[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-planning-permit-nl-2026":3},{"detail":4,"years":156},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":37,"page":14,"limit":155},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},104,"planning-permit-nl","Planning Permit","NL","2026-07-08T16:56:40.776Z",2026,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":14},3,{"month":21,"count":17},4,{"month":23,"count":17},5,{"month":25,"count":23},6,{"month":27,"count":17},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":15},12,[39,52,62,71,81,90,99,108,118,127,137,145],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":50,"updatedAt":51},"1606","ECLI:NL:RBOBR:2026:4762","ecli-nl-rbobr-2026-4762","",72,"2026-07-06T00:00:00.000Z","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SHE 26\u002F1562 OWNATU\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 juli 2026 in de zaak tussen\n [verzoekers]\n\n ,\n\nuit [woonplaats] ,\n\nverzoekers\n\nen\n\nGedeputeerde Staten van de provincie Noord- Brabant, het college\n\n(gemachtigde: S.J.S. van Gils en L.A.M. Kroon)\n\nAls derde-partij heeft deelgenomen: Stichting [naam] , vergunninghouder\n\n(gemachtigde: mr. H.C. Lagouw)\n\nSamenvatting\n\n1.1.. De derde-partij is voornemens wijkgebouw [adres] en verpleeghuis [naam] aan de [adres] in [woonplaats] te slopen om daar nieuwbouw te realiseren. In dat kader heeft de derde-partij een omgevingsvergunning aangevraagd voor het verrichten van flora- en fauna-activiteiten als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de Omgevingswet om de gewone dwergvleermuis opzettelijk te verstoren en om voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de gewone dwergvleemuis (opzettelijk) te beschadigen of te vernielen, voor de periodes van 15 april tot en met 15 mei en 15 juli tot en met 15 augustus. Dit geldt vanaf de dag na de bekendingmaking van het besluit tot en met 15 mei 2031.\n\n1.2.. Met het besluit van 12 mei 2026 heeft het college deze omgevingsvergunning met voorschriften aan de derde-partij verleend. Het college is – kort samengevat – van oordeel dat voor het doel van het project geen andere bevredigende oplossing is waarbij minder negatieve effecten op de beschermde soorten optreden en dat er een wettelijk belang is om de negatieve effecten te rechtvaardigen.\n\n1.3.. Verzoekers zijn het niet eens met de verleende omgevingsvergunning. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of de bezwaren van verzoekers tegen de omgevingsvergunning een redelijke kans van slagen hebben. Dat kan een reden zijn om de omgevingsvergunning te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekers.\n\n1.4.. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek tot schorsing van het bestreden besluit af. Er wordt wel een voorziening getroffen met betrekking tot de geplande werkzaamheden totdat de huidige verblijfplaatsen conform voorschrift 12 van de omgevingsvergunning ongeschikt zijn gemaakt. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2.1.. Vergunninghouder heeft op 23 juli 2025 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 12 mei 2026 toegewezen. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n2.2.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 29 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] en [naam] namens verzoekers. Verder waren aanwezig de gemachtigden van het college. Namens de derde-partij was aanwezig [naam] , bijgestaan door de gemachtigde. Ook waren aanwezig [naam] en [naam] , beide werkzaam als ecoloog..\n\nInleiding\n\n3.1.. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten.\n\n3.2.. Vergunninghouder wil nieuwbouw realiseren aan de [adres] (wijkgebouw) en [adres] (verpleeghuis) te [woonplaats] (de locatie). In de nieuwbouw komt een zorglocatie, 18 driekamerappartementen en gesloten parkeergarage. De herontwikkeling vindt plaats in twee fases. In de eerste fase wordt het bestaande verpleeghuis [naam] gesloopt en worden het nieuwe zorgcentrum gerealiseerd. In de tweede fase wordt het bestaande wijkgebouw [naam] gesloopt en wordt gestart met de bouw van de huurappartementen. Een uitgebreide projectomschrijving is opgenomen in het activiteitenplan, dat op 10 maart 2026 definitief is geworden.\n\n3.3.. Om te bepalen of met het project negatieve effecten optreden ten aanzien van de eventueel in het gebied voorkomende beschermde diersoorten heeft vergunninghouder ecologisch onderzoek laten uitvoeren en is gebleken dat de volgende verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis in de bebouwing aanwezig zijn:\n\n- 1 zomerverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis;\n\n- 1 kraamverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis;\n\n- 1 potentiële (massa)winterverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis.\n\nEen essentiële vliegroute voor vleermuizen is wel aanwezig, maar wordt niet aangetast zolang er geen additionele verlichting aanwezig zal zijn.\n\n3.4.. Om het bouwplan te realiseren, moet vergunninghouder de gewone dwergvleermuis verstoren en zijn voorplanting- en rustplaatsen vernielen. Dit is een overtreding van de bepalingen als bedoeld in artikel 11.46, eerste lid onder b en d van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).3.5.. Om deze reden heeft vergunninghouder op 23 juli 2025 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit.De ontheffing is gevraagd op grond van het belang “in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten” zoals genoemd in artikel 8.74k van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).\n\n3.6.. \n\nMet het besluit van 15 mei 2026 heeft het college de aangevraagde omgevingsvergunning verleend met voorschriften. De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling resulteert in het opheffen van vaste rust- en verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis, maar zal door het nemen van maatregelen geen wezenlijke invloed hebben op de instandhouding van het soort. Maatregelen bestaan onder anderen uit dat het ongeschikt maken van de huidige verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis moet plaatsvinden in de periode van 15 april tot en met 15 mei of 15 juli tot en met 15 augustus. Ongeschikt maken mag uitsluitend plaatsvinden nadat een voorafgaande controle\n\ndoor een deskundige ecoloog heeft vastgesteld dat de verblijfplaatsen niet (meer) in\n\ngebruik zijn. Verder bestaan de maatregelen uit het realiseren van tijdelijke en permanente mitigatie voor de gewone dwergvleermuis en het werken buiten kwetsbare periode van de gewone dwergvleermuis. Het college heeft hierbij niet bepaald dat het besluit vier weken later in werking treedt (en dus geen toepassing gegeven aan artikel 16.79, tweede lid van de Omgevingswet).\n\n3.7.. Verzoekers wonen op verschillende adressen aan [adres] en [adres] en hebben tegen de omgevingsvergunning bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n4.1.. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Het wettelijk kader dat relevant is voor de beoordeling van dit geschil is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.\n\n4.2.. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter moet de voorlopige voorziening tot schorsing van het bestreden besluit worden afgewezen. Er is wel aanleiding om een voorziening te treffen met betrekking tot de geplande stripwerkzaamheden voordat het ongeschikt maken van de vleermuisverblijfplaatsen is uitgevoerd conform voorschrift 12 van de omgevingsvergunning De voorzieningenrechter legt dit hierna uit.\n\nHebben verzoekers spoedeisend belang bij de beoordeling door de voorzieningenrechter?\n\n5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers spoedeisend belang hebben bij een beoordeling door de voorzieningenrechter, nu vergunninghouder op korte termijn gebruik wil maken van de omgevingsvergunning.\n\nZijn verzoekers belanghebbenden?\n\n6. Bij de beoordeling of een natuurlijke persoon belanghebbende is bij een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit is bepalend of de handelingen waarvoor de omgevingsvergunning is verleend ruimtelijke uitstraling hebben op de woon- en leefomgeving van de betrokkene. De ruimtelijke uitstraling van het project dat mede door de ontheffing mogelijk wordt gemaakt - in dit geval in dit geval de bouw van de zorglocatie en woningen - is bij die beoordeling niet van belang.\n\n6.1. In dit geval is de ontheffing verleend voor het opzettelijk verstoren en het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis.\n\n6.2. Uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over de Wet natuurbescherming-ontheffing kan worden afgeleid dat bij een afstand van meer dan 100 meter het niet aannemelijk is dat de ontheffing (nu de omgevingsvergunning) invloed zal hebben op de betreffende directe woon- en leefomgeving.Verzoekers wonen in dit geval echter op een afstand van minder dan 100 meter van de projectlocatie, waarbij de dichtstbijzijnde woningen zijn gelegen op een afstand van ongeveer 25 meter van de projectlocatie en ongeveer 45 meter van plaatsen waar vleermuizen verblijven. Gelet op de hiervoor genoemde afstanden acht de voorzieningenrechter het aannemelijk dat het gebruiken van de verleende omgevingsvergunning ruimtelijke uitstraling heeft op de woon- en leefomgeving van verzoekers.Dat geldt in ieder geval voor verzoekers 3 en 5 die schuin tegenover de locatie wonen. Dit betekent dat de voorzieningenrechter voor deze verzoekers zonder meer toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek en dat in het midden kan blijven of de overige verzoekers een rechtstreeks betrokken belang hebben.\n\nHet verzoek\n\n7. Het verzoek strekt tot schorsing van de verleende omgevingsvergunning ter voorkoming van onomkeerbare gevolgen voor de beschermde fauna (de gewone dwergvleermuis). Volgens verzoekers start vergunninghouder ten onrechte op 6 juli 2026 met de sloopwerkzaamheden. Verzoekers hebben verzocht een voorziening te treffen die van kracht blijft totdat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een uitspraak heeft gedaan in een lopende procedure over het bestemmingsplan.\n\nAanvang sloopwerkzaamheden op 6 juli 2026\n\n8. Vergunninghouder heeft aangegeven dat zij voornemens is om vanaf 6 juli 2026 te starten met werkzaamheden. Het zou gaan om stripwerkzaamheden die volgens haar geen invloed zouden hebben op de aanwezige beschermde soort (de gewone dwergvleermuizen) en daarom zijn toegestaan. Vanaf 15 juli 2026 (afhankelijk van weersomstandigheden maar niet eerder) gaat vergunninghouder beginnen met ongeschikt maken van de bebouwing voor de vleermuizen. Ook de stripwerkzaamheden zullen daarna naar alle waarschijnlijkheid nog plaatsvinden. Vanaf 17 augustus 2026 zal worden gestart met de sloopwerkzaamheden.\n\n8.1.. Uit de omgevingsvergunning blijkt dat het ongeschikt maken van de bebouwing voor vleermuizen voorafgaand aan de werkzaamheden moet plaatsvinden in de periode van 15 april tot 15 mei of van 15 juli tot 15 augustus. Dit om te zorgen dat de vleermuizen weg zijn voordat aan de sloop van de bebouwing wordt begonnen. De sloopwerkzaamheden mogen pas plaatsvinden als na een controleronde is vastgesteld dat er geen vleermuizen meer aanwezig zijn en pas na expliciete toestemming van de ecoloog. In de voorschriften is ook bepaald dat alle werkzaamheden moeten plaatsvinden volgens het activiteitenplan dat aan de omgevingsvergunning is gehecht. Hierin is het volgende bepaald: “Voordat de bebouwing kan worden gesloopt, dient voorkomen te worden dat op moment van de werkzaamheden nog vleermuizen aanwezig zijn in de bebouwing. De bebouwing dient dan ook ongeschikt gemaakt te worden, waarbij de vleermuizen de mogelijkheid krijgen om uit zichzelf te vertrekken voordat de sloop plaatsvindt.” In voorschrift 1 is bepaald dat met werkzaamheden en\u002Fof activiteiten alle handelingen worden bedoeld die invloed hebben op de beschermde soorten, zoals het ongeschikt maken van de verblijfplaatsen.\n\n8.2. Tijdens de zitting is gebleken dat het hoogst waarschijnlijk is dat er nog vleermuizen in de bebouwing aanwezig zijn in verband met de kraamperiode.\n\n8.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat ook de door vergunninghouder bedoelde stripwerkzaamheden werkzaamheden zijn die vallen binnen het bereik van de vergunning. Het zijn handelingen die invloed kunnen hebben op de vleermuizen. De voorzieningenrechter beschouwt stripwerkzaamheden als onderdeel van de sloopwerkzaamheden. Het verrichten van de stripwerkzaamheden voordat de vleermuisverblijfplaatsen ongeschikt zijn gemaakt, is dus een handeling in strijd met algemeen voorschrift 6 van de omgevingsvergunning. Het uitvoeren van de stripwerkzaamheden vanaf 6 juli 2026 vóór het ongeschikt maken van de stripwerkzaamheden is dus verboden op grond van artikel 5.5, eerste lid onder g, van de Omgevingswet. Het is ook een economisch delict als bedoeld in artikel 1a, eerste lid in combinatie met artikel 6, eerste lid onder 1 van de Wet op de economische delicten.\n\n8.4. Het college geeft terecht aan dat dit een kwestie is van handhaving, en heeft ter zitting ook aangegeven dat steekproefsgewijs controles worden uitgevoerd. Het college heeft niet aangegeven of de uitvoering van stripwerkzaamheden is toegestaan en lijkt dit te laten afhangen van de aard van de werkzaamheden tijdens de controles. Gelet op het voorgaande oordeel dat stripwerkzaamheden onderdeel zijn van de sloopwerkzaamheden ziet de voorzieningenrechter aanleiding bij wijze van voorlopige voorziening expliciet te verbieden dat stripwerkzaamheden worden verricht voordat het ongeschikt maken van de vleermuisverblijfplaatsen is uitgevoerd conform voorschrift 12 van de omgevingsvergunning.\n\n8.5. Volledigheidshalve wijst de voorzieningenrechter er op dat het uitvoeren van de werkzaamheden, in de wetenschap dat er hoogstwaarschijnlijk vleermuizen in de bebouwing aanwezig zijn in verband met de kraamperiode, mede gelet op de te treffen voorlopige voorziening, wordt beschouwd als een overtreding van de specifieke zorgplicht in 11.27 eerste lid onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving. Nu hoogstwaarschijnlijk vleermuizen aanwezig zijn en de bebouwing op korte termijn ongeschikt wordt gemaakt voor vleermuizen, kan van vergunninghouder redelijkerwijze worden verwacht dat zij voor die tijd geen werkzaamheden uitvoert teneinde verstoring van de vleermuizen te voorkomen. Mocht een vleermuis als gevolg van verstoring door deze werkzaamheden overlijden, is sprake van een overtreding van artikel 11.46 eerste lid onder a, van het Bal omdat vergunninghouder dan willens en wetens de niet te verwaarlozen kans aanvaardt dat een beschermd dier wordt gedood .Dan is sprake van zogenoemde voorwaardelijke opzet.Daaronder valt dan bijvoorbeeld ook werkzaamheden aan een gebouw, waarvan je kunt verwachten dat het direct of indirecte schadelijke effecten heeft op de aanwezige vleermuizen en\u002Fof hun verblijfplaats.\n\nHeeft het bezwaar een redelijke kans van slagen?\n\n9. Dan resteert de vraag of de bezwaren van verzoekers tegen de omgevingsvergunning een redelijke kans van slagen hebben. Dat kan een reden zijn om de omgevingsvergunning te schorsen.\n\nToetsingskader\n\n10. De verleende omgevingsvergunning moet worden beoordeeld op grond van artikel 8.74 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Op grond van dit artikel wordt een omgevingsvergunning uitsluitend verleend indien is voldaan aan elk van de daarin genoemde voorwaarden, die voor zover hier van belang luiden:\n\n- er bestaat geen andere bevredigende oplossing;\n\n- op grond van het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieuwezenlijke gunstige effecten;\n\n- de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort.\n\nDwingende redenen van groot openbaar belang\n\n11. Volgens verzoekers kan de omgevingsvergunning niet worden verleend op grond van \"dwingende redenen van groot openbaar belang\". Het maatschappelijke argument van ‘wijkintegratie’ en de realisatie van een gecombineerde multifunctionele accommodatie (MFA) wordt op oneigenlijke wijze als een deken over het ene project wordt gelegd. Zij wijzen erop dat de specifieke kwetsbare doelgroep in het verzorgingstehuis geenszins zelfstandig zal of kan participeren in het openbare wijkleven of de geplande MFA. Voor zover de nieuwbouw daarnaast voorziet in reguliere huisvesting (zoals in de woontoren), geldt dat voor die bewoners geen sprake is van een specifieke, dwingende zorgbehoefte die de aantasting van beschermde fauna rechtvaardigt.\n\n11.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de huidige gebouw niet voldoet aan de (psychiatrische) ondersteuningsbehoefte van haar huidige bewoners. Zij zijn daarom op een andere locatie ondergebracht, maar kunnen hier niet blijven. Door het realiseren van een multifunctionele accommodatie met onder andere een gezamenlijke buurthuiskamer, waar ook zowel bewoners van de wijk als bewoners van de zorglocatie kunnen komen, verbetert de wijkintegratie. Ten slotte wordt ook het belang van woningbouw vermeld ter onderbouwing van het wettelijk belang. Er wordt verwezen naar de woningopgave van de gemeente Oss. Het betreft hier sociale huurwoningen waar in de gemeente Oss grote vraag naar is. Dit project draagt ook weer bij om aan de woningopgave te voldoen.\n\n11.2. Vergunninghouder wijst erop dat het vaste rechtspraak is dat woningbouw onder omstandigheden kan worden aangemerkt als een maatschappelijke reden van sociale of economische aard, op basis waarvan sprake kan zijn van een groot openbaar belang op een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te verlenen. Uit de Woonagenda 2025-2207 volgt dat de gemeente Oss tot 2024 10.000 extra woningen wil bouwen. Op grond van de Regionale Woondeal zal Oss in de periode tot 2023 5217 sociale huurwoningen moeten bouwen. Het staat niet ter discussie dat er een dringende behoefte bestaat aan sociale huurwoningen.\n\n11.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college in de behoefte aan een zorglocatie en woningen, een dwingende reden van groot openbaar belang heeft mogen zien. Het college heeft voldoende onderbouwd dat er behoefte is aan een zorglocatie voor zware zorg in de regio omdat de huidige bewoners uit noodzaak elders zijn ondergebracht, maar daar niet kunnen blijven. Doordat de nieuwbouw vertraging heeft opgelopen neemt de wachtlijst en de urgentie toe. Ook is er lokale behoefte aan woningbouw. Het college heeft daarbij gewezen op de woningopgave in de regio Oss van 600 woningen per jaar. De 18 te realiseren appartementen kunnen daaraan bijdragen. De voorzieningenrechter kan deze toelichting volgen en ziet geen reden hieraan te twijfelen.\n\nAndere bevredigende oplossing\n\n12. Verzoekers voeren aan dat ten onrechte het alternatief dat door verzoekers op 20 juni 2025 is aangedragen, na een quickscan is afgewezen omdat het niet past binnen de intern gestelde financiële kaders. Nadere uitwerking leert dat een alternatief wel haalbaar is en de volledige sloop overbodig maakt en meer zorgwoningen oplevert.\n\n12.1.. Het college heeft gesteld dat verzoekers het door hen voorgedragen alternatief niet nader hebben onderbouwd. Het kan daardoor niet reageren op de vraag of dit een redelijk alternatief zou zijn voor de uitvoering van het project. De vraag of er alternatieven beschikbaar zijn kan door het college alleen worden betrokken wanneer het doel van het project ook bereikt zou kunnen worden op een manier die tot minder effecten zou leiden voor de aanwezige flora en fauna. Het doel van dit project is het realiseren van 18 driekamerappartementen, een gesloten parkeergarage en een zorglocatie. Uit nader onderzoek, niet enkel uit de QuickScan, is gebleken dat de doelen van het project niet kunnen worden gehaald met enkel renovatie. Met renovatie kunnen namelijk minder appartementen worden gerealiseerd, buitenruimten kunnen niet worden geïnstalleerd en de duurzaamheidseisen kunnen niet worden gehaald met renovatie. Ten slotte zou ook bij renovatie de spouwmuur verloren gaan, hetgeen leidt tot het verlies van verblijfplaatsen.\n\n12.2. Vergunninghouder wijst erop dat het door verzoekers voorgestelde alternatief qua uitgangspunten een geheel ander bouwplan betreft en dus geen alternatief bevat voor haar wensen, die van BrabantZorg en de gemeente. Uit hoofdstuk 3 van de presentatie van verzoekers \"Voorstel van een alternatief ontwerp\" blijken de verschillen. Het programma van verzoekers behelst 74 zorgappartementen, terwijl het programma van vergunninghouder 48 zorgappartementen, 18 woningen en een MFA. Nu het niet om hetzelfde bouwplan gaat, is het ook geen alternatief.\n\n12.3.. \n\nDe voorzieningenrechter is van oordeel dat het college in het bestreden besluit heeft mogen stellen dat er geen andere bevredigende oplossing is voor het project, die minder effect heeft op de gewone dwergvleermuis. Het college heeft toegelicht dat uit nader onderzoek is gebleken dat de doelen van het project niet kunnen worden gehaald met enkel renovatie. Met renovatie kunnen namelijk minder appartementen worden gerealiseerd, buitenruimten kunnen niet worden geïnstalleerd en de duurzaamheidseisen kunnen niet worden gehaald met renovatie. Daarbij acht de voorzieningenrechter het voldoende aannemelijk dat bij renovatie de spouwmuren ook verloren gaan en dat leidt tot het verlies van verblijfplaatsen.\n\nGunstige staat van instandhouding\n\n13. Verzoekers stellen dat de voorgestelde mitigerende maatregelen niet effectief zijn, omdat verzuimd zou zijn om de toekomstige fysieke gebruikssituatie te betrekken. De beoogde locaties voor de permanente voorzieningen zullen zich namelijk in de nabijheid zullen bevinden van installaties zoals warmtepompen- en luchtbehandelingskasten.\n\n13.1. Het college heeft gesteld dat verzoeker verwijst naar de permanente inbouwvoorzieningen die pas tijdens de nieuwbouw worden geplaatst. Het college merkt op dat deze grond daarom niet spoedeisend is, aangezien de permanente voorzieningen niet op korte termijn worden geplaatst. Ten overvloede overweegt het college dat de exacte locaties van de inbouwkasten voor de zomerverblijfplaats en de kraamverblijfplaats nog moeten worden afgestemd met de initiatiefnemer in verband met de nieuwbouw. Alleen voor de massawinterverblijfplaats is de exacte locatie al bekend. Met de opsomming van eigenschappen en maatregelen ten aanzien van de permanente voorzieningen opgenomen op pagina 11 van de verleende omgevingsvergunning wordt de effectiviteit van de voorzieningen gewaarborgd.\n\n13.2. Vergunninghouder heeft daaraan toegevoegd dat vleermuizen veel geluiden niet waarnemen. Als er al enig geluid waarneembaar (voor mensen) zou zijn op de locaties van de permanente nestkasten, dan betekent dat dus niet dat die geluiden ook voor vleermuizen waarneembaar zouden zijn, laat staat dat dat zou betekenen dat deze geluiden tot verstoring zou leiden. Het is vergunninghouder op dit moment niet duidelijk óf en zo ja hoeveel trillingen de installaties veroorzaken. Hij gaat dit onderzoeken en zal zo nodig de locaties van de permanente voorzieningen hierop afstemmen.\n\n13.3. De voorzieningenrechter overweegt dat met de beschrijving van de eigenschappen en maatregelen en de in de voorschriften vervatte verplichting tijdelijke en permanente voorzieningen te treffen, in het bestreden besluit voldoende is geborgd dat er voldoende alternatieve verblijfsmogelijkheden in de directe omgeving behouden blijven tijdens en na uitvoering van de werkzaamheden. Mede in combinatie met het ongeschikt maken van de verblijfplaatsen buiten de kwetsbare periode, heeft het college voldoende bewerkstelligt dat door deze maatregelen en verplichtingen de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt.\n\n13.4.. Bij de volledige heroverweging in bezwaar moet nog wel meer concreet worden geborgd waar precies de exacte locaties van de permanente inbouwvoorzieningen van de vier inbouwkasten voor de zomerverblijfplaats en twee inbouwkasten voor de kraamverblijfplaats geplaatst moeten worden. De enkele verplichting om de locatie af te stemmen met vergunninghouder in verband met de nieuwbouw is onvoldoende. De voorzieningenrechter beschouwt de permanente voorzieningen als een mitigerende maatregel en dat de locaties van deze inbouwkasten ten tijde van de besluitvorming bepaald hadden moeten zijn. De voordelige effecten van de maatregel moeten bij mitigerende maatregelen namelijk op voorhand vaststaan. Zolang er onduidelijkheid blijft bestaan waar deze inbouwkasten worden gerealiseerd, staat niet vast dat met deze mitigerende maatregelen voldoende is geborgd dat geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populatie van de gewone dwergvleermuis in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. De voorzieningenrechter ziet hierin geen reden om het besluit te schorsen omdat de nieuwbouw niet op korte termijn gerealiseerd zal zijn en het college dit nog in bezwaar kan herstellen.\n\nOnderzoeken niet uitgevoerd conform het protocol\n\n14. Verzoekers voeren aan dat de brondata uit het Activiteitenplan fundamentele protocolfouten aantonen. Verzoekers geven hierbij aan dat in de nacht van 18 op 19 augustus 2025 opeenvolgende onderzoeksronden binnen één etmaal zijn samengepropt in plaats van 10 dagen tussentijd. Verzoekers verwijzen naar de reactie van de eigen onafhankelijke deskundige van de initiatiefnemer (Twisk) waarin schriftelijk wordt bevestigd dat deze najaarsronden niet voldoen aan de richtlijn van het vleermuisprotocol.\n\n14.1. Het college stelt dat verzoekers verwijzen naar processtuk 10, de aanvullingen van 24 april 2026. Hierin is het volgende opgenomen: “De genoemde bezoeken op 7 en 19 augustus voldoen aan de richtlijnen van het Vleermuisprotocol ten aanzien van onderzoek naar massa-winterverblijven, maar werd in het plangebied geen zwermgedrag waargenomen. Bij de bezoeken op 18 augustus en 8 september werd vroeger gestart en werd rond middernacht (18augustus) af een uur ervoor (8 september) gestopt, waarmee deze ronden niet voldoen aan de richtlijn in het Vleermuisprotocol voor massa-winterverblijven. Uit een vergelijking met de hiervoor beschreven informatie over zwermgedrag bij bekende massa winterverblijven kan echter geconcludeerd worden dat ook op 18 augustus de kans groot was dat zwermende gewone dwergvleermuizen zouden zijn waargenomen als er een massa winterverblijfplaats aanwezig was. Dat er alleen op 18 augustus, bijna anderhalf uur voor middernacht, vijf zwermende gewone dwergvleermuizen werden waargenomen, en niet tijdens de overige drie bezoeken die zijn uitgevoerd, maakt het zeer onwaarschijnlijk dat in de gebouwen aan de [adres] in [woonplaats] een massa-winterverblijfplaats van gewone dwergvleermuizen aanwezig is.” Deze afwijking waar verzoekers naar verwijzen gaat enkel over de potentiële massawinterverblijfplaats. In het bestreden besluit is hierover opgenomen dat er in de nazomerzwermperiode 5 gewone dwergvleermuizen zijn waargenomen. Deze vleermuizen keerden regelmatig terug rondom de kozijnen van één van de raampartijen aan de westzijde van het (voormalig) verpleeghuis, wat erop wijst dat de verblijfplaats zich ergens langs de kozijnen bevindt. Deze waarneming heeft plaatsgevonden om 22:33 uur. Gelet op het tijdstip, aantal individuen en de periode in het jaar, kan niet worden uitgesloten dat deze verblijfplaats een massawinterverblijfplaats betreft. Daarom wordt deze als zodanig beschouwd. De afwijking ten opzichte van het Vleermuisprotocol op twee van de dagen voldoen dus niet aan het Vleermuisprotocol. Echter, door het beschouwen van deze verblijfplaats als winterverblijfplaats en het nemen van maatregelen ten aanzien van deze massawinterverblijfplaats, komt de staat van instandhouding van de gewone dwergvleermuis niet in het geding.\n\n14.2. Vergunninghouder merkt op dat haar deskundige (Twisk) in zijn rapport 'Beoordeling verblijfplaats gewone dwergvleermuis, [adres] , [woonplaats] ' concludeert dat er geen massawinterverblijfplaats aanwezig is. Hij stelt dat de twee door Sweco uitgevoerd bezoeken op 7 en 19 augustus aan de richtlijnen van het Vleermuisprotocol voldoen. Dat is ook voldoende. De andere twee uitgevoerde rondes hadden een ander doel, namelijk het waarnemen van paar- en baltsgedrag. Deze hoeven dus ook niet volgens het massawinterprotocol uitgevoerd te worden.\n\n14.3. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter is er geen aanleiding om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het aan de besluitvorming ten grondslag gelegde onderzoeken. Weliswaar heeft Het collefge toegelicht dat sprake is van afwijking ten opzichte van het Vleermuisprotocol op twee van de dagen en die voldoen dus niet aan het Vleermuisprotocol. Echter, door het beschouwen van deze verblijfplaats als winterverblijfplaats en het nemen van maatregelen ten aanzien van deze massawinterverblijfplaats, komt de staat van instandhouding van de gewone dwergvleermuis niet in het geding. Verder is in het activiteitenplan van 15 september 2025 inderdaad een fout geslopen. Er staat 15 juli 2025 in de voetteksten, maar dat had de datum van 15 september 2025 moeten zijn. Dat maakt niet dat de gehele besluitvorming onzorgvuldig is en dat de omgevingsvergunning daarom niet verleend had mogen worden. Hierin ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.\n\nTransportroute en volksgezondheid\n\n15 Verzoekers stellen dat de route van de vrachtwagen in de sloopmelding anders loopt dan de route die is opgenomen in rapporten van de Aeriusberekeningen. Nu de vergunning expliciet eist dat verstoring van de fauna te allen tijde moet worden voorkomen, dwingt deze gewijzigde rijroute tot een hernieuwde ecologische beoordeling. De totale sloop van de huidige bebouwing vormt bovendien een acute bedreiging voor zowel de volksgezondheid als de lokale fauna.\n\n15.1. Het college stelt dat de AERIUS-berekeningen geen onderdeel uitmaken van het bestreden besluit. Deze procedure heeft geen betrekking op een Natura 2000-activiteit. Het college wijst erop dat het in de procedurele overwegingen van het besluit hebben overwogen dat er een toestemming op basis van andere wet- en regelgeving van toepassing kan zijn. Verzoekers hebben verder niet aangevoerd hoe de gekozen transportroute een zware belasting vormt qua trillingen en geluid.\n\n15.2.. Vergunninghouder merkt hierover op dat de vrachtwagens de route zullen rijden zoals aangegeven in de sloopmelding. Op het moment dat de vrachtwagen van de sloop gaan rijden, zullen de vleermuizen zich niet meer in de te slopen gebouwen bevinden vanwege de ontmoedigingsmaatregelen. Er zijn voor deze periode tijdelijke voorzieningen aangebracht op de woningen. Slechts een deel van de locaties van de tijdelijke voorzieningen ligt langs de aanvoerroute van de vrachtwagen. Dit is bovendien op redelijke grote afstand. Bovendien zal het zware verkeer als gevolg van de sloop geen significant effect hebben ten opzichte van het reeds bestaande zware verkeer op de verschillende omliggende straten.\n\n15.3.. Het bestreden besluit ziet niet op de stikstofemissies vanwege transport. Tijdens de zitting is voldoende aannemelijk geworden dat de verblijfplaatsen niet dicht in de buurt bij de transportroute zitten. Het college heeft dit gesteld en eisers hebben het niet weersproken. De voorzieningenrechter acht het op grond daarvan onvoldoende aannemelijk dat de transportroute zal leiden tot verstoring.\n\n15.4.. Verzoekers maken zich zorgen vanwege de stofoverlast door de sloop van de huidige bebouwing die een acute bedreiging zou vormen voor zowel de volksgezondheid als de lokale fauna. Vergunninghouder mag op grond van voorschrift 1 van de verleende omgevingsvergunning geen werkzaamheden uitvoeren die invloed hebben op een beschermde soort. Daarmee is voldoende geborgd dat de transporten een acute dreiging kunnen vormen voor de lokale (beschermde) fauna. De volksgezondheid is niet een belang dat het college bij deze besluitvorming heeft hoeven te betrekken.