[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-road-traffic-nl-2024":3},{"detail":4,"years":102},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":25,"page":14,"limit":101},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},65,"road-traffic-nl","Road Traffic","NL","2026-07-08T16:54:19.226Z",2024,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":14},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":15},4,{"month":23,"count":15},5,{"month":25,"count":15},6,{"month":27,"count":14},7,{"month":29,"count":14},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":14},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":17},12,[39,53,62,72,82,92],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"765","ECLI:NL:RBAMS:2024:8776","ecli-nl-rbams-2024-8776","",56,"2024-12-23T00:00:00.000Z","vonnisRECHTBANK AMSTERDAM\n\nAfdeling Publiekrecht\n\nTeams Strafrecht\n\nParketnummer: 13\u002F296136-23\n\nDatum uitspraak: 23 december 2024\n\nVerkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,\n\nzonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,\n\ningeschreven op het postadres [adres] .\n\n1. Het onderzoek ter terechtzitting\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van\n\n9 december 2024.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.J.M. Asbroek, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.D. Rijnsburger, naar voren hebben gebracht.\n\nTevens heeft de rechtbank kennisgenomen van wat het slachtoffer [slachtoffer] naar voren heeft gebracht.\n\n2. Tenlastelegging\n\nAan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat op 16 april 2023 te Amsterdam:\n\ndoor zijn schuld een verkeersongeval heeft plaatsgevonden ten gevolge waarvan [slachtoffer] (zwaar) lichamelijk letsel werd toegebracht, dan wel (subsidiair) hij zich dusdanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op de weg werd veroorzaakt;\n\nhij zich schuldig heeft gemaakt aan het verlaten van de plaats van een verkeersongeval waarbij naar hij wist of redelijkerwijs kon vermoeden aan [slachtoffer] letsel en\u002Fof schade was toegebracht en [slachtoffer] in hulpeloze toestand werd achtergelaten;\n\nhij zich schuldig heeft gemaakt aan het besturen van een personenauto na gebruik van een meer dan de toegestane hoeveelheid alcohol (665 μg\u002Fl).\n\nDe tenlastelegging is opgenomen in bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.\n\n3. Voorvragen\n\nDe dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.\n\n4. Waardering van het bewijs\n\nStandpunt van het Openbaar Ministerie\n\nDe officier van justitie vindt dat de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard. Verdachte heeft zeer onvoorzichtig en\u002Fof onoplettend gereden. Hij heeft geen voorrang gegeven aan het slachtoffer en hij reed onder invloed van een grote hoeveelheid alcohol. Na het ongeval heeft verdachte zich onttrokken aan zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer door weg te rennen en het slachtoffer, dat verdachte gewond op de grond had zien liggen, in hulpeloze toestand achter te laten. Het letsel van het slachtoffer is aan te merken als zwaar lichamelijk letsel.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het onder 1 primair ten laste gelegde feit. Er is geen sprake van een gedraging waaruit kan worden afgeleid dat verdachte zich bewust had moeten zijn van zeer ernstig gevaar dat door zijn buitengewoon onvoorzichtige gedraging in het leven is geroepen.\n\nVerdachte heeft een inschattingsfout gemaakt door plotseling naar links te sturen. Hij is daarbij de controle over zijn auto kwijt geraakt. Hij is met zijn auto over het fietspad gegleden en heeft daarmee onbedoeld geen voorrang verleend aan een fietser, die hij daarbij kennelijk heeft geraakt. Vervolgens is hij tegen een boom tot stilstand gekomen. Gedurende deze handelingen was verdachte onder invloed van alcohol en nadien heeft hij de benen genomen.\n\nVerdachte heeft voorafgaand aan het ongeval niet zodanig gereden dat daaruit enige opzet valt af te leiden. Er blijkt niet van slingerend of opvallend rijgedrag. Het enkele feit dat hij onder invloed van alcohol achter het stuur is gestapt, is daarvoor onvoldoende. Ook kan niet worden bewezen dat verdachte te hard heeft gereden.\n\nIndien de rechtbank wel tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde komt dan zou de mate van schuld moeten worden beperkt tot aanmerkelijke onvoorzichtigheid.\n\nHet letsel van het slachtoffer kan gezien de aard en de ernst van het letsel (hersenschudding en kneuzingen aan de benen) niet gelden als zwaar lichamelijk letsel in de zin van de wet.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nFeitelijke toedracht\n\nOp 16 april 2023 reed verdachte als bestuurder in zijn auto over de Cornelis Krusemanstraat te Amsterdam, komende uit de richting van de Amstelveenseweg en gaande in de richting van het Valeriusplein. Aangekomen bij de kruising met de Hendrik Jacobszstraat is verdachte linksaf geslagen. Daarbij is hij bij het oversteken van het fietspad tegen een op de Cornelis Krusemanstraat uit tegengestelde richting tegemoetkomende fietser (slachtoffer [slachtoffer] ) aangereden die rechtdoor wilde gaan. [slachtoffer] is hierdoor ten val gekomen en heeft een hersenschudding en kneuzingen aan zijn benen opgelopen.\n\nVerdachte heeft vervolgens de plaats van het ongeval verlaten, maar werd even later door een omstander alsnog staande gehouden. Uit onderzoek is gebleken dat verdachte onder invloed van alcohol verkeerde.\n\nSchuld in de zin van artikel 6 WVW\n\nBij de beoordeling van de vraag of een verdachte schuld heeft aan een ongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) komt het volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Het gaat daarbij om aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam verkeersgedrag waardoor het ongeval en de gevolgen daarvan zijn ontstaan. Voorts verdient het opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.\n\nFeit 1 primair\n\nVerdachte heeft ter zitting verklaard dat hij de bestuurder van de auto was ten tijde van het ongeval en dat hij zich, ondanks dat hij alcohol had gedronken, in staat voelde om de auto te besturen. Verdachte was ter plaatse bekend. Hij is met een vriend uit eten geweest en heeft daarna met die vriend nog wat drankjes genuttigd. Verdachte had zijn auto op een busbaan geparkeerd en wilde zijn auto naar eigen zeggen verplaatsen naar een paar straten verderop bij of in de buurt van zijn woning omdat zijn auto de volgende ochtend niet meer op die busbaan mocht staan. Uit een ademonderzoek, uitgevoerd bij verdachte kort na het ongeval, bleek dat het alcoholgehalte van de adem van verdachte 665 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht was. Verdachte had aldus veel te veel alcohol gedronken voordat hij in de auto stapte. Het alcoholgehalte bedroeg meer dan drie keer de toegestane hoeveelheid, hetgeen ongetwijfeld nadelig van invloed is geweest op zijn rijvaardigheid.\n\nVerdachte bestuurde bovendien de auto terwijl op dat moment zijn rijbewijs was ingevorderd wegens het zes dagen ervoor (ook al) rijden onder invloed van alcohol, maar ook dat heeft hem er niet van weerhouden toch in de auto te gaan rijden.\n\nBij de Hendrik Jacobszstraat is verdachte bij het linksaf slaan de macht over het stuur verloren en is hij tegen [slachtoffer] aangereden. Verdachte heeft zich er voorafgaand aan en tijdens het linksaf slaan niet van vergewist of er sprake was van enig kruisend verkeer. Hij heeft in het geheel niet gekeken, zo heeft hij ter zitting verklaard. Hoewel zijn zicht ter plaatse niet werd beperkt door bijvoorbeeld geparkeerde auto’s of andere obstakels, zag hij het slachtoffer pas nadat hij tegen hem aan was gereden, en heeft hij dan ook niet nog geprobeerd om te remmen. Omdat [slachtoffer] op dezelfde weg rechtdoor reed, had de naar links afslaande verdachte hem voorrang moeten verlenen.\n\nSnelheid\n\nHet dossier bevat onvoldoende informatie over de door verdachte gereden snelheid ten tijde van het ongeval, zodat niet kan worden bewezen dat verdachte harder dan de maximaal toegestane snelheid ter plaatse heeft gereden of met een snelheid die te hoog was voor een veilig verkeer ter plaatse.\n\nLetsel\n\nDe rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat het letsel dat [slachtoffer] ten gevolge van het ongeval heeft opgelopen, valt aan te merken als zwaar lichamelijk letsel in de zin van de wet. Het dossier bevat voldoende informatie over de aard en ingrijpendheid van de benodigde medische behandelingen en het zicht op volledig herstel, om tot deze vaststelling te kunnen komen. Het slachtoffer heeft zich mede als gevolg van aanhoudende klachten (constante hoofdpijn, duizeligheid, verstoorde oogmotoriek, slapeloosheid) na het ongeval onder behandeling moeten stellen van een neuroloog, een fysiotherapeut, een sportarts, een chiropractor en een ergotherapeut. Daarnaast volgt hij thans EMDR therapie in verband met mentale klachten ten gevolge van het ongeval. In december 2023 werd vastgesteld dat er sprake is van een zogenaamd postcommotioneel syndroom. Het slachtoffer ondervindt tot op heden verregaande beperkingen in zijn (sociale) leven. Of, en zo ja wanneer, er uiteindelijk sprake zal zijn van volledig herstel is vooralsnog niet vastgesteld.\n\nConclusie\n\nGelet op het geheel van de gedragingen van verdachte en de aard en de ernst daarvan, en de overige omstandigheden van het geval – zoals hiervoor overwogen – kwalificeert de rechtbank het verkeersgedrag van verdachte als zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het ongeval aan de schuld van verdachte te wijten is.\n\nFeit 2\n\nDe rechtbank is van oordeel dat in het dossier voldoende bewijs voorhanden is om ook tot een bewezenverklaring van feit 2 te komen. Nadat verdachte met zijn auto tegen een boom tot stilstand was gekomen en was uitgestapt, heeft hij het slachtoffer op de grond zien liggen en is weggerend. Verdachte heeft ter zitting bekend dat hij na de botsing is weggerend.\n\nFeit 3\n\nOok feit 3 kan worden bewezen op grond van hetgeen hiervoor bij feit 1 met betrekking tot het alcoholgehalte is overwogen.\n\n5. Bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht bewezen dat verdachte\n\n1. primair\n\nop 16 april 2023 te Amsterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmee rijdende over de Cornelis Krusemanstraat, zich zodanig, te weten zeer onvoorzichtig en onoplettend en onachtzaam heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, genaamd [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel, te weten een hersenschudding en twee zwaar gekneusde benen, werd toegebracht, bestaande dat gedrag hieruit:\n\nverdachte heeft gereden over de Cornelis Krusemanstraat, komende uit de richting van de Amstelveenseweg en gaande in de richting van het Valeriusplein,\n\n- terwijl het donker was,\n\n- terwijl verdachte ter plaatse zeer bekend was,\n\n- terwijl verdachte onder invloed van alcohol verkeerde,\n\n- terwijl het rijbewijs van verdachte was ingevorderd,\n\nverdachte is vervolgens linksaf geslagen naar de Hendrik Jacobszstraat,\n\nverdachte is vervolgens het fietspad voor tegemoetkomend verkeer overgestoken,\n\nverdachte heeft zich er bij het afslaan niet van vergewist dat het fietspad vrij was van enig kruisend verkeer,\n\nverdachte heeft vervolgens een rechtdoor gaande verkeersdeelnemer, te weten de bestuurder van een fiets, [slachtoffer] , geen voorrang verleend,\n\nverdachte heeft daarbij niet afgeremd en heeft de macht over het stuur verloren,\n\nverdachte is vervolgens tegen die [slachtoffer] aangereden, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] vorenomschreven zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, terwijl verdachte verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994;\n\n2.\n\nals degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Amsterdam aan de Cornelis Krusemanstraat op 16 april 2023, de voornoemde plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist, aan een ander, te weten [slachtoffer] , letsel was toegebracht en een ander, te weten [slachtoffer] , aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten;\n\n3.\n\nop 16 april 2023 te Amsterdam als bestuurder van een motorrijtuig, namelijk als bestuurder van een personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 665 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.\n\n6. Het bewijs\n\nDe rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.\n\n7. De strafbaarheid van het feit\n\nDe bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.\n\n8. De strafbaarheid van verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.\n\n9. Motivering van de straffen en maatregelen\n\nEis van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar onder 1 primair, 2 en 3 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, en tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen (OBM) voor de duur van drie jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.\n\nStrafmaatverweer van de verdediging\n\nDe raadsman heeft primair verzocht om aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen maar te volstaan met een (forse) taakstraf gecombineerd met voorwaardelijke sancties. Verdachte heeft na een lange periode van stress door financiële en zakelijke problemen en een kapotgelopen relatie, het faillissement van zijn horecaonderneming moeten aanvragen en zijn cateringbedrijf moeten verkopen. Verdachte is de komende anderhalf jaar nog wel werkzaam bij het cateringbedrijf. Verdachte hoopt te worden toegelaten tot schuldsanering via de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) en hoopt na afwikkeling van het faillissement verder te kunnen met het oplossen van zijn problemen. Een gevangenisstraf zou dit traject doorkruisen. Hij zal daardoor zijn baan verliezen en vreest voor eventuele consequenties met betrekking tot de overname van zijn onderneming. Dit geldt ook voor een onvoorwaardelijke rijontzegging. Verdachte heeft voor zijn werkzaamheden (het halen en brengen van apparatuur en voedingsmiddelen) zijn rijbewijs nodig.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.\n\nVerdachte heeft een verkeersongeval veroorzaakt, waardoor [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.\n\nVerdachte is in zijn auto gaan rijden nadat hij zodanig veel alcohol had gedronken dat hij niet tot het behoorlijk kunnen besturen van zijn auto in staat kon worden geacht. Dat verdachte er voor koos om toch te gaan rijden is des te meer verwijtbaar, omdat het rijbewijs van verdachte slechts zes dagen eerder was ingevorderd wegens het rijden na het (eveneens) drinken van te veel alcohol. Dit rijbewijs had verdachte op 16 april 2023 nog niet terug. Door zo veel te drinken en zich daarna in het verkeer te begeven, heeft verdachte onverantwoorde risico’s genomen en de kans op een ongeval zeer vergroot. Verdachte was zich totaal niet bewust van de aanwezigheid van andere verkeersdeelnemers. Zo kon het gebeuren dat hij bij een ondoordachte manoeuvre zijn auto niet meer onder controle kon houden en tegen het slachtoffer Van der Steen is aangereden die op zijn fiets op het fietspad reed.\n\nHoewel verdachte wist dat hij iemand had aangereden, en hij ook heeft gezien dat deze persoon gewond op de grond lag, heeft hij niet zijn verantwoordelijkheid genomen en heeft hij zich daarna niet om het slachtoffer bekommerd, maar is er vandoor gerend. Kort daarna is verdachte echter door een oplettende omstander staande gehouden en overgedragen aan de politie. Ook ter terechtzitting heeft verdachte zich in dit opzicht weinig schuldbewust getoond.\n\nHet slachtoffer [slachtoffer] ondervindt nog dagelijks – zowel fysiek als mentaal – de nadelige gevolgen van het ongeval. Zoals ook gebleken is uit zijn ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring wordt hij thans nog steeds aanzienlijk beperkt in zijn dagelijkse (sociale) leven.\n\nDe rechtbank houdt voorts rekening met de omstandigheid dat verdachte, zoals blijkt uit het uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van 26 november 2024, in het verleden eerder met politie of justitie in aanraking is gekomen voor de Wegenverkeerswet 1994 (rijden onder invloed en een snelheidsovertreding).\n\nBij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank gekeken naar straffen die voor vergelijkbare gevallen door rechtbanken en gerechtshoven worden opgelegd en naar de geldende oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor het veroorzaken van een verkeersongeval, waarbij sprake is van ernstige schuld, er een alcoholpercentage van meer dan 570 µg\u002Fl is vastgesteld en het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, wordt als uitgangspunt een gevangenisstraf van zeven maanden en een onvoorwaardelijke OBM voor de duur van drie jaren opgelegd.\n\nGelet op het voorgaande, de mate van schuld die de rechtbank bewezen acht, de ernst van de verweten gedragingen en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer, ziet de rechtbank, ook in hetgeen de raadsman heeft aangevoerd over de persoonlijke omstandigheden van verdachte, geen aanleiding hier al te zeer van af te wijken. De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden volstaan met het opleggen van een taakstraf, en acht een gevangenisstraf passend en geboden. De rechtbank zal de officier van justitie volgen voor wat betreft de hoogte van die gevangenisstraf en daarmee een lagere gevangenisstraf dan de oriëntatiepunten opleggen, omdat de rechtbank mee laat wegen dat de aanrijding ruim anderhalf jaar geleden heeft plaatsgevonden en de strafzaak hem al die tijd boven het hoofd heeft gehangen.\n\nDaarnaast acht de rechtbank een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen op zijn plaats. Anders dan door de officier van justitie geëist zal de rechtbank deze geheel onvoorwaardelijk opleggen, met name ook omdat verdachte in het verleden eerder voor soortgelijke feiten met politie en justitie in aanraking is gekomen, maar hiervan niet blijkt te hebben geleerd. Deze bijkomende straf strekt er daarom mede toe verdachte ervan te doordringen in de toekomst de grootst mogelijke voorzichtigheid in het verkeer in acht te nemen, en niet nogmaals lichtzinnig te besluiten in de auto te stappen en te gaan rijden in een toestand waarin hij dat niet mag doen en niet moet doen.\n\nDaarnaast is niet gebleken dat verdachte dusdanige werkzaamheden heeft die met het opleggen van een OBM niet meer uitvoerbaar zouden zijn.\n\n10. Toepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 55, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, en op de artikelen 6, 7, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.\n\nDe rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.\n\n11. Beslissing\n\nVerklaart bewezen dat verdachte het onder de feiten 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nHet bewezen verklaarde levert op:\n\nMet betrekking tot feit 1 primair en feit 3:\n\nEendaadse samenloop van:\n\nOvertreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.\n\nen\n\nOvertreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994.\n\nMet betrekking tot feit 2:\n\nOvertreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.\n\nVerklaart het bewezene strafbaar.\n\nVerklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.\n\nVeroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 (zes) maanden.\n\nOntzegtverdachte terzake van het onder 1 primair bewezenverklaardede bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de tijd van3 (drie) jaren.\n\nBepaalt dat de tijd dat het rijbewijs in verband met de bewezen feiten 1 primair en 3 vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak reeds ingevorderd of ingehouden is geweest, geheel in mindering zal worden gebracht.\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. G.M. Beunk, voorzitter,\n\nmrs. C.M. Degenaar en I. Mannen, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. D. West, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 december 2024.\n\n […]\n\n ,\n\n […]\n\nZie onder meer de arresten van de Hoge Raad van 1 juni 2004 ECLI:NL:HR:2004:AO5822 en van 29 april\n\n 2008, ECLI:NL:HR:2008: BD0544.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:8776","2025-03-10T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:47.076Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":58,"parsedAt":51,"updatedAt":61},"566","ECLI:NL:RBZWB:2024:8498","ecli-nl-rbzwb-2024-8498",62,"2024-12-12T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: BRE 24\u002F4104\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 december 2024 in de zaak tussen\n \n [eiseres], uit [plaats], eiseres\n\n(gemachtigde: mr. L.P. Kabel),\n\nen\n\nde algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit van 25 april 2024 over het opleggen van een onderzoek naar de rijvaardigheid en het schorsen van haar rijbewijs.\n\n1.1.. Het CBR heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.2.. De rechtbank heeft het beroep op 8 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en namens het CBR mr. J.A. Launsbach.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt of het CBR terecht een onderzoek naar de rijvaardigheid heeft opgelegd en het rijbewijs heeft geschorst. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n3.1.. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nFeiten en omstandigheden\n\n4. Op 8 december 2023 reden twee verbalisanten van de eenheid Zeeland-West-Brabant in een politieauto in het teamgebied Bergen op Zoom. Zij reden op de Markiezaatsweg in de richting van het kruispunt met de Van Konijnenburgweg. Aan de rechterzijde van de Markiezaatsweg is het winkelgebied “De Zeeland” gevestigd. Vanaf dit winkelgebied is het mogelijk om vanaf het parkeerterrein rechtsaf de Markiezaatsweg op te rijden. Er wordt ter plaatse een verplichte rijrichting aangegeven middels drie verkeersborden. De verbalisanten zagen een voertuig hun kant op komen. Ze hebben de bestuurder van het voertuig staande gehouden. De bestuurder heeft zich geïdentificeerd als eiseres. Eiseres leek de situatie niet te begrijpen. Zij gaf aan de verkeersborden niet te hebben gezien en dat het voor haar niet duidelijk was dat ze enkel rechtsaf mocht afslaan. De verbalisanten zijn met eiseres langs de plaats gereden waar zij de verkeerde richting in reed.\n\n4.1.. Naar aanleiding van het incident heeft de politie op 8 december 2023 een mededeling gedaan aan het CBR over een vermoeden dat eiseres niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid.\n\n4.2.. Het CBR heeft met het besluit van 15 februari 2024 aan eiseres een onderzoek naar haar rijvaardigheid opgelegd. In afwachting van de uitkomst van het onderzoek is het rijbewijs van eiseres geschorst.\n\n4.3.. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.\n\n4.4.. Het CBR heeft met het bestreden besluit het bezwaar ongegrond verklaard.\n\n4.5.. Op 1 mei 2024 heeft het eerste onderzoek naar de rijvaardigheid plaatsgevonden. Daarna heeft er nog een tweede onderzoek plaatsgevonden. In beide onderzoeken is geconcludeerd dat eiseres niet over de vereiste rijvaardigheid beschikt. Haar rijbewijs is met het besluit van 17 juli 2024 ongeldig verklaard. Zij heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Haar bezwaar is op 30 oktober 2024 ongegrond verklaard.\n\nOmvang van het geding\n\n5. Dit beroep ziet op het opleggen van het onderzoek en het schorsen van het rijbewijs en niet op het uiteindelijk ongeldig verklaren van haar rijbewijs. De omvang van het geding beperkt zich dus tot het bestreden besluit.\n\nOpleggen onderzoek naar de rijvaardigheid\n\n6.1.. Eiseres heeft betoogd dat aan haar ten onrechte een onderzoek naar haar rijvaardigheid is opgelegd. Zij heeft enkel een vergissing gemaakt en hanteert geen verkeerde of slechte kijktechniek. De situatie ter plaatse was onduidelijk en was voorheen anders. Doordat de borden haaks op de weg stonden, kon ze de borden niet goed zien toen zij er langsreed. Daarnaast zorgt de middenberm voor verwarring. Hoewel mogelijk formeel wordt voldaan aan de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (hierna: Regeling), is er in dit geval toch geen vermoeden van onvoldoende rijvaardigheid. Ten slotte leidt het opleggen van het onderzoek er in veel gevallen toe dat het rijbewijs uiteindelijk ongeldig wordt verklaard. Hierdoor weegt het opleggen van het rijbewijs te zwaar in verhouding tot de gevolgen voor eiseres.\n\n6.2.. Het CBR heeft gesteld dat uit de mededeling van de politie blijkt dat eiseres geen adequaat rijgedrag heeft vertoond. De situatie ter plaatse was duidelijk. Dat de situatie voorheen anders was, rechtvaardigt haar rijgedrag niet. Het CBR was ertoe gehouden om een onderzoek op te leggen, het feit dat dit vaak leidt tot ongeldigverklaring doet daar niet aan af.\n\n6.3.. Als bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden voor van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.\n\nEen vermoeden wordt gebaseerd op feiten en omstandigheden als genoemd in de bijlage bij de Regeling.In de bijlage bij de Regeling is opgenomen dat een vermoeden bestaat dat betrokkene niet langer beschikt over de rijvaardigheid voor het besturen van een motorrijtuig, als de betrokkene niet adequaat kijkgedrag hanteert, bestaande uit het hanteren van een verkeerde kijktechniek en slecht kijkgedrag al dan niet met gebruikmaking van spiegels waardoor in gevaarlijke situaties niet of niet voldoende op het overige verkeer wordt gelet dan wel manifesterend door slecht kijkgedrag in het algemeenof indien sprake is van gebrekkige rijvaardigheid die blijkt uit de plaats op de weg, waaronder begrepen spookrijden.\n\nAls een schriftelijke mededeling van het vermoeden is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen tot een onderzoek naar de rijvaardigheid.Het CBR besluit dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid in geval van feiten en omstandigheden als genoemd in de bijlage, onder A, onderdeel II van de Regeling.\n\n6.4.. De rechtbank is van oordeel dat het CBR terecht het vermoeden had dat eiseres niet langer beschikte over de vereiste rijvaardigheid. Eiseres reed vanaf de parkeerplaats de weg op. Bij de uitrit stonden drie borden die de verplichte rijrichting aangaven. Deze borden heeft zij niet opgemerkt en zij is de weg opgereden tegen de rijrichting in. Vervolgens is zij, zonder het te merken, tegen de rijrichting in blijven rijden totdat zij staande is gehouden door de politie. Hierna bleek de verplichte rijrichting alsnog niet helder te zijn voor eiseres, terwijl de rijbanen voor haar rijrichting zich rechts van haar, aan de overzijde van de middenberm bevonden. Dit wijst op het feit dat eiseres een verkeerde kijktechniek hanteert. Het feit dat zij de borden mogelijk nog niet kon zien op het moment dat ze nog evenwijdig aan de Markiezaatsweg op de parkeerplaats reed, doet daar niet aan af. Zij had de borden moeten, en kunnen, zien voordat zij de parkeerplaats afreed. Daarnaast is het niet vereist dat eiseres de verkeersovertreding bewust heeft begaan. Het vermoeden wordt namelijk niet enkel afgeleid uit het feit dat zij tegen de rijrichting heeft ingereden, maar ook uit het feit dat zij een verkeerde kijktechniek hanteert.6.5.. Nu het CBR uit de mededeling een vermoeden van het ontbreken van rijvaardigheid mocht afleiden, diende zij een onderzoek naar de rijvaardigheid op te leggen. Ook als het opleggen van het onderzoek in veel gevallen leidt tot ongeldigverklaring van het rijbewijs, betekent dat niet dat het opleggen van het onderzoek onevenredig is. Dit betreft namelijk geen bijzondere omstandigheid die niet of niet ten volle is verdisconteerd in de afweging van de wetgever.\n\nSchorsen rijbewijs\n\n7.1.. Eiseres heeft betoogd dat haar rijbewijs ten onrechte is geschorst. De politie zag op het moment van staandehouding geen aanleiding om haar rijbewijs in te vorderen. Dit komt omdat eiseres geen gevaar vormt. Zij heeft namelijk niemand in gevaar gebracht met het rijden tegen de rijrichting in.\n\n7.2.. Het CBR heeft gesteld dat zij gezien het belang van de verkeersveiligheid gehouden was om het rijbewijs te schorsen. Om het rijbewijs te schorsen, is niet vereist dat een gevaar zich daadwerkelijk heeft verwezenlijkt. Eiseres heeft tegen de rijrichting in gereden en heeft daardoor gevaarzettend gehandeld. Spookrijden kan namelijk zeer gevaarlijke situaties veroorzaken.\n\n7.3.. Bij het besluit tot het opleggen van een onderzoek naar de rijvaardigheid wordt de geldigheid van het rijbewijs van betrokkene geschorst, als de betrokken bestuurder de veiligheid op de weg zodanig in gevaar kan brengen dat hem met onmiddellijke ingang de bevoegdheid dient te worden ontnomen langer als bestuurder aan het verkeer deel te nemen.Op grond van artikel 5, aanhef en onder d, van de Regeling is daarvan sprake in het geval dat de betrokkene met een motorrijtuig tegen de rijrichting heeft ingereden (spookrijden). In dat geval schorst het CBR de geldigheid van het rijbewijs, tenzij een educatieve maatregel wordt opgelegd of het CBR afziet van het opleggen van een onderzoek.\n\n7.4.. De rechtbank is van oordeel dat het CBR terecht het rijbewijs heeft geschorst. Gelet op bovenstaande regelgeving diende het CBR het rijbewijs de schorsen, omdat eiseres tegen de rijrichting heeft ingereden. Het CBR heeft voldoende gemotiveerd waarom eiseres hierdoor gevaarzettend heeft gehandeld en waarom het van belang is dat haar bevoegdheid wordt ontnomen om langer als bestuurder aan het verkeer deel te nemen. Het enkele feit dat de politie het rijbewijs niet heeft ingevorderd, doet niet af aan het feit dat eiseres de veiligheid op de weg in gevaar kan brengen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het CBR terecht een onderzoek naar de rijvaardigheid heeft opgelegd en het rijbewijs van eiseres heeft geschorst. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S. Hindriks, rechter, in aanwezigheid van mr. T.A.A. van Hooijdonk, griffier, op 12 december 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nBijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving\n\nWegenverkeerswet 1994 (WVW)\n\nArtikel 130, eerste lid, van de WVW\n\nIndien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.\n\nArtikel 131 van de WVW\n\n1. Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangegeven gevallen, respectievelijk tot:\n\nb. een onderzoek naar de rijvaardigheid of de geschiktheid.\n\nHet besluit wordt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de mededeling, genomen.\n\n2. Bij het besluit, bedoeld in het eerste lid, wordt:\n\na. in de gevallen, bedoeld in artikel 130, derde lid, de geldigheid van het rijbewijs van betrokkene voor één of meer categorieën van motorrijtuigen geschorst tot de dag waarop het in artikel 134, vierde of zevende lid, bedoelde besluit van kracht wordt;\n\nArtikel 133, eerste lid, van de WVW\n\nIn de in artikel 131, eerste lid, aanhef en onderdeel b, bedoelde gevallen legt het CBR bij het in dat artikel bedoelde besluit betrokkene de verplichting op zich te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid.\n\nRegeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (Regeling)\n\nArtikel 2, eerste lid, van de Regeling\n\nEen vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de wet wordt gebaseerd op feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage.\n\nArtikel 3, eerste lid, van de Regeling\n\nFeiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 2 kunnen blijken uit:\n\na. eigen waarneming en gegevens afkomstig van de politie;\n\nb. gegevens afkomstig van de officier van justitie, of\n\nc. door de politie nagetrokken gegevens uit andere bron.\n\nArtikel 5, aanhef en onder d, van de Regeling\n\nEen vordering tot overgifte van het rijbewijs, bedoeld in artikel 130, tweede lid, van de wet geschiedt in de volgende gevallen: betrokkene heeft met een motorrijtuig tegen de rijrichting in gereden (spookrijden).\n\nArtikel 6 van de Regeling\n\nIn de gevallen, bedoeld in artikel 5, schorst het CBR overeenkomstig artikel 131, tweede lid, onderdeel a, van de wet de geldigheid van het rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, tenzij een educatieve maatregel als bedoeld in artikel 131, eerste lid, onderdeel a, van de wet wordt opgelegd of het CBR op grond van artikel 23, vierde of vijfde lid, afziet van het opleggen van een onderzoek.\n\nArtikel 23, derde lid, onder a, van de WVW\n\nHet CBR besluit ten slotte dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid dan wel geschiktheid: in geval van feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage onder A, onderdelen I, Vaardigheid in het omgaan met het motorrijtuig, of II. Bedrevenheid in het deelnemen aan het verkeer.\n\n Artikel 130, eerste lid, van de WVW.\n\n Artikel 2, eerste lid, van de Regeling.\n\n Artikel A, onder II, onder II.1, onder f, van de bijlage bij de Regeling.\n\n Artikel A, onder II, onder II.2, onder a, van de bijlage bij de Regeling.\n\n Artikel 131, eerste lid, aanhef en onder b, van de WVW.\n\n Artikel 23, derde lid, onder a, van de Regeling.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772.\n\n Artikel 130, derde lid, in samenhang met artikel 131, tweede lid, onder a, van de WVW.\n\n Artikel 6 van de Regeling.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2024:8498","2026-07-13T00:28:37.033Z",{"id":63,"ecli":64,"slug":65,"caseNumber":43,"courtId":66,"decisionDate":67,"fullText":68,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":69,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":51,"updatedAt":71},"504","ECLI:NL:RBNHO:2024:12421","ecli-nl-rbnho-2024-12421",73,"2024-10-18T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nZittingsplaats Alkmaar\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: HAA 24\u002F186\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 oktober 2024 in de zaak tussen\n [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker\n\n(gemachtigde: H.A.J. van der Lee),\n\nen\n\nde directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerster\n\n(gemachtigde: drs. I. Metaal).\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoeker om een schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\nOp 18 oktober 2023 heeft verzoeker verweerster verzocht om door hem geleden schade te vergoeden.\n\nBij besluit van 13 november 2023 heeft verweerster dit verzoek afgewezen.\n\nVerzoeker heeft de rechtbank op 11 januari 2024 verzocht verweerster te veroordelen tot vergoeding van de door hem geleden schade. Verweerster heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft het verzoek op 18 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van verweerster.\n\nNa afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nGronden van de beslissing\n\n1. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van schade als gevolg van een onrechtmatig besluit, als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb. Verzoeker betoogt dat het besluit van 15 november 2018, waarbij verweerster zijn rijbewijs ongeldig heeft verklaard, onrechtmatig is. De rechtbank stelt echter vast dat de kosten waarvoor verzoeker een schadevergoeding verzoekt, kosten betreffen in verband met een geschiktheidsonderzoek dat voorafgaand aan dat besluit heeft plaatsgevonden. Die kosten zijn dus geen gevolg van het besluit van 15 november 2018, maar van het besluit van verweerster van 7 mei 2018 tot oplegging van een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid. Tegen het besluit van 7 mei 2018 is geen bezwaar gemaakt en ter zitting heeft verzoeker erkend dat de oplegging van het onderzoek rechtmatig is.\n\n2. Voor zover verzoeker zich op het standpunt stelt dat de kosten voortvloeien uit een handeling ter voorbereiding op het besluit van 15 november 2018 en dus uit een onrechtmatige voorbereidingshandeling, zoals bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb, volgt de rechtbank dat standpunt ook niet. Het besluit van 15 november 2018 is door de rechtbank bij uitspraak van 3 april 2019 rechtmatig geacht en is door het niet instellen van hoger beroep in rechte komen vast te staan. Dat nog daargelaten, is de rechtbank van oordeel dat, indien het onderzoek naar de rijgeschiktheid al als voorbereidingshandeling kan worden aangemerkt, dit geen onrechtmatige voorbereidingshandeling is. Het onderzoek vloeide namelijk voort uit het rechtmatige opleggingsbesluit van 7 mei 2018. Dat het rijbewijs van verzoeker op 20 juli 2018 van rechtswege ongeldig was geworden door het onherroepelijk worden van zijn veroordeling door de politierechter, maakt het daarna uitvoeren van het geschiktheidsonderzoek niet toch onrechtmatig. Ondanks de ongeldigheidsverklaring van rechtswege, bestond er nog steeds belang bij dat onderzoek, vanwege de verkeersveiligheid. Er bestond immers een vermoeden van rijongeschiktheid. Met het oog op een nieuwe aanvraag van een rijbewijs was het van belang om door middel van onderzoek daarover uitsluitsel te krijgen. Een voor de betrokkene negatieve onderzoeksuitslag wordt in het rijbewijzenregister verwerkt, zodat wordt voorkomen dat hij bij een nieuwe aanvraag zonder meer rijgeschikt wordt geacht. Daar komt bij dat met het onderzoek inzicht kan worden verkregen in het begin van de recidiefvrije periode die, zoals bij verzoeker, bij alcoholmisbruik moet zijn verstreken om weer rijgeschikt geacht te kunnen worden.\n\n3. Nu er geen schade als gevolg van een onrechtmatig besluit of een onrechtmatige voorbereidingshandeling is, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een schadevergoeding.\n\nSlotopmerkingen\n\n4. Omdat de rechtbank het verzoek heeft afgewezen, hoeft verweerster aan verzoeker geen schadevergoeding of vergoeding van het griffierecht of van proceskosten te betalen.\n\n5. Partijen zijn bij de mondelinge uitspraak gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.\n\nDeze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2024 door mr. drs. J. de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. I.E. Molin, griffier.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2024:12421","2024-12-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:33.849Z",{"id":73,"ecli":74,"slug":75,"caseNumber":43,"courtId":76,"decisionDate":77,"fullText":78,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":79,"sourceTimestamp":80,"parsedAt":51,"updatedAt":81},"1774","ECLI:NL:RBDHA:2024:14402","ecli-nl-rbdha-2024-14402",58,"2024-08-13T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SGR 24\u002F891\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 augustus 2024 in de zaak tussen\n \n [eiser] , uit [woonplaats] , eiser\n\nen\n\nhet Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder\n\n(gemachtigde: drs. [naam] ).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de oplegging van een Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (EMA).\n\n1.1.. Met het bestreden besluit van 21 december 2023 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de oplegging van de EMA gebleven.\n\n1.2.. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep op 30 juli 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de vader van eiser en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n2. Op 15 oktober 2023 heeft de politie een mededeling naar verweerder gestuurd waaruit blijkt dat eiser is aangehouden voor het rijden onder invloed van alcohol. Uit het proces-verbaal blijkt dat een ademalcoholgehalte van 475 μg\u002Fl is vastgesteld. Verweerder heeft eiser daarom opgelegd om deel te nemen aan een cursus over alcohol en verkeer, de EMA.\n\nWat vindt eiser in beroep?\n\n3. Eiser stelt dat hij medicijnen heeft gebruikt waardoor een extreme verhoging van het alcoholpromillage is ontstaan. Daarnaast heeft hij een erfelijke afwijking die ook van invloed is geweest op het gemeten alcoholpromillage. Tot slot stelt hij dat zijn recht is ontnomen om via een bloedonderzoek aan te tonen dat het gemeten promillage niet klopte.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\n4. De rechtbank oordeelt dat verweerder aan eiser een EMA heeft mogen opleggen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de medicijnen die hij heeft gebruikt (amoxicilline, mometason en amitriptyline) in samenhang met een mogelijk bij hem aanwezige erfelijke ziekte de hoogte van het ademalcoholgehalte hebben beïnvloed. Dat uit jurisprudentie en uit informatie van de fabrikant over de chemische werking van de medicijnen zou blijken dat de medicijnen het alcoholgehalte in het lichaam versterken, zoals de vader van eiser op de zitting heeft betoogd, is door eiser niet onderbouwd met documenten of een verwijzing naar de vindplaats van deze informatie. Ook is het bloedonderzoek uitgevoerd in juni 2024 en blijkt hieruit niet wat eisers leverwaarden waren ten tijde van eisers aanhouding in oktober 2023. Verder is niet duidelijk hoe de bloedwaarden van invloed zouden kunnen zijn op het gemeten ademalcoholgehalte, waarmee wordt gemeten hoe groot de alcoholconcentratie is in de uitgeademde lucht. Eisers beroepsgrond dat hem bij zijn aanhouding het recht is ontnomen om via een bloedonderzoek aan te tonen dat het gemeten ademalcoholgehalte onjuist was, slaagt niet. Uit het proces-verbaal van het verhoor bij de politie blijkt dat aan eiser is medegedeeld dat hij het recht had op een tegenonderzoek door middel van een bloedproef op eigen kosten. Vervolgens is aan hem gevraagd of hij hier gebruik van wilde maken, waarop eiser ontkennend heeft geantwoord.\n\n5. Eiser heeft de rechtbank verzocht om meer tijd om informatie te verzamelen. De rechtbank overweegt echter dat eiser al sinds oktober 2023 de tijd heeft gehad om informatie te verzamelen en dat de rechtbank eerder al zes weken uitstel aan eiser heeft verleend om zijn beroepsgronden in te dienen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om eiser nogmaals een aanvullende termijn te bieden om nadere informatie te verzamelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Bakker, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2024.