[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-public-order-nl-2026":3},{"detail":4,"years":73},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":19,"page":14,"limit":72},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},99,"public-order-nl","Public Order","NL","2026-07-08T16:56:40.714Z",2026,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":15},4,{"month":23,"count":14},5,{"month":25,"count":17},6,{"month":27,"count":15},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":15},12,[39,53,62],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"1869","ECLI:NL:RBOVE:2026:3613","ecli-nl-rbove-2026-3613","",57,"2026-06-26T00:00:00.000Z","RECHTBANK OVERIJSSEL\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ZWO 26\u002F661\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [eiser], uit [woonplaats],\n\nhierna: [eiser],\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Zwolle\n\n(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]),\n\nhierna: het college.\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over het beroep van [eiser] dat is ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek om handhaving.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de rechtbank onbevoegd is om kennis te nemen van het beroep van [eiser] tegen het niet tijdig nemen van een besluit.\n\nInleiding\n\n2. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van [eiser] wegens het niet tijdig beslissen door het college op zijn verzoek om handhaving.\n\n2.1.. \n [eiser] heeft op 7 november 2025 bij het college een verzoek om handhaving ingediend. Hij heeft hierin vermeld dat sinds de zomer steevast één of meerdere pleziervaartuigen aangemeerd liggen aan de kleine steiger in de [locatie], ook wel ‘[locatie]’ genoemd. Omdat dit een overtreding is van de Algemene Plaatselijke Verordening, heeft [eiser] het college verzocht hiertegen handhavend op te treden.\n\n2.2.. Wegens het uitblijven van een reactie van het college heeft [eiser] het college op 5 januari 2026 in gebreke gesteld en daarbij verzocht alsnog binnen twee weken een besluit te nemen op zijn verzoek.\n\n2.3.. \n [eiser] heeft op 11 februari 2026 beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit.\n\n2.4.. Het college heeft op 23 februari 2026 gereageerd op het verzoek om handhaving en op de ingebrekestelling.\n\n2.5.. Het college heeft op 25 februari 2026 een verweerschrift ingediend.\n\n2.6.. \n [eiser] heeft op 25 februari 2026 een aanvullend beroepschrift ingediend.\n\n2.7.. Het college heeft op 21 april 2026 een aanvullend verweerschrift ingediend.\n\n2.8.. De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] en de gemachtigden van het college.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. [eiser] voert aan dat zijn verzoek om handhaving een aanvraag is, zoals bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). [eiser] stelt belanghebbende te zijn bij het verzoek, omdat hij een voldoende objectief, persoonlijk, eigen, rechtstreeks en actueel belang heeft. Hij woont in de nabije omgeving van de steiger en maakt regelmatig gebruik van de steiger als hij vaart met zijn kano, bijvoorbeeld om in en uit te stappen of om te pauzeren. Ter onderbouwing van zijn recreatieve activiteiten met de kano wijst [eiser] op zijn voorzitterschap van de Zwolse kanovereniging De Peddelaars en op zijn lidmaatschap van de landelijke Toeristische Kanobond Nederland. Ook wandelt hij vaak langs (de directe omgeving van) de steiger.\n\n4. Op grond van artikel 1:3, derde lid, van de Awb wordt onder aanvraag verstaan een verzoek van een belanghebbende een besluit te nemen.\n\n5. Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.\n\n6. Op grond van artikel 6:2 van de Awb worden voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld:\n\n a. de schriftelijke weigering een besluit te nemen, en\n\n b. het niet tijdig nemen van een besluit.\n\n7. Op grond van artikel 8:1 van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.\n\n8. De rechtbank overweegt als volgt. Het college hoeft op het verzoek om handhaving van [eiser] alleen een besluit te nemen als dat verzoek kan worden aangemerkt als een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Een verzoek van iemand die geen belanghebbende is, is geen aanvraag als bedoeld in de Awb. Daarop hoeft dan ook geen besluit te worden genomen. In dat geval kan ook geen sprake zijn van het niet tijdig nemen van een besluit.\n\n9. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van Statevolgt dat de wetgever met het belanghebbendenbegrip een zekere begrenzing heeft beoogd. Een louter subjectief gevoel van betrokkenheid bij een besluit is niet voldoende om te kunnen spreken van een rechtstreeks bij het besluit betrokken belang. Ook een persoon die wellicht enig belang heeft, maar zich niet in voldoende mate onderscheidt van anderen, kan niet worden aangemerkt als belanghebbende als bedoeld in de Awb.\n\n10. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] geen belanghebbende is bij zijn verzoek om handhaving. Hoewel [eiser] recreatief gebruik maakt van de steiger voor zijn kano-activiteiten, onderscheidt hij zich hiermee onvoldoende van andere gebruikers van de steiger. [eiser] heeft ter zitting desgevraagd aangegeven dat de steiger ook gebruikt wordt door andere leden van de Zwolse kanovereniging. Daarbij komt dat de steiger ook kan worden gebruikt door andere watersportgebruikers. Het recreatieve gebruik van de steiger is daarom niet voldoende om te kunnen spreken van een belang dat [eiser] in voldoende mate onderscheidt van andere gebruikers van de steiger.\n\n11. Gelet op het voorgaande is het verzoek van [eiser] geen aanvraag als bedoeld in de Awb. Dat betekent dat het college geen besluit hoefde te nemen. Het uitblijven van een reactie op het verzoek van [eiser] kan daarom ook niet met een besluit gelijkgesteld worden.\n\n12. De rechtbank is daarom onbevoegd om van het beroep kennis te nemen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n13. De rechtbank is onbevoegd om van het beroep kennis te nemen. De rechtbank zal daarom, gelet op artikel 2.5, zevende lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken 2025, de griffier opdragen het door [eiser] betaalde griffierecht terug te storten.\n\n13.1.. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart zich onbevoegd.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. van Berlo, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Diele, griffier, uitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3107.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3613","2026-06-25T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:42.911Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":58,"parsedAt":51,"updatedAt":61},"1505","ECLI:NL:RBROT:2026:7032","ecli-nl-rbrot-2026-7032",61,"2026-06-18T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 26\u002F4414\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 juni 2026 in de zaak tussen\n [verzoeker], uit [plaatsnaam], verzoeker\n\n(gemachtigde: mr. Z. Badrane),\n\nen\n\nde burgemeester van Goeree-Overflakkee\n\n(gemachtigde: mr. R. van Achteren).\n\nSamenvatting\n\nDe burgemeester wil verzoekers woning sluiten vanwege het aantreffen van een handelshoeveelheid harddrugs, versnijdingsmiddel, drugsgerelateerde spullen en een groot geldbedrag. Ook heeft de politie meldingen ontvangen over de handel in drugs vanuit verzoekers woning. Verzoeker heeft in het verleden al een last onder dwangsom opgelegd gekregen omdat hij ’s nachts een handelshoeveelheid harddrugs in zijn auto had. De voorzieningenrechter vindt dat de burgemeester nu een zwaardere maatregel mocht opleggen. Verder zijn de gevolgen van de sluiting niet onevenwichtig. Verzoeker woont in een koopwoning, waardoor hij na de sluiting in beginsel zal kunnen terugkeren naar de woning. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.\n\nProcesverloop\n\n1. Met het bestreden besluit van 7 mei 2026 heeft de burgemeester verzoekers woning gesloten voor zes maanden vanwege een overtreding van de Opiumwet.Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n2. De burgemeester heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.\n\n3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de burgemeester.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\nWat is er gebeurd?\n\n4. Verzoeker woont op het adres [adres]. Hij is ook de eigenaar van deze woning.\n\n5. De politie heeft medio maart 2026 twee meldingen ontvangen dat verzoeker (mogelijk) zou dealen. De politie heeft op 20 maart 2026 gepost, waarbij is gezien dat verzoeker met een schoudertas naar een bepaald adres gaat. De politie heeft met een machtiging verzoekers woning geforceerd en bij het binnentreden zagen ze een ponypack met opdruk. Verzoeker is vervolgens door de politie vanaf het andere adres meegenomen naar zijn woning. De politie heeft de volgende zaken in verzoekers woning aangetroffen: 39,1 gram cocaïne (waarvan 24,4 gram verpakt in 16 ponypacks; 15 van de ponypacks zijn aangetroffen in eerdergenoemde schoudertas), 4,4 gram hennep, 224,7 gram inositol (versnijdingsmiddel), een grammenweegschaal, een kom en vijzel, en een pak met ponypack vouwblaadjes. Verder zat er € 550,- aan briefgeld in de schoudertas en had verzoeker € 2.720,- aan contant geld in zijn broekzak. Dit blijkt uit een bestuurlijke rapportage van 23 maart 2026.\n\nWaar gaat het in deze zaak om?\n\n6. Naar aanleiding van de bestuurlijke rapportage heeft de burgemeester besloten om verzoekers woning te sluiten voor zes maanden. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat hij in zijn woning mag blijven wonen totdat er beslist is op zijn bezwaarschrift. De burgemeester heeft toegezegd dat de woning open blijft tot de uitspraak van de voorzieningenrechter.\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek af\n\n7. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\nIs er een spoedeisend belang?\n\n8. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter dient eerst te bepalen of er sprake is van een spoedeisend belang, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.\n\n9. De voorzieningenrechter vindt dat het spoedeisend belang voldoende aannemelijk is. Als er geen voorlopige voorziening wordt getroffen, heeft verzoeker immers de komende zes maanden geen toegang tot zijn woning.\n\nBeoordelingskader\n\n10. Op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen harddrugs wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.\n\n11. De burgemeester voert beleid om de handel in drugs in Goeree-Overflakkee tegen te gaan. Dit beleid staat in de Beleidsregel Damoclesbeleid gemeente Goeree-Overflakkee 2019. In dit beleid staat in welke gevallen de burgemeester in beginsel overgaat tot sluiting van een woning. Volgens dit beleid wordt een woning voor zes maanden gesloten als er een handelshoeveelheid harddrugs wordt aangetroffen.\n\nBevoegdheid, geschiktheid en noodzaak\n\n12. De politie heeft in verzoekers woning in ieder geval 14,7 gram harddrugs aangetroffen. Dit is een handelshoeveelheid. Daarnaast had verzoeker nog 15 ponypacks met harddrugs bij zich in zijn schoudertas. Dat de harddrugs voor eigen gebruik was, volgt de voorzieningenrechter niet. De voorzieningenrechter vindt het aannemelijk dat verzoeker heeft gehandeld in harddrugs in of vanuit zijn woning. Er is een grote hoeveelheid harddrugs aangetroffen (er was geen sprake van een geringe overschrijding van de handelshoeveelheid), de drugs waren verpakt in meerdere ponypacks, er zijn drugsgerelateerde spullen aangetroffen (versnijdingsmiddel, grammenweegschaal, een kom, een vijzel en een pak met ponypacks) en er zijn twee meldingen over de handel in drugs door verzoeker vanuit zijn woning. Daarnaast was verzoeker in het bezit van een groot geldbedrag. Verzoeker zou dit geld hebben gekregen van zijn ouders (als bijdrage in de vaste lasten), door de verkoop van zijn auto aan zijn moeder en door de verkoop van enkele persoonlijke (luxe) goederen, maar verzoeker heeft dit niet met verifieerbare bewijsstukken onderbouwd. Dit alles maakt dat de burgemeester in beginsel bevoegd was om de woning te sluiten.\n\n13. Voor de voorzieningenrechter staat verder buiten kijf dat het voor de openbare orde en het woon- en leefklimaat beter zou zijn als verzoekers woning voor langere tijd zou worden gesloten; sluiting van de woning is met andere woorden een geschikt middel om dat doel te bereiken. De voorzieningenrechter ziet bovendien niet in dat in dit geval dat doel zonder meer met een minder ingrijpend middel, zoals een waarschuwing of een last onder dwangsom, zou kunnen worden bereikt. De burgemeester heeft in 2023 al een last onder dwangsom aan verzoeker opgelegd, omdat hij ’s nachts een handelshoeveelheid cocaïne bij zich had in de auto (21 ponypacks) en € 800,-. De voorzieningenrechter vindt dat de burgemeester nu een zwaardere maatregel mocht opleggen. Het betreft bovendien een ernstig geval, waarbij de sluiting er onder meer op is gericht om de bekendheid van de woning in het criminele circuit te doorbreken, herhaling te voorkomen en de loop op de woning eruit te halen om zo het woon- en leefklimaat in de wijk te herstellen. Sluiting van de woning kan dus noodzakelijk worden geacht.