[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-planning-enforcement-nl-2024":3},{"detail":4,"years":64},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":17,"page":14,"limit":63},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},105,"planning-enforcement-nl","Planning Enforcement","NL","2026-07-08T16:56:40.793Z",2024,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":15},4,{"month":23,"count":15},5,{"month":25,"count":15},6,{"month":27,"count":15},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":14},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":14},12,[39,53],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"536","ECLI:NL:RBNHO:2024:13002","ecli-nl-rbnho-2024-13002","",73,"2024-12-17T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nZittingsplaats Alkmaar\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: HAA 23\u002F6073\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 december 2024 in de zaak tussen\n\n [eiseres], uit [woonplaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. J.F.R. Eisenberger),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Opmeer, verweerder.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de niet-ontvankelijkverklaring van haar bezwaren gericht tegen het opleggen van een last onder dwangsom bij besluit van 13 januari 2022 en tegen de invorderingsbeschikking van 22 november 2022. De rechtbank moet zich bij de toetsing van het bestreden besluit beperken tot de vraag of verweerder de bezwaren van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard op de grond dat zij haar bezwaren te laat heeft ingediend. Aan een beoordeling van de inhoud van de zaak komt de rechtbank daarom niet toe.\n\n1.1. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.2. De rechtbank heeft het beroep op 24 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, bijgestaan door [adviseur] (adviseur), de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.\n\nTotstandkoming van de besluiten\n\n2.1. Eiseres is sinds 30 november 1996 eigenaar van het perceel met opstal (een recreatieverblijf) aan [adres] ( [nummer] ) te [plaats] . Het perceel is gelegen in een recreatiegebied waar slechts recreatieve bewoning is toegestaan. Eiseres staat sinds 13 juni 2018 op dit adres ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP). Eiseres verblijft permanent in de woning op het perceel.\n\n2.2. Verweerder heeft naar aanleiding van controles door toezichthouders vastgesteld dat eiseres de woning gebruikt voor niet-recreatieve bewoning. Verweerder heeft bij brief van 4 oktober 2021 eiseres een vooraankondiging tot het opleggen van een last onder dwangsom gestuurd, omdat het gebruiken van een recreatieverblijf ten behoeve van permanente bewoning op grond van de geldende beheersverordening ter plaatse niet is toegestaan. Tegen de vooraankondiging is geen zienswijze ingediend door eiseres.\n\n2.3. Bij brief van 13 januari 2022 heeft verweerder aan eiseres een last onder dwangsom opgelegd waarin zij is gelast binnen zes maanden na dagtekening het gebruik van haar recreatieverblijf ten behoeve van niet-recreatieve bewoning te beëindigen en beëindigd te houden. Verweerder heeft geconstateerd dat eiseres na afloop van de begunstigingstermijn nog steeds stond ingeschreven op het adres.\n\n2.4. Bij brief van 31 oktober 2022 heeft verweerder een vooraankondiging tot het invorderen van de dwangsom kenbaar gemaakt omdat deze van rechtswege is verbeurd.\n\n2.5. Bij brief van 22 november 2022 heeft verweerder meegedeeld de verbeurde dwangsom van € 25.000,- in te vorderen. Bij brief van 15 december 2022 heeft verweerder eiseres aangemaand tot betaling met het verzoek om binnen twee weken het verschuldigde bedrag te betalen.\n\n2.6. Bij brief van 6 april 2023 heeft verweerder een dwangbevel uitgevaardigd tot voldoening van het bedrag van de dwangsom. Het dwangbevel is op 19 april 2023 door de deurwaarder aan het adres van eiseres betekend.\n\n2.7. Bij afzonderlijke bezwaarschriften van 2 mei 2023, door verweerder ontvangen op 3 mei 2023, heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen de last onder dwangsom en de invorderingsbeschikking. Eiseres heeft daarbij eveneens verzocht om uitstel van betaling. Met het besluit van 25 mei 2023 heeft verweerder het verzoek om uitstel van betaling afgewezen. Bij besluit van 17 augustus 2023 heeft verweerder de bezwaarschriften van eiseres beide niet-ontvankelijk verklaard omdat de bezwaren te laat zijn ingediend.\n\nStandpunt eiseres\n\n3.1.. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de besluiten niet in werking zijn getreden. Eiseres voert daartoe aan dat de besluiten niet op de juiste wijze zijn uitgereikt en toegezonden als bedoeld in artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiseres betwist dat de besluiten haar bij aangetekend poststuk zijn aangeboden en zij stelt allereerst dat de besluiten niet aangetekend zijn verzonden en voor zover dat wel zo is, dat zij daar nooit een afhaalbericht voor heeft ontvangen en dat de besluiten niet naar een afhaalpunt zijn gebracht. Eiseres heeft als gevolg daarvan de bestreden besluiten voor het eerst vernomen per deurwaardersexploot eind april 2023. Eisers stelt dat gelet hierop sprake is van een verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn. De bezwaarschriften van 2 mei 2023 zijn, aldus eiseres, daarom tijdig ingediend.