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:14402","2024-09-09T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:38.174Z",{"id":83,"ecli":84,"slug":85,"caseNumber":43,"courtId":86,"decisionDate":87,"fullText":88,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":89,"sourceTimestamp":90,"parsedAt":51,"updatedAt":91},"1792","ECLI:NL:RBROT:2024:6870","ecli-nl-rbrot-2024-6870",61,"2024-07-19T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 23\u002F8374\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juli 2024 in de zaak tussen\n \n [eiser], uit [plaatsnaam], eiser\n\n(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),\n\nen\n\nDe algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen(CBR)\n\n(gemachtigde: [naam]).\n\nInleiding\n\n1. Bij besluit van 31 augustus 2023 (het primaire besluit) heeft het CBR aan eiser een onderzoek naar de rijgeschiktheid opgelegd.\n\n1.1.. Met het bestreden besluit van 6 november 2023 op het bezwaar van eiser is het CBR bij dat besluit gebleven. Eiser heeft beroep ingesteld.\n\n1.2.. Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juni 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het CBR.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n2.1.. Op 5 juni 2023 heeft de politie eenheid Rotterdam op grond van artikel 130 eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994 een mededeling rijvaardigheid en geschiktheid gedaan bij het CBR, omdat het vermoeden bestaat dat eiser niet beschikt over de rijgeschiktheid die is vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs is afgegeven. In de mededeling heeft de politie opgenomen dat eiser in beschonken toestand de politie heeft gebeld met de mededeling dat hij het leven niet meer zag zitten en dat hij, als de politie niet direct kwam, zijn auto dwars op de A16 zou zetten. Vervolgens is eiser door de politie op de vluchtstrook van de A16 aangetroffen in beschonken toestand. Eiser verklaarde een zelfmoordmiddel te hebben ingenomen en nog maar drie minuten te leven had. Nadat eiser was nagekeken door ambulancepersoneel bleek hiervan geen sprake. Gezien de psychische toestand van eiser vormt hij volgens de politie een gevaar voor zichzelf en voor andere weggebruikers.\n\n2.2.. \n\nNaar aanleiding van de mededeling van de politie heeft het CBR het primaire besluit genomen, dat met het besteden besluit is gehandhaafd. Het CBR heeft de geldigheid van het rijbewijs van eiser geschorst en aan eiser een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid opgelegd. De schorsing is erop gebaseerd dat er duidelijke aanwijzingen zijn dat eiser geestelijk of lichamelijk niet goed functioneert of dat hij ernstige psychiatrische problemen heeft (artikelen 5 en 6, aanhef en onder c, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (de Regeling)). Het opleggen van het onderzoek is erop gebaseerd dat het CBR twijfelt aan de geestelijke geschiktheid van eiser om te rijden wegens ernstig gestoord inzicht of gedrag dan wel abnormale opwindingstoestanden (artikel 23, derde lid, van de Regeling in verbinding met bijlage 1, onder B, onderdelen I en II).\n\nHet rijbewijs van eiser is inmiddels ongeldig verklaard, wegens het niet voldoen van de opleggingskosten.\n\nStandpunt eiser\n\n3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Eiser voert aan dat de beslissing niet binnen de termijn van vier weken na de melding van de politie heeft plaatsgevonden. Verder voert hij aan dat niet is gebleken op welke (deskundige) wijze is vastgesteld dat sprake zou kunnen zijn van twijfel aan de geestelijke geschiktheid wegens ernstig gestoord inzicht of gedrag of abnormale opwindingstoestanden. Hij stelt dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om van een vermoeden uit te gaan. Eiser stelt verder dat causaal verband ontbreekt tussen zijn geestestoestand en het gevaar voor de verkeersveiligheid. Ten onrechte zijn de gebeurtenissen na de aanhouding en op het politiebureau betrokken op de verkeersveiligheid. Ook voert eiser aan dat er in dit individuele geval dringende redenen zijn op grond waarvan de Regeling buiten toepassing moet worden gelaten, omdat de gevolgen voor hem onevenredig zijn. De politierechter heeft de individuele, privéomstandigheden waaronder een dreigend isolement en het verstoken blijven van medische behandeling laten prevaleren en is overgegaan tot teruggave van het rijbewijs. Er is in de strafzaak geen nadere maatregel opgelegd en ook het OM achtte de recidivekans zeer gering. Tot slot ontkent eiser het voertuig te hebben bestuurd. Hij stelt dat zijn buurman hem naar de vluchtstrook heeft gereden. Ook daarom had het CBR geen onderzoek naar de rijgeschiktheid mogen opleggen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. De rechtbank beoordeelt of het CBR terecht de geldigheid van het rijbewijs heeft geschorst en aan eiser een onderzoek naar de rijgeschiktheid heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\n5. De rechtbank is van oordeel dat het CBR terecht de geldigheid van het rijbewijs heeft geschorst en aan eiser een onderzoek naar de rijgeschiktheid heeft opgelegd. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n6. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nMocht het CBR de maatregel opleggen?7.1.. Artikel 131, eerste lid, van de WVW 1994 schrijft voor dat het besluit waarbij een onderzoek naar de rijgeschiktheid wordt opgelegd zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, wordt genomen.7.2.. \n\nVaststaat dat het CBR het primaire besluit niet binnen vier weken na ontvangst van de mededeling van de politie heeft genomen. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) brengt een overschrijding van deze termijn niet met zich dat het CBR niet meer bevoegd is een besluit tot oplegging van een onderzoek naar de rijgeschiktheid te nemen.Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de beslistermijn is opgenomen met het oog op de wens te komen tot een in het belang van de verkeersveiligheid slagvaardiger optreden tegen verkeersgevaarlijke overtredingen in het algemeen en een verscherpte aanpak van alcoholovertredingen in het bijzonder. De termijn is dus niet in het belang van eiser gesteld. Met andere woorden, zoals het CBR terecht heeft gesteld, is er geen sprake van een fatale termijn. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.\n\nMocht het CBR ervan uitgaan dat eiser de auto heeft bestuurd?8.1.. De rechtbank is van oordeel dat het CBR voldoende heeft gemotiveerd dat eiser als bestuurder van de auto kan worden aangemerkt. Het CBR mocht daarbij afgaan op het relaas van de politie, waarin onder meer staat dat alleen eiser bij de auto op de vluchtstrook van de A16 is aangetroffen, dat hij heeft verklaard naar de A16 te zijn gereden, maar dat hij die verklaring later introk en dat Rijkswaterstaat geen andere personen op de camerabeelden heeft gezien. Verder heeft het CBR daarbij kunnen betrekken dat eiser door de politierechter is veroordeeld voor rijden onder invloed. Hieraan kan zoals het CBR terecht heeft gesteld niet afdoen dat eiser heeft verklaard dat zijn buurman hem naar de A16 heeft gebracht. Dit heeft eiser op geen enkele manier aannemelijk gemaakt.8.2.. Daarnaast heeft het CBR zich (ten overvloede) terecht op het standpunt gesteld dat het voor de bevoegdheid om een onderzoek naar de rijgeschiktheid op te leggen niet noodzakelijk is dat daadwerkelijk een motorrijtuig is bestuurd. De houder van een geldig rijbewijs dient te allen tijde te beschikken over de vereiste geschiktheid tot het besturen van een motorrijtuig, of hij nu daadwerkelijk aan het verkeer deelneemt of niet. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nWas er voldoende aanleiding om een onderzoek naar de rijgeschiktheid op te leggen.9.1.. De rechtbank overweegt dat er voor het opleggen van een onderzoek naar de rijgeschiktheid slechts het vermoeden van ongeschiktheid hoeft te bestaan. Het opgelegde onderzoek dient er juist toe tot een definitief oordeel te komen over de geschiktheid om een motorrijtuig te besturen. Een onderzoek kan onder meer worden opgelegd in het geval van ernstig gestoord inzicht of gedrag.\n\n9.2.. Volgens vaste rechtspraak van de Afdelingmag een bestuursorgaan, in dit geval het CBR, onverminderd de eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van bewijs, in beginsel afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal, voor zover deze eigen waarnemingen van de opsteller van het proces-verbaal weergeven. Indien die bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan het vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de WVW ten grondslag kunnen worden gelegd.\n\n9.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het CBR voldoende onderbouwd waarop het vermoeden van ongeschiktheid gebaseerd is en heeft het CBR zich terecht op het standpunt gesteld dat voldaan is aan de voorwaarden in artikel 23, derde lid sub B WVW1994 en de bijlage I, onder B onderdeel I en II van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011. Uit het proces-verbaal van de politie volgt dat eiser midden in de nacht de politie heeft gebeld met de mededeling dat hij het leven niet meer zag zitten en dat hij, als de politie niet direct kwam, zijn auto dwars op de A16 zou zetten. De verbalisant heeft 20 minuten telefonisch met eiser gesproken en meegedeeld dat de politie niet voor een gesprek langs zou komen. Vervolgens is eiser in beschonken toestand op de vluchtstrook van de A16 aangetroffen. Eiser verklaarde een zelfmoordmiddel te hebben ingenomen en dat hij nog maar drie minuten te leven had. Volgens het proces-verbaal belt eiser vaak naar de politie als hij onder invloed van alcohol is en zegt hij dan regelmatig dat hij het leven niet meer ziet zitten. De politie heeft vervolgens een mededeling gedaan aan het CBR. Het CBR mocht uitgaan van de juistheid van de bevindingen en heeft zich naar het oordeel terecht op het standpunt gesteld dat er een vermoeden bestaat dat eiser niet langer beschikt over de rijgeschiktheid die is vereist voor het besturen van een motorrijtuig. Anders dan eiser betoogt is het voor het opleggen van een onderzoek naar de rijgeschiktheid niet noodzakelijk dat er causaal verband wordt vastgesteld tussen de geestestoestand en daadwerkelijk (ontstaan) gevaar voor de verkeersveiligheid.\n\nHad het CBR op grond van bijzondere omstandigheden moeten afzien van de oplegging van het onderzoek naar de rijgeschiktheid?\n\n10. De rechtbank volgt het standpunt van het CBR dat het op grond van artikel 131, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, gelezen in verbinding met artikel 5, aanhef en onder c, en artikel 6 van de Regeling, gehouden was tot het opleggen van een onderzoek naar de rijgeschiktheid. Volgens vaste rechtspraak laten de toepasselijke bepalingen uit de WVW1994 en de Regeling geen ruimte om een belangenafweging te maken en op grond van persoonlijke omstandigheden daarvan af te wijken. Een rechter kan alleen in zeer uitzonderlijke gevallen oordelen dat de Regeling buiten toepassing moet blijven, omdat de gevolgen van de Regeling onevenredig uitwerken.Het CBR heeft zich naar het oordeel terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van zo’n zeer uitzonderlijk geval. In dit verband heeft het CBR geen betekenis toe hoeven kennen aan het feit dat eiser zijn rijbewijs in het kader van de klaagschriftprocedure van de strafrechter heeft teruggekregen. Het opleggen van een onderzoek naar de geschiktheid is een bestuursrechtelijke maatregel ter bevordering van de verkeersveiligheid, die losstaat van de strafrechtelijke procedure. De strafrechtelijke beoordeling zag ook alleen op het rijden onder invloed, terwijl het in deze bestuursrechtelijke procedure gaat om de rijgeschiktheid in het licht van de psychische problematiek van eiser. Ook de door eiser gestelde specifieke achtergrond van de gebeurtenissen, zijn psychische problemen, PTSS en isolement door het niet mogen rijden, heeft het CBR terecht niet als zeer uitzonderlijke omstandigheden aangemerkt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit van het CBR tot oplegging van een onderzoek naar de rijgeschiktheid van eiser in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Dingemanse, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. L. Zwager, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2024.\n\nDe griffier is verhinderd deze\n\nuitspraak mede te ondertekenen.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving\n\nWegenverkeerswet 1994\n\nArtikel 130\n\n1. Indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.\n\n[…]\n\nArtikel 131\n\n1. Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangegeven gevallen, respectievelijk tot:\n\na. oplegging van een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid, of\n\nb. een onderzoek naar de rijvaardigheid of de geschiktheid.\n\nHet besluit wordt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de mededeling, genomen.\n\n[…]\n\nRegeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011(geldend van 01-04-2023 t\u002Fm heden)\n\nArtikel 5\n\nEen vordering tot overgifte van het rijbewijs, bedoeld in artikel 130, tweede lid, van de wet geschiedt in de volgende gevallen: […] c. er zijn duidelijke aanwijzingen dat betrokkene lijdt aan een aandoening waardoor hij geestelijk en\u002Fof lichamelijk niet goed functioneert, dan wel ernstige psychiatrische problemen ondervindt, hetgeen bij twijfel bevestigd wordt door een medisch deskundige;\n\n[…]\n\nArtikel 6\n\nIn de gevallen, bedoeld in artikel 5, schorst het CBR overeenkomstig artikel 131, tweede lid, onderdeel a, van de wet de geldigheid van het rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, tenzij een educatieve maatregel als bedoeld in artikel 131, eerste lid, onderdeel a, van de wet wordt opgelegd of het CBR op grond van artikel 23, vierde of vijfde lid, afziet van het opleggen van een onderzoek.\n\nArtikel 23\n\n[…]\n\n3. Het CBR besluit ten slotte dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid dan wel geschiktheid:\n\na. in geval van feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage onder A, onderdelen I, Vaardigheid in het omgaan met het motorrijtuig, of II. Bedrevenheid in het deelnemen aan het verkeer;\n\nb. in geval van feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage onder B, onderdelen I en II;\n\nc. indien betrokkene op grond van artikel 21, onderdelen a, b, c, f, g of h niet in aanmerking komt voor een lichte educatieve maatregel gedrag en verkeer; of\n\nd. indien betrokkene op grond van artikel 15, onderdelen a, b, c, e, f of g, niet in aanmerking komt voor een educatieve maatregel gedrag en verkeer.\n\n[…]\n Bijlage bij de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011\n\nIn bijlage 1, onder B, onderdeel II, \"Geestelijke geschiktheid\", zijn genoemd als feiten en omstandigheden die een vermoeden rechtvaardigen dat betrokkene niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor een rijbewijs is afgegeven, dan wel, met uitzondering van de categorie AM, over de vereiste lichamelijke of geestelijke geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen waarvoor een rijbewijs is afgegeven:\n\n[…] b. ernstig gestoord inzicht of gedrag; […]\n\nf. abnormale opwindingstoestanden;\n\n[…]\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1134.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 19 april 2023, ECLI:NLRVS:2023:1519.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 7 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3587.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 2 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2924.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2024:6870","2024-07-24T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:39.153Z",{"id":93,"ecli":94,"slug":95,"caseNumber":43,"courtId":96,"decisionDate":97,"fullText":98,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":99,"sourceTimestamp":97,"parsedAt":51,"updatedAt":100},"940","ECLI:NL:GHARL:2024:1232","ecli-nl-gharl-2024-1232",70,"2024-02-20T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden, afdeling civiel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.316.457\u002F01\n\nzaaknummer rechtbank Overijssel 184625\n\narrest van 20 februari 2024\n\nin de zaak van\n\n [appellant],\n\ndie woont in [woonplaats1] ,\n\ndie hoger beroep heeft ingesteld,\n\nen bij de rechtbank optrad als gedaagde in conventie, eiser in reconventie,\n\nhierna: [appellant],\n\nadvocaat: mr. Chr. D. de Vos te Assen,\n\ntegen\n\nAllianz Benelux N.V.,\n\ndie is gevestigd in Rotterdam,\n\nen bij de rechtbank optrad als eiseres in conventie, gedaagde in reconventie,\n\nhierna: Allianz Benelux N.V.,\n\nadvocaat: mr. H.A. Kragt te Arnhem.\n\n1. Het verloop van de procedure bij het hof\n\n1.1. Naar aanleiding van het arrest van 21 maart 2023 heeft op 1 februari 2024 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.1.2. Ter voorbereiding op de mondelinge behandeling heeft [appellant] bij akte nog een productie (productie 55) in het geding gebracht.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1. \n [appellant] is in 2004, als fietser, gewond geraakt bij een ongeval dat is veroorzaakt door een bij (de rechtsvoorganger van) Allianz verzekerde bromfietser. Partijen verschillen van mening over de vraag of Allianz de schade van [appellant] al heeft vergoed dan wel [appellant] nog schadevergoeding verschuldigd is.\n\n2.2. \n [appellant] heeft, voor zover van belang, bij de rechtbank gevorderd dat de rechtbank voor recht verklaart dat de door [appellant] geleden en nog te lijden schade geschat kan worden op een bedrag van € 1.000.000,- en Allianz veroordeelt om dit bedrag aan hem te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente en te verminderen met het al betaalde voorschot van € 59.141,47.\n\n2.3. De rechtbank heeft deze vorderingen voor een belangrijk deel afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat de afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen. 2.4 Het hof kan nog geen eindbeslissing nemen. Daarvoor is een onderzoek door een deskundige nodig. Het hof zal al wel wat knopen doorhakken. Die komen erop neer dat het hof op onderdelen anders zal oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Het hof zal dat hierna uitleggen. 3. Vermeerdering van eis3.1 [appellant] heeft in de memorie van grieven zijn eis vermeerderd. Hij vordert nu ook betaling van € 191.283,13 aan buitengerechtelijke kosten en € 14.555,54 aan kosten van vóór 29 juli 2008 verleende rechtsbijstand en € 682,84 aan reiskosten, te vermeerderen met wettelijke rente. 3.2 Allianz heeft zich niet tegen de vermeerdering van eis verzet. Het hof ziet ook geen reden om de vermeerdering van eis ambtshalve buiten beschouwing te laten en zal dan ook beslissen op de vermeerderde eis.\n\n4. De relevante feiten\n\n4.1. \n [appellant] (geboren [in] 1969) is op 21 januari 2004 als fietser aangereden door een bij London Verzekeringen, de rechtsvoorgangster van Allianz, conform de WAM verzekerde bromfietser. Hij heeft ten gevolge van dit ongeval letsel opgelopen, bestaande uit een fractuur van het bovenste deel van het scheenbeen (tibeaplateaufractuur) en een knie- en enkelfractuur. Na het ongeval is [appellant] enkele weken in het ziekenhuis opgenomen geweest, waarna hij heeft gerevalideerd. [appellant] is geopereerd waarbij in het scheenbeen en in de enkel plaatmateriaal (osteosynthesemateriaal) is geplaatst. Dat materiaal is in 2005 verwijderd uit het scheenbeen en in 2012 uit de enkel. In 2010 werd de rechterknie van [appellant] geïnjecteerd.\n\n4.2. \n\n [appellant] is vanuit Irak gevlucht en verbleef ten tijde van het ongeval ruim vijf jaren in Nederland. In 2002 heeft hij een verblijfsvergunning gekregen. Hij heeft toen een woning toegewezen gekregen en ontving een WWB-uitkering. In de periode van maart 2007 tot\n\nmei 2012 heeft hij geregeld gewerkt. Hij heeft toen, in periodes van werkloosheid, ook een WW-uitkering ontvangen. Vanaf 2012 heeft hij niet meer gewerkt. Hij ontvangt nu een uitkering op basis van de Participatiewet.\n\n4.3. Over de toedracht van en de aansprakelijkheid voor het ongeval bestond tussen partijen een verschil van inzicht. Anders dan de (toenmalige) rechtbank Zwolle-Lelystad heeft het (toenmalige) hof Arnhem in een arrest van 22 april 2008 het beroep op overmacht verworpen en voor recht verklaard dat (toen nog) London Verzekeringen volledig aansprakelijk is voor de door [appellant] geleden en nog te lijden schade.\n\n4.4. \n\nOp verzoek van [appellant] heeft de orthopedisch chirurg dr. [naam1] een medische expertise verricht naar het letsel van [appellant] en de gevolgen ervan. In een rapport van\n\n8 september 2010 concludeerde dr. [naam1] dat op zijn vakgebied sprake was van: “1. Status na tibiaplateaufractuur rechts met beginnende degeneratieve veranderingen ter hoogte van het mediale gewrichtscompartiment. Het kraakbeeninterval bedraagt hier 3 mm (normaal 4 mm).2. Bovenbeenatrofie rechts van 2 cm.3. Zonder restverschijnselen genezen enkelfractuur rechts.” Volgens dr. [naam1] is sprake van de volgende restklachten: “betrokkene heeft pijn aan de voorzijde van de rechterknie en in mindere mate aan de binnenzijde van de rechterenkel. De pijn in de rechterknie neemt toe na een halfuur lopen, na een halfuur staan, bij traplopen, bij hurken, knielen, tillen van gewichten van 15 kg of meer en bij duwen en trekken.”Volgens dr. [naam1] bestonden deze klachten niet voor het ongeval en zouden deze niet zijn ontstaan als [appellant] het ongeval niet was overkomen. Er is volgens dr. [naam1] bij [appellant] sprake van functionele invaliditeit van de rechter onderste extremiteit van 12%, voor de gehele mens is dat 5%. Met betrekking tot de rechterknie is volgens dr. [naam1] nog geen sprake van een eindtoestand. De degeneratieve veranderingen van de rechterknie zullen langzaam progressief zijn. Het is nog niet te zeggen wanneer wel sprake zal zijn van een eindtoestand. Een herhaald onderzoek over vijf jaar zal daarover uitsluitsel moeten geven.\n\n4.5. Op 22 december 2011 heeft [appellant] een deelgeschilprocedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank Zwolle-Lelystad. Hij heeft dat verzoek in september 2012 aangevuld. In een beschikking van 5 november 2012 (hersteld op 5 december 2012) heeft die rechtbank overwogen dat veel van de door [appellant] ingestelde verzoeken zich niet lenen voor een beslissing in deelgeschil. Daarvoor zijn ze te complex en liggen de standpunten van partijen te ver uiteen. Gelet op de resterende klachten en beperkingen (zoals die blijken uit het rapport van dr. [naam1] ) acht de rechtbank € 12.000,- wegens immateriële schade passend. Zij veroordeelt London bij wijze van voorschot tot betaling van dit bedrag en tot betaling van € 15.000,- aan kosten voor tolk- en vertaalwerkzaamheden en van € 5.000,- aan externe kosten (medische informatie en rapportages). London Verzekeringen heeft aan deze veroordeling voldaan. Zij heeft op grond van deze veroordeling, vermeerderd met wettelijke rente en € 7.429,65 aan buitengerechtelijke kosten, in totaal € 59.141,47 aan [appellant] betaald.\n\n4.6. \n\nOp 19 oktober 2015 heeft dr. [naam1] een tweede expertiserapport uitgebracht. In dat rapport staat onder meer: “Resterende klachten: betrokkene heeft pijn aan de voorzijde van de rechterknie en in mindere mate aan de binnenzijde van de rechterenkel. De pijn in de rechterknie neemt toe na een halfuur lopen, na een halfuur staan, bij traplopen, bij hurken, knielen, tillen van gewichten van 15 kg of meer en bij duwen en trekken. Na een halfuur krijgt hij tintelingen in de gehele rechtervoet.(…)BESCHOUWING(…)Ten opzichte van de bevindingen van mijn rapport d.d. 8 september 2010 zijn de klachten hetzelfde gebleven, alleen heeft betrokkene daaraan toegevoegd dat hij na een halfuur stilstaan tintelingen in de gehele rechtervoet krijgt. Deze tintelingen kunnen door mij niet worden geobjectiveerd.(…)CONCLUSIES (op mijn vakgebied ten aanzien van de gevolgen van het ongeval d.d. 21 januari 2004):1. Status na in goede asstand geconsolideerde tibiaplateaufractuur rechts2. Posttraumatische degeneratieve veranderingen van het mediale gewrichtscompartiment. Het kraakbeeninterval bedraagt hier 3 mm (normaal 4 mm).\n\n3. Bovenbeenatrofie rechts van 2 cm.3. Daarnaast is er voor wat betreft de rechterknie sprake van een status na een partiële meniscectomie.5. In de anatomische stand geconsolideerde mediale malleolusfractuur rechts met cystevorming in het distale deel van de fibula.(…)In de beantwoording van de vragen verwijst dr. [naam1] voor de klachten van [appellant] naar wat hiervoor is geciteerd na “resterende klachten”. Volgens dr. [naam1] bestonden die klachten niet voor het ongeval en zouden ze zonder het ongeval niet zijn ontstaan. Dr. [naam1] schrijft dat sprake is van een totale functionele invaliditeit van de rechter onderste extremiteit van 14%, dat is 6% voor de gehele mens. [appellant] heeft volgens dr. [naam1] de volgende beperkingen: “Betrokkene is licht beperkt voor staan, lopen, trappenlopen, klimmen, klauteren, knielen, kruipen en hurken.Betrokkene is matig beperkt voor tillen, duwen, trekken en dragen.” Volgens dr. [naam1] is inmiddels wel sprake van een eindtoestand.\n\n4.7. In maart 2016 heeft London Verzekeringen [appellant] gedagvaard voor de rechtbank Overijssel. Zij heeft gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat het causaal verband tussen de klachten van [appellant] en het ongeval ontbreekt, althans dat de schade van [appellant] door het ongeval niet meer beloopt dan € 59.141,47, het al door Londen Verzekeringen aan [appellant] betaalde bedrag. [appellant] heeft een reconventionele vordering ingesteld (zie 2.2). In de loop van de procedures zijn drie deskundigenonderzoeken uitgevoerd. Het betreft onderzoeken door respectievelijk de psychiater prof. dr. [naam2] , de verzekeringsgeneeskundige [naam3] en de arbeidsdeskundige [naam4] .\n\n4.8. \n\nProf. [naam2] heeft op 24 september 2018 gerapporteerd. In de beschouwing van zijn rapport schrijft hij: “Betrokkene heeft als gevolg van het hem overkomen ongeval in 2004 lichamelijke klachten gekregen, die bij twee eerdere expertises aandacht hebben gekregen. Ik verwijs daarnaar. Er zijn inmiddels tevens psychische klachten naar voren gekomen, maar ook bij zijn huidige presentatie tijdens dit onderzoek nemen ze een ondergeschikte positie in. Het lijkt er op dat ze pas na 2012 manifest zijn geworden in een vorm die hij zelf relateert aan het ongeval. Dat lijkt verbonden met de omineuze betekenis die hij geeft aan de prognose van zijn lichamelijke klachten. Hoe terecht dat is, kan ik niet beoordelen. De huisarts heeft in 2016 als zijn indruk gegeven dat de spannings- en stemmingsklachten verbonden lijken te zijn met zijn lichamelijke (pijn)klachten betreffende het rechter been. Dat is ook het beeld dat ontstaat bij dit onderzoek. Er zijn zeker aanwijzingen voor klachten die begrepen kunnen worden als passend bij een posttraumatische stress-stoornis (ptss), maar die zijn bescheiden van aard en doen zich niet aanhoudend voor. Betrokkene brengt deze aspecten ook niet spontaan naar voren. Een en ander betekent dat ze niet zodanig aanwezig zijn dat ze een diagnose rechtvaardigen (deze aanduiding lijkt voor het laatst te zijn gebruikt door een maatschappelijk werker in 2012, niet door een psychiater, en vermoedelijk is toen gedacht aan zijn belastende ervaringen in Irak). Daarnaast zijn er matige depressieve kenmerken, vermoedelijk vooral met een reactief karakter dus niet aanhoudend even ernstig. Wat dit betreft komen mijn bevindingen behoorlijk overeen met wat de huidige behandelend psychiater in 2016 berichtte. Deze stelt geen diagnose ptss en dat is ook mijn oordeel. Er zijn hoogstens van tijd tot tijd optredende klachten die in deze richting wijzen. De nageleverde stukken, die pas ingezien konden worden na het onderzoek, geven aanwijzingen dat betrokkene in Irak blootgesteld is geweest aan bedreigende gevangeniservaringen van zodanige aard dat het alleszins denkbaar is dat hij hier nog last van heeft. Hij heeft hier tegenover mij echter niets over verteld, hoewel de betrokken