[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-personal-injury-nl-2026":3},{"detail":4,"years":226},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":225,"page":14,"limit":225},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},155,"personal-injury-nl","Personal Injury","NL","2026-07-08T17:00:27.741Z",2026,[13,15,18,20,22,24,27,29,31,32,34,36],{"month":14,"count":14},1,{"month":16,"count":17},2,0,{"month":19,"count":19},3,{"month":21,"count":21},4,{"month":23,"count":16},5,{"month":25,"count":26},6,9,{"month":28,"count":14},7,{"month":30,"count":17},8,{"month":26,"count":17},{"month":33,"count":17},10,{"month":35,"count":17},11,{"month":37,"count":17},12,[39,53,63,72,81,89,98,108,117,125,134,144,152,161,171,180,188,198,206,216],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"902","ECLI:NL:RBNNE:2026:2689","ecli-nl-rbnne-2026-2689","",80,"2026-07-07T00:00:00.000Z","RECHTBANK Noord-Nederland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Assen\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F19\u002F154149 \u002F HA RK 25-62\n\nBeschikking van 7 juli 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoekster],\n\nte [woonplaats] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoekster] ,\n\nadvocaat: mr. S.B.W. du Plessis,\n\ntegen\n\n1. STICHTING SANQUIN BLOEDVOORZIENING,\n\nte Amsterdam, 2.AXA XL,\n\nte Amsterdam,\n\nverwerende partijen,\n\nhierna samen te noemen: Sanquin c.s.,\n\nadvocaat: mr. J. Kruijswijk Jansen.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift van 13 november 2025 met producties 1 tot en met 13;\n\n- het verweerschrift van 10 februari 2026 met producties 1 tot en met 17;\n\n- de mondelinge behandeling van 9 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;\n\n- de spreekaantekeningen van mr. Du Plessis.\n\n1.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Op 14 december 2021 heeft [verzoekster] voor de eerste maal bloed gedoneerd en wel op de afnamelocatie van Sanquin in [plaats] . Na afloop van de donatie heeft [verzoekster] plaatsgenomen op een stoel in het donorcafé. Het donorcafé is de koffieruimte die in de hoek van de bloedafnameruimte is ingericht, op enkele meters afstand van de bloedafnamebedden. De rechtbank verwijst naar onderstaande overzichtsfoto waarop de bloedafnamebedden te zien zijn en achter een houten afscheidingswand het donorcafé.\n\n2.2.. \n\nIn het donorcafé was, naast [verzoekster] , een vrijwilligster van Sanquin aanwezig om\n\n- onder meer - eten en drinken voor de donoren te verzorgen.\n\n2.3.. \n [verzoekster] is flauwgevallen op enig moment nadat zij is gaan zitten in de donkere stoel aan de rechterkant (zie onderstaande afbeelding). Zij is vervolgens met stoel en al omgevallen. Hierbij heeft zij een incomplete dwarslaesie opgelopen.\n\n2.4.. \n [schaderegelingsbureau] heeft op verzoek van Sanquin een toedrachtsonderzoek uitgevoerd en de betrokken personen gehoord. Het rapport is verschenen op 13 juni 2022.\n\n2.5.. \n\nDe vrijwilligster heeft op 2 juni 2022 de volgende verklaring afgelegd bij [schaderegelingsbureau] :\n\n“ (…)\n\nAls vrijwilligster bied ik alle donoren actief wat te drinken aan en wijs ze ook op de snacks die liggen op de koffietafel. Ik ga ervan uit dat ik ook mevrouw [verzoekster] actief wat heb aangeboden om te eten en te drinken.\n\nZeker weten doe ik het niet, maar ik vermoed van wel. Immers, op het moment dat zij viel stond ik met mijn rug naar haar toe en was bezig met de koffieautomaat. Het kan bijna niet anders dat ik toen hetgeen zij wilde hebben, heb bereid met de koffieautomaat. Ik ga er derhalve vanuit dat ik haar actief wat heb aangeboden en zij ook wat gevraagd heeft om te drinken.\n\n(…)\n\nU vraagt wat ik mij nog kan herinneren van hetgeen er gebeurd is.\n\nZoals ik u net verteld heb was ik aanwezig in het donorcafé en had ik mevrouw [verzoekster] gevraagd of zij wat wilde drinken. Zij heeft toen waarschijnlijk \"ja\" gezegd want ik was bezig met de koffieautomaat. Op het moment dat ik bezig was met de koffieautomaat, en dus met mijn rug naar haar toestond, hoorde ik een hele diepe zucht. Ik draaide mij om en zag haar toen zitten in een vreemde houding. Die houding zie ik nog wel eens voor mij (in gedachten). Zij zat op de locatie waar nu de paarse stoel staat in het donorcafé, zat met haar rechterbeen over de rechter leuning en haar beide handen voor het gezicht. Exact dezelfde houding als mijn collega nu voordoet en waarvan u de foto maakt (zie afbeelding 3, aanvulling rechter). Op hetzelfde moment dat ik omkeek en haar zo zag zitten, zag ik haar naar rechts (de kant waar zij het been over de leuning had hangen) wegzakken, ik liep\u002Frende de drie tot vier meter vanaf mijn locatie naar haar toe. In die korte periode (enkele seconden) zakte mevrouw [verzoekster] echter verder wegover haar rechterzijkant en kantelde de stoel. Op het moment dat ik bij haar was heb ik nog getracht de stoel tegen te houden door de linker leuning te grijpen maar ik was net te laat. De stoel viel op de rechterzijkant en mevrouw [verzoekster] viel mee. Zij viel echter niet op haar rechterzijkant maar doordat zij gedraaid zat in de stoel (doordat haar been over de leuning lag) viel zij op haar linkerarm\u002Flinkerschouder in dezelfde positie als dat mijn collega nu gaat liggen (zie afbeelding 4, aanvulling rechter). Ik heb geen geluid gehoord dat een stoel werd verplaatst of voor- of achteruit werd geschoven. Toen ik naar de donor toe rende heb ik direct mijn collega's geroepen. Daarop kwamen [naam 1] en [naam 2] aan rennen. [naam 1] was iets eerder hier dan [naam 2] . Beiden waren namelijk nog werkzaam in de afnameruimte met opruimwerkzaamheden na de donaties.\n\n(…)\n\nZelf ben ik hier al vijf jaar werkzaam als vrijwilliger en ik denk dat ik het in die hele periode maximaal drie- tot viermaal heb meegemaakt. Meestal, indien ik zie dat het met donoren in het donorcafé niet goed gaat, roep ik een van de donorassistenten en wordt een donor retour gebracht naar een afnamebed.”\n\n(…)”\n\nAfbeelding 3\n\nAfbeelding 4\n\n2.6.. \n\n [donorassistente 1] heeft bloed afgenomen bij [verzoekster] . Zij heeft op 2 juni 2022 de volgende verklaring afgelegd.\n\n“(…)\n\nNa donatie\n\n(…)mevrouw [verzoekster] had nergens last van. Zij gaf aan dat het goed ging, had ook na de donatie “kleur”in haar gezicht en ik ben met haar naar de houten afscheidingswand gelopen. Vervolgens heeft zij het laatste deel naar de koffietafel (twee meter) zonder mij gelopen. Ik ben vervolgens verder gegaan met mijn werkzaamheden in de afnameruimte.\n\nIncident\n\nOp het moment dat ik bezig was met de opruimwerkzaamheden hoorde ik een harde “boem” en riep de vrijwilligster \u002F koffiedame om hulp.\n\n(…)”\n\n2.7.. \n\n [donorassistente 2] heeft op 2 juni 2022 het volgende verklaard:\n\n“(…)\n\nIncident\n\n(…)\n\nHet incident (de val) heb ik niet gezien. Ik was werkzaam op de afnameafdeling, hoorde een val en vrijwel direct hoorde ik dat de vrijwillgster om hulp riep. Ik ben toen snel naar de koffietafel gerend, samen met [naam 2] .\n\n(…)\n\nToedracht\n\n(…)\n\nDe donor vertelde (…) dat zij aan de koffietafel was gaan zitten, zich niet lekker voelde en met haar hoofd tussen de armen op tafel was gaan liggen. Hoe zij gevallen was, wist zij niet.\n\n(…)”\n\n2.8.. \n\n [verzoekster] heeft op 15 juni 2022 de volgende verklaring afgelegd bij [schaderegelingsbureau] :\n\n“(…)\n\nNadat de naald verwijderd was heb ik even schuin wat naar de tv gekeken die hing in de afnameruimte en na ongeveer een minuutje ben ik naar de koffietafel gelopen; alleen. Tijdens dat lopen van de grote stoel naar de koffietafel, voelde ik me raar: ik had een vaag gevoel in mijn lijf. Ik ben gaan zitten op een van de stoelen die aan de koffietafel stond en keek in de richting van de uitgang van de koffiekamer (…). Er was een dame aanwezig in de koffiekamer, die stond met haar rug naar mij toe bij de koffieautomaat.\n\nU vraagt of dat een medewerkster was van Sanwuin dan wel een donor.\n\nDat weet ik niet. Ik heb geen woord met haar gewisseld.\n\n(…)\n\nCafé\n\nIn de koffiekamer\u002Fdonorcafe liggen op de tafel veel koeken. (…)\n\nVan mijn werkgever (het Rode Kruis) hadden wij, ter voorbereiding op de kerst, een grote\n\nTony's Chocolonely chocoladereep meegekregen. Ik heb die uit mijn tas gepakt, brak een stukje af en at. Ik weet nog dat het de smaak 'puur' had terwijl ik liever melkchocolade had. Ik voelde mij niet happy en steeds leger worden. Bij het Rode Kruis heb ik geleerd dat ik mij in dergelijke situaties voorover op een tafel moet gaan leggen waarbij mijn handen gekruist onder mijn hoofd. In die houding ben ik ook op de tafel gaan liggen in het donorcafé. Toen ging 'het licht uit'.\n\n(…)”\n\n2.9.. Het door Sanquin opgestelde “profiel vrijwilliger op afnamelocatie” (hierna: het profiel) luidt als volgt:\n\n“Profiel vrijwilliger op afnamelocatie\n\nWERKZAAMHEDEN\n\nDe taken van de vrijwilliger op een afnamelocatie van Sanquin zijn divers en worden per keer dat de vrijwilliger aanwezig is afgestemd met de teamleider inzameling van Sanquin en\u002Fof de vrijwilligerscoördinator (zelf ook een vrijwilliger). Het vrijwilligerswerk op de afnamelocatie omvat onder andere de volgende activiteiten:\n\n het verwelkomen van donors op de afnamelocatie\n\n het verzorgen van koffie, thee en versnaperingen voor donors\n\n het op orde houden van het donorcafé\n\n het verstrekken van schriftelijk informatiemateriaal\n\n het doorverwijzen naar een medewerker van de bloedbank als een donor\n\ninhoudelijke vragen heeft\n\n het inschakelen van een medewerker van de bloedbank als een donor onwel wordt.\n\n(…)\n\nSanquin verwacht van de vrijwilliger dat zij\u002Fhij:\n\n enthousiast, betrokken en flexibel is\n\n goede sociale vaardigheden en een servicegerichte instelling heeft\n\n verantwoordelijkheidsgevoel heeft en zorgvuldig en oplettend handelt\n\n een 'vrijwillig maar niet vrijblijvend'-mentaliteit heeft”.”\n\n2.10.. Het Handboek Domaine is de weergave van het eindresultaat van een onderzoeksproject onder bloedbanken naar donormanagement (DonorManagement in Europe). In het handboek van 2010 staat onder meer het volgende vermeld:\n\n“(…)\n\nDe donor observeren tijdens en na de donatie, (…) ervoor zorgen dat de donor zich helemaal goed voelt als hij de locatie verlaat. Het is belangrijk dat verpleegkundigen, donorassistenten en vrijwilligers de donor na zijn donatie goed in de gaten houden.\n\n(…)\n\n2.11.. In de ten tijde van de bloeddonatie geldende 20e editie van de WDQM Blood Guide van de Raad van Europa (hierna Blood Guide) staan geen regels opgenomen over het aanbieden of drinken van water en\u002Fof (na)zorg voor donoren.\n\n2.12.. \n [verzoekster] heeft Sanquin aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade. Sanquin heeft de aansprakelijkheid afgewezen.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. \n [verzoekster] verzoekt de rechtbank bij wijze van deelgeschil in de zin van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv):\n\n1. voor recht te verklaren dat Sanquin tekort is geschoten in de nakoming van de (behandel)overeenkomst (artikel 7:446 BW en\u002Fof 6:74 BW) dan wel onrechtmatig jegens [verzoekster] heeft gehandeld (artikel 6:162 BW) en aansprakelijk is voor het [verzoekster] overkomen ongeval en Sanquin c.s. gehouden zijn de reeds geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade aan [verzoekster] te vergoeden;\n\n2. de kosten van [verzoekster] zoals bedoeld in artikel 1019 aa Rv te begroten op het onder V.2 (randnummer van het verzoekschrift, aanvulling rechter)begrote bedrag, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, en Sanquin c.s. te veroordelen – uitvoerbaar bij voorraad – dat de begrote kosten binnen 14 dagen na dagtekening van de beschikking moeten worden voldaan op rekening [rekeningnummer] ten name van Du Plessis Letselschade Advocatuur B.V. en te verklaren voor recht dat de wettelijke rente zonder aanzegging verschuldigd zal zijn als niet binnen deze termijn is voldaan.\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n [verzoekster] is flauwgevallen in het donorcafé waar zij plaats had genomen om aan te sterken na haar bloeddonatie. Zij is met stoel en al op de grond gevallen en heeft hierdoor een incomplete dwarslaesie opgelopen. De rechtbank is van oordeel dat Sanquin aansprakelijk is voor de schade die [verzoekster] heeft geleden, omdat Sanquin onvoldoende (na)zorg heeft geboden. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij tot dit oordeel is gekomen.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. \n [verzoekster] heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv. In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen.\n\n4.2.. De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van dood of letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de rechtbank eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv).\n\n4.3.. \n [verzoekster] wenst de aansprakelijkheidsvraag bij deelgeschil voor te leggen, omdat partijen buiten rechte in staat zullen zijn de zaak verder te behandelen en de schade te begroten.\n\n4.4.. In dit geval verschillen partijen – kort gezegd – van mening over of Sanquin aansprakelijk is of niet. Met een oordeel hierover kan de ontstane impasse tussen partijen worden doorbroken en kunnen de onderhandelingen in principe worden voortgezet. Dit betekent dat de rechtbank het verzoek inhoudelijk zal bespreken.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\n4.5.. Aan het verzoek heeft [verzoekster] - samengevat - ten grondslag gelegd dat Sanquin niet heeft voldaan aan haar zorgplicht, namelijk de plicht om het risico voor donoren zo klein mogelijk te maken. Op het moment dat het ongeluk gebeurde bevonden alleen [verzoekster] en een vrijwilligster van Sanquin zich in het donorcafé. De vrijwilligster fungeerde als koffiedame en had als taak om, naast het verzorgen van eten en drinken voor de donoren, de donoren goed in de gaten te houden. Dat heeft de vrijwilligster volgens [verzoekster] niet gedaan. De vrijwilligster stond met de rug naar haar toe en daardoor heeft zij niet op tijd gezien dat [verzoekster] niet lekker werd. Ook de donorassistentes hebben niets gezien; zij hadden geen zicht op [verzoekster] door de scheidingswand. Sanquin had extra alert moeten zijn vanwege het risico op flauwvallen en verscherpt toezicht moeten houden omdat [verzoekster] een vrouw is en voor het eerst doneerde. [verzoekster] valt in de risicocategorie met een verhoogde kans op flauwvallen na meer dan 15 minuten na de donatie. Volgens [verzoekster] is haar ook geen drinken aangeboden voorafgaand en na de donatie, terwijl Sanquin op haar website donoren adviseert om water te drinken om flauwvallen te voorkomen. Dat dit helpt, blijkt ook uit een studie van Sanquin die zij op haar website heeft gepubliceeerd. Tot slot stelt [verzoekster] dat volgens het Domaine Handboek de ruimte zo moet zijn ingericht dat de veiligheid van zowel donoren als personeel gewaarborgd is. Er zijn geen relaxfauteuils geplaatst door Sanquin, danwel fauteuils die een stuk zwaarder zijn dan de stoelen op 4 hoge poten die gemakkelijk kunnen omvallen.\n\n4.6.. \n\nSanquin c.s. verzetten zich tegen toewijzing van het verzoek en voeren daartoe\n\n- samengevat - het volgende aan. Volgens Sanquin c.s. is sprake geweest van een ongelukkige samenloop van omstandigheden. Sanquin heeft haar zorgplicht nageleefd en heeft alles gedaan zoals het hoort. Volgens Sanquin kon zij dit ongeval redelijkerwijs niet voorzien en ook niet voorkomen. Er is gehandeld als goed hulpverlener conform de wet- en regelgeving, de professionele standaard en de kwaliteitsstandaard. Ook alle Standard Operating Procedures (hierna: sop’s) zijn nageleefd. Volgens Sanquin c.s. heeft de vrijwilligster [verzoekster] in de gaten gehouden en direct geacteerd toen de vasovagale reactie (het flauwvallen) zich aandiende. Ze stond weliswaar met haar rug naar [verzoekster] toe omdat ze drinken voor [verzoekster] aan het bereiden was, maar voordat de koffie bereid was viel [verzoekster] al op de grond. Toen de vrijwilligster haar zucht hoorde die de val inluidde, is zij meteen naar [verzoekster] toegesneld. Volgens Sanquin valt niet in te zien wat de vrijwilligster redelijkerwijs anders had kunnen doen om de val te voorkomen. Uit het opgestelde profiel blijkt dat de taak van de vrijwilligers – onder andere – is om een medewerker in te schakelen als een donor onwel wordt en dat heeft de vrijwilligster ook gedaan. Zij heeft gelijk om hulp geroepen toen zij [verzoekster] zag wegzakken. Verder is er wel degelijk actief drinken aangeboden na de bloedafname op het bed en vervolgens in het donorcafé. [verzoekster] behoorde niet tot een risicogroep.\n\n4.7.. De rechtbank oordeelt als volgt. Het gaat in deze zaak in de kern om de vraag of Sanquin tekort is geschoten in de zorgplicht die zij jegens [verzoekster] in acht moest nemen. De rechtbank stelt bij de beantwoording van deze vraag voorop dat niet in geschil is dat de vrijwilligster in het donorcafé de taak heeft om de donoren iets te eten en te drinken aan te bieden zodat zij na de donatie kunnen aansterken. Evenmin is in geschil dat de kans bestaat dat een donor dan alsnog flauwvalt.\n\n4.8.. De rechtbank is van oordeel dat van Sanquin mag worden verwacht dat zij voldoende toezicht houdt op de donoren nadat de donatie heeft plaatsgevonden en dat zij voldoende maatregelen neemt om ongevallen te voorkomen, ondanks het feit dat het flauwvallen in de donorruimte minder vaak voor komt dan direct na de donatie en de gevolgen van het flauwvallen over het algemeen niet zo ernstig zijn als in deze zaak. Partijen zijn het erover eens dat de vrijwilligster de taak heeft om “op te letten”, maar het is de vraag of dat in voldoende mate is gedaan. Beoordeeld moet worden of Sanquin meer had kunnen en moeten doen dan ze nu gedaan heeft, zodat het ongeval dat heeft plaatsgevonden mogelijk voorkomen had kunnen worden.\n\n4.9.. Uit de diverse verklaringen die bij [schaderegelingsbureau] zijn afgelegd over de toedracht van het ongeval kan met voldoende mate van zekerheid het volgende worden afgeleid. [verzoekster] heeft de laatste meters vanaf de scheidingswand naar de stoel alleen afgelegd en is door de donorassistente niet bij de scheidingswand bij de vrijwilligster geïntroduceerd. [verzoekster] wist dan ook niet dat de enige andere aanwezige in de koffieruimte een vrijwilligster van Sanquin was en wat [verzoekster] van deze koffiedame kon en mocht verwachten. Volgens [verzoekster] stond de vrijwilligster met de rug naar haar toe toen zij in het donorcafé kwam en is er geen contact geweest met haar. De vrijwilligster heeft zelf ook verklaard dat ze met de rug naar [verzoekster] toe stond omdat zij met het koffiezetapparaat bezig was. De vrijwilligster ging er weliswaar vanuit gaat dat ze actief wat te drinken heeft aangeboden, maar zeker weten deed ze dat niet. Er zijn onvoldoende aanwijzingen dat ze dit daadwerkelijk heeft gedaan. Dat de vrijwilligster met het koffiezetapparaat “bezig was” hoeft immers nog niet te betekenen dat ze koffie aan het bereiden was voor [verzoekster] . Ze naderde het eind van haar dienst en was mogelijk bezig om alles netjes achter te laten. Uit de verklaring van [verzoekster] kan worden afgeleid dat zij nadat ze had plaatsgenomen nog een reep chocola uit haar tas heeft gepakt en dat ze één of meerder minuten later voorover is gaan zitten met haar hoofd op haar handen, omdat ze zich niet lekker voelde. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoekster] verklaard dat ze de koffiedame niet heeft benaderd toen ze zich niet lekker voelde, omdat ze niet wist wat ze van haar kon verwachten. Vaststaat dat de vrijwilligster niet heeft gezien dat [verzoekster] een reep chocolade pakte, zich vervolgens niet goed voelde, noch dat zij van houding veranderde in haar stoel. Zij heeft ook niet opgemerkt dat [verzoekster] mogelijk zou flauwvallen. De vrijwilligster heeft over de toedracht van het ongeval eerst verklaard dat zij met de rug naar het koffiezetapparaat stond op het moment dat [verzoekster] viel. Hierna heeft zij verklaard dat zij zich heeft omgedraaid op het moment dat zij een zucht hoorde en dat zij nog geprobeerd heeft om de stoel tegen te houden zodat hij niet om zou vallen. Vaststaat in ieder geval dat de vrijwilligster pas om hulp heeft geroepen nadat [verzoekster] al op de grond lag. De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat van actief opletten van de vrijwilligster geen sprake is geweest. Dat Sanquin dit wel van de vrijwilligster verwachtte en de instructie heeft gegeven dat zij actief moest opletten is de rechtbank niet gebleken. In het profiel van de vrijwilliger op locatie staat slechts beschreven dat een medewerker van de bloedbank moet worden ingeschakeld als een donor onwel wordt. Er staat niet in het profiel beschreven dat een vrijwilliger moet letten op tekenen die erop kunnen wijzen dat een donor onwel wordt. Het verweer van Sanquin dat de vrijwilligster niet anders kon dan met de rug naar [verzoekster] toe staan omdat zij bezig was met het koffiezetapparaat wordt gepasseerd. Sanquin had de beschikbare ruimte voor donoren anders kunnen inrichten of thermoskannen met koffie en thee op tafel kunnen plaatsen. Daarnaast had Sanquin de vrijwilligster duidelijker kunnen en moeten wijzen op haar taak dat zij actief moest letten op de donor. De vrijwilligster was door de geplaatste scheidingswand namelijk de enige die zicht kon hebben op [verzoekster] tijdens haar herstel in het donorcafé. Dit geldt temeer omdat [verzoekster] voor de eerste maal bloed doneerde, dus onbekend was met de situatie\u002Fpersonen ter plaatse en er stoelen in de ruimte waren geplaatst die kennelijk zo instabiel waren dat ze in het geval van flauwvallen konden omvallen.\n\n4.10.. De rechtbank passeert het verweer van Sanquin dat het Domaine handboek verouderd is en dat zij alles heeft gedaan wat zij moest doen omdat zij aan alle geldende wet- en regelgeving heeft voldaan, dat zij de professionele standaard en de kwaliteitsstandaard heeft nageleefd en ook alle sop’s. Dit ontneemt haar namelijk niet de plicht om voldoende (na)zorg te bieden aan donoren die bloed geven of hebben gegeven en kans hebben om flauw te vallen. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot het oordeel dat Sanquin tekort is geschoten in de nakoming van haar zorgplicht jegens [verzoekster] . Zij is aansprakelijk op grond van artikel 6:74 BW, omdat geen sprake is van een behandelrelatie.\n\n4.11.. De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten.\n\n4.12.. Bij de begroting van de kosten moet de rechtbank de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) in aanmerking nemen. Daarbij moet de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.\n\n4.13.. \n\n [verzoekster] maakt, na vermeerdering van haar vordering ter zitting, aanspraak op € 8.942,50 inclusief btw, te vermeerderen met het griffierecht van € 320,-.\n\nSanquin c.s. hebben geen (afzonderlijk) verweer gevoerd tegen het uurtarief. Met betrekking tot het aantal uren hebben Sanquin c.s. in het verweerschrift aangevoerd dat 14,5 uur voor andere werkzaamheden dan het opstellen van het verzoekschrift bovenmatig is en dat de kosten voor het opstellen van het verzoekschrift niet voor vergoeding in aanmerking komen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft mr. Du Plessis de tijd voor het bestuderen van het verweerschrift verhoogd van 4 naar 16 uren, zodat er in totaal betaling van 36,5 uren wordt gevorderd. De reden voor deze vermeerdering is dat er 669 pagina’s bestudeerd moesten worden, waarvan een groot deel in het technisch Engels was. Sanquin c.s. hebben ter zitting geen verweer gevoerd tegen de vermeerdering van de vordering met 12 uren. De kosten voor het opstellen van het verzoekschrift komen volgens Sanquin ook niet voor vergoeding in aanmerking omdat het precies hetzelfde verzoekschrift is als [verzoekster] eerder heeft ingediend, maar vervolgens heeft ingetrokken.\n\n4.14.. De rechtbank overweegt als volgt. Voor een zaak met deze omvang en complexiteit is een tijdsbesteding van 36,50 uren naar het oordeel van de rechtbank redelijk. Er zijn immers diverse verslagen, omvangrijke handboeken en Standard Operating Procedures die bestudeerd moesten worden, naast de zeer omvangrijke EDQM Blood Guide die ook nog enkel in de Engelse taal is overgelegd. Ten aanzien van de 10 gevorderde uren voor het opstellen van het verzoekschrift is niet gesteld of gebleken dat Sanquin c.s. deze uren in de ingetrokken procedure reeds vergoed heeft. De procedure is ingetrokken omdat [verzoekster] verrast werd door de omvangrijke productie die door Sanquin werd ingediend en niet meer bestudeerd kon worden. De redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de rechtbank dan ook worden begroot op 36,5 uren × € 245,00 inclusief btw, dus op € 8.942,50 inclusief btw te vermeerderen met het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 320,00.\n\n4.15.. Sanquin c.s. zullen hoofdelijk tot betaling daarvan aan [verzoekster] worden veroordeeld. Dit houdt in dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Ten aanzien van Axa heeft te gelden, in verband met het eigen risico van Sanquin van € 25.000,00, dat Axa alleen maar hoeft te betalen als de schade het bedrag van € 25.000,00 te boven gaat. Indien de één betaalt zal de ander zijn bevrijd.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n5.1.. verklaart voor recht dat Sanquin tekort is geschoten in de nakoming van haar zorgplicht en aansprakelijk is voor het [verzoekster] overkomen ongeval;\n\n5.2.. verklaart voor recht dat Sanquin c.s. gehouden is de reeds geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade aan [verzoekster] te vergoeden, met dien verstande dat Axa alleen maar gehouden is de reeds geleden en te lijden materiële en immateriële schade te vergoeden indien en voor zover de schade een bedrag van € 25.000,00 te boven gaat en indien de één betaalt de ander zal zijn bevrijd;\n\n5.3.. begroot de kosten van dit deelgeschil op € 8.942,50 inclusief btw te vermeerderen met het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 320,00 en veroordeelt Sanquin c.s. hoofdelijk tot betaling daarvan aan [verzoekster] ;\n\n5.4.. bepaalt dat de begrote kosten binnen 14 dagen na dagtekening van deze beschikking moeten worden voldaan op rekening [rekeningnummer] ten name van Du Plessis Letselschade Advocatuur B.V., te vermeerderen met de wettelijke rente tot de dag der voldoening indien de kosten niet binnen deze termijn zijn voldaan;\n\n5.5.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. J.A. Werkema en in het openbaar uitgesproken door mr. S.B. van Baalen op 7 juli 2026.\n\n 547\u002FTG","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2689","2026-07-08T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:53.788Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":51,"updatedAt":62},"726","ECLI:NL:RBDHA:2026:17038","ecli-nl-rbdha-2026-17038",58,"2026-06-18T00:00:00.000Z","RECHTBANKDEN HAAG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Den Haag\n\nbr\u002Fcd\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12066828 \\ RP VERZ 26-50085\n\nBeschikking van 18 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoekster],\n\nte [woonplaats],\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoekster],\n\ngemachtigde: mr. S. Boer (Solvit Letselschade Advocaten),\n\ntegen\n\n1. WESTLANDSE STICHTING VOOR KATHOLIEK ONDERWIJS (WSKO),\n\nte Poeldijk, 2. SOCIETAS EUROPAEA (BELGIË) MET VESTIGING IN NEDERLAND MSIG EUROPE,\n\nte Amstelveen,\n\nverwerende partijen,\n\nhierna samen te noemen: WSKO en MSIG,\n\ngemachtigde: mr. H.M. Kruitwagen (Kruitwagen & Partners).\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nhet verzoekschrift met bijlages 1 tot en met 24, binnengekomen op de griffie op 16 januari 2026,\n\nhet verweerschrift met bijlages 1 tot en met 16.\n\n1.2.. Op 30 april 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij partijen en hun gemachtigden zijn verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat toen is besproken. In overleg met partijen heeft de kantonrechter de procedure daarna aangehouden voor schikkingsonderhandelingen.\n\n1.3.. Nadat partijen de kantonrechter op 11 mei 2026 hebben geïnformeerd dat zij niet tot een schikking zijn gekomen, is de uitspraak van deze beschikking bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. WSKO heeft zeventien basisscholen verdeeld in de gemeentes [gemeente 1] en [gemeente 2]. [verzoekster] is vanaf 30 [maand] 2004 tot 1 september 2020 als docent Lichamelijke Opvoeding in dienst geweest van WSKO.\n\n2.2.. \n [verzoekster] is op 4 februari 2019 betrokken geraakt bij een arbeidsongeval (hierna: het ongeval). Toen zij ter voorbereiding van een gymles op een school van WSKO diverse materialen aan het klaarzetten was is een metalen ladder met een geschat gewicht van circa 28 kilogram omgevallen en op de linkerzijde van het achterhoofd, de nek en de schouder van [verzoekster] beland. Daarbij heeft [verzoekster] het bewustzijn niet verloren.\n\n2.3.. \n [verzoekster] heeft WSKO aansprakelijk gesteld voor het ontstaan van het ongeval. MSIG heeft namens haar verzekerde WSKO aansprakelijkheid erkend voor schade ontstaan door het ongeval. Beide partijen hebben vervolgens medische adviezen aangevraagd, die in deze procedure zijn overgelegd.\n\n2.4.. Partijen en hun medisch adviseurs hebben van begin af aan een andere mening over het realiteitsgehalte van de klachten van [verzoekster] en het causaal verband tussen haar klachten en het ongeval. [verzoekster] heeft daarom een verzoek tot het benoemen van een deskundige bij de kantonrechter aanhangig gemaakt. De door de kantonrechter benoemde deskundige, [neuroloog 2], heeft in zijn concept neurologische expertise van 17 juni 2024 voor zover hier relevant het volgende geschreven en op de vragen van de kantonrechter geantwoord:\n\n“(…)\n\nVroegere ziekten, operaties of ongevallen\n\nIn 2009 moest zij acuut stoppen met topsport handbal. Dat gaf spanningsklachten. In deze periode heeft ze ook een kijkoperatie gehad van de linkerknie waarbij een deel van de meniscus is verwijderd en waarbij er een gedeeltelijke kruisbandletsel werd vastgesteld. Plotseling stoppen gaf problemen. Daarvoor kwam ze onder behandeling van de psychosomatisch therapeut [therapeut]. Dat heeft effect gehad. Rond de zwangerschap (ze beviel in [maand] 2015) heeft ze ook spanningsklachten gehad. De hoofdpijn kan ze zich niet herinneren. Deze klachten waren volstrekt anders dan de klachten die ze na het ongeval had. Ze had toen aan beide kanten klachten, terwijl dit nu enkelzijdig is. Ook rond de zwangerschap waaruit haar zoontje is geboren (2018) waren er spanningsklachten, waarbij ze ook niet goed kon doorslapen. Het waren drukke tijden. Ze heeft toen ontspanningsoefeningen gehad. Een en ander had een goed effect. (…)\n\nSamenvatting en bespreking\n\nIn de voorgeschiedenis is sprake van angstklachten met ook verminderde energie en problemen met slapen waarvoor al behandeling in 2009 en 2011 door psychosomatisch fysiotherapeut heeft plaatsgevonden. Deze meldt in 2015 dat ze al langer tension headache klachten heeft, alsmede spanningsklachten van de nek en schouder\u002Farm regio. In verband met een bevalling is de behandeling in 2015 een periode onderbroken en vervolgens weer gestart in december 2015, waarbij in 2016 wordt gemeld dat onrust, tension headache klachten en nek- en schouder klachten zijn afgenomen c.q. zijn verdwenen. Ze slaapt goed en heeft een normale energie. In mei 2018 meldt [therapeut] opnieuw spanningsklachten en onrust in het hele lichaam. Er volgt dan een behandeling tot juli 2018, waarbij de energie voldoende is. Ze slaapt beter. (…)\n\nDe anamnese voor wat betreft ongeval en ongeval mechanisme komt overeen met de dossierbevindingen. Dat geldt in grote lijnen ook voor het beloop van de klachten en de ingestelde behandelingen. In het dossier meldt de neuroloog dat de duizeligheid op een bepaald moment weg was. Ze geeft aan dat het soms ook op een dag wel even weg kan zijn, maar feitelijk eigenlijk bijna continu aanwezig is. Uit de anamnese werd duidelijk dat ze op 07-09-2019 een telefonisch contact heeft gehad met de huisarts en zo ook op 04-02-2019. Er is op deze dagen geen onderzoek verricht. Ten aanzien van de klachten uit het verleden geeft ze aan dat deze anders waren dan de klachten na het ongeval, waarbij er met name een verschil zit in het feit dat deze toen beiderzijds aanwezig waren en nu slechts aan één kant en ook anders en waarbij ook de duizeligheidklachten nu aanwezig zijn. De vermoeidheid was eerder fysiek en nu lichamelijk en mentaal. In de periode direct voorafgaand aan het ongeval had zij geen klachten en ook geen beperkingen, met uitzondering van het feit dat zij niet moest gaan hardlopen vanwege de linkerknie. Wat betreft de duizeligheidklachten is er met name een zeeziek gevoel en niet zozeer draaiduizeligheid. Het kan ook een valgevoel zijn; dat kan naar alle kanten zijn. Er persisteren klachten van visuele overprikkeling, tinnitus rechts meer dan links, vermoeidheidklachten zowel in haar hoofd als in haar lijf waarbij ze ook niet fit opstaat maar wel voldoende slaapt. Daarnaast is er sprake van pijnklachten links in de nek en bij het schouderblad links als ook in het craniocervicale overgangsgebied links, waarbij de pijn ook kan doortrekken naar het voorhoofd aan de linkerkant. De pijn heeft een zeurend karakter en neemt af bij bewegen. De NRS-score varieert tussen 3 en 8. Bij belasten nemen de klachten toe. De duizeligheid vertoont pieken, is eigenlijk dagelijks aanwezig, maar niet continu. Het is veelal een soort golfidee. Ze heeft overdag rust nodig om te ontprikkelen, waarbij ze gebruik maakt van mindfulness en wandelen. Bij oriënterend neuropsychologisch onderzoek kan zij de anamnese goed en voldoende gedetailleerd vertellen. De aandacht is goed te trekken en te houden. Bij de MOCA scoort zij 27\u002F30. Bij de algemene feiten is er slechts 1 afwijkend antwoord. Neurologisch onderzoek in engere zin laat geen afwijkingen zien aan hersenzenuwen, motoriek, sensibiliteit, coördinatie en reflexen. Met name is er geen sprake van afwijkende oogbewegingen, ook niet bij provocatie. Er is sprake van tendomyogene afwijkingen in de nekregio mn links. De onderzoeksbevindingen komen in essentie overeen met de eerder in het dossier beschreven onderzoeksbevindingen van [neuroloog 1]. Beeldvormend onderzoek liet geen afwijkingen zien.\n\nOp basis van de onderzoeksbevindingen is er sprake van tendomyogene afwijkingen in de nekregio, met name aan de linkerzijde. Er zijn geen aanwijzingen voor primair vestibulaire afwijkingen. De beschrijving van de duizeligheidklachten past bij PPPD (Staab et al., Journal of Vestibular Research, 2017,27, 191-208); dit betreft een functionele aandoening waarvan de etiologie onduidelijk is. Er is eerder onderzoek verricht, onder andere een EEG en ook neuropsychologisch onderzoek, op basis waarvan postcommotioneel syndroom is gediagnosticeerd, maar op basis van de anamnese is\u002Fwas er niet overtuigend sprake van traumatisch hersenletsel. Daarmee moet naar mijn mening een nieuw en uitgebreider neuropsychologisch onderzoek worden verricht om te zien of de bewering in het verrichte onderzoek stand houdt. De diagnose BPPD is in het verleden gesteld, maar nimmer bevestigd door onderzoeksbevindingen. Het lijkt met name gebaseerd te zijn geweest op anamnestische gegevens. (De neuroloog [neuroloog 1] concludeerde in 2019 tot BPPD en posttraumatische cervicobrachialgie). Zoals hierboven is aangegeven past een en ander beter bij PPPD, een diagnose die ook eerder is gesteld door Kelder. (…)\n\nBeantwoording van uw vragen\n\n1. De situatie met ongeval\n\n(…)\n\nMedische gegevens\n\nb. Wilt u op basis van het medisch dossier van de onderzochte een beschrijving geven van:\n\n- de medische voorgeschiedenis van de onderzochte op uw vakgebied;\n\n- de medische behandeling van het letsel van de onderzochte en het resultaat daarvan.\n\nAntwoord:\n\nOp basis van het medisch dossier van betrokkene is de medische voorgeschiedenis beschreven, niet alleen op het vakgebied van de neurologie. Ik wil daarbij verder verwijzen naar het hoofdstuk “Vroegere ziekten, operaties en ongevallen”. Voor de medische behandeling van het letsel van betrokkene en resultaten daarvan wordt verwezen naar de samenvatting zoals die hierboven is weergegeven.\n\nConsistentie\n\nd. Is naar uw oordeel sprake van een onderlinge samenhang als het gaat om de informatie die is verkregen van de onderzochte zelf, de feiten zoals die uit het medisch dossier naar voren komen en uw bevindingen bij onderzoek en eventueel hulponderzoek? (…)\n\nAntwoord:\n\nd. op hoofdlijnen is er een overeenkomst tussen anamnese en dossier. Dat geldt ook voor de onderzoeksbevindingen.\n\nDiagnose\n\nf. Wat is de diagnose op uw vakgebied? Wilt u daarbij uw differentiaaldiagnostische overweging geven?\n\nAntwoord:\n\nEr is sprake van een status na trauma capitis en trauma van de nek en scapularegio aan de linkerkant met nu posttraumatische tendomyogene klachten in de nek en scapularegio links, alsmede energetische klachten en duizeligheidklachten. Voor de duizeligheidklachten kan ik geen neurologisch substraat aangeven. Ik vind geen aanwijzingen voor centraal of perifeer vestibulaire afwijkingen. De ervaren energetische en cognitieve problemen (onder andere “sensore integratie” klachten) lijken mij secundair bij een chronisch geworden pijnsyndroom. Voor het primair bestaan van cerebraal letsel zijn er op basis van de anamnese en het dossier en de beeldvorming alsmede het onderzoek van drs vd Scheer geen overtuigende aanwijzingen.\n\nBeperkingen\n\ng. Welke beperkingen op uw vakgebied bestaan naar uw oordeel bij de onderzochte in zijn\u002Fhaar huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voortvloeien uit het ongeval? Wilt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven, op semi-kwantitatieve wijze weergeven en zo nodig toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige?\n\nAntwoord:\n\nBij het ontbreken van een neurologisch substraat voor de klachten kan ik conform de richtlijnen van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie op dit moment geen beperkingen aangeven.\n\n2. De situatie zonder ongeval\n\nKlachten, afwijkingen en beperkingen voor ongeval\n\na. Bestonden voor het ongeval bij de onderzochte reeds klachten en afwijkingen op uw vakgebied die de onderzochte thans nog steeds heeft?\n\nb. Zo ja, kunt u dan aangeven welke beperkingen en welk percentage functionele invaliditeit voor het ongeval uit deze klachten en afwijkingen voortvloeien en thans nog steeds uit deze klachten en afwijkingen voortvloeien?\n\nAntwoord:\n\na. Betrokkene had op basis van anamnese en dossier in de periode direct voor het ongeval geen klachten of afwijkingen op het vakgebied van de neurologie. In het verleden heeft ze in 2009, 2015 en 2018 tendomyogene pijnklachten gehad rond zwangerschappen en plotseling moeten afkicken van een topsportcarrière. Deze klachten waren toen bilateraal aanwezig, terwijl ze nu enkelzijdig zijn en er ook andere klachten aanwezig zijn die er toen niet waren.\n\nb. N.v.t.\n\nKlachten, afwijkingen en beperkingen zonder ongeval\n\nc. Zijn er daarnaast op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, als het ongeval de onderzochte niet was overkomen?\n\nd. Zo ja (dus zonder ongeval ook klachten), kunt u dan een indicatie geven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de klachten en afwijkingen dan hadden kunnen ontstaan?\n\nAntwoord:\n\nc. Op basis van anamnese en dossier heb ik geen reden aan te nemen dat zij de klachten ook zou hebben ontwikkeld wanneer haar het ongeval niet was overkomen met uitzondering van de spierspanningsklachten die ook eerder al aanwezig waren blijkens het dossier en die derhalve opnieuw hadden kunnen optreden, maar dat laatste is geen zekerheid. Een en ander wil overigens niet zeggen dat daarmee een neurologisch substraat voor de klachten kan aangeven. Er is een relatie in tijd.\n\nd. Zie c.\n\n3. Overig\n\na. Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van deze zaak?\n\nAntwoord:\n\na. Ik heb verder geen opmerkingen anders dan het advies om een nieuw neuropsychologisch onderzoek te laten doen. Voor dit onderzoek adviseer ik u om bijvoorbeeld mevrouw drs. [neuropsycholoog], klinisch neuropsycholoog te Zutphen, te vragen betrokkene daartoe uit te nodigen waarna ik desgewenst aanvullend kan rapporteren. Zij is bekend bij uw rechtbank en heeft ervaring in deze.\n\n(…)”\n\n2.5.. \n [verzoekster] is vervolgens neuropsychologisch onderzocht door [neuropsycholoog], die daarover in haar neuropsychologische expertise van 23 juni 2025 voor zover hier relevant het volgende heeft geschreven:\n\n “(…)\n\nEindconclusie\n\nHet neuropsychologisch onderzoek levert in relatie tot de gestelde neurologische werkhypothesen gelieerd aan het ongeval (zie neurologische bevindingen dr. [neuroloog 2]) geen evidentie voor het bestaan van een primair dan wel pijngemedieerde verminderde cognitieve belastbaarheid. De werkhypothese\u002Flabelling dat we mogelijk te maken zouden kunnen hebben met het bestaan van cognitieve disfuncties in relatie tot het ongeval is vanuit neuropsychologisch perspectief niet houdbaar. (…) Om voorts tot verdere labelling (hypothese: somatisch-symptoomstoornis (300.82) dan wel anderszins) te komen én om na te gaan wat de klachtenonderhoudende dan wel herstelbelemmerende factoren zijn, is het zinvol om het oordeel van de psychiater te raadplegen (aanbeveling).\n\nBeantwoording van de vragen\n\n1. Zijn er stoornissen aantoonbaar in het mentale functioneren, het taalgebruik, de regulatie van emoties en gedrag of in helderheid van het bewustzijn?\n\nHet onderzoek levert geen aanwijzingen voor het bestaan van een primaire dan wel pijn gemedieerde verminderde cognitieve belastbaarheid.\n\n2. Is het aannemelijk dat de aangetoonde stoornissen veroorzaakt worden door een hersenbeschadiging als gevolg van het ongeval van 4 februari 2019?\n\n3. Zijn er wellicht andere oorzaken dan dit ongeval (al dan niet ermee samenhangend), die een verklaring kunnen vormen voor de aangetoonde stoornissen?\n\nAangezien er op basis van onderhavig onderzoek géén stoornissen kunnen worden vastgesteld, is het antwoord op beide vragen (vraag 2 en 3) ‘niet van toepassing’.\n\n4. Indien de aangetoonde stoornissen kunnen worden toegeschreven aan een als gevolg van het ongeval d.d. 4 februari 2019 ontstane hersenbeschadiging, welke zijn dan de beperkingen in het functioneren die daardoor zijn ontstaan?\n\nDaar het onderzoek geen evidentie levert voor het bestaan van verminderde cognitieve belastbaarheid, welke mogelijk toegeschreven kan worden aan structurele schade aan het brein, luidt het antwoord op deze vraag ‘niet van toepassing’.\n\n(…)”\n\n2.6.. \n [neuroloog 2] heeft in zijn aanvullend rapport van 27 augustus 2025 geschreven dat zijn eerdere bevindingen in het neuropsychologisch onderzoek van [neuropsycholoog] worden bevestigd en dat de door [neuropsycholoog] aangeraden psychiatrische expertise voor zijn beoordeling niet nodig is.\n\n2.7.. WSKO en MSIG hebben in totaal een bedrag van € 12.000,00 aan voorschotten op schade aan [verzoekster] betaald.\n\n3. Het verzoek en het verweer\n\n3.1.. \n [verzoekster] verzoekt dat de kantonrechter bij beschikking:\n\nvoor recht verklaart dat de onder randnummer 7 van het verzoekschrift opgesomde gezondheidsklachten in (juridisch) causaal verband staan met het ongeval,\n\nWSKO en MSIG beveelt mee te werken aan een verzekeringsgeneeskundige expertise door de heer [naam] op basis van de vraagstelling zoals die in bijlage 24 bij het verzoekschrift is opgetekend,\n\nWSKO en MSIG beveelt de openstaande kosten van rechtsbijstand ter hoogte van een bedrag van € 19.927,59 (rechtstreeks) aan Solvit Letselschade Advocaten te betalen,\n\nde kosten van dit deelgeschil begroot op een bedrag van € 7.018,09 en WSKO en MSIG hoofdelijk veroordeelt tot betaling van dit bedrag en het griffierecht aan [verzoekster].\n\n3.2.. Aan haar verzoeken heeft [verzoekster] het volgende ten grondslag gelegd. Er bestaat een (juridisch) causaal verband tussen haar gezondheidsklachten en het ongeval, aangezien het klachtenpatroon van [verzoekster] plausibel is en geen sprake is van een alternatieve oorzaak voor het ontstaan van haar klachten. Om te voorkomen dat de schaderegeling (opnieuw) stokt, wil [verzoekster] dat een verzekeringsgeneeskundige wordt benoemd. Verder staat op dit moment een bedrag van € 19.927,50 aan buitengerechtelijke kosten open. Deze kosten maken onderdeel uit van de schade en komen voor vergoeding in aanmerking. Het is daarom onacceptabel dat WSKO en MSIG dit bedrag onbetaald laten.\n\n3.3.. WSKO en MSIG vragen de kantonrechter de verzoeken van [verzoekster] af te wijzen.\n\n3.4.. WSKO en MSIG voeren daartoe het volgende aan. De gezondheidsklachten van [verzoekster] zijn niet terug te voeren op het ongeval. Van een medisch of juridisch causaal verband tussen de geduide klachten en het ongeval is dan ook geen sprake. De verzochte verklaring voor recht dient daarom te worden afgewezen. Uit de deskundigenberichten van [neuroloog 2] en [neuropsycholoog] volgt dat voor geen van de door [verzoekster] gestelde klachten een neurologisch substraat bestaat waardoor geen beperkingen kunnen worden geduid. Er is daarom geen reden om een verzekeringsgeneeskundige expertise te gelasten. Partijen schieten met eventuele conclusies van een verzekeringsarts ook niets op, aangezien het enkele vastleggen van de geduide beperkingen niets zegt over de vraag of die beperkingen te relateren zijn aan feitelijke letsels of ziektes als gevolg van het ongeval. Daarnaast doorstaan de buitengerechtelijke kosten de dubbele redelijkheidstoets niet. Aan [verzoekster] zijn al meerdere voorschotten betaald. Gelet op de causaliteitsdiscussie tussen partijen, is op dit moment geen ruimte voor nadere bevoorschotting.\n\n4. De beoordeling\n\nDe deelgeschilprocedure\n\n4.1.. \n [verzoekster] heeft zich tot de kantonrechter gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. De kantonrechter moet beoordelen of sprake is van schade die wordt geleden door dood of letsel. Ook moet de kantonrechter beoordelen of sprake is van een geschil omtrent een deel van wat partijen verdeeld houdt.\n\n4.2.. De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van dood of letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de kantonrechter eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv).\n\n4.3.. In dit geval verschillen partijen – kort gezegd – van mening over de causaliteit tussen de door [verzoekster] geduide klachten en het ongeval. Met een oordeel hierover kan de ontstane impasse tussen partijen worden doorbroken en kunnen de onderhandelingen in worden voortgezet. De kantonrechter zal het verzoek daarom inhoudelijk bespreken.\n\nDe inhoudelijke beoordeling\n\n4.4.. De kantonrechter is van oordeel dat [verzoekster] het gestelde causaal verband tussen haar gezondheidsklachten en het ongeval onvoldoende heeft onderbouwd en dat de door haar verzochte verklaring voor recht en het bevel om mee te werken aan een verzekeringsgeneeskundige expertise daarom niet voor toewijzing in aanmerking komen. De kantonrechter licht dit oordeel als volgt toe.\n\nDe verzochte verklaring voor recht wordt afgewezen\n\n4.5.. \n [verzoekster] verzoekt de kantonrechter voor recht te verklaren dat haar gezondheidsklachten in (juridisch) causaal verband staan met het ongeval van 4 februari 2019. Het gaat hierbij om de volgende klachten:\n\nhoofdpijn,\n\n(posttraumatische) tendomyogene schouder- en nekklachten met uitstraling naar de armen aan de linkerzijde (cervicobrachialgie),\n\nenergetische gezondheidsklachten, waaronder ernstige vermoeidheid en (daaruit voorvloeiende) sterk verminderde fysieke en motorische belastbaarheid en verhoogde emotionele sensitiviteit,\n\ncognitieve gezondheidsklachten, waaronder sensorische integratie problematiek, (draai)duizeligheid en overgevoeligheid voor prikkels.\n\n4.6.. De vraag die dan beantwoord moet worden is of de hierboven genoemde klachten zijn veroorzaakt door het ongeval, zoals [verzoekster] stelt en WSKO en MSIG betwisten. Ter zitting heeft (de gemachtigde van) [verzoekster] zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van medisch objectiveerbare klachten bij [verzoekster], maar dat sprake is van een juridisch causaal verband omdat sprake is van een plausibel klachtenpatroon en een alternatieve oorzaak voor de klachten ontbreekt.\n\n4.7.. \n\nDeze stelling van [verzoekster] lijkt te zijn ontleend aan de zogenoemde ‘whiplashjurisprudentie’. Deze jurisprudentie kan in deze zaak echter niet (onverkort en naar analogie) worden toegepast. De whiplashjurisprudentie vormt een uitzondering, die beperkt blijft tot gevallen waarin weliswaar sprake is van klachten die voor het ongeval niet bestonden, maar niet van een medische objectiveerbare afwijking die aan die klachten ten grondslag kan liggen. De kantonrechter is met WSKO en MSIG van oordeel dat het in de situatie van [verzoekster] gaat om een ongeval waardoor een medisch objectiveerbare afwijking kán en ook is ontstaan, te weten een kneuzing van de schouder- en nekspieren waarop de ladder is gevallen. Het enkele feit dat [verzoekster] na het ongeval aanhoudende klachten ervaart (waarvoor geen medisch substraat wordt gevonden), is daarom onvoldoende om het conditio sine qua non-verband aan te nemen.\n\nDit geldt te meer nu, zoals hierna wordt overwogen, een deel van de klachten ook al voorafgaand aan het ongeval bestond.\n\n4.8.. Het is aan [verzoekster] om feiten te stellen waaruit volgt dat het letsel en de schade die daaruit is voortgevloeid door het ongeval zijn veroorzaakt en deze feiten, bij gemotiveerde betwisting daarvan, te bewijzen. De kantonrechter merkt op dat door partijen een forse hoeveelheid aan medische informatie en rapportages is verzameld. Omdat ter zitting met partijen is geïnventariseerd dat de deskundigen [neuroloog 2] en [neuropsycholoog] ten tijde van het uitbrengen van hun expertises over alle eerder verzamelde medische informatie beschikten en dat hun expertises daarom leidend zijn, zijn alleen de bevindingen uit die expertises in de feiten van deze beschikking opgenomen.\n\n4.9.. \n [verzoekster] heeft ter onderbouwing van het door haar gestelde causaal verband gewezen op hetgeen [neuroloog 2] in zijn expertise over de anamnese, de diagnose en over de consistentie van haar klachten heeft geschreven. Hoewel het klopt dat [neuroloog 2] in zijn expertise schrijft dat hij op basis van de anamnese en het dossier geen reden heeft om aan te nemen dat [verzoekster] de klachten, met uitzondering van de al eerder aanwezige spierspanningsklachten, ook zou hebben ontwikkeld wanneer haar het ongeval niet was overkomen en dat sprake is van een relatie in tijd, lijkt het hier om een aanname te gaan waar verder geen handen en voeten aan wordt gegeven. Voorts geldt dat [neuroloog 2] geen functionele beperkingen op neurologisch gebied heeft kunnen vaststellen. Ook [neuropsycholoog] komt tot de conclusie dat er geen aanwijzingen zijn voor het bestaan van een primaire dan wel pijn gemedieerde verminderde cognitieve belastbaarheid van [verzoekster] en schrijft dat de werkhypothese dat we in de situatie van [verzoekster] mogelijk te maken zouden kunnen hebben met het bestaan van cognitieve disfuncties in relatie tot het ongeval vanuit neuropsychologisch perspectief niet houdbaar is. Op basis van de medische expertises van [neuroloog 2] en [neuropsycholoog] kan het causaal verband tussen de klachten van [verzoekster] en het ongeval dus niet worden vastgesteld.\n\n4.10.. Van belang is verder dat (een gedeelte van) de klachten van [verzoekster] voor het ongeval ook al bestonden. Zo volgt uit hetgeen [neuroloog 2] in zijn expertise onder het kopje ‘Vroegere ziekten, operaties of ongevallen’ heeft opgenomen dat [verzoekster] zowel in 2009, 2015 als in 2018 last heeft gehad van spanningsklachten en volgt uit hetgeen onder het kopje ‘samenvatting en bespreking’ is geschreven dat [verzoekster] zowel in 2015 als in 2016 ook al tension headacheervaarde. Daarbij komt dat uit de samenvatting van het medisch dossier van [verzoekster] volgt dat haar klachten vlak na het ongeval snel minder werden en pas na een vakantie in juli 2019 weer toenamen. Op basis van dit alles ziet de kantonrechter onvoldoende aanknopingspunten om een causaal verband aan te nemen. Dit betekent dat het verzoek van [verzoekster] om voor recht te verklaren dat de onder randnummer 7 van het verzoekschrift opgesomde gezondheidsklachten in (juridisch) causaal verband staan met het ongeval wordt afgewezen.\n\nWSKO en MSIG hoeven niet mee te werken aan een verzekeringsgeneeskundige expertise\n\n4.11.. Omdat hierboven is geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat de gezondheidsklachten van [verzoekster] in juridisch causaal verband staan met het ongeval van 4 februari 2019, is het weinig zinvol een verzekeringsarts te benoemen om beperkingen te laten vaststellen. Dit is door [verzoekster] desgevraagd ter zitting ook bevestigd. De kantonrechter zal het verzoek van [verzoekster] om WSKO en MSIG te bevelen mee te werken een verzekeringsgeneeskundige expertise door de heer [naam] daarom vanwege een gebrek aan belang daarbij afwijzen.\n\nOpenstaande kosten rechtsbijstand\n\n4.12.. Uitgangspunt is dat de buitengerechtelijke kosten die worden gemaakt om de aansprakelijkheid en de hoogte van de geleden (letsel)schade te bepalen, worden vergoed door (de verzekeraar van) de aansprakelijke partij, voor zover het redelijk en noodzakelijk was daarvoor deskundige bijstand in te roepen en de daarvoor gemaakte kosten naar hun omvang redelijk zijn (de dubbele redelijkheidstoets). Aan de eerste redelijkheidstoets is voldaan. Bij letselschade is het in het algemeen redelijk om deskundige rechtsbijstand in te roepen. Dat is ook niet in geschil.\n\n4.13.. Bij de beoordeling van de vraag of de hoogte van de kosten redelijk is, is in de jurisprudentie het uitgangspunt dat het enkele feit dat de schade nog niet vaststaat, of als uiteindelijk komt vast te staan dat de geleden schaden beperkt is, op zichzelf geen reden is om in redelijkheid gemaakte kosten niet te vergoeden. (zie bijvoorbeeld Hoge Raad 13 maart 2015 ECLI:NL:HR 2015:586). In letselschadezaken betekent dit uitgangspunt dat, ook al staat de omvang van de schade niet vast en\u002Fof is de aansprakelijke partij van mening dat de uiteindelijke schade beperkt zal zijn, dit op zichzelf geen reden is om te weigeren voorschotten te betalen op de buitengerechtelijke kosten, zelfs als dit bedrag meer is dan de uiteindelijke schade. De reden hiervan is dat de benadeelde de (financiële) mogelijkheid moet hebben zijn of haar schade te verhalen en het niet redelijk is dat de benadeelde dit gedeelte van de schade zou moeten voorfinancieren.\n\n4.14.. Bij de vraag of de gedeclareerde kosten redelijk zijn is het volgende van belang. In het algemeen wordt in letselschadezaken op basis van het aantal gewerkte uren bij de verzekeraar gedeclareerd. Zo is het hier ook gegaan. Een advocaat heeft een grote mate van vrijheid bij de inrichting en de omvang van de werkzaamheden ten behoeve van zijn of haar cliënt. De cliënt en advocaat zijn ook vrij om een bepaald tarief overeen te komen. Maar als de benadeelde verlangt dat de aansprakelijke partij deze kosten van de rechtsbijstand betaalt mag verwacht worden dat de benadeelde en diens professionele belangenbehartiger ook rekening houden met het belang van de aansprakelijke partij door er voor te zorgen dat de kosten binnen de grenzen van de redelijkheid blijven. Het gaat er niet om of de belangbehartiger alle gedeclareerde werkzaamheden werkelijk heeft verricht, maar om de vraag of het redelijk is dat de kosten daarvan in volle omvang voor rekening van de aansprakelijke partij komen. Eén van de aspecten die daarbij een rol kan spelen is de vraag of de kosten van rechtsbijstand in een aanvaardbare verhouding staan tot de hoogte van de schade. Ook de houding of een gebrek aan medewerking van de aansprakelijke partij kan een rol spelen.\n\n4.15.. Het gaat in deze zaak om een relatief ingewikkelde zaak. Over de toedracht van het ongeval en de aansprakelijkheid is weliswaar geen discussie geweest, MSIG heeft namens haar verzekerde WSKO immers aansprakelijkheid erkend en voorschotten betaald, maar tussen partijen bestaat wel een causaliteitsdiscussie. Mede in dat kader zijn meerdere medische expertises verricht, die de belangenbehartiger van [verzoekster] steeds heeft moeten bestuderen en met [verzoekster] heeft moeten bespreken. Daarbij komt dat die expertises er niet voor hebben gezorgd dat partijen het eens zijn geworden over het antwoord op de vraag of een causaal verband bestaat tussen de klachten van [verzoekster] en het ongeval van 4 februari 2019, waardoor zij ook nog geen overeenstemming hebben bereikt over de hoogte van de schade. Gelet op de looptijd van dit dossier, de hoeveelheid medische expertises en de causaliteitsdiscussie, acht de kantonrechter de gedeclareerde kosten redelijk. WSKO en MSIG worden daarom veroordeeld om de openstaande kosten van rechtsbijstand van een bedrag van € 19.927,59 te betalen.\n\nDe kosten van het deelgeschil\n\n4.16.. Omdat de vorderingen van [verzoekster] voor het belangrijkste deel worden afgewezen zullen WSKO en MSIG niet worden veroordeeld tot betaling van de kosten van het deelgeschil. Wel moet de kantonrechter op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Dat geldt ook als een verzoek in deelgeschil wordt afgewezen. Alleen als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, hoeven de kosten van de procedure niet te worden begroot. Van deze laatste situatie is in dit geval geen sprake.\n\n4.17.. Bij de begroting van de kosten moet de kantonrechter de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) in aanmerking nemen. Daarbij moet de kantonrechter wederom de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.\n\n4.18.. \n [verzoekster] maakt aanspraak op € 7.018,09 inclusief btw, te vermeerderen met het griffierecht. WSKO en MSIG hebben geen (afzonderlijk) verweer gevoerd tegen het uurtarief. Met betrekking tot het aantal uren hebben WSKO en MSIG aangevoerd dat twintig uur bovenmatig is. Volgens WSKO en MSIG is een aantal van vijftien uren redelijk.\n\n4.19.. Gelet op de complexiteit van dit geschil, komt de door de gemachtigde van [verzoekster] opgegeven tijdsbesteding de kantonrechter niet bovenmatig voor. De kantonrechter zal de kosten van dit deelgeschil dan ook begroten op (16 uren x € 290,00 inclusief btw) + (4 uren x € 270,00 inclusief btw), zijnde € 7.018,09 inclusief btw te vermeerderen met het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 93,00.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. beveelt WSKO en MSIG om de openstaande kosten van rechtsbijstand van een bedrag van € 19.927,59 (rechtstreeks) aan Solvit Letselschade Advocaten te betalen,\n\n5.2.. begroot de kosten van dit deelgeschil op € 7.018,09 inclusief btw te vermeerderen met het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 93,00;\n\n5.3.. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.4.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. M.E. Groeneveld-Stubbe en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17038","2026-06-23T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:45.039Z",{"id":64,"ecli":65,"slug":66,"caseNumber":43,"courtId":67,"decisionDate":58,"fullText":68,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":69,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":51,"updatedAt":71},"1571","ECLI:NL:RBZWB:2026:5641","ecli-nl-rbzwb-2026-5641",62,"RECHTBANK Zeeland-West-Brabant\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F02\u002F441050 \u002F HA RK 25-239\n\nHerstelbeschikking van 18 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker],\n\nte [plaats 1] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoeker] ,\n\nadvocaat: mr. J.F. Roth,\n\ntegen\n\n1. [verweerder] B.V.,\n\nte [plaats 2],\n\nhierna te noemen: [verweerder] 2. NATIONALE NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,\n\nadvocaat: mr. J.M. Bruidegom,\n\nte 's-Gravenhage,\n\nhierna te noemen: Nationale Nederlanden\n\nverwerende partijen,\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Op 3 juni 2026 is in deze zaak een beschikking gewezen. De rechtbank heeft ambtshalve geconstateerd dat in deze beschikking de voorschotbedragen voor de deskundigen niet apart benoemd zijn in de beschikking. Voor een juiste financiële afwikkeling is dit wel nodig. Daarom heeft de rechtbank op 4 juni 2026 aan partijen het voornemen geuit om de beschikking op dit punt aan te passen en hen verzocht een eventueel bezwaar tegen de aanpassing kenbaar te maken.\n\n1.2.. De advocaten van partijen hebben op respectievelijk 5 en 7 juni 2026 aangegeven tegen dit voorstel geen bezwaar te hebben.\n\n2. De beoordeling\n\n2.1.. \n\nDe rechtbank is van oordeel dat het niet opnemen van de voorschotbedragen van de deskundigen in de beschikking van 3 juni 2026 een kennelijke fout betreft die zich voor eenvoudig herstel leent. De rechtbank zal daarom rechtsoverweging 4.9. aanvullen op de wijze als in het dictum vermeld.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n3.1.. bepaalt dat rechtsoverweging 4.9. in de beschikking van 3 juni 2026 waar staat:\n\n“Volgens de hoofdregel moet het voorschot op de kosten van de deskundigen in beginsel door de verzoekende partij worden voldaan. In dit geval heeft Nationale Nederlanden de aansprakelijkheid voor het voorval erkend en aangegeven bereid te zijn de kosten van deze onderzoeken te dragen. De rechtbank oordeelt daarom dat Nationale Nederlanden de voorschotten van de deskundigen zal betalen. Partijen hebben zich schriftelijk akkoord verklaard met de begrotingen van dr. [deskundige 1] en drs. [deskundige 2] .”\n\nwordt gewijzigd in:\n\n“Volgens de hoofdregel moet het voorschot op de kosten van de deskundigen in beginsel door de verzoekende partij worden voldaan. In dit geval heeft Nationale Nederlanden de aansprakelijkheid voor het voorval erkend en aangegeven bereid te zijn de kosten van deze onderzoeken te dragen. De rechtbank oordeelt daarom dat Nationale Nederlanden de voorschotten van de deskundigen zal betalen. Partijen hebben zich schriftelijk akkoord verklaard met de begrotingen van dr. [deskundige 1] en drs. [deskundige 2] . Het voorschot van dr. [deskundige 1] bedraagt € 6.872,80 (inclusief btw) en het voorschot van drs. [deskundige 2] bedraagt € 10.066,11 (inclusief btw)”\n\n3.2.. bepaalt dat deze wijziging onder vermelding van de datum 18 juni 2026 wordt vermeld op de minuut van de beschikking gedateerd op 3 juni 2026,\n\n3.3.. gelast elk van partijen, voor zover zij dit niet reeds hebben gedaan, de ontvangen grosse dan wel het ontvangen afschrift van het beschikking van 3 juli 2025 na ontvangst van deze herstelbeschikking aan de griffie van de rechtbank te retourneren.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Van Noort en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5641","2026-06-26T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:27.620Z",{"id":73,"ecli":74,"slug":75,"caseNumber":43,"courtId":76,"decisionDate":77,"fullText":78,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":79,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":51,"updatedAt":80},"1686","ECLI:NL:RBAMS:2026:6375","ecli-nl-rbams-2026-6375",56,"2026-06-17T00:00:00.000Z","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F783609 \u002F HA ZA 26-151\n\nVonnis in incident van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\neisende partij in de hoofdzaak,\n\nverwerende partij in het incident,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\nadvocaat: mr. W.A. van Veen,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij in de hoofdzaak,\n\neisende partij in het incident,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nadvocaat: mr. J. Kruijswijk Jansen.\n\nen\n\nGEMEENTE AMSTELVEEN,\n\ngevestigd in Amstelveen,\n\ngedaagde partij in de hoofdzaak,\n\nverwerende partij in het incident,\n\nhierna te noemen: de gemeente,\n\nadvocaat: mr. T. Jaspers.\n\n1. De procedure1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding, met producties,\n\n- de conclusie van antwoord van de gemeente, met producties,\n\n- de incidentele conclusie voor alle weren ex artikel 194 en 195 Rv van [gedaagde] ,\n\n- de conclusie van antwoord in het incident van [eiser] , met producties,\n\n- de conclusie van antwoord in het incident van de gemeente.\n\n1.2.. Het vonnis in incident is bepaald op vandaag.2. De feiten, voor zover van belang in incident2.1.. \n [eiser] heeft bij de vuilnisophaaldienst van de gemeente gewerkt. Hij werd door de gemeente als uitzendkracht ingehuurd. Op 26 september 1997 is hij beklemd geraakt tussen de hydraulische armlift en het veiligheidshek van de vuilniswagen. Hij heeft daardoor ernstig letsel opgelopen en is volledig arbeidsongeschikt geworden.\n\n2.2.. Op 21 december 1998 heeft de gemeente aan de toenmalige advocaat van [eiser] laten weten dat het college van B&W van de gemeente op 6 januari 1998 de aansprakelijkheid voor de letselschade van [eiser] heeft erkend. De gemeente heeft een aantal materiële schadeposten vergoed en de WAO-uitkering van [eiser] aangevuld tot het niveau van zijn laatste salaris.\n\n2.3.. In april 2006 heeft advocaat [gedaagde] de zaak overgenomen van zijn voorganger. De toenmalige kantoorgenoot van [gedaagde] heeft tussen 18 augustus 2006 tot en met 11 november 2008 met de gemeente contact gehad over vergoeding van andere schadeposten als gevolg van het ongeval van [eiser] . [gedaagde] heeft [eiser] tot begin 2024 bijgestaan en toen zijn dossier overgedragen aan de accountant van [eiser] .\n\n2.4.. Op 13 maart 2024 hebben de nieuwe advocaten van [eiser] de gemeente laten weten dat de schade van [eiser] nog niet volledig is vergoed en dat [eiser] zijn vordering tot vergoeding daarvan handhaaft.\n\n2.5.. Op 7 april 2025 heeft de gemeente [eiser] laten weten dat zij nooit aansprakelijkheid heeft erkend voor de volledige schade van [eiser] , maar alleen voor de schadeposten die zijn en nog steeds worden vergoed. Volgens de gemeente zijn andere schadeposten verjaard en is de termijn daarvoor gaan lopen op 15 december 2003 of 9 december 2004.\n\n2.6.. In april en mei 2025 hebben de advocaten van [eiser] [gedaagde] laten weten dat hij aansprakelijk wordt gehouden voor de schade van [eiser] . Volgens [eiser] is [gedaagde] aansprakelijk omdat hij zijn vordering heeft laten verjaren en hij niet aan zijn inspanningsverplichting heeft voldaan. Daarna is gebleken dat een brief van [gedaagde] van 11 november 2008 als stuitingshandeling kan worden gezien. De gemeente heeft vervolgens een beroep gedaan op verjaring van de vordering van [eiser] per 11 november 2013.\n\n2.7.. Op 17 juli 2025 heeft de rechtbank in een door [eiser] gestarte kort gedingprocedure een ordemaatregel getroffen die inhoudt dat [gedaagde] € 55.500,00 aan [eiser] betaalt onder de voorwaarde dat [eiser] de vordering die hij op de gemeente heeft voor vergoeding van de andere schadeposten voor dat bedrag aan [gedaagde] cedeert. Aan de veroordelingen in de uitspraak in kort geding is voldaan. Daarna heeft [eiser] [gedaagde] in een bodemprocedure betrokken.3. De vordering in de hoofdzaak3.1.. \n\n [eiser] vordert dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad:\n\n1) bij tussenvonnis bepaalt dat de vordering van [eiser] op de gemeente vanwege het arbeidsongeval van 26 september 1997 is verjaard of niet is verjaard,\n\n2) voor recht verklaart dat:\n\n- als de vordering van [eiser] op de gemeente is verjaard, [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade van [eiser] als gevolg van het arbeidsongeval in 1997 en tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding van € 9.999,\n\n- als de vordering van [eiser] op de gemeente niet is verjaard, de gemeente, die de aansprakelijkheid voor de schade van [eiser] heeft erkend, gehouden is de schade van [eiser] te vergoeden en een voorschot op de schadevergoeding van € 9.999 te betalen,\n\n- in beide gevallen met verwijzing naar de schadestaatprocedure voor de overige schade,\n\n3) voor recht verklaart dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade als gevolg van zijn onvoldoende inspanning in de 17 jaar dat hij de zaak van [eiser] onder zich heeft gehad, met verwijzing voor de bepaling van de schade naar de schadestaatprocedure,\n\n4) [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten.4. Het geschil in incident4.1.. \n\n [gedaagde] vordert dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad:\n\n1) [eiser] primair veroordeelt tot afgifte van en subsidiair tot inzage in alle correspondentie tussen (de vertegenwoordiger van) [eiser] en (de vertegenwoordiger van) de gemeente van 21 oktober 1997 tot aan vandaag over de afwikkeling van de aanspraken tot schadevergoeding als gevolg van het ongeval van 26 september 1997, waaronder die over de fiscale benadering van de uit te keren schadevergoeding, dit binnen 7 dagen na het vonnis in incident, op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag dat [eiser] niet aan de veroordeling voldoet, met veroordeling van [eiser] in de kosten van het incident,\n\n2) de gemeente primair veroordeelt tot afgifte van en subsidiair tot inzage in alle correspondentie tussen (de vertegenwoordiger van) [eiser] en (de vertegenwoordiger van) de gemeente van 21 oktober 1997 tot aan vandaag over de afwikkeling van de aanspraken tot schadevergoeding als gevolg van het ongeval van 26 september 1997,\n\nwaaronder die over de fiscale benadering van de uit te keren schadevergoeding, dit binnen 7 dagen na het vonnis in incident, op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag dat de\n\ngemeente dit niet doet, met veroordeling van de gemeente in de kosten van het incident.\n\n4.2.. \n [eiser] en de gemeente verweren zich tegen de incidentele vorderingen van [gedaagde] en willen dat die worden afgewezen, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het incident.\n\n4.3.. Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, verder ingegaan.5. De beoordeling in incidentDe vordering tot inzage op grond van artikel 194 en 195 Rv5.1.. Een partij heeft via artikel 194 in samenhang met artikel 195 Rv de mogelijkheid om via de rechter inzage van bepaalde gegevens te vorderen. Het recht op inzage daarvan komt toe aan a) een partij bij een rechtsbetrekking, als die partij b) daarbij voldoende belang heeft. De wederpartij is niet verplicht tot het geven van inzage als zij een beroep kan doen op een verschoningsrecht of als gewichtige redenen daaraan in de weg staan.\n\n5.2.. De rechtbank is van oordeel dat de vorderingen van [gedaagde] in beide gevallen beperkt kunnen worden toegewezen, omdat hij daarbij slechts gedeeltelijk belang heeft.\n\n [eiser] : inzage wordt toegestaan met betrekking tot correspondentie tussen de gemeente en [eiser] zelf5.3.. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] geen belang bij zijn vordering omdat [eiser] [gedaagde] op 19 juni 2025 een kopie van de relevante stukken uit het dossier heeft verstrekt. Daarmee heeft [eiser] aan de vordering tot inzage voldaan. Ook heeft [eiser] [gedaagde] de gelegenheid gegeven om het volledige dossier in te zien op het kantoor van zijn advocaat. [gedaagde] heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt en doet dat nog steeds niet. [eiser] is bereid [gedaagde] nog een keer een digitale kopie van het dossier te sturen, als [gedaagde] daarvan de kosten betaalt. Voor zover [gedaagde] wel belang zou hebben bij inzage geldt dit volgens [eiser] alleen voor de correspondentie tussen hem en de gemeente vanaf 15 december 2003. De gemeente stelt zich namelijk op het standpunt dat dat de datum is waarop de verjaringstermijn is gaan lopen.\n\n5.4.. \n\nDe rechtbank volgt [eiser] in zijn verweer dat [gedaagde] geen belang heeft bij zijn inzagevordering van het dossier als geheel. [eiser] heeft hem al een digitale kopie verstrekt van de relevante correspondentie en voor zover [gedaagde] meent dat dit niet compleet is, kan hij het dossier dat aanwezig is bij de advocaat van [eiser] inzien.\n\nDaarvoor heeft [gedaagde] dus geen gerechtelijk bevel nodig. [gedaagde] heeft wel voldoende belang bij de halfjaarlijkse correspondentie tussen [eiser] zelf en de gemeente over de vaststelling van het bedrag van de vergoeding van het verlies aan arbeidsvermogen die de gemeente hem periodiek uitkeerde. Hij heeft onderbouwd dat die relevant kan zijn voor de verjaringsvraag. [gedaagde] is weliswaar bekend met de inhoud van deze correspondentie, maar beschikt daar kennelijk niet over en deze bevindt zich kennelijk ook niet in de reeds verstrekte digitale kopie. Of deze brieven, die aan [eiser] zelf gestuurd zijn, zich in het dossier bevinden is onzeker. De rechtbank zal daarom bepalen dat [gedaagde] het dossier kan inzien om vast te stellen of deze brieven zich in het dossier bevinden en dat, als dat het geval is, hem daarvan afschrift moet worden verstrekt.\n\n5.5.. Voor zover de inzagevordering van [gedaagde] gaat om de correspondentie tussen de accountant en de gemeente geldt daarvoor dat het belang van [gedaagde] ontbreekt. De accountant heeft namelijk verklaard dat er eenmaal is gecorrespondeerd tussen hem en de gemeente en dat dit ging over de uitkomst van de procedure tussen [eiser] en de belastingdienst. In die procedure heeft de rechtbank geoordeeld dat over de door de gemeente uit te betalen schadeposten geen loonbelasting moet worden geheven. Voor de in dit geding te beantwoorden vraag of de vordering van [eiser] op de gemeente is verjaard is deze kwestie niet van belang.\n\n5.6.. De conclusie is dat de vordering van [gedaagde] tot inzage door [eiser] wordt toegewezen in die zin dat [gedaagde] inzage moet worden verschaft in het dossier en dat hem afschrift moet worden verstrekt van de onder 5.4 genoemde halfjaarlijkse brieven van de gemeente aan [eiser] zelf, als deze in het dossier worden aangetroffen en van eventuele andere stukken die [gedaagde] relevant acht en die niet reeds elektronisch zijn verstrekt. De rechtbank ziet gezien de bereidheid die [eiser] tot op heden heeft getoond om het dossier ter beschikking te stellen geen aanleiding voor een dwangsom. Wel geldt dat de rechter aan een eventueel gebrek aan medewerking gevolgen kan verbinden. De termijn om inzage en zo nodig afschrift te verstrekken zal worden bepaald op twee weken. Voor zover aan het verstrekken van afschriften kosten zijn verbonden, zal [gedaagde] deze op grond van artikel 194 lid 1 Rv moeten dragen.\n\nGemeente moet [gedaagde] beperkt inzage geven in correspondentie vanaf 15 december 20035.7.. De gemeente heeft aangevoerd dat het belang bij inzage voor [gedaagde] ontbreekt, dat de door [gedaagde] gevraagde informatie onvoldoende is bepaald en dat geen sprake is van een rechtsbetrekking. Het is [gedaagde] bekend dat de gemeente de andere schadeposten waarop [eiser] aanspraak maakt nooit heeft betaald en dat de gemeente ook geen verdere aansprakelijkheid heeft erkend. Correspondentie over de betalingen die wel zijn gedaan, zijn dan ook voor [gedaagde] niet relevant voor zijn verweer tegen de verjaring in de hoofdzaak. Ook kan de gemeente niet worden belast met het terugvinden van alle correspondentie die over een periode van bijna 30 jaar is gevoerd. [gedaagde] had de gevraagde correspondentie moeten concretiseren. Daarnaast kan [gedaagde] de gevraagde correspondentie ook opvragen bij [eiser] en is onduidelijk waarom [gedaagde] correspondentie wil hebben die hij zelf met de gemeente heeft gevoerd. Hij had de correspondentie zelf moeten bewaren en heeft dat niet gedaan. Daarbij komt dat [gedaagde] zijn vordering tot inzage niet tot de gemeente kan richten, omdat de gemeente in de hoofdzaak als derde is opgeroepen. Er is daarmee geen rechtsbetrekking. Voor zover de rechtbank de vordering alsnog toewijst, vraagt de gemeente de gevorderde dwangsom te matigen tot een bedrag van € 100 per dag met een maximum van € 1000.\n\n5.8.. De rechtbank volgt de gemeente niet in haar verweer dat [gedaagde] geen heeft belang bij inzage of dat hij met de gemeente geen rechtsbetrekking heeft. [gedaagde] heeft immers een vordering van [eiser] op de gemeente gecedeerd gekregen. Hij heeft daarom ook belang bij correspondentie voor zover deze relevant kan zijn voor de vraag of de (aan hem gecedeerde) vordering van [eiser] op de gemeente verjaard is. Of de door de gemeente wel vergoede schadeposten de verjaring wel of niet heeft gestuit zal in de hoofdzaak moeten worden bepaald. Dit staat daarmee inzage door [gedaagde] van de correspondentie daarover niet in de weg. [gedaagde] beschikt niet (meer) over de betreffende correspondentie. De gemeente stelt terecht dat [gedaagde] als advocaat in ieder geval de beschikking zou moeten hebben over de correspondentie die hij zelf namens [eiser] met de gemeente heeft gevoerd. Aannemelijk is dat [gedaagde] begin 2024 geen kopie heeft gemaakt van het dossier en dat toen in zijn geheel heeft overgedragen aan de accountant van [eiser] en dat dit dossier inmiddels wordt beheerd door de nieuwe advocaat van [eiser] . Omdat hij zich tot [eiser] kan richten om daar (via zijn advocaat) inzage in te krijgen ontbreekt in zoverre belang om diezelfde correspondentie van de gemeente ter inzage te krijgen. Dat is anders voor zover het gaat om correspondentie van de gemeente rechtstreeks aan [eiser] zelf. Die kan van belang kan zijn voor het verweer in de door [eiser] tegen hem gestarte hoofdzaak. Of die correspondentie zich in het dossier van [eiser] bevindt is onzeker, terwijl er wel een gerede kans is dat de gemeente daar nog over beschikt. Dit is grond om te bepalen dat [gedaagde] afschrift dient te worden verstrekt van alle correspondentie die door de gemeente rechtstreeks aan [eiser] zelf is verzonden, zonder afschrift aan zijn advocaat, vanaf 15 december 2003, omdat de gemeente zich op het standpunt stelt dat vanaf die datum de verjaring is gaan lopen. Voor de correspondentie van voor die datum geldt dat [gedaagde] daar geen belang bij heeft.\n\n5.9.. Het verweer van de gemeente dat er geen rechtsbetrekking is omdat zij als derde in de hoofdzaak is opgeroepen gaat niet op. De rechtsbetrekking met de gemeente volgt uit het gegeven dat het hier gaat om de aanspraak op aanvullende vergoeding van schadeposten door de gemeente aan [eiser] en dat [eiser] zijn vordering op de gemeente voor € 55.000 heeft gecedeerd aan [gedaagde] . Bovendien volgt uit artikel 118 Rv dat een partij, in dit geval de gemeente, die als derde is opgeroepen, partij is in het geding, zodat er een rechtsbetrekking is.\n\n5.10.. Dit betekent dat de vordering van [gedaagde] tot inzage door de gemeente wordt toegewezen zoals vermeld onder 5.8. De rechtbank stelt de termijn hiervoor vast op vier weken na de datum van dit vonnis, omdat het hier gaat om een lange periode en de gemeente tijd nodig zal hebben om de correspondentie te achterhalen. De rechtbank ziet geen aanleiding de gemeente een dwangsom op te leggen. Voor zover aan het verstrekken van afschriften kosten zijn verbonden, zal [gedaagde] deze op grond van artikel 194 lid 1 Rv moeten dragen.\n\nDe proceskosten worden gecompenseerd5.11.. Omdat de vorderingen van [gedaagde] jegens zowel [eiser] als de gemeente slechts voor een klein deel zijn toegewezen ziet de rechtbank aanleiding de kosten te compenseren; iedere partij draagt de eigen kosten in dit incident.6. De beslissing\n\nDe rechtbank,\n\nin het incident\n\n6.1.. beveelt [eiser] aan [gedaagde] binnen twee weken na de datum van dit vonnis inzage en afschrift te verschaffen op de wijze zoals vermeld onder 5.6,\n\n6.2.. beveelt de gemeente aan [gedaagde] binnen vier weken na de datum van dit vonnis inzage en afschrift te verschaffen op de wijze zoals vermeld zoals vermeld onder 5.8,6.3.. compenseert de proceskosten in dit incident; iedere partij draagt de eigen kosten,\n\n6.4.. wijst het meer of anders gevorderde af,\n\nin de hoofdzaak\n\n6.5.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, rechter, bijgestaan door mr. N. Noordmans, griffier en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6375","2026-07-13T00:29:33.558Z",{"id":82,"ecli":83,"slug":84,"caseNumber":43,"courtId":85,"decisionDate":77,"fullText":86,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":87,"sourceTimestamp":77,"parsedAt":51,"updatedAt":88},"1683","ECLI:NL:RBOVE:2026:3383","ecli-nl-rbove-2026-3383",57,"RECHTBANK Overijssel\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nZaaknummer: C\u002F08\u002F333755 \u002F HA ZA 25-174\n\nVonnis van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonende te [woonplaats],\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser],\n\nadvocaat: mr. M. Bennami,\n\ntoevoegingsnummer: [nummer],\n\ntegen\n\n1. FIT FOR FREE 47 B.V.tevens h.o.d.n. SportCity Deventer,\n\ngevestigd te Deventer, 2. LIBERTY MUTUAL INSURANCE EUROPE SE,\n\nstatutair gevestigd te Luxemburg, kantoorhoudende te Den Haag,\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna samen te noemen: Sportcity c.s. (in vrouwelijk enkelvoud)\n\nen afzonderlijk: Sportcity en Liberty,\n\nadvocaat: mr. J.A. Kopp.\n\n1. De zaak in het kort\n\n [eiser] verzoekt de rechtbank terug te komen op de beslissing van de deelgeschilrechter. Ook verzoekt [eiser] de rechtbank om verlof te verlenen om tussentijds hoger beroep in te stellen. De rechtbank wijst de vorderingen van [eiser] af. [eiser] heeft onvoldoende aangevoerd om tot de conclusie te komen dat de beslissing van de deelgeschilrechter berust op een onjuiste feitelijke of juridische grondslag. Daarom is de rechtbank gebonden aan de beslissing van de deelgeschilrechter. Omdat de rechtbank gelijk een eindvonnis zal wijzen, kan [eiser] daarnaast zonder verlof in hoger beroep. Dit oordeel wordt hierna toegelicht.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 17 september 2025,\n\n- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 3,\n\n- de mondelinge behandeling van 7 april 2026,\n\n- de spreekaantekeningen van [eiser] en Sportcity c.s.2.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. Op 24 januari 2023 is [eiser] geblesseerd geraakt aan zijn hamstrings tijdens het gebruik van een fitnesstoestel, de ‘seated leg curl’, bij Sportcity te Deventer. De ‘seated leg curl’ is een fitnesstoestel waarop de hamstrings kunnen worden getraind.\n\n3.2.. Bij het gebruik van het fitnesstoetstel door [eiser] is op enig moment de weerstand van de gewichten weggevallen. [eiser] heeft zich daarna bij de balie gemeld en meegedeeld dat hij daardoor pijn aan zijn hamstrings heeft ondervonden. Vervolgens is hij naar huis gegaan. Op 26 januari 2023 heeft [eiser] in verband met zijn klachten de huisarts bezocht en enige weken later zijn fysiotherapeut.\n\n3.3.. \n [eiser] heeft een deelgeschilprocedure bij deze rechtbank aanhangig gemaakt om de aansprakelijkheid van Sportcity c.s. voor het ongeval met de ‘seated leg curl’ vast te laten stellen op grond van artikel 6:173 BW jo. artikel 6:181 lid 1 BW, dan wel artikel 6:162 BW.\n\n3.4.. Bij beschikking van 9 juli 2024 heeft de rechtbank (hierna: de deelgeschilrechter) het verzoek van [eiser] afgewezen. De deelgeschilrechter heeft overwogen dat niet is gebleken dat de ‘seated leg curl’ gebrekkig was in de zin van artikel 6:173 BW jo artikel 6:181 BW. Ook is niet gebleken dat Sportcity c.s. onzorgvuldig heeft gehandeld jegens [eiser] in de zin van artikel 6:162 BW. In deze beschikking is onder andere overwogen:\n\n‘‘5.4. Gelet op deze verklaringen en het gebrek aan onderbouwing van de gestelde\n\ntoedracht in het dossier kan de rechtbank niet met zekerheid vaststellen wat de oorzaak van\n\nhet wegvallen van de weerstand is geweest. Het meest aannemelijke scenario lijkt te zijn dat de pin tussen twee gaten is blijven hangen en op enig moment is losgeschoten. Als dat tot uitgangspunt wordt genomen rijst de vraag of Sportcity aansprakelijk kan worden gehouden voor het wegvallen van de weerstand en de gevolgen die dit volgens [eiser] heeft gehad.\n\nBeoordeeld moet worden of er voldoende juridische grondslag bestaat om af te wijken van het uitgangspunt dat ieder zijn eigen schade draagt.\n\n(…)5.7.. De rechtbank is van oordeel dat van een gebrek aan het toestel onvoldoende is gebleken. Bij een normaal gebruik valt de pin in een gat op de verstelschijf en dan is van belang dat de pin niet uit het gat schiet. Dat daarvan sprake is geweest is echter niet aannemelijk en wordt ook niet (meer) gesteld. Aangezien in deze procedure tot uitgangspunt wordt genomen dat de pin is blijven hangen tussen twee gaten moet ten eerste worden beoordeeld of dit is veroorzaakt door een gebrek aan het toestel. In dat kader stelt de rechtbank vast dat [eiser] zelf de pin tussen de gaten heeft geplaatst. Dat de slijtage op de verstelschrijf ertoe heeft geleid dat de pin is blijven hangen wordt niet gevolgd. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, valt niet in te zien dat bij uitgesleten gaten een verdikking ontstaat (in plaats van een glad oppervlak), waardoor de pin meer grip had op de verstelschijf en daardoor is blijven hangen. Daar komt bij dat niet is gebleken dat een pin niet kan blijven hangen op een nieuwe schijf. Dat betekent dat geen verband kan worden gelegd tussen het blijven hangen van de pin en de slijtage.’’\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. \n [eiser] vordert dat de rechtbank, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nPrimair: terug zal komen op de beslissing van de deelgeschilrechter van 9 juli 2024 en bijgevolg voor recht zal verklaren dat Sportcity c.s. volledig aansprakelijk is jegens [eiser] en daarom gehouden is zijn schade als gevolg van het incident met de seated leg curlte vergoeden waaronder een veroordeling in de betaling van de kosten van het deelgeschil welke zijn begroot op € 7.933,00;\n\nSubsidiair: verlof zal verlenen voor het tussentijds hoger beroep;\n\nSportcity c.s. zal veroordelen in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten.\n\n4.2.. Sportcity c.s. voert verweer en concludeert dat de rechtbank zich onbevoegd zal verklaren om alsnog van de vorderingen van [eiser] kennis te nemen, het verlofverzoek van [eiser] zal afwijzen respectievelijk de vorderingen van [eiser] niet-ontvankelijk zal verklaren althans deze af te wijzen, en met veroordeling van [eiser] in de proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na het te wijzen vonnis tot de dag van algehele voldoening, uitvoerbaar bij voorraad.\n\n4.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n5. De beoordeling\n\nDe rechtbank komt niet terug op de beslissing van de deelgeschilrechter\n\n5.1.. Primair vordert [eiser] om terug te komen op de beslissing van de deelgeschilrechter van 9 juli 2024 en bijgevolg voor recht te verklaren dat Sportcity c.s. volledig aansprakelijk is jegens [eiser] om zijn schade te vergoeden, waaronder de kosten van het deelgeschil. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling uitgelegd dat volgens hem de slijtage van het fitnessapparaat de oorzaak moet zijn geweest voor het ongeval en dat Sportcity c.s. daarvoor aansprakelijk is. De deelgeschilrechter heeft hierover al een beslissing genomen en deze redenering van [eiser] afgewezen. Voordat kan worden toegekomen aan de vraag of Sportcity c.s. aansprakelijk is voor de schade en de kosten van het deelgeschil, moet eerst de vraag worden beantwoord in hoeverre de rechtbank gebonden is aan die beslissing van de deelgeschilrechter.\n\nHet toetsingskader\n\n5.2.. Als in een deelgeschil uitdrukkelijk en zonder voorbehoud is beslist op een of meer feitelijke of juridische geschilpunten tussen partijen over hun materiële rechtsverhouding, is de rechter in de daaropvolgende bodemprocedure op dezelfde wijze aan die beslissingen gebonden als wanneer deze beslissingen waren gegeven in een tussenvonnis in die bodemprocedure (artikel 1019cc lid 1 Rv). In beginsel is de rechter aan bindende eindbeslissingen gebonden voor het verdere verloop van de procedure bij de rechtbank. Dit heeft te maken met de eisen van de goede procesorde en een vlot procesverloop. Als partijen het niet eens zijn met een beslissing is het in beginsel de bedoeling dat een rechtsmiddel wordt ingesteld. Dit uitgangspunt geldt echter niet onverkort. De eisen van de goede procesorde kunnen ook meebrengen dat de rechtbank van zo’n eindbeslissing terugkomt. Een van deze redenen is dat de rechtbank bevoegd is een eindbeslissing te heroverwegen als is gebleken dat die eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag en handhaving van deze onjuiste lezing zou leiden tot een einduitspraak waarvan zij overtuigd is dat deze ondeugdelijk is (Zie conclusie A-G bij HR 17 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1591, ECLI:NL:PHR:2023:850 r.o. 3.2 en verder).\n\n5.3.. Dit betekent dat de rechtbank moet beoordelen of sprake is van een onjuiste feitelijke of juridische grondslag. De rechtbank stelt vast dat de deelgeschilrechter in de beschikking van 9 juli 2024, uitdrukkelijk en zonder voorbehoud het volgende heeft beslist. Het meest aannemelijke scenario voor de oorzaak van het wegvallen van de weerstand lijkt naar het oordeel van de deelgeschilrechter te zijn geweest dat de pin tussen twee gaten is blijven hangen en op enig moment is losgeschoten. Dit volgt uit de geciteerde passages onder r.o. 3.4. Daarnaast heeft de deelgeschilrechter beslist dat de stelling van [eiser] niet wordt gevolgd dat de slijtage op de verstelschijf ertoe heeft geleid dat de pin is blijven hangen. Daarbij was (onder meer) niet gebleken dat een pin niet kan blijven hangen op een nieuwe schijf, waardoor er geen verband kon worden gelegd tussen het blijven hangen van de pin en de slijtage. De deelgeschilrechter heeft op grond van deze feiten de aansprakelijkheid ex artikel 6:173 BW jo 6:181 lid BW afgewezen. De rechtbank is aan deze beslissingen van de deelgeschilrechter dus gebonden, tenzij blijkt dat de beslissing berust op een onjuiste feitelijke of juridische grondslag.\n\nEr is niet gebleken van een onjuiste feitelijke grondslag\n\n5.4.. \n [eiser] heeft zich er ten eerste op beroepen dat het oordeel van de deelgeschilrechter berust op een onjuiste feitelijke grondslag. [eiser] stelt zich op het standpunt dat na de beschikking van de deelgeschilrechter nieuwe feiten bekend zijn geworden met betrekking tot zijn beroep op de artikelen 6:173 BW jo 6:181 lid 1 BW. Volgens [eiser] is na de deelgeschilprocedure feitelijk gebleken dat de selectiepin niet kan blijven hangen op een onversleten schijf. De deelgeschilrechter ging, vanwege het ontbreken van deze (nieuwe) informatie, ervan uit dat er geen verband bestond tussen het blijven hangen van de selectiepin en de slijtage op de verstelschijf. Dit is feitelijk onjuist gebleken, aldus [eiser].\n\n5.5.. Sportcity c.s. betwist dat sprake is van nieuwe feiten. Volgens Sportcity c.s. gaat het om eerder ingenomen en door de deelgeschilrechter beoordeelde stellingen van [eiser]. Onder verwijzing naar hetgeen zij reeds heeft aangevoerd in de deelgeschilprocedure betwist Sportcity c.s. het door [eiser] gestelde vermeende gebrek aan het fitnesstoetstel bestaande uit de slijtage aan de verstelschijf. Volgens Sportcity c.s. is de door [eiser] gestelde schade niet veroorzaakt door een versleten schijf maar door onjuist gebruik van het fitnesstoestel door [eiser] zelf. Verder voert Sportcity c.s. aan dat het door [eiser] gestelde ongeval ook had kunnen plaatsvinden bij een (nagenoeg) nieuwe schrijf.\n\n5.6.. \n [eiser] onderschrijft het oordeel van de deelgeschilrechter dat de pin is losgeschoten, maar volgens [eiser] is dat het gevolg van slijtage aan het apparaat en is Sportcity c.s. daarvoor aansprakelijk. [eiser] voert in dit kader aan dat de selectiepin niet kan blijven hangen op een onversleten schijf. Dit is volgens [eiser] een nieuw feit. De rechtbank is van oordeel dat hetgeen door [eiser] is aangevoerd onvoldoende concreet is om terug te komen op de bindende eindbeslissing van de deelgeschilrechter dat niet kan worden vastgesteld dat het losschieten van de pin het gevolg is van slijtage aan het apparaat. Ter onderbouwing van zijn stelling dat de pin niet kan blijven hangen op een onversleten schijf, heeft [eiser] met name een beroep gedaan op een e-mail van 20 december 2024 van [naam], marktverantwoordelijke voor de verkoop van Precor toestellen (het fitnesstoestel waarmee het door [eiser] gestelde ongeval heeft plaatsgevonden). Hierin schrijft [naam]: ‘‘Wat verstellen van rugleuning of kussens betreft dat gaat via een draai & pull beweging en als de pin na de juiste instelling weer wordt losgelaten dan komt ze in het daarvoor voorziene gat. Indien het gat niet juist voor de pin zit zal deze verschuiven tot de pin er in zit.’’ De e-mail bevat een algemene beschrijving van de werkwijze van het fitnesstoestel. Hieruit blijkt niet voldoende concreet dat het niet mogelijk is dat de pin uit het gat kan schieten bij een onversleten schijf. Deze enkele e-mail is dan ook mede in het licht van de beoordeling in de deelgeschilbeschikking onvoldoende om feitelijk vast te stellen dat het blijven hangen van de pin het gevolg is van slijtage. Ook de andere door [eiser] overgelegde producties bieden geen steun voor het door [eiser] ingenomen standpunt dat sprake is van een onjuiste feitelijke grondslag. Die producties bevatten verklaringen ter onderbouwing van de in de deelgeschilprocedure al ingenomen standpunten van [eiser]. Deze argumenten zijn inhoudelijk al in de deelgeschilprocedure beoordeeld. Dat betekent dat niet kan worden aangenomen dat de deelgeschilrechter uitgegaan is van onjuiste feiten of dat anderszins sprake is van een onjuiste feitelijke grondslag ten aanzien van de beoordeling van artikel 6:173 BW jo 6:181 lid 1 BW. De rechtbank zal niet terugkomen op de bindende eindbeslissing van de deelgeschilrechter.\n\n5.7.. Ten aanzien van de beoordeling van de zorgplichtschending ex artikel 6:162 BW heeft [eiser] niet expliciet toegelicht op grond waarvan volgens hem bij die beoordeling sprake is geweest van een onjuiste feitelijke grondslag. [eiser] heeft de eerder in de deelgeschilprocedure ingenomen stellingen aangevoerd. Dat is niet genoeg om terug te komen op de bindende eindbeslissing van de deelgeschilrechter dat Sportcity c.s. niet aansprakelijk is op grond van artikel 6:162 BW.\n\nEr is ook niet gebleken van een onjuiste juridische grondslag\n\n5.8.. Ter zitting is door [eiser] aanvullend aangevoerd dat ook sprake is van een onjuiste juridische grondslag die aanleiding geeft om terug te komen op een bindende eindbeslissing. Volgens [eiser] had de deelgeschilrechter als zij geen gebrek aan het fitnestoestel kon aannemen de bewijslast moeten omkeren omdat Sportcity c.s. bewijs heeft vernietigd door de verstelschijf weg te gooien.\n\n5.9.. Ook hierin volgt de rechtbank [eiser] niet. De deelgeschilrechter is niet aan bewijslevering toegekomen en heeft geen expliciet oordeel gegeven over de bewijslastverdeling. Ten aanzien van de bewijslastverdeling is geen sprake van een bindende eindbeslissing. Dit wil echter niet zeggen dat de deelgeschilrechter dit standpunt van [eiser] niet in de beoordeling heeft betrokken. In het verzoekschrift waarmee [eiser] de deelgeschilprocedure is gestart, wordt namelijk ook al feitelijk gesteld dat de oude schijf inmiddels was weggegooid en heeft [eiser] al een beroep gedaan op omkering van de bewijslast. Dit was ook in de deelgeschilprocedure dus al een bekende stelling. De deelgeschilrechter heeft vervolgens op feitelijke gronden geoordeeld dat de oorzaak van het wegvallen van de pin niet kan worden vastgesteld en dat in het verlengde daarvan aansprakelijkheid niet kan worden aangenomen. De rechtbank kan in beginsel niet treden in deze inhoudelijke beoordeling van de deelgeschilrechter nu niet is gebleken van een onjuiste feitelijke grondslag. Overigens volgt uit de stellingen van [eiser] ook niet dat de toepassing van de stelplicht en bewijslast in de deelgeschilprocedure berusten op een onjuiste juridische grondslag. Uit de beschikking leidt de rechtbank af dat ten aanzien van de stelplicht de hoofdregel uit artikel 150 Rv. is toegepast. Afwijking daarvan door omkering van de bewijslast is een uitzondering die terughoudend en slechts onder bijzondere omstandigheden moet worden toegepast. Tegen deze achtergrond kan niet worden aangenomen dat het inhoudelijke oordeel van de deelgeschilrechter berust op een onjuiste juridische grondslag. De rechtbank ziet in deze fase van de procedure ook geen grond voor een andere toepassing van de verdeling van de stelplicht en bewijslast. Voor zover [eiser] meent dat de deelgeschilrechter op dit punt een onjuist oordeel heeft gegeven, ligt het op zijn weg om daartegen op te komen door het instellen van een rechtsmiddel. Dit levert ook geen grond op om in deze procedure terug te komen op de bindende eindbeslissing van de deelgeschilrechter.\n\nConclusie\n\n5.10.. De conclusie is dat de rechtbank niet terugkomt op de beslissing van de deelgeschilrechter en bijgevolg dus ook niet toekomt aan een nieuwe beoordeling van de vraag of Sportcity c.s. aansprakelijk is om de schade van [eiser] te vergoeden en de kosten van het deelgeschil. De primaire vordering van [eiser] zal dan ook worden afgewezen.\n\nDe rechtbank hoeft geen verlof voor tussentijds hoger beroep meer te verlenen\n\n5.11.. Voor het geval de rechtbank gebonden is aan de beslissing van de deelgeschilrechter, dan verzoekt [eiser] subsidiair om verlof te verlenen om tussentijds hoger beroep in te stellen tegen de beschikking van de deelgeschilrechter.\n\nHet toetsingskader\n\n5.12.. Bij de beoordeling van het verzoek tussentijds hoger beroep toe te staan stelt de rechtbank het volgende voorop. Ingevolge artikel 1019bb Rv staat tegen de beschikking van de deelgeschilrechter geen voorziening open, onverminderd het bepaalde in artikel 1019cc lid 3 Rv. In artikel 1019cc lid 3 Rv is bepaald dat in de procedure ten principale van de beschikking van de deelgeschilrechter, voor zover zij beslissingen als bedoeld in het eerste lid bevat, bij het gerechtshof hoger beroep kan worden ingesteld als van een tussenvonnis. Dat beroep moet op grond van dat artikel binnen drie maanden worden ingesteld, te rekenen vanaf de eerste roldatum, zijnde 11 juni 2025. Ook moet binnen dezelfde termijn aan de (bodem)rechter een verzoek worden gedaan tot het verlenen van verlof. In het arrest van de Hoge Raad van 17 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1924 is bepaald dat de appeltermijn van drie maanden gaat lopen vanaf de datum van het vonnis waarbij het verlof voor tussentijds hoger beroep is verleend. Daarnaast kan hoger beroep worden ingesteld tegen de deelgeschilbeschikking tegelijk met het hoger beroep tegen het eindvonnis (sub b van artikel 1019cc lid 3 Rv)\n\nDe rechtbank wijst eindvonnis\n\n5.13.. \n [eiser] heeft primair een oordeel gevraagd over de bindende eindbeslissing in de deelgeschiluitspraak. De rechtbank begrijpt de vordering en de toelichting zo dat [eiser] heeft beoogd dat eerst in de bodemprocedure bij de rechtbank zou worden beoordeeld of aanleiding bestond om terug te komen op een bindende eindbeslissing. [eiser] heeft eerst subsidiair gevraagd verlof te verlenen voor tussentijds hoger beroep. De rechtbank zal het verlofverzoek van [eiser] om tussentijds hoger beroep in te stellen afwijzen nu met dit vonnis al een eindvonnis zal worden gewezen en [eiser] in zoverre geen belang meer heeft bij tussentijds beroep. Daarvoor is van belang dat [eiser] primair uitsluitend vordert dat de rechtbank terugkomt op de bindende eindbeslissing en een verklaring voor recht geeft dat Sportcity c.s. aansprakelijk is. Die vordering zal gelet op het voorgaande worden afgewezen. Er zijn verder door [eiser] geen vorderingen ingesteld waarop de rechtbank in deze instantie nog een beslissing moet nemen. De in de deelgeschilbeschikking vervatte beslissingen zijn dan ook niet langer cruciaal en bepalend voor de afloop van deze bodemzaak. Gelet op deze omstandigheden zal de rechtbank eindvonnis wijzen. Op grond van artikel 1019cc lid 3 onder b Rv kan [eiser] tegen dit eindvonnis, alsmede tegen de beschikking van de deelgeschilrechter, in hoger beroep om welke reden de rechtbank geen verlof meer hoeft te verlenen.\n\n [eiser] moet de proceskosten betalen\n\n5.14.. \n [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Sportcity c.s. worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n714,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.306,00\n\n(2 punten × € 653,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.209,00\n\n5.15.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n6.1.. wijst de vorderingen van [eiser] af,\n\n6.2.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.209,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n6.3.. veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n6.4.. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. D.N.R. Wegerif en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3383","2026-07-13T00:29:33.367Z",{"id":90,"ecli":91,"slug":92,"caseNumber":43,"courtId":93,"decisionDate":94,"fullText":95,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":96,"sourceTimestamp":94,"parsedAt":51,"updatedAt":97},"1097","ECLI:NL:GHARL:2026:3976","ecli-nl-gharl-2026-3976",60,"2026-06-16T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.350.189 zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 9129659\n\narrest van 16 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [appellant] ( [appellant] )\n\ndie woont in [woonplaats1]\n\nhierna: [appellant]\n\nadvocaat: mr. A.K. Doornbosch\n\ntegen\n\n [geïntimeerde] ( [geïntimeerde] )\n\ndie woont in [woonplaats2]\n\nhierna: [geïntimeerde]\n\nadvocaat: mr. S.W. Polak\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\n1.1.. Partijen hebben ieder hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het eindvonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, (hierna: de kantonrechter) op 11 september 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. [geïntimeerde] heeft daarnaast voorwaardelijk hoger beroep ingesteld tegen het in deze zaak door de kantonrechter op 17 november 2021 gewezen tussenvonnis. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:\n\nde dagvaarding in hoger beroep\n\nde memorie van grieven\n\nde memorie van antwoord tevens wijziging van eis en memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep\n\nde akte uitlating vermeerdering van eis en memorie van antwoord in het voorwaardelijke incidenteel hoger beroep\n\nhet verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 18 februari 2026 is gehouden.\n\n1.2.. \n [appellant] heeft op 19 maart 2026 vijf processen-verbaal van getuigenverhoren door de rechter-commissaris in strafzaken in het geding gebracht.1.3.. Partijen hebben het hof gevraagd hierna arrest te wijzen.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1.. \n [geïntimeerde] heeft voor [appellant] werkzaamheden verricht bij de bouw van een woning. Hij is op de bouwplaats ten val gekomen en heeft daarbij letsel opgelopen aan beide benen. In geschil is waar [geïntimeerde] is gevallen en of dit in de uitoefening van zijn werkzaamheden is gebeurd. Volgens [geïntimeerde] is hij tijdens hijswerkzaamheden vanaf de zolderverdieping op een platdak gevallen en volgens [appellant] is [geïntimeerde] vanaf een zeecontainer op de grond gevallen toen hij na werktijd een grap wilde uithalen.\n\n2.2.. \n [geïntimeerde] heeft gevorderd dat de kantonrechter voor recht verklaart dat [appellant] aansprakelijk is voor zijn schade en [appellant] veroordeelt tot vergoeding van die schade, nader op te maken bij staat en vermeerderd met wettelijke rente en kosten.2.3.. De kantonrechter heeft [geïntimeerde] in het tussenvonnis opgedragen te bewijzen dat hij tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden van het dak van de te bouwen woning is gevallen. In het eindvonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat [geïntimeerde] daarin is geslaagd en heeft hij de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen, met uitzondering van de wettelijke rente. De kantonrechter heeft geoordeeld dat daarover in de schadestaatprocedure moet worden beslist.\n\n2.4.. De bedoeling van het hoger beroep van [appellant] tegen het eindvonnis is dat de toegewezen vorderingen alsnog worden afgewezen. [geïntimeerde] heeft in hoger beroep zijn eis vermeerderd en vordert tevens de veroordeling van [appellant] tot betaling van een voorschot op zijn schadevergoeding van € 75.000. Voor het geval het hof – anders dan de kantonrechter – niet bewezen acht dat [geïntimeerde] schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden, heeft [geïntimeerde] hoger beroep ingesteld tegen het tussenvonnis. Volgens [geïntimeerde] heeft de kantonrechter in het tussenvonnis ten onrechte een bewijsopdracht gegeven en had de door hem gestelde toedracht van het ongeval direct als vaststaand aangenomen moeten worden.\n\n2.5.. Het hof zal beslissen dat het eindvonnis van de kantonrechter bekrachtigd wordt en [appellant] veroordelen tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding van € 50.000. Het hof licht dat hierna toe.\n\n3. De toelichting op de beslissing van het hof\n\nDe feiten\n\n3.1.. In juni 2020 werkte [appellant] vanuit zijn eenmanszaak [naam bedrijf] in opdracht van de particuliere eigenaar van het [straatnaam + woonplaats] aan de ruwbouw van een te realiseren nieuwbouwwoning. Ter uitvoering van zijn opdracht heeft [appellant] andere zelfstandigen in zijn opdracht werkzaamheden laten verrichten, onder wie [geïntimeerde] .\n\n3.2.. Het ging om een vrijstaande woning met vier woonlagen: de kelder, de begane grond, de eerste verdieping en de zolderverdieping. Aan de achterzijde van de woning is op de begane grond een aanbouw met een platdak gerealiseerd. De woning zelf heeft een afgeknot schilddak waarvan het schuine gedeelte doorloopt tot de vloer van de zolderverdieping.3.3.. Op vrijdag 26 juni 2020, de dag waarop [geïntimeerde] ten val is gekomen, heeft [appellant] de volgende foto’s van de achterzijde van de woning in aanbouw gemaakt (linksachter respectievelijk rechtsachter).\n\nOp de linkerfoto zijn twee pallets te zien met witte gipsbetonblokken (giboblokken) op het platdak van de aanbouw van de woning. In het schuine gedeelte van het schilddak zijn aan de achterzijde twee uitsparingen gecreëerd voor het realiseren van dakramen. In de linker uitsparing is ook een pallet met giboblokken zichtbaar. Aan de voorkant van de woning staat een rode telescoopkraan waarvan de uitgeschoven zwarte hijsarm boven het huis uitsteekt. Op de rechterfoto zijn in de lucht ook de kettingen zichtbaar die aan de hijsarm zijn bevestigd en rechts naast het huis is een garage in aanbouw te zien. Die garage grenst aan het perceel van de buurvrouw ( [naam buurvrouw] ).\n\n3.4.. \n [appellant] had de hijskraan met kraanmachinist (de heer [naam kraanmachinist] ) voor twee dagen (in)gehuurd. Op donderdag 25 juni 2020 zijn er door [appellant] bestelde bouwmaterialen in de woning gehesen. Vervolgens zijn er dakplaten gehesen en gemonteerd. Op vrijdag 26 juni 2020 zijn de laatste dakplaten op het dak bevestigd. Daarna heeft [appellant] de foto’s gemaakt.\n\n3.5.. Niet in geschil is dat [geïntimeerde] die vrijdagmiddag ten val is gekomen. [appellant] heeft hem in zijn werkbus naar de eerste hulp gebracht, waar is geconstateerd dat zijn beide enkels zijn verbrijzeld. [geïntimeerde] is in verband met dit letsel meerdere malen geopereerd.\n\n3.6.. \n [appellant] heeft de val van [geïntimeerde] niet gemeld bij de Nederlandse Arbeidsinspectie (hierna: arbeidsinspectie). Dat heeft de moeder van [geïntimeerde] alsnog gedaan op 21 september 2020. De arbeidsinspectie heeft vervolgens onderzoek verricht en op 18 juli 2022 proces-verbaal opgemaakt van haar bevindingen. Op dat moment was de procedure bij de kantonrechter al aanhangig gemaakt.\n\nAansprakelijkheid voor arbeidsongevallen\n\n3.7.. Een opdrachtgever die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf arbeid laat verrichten door een persoon met wie hij geen arbeidsovereenkomst heeft (de opdrachtnemer), is aansprakelijk voor de schade die de opdrachtnemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt. Dat is slechts anders als de opdrachtgever aantoont dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan of dat de schade in belangrijke mate te wijten is aan opzet of bewuste roekeloosheid van de opdrachtnemer (artikel 7:658 lid 4 in samenhang met lid 2 en lid 1 BW).\n\nSchade in de uitoefening van de werkzaamheden3.8.. Partijen twisten over de vraag waar en op welke wijze [geïntimeerde] op de bouwplaats ten val is gekomen en of dat tijdens of na het uitvoeren van zijn werkzaamheden is gebeurd.3.9.. Het is aan de opdrachtnemer (in dit geval: [geïntimeerde] ) om te stellen en bij voldoende betwisting te bewijzen dat de schade in de uitoefening van de werkzaamheden is geleden.\n\n3.10.. \n [geïntimeerde] stelt dat hij uit de linker uitsparing aan de achterzijde van het schilddak op het platdak van de aanbouw is gevallen. Hij stond in die uitsparing omdat de hijskraan daar doorheen een pallet met giboblokken op de zoldervloer had laten zakken. De pallet was aan de kettingen van de hijskraan bevestigd met behulp van twee singels (hijsbanden) die onder de pallet doorgingen. Iedere singel had aan beide uiteinden één haak die aan de ketting van de hijskraan waren bevestigd. Nadat de pallet op de vloer van de zolderverdieping was geplaatst, heeft [geïntimeerde] twee van de vier haken losgehaald. [geïntimeerde] stelt dat de lading daarna bewoog en dat hij vanwege de lading door de uitsparing naar buiten is geduwd en vervolgens een verdieping lager op het platdak van de aanbouw terecht is gekomen. [appellant] heeft dat betwist.3.11.. Het dossier bevat verschillende getuigenverklaringen. Enkele getuigen hebben in aanloop naar de procedure bij de kantonrechter een schriftelijke verklaring getekend. Zij en ook andere getuigen zijn vervolgens in 2021 gehoord door de arbeidsinspectie. In 2022 heeft een getuigenverhoor ten overstaan van de kantonrechter plaatsgevonden. In 2024 heeft de arbeidsinspectie [appellant] , [getuige1] en [getuige2] opnieuw gehoord, dit maal in verband met een verdenking van meineed. Tot slot zijn in dat kader ook nog getuigen gehoord door de rechter-commissaris in strafzaken.