\n\nEvenwichtigheid\n\n14. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid moeten de voor verzoeker nadelige gevolgen van de sluiting worden afgewogen tegen de doelen die de burgemeester met de sluiting wil bereiken.\n\n15. Verzoeker voert aan dat de sluiting van zijn woning niet evenwichtig is. Hij zal door de sluiting dakloos worden. Hij kampt met een drugsverslaving en zal door dakloosheid in een neerwaartse spiraal terechtkomen. Verzoeker heeft na de inval in zijn woning gelijk hulp gezocht en is al enige tijd clean. Hij is sinds kort gaan werken in het bedrijf van zijn broer. Volgens verzoeker zou een woningsluiting deze positieve verandering doorkruisen.\n\n16. De voorzieningenrechter vindt de gevolgen van de sluiting in dit geval niet onevenwichtig. Verzoeker kan een verwijt worden gemaakt van de aangetroffen harddrugs in zijn woning. Daarnaast heeft verzoeker een koopwoning, waardoor hij – anders dan mensen die een sociale huurwoning huren – na de sluiting in beginsel niet geconfronteerd zal worden met verdergaande maatregelen waardoor hij zijn woning definitief dreigt te verliezen. Op dit moment in ieder geval niet gebleken dat de sluiting gevolgen heeft voor de hypotheek. Gelet op de grote hoeveelheid harddrugs heeft de burgemeester de belangen bij sluiting van de woning zwaarder mogen laten wegen dan de belangen van verzoeker bij het voortgezet gebruik van de woning.\n\n17. De sluiting van de woning is een inmenging als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het EVRM. De bevoegdheid van de burgemeester tot het gelasten van de sluiting van de woning is neergelegd in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet en daarom bij de wet voorzien. De sluiting dient daarnaast een legitiem doel, namelijk het herstel van de openbare orde. Zoals onder 11 al is geoordeeld, mocht de burgemeester de sluiting van de woning noodzakelijk achten en heeft hij niet hoeven volstaan met een lichtere maatregel. De sluiting van de woning is daarom ook niet in strijd met artikel 8 van het EVRM.\n\nConclusie en gevolgen\n\n18. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de burgemeester verzoekers woning mag sluiten. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 18 juni 2026.\n\nDe griffier is verhinderd de uitspraak\n\nte tekenen\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7032","2026-07-13T00:29:24.398Z",{"id":63,"ecli":64,"slug":65,"caseNumber":43,"courtId":66,"decisionDate":67,"fullText":68,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":69,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":51,"updatedAt":71},"1205","ECLI:NL:RBNHO:2026:4956","ecli-nl-rbnho-2026-4956",67,"2026-05-15T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: HAA 25\u002F3036\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 mei 2026 in de zaak tussen\n [eiser] en [eiseres] , uit Velserbroek, eisers\n\n(gemachtigde: mr. H. Temel),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem\n\n(gemachtigde: S. Liefting).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om aan eisers een last onder dwangsom op te leggen. De last strekt tot het voorkomen van herhaling van een overtreding, die eruit bestaat dat de woning aan de [adres] in [plaats] wordt gebruikt voor prostitutie of als seksinrichting. Eisers zijn het niet eens met de last. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de last onder dwangsom in stand kan blijven.\n\n1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de last onder dwangsom aan eisers heeft mogen opleggen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Het college heeft op 30 april 2024 aan eisers een last onder dwangsom opgelegd. Met het bestreden besluit van 28 mei 2025 op het bezwaar van eisers is het college bij dat besluit gebleven.\n\n2.1. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.2. De rechtbank heeft het beroep op 3 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] , de gemachtigde van eisers, de gemachtigde van het college en [naam 1] namens het college.\n\n2.3. Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht (uiterlijk) zes weken later uitspraak te doen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWat is er gebeurd?3.1. Eisers zijn eigenaar van de woning aan de [adres] in [plaats] (hierna: de woning). Eisers verhuren deze woning aan derden. Vanaf 15 december 2023 was de woning verhuurd aan [naam 2] .\n\n3.2. Het college heeft meldingen ontvangen over mogelijke prostitutie in de woning en over overlast. Op 19 december 2023 heeft het Prostitutie Controle Team een controle uitgevoerd in de woning. Aanleiding voor die controle was onder andere een advertentie op een website, waarin seksuele handelingen tegen betaling werden aangeboden. Het team constateerde dat er prostitutie plaatsvond in de woning. Ten tijde van de controle stonden in de Basisregistratie geen personen ingeschreven op het adres van de woning. De bevindingen zijn neergelegd in een bestuurlijke rapportage van 20 december 2023.\n\n3.3. De burgemeester heeft de woning vervolgens voor een periode van drie maanden gesloten. De woning was gesloten in de periode vanaf 19 december 2023 tot 19 maart 2024. De beslissing van de burgemeester was onder meer gebaseerd op de toen geldende Algemene plaatselijke verordening. Artikel 3:3, eerste lid, van die verordening bevatte een verbod om zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan een seksbedrijf uit te oefenen of te wijzigen. Eisers hebben daar bezwaar tegen gemaakt en beroep tegen ingesteld. Dat beroep is geregistreerd onder nummer HAA 24\u002F6718. De rechtbank heeft dat beroep bij uitspraak van 19 september 2025 ongegrond verklaard.\n\n3.4. \n\nHet college heeft met het primaire besluit op 30 april 2024 aan eisers een last onder dwangsom opgelegd, om herhaling van overtreding van de Omgevingswet te voorkomen. Het college heeft eisers gelast om er per direct voor te zorgen dat de woning niet meer wordt gebruikt voor prostitutie of als seksinrichting. Eisers moeten een dwangsom betalen als de woning toch daarvoor wordt gebruikt. De dwangsom voor de eerste constateerde overtreding bedraagt € 15.000,-. De dwangsom voor de tweede overtreding is\n\n€ 20.000,-, de dwangsom voor de derde overtreding is € 25.000,-. Eisers hoeven geen dwangsom te betalen als zij de last naleven. Bij brief van 25 oktober 2024 heeft het college aangegeven dat het primaire besluit op een aantal punten wordt gewijzigd.\n\n3.5. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen de last onder dwangsom. Het college heeft advies ingewonnen bij de commissie bezwaarschriften. De commissie adviseerde aan het college om het besluit tot oplegging van de last te herroepen. De afdeling Veiligheid en Handhaving van de gemeente Haarlem heeft daarna aan het college geadviseerd om het advies van de commissie niet te volgen of om de motivering van het besluit aan te vullen. Op grond van dit (contraire) advies heeft het college in het bestreden besluit van 28 mei 2025 de last in stand gelaten.\n\n3.6. \n\nOp 7 februari 2025 heeft het college aan eisers een boete opgelegd, vanwege overtreding van de Huisvestingswet\u002FHuisvestingsverordening. Eisers hebben daar bezwaar tegen gemaakt.\n\nOmvang van het geding?\n\n4. De rechtbank stelt voorop dat dit beroep enkel gaat over de beslissing van het college op het bezwaar dat eisers hebben ingediend tegen de last onder dwangsom. Het boetebesluit is geen onderwerp van dit beroep.\n\nWat is het toetsingskader?5.1. Als uitgangspunt geldt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving staat dus voorop. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisering, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien, kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.\n\n5.2. Voor de heroverweging van een besluit met herstelsancties geldt dat de heroverweging moet leiden tot een doeltreffende, afschrikwekkende en evenredige handhaving van de desbetreffende norm. Daarvoor moet het bestuursorgaan bij de heroverweging feiten en omstandigheden betrekken die hebben geleid tot het eerdere besluit, maar ook nieuwe ontwikkelingen. De heroverweging kent bij dit soort besluiten dus een tweeslag. In de eerste plaats moet het bestuursorgaan bezien of het op basis van de feiten en omstandigheden ten tijde van de beslissing in primo destijds terecht zijn besluit heeft genomen. Nieuwe ontwikkelingen mag het bestuursorgaan alleen meenemen voor zover doel en strekking van de te handhaven norm of fundamentele rechtsbeginselen zich daartegen niet verzetten.\n\n5.3. Een herstelsanctie ter voorkoming van herhaling van een eerdere overtreding kan worden opgelegd indien een overtreding heeft plaatsgevonden en gevaar voor herhaling voor de hand ligt. Bij de beantwoording van de vraag of een last strekt tot voorkoming van herhaling van eerdere overtredingen spelen verschillende omstandigheden op zichzelf en in onderlinge samenhang bezien een rol. Het gaat om omstandigheden die een beeld geven van de mate van continuïteit in de aan orde zijnde overtredingen, zoals de aard van de overtreding, de mate van overeenkomst - bijvoorbeeld wat betreft de plaats ervan - met de eerdere geconstateerde overtredingen en het tijdsverloop sinds die overtreding.\n\nWat heeft het college aan de last onder dwangsom ten grondslag gelegd?\n\n6. Volgens het college is het gebruik van de woning voor prostitutie en als seksinrichting in strijd met het omgevingsplan en de Omgevingswet (hierna: Ow). Eisers hebben zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit verricht. Daardoor hebben zij gehandeld in strijd met artikel 5.1, eerste lid en onder a, van de Omgevingswet.\n\n6.1. Het college wijst erop dat op grond van artikel 1.1. van de Omgevingswet en de daarbij behorende bijlage onder “omgevingsplanactiviteit” onder meer wordt verstaan ‘een activiteit inhoudende een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan’. Prostitutie en de uitoefening van een seksinrichting is in strijd met het omgevingsplan. Het college wijst op artikel 4.1. en 4.4. van het bestemmingsplan Frans Hals\u002F Patrimonium en artikel 28.1, aanhef en onder van het bestemmingsplan Reparatieplan Haarlem 2020. Deze bestemmingsplannen maken deel uit van het omgevingsplan. Het gebruik van de woning voor prostitutie en als seksinrichting valt niet onder de bestemming die op het perceel van de woning rust (‘gemengd-1’).\n\n6.2. Ook het laten verrichten van een omgevingsplanactiviteit wordt volgens het college aangemerkt als een verboden gedraging. Dit betekent dat het voor het handelen in strijd met het omgevingsplan voldoende is als eisers als eigenaren de woning door iemand anders laten gebruiken in strijd met het omgevingsplan. Daarmee overtreden zij zelf artikel 5.1, eerste lid en onder a, van de Omgevingswet. Eisers hebben niet aangetoond dat zij niet wisten en niet konden weten van de overtreding in de woning.\n\n6.3. Het gevaar voor herhaling bestaat volgens het college uit de omstandigheid dat eisers niet hebben voldaan aan de op hen rustende zorgplicht ten aanzien van de manier waarop zij de woning hebben laten gebruiken door anderen. Zij hebben onvoldoende zorgvuldig onderzoek (screening) gedaan naar de toenmalige huurder. Verder hebben zij geen toezicht gehouden en geen controles verricht die zagen op het feitelijk gebruik van de woning. Eisers hanteren nog steeds geen aantoonbaar en concreet systeem van toezicht en daadwerkelijke controles op dat gebruik. Dat de huurovereenkomst is ontbonden, is een reactie achteraf terwijl van eisers als eigenaren en verhuurders verwacht mag worden dat zij er preventief op toezien dat de woning niet in strijd met de geldende wet- en regelgeving wordt gebruikt. Het college wijst erop dat bij nieuwe huurders dezelfde overtreding kan plaatsvinden als eisers nog steeds te weinig doen om dat te voorkomen.\n\nIs er gevaar voor herhaling van de overtreding?7.1. Eisers bestrijden dat er gevaar voor herhaling is. Volgens hen hebben zich na het besluit van 30 april 2024 feiten en omstandigheden voorgedaan waardoor er geen gevaar meer is voor herhaling van de overtreding. Op de zitting hebben eisers erop gewezen dat de woning aan een Spaans stel is verhuurd, direct nadat de woning weer open was. De woning is toen verhuurd voor ruim een jaar. Daarna is de woning aan een ander Spaans stel verhuurd en die huurovereenkomst loopt nog steeds door. Eisers geven aan bij het aangaan van de huurovereenkomst extra controles te hebben uitgevoerd. Zij hebben erop toegezien dat de huurders in de Basisregistratie Personen op dit adres zijn ingeschreven en zij hebben een verhuurdersverklaring en arbeidsovereenkomst ingezien. Eisers hebben ook extra borg gevraagd. Eisers gaan regelmatig - eens per twee weken - langs bij de woning. Er zijn geen nieuwe meldingen meer ontvangen sinds de sluiting, aldus eisers.\n\n7.2. Deze beroepsgrond van eisers slaagt niet. De rechtbank volgt het college namelijk in het standpunt dat eisers geen aantoonbaremaatregelen hebben getroffen om herhaling van de overtreding te voorkomen. Eisers stellen weliswaar dat zij extra maatregelen hebben genomen, maar hebben geen stukken overgelegd waar dat uit blijkt. Eisers verhuren de woning nog steeds aan derden, maar hebben het door hen geschetste systeem van controle van de huurders bij het aangaan van de overeenkomst en het toezicht op het gebruik van de woning niet inzichtelijk gemaakt met onderbouwing. De enkele stelling van eisers hierover is onvoldoende voor de conclusie dat er geen gevaar voor herhaling meer zou zijn. Tegenover die niet onderbouwde stelling van eiser staat de motivering van het college dat er wel vrees voor herhaling bestaat. In het bestreden besluit heeft het college het advies van de afdeling Veiligheid en Handhaving overgenomen. Naar het oordeel van de rechtbank wordt in dat advies helder gemotiveerd dat er vrees voor herhaling is. De rechtbank verwijst daarvoor naar overweging 6.3 van deze uitspraak.\n\nIs het beginsel van de evenredigheid geschonden?\n\n8. Eisers stellen dat zij onevenredig hard worden geraakt door het besluit, waardoor de maatregel disproportioneel is. Er hebben geen verdere incidenten plaatsgevonden in of rondom de woning.\n\n8.1. De rechtbank overweegt dat eisers onvoldoende (concreet) onderbouwd hebben waarom zij onevenredig had geraakt worden door dit besluit. Op de zitting hebben eisers op dit punt naar voren gebracht dat er geen vrees voor herhaling is, maar zoals hiervoor al werd overwogen kan dat standpunt van eisers niet gevolgd worden. Daarnaast is op de zitting verklaard dat eisers geraakt worden door de omstandigheid dat er een last onder dwangsom wordt opgelegd terwijl er niets aan de hand is. De rechtbank wijst erop dat het hier gaat om een last die strekt tot het voorkomen van herhaling van een overtreding van wetgeving waar eisers zich hoe dan ook aan te houden hebben. De rechtbank ziet daarom niet in hoe het gebruik van de woning door de last onevenredig wordt beperkt. Bovendien kunnen eisers na verloop van tijd om intrekking van de last vragen. Dat hebben zij tot nu toe niet gedaan, ondanks hun (niet onderbouwde) stelling dat er niets aan de hand is en dat zij maatregelen hebben genomen. De rechtbank kan zich voorstellen dat eisers desondanks op enigerlei wijze toch geraakt worden door de last, maar eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij onevenredighard geraakt worden. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nDubbel gestraft?9.1. Eisers stellen dat zij door het dwangsombesluit weer gestraft worden voor hetzelfde feit. De woning is gesloten geweest, eisers hebben een dwangsom opgelegd gekregen en er is een boete opgelegd.\n\n9.2. Het college betoogt dat het bestreden besluit volledig los staat van het besluit van de burgemeester om de woning tijdelijk te sluiten. Bovendien ligt daar een andere juridische overtreding aan ten grondslag. Daarbij komt dat de last onder dwangsom geen punitieve sanctie is maar een herstelmaatregel. De last is bedoeld om herhaling van de overtreding te voorkomen.\n\n9.3. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat het hier gaat om bestuursrechtelijke maatregelen, niet om ‘straffen’. Bovendien gaat het om verschillende overtredingen, namelijk overtreding van artikel 3:3 van de Apv (de woningsluiting), overtreding van artikel 5.1 onder a van de Omgevingswet\u002Fbestemmingsplan (de last onder dwangsom) en overtreding van de Huisvestingswet\u002FHuisvestingsverordening (de boete). Het gaat dus om drie verschillende bestuursrechtelijke maatregelen, opgelegd door de burgemeester respectievelijk het college.\n\nConclusie en gevolgen\n\n10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat last onder dwangsom in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.H. de Regt, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. I.W. Neleman, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 15 mei 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nZie de uitspraak van 28 oktober 2020 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2020:2571","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:4956","2026-05-07T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:09.876Z",20,[11,74,75,76,77],2024,2023,2022,2018]