de verlenging van dat tijdvak in mindering gebracht op de periode, bedoeld in het eerste lid.\n\n3 Het eerste lid is niet van toepassing indien:\n\na. het een WGA uitkering betreft die op grond van artikel 72, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen door het UWV wordt betaald en op grond van het derde lid van dat artikel niet op een eigenrisicodrager wordt verhaald;\n\nb. het een WGA uitkering betreft die op grond van artikel 84, derde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen door het UWV wordt betaald en niet kan worden verhaald op een bank of verzekeraar als bedoeld in artikel 40;\n\nc. het een WGA-uitkering betreft, toegekend aan een werknemer die uit de dienstbetrekking waaruit de WGA-uitkering is ontstaan recht had op ziekengeld als bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdeel d, e, f of g, van de Ziektewet of op ziekengeld als bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdelen a, b en c, dat aan een werknemer is toegekend direct aansluitend op een dienstbetrekking waarin recht op ziekengeld als bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdeel e, f of g, bestond, tenzij op grond van artikel 38a, negende lid, of artikel 38b, tweede lid, van de Ziektewet geen ziekengeld is of wordt toegekend;\n\nd. het een WGA uitkering betreft, toegekend aan een werknemer, wiens WGA uitkering wordt toegekend in aansluiting op een voordien op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten toegekende uitkering, danwel het op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten toegekende recht op arbeidsondersteuning;\n\ne. het een vervolguitkering als bedoeld in artikel 62, vijfde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen betreft, die door het UWV wordt betaald voorzover die uitkering meer bedraagt dan hetgeen berekend op grond van het eerste en tweede lid van dat artikel;\n\nf. het een loonaanvullingsuitkering als bedoeld in artikel 60, eerste lid, onderdeel a, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen betreft, die door het UWV wordt betaald voorzover die uitkering meer bedraagt dan een bedrag overeenkomende met het bedrag van de vervolguitkering, bedoeld in artikel 60, eerste lid, onderdeel b, van die wet waar de verzekerde, zonder toepassing van artikel 62, vijfde lid, van die wet, recht op zou hebben indien hij geen recht zou hebben gehad op de loonaanvullingsuitkering, bedoeld in artikel 60, eerste lid, onderdeel a, van die wet, vermeerderd met de premies die op grond van enige wet daarover verschuldigd zouden zijn en de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet, en die daarop niet in mindering kunnen worden gebracht;\n\ng. het uitkeringen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft toegekend aan werknemers, die op de eerste dag van ongeschiktheid tot werken in dienstbetrekking stonden van eigenrisicodragers als bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel a, voor de betaling van die uitkering de eigenrisicodrager op grond van artikel 63b, eerste lid, van de Ziektewet niet het risico draagt;\n\nh. het uitkeringen betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, die op grond van artikel 133l, tweede lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen niet ten laste komen van de eigenrisicodragers, met dien verstande dat het eerste lid van toepassing is op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaald deel van die uitkeringen;\n\ni. het ziekengeld als bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdeel a, b of c, betreft dat op grond van artikel 63a, derde lid, van de Ziektewet door het UWV wordt betaald en niet kan worden verhaald op de eigenrisicodrager, bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel a;\n\nj. het een WGA-uitkering betreft, toegekend aan een werknemer, die naar de dienstbetrekking waaruit de WGA uitkering is ontstaan, is toegeleid door het college van burgemeester en wethouders op grond van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet en waarbij bij ziekte van die werknemer de mogelijkheid tot vergoeding als bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van die wet, zoals dat luidde op 31 december 2015, van toepassing was of het ziekengeld betreft als bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdeel a, b en c, dat aan die werknemer is toegekend direct aansluitend op een hiervoor bedoelde dienstbetrekking;\n\nk. het ziekengeld betreft als bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdelen a, b en c, van de Ziektewet toegekend aan een werknemer direct aansluitend op een dienstbetrekking waarin recht op ziekengeld op grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel e, f of g, van de Ziektewet bestond;\n\nl. het een WGA-uitkering als bedoeld in paragraaf 2.2 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen betreft.