\n\n3.2.. Ter onderbouwing wijst eiseres op de grote kwaliteitsproblemen rondom de postbezorging van PostNL in het algemeen. Verder stelt eiseres dat de postbezorging op het recreatiepark chaotisch is. Daarvoor heeft zij vier verklaringen van andere parkbewoners overgelegd waarin dat volgens haar wordt bevestigd, waaronder een verklaring van een bewoner die een keer heeft gezien dat een busje van de bezorgdienst langs het park reed zonder te stoppen en zij geen afhaalbericht had ontvangen, terwijl het verwachte pakket bij een afhaalpunt bleek te zijn gebracht. Eiseres heeft de mogelijkheid genoemd dat de postbezorger het betreffende adres of de brievenbus van eiseres niet heeft kunnen vinden, en de zending rechtsreeks naar een afhaalpunt heeft gebracht. Eiseres merkt op dat zij alleen het dwangbevel van 6 april 2023 heeft ontvangen omdat deze door het kattenluikje is geduwd. Eiseres voert verder aan dat het op de weg van verweerder had gelegen om – wetende dat eiseres de zending niet had ontvangen – een poging te doen om de zending opnieuw aan eiseres in het bezit te stellen. Zo had verweerder de brief per gewone post kunnen zenden. Verweerder heeft ervoor gekozen om voor uitreiking van het dwangbevel de deurwaarder langs te sturen. Verweerder had ook ambtenaren of handhavers kunnen langs sturen om de besluiten uit te reiken.\n\n3.3.. Tot slot voert eiseres aan dat in het geval dat wordt aangenomen dat het invorderingsbesluit van 22 november 2022 wel rechtsgeldig is verzonden, maar het eerdere besluit van 13 januari 2022 niet, sprake is van zogenaamde ketenbesluitvorming. Volgens eiseres kan in het geval het eerdere besluit geen rechtskracht heeft het vervolgbesluit dat ook niet hebben. In dat geval zou het in redelijkheid niet zo kunnen zijn dat verweerder toch tot invordering van de dwangsom overgaat.\n\nStandpunt verweerder\n\n4.1.. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de besluiten op de juiste wijze bekend zijn gemaakt. De beide besluiten zijn per aangetekende post verstuurd. Verweerder stelt dat uit de track & trace-gegevens blijkt dat de stukken vergeefs zijn aangeboden en vervolgens twee weken konden worden afgehaald, wat niet is gebeurd. De bezwaartermijn is volgens verweerder daarom zes weken na de verzenddatum aangevangen, beide bezwaarschriften zijn ruim na de bezwaartermijn ingediend en van een verschoonbare overschrijding is volgens verweerder geen sprake. De problemen die eiseres aanvoert over de postbezorging komen voor eigen rekening en risico van eiseres. Verweerder ziet in de door eiseres opgegeven redenen dus geen grond om haar te laat ingediende bezwaarschrift alsnog inhoudelijk te behandelen en handhaaft de conclusie dat de bezwaarschriften kennelijk niet-ontvankelijk zijn.\n\n4.2.. Verweerder stelt onderzoek te hebben gedaan naar de verzending van de besluiten en heeft daarvan stukken overgelegd. Van de aangetekende verzending van het dwangsombesluit van 13 januari 2022 is de bewaarstrook met daarop de track&trace-code overgelegd. Deze komt overeen met de track&trace-code op de envelop die verweerder retour heeft ontvangen. In de overgelegde postregistratie is vermeld dat het invorderingsbesluit van 22 november 2022 is geregistreerd, verzonden en retour is ontvangen nadat de zending niet is afgehaald. Ten overvloede merkt verweerder op dat een medewerker van PostNL heeft bevestigd dat eiseres een fysieke kennisgeving\u002F afhaalbericht heeft ontvangen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n5. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt aan de hand van wat door partijen is aangevoerd.\n\n6. Als uitgangspunt bij de beoordeling geldt dat de dag van de terpostbezorging van een besluit bepalend is voor de aanvang van de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift. Voor de vaststelling dat de beroepstermijn is aangevangen, moet zowel de verzending als de aanbieding van de zending vast komen te staan, dan wel voldoende aannemelijk zijn gemaakt. De verzender dient aannemelijk te maken dat een besluit is verzonden. Bij aangetekende verzending vangt de termijn aan op de dag na afstempeling door de postdienst. Indien de belanghebbende de ontvangst ervan ontkent, zal onderzocht moeten worden of het stuk door de postdienst op regelmatige wijze aan het adres van de betrokkene is aangeboden.Wanneer de postdienst bij aanbieding van het stuk niemand thuis aantreft en daarom een afhaalbericht achterlaat, komt het niet ophalen van dat stuk bij het afhaalpunt voor rekening en risico van de belanghebbende. Stelt de belanghebbende geen afhaalbericht te hebben ontvangen, dan ligt het op zijn weg aannemelijk te maken op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat een afhaalbericht is achtergelaten.\n\n7.1.. \n\nAllereerst betwist eiseres dat de besluiten aangetekend zijn verzonden.