periode wel besproken is. Het is lastig om hier een waardering aan te geven. Hier ligt een potentiële bron van klachten die los staat van het ongeval. Maar ik stel vast dat er tegenstrijdigheden zijn en bovendien betreft dit niet de thematiek van zijn herbelevingsachtige ervaringen tegenwoordig. De huidige (matig) depressieve klachten zijn direct verbonden met de lichamelijke klachten en conditie, zoals betrokkene die ervaart en als gevolg van het ongeval beleeft. De indruk is overigens dat het meer nog de veronderstelde prognose is die hem dwars zit dan de lichamelijke klachten. De stukken, en aansluitend de toelichting door betrokkene, wijzen er op dat hij ook al voorafgaand aan het ongeval depressieve klachten had en daarmee de huisarts bezocht. Hij legt wat deze eerdere klachten betreft een verband met zijn onzekere en belastende omstandigheden als asielzoeker destijds. De stukken wijzen er ook op dat hij naderhand malaiseklachten had die verbonden waren met zijn partnerrelatie. Deze constellatie is lastig te exploreren en daarom wordt volstaan met de globale constatering. Het komt er op neer dat hij al vaker ook onafhankelijk van het ongeval depressieve klachten heeft gehad, maar momenteel lijken de resterende somatische ongevalsgevolgen en vooral de, al dan niet terechte, subjectieve beleving van een moeizame prognose in de vorm van toenemende beperkingen van lichamelijke aard de belangrijkste bron.” In antwoord op de aan hem gestelde vragen verwijst prof. [naam2] voor de anamnese naar een eerder onderdeel van zijn rapport. Hij vat samen: “Er is overwegend sprake van somatische ongevalsgevolgen, die ik niet nader zal waarderen. De beperkingen die betrokkene zelf ervaart vloeien hieruit voort. Ze drukken zijn stemming, maar psychische beperkingen zijn er niet in relevante mate.” Op de vraag naar zijn bevindingen bij psychiatrisch onderzoek antwoord prof. [naam2] : “Secundaire depressieve verschijnselen, in samenhang met resterende ongevalsgevolgen. Tevens enige posttraumatische stresskenmerken.” Als diagnose stelt hij: “Aanpassingsstoornis met depressieve kenmerken (DSM-5 criteria)”.\n\nDe vraag naar de beperkingen van [appellant] beantwoordt prof. [naam2] als volgt: “Betrokkene zegt primair lichamelijke beperkingen te ervaren en die zal ik niet beoordelen. Op psychisch vlak geeft hij geen beperkingen aan. Hij maakt wel melding van ontmoediging en frustratie, maar brengt die zelf in direct verband met zijn lichamelijke klachten. Mijn waardering is dat er ook in meer objectieve zin geen relevante psychische beperkingen zijn vast te stellen.” Volgens prof. [naam2] is “op pragmatische gronden” verdedigbaar om een eindtoestand aan te nemen. Hij kan een toename van depressieve kernmerken niet uitsluiten wanneer de somatische toestand van [appellant] door [appellant] als verslechterd wordt beleefd. Prof. [naam2] schrijft dat zich ook in de jaren voorafgaand aan het ongeval depressieve klachten hebben voorgedaan, maar dat aannemelijk is dat die klachten van voorbijgaande aard zijn geweest. Hij ziet geen redenen om beperkingen aan te nemen die nog altijd uit die klachten voortvloeien. Aanwijzingen voor klachten of afwijkingen die er ook zouden zijn geweest wanneer het ongeval wordt weggedacht, zijn er niet volgens prof. [naam2] .\n\n4.9. Verzekeringsgeneeskundige mr. [naam3] heeft op 28 september 2020 gerapporteerd. In het hoofdstuk “beschouwing en conclusie” van zijn rapport schrijft hij onder meer: “Ondergetekende concludeert dat het huidige toestandsbeeld in essentie niet gewijzigd is ten opzichte van het beeld geschetst door expertiserend orthopeed [naam1] in 2010 en 2015 en expertiserend psychiater [naam2] in 2018.Sprekend over de beperkingen is ondergetekende van mening dat patiënt is aangewezen op arbeid\u002Factiviteiten waarbij beperkingen gelden met betrekking tot belasting van de rechter enkel en rechter knie.Er gelden dan ook beperkingen met betrekking tot staan, lopen, traplopen, knielen, kruipen, hurken etc. Lopen i.c.m. staan maximaal 6 uur\u002Fdag.De niet ongeval gerelateerde problematiek in de vorm van hypertensie en een verminderde schildklierwerking vormt geen aanleiding voor beperkingen.Evenals expertiserend psychiater [naam2] is ondergetekende van mening dat op basis van de bevindingen van expertiserend psychiater [naam2] en op basis van de eigen bevindingen er geen aanleiding is om beperkingen met betrekking tot persoonlijk en sociaal functioneren van toepassing te achten. (…)Ondergetekende heeft geen aanleiding om beperkingen te kunnen vaststellen die niet ongeval gerelateerd zijn.” [naam3] heeft de beperkingen vastgelegd in een beperkingenlijst.\n\n4.10. \n\nArbeidsdeskundige [naam4] heeft op 26 augustus 2021 zijn rapport uitgebracht. In de paragraaf “Hypothetische arbeidsmogelijkheden zonder ongeval” schrijft Van [naam4] : “Het ongeval weggedacht had betrokkene zich in 2004 en daarna kunnen richten op het vinden van passend werk in 1 van de genoemde richtingen productiewerk, voedselverwerkende industrie, logistiek of schoonmaak. Betrokkene zou aangewezen zijn geweest op werkzaamheden waarvoor geen specifieke diploma-eisen gelden en waar geen bijzondere eisen aan de taalvaardigheid zouden worden gesteld. Een gemeenschappelijk kenmerk van dergelijke werkzaamheden is dat deze een beloning kennen op het niveau van 100% tot maximaal 120% van het wettelijk minimumloon en veelal via uitzendbureaus wordt aangeboden, zeker als starter. Dat past bij de wijze waarop betrokkene later bij TNT Post aan het werk is gekomen. Het ongeval weggedacht was dan ook dezelfde route denkbaar geweest, zij het mogelijk enkele jaren eerder. (…)De cao van TNT Post voorziet weliswaar in doorgroeimogelijkheden die in schaal 2 op het loonpeil van 2007 tot trede 12 reikten - daarbij behoorde een fulltime salaris van€ 1.9121,12 bruto per maand - maar daar staat tegenover dat betrokkene in de situatie na ongeval geen vaste arbeidsovereenkomst aangeboden heeft gekregen en geenszins vaststaat dat dit zonder ongeval anders zou zijn geweest. Integendeel; in de logistiek is flexwerken de norm, bijkomend gevolg is dat van financiële doorgroeimogelijkheden in de praktijk niet of nauwelijks sprake is. (…)Naast de concrete mogelijkheid van eerdere indiensttreding bij TNT Post c.q. na beëindiging van de tijdelijke arbeidsovereenkomst na 2 jaar, had betrokkene arbeidsmogelijkheden gehad in soortgelijke logistieke dienstverlening; in productiewerk, bij een naaiatelier, bij een schoonmaakbedrijf et cetera. In het algemeen had hiermee een verdienvermogen van 100% tot maximaal 120% van het wettelijk minimumloon kunnen ontstaan. Van significante financiële doorgroeimogelijkheden was mijns inziens geen sprake geweest; enerzijds is sprake van arbeidsmogelijkheden in veelal laagbetaalde banen zoals de schoonmaaksector en bijvoorbeeld de naaiateliers, anderzijds bestaan weliswaar theoretische mogelijkheden om salarisschalen met hogere salaristreden te bereiken, maar gaan die gepaard met hogere kansen op het niet verlengen van tijdelijke arbeidsovereenkomsten om vaste aanstellingen te vermijden alsmede het bijbehorende werkloosheidsrisico.Goede en kwade kansen afwegend acht ik daarom door de jaren heen een hypothetisch verdienvermogen van 100% tot maximaal 120% van het wettelijk minimumloon realistisch.” Volgens [naam4] is geen sprake van concrete aanknopingspunten om aan te nemen dat [appellant] nog een (niveau verhogende) opleiding was gaan volgen en evenmin om aan te nemen dat hij in staat zou zijn geweest om een opleiding tot lasser of een andere niveau verhogende opleiding te volgen. [appellant] mist daartoe voldoende beheersing van de Nederlandse taal en ook zijn opleidings- en arbeidsverleden in Nederland en Irak biedt die aanknopingspunten niet. In de paragraaf “Hypothetische arbeidsmogelijkheden na ongeval” zet [naam4] uiteen welke werkzaamheden [appellant] heeft verricht. Vervolgens geeft hij aan dat [appellant] vanwege zijn beperkingen niet in staat is om werkzaamheden in de logistiek te verrichten. Dat geldt ook voor beroepen in de industrie en de horeca. [appellant] zou wel werkzaamheden als schoonmaker kunnen verrichten, maar is verder aangewezen op zittend werk, bijvoorbeeld in een naaiatelier. Het verdienvermogen in deze functies is volgens [naam4] vergelijkbaar met het verdienvermogen zonder ongeval, 100% tot 120% van het minimumloon. Verder schrijft Van [naam4] : “Overigens moet worden bedacht dat voor de daadwerkelijke kans op aanvaarding van passend werk niet alleen de aan het ongeval gerelateerde beperkingen van belang zijn, maar ook eventuele andere (ervaren) beperkingen. Voor een theoretische inschatting van de arbeidsmogelijkheden zijn de beperkingen te scheiden in wel en niet aan het ongeval gerelateerd; ten aanzien van de praktische arbeidsmogelijkheden is dat onderscheid niet te maken. (…).Deze observaties overziend lijkt er gaandeweg een groeiende discrepantie te zijn ontstaan tussen de ervaren en de geduide belastbaarheid; inmiddels is het ongeveer 9 jaar geleden dat betrokkene voor het laatst heeft gewerkt. Hierdoor is gaandeweg een steeds grotere kloof tot de arbeidsmarkt ontstaan en is betrokkene het zicht op concrete oplossingen in passend werk kwijtgeraakt. Daarbij vormt inmiddels ook zijn vorderende leeftijd een knelpunt; alhoewel leeftijdsdiscriminatie niet is toegestaan, valt de invloed hiervan in de praktijk niet te ontkennen. Per saldo wordt het arbeidsmarktprofiel van betrokkene gedomineerd door het bestaan van langdurige werkloosheid, vorderende leeftijd, zowel de geduide als de ervaren beperkingen en de beperkte Nederlandse taalbeheersing. In het verlengde daarvan acht ik hem niet voldoende zelfredzaam op het vlak van het zelfstandig zoeken naar geschikte arbeidsmogelijkheden en vacatures, sollicitatieactiviteiten en omliggende communicatie. Voor een scholingstraject is een aanzienlijke, gerichte motivatie vereist, deze heb ik bij\n\nbetrokkene niet kunnen vaststellen. Tenslotte zijn ook na het ongeval de arbeidsmarktfactoren van toepassing zoals beschreven in paragraaf 4.3.2.\n\nAan de pluszijde van zijn profiel noteer ik zijn participatie in vrijwilligerswerk voor de\n\nStichting Vluchtelingenwerk. Hier kan betrokkene zijn talenkennis benutten en bijkomende werknemersvaardigheden ontwikkelen zoals gespreksvoering en computergebruik. Ook biedt het vrijwilligerswerk een doel, zingeving, waardering en structuur. Dat biedt echter geen direct zicht op betaald werk en maakt de dominante kenmerken van het geschetste arbeidsmarktprofiel nog niet anders; eerder acht ik het voortbestaan van het vrijwilligerswerk daarmee voor het welzijn van betrokkene van zelfstandige waarde. Bovendien is het vrijwilligerswerk als gevolg van de ontwikkelingen rondom het coronavirus al langere tijd stil komen te liggen.\n\nZodoende acht ik een aanzienlijke afstand tot de arbeidsmarkt aanwezig, zodanig dat ik de kansen op daadwerkelijke aanvaarding van passend werk somber inschat. Ik ben dan ook zeer voorzichtig in het benoemen van mogelijkheden om middels opleiding of begeleiding de kans op daadwerkelijke aanvaarding van passend werk significant te verhogen. Wanneer ik die kans buiten beschouwing laat, acht ik een re-integratietraject van tenminste 1 jaar vereist; primair gericht op het bemiddelbaar maken en aansluitend op het daadwerkelijk bemiddelen naar passend werk. Vanwege de ingeschatte beperkte zelfredzaamheid zou bij de bemiddeling een beroep op een re-integratiedeskundige met een lokaal\u002Fregionaal netwerk een vereiste zijn. Een mogelijke aanbieder hiervan is Weustink & Partners (…).\n\nOok bij daadwerkelijke inzet van een dergelijk re-integratietraject acht ik de kans van slagen in het licht van de totale beschreven situatie zeer beperkt. Weliswaar stijgt die kans door toedoen van de dan geboden begeleiding, maar waarschijnlijk niet zodanig dat die begeleiding succesvol kan worden genoemd. Illustratief hiervoor is de kans op\n\nsucces in re-integratie tweede spoor, zie het onderzoek van CS Opleidingen (bijlage); de re-integratiekansen bij een nieuwe werkgever worden hierin (veel) lager ingeschat dan bij de eigen werkgever. Daarbij wordt als belangrijkste succesfactor voor re-integratie vooral de motivatie van de werknemer zelf gezien. In relatie tot dit onderzoek moet worden bedacht dat het hier de populatie van werknemers binnen de eerste 2 jaar van ziekte betreft terwijl betrokkene al 9 jaar niet meer heeft gewerkt. Een andere vergelijking kan gemaakt worden met de WIA-populatie, zie bijvoorbeeld (…); hieruit blijkt dat langdurig arbeidsongeschikten amper uitstromen naar werk.Samenvattend acht ik de afstand tot de arbeidsmarkt zodanig groot dat ook bij de\n\neventuele inzet van een re-integratietraject sprake is van zeer beperkte kansen op\n\ndaadwerkelijke werkaanvaarding. Bij een eventuele investering in een\n\nre-integratietraject moet dan ook met een zeer kleine kans van slagen rekening worden\n\ngehouden.” De aan hem gestelde vragen beantwoordt [naam4] als volgt. Volgens [naam4] is [appellant] binnen de door de verzekeringsgeneeskundige beschreven belastbaarheid in staat te achten fulltime passende werkzaamheden te verrichten. Met die werkzaamheden is een inkomen van 100% tot 120% van het minimumloon realiseerbaar. [naam4] acht de kans op daadwerkelijke aanvaarding van passend werk zeer beperkt. De afstand tot de arbeidsmarkt kan met een re-integratietraject weliswaar worden verkleind, maar de kans op aanvaarding van passend werk neemt daardoor nauwelijks toe. Op vraag 5, wat [appellant] , uitgaande van zijn situatie ten tijde van het ongeval en rekening houdend met een normaal te verwachten carrière in de hypothetische situatie zonder ongeval zou hebben verdiend, antwoordde [naam4] dat [appellant] in de hypothetische situatie zonder ongeval eveneens 100% tot 120% van het minimumloon zou kunnen verdienen. Maar rekening houdend met de kans op werkloosheid is dit dichter bij 100% dan bij 120% te schatten. Uitgaand van frictiewerkloosheid zou [appellant] volgens [naam4] vanaf 2004 invulling hebben kunnen geven aan deze verdiencapaciteit.