[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-planning-and-zoning-nl-2026":3},{"detail":4,"years":190},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":188,"page":14,"limit":189},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},91,"planning-and-zoning-nl","Planning and Zoning","NL","2026-07-08T16:55:59.488Z",2026,[13,16,18,20,22,24,27,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":19},4,{"month":23,"count":19},5,{"month":25,"count":26},6,7,{"month":26,"count":19},{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":15},12,[39,52,61,70,79,89,98,106,115,123,132,142,151,160,170,178],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":50,"updatedAt":51},"626","ECLI:NL:RBGEL:2026:5368","ecli-nl-rbgel-2026-5368","",60,"2026-07-07T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 26\u002F3156uitspraak van de voorzieningenrechter van\n\nin de zaak tussen\n [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker\n\n(gemachtigden: mr. H. Doornhof en mr. J.M. Luttge),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen\n\n(gemachtigde: mr. M. Litjens en J. Bannink).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van het college waarin het handhavingsverzoek van verzoeker is afgewezen.\n\n1.1.. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening af. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college het handhavingsverzoek namelijk terecht afgewezen en heeft het bezwaar dus geen redelijke kans van slagen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\nProcesverloop\n\n2. Op 26 mei 2026 heeft verzoeker een handhavingsverzoek ingediend, waarin hij het college vraagt om handhavend op te treden tegen de zonder omgevingsvergunning aangevangen bouw en het beoogde gebruik van een tijdelijke opvanglocatie voor dak- en thuislozen aan het [adres] te [plaats] . Bij besluit van 16 juni 2026 heeft het college het handhavingsverzoek afgewezen, omdat volgens het college sprake is van concreet zicht op legalisatie.\n\n2.1.. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen, die – kort samengevat – inhoudt dat de gemeente de opvanglocatie voorlopig niet in gebruik mag nemen.\n\n2.2.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 3 juli 2026 op zitting behandeld. Verzoeker, de gemachtigden van verzoeker en de gemachtigden van het college hebben deelgenomen aan de zitting.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n3. De voorzieningenrechter beoordeelt of het bezwaar van verzoeker een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan namelijk een reden zijn om een voorlopige voorziening te treffen. Of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft, beoordeelt de voorzieningenrechter aan de hand van de gronden van verzoeker.\n\nIs het handhavingsverzoek terecht afgewezen?\n\n4. Het college heeft aan de afwijzing van het handhavingsverzoek ten grondslag gelegd dat er sprake is van concreet zicht op legalisatie. Verzoeker betwist dit. Verzoeker wijst erop dat het op voorhand niet aannemelijk is dat de aangevraagde vergunning zal worden verleend. Hij draagt daar een aantal argumenten voor aan, die er samengevat op neerkomen dat de opvang niet strekt tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Zo is bijvoorbeeld onvoldoende onderzoek gedaan naar de sociale veiligheid en eventuele overlast.\n\n4.1.. De voorzieningenrechter stelt voorop dat gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, naar aanleiding van een verzoek om handhaving in de regel een toereikende motivering zal moeten geven waarom hij van deze bevoegdheid geen gebruik wil maken. Dat geldt nog meer in een situatie dat, zoals hier het geval, een overheidsorgaan de overtreder is. Uit de motivering moet blijken van bijzondere omstandigheden waarom het bestuursorgaan meent dat handhaving niet kan worden gevergd. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie van de onrechtmatige situatie bestaat.\n\n4.2.. Het college heeft in het bestreden besluit de aanvraag afgewezen omdat volgens hem sprake is van concreet zicht op legalisatie. Concreet zicht op legalisatie is er, in een geval als hier aan de orde, als een aanvraag is ingediend en het college bereid is om de omgevingsvergunning te verlenen. Vast staat en niet in geschil is dat de gemeente een aanvraag heeft ingediend voor een (legaliserende) omgevingsvergunning. Ook heeft het college op zitting toegelicht dat er bereidheid is om deze omgevingsvergunning te verlenen, en dat de vergunning ook elk moment verleend kan worden. Onder die omstandigheden is dus sprake van concreet zicht op legalisatie. Reeds daarom is het handhavingsverzoek van verzoeker terecht afgewezen. Dit is door het college ook voldoende begrijpelijk gemotiveerd in het bestreden besluit.\n\n4.3.. Het betoog van verzoeker komt er in feite op neer dat de nog te verlenen omgevingsvergunning in een eventueel bezwaar of beroep geen stand zal houden, omdat van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties geen sprake is en dat daarom de ingebruikname van de daklozenopvang bij wijze van voorlopige voorziening zou moeten worden verboden. De voorzieningenrechter kan er in deze handhavingszaak niet op vooruit lopen of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De voorzieningenrechter heeft namelijk geen inzicht in de door het college verrichte onderzoeken en de afwegingen en motivering die aan de omgevingsvergunning ten grondslag zullen liggen. Het voert om die reden in het kader van deze procedure dan ook te ver om, vooruitlopend op deze omgevingsvergunning, de ingebruikname bij wijze van voorlopige voorziening te verbieden. Het college heeft op zitting toegezegd dat het twee dagen zal wachten met de ingebruikname van de daklozenopvang ná het verlenen van de omgevingsvergunning. Verzoeker heeft dan de mogelijkheid om tegen dat besluit bezwaar te maken en om (eventueel) een verzoek om een voorlopige voorziening hangende dat bezwaar in te dienen bij de voorzieningenrechter. In die procedure kan beoordeeld worden of het college in redelijkheid heeft kunnen menen dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Mocht dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet zo zijn, dan zou in die zaak de omgevingsvergunning bij wijze van voorlopige voorziening geschorst kunnen worden. Daar kan nu niet op vooruit worden gelopen.\n\n4.4.. Omdat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft, bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Goldebeld, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe griffier is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5368","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:39.894Z",{"id":53,"ecli":54,"slug":55,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":56,"fullText":57,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":58,"sourceTimestamp":59,"parsedAt":50,"updatedAt":60},"612","ECLI:NL:RBGEL:2026:5371","ecli-nl-rbgel-2026-5371","2026-07-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 26\u002F3061\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 juli 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen\n \n [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen\n\n(gemachtigden: mr. M. Litjens en J. Bannink).\n\nInleiding\n\n1. Dit proces-verbaal bevat een zakelijk weergave van de uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van zijn handhavingsverzoek.\n\n1.1.. Verzoeker heeft op 8 juni 2026 bij het college een handhavingsverzoek ingediend tegen een aantal activiteiten (bouw-, aanleg- en kapwerkzaamheden) ten behoeve van een tijdelijke daklozenopvang op het terrein gelegen bij het [adres] in [plaats] . Het college heeft dit verzoek op 15 juni 2026 afgewezen omdat verzoeker geen belanghebbende is bij deze activiteiten. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en hij heeft de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.\n\n1.2.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 3 juli 2026 op zitting behandeld. Verzoeker en de gemachtigden van het college hebben hieraan deelgenomen.\n\n1.3.. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. De motivering van die mondelinge uitspraak luidt zakelijk weergegeven als volgt.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n2. Verzoeker heeft een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, waarin hij de voorzieningenrechter – kort samengevat – verzoekt om een voorlopige voorziening te treffen die inhoudt dat alle werkzaamheden worden gestaakt, dat de feitelijke ingebruikname van de locatie als tijdelijke daklozenopvang wordt verboden en dat het college wordt opgedragen een inhoudelijk besluit op het handhavingsverzoek te nemen.\n\n2.1.. Uit artikel 8:81, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:1 en artikel 7:1 van de Awb, vloeit voort dat de voorzieningenrechter (behoudens hier niet van belang zijnde uitzonderingen) alleen bevoegd is om een voorlopige voorziening te treffen als sprake is van een besluit. In artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is bepaald wat een besluit is, namelijk een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.\n\n2.2.. Uit vaste rechtspraak volgt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit in beginsel belanghebbende is bij een besluit daarover. Wel moeten deze gevolgen van enige betekenis zijn. Daarbij wordt gekeken naar de afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en de milieugevolgen (zoals geur, geluid, licht, trilling, emissie en risico) van de activiteit waar het besluit op ziet.\n\n2.3.. Verzoeker woont op 209 meter afstand van de tijdelijke daklozenopvang. Verzoeker heeft op zitting erkend dat hij geen zicht heeft op de bebouwing. Gelet op deze afstand en het feit dat verzoeker geen zicht heeft op de daklozenopvang is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker in beginsel geen gevolgen van enige betekenis ondervindt van de activiteiten waar zijn handhavingsverzoek op ziet. Verzoeker heeft op zitting toegelicht dat hij naar zijn mening wel een voldoende persoonlijk belang heeft, omdat hij zich onveiliger zal voelen als hij wandelt in het park. Ook verwacht hij dat er mogelijk gedeald zal worden in zijn straat.\n\n2.4.. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het pand nog niet in gebruik is genomen als daklozenopvang en dat het handhavingsverzoek daar ook geen betrekking op heeft. Dat handhavingsverzoek ging over bouw-, kap- en aanlegwerkzaamheden ten behoeve van de realisatie van de daklozenopvang. Aan de gestelde toekomstige gevolgen van de ingebruikname van het pand kan verzoeker geen belang ontlenen dat relevant is voor de beoordeling van de belanghebbendheid bij de activiteiten waar zijn handhavingsverzoek op ziet. Die gevolgen vallen immers buiten de reikwijdte van zijn handhavingsverzoek.\n\n2.5.. Verder merkt de voorzieningenrechter nog op dat een eventueel toekomstig subjectief onveiligheidsgevoel, wat daar ook van zij, onvoldoende is om aan te nemen dat verzoeker gevolgen van enige betekenis ondervindt. Daarbij is ook van belang dat verzoeker zich onvoldoende onderscheidt van andere mensen die van het park gebruik maken. Het is de voorzieningenrechter daarnaast niet op voorhand gebleken dat er in zijn straat gedeald zal gaan worden. Dat zou ook geen direct (ruimtelijk) gevolg zijn van de ingebruikname van het pand als daklozenopvang.\n\n2.6.. Het is dus niet aannemelijk dat verzoeker gevolgen van enige betekenis ondervindt van de activiteiten waartegen hij een handhavingsverzoek heeft ingediend. Verzoeker is daarom geen belanghebbende. Dit betekent dat er geen sprake is van een aanvraag. De afwijzing van 15 juni 2026 is daarom geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De voorzieningenrechter is gelet daarop niet bevoegd om te beslissen op het verzoek om een voorlopige voorziening. Dit betekent niet dat er helemaal geen rechtsbescherming openstaat voor verzoeker. Verzoeker kan zich als hij dat wil met deze zaak tot de burgerlijke rechter wenden.\n\n2.7.. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Omdat de voorzieningenrechter onbevoegd is, hoeft verzoeker voor de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening geen griffierecht te betalen.\n\n2.8.. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n- verklaart zich onbevoegd;\n\n- bepaalt dat de griffier van de rechtbank aan verzoeker het griffierecht terugbetaalt.\n\nDeze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026 door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Goldebeld, griffier.\n\nDe griffier is verhinderd om dit proces-verbaal te ondertekenen.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Zie bijvoorbeeld ABRvS 22 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2923, r.o. 3.2.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5371","2026-07-08T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:39.270Z",{"id":62,"ecli":63,"slug":64,"caseNumber":43,"courtId":65,"decisionDate":66,"fullText":67,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":68,"sourceTimestamp":56,"parsedAt":50,"updatedAt":69},"1041","ECLI:NL:RBMNE:2026:3907","ecli-nl-rbmne-2026-3907",63,"2026-07-02T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: UTR 26\u002F3070 en 26\u002F2165-T\n\ntussenuitspraak van de voorzieningenrechter van 2 juli 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen\n\n [eiser sub 1]\n\n [eiser sub 2]\n\n [eiser sub 3]\n\n [eiser sub 4]\n\n [eiser sub 5] ,\n\n [eiser sub 6] B.V.\n\neisers, allen uit [woonplaats]\n\n(gemachtigde: mr. R.A. Oosterveer),\n\nenhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dronten, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. E. Kovacsek).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaken deel: [derde-partij]uit [woonplaats] (vergunninghouder).\n\nInleiding\n\n1. Vergunninghouder heeft op 9 juli 2024 een tijdelijke omgevingsvergunning voor het bouwen van 30 woonunits voor de huisvesting van arbeidsmigranten aan de [adres] in [plaats] aangevraagd. Het college heeft de omgevingsvergunning op 2 oktober 2024 verleend (het primaire besluit I). Daartegen hebben eisers bezwaar gemaakt, omdat zij vrezen dat zij door de woonunits in hun agrarische bedrijfsvoering, waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast, worden belemmerd.\n\n2. Met het besluit op bezwaar van 4 juni 2025, dat is uitgereikt op 6 februari 2026 (hierna het bestreden besluit I), heeft het college het primaire besluit in stand gelaten onder verbetering van de motivering. Omdat twee units op minder dan 50 meter afstand van de agrarische percelen zijn gelegen, zoals is gebleken bij een grensreconstructie van het Kadaster, is het primaire besluit I aangepast met een nieuwe situatietekening. Op die tekening staat bij de twee betreffende units het woord ‘opslag’. Het gewijzigde primaire besluit (het primaire besluit II) is genomen op 5 januari 2026.\n\n3. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit I en hebben daartegen beroep ingesteld. Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, omdat het bestreden besluit I volgens hen evident onrechtmatig is.\n\n4. Naar aanleiding van het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening heeft het college het bestreden besluit I aangevuld met het besluit van 2 juni 2026 (het bestreden besluit II). Met het bestreden besluit II zijn twee voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden en is het primaire besluit II ingetrokken. Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het beroep van eisers van rechtswege mede tegen het bestreden besluit II gericht.\n\n5. Op 9 juni 2026 hebben eisers de rechtbank bericht dat het bestreden besluit II geen aanleiding geeft om het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening in te trekken.\n\n6. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser sub 2] , [eiser sub 1] , de gemachtigde van eiser, vergezeld door mr. M. de Boer, en de gemachtigde van het college. Vergunninghouder is niet op de zitting verschenen.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n7. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.\n\n8. De voorzieningenrechter beoordeelt de bestreden besluiten I en II aan de hand van de beroepsgronden van eisers. Op de zitting hebben eisers hun beroepsgrond dat hen de mogelijkheid is ontnomen om zich uit te laten over de vraag of de wijziging die met het primaire besluit II is doorgevoerd aangemerkt kan worden als een ondergeschikte wijziging, doordat dit besluit niet aan hen kenbaar is gemaakt, ingetrokken. Dat betekent dat de voorzieningenrechter niet zal beoordelen of sprake is geweest van een ondergeschikte wijziging van de aanvraag.\n\n9. De voorzieningenrechter zal hierna eerst het wettelijk kader, dan het bestreden vergunningvoorschrift in het bestreden besluit II en daarna alle overige beroepsgronden bespreken.\n\nHet wettelijk kader\n\n10. Partijen zijn het erover eens, en de voorzieningenrechter stelt ook vast, dat de bouw van de woonunits in strijd is met het bestemmingsplan ‘Buitengebied Dronten (D4000)’ dat onderdeel uitmaakt van het omgevingsplan en waarin het perceel de bestemming ‘Maatschappelijk-Zorgboerderij’ heeft.\n\n11. De voorzieningenrechter stelt bij haar beoordeling van de omgevingsvergunning voorop dat, omdat de omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, het college deze alleen kan verlenen met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om voor een activiteit die in strijd is met het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen beleidsruimte toe. Daarbij moet het college de betrokken belangen afwegen. De voorzieningenrechter oordeelt daarom niet zelf of de verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De voorzieningenrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden van eisers of de omgevingsvergunning in overeenstemming is met het recht.\n\n12. Het college heeft voor het bouwplan ook een omgevingsvergunning voor de technische bouwactiviteit aan vergunninghouder verleend, maar daartegen zijn de beroepsgronden niet gericht. De beroepsgronden zijn uitsluitend gericht tegen de buitenplanse omgevingsplanactiviteit.\n\nHet beroep tegen het voorschrift in het bestreden besluit II\n\n13. Eisers voeren aan dat de omgevingsvergunning evident in strijd is met de vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) over spuitvrije zones tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid, waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt (spuitzonering). Met het vergunningvoorschrift dat het gebruik van units 1 en 16 voor langdurig verblijf van mensen niet is toegestaan (waaronder in elk geval, doch niet uitsluitend, het gebruik voor de huisvesting van arbeidsmigranten wordt begrepen) is volgens eisers onvoldoende ondervangen dat niet wordt verbleven in de spuitzone. De units blijven gevoelige objecten, voorzien van een keuken, badkamer, slaapkamer en woonkamer, waarvoor een minimale afstand van 50 meter tot agrarische gronden in acht moet worden genomen. Omdat dit niet het geval is, had de omgevingsvergunning volgens eisers geweigerd moeten worden.\n\n14. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat in het algemeen een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische gronden waarop gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast, niet onredelijk wordt geacht.Het college heeft in de bezwaarfase onderkent dat units 1 en 16 zich binnen de spuitzones van de aangrenzende agrarische percelen van eisers bevinden. Om die reden heeft het college het primaire besluit II genomen, waarmee een gewijzigde tekening aan de omgevingsvergunning is toegevoegd. Op die tekening is bij units 1 en 16 het woord ‘opslag’ vermeld, zodat het niet is toegestaan dat deze units gebruikt worden voor het verblijf van personen. Bij nader inzien vond het college de keuze voor een tweede primaire besluit minder wenselijk, omdat dit besluit inhoudelijk een reactie is op het ingestelde bezwaar van eisers, maar geen onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit I. Daarom heeft het college het primaire besluit II weer ingetrokken en alsnog met het bestreden besluit II het in rechtsoverweging 13 genoemde voorschrift aan de omgevingsvergunning verbonden. Het bestreden besluit II maakt wel, zoals eerder vermeld, op grond van artikel 6:19 van de Awb van rechtswege onderdeel uit van de onderhavige beroepsprocedure tegen het bestreden besluit I.\n\n15. Naar de voorzieningenrechter begrijpt, heeft het college bij de formulering van het vergunningvoorschrift gepoogd om aan te sluiten bij de definitie van een gevoelig object, zoals is ontwikkeld in de rechtspraak van de Afdeling. Een (spuit)gevoelig object wordt in de rechtspraak van de Afdeling gedefinieerd als een object waar mensen langdurig verblijven.De voorzieningenrechter is van oordeel dat in het alsnog aan de omgevingsvergunning verbonden voorschrift onvoldoende duidelijk is wat wordt verstaan onder een ‘langdurig verblijf’ van mensen. Uit het voorschrift zelf blijkt niet welke maximale verblijfsduur daaronder wordt geschaard. Gelet hierop is het voorschrift onvoldoende concreet. Dit leidt tot onduidelijkheden voor de naleving en handhaafbaarheid. Bovendien zullen er ook met het verbinden van een geconcretiseerd voorschrift twee units aanwezig zijn die onverminderd geschikt blijven voor het gebruik dat binnen de spuitzone onaanvaardbaar is. Het bestreden besluit II bevat op dit punt een gebrek.\n\nHet beroep tegen het bestreden besluit I\n\n16. Eisers voeren aan dat het college de omgevingsvergunning om drie redenen had moeten weigeren: er is gebouwd buiten het bouwvlak, de aanvraag voldoet niet aan de voorwaarden in het afwijkingenbeleid en de tuinaanleg bij de units valt (gedeeltelijk) binnen de spuitzone.\n\nWoonunits buiten het bouwvlak\n\n17. Eisers voeren aan dat de woonunits inmiddels al zijn gebouwd in afwijking van de verleende omgevingsvergunning en zich bevinden buiten het bouwvlak (specifieke bouwaanduiding- bebouwing) zoals dat op de plankaart van het bestemmingsplan met een stippellijn is weergegeven. Dat blijkt volgens eisers uit de gegevens afkomstig van de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG). De overschrijding van het bouwvlak is volgens eisers ten onrechte niet betrokken bij het bestreden besluit I. Bovendien was ten tijde van het nemen van dat besluit al bekend dat de ingediende tekening bij de vergunningaanvraag onjuist was, omdat in ieder geval twee units zich binnen de spuitzone bevonden. Het college had in bezwaar niet alleen onderzoek moeten doen naar units 1 en 16, maar ook naar de plaatsing van de reeds gerealiseerde units buiten het bouwvlak. Omdat in afwijking van de omgevingsvergunning is gebouwd buiten het bouwvlak, had het college de omgevingsvergunning volgens eisers moeten weigeren.\n\n18. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat het college moet beslissen op de aanvraag, zoals die door de aanvrager is ingediend. De aanvraag heeft geen betrekking op bouwen buiten het bouwvlak. Dat de woonunits inmiddels al in afwijking van de verleende omgevingsvergunning buiten het bouwvlak zijn gerealiseerd, zoals ook door het college op de zitting is bevestigd, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter een handhavingskwestie. Omdat op het college een beginselplicht tot handhaving rust, is het aan het college om te onderzoeken of er een concreet zicht op legalisatie bestaat en zo niet om tot handhaving over te gaan. Kortom, de afwijkende plaatsing van de units is geen grond voor weigering van de omgevingsvergunning. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nToetsing aan afwijkingenbeleid: participatie en aantal personen per slaapvertrek\n\n19. Eisers voeren aan dat het college het eigen beleid willekeurig toepast. Zo wijkt het college af van het beleid dat elke arbeidsmigrant in beginsel zijn eigen kamer heeft (dit beleid is gebaseerd op de zogenoemde Roemer-norm). Het beleid is volgens eisers opgesteld om aanvaardbare woon- en leefomstandigheden voor arbeidsmigranten te waarborgen, maar ook om overlast voor omwonenden te voorkomen. Uit het vergunde aantal personen blijkt dat het college uitgaat van een maximale bezetting, dus van twee personen per kamer in plaats van de Roemer-norm. Met de stelling van het college dat participatie op grond van de Omgevingswet geen weigeringsgrond is, gaat het college volgens eisers ook voorbij aan de participatieverplichting die voortvloeit uit het eigen beleid. In dit kader verwijzen eisers naar de op 10 september 2025 geweigerde omgevingsvergunning voor vijftien extra units op het perceel. Volgens eisers was die aanvraag geweigerd vanwege strijdigheden met het gemeentelijk beleid, wat volgens eisers ook nu het geval is.\n\n20. De aanvraag is door het college getoetst aan het Afwijkingenbeleid 2024 van de gemeente Dronten (het afwijkingenbeleid). Het afwijkingenbeleid schrijft voor dat de minimale gebruiksoppervlakte voor wonen conform de NEN 2580, 15 m2 per persoon bedraagt, waarvan minimaal 5,5 m2 per slaapvertrek. Uitgangspunt is één persoon per slaapvertrek. Als de arbeidsmigranten dit wensen zijn tweepersoonsslaapvertrekken toegelaten.In tegenstelling tot wat het college stelt, is de voorzieningenrechter van oordeel dat deze norm ook strekt ter bescherming van het woonklimaat van omwonenden zodat zij zich op deze norm kunnen beroepen. Zoals uit de formulering blijkt is echter sprake van een beleidsmatig uitgangspunt en geen harde norm. De voorzieningenrechter kan het college volgen in zijn standpunt dat het aan de arbeidsmigranten zelf is om te beslissen of zij een unit alleen of samen (met bijvoorbeeld een partner) willen huren. Het college zou te veel ingrijpen in de financiële en relationele sfeer van de arbeidsmigranten door in de vergunning een harde eis van één persoon per slaapvertrek te stellen.\n\n21. Verder overweegt de voorzieningenrechter het volgende. De Omgevingswet schrijft geen verplichte participatie voor. De aanvrager van een omgevingsvergunning is enkel verplicht om te motiveren of aan participatie is gedaan en wat de resultaten daarvan zijn.Tijdens de zitting heeft het college bevestigd dat de gemeenteraad geen gevallen van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten heeft aangewezen op grond van artikel 16.55, zevende lid, van de Omgevingswet, op grond waarvan het bieden van participatiemogelijkheden verplicht is voordat een aanvraag om omgevingsvergunning wordt ingediend. Dat in het verleden een vergelijkbare vergunning zou zijn geweigerd onder verwijzing naar het gemeentelijk beleid ligt, wat daar ook van zij, in deze procedure niet ter beoordeling voor. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nSpuitzone en de tuinaanleg\n\n22. Eisers voeren aan dat ook aan de oostzijde van het perceel sprake is van een overschrijding van de spuitvrije zone, daar waar er een tuin staat weergegeven op de plattegronden bij de omgevingsvergunning. Eisers stellen zich op het standpunt dat deze tuin vrij gebruikt zal gaan worden door de bewoners van de units en zij dan dus verblijven binnen de spuitzone met het risico dat zij blootgesteld worden aan gewasbeschermingsmiddelen. De stelling van het college in het bestreden besluit dat dit gedeelte binnen de spuitzone als parkeerruimte is ingetekend, is feitelijk onjuist. Op de inrichtingstekening is een tuin gesitueerd direct aangrenzend aan de woonunits welke voor een groot oppervlakte doorloopt tot binnen de spuitzone. Ook om deze reden had de omgevingsvergunning volgens eisers geweigerd moeten worden.\n\n23. Uit de inrichtingstekening bij de aanvraag maakt de voorzieningenrechter op dat de gronden bij de woonunits worden ingericht als een tuin. Op tekening is de aanduiding ‘groene ontwikkeling’ vermeld en is onder meer voorzien in een grasveld en een haag. Dit grasveld is volgens eisers gelegen binnen 50 meter tot de perceelsgrens en bevindt zich dus gedeeltelijk binnen de spuitzone. Het college betwist dat niet. Zoals de Afdeling heeft overwogen is een tuin bij een woning een voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functie.Omdat de woonunits relatief klein zijn acht de voorzieningenrechter het aannemelijk dat de bewoners vanaf het voorjaar tot het najaar regelmatig gebruik zullen maken van de tuin. Zij zullen geregeld buiten zitten om bijvoorbeeld te recreëren en te eten. Het is precies de periode waarin agrariërs gewasbeschermingsmiddelen op hun gewassen toepassen en waarin het, gelet op mogelijke gezondheidsrisico’s, van belang is dat er geen gevoelige functies binnen de spuitzone zijn. Omdat het bouwplan in zoverre een gevoelige functie mogelijk maakt op een kortere afstand dan 50 meter van gronden waarop gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, bevat het bestreden besluit I een gebrek.\n\nTussenuitspraak\n\n24. Zoals de voorzieningenrechter heeft overwogen zijn er twee gebreken in de besluitvorming. Het ene gebrek is dat de units 1 en 16 zich bevinden binnen de spuitzone en niet als zodanig vergund hadden mogen worden. De poging van het college om dit te ondervangen met het voorschrift dat deze units niet gebruikt mogen worden voor langdurig verblijf is te onbepaald. Het andere gebrek is dat de vergunning er in voorziet dat gronden binnen de spuitzone zullen worden ingericht als tuin, zonder dat met een zichtbare afscheiding in de vorm van een hek of haag wordt voorkomen dat personen daarbinnen gaan verblijven. Om de gebreken te kunnen herstellen zal het college met inachtneming van de hierboven opgenomen overwegingen een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen. Daarbij zal de verleende omgevingsvergunning, zo mogelijk op basis van een gewijzigde tekening bij de aanvraag, moeten worden gewijzigd. Daarbij zullen de units 1 en 16 moeten komen te vervallen of zodanig moeten worden aangepast dat deze ruimten (zoals aanvankelijk met het primaire besluit II bedacht) alleen gebruikt kunnen worden voor bijvoorbeeld opslag en niet voor het verblijf van personen geschikt zijn. Ook zal een gewijzigde inrichtingstekening bij de omgevingsvergunning gevoegd moeten worden op basis waarvan de tuinaanleg bij de units zodanig wordt gewijzigd dat met een adequate afbakening in de vorm van bijvoorbeeld een hekwerk of haag vermeden wordt dat de gronden binnen de spuitzone gebruikt worden voor het verblijf van personen.\n\n25. Het college moet (in overleg met vergunninghouder) zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de voorzieningenrechter of hij gebruik maakt van de gelegenheid om de gebreken te herstellen. Als het college gebruik heeft gemaakt van de herstelmogelijkheid, zal de voorzieningenrechter verzoekers en vergunninghouder in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de voorzieningenrechter zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.\n\n26. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in deze tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht.\n\n27. De voorzieningenrechter houdt in de beroepszaak iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op dit beroep. Dat laatste betekent ook dat hij over de proceskosten in bezwaar en beroep nu nog geen beslissing neemt.\n\nVoorlopige voorziening\n\n28. Omdat er naar het oordeel van de voorzieningenrechter aan de bestreden besluiten gebreken kleven gaat hij over tot beoordeling van de vraag of het noodzakelijk is om een voorlopige voorziening te treffen. Hiertoe weegt hij de belangen van de verschillende partijen bij het treffen van een voorlopige voorziening.\n\n29. Uit de beoordeling van het beroep volgt dat de besluitvorming van het college gebreken vertoont, maar ook dat dat die gebreken gelet op de aard ervan herstelbaar kunnen zijn. Hoewel de gebreken nog hersteld kunnen worden, zal de voorzieningenrechter een voorziening treffen. De voorzieningenrechter sluit namelijk niet uit dat de nieuwe besluitvorming door het college ertoe kan leiden dat de omgevingsvergunning alsnog wordt geweigerd. Verder is het, zoals na iedere tussenuitspraak, niet zeker dat de gebreken door het college hersteld worden. Daar komt bij dat vergunninghouder niet op de zitting is verschenen en ook niet schriftelijk heeft gereageerd, zodat onbekend is in hoeverre hij tot de nodige aanpassingen bereid is. Gelet op deze omstandigheden zal de voorzieningenrechter de omgevingsvergunning schorsen voor zover het betreft de units 1 en 16 en de tuinaanleg binnen de spuitzone. Met het oog op de ingebruikneming van de overige units zal de voorzieningenrechter bij wijze van voorlopige voorziening bepalen dat een (voorlopige) afscheiding aanwezig is, waarmee duidelijk wordt dat de tuingedeelten binnen de spuitzone niet geschikt zijn voor het verblijf van personen. Deze voorlopige voorziening vervalt automatisch als er einduitspraak wordt gedaan.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\ndraagt het college op binnen twee weken aan de voorzieningenrechter mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid om de gebreken in de bestreden besluiten te herstellen;\n\nstelt het college in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in de bestreden besluiten te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;\n\nhoudt iedere verdere beslissing in de bodemzaak aan;\n\nschorst bij wijze van een voorlopige voorziening de omgevingsvergunning van 2 oktober 2024 voor zover deze ziet op:\n\n1. units 1 en 16;\n\n2. het inrichten van de gronden binnen de spuitzone als tuinaanleg.\n\n- bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat zodra de andere vergunde units in gebruik zijn, een zichtbare afscheiding is aangebracht, waarmee duidelijk wordt dat de tuingedeelten binnen de spuitzone niet geschikt zijn voor het verblijf van personen.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.N. van Ooijen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2026.\n\nDe griffier is verhinderd om de\n\nuitspraak te ondertekenen\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nTegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.\n\nTegen deze tussenuitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.\n\n Op grond van artikel 8:86 van de Awb.\n\n Artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 17 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4407, rechtsoverweging 12.2.