[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-road-traffic-nl-2026":3},{"detail":4,"years":209},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":39,"total":207,"page":14,"limit":208},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},65,"road-traffic-nl","Road Traffic","NL","2026-07-08T16:54:19.226Z",2026,[13,16,18,20,22,24,27,29,31,33,35,37],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":14},2,{"month":19,"count":17},3,{"month":21,"count":19},4,{"month":23,"count":15},5,{"month":25,"count":26},6,21,{"month":28,"count":23},7,{"month":30,"count":15},8,{"month":32,"count":15},9,{"month":34,"count":15},10,{"month":36,"count":15},11,{"month":38,"count":15},12,[40,54,62,72,81,90,99,107,115,122,131,138,146,153,160,168,176,184,193,200],{"id":41,"ecli":42,"slug":43,"caseNumber":44,"courtId":45,"decisionDate":46,"fullText":47,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":50,"sourceTimestamp":51,"parsedAt":52,"updatedAt":53},"829","ECLI:NL:GHDHA:2026:2238","ecli-nl-ghdha-2026-2238","",58,"2026-07-08T00:00:00.000Z","Rolnummer: 22-003380-25\n\nParketnummer: 10-180764-21\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 12 oktober 2022 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n[verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,\n\nthans gedetineerd in [detentieadres].\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en - na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden (hierna: de Hoge Raad) - het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 primair impliciet primair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair en het onder 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren met aftrek van voorarrest en is aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs-maatregel) met bevel tot verpleging van overheidswege opgelegd. Voorts is aan de verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 10 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) opgelegd. Verder is een beslissing genomen op de vordering tot ontzetting van de verdachte uit het recht om het beroep uit te oefenen van beroepschauffeur, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Tot slot zijn beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen en over het inbeslaggenomen voorwerp, zoals eveneens nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nIn hoger beroep heeft het hof de verdachte bij arrest van 16 juli 2024 ter zake van het onder 1 primair impliciet primair tenlastegelegde vrijgesproken en de verdachte ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair tenlastegelegde en het onder 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is aan de verdachte opgelegd de tbs-maatregel met bevel tot verpleging van overheidswege en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 10 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994. Tot slot zijn er beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen en over het inbeslaggenomen voorwerp, zoals nader omschreven in het arrest van het hof van 16 juli 2024.\n\nTegen dat arrest is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld.\n\nBij arrest van 11 november 2025 heeft de Hoge Raad de uitspraak van het hof vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij] voor zover daarin een bedrag van € 17.500,- voor vergoeding van affectieschade en een bedrag van € 25.000,- voor vergoeding van schokschade is begrepen en de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [de benadeelde partij].\n\nDe Hoge Raad overwoog (onder meer):\n\n“3.5\n\nHet hof heeft vastgesteld dat de benadeelde partij niet als levensgezel in de zin van\n\nartikel 6:108 lid 4, aanhef en onder b, BW kan worden beschouwd, omdat zij niet duurzaam\n\nmet het slachtoffer een gemeenschappelijke huishouding voerde, maar dat zij wel in een\n\n‘LAT-relatie’ stond met het slachtoffer. Volgens het hof heeft zij ‘daarmee’ in voldoende\n\nmate aangetoond dat haar relatie met het slachtoffer zodanig was, dat zij als ‘naaste’ in de\n\nzin van artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder g, BW kan worden aangemerkt.\n\nDat oordeel is niet toereikend gemotiveerd. Daarbij is van belang dat de onder 3.2.2\n\nweergegeven bijlage van het ‘Verzoek tot Schadevergoeding’ van de benadeelde partij\n\nweliswaar inhoudt dat sprake was van een ‘hechte en duurzame’ LAT-relatie tussen de\n\nbenadeelde partij en het slachtoffer, maar dat de daaraan door de benadeelde partij ten\n\ngrondslag gelegde stellingen door de verdediging zijn betwist onder verwijzing naar het\n\nontbreken van stukken waaruit dit blijkt. Bij die stand van zaken had het hof aan de hand\n\nvan de onderbouwing van de stellingen over en weer moeten beoordelen of de feiten en\n\nomstandigheden die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden - in het bijzonder de\n\nonderbouwing door de benadeelde partij van de in de wetsgeschiedenis bedoelde duur en\n\nhechtheid van de relatie - in voldoende mate zijn komen vast te staan.\n\n3.6\n\nHet cassatiemiddel slaagt. Dat brengt mee dat ook de oplegging van de in artikel 36f lid 1\n\nvan het Wetboek van Strafrecht voorziene maatregel ten behoeve van de benadeelde partij\n\nniet in stand kan blijven (vgl. HR 18juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:901).\n\nIn de omstandigheid dat het hof – in overeenstemming met het arrest van de Hoge Raad van 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958, rechtsoverweging 3.9 – bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding van schokschade rekening heeft gehouden met de hoogte van de vergoeding van de affectieschade, ziet de Hoge Raad aanleiding om de zaak ook terug te wijzen ten aanzien van de beslissing over de vergoeding van schokschade.\n\n4. Beslissing\n\nDe Hoge Raad:\n\n- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de\n\nvordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij] voor zover daarin een bedrag van\n\n€ 17.500,- voor vergoeding van affectieschade en een bedrag van € 25.000,- voor\n\nvergoeding van schokschade is begrepen en de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [de benadeelde partij];\n\n- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien van de\n\nbeslissing op de vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij] ter zake van\n\naffectieschade en schokschade en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel\n\nten behoeve van [de benadeelde partij] opnieuw wordt berecht en afgedaan;\n\n- verwerpt het beroep voor het overige.”\n\nOmvang van de zaak\n\nGelet op het arrest van de Hoge Raad is de zaak aan het oordeel van het hof onderworpen, uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij] ten aanzien van de gevorderde affectieschade en schokschade en ten aanzien van de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nVordering tot schadevergoeding [de benadeelde partij]\n\nIn het onderhavige strafproces heeft [de benadeelde partij], de partner van [het slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 52.068,19.\n\nGelet op de beslissing van de Hoge Raad is thans uitsluitend de vordering tot vergoeding van immateriële schade van € 47.500,- aan de orde, bestaande uit een bedrag van € 17.500,- voor affectieschade en een bedrag van € 30.000,- voor schokschade.\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in voldoende mate heeft aangetoond dat haar relatie met het slachtoffer zodanig was dat zij als naaste in de zin van artikel 6:108 lid 4 onder g van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan worden aangemerkt. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 42.500,-, bestaande uit een bedrag van € 17.500,- voor affectieschade en een bedrag van € 25.000,- voor schokschade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nDe verdediging heeft het bestaan van een LAT-relatie tussen de benadeelde partij en het slachtoffer niet betwist, maar wel de intensiteit, de aard en de duur daarvan ter discussie gesteld. De verdediging betwist dat er sprake was van een langdurige, hechte LAT-relatie, zodat [de benadeelde partij] niet als naaste in de zin van artikel 6:108 lid 4 onder g BW kan worden aangemerkt.\n\nAffectieschade\n\nOp grond van de sinds 1 januari 2019 in werking getreden Wet Affectieschade kunnen nabestaanden vergoeding van schade vorderen die bestaat uit het verdriet door het overlijden van een naaste, als gevolg van een strafbaar feit. In artikel 6:108 lid 4 BW en artikel 1 van het Besluit Vergoeding Affectieschade is gespecificeerd wie hiervoor in aanmerking komen. Ook staat daarin welke vaste, maximale bedragen per categorie toewijsbaar zijn. Het is een zogenoemd ‘forfaitair stelsel’. Indien een vordering niet onder een van de categorieën uit de wet valt, kan een beroep gedaan worden op de hardheidsclausule (artikel 6:108 lid 4 sub g BW), als een persoon meent toch als naaste in de zin van deze wet te moeten worden aangemerkt. In dat geval zal die benadeelde partij moeten aantonen dat sprake was van een hechte, affectieve relatie met de persoon die is overleden.\n\nTer terechtzitting in hoger beroep na terugwijzing heeft de benadeelde partij, anders dan in eerste aanleg, de grondslag van de vordering tot vergoeding van affectieschade, beperkt tot artikel 6:108 lid 4 sub g BW.\n\nVoor vergoeding van affectieschade op deze grondslag dient te kunnen worden vastgesteld dat er een zodanige nauwe persoonlijke relatie tussen de benadeelde partij en het overleden slachtoffer bestond dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat de benadeelde partij voor de toepassing van artikel 6:108 lid 3 BW als naaste wordt aangemerkt. Daarbij is niet de formele maar de feitelijke verhouding tussen betrokkenen beslissend. Of sprake is van een zodanige nauwe persoonlijke relatie dient te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval, waaronder in het bijzonder de aard, de duur en de intensiteit van de relatie.\n\nTer onderbouwing van de aard, de duur en de intensiteit van de relatie heeft de benadeelde partij, in aanvulling op de eerder ingediende onderbouwing op de vordering, in WhatsApp met het slachtoffer gevoerde gesprekken over de periode 3 januari 2018 tot en met 7 juli 2021 alsmede een aantal foto's van haar met het slachtoffer overgelegd.\n\nOp grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep op 18 juni 2026 is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat tussen de benadeelde partij en het slachtoffer gedurende meerdere jaren sprake was van een hechte affectieve relatie. Ten aanzien van de aard van de relatie is niet betwist dat het een affectieve relatie betrof. Ten aanzien van de intensiteit van deze relatie was sprake van dagelijks - al dan niet telefonisch, via WhatsApp of FaceTime - contact tussen de benadeelde en het slachtoffer. Wat betreft de duur van die relatie neemt het hof in aanmerking dat uit de inhoud van de overgelegde WhatsApp-gesprekken blijkt dat zij in ieder geval in de periode van 3 januari 2018 tot en met 7 juli 2021 (vrijwel) dagelijks contact met elkaar onderhielden via WhatsApp.\n\nMet betrekking tot de aard, de duur en de intensiteit van de relatie acht het hof voorts van belang dat uit de inhoud van de WhatsApp-gesprekken en de door de benadeelde partij gegeven toelichting blijkt dat tussen haar en het slachtoffer sprake was van een liefdesrelatie die verder ging dan een vriendschappelijke relatie. Er was sprake van wederzijdse affectie en intimiteit, zij verbleven meerdere malen per week bij elkaar en zij namen een belangrijke plaats in elkaars leven in. Ze waren elkaars steun en toeverlaat, aldus de benadeelde partij. Naar het oordeel van het hof wijzen deze omstandigheden op een hechte affectieve relatie over tenminste een periode van drieënhalf jaar.\n\nVoorts vindt het bestaan van een affectieve relatie steun in de overgelegde brief van ARQ Nationaal Psychotrauma Centrum van 9 december 2021, opgesteld door [naam diagnostisch medewerker], diagnostisch medewerker, mede namens [naam psychiater], psychiater, waarin wordt gesproken over behandeling, gericht op trauma- en rouwklachten over het verlies van haar partner.\n\nUit de door de benadeelde partij ter onderbouwing van de vordering aangevoerde omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, maakt het hof op dat tussen haar en het slachtoffer sprake was van een zodanige nauwe persoonlijke relatie, te weten een langdurige, hechte LAT-relatie, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat de benadeelde partij voor de toepassing van artikel 6:108 lid 3 jo lid 4 sub g BW als naaste wordt aangemerkt.\n\nGelet daarop zal het hof het voor naasten bepaalde forfaitaire schadebedrag van € 17.500,- wegens affectieschade toewijzen.\n\nSchokschade\n\nVan de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ kan sprake zijn als door het waarnemen van het strafbare feit of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok bij de benadeelde partij is teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit, hetgeen zich met name zal kunnen voordoen indien iemand tot wie de aldus getroffene in een nauwe affectieve relatie staat, bij het tenlastegelegde is gedood of gewond is geraakt (zogenoemde ‘schokschade’).\n\nVoor de toewijzing van schadevergoeding vanwege schokschade is vereist dat het bestaan van geestelijk letsel naar objectieve maatstaven is vastgesteld. In de rechtspraak over schokschade is in dat verband steeds overwogen dat dit in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarmee is beoogd tot uitdrukking te brengen dat die emotionele schok moet hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en\u002Fof gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar. Dit brengt mee dat als de rechter op grond van een rapportage van een ter zake bevoegde en bekwame deskundige – waarbij gedacht kan worden aan een ter zake bevoegde en bekwame psychiater, huisarts of psycholoog – tot het oordeel komt dat sprake is van geestelijk letsel in de hiervoor bedoelde zin, hij tot toewijzing van schadevergoeding kan overgaan, ook als in die rapportage geen diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld wordt gesteld\n\n(zie het arrest van de Hoge Raad van 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958, r.o. 3.7).\n\nOp grond van de toelichting op de vordering door de benadeelde partij en de stukken uit het dossier – kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij na het verongelukken van het slachtoffer als één van de eerste politieambtenaren ter plaatse was. De benadeelde partij heeft het zwaar verminkte lichaam van het slachtoffer in delen verspreid op de straat aangetroffen. Dit is door de verdediging niet betwist.\n\nZoals hiervoor reeds overwogen was sprake van een langdurige, hechte LAT- relatie tussen het slachtoffer en de benadeelde partij. Uit de hiervoor genoemde brief van ARQ Nationaal Psychotrauma Centrum van 9 december 2021 is gebleken dat de benadeelde partij gediagnosticeerd is met een Posttraumatische stressstoornis (PTSS) die is ontstaan door de confrontatie met de gevolgen van het misdrijf. PTSS is een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Ter terechtzitting in hoger beroep op 18 juni 2026 heeft de benadeelde partij toegelicht dat haar behandeling bij de psycholoog ongeveer een half jaar geleden is afgerond. Dit betreft een behandel periode van bijna 5 jaren na het misdrijf. Zij heeft thans nog gesprekken met een geestelijk medewerker.\n\nHet hof stelt vast dat bij de benadeelde partij psychische schade is ontstaan als gevolg van het misdrijf en stelt dan ook vast dat er sprake is van geestelijk letsel waardoor de benadeelde partij in haar persoon is aangetast. Op grond van deze feiten en omstandigheden staat in voldoende mate vast dat de benadeelde partij schokschade heeft opgelopen als gevolg van het bewezenverklaarde.\n\nGelet op alle omstandigheden heeft de verdachte naar het oordeel van het hof daarmee niet alleen jegens het (primaire) slachtoffer, maar ook jegens de benadeelde partij onrechtmatig gehandeld en kan hij aansprakelijk worden gehouden voor de schade die als gevolg van deze hevige emotionele schok bij haar is ontstaan.\n\nTen aanzien van de hoogte van het toe te wijzen bedrag overweegt het hof het volgende.\n\nBij de benadeelde partij is sprake van een samenloop van aanspraken wegens schokschade en affectieschade. Als één van de eerste politieambtenaren die het zeer zwaar verminkte lichaam van het slachtoffer in delen verspreid op de straat heeft aangetroffen, is de emotionele schok zeer hevig geweest. Op grond van de overgelegde brief van ARQ Nationaal Psychotrauma Centrum van 9 december 2021 kan lastig onderscheid worden gemaakt tussen de geestelijke problematiek die het gevolg is van het overlijden van het slachtoffer en de schade die het directe gevolg is van confrontatie met het slachtoffer.\n\nHet hof dient dan ook schattenderwijs naar billijkheid vast te stellen welk bedrag als vergoeding voor schokschade in aanmerking komt. Het hof acht daarbij van belang de hoogte van de toegewezen affectieschade, de aard van de aansprakelijkheid, de ernst van de inbreuk op het rechtsgevoel en de ernst van het psychisch letsel van de benadeelde partij en de gevolgen daarvan voor haar. Voorts betrekt het hof in zijn oordeel hetgeen blijkens rechtspraak in vergelijkbare gevallen door Nederlandse rechters wordt toegekend ter zake van schokschade. Al deze factoren in aanmerking nemend schat het hof naar billijkheid de geestelijke schade van de benadeelde partij op € 25.000,-.\n\nVoor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering voor wat betreft het gevorderde bedrag aan schokschade een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans niet in haar vordering worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.\n\nBetaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [de benadeelde partij]\n\nNu het hof oordeelt dat de verdachte tot een bedrag van € 42.500,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van [de benadeelde partij].\n\nBESLISSING\n\nHet hof, voor zover aan het oordeel van dit hof onderworpen:\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [de benadeelde partij] ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 42.500,00 (tweeënveertigduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van [de benadeelde partij], ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 42.500,00 (tweeënveertigduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 96 (zesennegentig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van [de benadeelde partij] niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente op 7 juli 2021.\n\nDit arrest is gewezen door mr. E.C. van Veen, mr. M.C. Bruining en mr. F.W. Pieters, in bijzijn van de griffier mr. J. Toorens.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2238","2026-07-07T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:50.096Z",{"id":55,"ecli":56,"slug":57,"caseNumber":44,"courtId":58,"decisionDate":51,"fullText":59,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":51,"parsedAt":52,"updatedAt":61},"766","ECLI:NL:GHAMS:2026:1861","ecli-nl-ghams-2026-1861",56,"afdeling strafrecht\n\nparketnummer: 23-000030-25\n\ndatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 23 december 2024 in de strafzaak onder parketnummer 13-296136-23 tegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,\n\nadres: [adres] .Onderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van\n\n23 juni 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.\n\nDe verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat:\n\nhet hof het vonnis aanvult met de hierna volgende bewijsoverwegingen;\n\nde kwalificatie van het onder 1 primair bewezenverklaarde verbeterd leest, in die zin dat sprake is van ‘overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaarlichamelijk letsel wordt toegebracht.’\n\nAanvullende bewijsoverwegingen\n\nDe raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel omdat (enkel) sprake is van zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof dient de vraag te beantwoorden of het door de verdachte bij de aangever [slachtoffer] (verder: [slachtoffer] ) veroorzaakte letsel naar normaal spraakgebruik als ‘zwaar lichamelijk letsel’ (in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994) kan worden aangeduid. Bij de beantwoording van die vraag kunnen verschillende factoren worden betrokken, zoals de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Ook van belang kan zijn in hoeverre tijdens de periode van herstel sprake is van pijn en\u002Fof fysieke beperkingen.\n\nUit de stukken in het dossier kan worden afgeleid dat [slachtoffer] bij het ongeval een hoofdtrauma (hersenschudding) en verschillende wonden en kneuzingen, waaronder een kneuzing van de enkel, heeft opgelopen. [slachtoffer] heeft zich mede als gevolg van aanhoudende klachten (constante hoofdpijn, duizeligheid, verstoorde oogmotoriek, slapeloosheid) na het ongeval onder behandeling moeten stellen van een neuroloog, een fysiotherapeut, een sportarts, een chiropractor en een ergotherapeut. Daarnaast heeft hij EMDR therapie gevolgd in verband met mentale klachten ten gevolge van het ongeval (zie onder meer de hierna te noemen stukken van het UWV, p. 3 van de medische rapportage). In december 2023 werd vastgesteld dat er sprake is van een zogenaamd postcommotioneel syndroom.\n\nIn hoger beroep zijn nadere stukken omtrent de medische situatie van [slachtoffer] ingebracht (e-mail met bijlagen van [slachtoffer] aan ressortsparket, van 6 maart 2026). Uit die stukken blijkt onder meer het volgende.\n\nIn 2024 zat [slachtoffer] in de ziektewet en was zijn studie ‘on hold’ gezet ten gevolge van zijn klachten (Eindverslag ergotherapie 10 maart 2025). Een specialistenbericht neurologie van\n\n6 februari 2024 vermeldt dat [slachtoffer] kampt met ‘aanhoudende forse postcommotionele klachten’. Ruim anderhalf jaar later waren de klachten nog altijd niet volledig verdwenen. Zo blijkt uit een brief van Chiropractie Harderwijk van 2 september 2025 dat (destijds) maximale cognitieve belasting nog een lichte moeite met procesverwerking opleverde. Bijna twee jaar na het ongeval ondervond [slachtoffer] nog steeds pijn aan zijn linkerenkel (anamnesekaart fysiotherapeut [persoon] , indicatiedatum\n\n21 januari 2025). Ook ruim tweeëneenhalf jaar na dato werd het slachtoffer in zijn dagelijks en werkende leven nog altijd belemmerd door de gevolgen van de aanrijding, zo blijkt uit een diagnose die is gesteld door een verzekeringsarts van het UWV in een medische rapportage van 20 oktober 2025 die luidt: Postcommotioneel syndroom bij status na trauma aan het hoofd, persisterende enkelklachten links. Deze verzekeringsarts heeft op grond van een uitgebreide medische beschouwing, vastgesteld dat bij [slachtoffer] sprake was van stoornis in de energie huishouding, waardoor [slachtoffer] als beperkt belastbaar moet worden aangemerkt. Bij beslissing van 3 november 2025 oordeelde het UWV dat het slachtoffer nog altijd recht had op een Ziektewet-uitkering.\n\nGelet op voornoemde feiten en omstandigheden oordeelt het hof, anders dan de verdediging, dat het door de verdachte bij [slachtoffer] veroorzaakte letsel zodanig ernstig is dat dit moet worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel in de hiervoor bedoelde zin.\n\nDe raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep voorts op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte het verkeersgedrag van de verdachte heeft gekwalificeerd als zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam. Volgens de raadsman zou de bewezenverklaring beperkt moeten blijven tot het feit dat de verdachte zich onachtzaam heeft gedragen door een impulsieve, onhandige stuurbeweging te maken, maar niet meer dan dat.\n\nWat dit standpunt betreft, verwijst het hof naar de overwegingen in het vonnis van de rechtbank hierover. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat – samengevat – het in het donker, zonder geldig rijbewijs, rijden onder invloed en daarbij plotsklaps naar links afslaan zonder zich er van te vergewissen of er sprake is van enig kruisend (fiets)verkeer, terwijl verdachte plaatselijk goed bekend was en dus moest weten dat hij een fietspad zou kruisen, zonder meer gekwalificeerd moet worden als onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam.\n\nOplegging van straffen\n\nDe rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden en tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van drie jaren.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van drie jaren.\n\nDe raadsman heeft het hof in het kader van de strafmaat verzocht om rekening te houden met de persoonlijke situatie van de verdachte rondom het ongeval, zijn huidige persoonlijke situatie, de mate van schuld aan het ongeval en de gevolgen die een vrijheidsbenemende straf en\u002Fof een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de verdachte voor gevolgen zouden hebben.\n\nHet hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.\n\nDe verdachte heeft zich, door zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam rijgedrag, schuldig gemaakt aan een ernstig verkeersmisdrijf ten gevolge waarvan het slachtoffer [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. De verdachte is in de nacht van het ongeval in zijn auto gaan rijden nadat hij zodanig veel alcohol had gedronken dat hij niet tot het behoorlijk besturen van zijn auto in staat kon worden geacht. Dat de verdachte ervoor heeft gekozen om toch te gaan rijden is des te meer verwijtbaar, omdat het rijbewijs van de verdachte slechts zes dagen eerder was ingevorderd wegens het rijden na het (eveneens) drinken van te veel alcohol. De verdachte had zijn rijbewijs op 16 april 2023 nog niet terug. Door zo veel te drinken en zich daarna in het verkeer te begeven, heeft de verdachte onverantwoorde risico’s genomen en de kans op een ongeval zeer vergroot. Tijdens een onverantwoorde stuurmanoeuvre naar links is de verdachte de macht over het stuur verloren en heeft hij het slachtoffer aangereden die op dat moment met zijn fiets rechtdoor op het fietspad reed. Nu, meer dan drie jaar na dato, is gebleken dat het ongeval heeft geleid tot zeer ernstig letsel, waarbij op dit moment volledig herstel bepaald nog niet in zicht is. Het leven van het slachtoffer is door het ongeluk drastisch in negatieve zin veranderd, zoals het slachtoffer op de terechtzitting in hoger beroep op indringende wijze heeft toegelicht. Het hof neemt het de verdachte bijzonder kwalijk dat de verdachte, nadat duidelijk was geworden dat hij het slachtoffer had aangereden, niet zijn verantwoordelijkheid heeft genomen en zich niet om hem heeft bekommerd. De verdachte heeft eerst meermalen geprobeerd om weg te rijden en omdat dat niet lukte is de verdachte van de plek van het ongeval weggerend. Het is aan een oplettende getuige te danken dat de politie de verdachte alsnog heeft kunnen aanhouden. Door aldus te handelen heeft de verdachte blijk gegeven van grove miskenning van zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer en van minachting voor het door hem aangereden slachtoffer. Het hof rekent dit alles de verdachte zeer zwaar aan.\n\nTen nadele van de verdachte weegt het hof mee dat uit het strafblad van de verdachte volgt dat hij onherroepelijk is veroordeeld voor het rijden onder invloed van alcohol op 10 april 2023.\n\nHet hof heeft bij de strafoplegging voorts acht geslagen op de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd. Daarbij is rekening gehouden met de Oriëntatiepunten voor Straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarin wordt voor het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij sprake is van ernstige schuld en zwaar lichamelijk letsel terwijl sprake is van alcoholgebruik boven de 570 µg\u002Fl een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van drie jaren genoemd. Het hof ziet noch in hetgeen door de verdediging is aangevoerd, noch in het gegeven dat de rechtbank een lagere straf heeft opgelegd, aanleiding om van dit oriëntatiepunt af te wijken en zal dit daarom volgen. Het hof is zich ervan bewust dat het moeten ondergaan van een vrijheidsstraf voor de verdachte ingrijpend zal zijn en dat de verdachte hierdoor mogelijk zijn woning en baan zal kwijtraken. De (mogelijke) gevolgen van deze straf en van een lange rijontzegging zijn door de verdediging nadrukkelijk voor het voetlicht gebracht waarbij er is aangevoerd dat de verdachte (inmiddels) hulp heeft gezocht voor zijn alcoholgebruik en zijn leven, in positieve zin, heeft omgegooid. Een andersoortige of lagere straf doet naar het oordeel van het hof echter onvoldoende recht aan de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de gevolgen voor het slachtoffer. Ook is het hof van oordeel dat vanuit het oogpunt van norminprenting en generale preventie een duidelijk signaal moet worden afgegeven.\n\nHet hof acht, alles afwegende, een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf en een ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur passend en geboden.\n\nTenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigthet vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van7 (zeven) maanden.\n\nOntzegt de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2, en 3 bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van3 (drie) jaren.\n\nBepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.\n\nBevestigthet vonnis waarvan beroep voor het overige.\n\nDit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. T. de Bont, mr. E.J. Hofstee en mr. C.A. Boom, in tegenwoordigheid van mr. S. Bonset, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1861","2026-07-13T00:28:47.118Z",{"id":63,"ecli":64,"slug":65,"caseNumber":44,"courtId":66,"decisionDate":67,"fullText":68,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":69,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":52,"updatedAt":71},"1801","ECLI:NL:RBLIM:2026:6417","ecli-nl-rblim-2026-6417",66,"2026-07-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK LIMBURG\n\nZittingsplaats Roermond\n\nStrafrecht\n\nParketnummer : 03.288300.25\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de meervoudige kamer d.d. 3 juli 2026\n\nin de strafzaak tegen\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboortegegevens] 2006,\n\nwonende te [adres] .\n\nDe verdachte wordt bijgestaan door mr. T.J.N. Hameleers, advocaat kantoorhoudende te Roermond.\n\n1. Onderzoek van de zaak\n\nDe zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 19 juni 2026. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.\n\nDe verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte op 7 september 2024 in Koningsbosch als bestuurder van een motorrijtuig (primair) een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt, waarbij [slachtoffer 1] werd gedood en [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, dan wel (subsidiair) zich zodanig heeft gedragen dat hij gevaar op de weg heeft veroorzaakt.\n\n3. De beoordeling van het bewijs3.1. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie acht het primair tenlastegelegde bewezen. De verdachte heeft in een onoverzichtelijke bocht aanmerkelijk onvoorzichtig gehandeld en zodoende een ongeval veroorzaakt, door niet voldoende rechts te houden, zijn voertuig niet onder controle te houden en zijn snelheid niet dusdanig te verlagen dat hij tijdig tot stilstand kon komen. De verdachte reed midden op een smalle weg richting een onoverzichtelijke bocht en wist dit ook. Hij heeft zijn snelheid en positie hier niet op aangepast en heeft onvoldoende geanticipeerd op de omstandigheden op de weg ter plaatse. Hoewel zijn zicht op eventuele tegenliggers was belemmerd, heeft hij de bocht min of meer afgesneden. Als gevolg van de aanrijding heeft slachtoffer [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel opgelopen en is slachtoffer [slachtoffer 1] overleden.3.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft vrijspraak bepleit van het primair tenlastegelegde, omdat de verdachte geen schuld had in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW). Er was geen sprake van grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid. De verdachte werd plotseling geconfronteerd met fietsers die in het midden van de weg fietsten en hem op snelheid naderden. Hij zag zich genoodzaakt om op de rem te gaan om een ongeval te vermijden, waardoor het voertuig van de verdachte onbedoeld in een slip terechtkwam. De raadsman heeft onder meer aangevoerd dat de stuurbeweging\u002F-correctie kan worden toegeschreven aan het proberen een ongeval te vermijden. Op basis van het dossier is onduidelijk wat de positie en snelheid van de fietsers was op het moment voor de botsing. Bovendien heeft de zonsituatie een rol gespeeld, althans het effect van de zon kan niet worden uitgesloten.\n\nDe raadsman heeft eveneens vrijspraak bepleit van het subsidiair tenlastegelegde, omdat geen sprake was van evident gevaarzettend gedrag. De verdachte heeft immers gas losgelaten in de bocht, zag de fietsers later door de zon, heeft geremd en is in een slip geraakt. Dit is juist het handelen wat van een bestuurder mag worden verwacht. Er is geen sprake van een (duidelijke) verkeersfout, maar juist van een reddingspoging.3.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nVrijspraak van het primair en subsidiair tenlastegelegde\n\nOp 7 september 2024, omstreeks 13:44 uur, vond op de [straatnaam 1] in Koningsbosch een verkeersongeval plaats. De verdachte reed in een motorrijtuig (de Jiayuan Eidola, een elektrische ‘microcar’ met een topsnelheid van 78 km\u002Fh) en de slachtoffers reden in tegengestelde richting op (elektrische) fietsen. Toen zij elkaar passeerden, kwamen de fietsen van de slachtoffers met de voorzijde van het motorrijtuig van de verdachte in botsing. Als gevolg van het ongeval is slachtoffer [slachtoffer 1] ter plaatse overleden en heeft slachtoffer [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Het motorrijtuig van de verdachte kwam vervolgens in botsing met een boom, alwaar hij ook tot stilstand kwam.\n\nDe [straatnaam 1] heeft voorbij het kruispunt met de [straatnaam 2] een recht en vlak wegverloop. Ongeveer 50 meter voorbij dit kruispunt is een bocht naar links gelegen in het wegverloop. Op de foto’s, weergegeven in het proces-verbaal FO verkeer, is te zien dat dit een flauwe bocht betreft. De plaats van het ongeval was gelegen in het einde van deze bocht. Ter hoogte van de plaats van het ongeval is de rijbaan van de [straatnaam 1] niet verdeeld in rijstroken en bestemd voor verkeer uit tegengestelde rijrichtingen. Er is geen wegbelijning op het wegdek aangebracht. De rijbaan heeft een breedte van ongeveer 4,3 meter. De ter plaatse geldende maximumsnelheid bedraagt 60 kilometer per uur.\n\nIn deze zaak staan de wegposities van zowel de verdachte als de slachtoffers voorafgaand aan de botsing ter discussie. De officier van justitie en de raadsman trekken daarover verschillende conclusies op basis van dezelfde gegevens. In dit onderzoek is geen bewijsmateriaal gevonden van de ruimere periode die voorafging aan de botsing. Er zijn geen camerabeelden, geen getuigenverklaringen en geen voertuigdata. Alleen de verdachte heeft iets verklaard over wat hij zag en deed. Het slachtoffer [slachtoffer 2] heeft geen herinnering aan het ongeval. Het rapport van de VerkeersOngevallenAnalyse (VOA) vertelt slechts het verhaal van de laatste fractie van een seconde voor de botsing.\n\nOp de rijbaan werd in de bocht naar links in het wegverloop, op ongeveer 24 meter voor de boom waartegen de verdachte met zijn motorrijtuig tot stilstand kwam, en op ongeveer 3,3 meter van de linker rijbaankant, op de rechter weghelft een bandenspoor aangetroffen, zijnde een slipspoor. Dit spoor betrof het eerste aangetroffen spoor op het wegdek (hierna: spoor 1, overeenkomend met de spoornummering in het proces-verbaal op p. 82 e.v.). Het motorrijtuig had tijdens het aftekenen van voornoemd slipspoor gereden met een indicatieve snelheid gelegen tussen ongeveer 53 km\u002Fh en 61 km\u002Fh. Op de rijbaan, op ongeveer 12,8 meter voorbij het punt van de eerste aftekening van spoor 1, werd in\u002Fop de linker weghelft een krassporenbeeld met in het verlengde daarvan een vierde bandenspoor aangetroffen, zijnde een wringspoor (hierna: spoor 4). Ongeveer in het midden van de linker weghelft, gezien vanuit de rijrichting van de verdachte en ter hoogte van het aangetroffen wringspoor (spoor 4), kwam het motorrijtuig van de verdachte met de voorzijde rechts in botsing met de voorzijde van de zwarte fiets waarop slachtoffer [slachtoffer 1] zich bevond. Daarna kwam het motorrijtuig met de voorzijde links in botsing met de voorzijde van de blauwe fiets waarop slachtoffer [slachtoffer 2] zich bevond. De afstand tussen spoor 1, zijnde het eerste slipspoor, en spoor 4, waar het motorrijtuig van de verdachte en de fietsers met elkaar in botsing zijn gekomen, betrof ongeveer 12,8 meter. Gelet op de vastgestelde indicatieve snelheid van het motorrijtuig heeft het motorrijtuig die afstand in minder dan een seconde afgelegd.\n\nDe officier van de justitie en de raadsman interpreteren de gegevens over spoor 1 allebei op hun eigen manier. De officier van justitie stelt dat dit spoor is gezet door de rechter achterband en concludeert daaruit dat de verdachte de bocht afsneed. De raadsman stelt dat dit spoor is gezet door de linker achterband en concludeert daaruit dat de verdachte voldoende rechts reed. De rechtbank volgt de officier van justitie wel in zijn stelling, maar niet in zijn conclusie. De deskundige rapporteert dat dit spoor is gezet door de rechter achterband en motiveert navolgbaar waarop die conclusie is gebaseerd (p. 106). De rechtbank is het niet eens met de raadsman dat de foto’s en de tekeningen van dit spoor tot een andere conclusie dwingen. De rechtbank stelt daarom vast dat spoor 1 is gezet door de rechter achterband. Het rapport vermeldt dat dit spoor op ongeveer 3,3 meter van de linker berm is gezet, maar beschrijft niet op welk punt in dit spoor deze afstand is gemeten: de linker zijkant, het midden of de rechter zijkant. De rechtbank gaat daarom in het voordeel van de verdachte uit van de linker zijkant als meetpunt. Omdat één weghelft 2,15 meter breed is, ligt dat punt op 1,15 meter rechts van het midden. Uit het dossier blijkt dat de auto 1,29 meter breed is (p. 113) en de banden 14,5 cm breed zijn (p. 100). Bij het begin van de slip was de linkerkant van de auto dus 1,145 meter links van het meetpunt van spoor 1. Hieruit concludeert de rechtbank dat de verdachte op dat moment nog (net) volledig op zijn eigen weghelft reed.\n\nZijn indicatieve snelheid was toen tussen 53 km\u002Fh en 61 km\u002Fh en dus op of onder de ter plaatse toegestane maximumsnelheid. Naar het oordeel van de rechtbank is de bocht naar links niet zodanig onoverzichtelijk dat de verdachte zijn snelheid hierop had moeten aanpassen. Daarnaast is de rijbaan breed genoeg. De rijbaan heeft immers een breedte van ongeveer 4,3 meter en het motorrijtuig van de verdachte had een breedte van 1,29 meter waardoor de verdachte en de fietsers elkaar, ieder rijdend op hun eigen weghelft, hadden moeten kunnen passeren.\n\nDe verdachte is met zijn motorrijtuig desondanks kennelijk vanwege het remmen of een stuurbeweging in een slip geraakt, waardoor hij op de linker weghelft terecht is gekomen en in botsing gekomen met de aldaar fietsende slachtoffers. Over de aanleiding voor deze slip geeft het dossier geen informatie, behalve de verklaring van de verdachte. De verdachte heeft daarover verklaard dat hij schrok van de fietsers, die onverwacht breed fietsten, en daarom remde waardoor hij in een slip terecht kwam.\n\nHet VOA-rapport beschrijft dat slachtoffer [slachtoffer 1] op het moment van de botsing ongeveer midden op zijn eigen weghelft reed en dat slachtoffer [slachtoffer 2] op het moment van de botsing ‘een schuinstand naar rechts’ had en ‘mogelijk nog uitgeweken’ was richting de berm. Deze conclusies passen naar het oordeel van de rechtbank even goed in het scenario van de verdachte als in het scenario van de officier van justitie. De deskundige rapporteert immers niet waar de fietsers reden op het moment van de blik, de schrik en de slip.\n\nNiet kan dus worden vastgesteld wie waar reed en hoe werd gereden in de momenten voorafgaand aan de laatste seconde. De verdachte reed ten tijde van het ontstaan van het eerste slipspoor niet onvoldoende rechts, niet te hard, hij was niet onder invloed van middelen en er zijn rond het tijdstip van het ongeval geen gebruikershandelingen in de data van de telefoon van de verdachte aangetroffen. Ook is niet gebleken dat de verdachte anderszins was afgeleid van het verkeer.\n\nDe rechtbank is – al het voorgaande overwegende – van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een verkeersfout. Aldus kan ook niet worden vastgesteld dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld, in die zin dat sprake is van schuld als bedoeld in artikel 6 WVW, of dat sprake is van een zekere mate van concreet gevaarzettend gedrag dat inbreuk maakt op de veiligheid van de weg in de zin van artikel 5 WVW. De rechtbank zal de verdachte dan ook om die reden vrijspreken van het primair en subsidiair tenlastegelegde.\n\nDe rechtbank hecht eraan te benadrukken dat het verdriet van de nabestaanden door het overlijden van hun echtgenoot en vader en de ernst van het opgelopen letsel van slachtoffer [slachtoffer 2] onvoorstelbaar groot moet zijn. De rechtbank betreurt dit ten zeerste. Voor zover uit dit onderzoek blijkt, was het echter een noodlottig ongeval en geen strafbaar feit.\n\n4. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\n- spreekt de verdachte vrij van het primair en subsidiair tenlastegelegde.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. N.P.J. van de Pasch, voorzitter, mr. I.T.H.L. van de Bergh en mr. J. van Berchum, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C.G. Taranto, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 3 juli 2026.\n\nBuiten staat\n\nMr. J. van Berchum is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.\n\nBIJLAGE I: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat\n\nhij op of omstreeks 7 september 2024 te Koningsbosch, gemeente Echt-Susteren als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, [straatnaam 1] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en\u002Fof onoplettend rijgedrag, te weten, dat verdachte:\n\n- op voornoemde weg heeft gereden waarbij hij zijn voertuig niet voldoende rechts heeft gehouden en\u002Fof voornoemd voertuig niet tijdig tot stilstand heeft gebracht binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en\u002Fof zijn voertuig onvoldoende onder controle heeft gehouden, waardoor hij geheel of gedeeltelijk op de voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook, in aanrijding is gekomen met twee zich op die rijstrook bevindende fietsers, waardoor een ander, te weten [slachtoffer 1] werd gedood en\u002Fof een ander, te weten [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 7 september 2024 te Koningsbosch, gemeente Echt-Susteren als bestuurder van een voertuig (motorrijtuig), daarmee rijdende op de weg, [straatnaam 1] ,\n\n- op voornoemde weg heeft gereden waarbij hij zijn voertuig niet voldoende rechts heeft gehouden en\u002Fof voornoemd voertuig niet tijdig tot stilstand heeft gebracht binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en\u002Fof zijn voertuig onvoldoende onder controle heeft gehouden, waardoor hij geheel of gedeeltelijk op de voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook, in aanrijding is gekomen met twee zich op die rijstrook bevindende fietsers,, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en\u002Fof het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6417","2026-07-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:39.568Z",{"id":73,"ecli":74,"slug":75,"caseNumber":44,"courtId":76,"decisionDate":67,"fullText":77,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":78,"sourceTimestamp":79,"parsedAt":52,"updatedAt":80},"846","ECLI:NL:RBGEL:2026:5294","ecli-nl-rbgel-2026-5294",68,"RECHTBANK GELDERLAND\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Zutphen\n\nParketnummer: 05\u002F048594-25\n\nDatum uitspraak : 3 juli 2026\n\nTegenspraak (279 Sv)\n\nvonnis van de meervoudige kamer\n\nin de zaak van\n\nde officier van justitie\n\ntegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedag] 2003 in [geboorteplaats] ,\n\nwonende aan [adres] te [woonplaats] ,\n\nraadsman: mr. R.J.A. van den Munckhof, advocaat in Amsterdam.\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.\n\n1. De inhoud van de tenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\n1.\n\nhij op of omstreeks 7 oktober 2024 te Hattem als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto),\n\nkomende uit de richting van Zwolle, gaande in de richting van Wezep, daarmede heeft gereden over de A28,\n\nzeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en\u002Fof onachtzaam heeft gereden, hierin\n\nbestaande dat verdachte,\n\nzonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorvoertuigen, waartoe dat motorvoertuig behoorde,\n\nheeft gereden met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 100 kilometer per uur, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, namelijk met een snelheid van (ongeveer) 130 kilometer per uur en\u002Fof\n\nniet of in onvoldoende mate heeft gelet en\u002Fof is blijven letten op de (verkeers)situatie ter plaatse en\u002Fof de weg (de A28) en\u002Fof zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op de (verkeers)situatie ter plaatse en\u002Fof de weg (de A28) heeft gericht en\u002Fof\n\nin strijd met artikel 43, derde lid, van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (RVV90) anders dan in een noodgeval, heeft gereden over\u002Fop, althans gebruik heeft gemaakt van, de vluchtstrook en\u002Fof\n\nhet verloop van de rijbaan en\u002Fof de weg (de A28) niet\u002Fonvoldoende heeft gevolgd en\u002Fof in strijd met artikel 10, eerste lid, RVV90 met het door hem bestuurde voertuig door de berm heeft gereden en\u002Fof\n\nin strijd met het gestelde in artikel 19 RVV90 de snelheid van het door hem bestuurde voertuig (personenauto) niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was en\u002Fof\n\nmet het door hem bestuurde voertuig is gecrasht en\u002Fof over de kop is gegaan\u002Fgeslagen,\n\nen aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft\n\nplaatsgevonden, waardoor een ander (te weten [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 7 oktober 2024 te Hattem als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto),\n\nkomende uit de richting van Zwolle, gaande in de richting van Wezep, daarmede heeft gereden over de A28,\n\nzonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorvoertuigen, waartoe dat motorvoertuig behoorde,\n\nheeft gereden met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 100 kilometer per uur, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, namelijk met een snelheid van (ongeveer) 130 kilometer per uur en\u002Fof\n\nniet of in onvoldoende mate heeft gelet en\u002Fof is blijven letten op de (verkeers)situatie ter plaatse en\u002Fof de weg (de A28) en\u002Fof zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op de (verkeers)situatie ter plaatse en\u002Fof de weg (de A28) heeft gericht en\u002Fof\n\nin strijd met artikel 43, derde lid, van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (RVV90) anders dan in een noodgeval, heeft gereden over\u002Fop, althans gebruik heeft gemaakt van, de vluchtstrook en\u002Fof\n\nhet verloop van de rijbaan en\u002Fof de weg (de A28) niet\u002Fonvoldoende heeft gevolgd en\u002Fof in strijd met artikel 10, eerste lid, RVV90 met het door hem bestuurde voertuig door de berm heeft gereden en\u002Fof\n\nin strijd met het gestelde in artikel 19 RVV90 de snelheid van het door hem bestuurde voertuig (personenauto) niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was en\u002Fof\n\nmet het door hem bestuurde voertuig is gecrasht en\u002Fof over de kop is gegaan\u002Fgeslagen,\n\nen door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en\u002Fof het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;\n\nmeer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 7 oktober 2024 te Hattem als bestuurder van een voertuig (personenauto) rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de A28, zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers is hij met het door hem bestuurde voertuig gecrasht en\u002Fof over de kop gegaan\u002Fgeslagen;\n\n2.\n\nhij op of omstreeks 7 oktober 2024 te Hattem als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, de A28, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.\n\n2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs\n\nTen aanzien van feit 2\n\nEr is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.\n\nBewijsmiddelen:\n\n- het proces-verbaal rijden onder invloed d.d. 13 januari 2025, p. 199 t\u002Fm 202;\n\n- het proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 10 oktober 2024, p. 72 t\u002Fm 80.\n\nTen aanzien van feit 1\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 primair tenlastegelegde. Volgens de officier van justitie is het verkeersongeluk te wijten aan de schuld van verdachte (in de zin van ernstigeschuld) en heeft [slachtoffer] daardoor zwaar lichamelijk letsel opgelopen.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft bepleit dat het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval niet tot de conclusie leiden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan artikel 6 van de Wegenverkeerswet (hierna: WVW). Verdachte was zich niet bewust van het feit dat hij de maximumsnelheid heeft overschreden. De enkele omstandigheid van te hard rijden is niet voldoende voor overtreding van artikel 6 WVW. Het rijden zonder rijbewijs kan een verzwarende factor zijn, maar maakt op zich niet dat artikel 6 WVW is overtreden. Het korte moment van onoplettendheid van verdachte toen hij de telefoon voor de navigatie wilde pakken is mogelijk verwijtbaar onvoorzichtig, maar niet aanmerkelijkverwijtbaar onvoorzichtig.\n\nDe raadsman refereert zich ten aanzien van het letsel van [slachtoffer] aan het oordeel van de rechtbank.\n\nDe raadsman heeft zich tevens ten aanzien van het subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nHet verkeersongeval\n\nOp 7 oktober 2024, omstreeks 01:50 uur, heeft er op de Rijksweg A28, ter hoogte van\n\nHattem, een enkelzijdig verkeersongeval plaatsgevonden waarbij een personenauto betrokken was. In de personenauto zaten drie inzittenden. De bestuurder van de personenauto reed op de Rijksweg A28 links, komende uit de richting van Zwolle en gaande in de richting van Wezep. De ter plaatse toegestane maximumsnelheid betrof 100 kilometer per uur.\n\nHet verkeersongeval vond plaats op een recht weggedeelte. Naast de rijbaan lag aan de rechterzijde een ongeveer 3 meter brede vluchtstrook die door middel van een onderbroken kantstreep van de rijbaan was gescheiden. Rechts naast de vluchtstrook lag een grasberm. De straatverlichting was in werking. Ter hoogte van hectometerpaal 85,5 is de auto van de rijbaan geraakt en in de grasberm gekomen. De auto heeft een 74 meter lang sporenbeeld achtergelaten. De eerste ongeveer 60 meter van dit sporenbeeld bestond uit twee parallel afgetekende bandensporen. Aan het einde van deze 60 meter bevond zich een verhoging in de grasberm. Hierna waren de sporen, over een afstand van ongeveer 14 meter, richting de vluchtstrook afgetekend. Na het raken van de verhoging is de auto terug op de vluchtstrook gekomen en op zijn dak gerold. Uiteindelijk is de auto op zijn wielen tegen de rijrichting in op de vluchtstrook tot stilstand gekomen. De afstand tussen het begin van de eerste sporen en de eindpositie van de personenauto was ongeveer 105 meter. Op de vluchtstrook waren over een afstand van ongeveer 30 meter, tot de eindpositie van de personenauto, gras, glas- en voertuig(onder)delen, een rode, op bloed gelijkende, vlek met daar omheen verpakkingen van medisch handelen en krassporen te zien. De passagier, die op de achterbank zat, was uit de auto geslingerd en gewond geraakt.\n\nVoertuigonderzoek\n\nHet voertuig werd onderzocht op mogelijke technische gebreken, welke een rol gespeeld zouden kunnen hebben in het ontstaan van het ongeval. Dergelijke gebreken werden niet aangetroffen. De auto was voorzien van een event datarecorder (EDR). Deze recorder heeft data opgeslagen die in verband zijn te brengen met het ongeval. De recorder heeft geregistreerd dat de auto voorafgaand aan het ongeval op de cruise control en met een snelheid van ongeveer 130 kilometer per uur heeft gereden. Er waren geen aanwijzingen dat verdachte door middel van remmen probeerde het ongeval te voorkomen. Volgens de EDR droegen de inzittenden vóórin de auto de voor hen bestemde autogordel. De linker en rechter gordel achter in de auto waren volgens het EDR-systeem niet vastgeklikt.\n\nVerklaring van verdachte\n\nVerdachte heeft verklaard dat hij door [benadeelde] is gevraagd om in haar auto van Assen naar Amsterdam te rijden. Zij was moe en niet in staat om te rijden. Verdachte stemde in, hoewel hij zich er bewust van was dat hij niet over de benodigde rijbevoegdheid beschikte. Voordat zij vertrokken, nam hij nog twee hijsjes van een wietsigaret. [benadeelde] zat naast hem en [slachtoffer] zat op de achterbank achter [benadeelde] . Verdachte verklaarde dat het heel donker was en dat vond hij vervelend. Hij reed 120 of 130 kilometer per uur en op de cruise control. De telefoon met de navigatie lag op schoot van [benadeelde] en verdachte moest steeds opzij kijken om de route te zien. Hij vroeg [benadeelde] om hem de telefoon aan te reiken. Terwijl zij hem de telefoon wilde geven, probeerde hij de telefoon van haar schoot af te pakken, maar greep hij mis omdat zij de telefoon al gepakt had. Door dit misverstand was zijn blik even niet op de weg gericht. Daarna ging het allemaal heel snel en sloeg de auto over de kop. Zij vonden [slachtoffer] bewusteloos en bebloed buiten de auto.\n\nSchuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994\n\nOf er sprake is van ‘schuld’ in de zin van artikel 6 WVW hangt af van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dat brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding of verkeersfout voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Daarvoor zijn immers verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. Van schuld in de zin van dit artikel is pas sprake in het geval van een op zijn minst aanmerkelijkemate van verwijtbare onvoorzichtigheid of onoplettendheid. Het moet gaan om méér dan een moment van onoplettendheid.\n\nVerdachte was op 7 oktober 2024 rond 01:53 de bestuurder van de Volkswagen Polo toen deze betrokken raakte bij een eenzijdig ongeval op de A28 te Hattem. Verdachte reed, zonder dat aan hem een rijbewijs voor dit type motorvoertuig was afgegeven, ongeveer 30 kilometer per uur te hard. De navigatie stond ingeschakeld op de telefoon van [benadeelde] die op haar schoot lag. Verdachte moest steeds opzij kijken om de navigatie te kunnen zien en vroeg of hij de telefoon kon krijgen. [benadeelde] gaf hem de telefoon aan terwijl hij op datzelfde moment de telefoon van haar schoot wilde pakken en mis greep. Hierdoor was verdachte afgeleid en was zijn blik niet op de weg gericht.\n\nHet was donker, het ongeval vond plaats op een recht stuk weg met straatverlichting en verdachte reed op de cruise control. Toch is de auto, zonder te remmen, van de rijbaan geraakt, via de vluchtstrook in de grasberm terecht gekomen, heeft een heuvel geraakt, is terug op de vluchtstrook gekomen en op zijn dak gerold. Uiteindelijk is de auto op zijn wielen, tegen de rijrichting in, tot stilstand gekomen op de vluchtstrook. [slachtoffer] , die geen gordel droeg, is door het ongeval de auto uit geslingerd en gewond geraakt. Het kan niet anders zijn dan dat verdachte gewoonweg niet (voldoende) op de weg heeft gelet. Als gevolg hiervan heeft verdachte zijn voertuig niet voldoende onder controle gehouden en kon hij het voertuig niet op tijd tot stilstand brengen. De rechtbank is van oordeel dat dit – gelet op het bovenstaande - méér dan een moment van onoplettendheid oplevert.\n\nVan iedere bestuurder mag worden verwacht dat deze anticipeert op komende verkeerssituaties en voortdurend (geestelijk en lichamelijk) in staat is zijn voertuig onder controle te houden om veilig aan het verkeer deel te nemen en om de daarvoor benodigde verkeershandelingen te verrichten. Verdachte heeft zich niet aan deze zorgplicht gehouden. Immers, hij heeft zijn voertuig niet onder controle gehouden door op een recht stuk weg van de weg af te raken, de berm in te rijden en over de kop te slaan. Dit terwijl hij geen rijbewijs had en 30 kilometer per uur te hard reed. Daar komt nog bij dat verdachte niet bekend was met de situatie ter plaatse, er twee inzittenden bij hem in het voertuig zaten en bij hem 3,0 microgram cannabis per liter bloed, de maximum toegestane grenswaarde, is gemeten.\n\nGelet op het geheel aan verdachtes gedragingen is de rechtbank van oordeel dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden als gevolg waarvan het eenzijdige verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Verdachte heeft daarom schuld aan het verkeersongeval zoals bedoeld in artikel 6 WVW.\n\nLetsel\n\nUit de medische verklaring blijkt dat [slachtoffer] door het ongeluk het volgende letsel heeft opgelopen:\n\n een schedelbasisfractuur met bloeding rondom de stam;\n\n een sternum fractuur met mediastinaal hematoom;\n\n fractuur thoracale Th3 en Th4;\n\n pulmonale matglas afwijkingen dd contusie dd aspiratie;\n\n hematoom mediastinum;\n\n een sternum fractuur met verhoogde troponines geduid als corcontusie;\n\n een fractuur Lamina c2 bdz.;\n\n 1e Ford type 2 fractuur en sinus maxillaris fractuur.\n\n [slachtoffer] verklaarde dat hij twee weken in coma heeft gelegen. In eigen bewoordingen gaf hij aan dat hij een breuk bij zijn nek had, een schaafwond op zijn achterhoofd en op zijn voorhoofd. De kaak en vier ribben waren gebroken. De druk in de hersenen was heel hoog en hij had bloedingen in de hersenen. In totaal moest hij zes weken in het ziekenhuis in Zwolle blijven. Daarna is hij naar Revalidatiecentrum Overtoom-Reade in Amsterdam gegaan. Het herstel ging langzaam. Naar schatting zou hij wel kunnen genezen, maar kon niet worden voorspeld hoelang dat ging duren en of hij eventueel blijvend letsel of klachten zou houden.\n\nDe rechtbank overweegt dat voor de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel van belang zijn. De rechtbank is van oordeel dat het letsel zoals hiervoor omschreven gelet op de aard en de gevolgen naar gewoon spraakgebruik als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt. Dit betekent dat zwaar lichamelijk letsel bewezen kan worden verklaard.\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het onder feit 1 primair tenlastegelegde kan worden bewezen dat verdachte een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg.\n\n3. De bewezenverklaring\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:\n\n1.\n\nhij op of omstreeks7 oktober 2024 te Hattem als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto),\n\nkomende uit de richting van Zwolle, gaande in de richting van Wezep, daarmede heeft gereden over de A28,\n\nzeer, althansaanmerkelijk,onvoorzichtig, onoplettend en\u002Fofonachtzaam heeft gereden, hierin\n\nbestaande dat verdachte,\n\nzonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorvoertuigen, waartoe dat motorvoertuig behoorde,\n\nheeft gereden met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 100 kilometer per uur, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, namelijk met een snelheid van (ongeveer) 130 kilometer per uur en\u002Fof\n\nniet of in onvoldoende mate heeft gelet en\u002Fof is blijven lettenop de (verkeers)situatie ter plaatse en\u002Fofopde weg (de A28) en\u002Fofzijn aandacht gedurende enige tijdniet, althansin onvoldoende mate,op de (verkeers)situatie ter plaatse en\u002Fofde weg (de A28) heeft gericht en\u002Fof\n\nin strijd met artikel 43, derde lid, van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (RVV90) anders dan in een noodgeval, heeft gereden over\u002Fop, althans gebruik heeft gemaakt van,de vluchtstrook en\u002Fof\n\nhet verloop van de rijbaan en\u002Fof de weg(de A28) niet\u002Fonvoldoendeheeft gevolgd en\u002Fofin strijd met artikel 10, eerste lid, RVV90 met het door hem bestuurde voertuig door de berm heeft gereden en\u002Fof\n\nin strijd met het gestelde in artikel 19 RVV90 de snelheid van het door hem bestuurde voertuig (personenauto) niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was en\u002Fof\n\nmet het door hem bestuurde voertuig is gecrasht en\u002Fofover de kop isgegaan\u002Fgeslagen,\n\nen aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft\n\nplaatsgevonden, waardoor een ander (te weten [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letselwerd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;\n\n2.\n\nhij op of omstreeks7 oktober 2024 te Hattem als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, de A28, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.\n\nVoor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nWat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.\n\nVerdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\nfeit 1 primair en feit 2:\n\nde eendaadse samenloop van\n\novertreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht;\n\nen\n\novertreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.\n\n5. De strafbaarheid van de feiten\n\nDe feiten zijn strafbaar.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte\n\nVerdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.\n\n7. De overwegingen ten aanzien van straf\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft ten aanzien van feit 1 primair gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot\n\n een taakstraf van 160 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 80 dagen;\n\n een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 jaar.\n\nTen aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte schuldig wordt verklaard, maar dat aan hem geen straf of maatregel wordt opgelegd.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft bepleit dat bij het bepalen van de strafmaat rekening moet worden gehouden met de bijzondere omstandigheden van de zaak. Verdachte is jong. Hij is first offender. Hij handelde met goede bedoelingen om juist een gevaarlijke situatie te voorkomen. Voor de raadsman zijn dit redenen om ten gunste van verdachte van de LOVS-oriëntatiepunten af te wijken.\n\nDe beoordeling door de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.\n\nErnst van het feit\n\nDe verdachte is met te hoge snelheid met de auto van de weg geraakt en in de berm terechtgekomen. De auto is daardoor over de kop geslagen. Door met hoge snelheid te rijden heeft de verdachte zichzelf de mogelijkheid ontnomen om adequaat op de verkeerssituatie te kunnen anticiperen en de controle over het voertuig te behouden. Verdachte had geen rijbewijs en was onder invloed van een bewustzijnsbeïnvloedende stof (THC). De hoeveelheid in zijn bloed betrof weliswaar de grenswaarde, maar in samenhang met de andere verwijten heeft verdachte hiermee onverantwoorde risico’s genomen voor zichzelf en anderen. [slachtoffer] heeft ernstig letsel opgelopen. Het is nog niet te voorzien of het letsel blijvende klachten ten gevolge heeft en welke invloed dat zal hebben op zijn toekomst.\n\nPersoonlijke omstandigheden\n\nUit het uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 21 mei 2026 blijkt dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen. Hij is daarom aan te merken als ‘first offender’.\n\nUit het reclasseringsrapport van Reclassering Nederland van 17 november 2025 komt naar voren dat verdachte zijn leven goed op orde heeft en in staat is zijn zaken goed te regelen. Volgens de reclassering is sprake van een incident. Verdachte heeft niet aan de mogelijke gevolgen gedacht. Met name de gevolgen van zijn handelen (het ernstige letsel van het slachtoffer) hebben een recidivebeperkende werking. Verdere bemoeienis door de reclassering lijkt niet geïndiceerd.\n\nProceshouding\n\nVerdachte heeft bij de politie uitgebreid verklaard over zijn handelen. Echter heeft hij ervoor gekozen om niet ter terechtzitting te verschijnen. Daardoor heeft hij de mogelijkheid verstek laten gaan om de rechtbank te overtuigen dat hij spijt heeft van zijn handelen en om het slachtoffer zijn excuses aan te bieden.\n\nStraftoemeting\n\nTen aanzien van feit 1 primair\n\nBij het bepalen van de strafmaat zoekt de rechtbank aansluiting bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS voor het veroorzaken van een verkeersgeval met zwaar lichamelijk letsel, waarbij sprake is van ‘aanmerkelijke schuld’, die een taakstraf van 120 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 6 maanden indiceren. Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan ziet de rechtbank geen redenen om van de LOVS-oriëntatiepunten af te wijken en zal een taakstraf van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis, en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 6 maanden, met inachtneming van eendaadse samenloop, aan verdachte opleggen.\n\nTen aanzien van feit 2\n\nDe rechtbank zal ten aanzien van feit 2 volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel.\n\n8. De beoordeling van de civiele vordering\n\nDe benadeelde partij [benadeelde] heeft in verband met feit 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 13.588,25 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. De vordering ziet op de kosten van het eigen risico voor het ambulancevervoer ter hoogte van € 241,04 en het restantbedrag in verband met de leaseovereenkomst voor de auto ter hoogte van € 13.347,21. Verder is om toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.\n\nStandpunten\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard omdat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting voor het strafproces is.\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat wellicht sprake is van een (gedeelte) eigen schuld van de benadeelde partij in de zin van artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek en dat de vordering niet binnen de strafprocedure kan worden afgewikkeld, zonder afbreuk te doen aan fundamentele waarborgen die het civiele recht biedt. Derhalve dient de benadeelde partij volgens de verdediging niet-ontvankelijk in de vordering te worden verklaard, zodat de vordering in een civiele procedure kan worden behandeld.\n\nOverweging van de rechtbank\n\nDe rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De behandeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafproces op, nu de vordering te ingewikkeld is. Niet duidelijk is of de benadeelde partij ervan op de hoogte was dat verdachte niet over een rijbewijs beschikte toen zij hem de auto liet besturen. Daarnaast zijn de schadeposten onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij kan de vordering alsnog aan de burgerlijke rechter voorleggen.\n\n9. De toegepaste wettelijke bepalingen\n\nDe oplegging van de straf en\u002Fof maatregel is gegrond op de artikelen:\n\n- 9, 22 c, 22d, 55 en 62 van het Wetboek van Strafrecht;\n\n- 6, 107, 175, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.\n\n10. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;\n\n verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;\n\n verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;\n\n verklaart verdachte hiervoor strafbaar;\n\nTen aanzien van feit 1 primair\n\n legt op een taakstraf van 120 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen;\n\n ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van\n\n6 maanden;\n\n verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;\n\nTen aanzien van feit 2\n\n bepaalt dat ten aanzien van feit 2 geen straf of maatregel wordt opgelegd.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. P. Verkroost (voorzitter), mr. A.P Sno en mr. G.L.C. van den Bosch, rechters, in tegenwoordigheid van mr. U. Posthumus, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 juli 2026.\n\nMr. P. Verkroost en mr. G.L.C. van den Bosch zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Eenheid Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024470076, gesloten op 8 februari 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.\n\n Proces-verbaal Verkeersongevalsanalyse d.d. 21 oktober 2024, p. 89, 90, 93, 99.\n\n Proces-verbaal Forensische Opsporing Verkeer d.d. 27 november 2024, p. 103, 111.\n\n Proces-verbaal verhoor van verdachte d.d. 10 oktober 2024, p. 72 t\u002Fm 80.\n\n Medische verklaring d.d. 12 oktober 2024, p. 192.\n\n Proces-verbaal verhoor van slachtoffer [slachtoffer] d.d. 20 november 2024, p. 16 t\u002Fm 17.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5294","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:50.927Z",{"id":82,"ecli":83,"slug":84,"caseNumber":44,"courtId":85,"decisionDate":86,"fullText":87,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":88,"sourceTimestamp":67,"parsedAt":52,"updatedAt":89},"1701","ECLI:NL:GHSHE:2026:1756","ecli-nl-ghshe-2026-1756",64,"2026-07-01T00:00:00.000Z","Parketnummer : 20-000832-25\n\nUitspraak : 1 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof’s-Hertogenbosch\n\ngewezen, na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 25 maart 2025, nr. 22\u002F03957, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 22 februari 2021 met parketnummer 02-257907-20, in de strafzaak tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,\n\nwonende te [adres] .\n\nHoger beroep\n\nDe politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, heeft bij vonnis van 22 februari 2021 (parketnummer 02-257907-20) de verdachte ter zake van ‘overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994’ veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis. Namens de verdachte is op 22 februari 2021 tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nBij arrest van 21 oktober 2022 (parketnummer 20-000461-21) heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch het vonnis van de politierechter bevestigd met aanvulling van gronden. Namens de verdachte is op 25 oktober 2022 tegen dit arrest beroep in cassatie ingesteld.\n\nHet cassatiemiddel, dat onder meer klaagde dat de afwijzing door het hof van het door de verdediging gedane verzoek tot het horen van [aangeefster] als getuige, althans het gebruik van de eerder door deze getuige afgelegde verklaring voor het bewijs, niet verenigbaar is met het door artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) gewaarborgde recht op een eerlijk proces, slaagt volgens de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft vervolgens bij arrest van 25 maart 2025 (zaaknummer 22\u002F03957) de uitspraak van het hof vernietigd en de zaak teruggewezen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.\n\nNa terugwijzing door de Hoge Raad zijn de getuigen [aangeefster] en [getuige 2] bij de raadsheer-commissaris gehoord.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is – na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad – gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, onder aanvulling van de bewijsmiddelen en met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, waarvan 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet bestreden vonnis zal worden vernietigd, reeds omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\nhij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Bergen op Zoom op\u002Faan De Boulevard Noord, op of omstreeks 21 maart 2020 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [aangeefster] ) letsel en\u002Fof schade was toegebracht.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\nhij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Bergen op Zoom op\u002Faan De Boulevard Noord, op 21 maart 2020 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [aangeefster] ) schade was toegebracht.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewijsmiddelen\n\nHierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant, district De Markiezaten, basisteam Bergen op Zoom, zaakregistratienummer PL2000-2020167376, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 1] en gesloten d.d. 29 juni 2020, bevattende een verzameling van op ambtseed dan wel op ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van de politie met daarin gerelateerde bijlagen, doorgenummerde dossierpagina’s 1-29.\n\n1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 25 maart 2020, proces-verbaalnummer PL2000-2020071615-2, dossierpagina’s 5-7, voor zover inhoudende de verklaring van [aangeefster] :\n\nIn de nacht van 20 op 21 maart 2020, omstreeks 01.45 uur, reed ik de [bedrijf] aan de Boulevard Noord te Bergen op Zoom uit. Bij het uitrijden voelde ik dat mijn auto van achteren aangetikt werd door een andere auto, die ook de [bedrijf] uit kwam rijden. Ik zag dat er in deze auto, zijnde een Opel Astra, twee Marokkaanse jongens zaten. Het kenteken van deze auto, wat ik later heb opgenomen op de telefoon, is [kenteken] . Mijn vrienden zeiden dat ik moest stoppen. Echter toen ik gestopt was, voelde en zag ik dat de Opel Astra opzettelijk meerdere keren tegen mijn portier aan de linkerzijkant reed. Ik hoorde ook dat zij iedere keer een stukje gas bijgaven, waardoor mijn auto als het ware steeds een beetje meer opschoof richting de stoep. Daarna zag ik dat er een andere auto aan kwam rijden met een andere Marokkaanse jongen erin, die zich ook met de situatie ging bemoeien.\n\nIk heb deuk- en lakschade aan de linkerzijkant van mijn auto en het portier. Vervolgens is de bestuurder van de Opel Astra en (het hof leest – gelet op de woorden ‘zijn’ en ‘is’, alsmede de hierna volgende zin – in plaats van ‘en’ het woord ‘zijnde’)degene die tegen mijn auto aan is gereden in zijn auto gestapt en is hij weggereden. De bijrijder en de andere jongen bleven over. Op het filmpje staat de dader (de bestuurder van de Opel Astra) op beeld. De bijrijder staat helaas niet op beeld.\n\n2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 maart 2020, proces-verbaalnummer PL2000-2020071615-7, dossierpagina’s 9-10, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 2] :\n\nOp 21 maart 2020, omstreeks 02.00 uur, was ik werkzaam in de omgeving van Bergen op Zoom. Wij kregen het verzoek van het Operationeel Centrum te gaan naar de Boulevard ter hoogte van de [bedrijf] . Daar zou zich een conflict hebben afgespeeld. Collega’s [verbalisant 3] en [verbalisant 4] werden ook naar deze melding gestuurd. Zij waren al ter plaatse op het moment dat wij ter plaatse kwamen. Ik hoorde dat zij ons verzochten uit te gaan kijken naar een Opel Astra, voorzien van het kenteken [kenteken] . De tenaamgestelde van de Opel Astra betrof [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats] . Op 21 maart 2020, omstreeks 02.15 uur, zag ik in een parkeervak aan de Rijtuigweg-Zuid bovengenoemd voertuig geparkeerd staan. Ik zag dat er één persoon op de bijrijderstoel in het voertuig zat. Ik vroeg hem zijn identiteitsbewijs. Ik zag dat hij mij op gaf te zijn: [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats] . Ik hoorde dat hij mij vertelde dat er wat op de Boulevard was gebeurd, maar hij daar niets over wilde vertellen.\n\n3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 april 2020, proces-verbaalnummer PL2000-2020071615-11, dossierpagina 16, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 4] :\n\nOp 21 maart 2020, omstreeks 02.00 uur, kregen wij van het Operationeel Centrum de melding te rijden naar de Boulevard te Bergen op Zoom. Ik hoorde en zag dat de melder (het hof begrijpt: [aangeefster] )mij een video toonde vanaf een smartphone. Ik zag dat er op dit beeld een man naast een auto stond. Ik zag dat er een kenteken zichtbaar was welke overeenkomt zoals beschreven in de aangifte.\n\n4. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 maart 2020, proces-verbaalnummer PL2000-2020071615-10, dossierpagina 15, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 5] :\n\nIk heb op 31 maart 2020 telefonisch contact gehad met aangeefster [aangeefster] . In het gesprek heb ik haar gevraagd om mij de beelden door te sturen die zij en de getuigen hebben gemaakt om hier eventuele strafbare feiten of een herkenning uit te halen. Ik heb drie filmpjes doorgestuurd gekregen van aangeefster [aangeefster] .\n\n5. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 april 2020, proces-verbaalnummer PL2000-2020071615-12, dossierpagina 17, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 2] :\n\nOp 2 april ontving ik beelden van een filmpje gemaakt op een mobiele telefoon, van collega [verbalisant 5] . Van deze beelden heeft collega [verbalisant 5] een proces-verbaal van bevindingen gemaakt onder 2020071615-10. Mij werd gevraagd of ik de persoon die je op het filmpje ziet herken. Ik herken deze persoon als: [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats] . Ik herken hem omdat ik hem kort na dit incident in het betrokken voertuig heb gecontroleerd.\n\n6. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 29 maart 2020, proces-verbaalnummer PL2000-2020071615-6, dossierpagina’s 24-25, voor zover inhoudende de verklaring van [getuige 3] :\n\nWij waren op 21 maart 2020 bij de drive-in van de [bedrijf] aan de Boulevard Noord in Bergen op Zoom geweest en reden daarna via de afrit van de [bedrijf] rechtsaf de Boulevard Noord op. Op dat moment voelde ik een tik en ik keek om. Ik zag een auto achter ons staan, ergens links achter. Die stond heel kort nabij. Nog voordat [aangeefster] (het hof begrijpt telkens: aangeefster [aangeefster] )naar rechts ging, voelde en zag ik dat de auto achter ons voor de tweede maal tegen de auto van [aangeefster] aanreed. Ik zag dat de auto tegen de auto van [aangeefster] aan bleef duwen en hoorde dat de bestuurder van die auto gas bleef geven. Die auto duwde de auto van [aangeefster] tot tegen de stoeprand aan. Ik hoorde dat de zijkant van de auto ingedrukt werd. Ik ben vervolgens uitgestapt en zag dat in de auto achter die van [aangeefster] een personenauto, een Opel Astra, was. Het kenteken heb ik later genoteerd. Ik zag dat in de auto twee personen zaten. De bestuurder was wat groter en ouder, rond de 1.85 lang. Hij was licht getint, ik denk een Marokkaanse jongen. Hij had een slank postuur. De andere persoon was kleiner, ook licht getint, vermoedelijk ook een Marokkaan, slank postuur en rond de 1.75 tot 1.80 lang. Ik zag toen dat er nog een auto aangereden kwam (…) dat er een persoon in zat en dat die uitstapte.\n\nIk zag toen dat de bestuurder van de Opel in zijn auto stapte. Ik hoorde dat hij de Opel startte. Ik zag dat hij vervolgens met slippende banden wegreed. Ik zag dat de andere twee bleven staan. De bestuurder heeft aan niemand kenbaar gemaakt hoe hij heette en is eigenlijk gewoon gevlucht voordat de politie kwam.\n\n7. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 30 maart 2020, procesverbaalnummer PL2000-2020071615-8, dossierpagina’s 20-21, voor zover inhoudende de verklaring van [getuige 2] :\n\nOp 21 maart 2020, omstreeks 01.45 uur, gingen we naar de [bedrijf] in Bergen op Zoom. We waren met zijn vieren. We hadden bij de drive-in van de [bedrijf] eten gehaald. Nadat we weg reden voelde ik dat we aangereden werden aan de achterzijde van de auto. Ik zat naast de bestuurder. De bestuurder heet [aangeefster] van het hof (het hof begrijpt: [aangeefster] ). Ik keek om en zag twee jongens in een auto zitten. Ik zag dat [aangeefster] iets naar rechts stuurde om te gaan parkeren op de parkeerstrook. Ik wilde uitstappen, maar voordat ik dat kon voelde ik dat we aan de linkerzijde nogmaals aangereden werden. Ik hoorde dat de jongen extra gas gaf tijdens dat hij tegen ons aan reed.\n\nIk kan het volgende signalement van de bestuurder geven: een jongen, getinte huidskleur, Marokkaans of Turks uiterlijk, hij was ongeveer 1,85 lang, donker kort stijl haar, zijkanten waren opgeschoren, hij had een beetje een snor, hij droeg donkere kleding. Zijn postuur was gemiddeld.\n\nToen we allemaal uitgestapt waren ontstond een ruzie tussen [getuige 4] , [getuige 3] en de twee jongens van de andere auto. De bestuurder vertelde dat hij in wilde stappen om zijn auto te parkeren. De bestuurder is toen in zijn auto gestapt en reed weg.\n\nDe auto van de jongens had het kenteken [kenteken] .\n\n8. De eigen waarneming van dit hof ten aanzien van de foto van de verdachte op de hem betreffende ID-staat d.d. 3 juni 2020 op dossierpagina 3, zoals gedaan in raadkamer naar aanleiding van de terechtzitting van 17 juni 2026, voor zover inhoudende:\n\nHet hof neemt op de foto waar dat de verdachte een licht getinte huidskleur heeft en dat hij kort donker haar heeft dat aan de zijkant deels is opgeschoren. Voorts neemt het hof op de foto waar dat de verdachte een beginnende snor heeft.\n\nBewijsoverwegingen\n\nDe raadsman van de verdachte heeft vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Daartoe is in de kern aangevoerd dat op grond van het politiedossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de bestuurder van de Opel Astra is geweest die tegen de auto van aangeefster [aangeefster] heeft gereden.\n\nHet hof overweegt dienaangaande het volgende.\n\nHet hof is van oordeel dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden. Aangeefster [aangeefster] en getuigen [getuige 3] en [getuige 2] hebben verklaard dat de auto van aangeefster op 21 maart 2020 bij de [bedrijf] aan de Boulevard Noord te Bergen op Zoom meerdere keren is aangereden door een Opel Astra voorzien van het kenteken [kenteken] , waarin twee Marokkaanse jongens zaten. Aangeefster en voormelde getuigen hebben gezien dat de bestuurder van de Opel Astra na het incident in zijn auto is gestapt en is weggereden, zonder zijn gegevens achter te laten. Ongeveer dertig minuten na het ongeval trof verbalisant [verbalisant 2] de verdachte aan op de bijrijdersstoel van de Opel Astra. De verdachte vertelde dat er wat was gebeurd op de Boulevard en dat hij de verbalisant daar niets over wilde vertellen.\n\nDoor een getuige is kort na het incident een filmpje opgenomen, waarvan aangeefster heeft verklaard dat daarop de bestuurder van de auto die haar auto had aangereden is te zien. Verbalisant [verbalisant 2] wordt gevraagd of hij de persoon op het filmpje herkent. De verbalisant herkent deze persoon als zijnde de verdachte, omdat hij hem kort na het incident in het betrokken voertuig heeft gecontroleerd. Het signalement van de verdachte komt bovendien overeen met de omschrijving door de getuigen.\n\nGelet op de gebezigde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bestuurder van de Opel Astra is geweest die op 21 maart 2020 meermalen tegen de auto van aangeefster heeft gereden, waarna hij de plaats van het ongeval heeft verlaten. Uit deze bewijsmiddelen, met name het feit dat hij zich uit de voeten maakt en de verbalisant die hem in de Opel Astra aantreft wel mededeelt dat er ter plekke iets is gebeurd, maar hij niet wil zeggen wat, leidt het hof af dat de verdachte wist, en in ieder geval redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat hij de auto van aangeefster meermalen had aangereden waardoor schade was ontstaan.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\novertreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.\n\nOp te leggen straf\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, waarvan 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De advocaat-generaal heeft daarbij rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft het hof verzocht bij een strafoplegging rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn.\n\nHet hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nTen laste van de verdachte is bewezenverklaard hij zich op 21 maart 2020 schuldig heeft gemaakt aan het verlaten van de plaats van een ongeval, nadat hij als bestuurder van een motorvoertuig de auto van aangeefster [aangeefster] meermalen had aangereden. Door de aanrijding is er schade ontstaan aan de auto van aangeefster. De verdachte wist dat of had dit in ieder geval redelijkerwijs moeten vermoeden en had de plaats van het ongeval derhalve niet als een dief in de nacht mogen verlaten. De verdachte heeft met zijn handelen zich onvoldoende rekenschap gegeven van de geldende gedragsnormen in het verkeer en van zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.\n\nHet hof acht de omstandigheden waaronder de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan strafverzwarend. Uit de aangifte blijkt immers dat de verdachte ter plaatse zou hebben gezegd: ‘Ik maak jullie allemaal kankerdood’ of woorden van gelijke strekking. Aangeefster hoorde ook dat één van de aanwezige jongens zei: ‘Ik ga een pistool halen.’ Volgens een van de andere drie inzittenden van haar auto, [getuige 4] (dossierpagina 22) was dat de verdachte. Daarnaast blijkt uit het politiedossier dat de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde als bestuurder van de auto lachgasballonnen gebruikte en onder invloed was.\n\nHet hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 3 maart 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder meermalen onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld. Uit voornoemd uittreksel blijkt tevens dat het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.\n\nVoorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. De raadsman heeft in dat kader ter terechtzitting naar voren gebracht dat de verdachte een omgangsregeling heeft met zijn kinderen en dat hij als bezorger in dienstverband werkzaam is.\n\nGelet op de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder de verdachte het feit heeft gepleegd, kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met de door de politierechter dan wel de door de advocaat-generaal gevorderde straf. Alles afwegende acht het hof oplegging van een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis passend en geboden.\n\nRedelijke termijn\n\nHet hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling en afdoening van zijn of haar zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een vonnis binnen twee jaren nadat jegens de verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie strafvervolging zal worden ingesteld.\n\nHet hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak het volgende.\n\nNaar aanleiding van het ingestelde cassatieberoep namens de verdachte op 25 oktober 2022 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan op 25 maart 2025. Daarmee is niet binnen twee jaren na het instellen van cassatie arrest gewezen, zodat de redelijke termijn in deze fase met vijf maanden is overschreden.\n\nNa terugwijzing door de Hoge Raad op 25 maart 2025 zal het hof bij arrest van heden op 1 juli 2026 uitspraak doen. Daarmee is de redelijke termijn in deze fase niet overschreden.\n\nGezien de hoogte van de op te leggen straf ziet het hof geen aanleiding om tot strafvermindering over te gaan en zal het hof volstaan met de constatering dat bij de strafvervolging van de verdachte sprake is van een inbreuk op het in artikel 6, eerste lid, van het EVRM vervatte recht van de verdachte op behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 7 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nverklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij;\n\nverklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. C.M. Hilverda, voorzitter,\n\nmr. R. Lonterman en mr. M.J.M.A. van der Put, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. N. van Abeelen, griffier,\n\nen op 1 juli 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nmr. Van der Put is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1756","2026-07-13T00:29:34.306Z",{"id":91,"ecli":92,"slug":93,"caseNumber":44,"courtId":94,"decisionDate":95,"fullText":96,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":97,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":52,"updatedAt":98},"660","ECLI:NL:GHSHE:2026:1739","ecli-nl-ghshe-2026-1739",62,"2026-06-29T00:00:00.000Z","Parketnummer : 20-001407-25\n\nUitspraak : 29 juni 2026\n\nTEGENSPRAAKArrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof’s-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 27 mei 2024, in de strafzaak met parketnummer 96-000821-24 tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1967,\n\nwonende te [adres] .\n\nHoger beroep\n\nBij het vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994’, de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken. Voorts heeft de politierechter het in beslag genomen voorwerp verbeurd verklaard.\n\nNamens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en toepassing zal geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDe verdediging heeft een strafmaatverweer gevoerd.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet bestreden vonnis zal worden vernietigd, reeds omdat de politierechter heeft volstaan met een aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof is gebonden aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\nhij op of omstreeks 29 oktober 2022 te Krabbendijke, gemeente Reimerswaal, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Rijksweg A58, als bestuurder een motorrijtuig, te weten een personenauto, van die categorie of categorieën heeft bestuurd.\n\nDe in de tenlastelegging voorkomende taal- en\u002Fof schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\nhij op 29 oktober 2022 te Krabbendijke, gemeente Reimerswaal, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Rijksweg A58, als bestuurder een motorrijtuig, te weten een personenauto, van die categorie of categorieën heeft bestuurd.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewijsmiddelen\n\nHierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het procesdossier van de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, op ambtsbelofte opgemaakt onder zaakregistratienummer PL2000-2022287388, door verbalisant [verbalisant 1] , brigadier van de politie, gesloten d.d. 15 december 2022, bevattende een verzameling van op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van de politie met daarin gerelateerde bijlagen en met doorgenummerde dossierpagina’s 1-45.\n\nHet hof zal, nu de verdachte heeft bekend dat hij het tenlastegelegde heeft begaan op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld en zijn raadsman dienaangaande geen vrijspraak heeft bepleit, overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, volstaan met de volgende opgave van de bewijsmiddelen:\n\nDe verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van dit hof op 15 juni 2026, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte;\n\nHet proces-verbaal artikel 9 Wegenverkeerswet 1994 d.d. 29 oktober 2022, dossierpagina’s 8-9, voor zover inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] ;\n\nHet schriftelijk bescheid, te weten een (aangetekende) brief van het CBR d.d. 4 december 2019, dossierpagina’s 43-44, gericht aan de verdachte en inhoudende het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs;\n\nHet schriftelijk bescheid, te weten een uitdraai van het RDW-register d.d. 29 oktober 2022, dossierpagina’s 26-28;\n\nHet proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 29 oktober 2022, dossierpagina’s 17-18, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte.\n\nBewijsoverwegingen\n\nDe beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de\n\nfeiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\novertreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.\n\nGeen straf of maatregel\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof toepassing zal geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft een strafmaatverweer gevoerd en het hof eveneens verzocht toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om in ieder geval geen gevangenisstraf aan de verdachte op te leggen, gelet op de positieve ontwikkelingen die de verdachte de afgelopen tijd heeft doorgemaakt.\n\nHet hof overweegt dienaangaande als volgt.\n\nHet hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nTen laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het besturen van een personenauto, terwijl hij wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Met zijn handelen heeft de verdachte er blijk van gegeven zich weinig gelegen te laten liggen aan besluiten van een instantie die mede met het oog op de verkeersveiligheid belast is met onder meer de beoordeling van de geldigheid van rijbewijzen.\n\nHet hof heeft gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte verklaard dat hij de afgelopen jaren hard heeft gewerkt en positieve ontwikkelingen heeft doorgemaakt. Hij is inmiddels clean, woont in een huurwoning, heeft zijn rijbewijs gehaald en werkt als zzp’er voor meerdere opdrachtgevers.\n\nBij het bepalen van de op te leggen straf, heeft het hof voorts acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 9 maart 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit blijkt dat de verdachte meermalen is veroordeeld voor strafbare feiten. Het hof ziet echter de positieve ontwikkelingen van de afgelopen tijd, zoals door de verdediging ter terechtzitting naar voren gebracht, terug in het uittreksel. Voorts merkt het hof op dat de verdachte reeds een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht weken heeft opgelegd gekregen (politierechter 27 mei 2025, rechtbank Zeeland-West-Brabant), waarvan de proeftijd nog loopt. Hierdoor ziet het hof geen toegevoegde waarde in het opleggen van (nog) een voorwaardelijke straf.\n\nHoewel op zichzelf, onder meer gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, een straf zonder meer gerechtvaardigd is, ziet het hof in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het tijdsverloop van de strafzaak aanleiding te bepalen dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd. De verdediging heeft overtuigend naar voren gebracht dat de verdachte positieve ontwikkelingen heeft doorgemaakt en hard werkt om buiten politie en justitie te blijven. Naar het oordeel van het hof dient de verdachte de kans te krijgen om deze positieve ontwikkelingen voort te zetten. Het hof zal derhalve toepassing geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nBeslag\n\nDe in beslag genomen en nog niet teruggegeven personenauto, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is dat tot het begaan van het tenlastegelegde en bewezenverklaarde is bestemd en deze onder de verdachte in beslag is genomen.\n\nHet hof overweegt dienaangaande als volgt.\n\nHet hof overweegt dat de personenauto (goednummer: PL2000-2022287359-1540329) weliswaar op de naam van [betrokkene] staat, maar aan de verdachte toebehoort. Uit het procesdossier (dossierpagina 24) blijkt dat alle voertuigen waarmee de verdachte in het verleden artikel 9 van de Wegenverkeerswet 1994 overtrad, steeds op de naam stonden van [betrokkene] . Het betreffende voertuig waarmee het bewezenverklaarde feit is begaan, werd blijkens de kennisgeving van inbeslagneming al twee keer eerder door de verdachte bestuurd toen hij een proces-verbaal kreeg. Verder heeft de verdachte ten overstaan van het hof verklaard dat hij al is gestraft doordat de auto in beslag is genomen en de personenauto nog een waarde van € 3.500,00 had. Ook heeft de raadsman van de verdachte betoogd dat er door een verbeurdverklaring van de personenauto al sprake is van een financiële straf voor de verdachte en verzoekt het hof daarmee rekening te houden. Er is geen verweer gevoerd tegen de verbeurdverklaring van de auto.\n\nGelet op het voorhanden zijnde procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting, is naar het oordeel van het hof de verdachte aan te merken als feitelijk gebruiker van de personenauto en behoort de personenauto aan de verdachte toe. De auto betreft een voorwerp waarmee het bewezenverklaarde is begaan, waardoor het hof van oordeel is dat de personenauto vatbaar is voor verbeurdverklaring. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 9 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nvernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nverklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;\n\nbepaalt dat ter zake van het bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd;\n\nverklaart verbeurdhet in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:\n\n- een personenauto (kenteken: [kenteken] , merk: Ford, goednummer: PL2000-2022287359-1540329).\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. C.A. van Roosmalen, voorzitter,\n\nmr. M.J.M.A. van der Put en mr. G.M. Goes, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. B.J.M. van de Luijtgaarden, griffier,\n\nen op 29 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1739","2026-07-13T00:28:41.671Z",{"id":100,"ecli":101,"slug":102,"caseNumber":44,"courtId":103,"decisionDate":95,"fullText":104,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":105,"sourceTimestamp":51,"parsedAt":52,"updatedAt":106},"288","ECLI:NL:RBGEL:2026:5352","ecli-nl-rbgel-2026-5352",60,"RECHTBANK GELDERLAND\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nParketnummer: 05-249116-25\n\nDatum uitspraak : 29 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nvonnis van de meervoudige militaire kamer\n\nin de zaak van\n\nde officier van justitie\n\ntegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedag] 1998 in [geboorteplaats] ,\n\nwonende aan [adres] in [woonplaats] ,\n\nraadsman: mr. F.J. Mascini, advocaat in Haarlem.\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van\n\n16 maart 2026 en 8 juni 2026.\n\n1. De inhoud van de tenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nhij op of omstreeks 16 mei 2025 te Amsterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (motorfiets), daarmede rijdende over de weg, Tafelbergweg (ter hoogte van of nabij de Fastned laadlocatie) zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en\u002Fof onoplettend, het door hem, verdachte bestuurde voertuig niet (voortdurend) onder controle heeft gehad en\u002Fof zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was tengevolge waarvan hij, verdachte, met dat door hem, verdachte bestuurde voertuig (motorfiets) tegen een aldaar aanwezige voetganger ( [slachtoffer] ) is gereden en\u002Fof gebotst, waardoor [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten een schedelbreuk en\u002Fof hersenkneusing en\u002Fof hersenbloedingen, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;\n\nsubsidiairalthans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 16 mei 2025 te Amsterdam als bestuurder van een voertuig (motorfiets), daarmee rijdende op de weg, de Tafelbergweg (ter hoogte van of nabij de Fastned laadlocatie), het door hem, verdachte bestuurde voertuig niet (voortdurend) onder controle heeft gehad en\u002Fof zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was tengevolge waarvan hij, verdachte, met dat door hem, verdachte bestuurde voertuig (motorfiets) tegen een aldaar aanwezige voetganger ( [slachtoffer] ) is gereden en\u002Fof gebotst, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en\u002Fof het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.\n\n2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs\n\nDe feiten\n\nOp grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.\n\nOp 16 mei 2024 was verdachte bestuurder van een motor en reed hij op de Tafelbergweg in Amsterdam. Hij bereed de rijbaan van de Tafelbergweg, de foodstrip, komende uit de richting van de Meibergdreef en gaande in de richting van de Rijksweg A9. Ter hoogte van de Fastned laadlocatie verloor hij de controle over zijn motor. Ten gevolge hiervan schoot de motorfiets door en reed tegen een voetganger, [slachtoffer] aan.\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het subsidiair ten laste gelegde feit.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft ten aanzien van het primair tenlastegelegde vrijspraak bepleit, nu de ondergrens van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) niet wordt gehaald. Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde is geen bewijsverweer gevoerd.\n\nBeoordeling door de militaire kamer\n\nUit de verkeersongevallenanalyse is gebleken dat er geen bijzonderheden waren met betrekking tot de motor, de weersomstandigheden en de verlichting. Ook is er forensisch technisch geen aanwijzing dat de snelheid van de motor significant hoger heeft gelegen dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 30 kilometer per uur. De oorzaak waardoor de bestuurder van de motor de controle over de motor verloor is forensisch technisch niet vastgesteld. Het meest waarschijnlijke scenario is dat de bestuurder van de motor tijdens het rijden over de verkeersdrempel een bedieningsfout maakte en hierdoor de controle over de motorfiets verloor. De bestuurder van de motor was niet in staat om zijn voertuig tot stilstand te brengen, binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was.\n\nVerdachte was niet onder invloed van alcohol of drugs.\n\nVerdachte heeft verklaard dat hij niet precies weet wat er is gebeurd omdat het zo snel ging, maar dat hij vermoedt dat de motor op een of andere manier bij het terugschakelen schokte. Hierdoor greep verdachte uit automatisme zijn stuur vast en trok daardoor het gas open waardoor de motor begon te accelereren en de motor naar voren schoot. Verdachte heeft nog geprobeerd te remmen en uit te wijken, maar er was geen houden meer aan. Verdachte vergelijkt het met een whiskey throttle.\n\nArtikel 6 WVW 1994\n\nVan schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 is sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Daarbij geldt dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor een bewezenverklaring van schuld in vorenbedoelde zin. Bij de vraag of sprake is van schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW 1994 komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarbij komt dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.\n\nHet rijgedrag van verdachte is op zichzelf onvoldoende om te kunnen spreken van een aanmerkelijke verwijtbare onvoorzichtigheid. Verdachte heeft weliswaar de controle over zijn motor verloren en heeft daardoor [slachtoffer] geraakt, maar er is geen sprake van bijkomende omstandigheden of fouten van verdachte die van invloed zijn geweest op het plaatsvinden van het ongeval. Onder die omstandigheden acht de militaire kamer dat niet voldaan is aan de voor artikel 6 WVW 1994 vereiste mate van schuld om te kunnen spreken van aanmerkelijk onvoorzichtig en\u002Fof onoplettend handelen. Daarom zal verdachte van het primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.\n\nArtikel 5 WVW 1994\n\nHet subsidiair ten laste gelegde is toegesneden op artikel 5 WVW 1994, waarin strafbaar wordt gesteld het zich zodanig op de weg gedragen dat gevaar wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt, dan wel het verkeer wordt gehinderd of kan worden gehinderd. Het gaat daarbij om concrete gevaarzetting of hinder. Bij de vraag of een bepaalde handeling kan worden aangemerkt als gevaarlijk gaat het om de handeling in concreto in het licht van alle omstandigheden van het geval.\n\nDoor zijn rijgedrag heeft verdachte gevaar op de weg veroorzaakt. De militaire kamer acht overtreding van artikel 5 WVW 1994, het subsidiair tenlastegelegde, dan ook wettig en overtuigend bewezen.\n\n3. De bewezenverklaring\n\nNaar het oordeel van de militaire kamer is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:\n\nhij op of omstreeks16 mei 2025 te Amsterdam als bestuurder van een voertuig (motorfiets), daarmee rijdende op de weg, de Tafelbergweg (ter hoogte van of nabij de Fastned laadlocatie), het door hem, verdachte bestuurde voertuig niet (voortdurend) onder controle heeft gehad en\u002Fofzijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was ten gevolge waarvan hij, verdachte, met dat door hem, verdachte bestuurde voertuig (motorfiets) tegen een aldaar aanwezige voetganger ( [slachtoffer] ) is gereden en\u002Fof gebotst, door welke gedraging(en)van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt,en\u002Fof het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.\n\nVoor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nWat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.\n\nVerdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\nsubsidiair:\n\novertreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.\n\n5. De strafbaarheid van het feit\n\nHet feit is strafbaar.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte\n\nVerdachte is in beginsel strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.\n\n7. De overwegingen ten aanzien van straf en\u002Fof maatregel\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot betaling van een geldboete van € 1.000,00, te vervangen door 10 dagen hechtenis en ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaren.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft in het geval van een veroordeling verzocht tot toepassing van artikel 9a Strafrecht, schuldig verklaring zonder oplegging van een straf of maatregel.\n\nDe beoordeling door de militaire kamer\n\nDe militaire kamer heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De militaire kamer heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.\n\nUit het uittreksel uit de justitiële documentatie van 10 februari 2026 blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.\n\n De militaire kamer is van oordeel dat door het bewezenverklaarde het aan de schuld van verdachte te wijten is dat het slachtoffer ernstig letsel met blijvende gevolgen heeft opgelopen. Met dit gegeven en de gevolgen die dit heeft gehad moet – naast het slachtoffer – ook verdachte verder door het leven. De militaire kamer heeft ter terechtzitting geconstateerd dat verdachte zijn verantwoordelijkheid voor de aanrijding inziet en hiermee nog regelmatig wordt geconfronteerd. Onder die omstandigheden kan naar het oordeel van de militaire kamer niet gezegd worden dat met een op te leggen straf nog enig strafdoel wordt bereikt. Evenals de verdediging is de militaire kamer dan ook van oordeel dat geen straf of maatregel dient te worden opgelegd.\n\nGelet op alle omstandigheden zal de militaire kamer met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen straf of maatregel opleggen.\n\n8. De toegepaste wettelijke bepalingen\n\nDe oplegging van de straf en\u002Fof maatregel is gegrond op de artikelen:\n\n- 9 a van het Wetboek van Strafrecht;\n\n- 5 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994.\n\n9. De beslissing\n\nDe militaire kamer:\n\n verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;\n\n verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;\n\n verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;\n\n verklaart verdachte hiervoor strafbaar;\n\n bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Y.H.M. Marijs (voorzitter), mr. Y. van Wezel, rechters, en kapitein-ter-zee (LD) mr. J.L. Wesstra, militair lid, in tegenwoordigheid van mr. C.F. Brouwer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 juni 2026.\n\nmr. C.F. Brouwer is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de Koninklijke Marechaussee, Landelijk Tactisch Commando, Brigade Noord-Holland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL27WN\u002F25-002583, gesloten op 8 juli 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.\n\n Proces-verbaal van FO verkeer, p. 124-125, de verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 8 juni 2026.\n\n Proces-verbaal FO verkeer, p. 82-128.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 13.\n\n De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 8 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5352","2026-07-13T00:28:22.827Z",{"id":108,"ecli":109,"slug":110,"caseNumber":44,"courtId":58,"decisionDate":111,"fullText":112,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":113,"sourceTimestamp":67,"parsedAt":52,"updatedAt":114},"1790","ECLI:NL:GHAMS:2026:1778","ecli-nl-ghams-2026-1778","2026-06-26T00:00:00.000Z","afdeling strafrecht\n\nparketnummer eerste aanleg : 96-048696-23\n\nparketnummer hoger beroep : 23-002002-25\n\nTEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)\n\nArrest van het gerechtshof Amsterdam, enkelvoudige strafkamer, van 26 juni 2026 gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 26 augustus 2025 in de zaak tegen de verdachte:\n\nnaam: [naam 1]\n\nvoornamen: [naam 2]\n\ngeboren: op [geboortedag] 1989 te [geboorteplaats]\n\nadres: [adres].Kwalificatie van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 1 bewezenverklaarde levert op:\n\novertreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.\n\nHet onder 2 bewezenverklaarde levert op:\n\novertreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.\n\nGepleegd\n\nfeit 1: op 24 december 2022 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer;\n\nfeit 2: op 24 december 2022 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 107, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.\n\nVerklaart het onder 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nBepaalt dat ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.\n\nVeroordeelt de verdachte ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot een taakstrafvoor de duur van30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door15 (vijftien) dagen hechtenis.\n\nOntzegt de verdachte ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van9 (negen) maanden.\n\nBepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 1 (één) jaaraan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nGewezen door mr. L.F. Roseval, in bijzijn van mr. N.M. Simons, griffier.\n\n mr. L.F. Roseval","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1778","2026-07-13T00:29:39.047Z",{"id":116,"ecli":117,"slug":118,"caseNumber":44,"courtId":58,"decisionDate":111,"fullText":119,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":120,"sourceTimestamp":67,"parsedAt":52,"updatedAt":121},"1797","ECLI:NL:GHAMS:2026:1780","ecli-nl-ghams-2026-1780","afdeling strafrecht\n\nparketnummer eerste aanleg : 96-009012-25\n\nparketnummer hoger beroep : 23-002686-25\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrest van het gerechtshof Amsterdam, enkelvoudige strafkamer, van 26 juni 2026 gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 17 oktober 2025 in de zaak tegen de verdachte:\n\nnaam: [naam 1]\n\nvoornamen: [naam 2]\n\ngeboren: op [geboortedag] 1991 te [geboorteplaats]\n\nadres: [adres].Kwalificatie van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\novertreding van artikel 9, zevende lid, van de Wegenverkeerswet 1994.\n\nGepleegd op 6 januari 2025 te Amsterdam.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe artikelen 9, 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 9 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door20 (twintig) dagen hechtenis.\n\nGewezen door mr. L.F. Roseval, in bijzijn van mr. N.M. Simons, griffier.\n\n mr. L.F. Roseval\n\nDe verdachte en de advocaat-generaal hebben ter terechtzitting afstand gedaan van het recht beroep in cassatie in te stellen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1780","2026-07-13T00:29:39.410Z",{"id":123,"ecli":124,"slug":125,"caseNumber":44,"courtId":126,"decisionDate":111,"fullText":127,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":128,"sourceTimestamp":129,"parsedAt":52,"updatedAt":130},"1867","ECLI:NL:RBOVE:2026:3612","ecli-nl-rbove-2026-3612",57,"RECHTBANK OVERIJSSEL\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ZWO 25\u002F3863\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van de rechtbank Overijssel in de zaak tussen\n [eiser], uit [woonplaats], eiser,\n\nhierna te noemen: [eiser],\n\n(gemachtigde: [gemachtigde 1]),\n\nen\n\nde directie van het CBR,\n\nhierna te noemen: het CBR,\n\n(gemachtigde: [gemachtigde 2]).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van [eiser] tegen het besluit waarbij aan hem een cursus verantwoord rijgedrag is opgelegd. [eiser] is het niet eens met dat besluit. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van het bestreden besluit.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard omdat het bezwaar van [eiser] niet voorzien was van gronden. Hij heeft geen gebruik gemaakt van de hem geboden gelegenheid om dit verzuim te herstellen. [eiser] krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n1.2.. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 25 november 2025 op het bezwaar van eiser heeft het CBR het bezwaar van [eiser] niet-ontvankelijk verklaard.\n\n2.1.. \n [eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen:\n\n [gemachtigde 1] namens [eiser];\n\n [gemachtigde 2] namens het CBR.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nDe feiten\n\n3.1.. Op 24 september 2025 is [eiser] staande gehouden door twee agenten. Uit het door hen opgestelde proces-verbaal van bevindingen blijkt dat [eiser] veel te hard reed, dat hij veel te dicht op auto’s voor hem reed en dat hij slingerde. Nog dezelfde dag is ten aanzien van hem een mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 gedaan. Vervolgens heeft het CBR bij besluit van 13 oktober 2025 een cursus verantwoord rijgedrag, op eigen kosten te volgen, aan [eiser] opgelegd.\n\n3.2.. Bij brief van 27 oktober 2025 heeft [gemachtigde 1] namens [eiser] bezwaar gemaakt tegen het besluit van 13 oktober 2025. Het bezwaarschrift bevatte geen gronden.\n\n3.3.. Bij brief van 28 oktober 2025 heeft het CBR [eiser] erop gewezen dat het bezwaarschrift geen gronden bevatte en heeft het CBR hem in de gelegenheid gesteld om dit gebrek uiterlijk op 18 november 2025 te herstellen.\n\n3.4.. Bij het bestreden besluit heeft het CBR het namens [eiser] ingediende bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\n4.1.. \n [eiser] stelt zich op het standpunt dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard omdat geen herstel verzuim is toegezonden aan zijn gemachtigde.\n\n4.2.. De rechtbank stelt vast dat uit de door het CBR overgelegde stukken, waaronder een overzicht uit de verzendadministratie van het CBR, blijkt dat op 28 oktober 2025 een drietal brieven is verzonden aan zowel [eiser] als aan zijn gemachtigde. Een van de drie op 28 oktober 2025 aan de gemachtigde verzonden brief is een brief waarbij een kopie van de brief van die datum aan [eiser] is gevoegd, waarbij het CBR hem in de gelegenheid gesteld om het geconstateerde gebrek uiterlijk op 18 november 2025 te herstellen. Aan het vereiste van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat aan de indiener van een bezwaar dat niet voldoet aan het bepaalde in artikel 6:5 van de Awb eerst de gelegenheid dient te worden geboden om het verzuim te herstellen binnen een gestelde termijn, is dan ook voldaan.\n\n4.3.. De rechtbank overweegt dat de door het CBR geboden hersteltermijn verstreek voordat de gehele bezwaartermijn als bedoeld in artikel 6:7 van de Awb was verstreken. In een dergelijk geval geldt dat [eiser], als bezwaarmaker, de gehele bezwaartermijn van zes weken ter beschikking stond om zijn bezwaarschrift van gronden te voorzien. Dit betekent dat [eiser] hiervoor tot en met 24 november 2025 de tijd had. Nu hij van deze gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt, mocht het CBR eisers bezwaar op grond van het bepaalde in artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren.\n\n4.4.. Het bestreden besluit vermeldt dat [eiser] niet wordt uitgenodigd voor een hoorzitting. Op grond van het bepaalde in artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb mocht het CBR afzien van het horen van [eiser]. Nu het bezwaarschrift niet was voorzien van gronden en geen gebruik was gemaakt van de mogelijkheid om dit verzuim te herstellen, was het bezwaar immers kennelijk niet-ontvankelijk.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het besluit van 13 oktober 2025 in stand blijft. [eiser] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, rechter, in aanwezigheid van mr. A. van der Weij, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op .\n\n De rechter is buiten staat om deze uitspraak\n\n te ondertekenen.\n\nGriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n. Ab,RvS 19 maart 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE0921","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3612","2026-06-25T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:42.836Z",{"id":132,"ecli":133,"slug":134,"caseNumber":44,"courtId":58,"decisionDate":111,"fullText":135,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":136,"sourceTimestamp":67,"parsedAt":52,"updatedAt":137},"1775","ECLI:NL:GHAMS:2026:1776","ecli-nl-ghams-2026-1776","afdeling strafrecht\n\nparketnummer eerste aanleg : 96-279064-23\n\nparketnummer hoger beroep : 23-001166-25\n\nTEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)\n\nArrest van het gerechtshof Amsterdam, enkelvoudige strafkamer, van 26 juni 2026 gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 15 mei 2025 in de zaak tegen de verdachte:\n\nnaam: [naam 1]\n\nvoornamen: [naam 2]\n\ngeboren: op [geboortedag] 1998 te [geboorteplaats]\n\nadres: [adres].Kwalificatie van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\novertreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.\n\nGepleegd op 29 december 2021 te [adres].\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe artikelen 14a, 14b, 14c en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 9 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van2 (twee) weken.\n\nBepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 1 (één) jaaraan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nGelast de teruggaveaan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:\n\n- 1 STK Personenauto [kenteken], Grijs, merk: [merk], bouwjaar 2006).\n\nGewezen door mr. L.F. Roseval, in bijzijn van mr. N.M. Simons, griffier.\n\n mr. L.F. Roseval","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1776","2026-07-13T00:29:38.211Z",{"id":139,"ecli":140,"slug":141,"caseNumber":44,"courtId":142,"decisionDate":129,"fullText":143,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":144,"sourceTimestamp":67,"parsedAt":52,"updatedAt":145},"1354","ECLI:NL:RBROT:2026:7855","ecli-nl-rbrot-2026-7855",61,"Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummers: 10-015514-24, 10-360302-24, 96-276472-23 (gevoegd ttz.)\n\nDatum uitspraak: 25 juni 2026\n\nDatum zitting: 11 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum 1] 2003 in [geboorteplaats]\n\ningeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. S.C. van Paridon\n\nOfficier van justitie: mr. H.J. du Croix\n\nAdvocaat van de nabestaanden: mr. F.J.M. Hamers\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte wordt veroordeeld voor overtreding van artikel 6 WVW, terwijl de schuld bestaat uit zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag. De verdachte heeft een dodelijke aanrijding veroorzaakt met een voetganger terwijl de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom met ongeveer 21 km\u002Fu werd overschreden. Daarnaast is bewezen: het verlaten van de plaats van het ongeval, tweemaal overtreding van artikel 5a WVW, het rijden met een ingevorderd rijbewijs, verduistering van een auto en overschrijding van de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom met 104 km\u002Fu. Aan de verdachte wordt opgelegd een gevangenisstraf van 14 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 5 jaar.1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – op 6 januari 2024 met een personenauto een dodelijk verkeersongeval heeft veroorzaakt, de plaats van het ongeval heeft verlaten, zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 5a WVW en een personenauto heeft verduisterd. Ook wordt de verdachte ervan beschuldigd dat hij op 11 januari 2024 zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 5a WVW, in een personenauto heeft gereden terwijl zijn rijbewijs was ingevorderd en een personenauto heeft verduisterd. Ten slotte wordt de verdachte ervan beschuldigd dat hij op 17 oktober 2023 binnen de bebouwde kom met een personenauto in Rotterdam 154 km\u002Fu reed waar 50 km\u002Fu was toegestaan.\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) staat in bijlage 1.2. Bewijsoverwegingen en gedeeltelijke vrijspraak2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor alle tenlastegelegde feiten. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de feiten 1 en 4 in de zaak met parketnummer 10-015514-24 en voor feit 3 in de zaak met parketnummer 10-360302-24. Ten aanzien van de feiten 2 en 3 in de zaak met parketnummer 10-015514-24, de feiten 1 en 2 in de zaak met parketnummer 10-360302-24 en het feit in de zaak met parketnummer 96-276472-23 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen\n\nBewezen is dat de verdachte in de zaak met parketnummer 10-015514-24 zich schuldig heeft gemaakt aan het veroorzaken van een dodelijk verkeersongeval (feit 1 primair), het verlaten van de plaats van het ongeval (feit 2), overtreding van artikel 5a WVW (feit 3 primair) en verduistering (feit 4). In de zaak met parketnummer 10-360302-24 heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 5a WVW (feit 1 primair) en het rijden met een ingevorderd rijbewijs (feit 2). Ten slotte heeft de verdachte zich in de zaak met parketnummer 96-276472-23 schuldig gemaakt aan het overschrijden van de toegestane snelheid met 104 km\u002Fu. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.4.\n\n De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft in de zaak met parketnummer 10.015514.24 feit 2 en feit 3 bekend, in de zaak met parketnummer 10-360302-24 feit 1 en feit 2 bekend en het feit bekend in de zaak met parketnummer 96-276472-23. Ook is voor deze feiten geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit deze feiten de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.\n\nParketnummer 10.015514.24\n\nFeit 2\n\n1. Verklaring van de verdachte\n\n2. Proces-verbaal van de politie\n\n3. Proces-verbaal van de politie\n\nFeit 3\n\n4. Verklaring van de verdachte\n\n5. Proces-verbaal van de politie\n\n6. Proces-verbaal van de politie\n\n7. Proces-verbaal van de politie\n\nParketnummer 10-360302-24\n\nFeit 1\n\n8. Verklaring van de verdachte\n\n9. Proces-verbaal van de politie\n\n10. Proces-verbaal van de politie\n\n11. Proces-verbaal van de politie\n\n12. Proces-verbaal van de politie\n\nFeit 2\n\n13. Verklaring van de verdachte\n\n14. Proces-verbaal van de politie\n\nParketnummer 96-276472-23\n\n15. Verklaring van de verdachte\n\n16. Proces-verbaal van de politie\n\nDe bewezenverklaring van feit 1 en feit 4 in de zaak met parketnummer 10-015514-24 is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande bewijsmotivering.\n\nParketnummer 10-015514-24\n\nFeit 1\n\n17. Verklaring van de verdachte\n\nIk heb op 6 januari 2024 in de auto gereden. Ik heb niet op de snelheidsmeter gekeken, ik was daar niet mee bezig. Toen ik tegen de mevrouw aankwam, wist ik niet wat er gebeurde. Ik hoorde dat iets de auto raakte bij de linker voorkant van de auto. Ik zag dat ik iemand had geraakt. Ik heb sowieso te hard gereden tijdens die proefrit. Ik weet dat ik voor en na het ongeval veel te hard gereden heb sowieso.\n\n18. Proces-verbaal van onnatuurlijke dood\n\nOverledene\n\nAchternaam: [achternaam]\n\nVoornamen: [voornaam]\n\nGeboren: [geboortedatum 2] 1937\n\nDatum\u002Ftijd vinden: zondag 7 januari 2024 om 21:30 uur\n\nKorte samenvatting van het gebeurde\n\nOp zaterdag 6 januari 2024 omstreeks 16:05 uur heeft er een verkeersongeval met letsel plaatsgevonden op de Schenkelsedreef in Capelle aan den IJssel. Aldaar zou een voetganger door een personenauto zijn aangereden, waarbij de personenauto is doorgereden. De voetganger is bij dit ongeval zwaar gewond geraakt en met neurotrauma overgebracht naar het EMC. Aldaar is het slachtoffer aan haar verwondingen komen te overlijden.\n\n19. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 6 januari 2024 vond er een verkeersongeval plaats op de Schenkelse Dreef te Capelle aan den IJssel tussen een personenauto en een voetganger. Deze Cupra was voorzien van het kenteken [kentekennummer 1] en van een ingebouwde GPS-tracker. De gegevens van de GPS-tracker, waarin de locatie en gereden snelheid aangegeven werden, zijn door mij, verbalisant, geanalyseerd via de politie atlas. Van de locatie en de gereden snelheid zijn door mij schermafdrukken gemaakt en in een bijlage gezet, welke ik bij dit proces-verbaal heb gevoegd.\n\nVoertuig\n\nMerk\u002Ftype: Cupra Cupra Leon Sp E\n\nBijlage bij [proces-verbaalnummer 1]\n\n[google maps afbeelding met daarop de onderstaande tekst]\n\nVoertuig Leon SP Copper (ROT)\n\nDatum 2024-01-06T15:00:04.OOOZ\n\nTijd 2024-01-06T15:00:04.OOOZ\n\nSnelheid (k\u002Fh) 70.99992142\n\nSchenkelse Dreef Capelle aan den IJssel 50 km\u002Fh maximum toegestane snelheid\n\n20. Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 7 januari 2024\n\nIk had goed zicht. Er is daar geen zebrapad dus ik kijk ook niet naar links of rechts.\n\n21. Verkeersongevallenanalyse d.d. 4 april 2024\n\nHet ongeval vond plaats op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, Schenkelse Dreef , ter plaatse gelegen binnen de bebouwde kom te Capelle aan den IJssel. Deze weg bestaat ter plaatse uit één rijbaan en is bestemd voor verkeer in beide richtingen. Langs de westelijke zijde van deze rijbaan bevond zich een verhoogde en verharde berm, een fietspad en een trottoir. Het ongeval had plaatsgevonden op de westelijk gelegen rijstrook van de Schenkelse Dreef ter hoogte van het kruispunt met de Wingerd . Ter plaatse gold op de Schenkelse Dreef een maximumsnelheid van 50 km\u002Fu voor motorvoertuigen.\n\nOp het wegdek globaal in het midden van die rijbaan was het slachtoffer aangetroffen.\n\nFeit 4\n\n22. Verklaring van de verdachte\n\nIk heb op 6 januari 2024 in de Cupra gereden. Ik heb de auto die dag opgehaald en wilde waarschijnlijk gewoon stoer doen. Ik wilde gewoon met een auto rijden om hem gratis te krijgen. Ik ben met de auto naar het ziekenhuis gegaan. Na het ongeval ben ik naar [sportschool] gegaan om alles eruit te stomen. De politie heeft mij daar gestopt.\n\n23. Verklaring van [medeverdachte]\n\n [verdachte] zat op de bestuurdersplek. Ik was de bijrijder.\n\nV: Wat hebben jullie nadat je de auto opgehaald had gedaan? A: Daarna reden we eerst langs zijn huis, in oost. Hij is thuis om gaan kleden om te sporten. Daarna zijn we gewoon gaan rijden.\n\n24. Proces-verbaal van aangifte d.d. 20 februari 2024\n\nHierbij doe ik aangifte van verduistering van een grijze personenauto Cupra Leon voorzien van het kenteken [kentekennummer 1] . Op 6 januari 2024 omstreeks 14:09u kwam een persoon [verdachte] langs bij [autobedrijf 1] te [plaats] om een proefrit te maken met een auto. [verdachte] had 30 minuten om een proefrit te maken. Zij reden om 14:15u weg. Vanaf 14:45u hebben wij meerdere keren getracht telefonisch contact op te nemen. Er werd niet opgenomen. Omstreeks 16:11u hebben wij een sms gestuurd waarin stond dat als hij geen contact opnam, de politie ingelicht zou worden.\n\n25. Proces-verbaal van de politie\n\nOmstreeks 16:37 uur, werd ik door de centralist van het Operationeel Centrum van politie Eenheid Rotterdam, opgeroepen. Er was een melding binnen gekomen van een autoverhuurbedrijf dat een verhuurde auto voor een proefrit was meegenomen, maar na 2 uur nog niet terug was. Via de GPS die in de auto aanwezig was, zag men de auto uitpeilen op de Metaalhof ter hoogte van het sportcentrum [sportschool] te Rotterdam. Deze auto zou een Cupra Leon betreffen voorzien van kenteken [kentekennummer 1] . Ik reed vervolgens richting de Metaalhof te Rotterdam. Omstreeks 16:40 uur, reed ik op de Koperstraat te Rotterdam ter hoogte van sportcentrum [sportschool] . Opeens zag ik dat de grijze Cupra voorzien van kenteken [kentekennummer 1] mij passeerde. Ik stapte uit en benaderde de auto. Na dit onderzoek bleek dat de man die voor mij stond moest zijn genaamd: [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 2003 te [geboorteplaats] .\n\n2.3.2.. Bewijsmotivering\n\nParketnummer 10-015514-24\n\nFeit 1 (aanrijding met dodelijk slachtoffer)\n\nOp 6 januari 2024 heeft omstreeks 16:05 op de Schenkelsedreef in Capelle aan den IJssel een verkeersongeval plaatsgevonden tussen een personenauto met de verdachte als bestuurder en een voetganger. De voetganger, [slachtoffer] , is tijdens het oversteken aangereden en als gevolg hiervan overleden.\n\nDe vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of de verdachte aan het verkeersongeval schuld heeft in de zin van artikel 6 WVW. Of sprake is van schuld hangt af van het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dat sprake is van schuld kan niet zonder meer uit de ernst van de gevolgen van het ongeval worden afgeleid. Van schuld in de zin van artikel 6 WVW is pas sprake in het geval van (tenminste) een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid.\n\nDe Schenkelse Dreef in Capelle aan den IJssel is een weg binnen de bebouwde kom waar een maximumsnelheid geldt van 50 km\u002Fu. De verdachte reed op het moment van de aanrijding ongeveer 71 km\u002Fu. De plaats waar het slachtoffer door de verdachte is aangereden, bevindt zich bij een oversteekplaats voor fietsers en naast een bushalte.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat het overschrijden van de maximale snelheid binnen de bebouwde kom met ongeveer 21 km\u002Fu, in combinatie met het onvoldoende acht slaan op de omgeving, zeer onvoorzichtig gedrag oplevert, zodat het verkeersongeval aan verdachtes schuld is te wijten. Dat het slachtoffer is overgestoken op een plaats waar geen zebrapad was, doet daar niet aan af. Als bestuurder van de auto rustte op de verdachte de verantwoordelijkheid om behoedzaam en oplettend te zijn en om zijn snelheid zo te regelen dat hij tijdig zou kunnen reageren op mogelijk aanwezig, naderend of overstekend verkeer. Daarbij moet een bestuurder tot op zekere hoogte ook bedacht zijn op mogelijke verrassingen, waaronder fouten van andere (kwetsbare) verkeersdeelnemers. Bovendien betrof het een overzichtelijke weg en heeft de verdachte verklaard dat hij goed zicht had. De verdachte had het slachtoffer dus kunnen zien aankomen, maar heeft niet goed gekeken. Dat de verdachte zo hard reed, maakte dat hij niet kon anticiperen. Ook heeft de verdachte verklaard dat hij hard reed om stoer te doen en dat hij ook voorafgaand en vlak na de aanrijding te hard heeft gereden. Dit maakt dat de rechtbank de gedragingen kwalificeert als zeer onvoorzichtig.\n\nFeit 4 (verduistering 6 januari 2024)\n\nDe verdachte heeft op 6 januari 2024 bij [autobedrijf 1] in [plaats] omstreeks 14:15 uur een Cupra Leon personenauto met kenteken [kentekennummer 1] meegekregen voor een proefrit. De verdachte heeft de personenauto niet binnen de afgesproken tijd van 30 minuten teruggebracht. Een medewerker van [autobedrijf 1] heeft daarom de verdachte vanaf 14:45 uur meermaals geprobeerd te bellen. Ook zijn er berichten gestuurd naar de verdachte met de boodschap dat de afspraak niet is nagekomen omdat de auto niet binnen 30 minuten is teruggebracht en het verzoek de auto zo snel mogelijk terug te brengen omdat anders de politie zou worden ingeschakeld. Pas na 2,5 uur is er door ingrijpen van de politie een einde gekomen aan de ‘proefrit’.\n\nVolgens vaste rechtspraak kan voor een bewezenverklaring van verduistering van een voertuig niet worden volstaan met de enkele vaststelling dat het aan de verdachte meegegeven voertuig niet (op tijd) is teruggebracht. Hieruit blijkt immers niet dat de verdachte, zonder daartoe gerechtigd te zijn, daadwerkelijk als heer en meester over het voertuig heeft beschikt.\n\nDe uiterlijke verschijningsvorm van de overige gedragingen van verdachte die middag zijn naar het oordeel van de rechtbank echter zo gericht op het als heer en meester beschikken over het voertuig dat de rechtbank bewezen acht dat de verdachte zich het voertuig wederrechtelijk heeft toegeëigend. Zo heeft de verdachte naar eigen zeggen het voertuig gebruikt om stoer te doen en is hij ermee langs zijn huis gegaan, naar het ziekenhuis in Capelle aan den IJssel en heeft hij gedurende de proefrit diverse ernstige verkeersovertredingen gemaakt. Ook is hij tijdens de proefrit gaan sporten. Hieruit blijkt dat hij het voertuig voor een ander doel gebruikte dan waarvoor een proefrit is bedoeld, te weten het maken van een testrit om te beoordelen of het model of het rijgedrag van de auto voldoet aan de wensen voorafgaand aan een eventuele aankoop. De verdachte heeft het voertuig daarentegen gebruikt als kosteloos vervoermiddel. Daar komt bij dat hij zich onbereikbaar heeft gehouden voor de eigenaar ondanks dat er herhaaldelijk is geprobeerd contact met hem te leggen. Ten slotte is er slechts een einde gekomen aan het gebruik van het voertuig door ingrijpen van de politie. Dit maakt dat de rechtbank bewezen acht dat de verdachte op 6 januari 2024 het voertuig heeft verduisterd.2.3.3.. Volledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nParketnummer 10-015514-24 (gewijzigd ttz.)\n\nFeit 1\n\nprimair\n\nhij op 6 januari 2024 te Capelle aan den IJssel als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig zeer onvoorzichtig en onoplettend te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Schenkelsedreef , welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,\n\n- met een snelheid van ongeveer 71 km\u002Fu, in elk geval met een hogere snelheid dan de maximumsnelheid aldaar van 50 km\u002Fu heeft gereden en met een gelet op de situatie (veel) te hoge snelheid heeft gereden en\n\n- daarbij niet danwel onvoldoende naar links en rechts heeft gekeken terwijl hij aldaar rijdend was en\n\nterwijl een voetganger, genaamd [slachtoffer] , doende was de rijbaan van die Schenkelse Dreef over te steken en die rijbaan al voor een groot gedeelte was overgestoken,\n\n- hij zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzien en waarover deze vrij was en\n\n- vervolgens in aanrijding is gekomen met die [slachtoffer] ,\n\nwaardoor die [slachtoffer] werd gedood;\n\nFeit 2\n\nhij op 6 januari 2024, te Capelle aan den IJssel, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), betrokken bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden op de Schenkelse Dreef , de plaats van dat ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten [slachtoffer] ) letsel werd toegebracht;\n\nFeit 3\n\nprimair\n\nhij op 6 januari 2024 te Capelle aan den IJssel en Rotterdam als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op diverse (binnen de bebouwde kom gelegen) voor het openbaar verkeer openstaande wegen, zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden; welke verkeersdragingen hierin hebben bestaan dat hij, verdachte, toen daar,\n\n- op de West-Kruiskade te Rotterdam op de trambaan heeft gereden en met hoge snelheid langs een tramhalte is gereden waar mensen stonden te wachten en\n\n- op het Weena te Rotterdam een voor hem geldend rood licht heeft genegeerd en\n\n- op de Prins Alexanderlaan te Capelle aan den IJssel met zeer hoge snelheid (te weten gelegen tussen 56 en 86 km\u002Fu) op het fietspad parallel aan de metrobaan heeft gereden en\n\nvervolgens met veel te hoge snelheden heeft gereden op diverse wegen te Capelle aan den IJssel en Rotterdam, te weten:\n\n- 70 km\u002Fu op de Poortmolen en\n\n- 73 km\u002Fu op de Schenkelse Dreef en\n\n- 66 km\u002Fu en 87 km\u002Fu op de Kralingseweg en\n\n- tussen 73 km\u002Fu en 86 km\u002Fu op de Prins Alexanderlaan en\n\n- 70 km\u002Fu op de Prinsenlaan en\n\n- 86 km\u002Fu op de Boszoom en\n\n- op de Bosdreef, waar 70 km\u002Fu was toegestaan, met een snelheid van ongeveer 130 km\u002Fu heeft gereden;\n\ndoor welke verkeersgedragingen van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was;\n\nFeit 4\n\nhij op 6 januari 2024 te Rotterdam opzettelijk een personenauto van het merk Cupra, met kenteken [kentekennummer 1] , toebehorende aan [autobedrijf 1] [plaats] , en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten door vorengenoemde Cupra mee te nemen voor een proefrit en deze Cupra niet binnen de afgesproken tijdsduur (30 minuten) te retourneren aan [autobedrijf 1] [plaats] , wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.\n\nParketnummer 10-360302-24\n\nFeit 1\n\nprimair\n\nhij op 11 januari 2024 te Rotterdam en Capelle aan den IJssel en Hendrik-Ido-Ambacht en Nieuwerkerk aan den IJssel als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op voor het openbaar verkeer openstaande wegen, zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden, welke verkeersgedragingen hierin hebben bestaan dat hij, verdachte, toen daar,\n\n- één of meer geslotenverklaringen heeft genegeerd en\n\n- zonder noodzaak heeft stilgestaan op een afrit (van de Rijksweg A20) en\n\n- zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij het verloop van de weg (een bocht) niet heeft kunnen volgen en moest bijsturen om het door hem bestuurde voertuig onder controle te krijgen en\n\n- meermalen, abrupt en zonder noodzaak een noodstop heeft gemaakt, en\n\n- terwijl hij, verdachte, met hoge snelheid reed, een noodstop heeft moeten maken om een aanrijding met de bestuurder van een personenauto, die de weg opreed, te voorkomen en (aldus rijdende) zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzien en waarover deze vrij was en\n\n- meermalen op korte afstand achter andere voertuigen heeft gereden op wegen waar een maximumsnelheid gold van 80 en 100 km\u002Fuur en\n\n- zonder noodzaak is gaan stilstaan op ongeveer 80 meter vóór een verkeerslicht en\n\n- een parkeervak links van de rijbaan (gezien vanuit verdachtes rijrichting) is ingereden waarbij een tegemoetkomende bestuurder van een personenauto moest remmen om een aanrijding te voorkomen en\n\n- op de Rijksweg A20 rechts heeft ingehaald en (te) kort achter andere voertuigen heeft gereden en een rood kruis heeft genegeerd en over een verdrijvingsvlak heeft gereden en\n\n- een rood licht uitstralend verkeerslicht heeft genegeerd;\n\nwelke gedragingen en gereden snelheden, die ruim boven de geldende maximumsnelheden binnen en buiten de bebouwde kom lagen, op de dashcam van het door verdachte bestuurde voertuig zijn vastgelegd;\n\ndoor welke verkeersgedragingen van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was;\n\nFeit 2\n\nhij op 11 januari 2024 te Rotterdam en Capelle aan den IJssel en Hendrik-Ido-Ambacht en Nieuwerkerk aan den IJssel, als degene van wie ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs was gevorderd, aldaar op voor het openbaar verkeer openstaande wegen een motorrijtuig, (personenauto), van de categorie of categorieën, waarvoor dat bewijs was afgegeven, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen;\n\nParketnummer 96-276472-23\n\nhij op 17 oktober 2023 te Rotterdam, binnen de bebouwde kom, als bestuurder van een motorvoertuig (personenauto) op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Abram van Rijckevorselweg, heeft gereden met een snelheid van ongeveer 154 kilometer per uur, in elk geval de aldaar voor motorvoertuigen toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur met meer dan 30 kilometer per uur heeft overschreden.\n\n2.3.4.. \n\nVrijspraak (verduistering 11 januari 2024)\n\nDe verdachte wordt vrijgesproken van hetgeen hem ten laste is gelegd onder feit 3 in de zaak met parketnummer 10-360302-24. Het feit waarvan de verdachte wordt beschuldigd is niet bewezen, omdat er op basis van het dossier en hetgeen op zitting is besproken onvoldoende duidelijkheid bestaat over de afgesproken duur van de proefrit. Niet kan worden vastgesteld dat de tenlastegelegde anderhalf uur is overeengekomen door partijen. Reeds om die reden wordt verdachte vrijgesproken van de tenlastegelegde verduistering.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nDe bewezen feiten leveren het volgende strafbare feiten op:\n\nParketnummer 10.015514.24\n\nFeit 1 primair\n\novertreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood\n\nFeit 2\n\novertreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994\n\nFeit 3 primair\n\novertreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994\n\nFeit 4\n\nverduistering\n\nParketnummer 10-360302-24\n\nFeit 1 primair\n\novertreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994\n\nFeit 2\n\novertreding van artikel 9, zevende lid, van de Wegenverkeerswet 1994\n\nParketnummer 96-276472-23\n\novertreding van het bepaalde bij artikel 20, aanhef en onder a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van de feiten en van de verdachte\n\nDe feiten en de verdachte zijn strafbaar.4. Straffen4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet voor de feiten worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 10 maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid van drie jaar.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn is overschreden en dat hier rekening mee gehouden dient te worden in de strafmaat. Daarnaast verzoekt de verdediging, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, bij een bewezenverklaring te volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht en het opleggen van een werkstraf al dan niet in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Ten aanzien van de overtreding in de zaak met parketnummer 96-276472-23 verzoekt de verdediging om artikel 9a Wetboek van Strafrecht toe te passen.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft zich op 6 januari 2024 schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een verkeersongeval met een dodelijk slachtoffer. Hij heeft met een te hoge snelheid en zonder voldoende acht te slaan op de omgeving met een personenauto een overstekende voetganger aangereden. Hij is daarna met hoge snelheid doorgereden zonder zich te bekommeren om het slachtoffer. De verdachte is direct na de aanrijding gaan sporten en heeft het voertuig schoongemaakt. Op diezelfde dag heeft hij opzettelijk meerderde verkeersregels in ernstige mate geschonden waarmee hij de veiligheid van andere verkeersdeelnemers in gevaar bracht. Daarbij heeft de verdachte onder meer met hogere snelheden gereden dan toegestaan was, negeerde hij een rood stoplicht en reed hij over de trambaan en het fietspad. Deze feiten pleegde hij met een personenauto die hij die dag had verduisterd. Hoewel de verdachte inmiddels was aangehouden voor deze feiten, zijn rijbewijs was ingevorderd en hem bekend was dat het slachtoffer inmiddels was overleden, heeft hij op 11 januari 2024 zich wederom schuldig gemaakt aan extreem gevaarlijk en asociaal rijgedrag met een auto. Zo reed de verdachte onder meer hogere snelheden dan toegestaan, maakte hij meermaals onnodige noodstoppingen, haalde hij rechts in en negeerde hij een rood kruis. Ook heeft de verdachte zich op 17 oktober 2023 schuldig gemaakt aan het overschrijden van de toegestane snelheid binnen de bebouwde kom met 104 km\u002Fu. Gedurende al deze feiten was de verdachte een beginnend bestuurder. Met zijn zeer onvoorzichtige en onoplettende rijgedrag heeft de verdachte onaanvaardbare risico’s voor de verkeersveiligheid genomen en heeft hij zijn verantwoordelijkheid als weggebruiker ernstig veronachtzaamd. Dit heeft geresulteerd in een dodelijk slachtoffer. Uit de op zitting afgelegde slachtofferverklaringen is gebleken welke gevolgen dit tot op de dag van vandaag voor de nabestaanden heeft. Juist ook het handelen van de verdachte na de aanrijding, het doorrijden en het enkele dagen later wederom ernstige verkeersovertredingen plegen, onderstreept de minachting van de verdachte voor de geldende verkeersregels en het gebrek aan zelfreflectie. Het is, gezien het rijgedrag van de verdachte, een wonder dat er niet meer slachtoffers zijn gevallen.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad van 13 mei 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.\n\nRapport van de reclassering\n\nIn het rapport van GGZ Fivoor Toezicht Rotterdam van 4 juni 2026 staat onder meer dat het risico op recidive en letsel wordt ingeschat als hoog. De verdachte staat momenteel in een andere zaak onder toezicht. De reclassering heeft diverse pogingen gedaan om de verdachte te motiveren tot gedragsverandering om zo het risico op delictgedrag te verminderen, maar desondanks lukt het niet om het toezicht positief te doorlopen. De verdachte lijkt geen intrinsieke motivatie te hebben om een positieve invulling te geven aan het toezicht. De reclassering erkent weliswaar de noodzaak om bijzondere voorwaarden te adviseren, maar ziet daarvoor geen mogelijkheden en adviseert daarom een straf zonder bijzondere voorwaarden.4.3.3.. \n\nRedelijke termijn\n\nDe verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 6 januari 2024 respectievelijk 11 januari 2024 omdat de verdachte op die data in verzekering is gesteld. Dit betekent dat de in deze zaken geldende redelijke termijn van twee jaar is geschonden. De rechtbank houdt hiermee in het voordeel van de verdachte rekening bij de bepaling van de duur van de straf.4.3.4.. \n\nOplegging straffen\n\nGelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan, houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd.\n\nDe rechtbank acht een gevangenisstraf van 14 maanden passend en geboden. Van deze gevangenisstraf worden vier maanden voorwaardelijk opgelegd met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank legt een straf op die hoger is dan de eis van de officier van justitie. De eis van de officier van justitie doet naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende recht aan de ernst van de feiten. De voorwaardelijke straf heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.\n\nDe tijd die door de verdachte in verzekering is doorgebracht, zal in mindering worden gebracht op de gevangenisstraf. De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.\n\nDaarnaast zal aan de verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid worden opgelegd voor de duur van vijf jaar.\n\nTen aanzien van de snelheidsovertreding in de zaak met parketnummer 96-276472-23 ziet de rechtbank gelet op de hierboven genoemde straffen geen reden om dat feit nog afzonderlijk te bestraffen.5. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straffen is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5a, 6, 7, 9, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.6. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte feit 3 in de zaak met parketnummer 10-360302-24 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte de feiten, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraffen\n\nGevangenisstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 14 (veertien) maanden;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;\n\nVoorwaardelijk strafdeel\n\nbepaalt dat 4 (vier) maanden niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzijde rechter later anders beslist;\n\nverbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op2 (twee) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;\n\nstelt als algemene voorwaardedat:\n\n- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;\n\nToepassing 9a Sr\n\nbepaalt dat voor het feit in de zaak met parketnummer 96-276472-23 geen straf of maatregel wordt opgelegd;\n\nOntzegging van de rijbevoegdheid\n\nontzegtde verdachte voor feiten 1, 2 en 3 in de zaak met parketnummer 10-015514-24 en feiten 1 en 2 in de zaak met parketnummer 10-360302-24de bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de tijd van5 (vijf) jaar;\n\nbepaalt dat de duur van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, wordt verminderd met de duur van de invordering en inhouding van het rijbewijs.\n\n7. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. J. de Lange, voorzitter,\n\nen mrs. J.C. Oord en E.M. Moison, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. L. Hessing, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 25 juni 2026.\n\nBijlage 1 – volledige tenlastelegging\n\nParketnummer 10-015514-24 (gewijzigd ter terechtzitting)\n\n1\n\nprimair\n\nhij op of omstreeks 6 januari 2024 te Capelle aan den IJssel als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en\u002Fof onoplettend en\u002Fof onachtzaam en\u002Fof met aanmerkelijke verwaarlozing van de te deze geboden zorgvuldigheid te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Schenkelsedreef , welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,\n\n- met een snelheid van ongeveer 71 km\u002Fu heeft gereden, in elk geval met een hogere snelheid dan de maximumsnelheid aldaar van 50 km\u002Fu heeft gereden en\u002Fof met een gelet op de situatie (veel) te hoge snelheid heeft gereden en\u002Fof\n\n- en\u002Fof (daarbij) niet danwel onvoldoende (naar) links en\u002Fof rechts heeft gekeken terwijl hij aldaar rijdend was en\u002Fof\n\nterwijl een voetganger, genaamd [slachtoffer] , doende was de rijbaan van die Schenkelse Dreef over te steken en\u002Fof die rijbaan al voor een groot gedeelte was overgestoken,\n\n- hij zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzie en waarover deze vrij was en\u002Fof\n\n- ( vervolgens) in botsing of aanrijding of aanraking is gekomen met die [slachtoffer] ,\n\nwaardoor die [slachtoffer] werd gedood;\n\nsubsidiair\n\nhij op of omstreeks 6 januari 2024 te Capelle aan den IJssel als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Schenkelse Dreef , zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en\u002Fof het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd; welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,\n\n- met een snelheid van ongeveer 71 km\u002Fu heeft gereden, in ieder geval met een hogere snelheid dan de maximumsnelheid aldaar van 50 km\u002Fu heeft gereden en\u002Fof met een gelet op de situatie (veel) te hoge snelheid heeft gereden en\u002Fof\n\nterwijl een voetganger, genaamd [slachtoffer] , doende was de rijbaan van die Schenkelse Dreef over te steken en\u002Fof die rijbaan al voor een groot gedeelte was overgestoken,\n\n- hij zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzien en waarover deze vrij was en\u002Fof\n\n- ( vervolgens) in botsing of aanrijding of aanraking is gekomen met die [slachtoffer] ;\n\n2\n\nhij, op of omstreeks 6 januari 2024, te Capelle aan den IJssel, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), betrokken bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden op de Schenkelse Dreef , de plaats van dat ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten [slachtoffer] ) schade en\u002Fof letsel werd toegebracht;\n\n3\n\nprimair\n\nhij op of omstreeks 6 januari 2024 te Capelle aan den IJssel en\u002Fof Rotterdam, althans in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op diverse (binnen de bebouwde kom gelegen) voor het openbaar verkeer openstaande wegen, zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden; welke verkeersdraging(en) hierin heeft\u002Fhebben bestaan dat hij, verdachte, toen daar,\n\n- op de West-Kruiskade te Rotterdam op de trambaan heeft gereden en\u002Fof met hoge snelheid langs een tramhalte is gereden waar mensen stonden te wachten en\u002Fof\n\n- op het Weena te Rotterdam een voor hem geldend rood licht heeft genegeerd en\u002Fof\n\n- op de Prins Alexanderlaan te Capelle aan den IJssel met zeer hoge snelheid (te weten gelegen tussen 56 en 86 km\u002Fu) op het fietspad parallel aan de metrobaan heeft gereden en\u002Fof\n\nvervolgens met veel te hoge snelheden heeft gereden op diverse wegen te Capelle aan den IJssel en\u002Fof Rotterdam, te weten:\n\n- 70 kom\u002Fu op de Poortmolen en\u002Fof\n\n- 73 km\u002Fu op de Schenkelse Dreef en\u002Fof\n\n- 66 km\u002Fu en 87 km\u002Fu op de Kralingseweg en\u002Fof\n\n- tussen 73 km\u002Fu en 86 km\u002Fu op de Prins Alexanderlaan en\u002Fof\n\n- 70 km\u002Fu op de Prinsenlaan en\u002Fof\n\n- 86 km\u002Fu op de Boszoom en\u002Fof\n\n- op de Bosdreef, waar 70 km\u002Fu was toegestaan, met een snelheid van ongeveer 30 km\u002Fu heeft gereden;\n\ndoor welke verkeersgedraging(en) van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was;\n\nsubsidiair\n\nhij op of omstreeks 6 januari 2024 te Capelle aan den IJssel en\u002Fof Rotterdam, althans in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op voor het openbaar verkeer openstaande wegen, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg\u002Fwegen werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en\u002Fof het verkeer op die weg\u002Fwegen werd gehinderd, althans kon worden gehinderd; welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,\n\n- op de West-Kruiskade te Rotterdam op de trambaan heeft gereden en\u002Fof met hoge snelheid\n\nlangs een tramhalte is gereden waar mensen stonden te wachten en\u002Fof\n\n- op het Weena te Rotterdam een voor hem geldend rood licht heeft genegeerd en\u002Fof\n\n- op de Prins Alexanderlaan te Capelle aan den IJssel met zeer hoge snelheid (te weten gelegen tussen 56 en 86 km\u002Fu) op het fietspad parallel aan de metrobaan heeft gereden en\u002Fof\n\nvervolgens met veel te hoge snelheden heeft gereden op diverse wegen te Capelle aan den IJssel en\u002Fof Rotterdam, te weten\n\n- 70 km\u002Fu op de Poortmolen en\u002Fof\n\n- 73 km\u002Fu op de Schenkelse Dreef en\u002Fof\n\n- 66 km\u002Fu en 87 km\u002Fu op de Kralingseweg en\u002Fof\n\n- tussen 73 km\u002Fu en 86 km\u002Fu op de Prins Alexanderlaan en\u002Fof\n\n- 70 km\u002Fu op de Prinsenlaan en\u002Fof\n\n- 86 km\u002Fu op de Boszoom en\u002Fof\n\n- op de Bosdreef, waar 70 km\u002Fu was toegestaan, met een snelheid van ongeveer 30 km\u002Fu heeft gereden;\n\n4\n\nhij op of omstreeks 6 januari 2024 te Rotterdam, althans in Nederland, opzettelijk een personenauto van het merk Cupra, met kenteken [kentekennummer 1] , in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [autobedrijf 1] [plaats] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten door vorengenoemde Cupra mee te nemen voor een proefrit en deze Cupra niet binnen de afgesproken tijdsduur (30 minuten) te retourneren aan [autobedrijf 1] [plaats] , wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.\n\nParketnummer 10-360302-24\n\n1\n\nprimair\n\nhij op of omstreeks 11 januari 2024 te Rotterdam en\u002Fof Capelle aan den IJssel en\u002Fof Hendrik-Ido-Ambacht en\u002Fof Nieuwerkerk aan den IJssel, althans in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op voor het openbaar verkeer openstaande wegen, zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden, welke verkeersgedraging(en) hierin heeft\u002Fhebben bestaan dat hij, verdachte, toen daar,\n\n- één of meer geslotenverklaringen heeft genegeerd en\u002Fof\n\n- zonder noodzaak heeft stilgestaan op een afrit (van de Rijksweg A20) en\u002Fof\n\n- zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij het verloop van de weg (een bocht) niet heeft kunnen volgen en\u002Fof moest bijsturen om het door hem bestuurde voertuig onder controle te krijgen en\u002Fof\n\n- meermalen, althans eenmaal, abrupt en\u002Fof zonder noodzaak een noodstop heeft gemaakt, althans zeer krachtig heeft geremd en\u002Fof\n\n- terwijl hij, verdachte, met hoge snelheid reed, een noodstop heeft moeten maken om een aanrijding met de bestuurder van een personenauto, die de weg opreed, te voorkomen en\u002Fof (aldus rijdende) zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzien en waarover deze vrij was en\u002Fof\n\n- meermalen op korte afstand achter andere voertuigen heeft gereden op wegen waar een maximumsnelheid gold van 80 en\u002Fof 100 km\u002Fuur en\u002Fof\n\n- zonder noodzaak is gaan stilstaan op ongeveer 80 meter vóór een verkeerslicht en\u002Fof\n\n- een parkeervak links van de rijbaan (gezien vanuit verdachtes rijrichting) is ingereden waarbij een tegemoetkomende bestuurder van een personenauto moest remmen om een aanrijding te voorkomen en\u002Fof\n\n- op de Rijksweg A20 rechts heeft ingehaald en\u002Fof (te) kort achter andere voertuigen heeft gereden en\u002Fof een rood kruis heeft genegeerd en\u002Fof over een verdrijvingsvlak heeft gereden en\u002Fof\n\n- een rood licht uitstralend verkeerslicht heeft genegeerd;\n\nWelke gedragingen en\u002Fof gereden snelheden, die ruim boven de geldende maximumsnelheden binnen en buiten de bebouwde kom lagen, op de dashcam van het door verdachte bestuurde voertuig zijn vastgelegd; door welke verkeersgedraging(en) van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was;\n\nsubsidiair\n\nhij op of omstreeks 11 januari 2024 te Rotterdam en\u002Fof Capelle aan den IJssel en\u002Fof Hendrik-Ido-Ambacht en\u002Fof Nieuwerkerk aan den IJssel, althans in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) daarmee rijdende op voor het openbaar verkeer openbare wegen, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg\u002Fwegen werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en\u002Fof het verkeer op die weg\u002Fwegen werd gehinderd, althans kon worden gehinderd; welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,\n\n- één of meer geslotenverklaringen heeft genegeerd en\u002Fof\n\n- zonder noodzaak heeft stilgestaan op een afrit (van de Rijksweg A20) en\u002Fof\n\n- zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij het verloop van de weg (een bocht) niet heeft kunnen volgen en\u002Fof moest bijsturen om het door hem bestuurde voertuig onder controle te krijgen en\u002Fof\n\n- meermalen, althans eenmaal, abrupt en\u002Fof zonder noodzaak een noodstop heeft gemaakt, althans zeer krachtig heeft geremd en\u002Fof\n\n- terwijl hij, verdachte, met hoge snelheid reed, een noodstop heeft moeten maken om een aanrijding met de bestuurder van een personenauto, die de weg opreed, te voorkomen en\u002Fof (aldus rijdende) zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzien en waarover deze vrij was en\u002Fof\n\n- meermalen op korte afstand achter andere voertuigen heeft gereden op wegen waar een maximumsnelheid gold van 80 en\u002Fof 100 km\u002Fuur en\u002Fof\n\n- zonder noodzaak is gaan stilstaan op ongeveer 80 meter vóór een verkeerslicht en\u002Fof\n\n- een parkeervak links van de rijbaan (gezien vanuit verdachtes rijrichting) is ingereden waarbij een tegemoetkomende bestuurder van een personenauto moest remmen om een aanrijding te voorkomen en\u002Fof\n\n- op de Rijksweg A20 rechts heeft ingehaald en\u002Fof (te) kort achter andere voertuigen heeft gereden en\u002Fof een rood kruis heeft genegeerd en\u002Fof over een verdrijvingsvlak heeft gereden en\u002Fof\n\n- een rood licht uitstralend verkeerslicht heeft genegeerd;\n\nwelke gedragingen en\u002Fof gereden snelheden, die ruim boven de geldende maximumsnelheden binnen en buiten de bebouwde kom lagen, op de dashcam van het door verdachte bestuurde voertuig zijn vastgelegd;\n\n2\n\nhij op of omstreeks 11 januari 2024 te Rotterdam en\u002Fof Capelle aan den IJssel, en\u002Fof Hendrik-Ido-Ambacht en\u002Fof Nieuwerkerk aan den IJssel, althans in Nederland, als degene van wie ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs, een hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs of een internationaal rijbewijs was gevorderd en\u002Fof van wie zodanig bewijs was ingevorderd en aan wie dat bewijs niet was teruggegeven, aldaar op voor het openbaar verkeer openstaande wegen een motorrijtuig, (personenauto), van de categorie of categorieën, waarvoor dat bewijs was afgegeven, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen;\n\n3\n\nhij op of omstreeks 11 januari 2024 te Rotterdam, althans in Nederland, opzettelijk een personenauto van het merk NIO, met kenteken [kentekennummer 2] , in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [autobedrijf 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten door vorengenoemde NIO mee te nemen voor een proefrit en deze NIO niet binnen de afgesproken tijdsduur (1 uur en 30 minuten) te retourneren aan [autobedrijf 2] , wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.\n\nParketnummer 96-276472-23\n\nhij op of omstreeks 17 oktober 2023 te Rotterdam, binnen de bebouwde kom, als bestuurder van een motorvoertuig (personenauto) op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Abram van Rijckevorselweg, heeft gereden met een snelheid van ongeveer 154 kilometer per uur, in elk geval de aldaar voor motorvoertuigen toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur met meer dan 30 kilometer per uur heeft overschreden.\n\nDe exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt – tenzij anders vermeld – voor de zaak met parketnummer 10-015514-24 gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier met nummer [dossiernummer 1] ( [dossiernaam 1] ), voor de zaak met parketnummer 10-360302-24 gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier met nummer [dossiernummer 2] ( [dossiernaam 2] ) en voor de zaak met parketnummer 96-276472-23 op de paginanummers uit het zaaksdossier [dossiernummer 3] .\n\n Verklaard tijdens de zitting van 11 juni 2026.\n\n Pagina 21 e.v. van zaaksdossier [dossiernummer 1] , proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 2] .\n\n Pagina 30 e.v. van zaaksdossier [dossiernummer 1] , proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 3] .\n\n Verklaard tijdens de zitting van 11 juni 2026.\n\n Pagina 42 e.v. van zaaksdossier [dossiernummer 1] , proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 4] .\n\n Pagina 62 e.v. van zaaksdossier [dossiernummer 1] , proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 5] .\n\n Pagina 136 e.v. van zaaksdossier [dossiernummer 1] , proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 6] .\n\n Verklaard tijdens de zitting van 11 juni 2026.\n\n Pagina 22 e.v. van zaaksdossier [dossiernummer 2] , proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 7] .\n\n Pagina 25 e.v. van zaaksdossier [dossiernummer 2] , proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 8] .\n\n Pagina 32 e.v. van zaaksdossier [dossiernummer 2] , proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 9] .\n\n Pagina 45 e.v. van zaaksdossier [dossiernummer 2] , proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 10] .\n\n Verklaard tijdens de zitting van 11 juni 2026.\n\n Pagina 63 e.v. van zaaksdossier [dossiernummer 2] , proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 11] .\n\n Verklaard tijdens de zitting van 11 juni 2026.\n\n Proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 12] .\n\nDe exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Voor de zaak met parketnummer 10-015514-24 wordt gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier met nummer [dossiernummer 1] ( [dossiernaam 1] ).\n\n Verklaard tijdens de zitting van 11 juni 2026.\n\n Pagina 209 e.v. van zaaksdossier [dossiernummer 1] , proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 13] .\n\n Pagina 136 e.v. van zaaksdossier [dossiernummer 1] , proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 1] .\n\n Pagina 178 e.v. van zaaksdossier [dossiernummer 1] , proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 14] .\n\n Pagina 269 e.v. van zaaksdossier [dossiernummer 1] , proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 15] .\n\n Verklaard tijdens de zitting van 11 juni 2026.\n\n Pagina 202 e.v. van zaaksdossier [dossiernummer 1] , proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 16] .\n\n Pagina 14 e.v. van zaaksdossier [dossiernummer 1] , proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 17] .\n\n Pagina 30 e.v. van zaaksdossier [dossiernummer 1] , proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 3] .","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7855","2026-07-13T00:29:17.456Z",{"id":147,"ecli":148,"slug":149,"caseNumber":44,"courtId":142,"decisionDate":129,"fullText":150,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":151,"sourceTimestamp":67,"parsedAt":52,"updatedAt":152},"1355","ECLI:NL:RBROT:2026:7856","ecli-nl-rbrot-2026-7856","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10-360280-24\n\nDatum uitspraak: 25 juni 2026\n\nDatum zitting: 11 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 2005 in [geboorteplaats]\n\ningeschreven op het adres van [adres] [postcode] [woonplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. M.G.J. Plat\n\nOfficier van justitie: mr. H.J. du Croix\n\nAdvocaat van de nabestaanden: mr. F.J.M. Hamers\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte wordt vrijgesproken van het verlaten van de plaats van het ongeval. De verdachte zat als bijrijder in het voertuig waarmee een dodelijke aanrijding is veroorzaakt. Niet is komen vast te staan dat het ongeval mede door haar gedraging is veroorzaakt. De verdachte is daarmee niet betrokken bij een verkeersongeval in de zin van artikel 7 WVW.1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat zij – samengevat – op 6 januari 2024 in Capelle aan den IJssel als betrokkene na een aanrijding tussen een personenauto en [slachtoffer] de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl zij wist of moest vermoeden dat [slachtoffer] letsel dan wel schade was toegebracht.\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat\n\nzij, op of omstreeks 6 januari 2024 te Capelle aan den IJssel, althans in Nederland, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) betrokken was bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden op de Schenkelse Dreef, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer] ) letsel en\u002Fof schade was toegebracht.2. Vrijspraak2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het feit.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het feit.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nVrijspraak\n\nTen laste is gelegd dat de verdachte al dan niet als bestuurder betrokken is geweest bij een verkeersongeval en de plaats van dat ongeval heeft verlaten.\n\nDe verdachte zat op 6 januari 2024 als bijrijder in de personenauto op het moment van het verkeersongeval. De medeverdachte heeft als bestuurder van een personenauto het overstekende slachtoffer [slachtoffer] aangereden en is, nadat hij een kort moment was gestopt, weer doorgereden. Een dag na het ongeval is het slachtoffer aan de gevolgen van de aanrijding overleden.\n\nDe rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte bij het verkeersongeval ‘betrokken’ is geweest in de zin van artikel 7 WVW 1994.\n\nVolgens rechtspraak van de Hoge Raad kan degene die niet de bestuurder van het rechtstreeks bij het verkeersongeval betrokken motorrijtuig was, slechts worden aanmerkt als bij het verkeersongeval ‘betrokken’ indien het ongeval door zijn gedraging (handelen of nalaten) is veroorzaakt.\n\nNiet is gebleken dat de verdachte zich heeft bemoeid met het rijden of dat zij op andere wijze een aandeel heeft gehad in het veroorzaken van de aanrijding met het slachtoffer. De betrokkenheid van de verdachte bestond er slechts in dat de verdachte als passagier feitelijk bij het verkeersongeval aanwezig was. De rechtbank ziet daarom geen aanknopingspunten om de verdachte aan te merken als bij het verkeersongeval ‘betrokken’ in de zin van artikel 7 lid 1 WVW 1994.\n\nDe verdachte wordt vrijgesproken van de beschuldiging.3. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\n4. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. J. de Lange, voorzitter,\n\nen mrs. J.C. Oord en E.M. Moison, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. L. Hessing, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 25 juni 2026.\n\nVgl. HR 4 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ4431 (in relatie tot artikel 7, eerste lid aanhef en onder a WVW).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7856","2026-07-13T00:29:17.522Z",{"id":154,"ecli":155,"slug":156,"caseNumber":44,"courtId":142,"decisionDate":129,"fullText":157,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":158,"sourceTimestamp":67,"parsedAt":52,"updatedAt":159},"1356","ECLI:NL:RBROT:2026:7857","ecli-nl-rbrot-2026-7857","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10.206717.25\n\nDatum uitspraak: 25 juni 2026\n\nDatum zitting: 11 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1994 in [geboorteplaats]\n\ningeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] ,\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. H.W. Leemans\n\nOfficier van justitie: mr. N. Daalder\n\nAdvocaat van het slachtoffer: mr. R.S.M. van der Leij\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte heeft als bestuurder van een vrachtwagen op een kruising binnen de bebouwde kom bij het rechtsaf slaan, het slachtoffer dat zich op de fiets naast de vrachtwagen bevond, niet opgemerkt. