[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-public-order-nl-2023":3},{"detail":4,"years":101},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":25,"page":14,"limit":100},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},99,"public-order-nl","Public Order","NL","2026-07-08T16:56:40.714Z",2023,[13,15,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":14},1,{"month":16,"count":17},2,0,{"month":19,"count":17},3,{"month":21,"count":14},4,{"month":23,"count":14},5,{"month":25,"count":16},6,{"month":27,"count":14},7,{"month":29,"count":17},8,{"month":31,"count":17},9,{"month":33,"count":17},10,{"month":35,"count":17},11,{"month":37,"count":17},12,[39,52,62,71,80,90],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":50,"updatedAt":51},"308","ECLI:NL:RBLIM:2023:4229","ecli-nl-rblim-2023-4229","",66,"2023-07-20T00:00:00.000Z","RECHTBANK LIMBURG\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: ROE 22\u002F880\n Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juli 2023 in de zaak tussen\n \n [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. M.W. Kok),\n\nen\n\nde burgemeester van de gemeente Bergen (L.).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het besluit van 7 maart 2022, gewijzigd met het besluit van 10 maart 2022, waarmee de burgemeester het bezwaar van eiseres, tegen de last onder bestuursdwang van 8 november 2021, ongegrond heeft verklaard.\n\n2. De burgemeester heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n3. De rechtbank heeft het beroep op 6 juni 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de burgemeester.\n\nWat ging er aan deze zaak vooraf?\n\n4. Eiseres is huurder van een sociale huurwoning aan de [adres] te [plaats 1] (de woning). Naar aanleiding van anonieme meldingen heeft er door de politie op 14 oktober 2021 een doorzoeking van de woning plaatsgevonden. Tijdens deze doorzoeking werden onder meer 23,8 gram hennep, 27,75 gram amfetamine, 9 XTC-pillen, lege gripzakjes, een keukenweegschaal met daarop residu van vermoedelijk verdovende middelen, enkele BB-geweren en munitie aangetroffen. Op basis van deze vondst heeft de politie een bestuurlijk rapportage opgesteld en verstuurd aan de burgemeester.\n\n5. Met het besluit van 8 november 2021 (het primaire besluit) heeft de burgemeester op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet besloten de woning van eiseres te sluiten voor de duur van zes maanden met ingang van 24 november 2021 om de openbare orde rondom de woning te herstellen. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening verzocht. De voorzieningenrechter heeft het verzoek toegewezen en het primaire besluit geschorst tot zes weken nadat op het bezwaar van eiseres is beslist.\n\n6. Bij besluit van 7 maart 2022 (bestreden besluit I) heeft de burgemeester zijn besluit voorzien van een aanvullende motivering, het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en besloten dat de woningsluiting zou plaatsvinden met ingang van 21 maart 2022. Bij het besluit van 10 maart 2022 (bestreden besluit II) heeft de burgemeester het bestreden besluit deels herzien door te bepalen dat de feitelijke sluiting niet op 21 maart 2022, maar op 20 april 2022 zou plaatsvinden. Eiseres heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld en de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening verzocht. De voorzieningenrechter heeft het verzoek toegewezen en het bestreden besluit geschorst tot zes weken nadat op het beroep van eiseres is beslist.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n7. De rechtbank beoordeelt of de burgemeester heeft kunnen beslissen dat de woning van eiseres gesloten wordt voor de duur van 6 maanden. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.\n\n8. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToetsingskader\n\n9. Op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd een woning te sluiten als in die woning een middel als bedoeld in lijst I (harddrugs) of II (softdrugs) van deze wet wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.\n\n10. Voor de uitvoering van zijn bevoegdheid op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet heeft de burgemeester de beleidsregels vastgelegd. Daarin is opgenomen dat gekozen is voor het “one strike, you are out”-principe. Dit betekent dat bij een overtreding geen waarschuwing wordt gegeven, maar direct tot sluiting van een woning of lokaal wordt overgegaan (zie in dit verband artikel 2, achtste lid, van de beleidsregels).\n\n10.1. Artikel 2, tweede lid, van de beleidsregels bepaalt – voor zover hier relevant – dat de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang aanwezig wordt geacht indien er sprake is van het verkopen, afleveren, verstrekken dan wel daartoe aanwezig hebben van verdovende middelen en als er sprake is van een handelshoeveelheid, voor de uitleg waarvan aansluiting wordt gezocht bij het daartoe gestelde in de Aanwijzing Opiumwet. Concreet betekent dit dat er sprake is van een overtreding in de zin van dit beleid bij een hoeveelheid van meer dan 5 gram softdrugs of meer dan 0,5 gram harddrugs.\n\n10.2. Artikel 4, eerste lid, van de beleidsregels bepaalt – voor zover hier relevant – dat indien er sprake is van het verkopen, afleveren of verstrekken dan wel daartoe aanwezig zijn van harddrugs de woning wordt gesloten voor de duur van zes maanden.\n\n11. Op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) handelt de burgemeester overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Hierbij dient het toetsingskader zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in haar uitspraak van 28 augustus 2019uiteen heeft gezet in acht te worden genomen.\n\n11.1. Zoals de Afdeling al vaker heeft overwogen moet de burgemeester bij de besluitvorming alle omstandigheden van het geval betrekken, ongeacht of die in de beleidsregel zijn verdisconteerd. Daarbij moet worden bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden die maken dat het handelen overeenkomstig het beleid gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen. Aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding dient allereerst beoordeeld te worden in hoeverre sluiting van een woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde. Als sluiting van een woning in beginsel noodzakelijk wordt geacht, dient de sluiting ook evenredig te zijn.\n\nBevoegdheid van de burgemeester\n\n12. De rechtbank stelt allereerst vast dat de bevoegdheid van de burgemeester niet (meer) ter discussie staat tussen partijen. De rechtbank beoordeelt alleen nog of de burgemeester van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.\n\nNoodzaak van de sluiting\n\n13. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de burgemeester in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik kon maken door de woning direct voor zes maanden te sluiten. Aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding dient te worden beoordeeld in hoeverre sluiting van de woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde.\n\n14. Eiseres stelt zich – kortgezegd – op het standpunt dat haar woning niet bekendstaat als drugspand en er niet gehandeld werd vanuit haar woning. Uit de stukken blijkt volgens eiseres ook niet dat er sprake is van overlast. Verder zegt ze dat er geen sprake is van ‘loop’ naar de woning. De gevonden drugs waren van de ex-partner van eisers, die al lang niet meer in de woning woont. De sluiting is volgens eiseres niet noodzakelijk, de burgemeester had kunnen volstaan met een waarschuwing.\n\n15. De rechtbank volgt het standpunt van eiseres niet. Op grond van de hierboven genoemde uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2019 geldt als uitgangspunt dat in het geval in een pand een handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen, aangenomen mag worden dat een pand een rol vervult binnen de keten van drugshandel, hetgeen op zichzelf al een belang bij sluiting oplevert, ook als ter plaatse geen overlast of feitelijke drugshandel is geconstateerd. Vast staat dat in de woning van eisers een handelshoeveelheid soft- en harddrugs is aangetroffen, namelijk ruim 55 maal de maximaal toegestane hoeveelheid voor eigen gebruik aan harddrugs en ruim 4 maal de maximale toegestane hoeveelheid voor eigen gebruik aan softdrugs. Daarin is al een (groot) belang voor sluiting gelegen. Daarnaast blijkt uit de bestuurlijk rapportage dat er in minder dan één jaar tijd 7 anonieme meldingen zijn binnengekomen ten aanzien van eiseres en\u002Fof handel in verdovende middelen vanuit haar woning, en zijn er in de woning van eiseres lege gripzakjes, een keukenweegschaal met daarop residu van vermoedelijk verdovende middelen en enkele BB-geweren met munitie aangetroffen. Op basis hiervan kan volgens vaste jurisprudentie feitelijke handel worden aangenomen. De burgemeester heeft kunnen concluderen dat er sprake is van een ernstig geval. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat de burgemeester had moeten volstaan met een waarschuwing. De beroepsgrond faalt.\n\nEvenredigheid\n\n16. Als sluiting van een woning in beginsel noodzakelijk wordt geacht, neemt dat niet weg dat de sluiting ook evenredig moet zijn. In de eerder genoemde uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2019 is overwogen dat bij de beoordeling van de evenredigheid verschillende omstandigheden van belang zijn, zoals de mate van verwijtbaarheid van de aangeschreven persoon, een bijzondere binding met de woning, de mogelijkheid om weer in de woning terug te keren, of de overtreder door sluiting van de woning op een zwarte lijst komt te staan bij een woningbouwcorporatie als gevolg waarvan hij voor een bepaalde duur geen nieuwe sociale huurwoning kan huren in de regio en of er minderjarige kinderen in de woning wonen. De nadelige gevolgen van de sluiting moeten worden afgewogen tegen de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de burgemeester sluiting noodzakelijk mocht vinden. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenredig. Inherent aan de sluiting van de woning is dat de bewoner de woning moet verlaten. Dat is op zichzelf geen bijzondere omstandigheid.\n\n17. Eiseres stelt zich – kortgezegd - op het standpunt dat de omstandigheden dat er minderjarige kinderen aanwezig zijn, dat de huurovereenkomst buitengerechtelijk zal worden ontbonden, dat eiseres op de zwarte lijst komt te staan bij de verhuurder, dat zij geen passende vervangende woonruimte kan vinden en de door de burgemeester aangedragen alternatieve woningen niet passend zijn, samen maken dat het besluit onevenredig is. Eiseres vreest haar uitkering te verliezen wanneer de woning wordt gesloten en zou bovendien niet (tijdelijk) buiten de regio willen gaan wonen omdat haar oma, sinds het overlijden van haar opa, regelmatig bij haar komt logeren en dit dan niet meer mogelijk zou zijn.\n\n18. De burgemeester stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat hij alle relevante belangen heeft afgewogen en daarmee tot het besluit heeft kunnen komen. Daarbij acht de burgemeester het belangrijk dat er sprake is van verwijtbaar handelen. Ten aanzien van de vervangende woonruimte is de burgemeester van mening dat hij, nu hij concrete locaties voor huisvesting in Nederland heeft aangedragen, heeft voldaan aan zijn plicht om zich hierover te informeren.\n\n19. De rechtbank stelt voorop dat er sprake is van een ernstige overtreding van de Opiumwet, dat de burgemeester eiseres daarvan een verwijt heeft kunnen maken en dat deze verwijtbaarheid in beroep niet (meer) door eiseres wordt betwist. De rechtbank acht verder van belang dat er geen objectieve aanwijzingen zijn voor bijzondere omstandigheden op grond waarvan verzoekster specifiek verbonden is aan verblijf in de woning. Door eiseres is niet onderbouwd dat zij haar oma niet in de woning van haar oma of elders kan bezoeken. Verder heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij door een (tijdelijke) verhuizing haar bijstandsuitkering zal verliezen, dan wel dat zij die niet in een andere gemeente zou kunnen aanvragen.\n\n19.1. Dat neemt niet weg dat de sluiting van de woning voor eiseres veel nadelige gevolgen zal hebben. Duidelijk is dat de woningcorporatie de huurovereenkomst wenst te ontbinden en aannemelijk is dat eiseres op een zwarte lijst wordt geplaatst, hetgeen het vinden van een andere (sociale) huurwoning in de regio erg lastig zal maken. Ook is niet in geschil dat het vinden van tijdelijke woonruimte gedurende de sluiting voor eiseres en haar (ten tijde van de bestreden besluiten) minderjarige zoon erg lastig zal zijn, nu zij moet rondkomen van een bijstandsuitkering en niet lang (genoeg) staat ingeschreven voor een sociale huurwoning. Daar staat tegenover dat de burgemeester genoegzaam heeft gemotiveerd dat het voor eiseres niet onmogelijk zal zijn om tijdelijke betaalbare woonruimte te vinden. De burgemeester heeft in dat kader onderzocht welke andere woonruimte beschikbaar is, waarbij de burgemeester de huidige huurprijs van eiseres als richtsnoer heeft gehanteerd. De rechtbank is met eiseres van oordeel dat de door de burgemeester aangedragen alternatieven in Duitsland niet passend zijn en dat uit de door eiseres verrichtte inspanningen blijkt dat haar inschrijftijd te kort is om op korte termijn voor een sociale huurwoning in aanmerking te komen. De burgemeester heeft echter ook op alternatieve particuliere huurwoningen gewezen, zowel in de regio als in de omgeving van [plaats 2] omdat de minderjarige zoon van eiseres daar naar school ging ten tijde van de bestreden besluiten. Dat is uiteraard steeds een momentopname. Dat de specifieke woningen op het moment dat eiseres daarnaar heeft gekeken niet meer beschikbaar waren, betekent niet dat op dat moment geen nieuwe passende woningen beschikbaar zijn gekomen. Niet is gebleken dat eiseres heeft getracht om een particuliere huurwoning (in de omgeving [plaats 2] ) te bemachtigen, terwijl dit naar het oordeel van de rechtbank wel van haar mag worden verwacht. Tot slot heeft de burgemeester er op gewezen dat er sinds enige tijd een daklozenopvang met gezinsvoorziening aanwezig is in de gemeente Bergen, hetgeen als uiterste noodoplossing zou kunnen dienen. De burgemeester heeft daarmee naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderzocht in hoeverre eiseres in staat zou moeten zijn om vervangende woonruimte te vinden en heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het vervolgens de verantwoordelijkheid van eiseres zelf is om die woonruimte te vinden.\n\n19.2. De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester een zwaarder gewicht heeft mogen toekennen aan het belang van sluiting van de woning dan aan het belang van eiseres. De door eiseres aangedragen omstandigheden maken de sluiting van zes maanden niet onevenredig. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n20. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de burgemeester heeft mogen beslissen de woning van eiseres voor de duur van zes maanden te sluiten.\n\n21. Dit betekent echter niet dat de burgemeester na bekendmaking van de onderhavige uitspraak tot de (feitelijke) sluiting van de woning mag overgaan. Van belang is namelijk dat tussen de datum van de voorgenomen sluiting (20 april 2022) en deze uitspraak méér dan een jaar is verstreken. Gelet op vaste rechtspraakzal de burgemeester, indien hij alsnog wil over gaan tot sluiting, opnieuw moeten beoordelen of de noodzaak tot sluiting nog bestaat. Tijdsverloop kan er namelijk toe leiden dat sluiting van een pand redelijkerwijs niet meer zal bijdragen aan het bereiken van de doelen die met een dergelijke sluiting worden gediend. De burgemeester zal alle relevante omstandigheden moeten meewegen, zoals de mate van overlast of signalen van ‘loop naar de woning’ sinds de beëindiging van de overtreding van de Opiumwet. De rechtbank merkt in dit kader op dat tijdens de zitting door de burgemeester is bevestigd dat er in elk geval de laatste maanden geen overlast is gemeld. Als de burgemeester desalniettemin tot sluiting van de woning over zou willen gaan, dan zal hij daarover een (nieuw) besluit moeten nemen.\n\n22. Omdat het beroep ongegrond wordt verklaard krijgt eiseres haar griffierecht niet terug. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. G. Leijten, rechter, in aanwezigheid van B.A.E.I. van Hooff, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2023\n\ngriffier\n\nrechter\n\nDe griffier is niet in de gelegenheid\n\nom deze uitspraak te ondertekenen.\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 20 juli 2023\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Uitspraak van 23 december 2021 (ECLI:NL:RBLIM:2021:9840).\n\n Uitspraak van 6 mei 2022 (ECLI:NL:RBLIM:2022:3484).\n\n ECLI:NL:RVS:2019:2912\n\n Zie onder meer de uitspraak van 8 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2756.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2023:4229","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:23.735Z",{"id":53,"ecli":54,"slug":55,"caseNumber":43,"courtId":56,"decisionDate":57,"fullText":58,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":60,"parsedAt":50,"updatedAt":61},"284","ECLI:NL:RBROT:2023:5671","ecli-nl-rbrot-2023-5671",61,"2023-06-28T00:00:00.000Z","Rechtbank Rotterdam\n\nTeam straf 1\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 28 juni 2023\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:\n\n[verdachte01]\n,\n\ngeboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum01],\n\ningeschreven in de basisregistratie personen op het adres:\n\n[adres01] , [postcode01] [plaats01],\n\nraadsvrouw mr. J. van Wingerden, advocaat te Dordrecht.1.. Onderzoek op de terechtzitting\n\nGelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 14 juni 2023.2.. Tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.3.. Eis officier van justitie\n\nDe officier van justitie mr. J. Spaans heeft gevorderd:\n\nvrijspraak van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;\n\nbewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde;\n\nveroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 week met aftrek van voorarrest.4.. Waardering van het bewijs\n\nInleiding:\n\nOp grond van hetgeen is besproken ter zitting en op grond van het strafdossier is het volgende komen vast te staan:\n\nTijdens de jaarwisseling van 2022\u002F2023 hebben zich in het centrum van ’s-Gravendeel ernstige ongeregeldheden voorgedaan. Politiemensen die ter plekke dienst deden werden beschoten met vuurpijlen en zwaar vuurwerk dat werd gegooid vanuit een groep in het zwart geklede jongeren. Deze jongeren trokken door het dorp terwijl zij vernielingen pleegden en ook naar nietsvermoedende burgers vuurwerk gooiden. Op de [straatnaam01] , ter hoogte van [huisnummer01] , werden glimmende voorwerpen op de weg aangetroffen ter hoogte van een wegversmalling. Politiemedewerkers ontdekten dat het zelf geproduceerde kraaienpoten waren, kennelijk opzettelijk neergelegd om de banden van (politie)voertuigen lek te laten rijden. De politiemedewerkers moesten dekking zoeken om niet geraakt te worden en vroegen om versterking, in de vorm van de Mobiele Eenheid.\n\nToen de Mobiele Eenheid (verder: ME) omstreeks 01.30 uur arriveerde werd opnieuw geweld gepleegd en zwaar vuurwerk gegooid, onder meer bestaande uit witte bollen die na ontploffing een enorme drukgolf teweeg brachten in de onmiddellijke nabijheid van politiemensen. Na verloop van tijd kon een grote groep mensen door de ME ingesloten (‘ingeboxt’) worden, met het doel de orde en rust weer te laten keren. Terwijl deze groep mensen, waaronder de verdachte, ingesloten was, bleef het gooien van vuurwerk, het gooien van voorwerpen, het beledigen en schreeuwen, het opdringen en ander geweld in de richting van de ME voortduren. Enkelen probeerden te ontsnappen. Naar de ME werd opnieuw vuurwerk en andere projectielen gegooid om dit ontsnappen te ondersteunen. Tijdens dit insluiten is zeer zwaar illegaal vuurwerk gebruikt tegen de ME. Bij de ME’ers was er reële angst voor blijvend letsel. Door twintig politieambtenaren werd aangifte gedaan.\n\nDe officier van justitiestelt zich op het standpunt dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde, te weten de poging doodslag\u002Fzware mishandeling als ook van het onder 2 ten laste gelegde, te weten het plegen van openlijk geweld tegen de politie. Ondanks dat de verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte01] een verwerpelijk filmpje heeft opgenomen, is dat onvoldoende zwaarwegend of dragend voor een veroordeling van openlijk geweld.\n\nDe\n\nverdachteheeft ter zitting verklaard bij deze rellen aanwezig te zijn geweest doch hieraan niet te hebben deelgenomen. De verdachte zou niets hebben gegooid zodat hij van het onder 1 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Daarnaast zou hij geen geweld hebben gebruikt, zodat hij ook van het onder 2 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Hij heeft weliswaar deelgenomen aan een whatsappgroep in de dagen voorafgaand aan oudejaarsnacht en hij heeft een filmpje opgenomen op zijn mobiele telefoon toen hij was ingesloten door de ME. In dat filmpje spreekt hij samen met medeverdachte [medeverdachte01] over het doodschoppen of doodslaan van een agent. Daaruit kan echter geen voldoende significante of wezenlijke bijdrage aan het openlijk geweld worden afgeleid. De verdachte heeft namelijk niet deelgenomen aan het appgesprek. Het filmpje was niet meer dan een misplaatste grap en een verband tussen het filmpje en het geweld dat medeverdachte [medeverdachte01] later pleegde ontbreekt.\n\nBeoordeling:\n\nDe centrale vraag die de rechtbank heeft te beantwoorden is de vraag of de verdachte openlijk geweld heeft gebruikt tijdens de grote ordeverstoringen in deze oudejaarsnacht, waarbij bovendien door de verdachte zou zijn geprobeerd om tezamen met anderen \u002F een ander politiemensen te doden en \u002F of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.4.1.. \n\nVrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde\n\nDe rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van de verdachte eens dat dit feit niet met de in het dossier opgenomen bewijsmiddelen bewezen kan worden. Niet kan worden vastgesteld dat de verdachte al dan niet met één of meer anderen geprobeerd heeft om politiemensen te doden dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De verdachte dient hiervan te worden vrijgesproken.4.2.. \n\nBewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde.\n\nArtikel 141 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr.) – de openlijke geweldpleging wordt hierin strafbaar gesteld – beoogt een strafrechtelijke vertaling te geven aan de aantasting van de openbare orde door geweldpleging vanuit een groep. Dit brengt mee dat de verdachte die zelf geweld pleegt geen weet hoeft te hebben gehad van (al) het geweld dat is gepleegd door andere personen die deel uitmaakten van de samengekomen menigte, laat staan dat hij aan dat andere geweld een bijdrage moet hebben geleverd. Dat zou juist bij grootschalige verstoringen van de openbare orde waaraan de wetgever oorspronkelijk dacht een onmogelijke eis zijn geweest. Voldoende voor aansprakelijkheid was en is nog steeds dat men één van de geweldplegers was. Voorts brengt het mee dat alle door de verschillende personen uit de menigte gepleegde geweldshandelingen deel uitmaken van één en dezelfde verstoring van de openbare orde. De optelsom van al die individuele geweldshandelingen vormt als het ware de openbare orde verstorende openlijke geweldpleging waarvoor de verdachte mede aansprakelijk wordt gehouden. Anders gezegd: de afzonderlijke geweldshandelingen leveren samen één overtreding van artikel 141 Sr. op. Tot slot dient te worden vermeld dat het vaste rechtspraak is dat van ‘in vereniging’ plegen van geweld sprake is indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert\u002Fheeft geleverd aan het (mede door anderen gepleegde) geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn.\n\nHet is vanuit dit normkader van de strafbepaling die aan de verdachte wordt verweten dat de rechtbank het gedrag van de verdachte beoordeelt en zij neemt daar bij het volgende in haar overwegingen mee.\n\nDe verdachte heeft voorafgaand aan de jaarwisseling deelgenomen aan een appgroep waaraan naast de verdachte anderen (waaronder ook medeverdachte [medeverdachte01] ) hebben meegedaan. Hierin werd in de weken\u002Fdagen voorafgaand aan oudejaarsnacht gesproken over de aankomende jaarwisseling, over de aankoop van zwaar illegaal vuurwerk, over de komst van “tuig” naar het dorp in de oudejaarsnacht, werd concreet besproken om de camera’s van de in het dorp zich bevindende torenpaal af te plakken en waar om 23:08:29 uur op 31 december 2022 wordt gezegd:\n\n\"Wij zijn sgravendeel nu weeegje gassss drop niemand is gekker dan wij.\"\n\nDe verdachte heeft – zoals hij ter zitting heeft verklaard – zich sinds kort na twaalf uur tijdens de jaarwisseling in het centrum rond de rellen bevonden.\n\nOp de telefoon van de verdachte bevindt zich een filmpje, gemaakt op 1 januari 2023 te 1:01 uur UTC, te weten 2:01 uur plaatselijke tijd. genaamd\n\n“Agent pakt”.Hierin spreken de verdachte en [medeverdachte01] met elkaar waarbij [medeverdachte01] zegt:\n\"Als ik een agent pak, sla jij hem dan dood?\"De verdachte antwoordde:\n\"Als ik.. Als jij een agent pakt schop ik hem dood.\"De verdachte [medeverdachte01] , antwoordde:\n\"Nee. Ja.\" De verdachte antwoordde:\n\"Ja, is goed\"Vervolgens werd de camera van de telefoon van de verdachte gericht op een lid van de Mobiele Eenheid en iemand zei\n: \"Hij\".Kennelijk is dit filmpje gemaakt op een moment dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte01] door de ME waren ingesloten.\n\nDe medeverdachte [medeverdachte01] trapte kort daarna, omstreeks 2:15 uur, tegen het schild van agent [verbalisant01] en werd vervolgens terzake openlijke geweldpleging aangehouden.\n\nOp basis van getuigenverklaringen en processen-verbaal van bevindingen stelt de rechtbank vast dat in de periode dat een groep mensen, die overlast hadden gegeven en waaronder de verdachte en [medeverdachte01] zich bevonden werden opgehouden door de mobiele eenheid, deze ME-ers werden bestookt met vuurwerk en andere projectielen. Mensen probeerden te ontsnappen uit deze situatie door geweld tegen de politie te gebruiken.\n\nOok is vastgesteld dat nadat de gehele groep was geïdentificeerd en was vertrokken, op de grond verschillende cobra’s, boksbeugels etc. door de politie zijn aangetroffen.\n\nDe verdachte heeft, hiermee ter zitting geconfronteerd, gezegd dat hij wel lid was van de appgroep, maar dat hij de appgesprekken grotendeels niet heeft meegekregen. Het filmpje is gemaakt nadat hij ruim een uur ingesloten had gestaan door de politie. Op een gegeven moment heeft hij toen voor de grap dat filmpje gemaakt. Hij heeft verklaard dat hij het filmpje op dat moment wel grappig vond, maar toen hij het terugzag niet meer, hij noemt het een misplaatste grap.\n\nDe rechtbank schuift deze verklaring als ongeloofwaardig terzijde. Er zijn in de appgroep teveel concrete gegevens door de politie aangetroffen die rechtstreeks in verband met de rellen van die nacht gebracht kunnen worden om deze verklaring van de verdachte aan te nemen. De rechtbank stelt vast dat in de appgesprekken en het filmpje blijkt van voorbereidingen voor gevechten met de ME in de oudejaarsnacht, waarbij illegaal vuurwerk zou worden gekocht, mogelijk bewijs vergarende instrumenten (camera’s) onklaar zouden worden gemaakt en gericht ME-ers werden aangewezen om geweld tegen uit te oefenen. De verdachte heeft op 30 december 2022 een bericht van de verdachte [medeverdachte01] doorgestuurd in die groepsapp. Daaruit leidt de rechtbank af dat hij wel degelijk deelnam aan die appgroep.\n\nHet geweld tegen de politieagent [verbalisant01] , die hierdoor pijn en letsel opliep, vormt een essentieel onderdeel van het openlijk geweld ter verstoring van de openbare orde. Anders dan de verdediging heeft bepleit ziet de rechtbank gelet op het korte tijdsverloop tussen het moment dat de verdachte en [medeverdachte01] het filmpje – dat later de naam “ [bestandsnaam01] ” heeft meegekregen – hebben gemaakt en het moment dat [medeverdachte01] tegen schild van [verbalisant01] heeft getrapt, wel een voldoende oorzakelijk verband tussen het filmpje en het gepleegde geweld zodat in het verlengde daarvan kan worden vastgesteld dat de verdachte een voldoende significante en wezenlijke bijdrage aan dat geweld heeft geleverd.\n\nDe in de tenlastelegging opgenomen geweldshandelingen zijn niet alle door de verdachten verricht maar vormen tezamen met zijn bijdrage deze inbreuk op de openbare orde zoals door de officier van justitie is beschreven. Feit 2 is dan ook bewezen zoals hierna is aangegeven.4.3.. \n\nBewezenverklaring zonder nadere motivering van het onder 3 ten laste gelegde\n\nHet onder 3 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.4.4.. \n\nBewezenverklaring\n\nIn bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.\n\nIn bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan.\n\nDe verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:\n\n2.\n\nhij op 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard,\n\nopenlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen\n\nverbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant02] en\u002Fof [verbalisant01] en\u002Fof [verbalisant03] en\u002Fof [verbalisant04] en\u002Fof [verbalisant05] en\u002Fof [verbalisant06] en\u002Fof [verbalisant07] en\u002Fof [verbalisant08] en\u002Fof [verbalisant09] en\u002Fof [verbalisant10] en\u002Fof [verbalisant11] en\u002Fof [verbalisant12] en\u002Fof [verbalisant13] en\u002Fof [verbalisant14] en\u002Fof [verbalisant15] en\u002Fof [verbalisant16] en\u002Fof [verbalisant17] en\u002Fof [verbalisant18] en\u002Fof [verbalisant19] en\u002Fof [verbalisant20] , door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk in de richting van voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant01] te trappen;\n\n3.\n\nhij op 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard\n\nopzettelijk en wederrechtelijk een prullenbak, die aan Gemeente Hoeksche Waard toebehoorde heeft vernield.\n\nHetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.5.. Strafbaarheid feiten\n\nDe bewezen feiten leveren op:\n\n2.\n\nopenlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.\n\n3.\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.6.. Strafbaarheid verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.7.. Motivering straf7.1.. \n\nAlgemene overweging\n\nDe straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.7.2.. \n\nFeiten waarop de straf is gebaseerd\n\nZoals hierboven onder 4 vermeld, hebben zich rond de jaarwisseling 2022 \u002F 2023 zeer ernstige ongeregeldheden voorgedaan. Het heeft er alle schijn van dat er sprake was van een vooropgezet plan om politieambtenaren en ME’ers in de val te lokken en fysieke schade toe te brengen, onder meer door het bekogelen van die politiemensen met zwaar, illegaal vuurwerk. Uit de aangiften blijkt dat de politieambtenaren, die toch gewend zijn aan het optreden in stressvolle situaties, oprecht bang waren dat zij er niet zonder ernstig letsel van af zouden komen. Meerdere politiemensen spraken van een oorlogssituatie, enkelen van hen overwogen zelfs om – uit lijfsbehoud – gericht op relschoppers te schieten.\n\nDe verdachte heeft in de aanloop naar deze rellen een rol gespeeld door deel te nemen aan opruiende WhatsApp-gesprekken. Verder nam hij deel aan een gefilmd gesprek over het doodschoppen van ME’ers. Dat was kort voordat medeverdachte [medeverdachte01] agent [verbalisant01] , op dat moment in functie als ME’er, tegen haar schild schopte en daardoor pijn en letsel toebracht. Dit alles gebeurde te midden van het ‘strijdtoneel’ waarin politieambtenaren met zwaar vuurwerk werden bekogeld. De verdachte was, door zijn opruiende rol en door het van politieambtenaren, mede verantwoordelijk voor het openlijk geweld dat door de grotere groep werd gepleegd.\n \nEerder, in de avond van 31 december 2022, heeft de verdachte een vuilnisbak opgeblazen met zwaar vuurwerk. Deze vernieling staat los van wat er later die nacht is gebeurd, maar past wel in het patroon van geweldpleging met behulp van zwaar vuurwerk.7.3.. \nPersoonlijke omstandigheden van de verdachte7.3.1.. \n\nStrafblad\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 26 mei 2023, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.7.3.2.. \n\nRapportage\n\nReclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 31 mei 2023. Dit rapport houdt – onder meer en voor zover van belang – het volgende in.\n\nHet alcoholgebruik van de verdachte wordt als delictgerelateerd beschouwd, en zijn sociaal netwerk mogelijk ook. Uit het onderzoek komen geen aanwijzingen voor agressieproblematiek naar voren. De verdachte komt zijn afspraken in het kader van het schorsingstoezicht na. Positief is dat de verdachte na zijn vrijlating weer aan het werk is gegaan en dat hij wordt gesteund door zijn familie. De kans op recidive en letselschade wordt laag ingeschat. Geadviseerd wordt om bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op de informatie van de reclassering.7.4.. \n\nConclusies van de rechtbank\n\nGelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.\n\nGezien de ernst van het feit kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. De rechtbank zal echter afzien van het opleggen van een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan het reeds ondergane voorarrest. In plaats daarvan wordt een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank legt de verdachte een hogere straf dan door de officier van justitie gevorderd, omdat zij feit 2 bewezen heeft verklaard.\n\nAlles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.8.. Vorderingen benadeelde partijen\n\nTweeëntwintig politieagenten hebben zich als benadeelde partij in het geding gevoegd ter zake van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. De benadeelde partijen [benadeelde partij01] ,\n\n[benadeelde partij02] , [benadeelde partij03] , [benadeelde partij04] , [benadeelde partij05] , [benadeelde partij06] , [benadeelde partij07] , [benadeelde partij08] , [benadeelde partij09] , [benadeelde partij10] ,\n\n[benadeelde partij11] , [benadeelde partij12] , [benadeelde partij13] , [benadeelde partij14] , [benadeelde partij15] , [benadeelde partij16] , [benadeelde partij17] , [benadeelde partij18] en [benadeelde partij19] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,- aan immateriële schade, de benadeelde partijen [benadeelde partij20] en [benadeelde partij21] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,- aan immateriële schade en de benadeelde partij [benadeelde partij22] vordert een vergoeding van € 750,- aan immateriële schade.8.1.. \n\nStandpunt officier van justitie\n\nOmdat er vrijspraak is gevorderd dienen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun vorderingen.8.2.. \n\nStandpunt verdediging\n\nDe benadeelde partijen moeten niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering omdat er vrijspraak is bepleit.8.3.. \n\nBeoordeling\n\nDe benadeelde partijen zullen in hun vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard omdat thans onvoldoende is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met het onder 2 primair bewezen verklaarde feit. Daarbij heeft de rechtbank ervoor gekozen om ten aanzien van de beoordeling van de vorderingen van de benadeelde partijen uit te gaan van de door de verdachte gepleegde handelingen. Die hebben wel bijgedragen aan het door medeverdachte [medeverdachte01] gepleegde geweld, maar de verdachte heeft zelf geen geweldshandelingen gepleegd.\n\nNu de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zullen worden verklaard, zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vorderingen gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.8.4.. \n\nConclusie\n\nIn deze procedure wordt over de gevorderde schadevergoeding geen inhoudelijke beslissing genomen.9.. Toepasselijke wettelijke voorschriften\n\nGelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c en 141 van het Wetboek van Strafrecht.10. . Bijlagen\n\nDe in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.11.. Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart bewezen, dat de verdachte de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;\n\nstelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nveroordeelt de verdachte tot een\n\ngevangenisstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;\n\nbepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot\n\n73 (drieënzeventig) dagenniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;\n\nverbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar;\n\ntenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft;\n\nstelt als algemene voorwaarde:\n\nde veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;\n\nbeveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht zodat thans geen onvoorwaardelijk strafdeel resteert, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;\n\nheft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst;\n\nverklaart de benadeelde partijen [benadeelde partij01] , [benadeelde partij02] , [benadeelde partij20] ,\n\n[benadeelde partij03] , [benadeelde partij04] , [benadeelde partij05] , [benadeelde partij06] , [benadeelde partij21] , [benadeelde partij07] , [benadeelde partij08] , [benadeelde partij09] , [benadeelde partij10] , [benadeelde partij11] , [benadeelde partij12] , [benadeelde partij13] ,\n\n[benadeelde partij22] , [benadeelde partij14] , [benadeelde partij15] , [benadeelde partij16] , [benadeelde partij17] , [benadeelde partij18] en\n\n[benadeelde partij19] niet-ontvankelijk in de vorderingen;\n\nveroordeelt de benadeelde partijen in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. E.M. Havik, voorzitter,\n\nen mrs. G.P. van de Beek en C.J.L. van Dam, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. J.G. Polke, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.\n\nDe voorzitter, de jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.\n\nBijlage I\n\nTekst tenlastelegging\n\nAan de verdachte wordt ten laste gelegd dat\n\n1.\n\nhij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en\u002Fof diens mededader(s) voorgenomen misdrijf om\n\néén of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant21] (hoofdagent) en\u002Fof [verbalisant22] (aspirant)\n\nen\u002Fof\n\néén of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant02] en\u002Fof [verbalisant01] en\u002Fof [verbalisant03] en\u002Fof [verbalisant04] en\u002Fof [verbalisant05] en\u002Fof [verbalisant06] en\u002Fof [verbalisant07] en\u002Fof [verbalisant08] en\u002Fof [verbalisant09] en\u002Fof [verbalisant10] en\u002Fof [verbalisant11] en\u002Fof [verbalisant12] en\u002Fof [verbalisant13] en\u002Fof [verbalisant14] en\u002Fof [verbalisant15] en\u002Fof [verbalisant16] en\u002Fof [verbalisant17] en\u002Fof [verbalisant18] en\u002Fof [verbalisant19] en\u002Fof [verbalisant20] , althans een of meer (andere) verbalisanten\n\nopzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten heeft\u002Fhebben afgeschoten en\u002Fof gegooid, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten heeft\u002Fhebben gegooid,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\n2.