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 8 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1973, rechtsoverweging 9.1.\n\n Artikel 8.1, vijfde lid, van het afwijkingenbeleid.\n\n Artikel 7.4 van de Omgevingsregeling en artikel 16.55 lid 6 van de Omgevingswet.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 27 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4133, rechtsoverweging 10.3.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3907","2026-07-13T00:29:00.821Z",{"id":71,"ecli":72,"slug":73,"caseNumber":43,"courtId":74,"decisionDate":75,"fullText":76,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":77,"sourceTimestamp":75,"parsedAt":50,"updatedAt":78},"1935","ECLI:NL:RBNNE:2026:2522","ecli-nl-rbnne-2026-2522",65,"2026-06-30T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: LEE 24\u002F4344 en LEE 24\u002F4345\n einduitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen\n [naam] , uit Havelte, eiser 1 (LEE 24\u002F4344)\n\n [naam] uit Havelte, eiser 2 (LEE 24\u002F4345),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westerveld\n\n(gemachtigde: mr. drs. E.A.A. van Dam).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze einduitspraak gaat over een omgevingsvergunning voor het herinrichten van het sportpark en het vernieuwen van de accommodatie aan de [adres] te Havelte (het perceel). Eisers zijn het niet eens met de omgevingsvergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de omgevingsvergunning.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Het bestreden besluit is voorbereid met toepassing van de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure.\n\n2.1.. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.2.. Het college heeft op beide beroepen gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.3.. De rechtbank heeft de beroepen op 28 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen eisers en de gemachtigde van het college.\n\n2.4.. Op 23 december 2025 heeft de rechtbank een tussenuitspraak gedaan. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld om de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken te herstellen.\n\n2.5.. Het college heeft het bestreden besluit per brief van 2 februari 2026 nader gemotiveerd. Het college heeft daarbij een rapport ‘Herinrichting sportpark Havelte, second opinion akoestisch onderzoek’ van bureau Peutz gevoegd.\n\n2.6.. De rechtbank heeft eisers op 18 februari 2026 in de gelegenheid gesteld om een zienswijze over het herstel van het gebrek kenbaar te maken. Zij hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt.\n\n2.7.. De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld om aan te geven of zij mondeling op een nadere zitting willen worden gehoord. Zij hebben van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nDe tussenuitspraak\n\n3. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.\n\n3.1.. In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat het college de vergewisplicht uit artikel 3:2 van de Awb geschonden heeft bij het volgen van de bevindingen en conclusie van het (aanvullend) geluidsonderzoek, door niet inhoudelijk te reageren op eisers’ stelling dat in het model is uitgegaan van een gesloten pand, terwijl het pand in- en uitgangen heeft aan de kant van de parkeerplaats, en dat aspect ook niet ter beoordeling aan de adviseur voor te leggen. Het college heeft daardoor onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van aanvaardbare geluidgevolgen in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Daarnaast heeft het college niet kenbaar onderzocht en gemotiveerd dat de door eisers genoemde locatie - in het licht van de relatieve vergelijking waarop het college zich beroept maar die niet kenbaar in de besluitvorming is betrokken - geen gelijkwaardig alternatief is met aanmerkelijk minder bezwaren.\n\nGoede ruimtelijke ordening en geluid\n\n4. In de aanvullende motivering stelt het college dat uit de rekenresultaten van het onderzoek door bureau Peutz volgt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ter hoogte van de woningen ten gevolge van het sportpark ten hoogste 45 dB(A) bedraagt in de dagperiode tijdens wedstrijddagen en ten hoogste 45 dB(A) in de maatgevende avondperiode tijdens trainingsdagen. Daarmee kan worden voldaan aan de standaard geluidgrenswaarde van 50 dB(A) voor de dagperiode en 45 dB(A) voor de avondperiode. Het college stelt dat de rekenresultaten van het onderzoek door bureau Peutz niet wezenlijk anders zijn dan de resultaten uit eerdere onderzoeken en concludeert dat de geluidgevolgen in het kader van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar zijn.\n\n5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college met de aanvullende motivering het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek niet hersteld. Het college is namelijk ook in de aanvullende motivering niet inhoudelijk ingegaan op eisers’ stelling dat in het model bij het geluidsonderzoek is uitgegaan van een gesloten pand, terwijl het pand in- en uitgangen heeft aan de kant van de parkeerplaats.\n\nIn het geluidsonderzoek van bureau Peutz staat dat bij de akoestische modelvorming (inderdaad) uitsluitend de dubbele deur aan de oostzijde is beschouwd (de openslaande deuren naar het terras). In het geluidsonderzoek van bureau Peutz is aanvullend wél de geluidsemissie van een deur aan de noordzijde van de kantine betrokken, maar de in- en uitgangen aan de kant van de parkeerplaats -waar het gebrek in de tussenuitspraak op zag- zijn daarin niet (kenbaar) betrokken.\n\nAlternatieve situatie\n\n6. In de aanvullende motivering stelt het college dat de situering van de accommodatie is bepaald aan de hand van de plaatsing van het hoofdveld en de pupillenvelden. Het college stelt dat de accommodatie nog wel op de plaats van de pupillenvelden, aan de noordzijde van het hoofdveld, gesitueerd zou kunnen worden, maar dat gekozen is voor situering van de accommodatie aan de westzijde vanwege de beperkte ruimte en aanwezige infrastructuur. Volgens het college leidt de door eisers voorgestelde alternatieve locatie aan de noordzijde niet tot aanmerkelijk minder bezwaren. Het college verwijst naar de variantberekening in het rapport van Peutz. Het college merkt daarbij op dat de lagere geluidsbelasting bij de alternatieve locatie aan de noordzijde wordt veroorzaakt door het laten vervallen van een pupillenveld en dat mét dat pupillenveld vrijwel geen verschil wordt verwacht. Verder zou volgens het college voor vergunninghouder geen sprake zijn van een gelijkwaardig resultaat.\n\n7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college met de aanvullende motivering ook het tweede in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek niet hersteld. In de aanvullende motivering is het college op geen enkele wijze ingegaan op de relatieve vergelijking waarnaar bij de besluitvorming wel is verwezen, maar die niet kenbaar in die besluitvorming is betrokken. Verder heeft het college ook anderszins niet voldoende gemotiveerd dat de door eisers voorgestelde locatie geen gelijkwaardig alternatief is met aanmerkelijk minder bezwaren. De enkele, niet nader onderbouwde stelling dat voor vergunninghouder geen sprake is van een gelijkwaardig alternatief is daarvoor onvoldoende, temeer omdat op de zitting van 28 november 2025 door eisers onweersproken is gesteld dat het voor vergunninghouder niet uitmaakte waar de accommodatie zou komen. Dat de door eisers voorgestelde locatie niet leidt tot aanmerkelijk minder bezwaren is naar het oordeel van de rechtbank eveneens onvoldoende onderbouwd, omdat het college dat standpunt baseert op een berekening waarvan het college zelf aangeeft dat die onvolledig is. De reden voor de lagere geluidsbelasting die is berekend bij situering van de accommodatie aan de noordzijde van het hoofdveld is volgens het college dat in de vergelijking een van pupillenvelden is komen te vervallen. Volgens het college zou er geen verschil zijn als dat veld wordt meegerekend, maar die aanname wordt niet onderbouwd.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college niet voldaan aan de in de tussenuitspraak geformuleerde opdracht. Het college heeft met de in de herstelpoging opgenomen informatie nog steeds niet inhoudelijk gereageerd op eisers’ stelling dat in het model is uitgegaan van een gesloten pand, terwijl het pand in- en uitgangen heeft aan de kant van de parkeerplaats, en dat aspect is ook niet (kenbaar) in het geluidsonderzoek bij de aanvullende motivering betrokken. Het college heeft daardoor onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van aanvaardbare geluidgevolgen in het kader van een goede ruimtelijke ordening.\n\nDaarnaast heeft het college nog steeds niet kenbaar onderzocht en gemotiveerd dat de door eisers genoemde locatie - in het licht van de relatieve vergelijking waarop het college zich beroept maar die niet kenbaar in de besluitvorming is betrokken - geen gelijkwaardig alternatief is met aanmerkelijk minder bezwaren.\n\n8.1.. Reeds omdat het college niet heeft voldaan aan de in de tussenuitspraak geformuleerde opdracht van de rechtbank, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd. Het bestreden besluit is daarom in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. De beroepen zijn gegrond en de rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.\n\n8.2.. De rechtbank ziet geen ruimte om zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank ziet verder geen aanleiding opnieuw een bestuurlijke lus toe te passen. Het college zal, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit op de aanvraag moeten nemen. De rechtbank ziet aanleiding om te bepalen dat dit besluit binnen zes weken na verzending van deze uitspraak moet zijn genomen.\n\n8.3.. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart de beroepen met zaaknummers LEE 24\u002F4344 en LEE 24\u002F4345 gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit;\n\ndraagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;\n\nbepaalt dat het college het door eisers betaalde griffierecht van € 187,- aan beide eisers moet vergoeden;\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. L. Mulder, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Volk, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de\n\nbehandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2522","2026-07-13T00:29:46.262Z",{"id":80,"ecli":81,"slug":82,"caseNumber":43,"courtId":83,"decisionDate":84,"fullText":85,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":86,"sourceTimestamp":87,"parsedAt":50,"updatedAt":88},"1855","ECLI:NL:RBZWB:2026:5583","ecli-nl-rbzwb-2026-5583",64,"2026-06-29T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: 26\u002F2571\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [verzoeker 1] , uit [plaats 1] ,\n\n [verzoeker 2], uit [plaats 2] ,\n\nsamen, verzoekers,\n\n(gemachtigde: mr. A.A.M. van Beek),\n\nen\n\nHet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Drimmelen, het college.\n\nInleiding\n\nVerzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college van 21 april 2026 (bestreden besluit), over het opleggen van een last onder dwangsom vanwege het huisvesten van arbeidsmigranten op percelen aan de [adres] . Verzoekers hebben de voorzieningenrechter daarnaast verzocht om een voorlopige voorziening.\n\nDe voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 juni 2026 op zitting behandeld. Verzoekers waren samen met hun gemachtigde aanwezig. Namens het college was [vertegenwoordiger college] aanwezig.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n1. Feiten\n\n1.1. Verzoekers zijn eigenaar van de percelen aan de [adres] (hierna: de percelen).\n\n1.2. Op 14 oktober 2025 heeft een toezichthouder van de gemeente een controle uitgevoerd bij de bedrijfswoning op die percelen. De bevindingen zijn opgenomen in een controlerapport van 15 oktober 2025. Tijdens de controle is door de huismeester verklaard dat vijftien personen verbleven in de bedrijfswoning. Die vijftien personen werkten voor hetzelfde uitzendbureau. Daarnaast is geconstateerd dat op de begane grond elf slaapkamers, twee badkamers en twee keukens zijn gerealiseerd. Op de eerste verdieping zijn acht slaapkamers en twee badkamers gerealiseerd.\n\n1.3. In brieven van 24 december 2025 heeft het college verzoekers een waarschuwing gegeven, vanwege de huisvesting van arbeidsmigranten in de bedrijfswoning. Verzoekers hebben daar op 9 februari 2026 op gereageerd.1.4. In afzonderlijke brieven van 4 maart 2026 heeft het college verzoekers medegedeeld voornemens te zijn om een last onder dwangsom op te leggen. Verzoekers hebben daar met een zienswijze op gereageerd.\n\n1.5. Op 17 april 2026 heeft een toezichthouder van de gemeente een controle uitgevoerd bij de bedrijfswoning op de percelen. De bevindingen zijn opgenomen in een controlerapport van 17 april 2026. Tijdens de controle is geconstateerd dat nagenoeg alle kamers in het gebouw in gebruik waren door arbeidsmigranten.\n\n1.6. Bij bestreden besluit heeft het college aan verzoekers een last onder dwangsom opgelegd, vanwege de volgende overtredingen:\n\nhet zonder omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit gebruiken van de bedrijfswoning voor de huisvesting van arbeidsmigranten. Dit is volgens het college in strijd met artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet (Ow) in samenhang met artikel 6.1 van het omgevingsplan;\n\nhet zonder gebruiksmelding in gebruik nemen of gebruiken van een woonfunctie voor kamergewijze verhuur. Dit is volgens het college in strijd met artikel 6.6 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) in samenhang met artikel 6.7, eerste lid, van het Bbl.\n\nHet college heeft verzoekers gelast om de overtredingen te beëindigen en beëindigd te houden binnen vier weken na verzending van het bestreden besluit. Het college heeft daar een dwangsom aan verbonden van € 20.000,- per vier weken, met een maximum van € 60.000,-.\n\n1.7. Op 4 mei 2026 hebben verzoekers bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Op diezelfde dag hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.\n\n1.8. In een e-mailbericht van 7 mei 2026 heeft het college aan verzoekers medegedeeld dat de begunstigingstermijn wordt opgeschort tot twee weken na de uitspraak van de voorzieningenrechter.\n\n2. Wettelijk kader\n\n2.1. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.\n\nOmgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit\n\n2.2. In artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow staat dat het verboden is om een omgevingsplanactiviteit uit te voeren zonder omgevingsvergunning. Een omgevingsplanactiviteit wordt in de bijlage bij de Ow onder andere gedefinieerd als een activiteit in strijd met het omgevingsplan.\n\n2.3. De gemeenteraad stelt voor het gehele grondgebied van de gemeente één omgevingsplan vast waarin regels over de fysieke leefomgeving worden opgenomen.Het omgevingsplan bevat voor het gehele grondgebied van de gemeente in ieder geval de regels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige (‘zonder onevenredige gevolgen voor de fysieke leefomgeving’) toedeling van functies aan locaties.2.4. Op dit moment bestaat het omgevingsplan van de gemeente Drimmelen onder andere uit ‘een tijdelijk deel’.Dat tijdelijk deel wordt (voor zover voor deze zaak relevant) gevormd door de kaarten en regels uit het bestemmingsplan dat vóór 1 januari 2024 op de percelen van toepassing was.Dit was het bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan] ’, waarin aan de relevante delen van de percelen (voor zover daarop de bedrijfswoning is gelegen) de functie ‘bedrijventerrein’ en de aanduidingen ‘bedrijf tot en met categorie 2’ en ‘bedrijfswoning’ zijn toegekend.\n\nBesluit bouwwerken leefomgeving\n\n2.5. Het is op grond van artikel 6.7, eerste lid, van het Bbl in samenhang met artikel 6.6, eerste lid, van het Bbl verboden een bouwwerk met een woonfunctie te gebruiken voor kamergewijze verhuur, zonder dit ten minste vier weken voor het begin van het gebruik van het bouwwerk te melden bij het college.\n\n3. Spoedeisend belang\n\n3.1. Uit artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening kan treffen, indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist. Dat betekent dat sprake moet zijn van een situatie waarin de beslissing op bezwaar niet afgewacht kan worden, omdat het onmogelijk zal zijn om eventuele gevolgen van (de uitvoering van) het besluit te herstellen.\n\n3.2. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben verzoekers een spoedeisend belang bij hun verzoek om verzoek om een voorlopige voorziening. Aan hen is een last onder dwangsom opgelegd, met een begunstigingstermijn die loopt tot twee weken na deze uitspraak van de voorzieningenrechter.\n\n4. Gronden\n\n4.1. Verzoekers hebben hun gronden digitaal aangevuld op 12 juni 2026, als reactie op het verweerschrift. Ter zitting heeft het college gesteld dat dit stuk buiten beschouwing moet worden gelaten, omdat het indienen van een omvangrijke aanvulling op zo’n korte termijn voor de zitting in strijd is met de goede procesorde. De voorzieningenrechter stelt vast dat in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb staat dat partijen tot één dag voor de zitting nadere stukken kunnen indienen. Verzoekers hebben het stuk op vrijdag 12 juni 2026 (10:20 uur) digitaal ingediend bij de rechtbank en het verzoek om een voorlopige voorziening is op 15 juni 2026 (15:30 uur) op zitting behandeld. Gelet daarop hebben verzoekers het aanvullend stuk tijdig ingediend. Hoewel verzoekers al eerder hadden kunnen reageren op het verweerschrift, zal de voorzieningenrechter het stuk niet wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing laten. Het stuk is niet van een zodanige omvang of inhoud dat (het voorbereiden van) een adequate reactie daarop door het college na de ontvangst niet mogelijk zou zijn. Op zitting heeft het college er ook inhoudelijk op kunnen reageren.\n\n4.2. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om het bestreden besluit te schorsen tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Volgens verzoekers heeft het college de last onder dwangsom ten onrechte opgelegd. Ter onderbouwing van dat standpunt hebben zij verschillende argumenten aangevoerd. Volgens verzoekers is geen sprake van overtreding van artikel 6.6 en 6.7 van het Bbl. Verzoekers hebben daarnaast verschillende argumenten aangevoerd die herleid kunnen worden tot het standpunt dat een uitzondering moet worden gemaakt op de beginselplicht tot handhaving. Verzoekers hebben aangevoerd dat het college af had moeten zien van handhavend optreden, omdat sprake is van strijd met het verbod van détournement de pouvoir, het gelijkheidsbeginsel, omdat het huisvesten van arbeidsmigranten was toegestaan op grond van oud beleid, omdat het huidige beleid over de huisvesting van arbeidsmigranten onrechtmatig is, omdat handhaving onevenredig is en omdat het in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Daarnaast hebben verzoekers aangevoerd dat de begunstigingstermijn onredelijk en onuitvoerbaar is en dat de dwangsom te hoog is vastgesteld.\n\n5. Omvang van het geding\n\n5.1. Aan de voorzieningenrechter is een bestreden besluit ter toetsing voorgelegd waarin een last onder dwangsom is opgelegd aan verzoekers. De omvang van het geding wordt bepaald door het bestreden besluit.\n\n5.2. Verzoekers hebben in hun verzoek om voorlopige voorziening verschillende gronden aangevoerd die zien op het ‘verbod’ om arbeidsmigranten te huisvesten op de percelen. De voorzieningenrechter gaat ervanuit dat verzoekers daarmee bedoelen aan te voeren dat ze het niet eens zijn met de functie ‘Bedrijventerrein’ en daarbij behorende aanduidingen die in het bestemmingsplan – dat onderdeel is van het omgevingsplan – aan de percelen zijn toegekend. De voorzieningenrechter zal die gronden niet beoordelen, omdat deze gronden buiten de omvang van het geding vallen. Het bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan] ’ is onherroepelijk vastgesteld. De door verzoekers aangevoerde gronden dienden na de vaststelling van het bestemmingsplan te worden aangevoerd in een tegen die vaststelling gerichte procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling). In tegenstelling tot wat in het verzoek om een voorlopige voorziening staat, hebben verzoekers op zitting aangegeven dat zij niet hebben bedoeld aan te voeren dat het omgevingsplan in strijd is met de Dienstenrichtlijn.\n\n5.3. Verzoekers hebben verder verschillende argumenten aangevoerd die zien op het standpunt dat op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit kan worden verleend, voor het huisvesten van de arbeidsmigranten in de bedrijfswoning. Die argumenten zal de voorzieningenrechter uitsluitend beoordelen voor zover zij binnen de omvang van dit geding vallen. Meer specifiek is dat voor zover de argumenten kunnen worden vertaald naar het standpunt dat sprake is van concreet zicht op legalisatie. Het ligt op de weg van verzoekers om een aanvraag om een omgevingsvergunning in te dienen. In het kader van die procedure kan dan worden beoordeeld of en worden geprocedeerd over de vraag of een omgevingsvergunning kan worden verleend.\n\n6. Overtreding\n\n6.1. Het college was alleen bevoegd om een last onder dwangsom op te leggen, wanneer sprake was van een overtreding.6.2. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een overtreding van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow. Tussen partijen is namelijk niet in geschil dat het huisvesten van arbeidsmigranten in de bedrijfswoning in strijd is met het omgevingsplan en dat daar geen omgevingsvergunning voor is verleend aan verzoekers. Uit de planregels in samenhang met de Staat van bedrijfsactiviteiten, blijkt dat een bedrijf voor het huisvesten van arbeidsmigranten niet past binnen de functie ‘Bedrijventerrein’.Daarnaast kan het gebruiken van het pand voor het huisvesten van arbeidsmigranten ook niet worden aangemerkt als het gebruiken van het pand als bedrijfswoning.\n\n6.3. Gelet daarop was het college bevoegd om een last onder dwangsom op te leggen. Of ook sprake is van een overtreding van artikel 6.6 en 6.7 van het Bbl behoeft daarom geen bespreking meer. Te meer, omdat verzoekers op zitting hebben aangegeven dat die overtreding inmiddels is beëindigd door alsnog een melding te doen. Gelet daarop is het ook aan het college om in het kader van de heroverweging in bezwaar te beoordelen of die overtreding al dan niet als grondslag voor de last onder dwangsom wegvalt. Ter zitting heeft het college toegelicht dat het eventueel wegvallen van deze overtreding geen gevolgen heeft voor de hoogte van de gestelde dwangsom, omdat die voornamelijk is gebaseerd op de overtreding van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow.\n\n7. Beginselplicht tot handhaving\n\n7.1. Als uitgangspunt geldt dat een bestuursorgaan in de regel gebruik moet maken van een bevoegdheid om handhavend op te treden, ook wel aangeduid als de beginselplicht tot handhaving. Deze beginselplicht geldt voor bevoegdheden om een last onder bestuursdwang en een last onder dwangsom op te leggen. De reden voor deze beginselplicht is dat de rechtszekerheid vergt dat de feitelijke situatie in beginsel niet afwijkt van de juridisch toegestane situatie. Door middel van handhavend optreden wordt dit bereikt. Hieruit volgt het algemeen belang dat is gediend met handhaving.\n\n7.2. In een uitspraak van 3 maart 2025 heeft de Afdelingoverwogen dat voor de vraag of van handhavend optreden mocht worden afgezien, moet worden beoordeeld of handhavend optreden onevenredig is. Bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel geldt de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak. Dit betekent dat de bestuursrechter toetst of het besluit geschikt en noodzakelijk is, en daarna of het besluit in de gegeven omstandigheden evenwichtig is. Of deze drie elementen aan bod komen, hangt af van de aangevoerde beroepsgronden. Bij handhavingsbesluiten geldt daarbij als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan.\n\n7.3. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.\n\n7.4. Détournement de pouvoir\n\n7.4.1. Verzoekers hebben aangevoerd dat sprake is van een oneigenlijk gebruik (détournement de pouvoir) van handhavingsbevoegdheden. Het college stelt dat een bedrijventerrein ongeschikt is voor bewoning vanwege milieuzonering en een nabijgelegen geitenhouderij. Planologisch is een bedrijfswoning toegestaan en is daarmee reeds erkend dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aanwezig is.\n\n7.4.2. In artikel 3:3 van de Awb staat dat het bestuursorgaan de bevoegdheid tot het nemen van een besluit niet gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend.\n\n7.4.3. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet gebleken dat het college het bestreden besluit in strijd met het verbod van détournement de pouvoir heeft vastgesteld. Uit het bestreden besluit blijkt dat het college handhavend optreedt, omdat in de bedrijfswoning – in strijd met het omgevingsplan en zonder omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit – arbeidsmigranten worden gehuisvest. De voorzieningenrechter is niet gebleken van feiten en omstandigheden die zouden kunnen leiden tot de conclusie dat het bestreden besluit is genomen om een ander doel te dienen dan de handhaving van het omgevingsplan. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat uit pagina 26 van de Handreiking Activiteiten en milieuzonering van de VNG uit 2024 blijkt dat bij een bedrijfswoning een lager kwaliteitsniveau voor het woon- en leefklimaat wordt aanvaard dan dat wordt aanvaard voor een woonbestemming.\n\n7.5. Gelijkheidsbeginsel\n\n7.5.1. Volgens verzoekers is daarnaast sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Het college faciliteert op dit moment de opvang van een grote groep personen (asielzoekers) in een bedrijfsgebouw zonder woonfunctie op het bedrijventerrein Brieltjenspolder voor een periode van acht jaar. Het is juridisch onhoudbaar en een verboden onderscheid naar doelgroep, om voor de ene doelgroep (asielzoekers) te oordelen dat een bedrijventerrein een aanvaardbaar woon- en leefklimaat biedt, terwijl dit voor een andere doelgroep (arbeidsmigranten) categorisch wordt uitgesloten.\n\n7.5.2. Het gelijkheidsbeginsel vereist dat gelijke gevallen gelijk worden behandeld. Een besluit is in strijd met dit beginsel vastgesteld, wanneer sprake is van juridisch relevante gelijke gevallen die ongelijk worden behandeld en wanneer voor die ongelijke behandeling geen voldoende objectieve rechtvaardiging bestaat.\n\n7.5.3. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet gebleken dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld. Het college heeft in het verweerschrift voldoende toegelicht dat geen sprake is van juridisch relevante gelijke gevallen, omdat voor de opvang van de asielzoekers een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is verleend. In dat geval is dus geen sprake van een overtreding waartegen handhavend opgetreden kan worden. Aan verzoekers is een dergelijke omgevingsvergunning niet verleend.\n\n7.6. Toegestaan op grond van het oude beleid\n\n7.6.1. Verzoekers hebben daarnaast aangevoerd dat het huisvesten van arbeidsmigranten op deze percelen was toegestaan op grond van het oude beleid. Omdat het gaat om een woning in de kern van [plaats 3] , hoefde daar op grond van artikel 2.1 van het Beleid logies\u002Fhuisvesting arbeidsmigranten (herzien in 2020)(hierna: oude beleid) geen omgevingsvergunning voor te worden aangevraagd. Volgens het beleid kon worden volstaan met een melding, die verzoekers hebben gedaan.\n\n7.6.2. De voorzieningenrechter gaat ervanuit dat verzoekers hebben bedoeld aan te voeren dat het opleggen van de last onder dwangsom om de onder 7.6.1 genoemde redenen in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.\n\n7.6.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet is gebleken dat op grond van het oude beleid geen omgevingsvergunning was vereist voor het huisvesten van arbeidsmigranten in de bedrijfswoning. Vanaf 2013 was het bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan] ’ op de percelen van toepassing. Op dat moment was dus in het bestemmingsplan al aan de percelen de bestemming ‘Bedrijventerrein’ toegekend en de aanduidingen ‘bedrijfswoning’ en ‘bedrijf tot en met categorie 2’. Op dat moment was het huisvesten van arbeidsmigranten in de bedrijfswoning dus ook al in strijd met het bestemmingsplan. Daar was in ieder geval vanaf 2013 een omgevingsvergunning voor vereist op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. Het oude beleid waar verzoekers naar verwijzen is daarná vastgesteld in 2016. In beleidsregels kan niet van een wettelijke vergunningplicht worden afgeweken. Een beleidsregel is een bij besluit vastgestelde algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, over de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan.De voorzieningenrechter is ook niet gebleken dat in het door verzoekers genoemde oude beleid was bepaald dat geen omgevingsvergunning was vereist voor het in strijd met het bestemmingsplan huisvesten van arbeidsmigranten in de bedrijfswoning. In het oude beleid stond volgens verzoekers ‘Als huisvesting of logies plaatsvindt in een woning in de kern, hoeft hier geen omgevingsvergunning aangevraagd te worden. De bestemming wonen voorziet ook in logies’.Uit die zinssnede leidt de voorzieningenrechter af dat die bepaling uit het oude beleid uitsluitend van toepassing was op een woning met een woonbestemming. Dat deel van het oude beleid kan niet van toepassing zijn geweest op de percelen van verzoekers, omdat zich daar een bedrijfswoning bevindt met de bestemming ‘Bedrijventerrein’.\n\n7.7. Concreet zicht op legalisatie\n\n7.7.1. Verzoekers hebben verder aangevoerd dat het nieuwe beleid – de Beleidsregel Huisvesting Arbeidsmigranten gemeente Drimmelen – in strijd is met hoger recht. In het nieuwe beleid staat dat minimaal 80% van de gehuisveste personen werkzaam moet zijn bij het eigen bedrijf. Dit is volgens de Afdeling in strijd met het vrij verkeer van diensten. Het dwingen van ondernemers om alleen eigen personeel te huisvesten bevordert ook de ongewenste afhankelijkheid die de wetgever met de Wet goed verhuurderschap wil tegengaan. De Afdeling heeft daarnaast bepaald dat een migrant niet zijn huis mag verliezen, omdat diegene met het werk stopt. Door deze eis dwingt het beleid de ondernemer tot het plegen van een onrechtmatige daad: als een bewoner ontslag neemt, mag hij er officieel niet meer wonen volgens het beleid, maar mag de ondernemer hem er niet uitzetten volgens de rechter.\n\n7.7.2. De voorzieningenrechter begrijpt deze grond van verzoekers zo dat zij bedoelen aan te voeren dat het college een omgevingsvergunning voor het in strijd met het omgevingsplan huisvesten van de arbeidsmigranten niet kan weigeren op grond van het nieuwe beleid. De voorzieningenrechter heeft onder 5.3 overwogen dat een dergelijke grond buiten de omvang van dit geding valt. Voor zover verzoekers hebben bedoeld om aan te voeren dat sprake is van concreet zicht op legalisatie, is de voorzieningenrechter van oordeel dat daar niet van is gebleken. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling blijkt dat geen sprake is van concreet zicht op legalisatie, wanneer geen aanvraag voor een omgevingsvergunning is gedaan voor het gebruiken van de percelen in strijd met het omgevingsplan.\n\n7.8. Evenredigheidsbeginsel\n\n7.8.1. Verzoekers hebben aangevoerd dat handhaving in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.Handhavend optreden is niet geschikt, noodzakelijk of evenwichtig. Het verbod om arbeidsmigranten te mogen huisvesten, draagt niet bij aan het door de gemeente gestelde doel. De logiesfunctie leidt niet tot een inperking van de milieuruimte van omliggende bedrijven. Daarnaast is het niet noodzakelijk, omdat minder ingrijpende middelen mogelijk zijn, zoals het verlenen van een tijdelijke omgevingsvergunning. Daarnaast is geen sprake van evenwichtigheid. Het algemeen belang van handhaving weegt niet op tegen de financiële belangen van verzoekers en de bewoners. Verzoekers hebben substantiële kosten gemaakt om de huisvesting te realiseren. Er is ook geen sprake van overlast en er is een veilig woonklimaat. Het pand is vanwege de specifieke inrichting met 19 kamers ook fysiek ongeschikt voor reguliere bedrijvigheid. De huisvesting voldoet aan de SNF-normen van Stichting Normering Flexwonen en daarnaast is deze locatie specifiek ingericht zonder de reguliere woningvoorraad te belasten.\n\n7.8.2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college in het bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd dat handhavend optreden niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Het college heeft het algemene belang van de beëindiging van het met het omgevingsplan strijdige gebruik zwaarder mogen laten wegen dan de belangen van verzoekers. Verzoekers hebben niet met objectieve en verifieerbare bewijsstukken onderbouwd waarom handhavend optreden hen onevenredig raakt. Dat zij kosten hebben gemaakt voor het realiseren van de huisvesting, is een louter financieel belang, dat wordt gerelativeerd door het gegeven dat verzoekers al enige tijd lang geld verdienen aan de illegale verhuur van de bedrijfswoning aan arbeidsmigranten. Verzoekers hebben ook zelf het risico genomen om de bedrijfswoning om te bouwen tot huisvesting voor arbeidsmigranten, zonder eerst te controleren of die huisvesting in overeenstemming is met het planologisch regime. De door hen gestelde kosten komen dus voor hun eigen rekening en risico. Daarnaast was het pand voorafgaand aan het huidige gebruik wél fysiek geschikt voor reguliere bedrijvigheid en kan het pand wederom in die staat hersteld worden.\n\n7.9. Vertrouwensbeginsel\n\n7.9.1. Volgens verzoekers is het opleggen van de last onder dwangsom ook in strijd met het vertrouwensbeginsel. Telefonisch heeft een medewerker van de gemeente aan verzoekers medegedeeld dat geen omgevingsvergunning was vereist voor het huisvesten van de arbeidsmigranten. Het college heeft daarnaast tijdens controles in oktober 2023 en op 24 september 2024 de schijn van legaliteit gewekt. Tijdens die controles is door de toezichthouder verklaard dat het er goed uit zag. Het college heeft die schijn ook opgewekt door na die controles geen sancties op te leggen.