\n\n4 Het UWV bezigt de middelen die zijn gereserveerd ten behoeve van de Werkhervattingskas niet tot bestrijding van uitgaven ten laste van de Werkhervattingskas dan met toestemming van Onze Minister.\n\n5 Ten laste van de Werkhervattingskas komen voorts:\n\na. …\n\nb. de loonkostensubsidie, bedoeld in artikel 37a van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen zoals dat luidde op 31 december 2011, indien de uitkeringsgerechtigde, met wie de werkgever aan wie de loonkostensubsidie wordt verstrekt een dienstbetrekking aangaat of is aangegaan, op de dag voorafgaand aan die dienstbetrekking recht heeft op een uitkering die ten laste komt van de Werkhervattingskas;\n\nc. de kosten die verband houden met de uitvoering van artikel 30a, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen ten aanzien van een uitkeringsgerechtigde, indien deze ten tijde van het aanvangen van de werkzaamheden van het re-integratiebedrijf, bedoeld in het achtste lid van dat artikel, recht heeft op een uitkering die ten laste komt van de Werkhervattingskas.\n\n6 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel.\n\nArtikel 118 Wfsv\n\n1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de overheveling van gelden uit het Arbeidsongeschiktheidsfonds naar de Werkhervattingskas.\n\n2 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de overheveling van gelden uit het Arbeidsongeschiktheidsfonds naar het Rijk ten behoeve van de financiering van uitkeringen en re-integratievoorzieningen op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, en de financiering van uitkeringen en re-integratievoorzieningen op grond van de Participatiewet.\n\nBesluit Wet financiering sociale verzekeringen\n\nArtikel 2.5 Besluit Wfsv\n\nAlgemene begrippen\n\n1. In deze paragraaf wordt verstaan onder:\n\na. premieplichtig loon:het loon, bedoeld in paragraaf 1 van afdeling 1 van hoofdstuk 3 van de Wfsv, waarnaar op grond van hoofdstuk 3 van de Wfsv premies worden geheven;\n\nb. kleine werkgever:een werkgever te wiens laste, in het tweede kalenderjaar dat aan het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld vooraf is gegaan, een premieplichtig loon is gekomen dat gelijk is aan of minder bedraagt dan 25 maal het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer in dat kalenderjaar;\n\nc. middelgrote werkgever:een werkgever te wiens laste, in het tweede kalenderjaar dat aan het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld vooraf is gegaan, een premieplichtig loon is gekomen dat meer bedraagt dan 25 maal het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer in dat kalenderjaar en dat gelijk is aan of minder bedraagt dan 100 maal het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer in dat kalenderjaar;\n\nd. grote werkgever:een werkgever te wiens laste, in het tweede kalenderjaar dat aan het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld vooraf is gegaan, een premieplichtig loon is gekomen dat meer bedraagt dan 100 maal het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer in dat kalenderjaar;\n\ne. minimumpremie:de gedifferentieerde premie die een werkgever ten minste verschuldigd is;\n\nf. maximumpremie:de gedifferentieerde premie die een werkgever ten hoogste verschuldigd is;\n\ng. WGA-lasten:de lasten van uitkeringen als bedoeld in artikel 117b, eerste lid, onderdeel a, van de Wfsv voor zover deze uitkeringen ten laste komen van de Werkhervattingskas en uit een dienstbetrekking met een werkgever worden verstrekt of zijn toegekend aan werknemers, die uit de dienstbetrekking waaruit de WGA-uitkering is ontstaan recht hadden op een uitkering op grond van de Ziektewet en de kosten, bedoeld in artikel 