[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-planning-and-zoning-nl-2023":3},{"detail":4,"years":74},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":19,"page":14,"limit":73},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},91,"planning-and-zoning-nl","Planning and Zoning","NL","2026-07-08T16:55:59.488Z",2023,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":14},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":14},4,{"month":23,"count":15},5,{"month":25,"count":14},6,{"month":27,"count":15},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":15},12,[39,53,63],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"567","ECLI:NL:RBOBR:2023:3092","ecli-nl-rbobr-2023-3092","",72,"2023-06-26T00:00:00.000Z","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nZittingsplaats 's-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SHE 22\u002F33\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2023 in de zaak tussen\n \n [eiseres] , uit [vestigingsplaats] , [eiseres]\n\n(gemachtigden: mr. D.S.P. Roelands-Fransen en mr. J. Zweers),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven\n\n(gemachtigde: mr. M.L.M. Lammerschop).\n\nInleiding\n\n1.1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van [eiseres] tegen de weigering van een omgevingsvergunning voor het plaatsen van reclameobjecten aan de [adres] in [plaats] .\n\n1.2. Het college heeft de aanvraag voor de vergunning met het besluit van 15 juni 2021 afgewezen. Met het bestreden besluit van 26 november 2021 op het bezwaar van [eiseres] is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.\n\n1.3. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.4. De rechtbank heeft het beroep op 20 maart 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van [eiseres] en de gemachtigde van het college.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2.1. De rechtbank beoordeelt of het college de weigering van een omgevingsvergunning voor reclameobjecten in stand heeft kunnen gelaten. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van [eiseres] .\n\n2.2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.\n\n3. De rechtbank gaat uit van het volgende.\n\n [eiseres] huurt het pand aan de [adres] te [plaats] (het perceel) en gebruikt dit sinds 1 april 2021 voor bedrijfsactiviteiten.\n\nOp deze locatie heeft bestemmingsplan “Bedrijventerrein Kapelbeemd Acht 2007” betrekking (het bestemmingsplan 2007). Dit bestemmingsplan gold ten tijde van het bestreden besluit. Op 4 april 2022 is bestemmingsplan “Kapelbeemd – GDC – Zuid 2021” vastgesteld (het bestemmingsplan 2021). Het bestemmingsplan 2021 is na het bestreden besluit in werking getreden.\n\nIn het bestemmingsplan 2007 rust op het perceel de bestemming ‘Bedrijfsdoeleinden I’. Artikel 3 van dit bestemmingsplan bepaalt dat het perceel bestemd is voor bedrijven behorende tot de categorieën 3 en 4 zoals genoemd in de \"lijst van Bedrijfsactiviteiten.\"Niet in geschil is dat de bedrijfsactiviteiten van [eiseres] op deze locatie onder een lagere milieucategorie vallen dan daar is voorgeschreven.\n\nTussen partijen is niet in geschil dat de bedrijfsactiviteiten van [eiseres] in strijd zijn met artikel 3 van het bestemmingsplan 2007. Het college wenst geen strijdig gebruik toe te staan voor het door [eiseres] aangevraagde gebruik en heeft de aanvraag daarom afgewezen.\n\nHad het college artikel 3 van het bestemmingsplan 2007 buiten toepassing moeten laten?\n\n4.1. \n [eiseres] stelt dat het college artikel 3 van het bestemmingsplan 2007 bij de beoordeling van de aanvraag buiten toepassing had moeten laten. Daartoe voert [eiseres] als eerste aan dat deze planregel evident in strijd is met artikel 3.1, eerste lid, van de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro). Verder vindt [eiseres] de planregel evident in strijd met de Richtlijn 2016\u002F123\u002FEG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (de Dienstenrichtlijn).\n\n4.2. Het college stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van evidente strijd met hogere regelgeving. Naast dat het college betwist dat er enige strijd is met de genoemde rechtsnormen, betoogt het college dat er in elk geval geen sprake kan zijn van evidente strijd. Dit zou namelijk betekenen dat de rechtbank zonder nader onderzoek moet kunnen vaststellen dat een dergelijke strijd zich voordoet. Volgens het college is dit niet het geval en hoeft hij artikel 3 van het bestemmingsplan 2007 daarom niet buiten toepassing te laten.\n\n4.3. Volgens een vaste lijn in de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), strekt de mogelijkheid om in een procedure die is gericht tegen een besluit omtrent de verlening van een omgevingsvergunning de gelding van de toepasselijke bestemmingsplanregeling aan de orde te stellen, niet zover dat deze regeling aan dezelfde toetsingsmaatstaf wordt onderworpen als de toetsingsmaatstaf die wordt gehanteerd in het kader van de beoordeling van beroepen tegen een vastgesteld bestemmingsplan. Als in een procedure over een vergunning wordt aangevoerd dat de bestemmingsregeling in strijd is met een hogere regeling, de algemene rechtsbeginselen of de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, dient de bestemmingsregeling slechts onverbindend te worden geacht of buiten toepassing te worden gelaten indien die strijd evident is. Bij strijd met hogere regelgeving is voor evidentie onder meer vereist dat die regeling zo concreet is dat deze zich voor toetsing daaraan bij wijze van exceptie leent.De rechtbank dient dan zonder nader onderzoek in te stellen te kunnen vaststellen dat een planregel in strijd is met een hogere rechtsnorm.\n\n5.1. Ten aanzien van evidente strijd met artikel 3.1, eerste lid, van de Wro stelt [eiseres] , samengevat, dat de planregel niet noodzakelijk is ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, althans dat een dergelijke noodzaak niet afdoende in het bestemmingsplan is onderbouwd. Het is volgens [eiseres] niet begrijpelijk waarom een goede ruimtelijke ordening zich verzet tegen het vestigen van bedrijven met een minder zware milieucategorie op het betreffende perceel.\n\n5.2. Het college voert aan dat een zonering op het bedrijventerrein, zoals volgt uit het bestemmingsplan 2007 en de toepasselijke planregels, wel degelijk bijdraagt aan een goede ruimtelijke ordening. Dit maakt een efficiënt ruimtegebruik mogelijk en zorgt voor de nodige afstand tussen bedrijven in zwaardere milieucategorieën enerzijds en woningen en andere gevoelige bebouwing anderzijds. Door percelen alleen te laten gebruiken door bedrijven uit categorie 3 en 4 wordt geborgd dat voor deze bedrijven voldoende vestigingsmogelijkheden beschikbaar blijven.\n\n5.3. De rechtbank komt tot het oordeel dat artikel 3 van het bestemmingsplan 2007 niet evident in strijd is met artikel 3.1, eerste lid, van de Wro. Uit dit artikel 3, in samenhang gelezen met paragraaf 3.2 Bedrijvigheiduit de toelichting op het bestemmingsplan, valt naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk af te leiden wat de ratio achter de beperking in de planregel is en hoe de gemeente Eindhoven daarmee een goede ruimtelijke ordening nastreeft. Voor de stelling dat deze planregel niet, of kenbaar ontoereikend, is gemotiveerd, ziet de rechtbank geen grond. Hierdoor kan geen sprake zijn van evidente strijd met artikel 3.1, eerste lid, van de Wro en zal de rechtbank de overige argumenten hierover onbesproken laten.\n\n6.1. \n [eiseres] stelt dat sprake is van evidente strijd met de Dienstenrichtlijn. Volgens [eiseres] is geheel niet gemotiveerd waarom artikel 3 van het bestemmingsplan 2007 voldoet aan de vereisten in artikel 15, derde lid van de Dienstenrichtlijn, in het bijzonder het vereiste van noodzakelijkheid en evenredigheid.\n\n6.2. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 19 februari 2020,ligt het in een gerechtelijke procedure als deze op de weg van degene die een beroep doet op de Dienstenrichtlijn om te beargumenteren dat sprake is van een eis die een beperking oplevert. Het ligt op de weg van het college om bij de beslissing over het verlenen van een omgevingsvergunning te onderbouwen dat die eis in overeenstemming is met de Dienstenrichtlijn. Het is dus aan het college om te onderbouwen waarom de in het plan neergelegde beperkingen gerechtvaardigd zijn in het licht van de daaraan in de Dienstenrichtlijn gestelde eisen. Daarbij kan het college verwijzen naar de toelichting bij een bestemmingsplan, maar kan het ook, als een dergelijke toelichting ontbreekt, een nadere onderbouwing geven voor de in de planregels opgenomen beperking.\n\n6.3. Voor zover al zou moeten worden aangenomen dat artikel 3 van het bestemmingsplan 2007, vanwege de beperking die daaruit voor [eiseres] voortvloeit, heeft te gelden als een eis in de zin van de Dienstrichtlijn, is de rechtbank van oordeel dat het college de beperkende planregel wel heeft toegelicht en de beperking heeft gemotiveerd in de toelichting op het bestemmingsplan. Het college heeft in het bestreden besluit en tijdens de beroepsprocedure nog een nadere toelichting gegeven. Het college is daarbij ook ingegaan op de noodzakelijkheid en evenredigheid van de beperkende planregel.6.4. Wat betreft de voorwaarde van noodzakelijkheid gaat het om de vraag of de eis gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang. Uit artikel 4, aanhef en onder 8, van de Dienstenrichtlijn volgt dat hiervan sprake kan zijn als een eis wordt gesteld met het oog op de bescherming van het milieu en het stedelijk milieu. Uit overweging 40 van de preambule blijkt dat hier ook stedelijke en rurale ruimtelijke ordening onder valt.De toelichting van het college is al samengevat onder 5.2 weergegeven en naar het oordeel van de rechtbank volstaat deze toelichting om de noodzakelijkheid van de beperking te rechtvaardigen.\n\n6.5. Wat betreft de voorwaarde van evenredigheid gaat het erom dat de eis niet verder mag gaan dan nodig is om het nagestreefde doel te bereiken en dat het doel niet met andere, minder beperkende maatregelen kan worden bereikt. Het college streeft een bepaalde verdeling van bedrijven over een bedrijventerrein na. Dit is vastgelegd in het bestemmingsplan door met zones gebaseerd op milieucategorieën te werken. De rechtbank ziet niet waarom deze zonering verder zou gaan dan hier nodig is, of hoe de gewenste verdeling met minder beperkende maatregelen kan worden bereikt.\n\n6.6. Gelet op voorgaande overwegingen ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de beperking dat bedrijven zich op Bedrijventerrein Kapelbeemd Acht slechts op percelen mogen vestigen met de juiste milieucategorie, ook om vestigingsmogelijkheden voor bedrijven in een zwaardere milieucategorie te behouden, evident niet gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang. Dat betekent dat alleen al daarom geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat deze planregeling evident in strijd is met de Dienstenrichtlijn. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nHad het college de omgevingsvergunning moeten verlenen omdat er geen sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening?\n\n7.1. \n [eiseres] stelt dat zijn bedrijfsactiviteiten op deze locatie niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. [eiseres] meent dat, anders dan wat het college hierover stelt, uit de Bedrijventerreinnota Eindhoven, Brainport, november 2015 (de Bedrijventerreinnota) volgt dat de activiteiten van [eiseres] wel goed passen op Bedrijventerrein Kapelbeemd Acht. Volgens [eiseres] volgt uit de typering als modern gemengd bedrijventerreinen het gegeven dat er op deze locatie ruimte is voorverkleuring(een toename van andere -stedelijke- functies) dat het college niet afdoende heeft gemotiveerd waarom sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening. Daarom heeft het college de omgevingsvergunning niet mogen weigeren.\n\n7.2. Het college betoogt dat de bedrijfsactiviteiten van [eiseres] wel degelijk in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Volgens het college is het van belang om ruimte beschikbaar te houden voor bedrijven behorende tot de categorieën 3 en 4 en zou een vergunningverlening aan [eiseres] hier afbreuk aan doen. Daarnaast handhaaft het college het standpunt dat het toestaan van [eiseres] op deze locatie voor beperkingen kan zorgen ten aanzien van andere bedrijven die wel tot een zwaardere milieucategorie behoren. Tot slot weerspreekt het college dat uit de Bedrijventerreinnota volgt dat de bedrijfsactiviteiten van [eiseres] wel goed passen op Kapelbeemd Acht.\n\n7.3. Uit artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo volgt dat een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan alleen kan worden verleend als de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht.\n\n7.4. De rechtbank is van oordeel dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen toepassing te geven aan de mogelijkheid tot een buitenplanse afwijking op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo, in samenhang met artikel 4, derde, vierde en negende lid van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht. Ten eerste acht de rechtbank het beleid van het college gericht op zonering binnen het bedrijventerrein Kapelbeemd Acht niet onredelijk. Het college mag belang hechten aan een efficiënte indeling van het bedrijventerrein, waarbij zowel aandacht is voor afstand tot gevoelige objecten als voor voldoende ruimte voor bedrijven uit milieucategorieën 3 en 4. De rechtbank kan hierbij volgen dat aan het belang van de aanvraag van [eiseres] minder gewicht wordt toegekend. Anders dan [eiseres] ziet de rechtbank ook geen aanleiding voor het standpunt dat dit beleid niet overeenkomt met het gestelde in de Bedrijventerreinnota. Zo volgt uit de classificatie modern gemengden de mogelijkheden totverkleuringniet dat de gehanteerde zonering niet in redelijkheid kan worden nagestreefd. Uit de passages over zware bedrijvigheid en conserverend beleidvolgt volgens de rechtbank niet dat er geen mogelijkheden zijn voor nieuwe bedrijven uit milieucategorieën 3 en 4 om zich te vestigen op Bedrijventerrein Kapelbeemd Acht. Er wordt juist met nadruk aandacht gevraagd voor dergelijke bedrijven en het college wordt opgeroepen hier actief beleid op te voeren. De rechtbank ziet in de Bedrijventerreinnota daarom eerder een onderschrijving van het beleid van het college op bedrijventerrein Kapelbeemd Acht, dan van strijd hiermee. De beroepsgrond slaagt niet.\n\n7.5. \n [eiseres] voert in dit kader verder aan dat het college het (ontwerp) bestemmingsplan 2021 ten onrechte als toetsingskader heeft gebruikt voor de goede ruimtelijke ordening. De rechtbank kan het verweer van het college op dit punt volgen dat het (ontwerp) bestemmingsplan 2021 niet als toetsingskader is gehanteerd maar is meegenomen bij de belangenafweging over een goede ruimtelijke ordening en het eventueel toestaan van verkleuring. De rechtbank is van oordeel dat het college dit in redelijkheid op deze wijze heeft mogen meewegen, omdat het (ontwerp) bestemmingsplan 2021 een indicatie geeft welke plannen de gemeente in de nabije toekomst met het bedrijventerrein heeft. De beroepsgrond slaagt niet.\n\n7.6. Ter zitting bleken [eiseres] en het college van opvatting te verschillen tot welke milieucategorie de drukkerij behoorde die voorheen op het perceel gevestigd was. Naar het oordeel van de rechtbank kan de uitkomst hiervan niet tot een ander resultaat leiden. De kwestie heeft namelijk geen relevante invloed op de vraag of hier sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. [eiseres] krijgt daarom het griffierecht niet terug. [eiseres] krijgt ook geen vergoeding van de proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. W.S. Badri, rechter, in aanwezigheid van mr. A.G.M. Willems, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2023.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving\n\nWet ruimtelijke ordening\n\nArtikel 3.1\n\n1. De gemeenteraad stelt voor het gehele grondgebied van de gemeente een of meer\n\nBestemmingsplannen vast, waarbij ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening de bestemming van de in het plan begrepen grond wordt aangewezen en met het oog op die bestemming regels worden gegeven. Deze regels betreffen in elk geval regels omtrent het gebruik van de grond en van de zich daar bevindende bouwwerken. Deze regels kunnen tevens strekken ten behoeve van de uitvoerbaarheid van in het plan opgenomen bestemmingen, met dien verstande dat deze regels ten aanzien van woningbouwcategorieën uitsluitend betrekking hebben op percentages gerelateerd aan het plangebied.\n\n[…]\n\nBestemmingsplan “Bedrijventerrein Kapelbeemd Acht 2007”\n\nArtikel 3 Bedrijfsdoeleinden I\n\n3.1. Bestemmingsomschrijving\n\nDe op de plankaart voor bedrijfsdoeleinden I aangewezen gronden zijn bestemd voor:\n\na. bedrijven behorende tot de categorieën 3 en 4 zoals genoemd in de \"lijst van\n\nbedrijfsactiviteiten\" met uitzondering van geluidszoneringsplichtige inrichtingen en met\n\ninbegrip van risicovolle inrichtingen, uitsluitend voorzover bestaand;\n\nb. bedrijven behorende tot de categorieën 1, 2 en 5, uitsluitend voorzover bestaand;\n\nc. kantooractiviteiten voorzover ondergeschikt aan de bedrijven vermeld onder a en b;\n\nd. productiegebonden detailhandel deel uitmakende van bedrijven vermeld onder a en b,, met uitzondering van detailhandel in voedings – en genotmiddelen;\n\nmet de daarbijbehorende:\n\ne. tuinen, erven en terreinen;\n\nf. parkeervoorzieningen;\n\ng. groenvoorzieningen;\n\nh. wegen, straten en paden;\n\ni. water;\n\nj. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;\n\nk. voorzieningen van openbaar nut.\n\n[…]\n\n3.4. Gebruiksvoorschriften\n\n3.4.1.. \n\nGebruiksverbod\n\nHet is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met deze bestemming.3.4.2.. \n\nStrijdig gebruik\n\nTot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals vermeld in lid 3.4.1 wordt in ieder geval gerekend:\n\na. het gebruik van bedrijfsgebouwen voor bewoning;\n\nb. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel, anders dan\n\nvermeld in lid 3.1 sub d;\n\nc. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting.3.4.3.. \n\nVrijstellingsbevoegdheid\n\nBurgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het bepaalde in lid 3.4.1, en:\n\na. tevens bedrijven toestaan, die niet voorkomen in de \"lijst van bedrijfsactiviteiten\" of op\n\ngrond van deze lijst jo. deze voorschriften niet zijn toegestaan doch die naar de aard en de\n\ninvloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met bedrijven die zijn genoemd in \"lijst van\n\nbedrijfsactiviteiten\" onder de categorieën 3 en 4;\n\nb. risicovolle inrichtingen toestaan, mits de PR10 contour van die inrichting valt binnen\n\nde eigen perceelsgrens.3.4.4.. \n\nVrijstelling voor meest doelmatig gebruik\n\nBurgemeester en wethouders verlenen vrijstelling van het bepaalde in lid 3.4.1 indien strikte\n\ntoepassing daarvan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, welke\n\nbeperking niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.\n\n3.5. Procedurebepaling\n\nBij het nemen van een beslissing omtrent vrijstelling als vermeld in lid 3.4.3 nemen burgemeester en wethouders de volgende regels in acht:\n\na. het ontwerp-besluit ligt, met bijbehorende stukken, gedurende twee weken ter inzage;\n\nb. van de ter inzage legging wordt tevoren in één of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen,\n\nof op een andere geschikte wijze kennisgegeven;\n\nc. de kennisgeving houdt mededeling in van de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen;\n\nd. gedurende de onder a genoemde termijn kunnen belanghebbenden bij het college van\n\nburgemeester en wethouders zienswijzen indienen tegen het ontwerp-besluit.\n\n3.6. Strafbepaling\n\nOvertreding van het bepaalde in lid 3.4.1 wordt aangemerkt als een strafbaar feit in de zin van artikel 1a, onder 2 van de Wet op de economische delicten.\n\nToelichting op bestemmingsplan “Bedrijventerrein Kapelbeemd Acht 2007”\n\nBestemming “Bedrijfsdoeleinden I ” (artikel 3)\n\nDeze bestemming is toegekend aan de gronden in het plangebied waar bedrijven zijn toegestaan in de milieucategorie 3 en 4 als bedoeld in de bij deze voorschriften behorende “Lijst van bedrijfsactiviteiten”. Deze lijst is gebaseerd op de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering”. Bedrijven in de overige categorieën zijn alleen toegestaan voorzover het gaat om bestaande bedrijven. Er kan vrijstelling worden verleend ten behoeve van bedrijven die niet voorkomen op de “Lijst van bedrijfsactiviteiten” doch die naar de aard en de invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met bedrijven die wel zijn genoemd. Bedrijven die ingevolge de Wet geluidhinder geluidszoneringsplichtig zijn, zijn uitgesloten. Ten aanzien van risicovolle bedrijven geldt dat bestaande risicovolle bedrijven zijn toegestaan, nieuwe risicovolle bedrijven zijn middels vrijstelling toegelaten.\n\n Zie bijvoorbeeld de Afdeling, 24 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2440.\n\n ECLI:NL:RVS:2020:520\n\n Zie bijvoorbeeld de Afdeling, 15 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1020, onder 11.6.\n\n p. 28, p. 36 en p. 44-45 van de Bedrijventerreinnota.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2023:3092","2023-06-23T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:37.080Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":51,"updatedAt":62},"622","ECLI:NL:RBNNE:2023:1529","ecli-nl-rbnne-2023-1529",65,"2023-04-13T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nBestuursrecht\n\nlocatie Groningen\n\nzaaknummers: LEE 21\u002F2044 en 22\u002F1347\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van de rechtbank van 13 april 2023 in de zaken tussen\n\n [eiser], te [plaats], eiser,\n\n(gemachtigde: mr. R.J. Skala),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, verweerder,\n\n(gemachtigde: mr. J.P. Ketelaar).\n\nAls derde-partijheeft aan het geding deelgenomen: [belanghebbende], te [plaats], vergunninghouder,\n\n(gemachtigde: mr. R.S. Wertheim).\n\nProcesverloop\n\nInzake LEE 21\u002F2044\n\nBij besluit van 26 november 2019 (het primaire besluit I) heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) verleend voor het aanleggen van een vaarverbinding met bijbehorend pad tussen het Paterwoldsemeer en de woningen, gelegen aan de [adres] te [plaats].\n\nBij besluit van 19 mei 2021 (het bestreden besluit I) heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit I van 26 november 2019 onder een aanvullende motivering gehandhaafd.\n\nTegen het bestreden besluit I heeft eiser beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder het procedurenummer LEE 21\u002F2044.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nInzake LEE 22\u002F1347\n\nBij besluit van 21 juli 2021 (het primaire besluit II) heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning ingevolge de Wabo verleend voor het oprichten van een ophaalbrug op de locatie, [adres] te [plaats] in verband met een aan te leggen vaarverbinding naar het Paterswoldsemeer vanaf een aantal woningen aan de Meerweg in Haren.\n\nTegen het primaire besluit II heeft eiser bezwaar gemaakt. Tevens heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek om voorlopige voorziening is geregistreerd onder het procedurenummer LEE 21\u002F2523. Bij uitspraak van 13 september 2021 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.\n\nBij besluit van 7 maart 2022 (het bestreden besluit II) heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard en de bij het primaire besluit II verleende omgevingsvergunning gewijzigd, in die zin dat de omgevingsvergunning is verleend in afwijking van het bestemmingsplan “Ecologische Hoofdstructuur en recreatieterrein zuidoostzijde Paterswoldsemeer”.\n\nTegen het bestreden besluit II heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank. Dit beroep is geregistreerd onder het procedurenummer 22\u002F1347.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nDe zaken zijn gelijktijdig behandeld op de zitting van 7 maart 2023. Tijdens deze zitting zijn tevens de zaken met procedurenummers LEE 21\u002F1920 en 22\u002F1427 behandeld. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, mr. R.R. Top-van Houdt en J. Hortensius. Vergunninghouder is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.\n\nVoor het doen van uitspraak zijn de zaken met de procedurenummers LEE 21\u002F2044 en 22\u002F1347 gesplitst van de zaken met de procedurenummers LEE 21\u002F1920 en 22\u002F1427.\n\nFeiten en omstandigheden\n\n1. Bij haar oordeelsvorming betrekt de rechtbank de navolgende feiten en omstandigheden.\n\nInzake LEE 21\u002F2044\n\n1.1. In 2018 is door de raad van de voormalige gemeente Haren een voorbereidingsbesluit vastgesteld om het beoogde recreatieterrein achter de bestaande recreatiewoningen aan de zuid-oostzijde van het Paterswoldsemeer toe te voegen aan het bestemmingsplan EHS. In dit voorbereidingsbesluit is ook vastgelegd dat aan enkele bewoners van de Meerweg destijds is toegezegd dat de door hen gewenste vaarverbinding zou worden gefaciliteerd. Voorafgaand aan dit voorbereidingsbesluit hebben diverse procesafspraken plaatsgevonden op het gemeentehuis met de afdeling ontwikkeling, bewoners van de Meerweg en leden van recreatiewoningen “Ol Veen” en het Meerschap Paterswolde. Deze vaarverbinding is vervolgens in nauw overleg met de provincie Groningen tot stand gekomen, gelet op het aanwezige NNN-gebied.\n\nTevens is overleg gevoerd met de eigenaar van het adres Meerweg 205, die in het bezit is van een vergunning voor een alternatieve vaarverbinding van zijn perceel aan de Meerweg naar het Paterswoldsemeer. Dit overleg (met als doel om te komen tot een gemeenschappelijke vaarverbinding) heeft echter niet tot het gewenste resultaat geleid zodat een besluit moest worden genomen omtrent het verlenen van de vergunning voor de gevraagde vaarverbinding.\n\n1.2. Vergunninghouder heeft op 9 juni 2020 een aanvraag om omgevingsvergunning (eerste fase) bij verweerder ingediend voor het aanleggen van een vaarverbinding met bijbehorend pad tussen het Paterwoldsemeer en de woningen, gelegen aan de [adres] te Haren. Deze aanvraag om omgevingsvergunning heeft betrekking op de navolgende activiteit:\n\n- het uitvoeren van een werk of werkzaamheden.\n\n1.3. Bij primair besluit I van 26 november 2019 heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning ingevolge de Wabo verleend voor het aanleggen van een vaarverbinding met bijbehorend pad tussen het Paterwoldsemeer en de woningen, gelegen aan de [adres] te [plaats].\n\n1.4. De commissie heeft verweerder bij brief van 22 april 2021 geadviseerd om de bezwaren van eiser ongegrond te verklaren en het primaire besluit I van 26 november 2020 onder een aanvullende motivering te handhaven.\n\n1.5. Onder overneming van het advies van de commissie heeft verweerder met het bestreden besluit I de bezwaren van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit I van 26 november 2020 onder een aanvullende motivering gehandhaafd.\n\nInzake LEE 22\u002F1347\n\n1.6. Vergunninghouder heeft op 21 december 2020 een aanvraag om omgevingsvergunning bij verweerder ingediend voor het oprichten van een ophaalbrug op de locatie, [adres] te Haren (Gn.) in verband met een aan te leggen vaarverbinding naar het Paterswoldsemeer vanaf een aantal woningen aan de Meerweg in Haren.\n\n1.7. Bij primair besluit II van 21 juli 2021 heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning ingevolge de Wabo verleend voor het oprichten van een ophaalbrug op de locatie, [adres] te [plaats] in verband met een aan te leggen vaarverbinding naar het Paterswoldsemeer vanaf een aantal woningen aan de Meerweg in Haren.\n\n1.8. De commissie heeft verweerder bij brief van 15 februari 2022 geadviseerd om de bezwaren van eiser ongegrond te verklaren en het primaire besluit II gewijzigd in stand te laten onder aanvulling van de motivering en het opnemen van voorschriften. Verder heeft de commissie in voormelde brief aan verweerder geadviseerd om de omgevingsvergunning te verlenen onder afwijking van het bestemmingsplan “Ecologische Hoofdstructuur en recreatieterrein zuidoostzijde Paterswoldsemeer”.\n\n1.9. Onder overneming van het advies van de commissie heeft verweerder met het bestreden besluit II de bezwaren van eiser ongegrond verklaard en de bij het primaire besluit II verleende omgevingsvergunning gewijzigd, in die zin dat de omgevingsvergunning is verleend in afwijking van het bestemmingsplan “Ecologische Hoofdstructuur en recreatieterrein zuidoostzijde Paterswoldsemeer” met toepassing van artikel 4, derde lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor).\n\nToepasselijke regelgeving\n\n2. De relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.\n\nOverwegingenInzake LEE 21\u002F2044\n\nHet geschil\n\n3. Tussen partijen is in geschil of verweerder terecht en op juiste gronden een omgevingsvergunning heeft verleend voor het aanleggen van een vaarverbinding met bijbehorend pad tussen het Paterwoldsemeer en de woningen, gelegen aan de [adres] te [plaats]. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.\n\nTen aanzien van de goede procesorde\n\n4. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser naar voren gebracht dat de door de gemachtigde van eiseres in procedurenummers LEE 21\u002F1920 en 21\u002F1427 naar voren gebrachte gronden als herhaald en ingelast dienen te worden beschouwd, indien de rechtbank tot het oordeel komt dat eiseres in die procedures geen procesbelang meer heeft.\n\n4.1.. Verweerder en vergunninghouder hebben naar aanleiding daarvan ter zitting gesteld dat dit in strijd komt met de beginselen van een goede procesorde.\n\n4.2.. Naar het oordeel van de rechtbank komt het verzoek van de gemachtigde van eiser eerst ter zitting om de gronden van eiseres van overeenkomstige toepassing te verklaren zonder een nadere toelichting en zonder te specificeren om welke gronden het gaat in strijd met de beginselen van een goede procesorde. Dit brengt met zich dat de rechtbank het verzoek van de gemachtigde van eiser afwijst en de gestelde van overeenkomstige toepassing zijnde gronden van beroep buiten beschouwing zal laten.\n\nTen aanzien van de relativiteit\n\n5. Eiser betoogt dat er onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de omliggende percelen. In dit verband wijst eiser erop dat de te graven vaarverbinding de zonneweide en het strandje grenzend aan het Paterswoldsemeer zal doorsnijden en dat hierdoor de recreatieve capaciteit voor dagrecreanten voor een groot deel (30%) zal worden ingeperkt.\n\n5.1.. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de door eiser gestelde schending van het belang van de dagrecreanten niet een belang is dat in deze beroepsprocedure aan de rechtbank ter toetsing kan worden voorgelegd, aangezien het hier niet gaat om een persoonlijk belang van eiser. In dit verband wijst verweerder erop dat uit artikel 8.69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat eiser in deze procedure uitsluitend kan opkomen voor zijn eigen belangen en niet ook voor de belangen van anderen.