\n\n7.9.2. Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij\u002Fzij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe.\n\n7.9.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat van een dergelijke toezegging niet is gebleken. Verzoekers hebben niet met objectieve en verifieerbare bewijsstukken onderbouwd dat door een medewerker van de gemeente – en namens het college – is toegezegd dat geen omgevingsvergunning was vereist voor het huisvesten van de arbeidsmigranten in de bedrijfswoning. Een toezegging kan ook niet worden gevonden in het gedurende een aantal jaren niet handhavend optreden. Dat geldt ook als het college gedurende die tijd – als gevolg van in dit geval verschillende controlemomenten – wel op de hoogte was van de overtreding of kon zijn.Dat is geen gedraging waarmee de indruk kan worden gewekt van een welbewuste standpuntbepaling dat er niet handhavend zou worden opgetreden.\n\n8. Begunstigingstermijn\n\n8.1. Verzoekers hebben verder aangevoerd dat de begunstigingstermijn onredelijk en onuitvoerbaar is. In de huidige krappe woningmarkt is het uitgesloten om alternatieve legale huisvesting te vinden voor de bewoners binnen vier weken. De lopende contracten kunnen binnen die termijn ook niet worden beëindigd. Minimaal 26 weken is in de rechtspraak noodzakelijk geacht voor een zorgvuldige uitplaatsing.\n\n8.2. In artikel 5:32a, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat: bij een last onder dwangsom die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding, wordt een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. De begunstigingstermijn strekt ertoe de overtreding op te heffen, waarbij als uitgangspunt geldt dat deze niet wezenlijk langer mag worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen.Een begunstigingstermijn moet wel lang genoeg zijn om de overtreding te kunnen beëindigen.Het college komt beleidsruimte toe bij het vaststellen van de tijdseenheid die geldt voor het verbeuren van dwangsommen.\n\n8.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college de begunstigingstermijn redelijkerwijs niet te kort heeft vastgesteld. Voor de vraag of een begunstigingstermijn in redelijkheid kan worden gesteld is slechts van belang of binnen die termijn aan de last kan worden voldaan en niet of de overtreder dat op een vanuit bedrijfseconomisch opzicht zo gunstig mogelijke wijze kan doen.De voorzieningenrechter ziet geen reden waarom verzoekers de overtreding niet binnen de gestelde – en inmiddels tot twee weken na deze uitspraak verlengde – begunstigingstermijn ongedaan kan maken. Binnen die termijn kunnen de arbeidsmigranten elders (bijvoorbeeld in een hotel) gehuisvest worden en kan het strijdig gebruik worden beëindigd. De door verzoekers genoemde jurisprudentie van de Afdeling acht de voorzieningenrechter niet relevant, omdat die uitspraken geen betrekking hebben op een last onder dwangsom of een daaraan verbonden begunstigingstermijn. De voorzieningenrechter leest in die uitspraken niet wat verzoekers daarin lezen. Die uitspraken zien op een kapvergunning, planschade en de vaststelling van een bestemmingsplan.\n\n9. Hoogte dwangsom\n\n9.1. De dwangsom is volgens verzoekers ook onredelijk hoog vastgesteld. Het is gebaseerd op een onjuiste bruto-omzetberekening, zonder aftrek van exploitatiekosten. Bovendien heeft de verdubbeling van dit bedrag een punitief karakter.\n\n9.2. Artikel 5:32b, derde lid, van de Awb bepaalt dat de bedragen van de dwangsom in redelijke verhouding staan tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom. Het opleggen van een last onder dwangsom heeft ten doel de overtreder te bewegen tot naleving van de geldende regels. Van de dwangsom moet een zodanige prikkel uitgaan, dat de opgelegde last wordt uitgevoerd zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.Om dit doel te bereiken kan de hoogte van het bedrag worden afgestemd op het financiële voordeel dat een overtreder kan verwachten bij het niet naleven van deze regels.\n\n9.3. De opgelegde last onder dwangsom strekt er toe de overtreding te beëindigen en beëindigd te houden. Het gaat daarmee om een herstelsanctie en niet om een bestraffende sanctie. Dat verzoekers dit anders hebben ervaren, is niet van belang voor de vraag of de sanctie een bestraffend karakter heeft. In het aangevoerde worden geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de last louter vanwege de hoogte van de dwangsom als een bestraffende sanctie zou moeten worden aangemerkt.Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college namelijk kunnen besluiten dat de hoogte van de dwangsom in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van de overtreding en de beoogde effectieve werking van de lasten. In wat verzoekers hebben aangevoerd ziet de voorzieningenrechter geen grond om te oordelen dat de opgelegde dwangsom daarmee niet in overeenstemming is. De omstandigheid dat verzoekers exploitatiekosten hebben moeten maken, leidt niet tot het oordeel dat het college de dwangsom naar beneden had moeten bijstellen. Het college heeft de dwangsom niet te hoog vastgesteld door niet exact te bekijken wat het economische voordeel van verzoekers is als gevolg van de overtreding. Daarbij is van belang dat van een dwangsom een afdoende prikkel tot normconform gedrag dient uit te gaan en het college daarbij kon volstaan met een globale schatting van de te verwachten winst bij het niet voldoen aan de last. Het in mindering brengen van deze exploitatiekosten op de dwangsom kan afbreuk doen aan deze beoogde werking van de dwangsom.\n\n10. Conclusie\n\n10.1. Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.\n\n10.2. Voor een proceskostenvergoeding bestaat daarom geen aanleiding.\n\nDe beslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier, op 29 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.Wettelijk kader\n\nOmgevingswet (Ow)\n\nArtikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow\n\nHet is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten een omgevingsplanactiviteit.\n\nOmgevingsplan\n\nArtikel 6.1, onder b, van de planregels (Bestemmingsplan [bestemmingsplan] )\n\nDe voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor: ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 2': bedrijven in ten hoogste categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten.\n\nArtikel 6.1, onder f, van de planregels (Bestemmingsplan [bestemmingsplan] )\n\nDe voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor: ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning': een bedrijfswoning en aan-huis-verbonden beroepen.\n\n Artikel 2.4 van de Ow.\n\n Artikel 4.2, eerste lid, van de Ow.\n\n Artikel 22.1 van de Ow.\n\n Artikel 22.1, onder a en b, van de Ow.\n\n Artikel 8:69, eerste lid, van de Awb.\n\n Artikel 5:2, eerste lid, onder b, jo. artikel 5:21 van de Awb.\n\n Artikel 6.1, onder b, van de planregels.\n\n Artikel 6.1, onder f en artikel 1.13 van de planregels.\n\n ABRvS 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678, r.o. 6.1.\n\n ABRvS 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.\n\n Artikel 1:3, vierde lid, van de Awb.\n\n ABRvS 15 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2081, r.o. 9.1.\n\n ABRvS 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678, r.o. 6.1.\n\n ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694.\n\n ABRvS 2 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2976, r.o. 3.1 en ABRvS 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:117, r.o. 5.1.\n\n ABRvS 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:117, r.o. 4.2.\n\n ABRvS 20 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR2282; ABRvS 12 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1882 en ABRvS 10 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3286.\n\n ABRvS 3 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1407, r.o. 8.1.\n\n ABRvS 15 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4233, r.o. 10 en ABRvS 25 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1038, r.o. 22.1.\n\n ABRvS 10 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:274, r.o. 10.3\n\n ABRvS 18 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3860, r.o. 8.1.\n\n ABRvS 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:235, r.o. 11.2.\n\n ABRvS 25 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3954, r.o. 6.1.\n\n ABRvS 2 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3942, r.o. 4.2.\n\n ABRvS 25 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3954, r.o. 6.1 en ABRvS 26 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1234, r.o. 4.2.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5583","2026-06-25T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:42.217Z",{"id":90,"ecli":91,"slug":92,"caseNumber":43,"courtId":93,"decisionDate":94,"fullText":95,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":96,"sourceTimestamp":94,"parsedAt":50,"updatedAt":97},"899","ECLI:NL:RBDHA:2026:17366","ecli-nl-rbdha-2026-17366",58,"2026-06-26T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SGR 26\u002F1234\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 juni 2026 in de zaak tussen\n [verzoeker] te [woonplaats] , verzoeker\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Teylingen, het college\n\n(gemachtigde: mr. T. Janssens).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de weigering van het college om verzoeker een omgevingsvergunning te verlenen voor het splitsen van de woning aan de [adres] in [plaats] . Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.\n\n1.1.. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af wegens het ontbreken van spoedeisend belang. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\nProcesverloop\n\n2. Met het besluit van 12 juni 2025 heeft het college geweigerd verzoeker een omgevingsvergunning te verlenen voor een reeds gerealiseerde splitsing van de woning aan de [adres] in [plaats] . Met het bestreden besluit van 12 januari 2026 heeft het college deze weigering in stand gelaten. Verzoeker heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.\n\n2.1. Verzoeker heeft het verzoek aangevuld en nadere stukken overgelegd.\n\n2.2. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.3. Verzoeker heeft hierop schriftelijk gereageerd.\n\n2.4. Het college heeft een nadere reactie ingediend.\n\n2.5. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigde van het college.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\nVoorgeschiedenis\n\n3. Verzoeker is eigenaar van de woning aan de [adres] in [plaats] . Hij heeft deze woning gesplitst in twee woningen, die worden verhuurd.\n\n3.1. Het college heeft met het besluit van 28 maart 2024 verzoeker een last onder dwangsom opgelegd om de zonder omgevingsvergunning uitgevoerde splitsing van deze woning ongedaan te maken en de illegale bewoning hiervan door meerdere huishoudens te (laten) beëindigen en beëindigd te houden. Verzoeker heeft hiertegen rechtsmiddelen aangewend. Met de uitspraak van 1 december 2025 van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is dit besluit onherroepelijk geworden.\n\n3.2. Nadat het college had beslist op de bezwaren van verzoeker tegen de last onder dwangsom, heeft verzoeker een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend om de woningsplitsing alsnog te legaliseren. Het college heeft de omgevingsvergunning geweigerd en deze weigering met het bestreden besluit in stand gelaten. Daartegen heeft verzoeker beroep ingesteld (zaak SGR 26\u002F1237).\n\nOmvang van het verzoek\n\n4. In het inleidende verzoekschrift is vermeld dat het verzoek strekt tot schorsing van de opgelegde last onder dwangsomp. Uit de inhoud van het aanvullende verzoekschrift, de door verzoeker ingediende nadere stukken en zijn toelichting op de zitting, is de voorzieningenrechter echter gebleken dat het verzoek strekt tot schorsing van het besluit tot weigering van de alsnog aangevraagde omgevingsvergunning. Verzoeker heeft toegelicht dat hij met het verzoek wil bereiken dat het college voorlopig niet overgaat tot invordering van verbeurde dwangsommen.\n\n4.1. De voorzieningenrechter stelt voorop dat verzoeker dit doel van zijn verzoek niet kan bereiken met de enkele schorsing van het weigeringsbesluit. Ook bij schorsing van dat besluit beschikt verzoeker immers nog niet over een omgevingsvergunning, zodat sprake blijft van een illegale situatie. Daarom neemt de voorzieningenrechter aan dat verzoeker beoogt dat hij tot de uitspraak in de beroepsprocedure over de geweigerde omgevingsvergunning, wordt aangemerkt als ware hij in het bezit van die vergunning.\n\nSpoedeisend belang\n\n5. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Daarvan is onder meer sprake als zonder het treffen van een voorlopige voorziening sprake is van onomkeerbare gevolgen die met zich meebrengen dat de uitkomst van de beroepsprocedure niet kan worden afgewacht.\n\n5.1. \n\nDe weigering van de omgevingsvergunning levert op zichzelf geen spoedeisend belang op. Deze weigering heeft geen onomkeerbare gevolgen.\n\nVoor zover verzoeker vreest dat de weigering van de omgevingsvergunning hem blootstelt aan mogelijke invordering van verbeurde dwangsommen, is dat ook onvoldoende om spoedeisend belang aan te nemen. De verbeurte van dwangsommen en de invordering daarvan is het rechtstreekse gevolg van de onherroepelijke last onder dwangsom, niet van de weigering van de omgevingsvergunning.\n\n5.2. De voorzieningenrechter stelt vast dat het college vooralsnog geen invorderingsbesluit heeft genomen. Mocht het college daartoe alsnog overgaan, dan kan verzoeker daartegen desgewenst rechtsmiddelen aanwenden. Als verzoeker vindt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van invordering had moeten afzien, dan kan hij dat in die procedure naar voren brengen. De wens om te voorkomen dat het college een invorderingsbesluit neemt, levert echter een onvoldoende spoedeisend belang op in deze zaak. Daarbij neemt de voorzieningenrechter nog in aanmerking dat de wens om toekomstige invordering van verbeurde dwangsommen te voorkomen, betrekking heeft op een louter financieel belang. Volgens vaste rechtspraak is een dergelijk belang in beginsel onvoldoende om een spoedeisend belang aan te ontlenen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Verzoeker heeft een onvoldoende spoedeisend belang bij zijn verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Dat betekent dat het bestreden besluit niet wordt geschorst. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 26 juni 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:5796","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17366","2026-07-13T00:28:53.641Z",{"id":99,"ecli":100,"slug":101,"caseNumber":43,"courtId":93,"decisionDate":102,"fullText":103,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":104,"sourceTimestamp":102,"parsedAt":50,"updatedAt":105},"987","ECLI:NL:RBDHA:2026:16974","ecli-nl-rbdha-2026-16974","2026-06-23T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: SGR 26\u002F3963 en SGR 26\u002F4309\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 juni 2026 in de zaken tussen\n [verzoeker] VOF e.a., te [plaats] , verzoekers\n\n(gemachtigde: mr. P.J.L.J. Duijsens),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Wassenaar, het college\n\n(gemachtigde: mr. P.M.J. de Haan).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: Stichting [derde-partij], te [plaats] (vergunninghoudster).\n\n(gemachtigde: mr. drs. H.J.M. van Schie)\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak op de verzoeken om een voorlopige voorziening gaat over (1) een verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van een woon-zorg verblijf met 7 studio’s aan de [adres 1] en (2) een besluit waarbij ambtshalve maatwerkvoorschriften zijn opgesteld ten aanzien van de milieubelastende activiteit ‘telen van gewassen in de openlucht’. Verzoekers zijn het hier niet mee eens. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening en voeren daartoe een aantal gronden aan.\n\nDe voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak de verzoeken af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\nProcesverloop\n\n2. Verzoekers exploiteren aan de [adres 2] een tuinbouwbedrijf en een caravanstalling in de aanwezige kassen. Op 21 juli 2025 heeft vergunninghoudster een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor genoemd bouwplan. De gronden waarop het bouwplan betrekking heeft grenzen aan de noordoost zijde aan de percelen van verzoekers.\n\nBij afzonderlijke besluiten van 6 mei 2026 heeft het college vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor zowel een technische bouwactiviteit als een (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit voor het hiervoor genoemde bouwplan.Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen (zaak SGR 26\u002F3963).\n\nMet het besluit van 1 mei 2026 heeft het college op grond van de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) ambtshalve maatwerkvoorschriften opgesteld ten aanzien van de milieubelastende activiteit ‘telen van gewassen in de openlucht’ voor de percelen gelegen ten noorden van [adres 1] . Verzoekers hebben hiertegen eveneens bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen (zaak SGR 26\u002F4309).\n\nVerzoekers hebben tweemaal verzocht de bouw van de woon-zorgverblijven bij wijze van ordemaatregel stil te leggen. De voorzieningenrechter heeft beide verzoeken afgewezen.\n\nHet college heeft op de verzoeken gereageerd met een verweerschrift. Verzoekers hebben nadere stukken overgelegd.\n\nDe voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 10 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers [naam 1] en [naam 2] , bijgestaan door hun gemachtigde, de gemachtigde van het college, vergezeld door [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] en de gemachtigde van vergunninghoudster, vergezeld door [naam 6] .\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\nZaak SGR 26\u002F4309\n\n3. De voorzieningenrechter stelt vast dat het college met het bestreden besluit van\n\n1 mei 2026 het volgende maatwerkvoorschrift heeft gesteld:\n\n“Binnen een afstand van 25 meter vanaf de zuidelijke perceelsgrens van de percelen aangeduid kadastraal als [kadastraal nummer 1] , [kadastraal nummer 2] , [kadastraal nummer 3] en [kadastraal nummer 4] , over een breedte van 50 meter gerekend vanaf de zuidwestelijke punt van perceel [kadastraal nummer 2] , mogen geen gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast door middel van spuiten”.\n\nAangezien de in dit voorschrift genoemde percelen geen deel uitmaken van het bedrijf van verzoekers, geen eigendom zijn van verzoekers, niet worden geëxploiteerd door verzoekers, maar door een ander bedrijf en daarnaast het voorschrift geen toestemming en ook geen verplichting inhoudt voor verzoekers om een haag te plaatsen, heeft dit besluit naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen rechtsgevolgen voor verzoekers. Verzoekers hebben er daarom geen belang bij om tegen dit besluit op te komen. De bezwaren van verzoekers tegen dit besluit zullen daarom naar verwachting niet-ontvankelijk worden verklaard. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.\n\nZaak SGR 26\u002F3963\n\nOmvang van het verzoek\n\n4. Blijkens het verzoekschrift richt het verzoek zich tegen de omgevingsvergunning voor de (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit en niet tegen de vergunning voor de technische bouwactiviteit. Aangezien geen verzoeksgronden zijn aangevoerd tegen de omgevingsvergunning die is verleend voor de technische bouwactiviteit, zal de voorzieningenrechter het verzoek, voor zover zich dat tegen dit besluit richt, afwijzen.\n\nSpoedeisend belang\n\n5. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Daarvan is onder meer sprake als zonder het treffen van een voorlopige voorziening sprake is van onomkeerbare gevolgen die met zich meebrengen dat de uitkomst van de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht.\n\n6. Verzoekers vrezen dat door de korte afstand tussen hun bedrijf en de voorziene woon-zorgfunctie een reëel risico bestaat dat toekomstige bewoners hinder zullen ondervinden van de bedrijfsactiviteiten en als gevolg daarvan beperkingen voor de bedrijfsvoering. Gebleken is dat vergunninghoudster reeds is gestart met de uitvoering van de werkzaamheden. Uit het overgelegde overzicht van de uit te voeren werkzaamheden van\n\n20 mei 2026 blijkt dat nog tot en met 15 oktober 2026 werkzaamheden plaatsvinden.\n\nDe eventuele nadelige gevolgen van de verleende omgevingsvergunning voor de bedrijfsvoering van het bedrijf van verzoekers kunnen zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter pas voordoen na de ingebruikname van de woon-zorg verblijven. Op de zitting heeft vergunninghoudster verklaard dat hiervan pas eind december 2026 sprake zal zijn. Het college heeft in zijn e-mailbericht van 27 mei 2026 aangegeven dat de beslissing op bezwaar naar verwachting over 5 tot 6 maanden zal worden genomen. Op de zitting heeft het college bevestigd dat de beslissing op bezwaar vóór december 2026 wordt verwacht en aangegeven dat de hoorzitting in bezwaar naar verwachting op 24 juni 2026 zal worden gehouden. Dit betekent dat de beslissing op bezwaar naar alle waarschijnlijkheid zal zijn genomen voordat de woon-zorg verblijven in gebruik worden genomen. Daarnaast hebben verzoekers geen spoedeisend belang bij het stilleggen van de bouwactiviteiten, omdat die geen nadelige gevolgen hebben voor hun bedrijfsvoering.\n\nGelet hierop oordeelt de voorzieningenrechter dat een voldoende spoedeisend belang ontbreekt.\n\nEvident onrechtmatig?\n\n7. Omdat voldoende spoedeisend belang ontbreekt, kan de door verzoekers gevraagde voorziening alleen worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en\u002Fof het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is en of het bestreden besluit uiteindelijk in stand zal blijven.\n\n8. Over de stelling van verzoekers dat in dit geval een verplichte advisering door de gemeenteraad geldt stelt de voorzieningenrechter vast dat de gemeenteraad van Wassenaar een lijst van gevallen heeft opgesteld - Lijst verzwaard adviesrecht en verplichte participatie gemeente Wassenaar 2023 - waarin hij het recht heeft om advies te geven over de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, zoals bedoeld in artikel 16.15a, aanhef en onder b, van de Omgevingswet. Het betreft onder meer (1) buitenplanse activiteiten, die strijdig zijn met beleidskaders, onafhankelijk van de omvang en impact van de activiteit (algemeen beginsel) en (2) een aantal specifieke categorieën, waaronder het bouwen van nieuw op te richten woonzorggebouwen of het uitbreiden van bestaande woonzorggebouwen, voor zover sprake is van een functieverandering naar deze maatschappelijke woonzorgfunctie, indien het bruto vloeroppervlak van 1.500 m2 wordt overschreden (categorie 5).\n\nNu verzoekers niet de categorie hebben genoemd op grond waarvan verplichte advisering door de raad is voorgeschreven, is het bestreden besluit naar voorlopig oordeel reeds hierom niet evident onrechtmatig. Voor zover verzoekers zich beroepen op categorie 5 van de lijst van gevallen is deze niet van toepassing, omdat de oppervlakte van het bouwplan minder dan 1500 m2 bedraagt.\n\n9. Ten aanzien van de stelling dat het college onvoldoende heeft onderzocht of als gevolg van de bedrijfsactiviteiten van verzoekers een goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd stelt de voorzieningenrechter voorop dat bij de boordeling of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties niet alleen rekening moet worden gehouden met de bestaande situatie, maar ook met de maximale planologische mogelijkheden.\n\n10. Het college stelt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter terecht dat in de Notitie gezondheidsrisico blootstelling aan Gewasbeschermingsmiddelen van Adromi Groep (Adromi) van 10 november 2025, dat aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd, is uitgegaan van een maximale planologische invulling van de percelen van verzoekers. In paragraaf 2.4.3 en 7.2.2 van deze notitie wordt ingegaan op de huidige exploitatiewijze van het bedrijf van verzoekers en de gevolgen van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op de nieuwe woon- zorgfunctie. In paragraaf 7.2.3. van deze notitie zijn maatregelen voorgesteld in de situatie waarin de gronden waarop zich nu kassen bevinden worden geëxploiteerd als boomgaard. Adromi heeft geadviseerd dat reeds in de huidige feitelijke situatie in verband met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen het gebied langs de bebouwing, 3 meter in zuidelijke richting en circa 13 meter in oostelijke richting, wordt afgebakend middels een afrastering of vergelijkbare voorziening, waarin regulier menselijk verblijf is uitgesloten. Deze gronden mogen alleen betreden worden in het kader van onderhoud (tuin en gebouw). In de noordoostelijke hoek van de bebouwing mogen geen te openen delen of inlaat van balansventilatie worden gesitueerd.\n\nIn de toekomstige situatie dat de kassen op het naastgelegen perceel van verzoekers worden gesloopt en die gronden worden geëxploiteerd als boomgaard wordt geadviseerd om een meegroeiende windhaag van 3,5 m hoog te plaatsen over de gehele lengte van het perceel met een over lengte van 25 meter om een goed woon- en leefklimaat te waarborgen. Overeenkomstig deze adviezen heeft het college in het bestreden besluit de door Adromi voorgestelde maatregelen als voorschrift 6 opgenomen. De stellingen van verzoekers dat Adromi uitgaat van een verkeerd beeld van de spuitfrequentie en spuittechnieken bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op hun percelen, volgt de voorzieningenrechter niet, gelet op de beschrijving van het maximaal teeltscenario op pagina 10 van de notitie van Adromi. Hiermee heeft het college naar voorlopig oordeel voldoende onderbouwd dat als gevolg van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen door verzoekers een goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd in de woon-zorgverblijven en hun bedrijfsvoering niet onevenredig wordt belemmerd. Het bestreden besluit is dan ook niet evident onrechtmatig op basis van wat is aangevoerd ten aanzien van dit aspect.\n\n11. In de ruimtelijke motivering van BJZ.nu van december 2025, die aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter evident onvoldoende rekening gehouden met de bedrijfsbelangen van verzoekers ten aanzien van de milieuaspecten geur en geluid. Verzoekers hebben gemotiveerd gesteld dat er in verband met de exploitatie van hun bedrijf wel degelijk geluid- en geuraspecten spelen. De voorzieningenrechter stelt vast dat het college in het bestreden besluit, in navolging van de ruimtelijke motivering ten onrechte niet op deze milieuaspecten is ingegaan. Evenmin is in de ruimtelijke motivering uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden voor de percelen van verzoekers en de gevolgen daarvan voor de milieuaspecten geur en geluid. Daarmee heeft het college onvoldoende onderbouwd dat vanwege de milieuaspecten geur en geluid een goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd. Het bestreden besluit is naar voorlopig oordeel in zoverre dan ook evident onrechtmatig.\n\n12. De voorzieningenrechter ziet hierin echter geen reden om een voorlopige voorziening te treffen, omdat dit gebrek hangende de bezwaarprocedure kan worden hersteld. Daarnaast ziet de voorzieningenrechter hierin geen reden om het bestreden besluit te schorsen, omdat de woon-zorgverblijven nog niet in gebruik zijn en naar alle waarschijnlijkheid voor die ingebruikname een besluit op bezwaar zal zijn genomen.\n\n13. In de overige gronden ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om te oordelen dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is.\n\nConclusie en gevolgen\n\n14. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken af. Dat betekent dat de bestreden besluiten niet worden geschorst. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 23 juni 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:16974","2026-07-13T00:28:57.636Z",{"id":107,"ecli":108,"slug":109,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":110,"fullText":111,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":112,"sourceTimestamp":113,"parsedAt":50,"updatedAt":114},"1007","ECLI:NL:RBGEL:2026:4890","ecli-nl-rbgel-2026-4890","2026-06-22T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ARN 25\u002F1372 en 25\u002F1384uitspraak van de enkelvoudige kamer van\n\nin de zaken tussen\n [eiseres] ,\n\nen\n\n [eiser] , beide wonend in [plaats 1] , eisers\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem\n\n(gemachtigde: mr. M.M. Mintjes).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: Gemeente Arnhem\n\n(gemachtigde: mr. T. de Boer).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de aan de derde-partij verleende omgevingsvergunning\n\nvoor het realiseren van 3 padelbanen op sportpark [naam sportpark] in [plaats 1] . Eisers zijn het niet eens met de verlening van de omgevingsvergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verleende omgevingsvergunning.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepen ongegrond zijn. Eisers krijgen dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. De derde-partij heeft op 22 september 2023 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van 3 padelbanen naast de al aanwezige tennisbanen op sportpark [naam sportpark] in [plaats 1] . Het college heeft deze omgevingsvergunning in het besluit van 7 februari 2025 verleend.\n\n2.1.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de omgevingsvergunning.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 12 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van het college en de gemachtigde van de derde-partij.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nOvergangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet\n\n3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).\n\nDe aanvraag voor een omgevingsvergunning is ingediend op 22 september 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.\n\nTotstandkoming van het bestreden besluit\n\n4. De derde-partij is eigenaar van de gronden die horen bij sportpark [naam sportpark] . Het sportpark is gevestigd aan de [locatie 1] in [plaats 1] . Op het sportpark ligt onder andere een tennispark. De derde-partij heeft op 22 september 2023 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van 3 padelbanen.De aanvraag is in strijd met het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 1] ”, omdat het bouwplan buiten het bouwvlak ligt. Dit is in strijd met artikel 1.2, eerste lid van de planvoorschriften. Het bouwplan past ook niet binnen de binnenplanse afwijkingsmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, omdat de aangevraagde hekwerken en lichtmasten hoger zijn dan toegestaan. Om het bouwplan toch mogelijk te maken is afgeweken van het bestemmingsplan.\n\n4.1.. \n\nAan de aanvraag ligt de ruimtelijke onderbouwing “Padelbanen [locatie 2] en [locatie 1] ” van 6 juni 2024 ten grondslag.\n\nHet bouwplan valt ook onder het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 2] ”. In artikel 3.1 van dat bestemmingsplan is de verplichting opgenomen dat een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen slechts wordt verleend indien bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt aangetoond dat gelet op de omvang of de bestemming van het gebouw in voldoende mate wordt voorzien in ruimte voor het parkeren of stallen van auto's. De derde-partij heeft een parkeeronderzoek overgelegd waaruit blijkt dat er voldoende parkeerplaatsen zijn. Het college heeft het ruimtelijk aanvaardbaar geacht om op basis van de ruimtelijke onderbouwing de omgevingsvergunning voor de afwijking van het bestemmingsplan te verlenen. Het college heeft vervolgens de omgevingsvergunning in het besluit van 7 februari 2025 verleend.4.2.. Eisers wonen allebei in de directe omgeving van het sportpark.\n\nParticipatie\n\n5. Eisers voeren aan dat omwonenden niet zijn betrokken bij de planvorming. Hierdoor zijn de belangen van de omwonenden volgens eisers onvoldoende meegewogen. Volgens eisers is geen sprake geweest van participatie. Dit terwijl dit wel was aangekondigd in de raadsbrief van 27 augustus 2024. Eisers geven aan dat in eerste instantie door de wethouder is verklaard dat voor de locatie [locatie 1] geen maatwerkvoorschriften nodig zouden zijn omdat de geluidsnormen niet worden overschreden. Uiteindelijk zijn er wel maatwerkvoorschriften vastgesteld. Omwonenden zijn daardoor verkeerd voorgelicht en op oneigenlijke wijze buitengesloten van tijdige inspraak en bezwaar, hetgeen hun recht op effectieve rechtsbescherming ernstig heeft aangetast. Volgens eisers heeft het college door omwonenden onvolledig en onjuist te informeren, niet alleen gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, maar ook met het rechtszekerheidsbeginsel.\n\n5.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is participatie een verplichte stap. De aanvraag is echter ingediend voor inwerkingtreding van de Omgevingswet. De Omgevingswet en de (wettelijk) verplichte participatie is dus niet van toepassing op deze aanvraag. Wel is het zo dat in 2019 de gemeenteraad het college heeft opgeroepen om inzicht te geven in de wijze waarop omwonenden zijn betrokken en over de planvorming zijn geïnformeerd. In dat verband heeft de tennisvereniging een verslag van de buurtparticipatie aangeleverd. Dat eisers vinden dat hun belangen onvoldoende zijn meewogen in het participatieproces, maakt niet dat de participatie tekortschoot. Het college heeft bij het verweerschrift stukken toegevoegd over de participatie. Er is een informatieavond geweest op 19 augustus 2024 en in de brief van 5 juli 2024 van de secretaris van de tennisvereniging [plaats 2] staat dat er regelmatig contact geweest is met onder andere Wijkplatform [wijkplatform 1] , [wijkplatform 2] en [wijkplatform 3] en bewoners die wonen aan de rand van sportpark [naam sportpark] . Hieruit volgt dat de omwonenden zijn meegenomen in de plannen.