\n\n3.12.. De stelling van [geïntimeerde] vindt allereerst steun in de verklaringen van de kraanmachinist. Hij heeft verklaard dat hij een pak stenen op een pallet door de schuine doorvoer van het dak heeft laten zakken aan de achterkant van het huis, waar het voor hem vanuit de cabine niet zichtbaar was. Nadat hij via de portofoon te horen had gekregen dat de haken los waren en hij kon hijsen, heeft hij met zijn camera ingezoomd. Hij kon niet zien of de haken los waren. Wel zag hij iemand gebogen op de pallet staan, die hij niet meer zag toen hij uitzoomde. Toen hij vervolgens ging hijsen ervoer hij weerstand aan de hijsband en hijsdraad, waarna hij meteen is gestopt. Omdat hij geen contact meer kreeg via de portofoon en hij op zijn camera niemand zag, is hij uit zijn cabine gestapt. Op dat moment hoorde hij iemand schreeuwen van de pijn, waarop hij mensen aan de voorkant van de woning heeft gealarmeerd.3.13.. De kraanmachinist is niet de enige die heeft verklaard dat er een pallet door de uitsparing van het dak is geloodst. Ook de hulpkracht die door [geïntimeerde] was ingehuurd ( [naam hulpkracht] ), heeft verklaard dat er op de bovenste verdieping een pallet naar binnen werd gehesen, reden waarom [geïntimeerde] daar volgens hem heen was gegaan. De verklaring van de kraanmachinist dat hij weerstand ervoer bij het hijsen, strookt ook met de stelling van [geïntimeerde] dat de lading, nadat deze op de vloer van de zolder tot stilstand was gekomen, daarna weer bewoog. Hoewel de kraanmachinist de eerste keer bij de arbeidsinspectie heeft verklaard dat hij die dag niets heeft gezien of gehoord van vallen doet dat aan de geloofwaardigheid van zijn uiteindelijke verklaring niet af. De kraanmachinist heeft zich kort na het eerste verhoor uit eigen beweging bij de arbeidsinspectie gemeld. Uit zijn brief aan de arbeidsinspectie blijkt overtuigend dat hij gewetenswroeging kreeg en alsnog open kaart wilde spelen. Sindsdien heeft hij consequent verklaard als hiervoor beschreven. 3.14. Dat [geïntimeerde] terecht is gekomen op het platdak van de aanbouw, vindt steun in de verklaringen van de hulpkracht en de buurvrouw. De hulpkracht heeft in dat verband verklaard dat hij [geïntimeerde] op enig moment hoorde gillen, dat hij de steiger op is geklommen en door het huis is gerend tot aan het raam waar je op het achterdak kon komen. Volgens hem lag [geïntimeerde] op het achterdak al kon hij hem niet heel goed zien liggen vanuit zijn positie. Hij werd vervolgens weggestuurd, omdat – zo vulde hij in – hij nog jong was. Hij verklaarde dat het voor hem ook wel een hele happening was. Ook uit de verklaring van de buurvrouw blijkt overduidelijk dat die middag grote indruk op haar heeft gemaakt. Zij heeft verklaard dat ze een heel luide schreeuw hoorde die overging in een enorm gebrul, gejammer, gekrijs, waarop zij naar buiten is gegaan naar de hoek van haar perceel (voorbij de garage in aanbouw met zicht op de zijkant van de aanbouw van de woning). Zij heeft zeer overtuigend en consequent verklaard dat er een aantal werklui hoog in een hoek van het in aanbouw zijnde dak stonden rondom de plek waar het gekerm vandaag kwam dat door merg en been ging. Dat zij wisselend heeft verklaard over de precieze hoogte en locatie waar de mannen stonden, maakt haar verklaring niet minder geloofwaardig. Beide verklaringen komen zeer overtuigend over.3.15.. Het hof stelt vast dat uiteindelijk alleen nog door [appellant] wordt verklaard dat [geïntimeerde] op een andere plek ten val is gekomen. Hij heeft verklaard dat zijn medewerkers al klaar waren met werken en nog wat gingen drinken terwijl hij een rondje om de woning liep en onder meer de hiervoor weergegeven foto’s heeft gemaakt. Toen hij terugkwam achter de woning zaten daar alleen [getuige2] en [getuige1] nog. Op dat moment viel er een emmer water en tuimelde [geïntimeerde] er volgens [appellant] achteraan. Hij hoorde iets vallen en toen hij zich omdraaide lag [geïntimeerde] in een splitsecond ook naast de emmer. Volgens [appellant] is [geïntimeerde] van een zeecontainer op een partij lege pallets gevallen die daarnaast op de grond lag.3.16.. Aanvankelijk hebben ook [getuige2] en [getuige1] in hun schriftelijke verklaringen aangegeven dat [geïntimeerde] van de verdiepingsvloer of de zeecontainer op de grond is gevallen, maar dat hebben zij tijdens hun verhoren niet herhaald. [getuige2] heeft toen verklaard dat hij [geïntimeerde] niet heeft zien vallen, maar wel op de grond heeft zien liggen. Later is hij daar op teruggekomen en zegt hij dat hij hem alleen achter het gebouw op de grond heeft zien zitten en dat hij schreeuwde van de pijn. [getuige1] heeft bij zijn eerste verhoor al aangegeven dat hij alleen heeft gezien dat [geïntimeerde] in de auto werd gezet. Hij zegt niet te hebben gezien dat iemand is gevallen en waar precies. Hij heeft [geïntimeerde] ook niet zien liggen. Ook de zoon van [appellant] ( [naam] ) heeft verklaard niets van het vallen van [geïntimeerde] te hebben gezien. Hij zat naar eigen zeggen aan de voorkant van de woning toen iemand in paniek naar hen toe kwam rennen en hij met iedereen van de voorkant is gaan kijken. Hij heeft verklaard er geen beeld meer van te hebben waar [geïntimeerde] lag, op de eerste verdiepingsvloer of op de grond. Hij was toen nog jong en best wel geschrokken.\n\n3.17.. In de overige getuigenverklaringen is dan ook onvoldoende steun te vinden voor de verklaring van [appellant] dat [geïntimeerde] op de grond is gevallen. Gelet op de overtuigende verklaringen van de kraanmachinist, de hulpkracht en de buurvrouw die niet met elkaar in tegenspraak zijn maar elkaar juist versterken en welke verklaringen haaks staan op de verklaring van [appellant] , acht het hof de verklaring van [appellant] ongeloofwaardig.\n\n3.18.. Dat [geïntimeerde] zelf wisselend over de toedracht heeft verklaard – bij de eerste hulp dat hij van een keukentrapje zou zijn gevallen en tijdens een barbecue dat hij een geintje had willen uithalen en ook zou hebben geprobeerd een schadevergoeding bij de aansprakelijkheids-verzekeraar van zijn moeder te claimen –, doet niet af aan de bewijskracht van de hiervoor aangehaalde getuigenverklaringen.\n\n3.19.. \n [appellant] heeft weliswaar betwist dat een pallet met stenen van 80 bij 120 cm door de uitsparing van het dak paste en er daarnaast nog voldoende ruimte overbleef voor [geïntimeerde] om de haken los te maken, maar hij heeft zijn betwisting onvoldoende onderbouwd. Die conclusie kan niet worden getrokken uit de door hem overgelegde filmpjes. Hoewel [appellant] kan worden toegegeven dat er onduidelijkheden blijven bestaan over waar in de uitsparing [geïntimeerde] heeft gestaan en hoe hij daaruit is gevallen en op zijn voeten heeft kunnen landen, ligt het niet op de weg van [geïntimeerde] om de precieze toedracht aan te tonen. Een onzekere toedracht komt – mits aannemelijk is dat de schade is opgelopen in de uitoefening van zijn werkzaamheden, hetgeen hier het geval is – voor risico van de opdrachtgever.Het was dan ook aan [appellant] om zijn betwisting concreter te onderbouwen. Dat maakt ook dat de kantonrechter, anders dan [appellant] heeft betoogd, deze betwisting niet verder heeft hoeven onderzoeken.3.20.. \n\nHet hof is van oordeel dat met voldoende mate van zekerheid is komen vast te staan dat [geïntimeerde] , zoals hij stelt, op het platdak van de aanbouw is gevallen terwijl hij bezig was met hand- en spandiensten voor de hijswerkzaamheden en hij dus schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden.\n\nWerkzaamheden in de uitoefening van het bedrijf van [appellant]3.21.. De vervolgvraag die beantwoord moet worden is of [geïntimeerde] deze werkzaamheden heeft verricht in de uitoefening van het bedrijf van [appellant] . Niet in geschil is immers dat de pallet met giboblokken die naar binnen werd gehesen bestemd was voor de Poolse metselaars die niet in opdracht van [appellant] werkten. [appellant] heeft nadrukkelijk betwist dat hij hiervoor opdracht heeft gegeven. Of [appellant] de door hem ingehuurde kraanmachinist daar al dan niet opdracht toe heeft gegeven en [geïntimeerde] om hem daarbij te assisteren, kan echter in het midden blijven. Niet vereist is immers dat de opdrachtnemers ( [geïntimeerde] en de kraanmachinist) op het moment van het ongeval strikt handelden in de daadwerkelijke uitoefening van een hen concreet opgedragen taak.Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft [appellant] verklaard dat hij degene is geweest die alle giboblokken heeft besteld en dat hij de kraanmachinist heeft ingehuurd en betaald om onder meer die blokken in de woning te hijsen voordat het dak gesloten was. Ook als de kraanmachinist en [geïntimeerde] uit eigen beweging de pallet in de dakuitsparing hebben gehesen, is dat gebeurd in de context van de bedrijfsuitoefening van [appellant] . Tijdens de mondelinge behandeling is namens [appellant] te kennen geven dat dit op zichzelf ook niet wordt betwist, enkel de feitelijke gang van zaken.\n\nAansprakelijk voor schade; geen beroep op een uitzonderingssituatie3.22.. Dat betekent dat [appellant] aansprakelijk is voor de schade die [geïntimeerde] als gevolg van de val heeft geleden en nog lijdt. [appellant] doet immers geen beroep op de uitzonderingssituaties uit artikel 7:658 lid 2 en lid 1 BW. Zo heeft hij niet gesteld dat hij zijn zorgplicht ter beperking van valgevaar is nagekomen en evenmin dat [geïntimeerde] , uitgaande van de door hem gestelde toedracht, met opzet of bewuste roekeloos heeft gehandeld en daardoor ten val is gekomen. [appellant] heeft alleen gesuggereerd dat het heel goed mogelijk is dat [geïntimeerde] roekeloos heeft gehandeld, zoals hij wel vaker op de bouwplaats deed, maar heeft dat voor deze specifieke situatie niet concreet gemaakt noch daaraan een consequentie verbonden. Ook hier had het op zijn weg gelegen om dat gemotiveerd te stellen. Ook bij de kantonrechter heeft [appellant] dat niet gedaan, zodat de kantonrechter dat ook niet hoefde te onderzoeken. Schadevergoeding; voorschot\n\n3.23.. \n [appellant] is dan ook gehouden om de schade van [geïntimeerde] te vergoeden. Dat [geïntimeerde] letsel heeft opgelopen en meerdere operaties heeft moeten ondergaan, wordt door [appellant] op zichzelf niet betwist. [geïntimeerde] heeft ter onderbouwing van de omvang van zijn schade een orthopedisch expertiserapport overgelegd waarin is neergelegd dat [geïntimeerde] blijvende beperkingen ondervindt ten aanzien van het gebruik van beide benen, leidend tot 14% blijvende invaliditeit van de gehele persoon. [appellant] heeft de inhoud van het expertiserapport niet weersproken. Wel heeft hij erop gewezen dat daarin is vastgesteld dat [geïntimeerde] geen beperkingen ondervindt bij zitten en dat hij dus zittend werk kan verrichten en daarom nog steeds in staat is om een arbeidsinkomen te verdienen. Omdat geen arbeidskundig onderzoek is verricht naar het verlies aan arbeidsvermogen, kan de precieze schade nog niet worden becijferd, aldus [appellant] .\n\n3.24.. Het hof is het met [appellant] eens dat de schade op dit moment om die reden nog niet kan worden begroot, zoals door [geïntimeerde] tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is verzocht, zodat de verwijzing naar de schadestaatprocedure aangewezen blijft. Dat het verlies aan arbeidsvermogen voor de toekomst nog niet kan worden vastgesteld hoeft echter niet in de weg te staan aan de toekenning van een voorschot op de nader bij staat op te maken schadevergoeding. [geïntimeerde] heeft immers onbetwist gesteld dat hij gedurende het eerste jaar na zijn val in een rolstoel heeft gezeten en hij ook daarna nog heeft moeten revalideren van meerdere operaties. In die periode kon redelijkerwijs van hem niet worden verwacht dat hij zich op ander werk oriënteerde. Bovendien is het aannemelijk dat [geïntimeerde] zich eerst zou moeten laten omscholen, hetgeen enige tijd vergt. Uitgaande van het door [geïntimeerde] becijferde en door [appellant] niet betwiste hypothetisch netto jaarinkomen van € 33.000 wordt de geleden inkomensschade voor de eerste anderhalf jaar grofweg geschat op € 50.000. Daarbij betrekt het hof dat [geïntimeerde] onbetwist heeft gesteld dat hij eerst in 2022 een bijstandsuitkering heeft genoten. Voormeld bedrag van € 50.000 zal dan ook bij wege van voorschot op de nog te begroten schadevergoeding worden toegewezen. [geïntimeerde] heeft uitdrukkelijk afgezien van het vorderen van een voorschot op het smartengeld.\n\nGeen bewijslevering\n\n3.25.. Omdat partijen geen concrete feiten hebben gesteld die tot een ander oordeel kunnen leiden, komt het hof niet toe aan bewijslevering. Het bewijsaanbod van partijen wordt daarom gepasseerd.\n\nDe conclusie\n\n3.26.. \n\nHet hoger beroep tegen het eindvonnis van [geïntimeerde] slaagt derhalve en het hoger beroep van [appellant] slaagt niet. [appellant] heeft geen belang bij beoordeling van zijn tweede grief met betrekking tot het oordeel van de kantonrechter over meineed, nu die grief niet tot een ander dictum kan leiden.\n\nAan beoordeling van het hoger beroep van [geïntimeerde] tegen het tussenvonnis wordt niet toegekomen, nu niet is voldaan aan de daaraan gestelde voorwaarde.\n\n3.27.. Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof hem tot betaling van de proceskosten in het principaal hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.3.28.. Omdat [geïntimeerde] ook bij de procedure bij de kantonrechter al een voorschot had kunnen vorderen, ziet het hof aanleiding om in het incidenteel hoger beroep te bepalen dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen (compensatie van proceskosten).\n\n3.29.. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).\n\n4. De beslissing\n\nHet hof:\n\n4.1.. bekrachtigt het eindvonnis van de kantonrechter in de rechtbank Utrecht van 11 september 2024;\n\n4.2.. veroordeelt [appellant] tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 50.000 aan voorschot op de nader bij staat op te maken schadevergoeding;\n\n4.3.. bepaalt dat dit bedrag moet worden betaald binnen 14 dagen na vandaag;\n\n4.4.. \n\nveroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde] in het principaal hoger beroep:\n\n€ 349 aan griffierecht\n\n€ 2.580 aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde] (2 procespunten x het toepasselijke tarief van € 1.290)\n\n4.5.. bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag;\n\n4.6.. bepaalt dat iedere partij in het incidenteel hoger beroep de eigen kosten draagt;\n\n4.7.. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;\n\n4.8.. wijst af wat verder is gevorderd.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. M.J.P. Heijmans, voorzitter, A.A. van Rossum en A.C.M. Kuypers en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.\n\n Zie onder meer HR 4 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1430 (Bloemsma\u002FHattuma) en HR 10 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3837 (Fransen\u002FStichting Pasteurziekenhuis).\n\n Zie HR 15 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA9048 (Van Uitert\u002FJalas).\n\nHR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:3976","2026-07-13T00:29:03.882Z",{"id":99,"ecli":100,"slug":101,"caseNumber":43,"courtId":102,"decisionDate":103,"fullText":104,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":105,"sourceTimestamp":106,"parsedAt":51,"updatedAt":107},"719","ECLI:NL:RBOBR:2026:4080","ecli-nl-rbobr-2026-4080",77,"2026-06-15T00:00:00.000Z","RECHTBANKOOST-BRABANT\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Eindhoven\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 11977582 \\ EJ VERZ 25-659\n\nBeschikking van 15 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoekster],\n\nte [woonplaats] , [land] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: “ [verzoekster] ”,\n\ngemachtigde: mr. A. Kolder,\n\ntegen\n\n1. TOTAL BERRY PACKING B.V.,\n\nte Helenaveen, 2. ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,\n\nte Apeldoorn,\n\nverwerende partijen,\n\nhierna te noemen: “Total Berry” en “Achmea”,\n\ngemachtigde: mr. L. Hilhorst.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift met producties (genummerd 1 t\u002Fm 6),\n\n- het verweerschrift met producties (genummerd 1 t\u002Fm 4),\n\n- een aanvullend urenoverzicht aan de zijde van [verzoekster] ,\n\n- de mondelinge behandeling van 18 mei 2026, die hybride heeft plaatsgevonden omdat [verzoekster] online, via Teams, aan de mondelinge behandeling heeft deelgenomen.1.2.. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling hun standpunten nader toegelicht, waarbij de gemachtigde van Total Berry en Achmea gebruik heeft gemaakt van spreekaantekeningen. Door de griffier zijn aantekeningen gemaakt van dat wat tijdens de mondelinge behandeling verder is besproken.\n\n1.3.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. Waar gaat deze zaak over?\n\n2.1.. Aanleiding van dit deelgeschil is een verschil van mening over de samenhang tussen het [verzoekster] op 15 juli 2020 overkomen arbeidsongeval bij Total Berry, waarbij zij het topje van haar linker wijsvinger verloor, en het haar op 13 augustus 2022 overkomen tweede ongeval. Bij het tweede ongeval viel [verzoekster] bij haar moeder thuis van een vlizotrap, toen zij met haar voet weggleed en zich met haar - bij het eerdere arbeidsongeval uit 2020 - gekwetst geraakte linkerhand vergeefs vast wilde pakken aan de trapleuning. Bij de val van de vlizotrap heeft zij haar linker scheen- en kuitbeen gebroken.\n\n2.2.. \n [verzoekster] verzoekt de kantonrechter in deze procedure een oordeel te geven over haar stellingen dat er een causaal verband bestaat tussen het arbeidsongeval in 2020 en de val van de trap in 2022, en dat Total Berry daardoor ook schadeplichtig is jegens [verzoekster] met betrekking tot de gevolgen van dit tweede ongeval in 2022.\n\n2.3.. \n\nAchmea is de aansprakelijkheidsverzekeraar van Total Berry. Zij heeft aansprakelijkheid namens Total Berry erkend voor het arbeidsongeval in 2020 en de schaderegeling op zich genomen.\n\n [verzoekster] heeft op grond van artikel 7:954 Burgerlijk Wetboek (BW) een ‘directe actie’ jegens Achmea. Lid 3 van art. 1019w Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt dat ook de verzekeraar tegen wie een directe actie bestaat, in de deelgeschilprocedure kan worden betrokken.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. \n\n [verzoekster] , geboren op [geboortedatum] 1989, was vanaf mei 2020 via uitzendbureau [bedrijfsnaam 1] werkzaam voor Total Berry. Het betrof productiewerk aan de lopende band. Op 15 juli 2020 raakte [verzoekster] met de vingers van haar linkerhand bekneld tussen de lopende band. Als gevolg hiervan heeft zij het topje van haar linker wijsvinger verloren.\n\nAchmea heeft onderzoek gedaan naar de toedracht van het ongeval. Uit het toedrachts- onderzoek is gebleken dat Total Berry onvoldoende toezicht heeft gehouden op het naleven van de gegeven instructies. Achmea heeft namens Total Berry aansprakelijkheid erkend en heeft de schade in behandeling genomen. In totaal heeft Achmea inmiddels circa € 53.500, - aan voorschotten aan [verzoekster] verstrekt.\n\n3.2.. \n\nOngeveer 1,5 jaar na het arbeidsongeval is er een stabiele medische eindsituatie\n\nbereikt. De klachten van de linkerhand zijn op gezamenlijk verzoek van partijen in kaart gebracht door hand-, pols- en plastisch chirurg drs. [A] , werkzaam bij het Expertisepunt. Uit het expertiserapport van 27 oktober 2023 volgt dat er sprake is van blijvende beperkingen van de linkerhand en -wijsvinger, waaronder gestoorde tast, pijn en verminderde knijpkracht links ten opzichte van rechts.\n\n3.3.. \n\nOp gezamenlijk verzoek van partijen is op 29 juni 2023 een verzekeringsgeneeskundige expertise uitgevoerd door drs. [B] , werkzaam bij [bedrijfsnaam 2] . Op 28 augustus 2023 is het conceptrapport aan partijen toegezonden en op 27 september 2023 is het rapport definitief geworden. Verzekeringsarts [B] stelt op basis van het expertiserapport van [A] vast dat er beperkingen zijn voor hand- en vingergebruik van de linkerhand, waaronder:\n\n“lichte beperkingen voor fijne motorische hand- en vingerbewegingen, repetitieve hand- en vingerbewegingen. Matige beperkingen voor bolgreep, pengreep, sleutelgreep, cilindergreep, knijpkracht, duwen, trekken, tillen en dragen.”\n\nEr worden geen beperkingen aangenomen voor statische handelingen. Ook ten aanzien van traplopen en klimmen worden géén beperkingen aangenomen. [B] voegt ten aanzien van klimmen toe dat [verzoekster] zich hierbij moet vasthouden\u002Fsteunen met de rechterhand. Daarnaast heeft [B] gerapporteerd over ongevalsvreemd letsel: “Wel is er eind 2022 sprake geweest van beenletsel (breuken van scheen- en kuitbeen); het spreekt voor zich dat dit in ieder geval tot tijdelijke beperkingen heeft geleid. Ik ben hieromtrent echter niet verder geïnformeerd. Het moge duidelijk zijn dat dit een ongevalsvreemd aspect betreft.”\n\nDe opmerkingen over het ongevalsvreemde beenletsel hebben niet tot vragen of opmerkingen geleid aan de zijde van [verzoekster] .\n\n3.4.. \n\nPartijen hebben na het afronden van het medisch expertisetraject\n\nvanaf september of oktober 2023 geprobeerd om met elkaar tot een minnelijke regeling\n\nte komen. Op 14 december 2023 heeft een gezamenlijk overleg plaatsgevonden op het kantoor van de voormalige belangenbehartiger van [verzoekster] . [verzoekster] stelde zich toen voor het eerst op het standpunt dat de val van de vlizotrap in augustus 2022 een (indirect) gevolg was van het arbeidsongeval en dat de schade die daaruit voortvloeit aan het arbeidsongeval moet worden toegerekend.\n\n [verzoekster] heeft over de oorzaak van de val gezegd dat zij de vlizotrap op liep en zich daarbij met haar rechterhand vasthield aan de rechterleuning. Halverwege de trap gleed haar voet weg. In een reflex probeerde [verzoekster] met haar linkerhand de linkerleuning vast te pakken, maar stootte daarbij haar gekwetste wijsvinger tegen de leuning. Zij kon hierdoor de leuning niet vastpakken. [verzoekster] is ongelukkig met haar been tussen de traptreden terecht gekomen, met een breuk van het scheen- en kuitbeen tot gevolg.\n\nAchmea heeft het conditio sine qua non (csqn)-verband tussen de ongevallen direct betwist en [verzoekster] verzocht om (medische) informatie te verstrekken waaruit het door haar gestelde csqn-verband zou kunnen blijken.\n\n3.5.. \n\nDe medisch adviseur van [verzoekster] , dr. [C] , schrijft in zijn medisch advies van 8 juli 2024:\n\n“Of de onderbeenfractuur een indirect gevolg is van het ongeval van juli 2020 kan ik noch bevestigen, noch ontkennen. De correspondentie vermeldt alleen dat cliënt uitgleed. U schreef dat dit kwam omdat zij zich nu niet goed kon vastgrijpen. Dat laatste wijst wel op een indirect verband. Bij gebrek aan gedetailleerde informatie over het ongeval kan ik hier verder weinig over zeggen.”\n\nBij e-mail van 16 juli 2024 heeft [verzoekster] een toelichting gegeven op de oorzaak van de val. Naar aanleiding van de toelichting van [verzoekster] , schrijft [C] in zijn advies van 27 augustus 2024:\n\n“Als ik mij baseer op deze informatie is een fractuur van het linker onderbeen dus nog een indirect gevolg van het ongeval van 15 juli 2020”.\n\n3.6.. \n\nAchmea heeft de beschikbare medische informatie voorgelegd aan haar medisch\n\nadviseur, dr. [D] . Hij adviseert op 23 september 2024:\n\n“De aanvullend ontvangen informatie van betrokkene vanuit [land] heb ik bestudeerd. Betrokkene had voorafgaand aan haar ongeval van augustus 2022 geen letsel of beperkingen van het evenwicht of de benen, zodat zij geacht kon worden stabiel een trap op en af te kunnen lopen. Desondanks is zij toch uitgegleden en dat kan niet aan het letsel van juli 2020 worden gerelateerd.\n\nBegrijpelijkerwijs heeft betrokkene geprobeerd zich vast te grijpen en heeft hierbij de linkerhand gebruikt. Voor hetzelfde geld had zij haar rechterhand kunnen gebruiken om haar val te breken.”\n\nIn een aanvullend advies van 19 december 2024 overweegt [D] :\n\n“Weging en conclusies\n\nMijn mening is als volgt:\n\nIn mijn medisch advies van 22.07.2024 werd melding gemaakt van een onderbeenfractuur op 13.08.2022, nadat zij was uitgegleden. Ik achtte dit niet gerelateerd aan het ons regarderende ongeval van 2020. In mijn medisch advies van 21.09.2024 werd dit nog eens een nader geëxpliciteerd.\n\nWat ligt er in de medische informatie vast:\n\nIn de uit het [land] vertaalde SEH brief van 13.08.2023 staat over de toedracht van het ongeval: “Vandaag letsel van het linker onderbeen als gevolg van het uitglijden. Fractuur van tibia-en fibulaschacht. \" Er werd haar een operatieve behandeling voorgesteld maar daar is zij in eerste instantie niet op ingegaan. Blijkbaar heeft ze zich in tweede instantie toch bedacht, want op 05.09.2022 is er een wederom uit het [land] vertaald operatieverslag\n\naangeleverd van een tibiapen osteosynthese. In dit operatieverslag wordt geen mededeling gedaan over de toedracht van het ongeval.\n\nIn de verslaglegging van het controlebezoeken van 22.09.2022, 20.10.2022, 10.11.2022, 08. 12.2022 , 29.12.2022 en 12.01.2023 na de operatie, wordt genoteerd dat de hechtingen zijn verwijderd en instructies worden gegeven over de nabehandeling en controles n.a.v. de revalidatie, die blijkbaar naar wens verloopt. Er wordt een officieel formulier van de [land] Sociale Zekerheidsinstelling Ziekteverlof aan betrokkene verstrekt. Ook in deze verslagen worden geen verdere mededelingen gedaan over het traumamechanisme dat geleid heeft tot de onderbeenfractuur. De beschrijving van het ongevalsmechanisme is daarom uitsluitend gebaseerd op de mededelingen van betrokkene zelf.”\n\n3.7.. \n\nOp 3 juni 2025 heeft [verzoekster] verklaringen toegezonden van haar echtgenoot, [naam echtgenoot] , broer, [naam broer] , zus, [naam zus] ) en zoon, [naam zoon] .\n\nDe echtgenoot en broer van [verzoekster] verklaren dat zij de val hebben zien gebeuren. De zus en zoon hebben de val niet gezien.\n\nOp 18 september 2025 heeft [verzoekster] onderstaande foto's van de trap overgelegd:4. Het verzoek en het verweer\n\n4.1.. \n\n [verzoekster] verzoekt de kantonrechter om bij beschikking in deelgeschil in de zin van artikel 1019 Rv, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. voor recht te verklaren dat (de gevolgen van) het [verzoekster] op 13 augustus 2022 overkomen tweede ongeval in een csqn-verband staat tot het [verzoekster] op 15 juli 2020 overkomen arbeidsongeval, dan wel - subsidiair - een voorshands vermoeden aan te nemen dat een dergelijk csqn-verband aanwezig is, alsmede;\n\nII. voor recht te verklaren dat het tweede ongeval uit 2022 ex art. 6:98 BW is toe te rekenen aan Total Berry als een gevolg van het eerste ongeval uit 2020, alsmede;\n\nIII. Total Berry en Achmea hoofdelijk, naast de reeds bestaande schadeplichtigheid inzake het eerste ongeval uit 2020, te veroordelen tot vergoeding van (ook) alle materiële en immateriële schade als gevolg van het tweede ongeval uit 2022, alsmede;\n\nIV. de kosten van de onderhavige deelgeschilprocedure te begroten en Total Berry en Achmea hoofdelijk te veroordelen tot betaling daarvan aan [verzoekster] .4.2.. Aan het verzoek heeft [verzoekster] ten grondslag gelegd dat zij als gevolg van de val van de trap extra letsel heeft opgelopen, dat volgens haar nog kwalificeert als een gevolg van het arbeidsongeval van 15 juli 2020.\n\n4.3.. Total Berry en Achmea verzetten zich tegen toewijzing van het verzoek en voeren daartoe aan dat het csqn-verband tussen het arbeidsongeval uit 2020 en de val in 2022 ontbreekt en, mocht een csqn-verband aangenomen worden, dat de gevolgen van de val niet aan het arbeidsongeval zijn toe te rekenen. Nog meer subsidiair beroept Achmea zich op eigen schuld ex artikel 6:101 BW.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. \n [verzoekster] heeft zich tot de kantonrechter gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv. In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. De kantonrechter moet beoordelen of er sprake is van schade die wordt geleden door dood of letsel. Ook moet de kantonrechter beoordelen of er sprake is van een geschil omtrent een deel van wat partijen verdeeld houdt.\n\n5.2.. De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van dood of letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de kantonrechter eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv).\n\n5.3.. In dit geval verschillen partijen - kort gezegd - van mening over de vraag of er een csqn-verband bestaat tussen het arbeidsongeval uit 2020 en de val in 2022 en, zo ja, of de nadelige gevolgen van die val op grond van 6:98 BW toegerekend mogen worden aan het arbeidsongeval. Met een oordeel hierover kan de ontstane impasse tussen partijen worden doorbroken en kunnen de onderhandelingen in principe worden voortgezet. Dit betekent dat de kantonrechter het verzoek inhoudelijk zal bespreken.\n\n5.4.. Voor het vaststellen van de aansprakelijkheid van Total Berry voor de gevolgen van de val, moet het oorzakelijk (conditio sine qua non) verband tussen het arbeidsongeval en de val van de vlizotrap in de privésfeer komen vast te staan. Dit betekent dat moet (kunnen) worden vastgesteld dat [verzoekster] door de beperkingen die het gevolg zijn van het arbeidsongeval op 15 juli 2020, op 13 augustus 2022 van de vlizotrap is gevallen. Bij de beoordeling van het oorzakelijk verband is de feitelijke toedracht van de val van belang. De stelplicht en de bewijslast van de feitelijke toedracht en van het causaal verband tussen val en arbeidsongeval rusten op [verzoekster] .\n\n5.5.. \n [verzoekster] heeft aangevoerd dat de feitelijke toedracht van het tweede ongeval door Total Berry en Achmea niet gemotiveerd is betwist en dat Total Berry en Achmea ook geen (plausibele) alternatieve oorzaak voor het vallen van de trap hebben gegeven.\n\n5.5.1.. \n\n [verzoekster] heeft daarbij gewezen op de aanwezige onafhankelijke medische expertises van verzekeringsarts [B] en plastisch chirurg [A] . Uit deze rapportages blijkt dat [verzoekster] op het moment van de val van de trap nog met duidelijke restverschijnselen van het eerdere arbeidsongeval kampte, bestaande uit diverse (matige\u002Fsterke) beperkingen inzake de arm\u002Fhand, inclusief pijnklachten, beperkingen bij bepaalde handgrepen, beperkte knijpkracht en beperkingen inzake de 'sensibiliteit'. Ook rapporteerde [A] over een aanzienlijke pijnscore zodra [verzoekster] haar gekwetste vinger stoot:\n\n\"NPRS-score. Gemiddeld 5 met uitschieters naar 8. Deze uitschieter ervaart zij bij stoten\n\nvan de vinger.\"\n\nVerzekeringsarts [B] rapporteerde over klimmen ‘ladder op en af’ dat [verzoekster] “daarbij alleen [kan] steunen\u002Fvasthouden met de rechterhand”.De aard van het bij het 1e ongeval opgelopen letsel - en de aanwezigheid daarvan ten tijde van het 2e ongeval – past dus (naadloos) bij de toedracht zoals [verzoekster] heeft gesteld.\n\nUit de expertises volgt bovendien dat in de voorliggende zaak sprake is van een specifieke ‘kwetsbaarheid’ wegens een eerder ongeval die de kans op een tweede ongeval heeft vergroot. In dit geval is de kans op een val van de trap aanzienlijk vergroot, doordat [verzoekster] met haar beschadigde, dominante hand de leuning - een voorziening die specifiek beoogt te beschermen tegen een val van de trap - niet ‘normaal’ kon gebruiken. Voorts kan op basis van de (medische) stukken worden aangenomen dat een door dergelijk letsel gehinderde persoon bij het traplopen in een onverwachte\u002Fplotselinge (nood)situatie kwetsbaarder is voor valpartijen dan iemand die beschikt over ‘een gezond stel handen’.\n\n5.5.2.. \n\nHiernaast wijst [verzoekster] inzake het csqn-verband nog op de verschillende ingebrachte schriftelijke getuigenverklaringen, waaruit volgens haar blijkt dat het letsel aan de vinger (eerste ongeval) zonder meer een rol speelde bij het ontstaan van het tweede ongeval (val van trap). Met andere woorden: indien het vingerletsel niet zou zijn ontstaan, was het tweede ongeval (vermoedelijk) niet gebeurd. [verzoekster] had zónder het 1e ongeval met een ‘gezond stel handen’ de trap kunnen bestijgen en zo nodig de leuning goed kunnen vastgrijpen om een eventuele val van de trap te voorkomen. Door het vingerletsel aan de dominante hand kon [verzoekster] de leuning niet op een normale wijze gebruiken, hetgeen het risico op vallen heeft vergroot, welk risico zich ook heeft verwezenlijkt. De getuigen verklaren niet alleen rechtstreeks dat in hun beleving de vingerbeperking een rol heeft gespeeld bij het ongeval, maar ook indirect steunen de verklaringen de door [verzoekster] gestelde toedracht. Zo wijst het feit dat eerst een schreeuw werd gehoord, op het stoten van de vinger kort voor de val. Dat niet alleen het been maar ook de vinger na de val pijnlijk was, past eveneens bij de stelling van [verzoekster] dat ze haar vinger (pijnlijk) heeft gestoten op de trap. Alle verklaringen afzonderlijk en tezamen vormen dus een nadere onderbouwing van de stellingen van [verzoekster] . Concluderend is volgens [verzoekster] voldoende aannemelijk dat de restverschijnselen van het arbeidsongeval - waardoor [verzoekster] beperkt was (in een reflex) een leuning (goed) vast te pakken - hebben bijgedragen aan het vallen van de trap. De restverschijnselen van het initiële arbeidsongeval hebben dus bijgedragen aan het tweede ongeval later in de tijd. Daarmee is het vereiste csqn-verband gegeven, aldus [verzoekster] .\n\nOmdat sprake is van een schuldaansprakelijkheid en de aard van de schade lichamelijk letsel is, moet er ruim worden toegerekend, hetgeen volgens [verzoekster] onder andere volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 3 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2895.\n\nOorzakelijk (csqn-)verband\n\n5.6.. De essentie van de stelling waarop [verzoekster] haar verzoeken heeft gebaseerd, is dat zij zonder het handletsel dat zij heeft opgelopen tijdens het eerste arbeidsongeval (waarvoor Total Berry aansprakelijk is en waarvoor Achmea aansprakelijkheid namens Total Berry heeft erkend) niet van de vlizotrap zou zijn gevallen. De kantonrechter vindt het echter niet voldoende waarschijnlijk dat zonder handletsel het tweede ongeval niet zou zijn gebeurd. De kantonrechter overweegt daartoe het volgende.\n\n5.7.. \n\nAls niet, althans onvoldoende weersproken staat in voldoende mate vast dat [verzoekster] van de vlizotrap viel, ondanks dat zij de leuning vast had met haar rechterhand, omdat haar voet (naar achteren) weggleed waarna haar been ongelukkig tussen de traptreden terecht kwam. Zij wilde in een reflex met haar linkerhand ook de linkerleuning grijpen om zo haar val te breken, maar dit lukte niet. In plaats van de leuning vast te pakken, stootte zij haar (door het eerdere arbeidsongeval beschadigde) linker wijsvinger en dit leverde bij [verzoekster] begrijpelijkerwijs veel pijn op. Er is dus wel een verband met het arbeidsongeval, bestaande uit een verminderde knijpkracht en een grotere pijngevoeligheid in de (dominante) linkerhand als gevolg van het bij het arbeidsongeval opgelopen letsel, maar dit is naar het oordeel van de kantonrechter een te ver verwijderd verband om aan te kunnen nemen dat [verzoekster] niet van de vlizotrap zou zijn gevallen als zij nog twee gezonde handen had gehad. Hierbij heeft de kantonrechter in aanmerking genomen dat uit de toedrachtbeschrijving volgt dat de val al was ingezet voordat [verzoekster] naar de linker leuning greep. Immers, pas na het wegglijden van haar voet greep [verzoekster] in een reflex ook naar die linker leuning. In het gunstigste geval had [verzoekster] haar val (in meer of mindere mate) kunnen breken als ze er in was geslaagd om de linker leuning vast te grijpen. Of dat met een gezonde linkerhand wel was gelukt, is de vraag aangezien het ging om een reflexmatige beweging na het wegglijden van haar voet en gebleken is dat het vasthouden van de rechterleuning de val niet heeft kunnen voorkomen of breken. Concrete aanknopingspunten om waarschijnlijk te kunnen achten dat [verzoekster] met een gezonde linkerhand haar val wel in voldoende mate had kunnen breken om letsel te voorkomen of aanzienlijk te beperken, ontbreken.\n\nDe kantonrechter heeft bij de beoordeling ook in aanmerking genomen dat [verzoekster] niet beperkt was in trapklimmen en ook geen verstoringen van haar evenwicht had. Haar kans om van een vlizotrap te vallen, was naar het oordeel van de kantonrechter niet substantieel groter dan voor iemand zonder beschadigde hand. Daar komt bij dat [verzoekster] op de hoogte was van en inmiddels gewend was aan de beperking aan haar linkerhand. Die beperking heeft haar niet doen besluiten om de vlizotrap te mijden en het aan de andere aanwezigen over te laten om de vlizotrap op te gaan. [verzoekster] heeft desgevraagd verklaard dat zij de vlizotrap vaker beklom om spullen van zolder te halen, wat naar het oordeel van de kantonrechter onderstreept dat ook zijzelf het beklimmen van de trap niet als bijzonder risicovol heeft gezien.\n\n5.8.. Op basis van wat hiervoor is overwogen, merkt de kantonrechter de val van de vlizotrap aan als een zogenoemd huis-, tuin en keukenongeluk dat valt binnen de risicosfeer van [verzoekster] .\n\n5.9.. \n\nHet voorgaande betekent dat de kantonrechter van oordeel is dat de val van de trap niet in een csqn-verband staat met het eerste arbeidsongeval. Voor het aannemen van een vermoeden dat dit anders is, ziet de kantonrechter onvoldoende grond.\n\nDe vraag of de gevolgen van de val gelet op de aard van de aansprakelijkheid en de aard van de schade, aan Total Berry kunnen worden toegerekend, behoeft dan ook niet meer te worden beantwoord. Het door Skopura gedane beroep op het Deurmat-arrest (HR 3 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2895) gaat reeds om die reden niet op.\n\nKosten deelgeschil\n\n5.10.. De kantonrechter moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Dat geldt ook als een verzoek in deelgeschil wordt afgewezen. Alleen als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, hoeven de kosten van de procedure niet te worden begroot. Van deze laatste situatie is naar het oordeel van de kantonrechter in dit geval geen sprake.\n\n5.11.. Bij de begroting van de kosten moet de kantonrechter de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking nemen. Daarbij moet de kantonrechter de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.\n\n5.12.. \n\n [verzoekster] maakt aanspraak op € 8.959,45 inclusief btw, te vermeerderen met het griffierecht. Total Berry en Achmea hebben geen (afzonderlijk) verweer gevoerd tegen het uurtarief. Met betrekking tot het aantal uren hebben zij aangevoerd dat het aantal uren voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift gematigd dient te worden tot 8 uren, omdat de inhoud van het verzoekschrift in grote mate (en vrijwel letterlijk) overeenkomt met de eerdere adviezen van mr. Kolder van 17 september 2025 en 24 december 2025.\n\nMet betrekking tot het aantal uren dat is gemoeid met de mondelinge behandeling (waaronder de voorbereidingstijd en de reistijd) hebben Total Berry en Achmea aangevoerd dat het niet redelijk is om de volledige reistijd te vergoeden op basis van het specialistentarief van € 295,00 exclusief btw.\n\n5.13.. \n\nDe kantonrechter vindt het uurtarief en het opgevoerde urenaantal (inclusief reistijd die leidt tot verlies van anders productief te maken uren) redelijk en aanvaardbaar en ziet dan ook geen aanleiding om een correctie toe te passen.\n\nDe redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de kantonrechter dan ook worden begroot op (afgerond) 25 uren × € 295,00 exclusief (21%) btw, dus op € 7.375,00 exclusief (21%) btw te vermeerderen met het door [verzoekster] betaalde griffierecht.\n\nOmdat de aansprakelijkheid niet is komen vast te staan, zal de kantonrechter de kosten alleen begroten en Total Berry en Achmea niet veroordelen tot betaling daarvan.\n\nHet begrote bedrag hoeft alleen hoofdelijk door Total Berry en Achmea te worden betaald, als de aansprakelijkheid van Total Berry alsnog komt vast te staan.\n\n6. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n6.1.. wijst de verzoeken van [verzoekster] af,\n\n6.2.. begroot de kosten van dit deelgeschil op € 7.375,00 exclusief btw, te vermeerderen met het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 90,00.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. B.C.W. Geurtsen-van Eeden en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4080","2026-06-11T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:44.646Z",{"id":109,"ecli":110,"slug":111,"caseNumber":43,"courtId":112,"decisionDate":113,"fullText":114,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":115,"sourceTimestamp":106,"parsedAt":51,"updatedAt":116},"1620","ECLI:NL:RBROT:2026:6761","ecli-nl-rbrot-2026-6761",61,"2026-06-12T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nlocatie Rotterdam\n\nzaaknummer: 11562860 CV EXPL 25-4370\n\ndatum uitspraak: 12 juni 2026\n\nVonnis van de kantonrechter\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwoonplaats: [woonplaats 1],\n\neiser,\n\ngemachtigde: mr. M.H. Cassa,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nwoonplaats: [woonplaats 2],\n\ngedaagde,\n\ngemachtigde: mr. S.G.H. Langeweg.\n\nPartijen worden hierna ‘[eiser]’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.\n\n1. De procedure1.1.. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:\n\nde dagvaarding van 10 februari 2025, met bijlagen;\n\nhet antwoord, met bijlage;\n\nde nadere producties van [eiser] van 6 februari 2026.\n\n1.2.. Op 17 maart 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken met partijen en hun gemachtigden.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1.. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] hem op 2 september 2023 op een festival in Rotterdam zonder aanleiding geslagen waardoor hij ernstig tandletsel en andere schade heeft opgelopen. Hij eist daarom op grond van onrechtmatige daad betaling van € 6.727,70 aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente, € 2.199,18 aan buitengerechtelijke kosten en proceskosten. [gedaagde] is het hier niet mee eens. Hij erkent dat hij heeft geslagen, maar voert aan dat hij zichzelf moest verdedigen (noodweer) omdat hij eerst door [eiser] bij zijn nek werd gegrepen.\n\n3. De beoordeling\n\nOnrechtmatig handelen\n\n3.1.. Tussen partijen is in geschil of [gedaagde] uit onrechtmatige daad aansprakelijk is voor de door [eiser] gestelde schade als gevolg van het incident op 2 september 2023. Om te kunnen spreken van een onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en een plicht tot schadevergoeding, moet de kantonrechter eerst beoordelen of sprake was onrechtmatig handelen door [gedaagde].\n\n3.2.. Vast staat dat op 2 september 2023 een incident tussen [eiser] en [gedaagde] heeft plaatsgevonden. [gedaagde] heeft erkend dat hij [eiser] op enig moment een klap heeft gegeven. Hiermee heeft [gedaagde] de lichamelijke integriteit van [eiser] geschonden en zich in beginsel onrechtmatig gedragen jegens [eiser]. Van onrechtmatig handelen is echter geen sprake indien vast komt te staan dat voor het handelen van [gedaagde] een rechtvaardigingsgrond bestond (artikel 6:162 lid 2 BW). [gedaagde] heeft aangevoerd dat zo’n rechtvaardigingsgrond aanwezig is, omdat hij heeft gehandeld uit noodweer. Hiervoor moet aangenomen kunnen worden dat de klap van [gedaagde] noodzakelijk was om zijn lijf, eerbaarheid of goed te verdedigen tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door [eiser]. Het is aan [gedaagde] om in dit verband het nodige naar voren te brengen.\n\n3.3.. \n [gedaagde] heeft aan zijn beroep op noodweer ten grondslag gelegd dat [eiser] als eerste de confrontatie op zocht en hem aanviel. Tijdens de zitting heeft [gedaagde] dit aangevuld met de stelling dat [eiser] zijn nek greep en hem sloeg. Ter onderbouwing hiervan heeft [eiser] een schriftelijke verklaring van [naam 1] van 15 maart 2026 overgelegd, waarin staat vermeld dat [naam 1] zag dat [eiser] [gedaagde] bij de nek greep en enkele malen naar hem uithaalde. Ook heeft [gedaagde] foto’s van zichzelf overgelegd, waaruit volgens hem blijkt dat hij letsel heeft opgelopen.\n\n3.4.. In reactie op het beroep op noodweer heeft [eiser] aangevoerd dat [gedaagde] hem eerst uit het niets heeft geslagen. [eiser] heeft [gedaagde] pas op een later moment – namelijk toen [eiser] na de klap achter [gedaagde] aan rende en dus ook op een andere locatie – bij de nek gegrepen. [eiser] heeft dit onderbouwd met zijn aangifte, waarin hij over deze twee verschillende momenten heeft verklaard en hierbij heeft benoemd dat [naam 1] bij het tweede moment aanwezig was. Overigens gaat ook [gedaagde] in de conclusie van antwoord uit van twee verschillende momenten, waarbij [eiser] tijdens het tweede moment [gedaagde] in een soort nekklem heeft gehouden. Verder heeft [eiser] de door hem gestelde feitelijke gang van zaken onderbouwd met twee processen-verbaal. Hierin zijn de verklaringen van twee getuigen opgenomen die bevestigen dat [gedaagde] [eiser] “gelijk” en “uit het niets” sloeg in (de richting van) het gezicht. Hieruit volgt dus niet dat [eiser] [gedaagde] voorafgaand aan de klap bij de nek heeft gegrepen en hem heeft geslagen. Het gestelde noodweer blijkt ook niet uit de door [eiser] overgelegde verklaring van getuige (en vriend van [gedaagde]) [naam 2] die hij bij de politie heeft afgelegd. [naam 2] heeft verklaard dat hij alleen heeft gezien dat [eiser] [gedaagde] vast had en dat hij niet heeft gezien wat er daarvoor is gebeurd.\n\n3.5.. Tot slot heeft [eiser] nog gewezen op de geldboete van € 1.000,00 die de officier van justitie via een strafbeschikking aan [gedaagde] voor mishandeling heeft opgelegd. Vast staat dat de officier van justitie het noodweerverweer tijdens de zogenaamde OM-hoorzitting waarin de strafbeschikking werd opgelegd, heeft verworpen. De strafbeschikking is op 23 december 2023 onherroepelijk geworden, omdat [gedaagde] deze – naar eigen zeggen vanwege proceseconomische redenen – heeft geaccepteerd. Weliswaar heeft deze strafbeschikking niet net als een vonnis van de strafrechter dwingende bewijskracht, maar gelet op de wetsgeschiedenis van de strafbeschikking wordt wel verwacht dat een civiele rechter aan een onherroepelijke strafbeschikking meer dan gemiddelde bewijskracht zal toekennen.\n\n3.6.. Gelet op deze uitgebreide en onderbouwde betwisting van de gestelde noodweersituatie had van [gedaagde] mogen worden verwacht dat hij was ingegaan op de stelling dat het grijpen bij de nek door [eiser] pas ruimschoots na de klap van [gedaagde] heeft plaatsgevonden of dat hij zijn beroep op noodweer op andere wijze (beter) had onderbouwd. [gedaagde] kan niet volstaan met het overleggen van een enkele verklaring en de genoemde foto’s. De foto’s van het gestelde letsel bieden net als de eerder besproken verklaring van [naam 1] – in het licht van de betwisting van [eiser] – onvoldoende steun voor het noodweerscenario van [gedaagde]. Het gestelde letsel is hierop lastig te zien en kan bovendien ook goed passen bij de worsteling tijdens het tweede moment.\n\n3.7.. Dat betekent dat het door [gedaagde] gestelde noodweer, in het licht van de betwisting door [eiser] (inclusief de overgelegde stukken en de opgelegde strafbeschikking), niet is komen vast te staan. [gedaagde] heeft gelet op het voorgaande ook onvoldoende gesteld om tot bewijslevering te worden toegelaten.\n\nSchade en het causale verband\n\n3.8.. Nu sprake is van een aan [gedaagde] toerekenbare onrechtmatige daad, is [gedaagde] verplicht de schade die [eiser] door die onrechtmatige daad lijdt, te vergoeden. [eiser] stelt dat hij als gevolg van de mishandeling ernstig tandletsel heeft opgelopen en daardoor de volgende materiële en immateriële schade heeft:\n\nmedische kosten (tandarts) van € 849,70;\n\nverlies van verdienvermogen van € 1.053,00;\n\nreis- en parkeerkosten van € 75,00;\n\ntoekomstige medische kosten van € 2.415,31;\n\nimmateriële schade van € 2.000,00.\n\n3.9.. \n [gedaagde] heeft de meeste schadeposten en het causale verband tussen de schade en de onrechtmatige daad betwist. Hierna zal worden ingegaan op de verschillende schadeposten en het causale verband met het onrechtmatige handelen van [gedaagde].\n\nMedische kosten van € 849,703.10.. \n [gedaagde] heeft tijdens de zitting verklaard dat hij zijn verweer tegen de medische kosten niet langer handhaaft gelet op de aanvullende verklaring van de tandarts. Het gevorderde bedrag van € 849,70 aan medische kosten wordt daarom toegewezen.\n\nVerlies van verdienvermogen van € 351,003.11.. \n [eiser] heeft gesteld dat hij als gevolg van het letsel op 8 en 9 september 2023 niet kon werken als zelfstandig ondernemer. Daarnaast heeft hij door afspraken met de tandarts en de politie bepaalde uren niet kunnen werken. In totaal betreft het 27 gemiste uren à € 39,00 netto (€ 60,00 bruto), zodat het verlies van verdienvermogen € 1.053,00 bedraagt. [gedaagde] heeft deze schade op meerdere punten betwist. Uit de overgelegde stukken blijkt volgens hem onder meer niet dat [eiser] tijdens de betreffende dagen\u002Furen daadwerkelijk opdrachten had die zijn geannuleerd, waardoor hij inkomsten zou hebben gemist.\n\n3.12.. Naar aanleiding van de betwisting heeft [eiser] nog een aangifte inkomstenbelasting uit 2023 overgelegd alsmede een verklaring van zijn opdrachtgevers in die periode. In deze verklaring wordt bevestigd dat hij daadwerkelijk afspraken had in de periode na de mishandeling. Verder blijkt hieruit dat een aantal afspraken daadwerkelijk is geannuleerd en dat het uurtarief € 60,00 bruto bedroeg. Dat betekent dat voor die uren (2 uur op 4 september 2023, 4 uur op 7 september 2023, 3 uur op 13 oktober 2023) de vordering voldoende is onderbouwd en kan worden vastgesteld. Een bedrag van € 351,00 (9 uur à € 39,00 netto) zal daarom worden toegewezen. Gelet op de betwisting is onvoldoende onderbouwd dat [eiser] ook door de verplaatste afspraken verlies van inkomen heeft gehad. [eiser] heeft slechts in algemene zin gesteld dat hij daardoor geen (andere) opdrachten kon verrichten. Gelet op de uitgebreide betwisting had van hem gevergd mogen worden dat hij dit gedeelte nader had onderbouwd, bijvoorbeeld door stukken met daarin een vergelijking van zijn inkomsten na de mishandeling met zijn inkomsten in een andere overeenkomstige periode. Het resterende deel van de vordering zal daarom worden afgewezen.\n\nGeen reis- of parkeerkosten3.13.. \n [eiser] heeft gesteld dat hij verschillende afspraken heeft gehad, waaronder bij de tandarts en het politiebureau. Dit heeft geleid tot reis- en parkeerkosten. Hiervoor wordt een bedrag van € 75,00 gevorderd. [gedaagde] heeft dit bedrag betwist. Hoe dit bedrag is berekend, is niet nader gespecifieerd. Ook na de betwisting heeft [eiser] niet verder inzicht gegeven in hoe dit bedrag tot stand is gekomen; er is slechts in algemene zin verwezen naar De Letselschade Richtlijn Kilometervergoeding. Het bedrag wordt daarom afgewezen.\n\nToekomstige medische schade van € 2.415,313.14.. \n [eiser] heeft gesteld dat vanwege de loszittende tand in de toekomst nog tandheelkundige kosten van € 2.415,31 moeten worden gemaakt voor het plaatsen van een implantaat. Ter onderbouwing heeft [eiser] een kostenbegroting van de tandarts overgelegd. Nadat [gedaagde] deze kosten en het causale verband hiervan had betwist, heeft [eiser] een verklaring van de tandarts ingebracht waarin de tandarts heeft verklaard dat het implantaat medisch noodzakelijk is en een direct gevolg is van het tandtrauma dat door de mishandeling was veroorzaakt. [gedaagde] heeft hier vervolgens niets tegenover gesteld, zodat ook dit bedrag zal worden toegewezen.\n\nImmateriële schade van € 2.000,003.15.. \n [eiser] vordert een bedrag van € 2.000,00 aan smartengeld. [eiser] heeft aangevoerd dat hij ernstig tandletsel heeft opgelopen, waardoor hij zich onder behandeling van een tandarts moest stellen. Naast pijnklachten heeft [eiser] hierdoor bijna anderhalve maand vloeibaar voedsel moeten eten en moest daarom veel thuis zijn. Ondanks behandelingen heeft [eiser] nog steeds een los zittende tand, waardoor hij moeite heeft met eten. Daarnaast was de mentale impact van het incident groot. [eiser] is onder meer angstig in grote menigten. [gedaagde] heeft betwist dat het bedrag van € 2.000,00 billijk is. Op grond van de letsellijst van het Schadefonds Geweldsmisdrijven is volgens hem een bedrag van € 1.000,00 passender, omdat het letsel in categorie 1 past.\n\n3.16.. Smartengeld is een naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor ander nadeel dan vermogensschade. Dit is onder meer mogelijk in geval van lichamelijk letsel waarvan hier sprake is (artikel 6:106 lid 1 aanhef en onder b BW). Bij de begroting van smartengeld moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, zoals de aard van de aansprakelijkheid, de aard en de ernst van het toegebrachte letsel en de mate waarin het slachtoffer daardoor is getroffen. Verder zal rekening moeten worden gehouden met de bedragen aan smartengeld die rechters in Nederland in vergelijkbare gevallen hebben toegewezen.\n\n3.17.. Onder verwijzing naar het voorgaande, waaronder de verklaringen bij de politie, is vastgesteld dat [gedaagde] [eiser] in het gezicht heeft geslagen. In combinatie met de verklaringen van de tandarts kan worden vastgesteld dat het tandletsel, de pijn en de overige gevolgen zijn veroorzaakt door deze mishandeling. Gelet op de beschreven aard, duur en ernst van het letsel en de gevolgen daarvan wordt een bedrag van € 2.000,00 aan smartengeld billijk geacht. De kantonrechter heeft hierbij in de eerste plaats aansluiting gezocht bij de ‘Rotterdamse schaal’in samenhang met de ‘Aanbevelingen voor de begroting van smartengeld op basis van art. 6:106 BW’. De Rotterdamse schaal is een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen op basis van rechtspraak en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding. De kantonrechter heeft daarbij rekening gehouden met het gegeven dat de daarin genoemde bedragen een indicatie zijn van het smartengeldpeil medio 2025, terwijl de mishandeling plaatsvond in 2023. Bij verlies of ernstige beschadiging van één voortand zijn bedragen tussen € 1.500,00 tot € 2.000,00 gangbaar. Gelet op het feit dat niet is betwist dat [eiser] anderhalve maand vloeibaar voedsel heeft moeten eten, ligt het bedrag van € 2.000,00 daarom meer voor de hand. Ook wanneer de Letsellijst Schadefonds Geweldsmisdrijven hierbij wordt betrokken, zoals partijen hebben gedaan, is de conclusie dat dat bedrag billijk is. De door [gedaagde] genoemde categorie 1 voor gebitsletsel lijkt niet passend, want een implantaat voor de voortand is noodzakelijk. Op basis van de Letsellijst Schadefonds Geweldsmisdrijven die in 2023 gold, is categorie 2 met een bedrag van € 2.500,00 daarom passender. Gelet op het voorgaande zal het gevorderde bedrag van € 2.000,00 dan ook worden toegewezen.\n\nEigen schuld\n\n3.18.. Ten aanzien van de schade voert [gedaagde] tot slot aan dat sprake is van eigen schuld, waardoor de verschillende schadeposten verminderd moet worden met 50%. Volgens [gedaagde] was het [eiser] die provocerend gedrag vertoonde door hem als eerste een klap te geven en bij de nek te grijpen.\n\n3.19.. Artikel 6:101 BW geeft als uitgangspunt dat de schade over de benadeelde en de aansprakelijke wordt verdeeld in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Als de billijkheid het vereist wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval, kan een andere verdeling plaatsvinden, of de vergoeding geheel vervallen of in stand blijven.