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de aangetekende verzending van de beide besluiten voldoende aannemelijk is. De rechtbank volgt eiseres niet in het betoog dat onduidelijk is gebleven wat verweerder verzonden heeft. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.\n\n7.2.. \n\nMet betrekking tot het dwangsombesluit van 13 januari 2022 stelt verweerder dat de gesloten envelop met daarin het besluit retour is ontvangen en dat die bij binnenkomst tezamen zijn gescand. Anders dan eiseres betoogt, ziet de rechtbank geen aanleiding om te betwijfelen dat het dwangsombesluit is verzonden in de envelop die retour is ontvangen.\n\nDe datum van de poststempel op de envelop komt overeen met de datum op de brief. Dat de postcode die is vermeld op de retoursticker niet overeenkomt met de postcode van verweerder op de envelop zelf, geeft geen aanleiding om te betwijfelen dat de brief in de betreffende envelop is verzonden. Die postcode is blijkens de verklaring van verweerder van Werksaam West-Friesland, de partij die namens verweerder retour verzonden poststukken scande. Dat op de brief geen track&trace-code is vermeld, en dat uitsluitend een sticker met die code op de vensterenvelop is geplakt, is evenmin voldoende aanleiding tot twijfel. Anders dan eiseres betoogt, volgt uit de jurisprudentie niet dat de track&trace-code op de brief zelf moet zijn vermeld. Verder blijkt uit het postregistratiesysteem van verweerder dat het dwangsombesluit is geregistreerd en op 13 januari 2022 is verzonden. Uit de overgelegde bewaarstrook blijkt dat de code van de geregistreerde zending op 13 januari 2022 gericht aan eiseres overeenkomt met de code op de retour ontvangen envelop.Dat verweerder geen verzendgegevens van PostNL heeft kunnen overleggen, omdat bij gebreke van een digitaal zakelijk account in de betreffende periode die gegevens niet bewaard zijn, leidt niet tot een andere conclusie. Vast staat immers dat verweerder de envelop retour heeft ontvangen met daarop een sticker van PostNL dat de aangetekende zending niet is afgehaald.\n\n7.3.. Met betrekking tot het invorderingsbesluit van 22 november 2022 stelt verweerder eveneens dat de gesloten envelop met daarin het besluit retour is ontvangen en dat die bij binnenkomst tezamen zijn gescand. Anders dan eiseres betoogt, ziet de rechtbank geen aanleiding om te betwijfelen dat het invorderingsbesluit is verzonden in de envelop die retour is ontvangen. Dat er in de track&trace-gegevens ‘afzender onbekend’ staat vermeld, doet daar niet aan af nu op de retourenvelop het adres van verweerder vermeld is. Dat op de brief geen track&trace-code is vermeld, en dat uitsluitend een sticker met die code op de vensterenvelop is geplakt, is eveneens onvoldoende voor twijfel. Anders dan eiseres betoogt volgt uit de jurisprudentie niet dat de track&trace-code op de brief zelf moet zijn vermeld. Uit het postregistratiesysteem van verweerder volgt dat het invorderingsbesluit is geregistreerd en verzonden op 22 november 2022. Van de betreffende track&tracecode heeft verweerder een uitdraai van PostNL van “de reis van je pakket” overgelegd waarop is vermeld dat de bezorging niet lukte en dat de zending naar een PostNL-punt is gebracht, daar niet is afgehaald en daarna retour afzender is bezorgd op 14 december 2022. Vast staat dat verweerder de envelop retour heeft ontvangen met daarop een sticker van PostNL dat de aangetekende zending niet is afgehaald.\n\n7.4.. Gelet op het hiervoor vermelde bestaat geen aanleiding om aan de aangetekende verzending te twijfelen. De rechtbank gaat ervan uit dat de beide besluiten per aangetekende post naar het adres van eiseres zijn verzonden.\n\n8.1.. Voor zover de besluiten aangetekend zijn verzonden, betwist eiseres dat de aangetekend verzonden besluiten zijn aangeboden en voert in dat verband aan dat zij de afhaalberichten van PostNL nooit heeft ontvangen.\n\n8.2.. Van de verzending van het dwangsombesluit van 13 januari 2022 zijn geen track&trace-gegevens meer beschikbaar. In de door verweerder overgelegde track&trace-gegevens van de zending van het invorderingsbesluit van 22 november 2022 is vermeld dat op 23 november 2022 bezorging niet is gelukt en de zending naar een PostNL-punt gaat. De rechtbank is van oordeel dat door eiseres geen feiten en omstandigheden zijn aangevoerd op grond waarvan de aanbieding van de aangetekende post door achterlating van een afhaalbericht redelijkerwijs kan worden betwijfeld. De verwijzing naar de algemene stelling dat er veel mis is bij de postbezorging door PostNL is daarvoor onvoldoende. Dat de postbezorging op het recreatiepark chaotisch verloopt, leidt niet tot het oordeel dat kan worden betwijfeld dat een afhaalbericht is achtergelaten. Een chaotische postbezorging laat bovendien onverlet dat het op de weg van eiseres ligt om ervoor te zorgen dat zij post kan ontvangen. Dat geldt te meer nu zij permanent woonachtig is op een recreatiepark. Uit de overgelegde verklaringen van andere parkbewoners valt af te leiden dat de parkbewoners, net als eiseres, op de hoogte