\n\n5.2.. Voor zover eisers hebben aangevoerd dat er onduidelijkheid was over het genomen maatwerkbesluit stelt de rechtbank vast dat in eerste instantie is aangegeven dat er geen maatwerkbesluit nodig zou zijn. Bij de beoordeling van de aanvraag is later gebleken dat dit wel nodig is. Dit is niet per definitie onzorgvuldig maar kan ook een gevolg zijn van voortschrijdend inzicht. Daarnaast is gebleken dat eisers, maar ook andere mensen, tijdig een bezwaarschrift hebben ingediend tegen dat besluit zodat zij niet door de handelswijze van het college in hun belangen zijn geschaad. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college bij de voorbereiding van het bestreden besluit niet heeft gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel.\n\nRuimtelijke onderbouwing\n\n6. Eisers voeren aan dat de ruimtelijke onderbouwing van de omgevingsvergunning onvoldoende is. Er wordt volgens eisers op veel aspecten waarop getoetst moet worden vrij summier gesteld dat aan de normen wordt voldaan. Eisers wijzen erop dat het gaat om de aantasting van hun woon- en leefklimaat. De argumenten die eisers daaraan ten grondslag leggen zijn gericht tegen de volgende onderdelen van de ruimtelijke onderbouwing; geluid, lichthinder, provinciaal beleid en verkeer en parkeren\n\nGeluid6.1.. \n\nEisers voeren aan dat het college ten onrechte heeft geconcludeerd dat de geluidssituatie na realisatie van de padelbanen aanvaardbaar zal zijn en geen nadelige gevolgen zal hebben voor het woon- en leefklimaat van de omwonenden. Volgens eisers heeft het college geen rekening gehouden met de belangen van de directe omwonenden en ook niet met de belangen van kwetsbare groepen, zoals onder meer de bewoners van de penitentiaire inrichting, de bewoners van de flat [naam flatgebouw] (bestaande uit ouderen en zorgbehoevenden), en de bewoners van de focuswoningen. Volgens eisers is in de huidige situatie ook al sprake van overschrijdingen van de geluidsnormen op de bestaande tennisbanen. Deze overschrijdingen zijn door het college bestempeld als een “onvoorziene situatie”. Voor de nieuwe situatie met de padelbanen staat vast dat, zonder aanvullende maatregelen, zoals de plaatsing van een geluidsscherm of beperking van de gebruikstijden, opnieuw niet zal worden voldaan aan de geluidsnormen. In de ruimtelijke onderbouwing wordt een geluidscherm voorgesteld om de geluidsoverlast te beperken maar dit wordt niet uitgevoerd omdat dat in strijd is met het bestemmingsplan. Ook is indirecte hinder, zoals de toename van verkeersbewegingen en de daarmee gepaard gaande geluidsoverlast, ten onrechte buiten beschouwing gelaten, terwijl deze hinder volgens eisers reëel en relevant is. Het college is bij de beoordeling ten onrechte uitgegaan van de aanduiding “gemengd gebied”. De aanwezigheid van enkele wegen rechtvaardigt niet de kwalificatie als gemengd gebied, zeker niet gezien de directe nabijheid van woonwijken, een verzorgingshuis en een\n\npenitentiaire inrichting. Eisers verwijzen ter ondersteuning van hun betoog naar de publicatie “Handreiking Padel en Geluid”.\n\n6.1.1.. \n\nDe derde-partij heeft op 15 februari 2023 een melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer ingediend. Op 3 april 2024 heeft het college besloten maatwerkvoorschriften op te stellen voor het aspect geluid. Op 17 september 2024 is dit besluit gewijzigd omdat er een fout stond in het besluit van 3 april 2024. In het maatwerkvoorschrift geeft het college aan het redelijk te vinden om een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (inclusief 5 dB toeslag) van ten hoogste 49 dB(A) toe te staan.\n\nHet maatwerkvoorschrift ziet niet op de woningen van eisers waardoor voor deze woningen de norm van 45 dB(A) blijft gelden. Het college heeft er dus voor gekozen om het op deze manier toe te staan en niet te kiezen voor een geluidswal of iets dergelijks. Daarmee wordt volgens het college voldaan aan het gemeentelijk geluidbeleid. Volgens het college wordt op deze manier voldaan aan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.\n\n6.1.2.. Eisers hebben allebei een bezwaarschrift ingediend tegen het maatwerkbesluit. In de beslissing op bezwaar van 27 maart 2025 zijn hun bezwaren ongegrond verklaard. In de beslissing op bezwaar heeft het college naar aanleiding van het advies van de commissie bezwaarschriften nader onderbouwd waarom voor een maatwerkvoorschrift van maximaal 49 dB(a) gekozen is en niet voor een geluidsabsorberend scherm in combinatie met de beperking van de openingstijden van de tennis-\u002Fpadelbanen.\n\n6.1.3.. \n\nTijdens de zitting bij de rechtbank hebben eisers desgevraagd bevestigd geen beroep te hebben ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. De gemachtigde van het college heeft tijdens de zitting aangegeven dat er ook door anderen geen beroep is ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. Dat betekent dat het maatwerkbesluit onherroepelijk is en hier in de voorliggende procedure van uit gegaan dient te worden.\n\nVoor zover eisers hebben aangevoerd dat het college bij de beoordeling niet heeft kunnen uitgaan van een gemengd gebied, mist dit betoog feitelijke grondslag. In de reactie op de zienswijzen staat namelijk dat het tennispark en haar omgeving overeenkomstig het gemeentelijke geluidbeleid is gelegen binnen het gebied \"Stadswijk\" en dat de algemene kwalificatie voor de geluidsambities in de stadswijk \"overwegend rustig\" (45 dB(A)) is. Volgens het akoestisch onderzoek, waarin de reactie op de zienswijzen naar wordt verwezen, wordt die norm gehaald ter plaatse van de woningen van eisers. Eisers hebben geen deskundig tegenrapport ingediend waaruit blijkt dat de geluidsbeoordeling niet juist is. Het enkele feit dat in de Handreiking Padel en Geluid wordt uitgegaan van een langere afstand tot omliggende woningen doet daar niet aan af. Met toepassing van het maatwerkvoorschrift is alleen voor enkele andere woningen dan de woningen van eisers redelijk geacht om een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (inclusief 5 dB toeslag) van ten hoogste 49 dB(A) toe te staan. Daargelaten dat eisers zich bij de bestuursrechter niet met succes kunnen beroepen op normen die niet strekken ter bescherming van hun belangen, ziet de rechtbank in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college deze afweging redelijkerwijs niet heeft kunnen maken. Het college heeft ook in het kader van het bestreden besluit de geluidsbelasting in beeld gebracht en geconcludeerd dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nLichthinder6.2.. Eisers voeren aan dat het college ten onrechte heeft geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van lichthinder. Hoewel gesteld wordt dat een onderzoek naar lichthinder is uitgevoerd, blijkt uit de bij de omgevingsvergunning gevoegde stukken niet op welke wijze dit onderzoek heeft plaatsgevonden, noch welke toetsingscriteria zijn gehanteerd. Evenmin wordt inzichtelijk gemaakt hoe is beoordeeld of, en in hoeverre, omwonenden hinder zullen ondervinden van de verlichting van de padelbanen. Gelet op het feit dat de padelbanen naar verwachting zullen worden voorzien van felle verlichting ten behoeve van gebruik dagelijks tot ongeveer 23:00 uur, is het volgens eisers aannemelijk dat sprake zal zijn van lichtoverlast en lichtvervuiling. De omgevingsvergunning maakt niet inzichtelijk welke onderzoeksresultaten zijn gehanteerd bij de beoordeling van deze lichthinder, waardoor niet kan worden vastgesteld dat het besluit zorgvuldig is voorbereid en voldoende is gemotiveerd. Dit is volgens eisers in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n6.2.1.. \n\nDe beroepsgrond slaagt niet. Het Activiteitenbesluit milieubeheer bevat geen normen voor het beoordelen van lichthinder. Er is alleen opgenomen wanneer de lampen moeten zijn uitgeschakeld. Dat is tussen 23.00 uur en 7.00 uur. Daarnaast moet de verlichting uitgeschakeld zijn als er geen sport wordt beoefend en als er geen onderhoud\n\nplaatsvindt. Het college heeft aansluiting gezocht bij de criteria van de commissie Lichthinder van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSW). Volgens de richtlijn Lichthinder uit 2021 ligt het sportpark in zone E3 stedelijk gebied. De grenswaarden op de gevel voor E3 is voor de verticale verlichtingssterkte (Ev)10 lux in de dag en avondperiode (7.00-23.00) en 2 lux in de nachtperiode. Uit het lichtonderzoek “Padelbanen TV [plaats 2] - lichthinderplan” van 13 februari 2023 volgt bovendien dat de verlichtingssterkte bij de woning 0,15 Lux is. Dat is veel lager dan de grenswaarde van 10 Lux. Verder is gekeken naar de verlichtingssterke van het armatuur. Ook die blijf ruim binnen de maximale grenswaarde.Eisers hebben geen tegenrapport in geding gebracht die de conclusie van het college bestrijdt. Op grond daarvan heeft het college kunnen aannemen dat er geen lichthinder zal optreden die maakt dat geen sprake meer is van een goed woon- en leefklimaat.\n\nProvinciaal beleid6.3.. Eisers voeren aan dat de ontwikkeling niet in overeenstemming is met het provinciaal beleid, zoals vastgelegd in de Omgevingsvisie “Gaaf Gelderland” en de Omgevingsverordening Gelderland.\n\n6.3.1.. De beroepsgrond slaagt niet. In paragraaf 3.2 van de ruimtelijke onderbouwing is uitvoerig ingegaan op het van toepassing zijnde provinciale beleid en is tot de conclusie gekomen dat de padelbaan in overeenstemming is met het provinciale beleid. Daarbij is concluderend overwogen dat:\n\n“Met de realisatie van de padelbanen wordt een impuls gegeven aan het sportvoorzieningenniveau en het verenigingsleven in [plaats 3] en [plaats 2] . Doordat de padelbanen op bestaande sportparken worden gerealiseerd, vindt er geen nieuw ruimtebeslag plaats en kan er gebruik worden gemaakt van reeds aanwezige faciliteiten.\n\nDe initiatieven voorzien niet in de winning van fossiele energie en er is ook geen sprake van het toevoegen of onttrekken van warmte aan de bodem of het grondwater.\n\nIn het kader van klimaatadaptie wordt opgemerkt dat de bodem van de padelbanen bestaan uit een drainbeton fundering. Deze heeft goede waterdoorlatende eigenschappen waardoor wateroverlast wordt voorkomen. De aspecten waterveiligheid, droogte en hitte zijn gezien de aard en ligging van de initiatieven niet van toepassing.”\n\nDe enkele stelling van eisers dat de ruimtelijke onderbouwing in strijd is met het provinciale beleid is onvoldoende om aan deze conclusie te twijfelen.\n\nVerkeer en parkeren6.4.. \n\nEisers voeren aan dat het college ten onrechte heeft geconcludeerd dat de omgevingsvergunning niet zal leiden tot een substantiële toename van verkeers- en parkeerproblemen in de omgeving. Uit de eigen onderbouwing van het college blijkt dat de\n\nrealisatie van de padelbanen zal resulteren in circa 84 extra verkeersbewegingen per dag. Gelet op de al bestaande situatie, waarin sprake is van aanzienlijke overlast als gevolg van verkeersdrukte en de aanwezigheid van rondhangende jongeren op het parkeerterrein, is deze toename zorgwekkend. Daarnaast zal de toename van bezoekers onvermijdelijk leiden tot een verhoogde parkeerdruk in de omliggende woonwijken. De [locatie 1] en de aanliggende straten bieden slechts beperkte parkeergelegenheid. Door de extra bezoekers zullen automobilisten uitwijken naar woonstraten. Dit zal leiden tot parkeerproblemen, verkeersoverlast en een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Ten slotte ontbreekt in de ruimtelijke onderbouwing iedere bespreking van het gemeentelijke mobiliteitsbeleid, waaronder het Mobiliteitsplan [plaats 1] . In dit beleid wordt onder meer ingezet op een verlaging van de parkeernormen in de stad. Dit kan direct gevolgen hebben voor de beoordeling van de parkeerbehoefte van nieuwe ontwikkelingen zoals de aanleg van de padelbanen.\n\n6.4.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Het college heeft er terecht op gewezen dat het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 1] ” aan het hele sportpark al een sportbestemming toekent. De ruimtelijke effecten van het sportpark (waaronder verkeer\u002Fparkeren) zijn al beoordeeld toen dit bestemmingsplan werd voorbereid. Alle percelen met de bestemming “Sport” kunnen zonder aparte vergunning (dus zonder parkeeronderzoek) in gebruik worden genomen als sportveld, ook de stukken grond die nu nog niet als sportveld zijn ingericht, zoals de beoogde plek voor de padelbanen. De bestemmingsplanafwijking waar nu een vergunning voor wordt gevraagd (het toestaan van een grotere bouwhoogte) veroorzaakt op zichzelf dus geen grotere parkeerbehoefte of extra verkeersbewegingen dan waar in het bestemmingsplan al rekening mee is gehouden. Op pagina 40 van de ruimtelijke onderbouwing is uitgewerkt hoeveel parkeerplaatsen feitelijk meer zullen worden benut ten opzichte van de bestaande situatie. Dat zijn er 7,5, waarmee het totaal aantal benodigde parkeerplaatsen voor het sportpark op 118,8 uitkomt. Er zijn op het parkeerterrein 213 parkeerplaatsen aanwezig. Dat betekent dat sprake is van een overschot van 94 parkeerplaatsen. Hieruit volgt dat de vrees van eisers dat in de omliggende straten geparkeerd zal worden ongegrond is. In de reactie op de zienswijze staat verder dat het Mobiliteitsplan ten tijde van de verlening van de vergunning in voorbereiding is en nog niet is vastgesteld. Eisers hebben in beroep niet gesteld dat dit onjuist is of toegelicht waarom de vergunning desondanks vanwege het (in voorbereiding zijnde) Mobiliteitsplan had moeten worden geweigerd. In de reactie op de zienswijzen staat verder dat de ontsluitingsweg [locatie 1] ook voldoende capaciteit om het aantal verkeersbewegingen te kunnen verwerken. Eisers hebben hun standpunten dat dit toch ontoereikend is niet onderbouwd. Het feit dat eisers overlast ervaren als gevolg de aanwezigheid van rondhangende jongeren op het parkeerterrein maakt het voorgaande ten slotte niet anders. Eventuele bestaande overlast staat los staat van het bestreden besluit dat nu voorligt.\n\n7. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de beroepsgronden geen aanleiding geven voor het oordeel dat het college de ruimtelijke onderbouwing niet aan de omgevingsvergunning ten grondslag heeft kunnen leggen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het betaalde griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van de proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid\n\nvan mr. M.H. Dijkman, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Het gaat om de activiteiten: het (ver)bouwen van een bouwwerk, het uitvoeren van een werk, (…)\n\nen het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, (…). Zoals opgenomen in artikel 2.1., eerste lid, onder a, b en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo).\n\n Met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 3°, van de Wabo.\n\n De besluitvorming is voorbereid met toepassing van de openbare uniforme voorbereidingsprocedure op grond van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).\n\n Gelet op artikel 4.8 van de Omgevingswet en artikel 22.45 van het Omgevingsplan van de gemeente Arnhem (geldend vanaf 31 januari 2024) stellen wij maatwerkvoorschriften op.\n\n Op grond van artikel 8:69a Algemene wet bestuursrecht.\n\n Die mag maximaal 10.000 Cd (Candela) zijn. Bij een verlichtingssterkte bij de woning van 0,15 Lux betekent dit een lichtsterkte (Cd) van de armatuur van ongeveer 0,15 *(afstand woning in het kwadraat) 95*95= 1353. 1353 is fors lager dan 10.000 Cd.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:4890","2026-06-19T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:58.656Z",{"id":116,"ecli":117,"slug":118,"caseNumber":43,"courtId":74,"decisionDate":119,"fullText":120,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":121,"sourceTimestamp":94,"parsedAt":50,"updatedAt":122},"469","ECLI:NL:RBNNE:2026:2489","ecli-nl-rbnne-2026-2489","2026-06-18T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nBestuursrecht\n\nlocatie Groningen\n\nzaaknummers: LEE 26\u002F1354 en 26\u002F1515\n\nuitspraak van de voorzieningenrechter van 18 juni 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen\n\n1. [Verzoeksters]uit [plaats] , verzoeksters 1,\n\n(gemachtigde: mr. R.J. Grasmeijer),\n\n2. [verzoeker]uit [plaats] , verzoeker 2,\n\n (gemachtigde: mr. J.T. Fuller),\n\n hierna gezamenlijk te noemen: verzoeksters.\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Midden-Drenthe, het college,\n\n(gemachtigde: mr. R.S. Wertheim).\n\nAls derde-partijneemt aan het geding deel: [vergunninghoudster] gevestigd in [plaats] , vergunninghoudster,\n\n(gemachtigde: B.H. Woppereis).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op de verzoeken om een voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning die het college heeft verleend voor het realiseren van een nieuwe stal voor vleeskuikens en het realiseren van overdekte uitlopen aan de vier bestaande stallen op het perceel aan de [adres] (het perceel) in [plaats] . Verzoeksters hebben hiertegen beroep ingestelden de voorzieningenrechter gevraagd de verleende omgevingsvergunning te schorsen.\n\n1.1. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Verzoeksters 1 zijn in persoon verschenen, vergezeld door [naam] (woordvoerder) en bijgestaan door hun gemachtigde. Verzoeker 2 is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, M.J. Siersema (Regionale Uitvoeringsdienst Drenthe), T. Kamphuis (casemanager ruimtelijke ordening) en F. Minkema (juridisch medewerker). Namens vergunninghoudster is verschenen [naam] , bijgestaan door de gemachtigde.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n2. De voorzieningenrechter beoordeelt de verzoeken aan de hand van de gronden die verzoeksters hebben aangevoerd. De verzoeken om voorlopige voorziening moeten worden afgewezen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n2.1. De wet- en regelgeving die belangrijk is voor de beoordeling van de verzoeken, is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nFeiten\n\n3. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.\n\n3.1. Vergunninghoudster is een (intensieve) pluimveehoudster. Zij is bezig met de omschakeling van het houden van ‘plofkippen’ naar het houden van beter leven-1 ster-kippen.\n\n3.2. Vergunninghoudster heeft op 20 maart 2023 een “aanmeldnotitie vormvrije M.E.R.-beoordeling” bij het college ingediend, die was opgesteld door Van Westreenen voor de wijziging van het bestaande agrarische bedrijf.\n\n3.3. Vergunninghoudster heeft op 22 maart 2023 een aanvraag om omgevings-vergunning bij het college ingediend, voor het realiseren van een nieuwe stal voor vleeskuikens en overdekte uitlopen aan de vier bestaande stallen op het perceel.\n\nDe aanvraag om omgevingsvergunning heeft betrekking op de volgende activiteiten:\n\n- bouwen;\n\n- handelen in strijd met regels van de ruimtelijke ordening;\n\n- het veranderen of veranderen van de werking van de inrichting (revisie).\n\n3.4. Bij besluit van 1 juli 2024 heeft het college besloten dat voor de beoogde verandering van de inrichting van vergunninghoudster geen milieueffectrapport (MER) nodig is. Dit was een voorbereidingsbesluit in de zin van artikel 6:3 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002FopenCitation\u002Fid366137044f51396edad15489f24c3f82) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n3.5. Het college heeft op 1 juli 2024 een ontwerpbesluit genomen om de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen. Het college heeft dit ontwerpbesluit inclusief de onderliggende stukken ter inzage gelegd in de periode van 5 juli 2024 tot en met\n\n16 augustus 2024. Daarbij heeft het college eenieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen.\n\n3.6. Verzoeksters 1 hebben in een brief van 14 augustus 2024 een zienswijze bij het college ingediend dat was gericht tegen het ontwerpbesluit.\n\nOok verzoeker 2 heeft in een brief van 14 augustus 2024 een zienswijze bij het college ingediend, gericht tegen het ontwerpbesluit.\n\n3.7. Bij het bestreden besluit heeft het college aan vergunninghoudster de omgevingsvergunning verleend.\n\nIs er sprake van een spoedeisend belang?\n\n4. Een verzoek om voorlopige voorziening kan alleen worden toegewezen als ‘onverwijlde spoed’ dat vereist. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat het spoedeisende belang aan de kant van verzoeksters aanwezig is, omdat vergunninghoudster heeft aangegeven dat zij al is begonnen met de bouwwerkzaamheden.\n\nWelk recht is van toepassing?\n\n5. Per 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken en is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Omdat vergunninghoudster de aanvraag om omgevingsvergunning vóór die datum bij het college heeft ingediend, is de Wabo met de onderliggende regelingen van toepassing. Dit volgt uit het overgangsrecht.\n\nBevoegdheid tot kortsluiten\n\n6. Gelet op de stukken en op wat er is besproken tijdens de zitting is de voorzieningenrechter van oordeel dat voor de volledige beoordeling van de beroepszaak nader onderzoek nodig is. Er bestaat daarom geen aanleiding om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.\n\n6.1. Dit betekent dat in dit geval alleen uitspraak zal worden gedaan op de verzoeken om voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter zal daarom een voorlopige beoordeling geven van de rechtmatigheid van het bestreden besluit en zal dat betrekken bij het oordeel over de vraag of het verzoek, gelet op de betrokken belangen, kan worden toegewezen.\n\nHet geschil\n\n7. Tussen partijen is in geschil of het college aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen voor het realiseren van een nieuwe stal voor vleeskuikens en het realiseren van overdekte uitlopen aan de vier bestaande stallen. Daarover overweegt de voorzieningenrechter als volgt.\n\nGoede procesorde\n\n8. Op de laatste werkdag vóór de zitting hebben verzoeksters 1 ruim 150 pagina’s aan producties overgelegd, waaronder een omvangrijke contra-expertise van Blauw luchthygiëne onderzoek en advies op het gebied van geur. Gelet op de omvang van deze producties en de dag waarop die zijn overgelegd, zal de voorzieningenrechter deze producties wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing laten.Verzoeksters 1 hebben op de zitting de gelegenheid gekregen om hun standpunt over het bestreden besluit toe te lichten.\n\nKunnen verzoeksters zich beroepen op de regels voor natuurbescherming?\n\n9. Verzoekers betogen dat in dit geval een vvgb van het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Drenthe (college van GS) vereist is. Verzoekers voeren aan dat het college in de beoordeling ten onrechte rekening heeft gehouden met het feit dat er intern gesaldeerd wordt. In dit verband wijzen verzoekers erop dat intern salderen sinds de uitspraken van 18 december 2024van de Afdeling niet meer mogelijk is. Dit betekent volgens verzoekers dat vergunninghoudster mede een aanvraag op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) had moeten indienen.Gelet daarop stellen verzoekers dat het college van GS een vvgb had moeten afgeven.Van een dergelijke vvgb is niet gebleken. Naar de mening van verzoekers heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning ten onrechte verleend.\n\n9.1. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze beroepsgrond niet kan slagen vanwege het zogenoemde ‘relativiteitsbeginsel’. De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, als deze regel of dit beginsel kennelijk niet bedoeld is voor de bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.\n\n9.2. In de Wnb staan bepalingen over de beoordeling van projecten die gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. Die regels zijn bedoeld om de natuurwaarden in deze gebieden te beschermen. De belangen van verzoeksters hebben te maken met de gebruiksmogelijkheden van vergunninghoudster en de invloed hiervan op hun (nabijgelegen) percelen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de regels van de Wnb niet zijn bedoeld om deze belangen van verzoeksters te beschermen. Het is ook niet zo dat de belangen van verzoeksters zijn verweven met het algemene natuurbelang van de Wnb. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied “Dwingelderveld” is daarvoor te ver van de percelen van verzoeksters (op ongeveer vier kilometer). Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is die afstand te groot om verwevenheid aan te nemen. Het relativiteitsbeginsel maakt dat dit argument van verzoeksters dus niet kan leiden tot schorsing of vernietiging van het bestreden besluit. Dit betekent dat de voorzieningenrechter deze door verzoeksters naar voren gebrachte grond niet inhoudelijk zal beoordelen.\n\nVerklaring van geen bedenkingen van de raad van de gemeente Midden-Drenthe\n\n10. Verzoekers betogen dat in dit geval (ook) ten onrechte een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) van de raad van de gemeente Midden-Drenthe (de raad) ontbreekt. Naar de mening van verzoekers is een vvgb van de raad vereist.Het college heeft bij het verlenen van de omgevingsvergunning namelijk toepassing gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a,ten derde, van de Wabo om af te wijken van het bestemmingsplan “Veegplan Buitengebied Midden-Drenthe 2022” (het bestemmingsplan). Voor die gevallen bepaalt de wet dat er een vvgb van de raad vereist is, behalve in uitzonderingsgevallen die zijn aangewezen. Van zo’n uitzondering is in dit geval geen sprake. Toch ontbreekt de vvgb. Volgens verzoekers was het college daarom in dit geval niet bevoegd om de omgevingsvergunning te verlenen.\n\n10.1. Het college stelt zich op het standpunt dat bij het verlenen van de omgevingsvergunning toepassing is gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten eerste, van de Wabo om binnenplans af te wijken van het bestemmingsplan. Daarvoor gelden andere regels dan voor de categorie (ten derde) die hiervoor is genoemd. Dit betekent volgens het college dat een vvgb van de raad niet vereist is en dat geen ruimtelijke onderbouwing hoeft te worden opgesteld.\n\n10.2. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter slaagt deze grond niet. Het college was in dit geval bevoegd om de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen. Hierbij stelt de voorzieningenrechter vast dat het college in dit geval de gevraagde omgevingsvergunning heeft verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten eerstevan de Wabo, in samenhang gelezen met artikel 4, vierde lid onder b en c, van de planregels van het bestemmingsplan. Dit betreft een binnenplanse afwijkmogelijkheid. Dit brengt naar het oordeel van de voorzieningenrechter met zich dat een vvgb van de raad in dit geval niet vereist is en dat geen ruimtelijke onderbouwing hoefde te worden opgesteld. Weliswaar heeft het college in het bestreden besluit ten onrechte als juridische grondslag artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a,ten derde, van de Wabo vermeld, maar uit het ontwerpbesluit en de zienswijzennota blijkt dat bedoeld werd om binnenplans af te wijken. Hieruit moet worden afgeleid dat sprake is van een (slordige) verschrijving van het college voor wat betreft de grondslag. Dat is op zichzelf echter onvoldoende reden om het besluit te schorsen.\n\nMocht het college gebruik maken van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid?\n\n11. Verzoekers betogen dat het college ten onrechte heeft geconcludeerd dat in dit geval gebruik kan worden gemaakt van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid.Verzoekers voeren aan dat niet wordt voldaan aan de criteria voor toepassing van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid. Daarbij gaat het volgens verzoekers vooral om het criterium dat moet zijn aangetoond dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de natuurlijke en landschappelijke waarden, de geomorfologische, cultuurhistorische en archeologische waarden, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. Verzoekers vrezen voor een onaanvaardbare toename van geluidhinder als gevolg van de vergunde activiteiten. Zij wijzen erop dat het onzeker is of bij de berekeningen van de geluidbelasting de juiste uitgangspunten zijn gehanteerd. Bovendien is berekende toename van geluidbelasting op de woning van verzoeksters 1 niet acceptabel. Verder vrezen verzoekers voor een onaanvaardbare toename van geurhinder en van de emissies van fijnstof als gevolg van de vergunde activiteiten. Gelet daarop kan het bouwplan naar de mening van verzoekers niet in overeenstemming worden geacht met een goede ruimtelijke ordening. Volgens verzoekers is er sprake van strijd met het zorgvuldigheidsbeginselen het motiveringsbeginsel.\n\n11.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het bestemmingsplan een intensieve veehouderij op het perceel toelaat. Het college voert aan dat er sprake is van het afwijken van het bestemmingsplan voor wat betreft de bouwregels. Verder zijn de geluidsvoorschriften in de nieuwe vergunning volgens het college aangescherpt ten opzichte van de vergunning van 2016, op grond van de resultaten van het uitgevoerde akoestisch onderzoek. Uit het geluidsrapport blijkt volgens het college het geluid op de woning van verzoeksters 1 tijdens de incidentele bedrijfssituatie in de dagperiode met 1 dB toeneemt. Dat is naar de mening van het college geen reden om de omgevingsvergunning te weigeren. Daarnaast voert het college aan dat uit de uitgevoerde geurberekening blijkt dat wordt voldaan aan de norm van 14 Ou\u002Fm3, die geldt voor geurgevoelige objecten gelegen in het buitengebied.\n\n11.2. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet op voorhand aannemelijk dat deze beroepsgrond zal slagen. De voorzieningenrechter licht dit hieronder toe.\n\n11.3. Het bestemmingsplan laat op het perceel een intensieve veehouderij toe, zoals de beoogde uitbreiding van de pluimveehouderij. De ruimtelijke belangen die betrokken zijn bij een intensieve veehouderij op deze locatie zijn daarom in het kader van de vaststelling van het bestemmingsplan al afgewogen. De voorzieningenrechter stelt vast dat de afwijking van het bestemmingsplan alleen te maken heeft met de bouwregels over het bebouwingsoppervlak en de situering. Verzoekers maken zich zorgen over een verslechtering van de milieu- en woonsituatie door een toename van de emissies van geur, geluid en fijnstof en de daarmee gepaard gaande gezondheidsrisico’s. Maar zo’n toename had ook veroorzaakt kunnen worden door een uitbreiding van de inrichting die wel in overeenstemming zou zijn met deze bouwregels (en dus niet in strijd met het bestemmingsplan).\n\n11.4. Het is niet aannemelijk geworden dat er sprake is van een onevenredige afbreuk van de milieusituatie en de woonsituatie van verzoeksters 1, alleen doordat het geluid op hun woning met 1 dB toeneemt tijdens de incidentele bedrijfssituatie. Verzoekers hebben niet betwist dat ook met die toename nog voldaan wordt aan de richtwaarden op grond van de Handreiking industrielawaai vergunningverlening (Handreiking). Zij hebben ook niet aannemelijk gemaakt dat er voor het maximale geluidsniveau (LAmax) sprake is van een overschrijding van de richtwaarde op grond van de Handreiking. Zij hebben alleen gesteld dat er sprake is van een overschrijding van de streefwaarde voor het maximale geluidsniveau. Dat is nog geen overschrijding van derichtwaarde.\n\n11.5. Verder is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet aannemelijk is gemaakt dat er vanwege de gestelde geurhinder sprake is van een onevenredige afbreuk van de milieusituatie en de woonsituatie van verzoekers. Het college heeft daarbij verwezen naar een uitgevoerde geurberekening. Onder deze omstandigheden heeft het college in de door verzoekers gestelde hinder en gezondheidsrisico’s in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien de omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan te weigeren. Er is door verzoekers ook onvoldoende onderbouwd dat gezondheidsrisico’s het college aanleiding hadden moeten geven om advies van de GGD in te winnen voor de vergunningverlening. Ook is niet voldoende concreet gemaakt dat eerdere GGD-advisering met betrekking tot het hanteren van het voorzorgbeginsel en de intensieve veehouderij voor het college aanleiding hadden moeten zijn om deze vergunning te weigeren. Gelet op de voorgaande overwegingen bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.\n\nMilieu-aspecten (geluid en geur)\n\n12. Verzoeksters 1 twijfelen aan de berekeningen van geluid en geur waar het college vanuit is gegaan in de besluitvorming. Specifiek betwisten zij de gehanteerde uitgangswaarde van de uittreesnelheid vanwege:\n\n- de benodigde ventilatiecapaciteit;\n\n- de diameter van de uitstroomopening;\n\n- de warmtewisselaar;\n\n- het aantal warmtewisselaars per stal;\n\n- het aantal ventilatoren warmtewisselaar(s);\n\n- het in werking zijn van de warmtewisselaar(s);\n\n- de capaciteit van de ventilatoren;\n\n- de capaciteit van de ventilatoren van de warmtewisselaar;\n\n- de eisen aan cascade gestuurde ventilatie;\n\n- het ten onrechte uitgaan van cascade-gestuurde ventilatie.\n\nGelet daarop zijn verzoeksters onder 1 van mening dat het college de in opdracht van vergunninghoudster opgestelde deskundigenrapporten met betrekking tot geluid en geur niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen.\n\n12.1. Deze voorlopige voorzieningenprocedure leent zich niet voor de behandeling van complexe technisch-juridische vragen. De vragen die verzoeksters 1 opwerpen over de werking van de ventilatoren en eigenschappen van de ventilatoren en de warmtewisselaar (capaciteit, diameter uitstroomopening en cascade-gestuurd) zijn voorbeelden van zulke complexe technisch juridische vragen. De beantwoording van die vragen vergt mogelijk nader onderzoek door middel van het inwinnen van advies van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (StAB) dat in de bodemprocedure moet plaatsvinden. Dit betekent dat de voorzieningenrechter hierover geen voorlopig oordeel kan geven en zich zal beperken tot een belangenafweging.\n\n12.2. Na afweging van de betrokken belangen is de voorzieningenrechter van oordeel dat er in dit geval geen aanleiding bestaat om de gevraagde voorlopige voorziening te treffen. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de vrees voor geur- en geluidsoverlast die verzoeksters naar voren hebben gebrachte weliswaar reëel is, maar dat er geen concrete aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat het bestreden besluit zal leiden tot een verslechtering van de woon- en leefsituatie van verzoeksters. Vooral ook omdat op grond van de bestaande omgevingsvergunning ook ’s nachts activiteiten zijn toegestaan (het verladen van de vleeskuikens). Daar komt bij dat de voorzieningenrechter de toelichting met betrekking tot geur, fijnstof en endotoxinen die de gemachtigde Siersema tijdens de zitting heeft gegeven plausibel acht. De voorzieningenrechter concludeert dat het niet op voorhand zeker is dat de vergunde pluimveehouderij, waarvoor in 2023 uitbreiding is aangevraagd, niet ruimtelijk en milieutechnisch kan worden ingepast, ondanks de bezwaren van verzoeksters. Hierbij acht de voorzieningenrechter van belang dat de gevraagde uitbreiding ziet op het bouwen van een pluimveestal en het plaatsen van overdekte uitlopen aan de bestaande stallen, maar dat het aantal te houden dieren met 33.500 afneemt. Dat zal een positieve invloed hebben op de uitstoot van geur, fijnstof en endotoxinen. Vergunninghoudster heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat schorsing van de verleende omgevingsvergunning de verandering van de bedrijfsvoering verhindert en een drastische reductie van het inkomen (tot 50%) met zich brengt, zodat zij dan zal moeten terugvallen op de activiteiten die zij verricht op grond van de oude vergunning. Dat houdt in: het houden van 33.500 meer (plof)kippen, inclusief nachtelijke activiteiten.\n\n12.3. De voorzieningenrechter heeft begrip voor de zorgen van verzoekers over hun woon- en leefklimaat. Toch is de voorzieningenrechter van oordeel dat de belangen van verzoeksters bij schorsing minder zwaar wegen dan de overige belangen. De voorzieningenrechter is er niet op voorhand van overtuigd (geraakt) dat de uitkomst van de beroepsprocedure ertoe zal leiden dat de gevraagde omgevingsvergunning moet worden geweigerd door het college. Met de uitkomst van de beroepsprocedure zal meer duidelijkheid komen over de ruimtelijke en milieutechnische inpassing van de activiteiten.\n\nConclusie en gevolgen\n\n13. Gelet op de voorgaande overwegingen bestaat er, na afweging van de betrokken belangen, geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen of een maatregel op te leggen. De verzoeken daartoe worden afgewezen. Omdat de verzoeken om voorlopige voorziening worden afgewezen, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om de verzochte en verstrekkende last onder bestuursdwang aan de uitspraak te verbinden. Het verzoek daartoe van verzoeker 2 wordt afgewezen.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n- wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af;\n\n- wijst het verzoek van verzoeker onder 2 om een last onder bestuursdwang aan de uitspraak te verbinden, af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. C.S. Schür, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.L.A. van Kats als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.\n\ngriffier voorzieningenrechter\n\nAfschrift verzonden op:Rechtsmiddel\n\nUitsluitend tegen de uitspraak op het beroep kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\nAls hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.\n\nBijlage\n\nAlgemene wet bestuursrecht\n\nArtikel 8:81\n\n1. Indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.\n\n(…).\n\nWet algemene bepalingen omgevingsrecht\n\nArtikel 2.1\n\n1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:\n\na. het bouwen van een bouwwerk,\n\n(…)\n\nc. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (…).\n\n(…)\n\ne. 1. het oprichten,\n\n2. het veranderen of veranderen van de werking of\n\n3. het in werking hebben\n\nvan een inrichting of mijnbouwwerk.\n\n(…)\n\ni. het verrichten van een andere activiteit die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving.\n\n(…)\n\nArtikel 2.10\n\n1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:\n\n(…)\n\nc. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan (…);\n\nd. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002FopenCitation\u002Fid19d9f7d1dcae1b42bc994c4e76c6729c), van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend.\n\n2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.\n\nArtikel 2.12\n\n1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:\n\na. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:\n\n1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,\n\n2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of\n\n3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. (…)\n\nArtikel 2.14\n\nVoor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e:\n\na. betrekt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval:\n\n1°. de bestaande toestand van het milieu, voor zover de inrichting of het mijnbouwwerk daarvoor gevolgen kan veroorzaken;\n\n2°. de gevolgen voor het milieu, mede in hun onderlinge samenhang bezien, die de inrichting of het mijnbouwwerk kan veroorzaken, mede gezien de technische kenmerken en de geografische ligging daarvan;\n\n(…)\n\nb. houdt het bevoegd gezag bij die beslissing in ieder geval rekening met:\n\n1°. het voor hem geldende milieubeleidsplan;\n\n2°. het bepaalde in de artikelen 10.14 en 10.29a van de Wet milieubeheer;\n\n3°. de voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de inrichting of het mijnbouwwerk gevolgen kan hebben, geldende richtwaarden, voor zover de verplichting tot het rekening houden daarmee is vastgelegd krachtens of overeenkomstig artikel 5.2 of 5.17 van de Wet milieubeheer;\n\nc. neemt het bevoegd gezag bij die beslissing in ieder geval in acht:\n\n1°. dat in de inrichting of het mijnbouwwerk ten minste de voor de inrichting of het mijnbouwwerk in aanmerking komende beste beschikbare technieken moeten worden toegepast;\n\n2°. de voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de inrichting of het mijnbouwwerk gevolgen kan hebben, geldende grenswaarden, voor zover de verplichting tot het in acht nemen daarvan is vastgelegd krachtens of overeenkomstig artikel 5.2 van de Wet milieubeheer, is vastgelegd in of krachtens artikel 5.16 van die wet, dan wel voor zover het inrichtingen betreft voortvloeit uit de artikelen 40, 44 tot en met 47, 50, 51, 53 tot en met 56, 59 tot en met 61, 63, tweede lid, 64, 65 of 66 van de Wet geluidhinder.\n\n(…)\n\n3. Voor zover het een activiteit betreft als bedoeld in het eerste lid, kan de omgevingsvergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd.\n\n4. Het bevoegd gezag geeft in de motivering van de beslissing op de aanvraag te kennen, op welke wijze de in het eerste lid, onder a, genoemde aspecten de inhoud van het besluit hebben beïnvloed. Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, onder c, onder 3°, vermeldt het bevoegd gezag dit in de motivering.\n\n(…)\n\n7. Bij de toepassing van het eerste lid worden gronden en bouwwerken in de omgeving van de inrichting in aanmerking genomen overeenkomstig het bestemmingsplan, de beheersverordening, of, indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken, de omgevingsvergunning.\n\nBesluit omgevingsrecht\n\nArtikel 2.2aa Activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving\n\nAls categorie activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de wet, worden tevens aangewezen:\n\na. het realiseren van een project als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming, behoudens de gevallen, bedoeld in de artikelen 2.9, eerste en tweede lid, of 9.4, eerste, achtste of negende lid, van die wet, artikel 9, vijfde lid, van de Spoedwet wegverbreding (https:\u002F\u002Fwetten.overheid.nl\u002Fjci1.3:c:BWBR0015158&artikel=9&g=2023-07-01&z=2026-02-12) of artikel 13, achtste lid, van de Tracéwet (https:\u002F\u002Fwetten.overheid.nl\u002Fjci1.3:c:BWBR0006147&artikel=13&g=2023-07-01&z=2026-02-12), voor zover dat project, onderscheidenlijk die handeling bestaat uit een activiteit waarop het verbod, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdelen a tot en met h of in artikel 2.2 van de wet, of bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel i, van de wet in samenhang met artikel 2.2a van toepassing is en voor zover voor dat project geen vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming is aangevraagd of verleend.\n\n(…).\n\nArtikel 6.10a Natura 2000- en flora- en fauna-activiteiten\n\n1. Voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel a of b, wordt de omgevingsvergunning niet verleend dan nadat gedeputeerde staten als bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, van de Wet natuurbescherming hebben verklaard dat zij daartegen geen bedenkingen hebben.\n\n(…).\n\n4. Een verklaring kan slechts worden gegeven:\n\na. voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.aa, onderdeel a: op de gronden, die zijn aangegeven in artikel 2.8 en artikel 5.5, derde lid, van de Wet natuurbescherming, het bepaalde krachtens artikel 2.9, vierde lid, van die wet en artikel 2.14 van het Besluit natuurbescherming.\n\n(…).\n\nWet geurhinder en veehouderij\n\nArtikel 1\n\nIn deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:\n\nconcentratiegebied:concentratiegebied Zuid of concentratiegebied Oost als aangegeven in bijlage I bij de Meststoffenwet (https:\u002F\u002Fwetten.overheid.nl\u002Fjci1.3:c:BWBR0004054&bijlage=I&g=2023-05-21&z=2026-05-21), of een als zodanig bij gemeentelijke verordening aangewezen gebied.\n\n(…).\n\nArtikel 2\n\n1. Bij een beslissing inzake de omgevingsvergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij betrekt het bevoegd gezag de geurhinder door de geurbelasting vanwege tot veehouderijen behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze als aangegeven bij of krachtens de artikelen 3 tot met 9 (https:\u002F\u002Fwetten.overheid.nl\u002FBWBR0020396\u002F2013-01-01\u002F0?g=2023-05-21&z=2026-05-21).\n\n(…).\n\nArtikel 3\n\n1. Een omgevingsvergunning met betrekking tot een veehouderij wordt geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object, gelegen:\n\na. binnen een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom meer bedraagt dan 3,0 odour units per kubieke meter lucht;\n\nb. binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom meer bedraagt dan 14,0 odour units per kubieke meter lucht;\n\nc. buiten een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom meer bedraagt dan 2,0 odour units per kubieke meter lucht;\n\nd. buiten een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom meer bedraagt dan 8,0 odour units per kubieke meter lucht.\n\n(…).\n\n4. Indien de geurbelasting, bedoeld in het eerste lid, groter is dan aangegeven in dat lid, het aantal dieren van één of meer diercategorieën toeneemt, en een geurbelastingreducerende maatregel zal worden toegepast, dan wordt een omgevingsvergunning verleend voor zover het betreft de wijziging van het aantal dieren, voor zover de toename van de geurbelasting ten gevolge van die wijziging niet meer bedraagt dan de helft van de vermindering van de geurbelasting die het gevolg zou zijn van de toegepaste geurbelastingreducerende maatregel bij het eerder vergunde veebestand.\n\nArtikel 6\n\n1. Bij gemeentelijke verordening kan worden bepaald dat binnen een deel van het grondgebied van de gemeente een andere waarde van toepassing is dan de desbetreffende waarde, genoemd in artikel 3, eerste lid (https:\u002F\u002Fwetten.overheid.nl\u002FBWBR0020396\u002F2013-01-01\u002F0?g=2023-05-21&z=2026-05-21), met dien verstande dat deze andere waarde:\n\na. binnen een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom niet minder bedraagt dan 0,1 odour unit per kubieke meter lucht en niet meer dan 14,0 odour units per kubieke meter lucht;\n\nb. binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom niet minder bedraagt dan 3,0 odour units per kubieke meter lucht en niet meer dan 35,0 odour units per kubieke meter lucht;\n\nc. buiten een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom niet minder bedraagt dan 0,1 odour unit per kubieke meter lucht en niet meer dan 8,0 odour units per kubieke meter lucht;\n\nd. buiten een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom niet minder bedraagt dan 2,0 odour units per kubieke meter lucht en niet meer dan 20,0 odour units per kubieke meter lucht.\n\n(…).\n\nVerordening Leefomgeving Midden-Drenthe 2024\n\nArtikel 3.5 Andere waarden voor de geurbelasting\n\n1. Bij een beslissing inzake de vergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij neemt het bevoegd gezag de in het tijdelijk deel van het Omgevingsplan bepaalde geurnormen en minimale vaste afstanden in acht.\n\n(…).\n\n3. In afwijking van het eerste lid is voor het gebied van de gemeente liggende buiten de op de bij deze verordening behorende kaarten aangewezen gebieden de geurnorm\n\n14 Odourunits\u002Fm3 lucht.\n\nBestemmingsplan “Veegplan Buitengebied Midden-Drenthe 2022”\n\nAan het perceel zijn de bestemmingen “Waarde – Archeologie 2” en “Agrarisch met waarden-1” toegekend, alsmede de functieaanduiding “intensieve veehouderij”.\n\nArtikel 4 Agrarisch met waarden-1\n\nArtikel 4.1 Bestemmingsomschrijving\n\nDe voor “Agrarisch met waarden – 1” aangewezen gronden zijn bestemd voor:\n\n(…).\n\nc. de uitoefening van het agrarisch bedrijf met een niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering in de vorm van een intensief veehouderijbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘intensieve veehouderij’;\n\n(…).\n\nArtikel 4.2 Bouwregels\n\na. Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:\n\n1. er zullen uitsluitend gebouwen, waaronder overkappingen, ten behoeve van agrarische bedrijven met bijbehorende functies worden gebouwd;\n\n(…);\n\n4a. de gebouwen zullen uitsluitend binnen een aaneengesloten vierhoek van 1,5 ha, dan wel bouwvlak worden gebouwd gerekend vanuit de aanduidingen 'specifieke vorm van agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf', 'intensieve veehouderij' of 'specifieke vorm van agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf met intensieve tak', waarbij de diepte van de vierhoek (ongeveer haaks op de naar de weg gerichte gevel van de bedrijfswoning, dan wel overeenkomstig de richting van de bestaande bebouwing) altijd langer is dan de breedte (ongeveer evenwijdig aan de naar de weg gekeerde gevel van de bedrijfswoning, dan wel overeenkomstig de richting van de bestaande bebouwing) van de vierhoek. In afwijking hiervan zijn in bestaande situaties waarin de bebouwing niet binnen een vierhoek, dan wel bouwvlak is gesitueerd ook andere vormen toegestaan;\n\n4b. in uitzondering op het gestelde onder a, mogen tevens gebouwen worden gebouwd overeenkomstig de bestaande situatie, dan wel binnen een bouwvlak, zoals ter plaatse is aangeduid;\n\n5. de diepte van een aaneengesloten vierhoek zal ten hoogste 200 m bedragen, gerekend vanaf de naar de weg gekeerde gevel van de bedrijfswoning. Indien geen bedrijfswoning aanwezig is, zal de diepte worden gerekend vanaf de naar de weg gekeerde perceelgrens. De grootste afstand in de breedte van een vierhoek zal ten hoogste 125 m bedragen, zodanig dat er wordt gebouwd binnen een denkbeeldige vierhoek;\n\n(…);\n\n16. ter plaatse van de aanduiding ‘intensieve veehouderij’ en ‘specifieke vorm van agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf met intensieve tak’ worden bedrijfsgebouwen in ten hoogste één bouwlaag gebouwd.\n\n(…).\n\nArtikel 4.4 Afwijken van de bouwregels\n\nBij gebruikmaking van de bevoegdheid bij een omgevingsvergunning af te wijken van de bouwregels worden de algemene toetsingscriteria afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden als genoemd in artikel 48.2 gehanteerd.\n\nOnderstaande bevoegdheden kunnen ook nog worden toegepast na gebruikmaking van de afwijkingsbevoegdheid onder b.\n\nBij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in:\n\n(…);\n\nb. lid 4.2 sub a onder 4 en 5:\n\nen worden toegestaan dat de aaneengesloten vierhoek van 1,5 ha, dan wel bouwvlak wordt vergroot, mits:\n\n1. de oppervlakte van de aaneengesloten vierhoek, dan wel bouwvlak wordt vergroot tot ten hoogste 2 ha;\n\n2. deze afwijking niet wordt toegepast ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 1 ha';\n\n3. met de vormgeving van de aaneengesloten vierhoek, dan wel bouwvlak zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de landschappelijke karakteristiek en\u002Fof de landschappelijke structuur;\n\n4. het verzoek om verlening van de omgevingsvergunning gepaard gaat met een voorstel tot landschappelijke inpassing van de bebouwing ter versterking van het landschappelijk karakter; er wordt uitsluitend over gegaan tot verlening van de omgevingsvergunning als er overeenstemming is over een goede landschappelijke inpassing en de uitvoering van het plan voor landschappelijke inpassing is gegarandeerd;\n\n5. er zicht is op een langdurige vergroting van de productieomvang als gevolg van schaalvergroting of extensivering\u002Fverbreding van de bedrijfsactiviteiten en de noodzakelijkheid van de bedrijfsuitbreiding is aangetoond;\n\n6. is aangetoond dat binnen de bestaande aaneengesloten vierhoek, dan wel bouwvlak geen ruimte meer is voor de benodigde uitbreiding;\n\n7. is aangetoond dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de natuurlijke en landschappelijke waarden, de geomorfologische, cultuurhistorische en archeologische waarden, de woonsituatie, het bebouwingsbeeld en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;\n\n(…).\n\n De beroepen zijn geregistreerd onder de procedurenummers LEE 25\u002F2603 en 25\u002F2639.\n\n De verzoeken om voorlopige voorziening zijn geregistreerd onder de procedurenummers LEE 26\u002F1354 en 26\u002F1515.\n\n Zie artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet.\n\nToepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is dus niet aan de orde.\n\n Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van\n\n16 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:263, rechtsoverweging 5.\n\n Zie de uitspraken van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4909 en ECLI:NL:RVS:2024:4923.\n\n Op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb).\n\n Op grond van artikel 2.27 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), in samenhang gelezen met artikel 6.10a van het Bor.\n\nDat volgt uit artikel 8:69a van de Awb.\n\nVergelijk bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706 en van 24 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2627.\n\n Op grond van artikel 6.5, derde lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor).\n\n Om af te wijken zoals beschreven in artikel 4, vierde lid, van het bestemmingsplan “Veegplan Buitengebied Midden-Drenthe 2022”.\n\n Als bedoeld in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Als bedoeld in artikel 3:46 van de Awb.\n\n Deze norm is ten aanzien van geurgevoelige objecten gelegen in het buitengebied opgenomen in artikel 3:5, derde lid, van de Verordening Leefomgeving Midden-Drenthe 2024 (de Verordening).\n\n Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:617, r.o. 9.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2489","2026-07-13T00:28:31.997Z",{"id":124,"ecli":125,"slug":126,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":127,"fullText":128,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":129,"sourceTimestamp":130,"parsedAt":50,"updatedAt":131},"1061","ECLI:NL:RBGEL:2026:4765","ecli-nl-rbgel-2026-4765","2026-06-17T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ARN 23\u002F3607, ARN 23\u002F3543 en 23\u002F4010\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van\n\nin de zaken tussen\n\n [eiseres 1], uit [plaats], eiseres 1\n\n(gemachtigde: mr. E.H.M. Teeuw),\n\n [eiser (als onderdeel van eisers 2)] en [eiseres (als onderdeel van eisers 2)], uit [plaats], samen: eisers 2\n\n(gemachtigde: mr. M. van Hoorne),\n\n [villapark (eisers 3)], uit [plaats],\n\n [recreatiepark (eisers 3)], uit [plaats]\n\n [resort (eisers 3)], uit [plaats], samen: eisers 3\n\n(gemachtigden: mr. J.J. Molenaar en J.P.H. de Bruijn),\n\nallen gezamenlijk eisers,\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Berg en Dal\n\n(gemachtigde: mr. M.L. van Kalsbeek).\n\nAls derde-partijen nemen aan de zaak deel:\n\n [derde-partij]\n\n(gemachtigde: [gemachtigde]); en\n\nde Staat der Nederlanden(de minister van Veiligheid en Justitie).\n\nSamenvatting\n\n1. De rechtbank oordeelt in deze uitspraak dat het college met de aanvullende motivering het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek heeft hersteld. De beroepen van eisers zijn gegrond omdat er een motiveringsgebrek in de beslissing op bezwaar zit. Toch maakt dit de uitkomst niet anders, omdat de rechtbank de rechtsgevolgen van de beslissing op bezwaar van 22 mei 2023 in stand laat. Dat betekent dat de omgevingsvergunning in stand blijft.Procesverloop\n\n2. Het college heeft op 26 september 2022 een omgevingsvergunning verleend aan de derde-partij voor het realiseren van twee padelbanen. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen de verleende omgevingsvergunning. Met de beslissing op bezwaar van 22 mei 2023 heeft het college de omgevingsvergunning in stand gelaten.\n\n2.1.. Eisers hebben (afzonderlijk) beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. Het college heeft op het beroep gereageerd met een (gezamenlijk) verweerschrift. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2025.\n\n2.2.. In de tussenuitspraak van 27 november 2025 (hierna: de tussenuitspraak) heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen twaalf weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.\n\n2.3.. Het college heeft op 3 februari 2026, op basis van een deskundigennotitie van Peutz van 23 januari 2026 (hierna: de aanvullende notitie van Peutz), een aanvullende motivering van het bestreden besluit ingediend.\n\n2.4.. Eiseres 1 en eisers 3 hebben hierop op 20 februari 2026 respectievelijk 11 maart 2026 schriftelijk gereageerd (hierna: de zienswijzen). Eisers 2 hebben niet gereageerd.\n\n2.5.. De rechtbank heeft het college vervolgens nog gelegenheid geboden om te reageren op de zienswijze van eisers 3. Het college heeft daarvan gebruik gemaakt; zijn reactie is op 8 april 2026 bij de rechtbank binnengekomen. Voor eisers 3 was dit aanleiding om op 4 mei 2026 nog een aanvullende reactie naar de rechtbank te sturen.\n\n2.6.. De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.\n\n2.7.. De tennisvereniging heeft geklaagd over de duur van de procedure.\n\nOverwegingen\n\n3. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak.\n\nWelk gebrek heeft de rechtbank geconstateerd?\n\n3.1.. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd en voor zover hier van belang, overwogen dat de padelkooi (uitsluitend) aan de kopse kanten, de bouwvoorschriften met één meter overschrijdt. Door de plaatsing van een balustrade krijgt de padelkooi daar namelijk een hoogte van vier meter. Het college heeft de extra geluidbelasting als gevolg van de balustrade ten onrechte niet meegenomen in de ruimtelijke afweging en heeft onvoldoende gemotiveerd dat het toestaan van een hogere bouwhoogte (vanwege de balustrade) uitsluitend stedenbouwkundige gevolgen heeft. Het had naar het oordeel van de rechtbank op de weg van het college gelegen om te motiveren waarom een toename van de geluidsbelasting ten gevolge van de balustrade niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is daarom gegrond en het besluit moet daarom in zoverre worden vernietigd.\n\n3.2.. Het college is in de gelegenheid gesteld om dit gebrek te herstellen door te motiveren wat de gevolgen van de balustrade zijn voor de geluidbelasting op de omgeving. Het college heeft met de brief van 3 februari 2026 van die gelegenheid gebruik gemaakt. De rechtbank moet daarom nu alleen nog beoordelen of het gebrek met de brief is hersteld en of door de aanvullende motivering de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven. De rechtbank doet dat aan de hand van de zienswijzen van eisers. In die zienswijzen voeren eisers, samengevat, de volgende twee punten aan: (1) de toegepaste voorbereidingsprocedure; en (2) de kwaliteit van het aanvullende onderzoek.\n\nIs er aanleiding om terug te komen op de in de tussenuitspraak gegeven oordelen?\n\n4. Eisers 3 kunnen zich niet vinden in de in de tussenuitspraak van 27 november 2025 gegeven oordelen over de strijdigheden met het bestemmingsplan en de reikwijdte van de te maken afweging. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 13 mei 2025betogen eisers 3 dat de vergunning niet met toepassing van de kruimelgevallenregeling,en daarmee de reguliere voorbereidingsprocedure, vergund had kunnen worden. Volgens eiser is de zaak die voorligt namelijk vergelijkbaar met de zaak waarin de Afdeling die uitspraak heeft gedaan. Daar ging het namelijk (ook) om een verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van padelbanen, waarbij de glazen wanden van 4 meter hoog niet in overeenstemming waren met de planregels én er een aanlegvergunning nodig was voor het aanbrengen van de verhardingen voor de padelbanen. Eisers 3 stellen dat de situatie dat de Afdeling na de zitting in een vergelijkbare zaak een andersluidende uitspraak heeft gedaan, zo uitzonderlijk is dat kan en moet worden teruggekomen van de in de tussenuitspraak gegeven oordelen. Eisers betogen daarom dat het geding zoals dat na de tussenuitspraak wordt gevoerd, in tegenstelling tot wat de rechtbank daarover in rechtsoverweging 9 van de tussenuitspraak heeft gezegd, over meer dient te gaan dan de eventuele geluidsbelasting die de balustrade meebrengt en de aanvullende motivering van het college in deze.\n\n4.1.. Het college stelt zich primair op het standpunt dat in deze zaak artikel 4, onderdeel 3, van bijlage II van het Bor en daarmee ook de reguliere voorbereidingsprocedure terecht is toegepast. Daarnaast voert het college aan dat van een uitzonderlijke situatie geen sprake is, omdat de Afdelingsuitspraak van eerdere datum is dan de tussenuitspraak en verondersteld mag worden dat de oordelen in de tussenuitspraak zijn gegeven naar de stand van de rechtspraak op dat moment. Inhoudelijk gezien brengt het college nog naar voren dat de Afdelingsuitspraak niet toepasbaar is in de voorliggende zaak.\n\n4.2.. Volgens vaste rechtspraak mag de rechtbank slechts in uitzonderlijke gevallen terugkomen van een in een tussenuitspraak gegeven oordeel.Daarvan is in dit geval geen sprake.\n\n4.3.. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak overwogen dat het geding zoals dat na die tussenuitspraak kan worden gevoerd in beginsel beperkt blijft tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in die tussenuitspraak. Daarbij heeft de rechtbank aangekondigd dat zij het in beginsel in strijd met de goede procesorde acht als na de tussenuitspraak nieuwe geschilpunten worden ingebracht. Specifiek voor deze zaak heeft de rechtbank in de tussenuitspraak overwogen dat het geschil dus alleen nog gaat over de eventuele geluidsbelasting die de balustrade meebrengt en de aanvullende motivering van het college op dit punt, omdat op alle andere onderwerpen in de tussenuitspraak al is ingegaan.\n\n4.4.. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van dit in de tussenuitspraak geformuleerde uitgangspunt. Daarvoor is van belang dat de Afdelingsuitspraak waar eisers 3 naar verwijzen weliswaar dateert van ná de zitting in de voorliggende zaak, maar dat de tussenuitspraak van weer latere datum is. Dat betekent dat de Afdelingsuitspraak is meegenomen in de oordeelsvorming van de rechtbank, omdat als uitgangspunt geldt dat de rechtbank uitspraak doet naar de stand van de rechtspraak op het moment van de (tussen)uitspraak. Overigens hadden eisers 3 naar aanleiding van de Afdelingsuitspraak om heropening van het onderzoek kunnen verzoeken,vóórdat de rechtbank uitspraak zou doen. Zij hebben daarvan afgezien, ondanks dat daar ruimschoots tijd voor was.\n\n4.5.. Ook in de beroepsgrond die eisers 3 aanvoeren en die gaat over de onterechte toepassing van de kruimelgevallenregeling en de reguliere voorbereidingsprocedure, ziet de rechtbank geen aanleiding om terug te komen op de tussenuitspraak. Deze beroepsgrond is namelijk niet nieuw en in wezen al beoordeeld in de tussenuitspraak van 27 november 2025. Omdat de rechtbank in de tussenuitspraak tot het oordeel is gekomen dat padel op grond van het bestemmingsplan is toegestaan, is zij niet toegekomen aan het betoog van eisers 3 dat vanwege strijdigheid met het bestemmingsplan het gebruik van de gronden voor padel met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure had moeten worden vergund.Ook ambtshalve heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college ten onrechte de reguliere voorbereidingsprocedure heeft toegepast.\n\nHeeft het college het gebrek hersteld?\n\n5. Eiseres 1 betoogt dat het college het gebrek niet heeft hersteld en dat de aanvullende notitie van Peutz de conclusie van het college dat de geluidsbijdrage van de balustrade op de totale geluidsemissie van de padelbanen akoestisch verwaarloosbaar is, niet kan dragen. Daartoe voert eiseres 1 aan dat:\n\nde frequentie van het contact van de bal met de balustrade is onderschat, omdat geen rekening is gehouden met het gebrek aan balcontrole van recreanten en incidentele padelspelers;\n\nde focus op het geluidniveau van het balcontact met de balustrade te beperkt is, omdat juist de tonaliteit en het impulsieve karakter van het geluid binnen de context van een camping (waarin enkel een tentdoek als scheidingswand met de omgeving dient) belastend is;\n\nde balustrade een hogere spelintensiteit faciliteert; en\n\ndat de gegevens waarmee het college de stellingen vergelijkt, dateren uit 2019 en daarmee verouderd zijn.\n\n5.1.. Het bestuursorgaan mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) voor de wettelijk adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Indien een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het bestuursorgaan de adviseur een reactie op wat over het advies is aangevoerd.\n\n5.2.. \n\nIn de aanvullende notitie concludeert adviesbureau Peutz “dat het aantal keer dat de bal de balustrade raakt (gecombineerd - zowel rechtstreeks als via de grond) minder dan 1% van het aantal slagen tijdens het padellen bedraagt. De geluidemissie die hierdoor wordt veroorzaakt, is bovendien lager dan de geluidemissie van het gemiddelde padelspel (alle slagen gecombineerd). Daaruit volgt dat de geluidbijdrage van de balustrade minder dan 1% bedraagt van de totale geluidemissie van de padelbaan. Dit kan als akoestisch verwaarloosbaar beschouwd worden.”Het college heeft mogen afgaan op dit advies nu er door eiseres 1 geen tegenadvies is ingediend van een deskundige met een andersluidende conclusie. De opsomming van niet nader onderbouwde tekortkomingen die eiseres 1 aan de notitie verbindt zijn daarmee niet gelijk te stellen. Daarvoor acht de rechtbank bijvoorbeeld van belang dat niet is komen vast te staan dat adviesbureau Peutz bij de berekening van de frequentie van het balcontact geen rekening heeft gehouden met de vaardigheid van de padelspelers. Hoewel gebruik is gemaakt van spelanalysegegevens van spelers uit de Italiaanse sub-elite competitie, is in het rapport wel degelijk erkend dat de contactfrequentie afhangt van het niveau van de spelers. De rechtbank verwijst daarvoor naar de volgende passages in de aanvullende notitie van Peutz:\n\n“Hierbij is uiteraard sprake van enige mate van spreiding, die mede afhangt van het niveau van de spelers.”\n\n“Naast het literatuuronderzoek zijn ook meerdere recreatieve padelspelers geraadpleegd, om een inschatting te vragen van het aantal keer dat de bal de balustrade raakt tijdens hun spel (op welke wijze dan ook). De consensus uit deze steekproef is dat de balustrade “enkele malen” per uur geraakt wordt.”\n\nDaarnaast heeft eiseres 1 onvoldoende onderbouwd dat het college de aard van het geluid met de aanvullende notitie van Peutz heeft genegeerd. De stelling van eiseres 1 dat het contact van een ‘harige’ bal met een ijzeren balustrade leidt tot een schel rinkelend geluid, volgt de rechtbank niet. Dit zou voorstelbaar zijn in geval van twee metalen objecten die met elkaar in aanraking komen, maar daar is in dit geval geen sprake van. Wat eiseres 1 verder nog naar voren brengt over het impulsieve karakter van het geluid en de context van de camping waarin de geluidsbelasting wordt ervaren, merkt de rechtbank op dat dat voor het contact van de bal met de balustrade niet anders geldt dan voor het contact van de bal met de glazen wand. En dat laatste is in principe binnen de kaders van het bestemmingsplan toegestaan. In wat eiseres 1 hierover heeft aangevoerd, ziet de rechtbank dus geen aanleiding om te oordelen dat de aard of de contact van het geluid onterecht onderbelicht is door het college.\n\nDe opmerking van eiseres 1 dat de balustrade een hogere spelintensiteit faciliteert is voor de rechtbank ook geen aanleiding om te twijfelen aan de aanvullende notitie van Peutz. Daarvoor is van belang dat de balustrade weliswaar ballen binnen het speelveld houdt, maar dat dat niet betekent dat het spel ongestoord en met een hoge spelintensiteit doorgang kan vinden. Dat is af te leiden uit de (relevante) spelregels die het college in zijn aanvullende motivering benoemt:\n\n“Een bal mag namelijk niet rechtstreeks het metalen hekwerk (waartoe ook de balustrade behoort) raken. De bal is dan ‘uit’. Een bal mag ook niet teruggespeeld worden via het hekwerk. Spelers zullen een dergelijke slag in het spel daarom zo veel mogelijk proberen te voorkomen. Wel mag de bal na één keer stuiteren op de grond het hekwerk raken. Om echter in die situatie tot aan de balustrade te komen, moet de bal na één keer stuiteren op de grond nog zoveel kracht hebben dat de bal meer dan 3 meter hoog opveert. De meeste ballen halen dit niet.”