\n\n5.2.. Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, als deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009\u002F10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin eiser door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van eiser.\n\n5.3.. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de norm waarop eiser zijn gestelde schending van de belangen van de dagrecreanten baseert, niet geschreven is ter bescherming van zijn persoonlijke belangen. Omdat de beroepsgrond van eiser gezien het relativiteitsvereiste in zoverre niet tot vernietiging van het bestreden besluit I kan leiden, ziet de rechtbank af van een inhoudelijke bespreking daarvan (vgl. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS) 30 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:900).\n\nTen aanzien van een alternatief\n\n6. Eiser stelt voor om het oost-west gedeelte van de vaarweg iets meer richting het zuiden aan te leggen.\n\n6.1.. \n\nVerweerder stelt zich op het standpunt dat met dit door eiser voorgestelde alternatieve tracé niet hetzelfde resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder\n\nbezwaren. In dit verband wijst verweerder erop dat in dit alternatief het oost-west gedeelte van de vaarweg ongeveer 20 meter zuidelijker zou komen te liggen, ongeveer ter hoogte van de huidige sloot op het perceel van de eigenaar van Meerweg 205.\n\n6.2.. De rechtbank stelt voorop dat als uitgangspunt heeft te gelden dat verweerder beslist op de aanvraag om omgevingsvergunning, zoals die is ingediend. Indien een plan op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door de verwezenlijking van die alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren (vgl. AbRvS, 20 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2510).\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een alternatief waarbij een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Hierbij acht de rechtbank van belang dat het door eiser naar voren gebrachte alternatief door verweerder is beoordeeld en vergeleken met de aangevraagde variant. Daarbij heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in aanmerking kunnen nemen dat het door eiser naar voren gebrachte alternatief als nadeel heeft dat een groot deel van de zonneweide en het strandje aan het Paterswoldsemeer doorkruist worden door dit alternatieve tracé en dat dit voor het Meerschap Paterswolde als eigenaar van de grond reden was om hieraan geen medewerking te verlenen. Hieruit volgt dat met het door eiser naar voren gebrachte alternatief niet een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt. Deze grond van eiser slaagt niet.\n\nTen aanzien van de aanlegvergunning voor het pad\n\n7. Eiser betoogt dat verweerder ten onrechte geen aanlegvergunning voor het pad heeft verleend voor zover dit zich ten zuiden van de vaarweg bevindt. In dit verband wijst eiser erop dat dit pad naar zijn mening aanlegvergunningplichtig is omdat het aanbrengen van oppervlakteverhardingen aanlegvergunningplichtig is.\n\n7.1.. \n\nVerweerder stelt zich op het standpunt dat uitsluitend een aanlegvergunning is vereist voor het pad voor zover dat is gelegen in de bestemming “Agrarisch met\n\nwaarden” van de beheersverordening Paterswoldsemeer (dat is het deel van het pad dat\n\nis gelegen ten westen van de vaarweg, daar waar de vaarweg van zuid naar noord\n\nloopt). Daar waar het pad ten zuiden van de vaarweg ligt, geldt volgens verweerder voor het meest westelijke deel daarvan de bestemming “Recreatie-Dagrecreatie” uit de beheersverordening Paterswoldsemeer. Deze bestemming kent in de visie van verweerder geen aanlegvergunningstelsel. Voor het overige deel van het pad zuidelijk van de vaarweg, geldt volgens verweerder de bestemming “Natuur” uit het bestemmingsplan EHS. Naar de mening van verweerder valt de aanleg van het pad niet onder de in artikel 3.4 van dit bestemmingsplan genoemde vergunningplichtige activiteiten. In dit verband wijst verweerder erop dat artikel 3.4 onder a, sub 4, van de planregels van dit bestemmingsplan weliswaar bepaalt dat een aanlegvergunning vereist is voor het aanbrengen van oppervlakteverhardingen, maar dat uit de aanvraag blijkt dat er sprake is van een onverhard pad, zodat op grond van deze bepaling geen aanlegvergunningplicht geldt.\n\n7.3.. Artikel 3 van het bestemmingsplan “EHS en recreatieterrein Zuidoostzijde Paterswoldsemeer” luidt als volgt:\n\n1. De voor Natuur aangewezen gronden zijn bestemd voor:\n\na. het behoud, het herstel en\u002Fof de ontwikkeling van de natuurwetenschappelijke en landschappelijke waarden, in het bijzonder gericht op ontwikkeling en instandhouding van een robuuste ecologische verbindingszone (EHS);\n\nb. waterhuishoudkundige doeleinden, waaronder kaden en dijken mede zijn begrepen;\n\nmet daaraan ondergeschikt:\n\nc. recreatief medegebruik en extensief agrarisch medegebruik.\n\n(…)\n\n4.a. Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren, te doen en te laten uitvoeren:\n\n1. het egaliseren en ophogen van gronden anders dan ten behoeve van de ontwikkeling van natuur of in verband met de waterhuishouding.\n\n7.4.. De rechtbank stelt vast dat de aanvraag om omgevingsvergunning betrekking heeft op het aanleggen van een vaarverbinding met bijbehorend pad. Verder wordt vastgesteld dat verweerder uit deze aanvraag om omgevingsvergunning heeft afgeleid dat er geen sprake is van aanlegvergunningplichtige activiteiten op grond van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de planregels van het bestemmingsplan “EHS en recreatieterrein zuidoostzijde Paterswoldsemeer” omdat het een onverhard pad betreft. De rechtbank volgt verweerder niet in deze stelling. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat er bij de aanleg van het bijbehorende pad geen sprake is van het egaliseren van gronden, als bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de planregels van voormeld bestemmingsplan. Hieruit volgt dat eiser terecht betoogt dat er sprake is van een aanlegvergunningplicht voor het bijbehorende pad ten zuiden van de aan te leggen vaarverbinding. Dit brengt met zich dat het bestreden besluit in strijd komt met artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de planregels van voormeld bestemmingsplan. Deze grond van eiser slaagt.\n\nTen aanzien van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen\n\n8. Eiser betoogt dat het verlenen van de aanlegvergunning voor de voorgenomen vaarwegverbinding voor een onevenredige afbreuk van de gebruiksmogelijkheden van zijn perceel zorgt. In dit verband wijst eiser erop dat het realiseren van de vaarwegverbinding ertoe bijdraagt dat de toegang tot zijn perceel wordt weggenomen. Bovendien meent eiser dat ook de toegang tot het perceel van hulpdiensten, zoals de brandweer en\u002Fof een ambulance, niet langer mogelijk wordt door het aanleggen van de vaarwegverbinding. Dit wordt ook bemoeilijkt door hier een voorgenomen brug over te plaatsen). Verweerder alsmede de vergunninghouder hebben te kennen gegeven dat de toegang tot het perceel van eiser kan worden hersteld, door hiervoor naderhand dus een brug aan te leggen. Het zou hierbij gaan om een ophaalbrug die door de vergunninghouder zelf zal worden beheerd, aldus eiser. In de visie van eiser is dit niet wenselijk, omdat hij voor de toegang tot het perceel daardoor afhankelijk wordt van derden. Ook zet hij vraagtekens bij de veiligheid van het beheer en onderhoud van een dergelijke constructie door een partij die daarin vrijwel geen enkele deskundigheid heeft. Verder is het volgens eiser nog maar de vraag of de eerdergenoemde hulpdiensten nog bij het perceel kunnen komen wanneer beheer en het onderhoud van de brug in beheer wordt gebracht bij de initiatiefnemer zelf. Naar de mening van eiser heeft verweerder in het bestreden besluit op dit punt geen enkele reactie naar voren gebracht, hetgeen in strijd is met de beginselen van behoorlijk bestuur. Meer specifiek wijst eiser op het bepaalde in artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.\n\n8.1.. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de aanleg van de vaarwegverbinding een beperkte ruimtelijke uitstraling heeft en dat er geen sprake is van een onevenredige afbreuk van de gebruiksmogelijkheden van het perceel van eiser. In dit verband wijst verweerder erop dat uit de feitelijke situatie naar voren komt dat de relatief smalle, deels onverharde, toegangsweg niet bedoeld en geschikt is voor grote en zware voertuigen. Ook uit de betreffende koopovereenkomst tussen het Meerschap en een aantal eigenaren van de recreatiewoningen blijkt dat de toegangsweg uitsluitend bedoeld is voor het gebruik door personenauto’s, bestelauto’s, (brom\u002Fmotor)fietsers en voetgangers, aldus verweerder. Volgens verweerder gebeurt het gebruik van de weg door grote en zware vrachtvoertuigen wel incidenteel, maar is dit alleen mogelijk met behulp van rijplaten. Verder wijst verweerder erop dat gezien het beperkte privégebruik door vier huishoudens van de aan te leggen vaarweg de brug in het vaarseizoen hooguit een aantal malen per dag gedurende korte tijd (enkele minuten) geopend zal zijn. In de visie van verweerder kan niet worden uitgesloten dat de eigenaren\u002Fgebruikers van deze recreatiewoningen tijdens het vaarseizoen met enige regelmaat gedurende korte tijd zullen moeten wachten voor een geopende brug, maar deze omstandigheid brengt niet met zich dat de belangen van eiser hierdoor onevenredig worden geschaad. Hoewel de vrees voor een defect aan de brug terecht is, is verweerder van mening dat de kans klein is dat er een defect zal optreden, waar eiser mogelijk last van zal hebben. In dit verband wijst verweerder erop dat een defect waardoor eiser mogelijk zal worden geraakt, zich alleen zal voordoen als dit defect optreedt bij een geopende brug, want een defect dat optreedt bij een gesloten brug raakt alleen vergunninghouder en de andere gebruikers van de vaarweg, aangezien de brug in dat geval niet meer omhoog gebracht kan worden. Aangezien de brug in het vaarseizoen slechts korte tijd per dag geopend zal zijn, zal ook de kans op een eiser benadelend defect klein zijn. Voor het geval een dergelijk defect onverhoopt toch optreedt, dan kan de brug handmatig met een lier in de uitgangspositie worden teruggebracht, aldus verweerder. In dit kader acht verweerder van belang dat door de fabrikant van de brug is bevestigd dat er een dergelijke veiligheidsvoorziening zal worden aangebracht bij de aanleg van de brug en dit is als voorschrift aan de vergunning verbonden.\n\n8.2.. Daarnaast wijst verweerder erop dat de brug toegankelijk is voor ambulances. Ten aanzien van de bereikbaarheid van de recreatiewoningen voor de brandweer is het volgens verweerder opmerkelijk dat eiser stelt dat de bereikbaarheid voor de brandweer zal verslechteren door de aanleg van de brug en de vaarweg en daarbij geheel voorbij gaat aan het feit dat uit de bevindingen van de brandweer is gebleken dat er juist in de huidige situatie een zeer grote kans is dat de brandweer de recreatiewoningen niet (tijdig) kan bereiken met blusmateriaal. In dit verband wijst verweerder erop dat door de brandweer, die de situatie ter plekke in ogenschouw heeft genomen, is geconstateerd dat het onzeker is of een (zware met water gevulde) blusauto de recreatiewoningen zal kunnen bereiken over de deels onverharde toegangsweg. Bovendien is er volgens verweerder in de huidige situatie in de nabijheid geen mogelijkheid om bluswater in te nemen, omdat het Paterswoldsemeer vanaf de toegangsweg niet goed bereikbaar is voor een blusauto en de dichtstbijzijnde brandkraan 170 meter is verwijderd van de plek waar de brug wordt aangelegd. In de visie van verweerder blijkt dit uit het advies van de Veligheidsregio. Verder wijst verweerder erop dat de Veiligheidsregio positief heeft geadviseerd over de aanleg van een brug, onder de voorwaarde dat er een opstelplaats voor de brandweer wordt gerealiseerd, die voldoet aan bijlage 4 van de Handleiding Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening regio Groningen. Daarbij acht verweerder van belang dat vergunninghouder heeft verklaard een dergelijke waterwin- en opstelplaats aan te zullen leggen en in het bestreden besluit I is dit als voorschrift verbonden aan de vergunning.\n\n8.3.. Wat betreft de belangenafweging in het kader van een goede ruimtelijke ordening, zal de rechtbank het project in zijn geheel bezien met inbegrip van de rol van de aanleg van de brug daarin. De rechtbank overweegt dat in de met betrekking tot deze omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan te maken belangenafweging daarbij uitsluitend de gevolgen van de afwijkingen van het bestemmingsplan dienen te worden meegewogen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom de belangen van vergunninghouder zwaarder dienen te wegen dan de belangen van eiser voor wat betreft de gebruiksmogelijkheden van zijn perceel. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat door verweerder niet inzichtelijk en duidelijk is gemaakt hoe vaak per dag door vergunninghouder en de overige eigenaren van de vier woningen aan de Meerweg gebruik gemaakt zal worden van de aan te leggen brug, terwijl eiser voor wat betreft de bereikbaarheid en de toegankelijkheid van zijn perceel afhankelijk zal worden van de brugbediening door derden, waaronder vergunninghouder. Nu verweerder niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe vaak gebruik gemaakt zal worden van de aan te leggen brug, is het bestreden besluit voor wat betreft de belangenafweging in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb tot stand gekomen. Hieruit volgt dat het bestreden besluit voor wat betreft de belangenafweging op een ondeugdelijke motivering berust hetgeen strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb oplevert. Dit betekent dat deze grond van eiser slaagt. Ook om die reden is het beroep van eiser gegrond.\n\nInzake LEE 22\u002F1347\n\nHet geschil\n\n9. Tussen partijen is in geschil of verweerder een omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen voor het oprichten van een ophaalbrug op de locatie, [adres] te [plaats] in verband met een aan te leggen vaarverbinding naar het Paterswoldsemeer vanaf een aantal woningen aan de [adres] in [plaats]. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.\n\nTen aanzien van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen\n\n10. Aan het bestreden besluit II heeft verweerder ten grondslag gelegd dat zware en grote vrachtvoertuigen weliswaar geen gebruik kunnen maken van de brug, maar dat met de toegestane belastbaarheid van de brug van 5.100 kg de recreatiewoningen voldoende toegankelijk zijn. Met deze belastbaarheid kunnen de meest gangbare voertuigen - waaronder personenauto’s, (grote) bestelauto’s en kleine vrachtauto’s - de recreatiewoningen bereiken. Ook is gebleken dat de brug toegankelijk is voor ambulances. Verder blijkt uit de betreffende koopovereenkomst tussen het Meerschap en een aantal eigenaren van de recreatiewoningen dat de toegangsweg uitsluitend bedoeld is voor gebruik door personenauto’s, bestelauto’s, (brom\u002Fmotor)fietsers en voetgangers. Daarbij is in aanmerking genomen dat de toegangsweg waarin de brug zal worden aangebracht, geen openbare weg is die normale verkeersstromen moet verwerken, maar een niet-openbare weg die slechts zeven recreatiewoningen ontsluit. Bovendien betreft het een relatief smalle, niet geasfalteerde weg die niet bedoeld en geschikt is voor grote en zware voertuigen. Verder is daarbij in aanmerking genomen dat de belangen van eisers niet onevenredig worden geschaad. Er is geen sprake van strijd met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij is in overweging genomen dat de brug alleen in het vaarseizoen zal worden gebruikt en alleen door bewoners van de vier woningen aan de Meerweg. Door dit niet-openbare gebruik zal de brug (alleen tijdens het vaarseizoen) enkele malen per dag gedurende enkele minuten geopend zijn. Van een onaanvaardbare belemmering van de toegankelijkheid van de recreatiewoning van eiser is geen sprake.\n\n10.1.. \n\nEiser betoogt dat het gestelde geringe gebruik van de vaarweg en de daarin gelegen brug uitgaat van de veronderstelling dat er slechts één schip per woning zal zijn. Dat is in tegenspraak met het aantal feitelijk aanwezige aantal personen dat in staat zal zijn met een\n\nschip gebruik te maken van de vaarweg, aldus eiser. Dat zullen minimaal twee volwassenen zijn met een aantal kinderen. Dat impliceert volgens eiser tenminste twee schepen per woning. Dat aantal zal snel toenemen als de kinderen de leeftijd van acht jaren hebben bereikt en ieder kind zijn eigen zeilboot(je) zal varen. Thans uitgaan van drie schepen per woning, acht eiser een reële optie en impliceert reeds een gemiddeld openstaan van de brug\n\nvan tenminste 60 minuten per dag. Daarmede wordt de gestelde beperkte hinder voor eiser en de andere eigenaren van de recreatiewoningen tot een aanmerkelijke niet meegewogen hinder. Daarbij moet in de visie van eiser ook bezien worden wat de gemiddelde openingstijd zal zijn voor het passeren van een schip. Eiser is van mening dat voor iedere keer openen van de brug voor het landverkeer een vertraging ontstaat van tien minuten. Eiser berekent dan\n\nmaximaal 24 x openen gedurende 10 minuten, zijnde een stremming van vier uur per dag. Daarenboven zijn de scheepsbewegingen volgens eiser niet beperkt tot een vaarseizoen,\n\nmaar vinden die gedurende het hele jaar plaats. Alleen bij ijsgang zal het gebruik van de\n\nvaarweg en de brug niet mogelijk zijn. In de visie van eiser schetst verweerder een onjuist beeld, waaruit niet de conclusies kunnen worden getrokken, die verweerder trekt. Het openen van de brug zal voor eiser en de overige eigenaren van de recreatiewoningen aanmerkelijke hinder veroorzaken. Die hinder zal slechts toenemen bij de groei van het aantal schepen per woning en in het geval van niet voorziene calamiteiten ten gevolge van incidenten.\n\n10.2.. Verweerder stelt zich op het standpunt dat zware en grote vrachtvoertuigen weliswaar geen gebruik kunnen maken van de brug, maar dat met de toegestane belastbaarheid van de brug van 5.100 kg de recreatiewoningen voldoende toegankelijk zijn. Ook uit de betreffende koopovereenkomst tussen het Meerschap en een aantal eigenaren van de recreatiewoningen blijkt dat de toegangsweg uitsluitend bedoeld is voor het gebruik door personenauto’s, bestelauto’s, (brom\u002Fmotor)fietsers en voetgangers, aldus verweerder. Volgens verweerder gebeurt het gebruik van de weg door grote en zware vrachtvoertuigen wel incidenteel, maar is dit alleen mogelijk met behulp van rijplaten. Verder wijst verweerder erop dat gezien het beperkte privégebruik door vier huishoudens van de aan te leggen vaarweg de brug in het vaarseizoen hooguit een aantal malen per dag gedurende korte tijd (enkele minuten) geopend zal zijn. In de visie van verweerder kan niet worden uitgesloten dat de eigenaren\u002Fgebruikers van deze recreatiewoningen tijdens het vaarseizoen met enige regelmaat gedurende korte tijd zullen moeten wachten voor een geopende brug, maar deze omstandigheid brengt niet met zich dat de belangen van eiser hierdoor onevenredig worden geschaad. Hoewel de vrees voor een defect aan de brug terecht is, is verweerder van mening dat de kans klein is dat er een defect zal optreden, waar eiser mogelijk last van zal hebben. In dit verband wijst verweerder erop dat een defect waardoor eiser mogelijk zal worden geraakt, zich alleen zal voordoen als dit defect optreedt bij een geopende brug, want een defect dat optreedt bij een gesloten brug raakt alleen vergunninghouder en de andere gebruikers van de vaarweg, aangezien de brug in dat geval niet meer omhoog gebracht kan worden. Aangezien de brug in het vaarseizoen slechts korte tijd per dag geopend zal zijn, zal ook de kans op een eiser benadelend defect klein zijn. Voor het geval een dergelijk defect onverhoopt toch optreedt, dan kan de brug handmatig met een lier in de uitgangspositie worden teruggebracht, aldus verweerder. In dit kader acht verweerder van belang dat door de fabrikant van de brug is bevestigd dat er een dergelijke veiligheidsvoorziening zal worden aangebracht bij de aanleg van de brug en dit is als voorschrift aan de vergunning verbonden. Daarnaast wijst verweerder erop dat de brug toegankelijk is voor ambulances.\n\n10.3.. Verweerder komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen (vgl. AbRvS, 31 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2493).\n\n10.4.. De rechtbank ziet geen grond om tot een ander oordeel te komen dan is verwoord in rechtsoverweging 8.3. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat het bestreden besluit II voor wat betreft de belangenafweging in strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb tot stand is gekomen. Deze grond van eiser slaagt.\n\nTen aanzien van het Bouwbesluit\n\n11. Eiser betoogt dat in de huidige situatie de voorziene waterwin- en opstelplaats voor de brandweer niet bereikbaar is voor een brandweerauto. Volgens eiser is de weg in een dermate slechte toestand dat zonder herstel van de weg op kosten van de verantwoordelijken voor die abominabele toestand, waarin niet is voorzien in de verleende vergunning, de\n\nzogenaamde gelijkwaardige oplossing illusoir is. Naar de mening van eiser is de geboden oplossing niet gelijkwaardig, zoals in artikel 1.3 van het Bouwbesluit 2012 is aangegeven. In dit verband wijst eiser erop dat in de voorheen geldende situatie de hulpverleningsvoertuigen tot op enkele meters van het object konden komen. Na realisering van de vergunde ophaalbrug moet in de visie van eiser altijd nog maximaal 160 tot 180 meter met slangen overbrugd worden. Dat is volgens eiser niet aan te merken als gelijkwaardig.\n\n11.1.. Verweerder stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van de bereikbaarheid van de recreatiewoningen voor de brandweer is het opmerkelijk is dat eiser stelt dat de bereikbaarheid voor de brandweer zal verslechteren door de aanleg van de brug en de vaarweg. Eiser gaat daarbij geheel voorbij aan het feit dat uit de bevindingen van de brandweer is gebleken dat er juist in de huidige situatie een zeer grote kans is dat de brandweer de recreatiewoningen niet (tijdig) kan bereiken met blusmateriaal. In dit verband wijst verweerder erop dat door de brandweer, die de situatie ter plekke in ogenschouw heeft genomen, is geconstateerd dat het onzeker is of een (zware met water gevulde) blusauto de recreatiewoningen zal kunnen bereiken over de deels onverharde toegangsweg. Bovendien is er volgens verweerder in de huidige situatie in de nabijheid geen mogelijkheid om bluswater in te nemen, omdat het Paterswoldsemeer vanaf de toegangsweg niet goed bereikbaar is voor een blusauto en de dichtstbijzijnde brandkraan 170 meter is verwijderd van de plek waar de brug wordt aangelegd. In de visie van verweerder blijkt dit uit het advies van de Veiligheidsregio. Verder wijst verweerder erop dat de Veiligheidsregio positief heeft geadviseerd over de aanleg van een brug, onder de voorwaarde dat er een opstelplaats voor de brandweer wordt gerealiseerd, die voldoet aan bijlage 4 van de Handleiding Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening regio Groningen. Daarbij acht verweerder van belang dat vergunninghouder heeft verklaard een dergelijke waterwin- en opstelplaats aan te zullen leggen en in het bestreden besluit I is dit als voorschrift verbonden aan de vergunning. Naar de mening van verweerder is er geen sprake van strijd met het Bouwbesluit 2012.\n\n11.3.. Ingevolge artikel 1.3 van het Bouwbesluit 2012 behoeft aan een in hoofdstuk 2 tot en met 7 (https:\u002F\u002Frijksoverheid.bouwbesluit.com\u002FInhoud\u002Fdocs\u002Fwet\u002Fbb2012\u002Fhfd1?lmcode=pyioim) gesteld voorschrift niet te worden voldaan indien het bouwwerk of het gebruik daarvan anders dan door toepassing van het desbetreffende voorschrift ten minste dezelfde mate van veiligheid, bescherming van de gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en bescherming van het milieu biedt als is beoogd met de in die hoofdstukken gestelde voorschriften.\n\n11.3.. Aan de hand van de gedingstukken gaat de rechtbank er vanuit dat de recreatiewoning van eiser met personenauto’s en een ambulance bereikbaar zal zijn na de aanleg van de brug. Die bereikbaarheid zal niet afwijken van de capaciteit van de huidige, niet openbare, toegangsweg tot hun recreatiewoningen. Verder blijkt uit een daartoe strekkend advies van de Veiligheidsrisico dat er na realisatie van het project voor wat betreft de blusmogelijkheden sprake zal zijn van een verbetering ten opzichte van de bestaande situatie. Dit advies heeft verweerder aan het bestreden besluit II ten grondslag gelegd. Met betrekking tot dit advies heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een gelijkwaardige oplossing als bedoeld in artikel 1.3 van het Bouwbesluit 2012. De rechtbank stelt in dit verband vast dat eiser geen contra-expertise van een deskundige op het gebied van waterwin- en opstelplaatsen voor de brandweer heeft overgelegd.\n\n11.4.. Vervolgens is de vraag of eiser erin geslaagd is om aannemelijk te maken dat er sprake is van concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of de volledigheid van voormeld advies van de Veiligheidsregio. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt. Hoewel aan eiser dient te worden toegegeven dat er sprake is van kritische opmerkingen in voormeld advies, blijkt uit de conclusie dat er met het realiseren van een opstelplaats voor de brandweer die voldoet aan bijlage 4 van de Handleiding Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening regio Groningen sprake is van een verbetering ten opzichte van de bestaande situatie. Geen grond bestaat voor het oordeel dat voormelde conclusie niet volgt uit de bevindingen van het advies van de Veiligheidsregio. Het enkel plaatsen van kritische kanttekeningen door eiser leidt naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet tot de conclusie dat het advies van de Veiligheidsregio onzorgvuldig is dan wel inhoudelijk niet concludent is (vgl. AbRvS, 11 januari 2012, ECLI:NL:RVS: 2012:BV0578). Dit brengt met zich dat verweerder het advies van de Veiligheidsregio aan het bestreden besluit II ten grondslag heeft mogen leggen. Deze grond van eiser slaagt niet.\n\nConclusie\n\nZaaknummer LEE 21\u002F2044\n\n12. Gelet op de rechtsoverwegingen 7.4. en 8.3. is het beroep van eiser gegrond en komt het bestreden besluit I voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien of te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit (deels) in stand blijven, maar volstaat met de opdracht aan verweerder om opnieuw te beslissen op de bezwaren van eiser, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.\n\n12.1.. Aangezien het beroep gegrond wordt verklaard, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder ingevolge artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten van eiser te veroordelen. Onder toepassing van het Bpb kunnen deze kosten worden begroot op € 1.674,- in verband met door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.\n\nZaaknummer 22\u002F1346\n\n13. Gelet op rechtsoverweging 10.4 is het beroep van eiser gegrond en komt het bestreden besluit II voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien of te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit (deels) in stand blijven, maar volstaat met de opdracht aan verweerder om opnieuw te beslissen op de bezwaren van eiser, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.\n\n13.1.. Aangezien het beroep gegrond wordt verklaard, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder ingevolge artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten van eiser te veroordelen. Onder toepassing van het Bpb kunnen deze kosten worden begroot op € 837,- in verband met door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.\n\n13.2.. Ten aanzien van de vergoeding van verletkosten waarom eiser verzoekt, overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft verzocht om vergoeding van verletkosten, als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder e, van het Bpb, tot een bedrag van in totaal € 200,-. Als verletkosten komen slechts voor vergoeding in aanmerking de kosten van tijdsverzuim als gevolg van het bijwonen van de zitting en de heen- en terugreis (Nota van Toelichting, Stb. 1993, 763). Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met de enkele vermelding van een bedrag van in totaal € 200,- aan verletkosten de hoogte van zijn verletkosten onvoldoende met gegevens of bescheiden gestaafd. Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding om de verletkosten van eisers op een forfaitair bedrag vast te stellen (vgl. AbRvS 21 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV9511). De rechtbank stelt de verletkosten derhalve vast tegen het minimumtarief van € 7,- per uur voor in totaal drie uren in verband met het bijwonen van de zitting op 7 maart 2023. Verder heeft eiser verzocht om vergoeding van de kosten van verschotten, als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder f, van het Bbp tot een bedrag van in totaal € 100,-. Naar het oordeel van de rechtbank komen de door eiser opgevoerde kosten van verschotten ingevolge het Bbp niet voor vergoeding in aanmerking nu de daarvoor benodigde specificatie ontbreekt.\n\n13.3.. Hieruit volgt dat het totaal van de voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten van eiser door de rechtbank worden vastgesteld op € 2.532,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart de beroepen van eiser gegrond en vernietigt de bestreden besluiten I en II van verweerder;\n\nbepaalt dat verweerder opnieuw dient te beslissen op de bezwaren van eiser met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;\n\nveroordeelt verweerder tot vergoeding van de bij eiser in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten in zaaknummer 21\u002F2044 tot een bedrag van € 1.674,-;\n\nveroordeelt verweerder tot vergoeding van de bij eiser in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten in zaaknummer 22\u002F1347 tot een bedrag van € 2.532,-;\n\nbepaalt dat verweerder de door eiser betaalde griffierechten van in totaal € 365,- aan hem dient te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.S. van den Berg, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. H.L.A. van Kats als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op\n\n13 april 2013.\n\ngriffier rechter\n\nRechtsmiddel\n\nTegen de uitspraak op het beroep kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\nAls hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.\n\nAfschrift verzonden op:\n\nBijlage\n\nWet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)\n\nArtikel 2.1\n\n1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:\n\na. het bouwen van een bouwwerk,\n\nb. het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan of beheersverordening, (…) is bepaald.\n\nc. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan of beheersverordening.\n\nArtikel 2.10\n\n1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:\n\n(…)\n\nc. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening (…)\n\n(…)\n\n2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.\n\nArtikel 2.12\n\n1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:\n\na. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:\n\n(…)\n\n2°.in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen (…).\n\nArtikel 3.3\n\n1. Indien de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of b, houdt het bevoegd gezag, in afwijking van artikel 3.9, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 3:18 van de Algemene wet bestuursrecht (https:\u002F\u002Fwetten.overheid.nl\u002Fjci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:18&g=2023-02-15&z=2023-02-15), de beslissing aan, indien er geen grond is de vergunning te weigeren maar voor het gebied waarin de activiteit zal worden verricht vóór de dag van ontvangst van de aanvraag:\n\n(…)\n\nb. een bestemmingsplan in ontwerp ter inzage is gelegd.\n\n(…)\n\n3. In afwijking van het eerste lid, eerste volzin, kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning verlenen, indien de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan.\n\nBesluit omgevingsrecht\n\nBijlage II\n\nArtikel 4\n\nVoor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:\n\n3. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:\n\na. niet hoger dan 10 m, en\n\nb. de oppervlakte niet meer dan 50 m².\n\nBeheersverordening “Paterswoldsemeer”\n\nArtikel 1nn Landschappelijke waarden\n\nIn de regels van de beheersverordening wordt onder landschappelijke waarden verstaan: de aan een gebied toegekende waarden in verband met de waarneembare verschijningsvorm van dat gebied.\n\nArtikel 5 Agrarisch met waarden\n\n1. De voor Agrarisch met waarden aangewezen gronden zijn bestemd voor:\n\na. de uitoefening van het agrarisch bedrijf;\n\nb. het behoud, herstel en\u002Fof ontwikkeling van de landschappelijke en natuurweten-schappelijke waarden van de gronden. Deze gronden kenmerken zich met name vanwege de openheid in de richting van het meer en de aanwezigheid van weide-vogels. In vochtige weilanden komt pitrus en in de sloten onder meer kranswieren en fonteinkruiden voor. De oeverzones, die voorzien zijn van riet, wilgenbosjes en\u002Fof\n\nandere oevervegetatie, bieden broedgelegenheid voor water- en moerasvogels, zoals fuut, meerkoet en kleine karekiet;\n\nc. waterhuishoudkundige doeleinden, waaronder kaden en dijken mede zijn begrepen;\n\nmet daaraan ondergeschikt:\n\nd. recreatief medegebruik;\n\nmet de daarbij behorende:\n\ne. voet-, fiets- en ruiterpaden;\n\nf. openbare nutsvoorzieningen;\n\ng. water.\n\n(…)\n\n5.a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:\n\n1. het graven, verdiepen, uitbaggeren, dempen of verbreden van sloten, vaarten en naar de aard daarmee gelijk te stellen waterlopen;\n\n2. - 4. (…);\n\n5. het aanbrengen of aanleggen van oppervlakteverhardingen, paden en\u002Fof parkeer-voorzieningen.\n\n5.c. De onder a genoemde vergunning kan slechts worden verleend, mits:\n\n1. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke en de natuurlijke waarden;\n\n2. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waterhuishouding van het gebied en de omliggende percelen, c.q. de gebruiksmogelijkheden daarvan.\n\nArtikel 12 Recreatie - Dagrecreatie\n\n1. De voor Recreatie – Dagrecreatie aangewezen gronden zijn bestemd voor:\n\na. dag- en watersportrecreatie;\n\nmet daaraan ondergeschikte:\n\nb. - f. (…);\n\ng. wegen en paden;\n\nh. parkeervoorzieningen;\n\ni. groenvoorzieningen;\n\nj. - m. (…);\n\nn. water.\n\nHet bestemmingsplan “EHS en recreatieterrein zuidoostzijde Paterswoldsemeer”\n\nArtikel 1aa Recreatief medegebruik\n\nIn de planregels van het bestemmingsplan wordt onder recreatief medegebruik verstaan: die vormen van recreatie die plaats hebben in een gebied met een niet-recreatieve hoofdfunctie waarbij het recreatieve medegebruik ondergeschikt is aan de hoofdfunctie en het hoofgebruik van de bestemming.\n\nArtikel 3 Natuur\n\n1. De voor Natuur aangewezen gronden zijn bestemd voor:\n\na. het behoud, het herstel en\u002Fof de ontwikkeling van de natuurwetenschappelijke en landschappelijke waarden, in het bijzonder gericht op ontwikkeling en instandhouding van een robuuste ecologische verbindingszone (EHS);\n\nb. waterhuishoudkundige doeleinden, waaronder kaden en dijken mede zijn begrepen;\n\nmet daaraan ondergeschikt:\n\nc. recreatief medegebruik en extensief agrarisch medegebruik.\n\n(…)\n\n4.a. Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren, te doen en te laten uitvoeren:\n\n1. het egaliseren en ophogen van gronden anders dan ten behoeve van de ontwikkeling van natuur of in verband met de waterhuishouding.\n\n(…)\n\n4.c. De onder a genoemde vergunning kan slechts worden verleend, mits:\n\n1. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke, de natuurlijke en de geomorfologische waarden;\n\n2. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waterhuishouding van het gebied en de omliggende percelen, c.q. de gebruiksmogelijkheden daarvan.\n\nHet ontwerpbestemmingsplan “Veegplan 2019”\n\nArtikel 9 Verblijfsrecreatie uit te werken\n\nDe bestemming Verblijfsrecreatie-uit te werken wordt gewijzigd in de bestemming Natuur zoals aangegeven op de verbeelding. Deze bestemming Natuur blijft ongewijzigd.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2023:1529","2023-04-17T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:39.721Z",{"id":64,"ecli":65,"slug":66,"caseNumber":43,"courtId":67,"decisionDate":68,"fullText":69,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":70,"sourceTimestamp":71,"parsedAt":51,"updatedAt":72},"506","ECLI:NL:RBDHA:2023:3440","ecli-nl-rbdha-2023-3440",58,"2023-02-17T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: SGR 21\u002F5545, SGR 21\u002F5945, SGR 21\u002F5946, SGR 21\u002F5947, SGR 21\u002F5948, SGR 21\u002F5949 en SGR 21\u002F5993uitspraak van de meervoudige kamer van 17 februari 2023 in de zaken tussen\n\n [eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 3] , [eiser 4] , [eiser 5] , [eiser 6] ,uit [woonplaats 1] , eisers I\n\n(gemachtigde: mr. G.G. Kranendonk),\n\n [eiser 7] en [eiser 8] , uit [woonplaats 1] , eisers II\n\n(gemachtigde: mr. J. Zwiers),\n\nDhr. [eiser 9] en mevr. [eiseres 1] , uit [woonplaats 1] , eisers III\n\n(gemachtigde: mr. J. Zwiers),\n\n [eiser 10] en [eiser 11] , uit [woonplaats 1] , eisers IV\n\n(gemachtigde: mr. T. de Beet),\n\nDhr. [eiser 12] en mevr. [eiseres 2] , uit [woonplaats 1] , eisers V\n\n(gemachtigde: mr. G.J. Hingstman),\n\n [eiser 13] en [eiser 14] , uit [woonplaats 1] , eisers VI\n\n(gemachtigde: mr. G.J. Hingstman),\n\n [eiser 15] , uit [woonplaats 2] , eiser VII\n\n(gemachtigde: mr. J. Zwiers),\n\ngezamenlijk aangeduid als eisers\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Westland, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. E.C.M. Schippers).\n\nAls derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de provincie Zuid-Holland(vergunninghoudster), te Den Haag\n\n(gemachtigde: mr. E.C.M. Schippers).\n\nInleiding\n\n1. Deze zaak gaat over de omgevingsvergunning die door verweerder aan vergunninghoudster is verleend voor het aanpassen van de N211. De N211 wordt aangepast om de bereikbaarheid van de zuidzijde van de Haagse regio en de gemeente Westland met haar agro-logistieke bedrijventerreinen te verbeteren. Het projectgebied loopt vanaf de rijksweg A4 tot voorbij de kruising N211 – N222\u002FWateringveldseweg. Er zijn onderzoeken verricht naar diverse varianten voor het aanpassen van de N211. Er is gekozen voor de Wippoldervariant.\n\n2. Deze uitspraak is het vervolg op de tussenuitspraak van 11 juli 2022. In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen twaalf weken na verzending van de tussenuitspraak het geconstateerde motiveringsgebrek te herstellen, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen. Voor de besluitvorming die heeft plaatsgevonden en het procesverloop tot aan de zitting van 12 april 2022, verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak.\n\n3. Verweerder heeft gebruik gemaakt van de door de rechtbank geboden herstelmogelijkheid en heeft op 3 oktober 2022 een aanvullende motivering ingediend.\n\n4. Eisers V en VI hebben op 4 november 2022 gereageerd op de aanvullende motivering. Eisers I, II, III en VII hebben op 7 november 2022 een reactie ingediend en ten slotte hebben eisers IV op 8 november 2022 gereageerd.\n\n5. De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n6. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5704) en 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4694).\n\n7. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder niet heeft kunnen volstaan met een verwijzing naar het provinciale toetsingskader ter motivering van het standpunt dat een gecumuleerde geluidbelasting van 60 dB aanvaardbaar is. Verweerder had bevestigd dat dit provinciale toetsingskader niet is neergelegd in een beleidsregel als bedoeld in artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder had evenmin gemotiveerd waarom in dit concrete geval een waarde van 60 dB aanvaardbaar is. De rechtbank is daarom tot de conclusie gekomen dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en dit in zoverre moet worden vernietigd. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld dit gebrek te herstellen. Dat kan door een nadere motivering te geven op basis waarvan verweerder een waarde van 60 dB gecumuleerde geluidbelasting aanvaardbaar acht.\n\nDe nadere motivering\n\n8. Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft verweerder nader gemotiveerd om welke redenen een gecumuleerde geluidbelasting van 60 dB aanvaardbaar is. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2015 (met kenmerk ECLI:NL:RVS:2015:1988) motiveert verweerder dat het provinciale toetsingskader en de gecumuleerde geluidbelasting van 60 dB zijn ontleend aan de Wet geluidhinder en het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012. In artikel 83 in samenhang artikel 100a van de Wet geluidhinder is neergelegd dat de maximaal te verlenen hogere waarde voor wegverkeer 58 dB bedraagt. Om de gecumuleerde geluidbelasting met deze maximale waarde te kunnen vergelijken moet rekening worden gehouden met de aftrek van 2 dB, als bedoeld in artikel 110g Wet Geluidhinder in samenhang bezien met artikel 3.4 van het Reken en meetvoorschrift geluid 2012. Dat komt volgens verweerder neer op een maximale waarde van 60 dB. Deze maximale waarde van 60 dB wordt dus in de Wet geluidhinder aanvaardbaar geacht voor de geluidbelasting van één enkele weg. Het provinciale toetsingskader past de waarde van 60 dB cumulatief toe, voor alle relevante wegen in het gebied. Daarmee is het provinciale toetsingskader strenger dan de Wet geluidhinder. Om die reden vindt verweerder het hanteren van een gecumuleerde geluidbelasting van 60 dB aanvaardbaar. Naast deze motivering waarom 60 dB in zijn algemeenheid een aanvaardbare gecumuleerde geluidbelasting is, heeft verweerder eveneens onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 21 september 2022 (met kenmerk ECLI:NL:RVS:2022:2754) te kennen gegeven dat een maximale gecumuleerde geluidbelasting van 60 dB door de Afdeling niet onredelijk wordt bevonden voor dit specifieke gebied.\n\nReactie eisers\n\n9. Eisers hebben in reactie op de herstelpoging van verweerder een notitie ingebracht van de Nederlandse Stichting Geluidhinder (NSG) van 3 november 2022, opgesteld door E. Roelofsen (de notitie). In de notitie staat – voor zover hier relevant – dat verweerder ten onrechte heeft verwezen naar de Wet Geluidhinder nu ten tijde van de totstandkoming van deze wet minder inzicht bestond in de effecten op de gezondheid vanwege geluid. Uit het rapport “Environmental noise guidelines for the European Region” van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) uit 2018 (het WHO-rapport) en het rapport “Motie Schonis en de WHO-richtlijnen voor omgevingsgeluid” van het RIVM (het RIVM-rapport) uit 2020 staat dat al bij 53 dB geluid vanwege wegverkeer sprake is van 10% ernstige geluidhinder. Juist omdat het gebied wat betreft geluid al overbelast is, ligt het op de weg van verweerder om het geluid niet toe te laten nemen.\n\n9.1.. Eisers I wijzen er in aanvulling op de notitie op dat artikel 8 van het Europees Verdrag van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) wordt geschonden. Voorts verwijzen eisers I naar artikelen 191 tot en met 193 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU). Op basis van dit verdrag is het Zero Pollution Action Plan (het actieplan) opgesteld waarin staat dat chronische hinder door verkeerslawaai met 30% verminderd moet worden in 2030. Eisers I stellen dat deze bepalingen van het VWEU en het actieplan bindende voorschriften zijn die als gevolg van de vergunningverlening worden geschonden. Verder wordt ten onrechte rekening gehouden met de aftrek van 2 dB. Deze aftrek is gebaseerd op de veronderstelde vermindering van de geluidbelasting in de toekomst.\n\n9.2.. Eisers IV brengen naast de notitie naar voren dat het argument dat de verbreding van de N211 van groot economisch belang is, geen rechtvaardiging kan zijn om te gaan bezuinigen op maatregelen om geluidsoverlast tegen te gaan. Verweerder gaat eraan voorbij dat in dit concrete geval voor eisers IV geen geluidsluwe zone aan ten minste één zijde van hun woning overblijft, terwijl in de rechtspraak van de Afdeling geaccepteerd is dat dit meegenomen dient te worden in een afweging omtrent een concreet geval.\n\nHet oordeel van de rechtbank over de aanvullende motivering\n\n10. De rechtbank overweegt dat verweerder in overeenstemming met de opdracht in de tussenuitspraak aan de hand van de Wet geluidhinder en het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 heeft gemotiveerd waarom een geluidbelasting van 60 dB aanvaardbaar is. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee het geconstateerde motiveringsgebrek heeft hersteld. De rechtbank ziet in hetgeen eisers hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat een gecumuleerde geluidbelasting van 60 dB aanvaardbaar is. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.\n\n10.1.. Het in de notitie ingenomen standpunt dat de Wet Geluidhinder zich naar huidige maatstaven niet verdraagt met het WHO-rapport en RIVM-rapport leidt niet tot de conclusie dat verweerder om die reden niet heeft kunnen refereren aan de Wet Geluidhinder. Onder verwijzing naar overweging 35.1 van de uitspraak van de Afdeling van 30 december 2020 (met kenmerk ECLI:NL:RVS:2020:3147), overweegt de rechtbank dat de aanbevelingen van de WHO algemeen van aard zijn en dat gelet daarop het daarin aanbevolen maximum van 53 dB Lden geen dwingende status heeft. Dit geldt ook voor de aanbevelingen neergelegd in het RIVM-rapport (zie hiervoor de uitspraak van 21 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3917). Er is daarom geen aanleiding om te oordelen dat verweerder de door de WHO of het RIVM aanbevolen maximale geluidsbelasting had moeten hanteren. Voorts gaat de rechtbank niet mee in de redenering die in de notitie is neergelegd, dat vanwege de reeds bestaande geluidhinder een maximumwaarde van 60 dB niet aanvaardbaar is. Daartoe verwijst de rechtbank met verweerder naar de in 8 genoemde uitspraak van 21 september 2022 waarin de Afdeling een maximale geluidbelasting van 60 dB voor dit gebied aanvaardbaar heeft geacht. De notitie van de NSG leidt gelet op het voorgaande niet tot de conclusie dat een gecumuleerd geluidsniveau van 60 dB onaanvaardbaar moet worden geacht.\n\n10.2.. \n\nHet betoog van eisers I dat sprake is van een schending van artikel 8 EVRM treft geen doel. Volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de mens (het EHRM) kent het EVRM geen uitdrukkelijk recht toe op een schone en stille omgeving. Toch kan artikel 8 in het geding zijn indien de overlast zo is dat die de betrokkene in ernstige mate in zijn gezondheid treft of hem belet in zijn woongenot en zijn privé- of gezinsleven. De rechtbank verwijst naar het arrest van het EHRM van 13 juli 2017, Jugheli tegen Georgië, ECLI:CE:ECHR:2017:0713JUD003834205, punt 62 en de daar aangehaalde rechtspraak.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat zich hinder voordoet die hen in ernstige mate in hun gezondheid treft of hen belet in hun woongenot en privé- of gezinsleven. De verwijzing naar het WHO-rapport en het RIVM-rapport is hiervoor onvoldoende. In deze rapporten gaat het immers enkel om aanbevelingen, zoals onder 10.1 is vastgesteld. Hun betoog dat een geluidsniveau van 60 dB strijd oplevert met de artikelen 191 tot en met 193 van het VWEU treft evenmin doel. Daartoe overweegt de rechtbank dat aan deze bepalingen geen rechtstreekse werking toekomt vanwege de algemeen omschreven doelstellingen in de artikelen 191, 192 en 193 het VWEU en omdat deze bepalingen zich richten tot de lidstaten en de Unie. Het betoog dat in het actieplan de algemeen geschreven doelstelling is neergelegd dat chronische hinder door verkeerslawaai met 30% verminderd moet worden in 2030 betreft eveneens een algemeen omschreven doelstelling en leidt niet tot de conclusie dat een geluidsniveau van 60 dB als onaanvaardbaar moet worden aangemerkt. Tot slot gaat de rechtbank niet mee in de stelling dat verweerder de aftrek van 2 dB als bedoeld in artikel 110g Wet Geluidhinder in samenhang bezien met artikel 3.4 van het Reken en meetvoorschrift geluid 2012 buiten toepassing had moeten laten. Dat er een onzekerheid is gelegen in veronderstelling dat in de toekomst de geluidbelasting zal verminderen, betekent niet dat daarom de Wet Geluidhinder buiten toepassing moet worden gelaten.\n\n10.3.. De gronden die eisers IV hebben ingebracht – naast de notitie - zullen verder onbesproken blijven. Daartoe overweegt de rechtbank dat het geding zoals dat na de tussenuitspraak wordt gevoerd, in beginsel beperkt blijft tot de beroepsgronden zoals die zijn ingediend ten tijde van de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2013 (met kenmerk ECLI:NL:RVS:2013:CA2877). De gronden van eisers IV hebben geen betrekking op de vraag of een maximale geluidsbelasting van 60 dB aanvaardbaar is, maar gaan over de te nemen maatregelen en de vraag of het niet hebben van een geluidsluwe zone aan een zijde van de woning al dan niet van invloed is op de vast te stellen maximale geluidswaarde.\n\nConclusie\n\n11. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. Omdat verweerder in zijn reactie op de tussenuitspraak het gebrek heeft hersteld, zal de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand laten.\n\n12. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, moet verweerder het door eisers betaalde griffierecht vergoeden.\n\n13. Omdat de beroepen gegrond zijn, krijgen eisers een vergoeding van de proceskosten die zij hebben gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2,5 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus). De waarde per punt bedraagt € 837,- en de wegingsfactor is 1, waardoor € 2.092,50 wordt toegekend. Voor zover rechtsbijstand is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband voor meerdere zaken, merkt de rechtbank dit aan als één zaak op grond van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart de beroepen gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit;\n\nbepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;\n\nbepaalt dat verweerder het door eisers I, II, III, IV, V, VI en VII betaalde griffierecht van € 181,- aan hen vergoedt;\n\nveroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers I tot een bedrag van € 2.092,50;\n\nveroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers II, III en VII tot een bedrag van € 2.092,50, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;\n\nveroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers IV tot een bedrag van € 2.092,50;\n\nveroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers V en VI tot een bedrag van € 2.092,50; met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, voorzitter, mr. J. Schaaf en\n\nmr. M. Tjepkema, leden, in aanwezigheid van mr. E.L. Denters, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2023.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:3440","2023-03-16T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:33.917Z",20,[75,76,77,11,78],2026,2025,2024,2022]