\n\nIn reactie op het commentaar van mr. Dolderman, de (toenmalige) advocaat van [appellant] , op het concept-rapport schrijft [naam4] : ”In paragraaf 4.3.1 heb ik de stelling van betrokkene besproken dat hij - het ongeval\n\nweggedacht - na zijn inburgering had willen werken of door had willen leren. Met\n\nbetrekking tot eventuele scholing had betrokkene nog geen vastomlijnd idee in welke\n\nrichting hij dat had willen doen. Vanuit het opleidings- en arbeidsverleden voorafgaand\n\naan het ongeval, heb ik geen aanknopingspunten gevonden om te beargumenteren dat\n\nbetrokkene - het ongeval weggedacht - alsnog een niveau verhogende opleiding zou\n\nhebben gevolgd. De heer Dolderman betoogt dat juist in die fase daartoe mogelijkheden zouden hebben kunnen ontstaan en dat het ongeval betrokkene die kans heeft ontnomen. Echter, ook in de hypothetische situatie zonder ongeval heb ik geen aanknopingspunten om aan te nemen dat betrokkene dan alsnog - op inmiddels bijna 35-jarige leeftijd - een hoger opleidingsniveau had kunnen bereiken dan in de jaren daarvoor.\n\nMet name ontbreken aanknopingspunten dat betrokkene daartoe het potentieel zou\n\nhebben gehad; de voorgeschiedenis biedt daar geen steun voor. In paragraaf 4.2 heb\n\nik uiteengezet dat het opleidings- en arbeidsverleden van betrokkene aanleiding geeft\n\nom het functioneren van betrokkene op maximaal functieniveau 2 in te schatten. Vanuit\n\ndie geschiedenis kan ik niet onderschrijven dat betrokkene in de hypothetische situatie\n\nzonder ongeval - op of na circa 35-jarige leeftijd - alsnog een hoger (opleidings)niveau\n\nhad kunnen bereiken.(…)Met betrekking tot het antwoord op vraag 5 het volgende. Met het woord 'eveneens'\n\nbenoem ik dat het verdienvermogen van betrokkene in de hypothetische situatie\n\nzonder ongeval grosso modo gelijk is aan de theoretische verdiencapaciteit na ongeval\n\nop basis van de geduide belastbaarheid. Dat is nog zonder beschouwing van het\n\nwerkloosheidsrisico. De genoemde 100% tot 120% van het wettelijk minimumloon is\n\neen bandbreedte; in het antwoord op vraag 5 geef ik aan dat medeweging van het\n\nwerkloosheidsrisico ertoe leidt dat het verdienvermogen zonder ongeval dichterbij de\n\n100% dan bij de 120% van het wettelijk minimumloon moet worden geschat. In de\n\nsituatie na ongeval heb ik het werkloosheidsrisico apart benoemd in het antwoord op\n\nvraag 4. Hieruit volgt dat het werkloosheidsrisico in de situatie na ongeval (veel) groter\n\nis dan in de hypothetische situatie zonder ongeval.”5. 5. De beoordeling van het geschil\n\nDe geschilpunten in hoger beroep5.1 De grieven van [appellant] tegen de beslissing in het deelgeschil en de verschillende (tussen)vonnissen van de rechtbank hebben alleen betrekking op de beslissingen van de rechtbank over de schade vanwege het verlies van verdienvermogen en de buitengerechtelijke kosten. De beslissingen van de rechtbank over het smartengeld, de kosten van huishoudelijke hulp, het verlies van zelfredzaamheid en de overige schade staan dan ook niet meer ter discussie.\n\n5.2. \n\nTussen partijen staan de rapporten en conclusies van orthopedisch chirurg [naam1]\n\n(zie 4.4 en 4.6), psychiater prof. [naam2] (zie 4.8) en verzekeringsgeneeskundige [naam3] (zie 4.9) ook niet ter discussie. Het hof kan dan ook uitgaan van de juistheid van die rapporten en conclusies.\n\nVerlies van verdienvermogen - uitgangspunten5.3 De rechtbank heeft de vordering van [appellant] betreffende het verlies van verdienvermogen afgewezen. De rechtbank heeft op basis van het rapport van arbeidsdeskundige [naam4] (zie 4.10) vastgesteld dat het verdienvermogen van [appellant] in de situatie na ongeval gelijk is aan het verdienvermogen in de hypothetische situatie zonder ongeval. Om die reden is volgens de rechtbank geen sprake van een verlies aan verdienvermogen. Dat [appellant] feitelijk niet in staat is om zijn verdienvermogen te realiseren, kan volgens de rechtbank niet aan Allianz worden toegerekend.\n\n5.4. De rechtbank heeft terecht vooropgesteld dat de schade wegens verlies aan verdienvermogen moet worden begroot door het verdienvermogen in de hypothetische situatie zonder ongeval te vergelijken met het verdienvermogen in de werkelijke situatie na ongeval. Tussen partijen staat dat ook niet discussie. Uit het rapport van arbeidsdeskundige [naam4] volgt dat [appellant] in theoriein staat is om in de situatie na ongeval een inkomen te realiseren dat gelijk is aan het inkomen in de hypothetische situatie, maar dat de kans klein is dat hij die theoretische verdiencapaciteit zal realiseren. In de praktijk is daarvan nog geen sprake geweest ( [appellant] heeft immers een uitkering op grond van de Participatiewet) en het is niet te verwachten dat dit zal veranderen.\n\n5.5. Voor de te maken vergelijking is in beginsel niet het theoretische maar het feitelijke verdienvermogen na ongeval bepalend. Wanneer, zoals in dit geval, het theoretische verdienvermogen niet is gerealiseerd en naar verwachting ook niet zal worden gerealiseerd, rijst de vraag wat daarvan de oorzaak is. Als die oorzaak (mede) is gelegen in het feit dat [appellant] zijn schadebeperkingsplicht heeft geschonden (of in andere omstandigheden die aan hem kunnen worden toegerekend), dient naar de maatstaf van artikel 6:101 BW te worden beoordeeld of en in hoeverre de verplichting van Allianz om de schade vanwege het verlies aan verdienvermogen (het verschil tussen het verlies aan verdienvermogen in de situatie zonder ongeval en na ongeval) te vergoeden moet worden verminderd. In dat geval moet eerst een causale verdeling worden gemaakt van de omstandigheden die aan [appellant] en Allianz kunnen worden toegerekend waarna moet worden beoordeeld of een billijkheidscorrectie op zijn plaats is. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling is ook gebleken dat de door de rechtbank gehonoreerde stelling van Allianz dat het feit dat [appellant] zijn theoretisch verdienvermogen na ongeval niet heeft gerealiseerd niet aan haar kan worden toegerekend, moet worden gezien als een beroep op de schadebeperkingsplicht\u002Feigen schuld van [appellant] . De stelplicht en bewijslast betreffende de omstandigheden die aan [appellant] moeten worden toegerekend, rusten op Allianz.\n\n5.6. Het hof zal hierna eerst het geschil van partijen over het verdienvermogen van [appellant] in de hypothetische situatie zonder ongeval bespreken en daarna ingaan op het verdienvermogen in de situatie na ongeval.\n\nVerdienvermogen zonder ongeval5.7 De rechtbank is ervan uitgegaan dat [appellant] in de situatie zonder ongeval vanaf 2004 een inkomen van 100% tot 120% van het minimumloon had kunnen verwerven. De rechtbank heeft zich daarbij gebaseerd op het rapport van arbeidsdeskundige [naam4] . [appellant] is het niet eens met dit uitgangspunt. Volgens hem zijn de doorgroeimogelijkheden in de logistiek rooskleuriger dan [naam4] in zijn rapport heeft vermeld. [naam4] heeft bovendien geen rekening gehouden met toeslagen en met de plannen van [appellant] om een opleiding als lasser te gaan volgen.\n\n5.8. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad komt het bij de bepaling van de situatie zonder ongeval aan op ‘redelijke verwachtingen’ over toekomstige ontwikkelingen en een afweging van goede en kwade kansen. Op de benadeelde rust weliswaar de bewijslast van de schade wegens het derven van arbeidsinkomsten zonder ongeval, maar aan dat bewijs mogen geen al te strenge eisen worden gesteld. Zo nodig krijgt de benadeelde het voordeel van de twijfel omdat het de aansprakelijke partij is die hem de mogelijkheid heeft ontnomen zekerheid te verschaffen over wat in de hypothetische situatie zou zijn gebeurd. Centraal staan dus de redelijke verwachtingen. Die redelijke verwachtingen zullen doorgaans samenvallen met de realistische verwachtingen, de verwachtingen die, op basis van zoveel mogelijk concrete aanknopingspunten, overeenkomen met de voor deze benadeelde te verwachten normale gang van zaken.\n\n5.9. Arbeidsdeskundige [naam4] heeft in zijn rapport naar het oordeel van het hof helder en duidelijk uiteengezet dat [appellant] , gelet op zijn opleiding, arbeidsverleden en taalvaardigheid ook in de hypothetische situatie zonder ongeval aangewezen zou zijn op - kort gezegd - ongeschoold werk en dat met dit werk een inkomen van hooguit 20% boven het minimumloon valt te verdienen. Van [naam4] heeft ook inzichtelijk gemaakt dat het bij dit werk doorgaans om flexwerk gaat, waardoor de doorgroeimogelijkheden naar een hogere schaal en trede zeer beperkt zijn. Hij heeft dit geïllustreerd met de ervaringen van [appellant] bij TNT-Post in de situatie na ongeval; het contract van [appellant] bij TNT-Post is ook niet verlengd. Ook heeft [naam4] helder uiteengezet dat en waarom de stelling van [appellant] dat hij zonder ongeval een opleiding tot lasser zou hebben gevolgd niet realistisch is; [appellant] miste de daarvoor vereiste startkwalificaties gezien zijn opleiding en arbeidsverleden en beperkte beheersing van de Nederlandse taal.\n\n5.10. Gelet op het rapport van [naam4] heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat een redelijke verwachting van de situatie zonder ongeval inhoudt dat hij een inkomen van meer dan 120% van het minimumloon zou hebben verworven. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft [appellant] nog betoogd dat indien Allianz hem beter zou hebben begeleid hij er beter voor zou hebben gestaan. [appellant] miskent dat hij in de situatie zonder ongeval niets met Allianz te maken zou hebben gehad. Allianz zou hem (ook) in die situatie niet hebben begeleid. [appellant] heeft ook verwezen naar informatie op een website waaruit zou blijken dat in de logistiek inmiddels ruimschoots meer dan het minimumloon wordt verdiend. Met deze enkele verwijzing, zonder enige context, heeft [appellant] het goed onderbouwde rapport van [naam4] , die als arbeidsdeskundige geacht mag worden toegang te hebben tot alle relevante informatie over lonen en loonontwikkelingen, onvoldoende weerlegd.\n\n5.11. Het hof zal [naam4] dan ook volgen in zijn benadering van het inkomen zonder ongeval. [naam4] heeft een marge van 100% tot 120% van het minimumloon aangehouden. Het hof zal, rekening houdend met goede en kwade kansen, uitgaan van een inkomen gelijk aan 110% van het minimumloon vanaf 1 juli 2004. Het hof neemt daarbij enerzijds in aanmerking dat [appellant] ten tijde van het ongeval nog geen werk had en dat, zoals [naam4] aangeeft, bij de banen waarop [appellant] aangewezen zou zijn geweest, sprake is van een werkloosheidsrisico. Omdat het veelal flexwerk betreft, is dat risico hoger dan gebruikelijk, al was het maar omdat met relatief korte tussenpozen ander werk gevonden moet worden. Anderzijds houdt het hof er, in het voordeel van [appellant] , rekening mee dat hij mogelijk (overwerk) toeslagen zou hebben ontvangen, waardoor zijn inkomen hoger zou zijn geweest. Per saldo komt het hof dan halfweg de door [naam4] genoemde bandbreedte uit.\n\nVerdienvermogen met ongeval5.12 [appellant] had ten tijde van het ongeval een bijstandsuitkering. In maart 2007 is hij bij TNT Post gaan werken. In maart 2009 is zijn tweemaal verlengde contract voor bepaalde tijd niet verlengd. [appellant] heeft toen een WW-uitkering gekregen. Van mei 2011 tot mei 2012 werkte hij als schoonmaker. Na de operatie van dat jaar aan zijn enkel (zie 4.1) heeft hij niet meer gewerkt. Hij ontvangt sindsdien een uitkering op grond van de Participatiewet. Volgens [appellant] heeft de gemeente Zwolle hem ontheven van de op grond van die wet op hem rustende verplichting om te solliciteren. Hoewel stukken die dat bevestigen ontbreken, gaat het hof ervan uit dat dit het geval is. Niet ter discussie staat dat [appellant] niet gesolliciteerd heeft en toch niet is gekort op zijn uitkering. Dat biedt voldoende steun voor de stelling van [appellant] dat hij inderdaad is ontheven van de sollicitatieverplichting. Beide partijen gaan ervan uit dat [appellant] niet meer aan het werk zal komen omdat de afstand tot de arbeidsmarkt te groot is geworden, zoals arbeidsdeskundige [naam4] heeft vastgesteld. Het hof zal daar ook vanuit gaan.\n\n5.13. \n [appellant] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij na de operatie in 2012 niet meer heeft gesolliciteerd omdat hij vond dat hij vanwege pijnklachten niet kon werken. Volgens [appellant] is hij om die reden nog steeds niet tot werken in staat. De ook door [appellant] onderschreven rapporten van orthopedisch chirurg [naam1] , psychiater [naam2] en verzekeringsgeneeskundige [naam3] bieden echter geen steun voor de juistheid van die gedachte. Uit deze rapporten volgt dat er inderdaad sprake is van enkele beperkingen. [naam3] heeft die beperkingen uitgewerkt in een beperkingenlijst. Uit het op dit punt niet bestreden rapport van arbeidsdeskundige [naam4] blijkt dat die beperkingen op zichzelf niet aan het verrichten van loonvormende arbeid in de weg staan.\n\n5.14. Het tweede rapport van [naam1] en de andere rapporten zijn enkele jaren na 2012 opgesteld en geven dus niet zonder meer antwoord op de vraag of [appellant] in 2012 ook niet in staat was te werken. In dit verband is van belang dat [appellant] aanvoert dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het feit dat hij niet alleen geconfronteerd is met fysieke beperkingen maar ook met psychische klachten. Het rapport van psychiater [naam2] biedt inderdaad steun voor de gedachte dat [appellant] rond 2012 psychische klachten heeft ontwikkeld die [appellant] zelf in verband brengt met het ongeval. Volgens [naam2] lijken die klachten verbonden met “de omineuze betekenis die hij geeft aan de prognose van zijn lichamelijke klachten.” Het hof gaat ervan uit dat [naam2] doelt op het feit dat [naam1] in zijn eerste expertiserapport, van september 2010, heeft geconcludeerd dat nog geen sprake is van een eindtoestand vanwege de te verwachten (langzaam progressieve) degeneratieve veranderingen van de rechterknie. In het licht van dit alles is voldoende aannemelijk dat [appellant] in 2012 psychische klachten heeft gehad omdat hij bang was dat de situatie van zijn rechterknie verder zou verslechteren. Die angst is, gelet op het tweede rapport van [naam1] uit oktober 2015 onterecht gebleken, maar toen dat duidelijk werd, zat [appellant] al drie jaren thuis.