\n\nTot slot acht de rechtbank de opmerking dat het college verouderde gegevens betrekt bij de waardering van de stellingen van adviesbureau Peutz over de ruimtelijke aanvaardbaarheid, onvoldoende om aan de aanvullende notitie van Peutz of de aanvullende motivering van het college te twijfelen. Vooral omdat eiseres 1 daar zelf geen recentere gegevens tegenover zet, en zij in haar formulering eigenlijk laat doorschemeren dat de gegevens uit 2019 ook wel zouden kunnen voldoen. Zo voert eiseres 1 aan:\n\n“Het is onzorgvuldig om de ruimtelijke aanvaardbaarheid in 2026 te baseren op meetgegevens uit 2019, diemogelijk (onderstreping: rechtbank) niet voldoen aan de huidige stand der techniek qua meting van impuls- en tonaal geluid.”\n\n5.3.. Gelet op wat de rechtbank onder 5.2 heeft overwogen slaagt het betoog van eiseres 1 niet.\n\n5.4.. Daarnaast hebben eisers 3 in hun reactie op de brief van het college aangegeven geen op- of aanmerkingen te hebben over de aanvullende notitie van Peutz of de gegeven motivering van het college en hebben eisers 2 helemaal niet meer gereageerd op de brief van het college. De rechtbank oordeelt daarom dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de toename van de geluidsbelasting op de directe omgeving ten gevolge van de balustrade van de padelbaan verwaarloosbaar is en dat de balustrade dus enkel stedenbouwkundige gevolgen heeft.\n\nSchadevergoeding overschrijding redelijke termijn\n\n6. De rechtbank ziet in de klacht van de tennisvereniging over de lange duur van de procedure een verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Daarvoor is niet vereist dat iemand beroep bij de rechtbank heeft ingesteld.Over het verzoek om schadevergoeding van de tennisvereniging oordeelt de rechtbank als volgt.\n\n6.1.. De redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een zaak waarbij het besluit is voorbereid met de reguliere voorbereidingsprocedure, begint de redelijke termijn op het moment dat bezwaar is gemaakt tegen het besluit. De behandeling van de zaak tot en met de uitspraak in beroep mag maximaal twee jaar duren.De schadevergoeding bedraagt € 500,- per overschrijding van een half jaar, naar boven afgerond.\n\n6.2.. Bij de toekenning van de schadevergoeding moet de rechtbank beoordelen in hoeverre de overschrijding van de redelijke termijn is toe te rekenen aan het college respectievelijk aan de rechtbank. De schadevergoeding moet vervolgens naar evenredigheid ten laste van het college respectievelijk de Staat worden uitgesproken. De regel die daarbij geldt is dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt, en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag neemt.\n\n6.3.. In een geval als dit, waarin eerst na een tussenuitspraak einduitspraak wordt gedaan, wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel in zijn geheel aan het college toegerekend. Indien echter in de loop van de procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat. Van een te lange behandelingsduur bij de rechter is geen sprake als de periode van het instellen van beroep bij de rechtbank tot de tussenuitspraak ten hoogste anderhalf jaar heeft geduurd en de rechtbank vervolgens binnen één jaar einduitspraak doet na ontvangst van de mededeling van het bestuursorgaan van de wijze waarop de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken zijn hersteld.\n\n6.4.. In deze zaak is het eerste bezwaarschrift, dat van eisers 3, ingediend op 24 oktober 2022. Daarna volgden de twee bezwaarschriften van eiseres 1 en eisers 2 op 1 november 2022. Dat betekent dat inmiddels 43 maanden zijn verstreken en de redelijke termijn met 19 maanden is overschreden.\n\n6.5.. De schadevergoeding bedraagt € 500,- voor ieder half jaar dat de termijn is overschreden. Van het moment van het indienen van het bezwaar tot deze uitspraak komt dat neer op een overschrijding van 19 maanden. Dat betekent dat de tennisvereniging aanspraak maakt op een schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn van € 2.000,-. Voor dit verzoek krijgt de tennisvereniging een proceskostenvergoeding van 1 punt (€ 934,- per punt) met een wegingsfactor 0,5.Dat komt neer op een proceskostenvergoeding van € 467,-.\n\n6.6.. De behandeling door de rechtbank van het beroep tegen het besluit van 22 mei 2023 heeft vanaf de ontvangst van het eerste beroepschrift op 16 juni 2023 tot de tussenuitspraak op 27 november 2025 afgerond naar boven 30 maanden geduurd. Dit is 12 maanden langer dan de redelijke termijn in de rechterlijke fase. Vervolgens heeft de rechtbank binnen één jaar einduitspraak gedaan. Hieruit volgt dat een overschrijding van 7 maanden aan het college is toe te rekenen en 12 maanden aan de rechtbank. Het bedrag van € 2.000,- zal naar evenredigheid worden toegerekend aan het college en de Staat. De rechtbank zal het college veroordelen tot betaling van een bedrag van totaal € 908,89,- (7\u002F19 x € 2.000,- en 7\u002F19 x € 467,-) en de Staat tot betaling van een bedrag van totaal € 1.558,11 (12\u002F19 x € 2.000,- en 12\u002F19 x € 467,-).\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, zijn de beroepen van eisers gegrond. De rechtbank vernietigt de beslissing op bezwaar van 22 mei 2023. Omdat het college in zijn reactie op de tussenuitspraak het gebrek heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.\n\n7.1.. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoeden. Ook krijgen eisers een vergoeding voor hun proceskosten. Het college moet die vergoeding betalen. De proceskostenvergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen eisers een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De bijstand door een gemachtigde levert punten op voor de verschillende proceshandelingen: 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus. Dat betekent dat voor eisers de volgende vergoedingen aan de orde zijn:\n\npunten\n\nvergoeding\n\neiseres 1\n\n2,5\n\n€ 2.335, -\n\neisers 2\n\n2\n\n€ 1.868, -\n\neisers 3\n\n2,5\n\n€ 2.335, -\n\nDe vergoeding bedraagt in totaal dus € 6.538, -.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart de beroepen gegrond;\n\nvernietigt de beslissing op bezwaar van 22 mei 2023;\n\nbepaalt dat de rechtsgevolgen van de beslissing op bezwaar in stand blijven;\n\ndraagt het college op het betaalde griffierecht van € 365,- aan eiseres 1, van € 184,- aan eisers 2 en van € 365,- aan eisers 3 te vergoeden;\n\nveroordeelt het college in de proceskosten van eiseres 1 tot een bedrag van € 2.335,- , van eisers 2 tot een bedrag van € 1.868,- en eisers 3 tot een bedrag van € 2.335,- ;\n\nveroordeelt het college tot het betalen van een schadevergoeding van € 908,89,- aan de tennisvereniging;\n\nveroordeelt de Staat tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.558,11 aan de tennisvereniging.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van mr. S.G. Hoijinck, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n De minister ziet af van het voeren van verweer, zie de Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Stc.2014, 20210.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:2163.\n\n Artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 2o, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) samen met artikel 4, derde onderdeel, van bijlage II, van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor).\n\n Uitspraak van de Afdeling van 13 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3481.\n\n Deze mogelijkheid vloeit voort uit de bevoegdheid van de rechtbank om op grond van artikel 8:68 van de Awb het onderzoek te heropenen.\n\n Eisers 3 verwijzen hierbij naar artikel 2.1 onder c in samenhang gelezen met artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3 van de Wabo.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 september 2029, ECLI:NL:RVS:2019:3031 r.o. 3.2\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1182.\n\nZie de uitspraak van de Afdeling van 4 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4040, r.o. 10.2.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188, r.o. 4.3.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5367, r.o. 2.3.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5294.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:4765","2026-06-16T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:02.106Z",{"id":133,"ecli":134,"slug":135,"caseNumber":43,"courtId":136,"decisionDate":137,"fullText":138,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":139,"sourceTimestamp":140,"parsedAt":50,"updatedAt":141},"1563","ECLI:NL:RBAMS:2026:5582","ecli-nl-rbams-2026-5582",56,"2026-05-29T00:00:00.000Z","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: AMS 25\u002F2250 en 25\u002F2549uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 mei 2026 in de zaken tussen\n\n1. [eiseres]uit [woonplaats], eiseres (AMS 25\u002F2250)\n\n2. [eiser]uit [woonplaats], eiser (AMS 25\u002F2549)\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amstelveen,verweerder, hierna: het college\n\n(gemachtigde: mr. J.P.H. de Bruijn).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaken deel: Eigen Haard uit Amsterdam, vergunninghouder\n\n(gemachtigde: [gemachtigde]).\n\nProcesverloop\n\n1.1.. Vergunninghouder heeft op 26 juli 2024 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van 42 nieuwbouwappartementen op de [adres].\n\n1.\n\n1.2.. Met een besluit van 21 oktober 2024 heeft het college aan vergunninghouder de gevraagde omgevingsvergunning verleend voor een zogenaamde ‘omgevingsplanactiviteit bouwwerken’ en ‘de technische bouwactiviteit’. Het college heeft de aanvraag – voor zover hier van belang – getoetst aan het omgevingsplan van de gemeente Amstelveen (het omgevingsplan), en het bestemmingsplan ‘Amstelveen Noord-Oost’ (het bestemmingsplan), het ‘Paraplubestemmingsplan wonen’ en het ‘Paraplubestemmingsplan Schipholparkeren en Parkeernormen’ als onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Het bouwplan is in strijd met artikel 34.2.1, aanhef en onder b, van het bestemmingsplan, omdat het de bouwhoogte van 12 meter met 0,46 meter overschrijdt. Volgens het college voldoet het bouwplan aan de voorwaarden voor het binnenplans kunnen afwijken als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onder a, van het bestemmingsplan. Eisers hebben afzonderlijk tegen dit besluit bezwaar gemaakt.\n\n1.3.. De bezwaarschriftencommissie heeft geadviseerd het bestreden besluit te herroepen, omdat de omgevingsvergunning gebreken bevat ten aanzien van de onderdelen bestaande parkeerplaatsen, parkeren op eigen terrein, verkeersveiligheid en strijdigheid met de bestemming ‘Groen’. Met twee afzonderlijke bestreden besluiten van 11 maart 2025 op de bezwaren van eisers heeft het college de bezwaren van eisers ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning – onder aanvulling van de motivering – in stand gelaten. Het college volgt het advies van de bezwaarschriftencommissie voor zover dit betrekking heeft op de onderdelen parkeren op eigen terrein, verkeersveiligheid en de strijdigheid met de bestemming ‘Groen’. Volgens het college kunnen deze gebreken in bezwaar worden hersteld. Zo is het project in strijd met het bestemmingsplan, omdat het gebruik als ‘parkeerterrein’ op grond van artikel 12.3.1, onder d, van het bestemmingsplan niet is toegestaan. Het college verleent daarom alsnog de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, omdat het gebruiken van de gronden als parkeervoorziening in overeenstemming is met het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het advies van de commissie ten aanzien van het onderdeel bestaande parkeerplaatsen, wordt niet overgenomen.\n\n1.4.. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de aan hen gerichte bestreden besluiten.\n\n1.5.. Eiseres heeft de voorzieningenrechter daarnaast verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 25 april 2025 afgewezen.\n\n1.6.. Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouder heeft ook schriftelijk gereageerd.\n\n1.7.. De rechtbank heeft de beroepen op 20 april 2026 gezamenlijk op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, mr. R.N. Ionescu namens het college, de gemachtigde van het college en de gemachtigde van vergunninghouder.\n\nJuridisch kader\n\n2. Het juridisch kader dat van belang is voor deze uitspraak is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De rechtbank oordeelt daarom niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.\n\nBestemming ‘Woon-Woonzorg’\n\n4.1.. Eiseres voert aan dat in het bestreden besluit niet wordt ingegaan op haar standpunt over de bestemming ‘Woon-woonzorg’. Sociale huurwoningen zonder zorgdoeleinde(n) vallen niet onder deze bestemming. Bij het plan is er geen onderdeel voor ‘medische en sociale zorg’. Er worden enkel sociale huurwoningen gerealiseerd voor senioren met een lichte zorgbehoefte (trede 1 tot en met 3). Deze zorgbehoeften kunnen vervuld worden met zorg uit de Wmo. De beoogde nieuwbouwwoningen zijn echter niet anders dan andere reguliere sociale huurwoningen. Er wordt dus geen zorg aangeboden in het complex, op welke wijze dan ook. Dit is in strijd met het bestemmingsplan, aldus eiseres.\n\n4.2.. De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 34.1, aanhef en onder a, van het bestemmingsplan staat dat gronden met deze bestemming onder meer zijn bestemd voor gebouwen ten behoeve van woondoeleinden en zorgdoeleinden (in de vorm van medische en sociale zorg). Wat er ook van het standpunt van eiseres zij, met het “Paraplubestemmingsplan wonen” is op grond van artikel 3.1 van de planregels aan de bestemmingsomschrijving van artikel 34.1 van het bestemmingsplan, voor zover nog niet aanwezig, toegevoegd woningen ten behoeve van het wonen. Anders dan eiseres stelt, is dus geen sprake van strijd met de bestemming ‘Woon-Woonzorg’. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nBouwhoogte\n\n5.1.. Eisers voeren aan dat het college ten onrechte heeft geconcludeerd dat de maximale bouwhoogte met 0,46 meter wordt overschreden. Volgens het bestemmingsplan mag het bouwvlak voor niet meer dan 90% bebouwd worden met een maximale bouwhoogte van 90%. Bij een maximale bouwhoogte van twaalf meter is dat 10,80 meter, aldus eisers. De beoogde bouwhoogte van de nieuwbouwwoningen is 12,46 meter. Dit betekent dat de bouwhoogte 1,66 meter hoger is dan het bestemmingsplan toestaat en niet voldaan wordt aan de voorwaarden voor binnenplans afwijken.\n\n5.\n\n5.2.. De rechtbank stelt vast dat het bestemmingsplan een maximale bouwhoogte van twaalf meter toestaat en de beoogde nieuwbouwwoningen 12,46 meter hoog zijn. De maximale bouwhoogte van 90% waar eisers op doelen, staat alleen – en volgens het college ten onrechte – in de toelichting van het bestemmingsplan. Het is vaste rechtspraak dat aan de toelichting behorende bij het bestemmingsplan geen juridisch bindende betekenis toekomt. De toelichting kan dan ook niet dienen als toetsingskader voor de beoordeling of een aanvraag om een omgevingsvergunning in strijd is met het bestemmingsplan.De bestemmingen en aanduidingen die op de verbeelding zijn aangegeven en de daarbij behorende regels zijn bepalend. Als een planregel op zichzelf niet duidelijk is, ook niet in samenhang met andere planregels, dan pas komt betekenis toe aan de toelichting bij het bestemmingsplan.De rechtbank is van oordeel dat de aanduiding op de verbeelding en de planregels in dit geval voldoende duidelijk zijn. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nBestemming ‘Groen’\n\n6.1.. Eisers voeren verder aan dat de parkeerplaatsen met nummers [nummers] grotendeels geprojecteerd zijn op de bestemming ‘Groen’ terwijl dat volgens het bestemmingsplan niet is toegestaan. Het college heeft de afwijking van het bestemmingsplan onvoldoende gemotiveerd. Een parkeerplek valt, anders dan het college stelt, niet onder dezelfde noemer als een ‘ondergeschikte verharding’. Verder heeft het college het belang van de bouw ten onrechte zwaarder laten wegen dan het behoud van de groenstrook. Omdat de groenvoorzieningen in de gemeente al sterk afnemen, kunnen er problemen ontstaan met afwatering. Verder kan ook het verkeersadvies met de gewijzigde situatie als vervat in bijlage 3 niet in ongewijzigde vorm aan het besluit ten grondslag worden gelegd. Deze conclusie noopt tot nadere onderzoeken, die voorafgaand aan het bestreden besluit hadden moeten worden onderzocht.\n\n6.\n\n6.2.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college het belang van het appartementencomplex met voldoende parkeergelegenheid zwaarder mogen laten wegen dan het belang van behoud van de groenstrook. Het college heeft voldoende toegelicht dat van een waardevolle groenstrook geen sprake is. Het deel van het terrein is feitelijk ingericht als grasveld en is lange tijd gebruikt als tijdelijk en onverhard parkeerterrein. Ondergeschikte verhardingen, parkeervoorzieningen, paden en speelvoorzieningen zijn op grond van het bestemmingsplan al toegestaan. De groenstrook is dus niet per definitie uitgesloten van verhardingen. Bovendien zal door uitwisseling van verharding de oppervlakte aan groen nauwelijks afnemen. Verder heeft het college toegelicht dat er watercompensatie plaats zal vinden binnen het peilgebied van de waterbeheerder, waardoor het niet aannemelijk is dat er problemen zullen ontstaan met de afwatering. De rechtbank kan deze toelichting volgen. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nParkeren\n\nTijdelijk parkeerterrein\n\n7.1.. Eisers voeren verder aan dat niet wordt voldaan aan de ‘Nota parkeernormen Amstelveen 2021’ (hierna: Nota parkeernormen). In de Nota parkeernormen staat dat een nieuw bouwinitiatief geen parkeerproblemen mag veroorzaken of vergroten. Er wordt in het bouwplan geen rekening gehouden met het vervallen van parkeergelegenheid voor minstens 50 auto’s.\n\n7.\n\n7.2.. De rechtbank oordeelt dat het college geen rekening hoefde te houden met het vervallen van de door eisers bedoelde parkeerplaatsen. Zoals het college terecht heeft toegelicht, was parkeren op deze locatie niet toegestaan en heeft hij dit slechts tijdelijk gedoogd ten behoeve van de naastgelegen [club]. Het tijdelijke parkeerterrein voorzag niet in de normatieve parkeerbehoefte van de [club]. Het komen te vervallen van het tijdelijke parkeerterrein is primair het gevolg van de beëindiging van de gedoogsituatie en niet van het vergunde bouwplan. Het college was dan ook bevoegd om het parkeren op deze locatie, los van de bouwactiviteiten, niet langer te gedogen. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nParkeren op eigen terrein en verkeersveiligheid\n\n8.1.. Eisers voeren verder aan dat de 29 benodigde parkeerplekken volgens de Nota parkeernormen op eigen terrein moeten worden gerealiseerd. Op de nieuwe situatietekeningen zijn slechts 22 parkeerplekken voorzien op eigen terrein. De overige zeven parkeerplekken worden op gemeentegrond gerealiseerd. Er is door het college onvoldoende gemotiveerd dat van de vereisten uit de Nota parkeernormen kan worden afgeweken. Eisers voeren verder aan dat door de inrichting van de parkeerplaatsen met nummers 28 en 29 een verkeersonveilige situatie ontstaat. Door de inrichting van de twee parkeerplekken, wordt het zicht beperkt als je vanuit het parkeerterrein de straat in rijdt. Verder kunnen de bewoners van de nieuwbouw ook niet anders dan over het trottoir met de fiets bij het gebouw komen, wat eveneens voor onveilige situaties zorgt.\n\n8.\n\n8.2.. De rechtbank oordeelt dat uit de Nota parkeernormen niet volgt dat alle parkeerplekken op eigen terrein moeten worden gerealiseerd. Uit de Nota parkeernormen volgt dat elke initiatiefnemer van (bouw)plannen zorg moet dragen voor het realiseren van voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein. Als de realisatie van de benodigde parkeerplaatsen op eigen terrein niet mogelijk blijkt, moet de initiatiefnemer met een voorstel komen hoe de parkeerbehoefte opgelost kan worden in de openbare ruimte. Het voorstel mag niet op stedenbouwkundige of verkeerskundige bezwaren stuiten. In het bestreden besluit heeft het college toegelicht dat het realiseren van de parkeerplekken op openbaar terrein niet op stedenbouwkundige of verkeerskundige bezwaren stuit. Het college heeft de in bezwaar ingebrachte versie van de situatietekening ter beoordeling voorgelegd aan de afdeling Verkeer, die het plan positief heeft beoordeeld. Zo volgt uit het bestreden besluit dat voor het in- en uitrijden van het terrein aan de oostkant van het gebouw voldoende zicht aanwezig is om veilig te kunnen uitrijden. De aansluiting aan de oostkant heeft geen doorgaand karakter, maar geeft toegang tot een parkeerkoffer. Daardoor liggen de rijsnelheden laag en zijn de verkeersbewegingen vergelijkbaar met een regulier parkeerterrein. De fietsenstalling blijft voor fietsers bereikbaar. Eisers hebben de conclusies van de afdeling Verkeer niet gemotiveerd weersproken en geen tegenadvies van een deskundige overgelegd. De rechtbank ziet ook verder geen reden om aan de conclusies van de afdeling Verkeer te twijfelen. Verder omvat de omgevingsvergunning niet de toestemming om op het trottoir te fietsen of om voertuigen op het trottoir te parkeren. Het college hoefde met dergelijke overlast bij de vergunningverlening daarom geen rekening te houden.De beroepsgrond slaagt niet.\n\n8.3.. Om eventuele zorgen bij eisers weg te nemen, heeft het college op de zitting toegezegd nogmaals te kijken naar de situatie ter plaatse om te bezien of het nodig is iets aan de verkeerssituatie te veranderen.\n\nZonlicht\n\n9.1.. Eiser voert aan dat het bouwplan leidt tot verlies aan zonlicht in zijn appartement.\n\n9.\n\n9.2.. Zoals hiervoor overwogen volgt uit artikel 34.2.1 van het bestemmingsplan en de aanduiding op de verbeelding dat een gebouw van 12 meter op deze locatie al is toegestaan. Bij de beoordeling van eventuele schaduwhinder dient daarom op grond van vaste rechtspraak uit te gaan van een vergelijking van het bouwplan met de op grond van het bestemmingsplan toegestane bouwmogelijkheden.Uit het dossier blijkt dat op 27 juli 2024 en op 19 december 2024 een zonnestudie is uitgevoerd. In de zonnestudie van 19 december 2024 is een vergelijking gemaakt tussen de planologische maximale mogelijkheden, zijnde een gebouw van 12 meter, en de nieuwe situatie, zijnde een gebouw van 12,46 meter. Uit deze zonnestudie volgt dat er geen verschil is in bezonning ter plaatse van de woning van eiser. Dit betekent dat er geen sprake is van een toename van schaduwwerking als gevolg van het bouwplan ten opzichte van wat ter plaatse planologisch maximaal is toegestaan. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nMocht het college de omgevingsvergunning verlenen?\n\n10. Gelet op het voorgaande heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bouwplan voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het college heeft de belangen van vergunninghouder bij verlening van de vergunning zwaarder kunnen laten wegen dan de door eisers genoemde belangen. Dit betekent dat het college de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen.\n\nConclusie\n\n11. De beroepen zijn ongegrond. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, rechter, in aanwezigheid van mr.I.N. van Soest, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 29 mei 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening te treffen.\n\nBijlage: juridisch kader\n\nMet de inwerkingtreding van de Omgevingswet (Ow) op 1 januari 2024 heeft elke gemeente van rechtswege een omgevingsplan dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het hele grondgebied van de gemeente. Voor het perceel van vergunninghouder was vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan “Amstelveen Noord-Oost” van kracht. Dat bestemmingsplan maakt nu deel uit van het (tijdelijk deel van het) Omgevingsplan gemeente Amstelveen.\n\nArtikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow bepaalt dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. Een omgevingsplanactiviteit is – voor zover hier van belang – een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het verboden is deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die wel of niet in strijd is met het omgevingsplan. Op grond van artikel 22.26 van het omgevingsplan is het verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.\n\nIn het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de beoordelingsregels opgenomen voor een aanvraag om een omgevingsplanactiviteit. In artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl staat dat de omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit wordt verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning. Op grond van artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl, wordt, voor zover een aanvraag betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.\n\nUit artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, van het Omgevingsplan volgt – voor zover hier van belang – dat de omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk alleen wordt verleend als de activiteit niet in strijd is met de in het Omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken.\n\nIn artikel 22.280 van het Omgevingsplan is bepaald dat, voor zover voor een activiteit in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van daarbij aangegeven regels, deze bepaling geldt als verbod om de activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten.\n\nIn artikel 22.281 van het Omgevingsplan is bepaald dat, voor zover de in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet gestelde regels over het voor een activiteit als bedoeld in artikel 22.280 bij omgevingsvergunning afwijken van regels in dat tijdelijke deel de verplichting bevatten om als de activiteit niet in strijd is met die regels de omgevingsvergunning te verlenen, deze verplichting wordt gelezen als een bevoegdheid.\n\n ECLI:NL:RBAMS:2025:2704.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 22 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1736.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:360.\n\n Zie bijv. de uitspraak van de Afdeling van 23 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:235.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 17 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2579.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:5582","2026-06-04T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:27.291Z",{"id":143,"ecli":144,"slug":145,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":146,"fullText":147,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":148,"sourceTimestamp":149,"parsedAt":50,"updatedAt":150},"1890","ECLI:NL:RBGEL:2026:3759","ecli-nl-rbgel-2026-3759","2026-05-13T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 24\u002F4119uitspraak van de enkelvoudige kamer van\n\nin de zaak tussen\n [eiser 1] en [eiseres]\n\n [eiser 2],\n\n [eiser 3],\n\nallen uit [plaats], gezamenlijk: eisers\n\n(gemachtigde: mr. R.S. Wertheim),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Scherpenzeel\n\n(gemachtigde: mr. N.L.H. Teijema).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij], uit [plaats] (de tennisvereniging)\n\n(gemachtigde: mr. M. Bekooy).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning voor het aanleggen van drie padelbanen met reclame en lichtmasten. Eisers zijn het niet eens met omgevingsvergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de omgevingsvergunning.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college in redelijkheid de omgevingsvergunning kon verlenen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Op 1 december 2023 heeft het college aan de tennisvereniging een omgevingsvergunning verleend voor het aanleggen van drie padelbanen met reclame en lichtmasten. Met de beslissing op bezwaar van 12 juni 2024 is het college bij deze omgevingsvergunning gebleven.\n\n2.1.. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. Eisers hebben ook verzocht om een voorlopige voorziening.\n\n2.2.. Met de uitspraak van 22 juli 2024 heeft de voorzieningenrechter de beslissing op bezwaar geschorst.\n\n2.3.. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eisers hebben een nader schriftelijk stuk ingediend.\n\n2.4.. De rechtbank heeft het beroep op 25 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers samen met [persoon A] (geluidsdeskundige van [naam bedrijf] B.V.), de gemachtigde van het college samen met [persoon B] en [persoon C] (geluidsdeskundige van het college), [persoon D] en [persoon E] namens de tennisvereniging en de gemachtigde van de tennisvereniging.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n3. De tennisvereniging heeft op 14 september 2023 een omgevingsvergunning aangevraagd voor de aanleg van drie padelbanen met reclame en lichtmasten aan de [locatie] in [plaats]. Op 1 december 2023 heeft het college de omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten “bouwen”en “het maken of voeren van handelsreclame”.\n\n3.1.. Eisers wonen in de buurt van de tennisvereniging en vrezen voor geluidsoverlast door de beoogde padelbanen.\n\n3.2.. Het bestemmingsplan “Noord” is van toepassing en het perceel heeft de bestemming “Sport – 1”. De gronden zijn bestemd voor sportvoorzieningen. Onder gebruik in strijd met het bestemmingsplan valt in ieder geval het gebruik van gronden en bouwwerken voor lawaaisporten.\n\n3.3.. Met de beslissing op bezwaar van 12 juni 2024 heeft het college de omgevingsvergunning in stand gelaten. In aanvulling daarop heeft het college ook voor de activiteit “strijdig gebruik” de omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van twee geluidsschermen van vier meter hoog.\n\n3.4.. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar en hebben gelijktijdig verzocht om een voorlopige voorziening om de omgevingsvergunning te schorsen in afwachting van de uitspraak op hun beroep.\n\n3.5.. Met de uitspraak van 22 juli 2024 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland de beslissing op bezwaar geschorst.De voorzieningenrechter is van oordeel dat padel in dit geval een lawaaisport is, als bedoeld in het bestemmingsplan. Het college had daarom ook moeten beoordelen of hij voor die activiteit ook wilde afwijken van het bestemmingsplan.\n\nStukken buiten beschouwing\n\n4. Op de zitting heeft de rechtbank besloten de door eisers op 13 februari 2026 ingediende stukken buiten beschouwing te laten. Deze stukken zijn weliswaar meer dan tien dagen voor de zittingingediend, maar ze zijn dusdanig uitgebreid en voorzien van een geluidsadvies, dat het college en de tennisvereniging onvoldoende tijd hebben gehad hierop te reageren. Bovendien is het een reactie op het verweerschrift van het college, dat op 17 april 2025 door de rechtbank is ontvangen. Niet valt in te zien waarom eisers zo lang gewacht hebben met het indienen van de nadere stukken.\n\nIs padel een lawaaisport?\n\n5. Eisers betogen dat de padelbanen niet voldoen aan de regels van het bestemmingsplan. Op het perceel is volgens het bestemmingsplan lawaaisport niet toegestaan. In het bestemmingsplan is geen definitie van lawaaisport opgenomen. Volgens eisers mocht het college niet aansluiten bij de definitie uit het voorgaande bestemmingsplan. Die definitie luidde: schietsporten, waarbij de sport ook bovengronds wordt uitgeoefend, en motorische sporten. Aan een definitie van een eerder bestemmingsplan komt volgens eisers geen betekenis toe. Omdat het begrip lawaaisporten niet gedefinieerd is, moet worden aangesloten bij het normaal spraakgebruik. Volgens eisers heeft padel een hoog geluidbronvermogen van gemiddeld 91 dB(A), met pieken van 108 dB(A). De ruimtelijke uitstraling is niet vergelijkbaar met die van tennis. Padel maakt als brongeluid 8 dB(A) meer aan geluid dan tennis. De ruimtelijke uitstraling is hierdoor een factor 9 groter dan tennis, dat wil zeggen dat één padelbaan net zoveel geluid uitstraalt als negen tennisbanen. De commissie bezwaarschriften heeft ook geadviseerd dat padel onder lawaaisport valt. Ook heeft de voorzieningenrechter dit geoordeeld.\n\n5.1.. Het college stelt zich op het standpunt dat padel geen lawaaisport is. Omdat lawaaisport niet in het bestemmingsplan is gedefinieerd, heeft het college aansluiting gezocht bij het normaal spraakgebruik. In het “Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal” (Van Dale) is lawaaisport gedefinieerd als: een sport waarbij veel lawaai wordt gemaakt (zoals motorcross en autosport). Volgens het college wordt deze definitie nader ingekleurd door definities die in de (ruimtelijke ordenings)praktijk gebruikt worden. Het college heeft daarom ook gekeken naar begripsomschrijvingen van de VNG en Infomil. De VNG omschrijft lawaaisport als: “de autosport, de motorsport, de modelvliegsport, karting en soortgelijk geluid producerende sporten”. Volgens de uitleg van Infomil horen bij lawaaisporten ook sporten waarbij explosies in de vorm van schieten voorkomen:“lawaaisporten zijn bijvoorbeeld schietsporten, zoals kleiduifschieten, motor- en autocross of modelvliegen”. Volgens het college zijn de voorbeelden van Van Dale niet-limitatief, maar het college vindt dat er wel belang moet worden gehecht aan de voorbeelden. De genoemde sporten zijn namelijk sporten waarbij hulpmiddelen (denk aan motoren) worden gebruikt. Padel is een sport die volledig met behulp van spierkracht wordt uitgeoefend. Volgens het college ligt dat in lijn met sporten als honkbal, hockey, tennis, golf en voetbal. De opvatting dat padel meer vergelijkbaar is met tennis dan met één van de genoemde voorbeelden van lawaaisporten, wordt volgens het college ook gedeeld door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling).\n\n5.2.. Het college stelt zich verder op het standpunt dat het oordeel van de voorzieningenrechter dat bij 91 dB(A) sprake is van onaangenaam en hard geluid niet juist is. Het bronvermogen van padel is niet doorslaggevend om tot de conclusie te komen dat padel een lawaaisport is. Er moet volgens het college ook gekeken worden naar de immissie en niet alleen naar de emissie. De emissie (het bronvermogen) wordt gebruikt om onder andere de immissie te berekenen. Dat is gedaan met het akoestisch onderzoek. In het akoestisch onderzoek is aangetoond dat door het plaatsen van een geluidsscherm de situatie voldoet aan het Activiteitenbesluit milieubeheer. De immissiewaarde voldoet dus aan de wet- en regelgeving en het bronvermogen wordt enkel als rekenmiddel gebruikt. Als er wel naar het bronvermogen wordt gekeken, dan is padel volgens het college ook niet te kwalificeren als lawaaisport. Daarvoor verwijst het college naar de onderstaande schematische weergave:\n\nBijlage schematische vergelijking bij verweerschrift\n\n5.3.. Op de plek waar de padelbanen zijn gepland, geldt “Bestemmingsplan Noord” met de bestemming “Sport-1”. Die gronden zijn bestemd voor “sportvoorzieningen” en “vrijetijdsvoorzieningen”en het is verboden deze gronden te gebruiken of laten gebruiken voor en\u002Fof als “lawaaisporten”.\n\n5.4.. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld hoe lawaaisport moet worden uitgelegd. In de planregels is geen definitie opgenomen van het begrip “lawaaisporten”. Uit de toelichting bij het bestemmingsplan volgt ook niet wat kan worden verstaan onder “lawaaisporten”. De stelling van het college dat betekenis toekomt aan het begrip uit het vorige bestemmingsplan vanwege de conserverende aard van het geldende bestemmingsplan, volgt de rechtbank niet. Dat een bestemmingsplan in algemene zin conserverend van aard is, betekent namelijk niet dat de planwetgever ook specifieke bestemmingsplanbegrippen heeft willen overnemen. In dat geval had het op de weg van de gemeenteraad gelegen om daarover een bestemmingsplanbegrip op te nemen.\n\n5.5.. Dit betekent dat aansluiting moet worden gezocht bij het algemene spraakgebruik. In dat geval kan volgens vaste rechtspraak van de Afdeling worden gekeken naar de betekenis in de Van Dale. De Van Dale definieert lawaaisport als “sport waarbij veel lawaai wordt gemaakt (zoals motorcross en autosport)”. Hoewel de voorbeelden uit de Van Dale niet limitatief zijn, begrijpt de rechtbank hier wel uit dat het moet gaan om een sport waarbij motorisch of mechanisch geluid wordt geproduceerd. Dat geluid moet zodanig zijn dat er lawaai wordt gemaakt. De Van Dale definieert lawaai als “hard, onaangenaam geluid”. Dat padel als hinderlijk wordt ervaren, betekent niet dat er ook sprake is van lawaai. Anders dan de voorzieningenrechter is de rechtbank daarom van oordeel dat padel geen lawaaisport is. Het is daarom ook niet in strijd met de regels van het bestemmingsplan.\n\n5.2.. Op de zitting is uitvoerig gesproken over het bronvermogen en het maximale geluidniveau van padel. Volgens eisers heeft het college in het verweerschrift het gemiddelde geluidniveau van padel vergeleken met geluidbronvermogens van een crossmotor, schietsport en een modelvliegtuig. Dat is volgens eisers een verkeerde vergelijking, omdat padel een hoge slagfrequentie heeft van 30 tot 40 slagen per minuut met meer dan 108 dB(A) per slag. Dat had het college volgens eisers ook moeten verwerken in de tabel. De rechtbank stelt vast dat het college in de schematische vergelijking is uitgegaan van het gemiddeld geluidniveau. Daarin is padel te vergelijken met bijvoorbeeld hockey of voetbal. Volgens normaal spraakgebruik worden die sporten ook niet als lawaaisport beschouwd. Ook in het bronvermogen van padel ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat padel een lawaaisport is.\n\n5.3.. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nIs er sprake van onevenredige geluidhinder?\n\n6. Eisers betogen dat het college bij de omgevingsvergunning voor de geluidschermen ten onrechte niet gekeken heeft naar de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het totale aangevraagde project, inclusief de voor de omgeving te verwachten geluidhinder. De padelbanen kunnen niet worden gebruikt zonder de geluidschermen. Dat blijkt ook uit het geluidsrapport dat bij de vergunningaanvraag is gevoegd. Het college had daarom ook moeten ingaan op het akoestisch onderzoek van bureau [naam bedrijf] van 10 januari 2024. Eisers hebben dit in de bezwaarfase al in gebracht.\n\n6.1.. Zoals hiervoor is overwogen, past padel binnen het bestemmingsplan en, zoals ook volgt uit de door de omwonenden genoemde uitspraak, betekent dat dat de ruimtelijke aanvaardbaarheid van padel zelf niet ter discussie kan staan. Weliswaar wijkt het college voor de geluidschermen zelf wel af van het bestemmingsplan, maar daarvan heeft het college de ruimtelijke aanvaardbaarheid beoordeeld. Geluidsoverlast is daar geen onderdeel van. De ruimtelijke aanvaardbaarheid van de geluidschermen hebben eisers niet bestreden met andere gronden. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de omgevingsvergunning in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid van D. van Til, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).\n\n Artikel 2.2, eerste lid, onder h, van de Wabo.\n\n Artikel 6.3.1 onder d van het bestemmingsplan.\n\n Artikel 2.1, eerste lid, onder c, en artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2, van de Wabo in combinatie met artikel 4, onderdeel 3, van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht.\n\n ECLI:NL:RBGEL:2024:4717.\n\n Artikel 8:58 van de Awb.\n\n Het college verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1746.\n\n Artikel 6.1 van de planregels van Bestemmingsplan Noord.\n\n Artikel 6.3.1, onder d, van de planregels van Bestemmingsplan Noord.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3759","2026-05-12T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:44.022Z",{"id":152,"ecli":153,"slug":154,"caseNumber":43,"courtId":93,"decisionDate":155,"fullText":156,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":157,"sourceTimestamp":158,"parsedAt":50,"updatedAt":159},"1681","ECLI:NL:RBDHA:2026:11003","ecli-nl-rbdha-2026-11003","2026-05-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: SGR 23\u002F6629, 24\u002F2357 en 24\u002F32uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 mei 2026 in de zaken tussen\n\n [eiser] , uit [woonplaats] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. R.R.D.D. Speelman)\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg, het college\n\n(gemachtigde: mr. J. dos Santos).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over het opleggen van een last onder dwangsom aan eiser (SGR 23\u002F6629), het buiten behandeling stellen van twee aanvragen om een omgevingsvergunning (SGR 24\u002F32) en het invorderen van een dwangsom (SGR 24\u002F2357). Eiser is het niet eens met deze besluiten. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de bestreden besluiten.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de bestreden besluiten niet in stand kunnen blijven. Eiser krijgt dus gelijk en de beroepen zijn daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\nZaak SGR 23\u002F6629\n\n2. Op 23 november 2020 heeft een toezichthouder van de afdeling Veiligheid, Toezicht en Handhaving van de gemeente Leidschendam-Voorburg geconstateerd dat op de uitbouw van de woning aan de [adres 1] door eiser, eigenaar van de bovengelegen woning aan de Parkweg 85A, een dakterras met hekwerk is gerealiseerd zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.\n\n2.1.. Bij besluit van 4 oktober 2022 heeft het college aan eiser een last onder dwangsom opgelegd. De last strekt tot (1) het verwijderen en verwijderd houden van het hekwerk op de uitbouw bij de woning aan de [adres 1] , (2) het plaatsen van een valbeveiliging bij de deur die toegang geeft tot het dak en (3) het staken en gestaakt houden van het gebruik van het dak van de uitbouw als dakterras.2.2.. Bij besluit van 24 augustus 2023 heeft het college de bezwaren van eiser tegen het opleggen van de last onder dwangsom ongegrond verklaard.\n\nZaak SGR 24\u002F322.3.. Op 15 oktober 2022 heeft eiser een omgevingsvergunning verzocht ter legalisatie van zijn dakterras.\n\n2.4.. Bij brief van 17 november 2022 heeft het college aan eiser meegedeeld dat het zijn verzoek om een omgevingsvergunning niet in behandeling kan nemen.\n\n2.5.. Op 17 februari 2023 heeft eiser opnieuw verzocht om een omgevingsvergunning ter legalisatie van zijn dakterras.\n\n2.6.. Bij brief van 27 februari 2023 heeft het college dit verzoek buiten behandeling gesteld onder verwijzing naar artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n2.7.. Bij besluit van 22 november 2023 heeft het college de bezwaren van eiser tegen de besluiten van 17 november 2022 en 27 februari 2023 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.\n\nZaak SGR 24\u002F23572.8.. Bij brief van 13 december 2023 heeft het college aan eiser medegedeeld dat een toezichthouder tijdens een controle op 16 november 2023 heeft geconstateerd dat het gebruik van het dakterras niet is gestaakt.\n\n2.9.. Bij besluit van 8 februari 2024 heeft het college een dwangsom van € 1.500,- bij eiser ingevorderd.\n\nIn alle zaken2.10.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de besluiten van 24 augustus 2023, 22 november 2023 en 8 februari 2024. Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.11.. De rechtbank heeft de zaken gevoegd en op 20 maart 2026 behandeld op zitting. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank eerst ingaan op de door eiser verzochte omgevingsvergunning (zaak 24\u002F32). Vervolgens zal het opleggen van de last onder dwangsom worden beoordeeld (zaak 23\u002F6629). Tot slot zal de rechtbank het invorderen van de dwangsom beoordelen (zaak 24\u002F2357).\n\nDe omgevingsvergunning (SGR 24\u002F32)\n\n4. Het college heeft de verzoeken van eiser om een omgevingsvergunning voor het dakterras niet in behandeling genomen. Volgens het college kunnen deze verzoeken niet worden aangemerkt als aanvragen in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb, omdat eiser geen belanghebbende is. Het college stelt zich hiertoe op het standpunt dat het dakterras niet gerealiseerd kan worden, omdat eiser niet beschikt over de hiervoor vereiste privaatrechtelijke toestemming van zijn buren.\n\n5. Eiser betoogt dat hij wel belanghebbende is. Hij voert aan dat alle betrokken omwonenden op enig moment hebben ingestemd met de realisatie van het dakterras. Eiser verwijst hiertoe naar een proces-verbaal van een zitting bij de rechtbank Den Haag van 5 juli 2022,de splitsingsakte van 26 oktober 2022, de notulen van de vergadering van de Vereniging van Eigenaren (VvE) van 16 november 2022 en een door de omwonenden ondertekende brief van 23 november 2019. Verder voert eiser aan dat toestemming van de eigenaren van de naastgelegen woning [adres 2] niet nodig is, omdat een op de zij-erfgrens aanwezig privacyscherm ervoor zorgt dat er vanaf het dakterras geen zicht is op het naastgelegen erf. Voor zover ten aanzien van dit erf sprake zou zijn van een privaatrechtelijke belemmering, is die volgens eiser dan ook weggenomen.\n\n5.1.. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.\n\n5.2.. Ingevolge artikel 1:3, derde lid, van de Awb wordt onder aanvraag verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.\n\n5.3.. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat bij de beoordeling van de belanghebbendheid de hoofdregel geldt dat degene die een verzoek om vergunning indient, in beginsel wordt verondersteld belanghebbende te zijn bij een beslissing op het verzoek. Dit kan anders zijn als het verzoek om het verlenen van een vergunning betrekking heeft op gronden die bij een ander in eigendom zijn of waarop een ander zakelijke rechten heeft. Als aannemelijk is gemaakt dat de voorgenomen activiteit niet kan worden verwezenlijkt omdat de rechthebbende hiervoor geen toestemming wil geven en er geen mogelijkheid bestaat om de activiteit te verwezenlijken tegen de wens van de rechthebbende in, dan is de verzoeker geen belanghebbende. In dat geval is het verzoek om vergunning geen aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb.\n\n5.4.. De rechtbank is van oordeel dat deze situatie zich hier niet voordoet. Eiser heeft in dit verband terecht gewezen op onder meer het proces-verbaal van een zitting bij de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 5 juli 2022, waaruit volgt dat de eigenaren van de woning aan de [adres 1] toestemming verlenen voor de aanleg en het gebruik van het reeds gerealiseerde dakterras op hun uitbouw. Ook in de akte van splitsing van 26 oktober 2022 wordt bevestigd dat de eigenaren van de uitbouw de aanwezigheid van het dakterras accepteren. Dat betekent dat niet aannemelijk is geworden dat het dakterras niet kan worden gelegaliseerd omdat de rechthebbenden op de uitbouw hiertegen bezwaar hebben. Het college heeft dan ook ten onrechte aangenomen dat eiser geen belanghebbende is bij zijn verzoek om een omgevingsvergunning voor het dakterras.\n\n5.4.1.. \n\nVoor zover het college meent dat het dakterras te dicht op de erfgrens is gerealiseerd en dat hiervoor daarom de instemming van omwonenden is vereist, leidt dit niet tot een ander oordeel. De vraag of sprake is van privaatrechtelijke belangen van derden die eraan in de weg kunnen staan dat een omgevingsvergunning voor het dakterras wordt verleend, dient het college te beantwoorden bij de beoordeling van de aanvraag voor die omgevingsvergunning. Daartoe zal het college deze aanvraag dus eerst in behandeling moeten nemen. Bij de beoordeling van de aanvraag zal het college acht moeten slaan op de door eiser overgelegde documenten waaruit volgens hem blijkt dat de betrokken omwonenden akkoord zijn met de realisatie van het dakterras.\n\nHet betoog van eiser slaagt.\n\n5.5.. De conclusie van het voorgaande is dat het college de aanvraag van eiser om een omgevingsvergunning ten onrechte niet in behandeling heeft genomen. De rechtbank zal het bestreden besluit van 22 november 2023 daarom vernietigen. Het college dient met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen.\n\nHet opleggen van de last onder dwangsom (SGR 23\u002F6629)\n\n6. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór 1 januari 2024 een last onder dwangsom is opgelegd voor een gepleegde overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing, tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven. Het college heeft de last onder dwangsom vóór 1 januari 2024 opgelegd. Dat betekent dat in dit geval de Wabo van toepassing blijft.\n\n7. Eiser betoogt dat het college de last onder dwangsom niet mocht opleggen, omdat – zo begrijpt de rechtbank het betoog van eiser – sprake is van concreet zicht op legalisatie van het dakterras. Eiser heeft er in dit verband op gewezen dat zowel de bewoners van de [adres 1] als de betrokken overige omwonenden geen bezwaar hebben tegen het dakterras.\n\n8. Het college stelt zich op het standpunt dat de last onder dwangsom terecht is opgelegd. Volgens het college is sprake van een overtreding. Concreet zicht op legalisatie hiervan ontbreekt, nu het college niet bereid is de voor het dakterras vereiste omgevingsvergunning te verlenen.\n\n8.1.. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een overtreding, nu het dakterras strijd oplevert met het bestemmingsplan en zonder de hiervoor vereiste omgevingsvergunning is gerealiseerd. Eiser heeft zijn beroepsgrond dat het dakterras kon worden gerealiseerd met gebruikmaking van een bouwvergunning die in 1980 is verleend ter zitting ingetrokken. De rechtbank zal hierover daarom geen oordeel geven.\n\n8.2.. Het is vaste rechtspraak dat het algemeen belang gediend is met handhaving. Gelet op dit algemeen belang, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder dwangsom op te leggen, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is.\n\n8.3.. Het geschil spitst zich toe op de vraag of er sprake is van concreet zicht op legalisatie. Bij strijd met het bestemmingsplan bestaat concreet zicht op legalisatie, als er een ontvankelijke aanvraag is ingediend en het college bereid is de gevraagde afwijking van het bestemmingsplan toe te staan.Die situatie doet zich hier niet voor. In beginsel volstaat het feit dat het college niet bereid is om een omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan te verlenen voor het oordeel dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat. Alleen in uitzonderlijke gevallen kan hiervan worden afgeweken, namelijk als op voorhand duidelijk is dat het standpunt om niet mee te werken aan legalisatie rechtens niet houdbaar is. De weigering om planologische medewerking te verlenen moet zeer terughoudend worden getoetst.\n\n8.4.. \n\nDe rechtbank is van oordeel dat het college in dit geval onvoldoende heeft gemotiveerd dat concreet zicht op legalisatie ontbreekt. Hierboven is onder 5.5 overwogen dat het college de aanvraag van eiser voor een omgevingsvergunning voor het dakterras ten onrechte niet in behandeling heeft genomen. Dat ten tijde van het besluit op bezwaar geen ontvankelijke aanvraag om een omgevingsvergunning was ingediend, kan eiser daarom niet worden tegengeworpen. Het college heeft verder ter zitting bevestigd dat – als de aanvraag om een omgevingsvergunning inhoudelijk zou zijn beoordeeld – de enige reden om géén omgevingsvergunning te verlenen zou zijn gelegen in het ontbreken van de toestemming van de omwonenden. Dat betekent dat het college zich op het standpunt stelt dat sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering die aan vergunningverlening in de weg staat. Naar het oordeel van de rechtbank is op voorhand niet zeker of dit standpunt van het college kan worden gevolgd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat een privaatrechtelijke belemmering slechts in de weg kan staan aan de verlening van een omgevingsvergunning om af te wijken van het bestemmingsplan, als deze belemmering evident is. Dat wil zeggen dat zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat voor de bouw van het dakterras de toestemming van een ander is vereist en die ander deze toestemming niet geeft en ook niet hoeft te geven.Gelet op de door eiser overgelegde stukken waarmee hij zijn standpunt heeft onderbouwd dat de betrokken omwonenden op enig moment hebben ingestemd met de aanwezigheid van het dakterras, is naar het oordeel van de rechtbank twijfelachtig of sprake is van een privaatrechtelijke belemmering met een evident karakter.\n\nHet betoog van eiser slaagt.\n\n8.5.. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat de opgelegde last onder dwangsom onvoldoende duidelijk is waar het gaat om het staken en gestaakt houden van het gebruik van het dak van de uitbouw als dakterras. Het rechtszekerheidsbeginsel vereist dat een last zodanig duidelijk en concreet geformuleerd wordt dat degene tot wie de last is gericht niet in het duister hoeft te tasten over wat gedaan of nagelaten moet worden om de overtreding te beëindigen.De rechtbank is van oordeel dat de last aan dit criterium voldoet, omdat het staken van het gebruik van het dakterras naar normaal spraakgebruik duidelijk is.\n\n8.6.. Gelet op wat is overwogen onder 8.4 is het beroep tegen het bestreden besluit van 24 augustus 2023 gegrond. De rechtbank zal dit besluit vernietigen omdat het niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en niet berust op een draagkrachtige motivering. Het college zal met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar van eiser moeten beslissen.\n\nDe invordering van de dwangsom (SGR 24\u002F2357)\n\n9. Bij besluit van 8 februari 2024 heeft het college bij eiser een dwangsom van € 1.500,- ingevorderd omdat eiser niet tijdig heeft voldaan aan de last om het gebruik van het dakterras te staken en gestaakt te houden (hierna: last 3).\n\n9.1.. Het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 24 augustus 2023 is van rechtswege mede gericht tegen het invorderingsbesluit van 8 februari 2024. Dit volgt uit artikel 5:39, eerste lid, van de Awb.\n\n10. Onder verwijzing naar een rapport van een controle die is uitgevoerd op 16 november 2023, heeft het college zich op het standpunt gesteld dat eiser niet tijdig aan last 3 heeft voldaan. Volgens het college was het gebruik van het dakterras ten tijde van de controle niet gestaakt.\n\n11. Eiser bestrijdt het standpunt van het college dat hij niet tijdig aan last 3 heeft voldaan.\n\n11.1.. Dit betoog van eiser slaagt. Uit het controlerapport en de daarbij gevoegde foto’s volgt dat het hekwerk rond het dakterras ten tijde van de controle was verwijderd en los op het dak lag. Verder is geconstateerd dat de schuifpui die toegang gaf tot het dakterras met een hangslot was afgesloten en is op de foto’s zichtbaar dat in de hoek van het dakterras tegen de woning aan wat tuinmeubilair is opgestapeld. Gelet op deze bevindingen van de toezichthouder en op de onweersproken toelichting van eiser ter zitting dat de huurders van de woning niet beschikten over de sleutel van het hangslot waarmee de schuifpui kon worden geopend, was naar het oordeel van de rechtbank ten tijde van de controle geen sprake van een overtreding van last 3. Het dakterras was op het moment van de controle niet als zodanig in gebruik en hiervoor – door de verwijdering van het hekwerk – ook niet meer geschikt. Voor zover het college zich op het standpunt heeft gesteld dat eiser ook gehouden was tot verwijdering van de tegels op de uitbouw en tot het weghalen van het opgeslagen tuinmeubilair, volgt dit niet uit het handhavingsbesluit.\n\n11.2.. Het college heeft daarom ten onrechte aangenomen dat eiser niet heeft voldaan aan last 3 en is ten onrechte tot invordering van de dwangsom overgegaan.\n\n12. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de invorderingsbeschikking van 8 februari 2024 vernietigen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n13. De beroepen van eiser zijn gegrond. De rechtbank zal de bestreden besluiten vernietigen. Het college zal opnieuw moeten beslissen op het bezwaar van eiser tegen het besluit van 4 oktober 2022 (SGR 23\u002F6229) en op de bezwaren van eiser tegen de besluiten van 17 november 2022 en 27 februari 2023 (SGR 24\u002F32).\n\n14. Omdat de beroepen gegrond zijn, veroordeelt de rechtbank het college in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (2 punten voor het indienen van een beroepschrift in de zaken SGR 23\u002F6629 en 24\u002F32 en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). De rechtbank bepaalt verder dat het college aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nIn zaak SGR 23\u002F6629:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit van 24 augustus 2023;\n\n- draagt het college op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze\n\n uitspraak;\n\n- bepaalt dat het college het door eiser betaalde griffierecht van € 184,- aan hem vergoedt.\n\nIn zaak SGR 24\u002F32:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit van 22 november 2023;\n\n- draagt het college op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze\n\n uitspraak;\n\n- bepaalt dat het college het door eiser betaalde griffierecht van € 187,- aan hem vergoedt.\n\nIn zaak SGR 24\u002F2357:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit van 8 februari 2024.\n\nIn alle zaken gezamenlijk:\n\n- veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.802,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr., A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van mr. H.B. Brandwijk, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 1 mei 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zaaknummer 9144842\u002F21-50250.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1232.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 16 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1691.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5796.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1186.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 18 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1555.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11003","2026-05-08T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:33.258Z",{"id":161,"ecli":162,"slug":163,"caseNumber":43,"courtId":164,"decisionDate":165,"fullText":166,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":167,"sourceTimestamp":168,"parsedAt":50,"updatedAt":169},"1132","ECLI:NL:RBOBR:2026:2711","ecli-nl-rbobr-2026-2711",72,"2026-04-30T00:00:00.000Z","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nZittingsplaats 's-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SHE 26\u002F972 OWBOUW\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 april 2026 in de zaak tussen\n [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eersel, het college\n\n(gemachtigde: mr. P.M.H.M. Bakermans).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam]uit [woonplaats] (de vergunninghouder).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de omgevingsvergunning voor het aanbrengen van terreinverharding en het uitvoeren van graafwerkzaamheden aan de [adres] in [woonplaats] . Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.\n\n1.1.. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 18 maart 2026 heeft het college de omgevingsvergunning verleend.Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n2.1.. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.2.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigde van het college.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\nVooraf\n\n3. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.\n\n De vergunninghouder exploiteert een verhuurbedrijf van bouwkranen aan de [adres] in [woonplaats] (de locatie). Verzoeker is eigenaar van het aangrenzende bedrijfsperceel.\n\n Ter plaatse van de locatie geldt het Omgevingsplan gemeente Eersel (het omgevingsplan). Op grond van artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet gold ten tijde van het bestreden besluit het bestemmingsplan “[naam]” (het bestemmingsplan) als onderdeel van dat omgevingsplan. Op grond van het bestemmingsplan is aan de locatie de bestemming “Bedrijf - 2”, “Agrarisch met waarden – Landschap” en “Waarde – Archeologie 5.2” toegekend. De locatie bevat tevens een bouwvlak en de functieaanduiding ‘landschapswaarden’ en ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – beekdal’.\n\n Op 11 februari 2026 is de omgevingsvergunning aangevraagd. Uit de aanvraag volgt dat het project bestaat uit het aanbrengen van terreinverharding en het uitvoeren van graafwerkzaamheden. De terreinverharding komt te liggen op de achterzijde van de locatie en beslaat een oppervlakte van 3.389 m2. De graafwerkzaamheden zijn ten behoeve van een wadi en worden uitgevoerd binnen de bestemming “Agrarisch met waarden – Landschap” met de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – beekdal’.\n\nSpoedeisend belang\n\n4. Voor het treffen van een voorlopige voorziening geldt op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het vereiste van het aanwezig zijn van een spoedeisend belang. Gebleken is dat nog geen uitvoering is gegeven aan de vergunning. Verzoeker vreest onder meer wateroverlast vanwege de aan te leggen wadi. De wadi komt op basis van de bij de aanvraag gevoegde tekening te liggen binnen de bestemming “Agrarisch met waarden – Landschap” met de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – beekdal’. Ingevolge artikel 4.1, onder h, van de planregels zijn die gronden mede bestemd voor het behoud en herstel van hydrologische waarden. De voorzieningenrechter veronderstelt dat een nieuwe wadi van invloed kan zijn op de hydrologische waarden ter plaatse, en daarmee ook op de waterhuishouding binnen het perceel van verzoeker. Daarmee is naar het oordeel van de voorzieningenrechter sprake van een voldoende spoedeisend belang.\n\nIs er aanleiding om het bestreden besluit te schorsen?\n\n5. Ter zitting is met partijen gesproken over de voorgenomen plannen. De terreinverharding wordt aangelegd binnen de bedrijfsbestemming. Volgens het college is het toegestaan om die bestemming te verharden ten behoeve van bedrijvigheid. Het is de voorzieningenrechter echter duidelijk geworden dat binnen de bedrijfsbestemming op twee plaatsen ook de functieaanduiding ‘landschapswaarden’ is gelegen. Ingevolge artikel 6.1 van de planregels zijn de voor “Bedrijf – 2” aangewezen gronden mede bestemd voor het behoud en herstel van landschapselementen ter plaatse van de aanduiding ‘landschapswaarden’. Uit de tekening die bij de aanvraag is gevoegd leidt de voorzieningenrechter af dat ook ter hoogte van de aanduidingen ‘landschapswaarden’ sprake zal zijn van terreinverharding. Op grond van artikel 6.6.1 van de planregels is het ter plaatse van de aanduiding ‘landschapswaarden’ verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning oppervlakteverhardingen aan te brengen of (delen van) landschapselementen te verwijderen. Vanwege de omgevingsvergunning zal in ieder geval sprake zijn van het aanbrengen van oppervlakteverhardingen. De omgevingsvergunning kan ingevolge artikel 6.6.3 van de planregels slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaats vindt van het landschapselement.\n\n6. De wadi wordt aangelegd binnen de bestemming “Agrarisch met waarden – Landschap” met de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – beekdal’. Ingevolge artikel 4.1, van de planregels zijn die gronden onder meer bestemd voor behoud, herstel en ontwikkeling van de aanwezige landschappelijke waarden, behoud, herstel en ontwikkeling van de aanwezige cultuurhistorische en historisch-stedenbouwkundige waarden, en het behoud en herstel van hydrologische waarden ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – beekdal’. Op grond van artikel 4.4.1, onder a, van de planregels is het verboden om binnen die bestemming zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de bodem af te graven. Vanwege de aanleg van de wadi zal sprake zijn van het afgraven van de bodem. De omgevingsvergunning kan ingevolge artikel 4.4.3 van de planregels slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaats vindt van de landschappelijke waarden, de cultuurhistorische en historisch-stedenbouwkundige waarden, het landschapselement ter plaatse van de aanduiding ‘landschapswaarden’ en de hydrologische eigenschappen ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – beekdal’.\n\n7. Gelet op het voorgaande zijn de activiteiten die zien op zowel het aanleggen van de terreinverharding als het aanleggen van de wadi vergunningplichtig onder het bestemmingsplan. Deze activiteiten zijn op basis van artikel 22.277, onder a, van het omgevingsplan eveneens vergunningplichtig. Artikel 22.281 van het omgevingsplan bepaalt dat het college bevoegd is om de vergunning te verlenen en niet verplicht is om de vergunning te verlenen.\n\n8. In het bestreden besluit is niet kenbaar gemotiveerd dat de terreinverharding geen onevenredige afbreuk doet aan het landschapselement. Evenmin is kenbaar gemotiveerd dat de werkzaamheden ten behoeve van de wadi geen onevenredige afbreuk doen aan de landschappelijke waarden, de cultuurhistorische en historisch-stedenbouwkundige waarden, het landschapselement ter plaatse van de aanduiding ‘landschapswaarden’ en de hydrologische eigenschappen ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – beekdal’. De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding de omgevingsvergunning te schorsen. Het is niet bekend welke waarden ter plaatse aanwezig zijn en of de werkzaamheden hieraan op onevenredige wijze afbreuk doen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 18 maart 2026 is geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.\n\n9.1.. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet het college het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n- schorst het primaire besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;\n\n- bepaalt dat het college het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Kleijn Hesselink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.J.A.B. Elsman, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 30 april 2026.\n\nDe griffier is verhinderd deze\n\nuitspraak te ondertekenen\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\nBijlage: relevante bepalingen uit het bestemmingsplan\n\nArtikel 4 Agrarisch met waarden - Landschap\n\n4.1. \n\nBestemmingsomschrijving\n\nDe voor ‘Agrarisch met waarden - Landschap’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:\n\na agrarische grondexploitatie;\n\nb behoud, herstel en ontwikkeling van de aanwezige landschappelijke waarden;\n\nc behoud, herstel en ontwikkeling van de aanwezige cultuurhistorische en historisch-stedenbouwkundige waarden;\n\nd extensief recreatief medegebruik;\n\ne groenvoorzieningen;\n\nf water en waterhuishoudkundige voorzieningen;\n\nalsmede voor:\n\ng het behoud en herstel van landschapselementen ter plaatse van de aanduiding ‘landschapswaarden’;\n\nh het behoud en herstel van hydrologische waarden ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – beekdal’.\n\n4.4. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden\n\n4.4.1. \n\nOmgevingsvergunning\n\na Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:\n\n1. het aanbrengen van (infrastructurele) ondergrondse leidingen;\n\n2 het aanbrengen van oppervlakteverhardingen groter dan 200 m²;\n\n3 het kappen en\u002Fof rooien van bomen en\u002Fof houtgewas;\n\n4 het beplanten van gronden met houtgewas, met uitzondering van het beplanten van houtgewas in het kader van agrarische wisselteelt (teelt van maximaal 5 jaar);\n\n5 het diepploegen en diepwoelen van de bodem;\n\n6 het afgraven, ophogen, en egaliseren van de bodem.\n\nb In aanvulling op het bepaalde in sub a is het ter plaatse van de aanduiding ‘landschapswaarden’ verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:\n\n1. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen of banen en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;\n\n2 het verwijderen van (delen van) landschapselementen.\n\nc In aanvulling op het bepaalde in sub a is het ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – beekdal’ verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:\n\n1. het aanbrengen van houtopstanden;\n\n2 het aanbrengen van oppervlakteverhardingen en halfverhardingen.\n\n4.4.2. \n\nUitzonderingen\n\nHet in lid 4.4.1 vervatte verbod geldt niet voor werken of werkzaamheden welke:\n\na het normale onderhoud en\u002Fof landschapsbeheer betreffen;\n\nb reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;\n\nc waarvoor ten tijde van het van kracht worden van dit plan omgevingsvergunning is verleend.\n\n4.4.3. \n\nToelaatbaarheid\n\nDe in lid 4.4.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaats vindt van:\n\na de landschappelijke waarden;\n\nb de cultuurhistorische en historisch-stedenbouwkundige waarden;\n\nc het landschapselement, ter plaatse van de aanduiding ‘landschapswaarden’;\n\nd de hydrologische eigenschappen, ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – beekdal’.\n\nArtikel 6 Bedrijf – 2\n\n6.1. \n\nBestemmingsomschrijving\n\nDe voor ‘Bedrijf – 2’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:\n\na bedrijven genoemd in bijlage 1 (Staat van bedrijfsactiviteiten) onder de milieucategorie 2 t\u002Fm 3.2, met uitzondering van geluidzoneringsplichtige en risicovolle bedrijven;\n\nb bestaande bedrijven genoemd in bijlage 1 (Staat van bedrijfsactiviteiten) onder de milieucategorie 1;\n\nc productiegebonden detailhandel, met uitzondering van detailhandel in voedings- en genotsmiddelen;\n\nd tevens een sigarenfabriek, ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - sigarenfabriek’;\n\ne tevens een landbouwmechanisatiebedrijf ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - landbouwmechanisatiebedrijf’.\n\nf bedrijfswoningen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’;\n\ng opslag en uitstalling;\n\nh parkeervoorzieningen;\n\ni groenvoorzieningen;\n\nj wegen, paden en straten;\n\nk tuinen, erven en verhardingen;\n\nl water en waterhuishoudkundige voorzieningen;\n\nalsmede voor:\n\nm het behoud en herstel van landschapselementen ter plaatse van de aanduiding ‘landschapswaarden’;\n\nn het behoud en herstel van cultuurhistorische en historisch-stedenbouwkundige waarden ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - cultuurhistorische waardevolle bebouwing’\n\n6.6. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden\n\n6.6.1. \n\nOmgevingsvergunning\n\na Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren ter plaatse van de aanduiding ‘landschapswaarden’:\n\n1. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen of banen en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;\n\n2 het verwijderen van (delen van) landschapselementen.\n\n6.6.2. \n\nUitzonderingen\n\nHet in lid 6.6.1 vervatte verbod geldt niet voor werken of werkzaamheden welke:\n\na het normale onderhoud en\u002Fof landschapsbeheer betreffen;\n\nb reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;\n\nc waarvoor ten tijde van het van kracht worden van dit plan omgevingsvergunning is verleend.\n\n6.6.3. \n\nToelaatbaarheid\n\nDe in lid 6.6.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaats vindt van het landschapselement.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:2711","2026-04-29T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:05.800Z",{"id":171,"ecli":172,"slug":173,"caseNumber":43,"courtId":136,"decisionDate":174,"fullText":175,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":176,"sourceTimestamp":146,"parsedAt":50,"updatedAt":177},"1009","ECLI:NL:RBAMS:2026:4662","ecli-nl-rbams-2026-4662","2026-04-20T00:00:00.000Z","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AMS 25\u002F2084\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 20 april 2026 in de zaak tussen\n\nHuurdersvereniging [naam] , te [plaats] , eiseres\n\n(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. L.C. van Elewoud).\n\nAls derde-partij neemt aan het geding deel [bedrijf] te Amsterdam.\n\nPartijen zullen hierna respectievelijk de Huurdersvereniging, het college en [bedrijf] worden genoemd.\n\nSamenvatting\n\n1. In deze uitspraak komt de rechtbank tot de conclusie dat het gebrek dat is vastgesteld in de tussenuitspraak is hersteld. Het college heeft [bedrijf] de gelegenheid gegeven om alsnog de verplichte participatie uit te voeren. De aan [bedrijf] verleende omgevingsvergunning kan in stand blijven met de aanvullende motivering van het college.\n\n1.1. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot deze conclusie komt.\n\nProcesverloop\n\n2. [bedrijf] exploiteert een horecazaak met een terras op het adres [adres 1] . Op 13 maart 2024 heeft [bedrijf] een omgevingsvergunning aangevraagd voor het wijzigen van het gebruik voor een onbebouwd horecaterras op het perceel [adres 1] . Met de aanvraag wil [bedrijf] het bestaande horecaterras legaliseren en vergroten voor wat betreft het onbebouwde deel met een breedte van 6 meter en een diepte van 1,88 meter.\n\n2.1. Met het primaire besluit van 24 juli 2024 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend.\n\n2.2. In het bestreden besluit van 14 februari 2025 op het bezwaar van de Huurdersvereniging heeft het college de omgevingsvergunning gehandhaafd.\n\n2.3. Op 26 maart 2025 heeft het college de beslissing op bezwaar van 14 februari 2025 gewijzigd door de oorspronkelijke tekening die onderdeel is van de omgevingsvergunning te vervangen door een aangepaste tekening.\n\n2.4. De Huurdersvereniging heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.5. De rechtbank heeft het beroep op 9 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van de Huurdersvereniging, de gemachtigde van het college en tot slot [persoon 1] en [persoon 2] , aandeelhouders van [bedrijf].\n\n2.6. In de tussenuitspraak van 20 november 2025 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek - het ontbreken van verplichte participatie - in het bestreden besluit te herstellen.\n\n2.7. Het college heeft in reactie op de tussenuitspraak [bedrijf] in de gelegenheid gesteld om alsnog de verplichte participatie uit te voeren. [bedrijf] heeft daarvan gebruik gemaakt, waarna het college in de brief van 30 januari 2026 heeft geconcludeerd dat op voldoende wijze is geparticipeerd door [bedrijf] en dat de belangenafweging die ten grondslag ligt aan het bestreden besluit ongewijzigd blijft.\n\n2.8. De Huurdersvereniging heeft hier op 20 februari 2026 schriftelijk op gereageerd.\n\n2.9. De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.\n\nOverwegingen\n\n3. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.\n\n3.1. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geconcludeerd dat er geen participatie heeft plaatsgevonden bij de voorbereiding van de aanvraag. Omdat de uitkomst van participatie mee kan wegen in de belangenafweging die verricht moet worden bij de buitenplanse omgevingsvergunning, had het college [bedrijf] alsnog in de gelegenheid moeten stellen de verplichte participatie uit te voeren. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld dit gebrek te herstellen.\n\n3.2. Het college heeft ter uitvoering van de tussenuitspraak laten weten dat [bedrijf] op 15 december 2025 een bewonersbrief heeft verspreid op meerdere adressen in de [adres 2] en de [adres 3] . Daarnaast is in het restaurant van [bedrijf] duidelijk zichtbaar een bewonersbrief aangeplakt. Na afloop van de reactietermijn zoals opgenomen in de bewonersbrief, heeft [bedrijf] een participatieplan geschreven, waaruit volgt dat er geen reactie is ontvangen op de verspreide en aangeplakte bewonersbrieven. Het college heeft de bewonersbrief en het participatieplan overgelegd.\n\n3.3. De Huurdersvereniging voert in de zienswijze kort gezegd aan dat er te laat, te weinig en onvoldoende is geparticipeerd. Volgens haar is de herstelpoging van het college niet geslaagd. Daarnaast wijst de Huurdersvereniging erop dat, ondanks de discussie op zitting en de tussenuitspraak, er toch een bebouwd terras is gerealiseerd.\n\nWel of geen bebouwd terras?\n\n3.4. Volgens de Huurdervereniging heeft [bedrijf] een terras gebouwd, ook al staat in de aanvraag om een omgevingsvergunning dat het gaat om een onbebouwd terras. Dit is in strijd met het geldende bestemmingsplan en hiervoor is geen omgevingsvergunning verleend. Ter illustratie heeft de Huurdersvereniging een foto van het terras ingebracht. De Huurdersvereniging verzoekt de rechtbank de omgevingsvergunning op deze grond te vernietigen.\n\n3.5. De rechtbank stelt vast dat de Huurdersvereniging hiermee, deels in andere bewoordingen, heeft herhaald wat zij al eerder in deze procedure naar voren heeft gebracht. Hierover heeft de rechtbank zich al uitgelaten in de tussenuitspraak. De rechtbank kan behalve in zeer uitzonderlijke gevallen niet terugkomen van zo'n in de tussenuitspraak gegeven oordeel. De rechtbank is van oordeel dat zich hier niet zo'n zeer uitzonderlijk geval voordoet. Dat betekent dat de rechtbank niet terugkomt van haar oordeel in de tussenuitspraak. Indien de realisatie van het terras volgens de Huurdersvereniging afwijkt van wat door het college is vergund, kan de Huurdersvereniging een verzoek om handhaving indienen. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nIs de hersteltermijn overschreden?\n\n3.6. Volgens de Huurdersvereniging heeft het college het gebrek te laat hersteld, namelijk niet binnen de termijn van acht weken na verzending van de tussenuitspraak.\n\n3.7. De rechtbank stelt vast dat het college het gebrek inderdaad niet binnen de geboden termijn heeft hersteld. De tussenuitspraak is verzonden op 21 november 2025, zodat de hersteltermijn van acht weken eindigde op 16 januari 2026. Op 30 januari 2026 heeft de rechtbank de aanvullende motivering van het college ontvangen. Het college heeft niet om verlenging van de hersteltermijn verzocht.\n\n3.8. De rechtbank overweegt dat de gegeven termijn in de tussenuitspraak een bindende termijn is. De Algemene wet bestuursrecht verbindt daar echter niet de conclusie aan dat de rechtbank gehouden is de nadere motivering steeds buiten beschouwing te laten als deze na die termijn wordt ingediend. Het is aan de rechtbank om te bepalen, mede gelet op de voortgang van het beroep, of de nadere motivering in de beoordeling van het beroep wordt betrokken. In dit geval heeft de rechtbank het onderzoek niet direct na het verstrijken van de geboden hersteltermijn gesloten en is de aanvullende motivering vóór sluiting van het onderzoek ontvangen. Verder heeft de Huurdersvereniging de mogelijkheid gekregen om inhoudelijk op de aanvullende motivering van het college te reageren. De Huurdersvereniging is door de termijnoverschrijding dan ook niet in haar belangen geschaad. Gelet op het voorgaande en met het oog op een efficiënte beslechting van het voorliggende geschil, ziet de rechtbank geen aanleiding om de aanvullende motivering buiten beschouwing te laten.\n\n3.9. Volgens de Huurdersvereniging is het college ook om andere redenen te laat met het herstelbesluit. Zowel na het indienen van de aanvraag als in de bezwaarfase had het college [bedrijf] erop kunnen wijzen dat de verplichte participatie ontbrak en dat deze alsnog uitgevoerd moest worden.\n\n3.10. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Het is juist dat het college [bedrijf] er eerder op had kunnen wijzen dat de verplichte participatie ontbrak. Dat is op dit moment echter een gepasseerd station. Aangezien de rechtbank in de tussenuitspraak het college in de gelegenheid heeft gesteld dit gebrek te herstellen, is nu niet aan de orde dat het college [bedrijf] eerder in de gelegenheid had moeten stellen om de verplichte participatie uit te voeren. De rechtbank gaat daarom aan deze beroepsgrond voorbij.\n\nIs het gebrek hersteld?\n\n3.11. Volgens de Huurdersvereniging is het gebrek niet hersteld. [bedrijf] heeft de kring van participanten te klein gehouden door zich te beperken tot de directe buren en de klanten die de horecazaak bezoeken. Verder is onvoldoende gevolg gegeven aan de Participatiehandreiking, omdat er geen online enquête is gehouden, omwonenden en bedrijven niet zijn aangeschreven en er geen informatieavond is georganiseerd. Tot slot wijst de Huurdersvereniging erop dat in het participatieverslag niets terug te vinden is van de bezwaren die bij de Huurdersvereniging leven. [bedrijf] heeft de Huurdersvereniging ten onrechte niet betrokken in het participatieproces.\n\n3.12. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak vastgesteld dat op grond van het Aanwijzingsbesluit elke vorm van participatie voldoende is, waarbij de Participatiehandreiking als hulpmiddel kan worden gebruikt. Verder heeft de rechtbank in de tussenuitspraak overwogen dat [bedrijf] de omgeving had moeten raadplegen, waarbij het volgens de Participatiehandreiking gaat om het verzamelen van reacties, ideeën en meningen van directe buren, omwonenden en ondernemers in de buurt. De rechtbank is van oordeel dat [bedrijf] met het verspreiden van een brief onder de directe buren en omwonenden alsmede met het aanplakken van diezelfde brief in het restaurant, op juiste wijze gevolg heeft gegeven aan de Participatiehandreiking. Er bestond geen verplichting om de Huurdersvereniging actief in het participatieproces te betrekken. De bezwaren van de Huurdersvereniging waren bovendien al bij [bedrijf] bekend. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\n3.13. De Huurdersvereniging heeft verder aangevoerd dat de bewonersbrief misleidend is, omdat er niet in wordt genoemd dat het gaat om een horecaterras in strijd met het bestemmingsplan en er niet in staat dat de participatie onderdeel is van een legalisatietraject. Ook heeft [bedrijf] zich volgens de Huurdersvereniging niet gehouden aan de opdracht door in de bewonersbrief een tweede participatie te starten voor een ander terras. De bewonersbrief had daardoor geen eenduidig doel.\n\n3.14. De rechtbank is van oordeel dat van misleiding geen sprake is. Participatie is erop gericht om bewoners en ondernemers te informeren en te betrekken bij projecten die impact hebben op hun directe leefomgeving en vindt normaal gesproken plaats voordat een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt ingediend. Het is vervolgens aan het college om de aanvraag juridisch te duiden en te beoordelen. Dat het horecaterras in strijd is met het bestemmingsplan hoefde in de bewonersbrief dan ook niet te worden vermeld. Dat de verplichte participatie in het kader van deze procedure plaatsvindt na indiening van de aanvraag betekent niet dat [bedrijf] deze informatie wel moest delen. Verder stond het [bedrijf] vrij om in de bewonersbrief ook te vragen wat de directe omgeving vindt van een mogelijke toekomstige uitbreiding van het terras. Daarover heeft [bedrijf] in de brief helder gecommuniceerd dat deze uitbreiding nog niet is aangevraagd en dat zij eerst wil kijken hoe de directe omgeving hierover denkt. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\n3.15. Tot slot wijst de Huurdersvereniging erop dat uit de aanvullende motivering van het college niet blijkt wie de participatie heeft beoordeeld en of deze persoon deskundig en bevoegd is te besluiten of de participatie voldoende en overeenkomstig de Participatiehandreiking is uitgevoerd.\n\n3.16. De rechtbank stelt vast dat de aanvullende motivering is ondertekend namens het college, dat bevoegd is om het bestreden besluit te nemen, te wijzigen en aan te vullen. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank aan de formele vereisten voldaan en is geen sprake van een bevoegdheidsgebrek.\n\n3.17. De rechtbank concludeert dat het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek is hersteld doordat [bedrijf] alsnog de verplichte participatie heeft uitgevoerd en het college dit alsnog bij het bestreden besluit heeft betrokken. Er zijn tijdens de participatieperiode geen reacties ontvangen, waarna het college heeft geconcludeerd dat de belangenafweging in het bestreden besluit niet anders zou zijn geweest als het participatieplan van [bedrijf] direct bij het indienen van de aanvraag om een omgevingsvergunning zou zijn overgelegd. Deze conclusie kan de rechtbank volgen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n4. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit vanwege het ontbreken van verplichte participatie. Omdat het college in zijn reactie op de tussenuitspraak en de aanvullende motivering van 30 januari 2026 het gebrek heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.\n\n4.1. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan de Huurdersvereniging het door haar betaalde griffierecht vergoeden.\n\n4.2. De Huurdersvereniging krijgt ook een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Het college moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2,5 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus) met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 2.335,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit;\n\n- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;\n\n- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 385,- aan de Huurdersvereniging te vergoeden;\n\n- veroordeelt het college in de proceskosten van de Huurdersvereniging tot een bedrag van € 2.335,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.W. Speksnijder, voorzitter, en mr. A.M. van der Linden-Kaajan en mr. J.W. Vriethoff, leden, in aanwezigheid van mr. M.M. Mazurel, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2026.\n\nDe griffier is verhinderd\n\nde uitspraak te ondertekenen.\n\n voorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4662","2026-07-13T00:28:58.790Z",{"id":179,"ecli":180,"slug":181,"caseNumber":43,"courtId":182,"decisionDate":183,"fullText":184,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":185,"sourceTimestamp":186,"parsedAt":50,"updatedAt":187},"1134","ECLI:NL:RBROT:2026:5132","ecli-nl-rbrot-2026-5132",61,"2026-04-17T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 25\u002F9232uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2026 in de zaak tussen\n\n1. [eiser 1] en [eiser 2],2. [eiser 3],\n\nuit Noordeloos, eisers\n\n(gemachtigde: mr. R.N. van der Velde),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Molenlanden\n\n(gemachtigden: mr. J.L. Roetman en A.C. van der Gugten).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam camping]uit Giessenburg (vergunninghouder).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de verlening van een omgevingsvergunning voor het realiseren van twee vakantieverblijven, de uitbreiding van het aantal kampeerplaatsen van 25 naar 30, de inpandige stalling van caravans en de winteropenstelling van de camping. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de omgevingsvergunning mocht verlenen.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen. Eisers krijgen geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. [naam camping] (de camping) is gevestigd aan de [adres] (het perceel). Met het besluit van 12 maart 2025 (het primaire besluit) heeft het college aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor:\n\n- het realiseren van de bouw van een gebouw met daarin twee vakantieverblijven (één voor maximaal vier personen en één voor maximaal acht personen);\n\n- de uitbreiding van het aantal kampeerplaatsen van 25 naar 30 op het bestaande kampeerterrein;\n\n- de stalling van circa tien caravans binnen de bestaande gebouwen (uitsluitend inpandig), en\n\n- de winteropenstelling van de camping.\n\n2.1.. Eisers hebben op 18 april 2025 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.2.2.. Met het wijzigingsbesluit van 24 juli 2025 heeft het college de motivering van het primaire besluit aangevuld.\n\n2.3.. Het wijzigingsbesluit is op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) van rechtswege onderdeel geworden van de bezwaarprocedure.\n\n2.4.. Met het bestreden besluit van 8 oktober 2025 op het bezwaar van eisers is het college bij de besluiten gebleven, waarmee het college is afgeweken van het advies van de Advies Commissie Bezwaarschriften (de bezwaarschriftencommissie).\n\n2.5.. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouder heeft schriftelijk gereageerd.\n\n2.6.. De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, de gemachtigden van het college (vergezeld door juridisch adviseur handhaving [naam 1]), en namens vergunninghouder, [naam 2] (de eigenaar\u002Fexploitant van de camping).\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nTotstandkoming van het bestreden besluit\n\n3. Vergunninghouder heeft op 23 april 2024 een aanvraag voor het verbreden van de activiteiten op de camping ingediend. Vergunninghouder wil twee vakantieverblijven realiseren, het aantal kampeerplekken uitbreiden, caravans in de bestaande bebouwing stallen en een winteropenstelling van de camping.\n\n3.1.. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (de Ow) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Ter plaatse van het perceel geldt het Omgevingsplan gemeente Molenlanden (het omgevingsplan). Het omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op het perceel was vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan “Buitengebied Giessenlanden” van kracht. Dit bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Het perceel heeft op grond van het bestemmingsplan de bestemmingen “Waarde – Archeologie – 5” en “Recreatie – Verblijfsrecreatie”. Het perceel heeft de functieaanduiding “specifieke vorm van recreatie – minicamping”.\n\n3.2.. Het bouwplan is op een aantal punten in strijd met de planregels. Het gaat om het gebruiken en bouwen in strijd met de bestemming “Recreatie – Verblijfsrecreatie”. Met het primaire besluit heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor de “bouwactiviteit” en de “buitenplanse omgevingsplanactiviteit” (artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow).\n\n3.3.. \n\nEisers zijn woonachtig aan de Overslingeland 31-1 in Noordeloos. De eenmanszaak (een kalveropfokbedrijf) is hier ook gevestigd.\n\nToetsingskader\n\n4. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.\n\n4.1.. Op grond van artikel 8.0a, eerste lid, van het Besluit kwaliteiten leefomgeving (het Bkl) wordt, voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, als het gaat om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de omgevingsvergunning verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning.\n\nOp grond van het artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl wordt, voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.\n\nHet college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het college moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt daarom niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.\n\n4.2.. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nZuid-Hollandse Omgevingsverordening\n\n5. Eisers voeren aan dat het bestreden besluit in strijd is met het provinciaal beleid uit de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (de Omgevingsverordening). Uit het bestreden besluit volgt namelijk niet dat er rekening is gehouden met het behoud van de ruimtelijke kwaliteit, de bescherming van belangrijke natuurgebieden, het meewegen van klimaatrisico’s en het voorkomen van permanente bewoning van recreatiewoningen.\n\n5.1.. Het college heeft op de zitting meegedeeld dat in het wijzigingsbesluit per abuis is verwezen naar de ruimtelijke motivering van 23 april 2024 in plaats van die van 23 januari 2025. Naar aanleiding van het advies van de Provincie Zuid-Holland van 17 juli 2024 is de eerdere ruimtelijke motivering op 23 januari 2025 aangepast. Het college heeft echter met de inventarislijst van de stukken die aan de bezwaarschriftencommissie zijn overgelegd, toegelicht dat de ruimtelijke motivering van 23 januari 2025 wel ten grondslag ligt aan het bestreden besluit. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank de ruimtelijke motivering van 23 januari 2025 onderdeel van de motivering van het bestreden besluit.\n\n5.2.. Uit de ruimtelijke motivering volgt dat het is getoetst aan de Omgevingsverordening en daarin staat het volgende. Het bouwplan kan worden gezien als landschappelijke inpassing omdat de ontwikkeling gebiedseigen en passend is bij de maat en aard van de bestaande kenmerken van het gebied. De bestaande structuren en kwaliteiten veranderen niet. Doordat er sprake is van een grote variëteit aan beplanting en deze zijn volgroeid tot een dichte rand, zijn de recreatieve activiteiten en de bebouwing op de camping aan het zicht onttrokken. Verder krijgt het nieuwe recreatiegebouw met vakantieverblijven een passende landelijke en ingetogen uitstraling. Gezien de aangevraagde activiteiten vallen binnen het huidige campingterrein in combinatie met de landschappelijke inpassing van het campingterrein is er geen sprake van aantasting van de kenmerkende landschapselementen van het veenweidelandschap en is er ook geen negatief effect op het weidevogelgebied. Verder is in de ruimtelijke motivering toegelicht dat er met het bouwplan voldoende rekening is gehouden met de risico’s van klimaatverandering. Zo zijn er voldoende mogelijkheden om het hemelwater af te voeren of in de bodem te laten infiltreren. Het nieuwe gebouw wordt op een aanleghoogte gerealiseerd waarmee wordt voorgesorteerd op het voorkomen van schade door hoge waterstanden. Ook wordt bij de uitwerking van het gebouw rekening gehouden met de accumulatie van warmte.\n\n5.3.. Gelet op deze ruimtelijke motivering ziet de rechtbank in wat eisers hebben aangevoerd geen aanleiding om te oordelen dat het bouwplan in strijd is met het provinciaal beleid uit de Omgevingsverordening. Het college heeft met de ruimtelijke motivering onderbouwd dat er met het bouwplan sprake is van een landschappelijke inpassing waardoor er geen aantasting is van het veenweidelandschap en het weidevogelgebied en dat met het bouwplan rekening wordt gehouden met de klimaatrisico’s. Verder is in de omgevingsvergunning het voorschrift opgenomen dat de eigenaar verantwoordelijk blijft om permanente bewoning tegen te gaan. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nMinicamping\n\n6. Eisers betogen dat de winteropenstelling en de caravanstalling in strijd zijn met het Omgevingsplan, te weten de bouw- en gebruiksregels uit artikel 15.2.1, aanhef en onder d, en artikel 15.3, aanhef en onderdeel a, van de planregels. Op de zitting hebben eisers aangevoerd dat met de uitbreiding van het aantal standplaatsen de camping niet meer voldoet aan de functieaanduiding van “specifieke vorm van recreatie – minicamping”. Daarbij wijzen eisers op de Toeristische Agenda Molenlanden waaruit volgt dat er sprake is van een minicamping tot vijftien standplaatsen. Volgens eisers is ook onduidelijk of de recreatieverblijven gebouwd worden binnen het bouwvlak.\n\n6.1.. De rechtbank stelt met betrekking tot het aantal standplaatsen allereerst vast dat in de planregels geen definitie is opgenomen van het begrip “minicamping”. Voor zover eisers stellen dat er voor de definitie gekeken dient te worden naar de Toeristische Agenda Molenlanden, merkt de rechtbank op dat hierin ook geen definitie van “minicamping” is opgenomen. Dat daarin gesproken wordt van een mini-camping tot vijftien plaatsen, betekent nog niet dat een camping om een mini-camping te zijn maar vijftien plaatsen mag hebben. De rechtbank volgt eisers dan ook niet in de stelling dat de camping in strijd is met de functieaanduiding “specifieke vorm van recreatie – minicamping’. Wat de winteropenstelling van de camping betreft, heeft het college in de ruimtelijke overweging van het wijzigingsbesluit toegelicht dat wordt ingezet op verlenging van het toeristisch seizoen en dat het positief staat tegenover initiatieven die jaarrond overnachten mogelijk maken. Door meer in te zetten op het trekken van vakantiegangers in de weken tussen het hoog- en laagseizoen en daar passend aanbod voor te ontwikkelen, ontvangen ook dagrecreatieve bedrijven en horeca jaarrond meer gasten. Verder vindt de caravanstalling geheel plaats binnen de bestaande bebouwingen. Er bestaat hierdoor geen kans van verrommeling op het erf en het zicht zal niet verder worden beperkt. De rechtbank is gelet op deze motivering van oordeel dat het college voldoende heeft gemotiveerd waarom er in afwijking van de planregels een omgevingsvergunning is verleend voor de winteropenstelling van de camping en de inpandige caravanstalling. Het college heeft ten aanzien van het bouwvlak op de zitting aan de hand van de plankaart het bouwvlak aangegeven en onweersproken toegelicht dat de twee recreatiewoningen binnen het bouwvlak worden gebouwd. De twee recreatiewoningen (100 m2) worden gebouwd op de plek van de huidige schuur (80 m2) waarbij er nog voldoende ruimte is in het bouwvlak voor de toename in oppervlakte. Van de door eisers gestelde strijdigheid met artikel 15.2.1, onder d, onder 1, van de planregels vanwege het bouwen buiten het bouwvlak, is dan ook geen sprake. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nGrondwater- en bodemonderzoek\n\n7. Eisers stellen dat er ten onrechte geen grondwater- en bodemonderzoek is gedaan op basis van de NEN-normen. Voor wat betreft het grondwater wijzen zij ook op de Voorbeschermingsregels zoals opgenomen in het Omgevingsplan. Voor wat betreft de bodem wijzen zij op artikel 5.89ka, eerste lid, van het Bkl. Volgens eisers strekken de normen inzake bodem- en grondwaterkwaliteit vanuit een oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties mede ter bescherming van de belangen van eisers op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en de ongehinderde uitoefening van hun agrarische bedrijf. Daarbij wijzen eisers op de overzichtsuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 11 november 2020.\n\n7.1.. Het college heeft gesteld dat het relativiteitsvereiste een beroep op betreffende regels in de weg staat. Het college heeft ten aanzien van de door eisers aangehaalde uitspraak meegedeeld dat daaruit volgt dat alleen wanneer het milieubelang zodanig verweven is met het woon- of leefklimaat daarop een beroep kan worden gedaan. Het college meent dat hiervan geen sprake is.\n\n7.2.. Op grond van artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.\n\n7.3.. De rechtbank is van oordeel dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat hun belangen zo verweven zijn met de belangen van de gebruikers van het te bouwen bouwwerk of de bescherming van bodem- en grondwaterkwaliteit, zodat er geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de betrokken normen ook strekken ter bescherming van de belangen van eisers als bedoeld in artikel 8:69a van de Awb zodat hierop geen beroep kan worden gedaan. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat er tussen het perceel waarop het bouwplan wordt gerealiseerd en het perceel van eisers nog een weg en een sloot ligt.\n\nEvenwichtige toedeling van functies aan locaties\n\n8. Eisers betogen dat de omgevingsvergunning in strijd is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties omdat het college de belangen van eisers niet heeft meegenomen in de belangenafweging. Door de uitbreiding van de camping wordt het woon- en leefklimaat van eisers aangetast. Ook worden eisers bemoeilijkt in hun agrarische bedrijfsvoering. Zo worden er auto’s in de berm geparkeerd en neemt het aantal verkeersbewegingen toe. De uitbreiding van de camping leidt tot (geluid)overlast, feesten en evenementen, meer verkeersbewegingen, geurhinder van vuurkorven en barbecues en zicht- en lichtimpact van de koplampen van auto’s.\n\n8.1.. De rechtbank stelt voorop dat het bij de beoordeling alleen kan gaan om aspecten die in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties relevant zijn. Dit volgt uit het hiervoor onder 4.1 beschreven toetsingskader. Het kan daarbij alleen gaan om ruimtelijk relevante aspecten. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling moet hinder of overlast die het gevolg is van onrechtmatig gedrag bij de besluitvorming buiten beschouwing worden gelaten, omdat dat aspecten van openbare orde zijn.Dit soort overlast kan worden tegengegaan in het kader van de handhaving van de openbare orde. Voor zover het hier al om de ruimtelijk relevante gevolgen gaat en niet om overlast die onder de openbare orde valt, hebben eisers naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat onaanvaardbare gevolgen voor het woon- en leefklimaat of de agrarische bedrijfsvoering zijn te verwachten. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat een camping op grond van het omgevingsplan al is toegestaan. In de ruimtelijke motivering is verder toegelicht dat de uitbreiding van de camping zorgt voor een toename van acht verkeersbewegingen waardoor er afgerond achttien verkeersbewegingen per etmaal zijn. Een dergelijke intensiteit zal naar het oordeel van de rechtbank niet leiden tot negatieve effecten op het gebied van doorstroming of verkeersonveilige situaties. De extra parkeerplaatsen komen op de camping binnen de groene omzoming te liggen waardoor er vanaf de Paalweg geen zicht is op de geparkeerde auto’s. De rechtbank concludeert dan ook dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de omgevingsvergunning blijft gelden. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. T.M.J. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.S.Y. Verweij, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 17 april 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving\n\nBestemmingsplan “Buitengebied Giessenlanden”\n\nArtikel 15.1 Bestemmingsomschrijving\n\nDe voor 'Recreatie - Verblijfsrecreatie' aangewezen gronden zijn bestemd voor:\n\n(…)\n\nc. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - minicamping': een minicamping met ten hoogste 15 standplaatsen;\n\nd. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, water en toegangswegen;\n\n(…).\n\nArtikel 15.2.1 Gebouwen\n\nVoor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:\n\n(…)\n\nd. op gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - minicamping' gelden de volgende regels:\n\n1. binnen het bouwvlak mogen gebouwen ten behoeve van de minicamping gebouwd worden, waaronder wordt verstaan de ontvangstruimte en sanitaire voorzieningen met een gezamenlijk oppervlak van ten hoogste 25 m2 en een bouwhoogte van maximaal 3 m;\n\n2. buiten het bouwvlak mogen alleen kampeermiddelen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden geplaatst.\n\nArtikel 15.3 Specifieke gebruiksregels\n\nTen behoeve van het gebruik van de gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - minicamping' gelden de volgende regels:\n\na. kampeermiddelen mogen uitsluitend worden geplaatst in de periode van 15 maart tot en met 31 oktober;\n\nb. het plaatsen van stacaravans is niet toegestaan.\n\n ABRvS 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706.\n\n ABRvS 16 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1693.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:5132","2026-05-04T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:05.946Z",16,20,[11,191,192,193,194],2025,2024,2023,2022]