\n\n3.20.. Aangezien [gedaagde] zich beroept op vermindering van zijn vergoedingsplicht rusten de stelplicht en bewijslast van de feiten die hij daartoe aanvoert. Hierin is [gedaagde] niet geslaagd. Uit de verwerping van beroep op noodweer volgt dat niet is komen vast te staan dat [eiser] [gedaagde] eerst bij de nek heeft gegrepen of heeft geslagen. Dat betekent dat de toegewezen schade niet mede het gevolg is van een omstandigheid die aan de schuld van [eiser] is te wijten dan wel voor zijn risico komt. Dat betekent dat de eerder genoemde schadeposten niet zullen worden verminderd.\n\nBuitengerechtelijke kosten\n\n3.21.. \n [eiser] vordert een bedrag van € 2.199,18 en heeft ter zitting gesteld dat dit kosten zijn ter vaststelling van aansprakelijkheid en schade (artikel 6:96 lid 2 sub b BW). De kantonrechter volgt hem hierin niet. De verrichte werkzaamheden (waaronder het herhaaldelijk rappelleren na aansprakelijkstelling) vallen onder reguliere buitengerechtelijke incassohandelingen. Daarbij komt dat [eiser] tijdens de zitting heeft uitgelegd dat de dagvaardingskosten van € 146,36 ten onrechte in het geëiste bedrag zijn opgenomen. Hoewel niet direct van toepassing, geldt dat de tarieven die zijn weergegeven in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, in dit geval worden geacht redelijk te zijn. Bij een hoofdsom van € 5.616,01 hoort een maximaal tarief van € 793,52 (inclusief btw) aan incassokosten. Voor de buitengerechtelijke kosten wordt daarom een bedrag van € 793,52 toegewezen.\n\nWettelijke rente\n\n3.22.. \n [eiser] vordert de wettelijke rente over de gevorderde hoofdsom. Omdat de aansprakelijkheid van [gedaagde] voortvloeit uit onrechtmatige daad, is de schadevergoeding direct opeisbaar op het moment dat de schade is ingetreden en is [gedaagde] vanaf dat moment in verzuim (artikel 6:83 sub b BW). [eiser] heeft de wettelijke rente over de hoofdsom gevorderd vanaf 5 augustus 2024. Aangezien deze datum na de onrechtmatige daad ligt, is deze vordering toewijsbaar. De wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW) zal daarom worden toegewezen over het totale toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schade van € 5.616,01 met ingang van 5 augustus 2024 tot de dag van volledige betaling.\n\n3.23.. De wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen vanaf veertien dagen na de datum van dit vonnis, zoals door [eiser] is gevorderd.\n\nProceskosten\n\n3.24.. De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde], omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiser] moet betalen op € 146,36 aan dagvaardingskosten, € 257,00 aan griffierecht, € 720,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 360,00) en € 144,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.267,36. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf veertien dagen na de datum van dit vonnis.\n\nUitvoerbaar bij voorraad\n\n3.25.. Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n4.1.. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 5.616,01, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 5 augustus 2024 tot de dag dat volledig is betaald;\n\n4.2.. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 793,52 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;\n\n4.3.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 1.267,36 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;\n\n4.4.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;\n\n4.5.. wijst af het anders of meer gevorderde.\n\nDit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. F.A. Hut en in het openbaar uitgesproken.\n\n53954\n\nrotterdamseschaal.nl en [naam 3], [naam 4], [naam 5] & [naam 6], De Rotterdamse schaal. Ordening van smartengeldbedragen bij lichamelijk letsel en andere persoonsaantastingen, Research Memoranda 2025-4 (www.rechtspraak.nl\u002FOrganisatie-en-contact\u002FOrganisatie\u002FRaad-voor-de-Rechtspraak\u002FWetenschappelijk-onderzoek\u002FResearch-Memoranda).\n\nhttps:\u002F\u002Fwww.rechtspraak.nl\u002Fvoor-advocaten-en-juristen\u002Freglementen-procedures-en-formulieren\u002Fstrafrecht\u002Faanbevelingen-rotterdamse-schaal","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:6761","2026-07-13T00:29:30.019Z",{"id":118,"ecli":119,"slug":120,"caseNumber":43,"courtId":67,"decisionDate":121,"fullText":122,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":123,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":51,"updatedAt":124},"1570","ECLI:NL:RBZWB:2026:5640","ecli-nl-rbzwb-2026-5640","2026-06-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK Zeeland-West-Brabant\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F02\u002F441050 \u002F HA RK 25-239\n\nBeschikking van 3 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker],\n\nte [plaats 1] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoeker] ,\n\nadvocaat: mr. J.F. Roth,\n\ntegen\n\n1. [verweerder] B.V.,\n\nte [plaats 2],\n\nhierna te noemen: [verweerder] 2. NATIONALE NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,\n\nadvocaat: mr. J.M. Bruidegom,\n\nte 's-Gravenhage,\n\nhierna te noemen: Nationale Nederlanden\n\nverwerende partijen,\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift met producties,\n\n- het verweerschrift met productie,\n\n- de spreekaantekeningen van mr. Roth,\n\n- de mondelinge behandeling van 29 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Op 3 augustus 2017 liep [verzoeker] tegen de glazen pui in een winkel van [verweerder] in [plaats 1] . [verzoeker] liep als gevolg hiervan letsel op.\n\n2.2.. Nationale Nederlanden heeft als schadeverzekeraar van [verweerder] aansprakelijkheid voor dit voorval erkend.\n\n2.3.. Op 3 augustus 2017 is [verzoeker] arbeidsongeschikt uitgevallen. Het UWV heeft hem na keuring volledig arbeidsongeschikt verklaard.\n\n3. Het verzoek en het verweer\n\n3.1.. \n [verzoeker] verzoekt om het benoemen van drie deskundigen om het letsel van [verzoeker] te beoordelen; een neuroloog, een neuropsycholoog en een psychiater.\n\n3.2.. Aan het verzoek heeft [verzoeker] ten grondslag gelegd dat de rapportages van de deskundigen kunnen bijdragen aan het door [verzoeker] te leveren bewijs dat zijn klachten in verband staan met het voorval van 3 augustus 2017. Pogingen tot een buitengerechtelijke expertise te komen, hebben niet geleid tot gezamenlijke benoeming van een deskundige.\n\n3.3.. Nationale Nederlanden kan zich vinden in het benoemen van een neuroloog en een neuropsycholoog. Zij stelt zich echter op het standpunt dat de neuropsycholoog het onderzoek moet verrichten als hulponderzoek binnen het kader van het onderzoek van de neuroloog. Nationale Nederlanden verzet zich daarnaast tegen het hanteren van de Tromp\u002FElemans-vraagstelling voor de neuropsycholoog. Zij voert aan dat vraagtekens kunnen worden gezet bij de objectiviteit van de Tromp\u002FElemans-vraagstelling en dat deze tot op heden geen algemeen geaccepteerde\u002Fgestandaardiseerde vraagstelling binnen de juridische en medisch-juridische praktijk is. Nu het gebruik van deze vraagstelling afwijkt van hetgeen gebruikelijk is, zijn de resultaten aan interpretatiegevoeligheid onderhevig.\n\n4. De beoordeling\n\nDe benoeming van en vraagstelling aan de deskundigen4.1.. Partijen hebben in samenspraak ingestemd met het benoemen van dr. [deskundige 1] als deskundige in deze zaak. De rechtbank zal hem daarom ook benoemen. Partijen zijn het verder eens over het voorleggen van de IWMD-vraagstelling aam hem. De rechtbank zal de nieuwste versie van deze vraagstelling inclusief de optionele vraag daarom voorleggen aan de deskundige.\n\n4.2.. Nationale Nederlanden verzet zich tegen een zelfstandig neuropsychologisch onderzoek. De rechtbank overweegt dat in het kader van een voorlopig deskundigenbericht, de wet maar beperkt de ruimte geeft om het verzoek tot het benoemen van een neuropsycholoog af te wijzen. [verzoeker] heeft onderbouwd dat de benoemingen van de deskundigen bij kunnen dragen aan de bewijslevering van zijn letsel en het causaal verband tussen het voorval op 3 augustus 2017 en het letsel in de procedure. Het door Nationale Nederlanden aangevoerde belang is onvoldoende gewichtig om dit verzoek af te wijzen. Niettemin is op basis van het partijdebat wel gebleken dat partijen het gelet op de bruikbaarheid van de rapporten van de deskundigen en het tegengaan van tegenstrijdige conclusies, wenselijk vinden dat een zeker samenspel plaatsvindt tussen de neuroloog en neuropsycholoog, waarbij de deskundigen acht kunnen slaan op hetgeen de andere deskundige heeft vastgesteld. De rechtbank wil aan deze wens tegemoet komen. De rechtbank zal daarom beslissen dat de deskundigen eerst ieder een eigen conceptrapportage zullen opstellen. De andere deskundige zal – indien [verzoeker] geen gebruik maakt van zijn blokkeringsrecht – vervolgens de gelegenheid worden gegeven van die conceptrapportage kennis te nemen alvorens een definitieve rapportage op te stellen waarin – voor zover van belang – kan worden ingegaan op hetgeen de andere deskundige in zijn conceptrapportage heeft vastgesteld.\n\n4.3.. Partijen hebben in samenspraak ingestemd met het benoemen van drs. [deskundige 2] als deskundige. De rechtbank zal haar daarom ook benoemen.\n\n4.4.. De Expertgroep Personenschade van het Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel en Kanton (LOVCK) heeft de Tromp\u002FElemans-vraagstelling voorgelegd aan de beroepsverenigingen voor neurologie en neuropsychologie (NVN\u002FNIP). De reactie van deze verenigingen komt erop neer dat de vraagstelling niet bruikbaar is. De beroepsgroep geeft aan dat het vaststellen van cognitieve, gedragsmatige en emotionele gevolgen van hersenaandoeningen het terrein is van de (klinisch) neuropsycholoog en dat specifieke keuzes omtrent de inhoud van een NPO (meetinstrumenten, anamneses) per onderzoek afhankelijk zijn van de te beantwoorden vraagstelling. Zij geven aan dat daar voor hen een fundamenteel bezwaar bestaat tegen de Tromp\u002FElemans-vraagstelling: “de voorgestelde vraagstelling is over bovenstaande te sturend en tast de professionele autonomie van de (klinisch) neuropsycholoog aan.”.Gelet op de bezwaren van de beroepsgroep, ziet de rechtbank aanleiding deze vraagstelling niet voor te leggen aan deskundige.\n\n4.5.. \n [verzoeker] heeft subsidiair verzocht om het voorleggen van de IMWD-vraagstelling. [verzoeker] heeft gesteld dat de NVN-vraagstelling te beperkt is omdat er ook klachten kunnen zijn zonder dat sprake is van (objectiveerbare) hersenbeschadigingen\u002Fletsel. Ook stelt [verzoeker] dat de NVN-vraagstelling uitspraken uitlokt over causaal verband tussen de hersenbeschadiging en de schadeveroorzakende gebeurtenis(sen). Nationale Nederlanden heeft de bezwaren van [verzoeker] tegen de NVN-vraagstelling niet toereikend weersproken. De in vraag 3 genoemde ‘andere oorzaken’ zien op de gebeurtenis of aandoening en daarmee op het causale verband en niet op medisch niet of moeilijk objectiveerbaar letsel. De rechtbank zal dan ook [verzoeker] volgen en de IMWD-vraagstelling voorleggen aan de deskundige.\n\n4.6.. De vraagstelling aan de deskundigen luidt als volgt, waarbij drs. [deskundige 2] de optionele vraag onder het kopje ‘Medische eindsituatie’ buiten beschouwing zal laten:\n\nDE SITUATIE VOOR HET ONGEVAL\n\na. Hoe luidt de anamnese? Welke behandelingen heeft onderzochte gehad? Wat was het resultaat van deze behandelingen? Welke overige klachten op uw vakgebied worden desgevraagd gemeld? Wilt u vermelden welke belemmeringen betrokkene ervaart in relatie tot de activiteiten van het algemene dagelijkse leven (ADL), bij het werk, bij werkzaamheden in, aan en om de woning, en bij het uitoefenen van hobby’s en bezigheden in recreatieve sfeer?\n\nAanbeveling 8.2 NVMSR:\n\nDe beschrijving van de anamnese is deugdelijk en compleet en beperkt zich tot de relevante gegevens ten behoeve van de beantwoording van de aan de deskundige voorgelegde vragen. De beschrijving van de anamnese bevat uitsluitend het verhaal van de betrokkene, zoveel mogelijk in diens eigen bewoordingen. Er worden daarbij geen termen gebruikt of feiten vermeld die uitsluitend kunnen zijn ontleend aan aangeleverde of verkregen medische gegevens of een interpretatie daarvan. Termen als “betrokkene zou (...)” worden vermeden. Ook voegt de deskundige bij de beschrijving van de anamnese geen voorlopige conclusies of eigen interpretaties toe. De auto anamnese en hetero-anamnese worden gescheiden weergegeven\n\nMedische gegevens\n\nb. Wilt u op basis van het medisch dossier van de onderzochte een beschrijving geven van de medische voorgeschiedenis (dat wil zeggen gezondheid voor het ongeval) van de onderzochte op uw vakgebied? Wat is de medische behandeling geweest van de klachten en\u002Fof ervaren verschijnselen in gevolg op het ongeval en het resultaat daarvan?\n\nAanbeveling NVMSR:\n\nBespreking van de ontvangen (medische) gegevens. In deze rubriek worden de beschikbare en ontvangen (medische) gegevens op een zakelijke wijze en zo getrouw mogelijke wijze weergegeven, zonder dat daar een eigen interpretatie of beoordeling van wordt gegeven. Uit brieven uit de behandelend sector wordt zorgvuldig en bij voorkeur letterlijk geciteerd. Indien u onvoldoende medische broninformatie heeft (zowel op, maar ook buiten uw vakgebied) om deze vragen adequaat te kunnen beantwoorden, kunt u deze alsnog in de behandelende sector opvragen, bij voorkeur middels gerichte vragen. Hiervoor is een medische machtiging van betrokkene vereist. Zie: [link] .\n\nMedisch onderzoek\n\nc. Wilt u een beschrijving geven van uw bevindingen bij onderzoek?\n\nAanbeveling 8.3 NVMSR: Het lichamelijk onderzoek wordt, indien van toepassing, zoveel mogelijk weergegeven zoals dat gebruikelijk is binnen de beroepsgroep. Afkortingen dienen hierbij zoveel mogelijk te worden vermeden of te worden weergegeven in een aparte tabel.\n\nConsistentie\n\nd. Is naar uw oordeel sprake van een onderlinge samenhang als het gaat om de informatie die is verkregen van de onderzochte zelf, de feiten zoals die uit het medisch dossier naar voren komen en uw bevindingen bij onderzoek en eventueel hulponderzoek?\n\ne. Voor zover u de vorige vraag ontkennend beantwoordt, wilt u dan aangeven wat de reactie was van de onderzochte op de door u geconstateerde inconsistenties en welke conclusies u daaruit trekt? NB Confrontatie met gevonden inconsistenties is wel nodig; een betrokkene moet namelijk de kans krijgen om hier persoonlijk en verbaal op te reageren, dit is een ethisch punt.\n\nAanbeveling 2.2.8 RMSR:\n\nAls de anamnese niet overeenkomt met de feiten zoals die uit de stukken naar voren komen, dan dient uit het rapport te blijken dat de onderzochte, voor zover dat medisch verantwoord is, met deze inconsistenties werd geconfronteerd. Vermeld wordt, wat zijn reactie daarop was en wat daaruit kan worden geconcludeerd.\n\nDiagnose\n\nf. Wat is de diagnose op uw vakgebied? Wilt u daarbij uw differentiaaldiagnostische overweging geven?\n\nAanbeveling 8.5 NVMSR:\n\nWaar nodig of indien van toepassing wordt een differentiaal diagnostische overweging gegeven. In het rapport wordt onderbouwd waarom een differentiaal diagnostische overweging wordt verworpen.\n\nBeperkingen\n\ng. Welke beperkingen op uw vakgebied bestaan naar uw oordeel bij de onderzochte in zijn huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voortvloeien uit het ongeval? Wilt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven, op semi-kwantitatieve wijze weergeven en zo nodig toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige?\n\nAanbeveling 8.7 NVMSR:\n\nDe eventuele beperkingen van de betrokkene worden zo nauwkeurig mogelijk beschreven en slechts in semi kwantitatieve vorm weergegeven. De hierbij geadviseerde termen zijn ‘geen, licht, matig, ernstig, volledig’. De deskundige zal zelf geen kwantificerende belastbaarheidsprofielen opstellen. Alleen een bedrijfsarts of een verzekeringsarts is bekwaam om een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op te stellen. De deskundige kan wel de vaststellingen in een FML becommentariëren vanuit het eigen vakgebied en op grond van de eigen waarnemingen.\n\nMedische eindsituatie\n\nToelichting: deze vraag heeft als doel om toekomstige risico’s en toekomstige verbeteringen in kaart te brengen. Denk hierbij aan enerzijds een kans op post‐traumatische artrose, aanwezigheid van osteosynthese materiaal of risico op post‐traumatische epilepsie en anderzijds aan mogelijke verbeteringen door therapie\n\nh. Acht u de huidige toestand van de onderzochte zodanig dat een beoordeling van de blijvende gevolgen van het ongeval mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van het op uw vakgebied geconstateerde letsel mogelijk? i. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?\n\nj. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht? k. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 1g)? Optionele vraag:l. Welke huidige mate van functieverlies (impairment) kunt u vaststellen op uw vakgebied als gevolg van het ons aangelegen ongeval? Wilt u dit uitdrukken in een percentage volgens de richtlijnen van de American Medical Association (AMA‐guides, 6e druk), aangevuld met de meest recente richtlijnen\u002F leidraad van uw eigen beroepsvereniging?\n\nAanbeveling NVMSR 8.8:\n\nBij de bepaling van de functionele invaliditeit behoort een percentage dat de deskundige met verwijzing naar (in principe) de laatste versie van de AMA-guides en\u002Fof de richtlijnen van de eigen beroepsgroep beargumenteert. De functionele invaliditeit betreft de beperkingen ongeacht het beroep en de specifieke vaardigheden en heeft uitsluitend betrekking op de vaardigheden in het ADL, iADL en het maatschappelijk verkeer, zoals weergegeven in de AMA-guides. Het ontbreken van functieverlies conform de bepalingen in de AMA-guides, hoeft niet te betekenen dat er ook geen sprake is van beperkingen bij de beroepsuitoefening of bij specifieke activiteiten, maar dat valt niet onder het begrip functionele invaliditeit. Anderzijds hoeft de vaststelling van mate van functieverlies conform de AMA-guides niet automatisch tot beperkingen aanleiding te geven.\n\nDE SITUATIE ZONDER ONGEVAL\n\nMeestal zal het niet mogelijk zijn om onderstaande vragen (met name de vragen 2c - 2e) met zekerheid te beantwoorden. Van u wordt ook niet gevraagd zekerheid te bieden. Wel wordt gevraagd of u vanuit uw kennis en ervaring op uw vakgebied uw mening wilt geven over kansen en waarschijnlijkheden. Het is dus de bedoeling dat u aangeeft wat u op grond van uw deskundigheid op uw vakgebied op deze vragen kunt antwoorden.\n\nAanbeveling 8.4 NVMSR:\n\nDe vragen worden volledig, begrijpelijk en vooral eenduidig beantwoord. Bij de beantwoording van de vragen komen niet\u002Fnooit plotseling aspecten naar voren, die niet worden ondersteund\u002Fonderbouwd in de voorafgaande beschouwing. Het kan van belang zijn om bij de beantwoording van de vragen (zoals bij de IWMD-vraagstelling) inzicht te krijgen in de vergelijking tussen de gezondheidstoestand van de betrokkene zoals die aanwezig is met\u002Ften gevolge van het ongeval en de hypothetische situatie zonder het ongeval. Bij de hypothetische situatie zonder ongeval speelt de gezondheidstoestand vóór het ongeval een belangrijke rol en deze moet zorgvuldig worden beoordeeld en beschreven. Soms is dit door gebrek aan gegevens niet eenduidig te onderzoeken of vast te stellen. Op de deskundige rust de verplichting om de voorgeschiedenis expliciet te onderzoeken en waar nodig hiervoor de benodigde informatie op te vragen. Er dient nadrukkelijk onderscheid te worden gemaakt tussen klachten, afwijkingen en beperkingen in de situaties VOOR en ZONDER ongeval. De betrokkene kan immers na het ongeval een nieuwe of andere aandoening hebben gekregen die los staat van het ongeval of al aan een chronische of genetische aandoening lijden. In sommige gevallen is het niet mogelijk om een vraag te beantwoorden. De deskundige moet dan gemotiveerd aangeven waarom deze vraag niet kan worden beantwoord.\n\nAanbeveling 8.6 NVMSR:\n\nEen eventuele causaliteitsvraag wordt uitsluitend beantwoord vanuit de medische causaliteitsgedachte, dat wil zeggen op grond van datgene wat bekend en herkenbaar is met betrekking tot het ontstaan en het beloop van de onderhavige klachten en verschijnselen. Deze vaststelling gebeurt in overeenstemming met de gangbare wetenschappelijk inzichten dan wel richtlijnen binnen het desbetreffende vakgebied. De deskundige zal nooit anamnestische klachten en\u002Fof anamnestische beperkingen aan een gebeurtenis (bijvoorbeeld een ongeval of incident) toeschrijven of de causaliteit ervan louter baseren op grond van het feit dat deze na de gebeurtenis voor het eerst worden vermeld. De beoordeling van een eventueel juridisch causaal verband is voorbehouden aan partijen en uiteindelijk de rechter.\n\nKlachten, afwijkingen en beperkingen voor ongevala. Bestonden voor het ongeval bij betrokkene reeds klachten en\u002Fof afwijkingen op uw vakgebied? Zo ja, zijn die klachten er nog steeds? Bestaan er andere klachten en\u002Fof afwijkingen die wel relevant zijn voor uw vakgebied? Kunt u hierbij onderscheid maken tussen de gegevens bij anamnese verkregen en informatie op basis van de medische broninformatie verkregen? b. Zo ja, kunt u zo mogelijk aangeven welke beperkingen voor het ongeval uit deze klachten en\u002Fof afwijkingen voortvloeiden en nu nog steeds uit deze klachten en\u002Fof afwijkingen voortvloeien? Kunt u hierbij aangeven, of deze gegevens anamnestisch zijn of gebaseerd op medische broninformatie?\n\nAanbeveling 8.7 NVMSR:\n\nDe eventuele beperkingen van de betrokkene worden zo nauwkeurig mogelijk beschreven en slechts in semi kwantitatieve vorm weergegeven. De hierbij geadviseerde termen zijn ‘geen, licht, matig, ernstig, volledig’. De deskundige zal zelf geen kwantificerende belastbaarheidsprofielen opstellen. Alleen een bedrijfsarts of een verzekeringsarts is bekwaam om een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op te stellen. De deskundige kan wel de vaststellingen in een FML becommentariëren vanuit het eigen vakgebied en op grond van de eigen waarnemingen\n\nKlachten, afwijkingen en beperkingen zonder ongevalc. Zijn er bij de onderzochte op uw vakgebied aanwijzingen dat hij\u002Fzij ook zonder ongeval de huidige klachten en\u002Fof afwijkingen op uw vakgebied zou kunnen hebben ontwikkeld? Wilt u hierbij de algemene gezondheidstoestand van betrokkene meewegen? Kunt u daarbij aangeven of deze vraag wordt beantwoord op basis van anamnese of dat dit wordt afgeleid uit het medisch dossier? d. Zo ja (dus zonder ongeval ook klachten), kunt u dan een inschatting geven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de klachten en\u002Fof afwijkingen dan hadden kunnen ontstaan? e. Kunt u aangeven welke beperkingen uit deze klachten en\u002F of afwijkingen zouden kunnen zijn voortgevloeid? Kunt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven en op semi kwantitatieve wijze weergeven en zo nodig toelichten? Indien dit niet mogelijk is dit graag aangeven. f. Verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van de op uw vakgebied geconstateerde niet ongevalgerelateerde klachten en afwijkingen? g. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u? h. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht? i. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 2e)?\n\nAanbeveling 8.7 NVMSR:\n\nDe eventuele beperkingen van de betrokkene worden zo nauwkeurig mogelijk beschreven en slechts in semi kwantitatieve vorm weergegeven. De hierbij geadviseerde termen zijn ‘geen, licht, matig, ernstig, volledig’. De deskundige zal zelf geen kwantificerende belastbaarheidsprofielen opstellen. Alleen een bedrijfsarts of een verzekeringsarts is bekwaam om een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op te stellen. De deskundige kan wel de vaststellingen in een FML becommentariëren vanuit het eigen vakgebied en op grond van de eigen waarnemingen.\n\nBlokkeringsrecht4.7.. De rechtbank stelt vast dat [verzoeker] het blokkeringsrecht toekomt. Dit betekent dat [verzoeker] als eerste (steeds) het concept-rapport moet ontvangen. [verzoeker] kan vervolgens besluiten het concept-rapport te blokkeren. Dat betekent dat het verder niet aan anderen wordt gegeven. Als [verzoeker] het rapport niet blokkeert, zal daarna een definitief rapport gemaakt worden. Ook dat moet [verzoeker] (steeds) als eerste ontvangen. Ook dan kan hij de verdere verspreiding van het rapport blokkeren. De deskundigen zullen daarom te werk moeten gaan zoals hierna in de beslissing staat beschreven. De rechtbank wijst er wel op dat als [verzoeker] het blokkeringsrecht gebruikt, de rechtbank daaraan de conclusies kan verbinden die zij daarbij vindt passen.\n\nBenoeming van de psychiater4.8.. Conform de wens van partijen zal het benoemen van een psychiater achterwege blijven tot het moment dat partijen aangeven dat zij alsnog benoeming van een psychiater wensen.\n\nHet voorschot4.9.. Volgens de hoofdregel moet het voorschot op de kosten van de deskundigen in beginsel door de verzoekende partij worden voldaan. In dit geval heeft Nationale Nederlanden de aansprakelijkheid voor het voorval erkend en aangegeven bereid te zijn de kosten van deze onderzoeken te dragen. De rechtbank oordeelt daarom dat Nationale Nederlanden de voorschotten van de deskundigen zal betalen. Partijen hebben zich schriftelijk akkoord verklaard met de begrotingen van dr. [deskundige 1] en drs. [deskundige 2] .\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n5.1.. beveelt een neurologisch onderzoek door de deskundige om de vragen die zijn opgenomen onder 4.6 te beantwoorden,\n\n5.2.. benoemt tot neurologisch deskundige ter beantwoording van deze vragen:\n\ndr. [deskundige 1] , neuroloog, verbonden aan het [ziekenhuis] ( [ziekenhuis] ),\n\ncorrespondentieadres:\n\n [postadres 1]\n\ntelefoon: [telefoonnummer 1]\n\nemailadres: [e-mailadres 1]\n\n5.3.. beveelt een neuropsychologisch onderzoek door de deskundige om de vragen die zijn opgenomen onder overweging 4.6 te beantwoorden,\n\n5.4.. benoemt tot neuropsychologisch deskundige ter beantwoording van deze vragen:\n\ndrs. [deskundige 2] , neuropsycholoog, verbonden aan [bedrijf] ,\n\ncorrespondentieadres:\n\n [postadres 2]\n\ntelefoon: [telefoonnummer 2]\n\nemailadres: [e-mailadres 2] ,\n\ninstructies over het toesturen van het procesdossier\n\n5.5.. draagt de griffier op een afschrift van deze beschikking toe te sturen aan de deskundigen,\n\n5.6.. bepaalt dat de verdere medische stukken en de processtukken van deze procedure binnen één week na de datum van deze beschikking aan de deskundigen moeten worden toegestuurd door [verzoeker] ,\n\nbetalen van de kosten van het onderzoek\n\n5.7.. bepaalt dat Nationale Nederlanden de bedragen van de voorschotten moet betalen binnen twee weken nadat zij daarvoor een betalingsverzoek van de griffie heeft ontvangen,\n\n5.8.. verklaart de beslissing over het voorschot uitvoerbaar bij voorraad,\n\ninformeren van de deskundigen over de start van het onderzoek\n\n5.9.. draagt de griffier op om als het voorschot is betaald de deskundigen daarvan meteen op de hoogte te stellen en hen te bevestigen dat met het onderzoek kan worden begonnen,\n\nwanneer en hoe de deskundige zijn onderzoek moet doen\n\n5.10.. bepaalt dat de deskundigen pas met de werkzaamheden hoeven te beginnen nadat de griffie van de rechtbank dat heeft laten weten, waarbij wordt vermeld dat het voorschot op de kosten is betaald,\n\n5.11.. wijst de deskundigen erop dat zij direct met het onderzoek moeten stoppen en contact moeten opnemen met de griffie, als tijdens het verrichten van de werkzaamheden het voorschot niet voldoende blijkt te zijn,\n\n5.12.. verzoekt de deskundigen om de landelijke Leidraad deskundigen op www.rechtspraak.nl te raadplegen,\n\n5.13.. schrijft de deskundigen voor dat zij bij hun onderzoek partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat uit hun rapporten moet blijken of hieraan is voldaan, terwijl in de rapporten ook de inhoud van die opmerkingen en verzoeken zelf moeten worden opgenomen,\n\n5.14.. bepaalt dat de deskundigen een concept van de rapporten eerst aan [verzoeker] zullen toesturen en dat zij schriftelijk aan de Nationale Nederlanden zal laten weten dat hij het concept-rapport aan [verzoeker] heeft gestuurd,\n\n5.15.. bepaalt dat de deskundigen, als [verzoeker] het blokkeringsrecht niet heeft uitgeoefend binnen veertien dagen, of een door partijen nader overeen te komen termijn, de concept-rapporten vervolgens aan Nationale Nederlanden zullen toesturen,\n\n5.16.. bepaalt dat de deskundigen het schriftelijk aan de rechtbank laat weten, met een kopie daarvan aan Nationale Nederlanden, als [verzoeker] binnen deze veertien dagen (of de nader overeengekomen termijn) het blokkeringsrecht wel heeft uitgeoefend,\n\n5.17.. bepaalt, als het blokkeringsrecht niet is ingeroepen, dat de deskundigen partijen vervolgens in de gelegenheid zullen stellen opmerkingen over het concept van te maken en verzoeken te doen en dat zij in de rapporten moet vermelden dat die gelegenheid is geboden en waaruit die opmerkingen en\u002Fof verzoeken bestaan, en wat de reactie van de deskundige daarop was,\n\n5.18.. bepaalt, als het blokkeringsrecht ten aanzien van het concept-rapport van dr. [deskundige 1] niet is ingeroepen, hij dit rapport aan drs. [deskundige 2] zal verstrekken zodat zij acht kan slaan op de uitkomsten van de rapportage van dr. [deskundige 1] ,\n\n5.19.. bepaalt dat, als het blokkeringsrecht ten aanzien van het concept-rapport van drs. [deskundige 2] niet is ingeroepen, zij haar concept-rapport aan dr. [deskundige 1] zal verstrekken en verzoekt dr. [deskundige 1] kennis te nemen van de uitkomsten van het neuropsychologisch onderzoek,\n\n5.20.. bepaalt dat de deskundigen vervolgens zullen reageren op de vraag of hij\u002Fzij naar aanleiding van de uitkomsten van de andere rapportage aanleiding ziet zijn\u002Fhaar bevindingen aan te passen,\n\n5.21.. bepaalt dat de deskundigen de definitieve rapporten eerst aan [verzoeker] zullen sturen en dat hij schriftelijk aan Nationale Nederlanden zal laten weten dat zij het definitieve rapport aan [verzoeker] hebben gestuurd,\n\n5.22.. bepaalt dat de deskundigen, als [verzoeker] het blokkeringsrecht niet heeft uitgeoefend binnen veertien dagen, of een door partijen nader overeen te komen termijn, hun definitieve rapporten vervolgens aan de rechtbank zullen toesturen, met een kopie daarvan aan Nationale Nederlanden,\n\n5.23.. bepaalt dat de deskundigen, het schriftelijk aan de rechtbank laat weten, met een kopie daarvan aan Nationale Nederlanden, als [verzoeker] binnen deze veertien dagen (of de nader overeengekomen termijn) het blokkeringsrecht wel heeft uitgeoefend,\n\n5.24.. bepaalt dat iedere deskundige met zijn rapport of met het bericht dat [verzoeker] het rapport heeft geblokkeerd een gespecificeerde einddeclaratie meestuurt,\n\n5.25.. houdt de overige beslissingen aan in afwachting van de rapporten van de deskundigen.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Van Noort en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5640","2026-07-13T00:29:27.585Z",{"id":126,"ecli":127,"slug":128,"caseNumber":43,"courtId":112,"decisionDate":129,"fullText":130,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":131,"sourceTimestamp":132,"parsedAt":51,"updatedAt":133},"1569","ECLI:NL:RBROT:2026:6532","ecli-nl-rbrot-2026-6532","2026-06-02T00:00:00.000Z","RECHTBANK Rotterdam\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F10\u002F713387 \u002F HA RK 26-36\n\nBeschikking van 2 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker],\n\nte [plaats] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoeker] ,\n\nadvocaat: mr. M.J.J. de Ridder,\n\ntegen\n\n [verweerster],\n\nzowel handelend voor zichzelf als in haar hoedanigheid van\n\nwettelijk vertegenwoordiger van:\n\n [persoon A] ,\n\nbeiden te [plaats] ,\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: [persoon A] ,\n\nadvocaat: mr. A. el Ballouti.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift met 10 bijlagen, ingediend op 13 januari 2026;\n\n- het verweerschrift met producties A en B;\n\n- de mondelinge behandeling van 24 maart 2026 en de tijdens de mondelinge behandeling overgelegde spreekaantekeningen van [verzoeker] .\n\n1.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Op 29 april 2016 heeft [persoon A] telefonisch contact opgenomen met de praktijk van huisarts [verzoeker] , waarbij zij aangaf dat [persoon A] , haar dochter van destijds 6 jaar, koorts en sinds drie dagen diarree had.\n\n2.2.. \n [persoon A] heeft [verzoeker] met [persoon A] bezocht op 29 april 2016. De urine van [persoon A] is hierbij nagezien, waarbij de volgende waarden werden aangetroffen: leukocyten (+++) en erytrocyten (+++). [verzoeker] heeft het antibioticum Amoxicilline voorgeschreven.\n\n2.3.. Op zaterdag 7 mei en zondag 8 mei 2016 heeft [persoon A] met [persoon A] de huisartsenpost bezocht, met onder meer klachten van krachtsverlies in de benen. Op 8 mei 2016 is [persoon A] doorverwezen naar het Sint Franciscus Gasthuis. Aldaar werd gedacht aan een Guillain-Barré syndroom (hierna ook: GBS), een auto-immuunziekte van de zenuwen in de armen en benen.\n\n2.4.. Op 9 mei 2016 is [persoon A] opgenomen in het Erasmus MC op de afdeling kinderneurologie, waar zij tot 13 mei 2016 verbleef. Na een lumbaalpunctie bleek sprake van een verhoogd eiwitgehalte en werd GBS geconstateerd. [persoon A] werd behandeld met immunoglobuline (antistoffen). Tijdens de opname werd bij urinekweken de E. Colibacterie gevonden, resistent voor Amoxicilline, en vond behandeling met Nitrofurantoïne plaats.\n\n2.5.. In de ontslagbrief van 26 mei 2016 van het Erasmus MC staat vermeld:\n\n“GBS is een postinfectieuze aandoening die door de\n\nafweerreactie op verschillende verwekkers kan worden uitgelokt. Bij\n\nJasmina werd een recente infectie met hepatitis E vastgesteld. Dit is\n\neen bekende verwekker van GBS. Waarschijnlijk is zij van de\n\noorspronkelijke infectie niet of nauwelijks ziek van geweest. De E.\n\nColi die de urineweginfectie veroorzaakte, is als verwekker\n\nonwaarschijnlijk.”\n\n2.6.. \n [persoon A] heeft [verzoeker] aansprakelijk gesteld, waarna diens aansprakelijkheidsverzekeraar VvAA Schadeverzekeringen N.V. (hierna: VvAA) in 2018 namens [verzoeker] de aansprakelijkheid heeft afgewezen.\n\n2.7.. Partijen hebben overeenstemming bereikt over het gezamenlijk inwinnen van een medische expertise bij prof. dr. H. De Vries, emeritus-hoogleraar huisartsgeneeskunde (hierna: prof. De Vries).\n\n2.8.. Prof. De Vries heeft in zijn rapport van 8 januari 2024 geschreven:\n\n“Ik beoordeel het antibioticumbeleid van de huisarts als onzorgvuldig, omdat (…)\n\n- Het onvoldoende ondersteund werd door de uitkomsten van zijn anamnese (vragen naar mictieklachten, keelpijn, oorpijn, hoesten of benauwdheid ontbreken) en onderzoek (onderzoek van keel, trommelvliezen, longen, buik en dipslide\u002Furinekweek ontbreken)\n\n- De arts in het bijzonder onvoldoende argumenten had om amoxicilline voor een eventuele luchtweginfectie voor te schrijven;\n\n- De arts gezien de mogelijkheid van een urineweginfectie had moeten kiezen voor amoxicilline\u002Fclavulaanzuur”(pag. 12).\n\nDe diagnose ‘Koorts en het vermoeden van een urineweginfectie’, zoals genoteerd in\n\nhet huisartsenjournaal, achtte prof. De Vries “correcte diagnosen”,“ondanks de tekortkomingen bij anamnese en lichamelijk onderzoek.”\n\n2.9.. Ook schreef prof. De Vries in zijn rapport:\n\n “Het is voor een leek van belang om te weten dat het GBS voordat de verschijnselen\n\nzich aandienen niet te voorspellen of te voorkomen is”(pag. 9).\n\nen\n\n“Tenslotte: het antibioticumbeleid van de huisarts op 29 april 2016 heeft mijns inziens\n\nhelemaal niets te maken met het feit dat [persoon A] kort daarna een Guillain-Barré syndroom ontwikkelde”(pag. 12).\n\n2.10.. VvAA heeft daarna geschreven dat zij het rapport van prof. De Vries, met daarin de conclusie dat het door [verzoeker] gevoerde antibioticumbeleid, als hiervoor omschreven onder 2.8, onzorgvuldig was, als uitgangspunt neemt bij de verdere beslechting van het geschil tussen partijen.\n\n2.11.. Omdat prof. De Vries aangegeven heeft dat het gevoerde antibioticumbeleid niets te maken heeft met het door [persoon A] ontwikkelde GBS, ontbreekt volgens [verzoeker] een conditio sine qua non-verband en is aan een vereiste voor het vestigen van aansprakelijkheid niet voldaan, aldus VvAA.\n\n2.12.. \n [persoon A] is van mening dat het GBS is ontstaan als gevolg van het feit dat [verzoeker] Amoxicilline heeft voorgeschreven in plaats van Amoxicilline met clavulaanzuur.\n\n2.13.. \n [persoon A] heeft op 28 januari 2026 een verzoekschrift deelgeschil ex artikel 1019 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ingediend bij deze rechtbank waarin zij - onder meer - een verklaring voor recht vraagt dat [verzoeker] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de geneeskundige behandelingsovereenkomst. [verzoeker] heeft verweer gevoerd. Deze procedure is bekend onder zaaknummer C\u002F10\u002F714006 \u002F HA RK 26-73 en is ook behandeld ter zitting van 24 maart 2026. In die procedure heeft de rechtbank afzonderlijk een beslissing genomen.\n\n3. Het verzoek en het verweer\n\n3.1.. \n [verzoeker] heeft de rechtbank verzocht om een onderzoek door een deskundige te bevelen.\n\n3.2.. Aan het verzoek heeft [verzoeker] het volgende ten grondslag gelegd. [verzoeker] heeft er belang bij zijn positie in rechte te kunnen bepalen omdat partijen van mening blijven verschillen over de aansprakelijkheid en de vraag of het gevoerde antibioticumbeleid wel of niet te maken heeft met het door [persoon A] ontwikkelde GBS. Ter beantwoording daarvan kan de vraagstelling worden voorlegd aan dr. A.Verrips , neuroloog.\n\n3.3.. \n [persoon A] kan instemmen met een voorlopig deskundigenonderzoek maar wenst dat [persoon B] , neuroloog en hoogleraar Immunologie en Neurologie (hierna: [persoon B] ), wordt aangesteld als deskundige - in plaats van dr. Verrips .\n\n3.4.. Ter zitting heeft [verzoeker] aangegeven niet te kunnen instemmen met [persoon B] als deskundige. [persoon B] werkt in het Erasmus MC en zijn collega’s in het Erasmus MC hebben - vanwege de opname van [persoon A] aldaar - al bemoeienis gehad met [persoon A] . Dat maakt dat [persoon B] niet onafhankelijk kan onderzoeken en rapporteren.\n\n3.5.. Ter zitting heeft [persoon A] vervolgens [persoon C] , als neuroloog werkzaam in het het IJsselland Ziekenhuis en gepromoveerd op GBS, voorgedragen als te benoemen deskundige.\n\n3.6.. Ook tegen benoeming van [persoon C] als deskundige heeft [verzoeker] bezwaar gemaakt. [persoon C] is gepromoveerd in het Erasmus MC en daarom (wellicht) ook niet onafhankelijk.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. \n [verzoeker] heeft aan de formele eisen van het verzoekschrift zoals vermeld in artikel 197 Rv voldaan. Het verzoek moet daarom worden toegewezen, tenzij:\n\n- de informatie die wordt verlangd, niet voldoende is bepaald\n\n- er onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat\n\n- het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde\n\n- er sprake is van misbruik van bevoegdheid of\n\n- er andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting (artikel 196 lid 2 Rv). Dit alles doet zich hier echter niet voor.\n\n4.2.. Het verzoek voldoet dus aan de eisen van de wet en zal worden toegewezen.\n\n4.3.. De rechtbank beoordeelt de bezwaren van [verzoeker] tegen de door [persoon A] aangedragen deskundigen - [persoon B] en [persoon C] - als gegrond. [persoon A] is opgenomen geweest in het Erasmus MC. Beide door [persoon A] voorgestelde deskundigen hebben banden of banden gehad met het Erasmus MC waardoor zij mogelijk niet onafhankelijk zullen (kunnen) rapporteren.\n\n4.4.. \n\n [persoon A] heeft als bezwaar tegen de benoeming van dr. Verrips als deskundige naar voren gebracht dat hij algemeen neuroloog is. Dit bezwaar beoordeelt de rechtbank niet als voldoende zwaarwegend, omdat een neuroloog de kennis en kunde heeft om de vraagstelling te kunnen beantwoorden. Niet betwist is immers dat het GBS een neurologische afwijking is. Dr. Verrips is bovendien ook kinderneuroloog én hij verricht al lange tijd neurologische expertises, ook bij kinderen.\n\nDaarom zal de rechtbank hem als deskundige benoemen en zullen aan hem de onder de beslissing vermelde vragen worden voorgelegd.\n\n4.5.. De deskundige heeft het voorschot begroot op een bedrag van € 7.129,93 (inclusief btw). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren. Zij hebben geen bezwaar gemaakt tegen de begroting van het voorschot. De rechtbank zal het voorschot dus vaststellen op een bedrag van € 7.129,93 (inclusief btw).\n\n4.6.. De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals hierna onder de beslissing omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaraan de gevolgen verbinden die de rechtbank geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.\n\n4.7.. Als een partij op verzoek van de deskundige of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige toestuurt, moet zij daarvan direct een afschrift aan de wederpartij verstrekken.\n\n4.8.. In het feit dat partijen hebben afgesproken de kosten van het eerdere deskundigenrapport van prof. De Vries bij helfte te delen, ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat [persoon A] en [verzoeker] ook in dit voorlopig deskundigenonderzoek de kosten bij helfte delen. Dit sluit ook aan bij aanbeveling 23 van de GOMA. [verzoeker] dient de helft van het voorschot van het voorlopig deskundigenonderzoek ter griffie te storten. Aan [persoon A] is een toevoeging verleend en het griffierecht voor onvermogenden geheven. De helft van [persoon A] van het voorschot op de kosten van het voorlopig deskundigenonderzoek komt daarom ten laste van ’s Rijks kas.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n5.1.. beveelt een voorlopig onderzoek door een deskundige voor de beantwoording van de volgende vragen:\n\nVraag 1\n\nBeschikt u over voldoende gegevens om de hierna te volgen vragen te\n\nkunnen beantwoorden? Zo nee, wilt u dan aangeven welke informatie u nog\n\nwilt ontvangen?\n\nVraag 2\n\nKunt u het ziektebeloop van een Guillain-Barré syndroom schetsen? Kunt u\n\ndaarbij aangeven wat daarvan de oorzaken zijn?\n\nVraag 3\n\nWat zijn de behandelmogelijkheden van een Guillain-Barré syndroom en hoe\n\nis de prognose?\n\nVraag 4\n\nWat is naar uw mening de oorzaak van het Guillain-Barré syndroom bij\n\n [persoon A] ? Acht u het waarschijnlijk dat Gullain-Barré syndroom is ontstaan\n\ndoor het op 29 april 2016 voorschrijven van Amoxicilline in plaats van\n\nAmoxicilline met clavulaanzuur? Kunt u daarbij ook ingaan op de relatie met\n\nHepatitis E en\u002Fof E. Coli?\n\nVraag 5\n\nHad het Guillain-Barré syndroom bij [persoon A] door de huisarts op 29 april\n\n2016 voorkomen kunnen worden? Zo ja hoe?\n\nIndien u van mening bent dat het Guillain Barré syndroom is\n\nontstaan door het voorschrijven van Amoxicilline in plaats van\n\nAmoxicilline met clavulaanzuur, wilt u dan ook de volgende vragen\n\nbeantwoorden:\n\nVraag 6\n\nKunt u aangeven van welke neurologische aandoeningen en klachten en\n\nbeperkingen op uw vakgebied thans sprake is? Kunt u de daarmee gemoeide\n\nbeperkingen zo uitvoerig mogelijk beschrijven en uitdrukken in een\n\npercentage BI volgens de AMA-guide?\n\nVraag 7\n\nKunt u aangeven in hoeverre deze beschreven klachten en beperkingen een\n\ngevolg zijn van het Guillain-Barré syndroom?\n\nVraag 8\n\nIs er op uw vakgebied sprake van een medische eindsituatie of moet er met\n\neen verslechtering c.q. verbetering rekening worden gehouden?\n\nVraag 9\n\nHoe ziet u de prognose? Wat is de kans op een recidief?\n\nVraag 10\n\nHeeft u nog therapeutische suggesties?\n\n5.2.. benoemt tot deskundige:\n\nDr. A. Verrips, neuroloog-kinderneuroloog-neuromyoloog,\n\nCanisius-Wilhelmina Ziekenhuis (tot 1 juli 2026):\n\nPostbus 9015\n\n6500 GS Nijmegen\n\nTelefoon: 024-3657657\n\nFax: 024- 3657329\n\nVanaf 1 juli 2026 bereikbaar via:\n\ne-mailadres: verripsexpertises@gmail.com,\n\ntelefoon privé: [gsm-nummer]\n\n5.3.. bepaalt dat de griffier een kopie van deze beschikking aan de deskundige zal toezenden,\n\nhet voorschot\n\n5.4.. stelt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige vast op € 7.129,93 (inclusief btw),\n\n5.5.. bepaalt dat [verzoeker] de helft van het voorschot moet overmaken binnen twee wekenna de datum van de nog te ontvangen nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak en brengt de andere helft van het voorschot ten laste van ’s Rijks kas,\n\n5.6.. draagt de griffier op om de deskundige onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot,\n\nhet onderzoek\n\n5.7.. bepaalt dat [verzoeker] het procesdossier in afschrift aan de deskundige moet toesturen,\n\n5.8.. bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal instellen op de door de deskundige in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats,\n\n5.9.. wijst de deskundige erop dat:\n\n- de deskundige voor aanvang van het onderzoek kennis moet nemen van de Gedragscode voor gerechtelijk deskundigen in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken én van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (beide te raadplegen op https:\u002F\u002Fwww.rechtspraak.nl\u002F),\n\n- de deskundige het onderzoek pas begint na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot,\n\n- de deskundige het onderzoek onmiddellijk staakt en contact opneemt met de griffier, als tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn,\n\n- de deskundige bij het onderzoek de partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het schriftelijk bericht vermeldt of aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding van de eventueel gemaakte opmerkingen en\u002Fof gedane verzoeken,\n\n5.10.. bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige moeten verstrekken als de deskundige daarom vraagt en de deskundige ook voor het overige gelegenheid moeten geven om het onderzoek te verrichten,\n\nhet schriftelijk rapport\n\n5.11.. draagt de deskundige op om uiterlijk acht maanden na het schriftelijk bericht van de griffier over de betaling van het voorschot een schriftelijk en ondertekend rapport in drievoud op de griffie van de rechtbank in te leveren, met een gespecificeerde declaratie,\n\n5.12.. wijst de deskundige erop dat:\n\n- uit het schriftelijk rapport moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundige is gebaseerd,\n\nde deskundige [persoon A] in de gelegenheid moet stellen om gebruik te maken van het inzage- en blokkeringsrecht als bedoeld in artikel 7:464 lid 2 onder b BW en, indien zij als eerste kennis wenst te nemen van het deskundigenrapport, een concept van dat rapport aan [persoon A] (eventueel onder gesloten couvert via haar advocaat) moet toesturen en [persoon A] daarbij een termijn van twee weken moet bieden om aan te geven of zij gebruik wil maken van het blokkeringsrecht (waarbij het [persoon A] zich van commentaar op het concept moet onthouden),\n\nindien [persoon A] binnen die termijn mededeelt gebruik te maken van haar blokkeringsrecht, de deskundige de werkzaamheden onmiddellijk moet staken en dit aan de rechtbank moet mededelen,\n\nindien [persoon A] geen gebruik maakt van haar inzage- of blokkeringsrecht, de deskundige het concept van het deskundigenrapport aan de advocaten van partijen moet toezenden, waarna partijen de gelegenheid krijgen binnen vier weken daarover bij de deskundige opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en de reactie van de deskundige daarop moet vermelden,\n\n5.13.. bepaalt dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben om op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren,\n\n5.14.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. K.A. Baggerman en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.\n\n3246\u002F2537\n\nAanbeveling 23 GOMA (Gedragscode Openheid medische incidenten): “Bij een blijvend verschil van inzicht op medisch gebied vragen partijen zo mogelijk gezamenlijk een deskundigenonderzoek aan en communiceren zij daarover open en voortvarend met elkaar. Zij delen de kosten in gelijke mate.”","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:6532","2026-06-08T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:27.545Z",{"id":135,"ecli":136,"slug":137,"caseNumber":43,"courtId":138,"decisionDate":139,"fullText":140,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":141,"sourceTimestamp":142,"parsedAt":51,"updatedAt":143},"1818","ECLI:NL:RBNHO:2026:6281","ecli-nl-rbnho-2026-6281",73,"2026-05-19T00:00:00.000Z","RECHTBANK Noord-Holland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Alkmaar\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F15\u002F368386 \u002F HA RK 25-119\n\nBeschikking van 19 mei 2026\n\nin de zaak van\n\nASR SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,\n\nte Utrecht,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: ASR,\n\nadvocaat: mr. Chr.H. van Dijk,\n\ntegen\n\n1. [verweerder sub 1] 2. [verweerder sub 2] ,\n\nbeiden in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van hun minderjarige zoon [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ),\n\nte [woonplaats] ,\n\nverwerende partijen,\n\nhierna samen te noemen: de ouders,\n\nprocederend in persoon.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de beschikking van 12 november 2025, waarin een nieuwe mondelinge behandeling is bepaald;\n\n- de e-mailberichten van de ouders van 16, 19, 21,22, 25 en 28 november 2025, 22 december 2025, 5 en 6 januari 2026;\n\n- de e-mail van ASR van 8 januari 2026;\n\n- de e-mailberichten van de ouders van 9 en 12 januari en 3 februari 2026;\n\n- de mondelinge behandeling van 9 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n1.2.. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen afgesproken te proberen het geschil op te lossen door middel van mediation. De zaak is vervolgens aangehouden om partijen daartoe de gelegenheid te geven.\n\n1.3.. Bij e-mails van 3 april respectievelijk 4 april 2026 hebben de ouders en ASR de rechtbank bericht dat de mediation die heeft plaatsgevonden geen resultaat heeft opgeleverd.\n\n1.4.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De verdere beoordeling\n\n2.1.. Tijdens de eerste mondelinge behandeling van 1 oktober 2025 heeft ASR de rechtbank verzocht (ambtshalve) een bijzondere curator te benoemen. Omdat de ouders niet aanwezig waren bij die zitting, heeft de rechtbank bij beschikking van 12 november 2025 een nieuwe mondelinge behandeling gelast om de ouders in de gelegenheid te stellen hun standpunt daarover kenbaar te maken. Dit hebben de ouders gedaan in de e-mails die zij aan de rechtbank hebben gestuurd en tijdens de mondelinge behandeling van 9 februari 2026. In deze beschikking zal de rechtbank de verzoeken van ASR en het verweer van de ouders beoordelen.\n\nIs de zaak geschikt voor behandeling in deelgeschil?\n\n2.2.. ASR heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen in het geval een persoon een ander aansprakelijk houdt voor schade die hij lijdt door dood of letsel. De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van in dit geval letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de rechtbank eerst beoordelen of de verzochte beslissingen kunnen bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv).\n\n2.3.. De ouders voeren aan dat dit deelgeschil zich er niet voor leent de buitengerechtelijke afwikkeling van de letselschade te bevorderen. Dit verweer volgt de rechtbank niet. ASR verzoekt de rechtbank om de ouders te bevelen om – kort gezegd – mee te werken aan de schadeafwikkeling en het inschakelen van een zorgregisseur. Met een oordeel over de vraag of de ouders daartoe gehouden zijn, zou de ontstane impasse tussen partijen kunnen worden doorbroken en zou het schadetraject kunnen worden voortgezet.\n\n2.4.. De ouders voeren verder aan dat de zaak zich niet leent voor een beperkte behandeling in deelgeschil. In dit verband wijzen de ouders erop dat de kern van het geschil niet alleen de schadeafwikkeling binnen het kader van de WAM (Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen) is, maar ook het institutioneel en moreel falen van ASR. De ouders hebben hierover een groot aantal klachtbrieven aan ASR gestuurd, maar deze zijn inhoudelijk onbeantwoord gebleven. Kort gezegd beklagen de ouders zich over de manier waarop ASR is omgegaan met het schadetraject. ASR zou in samenspraak met de toenmalige belangenbehartiger van de ouders aan schadesturing hebben gedaan. Daarnaast heeft ASR de schijn van partijdigheid gewekt door de ouders niet te informeren dat zij konden kiezen voor een eigen medisch adviseur in plaats van een gezamenlijke. ASR heeft ook een zorgregisseur ingeschakeld die bij ASR werkzaam is geweest. Ten slotte beklagen de ouders zich over het uitblijven van een inhoudelijke reactie op hun klachten. ASR betwist de verwijten die de ouders haar maken.\n\n2.5.. In dit deelgeschil kan de rechtbank niet beoordelen of de verwijten die de ouders ASR maken over de wijze waarop het dossier is behandeld terecht zijn. Dat staat echter niet in de weg aan de beoordeling van de verzoeken die ASR in dit deelgeschil doet. Er is namelijk geen sprake van een onlosmakelijke samenhang tussen de ongevalsgerelateerde schade van [minderjarige] en de wijze van institutionele behandeling van de zaak door ASR, zoals de ouders betogen. Partijen kunnen het traject over de afwikkeling van de schade die [minderjarige] als gevolg van het ongeval heeft geleden en lijdt (weer) oppakken zonder dat het geschil over de verwijten die de ouders ASR maken al wordt beslecht. Dat geschil kunnen de ouders desgewenst in een (afzonderlijke) procedure aan de rechter of een andere daarvoor in aanmerking komende instantie voorleggen, zoals zij zeggen voornemens te zijn.Een dergelijke procedure kan dan eventueel parallel lopen met het reguliere schadetraject.\n\nMoet een bijzondere curator worden benoemd?\n\n2.6.. Het meest verstrekkende standpunt van ASR is dat de rechtbank een bijzondere curator als bedoeld in artikel 1:250 van het Burgerlijk Wetboek (BW) benoemt, die [minderjarige] zowel in als buiten rechte zal vertegenwoordigen met betrekking tot de schadeafwikkeling. Volgens ASR moet deze stap gezet worden, omdat de ouders niet bereid blijken de schadeafwikkeling op de reguliere manier te hervatten, wat niet in het belang van [minderjarige] is.\n\n2.7.. De ouders zijn het daarmee niet eens. Zij voeren aan dat er geen sprake is van een tegenstrijdig belang tussen ouders en kind.\n\n2.8.. De rechtbank stelt voorop dat in artikel 1:250 lid 1 BW (voor zover van belang) is bepaald dat als een zaak aanhangig is, de desbetreffende rechter een bijzondere curator kan benoemen voor aangelegenheden over het vermogen van de minderjarige. De rechter zal dit alleen doen als hij dit noodzakelijk acht in het belang van de minderjarige en wanneer de belangen van de ouders in strijd zijn met die van de minderjarige.\n\n2.9.. \n [minderjarige] is het slachtoffer geworden van een verkeersongeval, waarbij hij rijdend op zijn fiets in botsing is gekomen met een bestelbus. Hij heeft daardoor zeer ernstig (hersen)letsel opgelopen. ASR heeft als WAM-verzekeraar van de bestelbus erkend dat haar verzekerde aansprakelijk is voor het ongeval en dat zij de volledige schade van [minderjarige] die het gevolg is van het ongeval zal vergoeden. [minderjarige] heeft er belang bij dat de ongevalsgerelateerde schade wordt vergoed. Dit belang hebben de ouders ook. In zoverre zijn de belangen van de ouders en die van [minderjarige] niet tegenstrijdig.\n\n2.10.. De schadeafwikkeling is in een impasse geraakt nadat de ouders het standpunt hebben ingenomen dat sprake is van moreel en institutioneel falen van ASR en dat dit onderdeel moet zijn van de schadeafwikkeling. De ouders hebben in dit verband in meerdere brieven aan ASR aanspraak gemaakt op schadevergoeding, inmiddels oplopend tot een bedrag van 175 miljoen euro. ASR is het niet eens met de visie van de ouders en heeft hen laten weten niet bereid te zijn dergelijke bedragen te betalen. ASR wil het schadetraject wel verder oppakken, maar heeft daarbij de medewerking van de ouders nodig voor onder meer het verstrekken van inlichtingen en het inschakelen van deskundigen. Het schadetraject is sindsdien stil komen te liggen.\n\n2.11.. De rechtbank is van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is dat het schadetraject weer wordt hervat. Op dit moment is ASR verstoken van informatie over het precieze letsel van [minderjarige] , welke zorg hij ontvangt en\u002Fof zou moeten ontvangen en wat de verwachtingen zijn over het (eventuele) herstel. ASR is daardoor niet in staat te bepalen of het uitkeren van een nader voorschot op de schade aan de orde kan zijn, en zo ja tot welk bedrag. Ook kan ASR niet beoordelen of van haar als WAM-verzekeraar wordt verwacht dat zij een bijdrage levert aan het inschakelen van de zorg die [minderjarige] nodig heeft. Dat dit allemaal niet gebeurt, is niet in het belang van [minderjarige] .\n\n2.12.. Van de ouders mag daarom worden verwacht dat zij in het belang van [minderjarige] (verder) meewerken aan het voortzetten van het schadetraject. Dit houdt kort gezegd in dat in kaart moet worden gebracht welke zorg [minderjarige] nodig heeft en of deze op dit moment voldoende wordt ingezet, en welke schade [minderjarige] als gevolg van het ongeval heeft geleden en lijdt en wat de omvang daarvan is. Ook moet gekeken worden naar de toekomstverwachtingen. Het ligt in een zaak als deze voor de hand dat dit onder meer dient te gebeuren door deskundigen in te schakelen die daarover rapporteren. Daartoe zullen de ouders relevante informatie over [minderjarige] met (de medisch adviseur van) ASR en\u002Fof in te schakelen deskundigen moeten delen om dat mogelijk te maken. Dit alles in het belang van [minderjarige] .\n\n2.13.. Hoewel de rechtbank ziet dat de ouders daaraan tot op heden onvoldoende meewerken en dit de belangen van [minderjarige] kan schaden, zal zij geen bijzondere curator benoemen. Dit vindt de rechtbank (vooralsnog) een te vergaande maatregel en (nog) niet noodzakelijk. De rechtbank heeft tijdens de mondelinge behandeling van 9 februari 2026 de indruk gekregen dat de ouders het beste met hun zoon voor hebben. Zij hebben aangevoerd dat geen sprake is van stagnatie van medische behandeling of van een situatie waarin het vermogen of welzijn van [minderjarige] direct gevaar loopt. Dat wil echter niet zeggen dat de manier waarop zij tot op heden met het schadetraject omgaan, ook in het belang van [minderjarige] is. De rechtbank benadrukt nogmaals, dat zij hun verwijten over het institutioneel en moreel falen van ASR zullen moeten scheiden van de stappen die moeten worden gezet om te komen tot een (reguliere) afwikkeling van de schade van [minderjarige] . Door dat als een geheel te blijven zien, blijft de impasse bestaan en ligt de schadeafwikkeling volledig stil. Hoewel het vanuit het perspectief van de ouders te begrijpen is dat zij hun verwijten moeilijk los kunnen zien van de schadeafwikkeling en dat zij geen vertrouwen hebben in ASR, is het belang van [minderjarige] er wel mee gediend dat stappen gezet worden in het schadetraject.\n\n2.14.. Zoals de rechtbank hierna zal toelichten , zullen de ouders daarom moeten meewerken aan het inschakelen van een zorgregisseur. De rechtbank hoopt dat die stap en wat zij hiervoor verder heeft overwogen, de ouders ertoe zal aanzetten weer mee te werken aan het schadetraject. De ouders moeten zich wel realiseren, dat als zij dit niet gaan doen, later over de benoeming van een bijzondere curator anders geoordeeld zou kunnen worden.\n\nMoeten de ouders meewerken aan de totstandkoming van deskundigenrapporten en de benodigde informatie verstrekken?\n\n2.15.. ASR verzoekt onder I de ouders te gelasten om de noodzakelijke medewerking te verlenen aan en inlichtingen te verstrekken voor het volgens de in Nederland geldende regels in kaart brengen van de ongevalsgerelateerde schade van [minderjarige] , onder meer maar niet alleen door onafhankelijke deskundigen. Uit de toelichting op dit verzoek begrijpt de rechtbank dat ASR hiermee voornamelijk wil bereiken dat de ouders gaan meewerken aan de totstandkoming van deskundigenrapporten en dat zij ASR en\u002Fof de deskundigen de benodigde informatie zullen verstrekken.\n\n2.16.. De ouders voeren aan dat een verplichting tot meewerken zonder heldere kaders of waarborgen onbepaald is en potentieel eenzijdig in te vullen. Dit verweer slaagt. De rechtbank is van oordeel dat dit verzoek te algemeen en te weinig concreet is geformuleerd om te kunnen toewijzen. Zo is niet duidelijk welke deskundigenonderzoeken nodig zijn, welke deskundigen dat zouden moeten uitvoeren en welke vragen aan een deskundige moeten worden voorgelegd. De ouders moeten daarover afzonderlijke standpunten kunnen innemen en daarmee verdraagt het verzoek zoals dat is geformuleerd zich niet. Daarnaast is onvoldoende concreet omschreven wat de noodzakelijke medewerking zou moeten inhouden en welke informatie zou moeten worden verschaft. De rechtbank wijst verzoek I om die redenen af.\n\n2.17.. Het voorgaande neemt niet weg, dat het in het belang van [minderjarige] is dat de ouders weer gaan meewerken aan het schadetraject(zie 2.11 en 2.12). De rechtbank doet een dringend beroep op de ouders om dit gaan doen. Daarbij kan het behulpzaam zijn als de ouders (weer) een belangenbehartigerin de arm nemen om hen daarin te begeleiden en te adviseren. Dit alles betekent niet dat de ouders klakkeloos moeten instemmen met wat ASR voorstelt, zij mogen over de verschillende te zetten stappen hun eigen standpunten innemen. Bij de schadeafwikkeling zijn partijen wel - hoewel zij geen contractuele relatie met elkaar hebben - gehouden zich tegenover elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid. In het geval over concrete punten een geschil ontstaat, kan de meest gerede partij dat (in een daarvoor geëigende procedure) voorleggen aan de rechtbank.\n\nMoeten de ouders meewerken aan het inschakelen van een zorgregisseur?\n\n2.18.. Het tweede verzoek van ASR is dat de ouders moeten meewerken aan het inschakelen van een onafhankelijke zorgregisseur om de zorg die [minderjarige] nodig heeft te kunnen vaststellen. Dit verzoek zal de rechtbank op de hierna te melden wijze toewijzen. Zoals hiervoor overwogen, is het namelijk in het belang van [minderjarige] (en ASR) dat de zorg(behoefte) in kaart wordt gebracht en dat de zorg waar nodig (door of met behulp van ASR) wordt ingeschakeld. De ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling ook verklaard niet afwijzend tegenover het inschakelen van een zorgregisseur te staan.\n\n2.19.. De rechtbank zal de ouders niet verplichten mee te werken aan het inschakelen van de zorgregisseur die ASR voorstelt (Trivium Advies). De ouders hebben weinig tot geen vertrouwen in ASR en daarom zal de rechtbank bepalen dat de ouders een zorgregisseur mogen kiezen die is ingeschreven bij het Nationaal Keurmerk Letselschade. De ingeschreven zorgregisseurs zijn te vinden op de website https:\u002F\u002Fdeletselschaderaad.nl\u002Fnkl\u002Fberoepsgroep-categorie\u002Fherstelgerichte-dienstverleners. De ouders zullen hun keuze binnen drie weken na deze beschikking schriftelijk aan de advocaat van ASR moeten doorgeven en toestemming moeten geven voor het inschakelen van de betreffende zorgregisseur. Ook zullen de ouders moeten meewerken met de zorgregisseur, zodat deze zijn werkzaamheden kan uitvoeren, en de inlichtingen aan de zorgregisseur moeten verstrekken die de zorgregisseur nodig acht.\n\nKosten deelgeschil\n\n2.20.. De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure aan de zijde van de ouders begroten. Niet gebleken is dat zij kosten hebben gemaakt voor het voeren van de procedure, anders dan het griffierecht dat bij hen in rekening zal worden gebracht. De rechtbank zal de kosten van de ouders daarom begroten op een bedrag van € 331,00 aan griffierecht. ASR zal tot betaling daarvan aan de ouders worden veroordeeld.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n3.1.. gelast de ouders mee te werken aan het inschakelen van een zorgregisseur door:\n\neen zorgregisseur te kiezen die is ingeschreven bij het Nationaal Keurmerk Letselschade (https:\u002F\u002Fdeletselschaderaad.nl\u002Fnkl\u002Fberoepsgroep-categorie\u002Fherstelgerichte-dienstverleners) en binnen drie weken na deze beschikking de zorgregisseur van hun keuze schriftelijk aan de advocaat van ASR door te geven;\n\naan (de advocaat van) ASR schriftelijke toestemming te geven voor het inschakelen van die zorgregisseur;\n\nmee te werken aan de werkzaamheden van de zorgregisseur en aan de zorgregisseur de inlichtingen te verschaffen die deze nodig acht,\n\n3.2.. begroot de kosten van dit deelgeschil op € 331,00 voor het door de ouders te betalen griffierecht en veroordeelt ASR tot betaling daarvan aan de ouders,\n\n3.3.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. N. Boots en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:6281","2026-06-01T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:40.272Z",{"id":145,"ecli":146,"slug":147,"caseNumber":43,"courtId":112,"decisionDate":148,"fullText":149,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":150,"sourceTimestamp":142,"parsedAt":51,"updatedAt":151},"1685","ECLI:NL:RBROT:2026:6340","ecli-nl-rbrot-2026-6340","2026-05-15T00:00:00.000Z","RECHTBANK Rotterdam\n\nTeam handel en haven\n\nZaaknummer: C\u002F10\u002F718518 \u002F KG ZA 26-381\n\nVonnis in kort geding van 15 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n1.. [eiser 1] ,\n\n2.[eiser 2],\n\nBEIDEN IN DE HOEDANIGHEID VAN CURATOR VAN [persoon A] ,\n\nbeiden wonend in [woonplaats] ,\n\neisende partijen,\n\nhierna samen te noemen: de curatoren,\n\nadvocaat: mr. H.J.D. de Boer te Rotterdam,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\ngevestigd in [vestigingsplaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nadvocaat: mr. N.C. Haase te Utrecht.\n\n1. De zaak in het kort\n\n1.1.. \n [persoon A] (hierna: [persoon A] ) heeft zwaar letsel opgelopen als gevolg van een aanrijding door een personenauto. [gedaagde] is de verzekeraar van de betrokken personenauto en heeft aansprakelijkheid erkend. Ten behoeve van de revalidatie van [persoon A] hebben partijen gesproken over een revalidatietraject bij een kliniek in de Verenigde Staten (de VS). In dat kader zijn de kosten van de behandeling, het verblijf en het vervoer nader onderzocht. Op een gegeven moment heeft [gedaagde] meegedeeld dat de kosten van het vervoer van [persoon A] per ambulancevliegtuig niet redelijk zijn en dat zij daarom geen toestemming geeft voor de behandeling in de VS. De curatoren zijn het daar niet mee eens. Zij hebben de kosten van de kliniek en de vervoerskosten zelf betaald en zijn als begeleiders met [persoon A] meegereisd naar de VS, waar [persoon A] met het revalidatietraject is gestart.\n\n1.2.. De curatoren vorderen van [gedaagde] betaling van een geldsom als vergoeding van de gemaakte en te maken kosten met betrekking tot de behandeling van [persoon A] . In geschil is de vraag of [gedaagde] heeft toegezegd dat zij de kosten die verband houden met de behandeling van [persoon A] in de VS zal vergoeden en, zo ja, wat de omvang van die toezegging is. De voorzieningenrechterechter komt tot het oordeel dat [gedaagde] vergoeding van bepaalde kosten onvoorwaardelijk heeft toegezegd en dat de toezegging voor het overige onder bepaalde voorwaarden is gedaan. De geldvordering wordt deels, overeenkomstig de onvoorwaardelijke toezegging, toegewezen.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 29 april 2026;\n\n- de producties 1 t\u002Fm 22 van de curatoren;\n\n- de conclusie van antwoord;\n\n- de producties 1 t\u002Fm 14 van [gedaagde] ;\n\n- de producties 23 t\u002Fm 25 van de curatoren; - de mondelinge behandeling op 8 mei 2026; - de pleitnota van de curatoren; - de pleitnota van [gedaagde] .\n\n2.2.. Ter zitting heeft [gedaagde] bezwaar gemaakt tegen de late indiening van producties 23 t\u002Fm 25 door de curatoren en verzocht deze stukken buiten beschouwing te laten. Dat verzoek is afgewezen. Wel heeft de voorzieningenrechter [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om schriftelijk te reageren op die producties. Naar aanleiding daarvan heeft [gedaagde] op 11 mei 2026 een aanvullende productie ingebracht.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. Op 25 maart 2025 is [persoon A] als voetganger aangereden door een bij [gedaagde] verzekerde personenauto. [gedaagde] heeft aansprakelijkheid erkend.\n\n3.2.. \n [persoon A] heeft als gevolg van het ongeval ernstig en blijvend letsel opgelopen: schedelhersenletsel, meerdere breuken en huidverwondingen. Na geruime tijd in coma te hebben gelegen, verkeert [persoon A] op dit moment in een verminderde bewustzijnstoestand en is hij volledig ADL-afhankelijk.\n\n3.3.. De curatoren zijn de broer en zus van [persoon A] en bij beschikking van deze rechtbank van 28 april 2025 benoemd tot curator van [persoon A] .\n\n3.4.. Partijen hebben in november 2025 Trivium Advies (hierna: Trivium) ingeschakeld om te inventariseren welke woon- en zorgmogelijkheden en voorzieningen er voor [persoon A] zijn en om hem en zijn familie daarin te begeleiden.\n\n3.5.. Op 11 december 2025 heeft Trivium partijen geïnformeerd over de mogelijkheid voor [persoon A] om een revalidatietraject bij het Shepherd Center in Atlanta (de VS) te starten. In december 2025 en januari 2026 hebben Trivium en de curatoren contact gehad met medische specialisten om dit traject te onderzoeken.\n\n3.6.. Bij e-mail van 30 januari 2026 heeft Trivium een door het Shepherd Center voor [persoon A] opgesteld revalidatieprogramma en kostenopgave gedeeld met [gedaagde] en mr. M. Meerman (de advocaat van [persoon A] ).3.7.. Op 3 februari 2026 heeft een Teams-overleg plaatsgevonden tussen [gedaagde] , Trivium en mr. Meerman. Na dat gesprek heeft [gedaagde] bij e-mail van diezelfde dag het volgende meegedeeld aan Trivium en mr. Meerman:\n\n“Ik heb gelukkig direct kunnen overleggen over het verzoek om [persoon A] te laten revalideren bij het Shepherd Center. Wij zijn bereid dit te financieren op enkele voorwaarden:\n\n- Wij gaan uit van een vergoeding voor de eerste acht weken Residential program. Na vier weken en bij acht weken dient ge?valueerd te worden of er voldoende progressie is en zo ja, waaruit deze bestaat. Het lijkt mij goed als [naam] deze contacten onderhoudt.\n\n- Als het Shepherd Center na de eerste acht weken nog ruimte ziet voor verbetering zullen wij eerst in overleg met onze medisch adviseur bezien of dat ook voldoende aanknopingspunten biedt in schade technische zin, wij willen daar op voorhand helder over zijn.\n\n- Wij vergoeden de redelijke kosten voor reis en verblijf voor de duur van acht weken van twee meereizende familieleden, met aftrek van de kosten die in Nederland ook zouden worden gemaakt voor levensbehoeften. We zullen even moeten afstemmen hoe deze vergoeding eruitziet. Te denken valt aan bijvoorbeeld een verblijf waar men zelf eten kan bereiden.\n\n- Zijn er meer kosten dan zullen we in overleg een redelijke vergoeding bepalen.\n\nDit even kort omdat ik weet dat de familie heel graag duidelijkheid wil. Ik hoor graag hoe verder, maar nu kan een en ander in elk geval in gang gezet worden. Ik hoop dat het traject zal opleveren waar men zo op hoopt!”\n\n3.8.. De curatoren en Trivium zijn vervolgens bezig geweest met het verkrijgen van een ‘fit to fly-verklaring’ voor [persoon A] en het opvragen van offertes bij verschillende medische vervoersdiensten voor het verzorgen van het vervoer van [persoon A] van het ziekenhuis in Dordrecht naar het Shepherd Center in Atlanta.\n\n3.9.. Begin maart 2026 heeft het Shepherd Center aan de curatoren laten weten dat zij per 13 april 2026 een plek beschikbaar heeft voor [persoon A] . Op 4 maart 2026 heeft Trivium [gedaagde] daarvan in kennis gesteld.\n\n3.10.. Op 17\u002F24 maart 2026 hebben de curatoren een “Self-Pay Letter of Agreement” gesloten met het Shepherd Center. Daarin staat onder meer:\n\n“We appreciate the opportunity to work with you! I am writing to document the agreement regarding payment for services at Shepherd Center. Shepherd Center agrees to accept the discounted self-pay rate of $1,212 per day (Monday— Friday) for Residential Day Program rehabilitation services at Shepherd Pathways. During the weekend (Saturday & Sunday), a separate charge for Room & Board in the amount of $625\u002Fday will apply. Your team has estimated a total of four weeks (28 days) of care. We are requesting a total of $29,240.00 to be paid in advance, prior to admission.”\n\nMr. Meerman heeft een kopie van de door een van de curatoren ondertekende overeenkomst op 24 maart 2026 verzonden aan [gedaagde] en Trivium. Dat mailbericht heeft [gedaagde] echter niet bereikt, omdat het gebruikte mailadres van [gedaagde] niet correct was.\n\n3.11.. Bij e-mail van 24 maart 2026 stuurt Trivium aan [gedaagde] een offerte van Medische Repatriëringsdienst. Bij de offerte is een verklaring gevoegd van een arts die voor [persoon A] ambulancevervoer aanraadt. In de offerte worden de vervoerskosten begroot op € 164.855,00.\n\n3.12.. Bij e-mail van 31 maart 2026 stuurt Trivium de afgegeven ‘fit to fly-verklaring’ en een brief van het Shepherd Center door aan [gedaagde] . In het mailbericht staat:\n\n“Vandaag heeft de zus van betrokkene de fit-to-fly aan ondergetekende toegezonden. In deze verklaring wordt aangegeven dat betrokkene uitsluitend per medische vlucht mag reizen. U treft de fit-to-fly als bijlage bij deze e-mail aan.\n\n(…)\n\nDaarnaast treft u in de bijlagen een brief van het Shepherd Center aan, waarin wordt verzocht om een eerste aanbetaling van $ 29.240,00 voor de eerste vier weken revalidatie en intern verblijf. In een separate bijlage is aangegeven op welke wijze dit bedrag kan worden overgemaakt. De zus geeft aan dat het verblijf telkens per vier weken wordt verlengd en dat na elke periode van vier weken een nieuwe factuur zal worden verstrekt, welke voldaan dient te worden.\n\nHet is aan partijen om onderling afte stemmen op welke wijze de voornoemde betalingen zullen worden voldaan. Vanuit de familie is aangegeven dat de voorkeur uitgaat naar rechtstreekse betaling door [gedaagde] aan de betreffende instanties.\n\nOm betrokkene per 13 april aanstaande te kunnen laten starten bij het Shepherd Center, dient de aanbetaling tijdig te zijn voldaan. Daarnaast zal voorafgaand aan deze datum ook de medische vlucht moeten worden geboekt. Gezien de planning is derhalve sprake van enige urgentie, teneinde vertraging te voorkomen.”\n\n3.13.. Bij e-mail van 1 april 2026 aan Trivium vraagt [gedaagde] om meer informatie:\n\n“Ik zal e.e.a. intern overleggen en hier z.s.m. op terugkomen. Vooruitlopend daarop zou ik graag de andere offertes ontvangen die de zus van betrokkene heeft opgevraagd. Zijn er nog andere organisaties die door jouzelf zijn benaderd? Daarnaast zag ik de fit to fly verklaring bijgevoegd. Hoe zal nu het vervolg gaan wat betreft het uitvoeren van een eigen fit to fly onderzoek van de ambulancedienst? Ik veronderstel dat het in de lijn der verwachting ligt dat [persoon A] ook door de ambulancedienst fit to fly wordt bevonden?”\n\n3.14.. Bij e-mail van 2 april 2026 informeert Trivium [gedaagde] over een voorlopige prijsindicatie van [naam vervoerder] , een andere vervoerder. Verder staat in de mail:\n\n“Zodra er duidelijkheid is over de te vergoeden kosten voor de vlucht, kan de vervolgstap worden gezet ten aanzien van het boeken van de vlucht.”\n\n3.15.. Bij antwoordmail van 2 april 2026 deelt [gedaagde] aan Trivium mee:\n\n“De medewerker van [naam vervoerder] vraagt om een actueel medisch dossier. Kan dat zsm aan hen aangeleverd worden ten behoeve van een definitieve offerte? De wens is vanzelfsprekend om hen zsm een definitieve offerte te laten uitbrengen zodat wij deze kunnen meenemen in onze besluitvorming.\n\nAls ik het goed begrijp zijn er door de familie van [persoon A] twee organisaties benaderd en door [naam][vzr: Trivium]ook twee. De voorlopige offerte van [naam vervoerder] laat vooralsnog een beduidend lagere prijs zien. De verschillen tussen de offertes zijn behoorlijk groot.\n\nAls ik op Google zoek naar aanbieders van dit soort vluchten, kom ik best een behoorlijk aantal aanbieders tegen. Ik was dan ook in de veronderstelling dat er (zoals naar mijn idee ook besproken) meerdere offertes zouden worden aangeleverd om hier een goed beeld van te krijgen en een goede keuze in te maken. Het gaat vanzelfsprekend om aanzienlijke bedragen en behoorlijke verschillen in de kosten.”\n\n3.16.. Op 6 april 2026 hebben de curatoren als eerste aanbetaling een bedrag van € 25.591,88 ($ 29.240,-) voldaan aan het Shepherd Center.\n\n3.17.. Bij e-mail van 9 april 2026 heeft Trivium offertes van vervoerders Global Aviation en [naam vervoerder] verstrekt aan [gedaagde] .\n\n3.18.. Later op 9 april 2026 heeft [gedaagde] telefonisch aan de advocaat van [persoon A] meegedeeld dat de kosten van het reizen met een ambulancevlucht niet redelijk in omvang zijn en niet worden vergoed. Bij brief van 13 april 2026 heeft [gedaagde] haar besluit schriftelijk bevestigd en nader toegelicht.\n\n3.19.. Op 10 april 2026 hebben de curatoren de factuur van Medische Repatriëringsdienst voor de ambulancevlucht van Dordrecht naar Atlanta van € 145.000,00 in contanten voldaan. [persoon A] is daarna overgebracht naar Atlanta en is op 13 april 2026 begonnen met de behandeling bij het Shepherd Center.\n\n3.20.. Op 17 april 2026 heeft de advocaat van de curatoren [gedaagde] gesommeerd om het bedrag van € 358.581,88 te voldoen. Dat bedrag ziet op de behandelingskosten van het Shepherd Center en reis- en verblijfskosten van [persoon A] en de curatoren naar\u002Fin de VS.\n\n3.21.. \n [gedaagde] heeft geen gehoor gegeven aan de sommatie. Wel heeft zij op 20 april 2026 € 100.000,00 aan smartengeld en € 50.000,00 aan voorschot onder algemene titel uitgekeerd aan [persoon A] .\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. De curatoren vorderen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 358.581,88 aan de curatoren, te voldoen binnen drie dagen na betekening van het te wijzen vonnis;\n\nII. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 25.591,88 (kosten revalidatiecentrum) met ingang van 3 april 2026, alsmede over een bedrag van € 145.000,00 (kosten heenreis) met ingang van 10 april 2026 tot de dag van volledige betaling;\n\nIII. [gedaagde] te veroordelen in de kosten en nakosten van deze procedure.\n\n4.2.. \n\n [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de curatoren, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de curatoren, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de curatoren in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. De vordering betreft een geldvordering die als volgt is opgebouwd:\n\nBehandeling bij het Shepherd Center (1e vier weken) € 25.591,88\n\nAmbulancevluchtvervoer heenreis € 145.000,00\n\nAmbulancevluchtvervoer terugreis € 142.500,00\n\nAndere kosten i.v.m. verblijf van [persoon A] en curatoren in de VS € 5.490,00\n\nAanvullende noodzakelijke kosten\u002Fbevoorschotting € 40.000,00+\n\nTotaal € 358.581,88\n\n5.2.. Met betrekking tot een geldvordering in kort geding is terughoudendheid bij toewijzing op zijn plaats. Bij de beoordeling speelt een rol of de vordering voldoende aannemelijk is, of een onmiddellijke voorziening vereist is en of er een restitutierisico is.\n\nSpoedeisend belang\n\n5.3.. De curatoren wijzen erop dat zij in een financiële noodtoestand verkeren. Als gevolg van de weigering van [gedaagde] om de kosten te vergoeden, hebben de curatoren de kosten die samenhangen met de behandeling bij het Shepherd Center voorgeschoten. Dat kunnen zij niet blijven doen. Er is sprake van oplopende schulden, en er is geen geld voor verlenging van de behandeling noch voor de ambulancevlucht terug naar Nederland. [persoon A] dreigt te stranden in Atlanta. Daarmee is het spoedeisend belang van de curatoren bij de geldvordering voldoende gegeven. Het daartegen gerichte niet-ontvankelijkheidsverweer van [gedaagde] wordt dan ook verworpen.\n\nJuridisch kader en kern van het geschil\n\n5.4.. \n\nDe curatoren stellen dat [gedaagde] met haar mail van 3 februari 2026 (zie 3.7.) zonder voorbehoud heeft toegezegd de behandeling bij het Shepherd Center en het vervoer ernaar toe te financieren.\n\n [gedaagde] bestrijdt dat en betoogt dat de toezegging is gedaan onder bepaalde voorwaarden. Omdat de vervoerskosten niet redelijk zijn in de zin van artikel 6:96 BW, heeft [gedaagde] de dekking van de behandeling in Atlanta afgewezen.\n\n5.5.. De voorzieningenrechter neemt als uitgangspunt dat de vraag of, en zo ja in welke omvang, in een verzekeringspolis mede dekking wordt verleend aan derden, moet worden beantwoord aan de hand van wat de verzekeraar en de verzekeringnemer daarover zijn overeengekomen. Verder geldt dat de derde jegens de verzekeraar bescherming kan ontlenen aan artikel 3:35 BW indien hij op grond van de bewoordingen van de polis, eventueel in samenhang met (andere) door de verzekeraar gedane mededelingen of gewekte verwachtingen, erop heeft vertrouwd of erop heeft mogen vertrouwen dat hem dekking wordt verleend.\n\n5.6.. Beoordeeld moet worden welke betekenis de curatoren redelijkerwijs mochten toekennen aan de mail van [gedaagde] van 3 februari 2026 en aan de gedane mededelingen van [gedaagde] daarna. Mochten de curatoren op basis van de door [gedaagde] gedane mededelingen of gewekte verwachtingen er gerechtvaardigd op vertrouwen dat de hier gevorderde kosten, zonder voorbehoud, zouden worden gefinancierd?\n\nUitleg van de toezegging door [gedaagde]\n\n5.7.. In het mailbericht van 3 februari 2026 heeft [gedaagde] te kennen gegeven bereid te zijn de kosten van de revalidatie bij het Shepherd Center te financieren op enkele voorwaarden. Vervolgens wordt die toezegging nader ingekaderd en toegelicht aan de hand van vier punten\u002Fgedachtestreepjes. De eerste twee punten gaan in op de behandel- en verblijfskosten van [persoon A] bij het Shepherd Center. [gedaagde] gaat uit van een vergoeding voor de eerste acht weken. Behalve dat er geëvalueerd moet worden na vier en na acht weken, heeft [gedaagde] geen verdere voorwaarden genoemd. Het derde punt ziet op redelijke reis- en verblijfskosten voor de duur van acht weken van twee meereizende familieleden. Overige kosten worden benoemd als vierde punt, daarvan wordt in overleg bepaald wat een redelijke vergoeding is.\n\n5.8.. \n\nAnders dan de curatoren menen, kan het mailbericht van 3 februari 2026 niet worden opgevat als een onvoorwaardelijke toezegging om alle kosten die samenhangen met de behandeling van [persoon A] in de VS te vergoeden. In dat bericht wordt immers benoemd dat en welke voorwaarden er gelden. Wel blijkt genoegzaam uit de mail een toezegging van [gedaagde] om de kosten van het Shepherd Center – Residential program – voor de periode van acht weken te vergoeden. Op basis van die mededeling mochten de curatoren er in ieder geval van uitgaan dat de kosten van het Shepherd Center gedekt waren. Het verwijt van [gedaagde] dat de curatoren zonder haar instemming een behandelovereenkomst hebben gesloten met het Shepherd Center en een eerste aanbetaling hebben verricht, is dan ook niet terecht. Dat klemt temeer nu [gedaagde] begin maart 2026 al wist dat de inspanningen van de curatoren erop waren gericht dat [persoon A] per 13 april 2026 kon beginnen met de behandeling bij het Shepherd Center, en Trivium op 31 maart 2026 in verband met die startdatum wees op de urgentie om het vervoer te regelen (zie 3.9. en 3.12.).\n\nWat betreft de overige kosten (waaronder de vervoerskosten van [persoon A] ), heeft [gedaagde] verklaard die kosten te vergoeden voor zover zij redelijk zijn. De concrete omvang van die kosten was op dat moment nog niet bekend. Voor een vergoeding van die kosten dienden de curatoren dus vooraf in overleg te treden met [gedaagde] . Dat de curatoren en Trivium hier ook van uitgingen, blijkt uit het mailbericht van Trivium van 2 april 2026 (zie 3.14.).\n\n5.9.. Het betoog van [gedaagde] dat zij het behandeltraject bij het Shepherd Center volledig heeft mogen afwijzen omdat zij kanttekeningen plaatst bij de noodzaak van ambulancevervoer en de vervoerskosten onredelijk hoog vindt, wordt niet gevolgd. Dat past niet in het licht van de harde toezegging van [gedaagde] ten aanzien van de behandelkosten van het Shepherd Center en ook niet gezien de inhoud van de latere correspondentie tussen partijen over het medische transport van [persoon A] .\n\n5.10.. Na de e-mail van 3 februari 2026 hebben de curatoren en Trivium inspanningen verricht om de ‘fit to fly-verklaring’ te verkrijgen en hebben zij offertes opgevraagd bij verschillende medische vervoerders. Vanaf het begin hebben Trivium en de curatoren zich gericht op ambulancevervoer. De eerste offerte was van Ambulance Vlucht Centrale, die Trivium op 17 maart 2026 heeft doorgestuurd aan [gedaagde] . Verder is op 24 maart 2026 een offerte van Medische Repatriëringsdienst doorgestuurd, daarbij was gevoegd een verklaring van een arts die voor [persoon A] ambulancevervoer aanraadde. Op 31 maart 2026 heeft Trivium ook nog een ‘fit to fly-verklaring’ overgelegd, waarin stond dat [persoon A] “is not fit to fly on a regular flight. The patient can be transported by ambulance flight.” Indien [gedaagde] van mening was dat de kosten van ambulancevervoer geen redelijke kosten waren, lag het op haar weg om dat direct aan de curatoren mee te delen en te motiveren waarom een reguliere vlucht voldoende was. Dat is niet gebeurd. [gedaagde] heeft geen enkel bezwaar opgeworpen. Zij heeft alleen om (nog) meer offertes gevraagd. Verwezen wordt naar de mailberichten van [gedaagde] van 1 en 2 april 2026 (zie 3.13. en 3.15.). Daarmee wekte [gedaagde] bij de curatoren de verwachting dat ambulancevervoer akkoord was, en dat het alleen ging om de goedkoopste offerte op dat punt, zonder dat overigens van een toezegging kan worden gesproken. Niet onbegrijpelijk is dan ook dat de curatoren op 9 april 2026 (ruim drie weken na de ontvangst van de 1e offerte) zijn overvallen door de mededeling van [gedaagde] om af te zien van de financiering van het gehele behandeltraject. Die verrassing zag niet alleen op het door [gedaagde] voor het eerst op 9 april 2026 ingenomen standpunt dat de kosten van ambulancevervoer niet redelijk waren, maar ook op het feit dat dat voor [gedaagde] reden vormde om dan maar het gehele traject niet door te laten gaan. Niet valt in te zien waarom [gedaagde] niet (eerder) in overleg ging met de curatoren over de mogelijkheid van ander vervoer of van een gedeeltelijke vergoeding van de (in haar ogen redelijke) vervoerskosten.\n\n5.11.. Naar voorlopig oordeel mochten de curatoren op basis van de door [gedaagde] gedane mededelingen of gewekte verwachtingen er gerechtvaardigd op vertrouwen dat de verblijfs- en behandelkosten van het Shepherd Center volledig worden vergoed en dat de overige kosten worden vergoed in overleg en voor zover die redelijk zijn.\n\n5.12.. Hierna wordt beoordeeld wat deze overwegingen betekenen voor ieder onderdeel van de geldvordering.\n\nBehandeling bij het Shepherd Center\n\n5.13.. Zoals gezegd leest de voorzieningenrechter in het mailbericht van 3 februari 2026 een harde toezegging van [gedaagde] om de behandelingskosten bij het Shepherd Center te vergoeden. Het in dat kader gevorderde bedrag van € 25.591,88 ligt voor toewijzing gereed. Volledigheidshalve voegt de voorzieningenrechter hier aan toe dat de kosten van een Residential program in beginsel $ 1.374,- per dag zijn en dat de curatoren blijkbaar een korting tot $ 1.212,- per dag hebben kunnen bedingen. Het bedrag van $ 550,- per dag dat [gedaagde] in haar conclusie van antwoord noemt, is niet voor een Residential program maar voor een Day program en de verleende korting volgt uit productie 6 bij dagvaarding.\n\n5.14.. \n [gedaagde] plaatst in dit kort geding vraagtekens bij de effectiviteit van de behandeling bij het Shepherd Center. Dat heeft zij tot aan de afwijzing van de gevorderde betaling nimmer kenbaar gemaakt aan de curatoren, zodat de voorzieningenrechter aan dit standpunt voorbijgaat.\n\nAmbulancevluchtvervoer (heen en terug)\n\n5.15.. In de mail van 3 februari 2026 van [gedaagde] zijn de kosten van het transport van [persoon A] naar het Shepherd Center en terug niet expliciet benoemd. Wel is duidelijk dat de vervoerskosten van [persoon A] in beginsel zouden worden gefinancierd. Deze kosten moeten worden geschaard onder ‘meer kosten’ bij het vierde punt. Daarvoor geldt dat [gedaagde] deze kosten vergoedt voor zover het gaat om redelijke kosten in de zin van artikel 6:96 BW. De kosten van ambulancevervoer zijn alleen redelijk te achten wanneer komt vast te staan dat [persoon A] , gezien zijn medische toestand, alleen op verantwoorde wijze via een ambulancevliegtuig kon worden vervoerd. Dat is echter een geschilpunt tussen partijen, waarover in dit kort geding geen helderheid kan worden verkregen. Zo is niet duidelijk of de optie ambulancevliegtuig in het gesprek op 3 februari 2026 is genoemd, zoals de curatoren stellen en [gedaagde] betwist. In een bodemprocedure, waar plaats is voor nadere bewijslevering, moet worden beoordeeld wat er concreet is toegezegd, althans waarvan de curatoren in de gegeven omstandigheden mochten uitgaan en of een eventueel andere (goedkopere) wijze van transport tot de mogelijkheden behoorde. Daarbij speelt ook een rol dat de curatoren niet hebben onderbouwd dat – nu al duidelijk is dat – voor de terugvlucht een ambulancevliegtuig moet worden ingezet voor [persoon A] .\n\n5.16.. \n\nTer zitting heeft [gedaagde] desgevraagd verklaard dat zij als redelijke kosten voor het vervoer van [persoon A] , en 2 familieleden, van Nederland naar Atlanta uitging van\n\n€ 60.000-€ 70.000,00, van een bedrag van ongeveer € 100.000,00 voor een retourvlucht. Het zou dan een 1e klas vlucht betreffen, waarbij een arts en een verpleegkundige meegaan, inclusief ambulancevervoer van en naar het vliegveld. Gelet op die verklaring, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om ten titel van ambulancevluchtvervoer (heen en terug) het bedrag van € 100.000,00 als voorschot toe te wijzen.\n\nAndere kosten i.v.m. verblijf van [persoon A] en de curatoren in de VS\n\n5.17.. De curatoren gaan uit van een verblijf van 28 dagen en hebben de kosten die zij gedurende hun verblijf moeten maken ten behoeve van zorg en begeleiding van [persoon A] begroot op € 5.490,00. Deze kosten bestaan uit mobiliteitskosten, noodzakelijke verzorgingskosten van [persoon A] (met name incontinentiemateriaal, waskosten, vochtige doekjes), extra kosten voor het levensonderhoud in de VS (met name geschikt eten voor [persoon A] en de curatoren) en extra telefoon- en internetkosten. Deze kosten zien op meer zaken dan de “redelijke kosten voor reis en verblijf voor de duur van acht weken van twee meereizende familieleden, met aftrek van de kosten die in Nederland ook zouden worden gemaakt voor levensbehoeften” (zoals bedoeld onder punt 3 van de mail van [gedaagde] van 3 februari 2026).\n\n5.18.. De begrote kosten komen de voorzieningenrechter, mede gelet op de onderbouwing, niet onredelijk voor en worden als voorschot toegewezen. Omdat het bedrag meer omvat dan de kosten voor het verblijf van twee meereizende familieleden, wordt ervan uitgegaan dat de in 5.17. genoemde aftrek, ook al is dat niet met zoveel woorden gesteld, in zekere zin is meegenomen.\n\nAanvullende noodzakelijke kosten\u002Fbevoorschotting\n\n5.19.. De curatoren vorderen een bedrag van € 40.000,00 voor het resterende verblijf in de VS. Ter zitting is bekend geworden dat [persoon A] inmiddels is ontslagen uit het Shepherd Center. De behandeling kon niet worden verlengd, omdat de curatoren dat niet konden betalen. De curatoren stellen het gevorderde bedrag nodig te hebben voor tijdelijke huisvesting en verzorging van [persoon A] in de VS tot de datum van repatriëring en voor hulp\u002Fverzorgingskosten daarna.\n\n5.20.. Ook deze begrote kosten komen de voorzieningenrechter niet onredelijk voor en worden als voorschot toegewezen.\n\nBelangenafweging en restitutierisico\n\n5.21.. Een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel. [gedaagde] heeft aansprakelijkheid erkend voor de schade die [persoon A] lijdt als gevolg van het verkeersongeluk. Zij heeft toegezegd de behandeling in het Shepherd Center te financieren. Bepaalde kosten waren nog niet bekend, maar daarvoor gold dat die zouden worden vergoed voor zover die redelijk zijn. Ten aanzien van het deel van de geldvordering dat wordt toegewezen, is voldoende aannemelijk dat de curatoren die kosten ten behoeve van [persoon A] hebben gemaakt of gaan maken en dat [gedaagde] die kosten, als zijnde de door [persoon A] geleden en te lijden schade, moet vergoeden. Dat maakt ook dat, hoewel er strikt genomen sprake is van een restitutierisico, dat risico niet in de weg staat aan toewijzing van de vordering.\n\n5.22.. Dat [gedaagde] onlangs € 150.000,00 heeft uitgekeerd, leidt niet tot een ander oordeel. De curatoren stellen terecht dat het reeds uitgekeerde bedrag ziet op vergoeding van andere posten (smartengeld en voorschot onder algemene titel).\n\nConclusie\n\n5.23.. Dat betekent dat in totaal een bedrag van € 171.081,88 (= € 25.591,88 + € 100.000,00 + € 5.490,00 + € 40.000,00) als voorschot wordt toegewezen. Gelet op al het hiervoor overwogene is er alle reden om die beslissing, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n5.24.. De gevorderde wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW wordt deels toegewezen. De curatoren hebben op 6 april 2026 het bedrag van € 25.591,88 aan het Shepherd Center voldaan, zodat de wettelijke rente wordt toegewezen over dat bedrag vanaf 6 april 2026. Daarnaast staat vast dat op 10 april 2026 het bedrag van € 145.000,00 in contanten is voldaan voor het vervoer van [persoon A] naar de VS. De curatoren stellen op dat punt dat zij dat bedrag hebben geleend van familie, wat niet onaannemelijk is. Aan het betoog van [gedaagde] dat (een deel van) dat bedrag een gift kan zijn geweest, wordt, ook gelet op de toezegging van [gedaagde] , voorbij gegaan. Dat ligt niet voor de hand en [gedaagde] heeft geen aanknopingspunt gegeven dat in die richting wijst. Voor het vervoer naar de VS is in 5.16. al geoordeeld dat een bedrag van € 70.000,00 redelijk is. De wettelijke rente wordt dus toegewezen over € 70.000,00 met ingang van 10 april 2026.\n\nProceskosten\n\n5.25.. De curatoren hebben [gedaagde] op juiste gronden in rechte betrokken, zodat [gedaagde] wordt veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) van de curatoren. Deze proceskosten worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n155,67\n\n- griffierecht\n\n€\n\n2.803,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.177,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n4.324,67\n\n6. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n6.1.. veroordeelt [gedaagde] om, binnen drie dagen na de betekening van dit vonnis, aan de curatoren te betalen een bedrag van € 171.081,88;\n\n6.2.. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 25.591,88 met ingang van 6 april 2026 tot de dag van volledige betaling, alsmede over een bedrag van € 70.000,00 met ingang van 10 april 2026 tot de dag van volledige betaling;\n\n6.3.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 4.324,67, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als het vonnis wordt betekend;\n\n6.4.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n6.5.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2026.\n\n2091 \u002F 2009\n\n Hoge Raad 19 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY3123, r.o. 3.5","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:6340","2026-07-13T00:29:33.494Z",{"id":153,"ecli":154,"slug":155,"caseNumber":43,"courtId":85,"decisionDate":156,"fullText":157,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":158,"sourceTimestamp":159,"parsedAt":51,"updatedAt":160},"941","ECLI:NL:RBOVE:2026:2510","ecli-nl-rbove-2026-2510","2026-04-30T00:00:00.000Z","RECHTBANKOVERIJSSEL\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 11967647 \\ EJ VERZ 25-314\n\nBeschikking van 30 april 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker],\n\nwonende te [woonplaats],\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoeker],\n\ngemachtigde: mr. M.L. de Jong,\n\ntegen\n\nTALEN 4G B.V.,\n\ngevestigd te Staphorst,\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: Talen,\n\nniet verschenen.\n\n1. De procedure\n\n1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift met vijf bijlagen,\n\n- de per e-mail van 28 november 2025 door [verzoeker] overgelegde correspondentie tussen partijen,\n\n- de mondelinge behandeling van 23 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waarbij [verzoeker] pleitaantekeningen heeft overgelegd.\n\n1.2. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1. \n [verzoeker] was via uitzendbureau B+B gedetacheerd bij Talen. Zijn werkzaamheden bestonden onder meer uit het in elkaar zetten van pallets met behulp van een nietpistool.\n\n2.2. Op 23 april 2025 was [verzoeker] aan het werk bij Talen. Tijdens het werk is [verzoeker] een bedrijfsongeval overkomen. [verzoeker] is met zijn rug tegen een nietpistool gebotst, waardoor een kram van 45 mm zijn long heeft geperforeerd. Als gevolg daarvan heeft [verzoeker] een klaplong opgelopen.\n\n2.3. Op 30 april 2025 heeft [verzoeker] Talen aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van het bedrijfsongeval.\n\n2.4. Talen is voor aansprakelijkheid verzekerd bij MSIG (voorheen: MS Amlin). De verzekeraar heeft Sedgwick ingeschakeld om onderzoek te doen naar het bedrijfsongeval. Op 22 juli 2025 is de heer [naam] van Sedgwick op bezoek geweest bij [verzoeker]. In het rapport van het huisbezoek is het volgende opgenomen over het ongeval:\n\n‘De tacker die werd gebruikt had een lange steel die aan een katrol was bevestigd op ongeveer anderhalve meter hoogte. Daardoor kon ergonomisch worden gewerkt, zodat de tacker niet steeds opgetild hoefde te worden. De steel die aan de tacker was bevestigd diende ervoor het nieten in licht gebogen houding te kunnen uitvoeren.\n\nDe Oekraïense collega die overigens via en ander uitzendbureau te werk gesteld was bij uw verzekerde (uitzendbureau Bikkel?) had al lange tijd het plan opgevat om sneller te werken door de beveiliging van de trekker van het nietpistool te omzeilen, althans te modificeren door een elastiek om de trekker heen te doen. Daarmee kon forse tijdwinst behaald worden.\n\nDoor het omzeilen van deze beveiliging ontstond er een extra risico, een risico dat belanghebbende al ettelijke keren bij zowel de Oekraïense collega alsook bij het management van Talen kenbaar heeft gemaakt, maar hier werd niets tegen gedaan. Belanghebbende heeft ettelijke keren het elastiek van de tacker verwijderd.\n\nEen aantal weken voor het ongeluk heeft de Oekraïense collega op deze manier zichzelf al verwond door in zijn vinger te nieten.\n\nOp de dag van het ongeval bukte belanghebbende om een doos te pakken en liep daarbij met zijn rug onder de tacker door. Daarmee kwam zijn rug in aanraking met de beugel van het nietpistool, waardoor deze afging aangezien de trekker in de schietstand stond. Een niet van 4,5 centimeter (een U-vorm) boorde zich in zijn rug.’\n\n2.5. Na afloop van huisbezoek hebben de gemachtigde van [verzoeker] en de verzekeraar over en weer gecorrespondeerd over de aansprakelijkheid. Per e-mail van 12 november 2025 laat MSIG het volgende weten aan [verzoeker]:\n\n‘Wij zijn van mening dat de aansprakelijkheid wel gegeven is maar begrepen dat onze verzekerde deze mening niet deelt.\n\nNu wij het dossier weer zelf behandelen hebben wij onze verzekerde zelf nogmaals meegedeeld dat naar onze mening de aansprakelijkheid is gegeven. Zij dragen een hoog eigen risico dus uiteindelijk is het aan hen om te willen regelen of niet.’\n\n2.6. De gemachtigde van [verzoeker] heeft Talen meermaals verzocht om de aansprakelijkheid te erkennen en de schade te regelen, maar daar heeft Talen geen gehoor aan gegeven.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1. Samengevat verzoekt [verzoeker] de kantonrechter om te verklaren voor recht dat Talen tekort is geschoten in de zorgplicht jegens [verzoeker] en aansprakelijk is voor de door [verzoeker] geleden schade en te gelasten dat Talen meewerkt aan een schaderegeling. Daarnaast verzoekt [verzoeker] om betaling van een voorschot op de schadevergoeding van € 3.500,00, de kosten van de deelgeschilprocedure te begroten en toe te wijzen en Talen te veroordelen tot het betalen van € 5.000,00 als voorschot op de buitengerechtelijke kosten.\n\n4. De beoordeling\n\nDeelgeschilprocedure4.1. \n [verzoeker] heeft zich tot de kantonrechter gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv. In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van dood of letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de kantonrechter eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv).\n\n4.2. In dit geval verschillen partijen – kort gezegd – van mening over de vraag of Talen aansprakelijk is voor de schade die [verzoeker] heeft geleden als gevolg van het bedrijfsongeval. Met een oordeel hierover kan de ontstane impasse tussen partijen worden doorbroken en kunnen de onderhandelingen in principe worden voortgezet. Dit betekent dat de kantonrechter het verzoek inhoudelijk zal bespreken.\n\nTalen is niet verschenen4.3. Talen is niet op de mondelinge behandeling verschenen en heeft ook geen verweerschrift ingediend. Het is de kantonrechter bekend dat Talen wel is opgeroepen voor de mondelinge behandeling door middel van een aangetekende brief die geadresseerd is aan het juiste adres van Talen en dat deze brief ook is ontvangen door Talen. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat Talen op de hoogte was van de mondelinge behandeling die heeft plaatsgevonden op 26 maart 2026. Nu Talen niet is verschenen en de stellingen van [verzoeker] niet heeft weersproken, staan die stellingen daarmee vast.\n\n [verzoeker] heeft schade opgelopen tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden4.4. Op grond van artikel 7:658 BW is de werkgever aansprakelijk jegens de werknemer voor schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij de werkgever aantoont dat hij heeft voldaan aan zijn zorgplicht of er sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid aan de kant van de werknemer. Gelet op de strekking van artikel 7:658 BW is het aan [verzoeker] om te stellen en zo nodig te bewijzen dat hij schade heeft opgelopen tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. In dit geval is het ontstaan van schade bij de uitvoering van de werkzaamheden komen vast te staan. [verzoeker] heeft namelijk gesteld dat hem op 23 april 2025 een ongeval is overkomen op het werk en dat hij daarbij letselschade aan zijn rug en long heeft opgelopen. Talen heeft dat niet betwist. Dit betekent dat Talen als werkgever in aansprakelijk is voor de schade die [verzoeker] als werknemer heeft opgelopen, tenzij Talen aan haar zorgplicht heeft voldaan of wanneer er aan de zijde van [verzoeker] sprake zou zijn geweest van opzet of bewuste roekeloosheid.\n\nTalen heeft niet aan haar zorgplicht voldaan4.5. Om aan te tonen dat Talen aan de zorgplicht van artikel 7:658 BW heeft voldaan, moet zij stellen en zo nodig bewijzen dat zij al die maatregelen heeft genomen en al die aanwijzingen heeft gegeven die redelijkerwijs nodig zijn om de schade te voorkomen. De zorgplicht van de werkgever beoogt niet een absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen het gevaar van arbeidsongevallen. Gelet op de ruime strekking van de zorgplicht kan niet snel worden aangenomen dat de werkgever daaraan heeft voldaan en als gevolg daarvan niet aansprakelijk is voor door de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden schade.\n\n4.6. Nu Talen niet is verschenen gaat de kantonrechter uit van de juistheid van de stellingen van [verzoeker]. [verzoeker] stelt dat het nietpistool gemodificeerd is door een collega als gevolg waarvan de kans op het ontstaan van letsel aanzienlijk is vergroot. Talen had erop moeten toezien dat het nietpistool niet gemodificeerd werd en collega’s moeten waarschuwen. Niet is gebleken dat Talen deze of andere maatregelen heeft getroffen. Daarom oordeelt de kantonrechter dat Talen niet aan haar zorgplicht heeft voldaan.\n\nGeen sprake van opzet of bewuste roekeloosheid4.7. Tussen partijen staat niet ter discussie of er sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid aan de kant van [verzoeker].\n\nConclusie: Talen is aansprakelijk4.8. \n [verzoeker] heeft letsel opgelopen tijdens zijn werk en Talen heeft haar zorgplicht geschonden. Dat leidt tot het oordeel dat Talen aansprakelijk is voor de schade die [verzoeker] lijdt als gevolg van het ongeval dat hem op 23 april 2025 bij de uitvoering van zijn werkzaamheden is overkomen. De verzochte verklaring voor recht wordt daarom toegewezen.\n\nVoorschot op de schadevergoeding4.9. \n [verzoeker] heeft voldoende gemotiveerd onderbouwd dat hij als gevolg van het ongeval schade heeft geleden. Zo heeft hij onder meer zijn eigen risico voor zijn zorgverzekering moeten betalen ter hoogte van € 385,00 vanwege behandeling van het letsel in het ziekenhuis. Daarnaast heeft de gemachtigde van [verzoeker] tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat [verzoeker] als gevolg van het letsel langdurig hersteld is en daarvan last heeft ondervonden en als gevolg daarvan recht heeft op een smartengeldvergoeding. Ook is voldoende concreet geworden dat er gedurende zes maanden sprake is geweest van inkomensschade. Deze schadeposten zijn door Talen niet weersproken. Het verzochte voorschot op de schadevergoeding van € 3.500,00 is dan ook toewijsbaar.\n\nKosten deelgeschil4.10. De kantonrechter moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten.\n\n4.11. Bij de begroting van de kosten moet de kantonrechter de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) in aanmerking nemen. Daarbij moet de kantonrechter de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.\n\n4.12. De kantonrechter is van oordeel dat het door de gemachtigde van [verzoeker] gehanteerde uurtarief, gelet op de door hem gevolgde specialisatieopleiding redelijk is. De tijd (7,8 uren exclusief de mondelinge behandeling) die de gemachtigde van [verzoeker] heeft besteed aan deze deelgeschilprocedure acht de kantonrechter ook redelijk. De redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak, inclusief de mondelinge behandeling, als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de kantonrechter worden begroot op 10 uren × € 283,00 exclusief btw. Inclusief 21% btw gaat het om een bedrag van € 3.424,30, nog te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 257,00, totaal: € 3.681,30. Talen zal tot betaling daarvan aan [verzoeker] worden veroordeeld.\n\nVoorschot op de buitengerechtelijke incassokosten4.13. Tot slot verzoekt [verzoeker] om betaling van een voorschot op de gemaakte buitengerechtelijke kosten van € 5.000,00. Volgens [verzoeker] bedraagt de totale post buitengerechtelijke kosten inclusief de kosten van het deelgeschil € 6.511,01 inclusief 21% btw. Hiervoor is door de kantonrechter reeds een bedrag van € 3.424,30 toegewezen. Uit de door [verzoeker] overgelegde urenoverzichten blijkt dat na aftrek van de kosten voor het deelgeschil nog een bedrag van € 3.086,71 inclusief 21% btw aan buitengerechtelijke kosten resteert. Dit bedrag komt de kantonrechter redelijk voor en zal dan ook als voorschot worden toegewezen.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1. verklaart voor recht dat Talen aansprakelijk is voor de door [verzoeker] geleden schade als gevolg van het bedrijfsongeval dat [verzoeker] is overkomen op 23 april 2025,\n\n5.2. gelast Talen om mee te werken aan een schaderegeling in verband met de schade die [verzoeker] stelt te hebben geleden en\u002Fof in de toekomst nog zal lijden als gevolg van het hiervoor genoemde bedrijfsongeval,\n\n5.3. veroordeelt Talen tot betaling van een bedrag van € 3.500,00 aan [verzoeker] als zijnde een voorschot op zijn materiële en immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW indien Talen dit bedrag niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis voldoet,\n\n5.4. begroot de kosten van dit deelgeschil op € 3.424,30 inclusief btw te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 257,00 en veroordeelt Talen tot betaling daarvan aan [verzoeker],\n\n5.5. veroordeelt Talen tot betaling aan [verzoeker] van € 3.086,71 inclusief btw als voorschot op de buitengerechtelijke kosten,\n\n5.6. gelast Talen de onder 5.3. tot en met 5.5. toegewezen bedragen aan [verzoeker] te betalen binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking,\n\n5.7. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. J.N. Bartels en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026.\n\n Hoge Raad 12 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3129.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:2510","2026-05-11T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:55.959Z",{"id":162,"ecli":163,"slug":164,"caseNumber":43,"courtId":165,"decisionDate":166,"fullText":167,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":168,"sourceTimestamp":169,"parsedAt":51,"updatedAt":170},"935","ECLI:NL:GHARL:2026:2455","ecli-nl-gharl-2026-2455",70,"2026-04-21T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden, afdeling civiel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.316.457\u002F01\n\nzaaknummer rechtbank Overijssel 184625\n\narrest van 21 april 2026\n\nin de zaak van\n\n [appellant],\n\ndie woont in [woonplaats] ,\n\ndie hoger beroep heeft ingesteld,\n\nen bij de rechtbank optrad als gedaagde in conventie, eiser in reconventie,\n\nhierna: [appellant],\n\nadvocaat: mr. Chr.D. de Vos te Assen,\n\ntegen\n\nAllianz Benelux N.V.,\n\ndie is gevestigd in Rotterdam,\n\nen bij de rechtbank optrad als eiseres in conventie, gedaagde in reconventie,\n\nhierna: Allianz,\n\nadvocaat: mr. H.A. Kragt te Arnhem.\n\n1. Het verdere verloop van de procedure bij het hof\n\n1.1. Naar aanleiding van het arrest van 9 september 2025 heeft [appellant] een akte na tussenarrest (met een productie) genomen en heeft Allianz een antwoordakte (met een productie) genomen.1.2. Vervolgens heeft het hof een datum vastgesteld voor dit arrest.\n\n2. Het oordeel van het hof\n\nWat heeft het hof eerder beslist2.1. In het tussenarrest van 20 februari 2024heeft het hof over de schade van [appellant] wegens verlies verdienvermogen - kort gezegd - het volgende beslist: - voor de situatie zonder ongeval moet ervan worden uitgegaan dat [appellant] vanaf 1 juli 2004 een inkomen zou hebben gehad gelijk aan 110% van het minimumloon; - voor de situatie met ongeval moet zowel voor de periode van 1 juli 2004 tot 1 juli 2012 als voor de situatie vanaf 1 juli 2012 (tot aan zijn pensioengerechtigde leeftijd) worden uitgegaan van het feitelijke inkomen van [appellant] ; - als over de periode vanaf 1 juli 2012 sprake is van schade vanwege verlies verdienvermogen (doordat het inkomen met ongeval lager is dan het inkomen zonder ongeval) dient [appellant] de helft van deze schade zelf te dragen, omdat [appellant] zijn schadebeperkingsplicht heeft geschonden door geen werk meer te zoeken.\n\n2.2. In dat tussenarrest heeft het hof de heer [naam1] , rekenkundige bij het NRL (hierna: de deskundige), tot deskundige benoemd om met inachtneming van deze uitgangspunten de schade vanwege het verlies verdienvermogen te berekenen. De deskundige heeft op 4 februari 2025 gerapporteerd.\n\n2.3. In het tussenarrest van 9 september 2025heeft het hof - kort gezegd - het volgende beslist: - het hof ziet in de door Allianz aangevoerde argumenten geen reden om terug te komen op zijn beslissing in het tussenarrest van 20 februari 2024 over het causaal verband; - de eisvermeerdering van [appellant] is wat betreft de pensioenschade niet toelaatbaar, maar wat betreft de afgifte van een aantal garanties (belasting-, participatiewet-, huur- en zorgtoeslaggarantie) wel toelaatbaar; - [appellant] mag nog reageren op het door Allianz in het geding gebrachte rapport van haar partijdeskundige [naam2] LRGD QC van Sedgwick (hierna: [naam2] ).\n\nEen nieuwe productie in het laatste processtuk van Allianz en een (verkapte) vermeerdering van eis2.4. In zijn akte heeft [appellant] gereageerd op het rapport van [naam2] . Hij heeft daarbij verwezen naar een als productie overgelegd uitvoerig rapport van zijn eigen partijdeskundige mr. [naam3] van De Bureaus (hierna: [naam3] ). Allianz heeft vervolgens weer op dat rapport gereageerd en heeft in dat verband verwezen naar een bijgevoegd stuk van [naam2] . Op dat stuk van [naam2] heeft [appellant] niet kunnen reageren. Het hof zal hem daar ook niet toe in de gelegenheid stellen, omdat het stuk van [naam2] niet meer dan een beknopte reactie betreft op het rapport van [naam3] , waarop Allianz uiteraard mocht reageren.2.5. Het hof volgt Allianz niet in haar betoog dat slechts acht mag worden geslagen op het rapport van [naam3] voor zover daarin rekenkundige aspecten in aanmerking worden genomen. Het onderscheid tussen juridische en rekenkundige aspecten is, gelet op het geschil tussen partijen (een juridisch geschil over onder meer rekenkundige vragen), gekunsteld.\n\n2.6. In een voetnoot in haar akte maakt [appellant] ook aanspraak op vergoeding van de kosten van [naam3] (€ 4.007,28), primair als onderdeel van een uit te spreken proceskostenveroordeling, subsidiair op grond van artikel 6:96 BW. Omdat [appellant] deze eisvermeerdering niet eerder kon doen, ziet het hof geen reden die buiten beschouwing te laten. Het hof zal bij de beslissing op deze vordering uiteraard het verweer van Allianz betrekken.\n\nHet deskundigenrapport en de kritiek daarop2.7 De deskundige heeft de schade vanwege verlies verdienvermogen in zijn rapport berekend op € 257.716,-. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:\n\n- € 36.972,- voor de periode van 1 juli 2004 tot 1 juli 2012; - € 59.911,- voor de periode 1 juli 2012 tot 1 januari 2025; - € 160.833,- voor de periode vanaf 1 januari 2025. Per 1 januari 2024 bedraagt de wettelijke rente over de verschenen schade volgens de deskundige € 28.233,-.\n\n2.8. \n [appellant] meent dat in de berekening van de deskundige ten onrechte geen rekening is gehouden met mogelijke fiscale schade (vooral schade vanwege de ‘box 3 belasting’), met pensioenschade en met schade vanwege een mogelijke terugvordering van een in het verleden toegekende uitkering op grond van de Participatiewet. Volgens [appellant] mag geen rekening worden gehouden met deze uitkering, omdat er rekening mee moet worden gehouden dat de gemeente de uitkering zal terugvorderen als hij schadevergoeding ontvangt. [appellant] wil dat de deskundige een herberekening maakt, waarin wordt uitgegaan van een terugvordering. Ook voert hij aan dat ten onrechte geen rekening is gehouden met het mogelijk vervallen van toekomstige aanspraken op huur- en zorgtoeslag. Dat is ook de reden dat hij alsnog de afgifte van diverse garanties heeft gevorderd.\n\n2.9. Allianz is het ook niet eens met de bevindingen van de deskundige. Volgens haar heeft de deskundige zich er geen rekenschap van gegeven dat met een schadevergoeding door Allianz het gezinsinkomen van [appellant] (bestaande uit een uitkering op grond van de Participatiewet en diverse toeslagen voor [appellant] en zijn vrouw) op de tocht komt te staan. Ook miskent de deskundige volgens Allianz dat het feitelijke inkomen van [appellant] (zelfs wanneer geen rekening zou worden gehouden met de uitkering van zijn vrouw) lager is dan de helft van het fictieve inkomen (50% van 110% van het minimumloon). Verder meent Allianz dat de deskundige ten onrechte heeft gerekend met de helft van de gezinsbijstand. Ten slotte vindt Allianz dat de deskundige zowel voor de kapitalisatiedatum als voor de wettelijke rente 1 januari 2025 had moeten hanteren.\n\n2.10. Het hof zal de kritiek van partijen op het deskundigenrapport hierna bespreken.\n\nDe rekenkundige verwerking van de eigen schuld2.11 Het hof heeft in rov. 5.18 van het tussenarrest van 20 februari 2024 het volgende beslist over (de wijze van verwerking van) de eigen schuld: ‘De conclusie is dat in de situatie na ongeval tot 1 juli 2012 kan worden uitgegaan van het feitelijke inkomen van [appellant] . Voor de situatie vanaf 1 juli 2012 tot aan diens pensioengerechtigde leeftijd moet ook worden uitgegaan van het feitelijk inkomen. Maar als over die periode sprake is van schade, doordat het feitelijk inkomen lager is dan het hypothetisch inkomen, dient hij de helft van die schade zelf te dragen.’ De rekenkundige verwerking van de eigen schuld die Allianz bepleit, in navolging van haar partijdeskundige [naam2] , wijkt daarvan af. Waar het hof voor de fictieve situatie uitgaat van het volledige hypothetische inkomen (110% van het minimumloon) en aangeeft dat het percentage eigen schuld over het verschil tussen dat hypothetische inkomen en het feitelijke inkomen (de schade) moet worden berekend, past [naam2] het percentage eigen schuld ten onrechte toe op het hypothetisch inkomen, dat daarmee halveert tot 55% van het minimumloon. Dat er dan, gelet op de hoogte van het minimumloon, geen of nauwelijks (afhankelijk van de vraag of voor de fictieve situatie met de volledige bijstandsuitkering of met de helft ervan wordt gerekend) schade resteert, ligt voor de hand.\n\n2.12. De kritiek van Allianz op de rekenkundige verwerking door de deskundige van de eigen schuld, is gezien het voorgaande ongegrond.\n\nDe toepasselijke bijstandsnorm2.13 Voordat het hof ingaat op de vraag of rekening moet worden gehouden met de ontvangen uitkering op grond van de Participatiewet (hierna: ook bijstandsuitkering), zal het eerst ingaan op de vraag met welke uitkering rekening moet worden gehouden, met de door [appellant] en zijn vrouw ontvangen uitkering op basis van de gezinsnorm, of met de helft daarvan. De deskundige is bij de bepaling van de feitelijke situatie uitgegaan van de helft van de uitkering. Hij wijst er in dat verband op dat uit de jaaropgaven blijkt dat de uitkering fiscaal gescheiden wordt uitgekeerd. Om die reden heeft hij ook de helft van de ontvangen bijstandsuitkering aan [appellant] toegerekend.\n\n2.14. Allianz is het niet eens met deze benadering. Volgens haar verhoudt dit rekenuitgangspunt zich niet met het feit dat [appellant] heeft aangegeven, dat hij kostwinner zou zijn geweest in de hypothetische situatie. Allianz verwijst in dat verband naar het rapport van de door de rechtbank benoemde arbeidsdeskundige Hulsen, die heeft genoteerd: ‘Vervolgens had betrokkene voor het gezinsinkomen willen zorgen en hiervoor fulltime hebben gewerkt. Zijn echtgenote zou dan het volledige huishouden hebben gedaan.’ Nu het gezin in de hypothetische situatie met 110% van het minimumloon zou hebben moeten rondkomen, dient volgens Allianz voor de feitelijke situatie te worden uitgegaan van de volledige gezinsbijstand.\n\n2.15. Zoals Allianz zelf al aangeeft ziet de door haar aangehaalde opmerking van [appellant] op de hypothetische situatie. Het gaat hier echter niet om de hypothetische situatie, maar om de feitelijke situatie, dus om de vraag op welk inkomen [appellant] in die situatie daadwerkelijk aanspraak heeft. Voor het antwoord op die vraag zijn de relevante bepalingen uit en de strekking van de Participatiewet doorslaggevend. Op grond van artikel 11 lid 4 Participatiewet komt het recht op (gezins)bijstand (op een hier niet relevante uitzondering na) aan de echtgenoten tezamen toe. De hoogte van de uitkering is afhankelijk van de vraag of de uitkeringsgerechtigde alleenstaand of gehuwd is (artikel 21 Participatiewet) en bij de zogenaamde middelentoets worden de inkomsten van beide echtgenoten in aanmerking genomen (artikel 31 lid 1 Participatiewet). Het inkomen van de ene echtgenoot heeft dus niet alleen gevolgen voor diens eigen aanspraken op een uitkering, maar ook op die van de andere echtgenoot. Datzelfde geldt voor het vermogen; het gezinsvermogen is bepalend voor de aanspraken op een uitkering.\n\n2.16. Een belangrijk uitgangspunt bij de begroting van letselschade is dat de schade van het individuele slachtoffer moet worden begroot, los van diens gezinssituatie. Dat uitgangspunt past ook in de maatschappelijke opvatting waarin iemand, althans voor zijn financiële situatie, niet als onderdeel van een gezin, maar als een zelfstandig persoon wordt gezien en behandeld. Dat uitgangspunt stuit hier echter op de door de wetgever in de Participatiewet neergelegde realiteit dat voor het recht op een bijstandsuitkering de gezinssituatie van de bijstandsgerechtigde in hoge mate bepalend is. Het hof ziet onvoldoende reden om bij de begroting van de feitelijkesituatie te abstraheren van deze realiteit. Het hof zal dan ook de volledige bijstandsuitkering aan [appellant] toerekenen indien er rekening gehouden moet worden met de bijstandsuitkering. De vraag of en in hoeverre met de uitkering rekening moet worden gehouden, zal het hof hierna bespreken.\n\nMoet rekening worden gehouden met de bijstandsuitkering?2.17 De Participatiewet is een vangnet voor mensen die niet op eigen kracht in hun levensonderhoud kunnen voorzien. De wet geeft hun, onder voorwaarden, het recht op een bijstandsuitkering die het eigen inkomen aanvult tot het niveau van het toepasselijke sociaal minimum. Gelet op deze vangnetfunctie heeft een gemeente de bevoegdheid om op elk moment te toetsen of een persoon (nog langer) voor bijstandverlening in aanmerking komt. Het ontvangen van een schadevergoeding uit een letselschadezaak kan van grote invloed zijn op het recht op bijstand, omdat in beginsel alle vermogens- en inkomstenbestanddelen van de bijstandsgerechtigde (en diens gezinsleden) op grond van artikel 31 lid 2 aanhef en onder m Participatiewet tot de middelen van de bijstandsgerechtigde worden gerekend, tenzij de ontvangen schadevergoeding naar het oordeel van de gemeente verantwoord is. De gemeente kan een uitgekeerde bijstandsuitkering onder omstandigheden op grond van artikel 58 lid 2 aanhef en onder f Participatiewet terugvorderen - in de woorden van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) - ‘als de betrokkene op een eerder tijdstip in de periode waarover bijstand is verleend aanspraak op bepaalde middelen had, maar daarover op dat moment feitelijk nog niet kon beschikken. Zodra de betrokkene wel over die middelen kan beschikken, kan de bijstandverlenende instantie de bijstand terugvorderen.Dit hangt samen met het aanvullende karakter van de bijstand [onderstreping hof]. Voor het bepalen van de hoogte van het terugvorderingsbedrag moet achteraf een fictieve vermogensvaststelling plaatsvinden naar de situatie op de peildatum. Als de aanspraak na de aanvang van de bijstand is ontstaan, zoals in deze zaak, dan is de dag waarop de aanspraak is ontstaan de peildatum. Als uitgangspunt geldt dat de aanspraak op vergoeding van schade door een ongeval ontstaat op de datum van dat ongeval.’\n\n2.18. De bijstandsuitkering heeft, gelet op de genoemde vangnetfunctie van de Participatiewet, dus een aanvullend karakter. Dat betekent dat bij de begroting van de schade vanwege verlies verdienvermogen in beginselgeen rekening moet worden gehouden met een bijstandsuitkering. Dat is ook in lijn met de maatschappelijke opvatting dat degene die schade veroorzaakt zelf voor die schade moet instaan en die schade niet kan afwentelen op de algemene middelen. Maar ook hier geldt dat een principieel uitgangspunt in de praktijk tot praktische problemen kan leiden. Als de benadeelde bij de afwikkeling van de schade al enige tijd een bijstandsuitkering heeft ontvangen en daarmee bij de afwikkeling geen rekening wordt gehouden is het mogelijk dat de gemeente geen (of niet volledig) gebruik maakt van haar terugvorderingsbevoegdheid. In dat geval ontvangt de benadeelde over de periode waarover hij een bijstandsuitkering heeft ontvangen meer schadevergoeding dan hij feitelijk aan schade heeft geleden.\n\n2.19. Allianz stelt in feite voor dat probleem op te lossen door bij de bepaling van de schade vanwege verlies arbeidsverleden over het verleden de ontvangen bijstandsuitkering als in de feitelijke situatie ontvangen inkomsten mee te nemen. Ook de deskundige hanteert dit uitgangspunt, zij het dat hij uitgaat van de helft van de ontvangen bijstandsuitkering. Het hof gaat daar niet in mee. Allereerst niet omdat daardoor het aanvullende karakter van de bijstandsuitkering miskend wordt. Het principiële uitgangspunt wordt op deze wijze geheel terzijde gesteld. Bovendien kan er niet van worden uitgegaan dat de gemeente geen gebruik zal maken van haar terugvorderingsbevoegdheid. De deskundige heeft daarover in het kader van zijn onderzoek informatie ingewonnen bij de gemeente. De gemeente heeft hem in een e-mail van 31 oktober 2024 onder meer geschreven dat een ontvangen schadevergoeding nietals middelen wordt beschouwd tenzij ‘met hetzelfde doel bijstand is verstrekt of hiervoor later bijstand wordt gevraagd’. In een e-mail van 20 november 2024 aan de deskundige schreef de gemeente dat het ontvangen van een schadevergoeding leidt tot toetsing en dat in dat kader zal worden beoordeeld of de uitkering beëindigd moet worden.\n\n2.20. \n [appellant] wil het probleem oplossen door bij de begroting van zijn schade geen rekening te houden met de door hem ontvangen bijstandsuitkering. Bij die benadering is het mogelijk dat [appellant] over de periode in het verleden én een bijstandsuitkering ontvangt én een vergoeding van schade vanwege verlies verdienvermogen die is vastgesteld zonder dat daarbij rekening is gehouden met het ontvangen van die uitkering. Het hof vindt dat niet verantwoord, ook omdat het om een lange periode gaat en met de uitkering in die periode een substantieel bedrag is gemoeid.\n\n2.21. Het hiervoor omschreven dilemma kan ook niet worden opgelost door afgifte van een Participatiewetgarantie. Wanneer het hof over de periode van de bijstandsverlening de oplossing van Allianz volgt, is zo’n garantie niet nodig; over deze periode wordt dan immers geen schade vanwege verlies arbeidsvermogen vergoed, zodat er voor de gemeente niets te verhalen valt. Zou het hof de oplossing van [appellant] volgen, dan is een garantie ook overbodig. [appellant] ontvangt dan immers teveel en wanneer hij het meerdere moet afdragen aan de gemeente is dat terecht en kan hij Allianz daarop niet aanspreken.\n\n2.22. Het hof kiest ervoor om (alleen) voor de periode van de bijstandsuitkering de zaak te verwijzen naar de schadestaat. Het hof stelt het begin van die periode op 1 juli 2012 en het einde op 1 oktober 2026, waarbij het ervan uitgaat dat [appellant] per die datum aanspraak heeft op betaling van een zodanig bedrag aan schadevergoeding vanwege verlies arbeidsvermogen dat zijn aanspraken op bijstand komen te vervallen. De gemeente kan vervolgens over het verleden de balans opmaken en bepalen of en in hoeverre zij de betaalde uitkering wil terugvorderen. Indien dat het geval is, kan [appellant] alsnog aanspraak maken op betaling door Allianz van het terug te vorderen bedrag. Het hof gaat er daarbij vanuit dat de gemeente er bij de terugvordering rekening mee houdt dat [appellant] ook over de periode van de bijstandsverlening slechts aanspraak heeft op de helft van zijn schade (bestaande uit het verschil tussen een inkomen op basis van 110% van het minimumloon, te vermeerderen met de daarnaast te ontvangen toeslagen - daarover hierna meer - en de daadwerkelijk ontvangen toelagen).\n\n2.23. Voor de periode tot 1 juli 2012 kunnen de ‘bijstandsperikelen’ buiten beschouwing blijven. Voor de periode vanaf 1 oktober 2026 ligt dat anders. Met ingang van die datum zal [appellant] geen aanspraak meer hebben op een bijstandsuitkering. In de feitelijke situatie is het inkomen (afgezien van toeslagen) nihil.\n\nSpelen de toeslagen een rol?2.24 De deskundige heeft in zijn rapport geen rekening gehouden met de invloed van toeslagen. Op het verzoek van de advocaat van [appellant] naar aanleiding van het concept-rapport om de toeslagen in zijn onderzoek te betrekken heeft de deskundige geantwoord:\n\n‘Om aspecten als huurtoeslag in de berekening op te nemen, is niet conform de opdracht van het hof. Een aspect als zorgtoeslag is ook niet in de berekening opgenomen en dit heeft te maken met de opdracht dat voor het inkomen na ongeval uitgegaan moet worden van het feitelijk inkomen. De feitelijke situatie is dat er een partner is, maar de partner moet worden\n\n'losgekoppeld' van de berekening. Er is dus een soort spagaat, want uitgaande van een\n\nalleenstaande zou de zorgtoeslag berekend kunnen worden, maar nu er een partner is, die niet (financieel) in de berekening opgenomen moet worden, lukt dit niet.’\n\n2.25. Het staat de deskundige vrij om de voor de berekening van de schade vanwege verlies arbeidsvermogen relevante aspecten in zijn beschouwingen te betrekken, ook als die niet expliciet zijn vermeld, nog daargelaten dat de deskundige in geval van twijfel zich tot de raadsheer-commissaris kan wenden. Wat daar ook van zij, naar het oordeel van het hof moet bij de begroting van de schade vanaf 1 oktober 2026 wel rekening worden gehouden met de gevolgen van het volledig wegvallen van inkomen uit arbeid en de daartegenover staande ontvangst van een schadevergoedingsuitkering op de aanspraken op toeslagen. [appellant] heeft met het rapport van [naam3] voldoende aannemelijk gemaakt dat hij vanaf de ontvangst van het schadebedrag betreffende de eerste en de derde periode, dus vanaf 1 juli 2026, geen aanspraak meer zal hebben op zorgtoeslag en al helemaal niet op huurtoeslag, gelet op de geldende vermogensdrempels. Bij het bepalen van de gevolgen voor de toeslagen moet worden uitgegaan van de gezinssituatie van [appellant] . Het hof verwijst voor de motivering naar wat het hiervoor bij de toepasselijke bijstandsnorm heeft overwogen.\n\n2.26. Voor de beide andere periodes kan een berekening van de consequenties voor de toeslagen achterwege blijven. Het hof gaat er daarbij vanuit dat die consequenties voor de periode tot 1 juli 2012 gering zijn. Indien de gemeente terugvordert, kunnen de consequenties van de toeslagen voor de periode van 1 juli 2012 tot 1 oktober 2026 worden begroot in de schadestaatprocedure. Daarbij kan ervan worden uitgegaan dat [appellant] in de feitelijke situatie aanspraak heeft op de door hem daadwerkelijk ontvangen toeslagen, nu gesteld noch gebleken is dat de toegekende toeslagen zullen worden teruggevorderd vanwege een achteraf toegekende aanspraak op schadevergoeding. Integendeel, [naam3] geeft in zijn rapport expliciet aan dat toegekende toeslagen niet worden teruggevorderd omdat de vermogenstoets voor de toeslagen telkens per 1 januari van het desbetreffende jaar plaatsvindt.\n\nBelasting op grond van box 32.27 Indien [appellant] als gevolg van de ontvangst van een schadevergoedingsuitkering vermogensrendementsbelasting verschuldigd is, heeft hij aanspraak op vergoeding van die schade. De deskundige heeft een vraag van de advocaat van [appellant] daarover naar aanleiding van het concept-rapport als volgt beantwoord: ‘Er wordt geen fiscale component berekend, omdat er in de situatie met gebeurtenis\n\ngeen inkomsten zijn. Een (eventuele) heffing Box 3 wordt verrekend met de vrijgevalllen\n\nheffingskortingen.’ Hij wordt daarin bijgevallen door [naam2] , terwijl [naam3] zich niet uitlaat over dit punt. Het hof gaat er dan ook vanuit dat in dit geval geen sprake zal zijn van belastingschade vanwege de box 3 heffing over de te ontvangen schadevergoedingsuitkering.\n\nBuitengerechtelijke kosten2.28 [appellant] vordert ongeveer € 205.000,- aan kosten van buitengerechtelijke rechtsbijstand, te vermeerderen met wettelijke handelsrente. In het tussenarrest van 20 februari 2024 heeft het hof al overwogen dat geen wettelijke handelsrente verschuldigd is, maar voor zover al wettelijke rente verschuldigd is de ‘gewone’ wettelijke rente volstaat. Verder heeft het hof overwogen en beslist dat [appellant] nog aanspraak heeft op vergoeding van € 3.338,66 aan medische kosten. Bij dat bedrag is, conform de berekening van [appellant] zelf, al rekening gehouden met een betaald voorschot van € 5.000,-. Over de kosten is wettelijke rente verschuldigd. [appellant] dient die wettelijke rente te (laten) berekenen per 1 oktober 2026. Bij die berekening kan worden uitgegaan van de bedragen en de factuurdata die zijn vermeld in het als productie 51d bij memorie van grieven door [appellant] overgelegde overzicht. De wettelijke rente gaat steeds in 14 dagen na de factuurdatum.\n\n2.29. Zoals het hof in het tussenarrest van 20 februari 2024 heeft overwogen, heeft [appellant] aanspraak op € 15.000,- aan vertaalkosten. Over dit bedrag zal de wettelijke rente worden toegewezen vanaf 1 oktober 2026, omdat gesteld noch gebleken is dat [appellant] dit bedrag al heeft betaald en evenmin dat hij wanneer hij het alsnog betaalt daarover wettelijke rente verschuldigd is.\n\n2.20. Over de kosten van de belangenbehartiger van [appellant] heeft het hof in het genoemde tussenarrest overwogen dat het gevorderde bedrag (ruim € 123.000,-) het hof als bovenmatig voorkomt, ook omdat alleen buitengerechtelijke kosten kunnen zijn gemaakt in de jaren 2008 - 2016 en in die jaren geen intensieve onderhandelingen hebben plaatsgevonden. Wel is in 2012 een deelgeschilprocedure gevoerd. Voor de kosten van het deelgeschil is al een vergoeding toegekend. Desondanks worden voor het jaar 2012 veel ‘uren geschreven’ en gevorderd betreffende dat deelgeschil. Ook op de specificaties betreffende andere jaren is het nodige op te merken.\n\n2.21. Al met al kan de vordering van [appellant] de dubbele redelijkheidstoets niet doorstaan. Het is wel aannemelijk dat de belangenbehartigers van [appellant] buiten rechte enige werkzaamheden hebben verricht. Het hof zal die werkzaamheden, alles afwegende, schatten op € 20.000,- (inclusief btw). Over dit bedrag is wettelijke rente verschuldigd vanaf 1 oktober 2026. Het hof verwijst op dit punt naar wat het heeft overwogen over de vertaalkosten.\n\nHoe nu verder?2.22. Nu de resterende knopen zijn doorgehakt, kan de balans worden opgemaakt. Dat is in eerste instantie aan partijen. Het hof zal allereerst [appellant] in de gelegenheid stellen om op basis van de beslissingen van het hof te laten berekenen welk bedrag Allianz hem per saldo verschuldigd is. De (redelijke) kosten van het door [appellant] op te stellen berekeningsrapport komen voor rekening van Allianz. Het berekeningsrapport dient de volgende componenten te hebben: a. schade vanwege verlies verdienvermogen tot 1 juli 2012: De berekening van de deskundige kan worden gevolgd. De schade bedraagt dus € 36.972,-. Over dit bedrag dient de wettelijke rente per 1 oktober 2026 te worden berekend; b. schade vanwege verlies verdienvermogen vanaf 1 oktober 2026 tot aan pensioengerechtigde leeftijd: In de fictieve situatie wordt uitgegaan van 110% van het minimumloon, vermeerderd met de toeslagen waarop (het gezin) [appellant] aanspraak heeft. In de feitelijke situatie wordt uitgegaan van een inkomen van nihil, te vermeerderen met eventuele toeslagen waarop (het gezin) [appellant] , rekening houdend met het vermogen per 1 januari van elk jaar, aanspraak heeft. [appellant] heeft aanspraak op 50% van het verschil. De kapitalisatiedatum is 1 oktober 2026. c. Buitengerechtelijke kosten: Medische kosten van € 3.338,66, te vermeerderen met de wettelijke rente per 1 oktober 2026 (berekend overeenkomstig rov. 2.28), vertaalkosten van € 15.000,-, met wettelijke rente per 1 oktober 2026 en kosten rechtsbijstand van € 20.000,-, met wettelijke rente per 1 oktober 2026. Bij deze wijze van afdoening kan de afgifte van garanties achterwege blijven.\n\n2.23. \n [appellant] dient het rapport bij akte in het geding te brengen. Allianz kan bij akte reageren. In het vervolgens te wijzen arrest - naar verwachting het eindarrest - zal het hof het verschuldigde bedrag toewijzen en de zaak voor wat betreft (50% van) de schade vanwege verlies verdienvermogen in de periode van 1 juli 2012 tot 1 oktober 2026 verwijzen naar de schadestaat. Het hof gaat er vanuit dat partijen er aan zullen meewerken dat vóór 1 oktober 2026 arrest kan worden gewezen.\n\n3. De beslissing\n\nHet hof:\n\n3.1. verwijst de zaak naar de rol van 2 juni 2026 voor akte aan de zijde van [appellant] ;3.2. iedere verdere beslissing wordt aangehouden.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. H. de Hek, J.E. Wichers en J.C.J. Dute, en is door de rolraadsheer in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.\n\n ECLI:NL:GHARL:2024:1232.\n\n ECLI:NL:GHARL:2025:5608.\n\n CRvB 16 september 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1406, met verwijzing naar CRvB 22 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:430.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2455","2026-04-23T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:55.581Z",{"id":172,"ecli":173,"slug":174,"caseNumber":43,"courtId":175,"decisionDate":176,"fullText":177,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":178,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":51,"updatedAt":179},"1073","ECLI:NL:RBOVE:2026:3861","ecli-nl-rbove-2026-3861",69,"2026-04-13T00:00:00.000Z","RECHTBANK Overijssel\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Almelo\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F08\u002F342889 \u002F HA RK 25-99\n\nBeschikking van 13 april 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker],\n\nte [woonplaats],\n\nverzoekende partij, hierna te noemen [verzoeker],\n\nadvocaat: mr. J. Menninga,\n\ntegen\n\nMSIG EUROPE,\n\nte Amstelveen,\n\nverwerende partij, hierna te noemen: MSIG,\n\nadvocaat: mr. J. Kruijswijk Jansen.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift met producties,\n\n- het verweerschrift met producties,\n\n- de akte overlegging productie van de zijde van MSIG,\n\n- de mondelinge behandeling van 30 maart 2026, waarbij partijen (vertegenwoordigd) zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Partijen hebben de standpunten toegelicht, waarbij de advocaat van [verzoeker] ook gebruik heeft gemaakt van spreekaantekeningen. De griffier heeft tijdens de mondelinge behandeling aantekeningen gemaakt.\n\n1.2.. De beschikking is vandaag bij vervroeging uitgesproken.\n\n2. Samenvatting\n\nOp 1 april 2024 heeft er een ongeval plaatsgevonden waarbij [verzoeker] als fietser en de heer [naam] als automobilist betrokken waren. [verzoeker] heeft daarbij letsel opgelopen. MSIG heeft 50% van de aansprakelijkheid erkend. [verzoeker] verzoekt (primair) voor recht te verklaren dat MSIG zijn schade volledig moet vergoeden. Subsidiair verzoekt [verzoeker] de causale verdeling vast te stellen. De rechtbank wijst het verzochte af, reeds omdat haar oordeel over de causale verdeling en over de toepassing van de billijkheidscorrectie niet resulteert in een hoger vergoedingspercentage dan 50%. De kosten van het deelgeschil worden gematigd. MISG moet 50% van de begrote kosten betalen aan [verzoeker] omdat de schadevergoedingsplicht van MISG niet verder reikt dan 50%. De rechtbank licht haar oordeel hierna toe.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. Op 1 april 2024 heeft een ongeval plaatsgevonden op het Korianderhof in Wierden, waarbij [verzoeker], rijdend op een elektrische fiets, en [naam], bestuurder van de auto met kenteken [kenteken], betrokken waren. De auto van [naam] is bij MSIG verzekerd tegen wettelijke aansprakelijkheid (WAM).\n\n3.2.. \n\nOp of in de nabijheid van de T-splising ter hoogte van het Korianderhof nummer 1 zijn [verzoeker] en de auto van [naam] met elkaar in aanraking gekomen. Onderstaande afbeeldingen geven de situatie ter plekke weer.\n\n[Afbeelding]\n\nDeze afbeelding geeft vanaf boven de situatie weer, waarbij de linkse pijl de rijrichting van [verzoeker] weergeeft en de andere pijl de rijrichting van [naam].\n\n[Afbeelding]\n\nDeze afbeelding geeft het zicht weer vanuit de rijrichting van [verzoeker].\n\n[Afbeelding]\n\nDeze afbeelding geeft het zicht weer vanuit de rijrichting van [naam].\n\n3.3.. MSIG heeft op grond van artikel 185 Wegenverkeerswet (WVW) 50% van de aansprakelijkheid erkend en 50% van de schade aan de fiets van [verzoeker] vergoed.\n\n3.4.. De aansprakelijkheidsverzekeraar (AVP) van [verzoeker] heeft 50% van de aansprakelijkheid erkend en 50% van de schade aan de auto van [naam] vergoed.\n\n4. Het verzoek en het verweer\n\n4.1.. \n [verzoeker] verzoekt de rechtbank voor recht te verklaren dat MSIG gehouden is de door hem geleden en nog te lijden schade als gevolg van het ongeval volledig te vergoeden althans een causale verdeling vast te stellen, met begroting van en veroordeling in de kosten van dit deelgeschil.\n\n4.2.. Aan het verzochte legt [verzoeker] ten grondslag dat er geen sprake is van eigen schuld aan zijn kant. [verzoeker] stelt dat hij geen verkeersfout heeft gemaakt. Hij heeft voldaan aan de voorrangsverplichting op grond van artikel 15 lid 1 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV), terwijl [naam] onvoldoende rechts heeft gehouden en bij de afslaande manoeuvre de binnenbocht heeft genomen. Mocht de rechtbank oordelen dat er wel sprake is van eigen schuld, dan wordt verzocht een billijkheidscorrectie toe te passen.\n\n4.3.. MSIG verzet zich gemotiveerd tegen dit verzoek. Zij meent dat er voor haar een schadevergoedingsplicht van 50% geldt. Primair volgt dit volgens haar uit het feit dat de AVP-verzekeraar van [verzoeker] namens [verzoeker] 50% van de aandprakelijkheid heeft erkend tegenover Aon als volmacht van MSIG in verband met de door MSIG uitgekeerde cascoschade aan de auto van [naam]. [verzoeker] is gebonden aan deze erkenning door zijn AVP-verzekeraar, aldus MSIG. Subsidiair stelt MSIG zich op het standpunt dat de schadevergoedingsplicht 50% bedraagt op grond van artikel 185 WVW juncto artikel 6:101 Burgerlijk Wetboek (BW).\n\n4.4.. Op de stellingen en het verweer van partijen wordt hierna, voor zover van belang nader ingegaan.\n\n5. De beoordeling\n\nGeschiktheid deelgeschil\n\n5.1.. \n [verzoeker] baseert zijn verzoek op de Wet deelgeschilprocedure, zoals opgenomen in de artikelen 1019w tot en met 1019cc Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over letsel- of overlijdensschade in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. Het verzoek van [verzoeker] leent zich naar haar aard voor behandeling in deelgeschil – wat tussen partijen ook niet in geschil is – en de rechtbank zal hieronder overgaan tot de inhoudelijke beoordeling daarvan.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nHoofdregel artikel 185 WVW\n\n5.2.. In deze zaak is sprake van een aanrijding tussen [verzoeker] als (elektrische) fietser en [naam] als bestuurder van een auto. Voor zo’n situatie, waarin een gemotoriseerde (auto) en een ongemotoriseerde verkeersdeelnemer (fietser) betrokken is, bepaalt de wet (artikel 185 WVW) dat de schade van de ongemotoriseerde door de gemotoriseerde (in de praktijk vaak diens verzekeraar) vergoed moet worden. Ongemotoriseerde verkeersdeelnemers worden namelijk als zwakkere verkeersdeelnemers gezien ten opzichte van gemotoriseerde verkeersdeelnemers. Deze regel geldt niet als de gemotoriseerde zich kan beroepen op overmacht. Dit is de hoofdregel. Andere wettelijke bepalingen kunnen een uitzondering geven op deze hoofdregel.\n\n5.3.. Partijen zijn het erover eens dat artikel 185 WVW van toepassing is op deze zaak. Tussen partijen staat ook niet ter discussie dat MISG zich niet kan beroepen op overmacht aan de zijde van [naam]. Wel stelt MISG dat zij zich kan beroepen op een andere uitzonderingsbepaling op de hoofdregel, namelijk de ‘eigen schuld’ als bedoeld in artikel 6:101 BW. MISG meent namelijk dat [verzoeker] zelf veruit het grootste aandeel heeft gehad in het ontstaan van het ongeval en dat daarom de schadevergoedingsplicht niet meer bedraagt dan 50%.\n\nCausale verdeling\n\n5.4.. Een geslaagd beroep op ‘eigen schuld’ in combinatie met artikel 185 WVW kan de vergoedingsplicht van de gemotoriseerde met maximaal 50% verlagen. Dat betekent dat de ongemotoriseerde in ieder geval recht heeft op een vergoeding van 50% van zijn of haar schade. Om te beoordelen of [verzoeker] recht heeft op een hoger vergoedingspercentage dan 50%, zoals door hem gevorderd, zal om te beginnen de causale verdeling moeten worden vastgesteld. Dit betekent dat gekeken wordt naar de mate waarin de gedragingen van zowel de gemotoriseerde als de ongemotoriseerde hebben bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval. Aan de hand hiervan zal de schade in evenredigheid verdeeld worden tussen de gemotoriseerde en de ongemotoriseerde.\n\n4.5.. MISG stelt (kort gezegd) dat [verzoeker] zelf voor het grootste deel heeft bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval. [verzoeker] heeft een verkeersfout begaan door [naam], die van rechts kwam, geen voorrang te verlenen. [verzoeker] fietste de kruising op en sloeg rechtsaf zonder eerst te verifiëren of er verkeer van rechts kwam. Door geen voorang te verlenen en rechtsaf te slaan, is [verzoeker] tegen de auto van [naam] gefietst. Er is eens te meer sprake van een verkeersfout van [verzoeker], nu zijn zicht op de weg rechts van hem zeer beperkt was door de hoge muur van de aanbouw van de Korianderhof, die tot aan het kruispunt reikte. Door deze hem bekende verkeerssituatie had hij extra voorzichtig de kruising moeten naderen en eerst moeten verifiëren of de weg rechts van hem vrij was alvorens rechtsaf te slaan. Dat heeft hij niet gedaan. Volgens MSIG blijkt nergens uit dat [verzoeker] op enigerlei wijze heeft geanticipeerd op de mogelijkheid dat er verkeer van rechts zou kunnen aankomen. Daaraan doet de gestelde verkeersfout van [naam], inhoudende dat hij niet zoveel mogelijk rechts heeft gehouden, niet af, aldus MSIG.\n\n5.5.. De rechtbank oordeelt dat het handelen van [verzoeker] voor een aanzienlijk deel heeft bijgedragen aan het ontstaan van het verkeersongeval. Op basis van de geldende verkeers-regels (artikel 15 RVV) had [naam] voorrang op [verzoeker]. [naam] kwam immers van rechts. In artikel 1 RVV is uitgelegd wat “voorrang verlenen” inhoudt: “het de betrokken bestuurders in staat stellen ongehinderd hun weg te vervolgen”.Het begrip voorrang verlenen omvat dus meer dan het enkel vrijlaten van voldoende ruimte om de voorrangsgerechtigde verkeersdeelnemer door te laten. Het heeft betrekking op het hele gedrag dat mag worden verwacht van de verkeersdeelnemer die voorrang moet verlenen aan een andere weggebruiker. Naar het oordeel van de rechtbank heeft MISG voldoende onderbouwd dat het handelen van [verzoeker] hier niet aan heeft voldaan. Hoewel de precieze plek van de aanrijding niet helemaal duidelijk is geworden, kan de rechtbank, niet tot een andere conclusie komen dan dat het ongeval op het kruisingsvlak of, indien [verzoeker] in zijn standpunt wordt gevolgd, in ieder geval op een zeer korte afstand van het kruisingsvlak heeft plaatsgevonden. Dat maakt dat niet kan worden gezegd dat [verzoeker] artikel 15 RVV niet heeft geschonden. Hij heeft [naam] niet (voldoende) in staat gesteld om zijn weg ongehinderd te vervolgen. [verzoeker] stelt wel dat [naam] de bocht heeft afgesneden, maar dat is betwist door [naam], zodat dat niet is komen vast te staan. Ook als daar wel van zou worden uitgegaan, zou dit betekenen dat [naam] weliswaar een fout heeft begaan, maar dat doet niet af aan de verkeersfout die [verzoeker] heeft begaan. [verzoeker] moet als verkeersdeelnemer ook rekening houden met fouten van een ander, zeker nu hij voorrang moest verlenen aan het van rechts komende verkeer. Dat heeft [verzoeker] niet (voldoende) gedaan. Zo is [verzoeker] niet al wat voor het kruisingsvlak gestopt. Daarbij weegt de rechtbank ook de aard van de kruising\u002FT-splitsing mee. Er is sprake van smalle straten met weinig zicht door de (relatief hoge) aanbouw en er staan vaak, zoals ook ten tijde van het ongeval, auto’s (fout) geparkeerd op de (vanuit de rijrichting van [verzoeker] bezien) linkerweghelft. [verzoeker] was hiermee bekend en kon die auto’s zien bij het naderen van de kruising. Ook daarom mocht van hem extra voorzichtigheid worden verwacht bij het naderen van de kruising\u002FT-splitsing waar hij voorrang moest verlenen aan het van rechtskomend verkeer. De situatie ter plekke brengt ook met zich dat een van rechts komende naar links afslaande auto op enig moment de bocht wel iets moet afsnijden om een botsing met een geparkeerde auto te voorkomen.\n\n5.6.. De verwijzing naar het vonnis van 7 oktober 2020 van de rechtbank Noord-Hollanddoor [verzoeker] treft geen doel. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de feitelijke situaties niet vergelijkbaar met elkaar. Zo is er in de onderhavige situatie sprake van een onoverzichtelijke kruising. Van een situatie dat [verzoeker] [naam] geen voorrang hoefde te verlenen is, mede gelet op het bepaalde in artikel 1 RVV, naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.\n\n5.7.. Wanneer de rechtbank de gedragingen van [verzoeker] en [naam] tegen elkaar afweegt en beoordeelt in welke mate de gedragingen hebben bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval, komt de rechtbank tot het oordeel dat niet kan worden geconcludeerd dat de gedragingen van [verzoeker] voor minder dan 50% aan het ongeval hebben bijgedragen.\n\nBillijkheidscorrectie\n\n5.8.. De rechtbank ziet geen reden om een billijkheidscorrectie toe te passen. Met inachtneming van het vorenstaande is de mate van verwijtbaarheid van het rijgedrag van [naam], afgezet tegen de mate van verwijtbaarheid dat [verzoeker] zelf treft, niet zodanig dat dit een billijkheidscorrectie rechtvaardigt. De omstandigheid dat het aan het motorrijtuig voor andere verkeersdeelnemers verbonden gevaar (Betriebsgefahr) zich heeft verwezenlijkt, is onvoldoende reden om te komen tot een verhoging van de schadevergoedingsverplichting van MSIG. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding voor vergoeding van een groter deel van de schade van [verzoeker] dan 50%. De rechtbank heeft oog voor het letsel dat [verzoeker] heeft opgelopen en de gevolgen die hij daarvan ondervindt, maar de door [verzoeker] aangevoerde omstandigheden, ook in onderlinge samenhang bezien, rechtvaardigen niet de conclusie dat de billijkheid een andere verdeling eist.\n\nSlotsom\n\n5.9.. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de toepassing van de causaliteitsmaatstaf en\u002Fof de billijkheidscorrectie geen aanleiding geeft voor een hogere schadevergoedings-verplichting voor MSIG dan 50%. Dat betekent dat het verzochte door [verzoeker] wordt afgewezen. Bespreking van het primaire verweer van MISG laat de rechtbank dan ook achterwege.\n\nKosten deelgeschil\n\n5.10.. De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Dat geldt ook als een verzoek in deelgeschil wordt afgewezen. Alleen als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, hoeven de kosten van de procedure niet te worden begroot. Van deze laatste situatie is in dit geval geen sprake.\n\n5.11.. Bij de begroting van de kosten moet de rechtbank de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking nemen. Daarbij moet de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.\n\n5.12.. \n [verzoeker] maakt aanspraak op € 13.581,94 inclusief btw, te vermeerderen met het griffierecht. MSIG voert verweer en stelt dat dit een te hoog bedrag aan kosten is voor een niet-complexe zaak waarin slechts één specifieke vraag voorligt. Zij wijst er daarbij ook op dat een groot deel van de door [verzoeker] opgevoerde kosten niet zijn aan te merken als kosten van de deelgschillenprocedure, dat sprake is van dubbele kosten en dat kosten van ANWB niet zijn onderbouwd met een specificatie.\n\n5.13.. De rechtbank is van oordeel dat de omvang van de kosten de dubbele redelijkheidstoets niet doorstaat. De rechtbank constateert dat diverse posten niet zijn onderbouwd met een (uren)specificatie. Daardoor is niet te verifiëren of de kosten in het kader van deze procedure zijn gemaakt. Uit de wel overgelegde specificatie blijkt dat er diverse belangenbehartigers\u002Fadvocaten betrokken zijn (geweest) bij deze kwestie. Nut en noodzaak daarvan is echter niet (voldoende) onderbouwd. Daardoor kan niet worden uitgesloten dat bepaalde kosten dubbel in rekening zijn gebracht. Gelet op de mate van complexiteit en de omvang van het dossier acht de rechtbank een totale tijdsbesteding van 16 uur redelijk. Wat betreft het te hanteren uurtarief zal zij aansluiten bij het ook van de zijde van [verzoeker] gehanteerde tarief van € 255,- exclusief btw.Dit komt neer op een bedrag van € 4.936,80 inclusief btw. Dat bedrag wordt vermeerderd met het griffierecht van € 331,-, zodat de begroting van de kosten van het deelgeschil sluit op € 5.267,80.5.14.. Omdat de vergoedingsplicht voor MISG 50% is, geldt als uitgangspunt dat er in beginsel een correctie aan de orde is. Voor een uitzondering op dit uitgangspunt ziet de rechtbank geen aanleiding.Dit betekent dat 50% van de kosten voor rekening van [verzoeker] blijft.\n\n5.15.. Nu MISG de aansprakelijkheid (voor 50%) heeft erkend, bestaat er ook aanleiding om een veroordeling uit te spreken. MISG zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 2.633,90 (50% van € 5.267,80) aan [verzoeker].\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n6.1.. wijst het verzochte door [verzoeker] af;\n\n6.2.. begroot de kosten van dit deelgeschil op € 4.936,80 inclusief btw te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 331,- en veroordeelt MSIG tot betaling van € 2.633,90 aan [verzoeker], te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van deze beschikking.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2026.\n\n Vgl. o.a. HR, 16 april 1971, NJ 1971\u002F307 en HR 5 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4046.\n\n Rb. Noord-Holland 7 oktober 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:8554.\n\n Zie randnummer 43 van het verzoekschrift.\n\n Vgl. o.a. HR 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7624 en Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2 januari 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:30.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3861","2026-07-13T00:29:02.665Z",{"id":181,"ecli":182,"slug":183,"caseNumber":43,"courtId":112,"decisionDate":184,"fullText":185,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":186,"sourceTimestamp":184,"parsedAt":51,"updatedAt":187},"933","ECLI:NL:RBROT:2026:3552","ecli-nl-rbrot-2026-3552","2026-04-01T00:00:00.000Z","vonnisRECHTBANK ROTTERDAM\n\nTeam handel en haven\n\nzaaknummer \u002F rolnummer: C\u002F10\u002F696853 \u002F HA ZA 25-280\n\nVonnis van 1 april 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiseres],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\neiseres,\n\nadvocaat mr. G.J. de Jongste te Rotterdam,\n\ntegen\n\n1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nHUISARTSENPRRAKTIJK [naam 1] B.V.\n\ngevestigd te Papendrecht,\n\n2. de naamloze vennootschap\n\nVvAA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,\n\ngevestigd te Utrecht,\n\ngedaagden,\n\nadvocaat mr. E.J.C. de Jong te Utrecht.\n\nPartijen worden hierna ook [eiseres] , de huisartsenpraktijk en de verzekeraar genoemd.\n\n1. De zaak in het kort\n\nDeze zaak gaat over de vraag of een huisarts tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de geneeskundige behandelingsovereenkomst met een patiënte. De patiënte stelt dat de huisarts haar eerder naar het (oog)ziekenhuis had moeten verwijzen in verband met een ooginfectie. De rechtbank oordeelt in dit vonnis dat de huisarts inderdaad is tekortgeschoten in zijn verplichtingen en dat de patiënte in beginsel recht heeft op vergoeding van haar schade. Het verweer van de huisarts en de verzekeraar dat de patiënte eigen schuld heeft aan haar schade wordt door de rechtbank verworpen.\n\n2. De procedure\n\n2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 1 maart 2025 met producties 1 tot en met 9, - de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 3, - de productielijst van de zijde van [eiseres] , - de spreekaantekeningen van de advocaat van [eiseres] , - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 23 september 2025.2.2.. Partijen hebben na de mondelinge behandeling overleg gehad over een regeling zodat geen vonnis nodig zou zijn. Zij hebben ten slotte toch vonnis gevraagd.3. De feiten\n\n3.1.. Door of namens [eiseres] , geboren op [geboortedag] 2006, is met de huisartsenpraktijk een geneeskundige behandelingsovereenkomst aangegaan. De in de huisartsenpraktijk werkzame huisarts, [naam 1] (hierna: de huisarts), is de (enig) bestuurder van de huisartsenpraktijk.\n\n3.2.. Bij de verzekeraar heeft de huisartsenpraktijk een aansprakelijkheidsverzekering afgesloten.\n\n3.3.. Op donderdag 12 mei 2022 is [eiseres] bij de huisarts geweest met klachten over haar linkeroog. Zij klaagde over pijn en roodheid van dat oog.\n\n3.4.. \n\nHet patiëntdossier van [eiseres] van de huisartsenpraktijk vermeldt op die dag (de letters “S “O” “E” en “P” in het huisartsdossier staan voor: “Subjectief”, “Objectief”, “Evaluatie” en “Plan”):\n\nS apotheek: chloramfenicol niet leverbaar. Wordt Fucithalmic\n\nS ontstoken oog links; lenzen +\n\nO Conjunctivitis\n\nE Infectieuze conjunctivitis\n\nP MED: Westpolder 12-05-2022 CHLOORAMFENICOL OOGDRUPPELS 5MG\u002FML FL 10ML 4-6D1DR IOG MX1W 10 milliliter (Inv: WD) (Aut: WD)\n\nEn bij de datum van vrijdag 13 mei 2022 vermeldt het genoemde dossier:\n\nS nog steeds veel pijn aan het oog. stekende hoofdpijn bij wenkbrauw.\n\nP med zijn werk laten doen, koelen met koude compressen\n\nafspr aangeboden op su. wel aangegeven op dit moment niet meer te kunnen doen waarschijnlijk.zie advies hierboven\n\n3.5.. In de ochtend van vrijdag 13 mei 2022 kon [eiseres] geen licht meer verdragen. De moeder van [eiseres] heeft op die dag omstreeks 13.50 uur gebeld met de huisartsenpraktijk en toen gesproken met de doktersassistente mevrouw [naam 2] . Omstreeks 16.30 uur diezelfde dag is de moeder van [eiseres] naar de huisartsenpraktijk gegaan en heeft daar opnieuw gesproken met mevrouw [naam 2] .\n\n3.6.. \n [eiseres] heeft op zaterdag 14 mei 2022 een andere huisarts geraadpleegd. Deze huisarts zag bij [eiseres] een “zogenaamd vissenoog met hypopyon, grijze doffe cornea en visusdaling \u003C 0,1”.Na spoedoverleg met de oogkliniek Papendrecht, heeft hij haar onmiddellijk verwezen naar het oogziekenhuis in Rotterdam, waar [eiseres] diezelfde dag om 18.00 uur is opgenomen.\n\n3.7.. In het oogziekenhuis werd een ulcus aan het hoornvlies geconstateerd, die na onderzoek bleek te zijn veroorzaakt door een besmetting met de pseudomonasbacterie.\n\n3.8.. Bij latere controle in dat ziekenhuis zijn vertroebelingen en littekenvorming aan het hoornvlies vastgesteld. Het zicht van het linkeroog van [eiseres] is nog maar 15%.\n\n3.9.. \n [eiseres] heeft de huisartsenpraktijk aansprakelijk gesteld voor haar schade en de verzekeraar daarop eveneens aangesproken (artikel 7:954 BW). De huisartsenpraktijk en de verzekeraar hebben aansprakelijkheid afgewezen.\n\n4. De vordering en het verweer\n\n4.1.\n\n [eiseres] vordert: 1. een verklaring voor recht dat de huisartsenpraktijk toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar (zorg)verplichtingen uit de geneeskundige behandelingsovereenkomst met haar; 2. veroordeling van de huisartsenpraktijk en de verzekeraar, hoofdelijk, om aan haar te vergoeden alle schade die zij heeft geleden en lijdt als gevolg van het schadeveroorzakende handelen van de huisartsenpraktijk, en 3) veroordeling van beide gedaagden tot betaling van de door [eiseres] gemaakte expertisekosten van € 2.254,23 inclusief btw, 4) de buitengerechtelijke incassokosten van € 925,- en de proceskosten, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten vanaf 11 maart 2025 en over de proceskosten wanneer deze niet zijn betaald binnen veertien dagen na betekening van het eindvonnis, vanaf 14 dagen na datum betekening van dat vonnis.\n\n4.2. Korteland baseert haar vordering tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, op de volgende, zakelijk weergegeven, stellingen. De huisartsenpraktijk is toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen uit de geneeskundige behandelingsovereenkomst. Door de huisarts is niet de vereiste zorg van een goed hulpverlener in acht genomen en hij heeft niet gehandeld in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, die voortvloeit uit de van toepassing zijnde professionele standaard, te weten de Standaard Rood oog en oogtrauma van het Nederlands Huisartsen Genootschap. Bij een oogafwijking zoals bij Korteland moet volgens die richtlijn bij de anamnese worden gevraagd naar alarmsymptomen, anamnestische symptomen die kunnen wijzen op ernstige aandoeningen. Alarmsymptomen volgens die richtlijn zijn, behalve pijn, visusverandering, lichtschuwheid en misselijkheid of braken. Bij aanwezigheid van alarmsymptomen geldt volgens de richtlijn dat vervolgonderzoek moet worden gedaan en dat de patiënt zonodig alsnog moet worden verwezen. Bovendien blijkt uit de richtlijn dat er bij dragers van contactlenzen een verhoogd risico op complicaties bij een conjunctivitis is.. \n\n4.3.. De huisartsenpraktijk en de verzekeraar hebben de vordering gemotiveerd weersproken. Op het gevoerde verweren gaat de rechtbank hierna, waar nodig, nader in.\n\n5 De beoordeling. \n\nhet verlenen van de zorg van een goed hulpverlener\n\n5.1. In artikel 7:453 Burgerlijk Wetboek (BW) wordt bepaald dat de natuurlijke persoon of rechtspersoon, de hulpverlener, die in de uitoefening van een geneeskundig beroep voor een ander, de patiënt, handelingen verricht op het gebied van de geneeskunst, bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht moet nemen. In dit geval oefent de huisarts zijn praktijk uit door middel van een rechtspersoon, de huisartsenpraktijk. Zowel de huisartsenpraktijk als de huisarts zijn als hulpverlener in de zin van de wet te beschouwen. Dit is tussen partijen overigens ook geen discussiepunt.\n\nhet goed hulpverlenerschap wordt nader bepaald door de geldende professionele standaard\n\n5.2.. De hulpverlener moet als goed hulpverlener in de zin van artikel 7:453 BW in overeenstemming handelen met de op hem rustende verantwoordelijkheid die voortvloeit uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard en kwaliteitsstandaarden als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg. Het “in acht nemen van de zorg van een goed hulpverlener” wordt dus onder meer ingevuld door “de voor hulpverleners geldende professionele standaard”. De professionele standaard is het geheel van private normen en regels, medisch wetenschappelijke inzichten en ervaringen dat invulling geeft aan het professioneel handelen van zorgverleners of zorgaanbieders (zie artikel 1 lid 1 Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg).\n\n5.3.. \n\nDe inhoud van de professionele standaard is onder andere vastgelegd in de Standaarden van het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG). Een van die standaarden is de NHG-Standaard “Rood oog en oogtrauma”, versie 2017 (hierna: de NHG-Standaard Rood oog en oogtrauma of de NHG-Standaard). Dat is de standaard zoals deze gold tijde van het handelen van de huisarts. Het handelen van de huisartsenpraktijk en de huisarts dient aan deze professionele standaard te worden getoetst.\n\nde huisarts is in dit geval in het naleven van de geldende professionele standaard tekortgeschoten\n\n5.4. De rechtbank is van oordeel dat de huisarts en daarmee de huisartsenpraktijk in de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst met [eiseres] is tekortgeschoten omdat de huisarts de van toepassing zijnde professionele standaard, de NHG-Standaard Rood oog en oogtrauma, niet, althans in onvoldoende mate, in acht heeft genomen.\n\nwat staat er in de NHG-Standaard “Rood oog en oogtrauma”, voor zover van belang?\n\n5.5.. De inhoud van de professionele standaard is onder andere vastgelegd in de Standaarden van het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG). Een van die standaarden is de NHG-Standaard “Rood oog en oogtrauma”, versie 2017 (hierna: de NHG-Standaard Rood oog en oogtrauma of de NHG-Standaard). Dat is de standaard zoals deze gold tijde van het handelen van de huisarts. Het handelen van de huisartsenpraktijk en de huisarts dient aan deze professionele standaard te worden getoetst.\n\nde huisarts is in dit geval in het naleven van de geldende professionele standaard tekortgeschoten\n\nDe NHG-Standaard Rood oog en oogtrauma geeft aanbevelingen voor de huisarts voor diagnostiek en behandeling van patiënten met een rood oog en oogtrauma en geeft aan hoe de huisarts onderscheid kan maken tussen onschuldige en visusbedreigende aandoeningen. De standaard beveelt huisartsen aan om bij de anamnese van patiënten met oogklachten zonder traumatische oorzaak te vragen naar zogenoemde “alarmsymptomen”. In de standaard worden als alarmsymptomen genoemd: pijn, visusverandering, fotofobie (lichtschuwheid), misselijkheid of braken. De huisarts dient dan alert te zijn op visusbedreigende aandoeningen. Bij aanwezigheid van alarmsymptomen beveelt de NHG-Standaard aan om vervolgonderzoek te verrichten als bij aanwezigheid van alarmsymptomen de verdere anamnese en het lichamelijk onderzoek niet leiden tot een diagnose waarbij (spoed)verwijzing geïndiceerd is. Als ook het vervolgonderzoek niet tot die diagnose leidt, is de aanwezigheid van alarmsymptomen reden om na 1 of 2 dagen te controleren. Bij blijvende aanwezigheid van alarmsymptomen dient de huisarts alert te zijn op een ernstige aandoening. Dit is vrijwel altijd reden om de patiënt te verwijzen.\n\n5.6.. Of de huisarts al dan niet de zorg van een goed hulpverlener in acht heeft genomen moet tegen de achtergrond van de aanbevelingen in de NHG-Standaard worden beoordeeld. Het gaat in dit geval meer specifiek om de vraag of de huisarts [eiseres] op vrijdag(middag) 13 mei 2022 had moeten onderzoeken, controleren en, zo nodig naar het oogziekenhuis had moeten verwijzen, nadat de moeder van [eiseres] de huisartsenpraktijk had gebeld en zich daar in persoon had gemeld om aandacht te vragen voor de situatie van [eiseres] . Deze acties heeft de huisarts achterwege gelaten.\n\nsituatie op vrijdag 13 mei 2022 was zodanig dat [eiseres] veel pijn had\n\n5.7.. In het medisch dossier van [eiseres] bij de huisarts is bij de datum 13 mei 2022 genoteerd dat [eiseres] klaagt over: “nog steeds veel pijn” en “stekende hoofdpijn bij wenkbrauw”.Er moet van worden uitgegaan dat deze pijnklachten door de moeder van [eiseres] aan de huisartsenpraktijk zijn gemeld, toen zij de praktijk in de middag van vrijdag 13 mei 2022 belde of toen zij de huisartsenpraktijk aan het eind van die middag bezocht. De door de huisarts genoemde omstandigheid dat hem deze pijnklachten niet hebben bereikt (wat alleen mogelijk zou zijn als de assistente hem dit niet zou hebben doorgegeven), dient voor rekening van de huisartsenpraktijk te blijven.\n\n5.8.. De huisarts heeft verklaard dat de pijn die [eiseres] bij haar bezoek aan de huisartsenpraktijk op donderdag 12 mei 2022 aan de huisarts aangaf “niet bijzonder” was, maar passend bij een conjunctivitis, die verklaard kon worden door het dragen van contactlenzen door [eiseres] . De huisartsenpraktijk en de verzekeraar betwisten dat [eiseres] op donderdag 12 mei 2022 bij haar bezoek aan de huisartsenpraktijk “alarmsymptomen” in de zin van de NHG-Standaard had. Dit verweer treft geen doel.\n\n5.9.. \n\nAls [eiseres] op donderdag inderdaad nog geen ernstige pijn aan het oog had, volgt uit de hiervoor weergegeven, op vrijdagmiddag door de moeder van [eiseres] aan de huisartsenpraktijk gemelde, pijnklachten dat de huisarts rekening had moeten houden met de mogelijkheid dat de pijn van [eiseres] door de oogontsteking zodanig was toegenomen dat deze (inmiddels wél) als alarmsymptoom in de zin van de NHG-Standaard gekwalificeerd diende te worden. Het verweer dat [eiseres] op donderdag 12 mei 2022 nog niet zulke symptomen had, mist dus relevantie en slaagt daarom niet.\n\nverplichting tot het actief doen van navraag naar (toegenomen) pijn als alarmsymptoom\n\n5.10.. De (kennelijk) toegenomen pijnklachten van [eiseres] hadden voor de huisarts aanleiding moeten zijn om naar de precieze aard en ernst bij haar moeder, of bij [eiseres] zelf, navraag te doen of hiernaar door zijn assistente te laten vragen. Pijn op zichzelf is immers een alarmsymptoom in de zin van de NHG-Standaard, waarnaar door de huisarts actief moet worden gevraagd. Waarom de huisarts de moeder niet nader heeft uitgevraagd over de kennelijk toen toegenomen pijnklachten van [eiseres] is te meer niet goed navolgbaar, nu de huisarts [eiseres] zelf (op donderdag) had geadviseerd contact op te nemen met de huisartsenpraktijk als de situatie erger zou worden, zoals de moeder dus daadwerkelijk op vrijdagmiddag heeft gedaan.\n\nlichtschuwheid als (tweede) alarmsymptoom\n\n5.11.. Dat de huisarts de moeder van [eiseres] actief had moeten uitvragen naar het door haar gemelde alarmsymptoom is ook van belang voor het volgende. Als de huisarts bij de moeder van [eiseres] navraag zou hebben gedaan naar de kennelijk toegenomen pijn van [eiseres] aan en rondom het oog op vrijdag, zoals de huisarts zou hebben moeten doen, zou hem door de moeder zijn meegedeeld dat [eiseres] inmiddels ook geen licht meer kon verdragen. Dat die situatie zich feitelijk voordeed is tussen partijen niet in geschil. Tussen partijen is slechts in geschil of de moeder van [eiseres] dat aan de huisartsassistente heeft gemeld. De moeder van [eiseres] heeft verklaard dit wel te hebben gemeld maar de huisartsenpraktijk heeft betwist dat dit is gezegd. Op zichzelf lijkt het voor de hand te liggen dat de moeder van [eiseres] dit heeft gezegd omdat het een verklaring vormt waarom zij en niet [eiseres] zelf zich bij de huisartsenpraktijk had gemeld: door haar lichtschuwheid verbleef zij in een donker gemaakte kamer en voelde zij zich niet in staat het huis te verlaten. Hoe de vork op dit punt in de steel zit, kan in het midden blijven, omdat buiten twijfel verheven is dat als de huisarts bij de moeder of [eiseres] navraag had gedaan (of laten doen) naar eventuele andere alarmsymptomen dan de gemelde toename van pijn, wat hij op grond van de NHG-Standaard had behoren te doen, de moeder en\u002Fof [eiseres] deze lichtschuwheid zouden hebben gemeld. Lichtschuwheid of fotofobie is, volgens de NHG-Standaard, immers eveneens “een alarmsymptoom” waarnaar door de huisarts actief moet worden gevraagd.\n\nhet niet verrichten van vervolgonderzoek en het niet onderzoeken van de mogelijke noodzaak van verwijzing naar de oogarts is aan te merken als een tekortkoming\n\n5.12.. De aanwezigheid van de alarmsymptomen pijn en lichtschuwheid hadden, zoals hiervoor onder 5.5 aan de orde gekomen, voor de huisarts aanleiding moeten zijn alert te zijn op een visusbedreigende aandoening en die alarmsymptomen hadden voor hem reden moeten zijn om vervolgonderzoek te verrichten, zo is in de NHG-Standaard bepaald. Dit vervolgonderzoek heeft de huisarts evenwel achterwege gelaten. Daardoor heeft hij ook niet kunnen vaststellen of verwijzing van [eiseres] naar de oogarts nodig was.\n\n5.13.. De rechtbank verwerpt het verweer van de huisartsenpraktijk en de verzekeraar dat de huisarts niet te kort is geschoten in de zorg van goed hulpverlener omdat aan [eiseres] is aangeboden dat zij door de huisarts op het spreekuur zou kunnen worden gezien. Dit aanbod doet geen recht aan de alertheid en actieve houding die van een huisarts in de gegeven omstandigheden mocht worden verwacht. Uit het patiëntdossier blijkt niet dat de huisarts die actieve houding heeft ingenomen. Hoewel daarin is genoteerd dat aan [eiseres] is aangeboden “op su” (d.i. spreekuur) te komen, is volgens die aantekening tevens aan [eiseres] meegedeeld dat er voor haar “op dit moment” waarschijnlijk niet meer kon worden gedaan en is haar geadviseerd om het medicament zijn werk te laten doen en om met koude compressen te koelen. Zonder dat blijkt dat navraag is gedaan naar de aanwezigheid van de alarmsymptomen pijn en lichtschuwheid is dat onvoldoende.\n\n5.14.. De rechtbank bereikt op grond van het voorgaande de conclusie dat de huisarts door (i) geen actieve navraag te doen naar de op vrijdag 13 mei 2022 gemelde toegenomen pijnbeleving van [eiseres] , (ii) niet te vragen naar eventuele andere alarmsymptomen, (iii) vervolgens geen vervolgonderzoek te doen, waardoor (iv) hij niet heeft onderzocht of [eiseres] gezien haar toestand naar de oogarts had moeten worden verwezen, niet de zorg heeft verleend die van een goed hulpverlener mag worden verlangd. Daarmee staat vast dat de huisartsenpraktijk in de nakoming van de verplichtingen uit de met [eiseres] gesloten geneeskundige behandelingsovereenkomst tekort is geschoten.\n\naansprakelijkheid; toewijzing van de onder 1 gevorderde verklaring voor recht\n\n5.15.. De hiervoor vastgestelde tekortkoming leidt ertoe dat de huisartsenpraktijk aansprakelijk is voor de schade die [eiseres] heeft geleden, lijdt en zal lijden als gevolg van die tekortkoming. Dat de tekortkoming niet aan de huisartsenpraktijk toerekenbaar zou zijn (artikel 6:75 BW) is niet aangevoerd, zodat daarop niet behoeft te worden ingegaan. De onder 1 gevorderde verklaring voor recht dat de huisartsenpraktijk toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar (zorg)verplichtingen uit de geneeskundige behandelingsovereenkomst met [eiseres] , is derhalve toewijsbaar.\n\ntoewijzing van de onder 2 gevorderde schadevergoeding\n\n5.16.. \n [eiseres] vordert onder 2, geheel in het algemeen, “vergoeding van alle schade die zij heeft geleden en lijdt als gevolg van het schadeveroorzakende handelen van de huisartsenpraktijk”. Dat betekent dat zij schadevergoeding verlangt voor zover sprake is van causaal verband tussen de aan de huisarts verweten tekortkoming en haar schade. Of dat verband er is, wordt door de huisartsenpraktijk en de verzekeraar betwist, althans als onzeker bestempeld.\n\n5.17.. Dit verweer leidt echter niet tot de conclusie dat de vordering niet toewijsbaar zou zijn. Bij een vordering tot schadevergoeding als deze, waarbij nog geen concrete schadeposten worden gevorderd, is immers voldoende als de mogelijkheid van schade aannemelijk is geworden, zoals het vaste criterium is bij vorderingen tot vergoeding van schade op te maken bij staat. Uit het feit dat het zicht in het linkeroog nog maar 15% is en dat in elk geval in de toekomst een of meerdere malen operatief moet worden ingegrepen ( [eiseres] heeft dat onweersproken gesteld) blijkt in voldoende mate van door haar geleden en nog te lijden concrete schade.\n\n5.18.. Voor zover het verweer van de huisartsenpraktijk en de verzekeraar inhoudt dat de schade van [eiseres] niet het gevolg is van handelen van de huisarts, maar van de ontsteking, gaat dit verweer niet op. Het gaat in deze zaak niet om de vaststelling van de medische oorzaak van het oogletsel van [eiseres] , maar om de vraag of de schade van [eiseres] zou zijn ingetreden als van een tekortkoming van de huisarts(enpraktijk) geen sprake zou zijn geweest.\n\n5.19.. De rechtbank is, met betrekking tot die laatstgenoemde vraag, van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat [eiseres] niet in dezelfde mate oogletsel en\u002Fof andere schade zou hebben geleden indien de huisarts de moeder of [eiseres] zelf op vrijdag 13 mei 2022 naar aanleiding van de meldingen van de moeder van [eiseres] naar het bestaan van verdere mogelijke alarmsymptomen zou hebben uitgevraagd. De huisarts zou dan hebben vernomen dat [eiseres] over (inmiddels) veel pijn klaagde (terwijl haar pijn de dag daarvoor als “niet bijzonder” kon worden gekwalificeerd) maar inmiddels ook leed aan lichtschuwheid , zoals hiervoor overwogen. De huisarts had dan ook een vervolgonderzoek verricht, zoals hij had behoren te verrichten en waarvan aannemelijk is dat hij dat zou doen. Uit de NHG-Standaard volgt dat de huisarts de patiënt met alarmsymptomen naar de oogarts dient te verwijzen als bij (herhaalde) controle blijkt dat alarmsymptomen aanhouden of verergeren. De NHG-Standaard bepaalt expliciet dat bij verergering van klachten, alarmsymptomen of tekenen van infectie, onvolledig herstel na 2 dagen, de patiënt dezelfde dagnaar de oogarts wordt verwezen. Voorts wordt over contactlensdragers opgemerkt dat “al na 1 dag bij geen verbetering” verwijzing diezelfde dag moet plaatsvinden. Zoals hiervoor overwogen, waren de pijnklachten van [eiseres] toegenomen, zoals uit het eigen standpunt van de huisarts in combinatie met de aantekeningen in het patiëntdossier volgt, en was [eiseres] bovendien een contactlensdrager. Het ligt daarom in de lijn der verwachting, althans is voldoende aannemelijk, dat de huisarts [eiseres] nog op vrijdag naar de oogarts zou hebben verwezen. Daarmee zou een tijdwinst van om en nabij 24 uur zijn behaald. Mede nu niet in geschil is dat de ooginfectie van [eiseres] met de pseudomonasbacterie een agressief verloop kan hebben, is voldoende aannemelijk dat [eiseres] bij eerdere opname in het ziekenhuis niet hetzelfde ernstige oogletsel zou hebben opgelopen zoals zij nu heeft gekregen.\n\n5.20.. Voor zover de huisartsenpraktijk en de verzekeraar hebben willen betogen dat niet zeker is of [eiseres] door de huisarts op vrijdag naar de oogarts zou zijn verwezen omdat niet duidelijk is of haar klachten daarvoor op dat moment voldoende ernstig waren, wordt dat verweer op grond van voorgaande overwegingen verworpen. Overigens geldt dat als het door de huisarts uit te voeren vervolgonderzoek, wat hij dus niet heeft verricht maar wel had behoren te verrichten, niet al direct tot de conclusie had gevoerd dat verwijzing van [eiseres] naar de oogarts geïndiceerd was, de huisarts ingevolge het door de NHG-Standaard voorgeschreven controlebeleid [eiseres] had moeten blijven monitoren. In dat geval zou [eiseres] niet pas na de constatering door de toen door [eiseres] geraadpleegde andere huisarts van haar ernstige afwijkingen in het oog op zaterdagmiddag, maar eerder, naar het oogziekenhuis zijn verwezen en daar zijn opgenomen omdat niet aannemelijk is dat de huisarts de ontsteking in het oog van [eiseres] zo ver op zijn beloop zou hebben gelaten. Dat dit anders zou zijn, is door de huisartsenpraktijk en de verzekeraar niet gesteld, maar ook niet onderbouwd, zodat als zij dat zouden hebben willen betwisten, daaraan voorbij wordt gegaan. Die onderbouwing van die betwisting had van hen mogen worden verlangd, omdat kan worden vastgesteld dat de onzekerheid of de huisarts eerder zou hebben verwezen door de huisarts zelf in het leven is geroepen door geen vervolgonderzoek te verrichten. Het is daarom gerechtvaardigd van de huisartsenpraktijk en de verzekeraar te verlangen dat zij die onderbouwing zouden hebben verschaft.\n\n‘eigen schuld’ (artikel 6:101 BW) niet aan de orde\n\n5.21.. De huisartsenpraktijk en de verzekeraar voeren het verweer dat de schade van [eiseres] op grond van artikel 6:101 BW aan [eiseres] zelf moet worden toegerekend. Voor dit verweer geldt dat op hen ter zake de stelplicht en de bewijslast rusten. De huisartsenpraktijk en de verzekeraar voeren voor hun verweer aan dat [eiseres] zelf de keuze heeft gemaakt om niet in te gaan op het gestelde aanbod op vrijdagmiddag 13 mei 2022 om naar het spreekuur van de huisarts te komen en zich door de huisarts te laten beoordelen. Dit verweer treft geen doel.\n\n5.22.. In het licht van het tekortschieten van de huisarts kan aan [eiseres] , als al zou vaststaan dat haar voldoende duidelijk is gemaakt dat zij die vrijdagmiddag nog bij de huisarts in consult kon komen, die omstandigheid niet worden toegerekend. De huisarts heeft haar immers niet op de noodzaak van een consult gewezen, maar haar, integendeel, te verstaan gegeven dat een bezoek aan het spreekuur waarschijnlijk toch niet veel zou opleveren en het advies gegeven het medicijn zijn werk te laten doen en te koelen met compressen. In elk geval dient op grond hiervan de omstandigheid dat [eiseres] niet op de mogelijkheid om de huisarts te bezoeken is ingegaan, op grond van billijkheid niet tot vermindering van de vergoedingsplicht van de huisartsenpraktijk en de verzekeraar jegens [eiseres] te leiden.\n\n5.23.. Uit wat hiervoor onder 5.16 tot en met 5.22 is overwogen volgt dat de vordering tot vergoeding van schade tegen de huisartsenpraktijk toewijsbaar is.\n\ndirecte actie: de verzekeraar wordt mede veroordeeld (artikel 7:954 BW)\n\n5.24.. Artikel 7:954 BW bepaalt dat wanneer in geval van een verzekering tegen aansprakelijkheid aan de verzekeraar op grond van artikel 7:941 BW de verwezenlijking van het risico is gemeld, de benadeelde kan verlangen, dat indien de verzekeraar een uitkering verschuldigd is, het bedrag dat de verzekerde daarvan ter zake van de schade van de benadeelde door dood of letsel te vorderen heeft, aan hem wordt betaald. Op grond van deze bepaling is ook de vordering tot schadevergoeding tegen de verzekeraar toewijsbaar.\n\nde expertisekosten van € 2.254,23 zijn toewijsbaar\n\n5.25.. Deze kosten zijn inhoudelijk niet betwist, maar slechts bestreden met een verwijzing naar het verweer dat de vordering tot schadevergoeding moet worden afgewezen. Ook deze vordering is daarom toewijsbaar.\n\nbuitengerechtelijke incassokosten van € 925,- zijn toewijsbaar met wettelijke rente\n\n5.26.. Deze vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank stelt vast dat [eiseres] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht en wijst deze kosten toe, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 maart 2025. hoofdelijke veroordeling wordt niet toegewezen5.27. De gevorderde hoofdelijke veroordeling van de huisartsenpraktijk en de verzekeraar kan niet worden toegewezen. De verzekeraar is door de mogelijkheid van directe actie geen debiteur van [eiseres] geworden. Hoofdelijke verbondenheid (artikel 6.6 BW e.v.) is dan ook niet aan de orde, ook al kan [eiseres] wel van de verzekeraar rechtstreeks betaling aan haar verlangen. Zij heeft de keuze om ofwel de verzekerde, de huisartsenpraktijk, ofwel de verzekeraar, ofwel beiden tot betaling aan te spreken, in dat laatste geval “des dat betaling door de een de ander bevrijdt”. Aldus zal de rechtbank de vordering tot schadevergoeding toewijzen.\n\nuitvoerbaarheid bij voorraad5.28. De verklaring voor recht kan als declaratoire beslissing niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Bij uitvoerbaarverklaring van de vordering tot betaling van schadevergoeding, zonder dat concrete schade wordt gevorderd, heeft [eiseres] onvoldoende belang, zodat ook ten aanzien die vordering geen uitvoerbaar bij voorraad verklaring zal worden uitgesproken. Voor het overige geldt dat de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad op de wet is gebaseerd en door de huisarts en de verzekeraar niet is weersproken. Daarom zal het vonnis voor het overige uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.\n\nproceskosten\n\n5.29.. De huisartsenpraktijk en de verzekeraar worden in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten dragen. De rechtbank begroot die kosten aan de zijde van [eiseres] op € 148,04 aan dagvaardingskosten, € 1.374,- aan griffierecht en € 1.306,- (2 punten à € 653,-) aan salaris voor de advocaat, en veroordeelt de huisartsenpraktijk en de verzekeraar tot betaling van de wettelijke rente over deze proceskosten, wanneer deze niet zijn betaald binnen veertien dagen na betekening van het vonnis. In totaal bedragen de proceskosten € 2.828,04.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n6.1.. verklaart voor recht dat de huisartsenpraktijk toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar (zorg)verplichtingen uit de geneeskundige behandelingsovereenkomst met [eiseres] ;\n\n6.2.. veroordeelt de huisartsenpraktijk en de verzekeraar tot vergoeding van alle schade die [eiseres] heeft geleden en lijdt, voor zover die schade het gevolg is van de toerekenbare tekortkoming van de huisartsenpraktijk;\n\n6.3.. veroordeelt de huisartsenpraktijk en de verzekeraar, aldus dat als de een betaalt, de ander in zoverre zal zijn bevrijd, tot betaling van € 2.254,23 aan expertisekosten;\n\n6.4.. veroordeelt de huisartsenpraktijk en de verzekeraar, aldus dat als de een betaalt, de ander in zoverre zal zijn bevrijd, tot betaling van € 925,- aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 maart 2025 tot de dag van volledige betaling;\n\n6.5.. veroordeelt de huisartsenpraktijk en de verzekeraar, aldus dat als de een betaalt, de ander in zoverre zal zijn bevrijd, in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € 2.828,04;\n\n6.6.. verklaart de veroordelingen onder 6.3 tot en met 6.5 uitvoerbaar bij voorraad;\n\n6.7.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\n Dit vonnis is gewezen door mr. J.E. Molenaar. Het is door de rolrechter ondertekend en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.\n\n2632\u002F 3152","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:3552","2026-07-13T00:28:55.445Z",{"id":189,"ecli":190,"slug":191,"caseNumber":43,"courtId":192,"decisionDate":193,"fullText":194,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":195,"sourceTimestamp":196,"parsedAt":51,"updatedAt":197},"927","ECLI:NL:RBOBR:2026:2000","ecli-nl-rbobr-2026-2000",72,"2026-03-26T00:00:00.000Z","RECHTBANK Oost-Brabant\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats 's-Hertogenbosch\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F01\u002F417806 \u002F EX RK 25-105\n\nBeschikking van 26 maart 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeksters],\n\nte [plaats] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoeksters] ,\n\nadvocaat: mr. F. Sobczak,\n\ntegen\n\n1. STICHTING MÁXIMA MEDISCH CENTRUM,\n\nte Veldhoven, 2. ONDERLINGE WAARBORGMAATSCHAPPIJ VOOR INSTELLINGEN IN DE GEZONDHEIDSZORG MEDIRISK B.A.,\n\nte Utrecht,\n\nverwerende partijen,\n\nhierna respectievelijk te noemen: MMC en MediRisk,\n\nadvocaat: mr. M. van Gool.\n\n1. De zaak in het kort\n\n1.1.. \n [verzoeksters] , destijds in opleiding tot chirurg, is door medisch onzorgvuldig handelen ongewenst zwanger geraakt. Zij bepleit dat zij als gevolg daarvan haar opleiding tot chirurg niet heeft kunnen afronden. De rechtbank oordeelt dat dat niet vastgesteld kan worden, maar dat zij wel een kans heeft verloren die opleiding met succes af te ronden.\n\n2. procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift met 9 producties\n\n- het verweerschrift\n\n- de brief van MMC en MediRisk van 21 november 2025 met 1 productie\n\n2.2.. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 november 2025. De advocaten van partijen hebben daar spreekaantekeningen overgelegd en voorgelezen. Van wat er overigens aan de orde is geweest heeft de griffier aantekeningen gemaakt.\n\n2.3.. De beschikking, die aanvankelijk was bepaald op 29 januari 2026, is na verlenging bepaald op vandaag.\n\n3. De feiten\n\nAansprakelijkstelling wegens wrongful birth\n\n3.1.. \n [verzoeksters] heeft op 16 mei 2014 een spiraal laten plaatsen in het MMC. Bij een nacontrole is de ligging van de spiraal gemanipuleerd. [verzoeksters] is vervolgens zwanger geraakt en op [datum] 2016 bevallen van haar derde kind.\n\n3.2.. \n [verzoeksters] heeft het MMC en MediRisk aansprakelijk gesteld wegens onzorgvuldig handelen. Na een medische expertise hebben MMC en MediRisk op 16 november 2020 aansprakelijkheid erkend en aangegeven bereid te zijn de schade die voortvloeit uit het onzorgvuldig handelen te vergoeden. Het lukt partijen niet de schade vast te stellen, onder andere omdat zij het er niet over eens zijn welke gevolgen de derde zwangerschap heeft gehad op het carrièreverloop van [verzoeksters] .\n\nHet feitelijke carrièreverloop van [verzoeksters]\n\n3.3.. Na afronding van haar studie geneeskunde heeft [verzoeksters] van september 2007 tot medio 2009 gewerkt als arts niet in opleiding tot specialist (ANIOS) op de afdeling chirurgie in het VieCuri Medisch Centrum in Venlo (hierna: VieCuri).\n\n3.4.. Per 1 juli 2009 is [verzoeksters] gestart met de opleiding heelkunde in het MUMC+ in Maastricht, waar zij werd ingezet op de Intensive Care en de Spoedeisende Hulp. Vanaf januari 2010 heeft zij haar opleiding voortgezet in het VieCuri, waar zij als arts in opleiding tot specialist (AIOS) werkte op de afdeling chirurgie, met als opleider dr. [A] . De opleiding werd in die tijd onderbroken door een periode van ziekte van [verzoeksters] wegens een burn-out (waarna re-integratie) en door een periode van zwangerschaps- en bevallingsverlof in verband met de komst van haar eerste kind op [geboortedatum 1] 2011. [verzoeksters] ontving in het VieCuri extra begeleiding en coaching en er vonden meerdere voortgangsgesprekken plaats. In juni 2012 is besloten dat [verzoeksters] niet geschikt was voor de opleiding tot chirurg en is de opleiding beëindigd.\n\n3.5.. \n [verzoeksters] was het met dat besluit niet eens en wilde een herkansing. Besloten is toen dat zij een extern beoordelingstraject van enkele maanden zou volgen bij het MMC in Veldhoven. Zij is toen zes maanden intensief gevolgd na ommekomst waarvan zij haar opleiding in het MMC kon voortzetten.\n\n3.6.. \n [verzoeksters] heeft zodoende van juli 2012 tot half januari 2015 als AIOS chirurgie in het MMC gewerkt. Haar opleiding werd in die tijd onderbroken door een periode van zwangerschaps- en bevallingsverlof in verband met de komst van haar tweede kind op [geboortedatum 2] 2014.\n\n3.7.. Per februari 2015 zou [verzoeksters] haar opleiding vervolgen in het MUMC+, maar de beoordelend opleider van [verzoeksters] in het MMC, dr. [B] , heeft op 12 januari 2015 besloten de opleiding tot chirurg van [verzoeksters] te beëindigen omdat zij niet geschikt werd geacht voor het beroep chirurg.\n\n3.8.. \n [verzoeksters] was het ook toen niet eens met de beëindiging van haar opleiding en heeft zich gewend tot de KNMG Geschillencommissie (hierna: de Geschillencommissie).\n\n3.9.. \n [verzoeksters] , die zich in januari 2015 ziek had gemeld, is in juli 2015 in het kader van re-integratie weer (deels) aan het werk gegaan bij het MUMC+ . Zij was daar niet langer in opleiding maar verrichtte daar werkzaamheden als ANIOS op de afdeling chirurgie.\n\n3.10.. De Geschillencommissie oordeelde op 1 september 2015 dat [verzoeksters] in de gelegenheid moest worden gesteld de opleiding voort te zetten. Dit moest dan wel in een ander ziekenhuis dan het MMC gebeuren, waarbij gestart moest worden met een zes maanden durend Geïntensiveerd Begeleidings Traject (GBT), waarna de geschiktheid van [verzoeksters] voor de opleiding opnieuw moest worden beoordeeld.\n\n3.11.. In november 2015 heeft [verzoeksters] samen met haar opleider prof. [C] een plan van aanpak gemaakt voor een GBT van 6 maanden in het MUMC+, waarmee ze haar opleiding zou voortzetten. Dat traject zou starten wanneer [verzoeksters] hersteld zou zijn van een knie-operatie die zij onderging in oktober 2015. De verwachting was dat de start in januari 2016 zou zijn. Half december 2015 werd echter de partner van [verzoeksters] langdurig ziek, waardoor zij een aantal maanden zorgverlof moest opnemen om voor haar gezin te zorgen en niet met het GBT kon starten. In die periode speelden ook een verhuizing en verbouwing. Vervolgens bleek [verzoeksters] ongepland zwanger van haar derde kind, met de daarbij komende stress, controles en een operatie in juni 2016 om de (in de buikholte geïnfiltreerde) spiraal te verwijderen. Ook in die tijd achtte [verzoeksters] zich niet in staat om het GBT te starten. Zij heeft vanaf oktober 2015 geen werkzaamheden meer verricht.\n\n3.12.. In september 2016 gaf prof. [C] van het MUMC+ in voortgangsgesprekken met [verzoeksters] aan dat hij haar niet meer opleidbaar achtte. [C] gaf aan zeer bezorgd te zijn over de toekomst van [verzoeksters] als aankomend chirurg, en baseerde dat op het verleden (met tweemaal een beoordelingstraject), het functioneren in het MUMC+ toen zij daar nog klinisch actief was, en de duur van de arbeidsongeschiktheid tot dat moment, wat met inbegrip van het aankomende zwangerschapsverlof zou leiden tot een onderbreking van de opleiding van ruim twee jaar. [C] achtte [verzoeksters] hierdoor niet meer opleidbaar tot chirurg.\n\n3.13.. Op [datum] 2016 is [verzoeksters] bevallen van haar derde kind.\n\n3.14.. In februari 2017 vonden nog twee evaluatiegesprekken plaats, waarbij [verzoeksters] heeft aangegeven zich neer te leggen bij het besluit om haar opleiding te beëindigen.\n\n3.15.. Op 1 april 2017 is de opleiding formeel beëindigd.\n\n3.16.. Per 1 mei 2017 is [verzoeksters] gaan werken in de functie van praktijkarts bij Veiligheidsregio Limburg-Noord voor 24 uur per week.\n\n3.17.. Op verzoek van [verzoeksters] zijn voorafgaande aan de deelschilprocedure een viertal getuigen gehoord, te weten: [verzoeksters] zelf, de voormalige opleider prof. [C] , en twee voormalige collega’s [D] en [E] . In tegenverhoor zijn gehoord de voormalige opleiders [A] en [B] .\n\n4. Het verzoek en het verweer\n\n4.1.. \n [verzoeksters] verzoekt de rechtbank te beslissen in deelgeschil in de zin van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv), in die zin dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nvoor recht verklaart dat [verzoeksters] in de situatie zonder onzorgvuldig medisch handelen de opleiding tot chirurg met succes zou hebben afgerond, dan wel subsidiair [verzoeksters] door het medisch onzorgvuldig handelen een kans heeft verloren om de opleiding tot chirurg met succes af te ronden en deze kans te schatten in de vorm van een percentage;\n\nde door [verzoeksters] van 31 oktober 2017 tot en met 14 februari 2025 gemaakte buitengerechtelijke kosten vaststelt op € 47.189,78 inclusief btw en verschotten, en bepaalt dat MediRisk op grond van artikel 7:954 lid 1 BW gehouden is dit bedrag rechtstreeks aan [verzoeksters] te voldoen met aftrek van de door MediRisk ten aanzien van deze buitengerechtelijke kosten gedane betalingen;\n\nde door [verzoeksters] gemaakte kosten voor de behandeling van het door haar ingediende verzoek tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor vaststelt op € 33.094,14 inclusief btw, griffierechten (€ 314,-) en taxe van de door haar opgeroepen getuigen (€ 1.530,68), en bepaalt dat MediRisk op grond van artikel 7:954 lid 1 BW gehouden is dit bedrag rechtstreeks aan [verzoeksters] te voldoen met aftrek van de door MediRisk ten aanzien van deze kosten gedane betalingen;\n\ne kosten als bedoeld in artikel 1019aa, lid 1 RV begroot op € 11.255,45 inclusief btw en griffierecht (€ 311,-), zoals in randnummer 99 van het verzoekschrift gespecificeerd, en bepaalt dat MediRisk op grond van artikel 7:954 lid 1 BW gehouden is dit bedrag rechtstreeks aan [verzoeksters] te voldoen.\n\n4.2.. \n\nAan het verzoek heeft [verzoeksters] het volgende ten grondslag gelegd. Zij stelt dat zij zonder de ongewenste zwangerschap het GBT op 1 mei 2016 had kunnen starten en ongecompliceerd zou hebben kunnen volbrengen en vervolgens de opleiding tot chirurg met succes zou hebben afgerond. Weliswaar waren de eindbeoordelingen in het VieCuri in 2012 en in het MMC in 2015 negatief, maar bij die beoordelingen is onvoldoende rekening gehouden met haar (eerste twee) zwangerschappen. Uit de beoordelingsportfolio blijkt dat de tussentijdse beoordelingen overwegend positief waren, maar dat de beoordelingen tijdens en na de zwangerschappen kritischer waren. Er werd geen of onvoldoende rekening gehouden met het moeizame verloop van de zwangerschappen, de invloed van de ontzwangeringsfase en in het algemeen met de verminderde belastbaarheid tijdens en na de zwangerschap. Zonder de ongewenste (derde) zwangerschap zou zij in optimale omstandigheden zijn begonnen met het GBT en dit met succes hebben doorlopen.\n\nWaar er kritiek was op haar functioneren is zij onvoldoende in de gelegenheid gesteld haar functioneren te verbeteren. Haar werd in het VieCuri en het MMC geen intensieve begeleiding geboden. Zij stelt dat met het voorgenomen GBT-traject in het MUMC+ haar functioneren aanzienlijk zou hebben kunnen verbeteren waartoe zij zeer gemotiveerd was. [verzoeksters] wijst tot slot op de positieve beoordelingen over de periode van augustus tot en met september 2015 (toen zij klinisch actief was in MUMC+ in het kader van re-integratie en vooruitlopend op de start van het GBT). Er waren verbeterpunten maar daaruit blijkt niet dat zij niet geschikt zou zijn om de opleiding tot chirurg te kunnen afronden. Zij wijst erop dat zij in die periode onder grote druk stond om goed te presteren. Aan het door haar te leveren bewijs mogen geen strenge eisen worden gesteld, nu het de aansprakelijke partij is die aan haar de mogelijkheid heeft ontnomen om zekerheid te verschaffen omtrent hetgeen in de hypothetische situatie zou zijn geschied, aldus [verzoeksters] . Hoe dan ook heeft [verzoeksters] door het medisch onzorgvuldig handelen een kans verloren om de opleiding tot chirurg met succes af te ronden.\n\n4.3.. MMC en MediRisk verzetten zich tegen toewijzing van het verzoek en voeren daartoe onder meer het volgende aan. Zij betwisten het causaal verband tussen de derde zwangerschap en het niet afronden van de opleiding tot chirurg. Zij stellen dat andere factoren, zoals de eerdere beoordelingen van het functioneren en eerdere trajecten bepalend zijn geweest voor het staken van de opleiding. Zij wijzen op de getuigenverklaringen van de drie opleiders van [verzoeksters] die ieder hebben verklaard dat zij ongeschikt werd geacht om de opleiding tot chirurg voort te zetten en dat zij geen vertrouwen hadden in een succesvolle afronding van haar opleiding. Daarbij speelde ook een rol dat [verzoeksters] , toen de beëindiging van de opleiding in het MUMC+ werd besproken (voor het eerst in september 2016) al anderhalf jaar niet meer klinisch actief was.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. \n [verzoeksters] heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv. In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen.\n\n5.2.. De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van dood of letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de rechtbank eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv).\n\n5.3.. In dit geval verschillen partijen – kort gezegd – van mening over het causaal verband tussen het medisch onzorgvuldig handelen en het niet afronden van de opleiding tot chirurg. Met een oordeel hierover kan de ontstane impasse tussen partijen worden doorbroken en kunnen de onderhandelingen in principe worden voortgezet. Dit betekent dat de rechtbank het verzoek inhoudelijk zal bespreken. Het is evident dat de voorgelegde vraag een deel van het geschil tussen partijen betreft.\n\n5.4.. De rechtbank komt tot het oordeel dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om tot het oordeel te kunnen komen dat [verzoeksters] zonder het onzorgvuldig medisch handelen, dus zonder de ongewenste derde zwangerschap, de opleiding tot chirurg (zonder meer) met succes zou hebben doorlopen. Het is niet uitgesloten dat de opleiding alsnog met succes zou zijn afgerond, maar er zijn meerdere factoren die aan het succesvol afronden in de weg hadden kunnen staan, ook in het geval er van een derde zwangerschap geen sprake zou zijn geweest. De rechtbank komt tot dit oordeel op grond van het navolgende.\n\n5.5.. De twee eerdere beoordelingstrajecten in het VieCurie en in het MMC waren verre van vlekkeloos verlopen. Er waren op cruciale momenten meerdere punten van kritiek, zowel bij tussentijdse beoordelingen als bij eindbeoordelingen. Er wordt gewezen op gebrekkige communicatie, het niet uit elkaar houden van hoofd- en bijzaken, het niet openstaan voor kritiek, gebrek aan leerbaarheid, onvoldoende tempo en gebrek aan zelfvertrouwen, en ook in techniek liep zij geregeld achter (zoals onder meer blijkt uit het als prod. 5 overgelegde portfolio en de uitspraak van de Geschillencommissie van 1 september 2015, zoals gevoegd bij prod. 2).\n\n5.6.. \n\nOver de opleidingsperiode in het VieCurie verklaart opleider [A] onder meer: “(…) Het centrale punt was bij haar vooral leerbaarheid. Zij kon moeilijk omgaan met kritiek. Ze deed daar ook niet veel mee. Zij was wel eager om zaken te doen en dan bedoel ik met name chirurgisch handelen ook als ze er nog niet klaar voor was. Ze wilde wel, maar was daar nog niet klaar voor. (…) Het is voor een arts in opleiding de bedoeling dat deze in het portfolio feedback verzamelt. [verzoeksters] deed dat beperkt. Te weinig en had problemen met de feedback die ze kreeg. (…)\n\nU vraagt mij om aan te geven wat ik precies bedoel met de onvoldoende groei die [verzoeksters] had doorgemaakt. Er was een vertrouwensbreuk ontstaan. Vakgroep leden hadden geen vertrouwen in het werk van [verzoeksters] . Er waren patiënt gebonden problemen en chirurgen lieten haar geen chirurgische handelingen verrichten die zij normaalgesproken qua anciënniteit had moeten kunnen verrichten. Haar leercurve liep achter. (…) De assistentengroep stond volmodig achter het besluit zoals dat in juni 2012 is genomen. (…)”\n\n5.7.. \n\nOver de opleidingsperiode in het MMC verklaart [B] onder meer:\n\n“(…) Ten aanzien van die competenties ging het met betrekking tot haar in 2013 grosso modo over communicatie, patiënt vriendelijkheid, besluitvaardigheid, werken in teamverband, operatieve vaardigheden en zelfinzicht. (…) In 2014 na terugkeer van haar zwangerschapsverlof waarbij geen verbeteringen in de competenties werd geconstateerd was de inzet van collega [F] en mij om [verzoeksters] ervan te overtuigen dat zij geen goede route volgde en dat zij dit zelf ook zou gaan inzien. (…) Ik heb toen(december 2014, rb)bij alle leden van de maatschap rondvraag gedaan en hen gevraagd of zij [verzoeksters] geschikt of ongeschikt achtte voor de opleiding chirurgie. Unaniem is toen binnen de maatschap besloten dat zij ongeschikt was. (…)”\n\n5.8.. Mogelijk heeft het verloop van haar twee zwangerschappen [verzoeksters] in de opleiding parten gespeeld. Zoals [B] als getuige verklaart: “Ik zeg u dat de onderbreking door een zwangerschapverlof daar geen goed aan doet. Het ging met horten en stoten want je moet na terugkeer alles weer oppakken.”[verzoeksters] heeft evenwel te weinig aangevoerd om te kunnen concluderen dat zij op de zwangerschappen ten onrechte is “afgerekend’ zoals zij lijkt te willen stellen. Ook ontbreken (medische) gegevens van [verzoeksters] op grond waarvan geoordeeld zou kunnen worden dat het mindere functioneren uitsluitend in en na de perioden van zwangerschap en als gevolg daarvan aan de orde was en dat zonder zwangerschap de hierboven aangehaalde kritiek niet aan de orde was.\n\n5.9.. De rechtbank stelt vast dat er in beide opleidingstrajecten wel degelijk sprake is geweest van intensieve begeleiding. Bij het VieCuri met name na de burn-out waarbij ook een coach is ingeschakeld. In het MMC met name in de eerste zes maanden. Aan [verzoeksters] kan worden toegegeven dat het geen officieel GBT betrof, maar ook [verzoeksters] betwist niet dat opleider [G] haar toen intensief heeft begeleid. Dat leidde ertoe dat zij vervolgens haar opleiding kon voortzetten, maar uiteindelijk ontstond er toch weer kritiek op haar functioneren.\n\n5.10.. De Geschillencommissie heeft op 1 september 2015 geoordeeld dat gelet op door de opleider gesignaleerde tekortkomingen in het functioneren van [verzoeksters] het op de weg van de opleider had gelegen haar intensiever te begeleiden, zodat zij haar functioneren kon verbeteren. Omdat daarvan niet of onvoldoende was gebleken heeft de commissie geoordeeld dat [verzoeksters] onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om haar functioneren te verbeteren en dat zij die gelegenheid alsnog moest krijgen in de vorm van een zes maanden durend geïntensiveerd begeleidingstraject (GBT), waarna opnieuw een geschiktheidoordeel zou plaatsvinden.\n\n5.11.. Uit het Plan van aanpak dat voor het GBT in november 2015 is opgesteld door opleider [C] en [verzoeksters] (onderdeel van prod. 2) blijkt dat als aandachtspunten voor dat traject nagenoeg alle competenties aan de orde waren (medisch handelen, communicatie, samenwerking, kennis en wetenschap, organisatie en professionaliteit). Met name werden als aandachtspunt genoemd de handvaardigheid (die eerder als onder de maat werd beoordeeld), het onderscheid van hoofd- en bijzaken, zien van het totale beeld van de patiënt en het maken van beleid (wat eerder punten van kritiek waren), communicatie met collega’s, tevens interdisciplinair, voldoende kennis van de pathologie van de patiënt, zich uitend in blijk geven van voldoende onderscheid van hoofd- en bijzaken, het stellen van prioriteiten, goede afstemming van werk-privébalans om als persoon goed te kunnen blijven functioneren en uitstralen van zelfverzekerdheid en van actieve betrokkenheid, niet te afwachtend zijn en stressbestendigheid.\n\n5.12.. \n\nGelet hierop constateert de rechtbank dat [verzoeksters] een zwaar traject stond te wachten waarbij haar functioneren onder een vergrootglas zou liggen. Het is niet uitgesloten dat zij erin geslaagd zou zijn de punten van kritiek te overwinnen, maar niet kan gezegd worden dat enkel de ongewenste zwangerschap aan het welslagen in de weg heeft gestaan. Ook zonder die zwangerschap had [verzoeksters] nog heel wat te overwinnen alvorens zij na het intensieve beoordelingstraject in de gelegenheid zou zijn gesteld de opleiding voort te zetten. Daarbij komt dat [verzoeksters] bij de start van het GBT op 1 mei 2016 (zoals door haar voorzien in verband met privéperikelen) gedurende een periode van een jaar en vier maanden nauwelijks werkzaamheden als chirurg had uitgevoerd (afgezien van de parttime verrichtingen in augustus en september 2015 in het MMUC+ als anios).\n\nDaarbij kan niet onvermeld blijven dat de privésituatie van [verzoeksters] kwetsbaar was (reeds twee kleine kinderen, ziekteperiode partner) en zij haar prioriteit niet telkens bij de opleiding leek te leggen (verhuizing en verbouwing in de periode dat zij met het GBT had moeten beginnen).\n\n5.13.. Al met al concludeert de rechtbank dat niet vastgesteld kan worden dat [verzoeksters] zonder het onzorgvuldig medisch handelen, dus zonder de ongewenste derde zwangerschap de opleiding tot chirurg met succes zou hebben doorlopen\n\n5.14.. De rechtbank komt wel tot het oordeel dat door het medisch onzorgvuldig handelen voor [verzoeksters] een kans verloren is gegaan om de opleiding tot chirurg met succes af te ronden. De ongewenste zwangerschap als gevolg van het onzorgvuldig medisch handelen kwam op een uiterst ongelukkig tijdstip. [verzoeksters] heeft daardoor niet meer kunnen laten zien dat zij in staat was geweest de kritiek te overwinnen en zich de competenties alsnog meer eigen te maken. Bij het besluit van opleider [C] om de opleiding te beëindigen en het GBT niet na de zwangerschap alsnog te starten, speelde de zwangerschap wel degelijk een rol. Een van de redenen was immers dat [verzoeksters] na de zwangerschap en het zwangerschapsverlof gedurende een periode van circa twee jaar niet in opleiding zou zijn geweest. Hiervoor is aan de orde gekomen dat er behoorlijk wat fundamentele kritiekpunten waren, maar uiteraard is er ook het een en ander goed gegaan, zoals ook blijkt uit het opleidingsportfolio. Uiteindelijk zat [verzoeksters] al in het vijfde jaar van de opleiding. En de Geschillencommissie heeft beslist dat [verzoeksters] nog een gelegenheid moest krijgen haar functioneren te verbeteren. Het is niet onrealistisch ervan uit te gaan dat er ook een gerede kans was dat [verzoeksters] uiteindelijk wel was geslaagd in het afronden van de opleiding. De rechtbank schat de kans dat [verzoeksters] zonder het medisch onzorgvuldig handelen de opleiding tot chirurg met succes zou hebben afgerond, alle omstandigheden in ogenschouw nemend, ex aequo et bono op 30 %.\n\n5.15.. De stelling van verweerders dat het ontbreken van bezwaar door [verzoeksters] tegen het definitieve besluit tot beëindiging van de opleiding bij MUMC+ de vordering tot schadevergoeding wegens verlies aan verdienvermogen (waar het uiteindelijk om gaat) in de weg staat, wordt afgewezen. [verzoeksters] heeft zich om begrijpelijke redenen bij dat besluit neergelegd. Het causaal verband tussen het medisch onzorgvuldig handelen en de daardoor ontstane schade is daarmee niet doorbroken.\n\nBuitengerechtelijke kosten\n\n5.16.. Met betrekking tot de vordering van [verzoeksters] om de van 31 oktober 2017 tot en met 14 februari 2025 gemaakte buitengerechtelijke kosten vast te stellen op € 47.189,78 inclusief btw en verschotten, met aftrek van de door MediRisk reeds gedane betalingen, oordeelt de rechtbank als volgt.\n\n5.17.. \n\nDoor MediRisk is betaald € 29.000,-- zodat resteert een bedrag van € 18.189,78.\n\nOp grond van artikel 6:96 lid 2 onder a BW dient de aansprakelijke partij ook als schade te vergoeden de kosten van rechtsbijstand ter vaststelling van aansprakelijkheid en schade. Deze kosten dienen wel aan de dubbele redelijkheidstoets te voldoen, dat wil zeggen dat het redelijk moet zijn dat rechtsbijstand is ingeschakeld en dat de gemaakte kosten naar omvang redelijk zijn.\n\n5.18.. Door MediRisk wordt het laatste betwist stellende dat het een overzichtelijk dossier van beperkte complexiteit betreft. De rechtbank constateert dat het drie jaar heeft geduurd voordat de aansprakelijkheid werd erkend, en dat MediRisk tot op heden het causaal verband betwist tussen het medisch onzorgvuldig handelen en het niet afronden van de opleiding tot chirurg door [verzoeksters] . De rechtbank is van oordeel dat niet gesproken kan worden van een overzichtelijk dossier, noch wat betreft de vaststelling van de aansprakelijkheid noch wat betreft de vaststelling van het causaal verband. De bestudering en beoordeling van de gang van zaken rond de chirurgenopleiding en de consequenties daarvan voor de beoordeling van de juridische vraagstukken in dit dossier is een arbeidsintensieve taak. De veronderstelling van MediRisk dat alle werkzaamheden over alle jaren beperkt hadden kunnen blijven tot een aantal van in totaal 50 uur miskent de werkelijkheid. De rechtbank stelt vast dat MediRisk de gespecificeerde werkzaamheden zoals die blijken uit de urenlijsten die bij de facturen zijn gevoegd niet betwist, noch bezwaar maakt tegen de gevorderde kosten van de rekenkundige expertise van Laumen (€ 4.925,51 inclusief btw). MediRisk kan worden toegegeven dat van een gespecialiseerde letseladvocaat verwacht mag worden efficiënt te werk te gaan, maar bij gebrek aan betwisting van de werkzaamheden zelf ziet de rechtbank in dit geval geen aanleiding het urenaantal, hoewel met 130 uur over de periode van 31 oktober 2017 tot en met 14 februari 2025 fors, te matigen.\n\n5.19.. \n\nDe rechtbank stelt vast dat het merendeel van de uren (te weten ruim 98 uur tot 18 oktober 2021) is afgerekend tegen een uurtarief van € 250,-- exclusief btw, het uurtarief waarmee MediRisk blijkens het verweerschrift kan instemmen.\n\nDe uren over de periode vanaf 3 november 2021 tot en met 25 april 2022 (ruim 19 uur) zijn berekend naar een tarief van € 270,-- exclusief btw per uur, welk tarief voor een gespecialiseerd letseladvocaat in de jurisprudentie wordt aanvaard.\n\nDe uren over de periode 19 december 2023 tot en met 14 februari 2025 (12 uur ) zijn berekend naar een tarief van (voor zover de rechtbank kan nagaan) € 295,-- exclusief btw. Hoewel aan de hoge kant zal de rechtbank in dit geval dat specialistentarief aanvaarden.\n\nDe rechtbank stelt daarom de van 31 oktober 2017 tot en met 14 februari 2025 gemaakte buitengerechtelijke kosten vast op € 47.189,78 inclusief btw en verschotten, en veroordeelt MediRisk op grond van artikel 7:954 lid 1 BW onder aftrek van de door haar reeds gedane betalingen van € 29.000,--, tot betaling aan [verzoeksters] van een bedrag van € 18.189,78.\n\nKosten getuigenverhoren\n\n5.20.. Buiten de hiervoor beoordeelde buitengerechtelijke kosten vordert [verzoeksters] ook een bedrag aan kosten vast te stellen voor de behandeling van het door haar ingediende verzoek voorlopig getuigenverhoor over de periode van 29 april 2022 tot en met 21 november 2023 en wel tot een bedrag van € 33.094,14 inclusief btw, griffierechten en getuigentaxe, en MediRisk tot betaling te veroordelen met aftrek van de reeds gedane betaling.\n\n5.21.. MediRisk stelt zich op het standpunt dat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen, nu de getuigenverhoren geen wezenlijke bijdrage hebben geleverd aan de door [verzoeksters] te bewijzen stellingen.\n\n5.22.. De rechtbank oordeelt dat deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Gelet op het standpunt van MMC en MediRisk ten aanzien van het (ontbreken van) causaal verband stond het [verzoeksters] vrij kosten te maken voor een getuigenverhoor om haar bewijspositie helder te krijgen, wat de uitkomst daarvan ook is. Zij heeft ook kosten moeten maken in verband met het horen van de getuigen in het door MediRisk geëntameerde tegenverhoor.\n\n5.23.. De kosten dienen wel aan de hiervoor onder r.o. 5.17 al genoemde dubbele redelijkheidstoets te voldoen. Met MediRisk is de rechtbank van oordeel dat de omvang van de kosten de redelijkheidstoets niet doorstaat. Uit de overgelegde urenspecificaties leidt de rechtbank af dat het gaat om in totaal ca 97 uur. Dat is een hoog aantal voor een enkel verzoekschrift en drie verhoordagen. De rechtbank constateert dat in de urenspecificaties talloze mails en telefoongesprekken zijn opgenomen, waarvan nut en noodzaak niet nader zijn onderbouwd. MediRisk verzoekt het urenaantal te stellen op 44 in totaal, uitgaande van 3 dagen van 8 uur voor de verhoren, 10 uur voor het verzoekschrift en 10 uur voor het voorbereiden van de verhoren. De rechtbank zal dat volgen, zij het dat zij voor de voorbereiding en het nabespreken van de verhoren meer uren zal toekennen, alsmede uren voor correspondentie en andere contactmomenten rondom de getuigenverhoren. Daarmee komt de rechtbank op een aantal van 55 uur. Voor de eerste factuur van 28 juni 2022 is een uurtarief gerekend van € 250,-- exclusief btw. Dat is alleszins aanvaardbaar. Voor de overige uren is gerekend met een uurtarief van € 270,-- exclusief btw welk tarief gelet op de specialisatie van mr. Sobczak wordt aanvaard.\n\n5.24.. De toe te wijzen kosten komen daarmee op een bedrag van in totaal € 19.144,05 (€ 6.322,25 + € 849,42 + € 4.116,42 + € 6.011,28 + € 314,-- (griffierecht) + € 1.530,68 (getuigentaxe) waarbij de rechtbank de twee laatste facturen met nummers 1199 en 1350 om praktische redenen (samen ca 42 uur) buiten beschouwing laat). Er is niet gebleken van enige betaling door MediRisk op deze facturen, om welke reden de rechtbank MediRisk zal veroordelen tot betaling van dit totaalbedrag aan [verzoeksters] .\n\nKosten deelgeschil\n\n5.25.. De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Alleen als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, hoeven de kosten van de procedure niet te worden begroot. Van deze laatste situatie is in dit geval geen sprake.\n\n5.26.. Bij de begroting van de kosten moet de rechtbank de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) in aanmerking nemen. Ook hierbij moet de rechtbank de al vaker genoemde dubbele redelijkheidstoets hanteren.\n\n5.27.. \n [verzoeksters] maakte aanvankelijk aanspraak op € 11.255,45 inclusief btw, te vermeerderen met het griffierecht, maar heeft dat ter zitting verhoogd naar € 12.235,55 omdat drie uur meer zijn besteed aan de pleitnota, waardoor het urenaantal komt op 36,5 uur. [verzoeksters] verzoekt de rechtbank ook met meer tijd voor de zitting te rekenen, nu deze langer heeft geduurd dan de voorziene twee uur. De rechtbank stelt vast dat de zitting drie uur heeft geduurd, waarmee het aan het verzoek ten grondslag gelegde urenaantal op 37,5 uur komt.\n\n5.28.. MediRisk voert aan dat het aantal bestede uren onredelijk is en dat het uurtarief van € 270.-- exclusief btw bovenmatig is. Het aantal uren vindt zij onredelijk omdat het verzoekschrift nagenoeg gelijk is aan de brief aan MediRisk van 24 februari 2022 op grond waarvan niet 23 uur maar 8 uur toegekend moet worden. Met de andere opgevoerde uren is MediRisk het eens, althans voert zij daartegen geen verweer, ook niet tegen die uren die in de pleitnota nog aan de orde zijn gekomen.\n\n5.29.. \n\nZoals hiervoor al is geoordeeld, wordt het uurtarief van € 270,-- inclusief btw door de rechtbank aanvaard gelet op de specialisatie van mr. Sobczak. De rechtbank zal het urenaantal matigen. Met MediRisk is de rechtbank van oordeel dat het verzoekschrift gelijkenis vertoont met de eerder verzonden brief, zij het niet in de mate die MediRisk veronderstelt. Het is wel aanleiding om het urenaantal voor het verzoekschrift bij te stellen naar 15 uur in plaats van 23 uur. De overige uren worden geaccepteerd, waardoor het totaal aantal te vergoeden uren uitkomt op 29,5. Daarmee komen de kosten van het deelgeschil op een totaal van € 9.637,65 inclusief btw, te verhogen met griffierecht € 311,--, totaal\n\n€ 9.948,65. De rechtbank begroot de kosten van het deelgeschil op dit bedrag en zal MediRisk veroordelen tot betaling van dit bedrag van € 9.948,65 aan [verzoeksters] .\n\n5.30.. De rechtbank zal deze uitspraak niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals [verzoeksters] vraagt, omdat niet rechtstreeks tegen een beschikking in een deelgeschilprocedure kan worden opgekomen. Dit volgt uit artikel 1019bb Rv.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n6.1.. verklaart voor recht dat [verzoeksters] door het medisch onzorgvuldig handelen van MMC een kans van 30 % heeft verloren om de opleiding tot chirurg met succes af te ronden;\n\n6.2.. veroordeelt MediRisk tot betaling aan [verzoeksters] van een bedrag van € 18.189,78 aan buitengerechtelijke kosten als bedoeld in r.o. 5.19;\n\n6.3.. veroordeelt MediRisk tot betaling aan [verzoeksters] van een bedrag van € 19.144,05 aan kosten verband houdend met de getuigenverhoren als bedoeld in r.o. 5.24;\n\n6.4.. begroot de kosten van dit deelgeschil op € 9.637,65 inclusief btw te vermeerderen met het door [verzoeksters] betaalde griffierecht van € 311,-- en veroordeelt Medirisk tot betaling daarvan aan [verzoeksters] ,\n\n6.5.. wijst hetgeen meer of anders is verzocht af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. O.R.M. van Dam en in het openbaar uitgesproken door mr. E.J.C. Adang op 26 maart 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:2000","2026-03-27T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:55.077Z",{"id":199,"ecli":200,"slug":201,"caseNumber":43,"courtId":76,"decisionDate":193,"fullText":202,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":203,"sourceTimestamp":204,"parsedAt":51,"updatedAt":205},"939","ECLI:NL:RBAMS:2026:3209","ecli-nl-rbams-2026-3209","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F13\u002F779334 \u002F HA RK 25-417\n\nBeschikking van 26 maart 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoekster],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoekster] ,\n\nadvocaat: mr. S. Boer,\n\ntegen\n\n1. HDI GLOBAL SE,\n\ngevestigd te Hannover (Duitsland), 2. DEKRA CLAIMS,\n\ngevestigd te Capelle aan den IJssel,\n\nverwerende partijen,\n\nhierna afzonderlijk te noemen: HDI en Dekra en gezamenlijk HDI c.s.\n\nadvocaat: mr. T. Havekes.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift deelgeschil, met bijlagen, binnengekomen ter griffie op 26 november 2025,\n\n- de tussenbeschikking van 23 januari 2026, waarin een mondelinge behandeling is bepaald,\n\n- het verweerschrift, met bijlagen, binnengekomen ter griffie op 6 februari 2026,\n\n- het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 10 februari 2023 en de daarin vermelde (proces)stukken.\n\nVan hetgeen verder naar voren is gebracht zijn aantekeningen door de griffier gemaakt. Deze zittingsaantekeningen zijn in het procesdossier gevoegd.\n\n1.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Op 1 oktober 2010 is [verzoekster] (toentertijd acht jaar oud) een zeer ernstig verkeersongeval overkomen. De auto waarin [verzoekster] zich met nog drie kinderen en één volwassene bevond, is van achteren aangereden door een vrachtwagen. Hierdoor is de auto onder de oplegger van een vrachtwagen voor hen geduwd en tussen die twee vrachtauto’s volledig in elkaar gedrukt. Van de vijf inzittenden heeft [verzoekster] dit ongeval als enige overleefd. Zij heeft bij dit ongeval zeer ernstig letsel opgelopen. Zij is direct na het ongeval naar het Radboud UMC afgevoerd, waar onder meer schedel- en aangezichtsfracturen, een hersenkneuzing, een kneuzing aan de rechterlong en een sterk verminderd gezichtsvermogen van het rechteroog is vastgesteld. In de jaren na het ongeval is [verzoekster] intensief en langdurig behandeld voor het letsel.\n\n2.2.. De aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval is erkend door HDI in haar hoedanigheid van WAM-verzekeraar van het ongeval veroorzakende motorrijtuig. Dekra treedt in deze zaak op als Nederlandse vertegenwoordiger van HDI.