\n\n5.15. Tussen partijen staat niet ter discussie dat geen poging is ondernomen om [appellant] te re-integreren. Partijen wijzen daarvoor naar elkaar. Allianz meent dat [appellant] daar ten onrechte niet om heeft gevraagd en daar ook niet op zat te wachten en [appellant] vindt dat Allianz ten onrechte niet heeft aangeboden hem te helpen om te re-integreren. [appellant] heeft Allianz wel om hulp gevraagd, stelt hij. Voor die stelling zijn wel aanknopingspunten te vinden. In de procedure in het deelgeschil heeft hij de rechtbank verzocht om Allianz te veroordelen mee te werken aan de re-integratie en de kosten daarvan te betalen. In de aanvulling op zijn verzoekschrift in het deelgeschil, in september 2012, heeft hij daarvoor een concreet voorstel gedaan. In dat verband heeft hij een offerte van AOB Compaz overgelegd betreffende een re-integratietraject. Dat traject houdt onder meer in dat de betrokkene wordt gestimuleerd los te komen uit zijn oude situatie, waardoor er “ruimte ontstaat voor een transitie naar een nieuwe situatie”. In die nieuwe situatie wordt de betrokkene intensief begeleid naar een nieuwe plek op de arbeidsmarkt. Gelet hierop is de stelling van Allianz dat re-integratie geen kans van slagen had omdat [appellant] meende niet meer te kunnen werken, niet op. Het re-integratietraject was er nu juist op gericht om [appellant] te stimuleren los te komen van de gedachte dat hij niet meer kon werken. Er kan ook niet van worden uitgegaan dat indien toen actie was ondernomen de kans dat [appellant] aan het werk zou zijn gekomen minimaal zou zijn geweest, zoals 9 jaar later, toen [naam4] rapporteerde, wel het geval was. Allianz had toen haar bekend werd dat [appellant] niet meer aan het werk was, moeten aanbieden om [appellant] te helpen met zijn re-integratie, al helemaal toen [appellant] zelf met een concreet voorstel voor een re-integratietraject kwam. [appellant] , die een inkomen rond het bestaansminimum had, kon de kosten van zo’n traject immers niet zelf betalen. In deze situatie, waarin Allianz niet zelf het initiatief heeft genomen tot een re-integratie van [appellant] , geweigerd heeft om het traject bij AOB Compaz te vergoeden en [appellant] niet de financiële middelen had om zelf dat traject te bekostigen, kan Allianz zich er niet met succes op beroepen dat [appellant] op dit punt heeft stilgezeten. Voor zover Allianz zich erop beroept dat [appellant] zijn schadebeperkingsplicht heeft geschonden door geen re-integratietraject te bewandelen, faalt dat beroep. Anderzijds verwijt [appellant] Allianz terecht dat zij op het punt van zijn re-integratie is tekortgeschoten.\n\n5.16. Van belang is nog dat [appellant] ook zonder ongeval al een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt had. Door het ongeval zijn [appellant] ’s mogelijkheden om betaald werk te verrichten verder beperkt. Voor werk in de logistiek, de industrie en de horeca - belangrijke sectoren voor laaggeschoold werk - is hij volgens het rapport van arbeidsdeskundige [naam4] niet meer geschikt.\n\n5.17. Al met al heeft de (gelet op wat in 5.13 is overwogen: onjuiste) beslissing van [appellant] in 2012 om geen werk meer te zoeken eraan bijgedragen dat hij zijn theoretische verdiencapaciteit niet heeft benut en dat zijn theoretische en zijn feitelijke verdienvermogen uiteenlopen. Maar die aan hem toe te rekenen keuze is niet de enige omstandigheid die daaraan heeft bijgedragen. Ook de omstandigheid dat [appellant] door zijn beperkingen minder mogelijkheden had en heeft om zijn theoretische verdiencapaciteit te benutten en de omstandigheid dat Allianz niets heeft ondernomen om hem te helpen met zijn re-integratie, hebben eraan bijgedragen dat [appellant] ook na 2012 niet meer aan de slag is gekomen en dat zijn afstand tot de arbeidsmarkt alleen maar is toegenomen. Het hof is van oordeel dat de keuze van [appellant] om geen werk meer te zoeken een tweemaal zo hoge bijdrage heeft geleverd aan het negatieve verschil tussen feitelijke en theoretische verdiencapaciteit als de aan Allianz toe te rekenen omstandigheden. Op grond van de causale verdeling is dan ook een percentage ‘eigen schuld’ van 66,67 % op zijn plaats. Het hof ziet reden voor een billijkheidscorrectie tot 50% vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten. Enerzijds valt [appellant] gezien zijn psychische problematiek in 2012 een minder groot verwijt te maken van zijn onjuiste keuze en anderzijds valt het Allianz als professionele partij aan te rekenen dat zij in 2012 en nadien (nadat zij eerst vier jaar had geprocedeerd over de aansprakelijkheid en nadat vervolgens na vier jaar nog steeds geen regeling was bereikt) geen concrete stappen heeft ondernomen om te onderzoeken of de schade van [appellant] niet kon worden beperkt.\n\n5.18. De conclusie is dat in de situatie na ongeval tot 1 juli 2012 kan worden uitgegaan van het feitelijke inkomen van [appellant] . Voor de situatie vanaf 1 juli 2012 tot aan diens pensioengerechtigde leeftijd moet ook worden uitgegaan van het feitelijk inkomen. Maar als over die periode sprake is van schade, doordat het feitelijk inkomen lager is dan het hypothetisch inkomen, dient hij de helft van die schade zelf te dragen..\n\nDe schadeberekening5.19 Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat [appellant] , anders dan de rechtbank heeft beslist, mogelijk wel schade vanwege verlies verdienvermogen heeft geleden en zal lijden. Het hof kan niet zelf bepalen of sprake is van schade en kan, als daarvan sprake is, de omvang niet zelf begroten. Daarvoor zal een rekenkundige moeten worden ingeschakeld. Tijdens de mondelinge behandeling heeft het hof met partijen de mogelijkheid van de benoeming van een rekenkundige besproken. Partijen hebben te kennen gegeven in te stemmen met de benoeming van de heer [naam5] van het Nederlands rekencentrum Letselschade (NRL). De heer [naam5] heeft desgevraagd aangegeven bereid te zijn een berekeningsrapport op te stellen. Hij zal in zijn rapport ook rekening houden met de consequenties van het feit dat [appellant] een uitkering van de Participatiewet ontvangt en ook in de toekomst op die uitkering aangewezen zal zijn.\n\n5.20. \n [naam5] heeft aangegeven dat hij voor zijn werkzaamheden, uitgaande van een uurtarief van € 230,- ex btw, een voorschot van € 7.500,- inclusief btw verlangt. Het hof zal Allianz als de aansprakelijke partij belasten met de betaling van het voorschot.\n\nBuitengerechtelijke kosten5.21 De door [appellant] gevorderde buitengerechtelijke kosten bestaan allereerst uit medische kosten. Het gaat om kosten van de door hem ingeschakelde medische adviseur, kosten voor het opvragen van medische informatie en om de kosten van het eerste expertiserapport van [naam1] . [appellant] heeft bij de memorie van grieven een specificatie overgelegd van deze kosten. Allianz heeft die specificatie onvoldoende weersproken, zodat het hof van de juistheid ervan uitgaat. Dat betekent dat [appellant] nog aanspraak heeft op betaling van € 3.338,66.\n\n5.22. \n [appellant] vordert ook ruim € 64.000,- aan tolk- en vertaalkosten. Aan [appellant] is al € 15.000,- aan vertaalkosten toegekend. Dat is al fors. Dat nog veel meer kosten zijn gemaakt, heeft hij in het licht van het verweer van Allianz onvoldoende onderbouwd. Deze vordering is dan ook niet toewijsbaar.\n\n5.23. Dat geldt ook voor de gevorderde kosten over de periode tot 29 juli 2008. Gedurende het grootste deel van die periode procedeerden partijen over de aansprakelijkheid van London Verzekeringen. Indien [appellant] in die periode kosten heeft gemaakt, vallen die onder het bereik van een eventuele proceskostenveroordeling.\n\n5.24. Ten slotte heeft [appellant] bijna € 110.000,- aan buitengerechtelijke kosten en € 13.500,- aan kosten van telefoongesprekken (kennelijk gesprekken van zijn belangenbehartiger) gevorderd. Allianz heeft deze vordering bestreden. Het betreft volgens haar een exorbitant bedrag dat niet in verhouding staat tot de omvang van de vordering en de (geringe) complexiteit van de zaak. Bovendien zitten er dubbelingen in omdat [appellant] ook is bijgestaan door achtereenvolgens vier advocaten. Dat laatste verweer gaat niet op. Ter zitting is gebleken dat de advocaten geen buitengerechtelijke kosten in rekening hebben gebracht en zullen brengen aan Allianz. De kosten van die advocaten zitten ook niet in de gevorderde buitengerechtelijke kosten. Het hof zal dan ook een bedrag aan buitengerechtelijke kosten toewijzen. Indien de gehele vordering wordt afgewezen, zoals Allianz betoogt, zou dat betekenen dat er - afgezien van de kosten van het deelgeschil - in het geheel geen buitengerechtelijke kosten zouden worden vergoed. Daar staat tegenover dat het gevorderde bedrag het hof als fors bovenmatig voorkomt, gelet op het feit dat de kosten betrekking hebben op een periode van maximaal 8 jaar (tussen het arrest van het hof en het aanhangig maken van de procedure over de omvang van de schade bij de rechtbank) en het er niet op lijkt dat partijen in die periode intensief onderhandeld hebben. Het hof zal, als partijen geen regeling bereiken, in het eindarrest een beslissing nemen over de hoogte van het bedrag aan buitengerechtelijke kosten.5.25. \n\n [appellant] heeft grote bedragen aan wettelijke rente gevorderd. Die bedragen zijn zo opgelopen omdat [appellant] ten onrechte de handelsrente in rekening heeft gebracht. Ter zitting is gebleken dat [appellant] nog geen vergoeding voor buitengerechtelijke kosten heeft betaald en dat die vergoeding ook nog niet opeisbaar is. [appellant] heeft nog geen facturen ontvangen. Dat betekent dat de vordering tot vergoeding van wettelijke rente niet toewijsbaar is.\n\nDe conclusie5.26 Het hof zal een rekenkundige benoemen. In afwachting van diens rapport en de reacties van partijen daarop wordt iedere verdere beslissing aangehouden.\n\n6. De beslissing\n\nHet hof:\n\n6.1. \n\nHet hof benoemt tot deskundige:\n\n [naam5] , postbus 341, 2501 CH Den Haag, e-mail: [naam5] @nrl.nl\n\nom een onderzoek in te stellen en schriftelijk bericht uit te brengen over de volgende vragen: a. Wilt u de schade van [appellant] vanwege verlies van verdienvermogen berekenen vanaf 1 juli 2004 tot aan diens pensioengerechtigde leeftijd en daarbij de volgende uitgangspunten hanteren: - een inkomen zonder ongeval van 110% van het minimumloon; - een inkomen na ongeval gelijk aan het feitelijke inkomen - een percentage eigen schuld van 50% vanaf 1 juli 2012; - een rekenrente op basis van de meest recente aanbeveling van de rechtspraak? b. Wilt u op basis van de door u in te winnen informatie bij de gemeente(n) van wie [appellant] een bijstandsuitkering\u002Fuitkering op grond van de Participatiewet ontvangen heeft aangeven of (en in hoeverre) [appellant] zijn aanspraken op de ontvangen uitkering behoudt en in de toekomst aanspraak op een uitkering zal blijven houden? Wilt u ook aangeven wat de consequenties van een en ander zijn geweest voor uw berekening? c. Wilt u een berekening maken van de wettelijke rente per 1 januari 2024 over de door u berekende schadebedragen tot en met 31 december 2023? d. Geeft uw onderzoek u reden om opmerkingen te maken die voor de beoordeling van het geschil van belang kunnen zijn?\n\n6.2. Het hof stelt het voorschot van de deskundige vast op € 7.500,- (inclusief omzetbelasting), tenzij partijen binnen 14 dagen schriftelijk bezwaar maken tegen de hoogte van het voorschot. In dat geval zal het hof op dat bezwaar beslissen. Allianz moet het voorschot betalen. Aanwijzingen voor de deskundige\n\n6.3. Pas als de griffier heeft laten weten dat het voorschot is betaald, hoeft de deskundige met het onderzoek te beginnen.\n\n6.4. De deskundige moet schriftelijk antwoorden op de hiervoor geformuleerde vragen. Hij dient zijn concept-rapport voor commentaar aan partijen voorleggen en in zijn definitieve rapport op het commentaar van partijen te reageren.\n\n6.5. Bij de uitvoering van het onderzoek moet de deskundige de Leidraad deskundige in civiele zaken volgen die is gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.\n\n6.6. Als de deskundige vragen heeft, kan hij die stellen aan mr. H. de Hek als raadsheer- commissaris.\n\n6.7. Het ondertekende deskundigenbericht moet vóór (20 mei 2024) worden gestuurd aan de griffie van dit hof (postbus 1704, 8901 CA in Leeuwarden).\n\nAanwijzingen voor partijen\n\n6.8. Het Landelijke Dienstencentrum voor de Rechtspraak zal aan Allianz een voorschotfactuur sturen van € 7.500,- (inclusief btw). Dit voorschot moet binnen 4 weken na de datum op de factuur zijn betaald.\n\n6.9. \n [appellant] moet aan de deskundige een kopie van het dossier sturen. De griffier stuurt de deskundige een kopie van dit arrest.\n\n6.10. Partijen moeten de deskundige de inlichtingen geven waarom deze vraagt.\n\n6.11. Op dinsdag 18 juni 2024 kan [appellant] op het deskundigenbericht reageren. Op dinsdag 16 juli 2024 mag Allianz daarop reageren.\n\n6.12. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. H. de Hek, J.E. Wichers en J.C.J. Dute, en is door de rolraadsheer in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op\n\n20 februari 2024.\n\n HR 13 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9243 (B\u002FOliviers).\n\n HR 15 mei 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2654 (Vehof\u002FHelvetia) en 14 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4277 (Van ’t Sas\u002FInterpolis).\n\n Het deel van grief I dat over dit onderwerp gaat faalt.\n\n Zie ook HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3532.\n\n De grieven I en II slagen gedeeltelijk.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2024:1232","2026-07-13T00:28:55.910Z",20,[103,104,11,105],2026,2025,2023]