\n\nConclusie en gevolgen\n\n16. Teneinde iedere verwarring omtrent de stripwerkzaamheden weg te nemen, ziet de voorzieningenrechter aanleiding bij wijze van voorlopige voorziening expliciet te verbieden dat stripwerkzaamheden worden verricht voordat het ongeschikt maken van de vleermuisverblijfplaatsen is uitgevoerd conform voorschrift 12 van de omgevingsvergunning. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning in redelijkheid kunnen verlenen en ziet hij hierin geen reden om het bestreden besluit te schorsen en wijst hij het verzoek voor het overige af.\n\n17 Omdat het verzoek gedeeltelijk wordt toegewezen moet het college de door verzoekers betaalde griffierechten vergoeden. Er is geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\nverbiedt bij wijze van voorlopige voorziening expliciet dat stripwerkzaamheden worden verricht voordat het ongeschikt maken van de vleermuisverblijfplaatsen is uitgevoerd conform voorschrift 12 van de omgevingsvergunning;\n\nwijst het verzoek om voorlopige voorziening voor het overige af;\n\nbepaalt dat het college het griffierecht van € 200 aan verzoekers moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H. M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.M.C. van Og, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 6 juli 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\nBijlage\n\nWettelijk kader\n\nArtikel 5.1. tweede lid van de Omgevingswet\n\n2Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:\n\na.een bouwactiviteit,\n\nb.een milieubelastende activiteit,\n\nc.een lozingsactiviteit op:\n\n1°.een oppervlaktewaterlichaam,\n\n2°.een zuiveringtechnisch werk,\n\nd.een wateronttrekkingsactiviteit,\n\ne.een mijnbouwlocatieactiviteit,\n\nf.een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot:\n\n1°.een weg,\n\n2°.een waterstaatswerk,\n\n3°.een luchthaven,\n\n4°.een hoofdspoorweg, lokale spoorweg of bijzondere spoorweg,\n\n5°.een installatie in een waterstaatswerk,\n\ng.een flora- en fauna-activiteit,\n\nvoor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.\n\nArtikel 11.27 Bal\n\n1. Degene die een flora- en fauna-activiteit of een activiteit als bedoeld in artikel 11.22, eerste lid, onder b tot en met g, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 11.23, is verplicht:\n\na.alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;\n\nb.voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en\n\nc.als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.\n\n2. voor flora- en fauna-activiteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat:\n\na.voorafgaand aan het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van die locatie van:\n\n1°.van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van die richtlijn;\n\n2°.van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlagen II, IV en V bij de habitatrichtlijn;\n\n3°.dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX of in de rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vijfde lid, onder a, onder 3°, van de wet; en\n\n4°.voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats;\n\nb.als deze aanwijzingen er zijn: wordt vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten;\n\nc.als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten;\n\nd.alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om die nadelige gevolgen te voorkomen;\n\ne.tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en\n\nf. het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen.\n\n3 Voor de uitoefening van de jacht en activiteiten om populaties van in het wild levende dieren te beheren of om schade door dieren te bestrijden houdt deze plicht in ieder geval in, dat een ieder die een in het wild levend dier doodt of vangt voorkomt dat het dier onnodig lijdt.\n\nArtikel 11.46 Bal\n\nHet verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor:\n\na. het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn,bijlage IIbij het verdrag van Bern ofbijlage Ibij het verdrag van Bonn;\n\nb. het opzettelijk verstoren van dieren als bedoeld onder a;\n\nc. het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren als bedoeld onder a;\n\nd. het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en\n\ne. het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de habitatrichtlijn ofbijlage Ibij het verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied.\n\nArtikel 8.74k Besluit kwaliteit leefomgeving\n\n1Voor zover een aanvraag een omgevingsvergunning betrekking heeft op een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.46, eerste lid,11.47, eerste lid, of11.48 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als:\n\na.er geen andere bevredigende oplossing voor het verrichten van de activiteit bestaat;\n\nb.de activiteit nodig is:\n\n1°.in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;\n\n2°.voor het voorkomen van ernstige schade aan met name gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;\n\n3°.in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;\n\n4°.voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daarvoor benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of\n\n5°.om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de omgevingsvergunning vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, respectievelijk een beperkt bij de omgevingsvergunning vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben; en\n\nc.de activiteit geen afbreuk doet aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.\n\n2Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een flora- en fauna-activiteit als bedoeld inartikel 11.46, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgevingtot beperking van de omvang van een populatie van dieren van soorten als bedoeld in dat lid, worden bij de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, alleen de belangen, bedoeld in dat onderdeel onder 1°, 2° en 3°, in aanmerking genomen.\n\n3Een omgevingsvergunning als bedoeld in het tweede lid wordt alleen verleend aan een faunabeheereenheid, tenzij de noodzaak ontbreekt voor het verrichten van de activiteiten door tussenkomst van een faunabeheereenheid. In dat geval kan de omgevingsvergunning ook worden verleend aan een wildbeheereenheid of aan anderen.\n\n Artikel 5.1. tweede lid onder g van de Omgevingswet\n\nZie de uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3682\n\n Zie de uitspraken van de Afdeling van 29 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1830, 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4197 en van 10 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1234.\n\nZie de uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3682\n\n voorschrift 1 van de vergunning\n\nZie onder meer uit de uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1423.\n\nZie onder meer uit de uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1423.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4762","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:29.306Z",{"id":53,"ecli":54,"slug":55,"caseNumber":43,"courtId":56,"decisionDate":57,"fullText":58,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":60,"parsedAt":50,"updatedAt":61},"1041","ECLI:NL:RBMNE:2026:3907","ecli-nl-rbmne-2026-3907",63,"2026-07-02T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: UTR 26\u002F3070 en 26\u002F2165-T\n\ntussenuitspraak van de voorzieningenrechter van 2 juli 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen\n\n [eiser sub 1]\n\n [eiser sub 2]\n\n [eiser sub 3]\n\n [eiser sub 4]\n\n [eiser sub 5] ,\n\n [eiser sub 6] B.V.\n\neisers, allen uit [woonplaats]\n\n(gemachtigde: mr. R.A. Oosterveer),\n\nenhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dronten, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. E. Kovacsek).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaken deel: [derde-partij]uit [woonplaats] (vergunninghouder).\n\nInleiding\n\n1. Vergunninghouder heeft op 9 juli 2024 een tijdelijke omgevingsvergunning voor het bouwen van 30 woonunits voor de huisvesting van arbeidsmigranten aan de [adres] in [plaats] aangevraagd. Het college heeft de omgevingsvergunning op 2 oktober 2024 verleend (het primaire besluit I). Daartegen hebben eisers bezwaar gemaakt, omdat zij vrezen dat zij door de woonunits in hun agrarische bedrijfsvoering, waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast, worden belemmerd.\n\n2. Met het besluit op bezwaar van 4 juni 2025, dat is uitgereikt op 6 februari 2026 (hierna het bestreden besluit I), heeft het college het primaire besluit in stand gelaten onder verbetering van de motivering. Omdat twee units op minder dan 50 meter afstand van de agrarische percelen zijn gelegen, zoals is gebleken bij een grensreconstructie van het Kadaster, is het primaire besluit I aangepast met een nieuwe situatietekening. Op die tekening staat bij de twee betreffende units het woord ‘opslag’. Het gewijzigde primaire besluit (het primaire besluit II) is genomen op 5 januari 2026.\n\n3. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit I en hebben daartegen beroep ingesteld. Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, omdat het bestreden besluit I volgens hen evident onrechtmatig is.\n\n4. Naar aanleiding van het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening heeft het college het bestreden besluit I aangevuld met het besluit van 2 juni 2026 (het bestreden besluit II). Met het bestreden besluit II zijn twee voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden en is het primaire besluit II ingetrokken. Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het beroep van eisers van rechtswege mede tegen het bestreden besluit II gericht.\n\n5. Op 9 juni 2026 hebben eisers de rechtbank bericht dat het bestreden besluit II geen aanleiding geeft om het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening in te trekken.\n\n6. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser sub 2] , [eiser sub 1] , de gemachtigde van eiser, vergezeld door mr. M. de Boer, en de gemachtigde van het college. Vergunninghouder is niet op de zitting verschenen.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n7. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.\n\n8. De voorzieningenrechter beoordeelt de bestreden besluiten I en II aan de hand van de beroepsgronden van eisers. Op de zitting hebben eisers hun beroepsgrond dat hen de mogelijkheid is ontnomen om zich uit te laten over de vraag of de wijziging die met het primaire besluit II is doorgevoerd aangemerkt kan worden als een ondergeschikte wijziging, doordat dit besluit niet aan hen kenbaar is gemaakt, ingetrokken. Dat betekent dat de voorzieningenrechter niet zal beoordelen of sprake is geweest van een ondergeschikte wijziging van de aanvraag.\n\n9. De voorzieningenrechter zal hierna eerst het wettelijk kader, dan het bestreden vergunningvoorschrift in het bestreden besluit II en daarna alle overige beroepsgronden bespreken.\n\nHet wettelijk kader\n\n10. Partijen zijn het erover eens, en de voorzieningenrechter stelt ook vast, dat de bouw van de woonunits in strijd is met het bestemmingsplan ‘Buitengebied Dronten (D4000)’ dat onderdeel uitmaakt van het omgevingsplan en waarin het perceel de bestemming ‘Maatschappelijk-Zorgboerderij’ heeft.\n\n11. De voorzieningenrechter stelt bij haar beoordeling van de omgevingsvergunning voorop dat, omdat de omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, het college deze alleen kan verlenen met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om voor een activiteit die in strijd is met het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen beleidsruimte toe. Daarbij moet het college de betrokken belangen afwegen. De voorzieningenrechter oordeelt daarom niet zelf of de verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De voorzieningenrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden van eisers of de omgevingsvergunning in overeenstemming is met het recht.\n\n12. Het college heeft voor het bouwplan ook een omgevingsvergunning voor de technische bouwactiviteit aan vergunninghouder verleend, maar daartegen zijn de beroepsgronden niet gericht. De beroepsgronden zijn uitsluitend gericht tegen de buitenplanse omgevingsplanactiviteit.\n\nHet beroep tegen het voorschrift in het bestreden besluit II\n\n13. Eisers voeren aan dat de omgevingsvergunning evident in strijd is met de vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) over spuitvrije zones tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid, waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt (spuitzonering). Met het vergunningvoorschrift dat het gebruik van units 1 en 16 voor langdurig verblijf van mensen niet is toegestaan (waaronder in elk geval, doch niet uitsluitend, het gebruik voor de huisvesting van arbeidsmigranten wordt begrepen) is volgens eisers onvoldoende ondervangen dat niet wordt verbleven in de spuitzone. De units blijven gevoelige objecten, voorzien van een keuken, badkamer, slaapkamer en woonkamer, waarvoor een minimale afstand van 50 meter tot agrarische gronden in acht moet worden genomen. Omdat dit niet het geval is, had de omgevingsvergunning volgens eisers geweigerd moeten worden.\n\n14. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat in het algemeen een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische gronden waarop gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast, niet onredelijk wordt geacht.Het college heeft in de bezwaarfase onderkent dat units 1 en 16 zich binnen de spuitzones van de aangrenzende agrarische percelen van eisers bevinden. Om die reden heeft het college het primaire besluit II genomen, waarmee een gewijzigde tekening aan de omgevingsvergunning is toegevoegd. Op die tekening is bij units 1 en 16 het woord ‘opslag’ vermeld, zodat het niet is toegestaan dat deze units gebruikt worden voor het verblijf van personen. Bij nader inzien vond het college de keuze voor een tweede primaire besluit minder wenselijk, omdat dit besluit inhoudelijk een reactie is op het ingestelde bezwaar van eisers, maar geen onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit I. Daarom heeft het college het primaire besluit II weer ingetrokken en alsnog met het bestreden besluit II het in rechtsoverweging 13 genoemde voorschrift aan de omgevingsvergunning verbonden. Het bestreden besluit II maakt wel, zoals eerder vermeld, op grond van artikel 6:19 van de Awb van rechtswege onderdeel uit van de onderhavige beroepsprocedure tegen het bestreden besluit I.\n\n15. Naar de voorzieningenrechter begrijpt, heeft het college bij de formulering van het vergunningvoorschrift gepoogd om aan te sluiten bij de definitie van een gevoelig object, zoals is ontwikkeld in de rechtspraak van de Afdeling. Een (spuit)gevoelig object wordt in de rechtspraak van de Afdeling gedefinieerd als een object waar mensen langdurig verblijven.De voorzieningenrechter is van oordeel dat in het alsnog aan de omgevingsvergunning verbonden voorschrift onvoldoende duidelijk is wat wordt verstaan onder een ‘langdurig verblijf’ van mensen. Uit het voorschrift zelf blijkt niet welke maximale verblijfsduur daaronder wordt geschaard. Gelet hierop is het voorschrift onvoldoende concreet. Dit leidt tot onduidelijkheden voor de naleving en handhaafbaarheid. Bovendien zullen er ook met het verbinden van een geconcretiseerd voorschrift twee units aanwezig zijn die onverminderd geschikt blijven voor het gebruik dat binnen de spuitzone onaanvaardbaar is. Het bestreden besluit II bevat op dit punt een gebrek.\n\nHet beroep tegen het bestreden besluit I\n\n16. Eisers voeren aan dat het college de omgevingsvergunning om drie redenen had moeten weigeren: er is gebouwd buiten het bouwvlak, de aanvraag voldoet niet aan de voorwaarden in het afwijkingenbeleid en de tuinaanleg bij de units valt (gedeeltelijk) binnen de spuitzone.\n\nWoonunits buiten het bouwvlak\n\n17. Eisers voeren aan dat de woonunits inmiddels al zijn gebouwd in afwijking van de verleende omgevingsvergunning en zich bevinden buiten het bouwvlak (specifieke bouwaanduiding- bebouwing) zoals dat op de plankaart van het bestemmingsplan met een stippellijn is weergegeven. Dat blijkt volgens eisers uit de gegevens afkomstig van de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG). De overschrijding van het bouwvlak is volgens eisers ten onrechte niet betrokken bij het bestreden besluit I. Bovendien was ten tijde van het nemen van dat besluit al bekend dat de ingediende tekening bij de vergunningaanvraag onjuist was, omdat in ieder geval twee units zich binnen de spuitzone bevonden. Het college had in bezwaar niet alleen onderzoek moeten doen naar units 1 en 16, maar ook naar de plaatsing van de reeds gerealiseerde units buiten het bouwvlak. Omdat in afwijking van de omgevingsvergunning is gebouwd buiten het bouwvlak, had het college de omgevingsvergunning volgens eisers moeten weigeren.\n\n18. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat het college moet beslissen op de aanvraag, zoals die door de aanvrager is ingediend. De aanvraag heeft geen betrekking op bouwen buiten het bouwvlak. Dat de woonunits inmiddels al in afwijking van de verleende omgevingsvergunning buiten het bouwvlak zijn gerealiseerd, zoals ook door het college op de zitting is bevestigd, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter een handhavingskwestie. Omdat op het college een beginselplicht tot handhaving rust, is het aan het college om te onderzoeken of er een concreet zicht op legalisatie bestaat en zo niet om tot handhaving over te gaan. Kortom, de afwijkende plaatsing van de units is geen grond voor weigering van de omgevingsvergunning. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nToetsing aan afwijkingenbeleid: participatie en aantal personen per slaapvertrek\n\n19. Eisers voeren aan dat het college het eigen beleid willekeurig toepast. Zo wijkt het college af van het beleid dat elke arbeidsmigrant in beginsel zijn eigen kamer heeft (dit beleid is gebaseerd op de zogenoemde Roemer-norm). Het beleid is volgens eisers opgesteld om aanvaardbare woon- en leefomstandigheden voor arbeidsmigranten te waarborgen, maar ook om overlast voor omwonenden te voorkomen. Uit het vergunde aantal personen blijkt dat het college uitgaat van een maximale bezetting, dus van twee personen per kamer in plaats van de Roemer-norm. Met de stelling van het college dat participatie op grond van de Omgevingswet geen weigeringsgrond is, gaat het college volgens eisers ook voorbij aan de participatieverplichting die voortvloeit uit het eigen beleid. In dit kader verwijzen eisers naar de op 10 september 2025 geweigerde omgevingsvergunning voor vijftien extra units op het perceel. Volgens eisers was die aanvraag geweigerd vanwege strijdigheden met het gemeentelijk beleid, wat volgens eisers ook nu het geval is.\n\n20. De aanvraag is door het college getoetst aan het Afwijkingenbeleid 2024 van de gemeente Dronten (het afwijkingenbeleid). Het afwijkingenbeleid schrijft voor dat de minimale gebruiksoppervlakte voor wonen conform de NEN 2580, 15 m2 per persoon bedraagt, waarvan minimaal 5,5 m2 per slaapvertrek. Uitgangspunt is één persoon per slaapvertrek. Als de arbeidsmigranten dit wensen zijn tweepersoonsslaapvertrekken toegelaten.In tegenstelling tot wat het college stelt, is de voorzieningenrechter van oordeel dat deze norm ook strekt ter bescherming van het woonklimaat van omwonenden zodat zij zich op deze norm kunnen beroepen. Zoals uit de formulering blijkt is echter sprake van een beleidsmatig uitgangspunt en geen harde norm. De voorzieningenrechter kan het college volgen in zijn standpunt dat het aan de arbeidsmigranten zelf is om te beslissen of zij een unit alleen of samen (met bijvoorbeeld een partner) willen huren. Het college zou te veel ingrijpen in de financiële en relationele sfeer van de arbeidsmigranten door in de vergunning een harde eis van één persoon per slaapvertrek te stellen.\n\n21. Verder overweegt de voorzieningenrechter het volgende. De Omgevingswet schrijft geen verplichte participatie voor. De aanvrager van een omgevingsvergunning is enkel verplicht om te motiveren of aan participatie is gedaan en wat de resultaten daarvan zijn.Tijdens de zitting heeft het college bevestigd dat de gemeenteraad geen gevallen van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten heeft aangewezen op grond van artikel 16.55, zevende lid, van de Omgevingswet, op grond waarvan het bieden van participatiemogelijkheden verplicht is voordat een aanvraag om omgevingsvergunning wordt ingediend. Dat in het verleden een vergelijkbare vergunning zou zijn geweigerd onder verwijzing naar het gemeentelijk beleid ligt, wat daar ook van zij, in deze procedure niet ter beoordeling voor. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nSpuitzone en de tuinaanleg\n\n22. Eisers voeren aan dat ook aan de oostzijde van het perceel sprake is van een overschrijding van de spuitvrije zone, daar waar er een tuin staat weergegeven op de plattegronden bij de omgevingsvergunning. Eisers stellen zich op het standpunt dat deze tuin vrij gebruikt zal gaan worden door de bewoners van de units en zij dan dus verblijven binnen de spuitzone met het risico dat zij blootgesteld worden aan gewasbeschermingsmiddelen. De stelling van het college in het bestreden besluit dat dit gedeelte binnen de spuitzone als parkeerruimte is ingetekend, is feitelijk onjuist. Op de inrichtingstekening is een tuin gesitueerd direct aangrenzend aan de woonunits welke voor een groot oppervlakte doorloopt tot binnen de spuitzone. Ook om deze reden had de omgevingsvergunning volgens eisers geweigerd moeten worden.\n\n23. Uit de inrichtingstekening bij de aanvraag maakt de voorzieningenrechter op dat de gronden bij de woonunits worden ingericht als een tuin. Op tekening is de aanduiding ‘groene ontwikkeling’ vermeld en is onder meer voorzien in een grasveld en een haag. Dit grasveld is volgens eisers gelegen binnen 50 meter tot de perceelsgrens en bevindt zich dus gedeeltelijk binnen de spuitzone. Het college betwist dat niet. Zoals de Afdeling heeft overwogen is een tuin bij een woning een voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functie.Omdat de woonunits relatief klein zijn acht de voorzieningenrechter het aannemelijk dat de bewoners vanaf het voorjaar tot het najaar regelmatig gebruik zullen maken van de tuin. Zij zullen geregeld buiten zitten om bijvoorbeeld te recreëren en te eten. Het is precies de periode waarin agrariërs gewasbeschermingsmiddelen op hun gewassen toepassen en waarin het, gelet op mogelijke gezondheidsrisico’s, van belang is dat er geen gevoelige functies binnen de spuitzone zijn. Omdat het bouwplan in zoverre een gevoelige functie mogelijk maakt op een kortere afstand dan 50 meter van gronden waarop gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, bevat het bestreden besluit I een gebrek.\n\nTussenuitspraak\n\n24. Zoals de voorzieningenrechter heeft overwogen zijn er twee gebreken in de besluitvorming. Het ene gebrek is dat de units 1 en 16 zich bevinden binnen de spuitzone en niet als zodanig vergund hadden mogen worden. De poging van het college om dit te ondervangen met het voorschrift dat deze units niet gebruikt mogen worden voor langdurig verblijf is te onbepaald. Het andere gebrek is dat de vergunning er in voorziet dat gronden binnen de spuitzone zullen worden ingericht als tuin, zonder dat met een zichtbare afscheiding in de vorm van een hek of haag wordt voorkomen dat personen daarbinnen gaan verblijven. Om de gebreken te kunnen herstellen zal het college met inachtneming van de hierboven opgenomen overwegingen een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen. Daarbij zal de verleende omgevingsvergunning, zo mogelijk op basis van een gewijzigde tekening bij de aanvraag, moeten worden gewijzigd. Daarbij zullen de units 1 en 16 moeten komen te vervallen of zodanig moeten worden aangepast dat deze ruimten (zoals aanvankelijk met het primaire besluit II bedacht) alleen gebruikt kunnen worden voor bijvoorbeeld opslag en niet voor het verblijf van personen geschikt zijn. Ook zal een gewijzigde inrichtingstekening bij de omgevingsvergunning gevoegd moeten worden op basis waarvan de tuinaanleg bij de units zodanig wordt gewijzigd dat met een adequate afbakening in de vorm van bijvoorbeeld een hekwerk of haag vermeden wordt dat de gronden binnen de spuitzone gebruikt worden voor het verblijf van personen.\n\n25. Het college moet (in overleg met vergunninghouder) zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de voorzieningenrechter of hij gebruik maakt van de gelegenheid om de gebreken te herstellen. Als het college gebruik heeft gemaakt van de herstelmogelijkheid, zal de voorzieningenrechter verzoekers en vergunninghouder in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de voorzieningenrechter zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.\n\n26. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in deze tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht.\n\n27. De voorzieningenrechter houdt in de beroepszaak iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op dit beroep. Dat laatste betekent ook dat hij over de proceskosten in bezwaar en beroep nu nog geen beslissing neemt.\n\nVoorlopige voorziening\n\n28. Omdat er naar het oordeel van de voorzieningenrechter aan de bestreden besluiten gebreken kleven gaat hij over tot beoordeling van de vraag of het noodzakelijk is om een voorlopige voorziening te treffen. Hiertoe weegt hij de belangen van de verschillende partijen bij het treffen van een voorlopige voorziening.\n\n29. Uit de beoordeling van het beroep volgt dat de besluitvorming van het college gebreken vertoont, maar ook dat dat die gebreken gelet op de aard ervan herstelbaar kunnen zijn. Hoewel de gebreken nog hersteld kunnen worden, zal de voorzieningenrechter een voorziening treffen. De voorzieningenrechter sluit namelijk niet uit dat de nieuwe besluitvorming door het college ertoe kan leiden dat de omgevingsvergunning alsnog wordt geweigerd. Verder is het, zoals na iedere tussenuitspraak, niet zeker dat de gebreken door het college hersteld worden. Daar komt bij dat vergunninghouder niet op de zitting is verschenen en ook niet schriftelijk heeft gereageerd, zodat onbekend is in hoeverre hij tot de nodige aanpassingen bereid is. Gelet op deze omstandigheden zal de voorzieningenrechter de omgevingsvergunning schorsen voor zover het betreft de units 1 en 16 en de tuinaanleg binnen de spuitzone. Met het oog op de ingebruikneming van de overige units zal de voorzieningenrechter bij wijze van voorlopige voorziening bepalen dat een (voorlopige) afscheiding aanwezig is, waarmee duidelijk wordt dat de tuingedeelten binnen de spuitzone niet geschikt zijn voor het verblijf van personen. Deze voorlopige voorziening vervalt automatisch als er einduitspraak wordt gedaan.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\ndraagt het college op binnen twee weken aan de voorzieningenrechter mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid om de gebreken in de bestreden besluiten te herstellen;\n\nstelt het college in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in de bestreden besluiten te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;\n\nhoudt iedere verdere beslissing in de bodemzaak aan;\n\nschorst bij wijze van een voorlopige voorziening de omgevingsvergunning van 2 oktober 2024 voor zover deze ziet op:\n\n1. units 1 en 16;\n\n2. het inrichten van de gronden binnen de spuitzone als tuinaanleg.\n\n- bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat zodra de andere vergunde units in gebruik zijn, een zichtbare afscheiding is aangebracht, waarmee duidelijk wordt dat de tuingedeelten binnen de spuitzone niet geschikt zijn voor het verblijf van personen.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.N. van Ooijen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2026.\n\nDe griffier is verhinderd om de\n\nuitspraak te ondertekenen\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nTegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.\n\nTegen deze tussenuitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.\n\n Op grond van artikel 8:86 van de Awb.\n\n Artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 17 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4407, rechtsoverweging 12.2.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 8 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1973, rechtsoverweging 9.1.\n\n Artikel 8.1, vijfde lid, van het afwijkingenbeleid.\n\n Artikel 7.4 van de Omgevingsregeling en artikel 16.55 lid 6 van de Omgevingswet.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 27 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4133, rechtsoverweging 10.3.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3907","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:00.821Z",{"id":63,"ecli":64,"slug":65,"caseNumber":43,"courtId":66,"decisionDate":67,"fullText":68,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":69,"sourceTimestamp":67,"parsedAt":50,"updatedAt":70},"899","ECLI:NL:RBDHA:2026:17366","ecli-nl-rbdha-2026-17366",58,"2026-06-26T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SGR 26\u002F1234\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 juni 2026 in de zaak tussen\n [verzoeker] te [woonplaats] , verzoeker\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Teylingen, het college\n\n(gemachtigde: mr. T. Janssens).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de weigering van het college om verzoeker een omgevingsvergunning te verlenen voor het splitsen van de woning aan de [adres] in [plaats] . Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.\n\n1.1.. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af wegens het ontbreken van spoedeisend belang. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\nProcesverloop\n\n2. Met het besluit van 12 juni 2025 heeft het college geweigerd verzoeker een omgevingsvergunning te verlenen voor een reeds gerealiseerde splitsing van de woning aan de [adres] in [plaats] . Met het bestreden besluit van 12 januari 2026 heeft het college deze weigering in stand gelaten. Verzoeker heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.\n\n2.1. Verzoeker heeft het verzoek aangevuld en nadere stukken overgelegd.\n\n2.2. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.3. Verzoeker heeft hierop schriftelijk gereageerd.\n\n2.4. Het college heeft een nadere reactie ingediend.\n\n2.5. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigde van het college.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\nVoorgeschiedenis\n\n3. Verzoeker is eigenaar van de woning aan de [adres] in [plaats] . Hij heeft deze woning gesplitst in twee woningen, die worden verhuurd.\n\n3.1. Het college heeft met het besluit van 28 maart 2024 verzoeker een last onder dwangsom opgelegd om de zonder omgevingsvergunning uitgevoerde splitsing van deze woning ongedaan te maken en de illegale bewoning hiervan door meerdere huishoudens te (laten) beëindigen en beëindigd te houden. Verzoeker heeft hiertegen rechtsmiddelen aangewend. Met de uitspraak van 1 december 2025 van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is dit besluit onherroepelijk geworden.\n\n3.2. Nadat het college had beslist op de bezwaren van verzoeker tegen de last onder dwangsom, heeft verzoeker een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend om de woningsplitsing alsnog te legaliseren. Het college heeft de omgevingsvergunning geweigerd en deze weigering met het bestreden besluit in stand gelaten. Daartegen heeft verzoeker beroep ingesteld (zaak SGR 26\u002F1237).