117b, vijfde lid, onderdeel c, van de Wfsv in verband met deze uitkeringen, met dien verstande dat de WGA-staartlastuitkeringen en de uitvoeringskosten en andere kosten in verband met deze uitkeringen buiten beschouwing worden gelaten;\n\nh. WGA-totaallasten:de lasten van uitkeringen als bedoeld in artikel 117b, eerste lid, onderdeel a, van de Wfsv, voor zover deze uitkeringen ten laste komen van de Werkhervattingskas of het Arbeidsongeschiktheidsfonds of ten laste komen van een eigenrisicodrager als bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel b, van de Wfsv, en uit een dienstbetrekking met een werkgever worden verstrekt of zijn toegekend aan werknemers, die uit de dienstbetrekking waaruit de WGA-uitkering is ontstaan recht hadden op een uitkering op grond van de Ziektewet en de kosten, bedoeld in artikel 117b, vijfde lid, onderdeel c, van de Wfsv in verband met deze uitkeringen;\n\ni. ZW-lasten:lasten van ziekengeld als bedoeld in artikel 117b, eerste lid, onderdeel b, van de Wfsv, voor zover deze uitkeringen ten laste komen van de Werkhervattingskas en de kosten, bedoeld in artikel 117b, vijfde lid, onderdeel c, van de Wfsv in verband met deze uitkeringen.\n\n2. Het UWV stelt het gemiddelde premieplichtige loon, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b, c en d, per werknemer vast.\n\n3. Bij de vaststelling van premieplichtige loon als bedoeld in het eerste lid worden de via de werkgever betaalde WGA-uitkeringen en uitkeringen op grond van de Ziektewet, die op grond van artikel 117b van de Wfsv ten laste van de Werkhervattingskas komen buiten aanmerking gelaten.\n\n4. Voor de vaststelling van sectorale premiecomponenten behoort de werkgever tot de sector, bedoeld in artikel 95 van de Wfsv, in het voor die berekening relevante kalenderjaar, waarbij de werkgever is aangesloten op 1 januari van dat kalenderjaar.\n\nArtikel 2.6 Besluit Wfsv\n\nVaststelling gedifferentieerde premie Werkhervattingskas\n\nDe gedifferentieerde premie die een werkgever verschuldigd is, is de som van twee afzonderlijk bekend te maken gedifferentieerde premiecomponenten, die worden berekend voor de WGA-lasten en de ZW-lasten.\n\nBij de vaststelling van de premie wordt een onderscheid gemaakt naar kleine, middelgrote en grote werkgevers.\n\nDe gedifferentieerde premie voor de kleine werkgevers is de som van de sectorale premiecomponenten op basis van de WGA-lasten en de ZW-lasten van uitkeringen die zijn toegekend aan werknemers die in dienstbetrekking stonden met werkgevers die behoren tot een sector als bedoeld in artikel 95 van de Wfsv.\n\nDe gedifferentieerde premie voor grote werkgevers is de som van de individuele premiecomponenten, die voor de WGA-lasten en de ZW-lasten afzonderlijk worden berekend, op basis van een per soort last vast te stellen gemiddeld percentage vermeerderd of verminderd met een opslag of korting op grond van een individueel werkgeversrisicopercentage, waarop een correctie wordt toegepast.\n\nBij de berekening van de gedifferentieerde premie voor de middelgrote werkgever wordt een gewogen gemiddelde toegepast van de sectorale en individuele premies volgens de formule:\n\nwaarbij:\n\n- loonsomwgr staat voor: het totaal van het premieplichtige loon van de middelgrote werkgever in het jaar twee kalenderjaren voorafgaand aan het jaar waar de premie betrekking op heeft;\n\n- loonsomlaag staat voor: 25 maal het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer\n\n- loonsomhoog staat voor: 100 maal het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer;\n\n- sectoraal %: de desbetreffende sectorale premie van de sector waartoe de werkgever behoort;\n\n- individueel %: de desbetreffende individuele premie van de werkgever als bedoeld in het vierde lid.\n\n6. Voor de op grond van het vierde lid berekende gedifferentieerde premie geldt per premiecomponent een minimumpremie, die een vierde van het gemiddelde percentage behorend bij de desbetreffende lasten bedraagt en een maximumpremie die vier maal dat gemiddelde percentage bedraagt.\n\n7. Alle percentages in de sommen die leiden tot de vaststelling van de gedifferentieerde premie worden naar beneden afgerond op twee cijfers achter de komma.\n\n8. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald, dat de maximumpremie voor werkgevers in bepaalde sectoren kan worden verhoogd indien de omvang van de WGA-lasten of de ZW-lasten daartoe aanleiding geeft.\n\nArtikel 2.7 Besluit Wfsv\n\nGedifferentieerde premie eigenrisicodrager\n\nIndien een werkgever eigenrisicodrager is als bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel a, van de Wfsv wordt de premiecomponent berekend op basis van de ZW-lasten op nul vastgesteld.\n\nIndien een werkgever eigenrisicodrager is als bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel b, wordt de premiecomponent berekend op basis van de WGA-lasten op nul vastgesteld.\n\nArtikel 2.8 Besluit Wfsv\n\nGemiddelde percentages\n\nHet gemiddelde percentage, bedoeld in artikel 38, tweede lid, van de Wfsv, voor de berekening van de premiecomponent WGA-lasten wordt vastgesteld door het totaalbedrag van de WGA-lasten in het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld, dat naar verwachting op grond van artikel 117b van de Wfsv ten laste komt van de Werkhervattingskas, verminderd met hetgeen op grond van artikel 117a, onderdelen b en c, van de Wfsv in het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld naar verwachting ten gunste komt van de Werkhervattingkas, te vermenigvuldigen met honderd en de uitkomst van deze berekening te delen door het totaalbedrag van het over het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld verwachte premieplichtige loon van de middelgrote en grote werkgevers en de naar verwachting in dat jaar te betalen uitkeringen, bedoeld in artikel 38a, eerste lid, van de Wfsv, die naar verwachting aan middelgrote en grote werkgevers toe te rekenen zijn. Het gemiddelde percentage wordt vermeerderd of verminderd met een percentage ter compensatie van het naar verwachting over het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld optredende verschil tussen enerzijds de premie-inkomsten die worden verkregen indien de gedifferentieerde premie, bedoeld in artikel 38 van de Wfsv, wordt gebaseerd op het gemiddelde percentage, zoals deze op grond van de eerste zin wordt vastgesteld, en anderzijds het totaalbedrag van de lasten dat naar verwachting in het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld op grond van artikel 117b van de Wfsv ten laste van de Werkhervattingskas komt, verminderd met de gelden die op grond van artikel 117a, onderdelen b en c, van die wet naar verwachting ten gunste van de Werkhervattingskas komen. Onder uitkeringen als bedoeld in de eerste zin worden niet verstaan de WGA-uitkeringen en overlijdensuitkeringen, bedoeld in artikel 117b, eerste lid, onderdeel a, van de Wfsv, waarvan het risico van de betaling wordt gedragen door een werkgever als bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel b, van de Wfsv.\n\nHet verwachte premieplichtige loon van middelgrote werkgevers, de naar verwachting in dat jaar te betalen uitkeringen, bedoeld in artikel 38a, eerste lid, van de Wfsv, het totaalbedrag van de WGA-lasten en hetgeen op grond van artikel 117a, onderdelen b en c, van de Wfsv in mindering op de WGA-lasten wordt gebracht, bedoeld in het eerste lid, wordt per werkgever volgens de volgende berekening in aanmerking genomen voor de berekening van het gemiddelde percentage, bedoeld in het eerste lid:\n\n(loonsomwgr – loonsomlaag) \u002F (loonsomhoog – loonsomlaag)\\\n\nwaarbij:\n\n- loonsomwgr staat voor: het totaal van het premieplichtige loon van de middelgrote werkgever in het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het jaar waar de premie betrekking op heeft;\n\n- loonsomlaag staat voor: 25 maal het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer;\n\n- loonsomhoog staat voor: 100 maal het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer.\n\n3. Het gemiddelde percentage, bedoeld in artikel 38, tweede lid, van de Wfsv, voor de berekening van de premiecomponent ZW- lasten wordt vastgesteld door het totaalbedrag van de ZW-lasten in het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld, naar verwachting op grond van artikel 117b van de Wfsv ten laste komt van de Werkhervattingskas verminderd met hetgeen op grond van artikel 117a, onderdeel c, van de Wfsv in het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld naar verwachting ten gunste komt van de Werkhervattingkas, te vermenigvuldigen met honderd en de uitkomst van deze berekening te delen door het totaalbedrag van het over het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld verwachte premieplichtige loon van de middelgrote en grote werkgevers en de naar verwachting in dat jaar te betalen uitkeringen, bedoeld in artikel 38a, eerste lid, van de Wfsv, die aan die werkgevers toe te rekenen zijn. Het gemiddelde percentage wordt vermeerderd of verminderd met een percentage ter compensatie van het naar verwachting over het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld optredende verschil tussen enerzijds de premie-inkomsten die worden verkregen indien de gedifferentieerde premie, bedoeld in artikel 38 van de Wfsv, wordt gebaseerd op het gemiddelde percentage, zoals deze op grond van de eerste zin worden vastgesteld, en anderzijds het totaalbedrag van de lasten dat naar verwachting in het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld op grond van artikel 117b van de Wfsv ten laste van de Werkhervattingskas komt, verminderd met de gelden die op grond van artikel 117a, onderdelen b en c, van die wet naar verwachting ten gunste van de Werkhervattingskas komen. Onder uitkeringen als bedoeld in de eerste zin worden niet verstaan de uitkeringen en de overlijdensuitkeringen op grond van de Ziektewetwaarvan het risico van de betaling wordt gedragen door een werkgever als bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel a, van de Wfsv.\n\n4. Het verwachte premieplichtige loon van middelgrote werkgevers, de naar verwachting in dat jaar te betalen uitkeringen, bedoeld in artikel 38a, eerste lid, van de Wfsv, het totaalbedrag van de ZW-lasten en hetgeen op grond van artikel 117a, onderdelen b en c, van de Wfsv in mindering op de ZW-lasten wordt gebracht, bedoeld in het derde lid, wordt per werkgever volgens de volgende berekening in aanmerking genomen voor de berekening van het gemiddelde percentage, bedoeld in het derde lid:\n\n (loonsomwgr – loonsomlaag) \u002F (loonsomhoog – loonsomlaag)\n\n waarbij:\n\n- loonsomwgr staat voor: het totaal van het premieplichtige loon van de middelgrote werkgever in het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het jaar waar de premie betrekking op heeft;\n\n- loonsomlaag staat voor: 25 maal het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer;\n\n- loonsomhoog staat voor: 100 maal het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer.\n\nArtikel 2.9 Besluit Wfsv\n\nVervangende premie\n\nDe gedifferentieerde premie over de uitkeringen, bedoeld in artikel 38a van de Wfsv, en over het loon uit een dienstbetrekking op grond van de Wet sociale werkvoorziening wordt bepaald op de som van de percentages berekend met toepassing van artikel 2.8.\n\nBij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor het eerste lid.\n\nArtikel 2.10 Besluit Wfsv\n\nSectorale premies\n\nDe sectorale premiecomponenten worden vastgesteld met toepassing van artikel 2.8 waarbij voor de WGA-lasten en ZW-lasten wordt uitgegaan van de desbetreffende uitkeringen, die worden toegekend aan werknemers van werkgevers in die sector, bedoeld in artikel 95 van de Wfsv, en van het totaalbedrag van het premieplichtige loon van alle werkgevers, die tot die sector behoren. Voor de bepaling van de premiecomponent WGA-lasten wordt daarbij buiten aanmerking gelaten het premieplichtige loon van de werkgevers, die eigenrisicodrager zijn als bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel b, van de Wfsv, en van de grote werkgevers en de desbetreffende uitkeringen van de werknemers van deze werkgevers. Voor de bepaling van de premiecomponent ZW-lasten wordt daarbij buiten aanmerking gelaten het premieplichtig loon van de werkgevers, die eigenrisicodrager zijn als bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel a, van de Wfsv, en van de grote werkgevers en de desbetreffende uitkeringen toegekend aan de werknemers van deze werkgevers.\n\nVoor de bepaling van de premiecomponenten, bedoeld in het eerste lid, wordt het premieplichtig loon van de middelgrote werkgevers en de desbetreffende uitkeringen toegekend aan de werknemers van deze werkgevers per middelgrote werkgever volgens de volgende berekening buiten aanmerking gehouden:\n\n(loonsomwgr – loonsomlaag) \u002F (loonsomhoog – loonsomlaag)\n\nwaarbij:\n\n- loonsomwgr staat voor: het totaal van het premieplichtige loon van de middelgrote werkgever in het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het jaar waar de premie betrekking op heeft;\n\n- loonsomlaag staat voor: 25 maal het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer;\n\n- loonsomhoog staat voor: 100 maal het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer.\n\n3. Het UWV stelt het sectorale premiepercentage met toepassing van het eerste en tweede lid vast.\n\n4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de bepaling van de sectoren voor de toepassing van het eerste, tweede en derde lid.\n\nArtikel 2.11 Besluit WfsvOpslag of korting WGA-lasten\n\nDe opslag of korting WGA-lasten is gelijk aan het individuele werkgeversrisicopercentage, bedoeld in het tweede lid, verminderd met het gemiddelde werkgeversrisicopercentage, bedoeld in het derde lid, gerelateerd aan deze lasten.\n\nHet individuele werkgeversrisicopercentage wordt verkregen door de uitkeringen van de aan de werkgever toe te rekenen WGA-totaallasten die in het tweede kalenderjaar vóór het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld zijn betaald te vermenigvuldigen met honderd en de uitkomst van deze berekening te delen door het ten laste van die werkgever komende gemiddelde premieplichtige loon per jaar, berekend over het tijdvak van vijf kalenderjaren, eindigend één jaar voor aanvang van het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld.\n\nHet gemiddelde werkgeversrisicopercentage wordt verkregen door het totaalbedrag aan uitkeringen van de aan middelgrote en grote werkgevers toe te rekenen WGA-lasten, die in het tweede kalenderjaar vóór het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld zijn betaald, te vermenigvuldigen met honderd en de uitkomst van deze berekening te delen door het totale gemiddelde premieplichtige loon van die werkgevers, berekend over het tijdvak van vijf kalenderjaren, eindigend in het tweede kalenderjaar voor het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld.\n\nVoor de berekening, bedoeld in het derde lid, wordt per middelgrote werkgever de toe te rekenen lasten en het totale premieplichtige loon vermenigvuldigd met de uitkomst van:\n\n(loonsomwgr – loonsomlaag) \u002F (loonsomhoog – loonsomlaag)\n\nwaarbij:\n\n- loonsomwgr staat voor: het totaal van het premieplichtige loon van de middelgrote werkgever in het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het jaar waar de premie betrekking op heeft;\n\n- loonsomlaag staat voor: 25 maal het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer;\n\n- loonsomhoog staat voor: 100 maal het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer.\n\n5. Indien een WGA-uitkering wordt toegekend direct aansluitend op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen wordt de duur van die uitkering in mindering gebracht op de periode dat de WGA-uitkering wordt toegerekend als bedoeld in het tweede lid.\n\n6. De WGA-uitkeringen, bedoeld in dit artikel, betreffen de WGA-uitkeringen die zijn toegekend:\n\na. aan de werknemers die op de eerste dag van de ongeschiktheid tot het verrichten van hun arbeid als bedoeld in artikel 19 van de Ziektewet tot de werkgever in dienstbetrekking stonden dan wel arbeidsongeschikt zijn geworden nadat de dienstbetrekking met de werkgever is beëindigd en artikel 46 van de Ziektewet van toepassing is en ter zake van die ongeschiktheid de wachttijd, bedoeld in artikel 23 van Wet WIA, hebben doorgemaakt;\n\nb. aan de werknemer, bedoeld in onderdeel a, van wie het recht op een WGA-uitkering op grond van artikel 55 van de Wet WIA later dan op de eerste dag na afloop van de wachttijd of indien op die dag de uitsluitingsgrond, bedoeld in artikel 43, onderdeel b, van die wet van toepassing is, op de dag dat zich die uitsluitingsgrond niet meer voordoet, is ontstaan;\n\nc. aan de werknemer, bedoeld in onderdeel a, van wie het recht op een WGA-uitkering op grond van artikel 57 van de Wet WIA is herleefd.