\n\n2.3.. Inmiddels zijn er diverse medische expertises uitgevoerd waaruit blijkt dat [verzoekster] als gevolg van dit ongeluk blijvende gezondheidsklachten heeft overgehouden, waaronder traumatisch schedel\u002Fhersenletsel, cognitieve klachten en visusklachten. De definitieve omvang van de schade is tot op heden - ruim vijftien jaar na het ongeval - nog niet vastgesteld.\n\n2.4.. Ondanks haar gezondheidsklachten heeft [verzoekster] in 2022 een MBO-(dans)opleiding bij [dansacademie] weten af te ronden. Zij heeft daarna geen betalend werk kunnen verrichten. In 2026 heeft zij een re-integratieprogramma voor jongeren met niet-aangeboren hersenletsel van The Class afgerond.\n\n2.5.. HDI heeft tot op heden een bedrag van € 206.000 aan voorschotten onder algemene titel en € 50.000 als voorschot op het uit te keren smartengeld aan [verzoekster] voldaan.\n\n3. Het verzoek en het verweer\n\n3.1.. \n [verzoekster] verzoekt de rechtbank bij wijze van deelgeschil in de zin van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) HDI te veroordelen tot betaling van een aanvullend voorschot van € 83.295,73 en te veroordelen tot betaling van de kosten van het deelgeschil, te begroten op € 5.965,30, te vermeerderen met het griffierecht.\n\n3.2.. HDI concludeert tot afwijzing van de verzoeken.\n\n3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nBevoegdheid en toepasselijk recht\n\n4.1.. HDI is gevestigd in Hannover, Duitsland. De zaak heeft daarmee een internationaal aspect. Voordat de rechtbank inhoudelijk op het geschil zal ingaan, zal daarom allereerst ambtshalve worden ingegaan worden op de bevoegdheid en het toepasselijk recht.\n\n4.2.. Op grond van artikel 26 van de Brussel I-bis Verordening (EU) nr. 1215\u002F2012 komt bevoegdheid toe aan de rechter van een lidstaat wanneer de verweerder verschijnt zonder de bevoegdheid te betwisten. Nu HDI in deze deelgeschilprocedure is verschenen en de bevoegdheid van de rechtbank niet heeft betwist, is de rechtbank Amsterdam bevoegd om van het verzoek kennis te nemen.\n\n4.3.. Dit deelgeschil heeft daarnaast betrekking op een verkeersongeval, daardoor is het Haags Verkeersongevallenverdrag 1971 van toepassing. Op grond van artikel 3 van dit verdrag wordt het recht toegepast van het land waar het ongeval heeft plaatsgevonden. Nu het ongeval zich in Nederland heeft voorgedaan, is Nederlands recht van toepassing.\n\nInleiding\n\n4.4.. \n [verzoekster] heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv, dat het mogelijk maakt om een uitspraak te vragen over een onderdeel van wat partijen verdeeld houdt in een zaak waarin sprake is van schade door dood of letsel (een deelgeschil) en waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. De rechtbank moet daarom eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst.\n\n4.5.. In dit geval verschillen partijen – kort samengevat – van mening over de bevoorschottting van [verzoekster] ’s schade vanwege het ongeluk dat haar is overkomen. Met een oordeel hierover kan de ontstane impasse tussen partijen worden doorbroken en kunnen de onderhandelingen in principe worden voortgezet. Dit betekent dat de rechtbank het verzochte inhoudelijk zal beoordelen.\n\nVerzoek ten aanzien van Dekra niet-ontvankelijk\n\n4.6.. Voor zover het verzoek is gericht tegen Dekra, overweegt de rechtbank dat het verzoek strekt tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding jegens [verzoekster] . Een dergelijke verplichting kan rusten op de aansprakelijke partij en op grond van artikel 7:954 van het Burgerlijk Wetboek (BW) rechtstreeks op diens aansprakelijkheidsverzekeraar: in dit geval HDI. Dekra is geen van beide, maar treedt slechts op als vertegenwoordiger van de verzekeraar. Nu geen rechtsgrond bestaat voor een aanspraak jegens Dekra en een rechtens te respecteren belang ontbreekt, zal [verzoekster] niet-ontvankelijk worden verklaard in haar verzoek voor zover dit tegen Dekra is gericht.\n\nAanvullend voorschot in deelgeschil procedure\n\n4.7.. Bij de beoordeling van de vraag of HDI een nader voorschot op de schadevergoeding moet betalen, is van belang dat de aard van de deelgeschilprocedure maakt dat de deelgeschilrechter zoveel mogelijk uitdrukkelijk en zonder voorbehoud oordeelt. Dit betekent dat op basis van de stukken die nu in het dossier zitten, vastgesteld moet kunnen worden dat [verzoekster] een aanspraak heeft op schadevergoeding die de voorschotten die HDI heeft betaald (in aanzienlijke mate) overstijgt. In dit verband wordt het volgende overwogen.\n\n4.8.. \n [verzoekster] heeft aan haar verzoek om HDI te veroordelen tot betaling van een voorschot van € 83.295,73, verschillende schadeposten ten grondslag gelegd, namelijk:\n\nI. schade wegens studievertraging en verlies van verdienvermogen over de periode van 1 september 2022 tot 1 januari 2026;\n\nII. zorgschade tot 13 december 2025;\n\nIII. immateriële schade (smartengeld);\n\nIV. overige schade (vervoerskosten en opname vakantiedagen ouders).\n\n4.9.. Daarbij heeft zij de volgende schadestaat gevoegd:4.10.. De rechtbank stelt voorop dat het causale verband tussen het ongeval en de gezondheidsklachten en beperkingen van [verzoekster] tussen partijen niet ter discussie staat. Ook het door haar opgelopen letsel als zodanig is niet in geschil. De rechtbank kan daarom overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van de schade.\n\n4.11.. De rechtbank zal de door [verzoekster] genoemde schadeposten achtereenvolgens beoordelen en vervolgens bezien of en in hoeverre de optelsom van die schadeposten de door HDI reeds betaalde voorschotten in aanzienlijke mate overstijgt. Daarbij zal de rechtbank, in het licht van de aard van de deelgeschilprocedure, zoveel mogelijk uitdrukkelijk en zonder voorbehoud vaststellen wat de (minimale, zie hieronder) schade van [verzoekster] tot op heden is, onder aftrek van het reeds door HDI betaalde voorschot van € 256.000.4.12.. Schadeposten die zijn aangeduid met “conform schadestaat d.d. 13 september 2022” op de schadestaat weergegeven onder 4.7 blijven buiten beschouwing van die beoordeling, nu deze al eerder tussen partijen zijn vastgesteld. De rechtbank zal bij de begroting per specifieke post uitgaan van het bedrag dat op dit moment minimaalals schadevergoeding kan worden toegewezen. Eventuele toekomstige nadere onderzoeken (bijvoorbeeld door de arbeidsdeskundige) kunnen aanleiding geven tot een hogere schadevergoeding.\n\nSchade als gevolg van verlies van verdienvermogen\n\nPeriode 1 september 2022 tot 14 december 2023:\n\n4.13.. \n [verzoekster] gaat, blijkens haar schadestaat, voor de periode 1 september 2022 tot 14 december 2023, uit van een verlies van verdienvermogen van € 37.978,32. HDI heeft zich over deze specifieke periode niet inhoudelijk uitgelaten. Zij stelt zich met betrekking tot deze schadepost hoofdzakelijk op het standpunt dat het onderzoek van de arbeidskundige dient te worden afgewacht.\n\n4.14.. In de hypothetische situatie zonder het ongeval stelt [verzoekster] dat zij als danser of choreograaf aan de slag zou zijn gegaan en daarmee € 2.776 bruto of € 2.461,33 netto per maand zou hebben verdiend. Over de periode van 1 september 2022 tot 14 december 2023 (15,5 maanden) zou zij daarmee een bedrag van € 37.978,32 netto hebben verdiend.\n\n4.15.. In het kader van de bevoorschotting heeft HDI het startsalaris van een MBO-afgestudeerde volgens de Rekenmatrix opleiding & inkomen, als opgenomen in De Rekenhulp, als uitgangspunt voorgedragen. Zo stelt HDI dat een MBO bruto startsalaris op jaarbasis in 2024 € 35.398 bedraagt. HDI heeft echter nagelaten toe te lichten van van welke bedragen zij op basis van genoemd uitgangspunt voor de jaren 2022 en 2023 uitgaat.\n\n4.16.. Vast staat dat [verzoekster] in de periode van 1 september 2022 tot 14 december 2023 geen enkel inkomen of voorschot heeft ontvangen, terwijl zij op 1 september 2022 was afgestudeerd en beschikte over een MBO-diploma. In die zin verschilt de situatie van 2024 dus niet met die van (het laatste kwartaal van) 2022 en 2023.\n\n4.17.. De rechtbank ziet daarom voldoende aanleiding om vast te stellen dat [verzoekster] ook in de periode van 1 september 2022 tot 14 december 2023 in elk geval een MBO startsalaris zou hebben verdiend. Gelet op hetgeen partijen daarover over en weer hebben gesteld en het door HDI opgeven bruto startsalaris over 2024 gecorrigeerd met inflatie, neemt de rechtbank als uitgangspunt dat [verzoekster] in 2022 een salaris van circa € 31.000 bruto zou hebben verdiend en in 2023 een salaris circa € 33.000 bruto.\n\n4.18.. De (minimale) schadeberekening voor de desbetreffende periode is dan volgt:\n\n2022:\n\nHet bruto jaarsalaris is € 31.000, wat netto (volgens de door [verzoekster] in haar berekeningen gebruikte rekenmodule berekenhet.nl) € 25.930 is. Aangezien [verzoekster] slechts vier maanden gewerkt zou hebben, wordt dit bedrag naar maanden omgerekend en zou zij netto in die vier maanden € 8.643,33 hebben ontvangen.\n\n2023:\n\nHet bruto jaarsalaris is € 33.000, wat netto (ongeveer) € 28.164 is. Aangezien het gaat om de periode tot 14 december 2023, wordt ook dit bedrag omgezet naar het salaris voor de duur van de betreffende periode, te weten 11,5 maanden. In 11,5 maanden zou zij € 26.990,50 hebben verdiend.\n\n4.19.. Het voorgaande brengt met zich dat, afgaand op de stellingen van partijen, ervan uit moet worden gegaan dat [verzoekster] in de periode van 1 september 2022 tot 14 december 2023 in elk geval een bedrag van € 8.646,67 + € 26.954 = € 35.633,83 zou hebben verdiend.\n\n4.20.. De minimale inkomensschade die op basis van het voorgaande kan worden vastgesteld, betreft het verschil tussen het feitelijke inkomen en het hypothetische inkomen dat [verzoekster] zonder ongeval zou hebben verkregen. Netto schade (verlies van verdienvermogen): € 35.633,83 (hypothetisch) - € 0 (feitelijk) = € 35.633,83. Dit bedrag zal dan ook worden betrokken in de uiteindelijke optelsom.\n\n4.21.. Gezien het feit dat het the Class pas in 2026 is afgerond, wordt dit traject buiten beschouwing gelaten in deze schadeberekening die ziet op verlies van verdienvermogen in de periode 2022 – 2026.\n\n4.22.. De rechtbank merkt tenslotte nogmaals op dat het hier gaat om een minimale, terughoudende benadering die zoveel mogelijk zonder voorbehoud is vastgesteld. Niet is uitgesloten dat [verzoekster] , gelet op haar opleiding en persoonlijke omstandigheden, in de hypothetische situatie een hoger inkomen had kunnen verwerven. Met gebruikelijke loonontwikkeling, carrière-groei of andere inkomensverhogende factoren is in deze berekening geen rekening gehouden. Een arbeidsdeskundige zou tot een hogere hypothetische verdiencapaciteit kunnen komen en daarmee vaststellen dat de schade wegens verlies van verdienvermogen over deze periode hoger is dan in deze beschikking wordt aangenomen.\n\nPeriode 14 december 2023 tot 1 januari 2026:\n\n4.23.. \n [verzoekster] begroot haar schade wegens verlies van verdienvermogen in de periode van 14 december 2023 tot 1 januari 2026 op € 25.765,00.\n\n4.24.. Vast staat dat [verzoekster] in de periode van 14 december 2023 tot 1 januari 2026 geen inkomen uit arbeid heeft ontvangen. In deze periode ontving zij een Wajong-uitkering. Zij ontving in die periode (24,58 maanden) ongeveer € 34.734,49 (netto) aan uitkering.\n\n4.25.. In de hypothetische situatie zonder het ongeval zou [verzoekster] , aansluitend op hetgeen eerder is overwogen, ten minste een MBO-startsalaris hebben verdiend. De rechtbank neemt daarbij als ondergrens de bedragen uit de rekenmatrix van De Rekenhulp voor de jaren 2024 en 2025, zoals voorgesteld door HDI. Dit betreft een bruto jaarinkomen van € 35.398 (netto circa € 30.404) voor 2024 en € 37.734 (netto circa € 32.191) voor 2025.\n\n4.26.. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, komt de rechtbank het door [verzoekster] begrote bedrag van € 25.765,00 niet onredelijk of te hoog voor, nu dit bedrag lager is dan haar volgens de voorgaande berekening zou toekomen. De rechtbank acht dit bedrag daarom voldoende aannemelijk en zal deze schadepost betrekken in de optelsom.\n\n4.27.. Ook voor deze periode geldt dat is uitgegaan van een minimale en terughoudende benadering. Gebruikelijke loonontwikkeling of een hogere verdiencapaciteit is hierbij niet meegenomen en kan in een later stadium door een deskundige alsnog worden vastgesteld.\n\nZorgschade\n\n4.28.. \n [verzoekster] stelt dat zij als gevolg van het ongeval afhankelijk is geweest van mantelzorg en begeleiding door haar ouders. Zij begroot de schade wegens verleende mantelzorg over de periode van 13 september 2022 tot 13 december 2025 op € 30.420,00. Ter onderbouwing van deze begroting verwijst zij naar een advies van arbeidsdeskundige Van den Hoek van 29 maart 2023, waarin de extra inzet van haar ouders wordt gekwantificeerd op gemiddeld 12 uur per week:\n\n4.29.. \n [verzoekster] berekent deze schade door uit te gaan van 12 uur mantelzorg per week tegen een uurtarief van € 15. Dit leidt volgens haar tot een jaarlijkse schade van € 9.360 (12 uur × € 15 × 52 weken). Over de genoemde periode van circa 3,25 jaar resulteert dit in een totaalbedrag van € 30.420,00.4.30.. HDI heeft aangevoerd dat toekenning van een voorschot op deze schadepost prematuur is en dat het definitieve onderzoek door een arbeidsdeskundige en\u002Fof zorgschadedeskundige dient te worden afgewacht, om op die manier [verzoekster] ’s zorgbehoefte goed in kaart te brengen.4.31.. De rechtbank volgt HDI hierin niet. Voor vergoeding komen in aanmerking de redelijke kosten van verzorging die anders door professionele hulpverleners zou zijn verricht. [verzoekster] heeft in de aanloop naar de zitting een e-mail van 6 februari 2026 van de arbeidsdeskundige Van den Hoek aan de belangenbehartiger van [verzoekster] overgelegd, waarin wordt bevestigd dat de omvang van de onder 4.25 onderbouwde en benodigde mantelzorg in de betreffende periode in ieder geval niet is afgenomen. Daarmee heeft [verzoekster] voldoende aannemelijk gemaakt dat gedurende de periode van 13 september 2022 tot 13 december 2025 structureel mantelzorg door haar ouders is verleend en benodigd was.4.32.. Wel heeft [verzoekster] onvoldoende onderbouwd waarom voor de berekening een uurtarief van € 15 moet worden gehanteerd. In de eerdere schadestaat werd uitgegaan van een uurtarief van € 10 voor de mantelzorguren. Bij gebreke van een nadere onderbouwing op dit moment zal de rechtbank daarom bij de begroting van deze schadepsot in het kader van de bevoorschotting uitgaan van dit lagere tarief. Dit bedrag kan worden beschouwd als een ondergrens; na nader onderzoek kan een hoger tarief gerechtvaardigd blijken.4.33.. Uitgaande van 12 uur mantelzorg per week tegen een uurtarief van € 10 bedraagt de jaarlijkse schade € 6.240 (12 uur × € 10 × 52 weken). Over de periode van 3,25 jaar komt de schade wegens mantelzorg en begeleiding daarmee uit op € 20.280,00.\n\n4.34.. HDI heeft nog aangevoerd dat [verzoekster] in het verleden geen persoonsgebonden budget (PGB) heeft aangevraagd en dat zij dit in het kader van haar schadebeperkingsplicht wel had moeten doen. De rechtbank is van oordeel dat dit [verzoekster] niet kan worden tegengeworpen. HDI heeft niet onderbouwd dat zij destijds zonder meer in aanmerking zou zijn gekomen voor een PGB of dat een dergelijke voorziening de behoefte aan mantelzorg volledig zou hebben weggenomen. Bovendien heeft de verzochte schadevergoeding betrekking op daadwerkelijk verleende zorg, waarvan voldoende aannemelijk is dat deze noodzakelijk was. Ter zitting is besproken dat partijen voor de toekomst zullen onderzoeken in hoeverre sociale voorzieningen (waaronder een PGB en passende huisvesting) beschikbaar zijn en in hoeverre deze van invloed kunnen zijn op de zorgbehoefte en de omvang van de schade. Dat onderzoek is nog gaande. Dit laat onverlet dat voor de hier beoordeelde periode voldoende aannemelijk is dat [verzoekster] afhankelijk was van de aan haar verleende mantelzorg. De toekomstige zorgbehoefte en de eventuele rol van voorzieningen kunnen in een later stadium nader worden vastgesteld.\n\nSmartengeld\n\n4.35.. Ten aanzien van het verzochte voorschot op de immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. Smartengeld vormt een naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor het niet in vermogensschade bestaande nadeel dat een benadeelde heeft geleden als gevolg van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is (artikel 6:106 BW). Bij de begroting daarvan dient rekening te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, waaronder in het bijzonder de aard en ernst van het letsel en de gevolgen daarvan voor de benadeelde. Ter bepaling van de omvang van het smartengeld bij hersenletsel wordt aansluiting gezocht bij de Rotterdamse Schaal.\n\n4.36.. \n [verzoekster] verzoekt een aanvullend voorschot van € 50.000 aan smartengeld, naast het reeds door HDI betaalde bedrag van € 50.000. HDI stelt dat dit reeds uitgekeerde bedrag voor nu toereikend is.\n\n4.37.. Tussen partijen is niet in geschil dat het smartengeld op basis van artikel 6:106 BW moet worden begroot aan de hand van de Rotterdamse Schaal. Wel bestaat verschil van inzicht over de ernst van het hersenletsel van [verzoekster] en de daarbij passende categorie van de Rotterdamse Schaal.\n\n4.38.. \n\nVolgens [verzoekster] valt haar letsel mogelijk onder de categorie ernstig hersenletsel(bandbreedte € 150.000 - € 195.000), maar in ieder geval onder de hoogste categorie vanmiddelzwaar hersenletsel subcategorie I(bandbreedte € 105.000 - € 150.000), waarbij sprake is van “Middelzware tot ernstige cognitieve beperkingen. De benadeelde is niet volledig afhankelijk van anderen, maar heeft wel continue zorg nodig. Beperkingen kunnen een persoonlijkheidsverandering, aantasting van zicht, spraak en zintuigen omvatten. Daarnaast kan sprake zijn van (een aanzienlijk risico op) epilepsie”. HDI gaat echter uit van hoogstensmiddelzwaar hersenletsel subcategorie II(bandbreedte € 62.000 - € 105.000), waarbij sprake is van “Matige tot lichte cognitieve beperkingen. De benadeelde heeft geen continue zorg nodig. Er is enige zelfstandigheid, maar het vermogen om arbeid te verrichten is sterk afgenomen of weggevallen, en er is enig risico op epilepsie”.\n\nDe rechtbank stelt vast dat definitieve rapportages over de zorgbehoefte en het verlies van verdienvermogen nog worden opgesteld en dat deze naar verwachting op korte termijn beschikbaar zullen zijn. Tot een definitieve indeling in een categorie kan daarom op dit moment nog niet worden overgegaan. Naast hersenletsel heeft [verzoekster] door het ongeval echter ook nog als letsel dat zij het zicht aan één oog heeft verloren.\n\n4.39.. Voor de vraag in hoeverre er ruimte is voor nadere bevoorschotting zal de rechtbank aan de hand van de Rotterdamse Schaal beoordelen voor hoeveel smartengeld [verzoekster] op dit moment minimaalin aanmerking zal komen. Naar het oordeel van de rechtbank kan worden aangenomen dat [verzoekster] , zelfs indien wordt uitgegaan van een indeling in de categoriemiddelzwaar hersenletsel subcategorie II, dus de lagere categorie waarvan HDI uitgaat, ook dan in aanmerking zal komen voor een bedrag dat de € 50.000 (het thans uitgekeerde voorschot op deze schade) ruimschoots zal overstijgen. Hiertoe is het volgende redengevend.\n\n4.40.. Als wordt uitgegaan van deze laagste (sub)categorie dienen volgens de Rotterdamse Schaal diverse concreet benoemde factoren in aanmerking te worden genomen bij het bepalen van de omvang van het smartengeld. Vele van de genoemde factoren spelen in [verzoekster] ’s geval een rol. Voor [verzoekster] is (in schade verhogende zin) in elk geval relevant de jonge leeftijd waarop het ongeval plaatsvond ( [verzoekster] was pas acht jaar), de ernst van het initiële letsel (waaronder een coma, een hersenoperatie, langdurige ziekenhuisopname en revalidatie) en het feit dat [verzoekster] meerdere vervolgoperaties heeft moeten ondergaan en hierdoor ook een schooljaar heeft gemist. Daarnaast is bij [verzoekster] evident sprake van blijvende klachten, waaronder hoofdpijn, concentratie- en vermoeidheidsproblemen, gevoelsstoornissen aan het hoofd, littekens en beperkingen in energieverwerking. Ook zijn er aanwijzingen voor psychische gevolgen en dat eén en ander een ingrijpende weerslag op het sociaal functioneren van [verzoekster] heeft gehad aslook op haar tijdsbesteding en de mogelijkheden tot het verrichten van arbeid of het volgen van een opleiding. Zo staat vast dat [verzoekster] de door haar beoogde loopbaan als danseres niet zal kunnen uitoefenen. Gelet op al deze factoren en omstandigheden acht de rechtbank aannemelijk dat het uiteindelijke bedrag aan smartengeld – als al zou blijken dat het hersenletsel van [verzoekster] zich daadwerkelijk in deze lagere subcategorie laat indelen (wat nog uit de te verwachten rapportages moet blijken) – in ieder geval aan de bovenkant van de bandbreedte voor deze subcategorie II moet aansluiten.\n\n4.41.. Daar komt bij dat vast staat dat [verzoekster] als gevolg van het ongeval het zicht aan één oog heeft verloren, hetgeen conform de Rotterdamse Schaal valt in categorie 3.1 Aantasting gezichtsvermogen, sub e ‘volledig verlies van het zicht in één oog’, met een bandbreedte van € 34.000 tot € 37.000 voor het smartengeld. Dit letsel vormt een zelfstandig relevante factor bij de begroting van immateriële schade, die op dit moment nog niet is meegenomen in de schadebegroting. Inmiddels hebben het Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel en Kanton (LOVCK), het Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel Hoven (LOVCH) en het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) aanbevelingen vastgesteld die een aanvulling vormen op de Rotterdamse schaal. De aanbevelingen worden per 1 januari 2026 gehanteerd door de Rechtspraak. Aanbeveling 5 is voor deze zaak relevant, nu daarin is opgenomen dat bij letsels die onafhankelijk van elkaar voorkomen (meervoudig letsel) wordt aanbevolen uit te gaan van het zwaarste letsel: dat weegt volledig mee; het in ernst tweede letsel weegt voor 50% mee. De aldus gevonden bedragen dienen te worden opgeteld. Het “derde” of volgende letsel weegt niet op dezelfde manier mee, maar kan als factor worden betrokken bij het vaststellen van de hoogte van het smartengeld. Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat, als partijen bij hun schadebegrotingen ook uitgaan van deze aanbevelingen, waar de rechtbank voor nu vanuit gaat, het oogletsel bij de begroting van het smartengeld voor 50% zal moeten worden betrokken en moet worden opgeteld bij het voor het hersenletsel te begroten bedrag.\n\n4.42.. Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank het door [verzoekster] gestelde totaalbedrag van € 100.000 (bepaald) niet onredelijk. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het gaat om een voorschot in het kader van een deelgeschil en dat de definitieve omvang van het smartengeld in een bodemprocedure kan worden vastgesteld. De rechtbank acht zoals hiervoor overwogen voldoende aannemelijk dat het uiteindelijke smartengeld ruimschoots hoger zal zijn dan het reeds betaalde bedrag, zodat het verzochte aanvullende voorschot van € 50.000 niet bovenmatig voorkomt en kan worden betrokken in de uiteindelijke optelsom van de schadeposten ter bepaling van het voorschot.\n\nVervoerskosten\n\n4.43.. \n [verzoekster] verzoekt daarnaast een voorschot voor gemaakte reiskosten. Zij begroot deze op € 197,34 over de periode van 13 september 2022 tot 17 oktober 2023 en op € 5.000,00 voor de periode van 17 oktober 2023 tot 1 november 2025. Volgens [verzoekster] zien deze kosten op de gereden kilometers in verband met bezoeken aan haar belangenbehartiger, medische behandelaars, expertises en The Class.4.44.. \n [verzoekster] heeft deze kosten echter onvoldoende gespecificeerd en onderbouwd. Zo ontbreekt inzicht in het totaal aantal gereden kilometers, de frequentie van de betreffende bezoeken en de wijze waarop de verzochte bedragen zijn berekend. Zonder nadere toelichting of onderliggende stukken kan de rechtbank niet beoordelen of en in hoeverre deze kosten redelijk en daadwerkelijk zijn gemaakt. Het verzochte voorschot voor vervoerskosten zal dus niet worden betrokken bij de optelsom van schadeposten ter bepaling van het voorschot.\n\nOpgenomen kosten vakantiedagen en overige kosten\n\n4.45.. Daarnaast verzoekt [verzoekster] een bedrag van € 1.350 ter zake van de opname van vakantiedagen door haar ouders over de periode van 14 september 2022 tot 17 oktober 2023. Deze post is echter onvoldoende gespecificeerd en onderbouwd. Zo ontbreekt inzicht in het aantal opgenomen dagen, de noodzaak daarvan en de wijze waarop het verzochte bedrag is berekend. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat sprake is van vergoedbare schade. Ook dit bedrag zal dus niet worden betrokken bij de optelsom.\n\nMedische kosten\n\n4.46.. De kosten van het eigen risico over de jaren 2022 en 2023 komen voor vergoeding in aanmerking. Het gaat hier om bedragen van € 338,02 respectievelijk € 385. Deze kosten zijn voldoende onderbouwd met overgelegde zorgnota’s en staan in causaal verband met het ongeval. Bovendien heeft HDI deze kosten niet betwist. De rechtbank zal deze posten daarom betrekken in de optelsom van schadeposten ter bepaling van het voorschot.\n\nTotaal toe te wijzen voorschot\n\n4.47.. Volgens de schadestaat van 13 september 2022 bedraagt de schade tot die datum € 186.862,05. Deze schade is tussen partijen niet in geschil en bestaat uit de volgende posten:\n\nSchadepost\n\nBedrag\n\nZaakschade\n\n€ 2.582,84\n\nDagvergoeding ziekenhuis e.d.\n\n€ 2.171,00\n\nMedische kosten\n\n€ 360,38\n\nTelefoonkosten\n\n€ 325,07\n\nVerblijfskosten ouders\n\n€ 500,00\n\nVervoerskosten\n\n€ 8.107,41\n\nMantelzorg en begeleiding\n\n€ 91.251,63\n\nOpname vakantiedagen ouders\n\n€ 2.900,00\n\nVerlies van arbeidsvermogen\n\n€ 18.923,72\n\nStudievertraging\n\n€ 5.490,00\n\nOverige schade\n\n€ 4.250,00\n\nImmateriële schade (voorschot)\n\n€ 50.000,00\n\nTotaal\n\n€ 186.862,05\n\n4.48.. Daarnaast heeft de rechtbank vastgesteld dat [verzoekster] na 13 september 2022 nog minstensde volgende schade heeft geleden:\n\nSchadepost\n\nBedrag\n\nVerlies van verdienvermogen (1 sept. 2022 – 14 dec. 2023)\n\n€ 35.633,83\n\nVerlies van verdienvermogen (14 dec. 2023 – 1 jan. 2026)\n\n€ 25.765,00\n\nZorgschade\n\n€ 20.280,00\n\nAanvullend smartengeld\n\n€ 50.000,00\n\nMedische kosten (ER 2022 en ER 2023)\n\n€ 723,02\n\nTotaal\n\n€ 132.401,85\n\n4.49.. De totale schade van [verzoekster] tot en met 2025 bedraagt daarmee minimaal € 319.263,90.4.50.. Op dit bedrag strekt in mindering het reeds door HDI betaalde voorschot van € 256.000,00. Het nog openstaande bedrag aan schade komt daarmee uit op € 63.263,90. Hiermee is voldoende aannemelijk dat de schade van [verzoekster] de door HDI betaalde voorschotten in aanzienlijke mate overstijgt, zoals vereist voor toewijzing van een aanvullend voorschot in deze deelgeschilprocedure. De rechtbank zal daarom een aanvullend voorschot van € 63.263,90 toewijzen.\n\nKosten deelgeschil\n\n4.51.. De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Bij de begroting van de kosten moet de rechtbank de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) in aanmerking nemen. Daarbij moet de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.\n\n4.52.. \n [verzoekster] heeft verzocht HDI te veroordelen in de kosten van het deelgeschil. [verzoekster] heeft deze kosten begroot op een bedrag van € 5.965,30 inclusief btw te vermeerderen met griffierecht. Dit bedrag bestaat uit 17 uur tegen een tarief van € 290 (exclusief btw).\n\n4.53.. HDI heeft geen (afzonderlijk) verweer gevoerd tegen het aantal uren. Met betrekking tot het uurtarief heeft HDI aangevoerd dat het uurtarief van € 290,00 te hoog is en dat een bedrag van € 245,00 per uur volstaat voor een kwestie als deze.\n\n4.54.. De rechtbank acht het aantal uren gelet op de gemiddelde complexiteit en de omvang van het dossier redelijk. Dat geldt evenzeer voor de hoogte van het uurtarief, gelet op de ervaring en specialisatie van mr. Boer. De redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de rechtbank dan ook worden begroot op 17 uren × € 290,00 exclusief btw, dus op € 5.965,30 inclusief btw te vermeerderen met het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 90,00. HDI. zal tot betaling daarvan aan [verzoekster] worden veroordeeld.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n5.1.. verklaart [verzoekster] niet ontvankelijk in haar verzoek tot betaling van een voorschot jegens Dekra,\n\n5.2.. bepaalt dat HDI aan [verzoekster] bij voorschot voor haar schade binnen twee weken na heden een bedrag van € 63.263,90 uitkeert;\n\n5.3.. begroot de kosten van dit deelgeschil op € 5.965,30 inclusief btw te vermeerderen met het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 90,00 en veroordeelt HDI tot betaling daarvan aan [verzoekster] ,\n\n5.4.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. S.A.M. Groot, rechter, bijgestaan door mr. S.D. Gerick, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3209","2026-03-31T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:55.835Z",{"id":207,"ecli":208,"slug":209,"caseNumber":43,"courtId":210,"decisionDate":211,"fullText":212,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":213,"sourceTimestamp":214,"parsedAt":51,"updatedAt":215},"931","ECLI:NL:RBMNE:2026:1601","ecli-nl-rbmne-2026-1601",71,"2026-03-23T00:00:00.000Z","RECHTBANK Midden-Nederland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Lelystad\n\nZaaknummer: C\u002F16\u002F606083 \u002F KL ZA 26-21\n\nVonnis in kort geding van 23 maart 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nte [plaats] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\nadvocaat: mr. H.L.H. Hermans,\n\ntegen\n\nN.V. UNIVÉ SCHADE,\n\nte Assen,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: Univé,\n\nadvocaat: mr. H. Boone.\n\n1. De procedure\n\n1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met 36 producties;\n\n- de conclusie van antwoord met 11 producties; - de mondelinge behandeling van 9 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt; - de pleitnotities van [eiser] ; - de pleitnotities van Univé.\n\n1.2. Daarna is bepaald dat een vonnis zal worden uitgesproken.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1. \n\nOp 18 juli 2024 is [eiser] betrokken geraakt bij een verkeersongeval in Dronten. Univé heeft de aansprakelijkheid voor dit ongeval erkend. In de periode na het ongeval heeft Univé ongeveer € 14.000,00 aan voorschotten op schadevergoeding uitgekeerd, waaronder\n\n€ 2.000,00 smartengeld. [eiser] vindt dat zijn schade substantieel hoger is dan deze voorschotten. Hij vordert daarom € 30.000,00 als aanvullend voorschot op de schadevergoeding, vermeerderd met wettelijke rente en de kosten (inclusief nakosten) van deze procedure. Univé betwist dat de schade van [eiser] de voorschotten overstijgt, en meent ook dat de gestelde schade niet het gevolg is van het ongeval. Zij vraagt de voorzieningenrechter daarom de vordering van [eiser] af te wijzen. Univé krijgt grotendeels gelijk.\n\n3. De beoordeling\n\nHet toetsingskader\n\n3.1. De voorzieningenrechter stelt voorop dat ten aanzien van geldvorderingen in kort geding terughoudendheid geboden is. De voorzieningenrechter moet daarbij niet alleen onderzoeken of het bestaan van een geldvordering van [eiser] op Univé in hoge mate aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is. In de te maken belangenafweging moet de voorzieningenrechter ook het eventuele restitutierisico betrekken, mocht de rechter in de bodemprocedure anders beslissen.\n\n3.2. Partijen zijn het er over eens dat Univé aansprakelijk is voor de schade die [eiser] als gevolg van zijn ongeval lijdt. Univé is daarom in beginsel gehouden de schade die [eiser] als gevolg van het ongeval lijdt, te vergoeden. In dit kort geding staat de vraag centraal of Univé een aanvullend voorschot aan [eiser] moet voldoen. Hierbij is van belang om vast te stellen of voldoende aannemelijk is dat het bedrag aan reeds verschenen schade het reeds betaalde voorschotbedrag substantieel overstijgt en of voldoende aannemelijk is dat in de bodemprocedure een hoger bedrag aan uiteindelijke schadevergoeding aan [eiser] zal worden toegewezen dan tot nu toe aan voorschotten door Univé is betaald.\n\n [eiser] heeft een spoedeisend belang bij de gevorderde voorziening\n\n3.3. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiser] een spoedeisend belang bij zijn vorderingen. [eiser] heeft voldoende onderbouwd dat hij, als hij geen aanvullend voorschot ontvangt, verder in de financiële problemen zal komen en daardoor mogelijk zijn huurwoning zal moeten verlaten en medische behandelingen zal moeten staken.\n\nHet standpunt van partijen\n\n3.4. \n [eiser] legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag. [eiser] meent dat zijn schade in maart 2026 in totaal € 62.000,00 bedraagt, waardoor hij € 48.000,00 te weinig aan voorschot heeft gekregen. Ten aanzien van de schadepost verlies aan verdienvermogen stelt [eiser] dat hij, als het ongeval niet zou hebben plaatsgevonden, per 2 september 2024 aan de slag zou zijn gegaan als [functie] bij zijn broer. Dan zou hij ongeveer 40 uur per week hebben gewerkt en ongeveer € 2.865,00 netto per maand hebben verdiend. [eiser] heeft zijn stelling onderbouwd met een e-mail van zijn broer van 28 juni 2024, dus een aantal weken voor het ongeval, waarin zijn broer dit bevestigt. Verder zou [eiser] in de periode vóór het ongeval niet alleen inkomen uit arbeid hebben gehad maar ook fiscaal niet verantwoorde inkomsten uit kluswerkzaamheden. Tot het verrichten van die kluswerkzaamheden is hij nu niet meer in staat.\n\n3.5. Univé betwist de door [eiser] gevorderde schade en het causaal verband tussen het ongeval en deze schade. Zij meent dat er geen sprake is van beperkingen die het gevolg zijn van het ongeval. [eiser] had namelijk al last van verschillende medische klachten, waaronder lage rugpijn, schouderklachten en psychische klachten, als gevolg waarvan hij arbeidsongeschikt is geraakt in maart 2023. Ook de schade in het kader van het verlies van verdienvermogen wordt door Univé betwist. Zij wijst op een wat inkomen betreft niet noemenswaardig arbeidsverleden van 2003 t\u002Fm 2022 en voert ook aan dat het niet te verwachten was dat [eiser] per 2 september 2024 daadwerkelijk aan de slag zou zijn gegaan als [functie] omdat i) [eiser] ten tijde van het ongeval in een re-integratietraject zat onder begeleiding van het UWV waarbij nog geen concrete invulling was gegeven aan het voornemen van [eiser] om als [functie] te gaan werken, ii) [eiser] tijdens de huisbezoeken op 24 oktober 2024 en 12 november 2024 heeft aangegeven dat er voor het ongeval nog niets concreets gepland was qua loonvormende werkzaamheden en iii) [eiser] pas op 11 maart 2025 naar voren bracht dat hij bij zijn broer in dienst zou zijn getreden als [functie] .\n\nDe vordering tot betaling van € 30.000,00 wordt afgewezen\n\n3.6. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is in deze procedure niet gebleken dat de schade die [eiser] als gevolg van het ongeval lijdt, de betaalde voorschotten substantieel overschrijdt. De vordering tot betaling van aanvullende voorschotten zal dus worden afgewezen. Hiertoe is het volgende redengevend.\n\n3.7. Er bestaat onzekerheid over het verdienvermogen van [eiser] voorafgaand aan het ongeval en over zijn te verwachten verdienvermogen als het ongeval niet zou hebben plaatsgevonden. Voorafgaand aan het ongeval was sprake van een weinig constant arbeidsverleden. De laatste arbeidsverhouding van [eiser] was meer dan een half jaar voor het ongeval beëindigd en heeft ongeveer 6 maanden geduurd. [eiser] heeft nog aangevoerd dat hij ook niet-fiscaal verantwoorde kluswerkzaamheden heeft verricht en daarmee ongeveer € 2.500,00 bruto per maand verdiende. De voorzieningenrechter gaat aan deze stelling voorbij, nu onvoldoende onderbouwd is dat [eiser] deze inkomsten daadwerkelijk ontving. De enkele foto’s van [eiser] ’s gereedschap en gestelde klussen zijn daartoe onvoldoende.\n\n3.8. Ook het te verwachten verdienvermogen zonder ongeval kan momenteel niet voldoende worden vastgesteld. Weliswaar heeft [eiser] een mail overgelegd waarin zijn broer een concreet salaris voorstelt voor werkzaamheden als [functie] , maar dit is onvoldoende om ervan uit te gaan dat [eiser] deze werkzaamheden daadwerkelijk en duurzaam kon uitvoeren. Uit de verslagen van de huisbezoeken blijkt dat [eiser] op 24 oktober 2024 en 12 november 2024 heeft aangegeven dat hij overwoog als [functie] te werken, maar hij heeft daarbij niet de concrete plannen verteld die uit het mailbericht van zijn broer van 28 juni 2024 blijken. In de documentatie over de re-integratiebegeleiding door het UWV wordt wel vermeld dat [eiser] eventueel als [functie] wilde werken, maar over deze wens wordt niets geconcretiseerd vermeld waaruit zou kunnen blijken dat hij die werkzaamheden daadwerkelijk kon gaan doen. Daarom kan de voorzieningenrechter op dit moment niet vaststellen dat het de redelijke verwachting was dat [eiser] per 2 september 2024 aan het werk zou gaan als [functie] , voor het door hem gestelde aantal uren per week en gestelde salaris.\n\n3.9. Alhoewel volgens de voorzieningenrechter geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de door [eiser] ervaren klachten, is op dit moment niet voldoende aannemelijk dat deze klachten, uitsluitend, zijn te herleiden tot het ongeval. In het kader van het re-integratietraject is vóór het ongeval op 11 juni 2024 en ná het ongeval op 14 februari 2025 een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld door het UWV. Hieruit blijkt dat er sprake was van (aanzienlijke) pre-existente klachten, en dat de beperkingen na het ongeval zijn toegenomen. Dit roept de vraag op welke beperkingen het gevolg zijn het ongeval en welke al voor het ongeval bestonden. Ook deze vraag behoeft beantwoording voordat een reële analyse te maken valt van het verlies aan verdienvermogen als gevolg van het ongeval.\n\n3.10. Concluderend heeft de voorzieningenrechter op dit moment onvoldoende informatie om vast te stellen dat de schade van [eiser] hetgeen aan voorschotten is betaald overschrijdt substantieel overschrijdt.\n\nBelangenafweging\n\n3.11. Een belangenafweging maakt dit oordeel niet anders. De voorzieningenrechter begrijpt dat de belangen aan de zijde van [eiser] groot zijn. Hij verkeert in een financieel penibele situatie en dit heeft ongetwijfeld een negatieve invloed op zijn welbevinden. Aan de andere kant speelt het restitutierisico ook een rol. Als Univé op basis van een voorlopige voorziening een aanvullend voorschot zou moeten betalen, dan is de kans aanzienlijk dat [eiser] dit bedrag niet meer kan terugbetalen mocht later anders geoordeeld worden in een bodemprocedure.\n\nMedisch onderzoek en verantwoordelijkheid Univé\n\n3.12. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter nog het volgende. Om te beoordelen welke klachten het gevolg zijn van het ongeval en welke klachten reeds voor het ongeval bestonden, is nader medisch onderzoek nodig. Tijdens de mondelinge behandeling bleek dat partijen het hierover eens zijn. Van Univé mag verwacht worden dat zij hier een initiatief toe neemt en daar voortvarend werk van maakt, om te voorkomen dat de afwikkeling van de schade lang duurt en zoals thans het geval lijkt helemaal stil komt te liggen. Univé kan zich - anders dan zij doet - niet beroepen op het ontbreken van onafhankelijk deskundigenonderzoek omdat het vanwege de door haar erkende aansprakelijkheid ook aan haar is om dat de faciliteren. Hoewel zij heeft aangevoerd dat zij nog medische informatie mist, lijkt dat op het eerste gezicht slechts in beperkte mate het geval te zijn. En voor zover zij meent onvoldoende informatie van [eiser] te hebben, is het aan haar om hem daar duidelijk om te verzoeken. Het is niet gebleken dat zij dat heeft gedaan. Tegelijkertijd is niet gebleken dat Univé [eiser] volledig heeft geïnformeerd over de door haar ingewonnen medische adviezen. Univé heeft niet bestreden dat Rhamouni pas in het kader van dit kort geding op de hoogte is geraakt van het medisch advies van 17 oktober 2025. Uit het dossier blijkt dat de manier waarop [eiser] en zijn medisch adviseur zich in deze zaak opstellen constructief is en dat hij zich inspant om Univé in voldoende mate te informeren. Aldus bezien meent de voorzieningenrechter dat de lange duur van de afwikkeling van deze letselschadezaak en de gevolgen die dat voor Rhamouni heeft, in overwegende mate ook te wijten zijn aan Univé.\n\nDe proceskosten\n\n3.13. Hoewel [eiser] in het ongelijk wordt gesteld zullen de proceskosten worden gecompenseerd vanwege hetgeen de voorzieningenrechter heeft overwogen over de verantwoordelijkheid van Univé voor de afwikkeling van deze letselschadezaak.\n\n4. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n4.1. wijst de vorderingen van [eiser] af,\n\n4.2. compenseert de proceskosten zodat [eiser] en Univé de eigen kosten dragen,\n\n4.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. H.M.M. Steenberghe en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2026.\n\n5827","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1601","2026-04-16T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:55.306Z",{"id":217,"ecli":218,"slug":219,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":220,"fullText":221,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":222,"sourceTimestamp":223,"parsedAt":51,"updatedAt":224},"928","ECLI:NL:RBDHA:2026:4722","ecli-nl-rbdha-2026-4722","2026-01-28T00:00:00.000Z","RECHTBANK Den Haag\n\nCiviel recht\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F671254 \u002F HA ZA 24-711\n\nVonnis van 28 januari 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiseres]te [woonplaats 1] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiseres] ,\n\nadvocaat: mr. B.L.M. Middeldorp,\n\ntegen\n\n1. [gedaagden sub 1] VOF te [vestigingsplaats] , 2. [gedaagden sub 2] te [woonplaats 2], 3. [gedaagden sub 3] te [woonplaats 3],\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna samen te noemen: de zonnestudio,\n\nadvocaat: mr. B.M. Stroetinga.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nVoor het verloop van de procedure wordt verwezen naar het vonnis van\n\n15 januari 2025 en de rolbeslissing van 5 november 2025 en de daarin genoemde stukken.\n\n1.2.. \n\nNa de rolbeslissing is van de zonnestudio een akte met twee bijlagen ontvangen op\n\n19 november 2025 en een antwoordakte van [eiseres] van 17 december 2025. Vervolgens is opnieuw vonnis bepaald.\n\n2. De verdere beoordeling\n\nBewijswaardering\n\n2.1.. In genoemd vonnis van 15 januari 2025 is de zonnestudio toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen de voorshands bewezen geachte stelling dat de schade bij [eiseres] is veroorzaakt door de toerekenbare tekortkoming van de Zonnestudio, als bedoeld onder 4.8 van dat vonnis. In 4.8 is overwogen:\n\n“De rechtbank overweegt dat het tijdsverloop en de aard van het letsel doen vermoeden dat de straling van de zonnebank een rol heeft gespeeld bij het ontstaan van het letsel. Gelet daarop en mede gelet op de normschending en het feit dat de volgens de gebruiksaanwijzing bij huidtype twee behorende veilige bruiningsduur ruimschoots is overschreden, ligt in dit geval het oordeel dat de schade veroorzaakt is door het gebruik van de zonnebank in de gegeven omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank meer voor de hand dan het tegendeel. De rechtbank neemt daarom voorshands het bestaan van een causaal verband (condicio sine qua non verband) tussen de tekortkoming en de schade – en daarmee aansprakelijkheid van de Zonnestudio – aan. De zonnestudio zal worden toegelaten tot het leveren van tegenbewijs om daarmee het voornoemde vermoeden te ontzenuwen.”\n\n2.2.. De vraag die voorligt is of dit bewijsvermoeden is ontzenuwd met het door de zonnestudio overgelegde rapport van [adviseur] van 5 mei 2025. Voor het antwoord op die vraag geldt het volgende toetsingskader. Dat de zonnestudio wordt geconfronteerd met een bewijsvermoeden, betekent niet dat op haar ook het bewijsrisico komt te rusten. Zij zal in beginsel niet hoeven te bewijzen door welke oorzaak de schade is ontstaan en kan volstaan met het ontkrachten van het vermoeden door bewijs te leveren van feiten en omstandigheden waardoor voldoende onzeker wordt dat de schade door een toerekenbare tekortkoming aan haar kant is ontstaan. Voor het slagen van het te leveren tegenbewijs is dus voldoende dat het bewijsvermoeden wordt ontzenuwd, wat het geval is wanneer voldoende twijfel wordt gezaaid. In dat geval herleeft de normale bewijslast (en het daarbij behorende bewijsrisico), die op [eiseres] rust. Het te leveren tegenbewijs kanbestaan in het bewijs dat geen tekortkoming aan de kant van de zonnestudio de schade heeft doen ontstaan, maar dat is geen eis. Of in een concreet geval dit tegenbewijs geleverd moet worden geacht, ook als de oorzaak van de schade niet is komen vast te staan, is aan het oordeel van de rechter overgelaten.\n\n2.3.. In het licht van dit beoordelingskader geldt het volgende.\n\n2.4.. \n\n [adviseur], die zich als arts en wetenschapper in Duitsland al bijna dertig jaar bezighoudt met fotobiologische vraagstukken, met name de biologische effecten van licht op levende weefsels en organismen, heeft in zijn rapport van 5 mei 2025 – dat is opgesteld na dossierstudie – de volgende vragen beantwoord:\n\n(1) Is het mogelijk dat een belichting met het solarium van twintig minuten, hoewel in de gebruiksaanwijzing officieel maximaal zes minuten voorgeschreven zijn, tot ernstige huidbeschadigingen (d.w.z. brandwonden van de tweede en derde graad) kan leiden?\n\n(2) Is het mogelijk dat de overschrijding van de stralingswaarden van het solarium (0,368 W\u002Fm2 in plaats van de toegestane 0,3 W\u002Fm2 – of zelfs 0,3499 W\u002Fm2, zoals tegenover de rechtbank werd benadrukt met verwijzing naar de tolerantie van de voedsel- en consumentenbeschermingsautoriteit voor nieuwe lampen) tot een letsel van deze omvang kan leiden?\n\n(3) Hoe waarschijnlijk het is dat deze verwonding door een andere factor is veroorzaakt? Bijvoorbeeld door een fototoxische reactie, medicijnen, enz.\n\n2.5.. In reactie op de derde vraag heeft [adviseur] – samengevat – beschreven dat in de door hem bestudeerde literatuur geen vergelijkbare gevallen voorkomen. Hij wijst erop dat bij [eiseres] na twee weken nog steeds blaarvorming optrad, wat zeer ongebruikelijk is voor pure stralingsschade. Een dergelijk verschijnsel kan wel optreden bij gebruik van een fotosensibiliserende stof. De strikt gelokaliseerde schade (hoofd, decolleté en knieholtes waren niet aangetast) past volgens hem waarschijnlijk bij een stof die als olie, lotion of crème op de huid is aangebracht. Zonder topische fotosensibilisatie (overgevoelige huidreactie die ontstaat door de combinatie van een lokaal aangebracht product en UV(A)-straling) zou moeilijk te verklaren zijn waarom juist een gevoelige regio niet is aangetast. Gezien de buitengewone ernst van de huidbeschadiging (blaarvorming en diepteschade) acht [adviseur] het hoogstwaarschijnlijk dat de oorzaak niet alleen door UV-blootstelling in de zonnebank te verklaren is. Het klinische beeld in combinatie met de lang aanhoudende symptomen wijst sterk op een fototoxische reactie, zoals die kan optreden bij gelijktijdige blootstelling aan UVA-straling en fotosensibiliserende stoffen. In reactie op de andere twee vragen schrijft [adviseur] onder meer het volgende. Dat [eiseres] twintig minuten onder de zonnebank lag waar zes minuten was toegestaan en dat de straling van de lampen de norm (met 0,019 tot 0,068 W\u002Fm2) overschreed, kan volgens [adviseur] niet de enige oorzaak zijn van de bij [eiseres] opgetreden tweede- en derdegraads brandwonden over 30% van haar lichaam. De in de literatuur beschreven drempels voor vorming van blaren zijn in de onderhavige situatie niet gehaald. In zijn nadere reactie van 13 augustus 2025 (op het schrijven van de medisch adviseur van [eiseres] ) schrijft [adviseur] (opnieuw) onder meer nog dat een belangrijk gegeven is dat er geen leasies zijn gedocumenteerd in de knieholten, een gebied dat doorgaans onbedekt, zeer gevoelig en bijzonder kwetsbaar is voor UV-straling. Betrokkenheid van een fotosensibiliserende factor acht hij daarom plausibel. Ook het feit dat sprake was van het ontstaan van nieuwe leasies gedurende meerdere dagen is kenmerkend voor een fototoxische reactie in combinatie met een exogene fotosensibilisator (van buitenaf komende stof die de huid overgevoelig maakt voor UV-licht). Een langdurig en recidiverend beloop zoals hier aan de orde was, acht [adviseur] niet in overeenstemming met een zuiver door straling veroorzaakte schade.\n\n2.6.. De medisch adviseur van de zonnestudio, die blijkens zijn rapport van 3 september 2025 ervaring heeft als chirurg met het behandelen van brandwonden, onder meer opgedaan in het brandwondencentrum Rode Kruis ziekenhuis, meldt onder meer het volgende. Over de expertise van [adviseur] schrijft hij dat hij als arts is gepromoveerd op het onderzoek naar licht geïnduceerde effecten op levende cellen en dat hij al dertig jaar onderzoek doet naar de biologische effecten van licht op levende weefsels en organismen. Ook doet [adviseur] wetenschappelijk onderzoek en heeft hij volgens de medisch adviseur veel meer kennis dan een gemiddeld dermatoloog of (plastisch) chirurg over effecten van UV-straling op weefsel en is hij dus bij uitstek deskundig te noemen. Onder meer merkt de medisch adviseur op dat [adviseur] perfect weergeeft dat de brandwonden niet het gevolg zijn van een genetische component of gebruikte medicatie, omdat het gezicht en de knieholtes niet zijn aangedaan. Het moet gaan om een middel dat is aangebracht. Dat kan niet de lotion zijn die [eiseres] bij de zonnestudio had gekocht, omdat zij dit voornamelijk op haar gezicht heeft gesmeerd en daar geen reactie is opgetreden. De schade kan niet (alleen) door UV-straling zijn veroorzaakt, omdat die straling ophoudt zodra de bron is weggenomen en nog enige dagen kan doorwerken, maar daarna zou genezing moeten optreden. In dit geval ontstonden na ruim tien dagen nog nieuwe blaren. Verder meldt hij onder meer dat ook de behandelend artsen van [eiseres] in het brandwondencentrum twijfels hadden bij alleen blootstelling aan UV-straling in een zonnebank en hebben geprobeerd te achterhalen wat er is gebruikt.\n\n2.7.. In het door [eiseres] overgelegde medisch dossier is over dat laatste onder meer vermeld:\n\n“14-02-2022 (…) Verder nog besproken dat het opvalt dat er verschillende plekken zijn, waaronder haar billen en knieholtes, die niet aangedaan zijn. En dat mocht er een andere reden zijn (bijv mishandeling) voor haar verbranding dat ze dit aan kan geven. Had onder zonnebank een broekje aan en knieen opgetrokken. Nu geen reden voor twijfel aan verhaal. Voornamelijk nu veel pijnklachten. (…) Zus van patient ook op de hoogte gebracht van huidige stand van zaken. Beide geen vragen. Goed gesprek.\n\nPatient akkoord dat wij geannonimiseerd contact opnemen met de zonnebank studio.\n\nGeannonimiseerd contact gehad met [kliniek] in [woonplaats 1] . Gebruiken al hun cremes van Devoted Creations. Hiervan zijn echter multipele producten. Dus nu annoniem niet aan te geven welke er is gebruikt. Zus gaat met patient kijken of ze dit kunnen achterhalen bij de studie en geven dit dan door aan ons.”\n\n2.8.. Wat opvalt aan deze passage – die ter zitting van 28 november 2024 met [eiseres] is besproken – is dat kennelijk contact is opgenomen met een andere zonnestudio. Niet duidelijk is geworden wat de reden daarvan was en of door [eiseres] geprobeerd is bij de juiste zonnestudio te achterhalen welke producten er zijn gebruikt en of dit vervolgens nog met de behandelaren van het brandwondencentrum is besproken. Wat daarvan ook zij, voor de rechtbank is met de rapporten van [adviseur] en de medisch adviseur van [eiseres] voldoende onzeker geworden dat de schade door een toerekenbare tekortkoming van de zonnestudio is ontstaan. Beschreven is dat en waarom er geen sprake kan zijn van alleen door UV-straling veroorzaakte schade. Het voorgaande ontzenuwt het onder 2.1 bedoelde bewijsvermoeden voldoende.\n\n2.9.. Hetgeen van de zijde van [eiseres] is aangevoerd leidt niet tot een andere uitkomst. De medisch adviseur van [eiseres] heeft geschreven (op 13 augustus 2025) dat hem is verzocht het rapport van [adviseur] ‘medisch inhoudelijk te becommentariëren, dit ook vanuit de vraag of hij hiertoe over de vereiste deskundigheid beschikt’. Dat laatste is volgens de medisch adviseur niet het geval. Vooropgesteld wordt dat de medisch adviseur heeft nagelaten toe te lichten welke kennis en ervaring hij zelf heeft op het gebied van brandwonden en het effect van UV-straling op het lichaam, zodat onduidelijk is welke waarde kan worden gehecht aan zijn beknopt weergegeven reactie. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de deskundigheid van [adviseur] ten aanzien van de hem voorgelegde vragen. De veronderstelling van [eiseres] voorts dat de zonnestudio mogelijk niet het volledige dossier aan [adviseur] heeft verstrekt, maakt ook niet dat geen waarde aan zijn rapport kan worden gehecht. Uit het rapport blijkt niet dat daarin wordt uitgegaan van informatie die strijdig is met het dossier of dat relevante informatie niet bij [adviseur] bekend was. [eiseres] heeft ook niet gesteld dat dit het geval was. De stelling dat [adviseur] [eiseres] niet heeft gezien of onderzocht kan [eiseres] ook niet baten. Op basis van dossierstudie – met onder meer een tussenvonnis waarin de feiten zijn vastgesteld – heeft [adviseur] een oordeel kunnen geven over de hier te beantwoorden vragen. Niet valt in te zien waarom [eiseres] voor beantwoording van deze vragen had moeten worden gezien of onderzocht.\n\n2.10.. Aldus is het tegenbewijs geleverd. Bij deze stand van zaken is de gevorderde verklaring voor recht dat de zonnestudio aansprakelijk is voor de schade van [eiseres] , niet toewijsbaar. Dat betekent dat de vordering zal worden afgewezen, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure op de hierna te melden wijze. Daarbij geldt dat de door de zonnestudio gemaakte deskundigenkosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. De zonnestudio heeft vergoeding van die kosten niet expliciet gevorderd. Op grond van artikel 239 Rv vallen kosten van een partijdeskundige niet onder de proceskosten (tot betaling waarvan de in het ongelijk gestelde partij wordt veroordeeld). Ook komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking op grond van artikel 6:96 lid 2 BW (ECLI:NL:GHARL:2013:9176).\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n3.1.. wijst de vordering af;\n\n3.2.. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van de zonnestudio begroot op € 3.015,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiseres] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet zij € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;\n\n3.3.. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. P.M. de Keuning en in het openbaar uitgesproken op\n\n28 januari 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:4722","2026-03-09T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:55.131Z",20,[11,227,228],2025,2024]