zijn van problemen met de postbezorging, en om die reden hebben gekozen voor alternatieve adressen waarop zij hun (pakket-)post laten bezorgen. Daarbij komt ook dat eiseres in ieder geval vanaf oktober 2021 door bezoek van toezichthouders van de gemeente op de hoogte was van de handhaving door verweerder tegen permanente bewoning op het park, zodat de stelling van eiseres dat zij geen rekening had hoeven houden met berichtgeving daarover niet opgaat. Gelet op wat hiervoor is overwogen heeft eiseres geen feiten aannemelijk gemaakt op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat de afhaalberichten zijn achtergelaten op het adres van eiseres. Het betoog van eiseres dat zij korte tijd na het ontvangen van de besluiten via een deurwaardersexploot alsnog bezwaar heeft gemaakt tegen beide besluiten en contact heeft gezocht met verweerder, waaruit volgens haar blijkt dat zij de besluiten van gewicht vond en ze dus ook zou hebben afgehaald als er een afhaalbericht was achtergelaten, maakt het oordeel niet anders.\n\n9. Zowel de verzending als de aanbieding van beide besluiten zijn voldoende aannemelijk gemaakt. Anders dan eiseres betoogt, heeft verweerder geen inlichtingenplicht om de geadresseerde over retourontvangst van het per aangetekende post verzonden besluit op de hoogte te stellen, evenmin bestaat een plicht om eiseres in geval van retourontvangst op andere wijze van de besluitvorming op de hoogte te stellen. Het blijft voor rekening en risico van eiseres dat zij de aangetekende zendingen niet heeft opgehaald en de besluiten niet tijdig na bekendmaking heeft ontvangen.\n\n10. Gelet op het hiervoor vermelde is de rechtbank van oordeel dat de beide besluiten op de voorgeschreven wijze bekend zijn gemaakt. Dat betekent dat de termijnen voor beide besluiten zijn aangevangen op respectievelijk 14 januari 2022 en 23 november 2022. Nu de bezwaren van eiseres dateren van 2 mei 2023, is sprake van een overschrijding van de termijn voor het indienen van de bezwaarschriften.\n\n11. In wat eiseres heeft aangevoerd is gelet op het hiervoor overwogene ook geen grond gelegen voor het oordeel dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb.\n\nConclusie en gevolgen\n\n11. Al het hiervoor vermelde betekent dat verweerder de bezwaren terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.R. ten Berge, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Wammes, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 december 2024.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Vergelijk de uitspraken van 7 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8499 en 25 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4046.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2024:13002","2024-12-16T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:35.593Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":51,"updatedAt":62},"1446","ECLI:NL:RBMNE:2024:6031","ecli-nl-rbmne-2024-6031",63,"2024-10-15T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: UTR 24\u002F5868 en UTR 24\u002F5785\n\nuitspraak van de voorzieningenrechter van 15 oktober 2024 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen\n [verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster\n\n(gemachtigde: mr. M.C.H. van de Ven),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. drs. H. Maaijen).\n\nInleiding\n\nMet het besluit van 6 juli 2023 heeft het college aan eiseres een omgevingsvergunning verleend voor het wijzigen van de constructie van de woning op het perceel [straat 1] [nummeraanduiding 1] te [plaats] . Met deze omgevingsvergunning is het eiseres toegestaan om de woning te verbouwen overeenkomstig de ingediende tekeningen. Aan de omgevingsvergunning is het voorschrift verbonden dat de op de tekening aangeduide ruimten [.] , [..] , [...] en [....] één slaapkamer vormen en daarmee een verblijfsruimte zijn. Het huidige pand blijft daarmee in gebruik als een eengezinswoning. Het bestemmingsplan Soesterkwartier is op het perceel van toepassing. Op het perceel rust de bestemming ‘Wonen-1’.\n\nOp 16 september 2023 heeft de inspecteur van het college een onaangekondigde controle uitgevoerd.\n\nOp 13 oktober 2023 heeft het college aan eiseres het verzoek gestuurd om een integrale controle uit te voeren op het perceel.\n\nOp 18 december 2023 heeft het college het voornemen gedaan om een last onder dwangsom op te leggen aan eiseres, omdat het pand op het perceel [straat 1] [nummeraanduiding 1] in [plaats] in strijd met het bestemmingsplan kamergewijs wordt bewoond. Op 28 december 2023 heeft eiseres hiertegen zienswijzen ingediend.\n\nMet het besluit van 1 februari 2024 (het primaire besluit) heeft het college aan eiseres een last onder dwangsom opgelegd in verband met het gebruik van de woning [straat 1] [nummeraanduiding 1] in [plaats] in strijd met het bestemmingsplan.\n\nDe last onder dwangsom van 1 februari 2024 houdt in dat eiseres de overtreding van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet dient te beëindigen en beëindigd te houden. Zij kan dit doen door:\n\nde kamerbewoning te (laten) beëindigen en beëindigd te houden en het pand alleen nog te (laten) gebruiken ten behoeve van één huishouden, en\n\nhet pand qua indeling terug te brengen tot een zelfstandige woning; dat wil zeggen het verwijderen van extra woonvoorzieningen (keuken).\n\nDe last onder dwangsom is vastgesteld op € 10.000,- ineens, te vermeerderen met een\n\ndwangsom van € 5.000,- per maand dat de overtreding voortduurt met een maximum van\n\n€ 30.000,-.\n\nIn het bestreden besluit van 7 augustus 2024 heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Het college heeft de motivering van het primaire besluit in zoverre gewijzigd dat er geen sprake is van kamerverhuur, maar dat er vergunningplichtige werkzaamheden zijn uitgevoerd zonder omgevingsvergunning en dat het gebruik van het pand met meerdere zelfstandige woonruimten in strijd is met het bestemmingsplan. Verder heeft het college in het besluit op bezwaar toegelicht dat dit geen overtreding is van de Omgevingswet, maar (nog) van de Wabo.\n\nDe gewijzigde\u002Fhuidige last onder dwangsom houdt in dat eiseres de overtredingen van artikel 2.1, eerste lid, aanhef onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) dient te beëindigen en beëindigd te houden. Zij kan dit doen door:\n\nhet gebruik van de woning [straat 1] [nummeraanduiding 1] met meerdere zelfstandige woonruimten te beëindigen en beëindigd te houden en het pand alleen te (laten) gebruiken door één huishouden;\n\nde zonder vergunning uitgevoerde vergunningplichtige wijziging van de woning ongedaan te maken zodat er bouwkundig sprake is van één zelfstandige woning. Hiervoor dient er op de begane grond niet meer dan één keukenvoorziening en één sanitaire voorziening aanwezig te zijn en dienen er geen keukens op de eerste en tweede verdieping aanwezig te zijn.\n\nDe last onder dwangsom is vastgesteld op € 10.000,- ineens, te vermeerderen met een\n\ndwangsom van € 5.000,- per maand dat de overtreding voortduurt met een maximum van\n\n€ 30.000,-.\n\nEiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Daarnaast heeft eiseres de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\nDe voorzieningenrechter heeft het verzoek op 1 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.\n\nDe voorzieningenrechter is tot de conclusie gekomen dat, gelet op de aard van de zaak, nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.\n\nGrondslag van het bestreden besluit\n\n1. Het college stelt zich op het standpunt dat er in ieder geval op de begane grond twee zelfstandig te gebruiken woonruimten zijn gerealiseerd, die elk beschikken over essentiële woonvoorzieningen. De eengezinswoning is volgens het college verbouwd tot meerdere zelfstandige woonruimten, waarbij elke zelfstandig te gebruiken woonruimte beschikt over een eigen keuken. Volgens het college zijn de werkzaamheden in afwijking van de op 6 juli 2023 verleende vergunning niet vergunningvrij, omdat het aantal woningen door de bouwactiviteiten met (in ieder geval) één is toegenomen. Daarnaast is het gebruik van het pand met meerdere zelfstandige woonruimten volgens het college in strijd met het bestemmingsplan. Het college blijft bij zijn standpunt dat de last op juiste gronden is opgelegd, omdat sprake is van een overtreding en er geen aanleiding bestaat om van handhavend optreden af te zien.\n\nBeoordelingskader\n\n2. Op 1 januari 2024 is de Wabo ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat vóór die datum een voornemen tot handhavend optreden is verzonden, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing. Dat volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.23 van de Invoeringswet Omgevingswet.\n\n3. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk en het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.\n\n4. Op grond van artikel 17.2.1, onder a, van het bestemmingplan zijn uitsluitend aaneengebouwde (zelfstandige) woningen toegestaan.\n\nWat vindt de voorzieningenrechter?\n\n5. De voorzieningenrechter oordeelt dat het beroep van eiseres ongegrond is. Daarom is er ook geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter legt dat hierna uit. Dit doet zij aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.\n\nDe gewijzigde last onder dwangsom\n\n6. Eiseres voert aan dat het college de wijziging van de last onder dwangsom van kamerverhuur naar zelfstandige woonruimten niet in de heroverwegingsfase mocht doorvoeren. Het college had een nieuw besluit moeten nemen, waartegen opnieuw zienswijzen kunnen worden ingediend en waarbij bezwaar open staat.\n\n7. De voorzieningenrechter is het niet met eiseres eens. Uit artikel 7:11 van de Awb volgt dat op grondslag van de bezwaren een heroverweging van het bestreden besluit plaatsvindt. Hieraan staat niet in de weg dat het college dezelfde gedraging anders kwalificeert.\n\nArtikel 7:11 van de Awb staat verder niet in de weg aan handhaving van een primair handhavingsbesluit op (deels) een andere grondslag dan die waarop het in bezwaar bestreden primaire besluit steunt als de heroverweging berust op dezelfde feiten en omstandigheden en de last niet of niet te zeer wordt gewijzigd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de last onder dwangsom niet wezenlijk gewijzigd, omdat zowel de last onder dwangsom van 1 februari 2024 als de gewijzigde\u002Fhuidige last onder dwangsom gericht is op het terugbrengen van de situatie naar één zelfstandige woning. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nHeeft eiseres meerdere zelfstandige woonruimten gecreëerd?\n\n8. Eiseres voert aan dat uit het controlerapport van 16 september 2023 onvoldoende blijkt dat zij meerdere zelfstandige woonruimten heeft gecreëerd. Volgens eiseres is de last onder dwangsom niet gebaseerd op concrete en objectieve controleerbare gegevens. Eiseres voert daarnaast aan dat het college ruim 4,5 maanden na het controlerapport van 16 september 2023 een handhavingsbesluit heeft genomen, zonder tussentijds een deugdelijke controle te hebben uitgevoerd. Eiseres voert verder aan dat het college onterecht de bewijslast omkeert.\n\n9. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het college alleen bevoegd is om handhavend op te treden als sprake is van een overtreding. De bewijslast dat sprake is van een overtreding ligt bij het college. Aan de hand van de feitelijke situatie moet in dit geval worden vastgesteld of sprake is van de bouw van meerdere zelfstandige woonruimten. Omdat de last onder dwangsom een herstelsanctie is, moet het college aannemelijk maken dat sprake is van een overtreding. Van een zelfstandige woning is sprake indien de inrichting en de aanwezigheid van (woon)voorzieningen voor dat oordeel aanleiding geven. De door het college vastgestelde feiten en omstandigheden op basis waarvan wordt vastgesteld dat er sprake is van een overtreding moeten op een duidelijke en controleerbare wijze dienen te worden vastgelegd. Dat kan geschieden in een schriftelijke rapportage, maar in bepaalde gevallen ook met foto’s of ander bewijsmateriaal.\n\n10. Het college heeft het controlerapport van de toezichthouder van 16 september 2023 aan de last ten grondslag gelegd. Zoals op de zitting is besproken en door de gemachtigde van eiseres is bevestigd, is op de foto’s in het controlerapport te zien dat er twee aparte ruimten zijn gecreëerd op de begane grond. Daarnaast is op de foto’s te zien dat in één van deze ruimten een keuken werd geplaatst. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiseres bevestigd dat er op dat moment twee keukens aanwezig waren op de begane grond. Volgens haar is het echter onduidelijk of de tweede keuken ook geplaatst is (het zou ook kunnen dat de tweede keuken er slechts opgeslagen werd) en is dus onvoldoende aannemelijk dat er op de begane grond daadwerkelijk twee verschillende ruimtes met allebei een keuken zijn gecreëerd.\n\n11. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college voldoende aannemelijk gemaakt dat eiseres in het pand meerdere zelfstandige woonruimten heeft gecreëerd. Allereerst ligt het volgens de voorzieningenrechter niet voor de hand dat er twee keukens aanwezig zijn in een pand en dat de tweede keuken vervolgens niet geplaatst wordt. Daarnaast staat in het controlerapport dat de aannemer op het moment van de controle aan de toezichthouder heeft verklaard dat er op de begane grond twee keukens zouden worden geplaatst. Op basis hiervan kan met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat de tweede keuken bestemd is voor een tweede zelfstandige ruimte. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft eiseres met de inrichting op de begane grond en de aanwezigheid van de tweede keuken twee zelfstandige woonruimten heeft gecreëerd. De rechtbank ziet steun voor dit oordeel in de omstandigheid dat er drie andere personen, die leeftijdsgenoten zijn en verschillende achternamen hebben, op het adres zijn ingeschreven in de Basisregistratie personen (Brp). Dat het college het handhavingsbesluit ruim 4,5 maanden na het controlerapport van 16 september 2023 heeft genomen is niet relevant. Het gaat immers om een voortdurende overtreding. Eiseres heeft niet gesteld, en inmiddels staat ook vast, dat deze overtreding niet ongedaan was gemaakt voordat het handhavingsbesluit werd genomen.\n\nIs dit een overtreding?\n\n12. Het college stelt zich op het standpunt dat er sprake is van een overtreding en verwijst naar de uitspraak van de rechtbank van 30 januari 2023. In deze uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het college terecht de aanvraag van eiseres voor een omgevingsvergunning voor het realiseren van vier zelfstandige studentenwoningen in het pand heeft geweigerd, omdat de bouwplannen van eiseres in strijd zijn met de regels van het bestemmingsplan.\n\n13. Eiseres is van mening dat meerdere zelfstandige woonruimten op grond van het bestemmingsplan wel zijn toegestaan. Eiseres voert aan dat, omdat een definitie van de functie ‘wonen’ ontbreekt in het bestemmingsplan, volgens vaste rechtspraak het begrip ‘wonen’ uitgelegd dient te worden aan de hand van het algemene spraakgebruik. Als het bestemmingsplan bepaalde woonvormen niet beperkt, zijn deze gewoon toegestaan volgens eiseres. Eiseres voert verder aan dat zij in hoger beroep is gegaan bij de Afdeling tegen de uitspraak van de rechtbank van 30 januari 2023. De hoger beroepsprocedure loopt momenteel nog.\n\n14. De voorzieningenrechter ziet in wat eiseres aanvoert geen reden om anders te oordelen dan de rechtbank op 30 januari 2023 heeft gedaan. De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat woningen ter plaatse uitsluitend aaneen gebouwd mogen worden en gestapelde bouw in strijd is met de regels van het bestemmingsplan. De voorzieningenrechter volgt deze uitleg van het bestemmingsplan. Dit betekent dat de voorzieningenrechter oordeelt dat de bouwwerkzaamheden die hebben geleid tot het creëren van meerdere zelfstandige woonruimten, in strijd zijn met artikel 17.2.1, onder a, van het bestemmingsplan. Omdat er meerder woningen zijn gecreëerd, is er ook geen sprake is van vergunningvrij verrichte bouwwerkzaamheden.Eiseres heeft dus gehandeld in strijd met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo. Het college was daarom bevoegd om handhavend op te treden.\n\n15. De voorzieningenrechter stelt vast dat de toezichthouder geen waarnemingen heeft kunnen verrichten op de eerste verdieping, omdat hij geen toestemming had om de eerste verdieping te betreden. Dit betekent volgens de voorzieningenrechter echter niet dat de last onder dwangsom niet op het hele pand mag zien, nu in ieder geval is geconstateerd dat er sprake is van meer dan één zelfstandige woonruimte in het pand. De voorzieningenrechter overweegt verder dat de last onder dwangsom duidelijk geformuleerd is. Het is voldoende duidelijk wat eiseres moet doen om geen last te verbeuren, namelijk het terugbrengen van de situatie tot één zelfstandige woonruimte.\n\nIs er sprake van bijzondere omstandigheden om van handhaving af te zien?\n\n16. In handhavingszaken geldt een beginselplicht tot handhaven. Die plicht houdt in dat gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving, in geval van de overtreding van een wettelijk voorschrift, het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden in de regel van deze bevoegdheid gebruik móet maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van een bestuursorgaan worden gevergd dat niet te doen. Dit kan zich voordoen als concreet zicht op legalisatie bestaat. Ook kan handhavend optreden in een concrete situatie zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat van handhavend optreden in dat geval moet worden afgezien.\n\nConcreet zicht op legalisatie\n\n17. Het college heeft aangegeven dat er geen bereidheid bestaat om mee te werken aan legalisatie. Het college is niet bereid om voor het splitsen van het pand in vier zelfstandige woonruimten een omgevingsvergunning te verlenen, omdat er geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het college gaat terughoudend om met het verlenen van een vergunning voor het splitsen van een eengezinswoning omdat daar veel vraag naar is.\n\n18. De voorzieningenrechter overweegt dat het enkele feit dat het college niet bereid is gebruik te maken van zijn bevoegdheid om een omgevingsvergunning te verlenen, volgens vaste rechtspraakvan de Afdeling volstaat voor het oordeel dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat.\n\nHet gelijkheidsbeginsel\n\n19. Eiseres voert aan dat er sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. Eiseres heeft het college erop gewezen dat in dezelfde wijk met hetzelfde bestemmingsplan vele locaties bekend zijn waar andere vormen van wonen dan een eengezinswoning plaatsvinden en waar niet wordt gehandhaafd. Verzoekster verwijst naar de [straat 2] [nummeraanduiding 2\u002Fletter] , de [straat 1] [nummeraanduiding 3] , [nummeraanduiding 4] , [nummeraanduiding 5] , [nummeraanduiding 6] en [nummeraanduiding 7] , de [straat 3] [nummeraanduiding 8] , [nummeraanduiding 9] , [nummeraanduiding 10] , [nummeraanduiding 11] , [nummeraanduiding 12] en de [straat 4] [nummeraanduiding 13] en [nummeraanduiding 14] .\n\n20. In het bestreden besluit en in het verweerschrift heeft het college toegelicht dat er ten aanzien van de [straat 1] [nummeraanduiding 3] nog zal worden beoordeeld of er in die situatie (ook) sprake is van een overtreding en of daartegen handhavend moet worden opgetreden. Verder staat in het verweerschrift dat de situaties op de [straat 4] [nummeraanduiding 13] en [nummeraanduiding 14] niet vergelijkbaar zijn met de situatie van eiseres, omdat er een andere bestemming geldt en voor die adressen een omgevingsvergunning is verleend voor kamerverhuur. Eiseres heeft dit niet betwist. Ter zitting heeft het college verklaard dat ten aanzien van de andere adressen aan de [straat 2] , [straat 1] en de [straat 3] nog zal worden onderzocht en beoordeeld of er in die situaties (ook) sprake is van een overtreding en of daartegen handhavend moet worden opgetreden.