\n\nhij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard,\n\nopenlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen\n\neen of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant21] (hoofdagent) en\u002Fof [verbalisant22] (aspirant)\n\nen\u002Fof\n\néén of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant02] en\u002Fof [verbalisant01] en\u002Fof [verbalisant03] en\u002Fof [verbalisant04] en\u002Fof [verbalisant05] en\u002Fof [verbalisant06] en\u002Fof [verbalisant07] en\u002Fof [verbalisant08] en\u002Fof [verbalisant09] en\u002Fof [verbalisant10] en\u002Fof [verbalisant11] en\u002Fof [verbalisant12] en\u002Fof [verbalisant13] en\u002Fof [verbalisant14] en\u002Fof [verbalisant15] en\u002Fof [verbalisant16] en\u002Fof [verbalisant17] en\u002Fof [verbalisant18] en\u002Fof [verbalisant19] en\u002Fof [verbalisant20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [verbalisant22] en\u002Fof [verbalisant21] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [verbalisant22] en\u002Fof [verbalisant21] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant01] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3.\n\nhij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard\n\nopzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2023:5671","2023-06-30T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:22.607Z",{"id":63,"ecli":64,"slug":65,"caseNumber":43,"courtId":66,"decisionDate":67,"fullText":68,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":69,"sourceTimestamp":67,"parsedAt":50,"updatedAt":70},"525","ECLI:NL:RBGEL:2023:3472","ecli-nl-rbgel-2023-3472",60,"2023-06-20T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 22\u002F1319\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juni 2023\n\nin de zaak tussen\n \n [Eiser A] , uit [plaats B] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. Y. ten Tuijnte)\n\nen\n\nde burgemeester van de gemeente Doetinchem\n\n(gemachtigde: mr. F. Pommer).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van de burgemeester om aan hem een last onder dwangsom op te leggen wegens drugshandel op straat. Met het bestreden besluit van 31 januari 2022 op het bezwaar van eiser is de burgemeester bij dat besluit gebleven.\n\n1.1.. Daarnaast beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen twee invorderingsbesluiten die de burgemeester genomen heeft omdat eiser de last niet zou hebben nageleefd. Omdat eiser de besluiten betwist, maken deze automatisch deel uit van het geschil.\n\n1.2.. De burgemeester heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep op 2 juni 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser. Namens de burgemeester zijn verschenen: de gemachtigde van de burgemeester en mr. N. Helmink.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van het dwangsombesluit en de invorderingsbesluiten. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\n2.1.. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nDe last onder dwangsom\n\nVaststaande feiten\n\n3. De burgemeester heeft het bestreden besluit gebaseerd op een bestuurlijke rapportage van de politie.Uit die rapportage volgt dat eiser zich op 30 juni 2021 als bijrijder in een auto bevond op [het adres C] in [plaats B] en dat hij vanuit de auto iets aan een persoon overhandigde. De politie heeft deze persoon daarna gecontroleerd. Deze verklaarde 3-MMC gekocht te hebben van eiser en dit al drie of vier keer eerder gedaan te hebben. De ondervraagde persoon overhandigde daarbij een sealbag met wit poeder aan de politie. Eiser en de bestuurder van de auto zijn vervolgens aangehouden. Tijdens de insluiting werden bij de bestuurder 30 wikkels cocaïne aangetroffen en 26 sealbags met 3-MMC. De uiterlijke kenmerken van de sealbags kwamen overeen met die van de sealbag die de politie aantrof bij de ondervraagde persoon. Bij eiser zijn twee telefoons en € 385 aan contant geld aangetroffen.\n\n3.1.. Naar aanleiding van deze bevindingen heeft de burgemeester aan eiser een last opgelegd om verdere overtreding van artikel 2:74 van de Apv Doetinchem 2016 (de Apv) te voorkomen. Dit artikel luidt als volgt:\n\nOnverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling, af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.\n\nBij het niet nakomen van de last verbeurt eiser een dwangsom van € 5.000 per geconstateerde overtreding met een maximum van € 50.000.\n\nWas de burgemeester bevoegd om een last onder dwangsom op te leggen wegens overtreding van artikel 2:74 van de Apv?\n\n4. Eiser betoogt dat de burgemeester geen last aan hem had mogen opleggen, omdat hij artikel 2:74 van de Apv niet heeft overtreden. Bij de aanhouding op 30 juni 2021 zijn enkel drugs aangetroffen bij de bestuurder van de auto (in haar beha) en niet bij eiser. Dat eiser niet in drugs dealde volgt ook uit de omstandigheid dat het Openbaar Ministerie dit feit heeft geseponeerd. Voor zover de burgemeester de handel in 3-MMC aan het besluit ten grondslag heeft gelegd, betwist eiser dat deze handeling heeft plaatsgevonden. Bovendien wijst hij erop dat dit middel ten tijde van de vermeende overtreding nog niet was opgenomen op lijst II van de Opiumwet. Voor zover artikel 2:74 van de Apv spreekt over “daarop gelijkende waar”, kan een last hierop niet gebaseerd worden, omdat dit te onbepaald is. Deze zinsnede is daarmee in strijd met het zogenoemde lex certa-beginsel.\n\n4.1.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de burgemeester terecht het standpunt ingenomen dat eiser artikel 2:74 van de Apv heeft overtreden en was hij bevoegd om een last onder dwangsom op te leggen. Daarbij neemt de rechtbank het hierna volgende in aanmerking.\n\n4.2.. Artikel 2:74 van de Apv ziet op het voorkomen van aantasting van de openbare orde en het beteugelen van overlast. Een overtreding van artikel 2:74 van de Apv vereist geen strafwaardige betrokkenheid bij het afleveren, aanbieden of verwerven van de in de Opiumwet genoemde middelen.De vraag of eiser dit artikel heeft overtreden moet daarom zelfstandig, los van een eventuele strafrechtelijke procedure, worden beantwoord. Dat eiser niet strafrechtelijk is vervolgd voor de feiten van 30 juni 2021, betekent daarom niet dat hij de Apv niet heeft overtreden.\n\nIs er sprake van strijd met het lex certa-beginsel?4.3.. Volgens vaste jurisprudentievan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van state (de Afdeling) verlangt het lex certa-beginsel, dat onder meer besloten ligt in artikel 7 van het EVRM, van de wetgever dat hij met het oog op de rechtszekerheid op een zo duidelijk mogelijke wijze de verboden gedraging omschrijft. Daarbij moet niet uit het oog worden verloren dat de wetgever soms met een zekere vaagheid, bestaande uit het gebruik van algemene termen, verboden gedragingen omschrijft om te voorkomen dat gedragingen die strafwaardig zijn buiten het bereik van die omschrijving vallen. Die vaagheid kan onvermijdelijk zijn, omdat niet altijd te voorzien is op welke wijze de te beschermen belangen in de toekomst zullen worden geschonden en omdat, indien dit wel is te voorzien, de omschrijvingen van verboden gedragingen anders te verfijnd worden met als gevolg dat de overzichtelijkheid wegvalt en daarmee het belang van de algemene duidelijkheid van wetgeving schade lijdt.\n\n4.3.1.. Eiser wijst op zich terecht op de omstandigheid dat noch in de tekst, noch in de toelichting van de Apv een nadere omschrijving wordt gegeven van wat onder “daarop gelijkende waar” moet worden verstaan. Dat een begrip niet gedefinieerd is en aan de hand van feiten en omstandigheden enige uitleg vergt, maakt op zichzelf echter nog niet dat sprake is van strijd met het lex certa-beginsel.In dit geval was het voldoende duidelijk dat 3-MMC onder het begrip “daarop gelijkende waar” valt. Uit de strekking van artikel 2:74 van de Apv en de onder 4.2 aangehaalde jurisprudentie volgt dat deze bepaling gericht is op het tegengaan van overlast door dealgedrag. Daarmee is duidelijk dat “daarop gelijkende waar” betrekking heeft op middelen die weliswaar (nog) niet zijn opgenomen op lijst I of II van de Opiumwet, maar hiermee qua aard en gebruik vergelijkbaar zijn. Daarbij moet op voorhand voor een betrokkene wel voldoende duidelijk zijn dat een middel onder die reikwijdte valt. Naar het oordeel van de rechtbank is daar in dit geval sprake van. Ten tijde van de constatering was het een feit van algemene bekendheid dat 3-MMC werd verhandeld en gebruikt als partydrug. Bovendien was op dat moment al bekend dat deze stof later dat jaar zou worden opgenomen op lijst II van de Opiumwet.\n\nIs er sprake van een overtreding?4.4.. \n\nEiser betwist de weergave van de feiten zoals neergelegd in de bestuurlijke rapportage alleen voor zover hieruit zou blijken dat hij als bijrijder van de auto 3-MMC aan een andere persoon heeft overhandigd. Voor het overige is eiser van mening dat uit die rapportage niet volgt dat hij een overtreding heeft begaan.\n\nDe bestuurlijke rapportage en de processen-verbaal waarop deze is gebaseerd, zijn op ambtsbelofte opgemaakte stukken. Volgens vaste jurisprudentiemag een bestuursorgaan, onverminderd de eigen verantwoordelijkheid om het bewijs zelf vast te stellen, in beginsel afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte bestuurlijke rapportage, voor zover deze eigen waarnemingen van de opsteller hiervan weergeven. Indien die bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.\n\n4.4.1.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser onvoldoende naar voren gebracht om te twijfelen aan de door hem betwiste waarneming. Uit het proces-verbaal en de daarop gebaseerde bestuurlijke rapportage volgt dat opsporingsambtenaren zelf hebben waargenomen hoe eiser iets aan een betrokkene overhandigde. Deze betrokkene is direct na die waarneming gecontroleerd en verklaarde daarbij zojuist 3-MMC te hebben gekocht. Eiser heeft de betwisting van deze feiten onvoldoende onderbouwd. De enkele stelling dat hij niet bij drugshandel betrokken is en alleen in de auto zat omdat hij samen met de bestuurder van de auto naar een restaurant zou gaan, acht de rechtbank hiervoor niet toereikend, helemaal nu eiser deze verklaring voor het eerst op de zitting naar voren heeft gebracht. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de transactie met 3-MMC heeft plaatsgevonden. Daarmee staat vast dat eiser zich op 30 juni 2021 heeft opgehouden met het kennelijke doel om 3-MMC aan te bieden of af te leveren. Dit levert een overtreding op van artikel 2:74 van de Apv.\n\n4.4.2.. Ook de feiten ten aanzien van de cocaïne die bij de bestuurder van de auto is aangetroffen leveren naar het oordeel van de rechtbank voor eiser een overtreding op. Daarbij volgt zij eiser niet in zijn stelling dat hij er geen weet van kon hebben dat de bestuurder verboden middelen in haar beha had verstopt. Zoals onder 3 uiteen is gezet, zijn behalve de wikkels cocaïne ook sealbags met 3-MMC aangetroffen in de beha van de bestuurder en kwamen de uiterlijke kenmerken van die sealbags overeen met de sealbag die bij de betrokkene is aangetroffen. Gelet hierop, en op het dealgedrag van eiser zoals besproken onder 4.4. en 4.4.1, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat eiser niet van de aanwezigheid van de cocaïne op de hoogte was. In dit verband is ook relevant dat op 18 november 2019 een melding over eiser en de bestuurder is gedaan via Meld Misdaad Anoniem, waarin specifiek beschreven is dat zij eiser vergezelt en daarbij drugs “tussen haar borsten” bewaart. Op basis van het voorgaande is op zijn minst aannemelijk gemaakt dat eiser behulpzaam was aan het dealgedrag ten aanzien van cocaïne. Ook dit levert op zichzelf een overtreding op.\n\n4.5.. Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de burgemeester aannemelijk heeft gemaakt dat eiser artikel 2:74 van de Apv heeft overtreden. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nMocht de burgemeester overgaan tot opleggen van de last onder dwangsom?\n\n5. Volgens eiser was er geen aanleiding om hem een last onder dwangsom op te leggen. De last ziet op het voorkomen van toekomstige overtredingen, terwijl er geen gevaar was dat de overtreding zich in de toekomst zou voordoen. Het opleggen van de last is bovendien geen evenredige reactie, nu eiser met zijn handelen de openbare orde niet heeft verstoord.\n\n5.1.. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Alleen onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Handhavend optreden kan zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat van optreden in die concrete situatie moet worden afgezien.\n\n5.2.. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor de conclusie dat eiser met zijn handelen de openbare orde niet heeft verstoord. Zoals de burgemeester terecht heeft aangevoerd, wijzen de straathandel die bij eiser is geconstateerd en de daarmee veroorzaakte “loop” er juist wel op dat verstoring van de openbare orde heeft plaatsgevonden en is daarbij ook relevant dat de handelingen vlakbij een school plaatsvonden. Daarnaast wijst de burgemeester er terecht op dat de vele meldingen die de politie heeft ontvangen via Meld Misdaad Anoniem wijzen op maatschappelijke onrust. Dit levert dan ook geen aanleiding op voor de conclusie dat handhaving onevenredig zou zijn. Ook het betoog dat geen sprake zou zijn van een gegronde vrees voor herhaling, volgt de rechtbank niet. Alleen al vanwege het beperkte tijdsverloop sinds de geconstateerde overtreding bestond er voor de burgemeester geen aanleiding om te concluderen dat gevaar voor herhaling niet (langer) voor de hand lag.Ook de hierna te bespreken feiten die hebben geleid tot de invorderingsbesluiten ondersteunen het standpunt van eiser niet.\n\nIs de hoogte van de dwangsom(men) evenredig?\n\n6. Eiser voert aan dat de dwangsom van € 5.000 per geconstateerde overtreding met een maximum van € 50.000 niet in redelijke verhouding staat tot het beoogde doel. Hij wijst er in dat kader op dat één gram cocaïne een straatwaarde heeft van ongeveer € 50. De dwangsom die eiser kan verbeuren per geconstateerde overtreding is daarmee aanzienlijk hoger dan de omzet die een drugstransactie oplevert. Verder is eiser van mening dat de dwangsom in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Aan de bestuurder van de auto, bij wie zelfs drugs op het lichaam zijn aangetroffen, is een last met een lagere dwangsom opgelegd.\n\n6.1.. Deze beroepsgrond slaagt niet. Op grond van artikel 5:32b van de Algemene wet bestuursrecht moeten de dwangsombedragen in redelijke verhouding staan tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsom. De burgemeester heeft zich terecht, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 22 april 2020op het standpunt gesteld dat een dwangsom van € 5.000 in dit geval in redelijke verhouding staat tot het ermee te dienen doel. De burgemeester heeft ook voldoende onderbouwd dat hij niet in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel door aan de bestuurder een last met een lagere dwangsom op te leggen. De burgemeester heeft op de zitting toegelicht dat een dwangsom van € 5.000 per geconstateerde overtreding het uitgangspunt is. Voor de bestuurder van de auto heeft de burgemeester in de bezwaarfase besloten om deze dwangsom naar beneden bij te stellen, omdat uit de hem toen bekende feiten is gebleken dat die bestuurder niet zelf in drugs handelde, maar deze enkel op haar lichaam bewaarde en daarmee slechts als medeplichtige kon worden beschouwd. De rechtbank benadrukt dat het beroep van eiser niet ziet op de last die aan de bestuurder is opgelegd, zodat de rechtmatigheid van dit (onherroepelijke) besluit als zodanig in deze zaak niet aan de orde is. In het kader van eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel acht de rechtbank van belang dat de burgemeester in het geval van de bestuurder van de auto feiten en omstandigheden aanwezig achtte die aanleiding gaven voor een lagere dwangsom en dat zulke omstandigheden voor eiser niet aan de orde waren. Van strijd met het gelijkheidsbeginsel is daarom niet gebleken.\n\nHet invorderingsbesluit van 19 mei 2022\n\nVaststaande feiten\n\n7. Op 19 mei 2022 heeft de burgemeester besloten tot het invorderen van een verbeurde dwangsom van € 5.000 en de wettelijke rente. Volgens de burgemeester heeft eiser zich op 20 oktober 2021 begeven op een openbare plaats met het kennelijke doel om daar cocaïne af te leveren, dan wel aan te bieden. Aan dit besluit heeft de burgemeester een bestuurlijke rapportage van de politieten grondslag waaruit naar voren komt dat eiser op die dag op het parkeerterrein aan [het adres D] in [plaats B] geparkeerd stond. Daarbij is door de politie gezien dat een persoon bij hem in de auto stapte en enkele minuten later de auto weer verliet. De politie heeft de persoon daarna aangesproken, waarna deze verklaarde voor € 50 3-MMC van eiser te hebben gekocht. Hij verklaarde al drie jaar bij eiser drugs af te nemen. De afspraken verliepen via Whatsapp. De politie heeft de telefoon van de persoon ingezien. Hieruit was op te maken dat hij in oktober van 2021 vijf eerdere afspraken met eiser had gemaakt voor het kopen van drugs.\n\n7.1.. De politie heeft eiser vervolgens diezelfde dag aangehouden op verdenking van het dealen van harddrugs. Bij zijn aanhouding zijn drie wikkels en acht gripzakjes met wit poeder aangetroffen en € 205 aan contant geld. De gripzakjes zagen er hetzelfde uit als het gripzakje dat bij de ondervraagde persoon is aangetroffen. De middelen zijn onderzocht door de Forensische Opsporing. De wikkels zijn positief getest op cocaïne. Voor de overige middelen bleek uit de test dat hiervoor geen duidelijke indicatie gegeven kon worden. Dat gold ook voor het poeder dat bij de ondervraagde persoon is aangetroffen.\n\nHeeft eiser op 20 oktober 2021 een dwangsom verbeurd?\n\n8. Eiser betoogt dat niet is vast komen te staan dat hij de dwangsom heeft verbeurd. De bestuurlijke rapportage spreekt slechts over handel in 3-MMC. Dit was ten tijde van de constatering niet verboden. Er is weliswaar cocaïne bij eiser aangetroffen, maar dit betrof een hoeveelheid voor eigen gebruik. Er zijn geen omstandigheden die erop wijzen dat in cocaïne is gehandeld. Eiser is strafrechtelijk veroordeeld voor het aanwezig hebben van de cocaïne, maar niet voor dealen.\n\n8.1.. Volgens vaste jurisprudentiedient aan een invorderingsbesluit een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten ten grondslag te liggen. Dit brengt onder meer met zich dat de waarneming van feiten en omstandigheden die leiden tot verbeurte van een dwangsom dient te worden gedaan door een ter zake deskundige medewerker van het bevoegd gezag, door een ter zake deskundige persoon in opdracht van het bevoegd gezag of door een ter zake deskundige persoon wiens bevindingen het bevoegd gezag voor zijn rekening heeft genomen. De bevindingen moeten op schrift worden gesteld. Het geschrift dient in beginsel ten minste te bevatten de plaats, het tijdstip en de datum van de waarneming, een inzichtelijke beschrijving van de gehanteerde werkwijze en een inzichtelijke beschrijving van hetgeen is waargenomen. De rechtbank is van oordeel dat de bestuurlijke rapportage die ten grondslag ligt aan de invorderingsbeschikking aan deze eisen voldoet.\n\n8.2.. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de rapportage dat eiser de aan hem opgelegde last heeft overtreden. Uit de bevindingen die vermeld staan in het rapport en die eiser op zichzelf niet betwist, volgt dat eiser op een openbare plaats aan een andere persoon 3-MMC heeft verkocht. Eisers stelling dat hieraan geen betekenis toekomt, omdat 3-MMC op dat moment nog geen verboden stof was, treft geen doel, gelet op hetgeen onder 4.3 en 4.3.1 is overwogen. In dit licht acht de rechtbank aannemelijk dat ook de bij eiser aangetroffen cocaïne voorhanden was met het kennelijke doel om dit af te leveren of aan te bieden. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat er 1,37 gram aan cocaïne bij eiser is aangetroffen. Volgens vaste jurisprudentiewordt als uitgangspunt gehanteerd dat bij een hoeveelheid harddrugs van meer dan 0,5 gram wordt uitgegaan van een handelshoeveelheid. Dit is anders als sprake is van een geringe overschrijding en de betrokkene een helder en consistent betoog heeft dat dit eigen gebruik aannemelijk maakt en er niet gebleken is van andere relevante feiten of omstandigheden. Deze rechtspraak ziet weliswaar op de toepassing van artikel 13b van de Opiumwet, maar de rechtbank acht de uitgangspunten hiervan ook in deze context relevant. De rechtbank acht het betoog van eiser, dat hij vanwege zijn grote postuur een grotere hoeveelheid drugs tot zich moet nemen voor eigen gebruik, niet aannemelijk. Dit betoog wordt ook niet ondersteund door de omstandigheid dat de drugs in drie afzonderlijke wikkels zijn aangetroffen. Daarbij is het eerder genoemde dealgedrag van eiser ten aanzien van 3-MMC een verdere indicatie dat ook de cocaïne voorhanden was om te worden verkocht. Daarmee is eisers stelling dat de bij hem aangetroffen cocaïne bestemd was voor eigen gebruik dan ook niet aannemelijk.\n\n8.2.1.. De omstandigheid dat eiser niet veroordeeld is voor het dealen van verdovende middelen kan, gelet op hetgeen is overwogen onder 4.2, aan het voorgaande niet afdoen.\n\n8.3.. Gelet op het voorgaande heeft de burgemeester terecht geconcludeerd dat uit de bestuurlijke rapportage volgt dat eiser de last heeft overtreden. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nHet invorderingsbesluit van 23 mei 2023\n\nVaststaande feiten\n\n9. Op 23 mei 2023 nam de burgemeester een besluit tot invordering van verbeurde dwangsommen van in totaal € 15.000, omdat uit de bestuurlijke rapportage van de politievolgde dat eiser op 7 juli 2022 driemaal de opgelegde last niet is nagekomen. Het gaat om de volgende drie momenten die in de rapportage zijn genoemd:\n\nOmstreeks 18:10 uur is tussen eiser en een andere persoon een transactie waargenomen op het parkeerterrein aan [het adres E] in [plaats B] . De politie heeft deze persoon bevraagd. Hij verklaarde daarbij 40 roze XTC pillen met de opdruk van een schedeltje te hebben gekocht van een gespierde man met tatoeages in een Volkswagen Golf;\n\nOmstreeks 18:20 uur hebben verbalisanten een tweede transactie waargenomen op de parkeerplaats aan [het adres F] in [plaats B] . De afnemer heeft aan de politie verklaard in totaal 20 XTC pillen en 5 gram miauw miauw (een andere benaming voor 3-MMC) te hebben gekocht van een kale man met een zonnebril in een zwarte Volkswagen Golf.\n\nOm 19:50 uur hebben verbalisanten een derde transactie waargenomen, die ook plaatsvond op de parkeerplaats aan [het adres F] in [plaats B] . De afnemer heeft later aan de politie verklaard 5 gram 3-MMC te hebben gekocht van een grote en gespierde man met een zonnebankgebruinde huid.\n\n9.1. Eiser is diezelfde dag aangehouden in de buurt van zijn woning, nadat hij omstreeks 19:58 uur zijn auto op de stoep voor zijn flat had geparkeerd. Bij de aanhouding zijn in het gras, nabij de woning, de volgende spullen aangetroffen:\n\n54 rode XTC pillen;\n\n19 wikkels cocaïne;\n\n7 gripzakjes ketamine;\n\n29 gripzakjes wit poeder (vermoedelijk 3-MMC);\n\n770 aan contant geld.\n\nHeeft eiser de dwangsommen verbeurd?\n\n10. Eiser betwist dat uit de rapportage volgt dat hij op 7 juli 2022 dwangsommen heeft verbeurd. Daarbij wijst eiser er in het bijzonder op dat het signalement dat door de tweede afnemer is gegeven niet op hem betrekking heeft. Eiser is namelijk niet kaal en hij reed niet in een zwarte auto. Ook wijst hij erop dat de aangetroffen drugs in het gras zijn gevonden en niet op zijn lichaam of in zijn auto. Subsidiair betoogt eiser dat zelfs in het geval er sprake zou zijn van strijd met de opgelegde last, er hooguit sprake is van één overtreding.\n\n10.1.. De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er drie dwangsommen zijn verbeurd. Voor het toetsingskader verwijst zij naar hetgeen zij heeft overwogen onder 8.1. De rechtbank komt ook in dit geval tot het oordeel dat de rapportage voldoet aan de gestelde vereisten. Uit de rapportage komt naar voren dat opsporingsambtenaren drie verschillende transacties hebben waargenomen tussen eiser en drie andere personen. Deze personen hebben alle drie, onafhankelijk van elkaar, verklaard dat zij verdovende middelen hebben gekocht en hebben daarbij kenmerken genoemd die te herleiden zijn tot eiser. Twee van de afnemers hebben bovendien inzage gegeven in het telefoonnummer van hun dealer. Dit betrof één van de telefoonnummers van eiser. Dat het signalement dat door een van de afnemers is gegeven niet volledig aansluit op het profiel van eiser doet hier, gelet op de overige bevindingen, niet aan af. Daarbij acht de rechtbank nog van belang dat diezelfde afnemer verklaard heeft dat zijn dealer in zijn telefoon stond opgeslagen als ‘ [G] ’ of ‘ [H] ’, zodat onmiskenbaar is dat deze afnemer eiser bedoelde.\n\n10.1.1.. Dat de drugs niet op het lichaam van eiser maar in het gras nabij zijn woning zijn aangetroffen, betekent niet dat aan deze vondst geen betekenis toekomt. Uit de rapportage volgt dat deze drugs zijn aangetroffen vlak nadat eiser uit zijn auto was gestapt en naar de berging onder zijn flat rende. De omschrijving van de XTC-tabletten, rood\u002Froze met de opdruk van een doodshoofd, komt overeen met de tabletten die bij één van de afnemers zijn aangetroffen. Daarmee vormt de vondst een verdere onderbouwing van de overtreding van de last.\n\n10.2.. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het voorgaande dat eiser op 7 juli 2022 drie keer de opgelegde last heeft overtreden. Zij volgt eiser niet in het betoog dat er ten hoogste één dwangsom mocht worden ingevorderd. Zoals de burgemeester terecht heeft aangevoerd, volgt uit de last dat eiser een dwangsom verbeurt per geconstateerde overtreding en is daaraan geen maximum per dag gekoppeld. De gedragingen van eiser gelden niet als één doorlopende overtreding, maar als drie afzonderlijke overtredingen. Daarbij is van belang dat tussen de eerste en de tweede overtreding een tijdsverloop zat van circa tien minuten en dat deze zich afspeelden op verschillende plaatsen. De derde overtreding vond weliswaar, net als de tweede, plaats op de parkeerplaats aan [het adres D] in [plaats B] , maar tussen de transacties zat een tijdsverloop van ongeveer anderhalf uur. Bovendien blijkt uit de rapportage dat eiser het parkeerterrein in de tussentijd had verlaten.\n\n10.3.. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nWas er aanleiding voor de burgemeester om af te zien van invordering?\n\n11. Eiser betoogt dat de burgemeester niet tot (volledige) invordering van de dwangsommen mocht overgaan, gelet op zijn financiële omstandigheden.\n\n11.1.. Volgens vaste jurisprudentiemoet bij een besluit over invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van die invordering veel gewicht worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag van een last onder dwangsom. Alleen in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. Het bestuursorgaan hoeft bij invordering van de verbeurde dwangsom in beginsel geen rekening te houden met de financiële draagkracht van de overtreder. De draagkracht van de overtreder kan in de regel pas in de executiefase ten volle worden gewogen. Als hierover een geschil ontstaat, is de rechter die belast is met de beslechting daarvan bij uitstek in de positie hierover een oordeel te geven. Voor een uitzondering op dit beginsel bestaat alleen aanleiding als de overtreder evident niet in staat zal zijn om de verbeurde dwangsommen (volledig) te betalen. De overtreder moet dit aannemelijk maken. Hij moet daarvoor een betrouwbaar en volledig inzicht bieden in zijn financiële situatie.\n\n11.2.. Deze beroepsgrond slaagt niet. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het evident is dat hij de verbeurde dwangsommen (ook in de toekomst) niet kan betalen. Uit de gedingstukken blijkt dat de burgemeester aan eiser ruime gelegenheid heeft geboden om zijn financiële situatie met stukken te onderbouwen, maar dat eiser hiervan geen volledig overzicht heeft overgelegd. Alleen al om die reden kan zijn draagkracht geen bijzondere omstandigheid opleveren op grond waarvan de burgemeester van invordering had moeten afzien.\n\nConclusie en gevolgen\n\n12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hij krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. T. Mol, rechter, in aanwezigheid van M. Gasseling, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2023\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Dit volgt uit artikel 5:39, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.\n\n Bestuurlijke rapportage van Politie Eenheid Oost-Nederland, basisteam Achterhoek-West, Flexteam Noord- en Oost-Gelderland, van 5 juli 2021.\n\n Zie ter vergelijking ABRvS 11 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1361, r.o. 2.2.\n\n Zie bijvoorbeeld ABRvS 16 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:109; ABRvS 26 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3077.\n\n Zie ter vergelijking ABRvS 30 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1422.\n\n Blokhuis verbiedt designerdrug 3-MMC onder Opiumwet | Nieuwsbericht | Rijksoverheid.nl.\n\n Zie bijvoorbeeld ABRvS 14 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3731.\n\n Vergelijk ABRvS 28 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2571.\n\n ABRvS 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1117.\n\n Bestuurlijke rapportage van Politie Eenheid Oost-Nederland, Flexteam Noord- en Oost-Gelderland, van 26 oktober 2021.\n\n Zie ABRvS 3 mei 2017, ECLI:NL:RVS;2017:1179.\n\n Zie bijvoorbeeld ABRvS 16 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1276.\n\n Bestuurlijke rapportage van Politie Eenheid Oost-Nederland, Flexteam Noord- en Oost-Gelderland, van 11 juli 2021.\n\n Zie bijvoorbeeld ABRvS 10 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1828.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2023:3472","2026-07-13T00:28:34.779Z",{"id":72,"ecli":73,"slug":74,"caseNumber":43,"courtId":75,"decisionDate":76,"fullText":77,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":78,"sourceTimestamp":76,"parsedAt":50,"updatedAt":79},"333","ECLI:NL:RBNNE:2023:1920","ecli-nl-rbnne-2023-1920",65,"2023-05-12T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummers: LEE 21\u002F4200\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 12 mei 2023 in de zaak tussen\n\n [eiseres], gevestigd te [plaats], eiseres,\n\n(gemachtigde: mr. M.J.N. Vermeij),\n\nen\n\nde burgemeester van Groningen,verweerder,\n\n(gemachtigde: mr. P. Zoeten).\n\nAls derde-partijhebben aan het geding deelgenomen: [belanghebbende], gevestigd te [plaats], derde-belanghebbenden,\n\n(gemachtigde: mr. A.Z. van Braam).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 9 juni 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Wet openbare manifestaties (Wom) beperkingen en voorschriften verbonden aan de door eiseres te houden demonstratie, waaronder de beperking dat niet gedemonstreerd mag worden op het trottoir voor [belanghebbende], lopende van de [adres]\n\nBij besluit van 18 november 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard en het primaire besluit onder een aanvullende motivering gehandhaafd.\n\nTegen het bestreden besluit heeft eiseres beroep ingesteld.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nDe zaak is behandeld op de zitting van 22 maart 2023. Eiseres is vertegenwoordigd door\n\n [naam], bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en R.J. Bakker. Derde-belanghebbenden hebben zich laten vertegenwoordigen door [naam]\n\nFeiten en omstandigheden\n\n1. Bij haar oordeelsvorming betrekt de rechtbank de navolgende feiten en omstandigheden.\n\nVoorgeschiedenis\n\n1.1. Eiseres demonstreert al sinds geruime tijd (gemiddeld) om de week op vrijdagochtend aan de [adres] te [plaats], ter hoogte van het [adres]\n\n1.2. Op 8 juni 2021 heeft eiseres een kennisgeving van een demonstratie, te houden op\n\n11 juni 2021, aan de [adres] te [plaats] bij verweerder ingediend.\n\n1.3. Uit de kennisgeving van eiseres van 8 juni 2021 en uit voorgaande kennisgevingen van eiseres heeft verweerder afgeleid dat het doel van eiseres is: “Hulp voor vrouw en kind in plaats van abortus”. Gelet op alle voorgaande demonstraties is het verweerder gebleken dat eiseres demonstreert met minimaal twee en maximaal vier personen. Tijdens de demonstratie worden personen, waarvan vermoed wordt dat zij de kliniek willen bezoeken, door eiseres aangesproken en wordt hen een flyer aangeboden. In een gesprek dat verweerder op 12 mei 2021 met de [naam] eiseres heeft gevoerd, werd aangegeven dat eiseres het aanspreken van personen en flyeren tot de kern van haar betoging rekent.\n\n1.4. Bij het primaire besluit heeft verweerder op grond van de Wom beperkingen en voorschriften verbonden aan de door eiseres te houden demonstratie, waaronder de beperking dat niet gedemonstreerd mag worden op het trottoir voor het [adres]\n\n1.5. De commissie heeft verweerder bij brief van 8 oktober 2021 geadviseerd om de bezwaren van eiseres ongegrond te verklaren en het primaire besluit onder een aanvullende motivering te handhaven.\n\n2. Onder overneming van het advies van de commissie heeft verweerder met het bestreden besluit de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard en het primaire besluit onder een aanvullende motivering gehandhaafd.\n\nToepasselijke regelgeving\n\n3. De relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.\n\nOverwegingen\n\nHet geschil\n\n4. Tussen partijen is in geschil of verweerder in dit geval terecht beperkingen en voorschriften heeft verbonden aan de door eiseres te houden demonstratie. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.\n\nTen aanzien van het procesbelang\n\n5. De rechtbank stelt vast dat het jaar 2021 inmiddels voorbij is en dat eiseres in zoverre geen belang heeft bij een uitspraak die betrekking heeft op betogingen die in dat jaar hebben plaatsgevonden. Verder stelt de rechtbank vast dat eiseres voornemens is om in de komende periode bij de abortuskliniek, gevestigd aan de [adres] te [plaats], te betogen.\n\n5.1. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS), onder meer kenbaar uit de uitspraak van 9 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3382, volgt dat procesbelang kan zijn gelegen in de omstandigheid dat zich tussen dezelfde partijen in de toekomst een soortgelijk geschil kan voordoen.\n\n5.2. Nu in dit geval niet uitgesloten kan worden geacht dat zich tussen partijen in de toekomst een soortgelijk geschil kan voordoen, is de rechtbank van oordeel dat eiseres een belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit.\n\nOmvang van het geschil\n\n6. De rechtbank stelt vast dat de gronden van beroep betrekking hebben op de navolgende aspecten:\n\nde artikelen 10 en 11 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM);\n\nde bescherming van de gezondheid en wanordelijkheden;\n\nde bemoeienis met de inhoud van de demonstratie;\n\nde proportionaliteit en evenredigheid van de beperking.\n\nHet komt de rechtbank aangewezen voor om deze gronden afzonderlijk inhoudelijk te beoordelen.\n\nHet recht op betoging: het algemene toetsingskader\n\n7. Het recht op betoging is neergelegd in artikel 11, eerste lid, van het EVRM en artikel 9, eerste lid, van de Grondwet.\n\n7.1. Uit artikel 11, tweede lid, van het EVRM, volgt dat een beperking van het recht op betoging alleen is toegestaan als de beperking is voorzien bij de wet en die beperking in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Het vereiste van voorzienbaarheid bij de wet betekent dat de beperking een basis moet hebben in het nationale recht, de wettelijke bepaling kenbaar moet zijn voor de belanghebbende en dat de bepaling voorzienbaar moet zijn wat haar gevolgen betreft.\n\n7.2. Artikel 9, eerste lid, van de Grondwet bepaalt dat het recht tot vergadering en betoging wordt erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. Uit artikel 9, tweede lid, van de Grondwet volgt dat de wet regels kan stellen aan een betoging ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.\n\n7.3. Zoals volgt uit de uitspraak van de AbRvS van 27 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3174, strekt de Wom onder meer tot het stellen van regels als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Grondwet.\n\n7.4. Zoals het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het Hof) eerder heeft overwogen (arrest van 20 februari 2003, ECLI:CE:ECHR:2003:0220JUD002065292, punt 56-57), is het recht op betoging een van de fundamenten van een democratische samenleving. De ruimte voor de overheid om beperkingen te stellen is daarom beperkt. De overheid moet het recht op betoging niet alleen waarborgen, maar zich ook onthouden van het nemen van indirecte maatregelen die de uitoefening van dat recht onredelijk beperken. Zo vormt de enkele omstandigheid dat het gewone leven, inclusief het verkeer, in enige mate wordt verstoord op zichzelf genomen nog geen rechtvaardiging voor het nemen van maatregelen.\n\n7.5. Verder volgt uit de jurisprudentie van het Hof over artikel 11, eerste lid, van het EVRM, dat op de overheid een positieve verplichting rust om een demonstratie zoveel mogelijk te faciliteren en te beschermen. De verdragsstaat is verplicht om preventieve en geschikte maatregelen te nemen teneinde het vreedzame verloop van een demonstratie en de veiligheid van burgers te beschermen, bijvoorbeeld door het reguleren van het verkeer om verstoringen te minimaliseren (arresten van 5 januari 2016, ECLI:CE:ECHR:2003:0220JUD002065292, punt 96, 15 oktober 2015, punt 159 en 160, en 5 december 2006, ECLI:CE:ECHR:2006:1205JUD007455201, punt 39). Dit is een inspanningsverplichting en geen resultaatverplichting. De verdragsstaat heeft een grote beoordelingsvrijheid om te bepalen welke maatregelen redelijk en geschikt zijn (zie het hiervoor vermelde arrest van 15 oktober 2015, punt 159, en het arrest van 24 maart 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0324JUD002345802, punt 251).\n\n7.6. Zoals hiervoor is overwogen, strekt de Wom onder meer tot het stellen van regels als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Grondwet. Uit artikel 5, eerste lid, van de Wom volgt dat verweerder alleen beperkingen en voorschriften aan een demonstratie kan stellen als een van de in artikel 2 van de Wom vermelde belangen dat vordert. Gelet op de tekst van artikel 5, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 2, komt aan verweerder een zekere beoordelingsruimte toe en is het aan hem om aan de hand van de lokale omstandigheden een inschatting te maken of, en zo ja, welke beperkingen en voorschriften aan een demonstratie moeten worden gesteld ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer of ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. Zie ook de uitspraak van de AbRvS van 20 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1569, waaruit volgt dat beperkingen en voorschriften dienstig moeten zijn aan de in artikel 2 van de Wom vermelde belangen. De rechter moet vervolgens beoordelen of verweerder terecht bepaalde beperkingen en voorschriften aan een demonstratie heeft gesteld.\n\nDe artikelen 10 en 11 van het EVRM\n\n8. Eiseres betoogt dat verweerder, in navolging van het advies van de commissie, in het bestreden besluit ten onrechte stelt dat het aanspreken van individuele personen niet onder het betogingsrecht valt, omdat deze wijze van het houden van een betoging niet meer het uitdragen van een opvatting of een maatschappelijk probleem betreft, maar het aankaarten van een individuele zaak bij een individueel persoon, en dat er bij de demonstratie van eiseres dus geen sprake is van een grondwettelijk of verdragsrechtelijk beschermde demonstratie, zodat om die reden geen sprake kan zijn van schending van het EVRM. In de visie van eiseres miskent verweerder daarmee dat het demonstratierecht en het recht op vrijheid van meningsuiting in de opvatting van het Hof communicerende vaten zijn. Uit vaste jurisprudentie van het Hof blijkt volgens eiseres dat klachten met betrekking tot gevallen waarin artikel 11 van het EVRM niet, of niet geheel, van toepassing is (bijvoorbeeld omdat geen sprake was van een “assembly” in strikte zin, of de “assembly” niet “peaceful” was), hoe dan ook beoordeeld moeten worden onder artikel 10 van het EVRM. Alle “non-violent acts committed during an assembly are protected by Article 11”, aldus het Hof. Dat heeft in de visie van eiseres dus stellig ook te gelden voor het aanspreken van een voorbijganger op straat, aangezien de demonstraties van eiseres volstrekt “non-violent” zijn. In dit verband wijst eiseres erop dat voorbijgangers door de demonstranten van eiseres vaak individueel (door één demonstrant tegelijk) worden benaderd. Aangezien ook eenmansdemonstraties volgens het Hof onder de bescherming van artikel 11 van het EVRM vallen, is in de visie van eiseres sprake van inbreuk op het verdragsrechtelijk beschermde demonstratierecht wanneer (zoals in het geval van eiseres) een individuele demonstrant wordt weerhouden (zoals in dit geval gebeurt als gevolg van de opgelegde beperkingen) van het aangaan van een gesprek met een voorbijganger over het onderwerp waarvoor gedemonstreerd wordt. Daarbij mogen folders als hulpmiddel gebruikt worden, zo blijkt uit de jurisprudentie van het Hof, aldus eiseres.\n\n8.1. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat het ongevraagd aanspreken van individuele personen niet onder het betogingsrecht valt, omdat deze wijze van het houden van een betoging niet meer het uitdragen van een opvatting of een maatschappelijk probleem betreft, maar het aankaarten van een individuele zaak bij een individueel persoon. Omdat deze handelwijze niet behoort tot het betogingsrecht, geniet dit in de visie van verweerder ook niet de bescherming van artikel 9 van de Grondwet. Dit brengt volgens verweerder ook met zich dat geen sprake is van een grondwettelijk en\u002Fof verdragsrechtelijk beschermde demonstratieve actie en om die reden evenmin van een schending van het EVRM. Daarbij verwijst verweerder naar een uitspraak van 21 juli 2020 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland (ECLI:NL:RBNHO:2020:5579).\n\n8.2. De rechtbank deelt niet de opvatting van verweerder dat de wijze van betogen van eiseres niet onder een grondwettelijk of verdragsrechtelijk beschermde demonstratie valt. Zoals ter zitting door de gemachtigde van verweerder is erkend, is het door verweerder in zoverre ingenomen standpunt te rechtlijnig in het licht van de vaste jurisprudentie van het Hof. Naar het oordeel van de rechtbank is de door verweerder in het bestreden besluit neergelegde opvatting, gelet op de wijze van betogen van eiseres en in het licht van artikel 9 van de Grondwet, te beperkt (vgl. AbRvS, 20 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1569). De rechtbank ziet aanleiding om het geconstateerde gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren, nu eiseres daardoor niet in haar belangen wordt geschaad.\n\nBeperking van het recht op betoging\n\n9. Eiseres betoogt dat in de eerste plaats van belang is dat het door de wetgever destijds in het kader van de Grondwetswijziging gegeven voorbeeld voor deze beperkingsgrond, de “bestrijding van een epidemie” betreft (Kamerstukken II, 1975\u002F76, 13 872, nr. 3, blz. 39). Uit dat voorbeeld volgt in de visie van eiseres dat overwegingen op het gebied van de geestelijke gezondheid geen rol kunnen en mogen spelen bij de invulling van het doelcriterium ter bescherming van de gezondheid. Volgens eiseres is het begrip ‘geestelijke gezondheid’ bovendien veel te vaag om te betrekken bij de beperking van een grondrecht. Dat blijkt ook uit het bestreden besluit, aangezien het gezondheidsrisico door verweerder niet concreet is ingevuld. In de visie van eiseres wordt door verweerder en de door hem aangehaalde bronnen louter psychologie van de koude grond bedreven en met aannames gewerkt, wanneer gesteld wordt dat het aanspreken van bezoeksters een negatieve psychische ‘(...) invloed (...) kan hebben’. Het afgaan op subjectieve gegevens en\u002Fof de input van medische leken is naar de mening van eiseres een veel te smalle basis voor de inperking van een grondrecht. Dat het risico op aantasting van de geestelijke gezondheid van de bezoeksters aanwezig en reëel is, is volgens eiseres door verweerder niet voldoende aannemelijk gemaakt.\n\n9.1. Eiseres betoogt verder dat verweerder het Wom-begrip wanordelijkheden onjuist heeft uitgelegd. In dit verband wijst eiseres erop dat het aanspreken van voorbijgangers op straat, ook al is dat in de nabijheid van een abortuskliniek, bij lange na niet het niveau van wanordelijkheden haalt. De in artikel 2 van de Wom gebruikte term wanordelijkheden dient volgens eiseres veel beperkter opgevat te worden dan het (onder andere in de Gemeentewet gehanteerde) begrip aantasting van de openbare orde. In de visie van eiseres zijn aantasting van de openbare orde en wanordelijkheden allesbehalve identiek. Ook de begrippen hinder en\u002Fof overlast mogen volgens eiseres niet gelijkgesteld worden aan wanordelijkheden in de zin van artikel 2 van de Wom. In dit verband wijst eiseres erop dat uit de jurisprudentie blijkt dat wanneer sprake is van overlast, dit mogelijkerwijs leidt tot verstoring van de openbare orde. Het begrip wanordelijkheden vormt in de visie van eiseres echter een overtreffende trap. Om van wanordelijkheden te kunnen spreken moet veel meer aan de hand zijn, namelijk “(...) een niet aflatende stroom incidenten” die moet “uitstijgen boven de te verwachten overlast en hinder” die een bepaalde manifestatie met zich brengt.’ Hieruit blijkt volgens eiseres overigens al dat iedere demonstratie geacht wordt een zekere mate van overlast en\u002Fof hinder te veroorzaken. Naar de mening van eiseres is het aanspreken van mensen op straat geen strafbaar gedrag en dus geen wanordelijkheid in de zin van de Wom. In de jurisprudentie van het Hof vindt eiseres steun voor haar standpunt, dat de in artikel 2 van de Wom gebruikte term wanordelijkheden gereserveerd moet worden voor strafbaar gedrag. Voor wat betreft beperkingen die opgelegd worden in verband met het karakter van het gebouw in de nabijheid waarvan een demonstratie plaatsvindt, ziet het Hof in de visie van eiseres, alleen ruimte voor beperkingen die ingegeven worden door “security reasons”, of indien sprake is van demonstraties bij gerechtsgebouwen. Voor (specifiek) abortusklinieken wordt een dergelijke generieke uitzondering in ieder geval niet gemaakt door het Hof, zoals volgt uit de arresten Annen tegen Duitsland en Plattform “Arzte für das Leben” tegen Oostenrijk, waar immers sprake was van (volgens het Hof) beschermenswaardige demonstraties in de nabijheid van abortusklinieken. Dat eiseres demonstreert bij een abortuskliniek mag daarom niet als (directe of indirecte) grond voor het opleggen van beperkingen aangegrepen worden.\n\n9.2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de beperking dat eiseres niet mag demonstreren op het trottoir voor de abortuskliniek terecht mede gebaseerd is op de bescherming van de gezondheid. De reden dat de beperking mede op deze beperkingsgrond is gebaseerd, is volgens verweerder gelegen in het feit dat het aanspreken van bezoekers van de abortuskliniek een grote invloed heeft op de (psychische) gezondheid van (in ieder geval) een deel van de aangesprokenen. Dit blijkt onder meer uit een mail van [naam]. Het aangesproken worden door demonstranten op het moment dat deze vrouwen voor een dergelijke indringende gewetenskeuze staan, tast in de visie van verweerder bovendien de mentale gezondheid van (een deel van) deze vrouwen aan. Dat de bevindingen van [naam] geen waarde zouden toekomen, omdat hij zou zijn opgeleid als sociaal geograaf en planoloog, kan verweerder niet volgen. In dit verband wijst verweerder erop dat de heer Rietveld al ruim 35 jaar zorggerelateerde functies bekleedt en in dit geval niet op persoonlijke titel spreekt, maar namens de GGD Groningen. Des te opvallender is deze stellingname van eiseres in het licht van de omstandigheid dat het eiseres is die - anders dan het personeel van abortusklinieken - als ongekwalificeerde de gewetenskeuze van kwetsbare vrouwen tracht te beïnvloeden, waarbij het onmiskenbare doel is vrouwen af te laten zien van een (mogelijk) voorgenomen abortus. Overigens blijkt ook uit de door de abortuskliniek tussen 18 september 2020 en 9 april 2021 afgenomen enquête en uit de brief van de kliniek aan verweerder van 20 mei 2021 dat het aanspreken van bezoekers van de kliniek een grote invloed heeft op de psychische gezondheid van een deel van de aangesprokenen. Een deel van de vrouwen kwalificeert het aangesproken worden door een demonstrant als confronterend en heel erg, zo blijkt uit de resultaten van de enquête. In de brief van de kliniek aan verweerder wordt beschreven dat de kliniek regelmatig bezoeksters aangeslagen, boos, schaamtevol en\u002Fof verdrietig de kliniek ziet betreden na een confrontatie met demonstranten. Daarnaast benadrukt de kliniek dat het belangrijk is om te weten dat het besluitvormingsproces een essentieel onderdeel van de zorg is in de kliniek. Zij merkt dat, wanneer demonstranten ongevraagd in gesprek willen met cliënten, dit verstorend kan werken op het verloop van het besluitvormings- en verwerkingsproces, omdat (bijvoorbeeld) gevoelens van schuld of angst voor spijt worden aangewakkerd en op die manier het proces verstoren. Deze signalen van de GGD Groningen, de bezoeksters zelf én de kliniek, maken in de visie van verweerder dat, mede gelet op de bescherming van de (psychische) gezondheid van de bezoeksters deze beperking aan de demonstratie kan worden opgelegd. De stelling van eiseres dat de beperkingsgrond bescherming van de gezondheid niet kan zien op de bescherming van de belangen van derden, zoals bezoekers van de abortuskliniek of de abortuskliniek zelf, is volgens verweerder onbegrijpelijk. Uiteraard - en juist hoofdzakelijk - ziet de beperkingsgrond bescherming van de gezondheid op de belangen van derden. Daarbij verwijst verweerder naar uitspraken van de AbRvS van 20 mei 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1569) en 21 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2521).\n\n9.3. Daarnaast stelt verweerder zich op het standpunt dat het aanspreken, het flyeren en\u002Fof het volgen van bezoeksters en het belemmeren van een ongestoorde doorgang voor de abortuskliniek aan te merken is als een wanordelijkheid als bedoeld in artikel 2 van de Wom, omdat het hen onevenredig hindert in hun vrijheid. In dit verband wijst verweerder erop dat het de betrokken vrouwen in het bijzonder hindert in het ongestoord gebruik kunnen maken van hun rechten uit de Wet afbreking zwangerschap. De context waarbinnen dit gebeurt is daarbij van belang, aldus verweerder. In de visie van verweerder moet het aanspreken van de bezoekers van de kliniek op dat moment en op die plek worden aangemerkt als het hinderen van de bezoekers in (de uitoefening van hun recht op) een ongestoord bezoek aan de kliniek. Dat de toegang tot de kliniek door de demonstranten niet feitelijk of fysiek wordt gehinderd of verhinderd, maakt dat volgens verweerder niet anders. Daarnaast wijst verweerder erop dat het aanspreken van individuele bezoekers op deze plek en in deze context, ook als dit op een rustige en niet dwingende manier gebeurt, eveneens als intimiderend wordt ervaren en daarom een inbreuk is op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen, zoals beschermd in artikel 10 van de Grondwet en artikel 8 van het EVRM. Naar de mening van verweerder dienen de bezoeksters direct voorafgaand of na een bezoek aan de kliniek gevrijwaard te blijven van het ongevraagd en\u002Fof ongewenst aangesproken worden door onbekenden op zeer persoonlijke en ingrijpende gewetenskeuzes. Dat de bezoeksters zich op de openbare weg bevinden, betekent in de visie van verweerder niet dat zij zich het ongevraagd aanspreken moeten laten welgevallen ofwel het risico daarop behoren te aanvaarden.\n\nWanneer is verweerder bevoegd om het recht op betoging te beperken?\n\n9.4. De rechtbank overweegt dat een beperking van het recht op betoging alleen is toegestaan als de beperking is voorzien bij de wet en die beperking in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Het vereiste van voorzienbaarheid bij de wet betekent dat de beperking een basis moet hebben in het nationale recht, de wettelijke bepaling kenbaar moet zijn voor de belanghebbende en de bepaling voorzienbaar moet zijn wat haar gevolgen betreft (vgl. AbRvS, 10 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1361).\n\n9.4.1. Hoewel uit arresten van het Hof volgt dat een wettelijke norm zo precies moet zijn dat iemand, zo nodig na advies, erdoor in staat wordt gesteld om in de gegeven omstandigheden in redelijke mate te voorzien welke gevolgen een bepaalde handeling kan hebben, zijn wetten onvermijdelijk enigszins algemeen geformuleerd. Zie in dit verband bijvoorbeeld het arrest van het Hof, Galstyan tegen Armenië, van 15 november 2007, ECLI:CE:ECHR:2007:1115JUD002698603, par. 106. De reikwijdte van een bevoegdheid mag echter niet zo groot zijn dat die bevoegdheid willekeurig kan worden ingezet. De bepaling moet een indicatie geven hoe een bevoegdheid in een bepaalde situatie zal worden uitgeoefend. Vergelijk hiervoor het arrest van het Hof, Navalnyy tegen Rusland, van 15 november 2018, ECLI:CE:ECHR:2018:1115JUD002958012, par. 115. Artikel 5, eerste lid, van de Wom voldoet, mede in het licht van de wetsgeschiedenis en de systematiek van de Wom, aan de vereisten van helderheid en geeft geen aanleiding tot willekeurig overheidsoptreden (vgl. AbRvS, 10 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1361).\n\n9.5. De rechtbank stelt vast dat verweerder het recht op betoging heeft beperkt vanwege de bescherming van de gezondheid en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden als bedoeld in artikel 2 en artikel 5, eerste lid, van de Wom. Ten aanzien van de beperkingsgrond ‘bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden’ overweegt de rechtbank als volgt.\n\n9.5.1. De rechtbank overweegt dat de bevoegdheid die artikel 5, eerste lid, van de Wom aan verweerder geeft om voorschriften en beperkingen te stellen aan een betoging, een discretionaire bevoegdheid is. Dat betekent dat verweerder een bepaalde beleidsruimte heeft bij het gebruikmaken van deze bevoegdheid. De rechtbank moet beoordelen of verweerder de voorwaarden ter beperking van de betogingen in redelijkheid kon stellen vanuit het oogpunt van de belangen die genoemd worden in artikel 2 van de Wom: bescherming van de gezondheid, het belang van het verkeer en bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.\n\nHeeft verweerder het begrip wanordelijkheid juist uitgelegd?\n\n9.6. De rechtbank overweegt dat eiseres terecht betoogt dat de beperkingsgrond ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden niet te ruim mag worden uitgelegd. De rechtbank volgt eiseres echter niet in haar standpunt dat die beperkingsgrond zo beperkt moet worden uitgelegd, dat alleen strafbare gedragingen hieronder vallen en dat alleen de wanordelijkheden veroorzaakt door de oorspronkelijke betogers een rol kunnen en mogen spelen. Zoals de AbRvS heeft overwogen in haar uitspraak van 21 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2521) is van belang dat in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 9 van de Grondwet (Kamerstukken II 1975\u002F76, 13 872, nr. 4, blz. 90, en Kamerstukken II 1976\u002F77, 13 872, nr. 7, blz. 34), waarnaar ook in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 2 van de Wom wordt verwezen, is vermeld dat doelbewust voor bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden als beperkingsgrond is gekozen. Het vervangen van deze beperkingsgrond door handhaving van de openbare orde zou een aanmerkelijke uitbreiding van de beperkingsbevoegdheid en dus een verzwakking van het in dit artikel vervatte grondrecht inhouden, omdat het begrip openbare orde zeer ruim kan worden uitgelegd. In de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 2 van de Wom (Kamerstukken II 1985\u002F86, 19 427, nr. 3, blz. 17) is verder vermeld dat de betekenis van de beperkingsgrond bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden tot op zekere hoogte wordt beïnvloed door de context waarbinnen de grond wordt ingeroepen. De beoordeling of een samenstel van (verwachte) ongewenste gedragingen zo ernstig is dat van wanordelijkheden kan worden gesproken, hangt niet uitsluitend af van de aard van die gedragingen. Ook de plaats waar de manifestatie wordt gehouden kan hier van betekenis zijn. De mate van orde en rust die naar algemeen inzicht op een bepaalde plaats behoort te heersen, bepaalt mede wanneer de grens van wanordelijkheden wordt overschreden, aldus de geschiedenis. Gelet op deze totstandkomingsgeschiedenis volgt de rechtbank eiseres niet in haar betoog dat onder wanordelijkheden uitsluitend strafbare gedragingen moeten worden verstaan. Ook volgt uit de totstandkomingsgeschiedenis niet dat alleen de wanordelijkheden veroorzaakt door de oorspronkelijke betogers een rol kunnen en mogen spelen. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat eiseres niet kan worden gevolgd in haar stelling dat verweerder is uitgegaan van een onjuiste uitleg van het begrip wanordelijkheid als bedoeld in artikel 2 van de Wom. Deze grond van eiseres slaagt niet.\n\nWas verweerder bevoegd om de betoging te beperken?\n\n10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat hij op grond van de doelcriteria van artikel 2 van de Wom, meer specifiek ter voorkoming van wanordelijkheden, in dit geval bevoegd was om beperkingen en voorwaarden aan de betoging van eiseres te stellen.\n\n10.1. De rechtbank overweegt dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 2 van de Wom (Kamerstukken II 1985\u002F86, 19427, 3, p. 17) volgt dat de voorkoming en bestrijding van wanordelijkheden in de nabijheid van bijvoorbeeld gebouwen van buitenlandse vertegenwoordigingen, parlementsgebouwen, beschermde natuurgebieden, ziekenhuizen en begraafplaatsen het stellen van zwaardere eisen met zich kan brengen dan op andere openbare plaatsen. De rechtbank merkt het CSGNN en de daarvan deel uitmakende abortuskliniek aan als een plaats waarbij deze zwaardere eisen gesteld kunnen worden. Verder overweegt de rechtbank dat in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 2 van de Wom is vermeld dat de betekenis van de beperkingsgrond “bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden” tot op zekere hoogte wordt beïnvloed door de context waarbinnen de grond wordt ingeroepen. Dat de beoordeling of een samenstel van (verwachte) ongewenste gedragingen zo ernstig is dat van wanordelijkheden kan worden gesproken, hangt niet uitsluitend af van de aard van die gedragingen. Ook de plaats waar de manifestatie wordt gehouden kan hier van betekenis zijn. De mate van orde en rust die naar algemeen inzicht op een bepaalde plaats behoort te heersen, bepaalt mede wanneer de grens van wanordelijkheden wordt overschreden, aldus de geschiedenis. Of gesproken kan worden van wanordelijkheden hangt dus af van de aard van de gedragingen en de plaats waar de betogingen plaatsvinden, in dit geval bij een abortuskliniek. De rechtbank is van oordeel dat bezoeksters van een abortuskliniek in zekere mate meer bescherming behoeven dan bezoekers van andere openbare locaties. De rechtbank maakt uit de aan verweerder overgelegde meldingen van bezoeksters van de abortuskliniek, ondersteund door de bevindingen van opsporingsambtenaren, de directeur van de GGD Groningen alsmede de directeur van de abortuskliniek, op dat de wijze waarop betogers van eiseres bezoeksters benaderen de grens van het toelaatbare overschrijdt. De mate van indringendheid en vastberadenheid waarmee betogers trachten bezoeksters van de abortuskliniek persoonlijk aan te spreken op ethische kwesties, hen achternalopen en hen naroepen met als doel het gesprek voort te zetten, ook nadat is aangegeven dat daar geen prijs op wordt gesteld, maakt naar het oordeel van de rechtbank dat door het gedrag van de betogers sprake is van wanordelijkheden. Bij de afweging om beperkingen aan een betoging te stellen heeft verweerder ook het verloop en de meldingen naar aanleiding van eerdere betogingen door eiseres mogen betrekken (vgl. AbRvS, 20 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1569). Daarbij heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank betekenis mogen toekennen aan de door hem ontvangen informatie, bestaande uit e-mails van bezoekers van de abortuskliniek, resultaten van een door de abortuskliniek gehouden enquête, een brief van de abortuskliniek en van de directeur van de GGD Groningen alsmede verklaringen van buitengewone opsporingsambtenaren (hierna: boa’s), in onderlinge samenhang bezien, in het licht van voormelde doelcriteria. In dit verband wijst de rechtbank erop dat de uitkomsten van de gehouden enquête het beeld van de negatieve waarnemingen van de boa’s bevestigt. Het betoog van eiseres slaagt dus niet.\n\n10.1. Aangezien verweerder naar het oordeel van de rechtbank reeds bevoegd was om beperking en voorwaarden aan de betoging te stellen ter voorkoming van wanordelijkheden, komt de rechtbank niet toe aan hetgeen is gesteld ten aanzien van de beperkingsgrond ‘bescherming van de gezondheid’.\n\nBemoeienis met de inhoud\n\n11. Eiseres betoogt dat verweerder bij het opleggen van de beperkingen (al dan niet indirect) een oordeel over de inhoudelijke wenselijkheid van de uitingen van eiseres bij zijn afweging en besluitvorming heeft betrokken. In dit verband wijst eiseres erop dat haar werkwijze sindsdien niet is veranderd en dat zich in de gang van zaken tijdens haar demonstraties geen wijzigingen hebben voorgedaan. Daarbij acht eiseres van belang dat in 2019 de huidige locatiebeperking niet nodig werd gevonden dan wel toegepast. In de visie van eiseres is in het beleid van verweerder echter een duidelijke omslag te zien als gevolg van de door abortusactivisten in het voorjaar van 2021 opgetrommelde stroom aan e-mails en publiciteit ten gunste van het instellen van een bufferzone. Ook verwijst eiseres in dit kader naar de oproep van het Humanistisch Verbond aan burgemeesters om beperkingen op te leggen aan anti-abortusdemonstraties, in navolging van voormelde uitspraak van de voorzieningenrechter. Dit brengt eiseres tot de conclusie dat de aan haar demonstratie opgelegde beperkingen getuigen van wat het Hof een “ulterior purpose” noemt: het willen apaiseren van de gepolitiseerde druk van de abortuslobby.\n\n11.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de inhoud van de demonstratie niet bij de besluitvorming is betrokken. In dit verband wijst verweerder erop dat hij zonder een inhoudelijk oordeel te vormen en te geven over de inhoud van de (voorgenomen) demonstratie van eiseres, aan de hand van alle feiten en omstandigheden tot de conclusie is gekomen dat de gedragingen van eiseres, bestaande uit het aanspreken, volgen en trachten te overtuigen van bezoeksters, op deze specifieke locatie als intimiderend worden ervaren. Naar de mening van verweerder is er geen enkele beperking opgelegd die ziet op de inhoud van de betoging, maar slechts beperkingen die zien op de gedragingen van de demonstranten.\n\n11.2. De rechtbank acht onvoldoende onderbouwd dat verweerder zich heeft laten leiden door de inhoud van de betoging van eiseres. Uit de door eiseres gemaakte verwijzingen valt naar het oordeel van de rechtbank niet af te leiden dat verweerder in dit geval beperkingen heeft opgelegd aan de betoging van eiseres vanwege de inhoud. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder zich gemotiveerd op het standpunt heeft kunnen stellen dat het aangesproken worden door de demonstranten van eiseres voor een groot deel van de bezoeksters van de abortuskliniek als intimiderend kon worden ervaren. Dat betreft de vorm van de betoging van eiseres en niet de inhoud. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat van de door eiseres gestelde schending van het EVRM niet is gebleken. Deze grond van eiseres slaagt niet.\n\nTen aanzien van de evenredigheid en proportionaliteit\n\n12. Eiseres betoogt dat verweerder een onjuiste conclusie heeft getrokken naar aanleiding van de belangenafweging, aangezien de vereiste stappen die bij toetsing van een mogelijke inbreuk op een Verdragsrecht zijn voorgeschreven, zijn overgeslagen. In de visie van eiseres is het niet voldoende om te constateren dat er zoiets is als het demonstratierecht, om vervolgens meteen te concluderen dat een opgelegde locatiebeperking evenredig en proportioneel is. In dit verband acht eiseres van belang dat bij de beantwoording of een beperking van een verdragsrecht (het demonstratierecht) heeft te gelden als “necessary in a democratic society”, staten, aldus het Hof, een zekere (maar zeker niet onbeperkte) “margin of appreciation” hebben. Een beperking is alleen “necessary” als zij beantwoordt aan een “pressing social need”, en proportioneel is in verhouding tot het beoogde legitieme doel. De voor de beperking aangevoerde grond(en) moet(en) “relevant and sufficient” zijn. De beslissing moet bovendien gebaseerd zijn op een “acceptable assessment of the relevant facts” (Guide on Article 11 of the European Convention on Human Rights). Naar de mening van eiseres is van dat laatste onvoldoende sprake in het bestreden besluit. In dit verband wijst eiseres erop dat de enige objectieve feitenbron die aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, de enquête is die de abortuskliniek gehouden heeft onder een aantal bezoeksters. Eiseres gaat er van uit dat de antwoorden naar waarheid opgetekend zijn. Verweerder heeft in de visie van eiseres echter niet de enquête zelf als bron gebruikt, maar alleen de interpretatie van de enquêteresultaten door de abortuskliniek. Eiseres is van mening duidelijk te hebben gemaakt dat die interpretatie geen recht doet aan de feitelijk gegeven antwoorden. Weliswaar hebben de abortuskliniek en verweerder geconcludeerd dat de geënquêteerde vrouwen het onprettig, naar of vervelend vonden om aangesproken te worden, maar, objectief bezien, hadden veel meer antwoorden de strekking dat het aanspreken rustig en beleefd gebeurde, en dat vrouwen wel de vrijheid hadden om interactie met de demonstranten te weigeren, als zij dat niet wilden. Daarnaast is het feitelijk zo dat, doordat de demonstranten nu op afstand zijn geplaatst van de ingang van de abortuskliniek, zij juist niet meer in staat zijn hun gedachten en opvattingen aan de doelgroep te openbaren, gezien de door de demonstranten gekozen werkwijze. De demonstranten van eiseres bedienen zich niet van de klassieke demonstratiehulpmiddelen als spandoeken, borden of megafoons. De door hen gekozen demonstratiemethode bestaat uit het ‘low-key’, respectvol en persoonlijk benaderen van iedere (mogelijke) bezoekster van de abortuskliniek. Dat heeft verweerder onmogelijk gemaakt met de opgelegde locatiebeperking, die inhoudt dat de demonstranten aan de overkant van de straat moeten staan. Naar de mening van eiseres komt de locatiebeperking daarmee feitelijk neer op een totaal verbod.\n\n12.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er in dit geval sprake is van een te maken afweging tussen botsende grondrechten, namelijk de afweging tussen enerzijds het demonstratierecht en het recht op vrijheid van meningsuiting van eiseres en anderzijds het recht van kliniekbezoekers op eerbiediging van hun persoonlijke levenssfeer en hun recht om ongehinderd gebruik te maken van medische zorg op grond van de Wet afbreking zwangerschap. Weliswaar betekent het in het EVRM neergelegde recht op betoging en vrije meningsuiting eveneens het recht om zelf te kiezen voor tijdstip, plaats en wijze van demonstreren en om daarbij uitingen te doen die “offend, shock and disturb”, zoals eiseres stelt, maar dit recht is niet onbegrensd en kan naar de mening van verweerder niet worden uitgeoefend onder voorbijgaan aan de rechten en belangen van derden.\n\n12.2. De rechtbank is van oordeel de door verweerder opgelegde beperking aan de betoging van eiseres, als resultaat van de verrichte belangenafweging, evenredig en proportioneel is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het belang van het voorkomen van de wanordelijkheden mogen besluiten dat de betogingen van eiseres op enige afstand van de ingang van de abortuskliniek moeten worden gehouden. Gelet op de strekking van de door verweerder opgelegde beperking aan de betoging behoudt eiseres het recht om bezoeksters van de abortuskliniek aan te spreken, maar wordt voorkomen dat bezoeksters achterna worden gelopen tot aan de ingang van de abortuskliniek. Deze afweging van het demonstratierecht van eiseres enerzijds en het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de bezoeksters van de abortuskliniek anderzijds is naar het oordeel van de rechtbank niet onredelijk. Niet gebleken is van de door eiseres gestelde schending van artikel 10, in samenhang gelezen met artikel 11, van het EVRM.\n\n12.3. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat het voor eiseres nog steeds mogelijk is om op enige afstand van de ingang van de abortuskliniek, maar in het zicht van de doelgroep van de demonstratie, haar gedachten en opvattingen over dit onderwerp te openbaren. Gelet daarop is van de door eiseres gestelde onevenredigheid voor wat betreft de beperking van haar demonstratierecht geen sprake. Niet gezegd kan worden dat de beperking het recht op betoging illusoir maakt of dat de beperking betrekking heeft op de inhoud van de betoging. Evenmin vormt de beperking een beletsel op het houden van een betoging als zodanig, of op betogingen door eiseres in het algemeen. Eiseres heeft ondanks de opgelegde beperkingen, naar het oordeel van de rechtbank voldoende gelegenheid haar standpunt aan de bezoeksters van de abortuskliniek kenbaar te maken. De rechtbank begrijpt dat eiseres liever op het trottoir voor de ingang van de abortuskliniek een betoging of een openbare manifestatie zou houden, maar dit brengt niet met zich dat enkel om die reden de door verweerder verrichte belangenafweging onredelijk is. Hoewel eiseres een specifieke vorm van betogen\u002Fdemonstreren nastreeft, is de rechtbank van oordeel dat elke andere beperking een nog ingrijpender karakter heeft. Onder die omstandigheden kan evenmin geconcludeerd worden dat de door verweerder verrichte belangenafweging onredelijk is en de beperking onevenredig en disproportioneel is. Deze grond van eiseres slaagt niet.\n\nConclusie\n\n13. Gelet op de voorgaande overwegingen is het beroep van eiseres ongegrond.\n\n13.1. Vanwege het toepassen van artikel 6:22 van de Awb ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) kunnen de proceskosten van eiseres worden begroot op € 1.674,- in verband met verleende professionele rechtsbijstand. Verder ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 360,- aan haar dient te vergoeden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep van eiseres ongegrond;\n\n- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 1.674,- en bepaalt dat verweerder deze kosten aan eiseres dient te vergoeden;\n\n- bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 360,- aan haar dient te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.S. van den Berg, voorzitter,\n\nmr. P.H.M. Tapper-Wessels en mr. A.W.C.M. van Emmerik, leden, in aanwezigheid van\n\nmr. H.L.A. van Kats als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op\n\n12 mei 2023.\n\ngriffier voorzitterRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\nAls hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.\n\nAfschrift verzonden op:\n\nBijlage\n\nEuropees Verdrag voor Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden (EVRM)\n\nArtikel 8 Recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven\n\n1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.\n\n2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.\n\nArtikel 10 Vrijheid van meningsuiting\n\n1. Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Dit artikel belet Staten niet radio- omroep-, en bioscoop- of televisieondernemingen te onderwerpen aan een systeem van vergunningen.\n\n2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk (proportioneel en subsidiair) zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.\n\nArtikel 11 Vrijheid van vergadering en vereniging\n\n1. Een ieder heeft recht op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging, met inbegrip van het recht met anderen vakverenigingen op te richten en zich bij vakverenigingen aan te sluiten voor de bescherming van zijn belangen.\n\n2. De uitoefening van deze rechten mag aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Dit artikel verbiedt niet dat rechtmatige beperkingen worden gesteld aan de uitoefening van deze rechten door leden van de krijgsmacht, van de politie of van het ambtelijk apparaat van de Staat.\n\nGrondwet (Gw)\n\nArtikel 9 Vrijheid van vergadering en betoging\n\n1. Het recht tot vergadering en betoging wordt erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.\n\n2. De wet kan regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.\n\nArtikel 10 Privacy\n\n1. Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.\n\n(…).\n\nWet openbare manifestaties (Wom)\n\nArtikel 2\n\nDe bij of krachtens de bepalingen uit deze paragraaf aan overheidsorganen gegeven bevoegdheden tot beperking van het recht tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging en het recht tot vergadering en betoging, kunnen slechts worden aangewend ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.\n\nArtikel 5\n\n1. De burgemeester kan naar aanleiding van een kennisgeving voorschriften en beperkingen stellen of een verbod geven.\n\n(…)\n\n3. Een voorschrift, beperking of verbod kan geen betrekking hebben op de inhoud van hetgeen wordt beleden, onderscheidenlijk van de te openbaren gedachten of gevoelens.\n\n(…)\n\nArtikel 6\n\nDe burgemeester kan tijdens een samenkomst tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging, vergadering of betoging aanwijzingen geven, die degenen die deze houden of daaraan deelnemen in acht moeten nemen.\n\nAlgemene Plaatselijke Verordening Groningen 2021 (APV)\n\nArtikel 2:4 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen\n\n1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden,\n\nwaaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet\n\nopenbare manifestaties, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste\n\n48 uren voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.\n\n2. De kennisgeving bevat:\n\na. naam en adres van degene die de betoging houdt;\n\nb. het doel van de betoging;\n\nc. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en\n\nvan beëindiging;\n\nd. de plaats en, voor zover van toepassing, de route;\n\ne. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en\n\nf. maatregelen die degene die de betoging houdt, zullen treffen om een regelmatig\n\nverloop te bevorderen.\n\n(…).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2023:1920","2026-07-13T00:28:24.883Z",{"id":81,"ecli":82,"slug":83,"caseNumber":43,"courtId":84,"decisionDate":85,"fullText":86,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":87,"sourceTimestamp":88,"parsedAt":50,"updatedAt":89},"1477","ECLI:NL:RBDHA:2023:6823","ecli-nl-rbdha-2023-6823",58,"2023-04-11T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SGR 21\u002F2507\n uitspraak van de meervoudige kamer van 11 april 2023 in de zaak tussen\n [eiser], uit [woonplaats], eiser\n\n(gemachtigde: mr. I.C. van Krimpen),\n\nen\n\nde minister van Justitie en Veiligheid, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. J.V. van Vegten en Y. Aitdaoud).\n\nProcesverloop\n\nIn het besluit van 19 februari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een meldplicht opgelegd voor de duur van zes maanden.\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nEiser heeft nadere stukken ingediend.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 24 november 2021 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens verweerder zijn mr. [naam 1] en mr. [naam 2] verschenen.\n\nDe rechtbank heeft het onderzoek op 7 december 2021 heropend.\n\nPartijen hebben nadere stukken ingediend.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 26 januari 2023 op zitting behandeld met een andere samenstelling van de meervoudige kamer. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden zoals hierboven vermeld.\n\nOverwegingen\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n1. Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding (Twbmt) kan de minister, indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid, aan een persoon die op grond van zijn gedragingen in verband kan worden gebracht met terroristische activiteiten of de ondersteuning daarvan, een maatregel opleggen, strekkende tot beperking van de vrijheid van beweging.\n\nIn artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a, van de Twbmt is bepaald dat een dergelijke maatregel kan bestaan uit een meldplicht.\n\n2. Verweerder heeft van deze bevoegdheid gebruik gemaakt en aan eiser een meldplicht opgelegd voor de duur van zes maanden. Eiser dient zich vanaf 22 februari 2021 tweemaal per week te melden op maandag en donderdag om 10:00 uur op het bureau van politie aan de Hoefkade in Den Haag. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser strafrechtelijk is veroordeeld voor het begaan van een terroristische misdrijf en daarnaast een actuele dreiging vormt voor de nationale veiligheid. Verweerder heeft zich gebaseerd op een bestuurlijke rapportage van de politieeenheid Den Haag van\n\n14 januari 2021. Uit deze rapportage blijkt volgens verweerder dat er concrete aanwijzingen zijn dat eiser op grond van zijn gedragingen (nog steeds) in verband kan worden gebracht met terroristische activiteiten dan wel de ondersteuning daarvan.\n\nWat vindt eiser?\n\n3. Eiser vindt dat verweerder de bestuurlijke rapportage ten onrechte geheim houdt. Hij wordt daardoor niet in de gelegenheid gesteld kennis te nemen van de aan het bestreden besluit onderliggende stukken. Hij kan daardoor onder meer niet nagaan of de bestuurlijke rapportage (mede) is gebaseerd op van de NCTV– en daarmee van verweerder – verkregen informatie. Indien dat het geval is, kan de bestuurlijke rapportage niet als deskundigenrapport worden aangemerkt. Door de geheimhouding is het voor eiser onmogelijk om zich te verweren en brengt dit eiser in een onevenredig nadelige positie. Eiser betwist verder dat het geheimhouden van de rapportage in het belang is van het voorkomen en opsporen van strafbare feiten. De feiten waarop het besluit voornamelijk is gebaseerd dateren namelijk van voor 2016. Ook wijst eiser erop dat persoonlijke informatie kan worden weggelakt.\n\nEiser betoogt verder dat verweerder ten onrechte feiten of gedragingen van voor 2017 aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd. De Twbmt is op 1 maart 2017 in werking getreden en bevat geen bepaling die het mogelijk maakt de wet met terugwerkende kracht toe te passen. Het bestreden besluit is dan ook in strijd met het legaliteitsbeginsel en\u002Fof artikel 7 van het EVRM. Eiser stelt daarbij dat de in het besluit genoemde feiten en gedragingen die van na maart 2017 dateren onvoldoende grondslag bieden om eiser in verband te kunnen brengen met terroristische activiteiten of de ondersteuning daarvan.\n\nOok als de feiten en gedragingen van voor 2017 wel mogen worden meegewogen, had verweerder de meldplicht niet mogen opleggen. Eiser stelt dat uit deze feiten en gedragingen, als deze al juist zijn, niet kan worden afgeleid dat hij een risico vormt voor de nationale veiligheid en dat de meldplicht noodzakelijk is ter bescherming daarvan.