\n\nOmvang van het verzoek\n\n4. In het inleidende verzoekschrift is vermeld dat het verzoek strekt tot schorsing van de opgelegde last onder dwangsomp. Uit de inhoud van het aanvullende verzoekschrift, de door verzoeker ingediende nadere stukken en zijn toelichting op de zitting, is de voorzieningenrechter echter gebleken dat het verzoek strekt tot schorsing van het besluit tot weigering van de alsnog aangevraagde omgevingsvergunning. Verzoeker heeft toegelicht dat hij met het verzoek wil bereiken dat het college voorlopig niet overgaat tot invordering van verbeurde dwangsommen.\n\n4.1. De voorzieningenrechter stelt voorop dat verzoeker dit doel van zijn verzoek niet kan bereiken met de enkele schorsing van het weigeringsbesluit. Ook bij schorsing van dat besluit beschikt verzoeker immers nog niet over een omgevingsvergunning, zodat sprake blijft van een illegale situatie. Daarom neemt de voorzieningenrechter aan dat verzoeker beoogt dat hij tot de uitspraak in de beroepsprocedure over de geweigerde omgevingsvergunning, wordt aangemerkt als ware hij in het bezit van die vergunning.\n\nSpoedeisend belang\n\n5. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Daarvan is onder meer sprake als zonder het treffen van een voorlopige voorziening sprake is van onomkeerbare gevolgen die met zich meebrengen dat de uitkomst van de beroepsprocedure niet kan worden afgewacht.\n\n5.1. \n\nDe weigering van de omgevingsvergunning levert op zichzelf geen spoedeisend belang op. Deze weigering heeft geen onomkeerbare gevolgen.\n\nVoor zover verzoeker vreest dat de weigering van de omgevingsvergunning hem blootstelt aan mogelijke invordering van verbeurde dwangsommen, is dat ook onvoldoende om spoedeisend belang aan te nemen. De verbeurte van dwangsommen en de invordering daarvan is het rechtstreekse gevolg van de onherroepelijke last onder dwangsom, niet van de weigering van de omgevingsvergunning.\n\n5.2. De voorzieningenrechter stelt vast dat het college vooralsnog geen invorderingsbesluit heeft genomen. Mocht het college daartoe alsnog overgaan, dan kan verzoeker daartegen desgewenst rechtsmiddelen aanwenden. Als verzoeker vindt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van invordering had moeten afzien, dan kan hij dat in die procedure naar voren brengen. De wens om te voorkomen dat het college een invorderingsbesluit neemt, levert echter een onvoldoende spoedeisend belang op in deze zaak. Daarbij neemt de voorzieningenrechter nog in aanmerking dat de wens om toekomstige invordering van verbeurde dwangsommen te voorkomen, betrekking heeft op een louter financieel belang. Volgens vaste rechtspraak is een dergelijk belang in beginsel onvoldoende om een spoedeisend belang aan te ontlenen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Verzoeker heeft een onvoldoende spoedeisend belang bij zijn verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Dat betekent dat het bestreden besluit niet wordt geschorst. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 26 juni 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:5796","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17366","2026-07-13T00:28:53.641Z",{"id":72,"ecli":73,"slug":74,"caseNumber":43,"courtId":75,"decisionDate":76,"fullText":77,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":78,"sourceTimestamp":79,"parsedAt":50,"updatedAt":80},"1433","ECLI:NL:RBGEL:2026:4927","ecli-nl-rbgel-2026-4927",60,"2026-06-24T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 25\u002F280uitspraak van de meervoudige kamer van\n\nin de zaak tussenVereniging tot behoud van natuur en landschap in en om [plaats 1] ,\n\n [eiser 1] ,\n\n [eiser 2] en [eiseres 1] ,\n\n [eiser 3] en [eiseres 2] ,\n\n [eiser 4] ,\n\n [eiseres 3] ,\n\n [eiser 5] ,\n\n [eiseres 4] ,\n\n [eiseres 5],\n\nallen uit [plaats 1] , eisers\n\n(gemachtigde: mr. L. Mohammad)\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wageningen, het college\n\n(gemachtigde: G.H. Landeweerd).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] B.V.uit [plaats 2] , het bedrijf\n\n(gemachtigde: mr. W.J.W. van Eijk).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eisers door het college om vergunningen van het bedrijf te wijzigen. Eisers zijn het niet eens met de afwijzing. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eisers krijgen dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Met het primaire besluit van 14 juni 2024 heeft het college het verzoek van eisers tot wijziging van de vergunningen van het bedrijf afgewezen. Met het bestreden besluit van 6 december 2024 op het bezwaar van eisers is het college bij de afwijzing gebleven. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.1.. De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers met [eiser 2] ; de gemachtigde van het college en de gemachtigde van het bedrijf met [persoon A] en [persoon B] .\n\n2.2.. Op de zitting hebben eisers het beroep, voor zover ingediend door [eiseres 1] , ingetrokken. Als de rechtbank hierna van ‘eisers’ spreekt, is dat niet langer [eiseres 1] .\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nTotstandkoming van het bestreden besluit\n\n3. Het bedrijf exploiteerde een beton- en asfaltcentrale aan de [locatie 1] in [plaats 1] . Hiervoor beschikte het bedrijf onder andere over twee milieutoestemmingen van het college van gedeputeerde staten van de provincie Gelderland: een revisievergunning van 31 mei 1995en een veranderingsvergunning van 12 december 2000.\n\nDe revisievergunning ziet op:\n\no de productie van asfalt in een asfaltmenginstallatie;\n\no de productie van betonmortel en specie in een betonmortelcentrale;\n\no de productie van breekasfaltcement (BRAC) in een betoncentrale;\n\no het in gebruik hebben van een mobiele puinbreekinstallatie;\n\no het overslaan van zand en grind; en\n\no het exploiteren van een tankplaats en een werkplaats.\n\nDe veranderingsvergunning zag op de uitbreiding van de werktijden van het bedrijf naar de avond en nacht door het naar keuze van het bedrijf (gedeeltelijk) verschuiven van de productie en bijbehorend transport ten behoeve van wegenonderhoudswerkzaamheden.\n\n3.1.. Op 13 december 2006 zijn onder meer de provincie Gelderland, de gemeente Wageningen en het bedrijf overeengekomen dat alle asfaltactiviteiten op deze locatie uiterlijk op 31 december 2009 moesten worden beëindigd door deze activiteiten te verplaatsen naar een andere locatie. Dit is vastgelegd in een overeenkomst. Op 31 december 2009 zijn de asfaltactiviteiten van het bedrijf op deze locatie feitelijk beëindigd. Op 5 maart 2024 hebben eisers het college op grond van artikel 5.40, tweede lid, onder b, van de Omgevingswet, samengevat, verzocht: “de revisievergunning van 31 mei 1995 in te trekken, voor zover deze betrekking heeft op de asfaltcentrale. Bovendien wordt ook verzocht alle andere vigerende vergunningen met betrekking tot de asfaltactiviteiten in te trekken. Ook wordt u verzocht de gedeelde voorschriften tussen de beton- en asfaltcentrale aan te passen, zodat deze voorschriften de milieuruimte van de asfaltcentrale niet langer omvat.”3.2.. Op 16 mei 2024 heeft het college het voornemen geuit om de revisievergunning van 31 mei 1995 gedeeltelijk in te trekken voor zover die ziet op de productie van asfalt in een asfaltmenginstallatie, de productie van breekasfaltcement in een betoncentrale, eventuele andere asfaltactiviteiten van welke aard dan ook en alle daarmee samenhangende activiteiten, waaronder in elk geval de aanvoer van grondstoffen en de afvoer van gereed product. Verder is het college voornemens de veranderingsvergunning van 12 december 2000 volledig in te trekken. Aan dit voornemen ligt artikel 5.40, tweede lid, van de Omgevingswet ten grondslag. Het college is niet voornemens om de voorschriften van de revisievergunning te wijzigen. Omwonenden en het bedrijf hebben een zienswijze ingediend.\n\n3.3.. Op 14 juni 2024 heeft het college de vergunningen conform het voornemen deels ingetrokken. Specifiek zijn de activiteiten met betrekking tot de productie van asfalt in een asfaltmengcentrale en de productie van breekasfaltcement in een betoncentrale en bijbehorende vervoersbewegingen ingetrokken. Volgens het besluit resteert er nu op deze locatie een omgevingsvergunning voor de volgende activiteiten en volumes:\n\nproductie van beton in een betoncentrale met een maximale jaarlijkse productie van 140.000 ton;\n\nproductie van mix in een betoncentrale met een maximale jaarlijkse productie van 10.000 ton;\n\nhet breken van puin\u002Fsteenachtige materialen tot een maximale jaarlijkse productie van 112.000 ton;\n\nhet overslaan van 50.000 ton zand en grind, onder meer voor een productielocatie elders.\n\nVerder resteren er nog transportactiviteiten voor deze activiteiten en wijzigt het besluit niets aan de andere activiteiten (o.a. weegbrug, werkplaats, laboratorium, kantoren).\n\n3.4.. Eisers en het bedrijf hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit. In het bestreden besluit van 6 december 2024 op de bezwaren is het college bij de gedeeltelijke intrekking gebleven. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij zijn – kort gezegd – van mening dat het college ten onrechte heeft nagelaten de vergunningsvoorschriften ten aanzien van de maximale productie van de puinbreker en de geluidsvoorschriften naar beneden bij te stellen waardoor de milieuruimte die bij de asfaltactiviteiten hoorde voor het bedrijf beschikbaar blijft. Zij vrezen dat het bedrijf die milieuruimte zal invullen met andere bedrijfsactiviteiten waardoor de beëindiging van de asfaltactiviteiten voor hen niet tot een verbetering leidt.\n\nHet geldende recht in deze zaak\n\n4. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Dit nieuwe recht geldt in deze zaak, omdat het verzoek van eisers is ingediend na 1 januari 2024.\n\n4.1.. Deze zaak gaat over de afwijzing van het verzoek van eisers tot wijziging van voorschriften van een revisievergunning uit 1995. In het bijzonder gaat het over het al dan niet wijzigen van voorschrift 10.1 (mobiele puinbreker) en voorschriften 15.1 en 15.2 (geluid).4.1.1.. Op de zitting heeft de rechtbank vastgesteld, en tussen partijen is ook niet in geschil, dat vergunningvoorschrift 10.1 onder de Omgevingswet wordt aangemerkt als vergunningvoorschrift.\n\n4.1.2.. Van voorschriften 15.1 en 15.2 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat deze als maatwerkvoorschriften moeten worden aangemerkt onder de Omgevingswet. Volgens het college bepaalt artikel 4.13, vierde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet namelijk dat wanneer op een locatie zowel milieubelastende activiteiten worden verricht waarvoor een omgevingsvergunning is vereist (in dit geval: de puinbreker en de betonmortelcentrale) als milieubelastende activiteiten waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is (in dit geval: de op- en overslagactiviteiten van zand en grind) vergunningvoorschriften die op beide activiteiten betrekking hebben, gelden als maatwerkvoorschriften voor zover er een bevoegdheid is om daarvoor maatwerkvoorschriften te stellen. Eisers en het bedrijf hebben zich op de zitting bij dit standpunt aangesloten.\n\n4.1.3.. De rechtbank is, anders dan partijen, van oordeel dat voorschriften 15.1 en 15.2, ook onder de Omgevingswet nog als vergunningvoorschriften gelden.Weliswaar zijn op zichzelf staande op- en overslagactiviteiten van zand en grind niet als vergunningplichtige activiteit aangewezen in artikel 3.285 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), maar deze op- en overslagactiviteiten zijn wel als vergunningplichtige activiteit aangewezen als ze plaatsvinden als functioneel ondersteunende activiteit bij de betonmortelcentrale. Dat volgt uit artikel 3.115, onder c, gelezen in verbinding met artikel 3.111, eerste en tweede lid, van het Bal. De op- en overslagactiviteiten van zand en grind staan in dit geval naar het oordeel van de rechtbank namelijk niet op zichzelf, maar zijn ten dienste van en functioneel ondersteunend aan de betonmortelcentrale van het bedrijf, zowel op deze locatie als op de locatie in Veenendaal. Zo volgt bijvoorbeeld uit de revisievergunning zelf dat de “hoofdactiviteiten” van het bedrijf de productie van asfalt en de productie van betonmortel betreffen en de “nevenactiviteiten” de mobiele breekinstallatie, het overslaan van zand en grind en het exploiteren van een tankplaats en werkplaats. Deze nevenactiviteiten worden (voornamelijk) ingezet om daarmee de hoofdactiviteit, namelijk de productie betonmortel, te kunnen uitvoeren.\n\nOmvang geding\n\n5. Het beroep van eisers beperkt zich tot de afwijzing van hun verzoek om de voorschriften van de revisievergunning te wijzigen in die zin dat deze de capaciteit van de asfaltactiviteiten niet langer omvat. Eisers betwisten de intrekking niet.\n\n5.1.. De rechtbank stelt vast - en dat is tussen partijen ook niet in geschil - dat het college het bevoegde gezag is en dat de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing is. Verder stelt de rechtbank vast dat sprake is van een discrepantie tussen tabel 5 uit de revisievergunning en de in het beroepschrift weergegeven tabel 5 en dat van de in het beroepschrift weergegeven tabel moet worden uitgegaan. Verder heeft de rechtbank op de zitting vastgesteld dat het betoog van eisers dat de overeenkomst tussen partijen niet voldoende zou worden nagekomen, een civielrechtelijke kwestie is waarover de bestuursrechter in deze zaak niet kan oordelen.\n\nReikwijdte verzoek\n\n6. In de zittingsagenda heeft de rechtbank aangekondigd dat in ieder geval de reikwijdte van het oorspronkelijke verzoek van eisers zou worden besproken aan de hand van de volgende vragen: “wat is de reikwijdte van het verzoek? En wat is het wettelijk kader voor de beoordeling\u002Ftoetsing van een verzoek om intrekking\u002Fwijziging van de voorschriften? Mede gelet op 5.40, eerste en tweede lid, van de Omgevingswet.”\n\n6.1.. Op de zitting waren eisers en het college het er over eens dat het verzoek niet alleen is bedoeld als een verzoek om intrekking op grond van artikel 5.40, tweede lid, van de Omgevingswet, maar ook als een verzoek om wijziging van de voorschriften van de revisievergunning in die zin dat de asfaltactiviteiten daar geen deel meer van uit maken. Dit volgt volgens hen uit de bewoordingen van het verzoek en het besluit van het college waarin het verzoek om wijziging is afgewezen. Eisers en het college zijn het erover eens dat het wettelijk kader voor wijziging van deze vergunningvoorschriften volgt uit artikel 5.40, eerste lid, van de Omgevingswet.\n\n6.2.. De gemachtigde van het bedrijf heeft op de zitting gesteld dat het verzoek niet zag op wijziging van voorschriften 15.1 en 15.2. Het verzoek was namelijk alleen gericht op het verminderen van de milieuruimte van de vroegere asfaltactiviteiten en voorschriften 15.1 en 15.2 zien op veel meer activiteiten van het bedrijf dan de asfaltactiviteiten.\n\n6.3.. De rechtbank is van oordeel dat het college het verzoek terecht heeft opgevat als een verzoek om wijziging van de vergunningvoorschriften. Eisers hebben namelijk verzocht om “de gedeelde voorschriften tussen de beton- en asfaltcentrale aan te passen, zodat deze voorschriften de milieuruimte van de asfaltcentrale niet langer omvat.”Dat voorschriften 15.1 en 15.2 ook andere activiteiten omvatten doet daaraan niet af, omdat eisers hebben verzocht om aanpassing van de voorschriften voor zover deze de milieuruimte van de asfaltcentrale omvatten.\n\nVoorschrift 10.1: de capaciteit van de mobiele puinbreker\n\n7. Eisers stellen dat het college voorschrift 10.1 had moeten wijzigen in die zin dat de puinbreker geen puin meer mag breken voor asfaltactiviteiten. Het college had concreet de hoeveelheid puin van 112.000 ton per jaar uit voorschrift 10.1 moeten verminderen en moeten terugbrengen naar 62.500 ton puingranulaat per jaar. Uit de aanvraagvolgt namelijk dat de productiecapaciteit van de puinbreker is onderverdeeld in 50.000 ton breekasfalt en 62.500 ton puingranulaat per jaar. Nu de aanvraag volgens voorschrift 1.1 onderdeel uitmaakt van de revisievergunning en deze voor wat betreft de asfaltactiviteiten is ingetrokken, had het college ook de hoeveelheid puin in voorschrift 10.1 moeten verminderen, aldus eisers.\n\n7.1.. \n\nHet college heeft voorschrift 10.1 niet gewijzigd, omdat het enkele feit dat in de bijlage bij de aanvraag een onderverdeling is gemaakt tussen asfalt- en puingranulaat niet maakt dat deze onderverdeling niet zou kunnen verschuiven ten gunste van de inzet van granulaat ten behoeve van de betoncentrale, ook al omdat in de aanvraag is aangegeven dat het in de tabel gaat om globale hoeveelheden. De van de breekactiviteiten te verwachten milieueffecten zullen door die verschuiving ook niet toenemen, mits zij blijven binnen het vergunde volume van maximaal 112.000 ton per jaar.\n\nVolgens het college is voorschrift 10.1, gelet op het bepaalde in voorschrift 1.1 juist leidend, omdat 10.1 niet anders bepaalt dan de aanvraag.\n\n7.2.. \n\nIn voorschrift 10.1 staat:\n\n“Per jaar mag op de locatie \" [plaats 3] \" [naam bedrijf 1] B.V. (gelegen [locatie 2] te [plaats 3] ) en de onderhavige inrichting tezamen ten hoogste 112.000 ton van de steenachtige fractie van het bouw- en sloopafval worden gebroken.”\n\nIn voorschrift 1.1 staat:\n\n“De inrichting moet in overeenstemming zijn met de bij de vergunningaanvraag behorende gegevens en tekeningen, tenzij de aan de vergunning verbonden voorschriften anders bepalen. De aanvraag om vergunning en de daarin of daarbij verstrekte gegevens en de daarbij behorende tekeningen, worden geacht deel uit te maken van de vergunning.”\n\nIn de in het beroepschrift weergegeven tabel 5staat, voor zover relevant:\n\nTabel 5 (2e vervolg): Grond- en hulpstoffen, tussen- en eindproducten inrichting [plaats 1] van [naam bedrijf 1] B.V.\n\n7.3.. Op grond van artikel 5.40, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet kan het bevoegd gezag de voorschriften van een omgevingsvergunning wijzigen in gevallen of op gronden die bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald.7.4.. De rechtbank is van oordeel dat het college in wat eisers naar voren hebben gebracht in redelijkheid geen aanleiding heeft hoeven zien om vergunningvoorschrift 10.1 te wijzigen. De rechtbank acht daartoe het volgende van belang. Volgens eisers kan uit het aangehaalde deel van tabel 5 worden afgeleid dat de in voorschrift 10.1 vergunde maximale breekcapaciteit van 112.000 ton is onderverdeeld in 50.000 ton breekasfalt en 62.500 tonpuingranulaat. De beëindiging van de asfaltactiviteiten zou volgens hen dan ook tot gevolg moeten hebben dat de maximale capaciteit in voorschrift 10.1 moet worden teruggebracht tot alleen de 62.500 ton puingranulaat. De rechtbank stelt echter vast dat de koppeling die eisers leggen tussen tabel 5 en voorschrift 10.1 niet opgaat. Voorschrift 10.1 gaat namelijk over de invoer van het materiaal in de puinbreker, terwijl het door eisers bedoelde deel van tabel 5 gaat over de het eindproduct, de geproduceerde hoeveelheid. Met andere woorden: voorschrift 10.1 heeft betrekking op hetgeen ín de puinbreker gaat terwijl tabel 5 gaat over de verdeling van de eindproducten die daaruit komen. Dat betekent dat de vergunde capaciteit van 112.000 ton uit voorschrift 10.1 niet op basis van tabel 5 kan worden verdeeld in een deel dat ziet op de asfaltactiviteiten en een deel dat niet ziet op de asfaltactiviteiten. Alleen al hierom is wijziging van dit voorschrift om de reden die eisers noemen niet aan de orde en is de discussie tussen partijen over of het voorschrift of de aanvraag leidend in dit verband ook niet relevant. Verder kent voorschrift 10.1 geen beperking voor de invoer van materiaal per activiteit en heeft het college onderbouwd dat de van de breekactiviteiten te verwachten milieueffecten ook niet zullen toenemen mits zij binnen het in voorschrift 10.1 vergunde volume blijven. Eisers hebben daar niets tegenover gesteld.\n\nVoorschriften 15.1 en 15.2: geluidgrenswaarden\n\n8. Volgens eisers had het college de geluidgrenswaarden in voorschriften 15.1 en 15.2 moeten aanpassen nu de geluidruimte van de asfaltcentrale als dominante geluidbron is verdwenen. Eisers willen niet dat het bedrijf deze geluidruimte inzet voor andere activiteiten. Het college heeft onvoldoende onderbouwd dat deze geluidruimte mag blijven worden ingezet voor de nog werkende betoncentrale, dat de puinbreker daarin de overheersende bron zou zijn en de werking daarvan door aanpassing van de geluidgrenswaarden zou worden gefrustreerd. Eisers hebben hier een notitie van deskundige [naam deskundige] tegenover gesteld.Uit deze deskundigennotitie volgt dat de equivalente geluidgrenswaarden in voorschrift 15.1, zonder de geluidbronnen van de asfaltcentrale in de dagperiode 2 dB(A) en in de nachtperiode met 16 dB(A) hoger zijn dan nodig is.\n\n [naam deskundige] heeft daartoe de bijdragen van de geluidbronnen van de asfaltcentrale in mindering gebracht op de geluidimmissie bij de hoogst belaste woning aan [locatie 3] (de woning van eiser [eiser 1] ). [naam deskundige] concludeert dat de geluidbijdrage ten opzichte van vergunningvoorschrift 15.1 (gemiddeld LAeq 53, 27 en 44 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode), in de dag-, en nachtperiode 1,5 en 15,8 dB(A) lager zijn, namelijk 51,5 en 28,2 dB(A).Als de in voorschrift 15.1 vergunde waarden in stand blijven, zijn in de dag- en nachtperiode dus afgerond 2 en 16 dB(A) teveel vergund richting woningen en zonegrens van het gezoneerd industrieterrein, aldus eisers. Omdat de veranderingsvergunning is ingetrokken is hetgeen daarin is vergund niet meer van belang.8.1.. Het college heeft geweigerd om voorschriften 15.1 en 15.2 te wijzigen, omdat weliswaar de geluidemissies van de asfaltactiviteiten wegvallen, maar dit nog niet betekent dat de geluidvoorschriften moeten worden aangepast. Met de geldende geluidvoorschriften is namelijk op de meest belaste woning nog steeds sprake van een aanvaardbare situatie en is er geen aanleiding te veronderstellen dat de omgeving met de geldende vergunningvoorschriften naar objectieve maatstaven onvoldoende bescherming krijgt. Dit is ook bevestigd in de procedure die destijds bij de Afdeling is gevoerd over de vergunning, waarbij deze voorschriften overeind zijn gebleven en onherroepelijk zijn geworden.Verder acht het college het van belang dat het bedrijf de mogelijkheid heeft en houdt om haar ambities om circulair te werken door afvalstoffen opnieuw als secundaire grondstof in te zetten. Het college kiest daarom voor conservering van de huidige productieomvang met de daarbij geldende geluidgrenswaarden. Verder zou het aanpassen van de voorschriften mogelijk het in werking zijn van de puinbreker of andere activiteiten op de locatie belemmeren.\n\n8.2.. Voorschriften 15.1 en 15.2 luiden:\n\n8.3.. \n\nOp grond van artikel 5.40, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet kan het bevoegd gezag de voorschriften van een omgevingsvergunning onder voorwaarden wijzigen in gevallen of op gronden die bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald.\n\nOp grond van artikel 8.97, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) kan het bevoegd gezag de voorschriften van een omgevingsvergunning wijzigen op de in dit hoofdstuk aangegeven gronden waarop de omgevingsvergunning voor die activiteit had kunnen worden geweigerd. Op grond van artikel 8.9 van het Bkl wordt een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit alleen verleend als er, onder andere, geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt.\n\n8.3.1.. Het college heeft beleidsruimte om een voorschrift al dan niet te wijzigen en beoordelingsruimte bij de vraag wat moet worden verstaan onder ‘significante milieuverontreiniging’.\n\nVoorschrift 15.1\n\n9. De rechtbank is van oordeel dat het college in redelijkheid voorschrift 15.1 niet heeft hoeven wijzigen. Weliswaar hebben eisers aan de hand van een deskundigenrapport onderbouwd dat de geluidbelasting als gevolg van het wegvallen van de asfaltactiviteiten in ieder geval in de avond- en nachtperiode minder wordt, maar dat betekent nog niet dat het college ook gehouden was om dit voorschrift te wijzigen. Het college heeft namelijk beleidsruimte om een voorschrift al dan niet te wijzigen met het oog op significante milieuverontreiniging. En met inachtneming van die beleidsruimte heeft het college onderbouwd dat ook bij het geldende, onherroepelijke, geluidvoorschrift sprake is van een (voor eisers) aanvaardbare situatie. Onder die omstandigheid heeft het college er in dit geval in redelijkheid voor kunnen kiezen het belang van het bedrijf tot conservering van de huidige geluidruimte zwaarder te laten wegen dan het belang van eisers bij een vermindering van de geluidsbelasting. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nVoorschrift 15.29.1.. Eisers hebben de afwijzing van de wijziging van voorschrift 15.2, over de maximale geluidniveaus, niet onderbouwd bestreden. De beroepsgrond slaagt daarom niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, voorzitter, en mr. M.J.M. Verhoeven en mr. M.A.A. Soppe, leden, in aanwezigheid van mr. K.M. van Leeuwen, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n De vergunning van 31 mei 1995 met kenmerk [kenmerk 1] .\n\n De vergunning van 12 december 2000 met kenmerk [kenmerk 2]\n\n Artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet.\n\n Op grond van artikel 4.13, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.\n\n Artikel 3.188, eerste lid, en artikel 3.115 onder c, van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).\n\n Artikel 3.285, eerste lid, onder a, van het Bal.\n\n Op grond van artikel 4.13, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.\n\n Tabel 5 in bijlage 1 bij de aanvraag om de revisievergunning van 6 oktober 1993.\n\n Zoals hiervoor in 5.1 overwogen, is tussen partijen niet in geschil dat van deze tabel moet worden uitgegaan.\n\n Deze 62.500 is in tabel 5 onderverdeeld in 3.000 ton naar de betonmortelcentrale en 59.500 ton naar derden per as.\n\n “Geluidsnormering vergunde activiteiten [naam bedrijf 1] zonder asfaltcentrale” van 4 april 2025 door [naam deskundige] van [naam bedrijf 2] .\n\n Omdat er in de aanvraag van 1994 geen asfaltactiviteiten in de avondperiode waren, treedt voor de avondperiode geen verandering op.\n\n Het college verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 14 april 1998, E03.95.1155.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:4927","2026-06-23T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:20.802Z",{"id":82,"ecli":83,"slug":84,"caseNumber":43,"courtId":75,"decisionDate":85,"fullText":86,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":87,"sourceTimestamp":88,"parsedAt":50,"updatedAt":89},"1007","ECLI:NL:RBGEL:2026:4890","ecli-nl-rbgel-2026-4890","2026-06-22T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ARN 25\u002F1372 en 25\u002F1384uitspraak van de enkelvoudige kamer van\n\nin de zaken tussen\n [eiseres] ,\n\nen\n\n [eiser] , beide wonend in [plaats 1] , eisers\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem\n\n(gemachtigde: mr. M.M. Mintjes).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: Gemeente Arnhem\n\n(gemachtigde: mr. T. de Boer).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de aan de derde-partij verleende omgevingsvergunning\n\nvoor het realiseren van 3 padelbanen op sportpark [naam sportpark] in [plaats 1] . Eisers zijn het niet eens met de verlening van de omgevingsvergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verleende omgevingsvergunning.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepen ongegrond zijn. Eisers krijgen dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. De derde-partij heeft op 22 september 2023 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van 3 padelbanen naast de al aanwezige tennisbanen op sportpark [naam sportpark] in [plaats 1] . Het college heeft deze omgevingsvergunning in het besluit van 7 februari 2025 verleend.\n\n2.1.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de omgevingsvergunning.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 12 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van het college en de gemachtigde van de derde-partij.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nOvergangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet\n\n3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).\n\nDe aanvraag voor een omgevingsvergunning is ingediend op 22 september 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.\n\nTotstandkoming van het bestreden besluit\n\n4. De derde-partij is eigenaar van de gronden die horen bij sportpark [naam sportpark] . Het sportpark is gevestigd aan de [locatie 1] in [plaats 1] . Op het sportpark ligt onder andere een tennispark. De derde-partij heeft op 22 september 2023 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van 3 padelbanen.De aanvraag is in strijd met het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 1] ”, omdat het bouwplan buiten het bouwvlak ligt. Dit is in strijd met artikel 1.2, eerste lid van de planvoorschriften. Het bouwplan past ook niet binnen de binnenplanse afwijkingsmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, omdat de aangevraagde hekwerken en lichtmasten hoger zijn dan toegestaan. Om het bouwplan toch mogelijk te maken is afgeweken van het bestemmingsplan.\n\n4.1.. \n\nAan de aanvraag ligt de ruimtelijke onderbouwing “Padelbanen [locatie 2] en [locatie 1] ” van 6 juni 2024 ten grondslag.\n\nHet bouwplan valt ook onder het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 2] ”. In artikel 3.1 van dat bestemmingsplan is de verplichting opgenomen dat een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen slechts wordt verleend indien bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt aangetoond dat gelet op de omvang of de bestemming van het gebouw in voldoende mate wordt voorzien in ruimte voor het parkeren of stallen van auto's. De derde-partij heeft een parkeeronderzoek overgelegd waaruit blijkt dat er voldoende parkeerplaatsen zijn. Het college heeft het ruimtelijk aanvaardbaar geacht om op basis van de ruimtelijke onderbouwing de omgevingsvergunning voor de afwijking van het bestemmingsplan te verlenen. Het college heeft vervolgens de omgevingsvergunning in het besluit van 7 februari 2025 verleend.4.2.. Eisers wonen allebei in de directe omgeving van het sportpark.\n\nParticipatie\n\n5. Eisers voeren aan dat omwonenden niet zijn betrokken bij de planvorming. Hierdoor zijn de belangen van de omwonenden volgens eisers onvoldoende meegewogen. Volgens eisers is geen sprake geweest van participatie. Dit terwijl dit wel was aangekondigd in de raadsbrief van 27 augustus 2024. Eisers geven aan dat in eerste instantie door de wethouder is verklaard dat voor de locatie [locatie 1] geen maatwerkvoorschriften nodig zouden zijn omdat de geluidsnormen niet worden overschreden. Uiteindelijk zijn er wel maatwerkvoorschriften vastgesteld. Omwonenden zijn daardoor verkeerd voorgelicht en op oneigenlijke wijze buitengesloten van tijdige inspraak en bezwaar, hetgeen hun recht op effectieve rechtsbescherming ernstig heeft aangetast. Volgens eisers heeft het college door omwonenden onvolledig en onjuist te informeren, niet alleen gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, maar ook met het rechtszekerheidsbeginsel.\n\n5.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is participatie een verplichte stap. De aanvraag is echter ingediend voor inwerkingtreding van de Omgevingswet. De Omgevingswet en de (wettelijk) verplichte participatie is dus niet van toepassing op deze aanvraag. Wel is het zo dat in 2019 de gemeenteraad het college heeft opgeroepen om inzicht te geven in de wijze waarop omwonenden zijn betrokken en over de planvorming zijn geïnformeerd. In dat verband heeft de tennisvereniging een verslag van de buurtparticipatie aangeleverd. Dat eisers vinden dat hun belangen onvoldoende zijn meewogen in het participatieproces, maakt niet dat de participatie tekortschoot. Het college heeft bij het verweerschrift stukken toegevoegd over de participatie. Er is een informatieavond geweest op 19 augustus 2024 en in de brief van 5 juli 2024 van de secretaris van de tennisvereniging [plaats 2] staat dat er regelmatig contact geweest is met onder andere Wijkplatform [wijkplatform 1] , [wijkplatform 2] en [wijkplatform 3] en bewoners die wonen aan de rand van sportpark [naam sportpark] . Hieruit volgt dat de omwonenden zijn meegenomen in de plannen.\n\n5.2.. Voor zover eisers hebben aangevoerd dat er onduidelijkheid was over het genomen maatwerkbesluit stelt de rechtbank vast dat in eerste instantie is aangegeven dat er geen maatwerkbesluit nodig zou zijn. Bij de beoordeling van de aanvraag is later gebleken dat dit wel nodig is. Dit is niet per definitie onzorgvuldig maar kan ook een gevolg zijn van voortschrijdend inzicht. Daarnaast is gebleken dat eisers, maar ook andere mensen, tijdig een bezwaarschrift hebben ingediend tegen dat besluit zodat zij niet door de handelswijze van het college in hun belangen zijn geschaad. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college bij de voorbereiding van het bestreden besluit niet heeft gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel.\n\nRuimtelijke onderbouwing\n\n6. Eisers voeren aan dat de ruimtelijke onderbouwing van de omgevingsvergunning onvoldoende is. Er wordt volgens eisers op veel aspecten waarop getoetst moet worden vrij summier gesteld dat aan de normen wordt voldaan. Eisers wijzen erop dat het gaat om de aantasting van hun woon- en leefklimaat. De argumenten die eisers daaraan ten grondslag leggen zijn gericht tegen de volgende onderdelen van de ruimtelijke onderbouwing; geluid, lichthinder, provinciaal beleid en verkeer en parkeren\n\nGeluid6.1.. \n\nEisers voeren aan dat het college ten onrechte heeft geconcludeerd dat de geluidssituatie na realisatie van de padelbanen aanvaardbaar zal zijn en geen nadelige gevolgen zal hebben voor het woon- en leefklimaat van de omwonenden. Volgens eisers heeft het college geen rekening gehouden met de belangen van de directe omwonenden en ook niet met de belangen van kwetsbare groepen, zoals onder meer de bewoners van de penitentiaire inrichting, de bewoners van de flat [naam flatgebouw] (bestaande uit ouderen en zorgbehoevenden), en de bewoners van de focuswoningen. Volgens eisers is in de huidige situatie ook al sprake van overschrijdingen van de geluidsnormen op de bestaande tennisbanen. Deze overschrijdingen zijn door het college bestempeld als een “onvoorziene situatie”. Voor de nieuwe situatie met de padelbanen staat vast dat, zonder aanvullende maatregelen, zoals de plaatsing van een geluidsscherm of beperking van de gebruikstijden, opnieuw niet zal worden voldaan aan de geluidsnormen. In de ruimtelijke onderbouwing wordt een geluidscherm voorgesteld om de geluidsoverlast te beperken maar dit wordt niet uitgevoerd omdat dat in strijd is met het bestemmingsplan. Ook is indirecte hinder, zoals de toename van verkeersbewegingen en de daarmee gepaard gaande geluidsoverlast, ten onrechte buiten beschouwing gelaten, terwijl deze hinder volgens eisers reëel en relevant is. Het college is bij de beoordeling ten onrechte uitgegaan van de aanduiding “gemengd gebied”. De aanwezigheid van enkele wegen rechtvaardigt niet de kwalificatie als gemengd gebied, zeker niet gezien de directe nabijheid van woonwijken, een verzorgingshuis en een\n\npenitentiaire inrichting. Eisers verwijzen ter ondersteuning van hun betoog naar de publicatie “Handreiking Padel en Geluid”.\n\n6.1.1.. \n\nDe derde-partij heeft op 15 februari 2023 een melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer ingediend. Op 3 april 2024 heeft het college besloten maatwerkvoorschriften op te stellen voor het aspect geluid. Op 17 september 2024 is dit besluit gewijzigd omdat er een fout stond in het besluit van 3 april 2024. In het maatwerkvoorschrift geeft het college aan het redelijk te vinden om een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (inclusief 5 dB toeslag) van ten hoogste 49 dB(A) toe te staan.\n\nHet maatwerkvoorschrift ziet niet op de woningen van eisers waardoor voor deze woningen de norm van 45 dB(A) blijft gelden. Het college heeft er dus voor gekozen om het op deze manier toe te staan en niet te kiezen voor een geluidswal of iets dergelijks. Daarmee wordt volgens het college voldaan aan het gemeentelijk geluidbeleid. Volgens het college wordt op deze manier voldaan aan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.\n\n6.1.2.. Eisers hebben allebei een bezwaarschrift ingediend tegen het maatwerkbesluit. In de beslissing op bezwaar van 27 maart 2025 zijn hun bezwaren ongegrond verklaard. In de beslissing op bezwaar heeft het college naar aanleiding van het advies van de commissie bezwaarschriften nader onderbouwd waarom voor een maatwerkvoorschrift van maximaal 49 dB(a) gekozen is en niet voor een geluidsabsorberend scherm in combinatie met de beperking van de openingstijden van de tennis-\u002Fpadelbanen.\n\n6.1.3.. \n\nTijdens de zitting bij de rechtbank hebben eisers desgevraagd bevestigd geen beroep te hebben ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. De gemachtigde van het college heeft tijdens de zitting aangegeven dat er ook door anderen geen beroep is ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. Dat betekent dat het maatwerkbesluit onherroepelijk is en hier in de voorliggende procedure van uit gegaan dient te worden.\n\nVoor zover eisers hebben aangevoerd dat het college bij de beoordeling niet heeft kunnen uitgaan van een gemengd gebied, mist dit betoog feitelijke grondslag. In de reactie op de zienswijzen staat namelijk dat het tennispark en haar omgeving overeenkomstig het gemeentelijke geluidbeleid is gelegen binnen het gebied \"Stadswijk\" en dat de algemene kwalificatie voor de geluidsambities in de stadswijk \"overwegend rustig\" (45 dB(A)) is. Volgens het akoestisch onderzoek, waarin de reactie op de zienswijzen naar wordt verwezen, wordt die norm gehaald ter plaatse van de woningen van eisers. Eisers hebben geen deskundig tegenrapport ingediend waaruit blijkt dat de geluidsbeoordeling niet juist is. Het enkele feit dat in de Handreiking Padel en Geluid wordt uitgegaan van een langere afstand tot omliggende woningen doet daar niet aan af. Met toepassing van het maatwerkvoorschrift is alleen voor enkele andere woningen dan de woningen van eisers redelijk geacht om een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (inclusief 5 dB toeslag) van ten hoogste 49 dB(A) toe te staan. Daargelaten dat eisers zich bij de bestuursrechter niet met succes kunnen beroepen op normen die niet strekken ter bescherming van hun belangen, ziet de rechtbank in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college deze afweging redelijkerwijs niet heeft kunnen maken. Het college heeft ook in het kader van het bestreden besluit de geluidsbelasting in beeld gebracht en geconcludeerd dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nLichthinder6.2.. Eisers voeren aan dat het college ten onrechte heeft geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van lichthinder. Hoewel gesteld wordt dat een onderzoek naar lichthinder is uitgevoerd, blijkt uit de bij de omgevingsvergunning gevoegde stukken niet op welke wijze dit onderzoek heeft plaatsgevonden, noch welke toetsingscriteria zijn gehanteerd. Evenmin wordt inzichtelijk gemaakt hoe is beoordeeld of, en in hoeverre, omwonenden hinder zullen ondervinden van de verlichting van de padelbanen. Gelet op het feit dat de padelbanen naar verwachting zullen worden voorzien van felle verlichting ten behoeve van gebruik dagelijks tot ongeveer 23:00 uur, is het volgens eisers aannemelijk dat sprake zal zijn van lichtoverlast en lichtvervuiling. De omgevingsvergunning maakt niet inzichtelijk welke onderzoeksresultaten zijn gehanteerd bij de beoordeling van deze lichthinder, waardoor niet kan worden vastgesteld dat het besluit zorgvuldig is voorbereid en voldoende is gemotiveerd. Dit is volgens eisers in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n6.2.1.. \n\nDe beroepsgrond slaagt niet. Het Activiteitenbesluit milieubeheer bevat geen normen voor het beoordelen van lichthinder. Er is alleen opgenomen wanneer de lampen moeten zijn uitgeschakeld. Dat is tussen 23.00 uur en 7.00 uur. Daarnaast moet de verlichting uitgeschakeld zijn als er geen sport wordt beoefend en als er geen onderhoud\n\nplaatsvindt. Het college heeft aansluiting gezocht bij de criteria van de commissie Lichthinder van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSW). Volgens de richtlijn Lichthinder uit 2021 ligt het sportpark in zone E3 stedelijk gebied. De grenswaarden op de gevel voor E3 is voor de verticale verlichtingssterkte (Ev)10 lux in de dag en avondperiode (7.00-23.00) en 2 lux in de nachtperiode. Uit het lichtonderzoek “Padelbanen TV [plaats 2] - lichthinderplan” van 13 februari 2023 volgt bovendien dat de verlichtingssterkte bij de woning 0,15 Lux is. Dat is veel lager dan de grenswaarde van 10 Lux. Verder is gekeken naar de verlichtingssterke van het armatuur. Ook die blijf ruim binnen de maximale grenswaarde.Eisers hebben geen tegenrapport in geding gebracht die de conclusie van het college bestrijdt. Op grond daarvan heeft het college kunnen aannemen dat er geen lichthinder zal optreden die maakt dat geen sprake meer is van een goed woon- en leefklimaat.\n\nProvinciaal beleid6.3.. Eisers voeren aan dat de ontwikkeling niet in overeenstemming is met het provinciaal beleid, zoals vastgelegd in de Omgevingsvisie “Gaaf Gelderland” en de Omgevingsverordening Gelderland.\n\n6.3.1.. De beroepsgrond slaagt niet. In paragraaf 3.2 van de ruimtelijke onderbouwing is uitvoerig ingegaan op het van toepassing zijnde provinciale beleid en is tot de conclusie gekomen dat de padelbaan in overeenstemming is met het provinciale beleid. Daarbij is concluderend overwogen dat:\n\n“Met de realisatie van de padelbanen wordt een impuls gegeven aan het sportvoorzieningenniveau en het verenigingsleven in [plaats 3] en [plaats 2] . Doordat de padelbanen op bestaande sportparken worden gerealiseerd, vindt er geen nieuw ruimtebeslag plaats en kan er gebruik worden gemaakt van reeds aanwezige faciliteiten.\n\nDe initiatieven voorzien niet in de winning van fossiele energie en er is ook geen sprake van het toevoegen of onttrekken van warmte aan de bodem of het grondwater.\n\nIn het kader van klimaatadaptie wordt opgemerkt dat de bodem van de padelbanen bestaan uit een drainbeton fundering. Deze heeft goede waterdoorlatende eigenschappen waardoor wateroverlast wordt voorkomen. De aspecten waterveiligheid, droogte en hitte zijn gezien de aard en ligging van de initiatieven niet van toepassing.”\n\nDe enkele stelling van eisers dat de ruimtelijke onderbouwing in strijd is met het provinciale beleid is onvoldoende om aan deze conclusie te twijfelen.\n\nVerkeer en parkeren6.4.. \n\nEisers voeren aan dat het college ten onrechte heeft geconcludeerd dat de omgevingsvergunning niet zal leiden tot een substantiële toename van verkeers- en parkeerproblemen in de omgeving. Uit de eigen onderbouwing van het college blijkt dat de\n\nrealisatie van de padelbanen zal resulteren in circa 84 extra verkeersbewegingen per dag. Gelet op de al bestaande situatie, waarin sprake is van aanzienlijke overlast als gevolg van verkeersdrukte en de aanwezigheid van rondhangende jongeren op het parkeerterrein, is deze toename zorgwekkend. Daarnaast zal de toename van bezoekers onvermijdelijk leiden tot een verhoogde parkeerdruk in de omliggende woonwijken. De [locatie 1] en de aanliggende straten bieden slechts beperkte parkeergelegenheid. Door de extra bezoekers zullen automobilisten uitwijken naar woonstraten. Dit zal leiden tot parkeerproblemen, verkeersoverlast en een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Ten slotte ontbreekt in de ruimtelijke onderbouwing iedere bespreking van het gemeentelijke mobiliteitsbeleid, waaronder het Mobiliteitsplan [plaats 1] . In dit beleid wordt onder meer ingezet op een verlaging van de parkeernormen in de stad. Dit kan direct gevolgen hebben voor de beoordeling van de parkeerbehoefte van nieuwe ontwikkelingen zoals de aanleg van de padelbanen.\n\n6.4.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Het college heeft er terecht op gewezen dat het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 1] ” aan het hele sportpark al een sportbestemming toekent. De ruimtelijke effecten van het sportpark (waaronder verkeer\u002Fparkeren) zijn al beoordeeld toen dit bestemmingsplan werd voorbereid. Alle percelen met de bestemming “Sport” kunnen zonder aparte vergunning (dus zonder parkeeronderzoek) in gebruik worden genomen als sportveld, ook de stukken grond die nu nog niet als sportveld zijn ingericht, zoals de beoogde plek voor de padelbanen. De bestemmingsplanafwijking waar nu een vergunning voor wordt gevraagd (het toestaan van een grotere bouwhoogte) veroorzaakt op zichzelf dus geen grotere parkeerbehoefte of extra verkeersbewegingen dan waar in het bestemmingsplan al rekening mee is gehouden. Op pagina 40 van de ruimtelijke onderbouwing is uitgewerkt hoeveel parkeerplaatsen feitelijk meer zullen worden benut ten opzichte van de bestaande situatie. Dat zijn er 7,5, waarmee het totaal aantal benodigde parkeerplaatsen voor het sportpark op 118,8 uitkomt. Er zijn op het parkeerterrein 213 parkeerplaatsen aanwezig. Dat betekent dat sprake is van een overschot van 94 parkeerplaatsen. Hieruit volgt dat de vrees van eisers dat in de omliggende straten geparkeerd zal worden ongegrond is. In de reactie op de zienswijze staat verder dat het Mobiliteitsplan ten tijde van de verlening van de vergunning in voorbereiding is en nog niet is vastgesteld. Eisers hebben in beroep niet gesteld dat dit onjuist is of toegelicht waarom de vergunning desondanks vanwege het (in voorbereiding zijnde) Mobiliteitsplan had moeten worden geweigerd. In de reactie op de zienswijzen staat verder dat de ontsluitingsweg [locatie 1] ook voldoende capaciteit om het aantal verkeersbewegingen te kunnen verwerken. Eisers hebben hun standpunten dat dit toch ontoereikend is niet onderbouwd. Het feit dat eisers overlast ervaren als gevolg de aanwezigheid van rondhangende jongeren op het parkeerterrein maakt het voorgaande ten slotte niet anders. Eventuele bestaande overlast staat los staat van het bestreden besluit dat nu voorligt.\n\n7. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de beroepsgronden geen aanleiding geven voor het oordeel dat het college de ruimtelijke onderbouwing niet aan de omgevingsvergunning ten grondslag heeft kunnen leggen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het betaalde griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van de proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid\n\nvan mr. M.H. Dijkman, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Het gaat om de activiteiten: het (ver)bouwen van een bouwwerk, het uitvoeren van een werk, (…)\n\nen het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, (…). Zoals opgenomen in artikel 2.1., eerste lid, onder a, b en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo).\n\n Met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 3°, van de Wabo.\n\n De besluitvorming is voorbereid met toepassing van de openbare uniforme voorbereidingsprocedure op grond van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).\n\n Gelet op artikel 4.8 van de Omgevingswet en artikel 22.45 van het Omgevingsplan van de gemeente Arnhem (geldend vanaf 31 januari 2024) stellen wij maatwerkvoorschriften op.\n\n Op grond van artikel 8:69a Algemene wet bestuursrecht.\n\n Die mag maximaal 10.000 Cd (Candela) zijn. Bij een verlichtingssterkte bij de woning van 0,15 Lux betekent dit een lichtsterkte (Cd) van de armatuur van ongeveer 0,15 *(afstand woning in het kwadraat) 95*95= 1353. 1353 is fors lager dan 10.000 Cd.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:4890","2026-06-19T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:58.656Z",{"id":91,"ecli":92,"slug":93,"caseNumber":43,"courtId":56,"decisionDate":94,"fullText":95,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":96,"sourceTimestamp":97,"parsedAt":50,"updatedAt":98},"1517","ECLI:NL:RBMNE:2026:3289","ecli-nl-rbmne-2026-3289","2026-06-16T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: UTR 25\u002F6779\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juni 2026 op het beroep in de zaak tussen\n [eiser] uit [plaats] , eiser\n\nen\n\nhet college van Dijkgraaf en Heemraden van Waterschap Zuiderzeeland, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. T. de Beet en mr. M.L. Lanz).\n\nInleiding\n\n1. Eiser is eigenaar van het perceel aan de [adres 1] en [adres 2] in [plaats] . Met het besluit van 25 augustus 2025 heeft het waterschap aan de gemeente Almere een omgevingsvergunning verleend voor het graven en verbreden van watergangen en het leggen van dammen met duikers in Oosterworld, ter compensatie van de toename van verhardingen in het gebied. De omgevingsvergunning ziet ook op het graven van een watergang langs het perceel van eiser.\n\n2. Het waterschap heeft de omgevingsvergunning bekendgemaakt middels publicatie in het Waterschapsblad van 28 augustus 2025. De omgevingsvergunning is hierin als volgt omschreven: “De vergunning is verleend voor het graven en verbreden van watergangen voor de compensatie van de toename verharding in Oosterwold (fase 3) op percelen van Staatsbosbeheer en het leggen van dammen met duikers in de nieuwe watergangen tussen de [straat] , de [straat] , de [straat] , de [straat] en de A27 te [plaats] .” Verder is de volgende kaart gevoegd:\n\n3. Belanghebbenden kunnen binnen zes weken, dus uiterlijk op 6 oktober 2025, bezwaar maken tegen de omgevingsvergunning. Eiser heeft zijn bezwaarschrift op 7 november 2025 ingediend. Omdat het bezwaar te laat is en eiser daar volgens het waterschap geen goede reden voor heeft, heeft het waterschap het bezwaar van eiser met het besluit van 24 november 2025 (hierna: het bestreden besluit) niet-ontvankelijk verklaard.\n\n4. Eiser is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld. Het waterschap heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is op 22 april 2026 bij de rechtbank op een zitting behandeld. Eiser is verschenen. Het waterschap heeft zich op de zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden en door [A] , vergunningverlener water.\n\nHet beroep\n\n5. Eiser voert aan dat hij door de onduidelijke publicatie niet kon weten dat de omgevingsvergunning ook zag op het graven van een watergang langs zijn perceel. Allereerst is de omschrijving van de locatie volgens eiser onduidelijk. Genoemde wegen sluiten niet precies op elkaar aan. Zo loopt de [straat] ten oosten van de A27 nog acht kilometer door en houdt de [straat] halverwege het gebied op. Om hoeveel watergangen het gaat wordt ook niet vermeld.\n\n6. Ook de kaart is volgens eiser onduidelijk. Daarop is langs het perceel van eiser géén blauwe lijn ingetekend. Eiser is ervan uitgegaan dat de blauwe lijnen stonden voor de watergangen. Op de kaart bij publicatie van de ontgrondingsvergunning (voor hetzelfde gebied) was dat immers wél het geval. Dat de ingetekende lijnen de begrenzing van het gebied vormen is volgens eiser onlogisch. Niet alleen omdat de lijnen blauw gekleurd zijn (blauw staat normaliter voor water), maar ook omdat de lijnen niet op elkaar aansluiten en daardoor geen net afgebakend gebied vormen. Dit had anders kunnen zijn als het gebied was gearceerd, maar ook dat is niet gebeurd.\n\n7. Verder gaat het om een gebied van maar liefst 17 vierkante kilometer. Volgens eiser kan niet van alle bewoners binnen dat gebied worden verwacht dat zij de stukken opvragen om na te gaan of de omgevingsvergunning ook op hun perceel ziet. Bovendien stond in de ontgrondingsvergunning niet vermeld dat er watercompensatie nodig zou zijn. Als dat wél was gebeurd, had eiser alert kunnen zijn op besluitvorming daarover.\n\n8. Volgens eiser had het waterschap kunnen weten dat hij bezwaren zou hebben tegen het besluit. Eiser heeft namelijk al op 5 juli 2025 (toen hij op de hoogte raakte van de aanvraag) gevraagd om inzage in de omgevingsvergunning, maar daar toen geen reactie op gekregen. Toen de omgevingsvergunning uiteindelijk werd verleend had het waterschap eiser dan ook moeten informeren. Eiser wijst er op dat hij nota bene één dag na de vergunningverlening nog bij het waterschap op gesprek geweest, maar de omgevingsvergunning ook toen niet te berde is gebracht. Eiser kan zich hierdoor niet aan de indruk onttrekken dat het waterschap hem met opzet buiten de boot probeert te houden.\n\n9. Tot slot wijst eiser erop dat zijn belang bij een inhoudelijke behandeling van zijn bezwaar groot is, omdat de watergang zeer negatieve gevolgen zal hebben voor de waterhuishouding op zijn perceel.\n\nBeoordeling van het beroep\n\n10. De rechtbank stelt voorop dat besluiten die niet gericht zijn tot één of meer belanghebbenden, zoals de onderhavige omgevingsvergunning, worden bekendgemaakt door publicatie.Het waterschap publiceert zijn wettelijk voorgeschreven kennisgevingen in het Waterschapsblad, in de vorm van een zakelijke weergave van de inhoud (een korte omschrijving) met vermelding van de wijze waarop en de periode waarin de stukken waar de kennisgeving betrekking op heeft voor eenieder ter inzage liggen.\n\n11. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) geldt als hoofdregel dat als een vergunning is gepubliceerd, de overschrijding van de termijn bij het indienen van een bezwaar daartegen niet verschoonbaar kan worden geacht. Het uitgangspunt is namelijk dat belanghebbenden via de publicatie tijdig kennis hadden kunnen nemen van het besluit. Bij de vraag of de inhoud van het besluit voldoende is weergegeven, moeten alle onderdelen in de publicatie in onderlinge samenhang worden bezien. De zakelijke weergave van het besluit moet voldoende adequaat en duidelijk zijn. Dat het mogelijk is om een locatie nog specifieker weer te geven, betekent op zichzelf niet dat de gegeven locatieomschrijving niet voldoende duidelijk is.\n\n12. Naar het oordeel van de rechtbank is de publicatie van de omgevingsvergunning in dit geval voldoende adequaat en duidelijk geweest. De genoemde vijf straten vormen een afgegrensd gebied. Op de kaart zijn deze straten ingetekend met blauwe lijnen die her en der inderdaad te ver doorgetrokken of te vroeg afgebroken zijn, maar in samenhang bezien met de gegeven locatieomschrijving is naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk dat het hier gaat om het gebied dat tussen deze straten ligt. Daar komt bij dat het perceel van eiser zich midden in het gebied bevindt. Het had dan ook op eisers weg gelegen om bij onduidelijkheid navraag te doen bij het waterschap. Dat het specifieker had gekund door het betreffende gebied te arceren of de lijnen netter in te tekenen, maakt de locatieomschrijving zoals gezegd, nog niet onduidelijk.\n\n13. De rechtbank vind het, anders dan eiser, ook niet zonder meer logisch dat de blauwe lijnen op de kaart in dit geval zouden staan voor watergangen, enkel vanwege de kleur. De lijnen volgen immers de genoemde vijf (verharde) wegen. Dat de blauwe lijnen bij publicatie van de ontgrondingsvergunning wél voor watergangen stonden, maakt dat naar het oordeel van de rechtbank niet anders. De ontgrondingsvergunning is immers verleend (en gepubliceerd) door gedeputeerde staten van de provincie, niet door het waterschap. Het is dus niet zo dat het waterschap ineens een andere werkwijze heeft laten zien. Verder geldt dat het waterschap moet beslissen op een aanvraag zoals die is ingediend, en de aanvraag ziet nu eenmaal op dít gebied van zeventien vierkante kilometer. Die grootte maakt de publicatie naar het oordeel van de rechtbank evenmin onduidelijk.\n\n14. De rechtbank concludeert verder dat, naast het feit dat dit ook niet is vereist, een vermelding van de nodige watercompensatie in de ontgrondingsvergunning geen enkel verschil had gemaakt. Eiser wist immers op 5 juli 2025, dus alsnog ruim op tijd, dat de gemeente Almere een omgevingsvergunning voor watercompensatie had aangevraagd en dat er dus een besluit daarover aanstaande was.\n\n15. Tot slot is de rechtbank niet gebleken dat er sprake is van opzet aan de kant van het waterschap. Hoewel de rechtbank zich eisers frustratie kan voorstellen, is de omgevingsvergunning op een voldoende adequate en duidelijke manier gepubliceerd en is het waterschap dan niet gehouden om belanghebbenden individueel te informeren. Tot slot kan het belang dat eiser heeft bij een beoordeling van zijn bezwaar, niet worden meegewogen bij de vraag of de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht.\n\nConclusie\n\n16. Omdat de beroepsgronden van eiser niet slagen, is het beroep van eiser ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit waarin het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk is verklaard, in stand blijft.\n\n17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is op 16 juni 2026 in het openbaar gedaan door mr. E.M. van der Linde, rechter, in aanwezigheid van mr. N.K. Boer – de Bruin, griffier.\n\n(de griffier is verhinderd om\n\nde uitspraak te ondertekenen)\n\ngriffier rechter\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop de uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 3:42, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht.\n\n Artikel 12, eerste lid van de Bekendmakingswet, Kamerstukken II2018\u002F2019, 35218, nr. 3, pag. 44.\n\nZie de uitspraken van de Afdeling van 3 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1022, 5 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1373 en 27 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4876.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3289","2026-06-15T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:25.018Z",{"id":100,"ecli":101,"slug":102,"caseNumber":43,"courtId":75,"decisionDate":103,"fullText":104,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":105,"sourceTimestamp":106,"parsedAt":50,"updatedAt":107},"748","ECLI:NL:GHARL:2026:3647","ecli-nl-gharl-2026-3647","2026-06-02T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\n\nnummer BK-ARN 25\u002F304\n\nuitspraakdatum: 2 juni 2026\n\nUitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer\n\nop het hoger beroep van\n\n [belanghebbende]te[vestigingsplaats](hierna: belanghebbende)\n\ntegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 18 december 2024, nummer ARN 22\u002F5578, in het geding tussen belanghebbende en\n\nde heffingsambtenaar van de gemeente Doetinchem(hierna: de heffingsambtenaar) en\n\nde Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid)teDen Haag\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. Aan belanghebbende is een aanslag leges opgelegd van € 16.447.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft in zijn uitspraak op dit bezwaar de aanslag leges gehandhaafd.\n\n1.3.. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en vergoedingen voor immateriële schade en proceskosten toegekend van respectievelijk € 1.000 en € 218,75.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.\n\n1.5.. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.6.. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2026. Namens belanghebbende zijn verschenen [naam1] en [naam2] , bijgestaan door [naam3] . Namens de heffingsambtenaar is [naam4] verschenen. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.\n\n2. Feiten\n\n2.1. Belanghebbende heeft op 16 september 2021 een verzoek bij de gemeente Doetinchem ingediend om een (nieuw) bestemmingsplan vast te stellen voor het perceel aan [adres1] en [adres2] te [plaats] Belanghebbende beoogt daarmee de agrarische bestemming om te zetten in een recreatieve bestemming. In samenhang daarmee wordt het bouwen van een woning met bijgebouwen ( [adres3] ) mogelijk gemaakt.\n\n2.2.. Op grond van onderdeel 2.8.1.1 van de tarieventabel behorende bij de Legesverordening 2021 van de gemeente Doetinchem heeft de heffingsambtenaar leges ten bedrage van € 16.477 in rekening gebracht.\n\n2.3.. Belanghebbende heeft bezwaar en beroep ingesteld tegen de aanslag leges. De Rechtbank heeft deze aanslag gehandhaafd. Redengevend daarvoor is dat de door belanghebbende beoogde bestemmingsvaststelling verband houdt met een door haar gewenste herontwikkeling van het perceel (aanwenden voor recreatieve doeleinden en bewoning) en dat daarom sprake is van werkzaamheden door de gemeente die rechtstreeks en in overheersende mate verband houden met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang.\n\n3. Geschil\n\n3.1.. In geschil is of de heffingsambtenaar de aanslag leges terecht heeft opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de heffingsambtenaar bevestigend.\n\n3.2.. Belanghebbende betoogt in dit verband dat het vaststellen van een bestemmingsplan wordt uitgevoerd met het oog op de publieke taakuitoefening van de gemeente en dus niet rechtstreeks en in overheersende mate verband houdt met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang. De heffingsambtenaar is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.\n\n3.3.. Tussen partijen is de berekening van de hoogte van de leges niet in geschil.\n\n3.4.. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de aanslag leges. De heffingsambtenaar concludeert tot handhaving van deze aanslag.\n\n4. Beoordeling van het geschil\n\nRegelgeving4.1.. Op grond van artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro)stelt de gemeenteraad voor het grondgebied van de gemeente een of meer bestemmingsplannen vast, waarbij ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening de bestemming van de in het plan begrepen grond wordt aangewezen en met het oog op die bestemming regels worden gegeven.\n\n4.2.. Ingevolge artikel 3.6 Wro kan bij een bestemmingsplan onder meer worden bepaald dat met inachtneming van de bij het bestemmingsplan te geven regels burgemeester en wethouders binnen bij het plan te bepalen grenzen het plan kunnen wijzigen.\n\n4.3.. In artikel 3.38 Wro is bepaald dat de gemeenteraad in afwijking van artikel 3.1 voor die delen van het grondgebied van de gemeente waar geen ruimtelijke ontwikkeling wordt voorzien, in plaats van een bestemmingsplan een beheersverordening kan vaststellen waarin het beheer van dat gebied overeenkomstig het bestaande gebruik wordt geregeld.\n\n4.4.. In artikel 3.39, lid 1 Wro is geregeld dat op het tijdstip van inwerkingtreding van een beheersverordening voor een gebied waarvoor een bestemmingsplan geldt, het bestemmingsplan vervalt voor zover het op dat gebied betrekking heeft. In het tweede lid is bepaald dat op het tijdstip van inwerkingtreding van een bestemmingsplan voor een gebied waarvoor een beheersverordening geldt, de beheersverordening vervalt voor zover zij op dat gebied betrekking heeft.\n\n4.5.. Op grond van artikel 229, lid 1, aanhef en letter b Gemeentewet kunnen rechten worden geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten. Ingevolge artikel 5 Gemeentewet wordt onder gemeentebestuur verstaan ieder bevoegd orgaan van de gemeente.\n\nOverwegingen4.6.. Ten tijde van het in behandeling nemen van belanghebbendes aanvraag is de beheersverordening ‘Landelijk gebied 2020’ van toepassing. Een dergelijke beheersverordening regelt enkel het beheer overeenkomstig het bestaande gebruik (zie 4.3). Voor het uitvoeren van de door belanghebbende verzochte bestemmingswijziging moet daarom een bestemmingsplan worden vastgesteld als bedoeld in artikel 3.1 Wro (zie 4.1).\n\n4.7.. Op grond van artikel 229, lid 1, aanhef en letter b Gemeentewet kunnen leges worden geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten (zie 4.5). Onder dergelijke diensten worden verstaan de werkzaamheden die rechtstreeks en in overheersende mate verband houden met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang.\n\n4.8.. Naar het oordeel van het Hof gaat het bij het vaststellen door de gemeenteraad van de bestemming van gronden in een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 Wro, rechtstreeks en vooral om het dienen van het publieke belang. Juist dit publieke belang vormt de rechtvaardiging voor de beperkingen die een bestemmingsplan oplegt aan eigenaren van grond binnen dit bestemmingsplan. Het vaststellen van een bestemmingsplan door de gemeenteraad, ook als het plangebied slechts een of enkele percelen betreft, wordt uitgevoerd met het oog op de publieke taakuitoefening van de gemeente en houdt niet rechtstreeks en in overheersende mate verband met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang. Bij het in behandeling nemen van een aanvraag tot het vaststellen van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 Wro is derhalve niet, ook niet gedeeltelijk, sprake van een rechtstreeks aan de aanvrager verrichte dienst waarvoor op grond van artikel 229, lid 1, aanhef en letter b Gemeentewet leges kunnen worden geheven. Hoewel ook hier indirect sprake is van een particulier belang, zoals altijd als een bestemmingsplan wordt vastgesteld met betrekking tot een gebied dat (gedeeltelijk) in eigendom is bij particulieren, is dit particuliere belang naar het oordeel van het Hof niet rechtstreeks en in overheersende mate in het geding.Nu geen sprake is van een dienst in de zin van artikel 229, lid 1, letter b Gemeentewet, is heffing van leges op grond van die bepaling niet mogelijk en dient de aanslag leges te worden vernietigd.\n\nSlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.\n\n5. Griffierecht en proceskosten\n\n5.1.. Het Hof ziet aanleiding voor vergoeding van de in beroep en hoger beroep betaalde griffierechten van € 365 en € 579.\n\n5.2.. Het Hof vindt bovendien aanleiding de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.\n\n5.3.. Het Hof stelt de kosten voor verleende rechtsbijstand op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vast op € 666 voor de bezwaarfase (1 punt voor bezwaarschrift, wegingsfactor 1, waarde per punt € 666), € 1.868 voor de beroepsfase (1 punt voor beroepschrift, 1 punt voor zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 934) en op € 1.868 voor de hogerberoepsfase (1 punt voor hogerberoepschrift, 1 punt voor zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 934). Aangezien de Rechtbank de Staat heeft veroordeeld tot vergoeding van een bedrag van € 218,75 aan kosten in verband met de behandeling van het beroep, en de Staat daartegen geen hoger beroep heeft ingesteld, zal het Hof de door de heffingsambtenaar te betalen vergoeding met dit bedrag verminderen tot € 4.183,25.\n\n6. Beslissing\n\nHet Hof:\n\nverklaart het hoger beroep van belanghebbende gegrond;\n\nvernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissing over de vergoedingen van immateriële schade en van de proceskosten;\n\nvernietigt de uitspraak van de heffingsambtenaar;\n\nvernietigt de aanslag leges;\n\nveroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van in totaal € 4.183,25; en\n\ndraagt de heffingsambtenaar op de door belanghebbende betaalde griffierechten van € 365 en € 579 te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. R.A.V. Boxem en mr. J.W. Keuning, in tegenwoordigheid van mr. G.J. van de Lagemaat als griffier.\n\nDe beslissing is op 2 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.\n\nDe griffier, De voorzitter,\n\n(G.J. van de Lagemaat) (A.J.H. van Suilen)\n\nDeze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\n1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;\n\n2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\n3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\n a. de naam en het adres van de indiener;\n\n b. de dagtekening;\n\n c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\n d. de gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.\n\n De Wet ruimtelijke ordening is per 1 januari 2024 vervangen door de Omgevingswet.\n\n HR 9 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ4105, r.o. 3.3.1; Hof Arnhem-Leeuwarden 13 februari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:1459, r.o. 4.5; Hof Arnhem-Leeuwarden 2 december 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:7776, r.o. 4.3.\n\n Vgl. HR 11 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA2174, r.o. 4.5; Hof Arnhem-Leeuwarden 13 februari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:1459, r.o. 4.7; Hof Arnhem-Leeuwarden 2 december 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:7776, r.o. 4.5.\n\n Vgl. HR 13 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:399, r.o. 2.3.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:3647","2026-06-04T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:46.311Z",{"id":109,"ecli":110,"slug":111,"caseNumber":43,"courtId":112,"decisionDate":113,"fullText":114,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":115,"sourceTimestamp":116,"parsedAt":50,"updatedAt":117},"1986","ECLI:NL:RBROT:2026:7704","ecli-nl-rbrot-2026-7704",61,"2026-05-22T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 26\u002F3326\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 mei 2026 in de zaak tussen\n [naam 1] , uit [woonplaats 1] , verzoekster\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Lansingerland, het college\n\n(gemachtigden: mr. K. Kamila Kozlowska en mr. B.V. Hendriks).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam 2] en [naam 3] uit [woonplaats 2] (vergunninghouders).\n\nProcesverloop\n\n1. Met het besluit van 2 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft het college een omgevingsvergunning verleend aan vergunninghouders voor de legalisatie van een overkapping met zonnepanelen op het dak van de overkapping in de achtertuin behorende bij de woning van vergunninghouders aan [straatnaam] in [woonplaats 2] (het perceel).Verzoekster woont naast vergunninghouders en heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n1.1.. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouders hebben ook schriftelijk gereageerd.\n\n1.2.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 11 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van het college en vergunninghouders.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\nWaar gaat de zaak over?\n\n2. Vergunninghouders hebben de overkapping in hun tuin gebouwd. Daarbij zijn ook de palen waaraan ook de schutting van verzoekster is verbonden vervangen door nieuwe palen. Zowel de schutting van verzoekster als de schutting en een deel van de overkapping van vergunninghouders zijn bevestigd aan deze nieuwe palen. Verzoekster heeft het college om handhaving verzocht en naar aanleiding van het constateringsrapport van 4 augustus 2025 hebben vergunninghouders een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen (legaliseren) van de overkapping gedaan. Het college heeft de vergunning met het bestreden besluit verleend. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij heeft bezwaar gemaakt en verzoekt om een voorlopige voorziening te treffen. Zij stelt dat de overkapping over de erfgrens is gebouwd. Ook stelt ze dat de overkapping in strijd is met het omgevingsplan.\n\nIs er sprake van spoedeisend belang?\n\n3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Vaststaat vast dat de overkapping met zonnepanelen reeds is gebouwd. Niet gebleken is van enige onomkeerbare situatie als er geen voorziening wordt getroffen. De op zitting gegeven onderbouwing van verzoekster dat de schutting op instorten staat, voor zover dit al door de overkapping komt, heeft zij niet aannemelijk gemaakt. Ook het betoog van verzoekster dat zij spoedeisend belang heeft bij een uitspraak door de voorzieningenrechter omdat het bestreden besluit evident onrechtmatig is nu er sprake is van een evident privaatrechtelijke belemmering, slaagt niet. Hoewel verzoekster een grensreconstructierapport van het Kadaster heeft overgelegd, is de burgerlijke rechter de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit, waarbij de bewijslast wordt beheerst door de in die procedure geldende regels. De burgerlijke rechter heeft zich echter nog niet uitgelaten over deze kwestie. Daarbij merkt de voorzieningenrechter bovendien op dat in het geval de burgerlijke rechter zich wel heeft uitgelaten over de kwestie spoedeisendheid en evidente onrechtmatigheid ook nog geen gegeven is. De voorzieningenrechter merkt in dit verband op dat het college, gelet op het limitatief-imperatief stelsel, de omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit ‘bouwen’ moet verlenen wanneer het bouwplan niet in strijd is met de voorwaarden die daaraan zijn gesteld in het omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 5.18, eerste lid, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 22.29 van het omgevingsplan en artikel 8.0a, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Ten slotte kan de voorzieningenrechter slechts een voorlopige voorziening treffen hangende de bodemprocedure en geen eindoordeel geven. Dat verzoekster het bestreden besluit door een onafhankelijke partij wil laten beoordelen maakt dan ook evenmin dat er spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening is.\n\nConclusie\n\n4. Er is geen sprake is van een spoedeisend belang van verzoeker bij het treffen van een voorlopige voorziening. Ook is de voorzieningenrechter niet gebleken dat het bestreden besluit (evident) onrechtmatig is, wat een aanleiding had kunnen zijn om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.\n\n5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. C. Vogtschmidt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Regenboog, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 22 mei 2026.\n\nDe griffier is verhinderd deze uitspraak\n\nmede te ondertekenen\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7704","2026-07-01T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:48.488Z",{"id":119,"ecli":120,"slug":121,"caseNumber":43,"courtId":122,"decisionDate":123,"fullText":124,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":125,"sourceTimestamp":94,"parsedAt":50,"updatedAt":126},"1697","ECLI:NL:RBZWB:2026:5289","ecli-nl-rbzwb-2026-5289",85,"2026-05-06T00:00:00.000Z",",RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Bergen op Zoom\n\nZaaknummer: 11668103 \\ CV EXPL 25-1369\n\nVonnis van 6 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [huurder 1] ,\n\nte [plaats] , 2. [huurder 2],\n\nte [plaats] ,\n\neisende partijen in conventie,\n\nverwerende partijen in reconventie,\n\nhierna samen te noemen: [huurders] ,\n\ngemachtigde: mr. T.M. Kools,\n\ntegen\n\nSTART HOME RENTALS B.V.,\n\nte Rotterdam,\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: SHR,\n\ngemachtigde: mr. P. Smit.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 3 december 2025 en de daarin genoemde stukken, - de akte van [huurders] , - de akte van SHR.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De verdere beoordeling\n\nTussenvonnis\n\n2.1.. In het tussenvonnis van 3 december is vastgesteld dat SHR recht heeft op huurprijsvermindering doordat [huurders] niet een toereikende vergunning heeft aangevraagd, wat een gebrek oplevert. Over de omvang van de huurprijsvermindering was nog niet voldoende gedebatteerd. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich in een akte uit te laten over wat volgens hen de omvang van de huurprijsvermindering dient te zijn.\n\nAktes\n\n2.2.. \n [huurders] heeft in zijn akte geprotesteerd tegen de vastgestelde huurprijsvermindering. Hoewel de plicht om de vergunning aan te vragen op [huurders] rust, is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onredelijk dat SHR zich hierop beroept. Zij wist volgens [huurders] dat een vergunning verplicht was, maar heeft [huurders] daar niet van op de hoogte gesteld. Voorts beroept [huurders] zich, gelet op het voorgaande, op eigen schuld uit artikel 6:101 BW. Ook zou SHR niet hebben voldaan aan haar stelplicht.\n\n2.3.. SHR heeft zich in haar akte uitgelaten over haar standpunt met betrekking tot de omvang van de huurprijsvermindering. Dit standpunt komt in essentie overeen met hetgeen zij reeds in haar conclusie van antwoord naar voren heeft gebracht. Waar zij voorheen een maandelijkse huurprijs van € 3.150,00 aan haar onderhuurders in rekening bracht, verhuurt zij de woning thans voor € 1.750,00 per maand. Dit betekent dat zij maandelijks € 1.400,00 minder aan huurinkomsten ontvangt. Niettemin heeft SHR, uit coulance, niet het volledige bedrag van € 1.400,00 opgeschort, maar een bedrag van € 1.181,83. Zij heeft daarbij aansluiting gezocht bij een puntentelling op basis van het woningwaarderingsstelsel. Uit deze berekening volgt een huurprijs van € 860,17 per maand, welke zij als een redelijke huurprijs beschouwt.\n\nBeoordeling huurprijsvermindering\n\n2.4.. Nu partijen zich bij akte hebben uitgelaten, dient de kantonrechter de omvang van de huurprijsvermindering te beoordelen. De kantonrechter zal daartoe eerst de standpunten in de aktes bespreken, waarna de huurprijsvermindering wordt vastgesteld.\n\n2.5.. \n [huurders] heeft in zijn akte diverse verweren aangevoerd. Deze zien met name op de vraag of een huurprijsvermindering aan de orde is. Die vraag staat echter niet meer ter beoordeling, nu bij tussenvonnis reeds is geoordeeld dat SHR recht heeft op huurprijsvermindering. Deze verweren blijven daarom in beginsel buiten beschouwing. Niettemin overweegt de kantonrechter, ten overvloede, het volgende.\n\nDwingend recht en redelijkheid & billijkheid\n\n2.5.1.. \n\nArtikel 7:209 BW is van dwingend recht en bepaalt dat van de artikelen 7:206 lid 1 en 2, 7:207 en 7:208 BW niet ten nadele van de huurder kan worden afgeweken, voor zover het gebreken betreft die de verhuurder bij het aangaan van de huurovereenkomst kende of behoorde te kennen. Daarvan is hier sprake. De op het gehuurde rustende vergunningsplicht bestond reeds ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst, zodat deze voor [huurders] kenbaar was, dan wel had behoren te zijn. Daarmee is sprake van een gebrek in de zin van artikel 7:204 BW, waarop artikel 7:209 BW dus van toepassing is. Voor de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid is daarom geen plaats. Toepassing daarvan zou namelijk neerkomen op het doorbreken van dwingend huurbeschermingsrecht, terwijl artikel 7:209 BW juist strekt tot bescherming van de huurder tegen nadelige afwijkingen. Dat strookt dus niet met het doel van de regeling en is slechts in uitzonderlijke gevallen mogelijk, waarvan hier geen sprake is.\n\nEigen schuld\n\n2.5.2.. Het beroep van [huurders] op eigen schuld is niet aan de orde. Dat artikel geldt alleen bij schadevergoeding en niet bij huurprijsvermindering. Huurprijsvermindering heeft een eigen wettelijke grondslag en hangt niet af van een verdeling van schuld\u002Fverwijtbaarheid.\n\nOmvang huurprijsvermindering\n\n2.6.. SHR heeft haar standpunt, dat € 860,17 per maand een redelijke huurprijs is, onderbouwd met een puntentelling op grond van het woningwaarderingsstelsel. SHR heeft aangevoerd dat de puntentelling uitkomt op 140 punten, hetgeen resulteert in een maximale huurprijs van € 860,17. [huurders] heeft zowel ter zitting als in zijn akte gelegenheid gehad om op deze puntentelling te reageren, maar heeft daarop geen inhoudelijk verweer gevoerd. De kantonrechter sluit aan bij de door SHR aangevoerde huurprijs, nu deze onvoldoende gemotiveerd is betwist en ook niet onredelijk voorkomt. De kantonrechter acht deze huurprijs passend bij een dergelijke woning in een omgeving zoals hier aan de orde is. De huurprijs zal daarom tot € 860,17 worden verminderd.\n\n2.7.. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord vanaf welke datum de huurprijsvermindering geldt. Op grond van artikel 7:207 BW heeft de huurder recht op huurprijsvermindering vanaf het moment dat sprake is van een gebrek dat het huurgenot vermindert, en zolang dat gebrek voortduurt. De huurprijsvermindering geldt dus voor de periode waarin het gebrek bestaat. In dit geval is het gebrek het ontbreken van een toereikende omgevingsvergunning voor het overeengekomen gebruik. Dit gebrek bestaat sinds september 2024, het moment waarop SHR is gestart met de onderverhuur van de woning aan één huishouden. SHR vordert echter huurprijsvermindering met ingang van 1 december 2024, tot het moment waarop het gebrek is hersteld, te weten het moment waarop een toereikende omgevingsvergunning voor dat gebruik is verkregen. De huurprijsvermindering zal daarom ingaan per 1 december 2024 en gelden tot het moment waarop dit gebrek is verholpen.\n\nBeoordeling huurachterstand en nevenvorderingen\n\n2.8.. De kantonrechter stelt vast dat na toepassing van de huurprijsvermindering een huur van € 860,17 per maand verschuldigd is. Vaststaat dat SHR dit bedrag steeds correct heeft voldaan, zodat van een huurachterstand geen sprake is. Het beroep van [huurders] op het alsnog bestaan van een achterstand wegens een contractueel opschortingsverbod wordt verworpen, omdat de huurprijsvermindering voortvloeit uit artikel 7:209 BW en dwingendrechtelijk van aard is, zodat daarvan niet contractueel kan worden afgedaan.\n\n2.9.. De huurprijs wordt derhalve vastgesteld op € 860,17 per maand met ingang van 1 december 2024, en blijft gelden zolang het gebrek voortduurt, te weten totdat een toereikende omgevingsvergunning is verkregen.\n\n2.10.. De nevenvorderingen worden afgewezen, aangezien SHR niet tekort is geschoten in haar betalingsverplichting voor wat betreft de huurprijs en dus niet in verzuim verkeert.\n\nProceskosten\n\nin conventie\n\n2.11.. \n [huurders] is in conventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van SHR worden begroot op:\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n900,00\n\n(2,5 punten × € 360,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.044,00\n\nin reconventie\n\n2.12.. \n [huurders] is in reconventie is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [huurders] worden begroot op:\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n360,00\n\n(1 punt × € 360,00)\n\nTotaal\n\n€\n\n360,00\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\nin conventie\n\n3.1.. wijst de vorderingen van [huurders] af,\n\n3.2.. veroordeelt [huurders] in de proceskosten van € 1.044,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,\n\n3.3.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\nin reconventie\n\n3.4.. stelt de huurprijs voor de woonruimte aan de [adres] vast op € 860,17 per maand, met ingang van 1 december 2024 en voortdurend totdat het gebrek is verholpen, te weten totdat een toereikende omgevingsvergunning is verkregen,\n\n3.5.. veroordeelt [huurders] in de proceskosten van € 360,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,\n\n3.6.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n3.7.. wijst het meer of anders gevorderde af,\n\nin conventie en in reconventie\n\n3.8.. veroordeelt [huurders] tot betaling van de kosten van betekening als [huurders] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Van den Boom en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.\n\n(MA)","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5289","2026-07-13T00:29:34.127Z",{"id":128,"ecli":129,"slug":130,"caseNumber":43,"courtId":131,"decisionDate":132,"fullText":133,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":134,"sourceTimestamp":135,"parsedAt":50,"updatedAt":136},"1009","ECLI:NL:RBAMS:2026:4662","ecli-nl-rbams-2026-4662",56,"2026-04-20T00:00:00.000Z","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AMS 25\u002F2084\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 20 april 2026 in de zaak tussen\n\nHuurdersvereniging [naam] , te [plaats] , eiseres\n\n(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. L.C. van Elewoud).\n\nAls derde-partij neemt aan het geding deel [bedrijf] te Amsterdam.\n\nPartijen zullen hierna respectievelijk de Huurdersvereniging, het college en [bedrijf] worden genoemd.\n\nSamenvatting\n\n1. In deze uitspraak komt de rechtbank tot de conclusie dat het gebrek dat is vastgesteld in de tussenuitspraak is hersteld. Het college heeft [bedrijf] de gelegenheid gegeven om alsnog de verplichte participatie uit te voeren. De aan [bedrijf] verleende omgevingsvergunning kan in stand blijven met de aanvullende motivering van het college.\n\n1.1. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot deze conclusie komt.\n\nProcesverloop\n\n2. [bedrijf] exploiteert een horecazaak met een terras op het adres [adres 1] . Op 13 maart 2024 heeft [bedrijf] een omgevingsvergunning aangevraagd voor het wijzigen van het gebruik voor een onbebouwd horecaterras op het perceel [adres 1] . Met de aanvraag wil [bedrijf] het bestaande horecaterras legaliseren en vergroten voor wat betreft het onbebouwde deel met een breedte van 6 meter en een diepte van 1,88 meter.\n\n2.1. Met het primaire besluit van 24 juli 2024 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend.\n\n2.2. In het bestreden besluit van 14 februari 2025 op het bezwaar van de Huurdersvereniging heeft het college de omgevingsvergunning gehandhaafd.\n\n2.3. Op 26 maart 2025 heeft het college de beslissing op bezwaar van 14 februari 2025 gewijzigd door de oorspronkelijke tekening die onderdeel is van de omgevingsvergunning te vervangen door een aangepaste tekening.\n\n2.4. De Huurdersvereniging heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.5. De rechtbank heeft het beroep op 9 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van de Huurdersvereniging, de gemachtigde van het college en tot slot [persoon 1] en [persoon 2] , aandeelhouders van [bedrijf].\n\n2.6. In de tussenuitspraak van 20 november 2025 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek - het ontbreken van verplichte participatie - in het bestreden besluit te herstellen.\n\n2.7. Het college heeft in reactie op de tussenuitspraak [bedrijf] in de gelegenheid gesteld om alsnog de verplichte participatie uit te voeren. [bedrijf] heeft daarvan gebruik gemaakt, waarna het college in de brief van 30 januari 2026 heeft geconcludeerd dat op voldoende wijze is geparticipeerd door [bedrijf] en dat de belangenafweging die ten grondslag ligt aan het bestreden besluit ongewijzigd blijft.\n\n2.8. De Huurdersvereniging heeft hier op 20 februari 2026 schriftelijk op gereageerd.\n\n2.9. De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.\n\nOverwegingen\n\n3. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.\n\n3.1. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geconcludeerd dat er geen participatie heeft plaatsgevonden bij de voorbereiding van de aanvraag. Omdat de uitkomst van participatie mee kan wegen in de belangenafweging die verricht moet worden bij de buitenplanse omgevingsvergunning, had het college [bedrijf] alsnog in de gelegenheid moeten stellen de verplichte participatie uit te voeren. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld dit gebrek te herstellen.\n\n3.2. Het college heeft ter uitvoering van de tussenuitspraak laten weten dat [bedrijf] op 15 december 2025 een bewonersbrief heeft verspreid op meerdere adressen in de [adres 2] en de [adres 3] . Daarnaast is in het restaurant van [bedrijf] duidelijk zichtbaar een bewonersbrief aangeplakt. Na afloop van de reactietermijn zoals opgenomen in de bewonersbrief, heeft [bedrijf] een participatieplan geschreven, waaruit volgt dat er geen reactie is ontvangen op de verspreide en aangeplakte bewonersbrieven. Het college heeft de bewonersbrief en het participatieplan overgelegd.\n\n3.3. De Huurdersvereniging voert in de zienswijze kort gezegd aan dat er te laat, te weinig en onvoldoende is geparticipeerd. Volgens haar is de herstelpoging van het college niet geslaagd. Daarnaast wijst de Huurdersvereniging erop dat, ondanks de discussie op zitting en de tussenuitspraak, er toch een bebouwd terras is gerealiseerd.\n\nWel of geen bebouwd terras?\n\n3.4. Volgens de Huurdervereniging heeft [bedrijf] een terras gebouwd, ook al staat in de aanvraag om een omgevingsvergunning dat het gaat om een onbebouwd terras. Dit is in strijd met het geldende bestemmingsplan en hiervoor is geen omgevingsvergunning verleend. Ter illustratie heeft de Huurdersvereniging een foto van het terras ingebracht. De Huurdersvereniging verzoekt de rechtbank de omgevingsvergunning op deze grond te vernietigen.\n\n3.5. De rechtbank stelt vast dat de Huurdersvereniging hiermee, deels in andere bewoordingen, heeft herhaald wat zij al eerder in deze procedure naar voren heeft gebracht. Hierover heeft de rechtbank zich al uitgelaten in de tussenuitspraak. De rechtbank kan behalve in zeer uitzonderlijke gevallen niet terugkomen van zo'n in de tussenuitspraak gegeven oordeel. De rechtbank is van oordeel dat zich hier niet zo'n zeer uitzonderlijk geval voordoet. Dat betekent dat de rechtbank niet terugkomt van haar oordeel in de tussenuitspraak. Indien de realisatie van het terras volgens de Huurdersvereniging afwijkt van wat door het college is vergund, kan de Huurdersvereniging een verzoek om handhaving indienen. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nIs de hersteltermijn overschreden?\n\n3.6. Volgens de Huurdersvereniging heeft het college het gebrek te laat hersteld, namelijk niet binnen de termijn van acht weken na verzending van de tussenuitspraak.\n\n3.7. De rechtbank stelt vast dat het college het gebrek inderdaad niet binnen de geboden termijn heeft hersteld. De tussenuitspraak is verzonden op 21 november 2025, zodat de hersteltermijn van acht weken eindigde op 16 januari 2026. Op 30 januari 2026 heeft de rechtbank de aanvullende motivering van het college ontvangen. Het college heeft niet om verlenging van de hersteltermijn verzocht.\n\n3.8. De rechtbank overweegt dat de gegeven termijn in de tussenuitspraak een bindende termijn is. De Algemene wet bestuursrecht verbindt daar echter niet de conclusie aan dat de rechtbank gehouden is de nadere motivering steeds buiten beschouwing te laten als deze na die termijn wordt ingediend. Het is aan de rechtbank om te bepalen, mede gelet op de voortgang van het beroep, of de nadere motivering in de beoordeling van het beroep wordt betrokken. In dit geval heeft de rechtbank het onderzoek niet direct na het verstrijken van de geboden hersteltermijn gesloten en is de aanvullende motivering vóór sluiting van het onderzoek ontvangen. Verder heeft de Huurdersvereniging de mogelijkheid gekregen om inhoudelijk op de aanvullende motivering van het college te reageren. De Huurdersvereniging is door de termijnoverschrijding dan ook niet in haar belangen geschaad. Gelet op het voorgaande en met het oog op een efficiënte beslechting van het voorliggende geschil, ziet de rechtbank geen aanleiding om de aanvullende motivering buiten beschouwing te laten.\n\n3.9. Volgens de Huurdersvereniging is het college ook om andere redenen te laat met het herstelbesluit. Zowel na het indienen van de aanvraag als in de bezwaarfase had het college [bedrijf] erop kunnen wijzen dat de verplichte participatie ontbrak en dat deze alsnog uitgevoerd moest worden.\n\n3.10. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Het is juist dat het college [bedrijf] er eerder op had kunnen wijzen dat de verplichte participatie ontbrak. Dat is op dit moment echter een gepasseerd station. Aangezien de rechtbank in de tussenuitspraak het college in de gelegenheid heeft gesteld dit gebrek te herstellen, is nu niet aan de orde dat het college [bedrijf] eerder in de gelegenheid had moeten stellen om de verplichte participatie uit te voeren. De rechtbank gaat daarom aan deze beroepsgrond voorbij.\n\nIs het gebrek hersteld?\n\n3.11. Volgens de Huurdersvereniging is het gebrek niet hersteld. [bedrijf] heeft de kring van participanten te klein gehouden door zich te beperken tot de directe buren en de klanten die de horecazaak bezoeken. Verder is onvoldoende gevolg gegeven aan de Participatiehandreiking, omdat er geen online enquête is gehouden, omwonenden en bedrijven niet zijn aangeschreven en er geen informatieavond is georganiseerd. Tot slot wijst de Huurdersvereniging erop dat in het participatieverslag niets terug te vinden is van de bezwaren die bij de Huurdersvereniging leven. [bedrijf] heeft de Huurdersvereniging ten onrechte niet betrokken in het participatieproces.\n\n3.12. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak vastgesteld dat op grond van het Aanwijzingsbesluit elke vorm van participatie voldoende is, waarbij de Participatiehandreiking als hulpmiddel kan worden gebruikt. Verder heeft de rechtbank in de tussenuitspraak overwogen dat [bedrijf] de omgeving had moeten raadplegen, waarbij het volgens de Participatiehandreiking gaat om het verzamelen van reacties, ideeën en meningen van directe buren, omwonenden en ondernemers in de buurt. De rechtbank is van oordeel dat [bedrijf] met het verspreiden van een brief onder de directe buren en omwonenden alsmede met het aanplakken van diezelfde brief in het restaurant, op juiste wijze gevolg heeft gegeven aan de Participatiehandreiking. Er bestond geen verplichting om de Huurdersvereniging actief in het participatieproces te betrekken. De bezwaren van de Huurdersvereniging waren bovendien al bij [bedrijf] bekend. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\n3.13. De Huurdersvereniging heeft verder aangevoerd dat de bewonersbrief misleidend is, omdat er niet in wordt genoemd dat het gaat om een horecaterras in strijd met het bestemmingsplan en er niet in staat dat de participatie onderdeel is van een legalisatietraject. Ook heeft [bedrijf] zich volgens de Huurdersvereniging niet gehouden aan de opdracht door in de bewonersbrief een tweede participatie te starten voor een ander terras. De bewonersbrief had daardoor geen eenduidig doel.\n\n3.14. De rechtbank is van oordeel dat van misleiding geen sprake is. Participatie is erop gericht om bewoners en ondernemers te informeren en te betrekken bij projecten die impact hebben op hun directe leefomgeving en vindt normaal gesproken plaats voordat een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt ingediend. Het is vervolgens aan het college om de aanvraag juridisch te duiden en te beoordelen. Dat het horecaterras in strijd is met het bestemmingsplan hoefde in de bewonersbrief dan ook niet te worden vermeld. Dat de verplichte participatie in het kader van deze procedure plaatsvindt na indiening van de aanvraag betekent niet dat [bedrijf] deze informatie wel moest delen. Verder stond het [bedrijf] vrij om in de bewonersbrief ook te vragen wat de directe omgeving vindt van een mogelijke toekomstige uitbreiding van het terras. Daarover heeft [bedrijf] in de brief helder gecommuniceerd dat deze uitbreiding nog niet is aangevraagd en dat zij eerst wil kijken hoe de directe omgeving hierover denkt. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\n3.15. Tot slot wijst de Huurdersvereniging erop dat uit de aanvullende motivering van het college niet blijkt wie de participatie heeft beoordeeld en of deze persoon deskundig en bevoegd is te besluiten of de participatie voldoende en overeenkomstig de Participatiehandreiking is uitgevoerd.\n\n3.16. De rechtbank stelt vast dat de aanvullende motivering is ondertekend namens het college, dat bevoegd is om het bestreden besluit te nemen, te wijzigen en aan te vullen. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank aan de formele vereisten voldaan en is geen sprake van een bevoegdheidsgebrek.\n\n3.17. De rechtbank concludeert dat het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek is hersteld doordat [bedrijf] alsnog de verplichte participatie heeft uitgevoerd en het college dit alsnog bij het bestreden besluit heeft betrokken. Er zijn tijdens de participatieperiode geen reacties ontvangen, waarna het college heeft geconcludeerd dat de belangenafweging in het bestreden besluit niet anders zou zijn geweest als het participatieplan van [bedrijf] direct bij het indienen van de aanvraag om een omgevingsvergunning zou zijn overgelegd. Deze conclusie kan de rechtbank volgen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n4. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit vanwege het ontbreken van verplichte participatie. Omdat het college in zijn reactie op de tussenuitspraak en de aanvullende motivering van 30 januari 2026 het gebrek heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.\n\n4.1. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan de Huurdersvereniging het door haar betaalde griffierecht vergoeden.\n\n4.2. De Huurdersvereniging krijgt ook een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Het college moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2,5 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus) met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 2.335,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit;\n\n- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;\n\n- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 385,- aan de Huurdersvereniging te vergoeden;\n\n- veroordeelt het college in de proceskosten van de Huurdersvereniging tot een bedrag van € 2.335,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.W. Speksnijder, voorzitter, en mr. A.M. van der Linden-Kaajan en mr. J.W. Vriethoff, leden, in aanwezigheid van mr. M.M. Mazurel, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2026.\n\nDe griffier is verhinderd\n\nde uitspraak te ondertekenen.\n\n voorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4662","2026-05-13T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:58.790Z",{"id":138,"ecli":139,"slug":140,"caseNumber":43,"courtId":112,"decisionDate":141,"fullText":142,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":143,"sourceTimestamp":132,"parsedAt":50,"updatedAt":144},"1782","ECLI:NL:RBROT:2026:4563","ecli-nl-rbrot-2026-4563","2026-04-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ROT 24\u002F10183 en ROT 24\u002F10245\n uitspraak van de meervoudige kamer van 3 april 2026 in de zaken tussenROT 24\u002F10183\n\n [ eiser 1] , [eiser 1A] , [eiser 1B] , [eiser 1C] , [eiser 1D] , [eiser 1E] , [eiser 1F] en [eiser 1G], uit [plaats 1] , eisers 1\n\n(gemachtigde: mr. J. van Groningen),\n\nROT 24\u002F10245\n\n [eiser 2] en [eiser 2A] ( [bedrijf 2] ), eisers 2,\n\n(gemachtigde: [naam gemachtigde] ),\n\ntezamen aangeduid als: eisers\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Zwijndrecht, het college\n\n(gemachtigde: mr. H. Dierkx),\n\nen\n\nhet college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, gedeputeerde staten,\n\n(gemachtigde: mr. K. Giezeman).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaken deel: [vergunninghoudster] . uit [plaats 2] (vergunninghoudster)\n\n(gemachtigde: mr. J. van Eekeren).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de verlening van een omgevingsvergunning voor een zonnepark voor de duur van 25 jaar nabij het rangeerterrein Kijfhoek in Zwijndrecht. Gedeputeerde staten hebben hiervoor ontheffing verleend van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening. Zij betwisten de door gedeputeerde staten verleende ontheffing. Ook betogen zij dat er ten onrechte niet aan de zonneladder is getoetst. Verder betogen zij dat het project niet voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, en hun woon- en leefklimaat onvoldoende is meegewogen. Eisers vinden ook dat het college niet heeft voldaan aan de plicht tot participatie. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de omgevingsvergunning.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is.Dit betekent dat de omgevingsvergunning in stand blijft.\n\nProcesverloop\n\n2. Met het besluit van 3 oktober 2024 (het bestreden besluit) heeft het college de omgevingsvergunning zoals beschreven onder 1 verleend.\n\n2.1.. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.2.2.. Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghoudster heeft ook schriftelijk gereageerd.2.3.. Eisers hebben op 14 januari 2026 een aanvullend beroepschrift ingediend met bijlagen.\n\n2.4.. De rechtbank heeft de beroepen op 28 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eisers 1, [eiser 1C] en [eiser 1F] en hun gemachtigde, eisers 2 en hun gemachtigde, de gemachtigde van het college, de gemachtigde van gedeputeerde staten en de gemachtigde van vergunninghoudster.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nTotstandkoming van het bestreden besluit\n\n3. Vergunninghoudster is een samenwerking tussen Eneco, Novar en Drechtse Energie en wil een zonnepark realiseren ten noorden van het rangeerterrein de Kijfhoek. Het project heeft betrekking op de volgende kadastrale percelen, gemeente Zwijndrecht, sectie [sectienaam 1] , nummers [perceenummer] , [perceelnummer 1] [perceelnummer 2] [perceelnummer 3] , [perceelnummer 4] , [perceelnummer 5] , [perceelnummer 6] , [perceelnummer 7] , [perceelnummer 8] , [perceelnummer 9] , [perceelnummer 10] , [perceelnummer 11] , [perceelnummer 12] , [perceelnummer 13] en gemeente Heerjansdam, sectie [sectienaam 2] , nummers [perceelnummer 14] (gedeeltelijk), [perceelnummer 15] , [perceelnummer 16] en [perceelnummer 17] (de percelen). Het zonnepark heeft een totale oppervlakte van ongeveer 43 hectare. Binnen het hekwerk van het zonnepark (33 hectare) wordt 20,1 hectare aan zonnepanelen geplaatst.\n\n3.1.. De locatie van het zonnepark is opgenomen in de Regionale Energiestrategie Drechtsteden (RES 1.0), die is vastgesteld door meerdere bestuursorganen, waaronder de gemeenteraad van Zwijndrecht (de raad) en provinciale staten van Zuid-Holland. Dit beleidsdocument vloeit weer voort uit het Nederlandse Klimaatakkoord. In het Klimaatakkoord staat hoe Nederland de afspraken uit de klimaatovereenkomst van Parijs nationaal uit gaat werken. Eén van de afspraken in het Klimaatakkoord is dat Nederland wordt opgedeeld in 30 regio’s. Alle regio’s hebben de taak om te onderzoeken hoe en waar ze het best duurzame elektriciteit op land (zon en wind) kunnen opwekken, welke warmtebronnen ze kunnen gebruiken om aardgas te vervangen en wat er nodig is om deze duurzame energie te kunnen opslaan en transporteren. Drechtsteden is één van de 30 energieregio’s.\n\n3.2.. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Ter plaatse van de percelen geldt het Omgevingsplan gemeente Zwijndrecht (het omgevingsplan). Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden.Op de percelen was voor zover relevant vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan “Buitengebied” van kracht. Dit bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. De percelen hebben voor zover relevant de enkelbestemming “Agrarisch” (artikel 3 van de planregels).\n\n3.3.. Op de percelen is tevens de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV) van toepassing. De percelen zijn aangewezen als “Groene Buffer” (beschermingscategorie 2).\n\n3.4.. Het college heeft een omgevingsvergunning verleend voor een omgevingsplanactiviteit, bestaande uit een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, bouwactiviteit en uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheid.\n\n3.5.. De omgevingsvergunning is voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. De raad heeft een positief bindend advies afgegeven. Gedeputeerde staten hebben ontheffing verleend van de ZHOV.\n\nToetsingskader\n\n4. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nOntvankelijkheid4.1.. Vergunninghoudster heeft gesteld dat eisers niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard, zonder dit standpunt te onderbouwen. De rechtbank ziet geen aanleiding vergunninghoudster hierin te volgen, zodat eisers in hun beroepen worden ontvangen.\n\nGoede procesorde\n\n5. Het college heeft de rechtbank verzocht om het aanvullende beroep van eisers 2 buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde.\n\n5.1.. Gelet op de beperkte omvang van het aanvullend beroepschrift, waarbij enkele gronden aan het beroepschrift van 14 november 2024 zijn toegevoegd, en de inhoudelijke reacties die partijen op de zitting hebben kunnen geven, heeft de rechtbank, zoals reeds op de zitting beslist, geen aanleiding gezien om het aanvullend beroepschrift buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde.\n\nGroene Buffer\n\n6. Eisers 1 betogen dat de verlening van een ontheffing door gedeputeerde staten niet betekent dat de ontheffing rechtmatig is verleend. Het college heeft bij gebruikmaking van de ontheffing een eigen verantwoordelijkheid. Het college moet beoordelen of de ontheffing rechtmatig is verleend. Volgens eisers 1 hadden gedeputeerde staten de ontheffing niet mogen verlenen en raakt dit de omgevingsvergunning.\n\n6.1.. Op grond van artikel 8.0b, eerste lid, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn, voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, de regels van de ZHOV die zien op omgevingsplannen van toepassing.In dit geval is het project in strijd met artikel 7.43b, tweede lid, en artikel 7.43k van de ZHOV. Op verzoek van het college hebben gedeputeerde staten een ontheffing verleend.Op grond van artikel 16.85, eerste lid, van de Ow wordt voor de mogelijkheid van beroep een besluit tot het verlenen van een ontheffing op grond van artikel 2.32 van de Ow geacht deel uit te maken van het besluit waarover de regel waarvan ontheffing is verzocht, is gesteld.\n\n6.2.. Geen rechtsregel schrijft voor dat het college moet motiveren waarom hij gebruikmaakt van een door hem aangevraagde provinciale ontheffing. Wel kan de rechtmatigheid van de verleende ontheffing in het kader van de procedure over de omgevingsvergunning worden getoetst. Eisers (hebben) kunnen reageren op de ontheffing via de zienswijze- en beroepsprocedure. Gedeputeerde staten gaan op grond van artikel 7.82 van de ZHOV over de (motivering van de) verleende ontheffing. Het college heeft hierin geen eigen bevoegdheid.\n\n6.3.. Eisers kunnen zich niet vinden in de motivering van de verleende ontheffing. Eisers 2 voeren daartoe aan dat het gaat om een grootschalige transformatie en dat dit het karakter van de “Groene Buffer” aantast. Eisers 1 voeren aan dat de ontwikkeling van het zonnepark niet aansluit bij de kwaliteiten die horen bij de “Groene Buffer”. De biodiversiteit onder de zonnepanelen mag niet afnemen, maar doet dit wel. In ieder geval ontbreekt een gemotiveerde onderbouwing van dat standpunt. Er wordt juist een grote inbreuk gemaakt op de omgevingskwaliteit en in plaats van groen komt er 20 hectare aan zonnepanelen te liggen. Het open laten van 21 hectare en ecologisch inrichten maakt het zonnepark nog niet passend. Zonder zonnepanelen zou de “Groene Buffer” meer gediend zijn. Het ecologisch inrichten houdt ook slechts in dat er struweel wordt gerealiseerd en wordt voorzien in de aanleg van natuurvriendelijke oevers. Daarvoor wordt 20 hectare open grond ingeleverd. Daarnaast is nu al sprake van natuurvriendelijke oevers. Wel degelijk bevat het bestaande gebied de kwaliteiten die horen bij het karakter van een “Groene Buffer”. Dat het zonnepark juist (contrast)kwaliteiten toevoegt aan het gebied achten eisers onbegrijpelijk. Gedeputeerde staten laten ook na dit van een nadere onderbouwing te voorzien.\n\n6.4.. Tussen partijen is niet in geschil dat het project een grootschalige ontwikkeling is in gebiedstype “beschermingsniveau 2, Groene Buffer”. Verder is niet in geschil dat een zonnepark van deze omvang, verspreid over drie deelgebieden aan de Langeweg niet past binnen de bestaande gebiedsidentiteit van het gebied en daarom wordt beschouwd als “transformeren”. Grootschalige ontwikkeling en transformeren zijn in strijd met respectievelijk artikel 7.43b, tweede lid, en artikel 7.43k van de ZHOV.\n\n6.5.. Voorop staat dat, gelet op artikel 7.82 van de ZHOV, gedeputeerde staten ontheffing kunnen verlenen van afdeling 7.3, waar onder meer de artikelen 7.43b en 7.43k van de ZHOV onder vallen. Dat betekent dat een grootschalige ontwikkeling die het gebied transformeert, in dit geval een zonnepark, mogelijk gemaakt kan worden in de “Groene Buffer”. Een ontheffing moet wel goed worden gemotiveerd. De rechtbank oordeelt op basis van de stukken en het verhandelde op zitting dat gedeputeerde staten het besluit tot ontheffing voldoende hebben gemotiveerd. Daartoe wordt het volgende overwogen. Gedeputeerde staten hebben toegelicht dat het project aansluit bij de kwaliteiten die horen bij de “Groene Buffer”. Dat sprake is van een grootschalige ontwikkeling en transformeren staat hier niet aan in de weg. Gedeputeerde staten hebben ter onderbouwing van hun standpunt het navolgende aangevoerd. Het gebied heeft in de bestaande situatie beperkt de kwaliteiten die horen bij het karakter van een “Groene Buffer”, vanwege het intensieve agrarische gebruik en gebrek aan natuur- en recreatiewaarden. Door de realisatie van brede natuurzones, groenblauwe structuren en de aanzet van het kavelpatroon voegt het project (contrast)kwaliteiten toe aan het gebied die passen bij een “Groene Buffer”. Het belang achter het verbod op transformeren en grootschalige ontwikkelingen in de “Groene Buffer”, namelijk de bescherming van de functie van het gebied als stedelijke tegenhanger, wordt daarom niet geschaad. Verder achten gedeputeerde staten van belang dat er sprake is van een omgevingsfonds, waarmee ruimte wordt geboden aan projecten\u002Finitiatieven van bijvoorbeeld natuurverenigingen of andere organisaties op het gebied van energiebesparing, duurzame energie of verbetering van de leefbaarheid, om zodoende de recreatieve, landschappelijke of natuurwaarde van de “Groene Buffer” te verbeteren. Dit is conform het PARK-advies “Advies over zonnevelden Kijfhoek” van 31 oktober 2023 en de H+N+S-studie naar de inrichting van het gebied Kijfhoek. Ook hechten gedeputeerde staten belang aan het feit dat provinciale staten de RES 1.0 hebben vastgesteld, waarin de locatie Kijfhoek is aangewezen als uitwerkingsgebied voor de opwekking van grootschalige zonne-energie. Met de omgevingsvergunning wordt invulling gegeven aan de taak van nationale reductiedoelstellingen om globale klimaatverandering tegen te gaan. Hier zijn nationale en internationale belangen bij betrokken. Strikte toepassing van de artikelen 7.43b, tweede lid, en 7.43k van de ZHOV zouden deze taak onevenredig belemmeren, waardoor voldoende grond bestaat om ontheffing te verlenen voor deze artikelen op basis van artikel 7.82 van de ZHOV in samenhang met artikel 2.32, vijfde lid, van de Ow. In wat eisers hebben aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de motivering van gedeputeerde staten te twijfelen. 6.6. Het college kon dan ook de ontheffing mede aan de verleende omgevingsvergunning ten grondslag leggen.\n\nRES 1.0a en de zonneladder\n\n7. Eisers betogen dat de zonneladder, zoals weergegeven in de Kamerbrief van 26 oktober 2023 (Kamerstukken II2023\u002F24, 32813, nr. 1310), van toepassing is. Er ontbreekt echter een rapport van onderzoek naar treden 1, 2 en 3 van de zonneladder. Trede 1 houdt in dat er eerst gekeken moet worden naar mogelijkheden voor panelen op daken en gevels. Treden 2 en 3 houden in dat er daarna gekeken moet worden naar gronden binnen en buiten bestaand bebouwd gebied. Het plaatsen van zonnepanelen op landbouw- en natuurgronden komt pas aan de orde als de voorgaande treden niet voldoende mogelijkheden bieden. Er is geen sprake van een combinatie van een substantiële agrarische functie met een zonnepark. De agrarische functie van het gebied komt zelfs in het geheel te vervallen. Daarnaast is geen sprake van bestuurlijk bindende afspraken die in transitie zijn, zoals bijvoorbeeld gronden die in de toekomst een andere bestemming krijgen, zoals een woon-werk-bestemming, recreatie of overgang naar natuur of gronden die minder geschikt worden voor een landbouwfunctie door verzilting, vernatting of bodemdaling. Dit alles maakt volgens eisers dat de gekozen locatie niet voldoet aan de eisen die aan de vestiging van een zonnepark (moeten) worden gesteld. Voorts draagt de aanleg van het zonnepark niet betekenisvol bij aan de vermindering van de netcongestie en zorgt deze ook niet voor vergroting van een efficiënter netwerkgebruik (netneutraal). Het zonnepark vergroot de netcongestie juist. Ten tijde van de Kamerbrief was het project, anders dan het college stelt, niet in een vergevorderd stadium.\n\n7.1.. De rechtbank stelt vast dat in de ZHOV geen zonneladder, zoals eisers hebben omschreven, is opgenomen. Wel geeft artikel 7.76a van de ZHOV regels indien sprake is van een zonneveld buiten bestaand stads- en dorpsgezicht, zoals hier aan de orde is. Met de RES 1.0 is de locatie Kijfhoek aangewezen als uitwerkingsgebied voor de opwekking van grootschalige zonne-energie. In de RES is getoetst aan een vorm van zonneladder. Daarmee wordt voldaan aan artikel 7.76a, derde lid, van de ZHOV. Dat de door eisers aangehaalde Kamerbrief van 26 oktober 2023 de zonneladder heeft aangescherpt, maakt, wat daar verder van zij, gelet op voorgaande niet dat het college hier aan had moeten toetsen.\n\nEvenwichtige toedeling van functies aan locaties\n\n8. Eisers betogen dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het college heeft onvoldoende onderzoek gedaan en het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd. Daartoe hebben eisers een aantal deelonderwerpen aangevoerd.\n\n8.1.. In de navolgende overwegingen wordt per deelonderwerp uitgewerkt of het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.\n\n8.2.. Daarbij geldt het volgende toetsingskader. Op grond van artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl wordt, voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en moet de betrokken belangen afwegen. De rechtbank oordeelt daarom niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de gronden van eisers of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.\n\nLandschappelijke kwaliteit en inpassing\n\n9. Eisers voeren aan dat het bouwplan zorgt voor een aantasting van het nu groene open gebied. Eisers 2 vinden dat onvoldoende rekening is gehouden met hun woonboerderij die als gemeentelijk monument is aangewezen. Eisers 1 vinden dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er wordt afgeweken van het vigerend planologisch regime, waar het kleinschalige karakter van het buitengebied moet worden behouden en het landschap zo open mogelijk moet blijven. Eisers 1 menen hier rechten aan te kunnen ontlenen. Verder vinden zij dat met de rapporten die aan de ruimtelijke onderbouwing ten grondslag liggen nog niet is gezegd dat het bouwplan ruimtelijk aanvaardbaar is. Ook de onderbouwing in bijlage C, onder 2.c van het bestreden besluit, is onvoldoende. Dat het financiële risico is afgedekt met een anterieure overeenkomst kan geen motivering zijn voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Volgens eisers is het project geen kwaliteitsimpuls voor het gebied. De zonnepanelen zijn 2.20 meter hoog en passen niet in het agrarisch buitengebied, waar kassen, kleine bedrijfjes en woningen staan. De lintbebouwing met open zicht wordt teniet gedaan. Dit zal de landschappelijke kwaliteit en de ecologische waarden van het gebied aantasten. De focus ligt enkel op energietransitie en niet op omgevingskwaliteit. Eisers vrezen voor een aantasting van hun woon- en leefklimaat.\n\n9.1.. De rechtbank oordeelt allereerst dat het betoog van het college dat artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (het relativiteitsvereiste) in de weg staat aan een succesvol beroep van eisers op de aantasting van de landschappelijke kwaliteit door het project, niet slaagt. De rechtbank ziet niet in waarom eisers zich in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties niet op de landschappelijke kwaliteit van het project kunnen beroepen (zie ook de overzichtsuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, rechtsoverweging 10.2). Eisers wonen aan de Langeweg in de nabijheid van het project en de landschappelijke kwaliteit van het project raakt aan hun belangen.\n\n9.2.. Voorop staat dat op grond van artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dat eisers 1 stellen rechten te kunnen ontlenen aan het bestaande omgevingsplan betekent niet dat het college niet mag afwijken van het omgevingsplan. Het college moet wel beoordelen of het project voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hiertoe ligt aan het bestreden besluit een ruimtelijke onderbouwing met bijlagen ten grondslag. Anders dan eisers veronderstellen kan de ruimtelijke onderbouwing en alle bijlagen als motivering dienen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dat is hier ook het geval zoals blijkt uit het bestreden besluit, maar ook uit de zienswijzenota waarin het college verwijst naar de ruimtelijke onderbouwing en de bijlagen. Dat het college in het bestreden besluit een opmerking heeft gemaakt over de anterieure overeenkomst doet daar verder niet aan af. Het college stelt op basis van de ruimtelijke onderbouwing en de bijlagen dat de landschappelijke kwaliteit en ecologische waarden met het project toenemen. In paragraaf 2.3.2 van de ruimtelijke onderbouwing wordt verwezen naar het landschappelijk inpassingsplan, dat als bijlage 7 bij de ruimtelijke onderbouwing is gevoegd. In paragraaf 2.3.3 van de ruimtelijke onderbouwing is toegelicht dat met het project de watergangen langs de Langeweg en langs de randen van de zonnevelden worden voorzien van natuurvriendelijke oevers. Verder worden er inheemse struwelen aangeplant. Bij het west- en oostveld worden grondwallen gerealiseerd van 1,80 meter boven het maaiveld wat in hoogte gelijk ligt aan de eerste paar rijen van zonnepanelen. Boven op de grondwal komt kruidenrijk gras te staan. Hiermee worden westelijke en oostelijke velden grotendeels aan het zicht ontnomen, en is het aanzicht vanaf de Langeweg een groene grondwal, met daarvoor een natuurvriendelijke watergang. De woonboerderij van eisers 2, die als gemeentelijk monument is aangewezen, ligt op enige afstand van het zonnepark en de landschappelijke inpassing maakt dat het zonnepark grotendeels aan het zicht is onttrokken. Tot slot wordt er een natuurakker en ecologisch gebied gerealiseerd. Dat eisers een andere mening hebben over de ruimtelijke inpasbaarheid van het project en de kwaliteit daarvan betekent niet dat het college goedkeuring aan het project had moeten onthouden. Het betoog van eisers slaagt niet.\n\nZicht op het zonnepark\n\n10. Eisers 1 betogen dat hun uitzicht wordt aangetast. Met het project kijken zij uit op een aarden wal en zonnepanelen in plaats van een open agrarisch veld. Verder geldt specifiek voor het perceel van eiser [eiser 1C] dat de afstand van 250 meter tot het project, zoals gewaarborgd in de RES 1.0, niet wordt nagekomen. Met de RES 1.0a is de afstand van 250 meter van de zonnepanelen tot de achtergevel van woningen kleiner geworden en de afstand van 250 meter van de zonnepanelen tot de zijkant van woningen is komen te vervallen. Het zonnepark komt te dicht op het perceel van [eiser 1C] te staan. Er is dus geen sprake van een goede ruimtelijke inpassing. De openheid wordt blijvend aangetast en de afstand van 250 meter zou behouden moeten blijven.\n\n10.1.. De rechtbank acht het aannemelijk dat het uitzicht van eisers als gevolg van het te realiseren zonnepark in enige mate verandert en zal worden beperkt. Deze effecten zijn echter niet van dien aard dat het college daar gelet op het belang van het zonnepark doorslaggevende betekenis aan had moeten toekennen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het project landschappelijk wordt ingepast waarvan de uitvoering is geborgd in de vergunningvoorschriften. Met de grondwallen en het struweel wordt het zicht op de zonnepanelen ontnomen. Er is geen aarden wal aan de zijkant gekomen om zo het open zicht te behouden richting het rangeerterrein. Verder is van belang dat er geen recht op blijvend vrij uitzicht bestaat. Voor wat betreft het uitzicht van [eiser 1C] overweegt de rechtbank als volgt. In de RES 1.0 staat dat direct achter de woningen aan de Langeweg minimaal een afstand van 250 meter vrij zicht over de polder moet blijven. Anders dan eisers 1 veronderstellen leidt de rechtbank uit de RES 1.0 niet af dat deze afstand ook tot de zijkant van de woningen geldt. Dat achter de woningen een afstand van 250 meter vrij zicht over de polder in acht dient te worden genomen, betekent niet dat het college met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties hiervan niet kan afwijken. Het college heeft daarbij de landschappelijke inpassing van het zonnepark mogen betrekken. Het betoog van eisers slaagt niet.\n\nPrivacy\n\n11. Eisers 2 betogen dat hun privacy wordt aangetast, omdat er beweegbare camera’s op acht meter hoge palen worden geplaatst. Eisers willen een zorgboerderij beginnen en het project zal de privacy aantasten.\n\n11.1.. Dit betoog slaagt niet. Uit de stukken en het verhandelde op zitting blijkt dat de aanwezigheid van camera’s noodzakelijk is om het zonnepark te kunnen bewaken, te voldoen aan de voorwaarden van verzekeraars en om (samen met het hek rondom het park) preventief te werken tegen criminaliteit en vandalisme. Gezien het doel van de camera's, zullen deze volgens vergunninghoudster alleen gericht zijn op het terrein van het zonnepark en niet op de gronden van eisers 2. Verder zal, zoals door de vergunninghoudster op zitting is toegelicht, worden voldaan aan alle regels die voortvloeien uit de privacywetgeving, die onder andere het maken van beelden van percelen van derden verbiedt. De rechtbank oordeelt dat het college in redelijkheid tot de conclusie heeft kunnen komen dat de privacy van eisers 2 niet onaanvaardbaar wordt aangetast. Het college hoefde hier dan ook geen beletsel voor het verlenen van de omgevingsvergunning in te zien en was evenmin gehouden nadere voorschriften te stellen.\n\nAkoestisch effect zonnepark\n\n12. Eisers 2 betogen dat zij geluidsoverlast zullen ondervinden van het project, omdat de zonnepanelen een akoestisch effect hebben op het geluid afkomstig van het rangeerterrein. Verder dragen de transformatoren bij aan het al bestaande geluid afkomstig van het rangeerterrein.\n\n12.1.. De rechtbank stelt vast dat het akoestisch effect van het zonnepark en de transformatoren bij het bestreden besluit is betrokken. Met het rapport “akoestisch onderzoek mogelijke effecten geluidreflectie zonnepark Kijfhoek” van 16 november 2023, dat als bijlage 10 bij de ruimtelijke onderbouwing is gevoegd, is onderzoek gedaan naar het akoestisch effect van het zonnepark op de woningen aan de Langeweg. Worst-case is uitgegaan van huidig absorberend naar volledig reflecterend geluid door het zonnepark. Vanwege het resultaat in de worst-case benadering en een mogelijke toename van geluid die kleiner is dan 1,3 dB, is geconcludeerd dat er voor wat betreft het aspect geluid geen belemmering is.\n\n12.2.. Ook het geluid dat afkomstig is van de transformatoren is bij het bestreden besluit betrokken. Onder paragraaf 4.10 van de ruimtelijke onderbouwing staat dat de transformatorstations geluid veroorzaken. Er worden elf transformatorstations gebouwd. Gelet op de afstand tot de nabijgelegen woningen en het gegeven dat de transformator alleen actief is als er zon is, is het volgens de onderzoekers onaannemelijk dat de transformatorstations geluidsoverlast zullen veroorzaken.\n\n12.3.. In wat eisers 2 aanvoeren ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet op het onderzoeksrapport heeft kunnen baseren voor zijn standpunt dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarbij is ook van belang dat eisers 2 voor het aspect geluid geen tegenonderzoek hebben ingebracht.\n\nElektromagnetische straling\n\n13. Eisers 2 betogen dat zij bloot zullen worden gesteld aan elektromagnetische straling. De boomgaard dient te worden aangemerkt als een gevoelige locatie die direct naast het zonnepark ligt, omdat eisers 2 zich daar minimaal acht uur per dag bevinden.\n\n13.1.. Onder paragraaf 4.8 van de ruimtelijke onderbouwing is de elektromagnetische straling van de omvormers en transformatoren beschouwd. Voor elektromagnetische straling bij hoogspanningsmasten hanteert de overheid een voorzorgsprincipe, waarbij een grens wordt aangehouden van 0,4 micro Tesla (uT). Dit voorzorgsprincipe wordt ook gehanteerd bij een zonnepark, door de afstand van een zonnepark tot gevoelige functies zodanig te laten zijn dat de magnetische veldsterkte bij gevoelige bestemmingen niet boven die advieswaarde uitkomt. Uit het RIVM-Rapport “Verkenning van extreem laagfrequente magnetische velden bij verschillende bronnen” (RIVM-rapport 609300011\u002F2009) blijkt dat de magnetische veldsterkte van een transformatorstation 0,4 micro Tesla is op zeven meter afstand. Verder blijkt dat de magnetische veldsterkte sterk afneemt naarmate de afstand tot het transformatorstation toeneemt. De kortste afstand tussen de boomgaard en het transformatorstation is ca. 230 meter. De kortste afstand tussen de woning en het transformatorstation is ca. 390 meter. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat het college heeft mogen aannemen dat elektromagnetische straling van het zonnepark geen gezondheidsrisico vormt voor omwonenden.\n\nBrandveiligheid\n\n14. Eisers 2 voeren aan dat het project niet veilig is. Het ligt in de buurt van een rangeerterrein en de natuur is verwilderd. Er is dus volgens eisers een verhoogd risico op brand. Het college heeft ten onrechte enkel verwezen naar een advies van de Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid.\n\n14.1.. In paragraaf 4.13 van de ruimtelijke onderbouwing is de omgevingsveiligheid, waaronder de brandveiligheid, beschouwd. Hieruit blijkt dat voor brandgevaar bij de omvormers bij het zonnepark een noodschakelaar zal worden geplaatst, waarmee de spanning van het zonnepark gehaald kan worden. Naast de toegangspoorten zullen opstelplaatsen worden gerealiseerd. Er wordt een veiligheidsprotocol voor de veiligheidsdiensten opgesteld. Tevens wordt ervoor gezorgd dat bij calamiteiten de brandweer toegang heeft tot het park. De percelen zijn bereikbaar via de Langeweg, de Groene Steeg en de Munnikensteeg. Bij de inrichting van het zonnepark is rekening gehouden met onderhoudspaden. Via deze onderhoudspaden kunnen de transformatoren bereikt worden bij brand en andere calamiteiten. Met de Veiligheidsregio Zuid Holland is overleg geweest over het plan. Hieruit is gebleken dat de paden in het park minimaal 3,25 meter breed moeten zijn en geschikt voor blusvoertuigen met een gewicht van 11 ton. De entreeweg naar het parkdeel moet worden voorzien van passeerstroken of een minimale breedte hebben van 4,5 meter. Verder moet het park bereikbaar zijn van twee kanten. In het park moet elke plek op circa 80 meter bereikbaar zijn van een blusvoorziening (via een sloot met minimale diepte van één meter, brandput, via koppeling bestaande brandkraan-ringleiding of via een zelf aangelegd pompsysteem (per veld, capaciteit 90 m3) dat aansluit op de ringleiding). Het advies van de veiligheidsregio is overgenomen in het inrichtingsplan. Doordat de hoofdwatergang van het waterschap voldoende watercapaciteit heeft om te blussen, worden alle overige sloten ook verbreed en verdiept (tot ca. 1 meter) rondom het projectgebied. Ook worden blusputten aan het plan toegevoegd. Op deze manier is voor elk zonnepaneel bluswater bereikbaar binnen een straal van circa 80 meter.\n\n14.2.. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat het college in de brandveiligheid geen aanleiding heeft hoeven te zien om goedkeuring aan het project te onthouden.\n\nNetcongestie\n\n15. Eisers 1 betogen dat het bouwplan niet uitvoerbaar is, omdat er sprake is van netcongestie en een overbelast netwerk.\n\n15.1.. De rechtbank oordeelt ten eerste dat het betoog van het college dat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan een succesvol beroep van eisers op de uitvoerbaarheid van het projectplan, voor zover dat ziet op netcongestie, niet slaagt. De rechtbank ziet niet in waarom eisers 1 zich in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties niet op mogelijke netcongestie van het project zouden kunnen beroepen (zie ook de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, overweging 10.2). Netcongestie kan eisers 1 raken in de gebruiksmogelijkheden van hun eigen perceel. Verder geldt dat ook voorkomen moet worden dat eisers worden geconfronteerd met de nadelige ruimtelijke gevolgen van een bestemming die niet uitvoerbaar is. Dat betekent dat het beroep op artikel 8:69a van de Awb niet slaagt.\n\n15.2.. De rechtbank stelt vast dat de uitvoerbaarheidstoets, zoals voorheen opgenomen in artikel 3.1.6, onder f, van het Besluit ruimtelijke ordening, niet is teruggekomen in de Ow (Stb, 2018, 290, p. 105-106). Dit neemt niet weg dat het in strijd kan worden geacht met een evenwichtige functietoedeling als er functies zouden worden toegedeeld waarvan op voorhand aannemelijk is dat deze op de desbetreffende locatie nooit kunnen worden verwezenlijkt. Uit de toelichting op het Omgevingsbesluit (Stb, 2018, 290, p. 105-106) begrijpt de rechtbank dat de oude rechtspraak nog steeds van toepassing is. In het kader van een procedure tegen een omgevingsvergunning voor planologisch strijdig gebruik kan een betoog over de uitvoerbaarheid van het project alleen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit indien, en voor zover, het aangevoerde leidt tot de conclusie dat het college op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat het project niet kan worden uitgevoerd. Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 8 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:354.\n\n15.3.. Uit de stukken en het verhandelde op zitting blijkt dat netcongestie niet aan de uitvoerbaarheid van het project in de weg staat. Stedin is betrokken geweest bij de totstandkoming van de RES en heeft geconcludeerd dat er voldoende ruimte is op het netwerk voor het zonnepark. In wat eisers hebben aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om aan deze conclusie te twijfelen.\n\nPFAS en water- en grondmonster\n\n16. Eisers 2 betogen dat de aanwezigheid van poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS) in de grond en het water aan de uitvoerbaarheid van het project in de weg staat. Er is ten onrechte geen onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van PFAS. Ook stellen zij dat door de zonnepanelen PFAS in de grond komt.\n\n16.1.. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de aanwezigheid van PFAS niet aan de uitvoerbaarheid van het zonnepark in de weg kan staan omdat een zonnepark geen bodemgevoelig gebouw of locatie is. Bovendien volgt uit het bestreden besluit onder D en onder 7 dat de gemeten concentraties perfluoroctaanzuur (PFOA) en perfluoroctaansulfanaat (PFOS) op de percelen ruim onder de humane risicogrenzen liggen. De rechtbank ziet in wat eisers 2 hebben aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan wat het college aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd. Over de stelling van eisers 2 dat PFAS in de grond kan komen via de zonnepanelen overweegt de rechtbank dat deze stelling niet nader is onderbouwd en ook overigens niet aannemelijk is geworden dat door (slijtage van) de zonnepanelen te hoge concentraties PFAS in de bodem zullen komen. Er is dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het plan vanwege PFAS niet uitvoerbaar is.\n\nFlora- en fauna\n\n17. Eisers 2 betogen dat bij de QuickScan een buizerdnest over het hoofd is gezien. Het nest moet jaarrond beschermd blijven. De kans is volgens eisers 2 groot dat er nog meer beschermde diersoorten zitten. Het college heeft hier ten onrechte niet op gereageerd. Een onderzoek van 20 tot 30 minuten is onvoldoende om te beoordelen of er beschermde diersoorten aanwezig zijn. De dieren die gespot zijn, zullen hun toevlucht nemen tot de boomgaard.\n\n17.1.. De rechtbank stelt voorop dat het college in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet motiveren waarom de flora- en fauna-activiteit niet op voorhand aan de uitvoerbaarheid van de omgevingsvergunning in de weg staat. Anders dan eisers 2 veronderstellen is het in dat kader niet noodzakelijk om uitvoerig onderzoek te doen naar soorten. Een QuickScan en een eventueel vervolgonderzoek is daarvoor voldoende.\n\n17.2.. Aan het bestreden besluit liggen, opgenomen als bijlage 6 en 7 bij de ruimtelijke onderbouwing, een QuickScan “flora en fauna zonnepark Zwijndrechtse Waard” van 23 maart 2024 en een vervolgonderzoek naar de grote modderkruiper, platte schijfhoren en kleine wolfsmelk van 14 november 2023 ten grondslag. Op 7 augustus 2023 is tussen 12.00 uur en 16.00 uur onderzoek uitgevoerd. Uit de QuickScan is gebleken dat niet uitgesloten is dat er nesten van vogels, als de buizerd, sperwer of ransuil aanwezig zijn in een rij populieren. De werkzaamheden vinden echter meer dan 200 meter van deze bomenrij plaats. Deze bomenrij zal behouden blijven en verder zal er op voldoende afstand gewerkt worden waardoor een negatief effect redelijkerwijs valt uit te sluiten. Als gevolg van de QuickScan is een vervolgonderzoek gedaan naar de grote modderkruiper, platte schijfhoren en kleine wolfsmelk. Dit onderzoek heeft plaatsgevonden op 12 en 24 oktober 2023 tussen omstreeks 10.00 uur en 15.30 uur. Daaruit blijkt dat geen van deze soorten zijn aangetroffen tijdens de veldbezoeken. Met de QuickScan en het vervolgonderzoek heeft het college naar het oordeel van de rechtbank kunnen concluderen dat geen sprake is van een flora-en fauna-activiteit die aan de (uitvoerbaarheid van de) gevraagde omgevingsvergunning in de weg staat.\n\nAlternatieve locaties\n\n18. Eisers 1 betogen dat niet is gekeken naar alternatieve locaties. Uit het onderzoeksrapport van Royal Haskoning DHV, dat is opgesteld voor de RES 1.0, blijkt dat de Kijfhoek beperkt geschikt is.\n\n18.1.. Het college moet beslissen op de aanvraag zoals deze voorligt. Op grond van vaste rechtspraak geldt dat als een project op zichzelf aanvaardbaar is, het bestaan van alternatieven alleen dan tot het onthouden van medewerking dwingt, indien op voorhand duidelijk is dat door de verwezenlijking van één of meerdere alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1299.\n\n18.2.. De rechtbank stelt vast dat met de RES 1.0 is gekeken naar geschikte locaties waar energie kan worden opgewekt. Uit de RES 1.0 blijkt dat de Kijfhoek een geschikte locatie is. Dat uit het onderzoeksrapport van Royal Haskoning DHV een andere conclusie zou volgen, doet daar niet aan af. Eisers 1 hebben geen alternatieve locaties aangedragen. De rechtbank is van oordeel dat het college de gekozen locatie als passend binnen het beleid heeft mogen achten.\n\nTijdelijk duur\n\n19. Eisers 2 betogen dat de duur van het project niet in redelijke verhouding staat tot de aantasting van het gebied. Door het project verlanden sloten, slibben drainagebuizen dicht, groeit onkruid, komt PFAS in de bodem en in het grondwater en kunnen knaagdieren een plaag vormen. De panelen, kabels, transformatoren, palen met camera’s en inkoopstations moeten na 25 jaar worden verwijderd. Kostbare landbouwgrond en de groene bufferzone gaan zo verloren.\n\n19.1.. Het college heeft gesteld dat de beoogde gebruiksduur van het zonnepark (25 jaar) een substantiële periode is die niet met zich brengt dat de omgevingsvergunning had moeten worden geweigerd. De levensduur van een zonnepark is 25 tot 30 jaar. Na 25 jaar moet weer worden bezien of het zonnepark kan worden doorgezet of dat er andere technieken voorhanden zijn die duurzame energie kunnen opwekken. De rechtbank oordeelt dat het college in redelijkheid tot een tijdelijke duur van 25 jaar heeft kunnen beslissen.\n\nConclusie evenwichtige toedeling van functies aan locaties\n\n20. Gelet op wat er onder 8 tot en met 19.1 is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Er is geen strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel.\n\nParticipatie en inspraak\n\n21. Eisers betogen dat er onvoldoende aan participatie is gedaan. De eigenaren van de woningen in de gemeente Hendrik Ido Ambacht zijn niet bij de keukentafelgesprekken betrokken. Ook de bewoners van de woningen in Zwijndrecht zijn onvoldoende geïnformeerd. Eisers voeren aan dat niet is voldaan aan het Klimaatakkoord waarin staat dat moet worden gestreefd naar 50% participatie van omwonenden en dat kan worden gerekend op voldoende draagvlak. Verder betogen eisers 1 dat niet is voldaan aan het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, Aarhus, van 25 juni 1998 (Verdrag van Aarhus).\n\n21.1.. Onder de Ow dient bij de aanvraag om een omgevingsvergunning te worden aangegeven of burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de aanvraag zijn betrokken (artikel 16.55, zesde lid, van de Ow in samenhang met artikel 7.4, eerste lid, van de Omgevingsregeling). Dit betekent niet dat er een verplichting tot participatie is. Op grond van artikel 16.55, zevende lid, van de Ow, kan de gemeenteraad echter gevallen van activiteiten aanwijzen waarin participatie van en overleg met derden verplicht is, voordat een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, waarvoor het college bevoegd gezag is, kan worden ingediend.\n\n21.2.. Op grond van artikel 1 van de “Lijst van bindende adviezen op basis van de Omgevingswet tevens lijst van voorafgaande verplichte participatie” van de gemeente Zwijndrecht geldt verplichte participatie bij een aanvraag om een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Dit is tussen partijen niet in geschil. De wijze waarop of met wie die participatie moet plaatsvinden, staat niet in deze lijst. Dit betekent dat elke vorm van participatie voldoende is. Anders dan eisers 2 veronderstellen blijkt uit het Klimaatakkoord niet dat er gestreefd moet worden naar 50% participatie. Aan het bestreden besluit ligt een participatieverslag “Verslaglegging participatie Zonnepark Kijfhoek te Zwijndrecht” ten grondslag. Hieruit en uit de ruimtelijke onderbouwing blijkt dat er een participatieproces heeft plaatsgevonden. Vergunninghoudster heeft met bijlage 3 bij haar reactie op de beroepen een kaart toegevoegd met een cirkel van 400 meter rondom het uitwerkingsgebied. Alle adressen, waaronder die van alle eisers, binnen deze cirkel hebben per post de uitnodigingen ontvangen voor de bijeenkomsten die door vergunninghoudster zijn georganiseerd (vier in totaal). Voor de eerste bijeenkomst is bij al deze adressen ook een flyer in de brievenbus gedaan of is deze flyer persoonlijk overhandigd. De rechtbank ziet in wat eisers hebben aangevoerd geen aanleiding om te oordelen dat het college goedkeuring aan het project had moeten onthouden. Naar het oordeel van de rechtbank is op de juiste wijze aan de verplichte participatie voldaan.\n\n21.3.. Het betoog van eisers 1 dat niet voldaan is aan het Verdrag van Aarhus slaagt evenmin. Op grond van artikel 6, vierde lid, van het Verdrag van Aarhus voorziet elke Partij in vroegtijdige inspraak, wanneer alle opties open zijn en doeltreffende inspraak kan plaatsvinden. Het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning is tot stand gekomen met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. Deze procedure begint met een aanvraag van een initiatiefnemer en de terinzagelegging van een ontwerpbesluit, waarover door eenieder zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in haar uitspraak van 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616, is inspraak over een ontwerpbesluit vroegtijdige inspraak op een moment dat alle opties open zijn en doeltreffende inspraak kan plaatsvinden.\n\nBijlagen ontbreken bij het ontwerp\n\n22. Het betoog van eisers 2 dat in strijd met de zorgvuldigheid de bijlagen bij het ontwerpplan niet digitaal raadpleegbaar waren, slaagt niet. Wat daar verder van zij, uit de bekendmaking blijkt dat de stukken ook op het gemeentehuis in te zien waren. Op die manier hadden eisers 2 kennis kunnen nemen van de bijlagen. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel.\n\nTwee ruimtelijke rapporten en de rechtszekerheid\n\n23. Het betoog van eisers 1 dat het bestaan van twee ruimtelijke onderbouwingen van 18 april 2024 en 26 september 2024 in strijd is met de rechtszekerheid, nu niet duidelijk is welk rapport maatgevend is voor de motivering, slaagt niet. Het college heeft toegelicht dat de ruimtelijke onderbouwing na de ingediende zienswijzen beperkt is aangepast. Hierdoor is niemand benadeeld. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat dit in strijd is met de rechtszekerheid.\n\nBetrokkenheid waterschap\n\n24. De stelling van eisers 2 dat het Waterschap Hollandse Delta niet op de hoogte was van het project mist feitelijke grondslag. Het college heeft aangegeven dat het waterschap al in een vroeg stadium is betrokken. Ook zijn er omgevingsvergunningen verleend voor de wateractiviteit. De rechtbank ziet geen aanleiding om daaraan te twijfelen.\n\nKabels en leidingen\n\n25. Het betoog van eisers 2 over de vraag of en waar de kabels en leidingen en een fietspad worden aangelegd, valt buiten de omvang van het geding, omdat deze onderwerpen niet tot de omgevingsvergunning behoren. Dat betekent dat deze beroepsgrond niet wordt beoordeeld.\n\nEisers 2 bedrijfsplan\n\n26. Eisers 2 vinden dat er met twee maten wordt gemeten, omdat hun bouwplan voor een zorgboerderij is afgewezen, omdat het in het agrarisch buitengebied ligt, terwijl het zonnepark wel wordt toegestaan.\n\n26.1.. Het college heeft in de zienswijzenota aangegeven dat het bouwplan van eisers 2 op zijn eigen merites zonder enige vorm van willekeur is bezien en niet als passend is beoordeeld. Eisers hebben niet weersproken dat het gaat om plannen die ruimtelijk gezien wezenlijk van elkaar verschillen. Aldus gaat het niet om vergelijkbare gevallen, zodat het college bij het bestreden besluit terecht geen rekening heeft gehouden met het afgewezen bouwplan van eisers.\n\nConclusie en gevolgen\n\n27. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat de omgevingsvergunning in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Dingemanse, voorzitter, en mr. T.M.J. Smits en mr. J.G. Bos, leden, in aanwezigheid van mr. A. Regenboog, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 3 april 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving\n\nAlgemene wet bestuursrecht\n\nArtikel 3:2\n\nBij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.\n\nArtikel 3:4\n\nHet bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.\n\nDe voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.\n\nArtikel 3:46\n\nEen besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.\n\nArtikel 8:69a\n\nDe bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.\n\nOmgevingswet\n\nArtikel 5.1 (omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet)\n\n1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:\n\na. een omgevingsplanactiviteit,\n\n[…],\n\ntenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.\n\nArtikel 2.22 (grondslag algemene instructieregels provincie)\n\nBij omgevingsverordening kunnen, met inachtneming van de grenzen van artikel 2.3, tweede lid, regels worden gesteld over de uitoefening van taken of bevoegdheden door bestuursorganen om te voldoen aan bij omgevingsverordening vastgestelde omgevingswaarden of voor het bereiken van andere doelstellingen voor de fysieke leefomgeving.\n\nArtikel 2.32 (ontheffing instructieregels)\n\n1. Bij een regel op grond van artikel 2.22 kan worden bepaald dat gedeputeerde staten, op verzoek van een bestuursorgaan van een gemeente of waterschap, ontheffing kunnen verlenen van die regel.\n\n[…].\n\n5. Een ontheffing wordt alleen verleend als de uitoefening van de taak of bevoegdheid waarvoor ontheffing wordt gevraagd onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot het belang dat wordt gediend met de regel waarvan ontheffing is gevraagd.\n\n6. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. In de ontheffing kan worden bepaald dat deze geldt voor een daarbij gestelde termijn.\n\nArtikel 16.85 (bundeling beroep)\n\nVoor de mogelijkheid van beroep wordt een besluit tot het verlenen van een ontheffing op grond van artikel 2.32 geacht deel uit te maken van het besluit waarover de regel waarvan ontheffing is verzocht, is gesteld.\n\nVoor de mogelijkheid van beroep wordt:\n\neen instructie, gegeven op grond van artikel 2.33 of 2.34, en\n\neen besluit over instemming op grond van artikel 16.16,\n\ngeacht deel uit te maken van het besluit waarop dat besluit betrekking heeft.\n\nBesluit kwaliteit leefomgeving\n\nArtikel 8.0a. (beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit algemeen)\n\nVoor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, wordt, als het gaat om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de omgevingsvergunning verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning.\n\nVoor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.\n\nArtikel 8.0b. (doorwerking instructieregels, instructies, voorbereidingsbesluiten en projectbesluiten – buitenplanse omgevingsplanactiviteit, niet van provinciaal of nationaal belang)\n\n1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, anders dan een omgevingsplanactiviteit van provinciaal of nationaal belang, zijn op de beoordeling van de aanvraag van overeenkomstige toepassing:\n\nde regels van hoofdstuk 5;\n\nop grond van artikel 2.22 van de wet gestelde regels over omgevingsplannen; en\n\n[…].\n\n2. Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt geweigerd als:\n\nde omgevingsplanactiviteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van een regel of instructie als bedoeld in het eerste lid;\n\n[…]; of\n\n[…].\n\n[…]..\n\nZuid-Hollandse Omgevingsverordening\n\nin werking tot 1 januari 2025 vanaf 24 juli 2024\n\nArtikel 7.41b (toepassingsbereik)\n\nDeze paragraaf is van toepassing op nieuwe ruimtelijk ontwikkelingen.\n\nArtikel 7.42 (aanwijzing en geometrische begrenzing gebieden met beschermingscategorieën)\n\n[…].\n\nGebieden met beschermingscategorie 2 zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.\n\n[…].\n\n5. Het gebied met beschermingscategorie 2, bedoeld in het tweede lid, bestaat uit de gebiedstypen belangrijk weidevogelgebied, groene buffer en recreatiegebied, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.\n\n[…].\n\nArtikel 7.43 (definitie soort ruimtelijke ontwikkeling)\n\nVoor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:\n\n[…];\n\n[…];\n\ntransformeren: de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit.\n\nArtikel 7.43b (aanvaardbaarheid soort ruimtelijke ontwikkeling per beschermingscategorie)\n\n[…].\n\nEen omgevingsplanplan voor een locatie met beschermingscategorie 2 als bedoeld in artikel 7.42, tweede lid, kan in beginsel slechts ontwikkelingen mogelijk maken die vallen onder de soort inpassen of aanpassen en die in overeenstemming zijn met artikel 7.43i, 7.43j of 7.43k.\n\n[…].\n\nArtikel 7.43k (gebiedstype: beschermingscategorie 2 groene buffers)\n\nEen omgevingsplan voor locaties binnen groene buffers als bedoeld in artikel 7.42, vijfde lid, kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling voor zover dit geen grootschalige ontwikkelingen behelzen en de bufferfunctie blijkens een afdoende motivering niet onevenredig wordt verstoord.\n\nIn de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken:\n\nde functie van het gebied als tegenhanger van de stedelijke verdichting en stedelijke dynamiek;\n\nde identiteit die het gebied verleent aan de nabij gelegen stedelijke omgeving;\n\nde bescherming die het gebied biedt tegen grootschalige stedelijke ontwikkeling;\n\ne recreatieve gebruiks- en belevingswaarde en de contrastkwaliteit met het stedelijk gebied;\n\nde natuurwaarde van het gebied;\n\nhet agrarische karakter van het gebied in de nabijheid van de stedelijke omgeving.\n\nArtikel 7.76a (zonnevelden)\n\nDit artikel is van toepassing op een nieuw zonneveld met een oppervlakte van meer dan 500 m2 buiten bestaand stads- en dorpsgebied.\n\nVoor zover een omgevingsplan van toepassing is op een nieuw zonneveld, laat het omgevingsplan dit alleen toe op de volgende locaties:\n\nagrarische bouwpercelen;\n\nlocaties met een functie verkeersinfrastructuur of een locatie ten dienste daarvan;\n\nslibdepots, waterbassins, spaarbekkens, bergingsgebieden en voormalige stortplaatsen;\n\nglastuinbouwgebied mits er sprake is van meervoudig ruimtegebruik en aangetoond is dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de omvang en de bruikbaarheid van het glastuinbouwgebied;\n\nen locatie waar een stedelijke functie is toegedeeld, maar waar die functie nog niet is gerealiseerd;\n\neen windpark.\n\n3. In afwijking van het tweede lid kan een omgevingsplan in zoekgebieden voor zon uit Regionale Energie Strategieën die door provinciale staten zijn vastgesteld zonnevelden toelaten mits het zoekgebied verder is uitgewerkt en regionaal is afgestemd.\n\n4. Het omgevingsplan dat voorziet in het toelaten van een nieuw zonneveld als bedoeld in het tweede en derde lid, bevat, in aanvulling op paragraaf 7.3.7, een motivering over:\n\n5. de bijdrage die wordt geleverd aan het behouden en versterken van de biodiversiteit en een zorgvuldige landschappelijke inpassing;\n\n6. het combineren met andere relevante opgaven.\n\n7. Een omgevingsplan dat voorziet in het toelaten van een nieuw zonneveld als bedoeld in het tweede en derde lid, verzekert:\n\n8. de realisatie en de instandhouding van inrichtingsmaatregelen op het gebied van ruimtelijke kwaliteit, landschappelijke inpassing en het behouden en versterken van de biodiversiteit;\n\n9. dat het zonneveld en de bijbehorende andere bouwwerken na afloop van de opwekking van energie worden gesloopt.\n\nArtikel 7.82 (ontheffingsbevoegdheid gedeputeerde staten)\n\nGedeputeerde staten kunnen op verzoek ontheffing verlenen van de regels in afdeling 7.3.\n\nTijdelijk deel van het omgevingsplan: het bestemmingsplan Buitengebied\n\nArtikel 3 Agrarisch3.1. \n\nBestemmingsomschrijving\n\nDe voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:\n\na. het uitoefenen van een agrarisch bedrijf zoals genoemd in lid 1.9 onder a en b;\n\n[…].\n\n Zie artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.\n\n Artikel 7.42, tweede lid en vijfde lid, van de ZHOV.\n\n Artikel 2.22 van de Ow.\n\n Artikel 2.32, eerste lid, van de Ow in samenhang met artikel 7.82 van de ZHOV.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:4563","2026-07-13T00:29:38.544Z",{"id":146,"ecli":147,"slug":148,"caseNumber":43,"courtId":149,"decisionDate":150,"fullText":151,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":152,"sourceTimestamp":153,"parsedAt":50,"updatedAt":154},"1779","ECLI:NL:RBGEL:2026:2522","ecli-nl-rbgel-2026-2522",68,"2026-03-25T00:00:00.000Z","RECHTBANK Gelderland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Zutphen\n\nZaaknummer: C\u002F05\u002F450470 \u002F HZ ZA 25-105\n\nVonnis van 25 maart 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [naam eiser 1] ,\n\nte [woonplaats] , 2. [naam eiser 2],\n\nte [woonplaats] ,\n\neisende partijen,\n\nhierna samen te noemen: [de eiser] ,\n\nadvocaat: mr. J.W. Verhoeven,\n\ntegen\n\nde publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nGEMEENTE ZUTPHEN,\n\nte Zutphen,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: de gemeente,\n\nadvocaat: mr. N.D. Niederer.\n\n1. De zaak in het kort\n\n [de eiser] heeft in 2021 het door brand verwoeste rijksmonument [het rijksmonument] in [naamplaats] gekocht. Hij wil het pand restaureren en vervolgens gaan exploiteren. Daarvoor heeft hij bij de gemeente een omgevingsvergunning aangevraagd. [de eiser] is van mening dat de gemeente niet tijdig op zijn vergunningaanvraag heeft beslist en dat – onder andere om die reden – sprake is van onrechtmatig handelen door de gemeente. [de eiser] vordert onder meer de veroordeling van de gemeente tot betaling van een schadevergoeding. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van onrechtmatig handelen van de gemeente. De rechtbank wijst de vorderingen van [de eiser] af.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 23 juli 2025\n\n- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 30 januari 2026.\n\n2.2.. \n\nTen slotte heeft de rechtbank bepaald dat vandaag vonnis zal worden gewezen.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. \n [het rijksmonument] (hierna: [het rijksmonument] ) is een van rijkswege beschermd monument aan de [het adres] in [naamplaats]. [het rijksmonument] dateert uit de zeventiende eeuw. In de twintigste eeuw en begin eenentwintigste eeuw werd het gebruikt als woning, makelaarskantoor en café.\n\n3.2.. Op 24 april 2020 is [het rijksmonument] door brand verwoest. Sinds de brand staan alleen de muren nog overeind. Het gehele interieur en het dak is verloren gegaan.\n\n3.3.. \n [de eiser] heeft het plan opgevat om [het rijksmonument] te restaureren en vervolgens te exploiteren. Daarvoor is een omgevingsvergunning nodig. Op 16 april 2021 heeft [de eiser] per e-mail aan de gemeente laten weten dat hij een omgevingsvergunning wilde aanvragen voor de verbouw van [het rijksmonument] (productie 1d bij dagvaarding).\n\n3.4.. \n\nBij e-mail van 10 augustus 2021 (productie 3 bij dagvaarding) heeft [de eiser] aan de gemeente zijn plan voor [het rijksmonument] gestuurd. Boven de meegestuurde brief staat: “Betreft:Aanvraag Omgevingsvergunning [het rijksmonument] (Fase 1 – vooroverleg).” De brief luidt verder onder meer als volgt:\n\n“(…) Zoals met u besproken hebben wij de stukken nog niet ge-upload op het OLO. We hebben besproken dat via de e-mail het informele vooroverleg met u, het Gelders Genootschap en de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE) beter doorlopen kan worden.\n\n(…)\n\nWij hopen met deze brief en de bijbehorende stukken u een goed beeld te hebben gegeven van ons plan en onze ambities. Wij zien uit naar een inspirerende samenwerking en realisatie traject. Wat ons betreft treden wij binnenkort in overleg. Wij zien er naar uit!”\n\n3.5.. Bij e-mail van 17 augustus 2021 (productie 5 bij antwoord) heeft de gemeente de ontvangst van de “aanvraag vooradvies” aan [de eiser] bevestigd.\n\n3.6.. Op 10 september 2021 is het plan van [de eiser] besproken in een overleg van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE) en de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit en Cultuurhistorie (RKC).\n\n3.7.. \n\nBij e-mail van 28 september 2021 (productie 5 bij dagvaarding) heeft [de eiser] het preadvies van RCE en RKC van 24 september 2021 ontvangen. Het pre-advies luidt onder meer als volgt:\n\n“(…) Allereerst is er veel waardering voor de initiatiefnemers om deze grote uitdaging aan te gaan. De toekomstige functies van een beheerderswoning met een logiesfunctie sluiten goed aan bij de oorspronkelijke functie van [het rijksmonument] . Over het algemeen kan worden gesteld dat in het voorliggende plan nog niet voldoende uit is gegaan van het herstel van de oorspronkelijke opzet van voor de brand. Er is nu wat te veel vrijheid genomen voor het doorvoeren van wijzigingen ten opzichte van de oorspronkelijke situatie. Het advies is om de oorspronkelijke hoofdvorm als uitgangspunt te nemen. Het is daarbij mogelijk om afgewogen accenten te wijzigen, daarbij volgen wij de principes van de Restauratieladder. In de brief van de RCE van 23 juli 2020 zijn eveneens de uitgangspunten benoemd voor het handhaven van de rijksmonumentenstatus.\n\nMet betrekking tot het plan hebben de adviseurs de volgende aandachtspunten:\n\n(…)”\n\n3.8.. Op 31 december 2021 heeft de levering van [het rijksmonument] aan [de eiser] plaatsgevonden.\n\n3.9.. \n\nOp 3 januari 2022 heeft [de eiser] een aangepast plan bij de gemeente ingediend (productie 6 bij dagvaarding). Daarin staat onder meer:\n\n“(…) Met deze brief ontvangt u een bijgewerkte set voor het vooroverleg Omgevingsvergunning.(…)”\n\n3.10.. Bij e-mail van 11 januari 2022 (productie 7 bij dagvaarding) heeft [de eiser] aan (de casemanager van) de gemeente gevraagd of het plan past binnen het bestemmingsplan en heeft hij gevraagd om een spoedig advies.\n\n3.11.. Vanaf 16 januari 2022 bestond bij [de eiser] het vermoeden van noodzaak tot funderingsherstel. [de eiser] heeft sonderingen laten verrichten door een deskundige. De uitkomst daarvan was dat funderingsherstel noodzakelijk is.\n\n3.12.. Bij e-mail van 28 januari 2022 (productie 8 bij dagvaarding) heeft de casemanager aan [de eiser] laten weten dat het plan nog niet is besproken met de planoloog en dat het zal worden behandeld tijdens de vergadering van de RCE en RKC op 17 februari 2022.\n\n3.13.. \n\nBij e-mail van 2 februari 2022 (productie 9 bij dagvaarding) heeft [de eiser] aan de casemanager onder meer geschreven:\n\n“(…)\n\nVooroverleg \u002F omgevingsvergunning\n\nWij zijn sinds augustus 2021 al in een vooroverleg situatie. Ik heb op 2 januari 2022 nieuwe stukken gezonden, waarin de kritiekpunten van commissie verwerkt zijn. Jij gaf aan dat 17 februari 2022 de eerste mogelijkheid is voor behandeling in de commissie. Deze lange aanlooptijd zou de indiening en doorlooptijd van de vergunning moeten bespoedigen. Je gaf ook aan mogelijk niet om een uitgebreide procedure heen te kunnen. Ik ben hier ongerust over. Ik ben bezorgd dat er een lang vooroverleg traject en een uitgebreide procedure beiden noodzakelijk zijn. Ik ben geneigd dan maar een omgevingsvergunning op te starten, dan gaat de formele procedure tenminste lopen. Maar we hebben er allemaal niets aan als door capaciteitsproblemen bij gemeente er een bericht van uitstel komt. Wat kan de gemeente mij nu bieden qua prioritering?\n\n(…)”\n\n3.14.. Op 16 februari 2022 heeft [de eiser] het ondernemingsplan ingediend (productie 10 bij dagvaarding). Uitgangspunt van het ondernemingsplan is zeven à acht “verhuurbare eenheden” (woonstudio’s).\n\n3.15.. \n\nNaar aanleiding van het aangepaste plan van [de eiser] (zie 3.9) hebben de RCE en RKC op 21 februari 2022 een nieuw preadvies uitgebracht (productie 11 bij dagvaarding). Dit preadvies luidt onder meer als volgt:\n\n“(…)\n\nOpnieuw wordt waardering uitgesproken voor het aangaan van deze uitdaging en voor de zorgvuldige aanpak. Ook is er veel waardering voor de stappen die sinds de vorige bespreking zijn gezet.\n\nMet betrekking tot het plan hebben de adviseurs de volgende opmerkingen en aandachtspunten:\n\n(…)\n\nAl met al zijn er goede stappen gezet richting een passende en zorgvuldige herbestemming van dit rijksmonument. De adviseurs zien de verdere uitwerking dan ook met vertrouwen tegemoet.\n\n(…)”\n\n3.16.. Op 22 februari 2022 heeft [de eiser] een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend via het Omgevingsloket Online (OLO).\n\n3.17.. \n\nOp diezelfde datum heeft de gemeente een ontvangstbevestiging aan [de eiser] gestuurd (productie 8 bij antwoord). Daarin staat onder meer vermeld:\n\n“(…)\n\nVia www.omgevingsloket.nl hebben wij op 22 februari 2022 uw aanvraag voor een omgevingsvergunning ontvangen.(…)”\n\n3.18.. Op 15 maart 2022 is het plan\u002Fde aanvraag besproken door de zogenoemde intaketafel. De intaketafel is een beoordeling door de gemeente van een initiatief dat niet past binnen de regels van het destijds geldende bestemmingsplan. De intaketafel leidt tot een standpunt over de wenselijkheid van het initiatief, de eventuele medewerking en het vervolgproces. In dit geval heeft de intaketafel het standpunt ingenomen dat het initiatief van [de eiser] wenselijk is, maar dat er wel aandachtspunten zijn voor de uitwerking.\n\n3.19.. Op 3 mei 2022 is het plan\u002Fde aanvraag besproken door de zogenoemde omgevingstafel. De omgevingstafel is een overlegvorm voor initiatieven waarvan bij het intaketafelgesprek is geoordeeld dat zij onder voorwaarden mogelijk zijn te realiseren. Aan de omgevingstafel worden de voorwaarden besproken om tot een complete vergunningaanvraag en haalbaar initiatief te komen.\n\n3.20.. Bij e-mail van 18 mei 2022 (productie 12 bij dagvaarding) heeft de casemanager aan [de eiser] meegedeeld dat het plan is beoordeeld door de omgevingstafel en dat men daar enthousiast is over de ontwikkeling. In de e-mail staat verder dat er vanuit het planologische traject enkele aandachtspunten zijn en dat nader onderzoek is vereist.\n\n3.21.. Bij e-mail van 24 mei 2022 (productie 13 bij dagvaarding) heeft de casemanager aan [de eiser] het verslag toegestuurd van het overleg van de omgevingstafel. In dat verslag staat dat voor het initiatief van [de eiser] onder andere advies nodig is op het gebied van stedenbouw\u002Fruimtelijke ordening, economische zaken\u002Frecreatie en toerisme, cultuurhistorie\u002Ferfgoed, archeologie, landschappelijk\u002Fstedelijk groen\u002Fopenbare ruimte\u002Fecologie, verkeer\u002Fparkeren, bodem en geluid. In de begeleidende mail staat dat nog inzicht moet komen in het parkeren, de erfinrichting (inpassing van bebouwing en parkeren en groen op het erf in relatie tot de omgeving) en dat [de eiser] daarna een goede ruimtelijke onderbouwing moet aanleveren met de volgende onderzoeken: akoestisch onderzoek, archeologisch vooronderzoek, quick scan flora en fauna en watertoets. De e-mail vermeldt ook dat de uitgebreide aanvraagprocedure van toepassing is.\n\n3.22.. Op 7 juli 2022 heeft een overleg plaatsgevonden tussen [de eiser] en de gemeente over de noodzaak van funderingsherstel.\n\n3.23.. Bij e-mail van 17 augustus 2022 heeft [de eiser] een ruimtelijke onderbouwing van 12 augustus 2022 naar de gemeente gestuurd (productie 9 bij antwoord). Deze ruimtelijke onderbouwing gaat uit van elf kamers in totaal, waarvan tien kamers in het hoofdgebouw en één kamer in het bijgebouw.\n\n3.24.. Op 6 september 2022 is het plan van [de eiser] opnieuw besproken aan de omgevingstafel. Het verslag van deze bijeenkomst (productie 11 bij antwoord) maakt melding van enkele aandachtspunten. Onder meer staat in het verslag dat voor de ruimtelijke kwaliteit wenselijk is dat de (deels) al aanwezige haag de toekomstige parkeerplaatsen afschermt en dat op de ingediende kaart niet duidelijk is waar de inrit naar het perceel is gesitueerd en hoe de parkeerplaatsen worden ontsloten in verband met een te behouden beuk. Verder vermeldt het verslag een aantal verbeteringen die moeten worden aangebracht op het gebied van parkeren, omdat de parkeernorm waarschijnlijk niet wordt gehaald en het aanleggen van parkeerplaatsen langs de openbare weg niet is toegestaan.\n\n3.25.. Op 6 oktober 2022 heeft een overleg plaatsgevonden tussen [de eiser] , de gemeente, de RKC en de RCE. [de eiser] heeft toen een presentatie gegeven over zijn plan voor [het rijksmonument] (productie 12 bij antwoord). Onderdeel van die presentatie is een tijdlijn van het vergunningtraject. In die tijdlijn staat onder meer vermeld: “Aanvraag vooroverleg 10 augustus 2021” en “Indiening OLO 22 februari 2022”.\n\n3.26.. Bij e-mail van 6 oktober 2022 (productie 13 bij antwoord) is aan [de eiser] verzocht om de RCE van documenten te voorzien waaruit blijkt dat zal worden voldaan aan het Bouwbesluit 2012 (met name de constructieve veiligheid, brandveiligheid en ventilatie). [de eiser] heeft vervolgens documentatie opgesteld waarin een toetsing aan het Bouwbesluit 2012 is opgenomen (productie 14 bij antwoord).\n\n3.27.. Bij brief van 5 december 2022 (productie 13a bij dagvaarding) heeft [de eiser] de gemeente geïnformeerd over de aanpassingen die hij heeft gedaan naar aanleiding van het overleg van 6 oktober 2022. Het funderingsontwerp is aangepast, er is een wijziging aangebracht in de uitvoering – metselwerk is vervangen door beton – en een actueel geotechnisch advies is bijgevoegd. [de eiser] heeft de gemeente met klem verzocht mee te werken aan een afsluiting, liefst met goedkeuring, voor kerst 2022.\n\n3.28.. Op 8 december 2022 heeft [de eiser] een gewijzigde ruimtelijke onderbouwing naar de gemeente gestuurd (productie 15 bij antwoord). Deze gaat uit van zeventien kamers in totaal, waarvan twaalf in het hoofdgebouw, één in het bijgebouw en vier in het gebouw waar de spa zal worden gerealiseerd.\n\n3.29.. Op 2 januari 2023 heeft de RCE onvoorwaardelijk akkoord gegeven op het funderingsherstel.\n\n3.30.. Op 24 januari 2023 heeft een overleg plaatsgevonden tussen [de eiser] en de gemeente. Het verslag van dat overleg (productie 16 bij antwoord) vermeldt onder meer dat de ruimtelijke onderbouwing nog op enkele punten moet worden aangepast. Zo heeft de gemeente opgemerkt dat de toevoeging van extra kamers niet met haar is afgestemd of door haar is goedgekeurd en tot gevolg heeft dat extra parkeerplaatsen nodig zijn, en dat het parkeren op eigen terrein vorm moet krijgen met één inrit terwijl nu twee inritten staan ingetekend. Verder heeft de gemeente kenbaar gemaakt dat zij niet wil meewerken aan een standplaats voor buitenverkoop. Ook moet er inzicht komen in de parkeersituatie en erfinrichting en moet er een goede ruimtelijke onderbouwing komen, met akoestisch onderzoek, archeologisch vooronderzoek, quick scan flora en fauna en een watertoets. [de eiser] heeft op zijn beurt aangegeven dat er een tiende parkeerplaats moet komen, op gemeentegrond, en dat hij graag twee inritten wil. Verder heeft [de eiser] kenbaar gemaakt dat het buitenverkooppunt belangrijk is voor de financiële haalbaarheid van het plan en dat “over een tijd” een ecologisch onderzoek volgt naar uilen en later naar vleermuizen en marterachtigen.\n\n3.31.. Op 31 januari 2023 heeft de RCE een integraal advies uitgebracht (productie 18 bij antwoord). De RCE is op hoofdlijnen akkoord met het plan voor wat betreft erfgoedaspecten. Het advies is positief onder een aantal voorwaarden, waaronder de voorwaarde dat nog een maquette\u002F3D-beeld van het wellnessgebouw wordt voorgelegd ter advisering.\n\n3.32.. Op 2 februari 2023 heeft opnieuw een gesprek plaatsgevonden tussen [de eiser] en de gemeente. De gemeente heeft daarbij aan [de eiser] onder meer laten weten dat het maximaal aantal kamers in het hoofdgebouw twaalf stuks is en dat in de bijgebouwen geen kamers mogen worden gerealiseerd. Verder moet worden geparkeerd op eigen terrein en met één inrit en moet het buitenverkooppunt uit de ruimtelijke onderbouwing worden gehaald. De onderbouwing van het stikstofaspect is volgens de gemeente onvoldoende. Ten slotte heeft de gemeente aan [de eiser] laten weten hoe het ecologisch aspect in kaart moet worden gebracht en dat de watertoets moet worden gevolgd bij Waterschap Vallei en Veluwe.\n\n3.33.. Naar aanleiding van het overleg op 2 februari 2023 is een interne memo opgesteld voor de portefeuillehouder van de gemeente (productie 19 bij antwoord). Daarin staat vermeld dat nog niet alle onderzoeken zijn aangeleverd die horen bij de ruimtelijke onderbouwing, zoals ecologisch onderzoek. Bovendien is de ruimtelijke onderbouwing op 8 december 2022 door het toevoegen van meerdere kamers zodanig gewijzigd dat dit leidt tot een vergrote intensiteit op het perceel, die onwenselijk wordt geacht. Volgens het memo neemt de gemeente het standpunt in dat in het hoofdgebouw maximaal twaalf kamers zijn toegestaan en één (mindervalide)kamer in het bijgebouw.\n\n3.34.. Bij e-mail van 3 februari 2023 (productie 20 bij antwoord) heeft [de eiser] aan de gemeente meegedeeld dat de vier kamers in het spagebouw en de suite in de oude stal nodig zijn voor een haalbare businesscase en dat [het rijksmonument] zonder deze vijf kamers niet haalbaar is.\n\n3.35.. Bij e-mail van 9 februari 2023 (productie 21 bij antwoord) heeft de gemeente aan [de eiser] laten weten dat de gemeente blijft bij het standpunt dat twaalf kamers in het hoofdgebouw en één (mindervalide)kamer in het bijgebouw passend en verantwoord is. De gemeente heeft aan [de eiser] geadviseerd om voor dit deel het vergunningtraject in te gaan en de ruimtelijke onderbouwing aan te passen, zodat [de eiser] kan starten met de opbouw. Daarnaast heeft de gemeente [de eiser] geadviseerd om voor een eventuele uitbreiding op dit plan – de kamers in de bijgebouwen – een apart traject te starten en een vooradvies in te dienen, met daarbij een passend participatietraject voor de buurt.\n\n3.36.. Bij brief van 17 februari 2023 (productie 22 bij antwoord) heeft [de eiser] zijn ongenoegen geuit en de gemeente in gebreke gesteld “wegens het ook op dit onderdeel ongefundeerd opvoeren van niet bestaande nadelige effecten van het voorliggende ontwerp op de leefomgeving. Ik verwacht van uw gemeente datuiterlijk op maandag 19 februari 2023 om 14:00 uur schriftelijk aan mij is bevestigd dat er geen nadelige verkeer-aantrekkende werking optreedt en als u dat niet doet in ieder geval uiterlijk op dat moment met een concrete, geobjectiveerde en verifieerbare weerlegging van onze argumentatie aanlevert.”\n\n3.37.. \n\nBij brief van 20 februari 2023 (productie 23 bij antwoord) heeft [de eiser] aan het college van burgemeester en wethouders onder meer geschreven:\n\n“(…) Wij zijn in een vooradviestraject gegaan met gemeente in maart 2021(…).”\n\nVerder vermeldt deze brief dat de vier kamers aan het eerdere plan zijn toegevoegd naar aanleiding van de dialoog met de RKC en RCE en de veranderde wereld, zoals de oorlog in Oekraïne en de daarmee veranderde economische situatie (gestegen (bouw)kosten, gewijzigd investeringsklimaat en veranderend consumentengedrag, wat leidde tot een “substantieel uitdagender businesscase”).\n\n3.38.. Bij brief van 21 februari 2023 (productie 16 bij dagvaarding) aan de gemeente heeft [de eiser] zich op het standpunt gesteld dat het proces om te komen tot een omgevingsvergunning buitengewoon moeizaam is gebleken, met onverantwoord lange doorlooptijden en enorme vertragingen tot gevolg. [de eiser] heeft de gemeente aansprakelijk gesteld voor de schade die hij als gevolg van het handelen van de gemeente stelt te hebben geleden en nog steeds lijdt. Eén van de verwijten van [de eiser] aan de gemeente is dat de gemeente ten onrechte geen extra kamers\u002Fsuites heeft toegestaan, terwijl minimaal zestien kamers\u002Fsuites nodig zijn voor een sluitende businesscase.\n\n3.39.. Bij brief van 13 maart 2023 (productie 24 bij antwoord) heeft [de eiser] een nieuwe ruimtelijke onderbouwing overgelegd. Deze gaat uit van tien kamers in het hoofdgebouw, één in het bijgebouw en vier in de spa. De ruimtelijke onderbouwing maakt melding van een peiling die is gehouden in de buurt, waaruit blijkt dat de omwonenden positief zijn over de plannen en het een goede ontwikkeling vinden in de wijk. Ook bevat de ruimtelijke onderbouwing een watertoets, stikstoftoets en ecologische toets.\n\n3.40.. Bij e-mail van 15 maart 2023 (productie 13b bij dagvaarding) heeft de gemeente aan [de eiser] laten weten dat zij zou overgaan tot het gereedmaken van de omgevingsvergunning.\n\n3.41.. Bij e-mail van 22 maart 2023 (productie 14 bij dagvaarding) heeft de gemeente aan [de eiser] verzocht om een planschadeovereenkomst te ondertekenen en om vragenformulieren in te vullen in het kader van een toets aan de Wet Bibob (Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur).\n\n3.42.. Bij e-mail van 24 mei 2023 (productie 25 bij antwoord) heeft de gemeente aan [de eiser] de laatste actiepunten gestuurd die nog moeten worden uitgevoerd voordat de gemeente op de aanvraag kan beslissen. Het gaat om het aanleveren van de benodigde informatie voor de Bibob-toetsing, het aanleveren van de ondertekende planschadeovereenkomst, het verwerken van de laatste aanpassingen en opmerkingen op het gebied van brandveiligheid en het verwerken van de erfgoedkundige voorwaarden.\n\n3.43.. Op 30 mei 2023 heeft [de eiser] een planschadeovereenkomst ondertekend en naar de gemeente gestuurd (productie 26 bij antwoord).\n\n3.44.. Op 1 juni 2023 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [de eiser] en de gemeente (productie 28 bij antwoord). Daarin heeft [de eiser] aangegeven dat de omgevingsvergunning een voorwaarde is voor de aanvraag van een hypotheek bij het Nationaal Restauratiefonds en de aanvraag van een subsidie bij de provincie Gelderland.\n\n3.45.. Op 26 juni 2023 hebben de RCE en RKC een positief definitief advies uitgebracht (productie 32 bij antwoord). Aan het advies zijn enkele bouwkundige voorwaarden verbonden.\n\n3.46.. Op 14 juli 2023 heeft de gemeente het ontwerpbesluit ter inzage gelegd (productie 33 bij antwoord). Onderdeel van het ontwerpbesluit is de ruimtelijke onderbouwing van 13 maart 2023, die betrekking heeft op het realiseren van vijftien kamers. Aan de vergunningverlening is de opschortende voorwaarde verbonden dat [de eiser] de gegevens overlegt waarmee het Bibob-onderzoek kan worden verricht (productie 29 bij antwoord).\n\n3.47.. Op 24 augustus 2023 heeft [de eiser] een zienswijze op het ontwerpbesluit ingediend (productie 34 bij antwoord). Daarin heeft hij de gemeente verzocht om de woonfunctie te handhaven voor alle huisnummers op het perceel met het oog op de woonhuissubsidie, voorschrift c over het overleg over de uitvoeringswerkzaamheden te schrappen en medewerking toe te zeggen aan ‘plan B’ (slopen en nieuwbouw).\n\n3.48.. Bij brief van diezelfde datum (productie 36 bij antwoord) heeft [de eiser] aan het college onder meer geschreven dat tijdens het vooroverleg in de periode van 10 augustus 2021 tot en met 22 februari 2022 vertraging is opgetreden “door slecht vooroverleg”.\n\n3.49.. Op 31 oktober 2023 heeft de gemeente de omgevingsvergunning aan [de eiser] verleend (productie 18 bij dagvaarding). Naar aanleiding van de zienswijze van [de eiser] zijn ten opzichte van het ontwerpbesluit tekstuele aanpassingen gedaan, maar geen inhoudelijke wijzigingen aangebracht.3.50.. De omgevingsvergunning is door het ongebruikt verstrijken van de beroepstermijn onherroepelijk geworden.\n\n3.51.. Bij brief van 20 december 2023 (productie 19 bij dagvaarding) heeft [de eiser] een wethouder van de gemeente verzocht om rectificatie van onjuiste, schadelijke uitlatingen die de wethouder in raadsvergaderingen en de media zou hebben gedaan over [de eiser] en het project. Daarnaast heeft [de eiser] in de brief uiteengezet dat en op welke wijze de gemeente volgens hem in het vergunningtraject zeer onzorgvuldig en onjuist jegens hem heeft gehandeld, waardoor forse vertragingsschade is ontstaan die de gemeente moet vergoeden.\n\n3.52.. Bij brief van 29 mei 2024 (productie 26 bij dagvaarding) heeft (de advocaat van) de gemeente aansprakelijkheid van de hand gewezen.\n\n3.53.. \n [de eiser] is tot op heden niet met de bouwwerkzaamheden begonnen.\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. \n\n [de eiser] vordert, samengevat, dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. voor recht verklaart dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld jegens [de eiser] door niet tijdig op de aanvraag voor een omgevingsvergunning te beslissen;\n\nII. de gemeente veroordeelt tot betaling van de schade die [de eiser] als gevolg van het onrechtmatig handelen heeft geleden, door [de eiser] begroot op € 1.087.692,00 inclusief btw (€ 898.919,00 exclusief btw), althans tot vergoeding van een door de rechtbank te bepalen bedrag;\n\nIII. de gemeente veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 6.775,00 exclusief btw, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;\n\nIV. de gemeente veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n4.2.. De gemeente voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [de eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de eiser] in de kosten van deze procedure.\n\n4.3.. De rechtbank zal hierna nader ingaan op de stellingen van partijen, voor zover voor de beoordeling van belang.\n\n5. De beoordeling\n\nDe vorderingen van [de eiser] worden afgewezen\n\n5.1.. De rechtbank zal de vorderingen van [de eiser] afwijzen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot die beslissing komt.\n\nEr geldt een beslistermijn van maximaal zes maanden na ontvangst van de aanvraag\n\n5.2.. Op een aanvraag voor een omgevingsvergunning is de reguliere of de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing. Partijen zijn het er op zichzelf over eens dat in dit geval de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is. Op grond van artikel 3:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geldt daarbij een beslistermijn van maximaal zes maanden (26 weken), die ingaat op de dag na de ontvangst van de aanvraag. Deze beslistermijn kan eenmalig met zes weken worden verlengd (artikel 3.12 lid 8 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zoals deze destijds gold).\n\nDe beslistermijn is ingegaan op 23 februari 2022\n\n5.3.. De wettelijke beslistermijn voor de gemeente is ingegaan op 23 februari 2022. Op 22 februari 2022 heeft [de eiser] immers de aanvraag voor de omgevingsvergunning ingediend via het daarvoor bestemde OLO (zie 3.16) en heeft de gemeente de ontvangst van de aanvraag aan hem bevestigd (zie 3.17).\n\n5.4.. Het standpunt van [de eiser] , dat hij de aanvraag heeft gedaan op 10 augustus 2021 en dat de beslistermijn toen is ingegaan, snijdt geen hout. Met de e-mail die [de eiser] op die dag naar de gemeente heeft gestuurd, heeft hij geen aanvraag gedaan, maar een document ingediend ten behoeve van een vooroverleg. Zo omschrijft [de eiser] het zelf en zo heeft de gemeente het ook opgevat zoals blijkt uit de ontvangstbevestiging van 17 augustus 2021 (zie 3.4 en 3.5). Ook in het aangepaste plan dat [de eiser] op 3 januari 2022 bij de gemeente heeft ingediend en in zijn e-mail van 2 februari 2022 aan de casemanager spreekt hij van “vooroverleg” (zie 3.9 en 3.13). In die e-mail schrijft [de eiser] verder: “Deze lange aanlooptijd zou de indiening en doorlooptijd van de vergunning moeten bespoedigen.(…)Ik ben geneigd dan maar een omgevingsvergunning op te starten, dan gaat de formele procedure tenminste lopen.” Van een formele aanvraag en procedure was toen dus ook volgens [de eiser] zelf nog geen sprake. Ook uit andere communicatie van [de eiser] met de gemeente blijkt dat volgens [de eiser] op 10 augustus 2021 nog geen sprake was van een aanvraag. In de presentatie die [de eiser] op 6 oktober 2022 heeft gegeven aan de RCE, RKC en de gemeente (zie 3.25), heeft hij in een tijdlijn van het vergunningtraject vermeld dat op 10 augustus 2021 een vooroverleg is aangevraagd en dat op 22 februari 2022 een indiening via het OLO heeft plaatsgevonden. Verder heeft [de eiser] in zijn brief van 20 februari 2023 aan het college (zie 3.37) geschreven dat sprake was van een vooradviestraject vanaf maart 2021. En in zijn brief van 24 augustus 2023 (zie 3.48) aan het college heeft [de eiser] geschreven dat tijdens het vooroverleg van 10 augustus 2021 tot en met 22 februari 2022 vertraging is ontstaan doordat één en ander niet voortvarend zou zijn opgepakt. Gezien het voorgaande heeft [de eiser] op 10 augustus 2021 geen aanvraag gedaan.\n\n5.5.. Het primaire standpunt van de gemeente, dat de beslistermijn is ingegaan op 13 maart 2023 omdat toen pas sprake was van een volledige aanvraag, houdt evenmin stand. Dat de aanvraag op 22 februari 2022 nog niet compleet was en dat [de eiser] eerst nog aanvullende gegevens moest aanleveren voordat de gemeente een inhoudelijke beslissing kon nemen, maakt – anders dan de gemeente betoogt – niet dat de beslistermijn niet op de daaropvolgende dag is ingegaan.\n\n5.6.. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de wettelijke beslistermijn is ingegaan op 23 februari 2022, de dag nadat [de eiser] de aanvraag heeft ingediend via het OLO.\n\nDe beslistermijn is met veertien maanden overschreden\n\n5.7.. De beslistermijn is in dit geval zes maanden (artikel 3:18 Awb) en is begonnen op 23 februari 2022. De beslistermijn eindigde dus in beginsel op 24 augustus 2022. De vergunning is afgegeven op 31 oktober 2023. Dat is (ruim) veertien maanden te laat.\n\nDe overschrijding van de beslistermijn is niet onrechtmatig\n\n5.8.. De enkele omstandigheid dat een bestuursorgaan een besluit neemt met overschrijding van de wettelijke beslistermijn, is onvoldoende voor het oordeel dat daarmee onrechtmatig wordt gehandeld in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden nodig die meebrengen dat het bestuursorgaan, door pas na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn een besluit te nemen, in strijd handelt met de in het maatschappelijk verkeer jegens een belanghebbende in acht te nemen zorgvuldigheid. Daarbij kunnen onder meer van belang zijn de mate waarin de beslistermijn wordt overschreden, de oorzaak of oorzaken van de termijnoverschrijding en de voor het bestuursorgaan kenbare belangen van de betrokken belanghebbenden.Een beslistermijn strekt er in de eerste plaats toe het bestuursorgaan met voortvarendheid te laten beslissen en voor betrokkenen duidelijkheid te scheppen op welke termijn de beslissing is te verwachten. De wettelijke beslistermijn beoogt niet zonder meer om ook te beschermen tegen mogelijke schade die voor een belanghebbende kan ontstaan bij uitblijven van de beslissing binnen die termijn.\n\n5.9.. In het in voetnoot 2 genoemde arrest oordeelde de Hoge Raad verder dat het erom gaat of de overschrijding van de beslistermijn in het licht van de omstandigheden van het geval in redelijkheid aanvaardbaar was. Bij de beoordeling of een termijnoverschrijding al dan niet onrechtmatig is, komt gewicht toe aan de mogelijkheid die het bestuursorgaan heeft om een termijn te verlengen. Of van die mogelijkheid gebruik is gemaakt, is daarbij niet doorslaggevend. Bij de beoordeling van de onrechtmatigheid kan niet zonder meer voorbij worden gegaan aan de omstandigheid dat, hoewel geen formele verlenging van de termijn heeft plaatsgevonden, de overschrijding van de termijn wel (gedeeltelijk) ‘gedekt’ had kunnen worden door verdaging. De Hoge Raad hecht belang aan het feit dat het voor betrokkene duidelijk was wanneer wel een besluit kon worden verwacht.\n\n5.10.. Tegen de achtergrond van dit toetsingskader is de rechtbank van oordeel dat in dit geval geen sprake is van een onrechtmatige overschrijding van de beslistermijn. Daartoe overweegt zij het volgende.\n\n5.11.. Nadat de aanvraag op 22 februari 2022 was ingediend – en terwijl het traject bij de omgevingstafel gaande was – heeft de casemanager van de gemeente op 24 mei 2022 aan [de eiser] laten weten dat nog inzicht moest komen in het parkeren, de erfinrichting (inpassing van bebouwing en parkeren en groen op het erf in relatie tot de omgeving) en dat daarna een goede ruimtelijke onderbouwing moest worden opgesteld met de volgende onderzoeken: akoestisch onderzoek, archeologisch onderzoek, quick scan flora en fauna en watertoets (zie 3.21). Pas op 17 augustus 2022, dus bijna een half jaar na de aanvraag, heeft [de eiser] voor het eerst een ruimtelijke onderbouwing naar de gemeente gestuurd (zie 3.23). Uitgaande van de wettelijke beslistermijn van zes maanden\u002F26 weken had de gemeente daar dan binnen een week op moeten beslissen. Dat is niet reëel.\n\n5.12.. De gemeente heeft zich op het standpunt gesteld – en [de eiser] heeft op zichzelf niet weersproken – dat de ruimtelijke onderbouwing van 12 augustus 2022 zowel op planologisch gebied als op erfgoedkundig gebied onvoldoende was uitgewerkt om tot vergunningverlening over te gaan. Daarbij wijst de gemeente op het verslag van de omgevingstafel van 6 september 2022, waarin staat vermeld dat voor de ruimtelijke kwaliteit wenselijk is dat de (deels) al aanwezige haag de toekomstige parkeerplaatsen afschermt en dat op de ingediende kaart niet duidelijk is waar de inrit naar het perceel is gesitueerd en hoe de parkeerplaatsen worden ontsloten in verband met een te behouden beuk. Verder vermeldt het verslag een aantal verbeteringen die moeten worden aangebracht op het gebied van parkeren, omdat de parkeernorm waarschijnlijk niet wordt gehaald en het aanleggen van parkeerplaatsen langs de openbare weg niet is toegestaan (zie 3.24). De gemeente heeft ook onweersproken aangevoerd dat bij de ruimtelijke onderbouwing van 12 augustus 2022 niet alle benodigde onderzoeken door [de eiser] zijn aangeleverd, terwijl hij daar wel op was gewezen in het eerste verslag van de omgevingstafel van 24 mei 2022. De watertoets, stikstoftoets en ecologische toets zijn pas in maart 2023 door [de eiser] aangeleverd (zie 3.39). Verder heeft [de eiser] pas in oktober 2022 een toetsing aan het Bouwbesluit laten uitvoeren (zie 3.26). Ook heeft [de eiser] na het overleg met de RKC en de RCE van 6 oktober 2022 nog aanpassingen doorgevoerd op erfgoedkundig gebied, zoals blijkt uit zijn brief aan de gemeente van 5 december 2022 (zie 3.27). Gelet op deze gang van zaken is de ontstane vertraging opgetreden aan de zijde van [de eiser] De verantwoordelijkheid om tot een complete vergunningaanvraag te komen ligt bij [de eiser] Hij kan de gemeente dan ook niet verwijten dat zij in 2022 nog geen besluit heeft genomen op de vergunningaanvraag en dus ook niet dat de wettelijke beslistermijn is overschreden in de periode van 22 augustus 2022 tot en met december 2022.\n\n5.13.. Op 8 december 2022 heeft [de eiser] bovendien een aangepaste ruimtelijke onderbouwing ingediend. Deze ging uit van zeventien (in plaats van elf) kamers, waarvan twaalf in het hoofdgebouw, één in het bijgebouw en vier in het spa-gebouw. Zowel op 24 januari 2023 (zie 3.30) als op 2 februari 2023 (zie 3.32) heeft de gemeente aan [de eiser] kenbaar gemaakt dat deze uitbreiding van het aantal kamers planologische gevolgen heeft waaraan de gemeente niet wil meewerken. Ook is [de eiser] er op gewezen dat nog steeds bepaalde onderzoeken niet zijn overgelegd terwijl [de eiser] er al op 24 mei 2022 over was geïnformeerd dat hij die onderzoeken moest aanleveren (zie 3.21). Tijdens het overleg op 24 januari 2023 heeft [de eiser] meegedeeld dat hij “over een tijd” ecologisch onderzoek zal laten verrichten naar uilen en later ook naar vleermuizen en marterachtigen. Ook hier is de vertraging ontstaan aan de zijde van [de eiser] De verantwoordelijkheid om de benodigde gegevens tijdig aan te leveren ligt bij hem. Hij kan de vertraging niet aan de gemeente tegenwerpen.\n\n5.14.. Op 13 maart 2023 heeft [de eiser] een nieuwe ruimtelijke onderbouwing overgelegd. Deze ging uit van vijftien kamers in totaal. Ook zijn daarbij de nog ontbrekende onderzoeken (watertoets, stikstoftoets en ecologische toets) aangeleverd (zie 3.39). Daarmee was de ruimtelijke onderbouwing van de aanvraag compleet. Na het definitieve akkoord van de RCE en RKC van 26 juni 2023 (zie 3.45) kon de gemeente positief op de aanvraag beslissen.\n\n5.15.. Gerekend vanaf 14 maart 2023 had de gemeente, uitgaande van de beslistermijn van zes maanden (26 weken), op 12 september 2023 een besluit moeten nemen. De vergunning is verleend op 31 oktober 2023. Dat is een zodanig geringe overschrijding van de beslistermijn dat deze geen onrechtmatig handelen van de gemeente oplevert.\n\n5.16.. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat [de eiser] op 24 augustus 2023 (de een-na-laatste dag van de termijn) zelf een zienswijze heeft ingediend tegen het ontwerpbesluit, dat op 14 juli 2023 ter inzage is gelegd. Ook deze handelwijze van [de eiser] heeft vertragend gewerkt op de besluitvorming. De rechtbank neemt bij het voorgaande ook de voor de gemeente kenbare belangen van [de eiser] in aanmerking. Deze kenbare belangen houden in dat [de eiser] , zoals hij aan de gemeente heeft meegedeeld, minimaal zestien kamers nodig heeft voor een sluitende businesscase en ook dat hij de vergunning nodig heeft om een hypotheek en subsidie te kunnen aanvragen. Wat daarvan verder ook zij, deze omstandigheden doen er niet aan af dat het op de weg van [de eiser] lag om de benodigde gegevens tijdig bij de gemeente aan te leveren.\n\n5.17.. Het enkele feit dat de gemeente de beslistermijn nooit (tussentijds) heeft verlengd, maakt het voorgaande niet anders. De termijnoverschrijding had immers wel (gedeeltelijk) ‘gedekt’ kunnen worden door verlenging van de termijn. De belangen afwegend komt de rechtbank tot de slotsom dat geen sprake is van onrechtmatig handelen van de gemeente. Aan een beoordeling van de gestelde schade komt de rechtbank dan niet toe.\n\nOok ‘in breder perspectief’ komt onrechtmatig handelen van de gemeente niet vast te staan\n\n5.18.. \n [de eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat de handelwijze van de gemeente ook “in breder perspectief” onrechtmatig is, omdat de gemeente heeft gehandeld in strijd met wat in het maatschappelijk verkeer betamelijk is. In dat kader voert [de eiser] elf (vermeende) gedragingen van de gemeente op die onrechtmatig zouden zijn. De gemeente heeft hiertegen aangevoerd dat [de eiser] op dit punt niet heeft voldaan aan de stelplicht, omdat hij heeft nagelaten per (vermeende) onrechtmatige gedraging aan te geven tot welke schade en tot welk schadebedrag dit handelen heeft geleid. Dit verweer is gegrond. Aan een inhoudelijke beoordeling van deze grondslag komt de rechtbank niet toe.\n\n [de eiser] krijgt ongelijk en wordt veroordeeld in de proceskosten\n\n5.19.. Gezien het voorgaande zal de rechtbank de vorderingen van [de eiser] afwijzen. Wat partijen meer of anders hebben aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel en blijft daarom buiten bespreking.\n\n5.20.. \n [de eiser] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De rechtbank begroot de proceskosten van de gemeente op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n6.861,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n9.262,00\n\n(2 punten × € 4.631,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n16.312,00\n\n5.21.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n6.1.. wijst de vorderingen van [de eiser] af,\n\n6.2.. veroordeelt [de eiser] in de proceskosten van € 16.312,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [de eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n6.3.. veroordeelt [de eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n6.4.. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. P.F.A. Bierbooms, mr. K.H.A. Heenk en mr. F.M.C. Boesberg en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.\n\nJE\u002FPB\u002FKH\u002FFB\n\n Vgl. Hoge Raad 22 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM7040\n\n Vgl. Hoge Raad 11 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7579","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2522","2026-04-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:38.380Z",20,[11,157,158],2024,2023]