\n\n21. De voorzieningenrechter overweegt dat voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel vereist is dat een gelijk geval als dat van eiseres anders (gunstiger) is behandeld door het college. Tussen partijen is niet in geschil dat voor de [straat 4] [nummeraanduiding 13] en [nummeraanduiding 14] een andere bestemming geldt en een omgevingsvergunning is verleend voor kamerverhuur. Deze gevallen zijn dus niet gelijk aan het geval van eiseres. Ten aanzien van de overige door eiseres genoemde adressen heeft het college verklaard dat deze onderzocht zullen worden en als daaruit blijkt dat er ook sprake is van een overtreding, daartegen ook handhavend zal worden opgetreden. Indien na onderzoek blijkt dat deze gevallen wel gelijk zijn aan het geval van eiseres, zullen die gevallen naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook niet anders worden behandeld dan de situatie van eiseres. Er is dus geen sprake van een schending van het gelijkheidsbeginsel. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nIs handhavend optreden onevenredig?\n\n22.Het college heeft bij de besluitvorming een afweging gemaakt tussen het algemeen belang dat met handhaving is gediend en de belangen van eiseres. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het niet onredelijk dat het college in dit geval het belang van handhaving van het bestemmingsplan zwaarder heeft laten wegen dan het belang van eiseres om in het pand meerdere zelfstandige woonruimten te creëren. Eiseres heeft verder ook niet toegelicht waarom haar belang bij het creëren van meerdere zelfstandige woningen zwaarder zou moeten wegen. Zij heeft aangevoerd dat zij onevenredig vaak gecontroleerd wordt, maar voor zover dat al zo zou zijn – de rechtbank laat dat in het midden – is dat geen omstandigheid die maakt dat het handhavend optreden door het college onevenredig is.\n\nIs het bestreden besluit in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur?\n\nHet verbod op willekeur\u002Fdétournement de pouvoir\n\n23. Eiseres voert aan dat het college op grond van artikel 2, eerste lid, van de Algemene wet op het binnentreden (Awob) een schriftelijke machtiging van de burgemeester kon aanvragen voor het binnentreden zonder toestemming van de bewoner. Het college heeft dit niet gedaan en heeft een last onder dwangsom opgelegd voor het niet kunnen maken van een afspraak om binnen te treden. Het college mag echter zijn bevoegdheid tot het nemen van een besluit niet voor een ander doel gebruiken dan waarvoor die bevoegdheid is verleend. Hierdoor is sprake van schending van het verbod van détournement de pouvoir.\n\n24. De voorzieningenrechter is het niet met eiseres eens. De last ziet niet op het niet kunnen binnentreden door de toezichthouders, maar op het ongedaan maken van de geconstateerde overtredingen. Daarbij betreft d in artikel 2 van de Awob opgenomen mogelijkheid om een schriftelijke machtiging tot binnentreden op te vragen bij de burgemeester een bevoegdheid, geen verplichting. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nKlachten\n\n25. Eiseres voert tot slot aan dat zij het college meerdere keren heeft verzocht om aan te geven in hoeverre de overlastmeldingen zijn onderzocht, maar zij heeft hier geen reactie op gekregen. Het is eiseres onduidelijk wanneer, van wie en hoeveel klachten door het college zijn ontvangen. Het college had zorgvuldiger onderzoek moeten doen en kan niet zondermeer gaan handhaven op basis van meldingen van een buurtbewoner.\n\n26. De voorzieningenrechter overweegt dat de vragen van wie, wanneer en hoeveel klachten het college heeft ontvangen, niet relevant zijn voor de vraag of het college de last onder dwangsom mocht opleggen. Het college is immers ook bevoegd om ambtshalve een last onder dwangsom op te leggen. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie\n\n27. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.\n\n28. Omdat de voorzieningenrechter direct uitspraak doet in de beroepsprocedure, is er geen aanleiding om nog een voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af.Begunstigingstermijn\n\n29. Het college heeft ter zitting verklaard dat in het geval dat de rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening afwijst en het beroep inhoudelijk ongegrond verklaard, hij zelf de begunstigingstermijn verlengt tot vier weken na de uitspraak van de voorzieningenrechter.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nwijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Belhadi griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2024.\n\ngriffier voorzieningenrechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.\n\n Op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). (https:\u002F\u002Fwetten.overheid.nl\u002FBWBR0005537\u002F2024-09-01\u002F0)\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2614.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1855.\n\n ECLI:NL:RBMNE:2023:592.\n\n Artikel 3, aanhef, onderdeel 8 en onder a, jo. artikel 5, eerste lid, van bijlage 2 bij het Besluit omgevingsrecht (Bor).\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2466.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:475.\n\n Artikel 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2024:6031","2024-10-28T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:21.564Z",20,[65,66,11,67,68],2026,2025,2023,2022]