\n\nVolgens eiser handelt verweerder in strijd met het una via principe door hem een maatregel op te leggen op basis van dezelfde informatie die in de strafzaak beschikbaar was. Onder verwijzing naar de evaluatie van de Twbmtstelt eiser dat de maatregel niet is bedoeld als vervanging van bijzondere voorwaarden die opgelegd kunnen worden in het kader van het strafrecht. De visie van eiser is uitvoerig aan bod gekomen in de strafzaak en heeft niet geleid tot het opleggen van voorwaarden, zoals een meldplicht. Hij stelt verder dat er ook sprake is van detournement de pouvoir, omdat de meldplicht niet is opgelegd met het doel waarvoor het is bedoeld, namelijk de bescherming van de nationale veiligheid, maar als oneigenlijk verplichtend kader voor resocialisatie en re-integratie. Verweerder overweegt dat hij de meldplicht oplegt als middel om contact met eiser te kunnen opbouwen en zo verder inzicht te kunnen krijgen in zijn gedachtengoed. Maar uit diezelfde evaluatie blijkt dat dit in de praktijk niet werkt. Ook dit maakt dat de meldplicht niet noodzakelijk is voor de nationale veiligheid. Daardoor is de meldplicht ook disproportioneel. Eiser wordt gedwongen zich bij het politiebureau te melden, terwijl dit geen enkele toegevoegde waarde heeft. Er is daarom sprake van schending van het recht om vrij te bewegenen de artikelen 9 en 10 van het EVRM.\n\nProcesverloop\n\n4. Bij brief van 30 november 2021 heeft de gemachtigde van verweerder de rechtbank medegedeeld dat, anders dan ter zitting van 24 november 2021 is gesteld, informatie uit openbare bronnen in de jaren 2019 en daarvoor is gedeeld met de politie en andere ketenpartners in het kader van de analysetaak van de NCTV. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder contact gelegd met de politie om na te gaan of door de politie informatie is gebruikt die enkel afkomstig is van de NCTV vanuit de analysetaak ter onderbouwing van de meldplicht in deze zaak. In afwachting van deze informatie heeft de rechtbank besloten het onderzoek te heropenen.\n\n5. Verweerder heeft op 16 december 2021 medegedeeld dat de politie heeft laten weten dat alle informatie waarop de bestuurlijke rapportage is gebaseerd afkomstig is van verbalisanten die de informatie hebben vastgelegd in het politiesysteem (BVH). Er is geen informatie van de NCTV bij de bestuurlijke rapportage betrokken. In reactie daarop heeft eiser gesteld dat dit niet is na te gaan zonder inzage in de achterliggende stukken van de bestuurlijke rapportage. Zo is niet duidelijk welke informatie aan de rapportage ten grondslag is gelegd en of via het Veiligheidshuis informatie is gewisseld en op basis waarvan de politie de rapportage heeft opgesteld.\n\n6. De rechtbank heeft verweerder verzocht om de rechtbank inzage te geven in de achterliggende stukken van de rapportage. Verweerder heeft deze, met toepassing van artikel 8:29 van de Awb, overgelegd. Eiser heeft de rechtbank toestemming gegeven van deze stukken kennis te nemen.\n\n7. Eiser heeft zich daarna op het standpunt gesteld dat de rechtbank de geheimhoudingsbeslissing onvoldoende heeft gemotiveerd en heeft verzocht om heroverweging van deze beslissing. Zij heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 juli 2022.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\nDe geheime stukken\n\n8. De geheimhoudingsrechter heeft in deze zaak twee geheimhoudingsbeslissingen genomen. Eén ten behoeve van de bestuurlijke rapportage en één ten behoeve van de daarbij behorende achterliggende stukken. De rechtbank is in deze beslissingen van oordeel dat verweerder het beroep op artikel 8:29 van de Awb, gelet op het opsporingsbelang, voldoende heeft gemotiveerd.De geheimhoudingsbeslissingen zijn tussenbeslissingen, waarvan niet licht kan worden teruggekomen. In de door eiser genoemde uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 13 juli 2022 ziet de rechtbank daartoe ook geen aanleiding. In die zaak ging het om een verzoek om inzage in bestuurlijke rapportages op grond van de Wet politiegegevens (Wpg). De hoogste bestuursrechter heeft daarin geoordeeld dat de weigering om inzage te geven onvoldoende was gemotiveerd. In de hier voorliggende zaak gaat het echter niet om een verzoek om inzage op grond van de Wpg, maar om het opleggen van een meldplicht op grond van de Twbmt. De bestuurlijke rapportage en de achterliggende stukken zijn daarbij onder geheimhouding verstrekt als op de zaak betrekking hebbende stukken. Het door de hoogste bestuursrechter in genoemde zaak geconstateerde motiveringsgebrek ziet niet op de geheimhouding als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb.\n\n9. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en dat eiser door de geheimhouding van de stukken in zijn verdediging wordt geschaad. Het is vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechterdat de beperking ingevolge het eerste lid van artikel 8:29 van de Awb van het beginsel van openbaarheid en ‘equality of arms’ met zodanige waarborgen is omkleed dat het recht op een eerlijke procesvoering daardoor niet in zijn essentie wordt beperkt. De geheimhoudingsrechter heeft de verzoeken van verweerder om de bestuurlijke rapportage en de daarbij behorende achterliggende stukken geheim te houden ingewilligd, omdat gewichtige redenen zich tegen openbaarmaking verzetten. De gemachtigde van eiser heeft toestemming aan de rechtbank verleend om mede op grond van de geheime stukken uitspraak te doen. De rechtbank heeft daarop kennisgenomen van de geheime stukken.\n\n10. Wellicht ten overvloede wijst de rechtbank er nog op dat eiser de geheimhoudingsbeslissingen kan aanvechten bij het hoger beroep tegen deze einduitspraak.\n\nDe bestuurlijke rapportage\n\n11. De rechtbank stelt vast dat de bestuurlijke rapportage kan worden aangemerkt als een deskundigenbericht. Volgens vaste rechtspraakmag een bestuursorgaan op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten.\n\n12. De rechtbank stelt vast dat de weergave van de bestuurlijke rapportage in het bestreden besluit juist is. De bestuurlijke rapportage is voorts inzichtelijk en concludent. Wat betreft de rol van de NCTV bij de totstandkoming van de rapportage overweegt de rechtbank dat haar, na inzage in de geheime stukken, niet is gebleken dat de informatie in de bestuurlijke rapportage en de achterliggende stukken afkomstig is van de NCTV. Evenmin is gebleken dat het onderzoek van de politie op aandragen van de NCTV is gestart, bijvoorbeeld door bespreking in het Veiligheidshuis. In hetgeen eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van de bestuurlijke rapportage. Het kritische artikel in de NRCover de NCTV en een rapport van de WODCis onvoldoende om in dit geval tot een ander oordeel te komen. Verweerder heeft de bestuurlijke rapportage dan ook aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen.\n\nMocht verweerder aan eiser een meldplicht opleggen?\n\n13. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser op grond van zijn gedragingen in verband kan worden gebracht met terroristische activiteiten of de ondersteuning daarvan. Daarbij heeft verweerder allereerst betrokken dat eiser in 2015 is veroordeeld voor het begaan van terroristische misdrijven. Met het arrest van de Hoge Raad van 24 maart 2020 is dit vonnis onherroepelijk geworden. Eiser heeft voor deze strafbare feiten van 2 februari 2020 tot en met 28 september 2020 een gevangenisstraf ondergaan. Verder heeft verweerder gedragingen en uitlatingen van eiser ten tijde van de strafrechtelijke procedures en tijdens en na zijn detentie, bij de beoordeling betrokken. Zo heeft eiser verklaard dat hij nooit enig vertrouwen heeft gehad in de rechtspraak of rechters en dat hij vol woede zit richting politie en de overheid. Al zijn problemen zouden door politie en justitie zijn veroorzaakt. Tijdens zijn gevangenisstraf heeft eiser hulp, zoals agressietraining of psychologische hulp, geweigerd en wenste hij niet mee te werken aan afspraken met de reclassering of politie. Sinds zijn vrijlating mijdt eiser contact met de overheid en werkt hij niet tot nauwelijks mee aan de interventies die de gemeente Den Haag en het LSEbieden. Tijdens de spaarzame contactmomenten die er wel waren, heeft eiser zijn ongenoegen, boosheid en aversie tegen het ‘systeem’ geuit. Eiser heeft geen vertrouwen in het Nederlandse rechtssysteem en acht de Nederlandse wetten en sociale normen niet op hem van toepassing. Voor hem is er maar één rechter en dat is zijn Schepper. Eiser wantrouwt anderen van buiten zijn eigen (extremistische) netwerk, vooral professionals uit de publieke sector. Hij heeft een voorkeur voor het omgaan met ideologische verwanten en wenst geen relaties te hebben met mensen die buiten deze voorkeursgroep vallen.\n\n14. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder uit deze en andere concrete gedragingen, die in het bestreden besluit naar voren komen, en waarvan de juiste weergave door de informatie in de geheime stukken wordt ondersteund, mogen afleiden dat eiser zijn jihadistische gedachtegoed blijft uitdragen, hij aanzien en podium zou kunnen verwerven binnen het jihadistische netwerk in Nederland en dat hij zich laat beïnvloeden door aanhangers van het jihadistische gedachtegoed in Nederland. Verweerder heeft eiser dan ook in verband mogen brengen met terroristische activiteiten of de ondersteuning daarvan en het aannemelijk mogen achten dat eiser nog steeds een gevaar voor de nationale veiligheid vormt.\n\n15. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat het besluit in strijd is met het legaliteitsbeginsel als bedoeld in artikel 7 van het EVRM. Uit de wetsgeschiedenis van de Twbmtblijkt dat de maatregelen van de Twbmt de nationale veiligheid beogen te beschermen en moeten worden onderscheiden van de inzet van strafvorderlijke bevoegdheden, die als doel hebben de opsporing, vervolging en berechting van een strafbaar feit. Ook uit de rechtspraak blijkt dat de maatregelen op grond van de Twbmt niet kunnen worden gezien als een criminal charge, maar als preventieve bestuurlijke maatregelen.Dit betekent dat een beroep op artikel 7 van het EVRM niet kan slagen. Ook anderszins ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat informatie die dateert van voor de inwerkingtreding van de wet niet bij de besluitvorming mag worden betrokken. Dit blijkt namelijk noch uit de wettekst zelf noch uit de Memorie van Toelichting. Wel blijkt daaruit dat de informatie actueel moet zijn. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank, gelet op het samenstel van de betrokken gedragingen, sprake. De verwijzing van eiser naar de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 17 april 2019slaagt niet, omdat deze uitspraak is gebaseerd op een andere wet met een ander doel, een andere wetsgeschiedenis en, in vergelijking met de Twbmt, zeer verstrekkende gevolgen. Uit het voorgaande volgt dat verweerder ook de gedragingen van eiser van vóór 2017 bij de besluitvorming heeft mogen betrekken.\n\n16. Eiser heeft de in het bestreden besluit opgenomen gedragingen betwist en er deels een andere uitleg aan gegeven. Hierin ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van de conclusie van verweerder. Nergens blijkt uit dat eiser afstand heeft genomen van het jihadistische gedachtegoed. De verwijzing naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 oktober 2021maakt dat niet anders. Het enkele gegeven dat in die uitspraak staat vermeld dat eiser inmiddels wel begeleiding accepteert en dat zijn begeleider bij Coach’EmUp heeft verklaard dat er van eiser geen dreigende houding uitgaat, acht de rechtbank onvoldoende. In de uitspraak staat immers ook vermeld dat diezelfde begeleider heeft verklaard dat eiser star is in zijn opvattingen. Ten aanzien van de verklaring van Coach’EmUp die eiser op 25 januari 2023 heeft overgelegd, wordt overwogen dat deze verklaring niet is gedateerd. Bovendien biedt de verklaring onvoldoende inzicht in de instelling en het gedachtegoed van eiser ten aanzien van de periode tot en met het verstrijken van de opgelegde meldplicht.\n\n17. Ten aanzien van het betoog dat het bestreden besluit in strijd is met het ‘una via’-beginsel overweegt de rechtbank dat het bij de meldplicht gaat om een preventieve bestuurlijke maatregel die te onderscheiden is van het strafrecht, omdat het een ander doel dient. De maatregel dient ter bescherming van de nationale veiligheid tegen gevaar dat met het strafrecht niet kan worden weggenomen. Daarvoor is niet vereist dat er een aanwijzing of verdenking van een strafbaar feit is. De maatregel heeft een ander karakter en is daarmee te onderscheiden van het strafrecht.Dat eiser de meldplicht als een straf ervaart, doet daar niet aan af.\n\n18. Verweerder heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat het doel van de maatregelen van de Twbmt is gelegen in de bescherming van de nationale veiligheid en niet zozeer in deradicalisering of het opbouwen van een band. De meldplicht is er voor bedoeld om zicht te krijgen en te houden op betrokkene.Dat de meldplicht mede kan worden aangegrepen om in contact met betrokkene te komen en in dit contact kan worden geprobeerd deradicalisering te bevorderen, is daarvan een afgeleide. Dat uit de evaluatie van de Twbmt door de WODC zou blijken dat de meldplicht niet leidt tot deradicalisering, het opbouwen van een band en het inschatten van risico’s, wat daar ook van zij, maakt dan ook niet dat het opleggen van de meldplicht niet noodzakelijk kan worden geacht in het belang van de bescherming van de nationale veiligheid. De rechtbank vindt hiervoor ook steun in de Memorie van Toelichting waar ook is vermeld dat er een zekere preventieve werking uitgaat van de wetenschap voor betrokkene dat hij in de gaten wordt gehouden. Daardoor zal de betrokkene voor derden minder bruikbaar en interessant worden voor de inzet bij mogelijke terroristische activiteiten of ondersteuning daarvan.\n\n19. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de meldplicht evenmin onevenredig. De meldplicht bij de politie voor tweemaal per week gedurende zes maanden is beperkt in duur en in omvang. De omstandigheid dat eiser het melden bij de politie als belastend en als een verstoring van zijn werkindeling heeft ervaren en dat hij een slechte relatie met de agenten van het bureau Hoefkade onderhoudt, maakt dat niet anders. Van andere omstandigheden op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat de maatregel onevenredig is, is niet gebleken.\n\n20. Naar het oordeel van de rechtbank is de opgelegde meldplicht ook niet in strijd met artikel 9 en 10 van het EVRM. In deze artikelen wordt het recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst en het recht op vrijheid van meningsuiting gewaarborgd. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat niet valt in te zien dat deze rechten door de meldplicht worden beperkt. Zo heeft eiser niet gemotiveerd waarom hij door de meldplicht zijn geloof niet meer zou kunnen belijden of zijn mening niet meer zou kunnen uiten. Verweerder heeft er daarbij terecht op gewezen dat verweerder met het opleggen van een meldplicht aan eiser ook hoopt inzicht te krijgen in zijn gedachtengoed. Niet om deze te beperken, maar om een beeld te krijgen of en in welke mate de nationale veiligheid in gevaar is. Eiser wordt wel beperkt in zijn recht op bewegingsvrijheid als bedoeld in artikel 2 van het VP EVRM.Een dergelijke inbreuk moet bij wet zijn voorzien, een legitiem doel hebben, noodzakelijk en proportioneel zijn. Naar het oordeel van de rechtbank wordt hieraan voldaan. De inmenging is bij wet geregeld, namelijk de Twbmt en dient, zoals hiervoor al is overwogen, het legitieme doel van de nationale veiligheid. Daarnaast wordt de maatregel niet disproportioneel geacht. Ook blijkt uit hetgeen hiervoor is overwogen dat de opgelegde maatregel noodzakelijk is, nu de beperking wordt opgelegd in het belang van de bescherming van de nationale veiligheid. Verweerder heeft er daarbij terecht op gewezen dat de maatregel is gericht op het voorkomen van terroristische activiteiten en\u002Fof de ondersteuning daarvan. Verweerder heeft daarbij het belang van de nationale veiligheid zwaarder mogen laten wegen dan het belang van eiser om zich vrijelijk te kunnen verplaatsen. Verweerder heeft dan ook aan eiser een meldplicht mogen opleggen.\n\nConclusie\n\n21. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, voorzitter, en mr. R.H. Smits en mr. M.D. Gunster, leden, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 april 2023.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.\n\n Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid.\n\n Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.\n\n B. van Gestel, Evaluatie Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding, WODC Cahier 2020-2.\n\n Artikel 2 van het Vierde Protocol van het EVRM.\n\n Algemene wet bestuursrecht.\n\n ECLI:NL:RVS:2022:2007.\n\n Vergelijk ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:313, ro. 6.1.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:867.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1319.\n\n Artikel van de NRC van 9 april 2021, “Onmin en uitglijders bij de club die het land moet beschermen”, van A. Kouwenhoven, E. Rosenberg en R. van der Poel.\n\n Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum; B. van Gestel e.a., Bestuurlijke vrijheidsbeperking van jihadisten, WODC Cahiers 2019-4, p.9.\n\n Landelijk steunpunt Extremisme.\n\n Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 2015-2016, nr. 3, Hoofdstuk 4.\n\n ECLI:NL:RVS:2022:313, ECLI:NL:RVS:2018:1763, ECLI:NL:RBROT:2017:5500 en ECLI:NL:RBAMS:2018:7202.\n\n ECLI:NL:RVS:2019:990.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2021:11631.\n\n Zie ook MvT, Kamerstukken II 2015-2016, nr. 3, Hoofdstuk 2.6.\n\n MvT, Kamerstukken II 2015-2016, nr. 3, Hoofdstuk 2.3.\n\n Vierde Protocol bij het EVRM.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:6823","2023-05-11T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:22.906Z",{"id":91,"ecli":92,"slug":93,"caseNumber":43,"courtId":94,"decisionDate":95,"fullText":96,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":97,"sourceTimestamp":98,"parsedAt":50,"updatedAt":99},"507","ECLI:NL:RBOBR:2023:332","ecli-nl-rbobr-2023-332",72,"2023-01-23T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats ‘s-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SHE 21\u002F1400, SHE 21\u002F1401, SHE 21\u002F1402, SHE 21\u002F1403\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2023 in de zaak tussen\n \n [naam] ,\n\n [naam] ,\n\n [naam] ,\n\n [naam], uit [woonplaats] , eisers\n\n(gemachtigde: mr. S.G.H. van de Kamp en mr. M.A. Prins),\n\nen\n\nde burgemeester van de gemeente Oss, de burgemeester,\n\n(gemachtigde: mr. F.A. Pommer).\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen het de besluiten van de burgemeester om sluiting van de woning, de schuur en het bosperceel aan [adres] te bevelen voor een duur van zes maanden.\n\nMet het bestreden besluit van 28 april 2021 op de bezwaren van eisers is de burgemeester bij dat besluit gebleven.\n\nDe burgemeester heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen op 12 december 2022 gelijktijdig op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] en [naam] , de gemachtigden van eisers, met mr. S.A.C. de Ridder als waarnemer van S.G.H. van de Kamp, en de gemachtigde van de burgemeester.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n1. In een bestuurlijke rapportage is vermeld dat op 13 november 2019 een politieonderzoek heeft plaatsgevonden op en rond het perceel [adres] (het perceel). Dit perceel is een woonwagenstandplaats, die wordt gehuurd door [naam] en [naam] . Hun kinderen [naam] en [naam] zijn geboren in 2003, respectievelijk 1997. Eisers woonden op dit perceel in een woonwagen. Op het perceel staat ook een schuur en achter de schuur ligt een bosperceel.\n\n2. In de bestuurlijke rapportage van 9 december 2019 is vermeld dat in de woonwagen en de daarachter gelegen schuur het volgende is aangetroffen;\n\nAmfetamine, +\u002F- 150 gram, in het keukenkastje;\n\nDeense kronen en Euro’s, totaal een waarde van € 256.650, -, verborgen in ruimte slaapkamer kast vloer;\n\nBankbiljetten en muntgeld, € 6244,-, op verschillende plekken in woning;\n\nMunitie en hulzen, 8 + 4 (divers kaliber, in de schuur);\n\nOnderdelen van (vuur)wapens, meerderen, in de schuur.\n\n3. Op grond van deze informatie heeft de burgemeester aan eisers op 13 januari 2020 het voornemen bekend gemaakt om ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, het perceel te sluiten voor de duur van twaalf maanden. Op 7 februari 2020, later bevestigd in een aanvullende rapportage van 24 februari 2020, maakte de politie aan de burgemeester bekend dat sprake was geweest van een vals-positieve test van amfetamine. De stof bleek geen amfetamine of enig andere hard- of softdrugs te zijn. Aan het voornemen van 13 januari 2020 heeft de burgemeester geen vervolg gegeven.\n\n4. Op 26 februari 2020 volgt een bestuurlijke rapportage over het op 13 november 2019 verrichte onderzoek en wat daarbij in de schuur en op\u002Fin het daarachter gelegen bosperceel is aangetroffen. Hierover is het volgende vermeld:\n\n“Aan onder andere de achterzijde van de schuur op het perceel waren camera’s gemonteerd die gericht waren op het bosperceel grenzend aan de achterzijde van het perceel. Deze camera’s konden in de schuur worden uitgelezen op een daarop aangesloten en werkend beeldscherm. Tijdens het onderzoek op 13 november 2019 werden op\u002Fin het betreffende bosperceel, waarop de camera’s gericht waren, drie ondergrondse bergruimtes, een ingegraven vat en andere zaken met inhoud aangetroffen. Het ging om de volgende inhoud: in de ondergrondse ruimten werd een groot aantal kunststofvaten en kartonnen dozen aangetroffen met daarin een groot aantal vuurwapens en onderdelen hiervan, alsook verdovende middelen. De verdovende middelen zijn voor nader onderzoek in beslag genomen. Uit het onderzoek is in iedere geval een positief indicatieve test gebleken van de volgende (hard)drugs c.q. stoffen:\n\n- 110 kilo MDMA-pillen (lijst 1 Opiumwet)\n\n- 193 MDMA-kristallen (lijst T Opiumwet)\n\n- 49 kilo Amfetamine (lijst T Opiumwet)\n\n- 222 liter Amfetamine olie (lijst 1 Opiumwet)\n\n- 3,4 kilo Methamfetamine (kristallen) (lijst 1 Opiumwet)\n\n- 1,5 kilo Ketamine (lijst T Opiumwet)\n\n- 0,3 kilo Cocaïne (lijst 1 Opiumwet)\n\n- 0,5 kilo Heroïne (lijst 1 Opiumwet)\n\n- 156,7 plakken Cannabis (hashish) (lijst 2 Opiumwet).”\n\nen:\n\n“Op basis van onderzoeksbevindingen (opgenomen gesprekken) kan worden gesteld dat de schuur achter de woning van deze locatie, in de periode maart 2018 tot en met november 2019 vrijwel dagelijks werd gebruikt als overleglocatie \u002F handelsplaats voor een crimineel samenwerkingsverband (CSV), waar ook vrijwel dagelijks bezoekers werden ontvangen. Dit CSV bestaat naast [naam] en [naam] uit tientallen personen, waaronder familieleden. Leden van het CSV en hun contacten konden ook buiten aanwezigheid van [naam] en [naam] gebruik maken van de schuur. Deze schuur was ingericht als vergaderruimte en werd door een deelnemer van het CSV zijn ‘kantoor’ genoemd. Ook op basis van onderzoeksbevindingen kan worden gesteld dat vanuit de schuur doorlopend drugstransacties besproken werden, voorbereid en uitgevoerd. Er werd vrijuit gesproken over onder andere:\n\n• het produceren van verdovende middelen (synthetische drugs) en het verhandelen van producten (precursoren) bestemd voor de productie van synthetische drugs.\n\n• het importeren van containers met verdovende middelen met diverse soorten dekladingen.\n\n• het uithalen van containers met daarin verdovende middelen.\n\n• het wegnemen van containers met vermoedelijk verdovende middelen.\n\n• het maken van afspraken met buitenlandse personen afkomstig uit onder andere Bulgarije, Zuid-Amerika en België.\n\n• het handelen in (vuur)wapens.\n\nOok in de woning aan de [adres] kwamen leden van het crimineel samenwerkingsverband samen en werd veelvuldig gesproken over deze onderwerpen. Gesprekken in de schuur werden in de woning voortgezet, met name door familieleden die deel uit maken van het CSV”.\n\n5. Naar aanleiding van bovengenoemde bevindingen heeft de burgemeester op\n\n10 maart 2020 aan eisers een nieuw voornemen kenbaar gemaakt tot sluiting van de woning, de schuur en het bosperceel, voor de duur van twaalf maanden. In het voornemen heeft de burgemeester eisers in de gelegenheid gesteld om op het voornemen hun zienswijze kenbaar te maken. Eisers hebben op 24 maart 2020 hun zienswijzen kenbaar gemaakt.\n\n7. Daarop heeft de burgemeester bij de primaire besluiten van 28 april 2020 de voorgenomen sluiting gehandhaafd, maar volstaan met een sluitingsduur van zes maanden in plaats van twaalf. Bij het bestreden besluit is de burgemeester bij die besluiten gebleven.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n8. De rechtbank beoordeelt of de burgemeester de woning, de schuur en het bosperceel heeft mogen sluiten voor de duur van zes maanden. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.\n\n9. Het beroep is ongegrond.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesbelang\n\n10. De rechtbank moet ambtshalve de vraag beantwoorden of eisers nog procesbelang hebben bij de door hen ingestelde beroepen. De sluiting van het perceel is inmiddels beëindigd en ligt dan ook in het verleden. Dat brengt de vraag met zich wat eisers feitelijk nog kunnen bereiken met deze beroepsprocedures.\n\n11. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) kan belang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep bestaan indien wordt gesteld dat schade is geleden ten gevolge van bestuurlijke besluitvorming. Vereist wordt dat tot op zekere hoogte aannemelijk is gemaakt dat deze schade daadwerkelijk is geleden als gevolg van het bestreden besluit.Desgevraagd hebben eisers gesteld dat zij als gevolg van het bestreden besluit schade hebben omdat zij de huur moesten doorbetalen, terwijl zij geen gebruik konden maken van de woning en omdat het bestuursrechtelijke bestreden besluit mogelijk doorwerking heeft in een civiele procedure. Met inachtneming van de vaste rechtspraak oordeelt de rechtbank dat eisers met deze stellingen tot op zekere hoogte aannemelijk hebben gemaakt dat zij schade hebben geleden als gevolg van het bestreden besluit en dat zij daarom een belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van hun beroep.\n\nBeoordelingskader\n\n12. De rechtbank beoordeelt de beroepen volgens het beoordelingskader dat de Afdeling uiteen heeft gezet in haar uitspraak van 28 augustus 2019, in de uitspraken van de Afdeling over de evenredigheid van 2 februari 2022en in de uitspraken van de Afdeling van 6 juli 2022.\n\nBevoegdheid\n\n13. Desgevraagd hebben eisers op de zitting bevestigd dat zij de bevindingen, die zijn vermeld in bestuurlijke rapportage over wat en hoeveel in de woning, in de schuur en op het bosperceel is aangetroffen, niet bestrijden. De rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van die bevindingen.\n\n14. Eisers betogen dat de burgemeester niet bevoegd was om de woning te sluiten omdat de ruimtelijke en functionele samenhang met het bosperceel en de schuur ontbrak. Daarbij wijzen zij op de feitelijke situatie, dat de woning en de schuur losstaande bouwwerken zijn, dat de schuur vrij toegankelijk is via een brede oprit en geen rechtstreekse toegang heeft vanuit de woning en dat het bosperceel van de standplaats met de woning en schuur wordt gescheiden door een stenen muur zonder doorgang. Daarnaast stellen eisers dat de kadastrale gegevens niet alleszeggend zijn en dat zij het bosperceel niet huurden van de gemeente. Tijdens de zitting hebben eisers aangegeven dat zij niet langer het standpunt innemen dat er op de schuur geen camera’s waren gericht op het bosperceel.\n\n15. De burgemeester heeft in het verweerschrift onder verwijzing naar een drietal uitspraken van de Afdelingals volgt gereageerd op de beroepsgrond van eisers:\n\n“Uit al deze uitspraken volgt dat om te kunnen spreken van een ‘samenhangend geheel’\n\ner in de eerste plaats sprake moet zijn van ruimtelijke samenhang en daarnaast van\n\nfunctionele samenhang. Anders dan eisers beweren in hun (aanvullend) beroepschrift is\n\nde burgemeester niet alleen uitgegaan van de kadastrale eenheid. Dit laatst, ruimtelijke\n\nelement is slechts één van de (vele) factoren waarop de burgemeester baseert dat de\n\nwoning, schuur en het achterliggende bosperceel een samenhangend geheel zijn. De\n\nruimtelijke samenhang bestaat hieruit dat:\n\nde woning en de schuur op hetzelfde, als één geheel verhuurde kadastrale perceel gelegen zijn;\n\nhet perceel als één geheel is omsloten en als één geheel toegankelijk is via dezelfde toegang vanaf de openbare weg. De schuur is alleen via een smalle toegang die loopt langs de woonwagen te bereiken (zie ook de foto’s in de bestuurlijke rapportage van 26 februari 2020). Dat geldt ook voor het achter de schuur gelegen bosperceel;\n\nde schuur en woonwagen worden door dezelfde personen gehuurd en gebruikt, te weten [naam] en [naam] , alsmede hun kinderen;\n\nde schuur en woonwagen liggen praktisch tegen elkaar aan, daarmee in elkaars fysieke nabijheid. Tussen de schuur en de woonwagen is nauwelijks fysieke ruimte aanwezig, waardoor buiten het zicht vanuit de woning de schuur kan worden bereikt.\n\nIn het kader van de ruimtelijke samenhang mag ook het sluitingsdoel worden betrokken.\n\nEen gedeeltelijke sluiting — van bijvoorbeeld alleen de schuur of, zoals eisers lijken voor\n\nte staan, alleen het bosperceel zal ertoe leiden dat niet goed controleerbaar is wat er\n\ntijdens de sluiting op de rest van het perceel gebeurt. Een persoon zou geheel aan het\n\nzicht vanaf de openbare weg onttrokken, vanuit de woning de schuur of het daarachter\n\ngelegen bosperceel alsnog kunnen betreden. Dit zou afbreuk doen aan het doel van de\n\nsluiting, te weten het beëindigen van de overtreding en voorkoming van het herhaling en\n\nhet afgeven van een signaal dat het overtreden van de Opiumwet wordt gehandhaafd.\n\nDat er een afscheiding zou bestaan — hetgeen niet zo is — of zou zijn te maken tussen de\n\nwoning, de schuur en het bosperceel, laat daarmee onverlet dat het sluitingsdoel zich\n\nalsdan nog steeds verzet tegen het buiten de sluiting houden van delen van het\n\nsamenhangende geheel. Zie in dit verband ook de volgende overweging van de Afdeling\n\nin een uitspraak van 6 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2401:\n\n‘Hieruit blijkt onder meer dat de loods direct achter de woning ligt, dat tussen de woning en de loods een tuin ligt die is omheind en dat een uitgang van de loods uitkomt in de tuin. Dit betekent dat de loods, vanaf de openbare weg bezien, ongezien kan worden binnengetreden via de woning en de tuin. Indien de woning niet zou zijn gesloten dan was de bereikbaarheid van de loods gelet hierop vele malen gemakkelijker geweest. Dat [appellante] derden de toegang tot haar terrein had kunnen ontzeggen en bovendien het toegangshek had kunnen sluiten, geeft geen grond voor een ander oordeel. De burgemeester stelt in dit verband terecht dat de productie van amfetamine zich afspeelt in een criminele omgeving en hij heeft aannemelijk mogen achten dat [appellante], al dan niet met geweld, in dat geval gedwongen zou kunnen worden toegang te verlenen tot het terrein en de loods. Voorts heeft de burgemeester erop gewezen dat sluiting van de woning en het terrein nodig was om de loods achter de woning zichtbaar te onttrekken aan het illegale circuit, waardoor de bekendheid van de drugslaboratoria definitief kon worden beëindigd.’\n\nIn verband met de functionele samenhang tussen de woning, de schuur en het\n\nbosperceel, wijs ik namens de burgemeester op de volgende elementen waarop deze\n\nfunctionele samenhang met name is gestoeld:\n\n- in de schuur zijn munitie en huizen, alsmede onderdelen voor (vuur)wapens\n\naangetroffen, daaronder begrepen een onderdeel van een machinegeweer. Deze\n\nvoorwerpen werden ook aangetroffen in\u002Fop het bosperceel, tezamen met grote\n\nhoeveelheden harddrugs. De wapens, wapenonderdelen en munitie zijn — zeker\n\nin de gegeven context — aan te merken als drugs gerelateerd;\n\n- uit tapgesprekken is gebleken dat de schuur vrijwel dagelijks werd gebruikt als\n\noverleglocatie\u002Fhandelsplaats voor een CSV. In de schuur werden blijkens tapgesprekken doorlopend drugstransacties besproken (zie de bestuurlijke\n\nrapportage van 26 februari 2020);\n\n- uit een proces-verbaal van 21 februari 2019 en strafvonnis van 6 september\n\n2021 blijkt ook dat vermoedelijk MDMA is geleverd in de schuur. Ook is een\n\ntapgesprek in de schuur waargenomen waarin is gesproken over Barcelonapillen.\n\nHet betreft vermoedelijk de voorraad MDMA-pillen met daarop een logo\n\nvan FC Barcelona die in de ondergrondse ruimten in\u002Fop het bosperceel werden\n\naangetroffen;\n\n- blijkens tapgesprekken werden diverse gesprekken over — kort gezegd —\n\ndrugshandel in de schuur werden voortgezet in de woning op hetzelfde perceel\n\nen werd de woning ook bezocht door leden van het CSV;\n\n- in de woning zijn daarnaast grote contante geldbedragen aangetroffen,\n\nwaaronder in totaal € 256.650,- aan o.a. Deense Kronen. Het geld lag verstopt\n\nin de ouderlijke slaapkamer, in een kast onder de vloer. Het geld was in\n\ncoupures van bankbiljetten verpakt in plastic pakketjes;\n\n- door de strafrechter is bovendien bewezen bevonden (zie eerder genoemd\n\nvonnis van 6 september 2021) dat het in de woning aangetroffen geldbedrag —\n\nkort gezegd — een gedeelte van de ‘kas’ van het CSV betrof, in verband met de\n\no.a. op het perceel plaatsvindende illegale activiteiten.”\n\n16. De rechtbank onderschrijft het standpunt van de burgemeester bij het aannemen van ruimtelijke en functionele samenhang tussen het bosperceel, de schuur en de woning en de elementen die daarbij relevant zijn. De burgemeester heeft op goede gronden verwezen naar de rechtspraak van de Afdeling. Uit die rechtspraak volgt ook dat een bestuursorgaan, onverminderd zijn eigen verantwoordelijkheid om een besluit zorgvuldig voor te bereiden, in beginsel mag afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekende bestuurlijke rapportage, voor zover deze bevindingen eigen waarnemingen van de opsteller van de rapportage weergeven. Als die bevindingen worden betwist, dan zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zulke twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.\n\n18. Omdat eisers de bevindingen in de beschikbare bestuurlijke rapportages niet betwisten oordeelt de rechtbank dat kan worden uitgegaan van de juistheid daarvan, waaronder hetgeen als volgt in de aanvullende bestuurlijke rapportage van 22 juni 2020 is vermeld:\n\n“Relatie bos (terrein) en [adres]\n\nUit het strafrechtelijk\u002Fforensisch onderzoek is gebleken dat er meerdere (4x) camera’s waren aangebracht aan, onder andere, de achterzijde van de schuur, behorende bij perceel [adres] . De camera’s waren gericht op het bos (terrein) direct grenzend aan de achterzijde van de schuur en gaven vanuit een aangesloten en werkend beeldscherm, geplaatst in de betreffende schuur perceel [adres] , beelden van de plekken al waar de aangetroffen ondergrondse ruimten en het vat werden aangetroffen in het bos (terrein).\n\nVerondersteld wordt dat de camera’s aan de achterzijde van de schuur, gericht op het bos (terrein) bedoeld waren voor het zicht op de ondergrondse ruimten en het ingegraven vat waarin de inbeslaggenomen goederen werden aangetroffen. Uit onderzoek is gebleken dat er een directe relatie bestaat tussen deelnemers aan het CSV dat criminele activiteiten ontplooide vanuit de schuur aan de [adres] en de inbeslaggenomen goederen in het bosperceel (zie sporenonderzoek\u002FDNA hits).”\n\n19. De rechtbank concludeert dat de burgemeester terecht een ruimtelijke en functionele samenhang tussen de woning, de schuur en het bosperceel heeft aangenomen en bevoegd was tot sluiting van zowel het bosperceel, de schuur als de woning.\n\nEvenredigheid\n\n20. Eisers stellen dat de sluiting onevenredig is, omdat de burgemeester het tijdsverloop en de verwijtbaarheid van de bewoners onvoldoende heeft betrokken in de besluitvorming. Volgens eisers heeft de burgemeester ten onrechte ook niet meegewogen dat de gemeente als verhuurder van de woning belang heeft bij de sluiting omdat direct een procedure tot ontruiming is gestart nadat van rechtswege de ontbindingsbevoegdheid was ingeroepen.\n\n21. De rechtbank oordeelt dat de burgemeester het tijdsverloop voldoende heeft betrokken in de besluitvorming. In het primaire besluit is immers overwogen dat vanwege het tijdsverloop en omdat de omstandigheden als gevolg van het coronavirus het vinden van een vervangende woonruimte lange termijn bemoeilijken, de sluitingsduur wordt verkorten van de voorgenomen twaalf naar zes maanden. De rechtbank ziet geen aanleiding dat de sluitingsduur vanwege het tijdsverloop nog verder moet worden verkort. De burgemeester heeft terecht gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 8 december 2021,waaruit volgt dat pas na het verstrijken van één jaar sinds de datum dat de sluiting volgens het besluit zou moeten ingegaan, de burgemeester de noodzaak tot sluiting opnieuw moet beoordelen. In dit geval is die periode van één jaar echter nog niet verstreken.\n\n23. De rechtbank oordeelt dat de burgemeester zich er voldoende zorgvuldig en inzichtelijk van heeft vergewist dat de duur van de sluiting evenwichtig is en daarbij heeft kunnen betrekken dat [naam] en [naam] , gelet op de niet bestreden feiten en omstandigheden, een zeer ernstig verwijt treft. Aan de omstandigheid dat voor hun kinderen [naam] en [naam] mogelijk een verminderde mate van verwijtbaarheid geldt, kan niet de door eisers gewenste betekenis worden toegekend. Uit rechtspraak van de Afdelingvolgt immers dat ouders in beginsel verantwoordelijk zijn voor het vinden van vervangende woonruimte voor de kinderen. De burgemeester heeft hulp aangeboden, indien eisers daarin niet zouden kunnen slagen.\n\n24. Aan het door eisers gestelde belang van de gemeente als verhuurder van de woning kan bij de beoordeling van de evenwichtigheid van de sluiting evenmin relevante betekenis worden toegekend. Daarbij overweegt de rechtbank dat de ontbinding van de huurovereenkomst niet zozeer een gevolg is van de woningsluiting, maar van het feit dat gelet op de beschikbare gegevens sprake is van zeer ernstige activiteiten.\n\n25. De rechtbank concludeert dat de burgemeester bevoegd was om te sluiten voor een periode van zes maanden. De voor eisers nadelige gevolgen van de sluiting zijn niet onevenredig in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen en algemene belang. De burgemeester heeft met in achtneming van de rechtspraak van de Afdeling alle relevante omstandigheden en belangen betrokken bij de besluitvorming.\n\nConclusie en gevolgen\n\n26. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de burgemeester sluiting van de woning, de schuur en het bosperceel heeft mogen bevelen voor een duur van zes maanden. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. H.M.H. de Koning, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. V.A.C.M. Vonk, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 23 januari 2023.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Uitspraken van 1 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1520, en van 25 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2526.\n\n ECLI:NL:RVS:2019:2912.\n\n ECLI:NL:RVS:2022:285 en 335.\n\n Zie onder meer ECLI:NL:RVS:2022:1910, 1911, 1913 en 1916.\n\n De uitspraak van 7 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2401, de uitspraak van 14 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2456 en de uitspraak van 11 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1193.\n\n Zie onder andere de uitspraak van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1916, r.o. 5.3.\n\n ECLI:NL:RVS:2021:2756.\n\n Zie bijvoorbeeld de overzichtsuitspraak van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2023:332","2023-01-20T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:33.954Z",20,[102,103,11,104,105],2026,2024,2022,2018]