\n\n7. Indien de werknemer bij het intreden van de gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid, bedoeld in artikel 5 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, bij meer dan één werkgever in dienstbetrekking stond, wordt voor de toepassing van het tweede lid de WGA-uitkering naar rato van de loonsom toegerekend aan die werkgevers. De WGA-uitkering wordt niet toegerekend aan de werkgever bij wie de werknemer met behoud van hetzelfde loon arbeid is blijven verrichten.\n\n8. De op grond van dit artikel berekende opslagen of kortingen worden vermenigvuldigd met een breuk, waarvan de teller wordt gevormd door driekwart van het gemiddelde percentage, bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, en de noemer door het gemiddelde werkgeversrisicopercentage, bedoeld in het derde lid. Indien de berekening op grond van de vorige zin leidt tot een uitkomst groter dan twee wordt deze breuk vastgesteld op twee.\n\nArtikel 2.13 Besluit Wfsv\n\nOpslag of korting ZW-lasten\n\nDe opslag of korting ZW-lasten is gelijk aan het individuele werkgeversrisicopercentage, bedoeld in het tweede lid, verminderd met het gemiddelde werkgeversrisicopercentage, bedoeld in het derde lid, gerelateerd aan deze lasten.\n\nHet individuele werkgeversrisicopercentage wordt verkregen door de uitkeringen van de aan de werkgever toe te rekenen ZW-lasten die in het tweede kalenderjaar vóór het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld zijn betaald te vermenigvuldigen met honderd en de uitkomst van deze berekening te delen door het ten laste van die werkgever komende gemiddelde premieplichtige loon per jaar, berekend over het tijdvak van vijf kalenderjaren, eindigend één jaar voor aanvang van het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld.\n\nHet gemiddelde werkgeversrisicopercentage wordt verkregen door het totaalbedrag aan uitkeringen van de aan middelgrote en grote werkgevers toe te rekenen ZW-lasten, die in het tweede kalenderjaar vóór het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld zijn betaald, te vermenigvuldigen met honderd en de uitkomst van deze berekening te delen door het totale gemiddelde premieplichtige loon van die werkgevers, berekend over het tijdvak van vijf kalenderjaren, eindigend in het tweede kalenderjaar voor het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld.\n\nVoor de berekening, bedoeld in het derde lid, wordt per middelgrote werkgever de toe te rekenen lasten en het totale premieplichtige loon vermenigvuldigd met de uitkomst van:\n\n(loonsomwgr – loonsomlaag) \u002F (loonsomhoog – loonsomlaag)\n\nwaarbij:\n\n- loonsomwgr staat voor: het totaal van het premieplichtige loon van de middelgrote werkgever in het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het jaar waar de premie betrekking op heeft;\n\n- loonsomlaag staat voor: 25 maal het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer;\n\n- loonsomhoog staat voor: 100 maal het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer.\n\n5. De uitkeringen, bedoeld in dit artikel, betreffen de uitkeringen op grond van de Ziektewet die zijn toegekend:\n\na. aan de werknemers die op de eerste dag van de ongeschiktheid tot het verrichten van hun arbeid als bedoeld in artikel 19 van de Ziektewet tot de werkgever in dienstbetrekking stonden dan wel arbeidsongeschikt zijn geworden nadat de dienstbetrekking met de werkgever is beëindigd en artikel 46 van de Ziektewet van toepassing is;\n\nb. aan de werknemer, bedoeld in onderdeel a, van wie het recht op een uitkering op grond van artikelen 19a, 19b of 19c van de Ziektewet is geëindigd dan wel niet is ingegaan, die aanspraak heeft op heropening dan wel recht heeft op ziekengeld.\n\n6. De op grond van dit artikel berekende opslagen of kortingen worden vermenigvuldigd met een breuk, waarvan de teller wordt gevormd door driekwart van het gemiddelde percentage, bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, en de noemer door het gemiddelde werkgeversrisicopercentage, bedoeld in het derde lid. Indien de berekening op grond van de vorige zin leidt tot een uitkomst groter dan twee wordt deze breuk vastgesteld op twee.\n\nArtikel 2.14 Besluit Wfsv\n\nPremieplichtig loon uitkeringsinstellingen\n\nBij de bepaling van het gemiddelde premieplichtig loon, bedoeld in artikel 2.11, tweede lid, en artikel 2.13, tweede lid, blijft buiten aanmerking:\n\n1° loon uit vroegere dienstbetrekking indien de werkgever als inhoudingsplichtige in meer dan bijkomstige mate loon uit vroegere dienstbetrekking verstrekt;\n\n2° loon ter zake waarvan de werkgever uitsluitend ingevolge artikel, 6, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is voor de toepassing van de Wet op de loonbelasting 1964.\n\nArtikel 2.15 Besluit Wfsv\n\nOpslag en korting bij overgang van onderneming\n\n1. In geval van overgang van een onderneming in de zin van artikel 662 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede in geval van een dergelijke overgang bij faillissement:\n\na. worden bij de toepassing van de artikelen 2.11 en 2.13 de WGA-uitkeringen, bedoeld in artikel 2.11, tweede en derde lid, en de ZW-uitkeringen, bedoeld in artikel 2.13, tweede en derde lid, die zijn of worden toegekend aan de werknemer die op de eerste dag van de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid in dienstbetrekking stond tot de werkgever die de onderneming heeft overgedragen dan wel arbeidsongeschikt is geworden nadat de dienstbetrekking met de werkgever is beëindigd en artikel 46 van Ziektewet van toepassing is, toegerekend aan de werkgever die de onderneming verkrijgt;\n\nb. wordt bij de toepassing van de artikelen 2.11 en 2.13 het ten laste van de werkgever die de onderneming heeft overgedragen, gekomen premieplichtig loon in enig kalenderjaar telkens opgeteld bij het premieplichtig loon van de werkgever die de onderneming verkrijgt in dat kalenderjaar, voordat het gemiddelde premieplichtig loon van laatstgenoemde werkgever wordt berekend.\n\n2. Indien slechts een deel van de onderneming overgaat, vindt het eerste lid toepassing naar rato van het deel van het totaalbedrag van premieplichtig loon in het overgegane deel van de onderneming van het totaalbedrag van premieplichtig loon in de gehele onderneming in het jaar voorafgaande aan dat van overgang.\n\n3. Tenzij de overgang plaatsvindt op 1 januari van het kalenderjaar vindt voor de werkgever die reeds de hoedanigheid van werkgever had voor het moment van overgang van de onderneming de toerekening, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en de optelling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, eerst plaats met ingang van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de onderneming of een deel van de onderneming is overgedragen.\n\n Artikel 38a Wfsv is bij de totstandkoming niet anders toegelicht dan met verwijzing, in de transponeringstabel bij de memorie van toelichting, naar het inhoudelijk daarmee overeenkomende artikel 78, zevende lid van de Wet WAO zoals dat met de Wet Pemba was ingevoerd (TK 2004-2005, 29 529, nr. 3, blz. 99). Dat artikel was op zijn beurt bij de totstandkoming ervan alleen toegelicht met verwijzing naar artikel 85, derde lid, van de Werkloosheidswet (TK 1995-1996, 24 698, nr. 3, blz. 86). Daar loopt het spoor dood: de achtergrond van dat artikel 85, derde lid, WW is een ander dan die van artikel 38a Wfsv en de daarop gegeven toelichting biedt geen aanknopingspunt.\n\n O.a. TK 1995–1996, 24 698, nr. 3, onderdeel 1.2.\n\n Wet van 23 november 1967, Stb. 1967, 687, geactualiseerd bij Wet van 11 september 1997, Stb. 1997, 465.\n\n Met de Invoeringswet Participatiewet, wet van 2 juli 2015, Stb. 270, is de verplichting van gemeenten tot het (doen) aangaan van arbeidsovereenkomsten per 1 januari 2015 vervallen. Daarmee werd alleen een einde gemaakt aan de instroom; bestaande dienstbetrekkingen bleven doorlopen.\n\n Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 29 juni 2018, Stcrt. 37506, respectievelijk Wet arbeidsmarkt in balans, Stb. 2019, 219.\n\n TK 2017-2018, 34 775, nr. 110, blz. 2.\n\n Uitkeringen aan Wsw’ers die rechtstreeks ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds komen zijn met name de ‘no risk’-gevallen van artikel 29b van de Ziektewet (artikel 117b, lid 3, onderdeel c). Daarnaast zijn te noemen de gevallen van Wsw’ers die terugvallen op een ‘slapende’ Wajong-uitkering (artikel 117b, lid 3, onderdeel b) en de zogenaamde ‘Amber’-gevallen (artikel 117b, lid 3, onderdelen e en g).\n\n Het Besluit dateert van 29 november 2005 (Stb. 2005, 585).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:3577","2026-02-23T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:45.966Z",20,[11]]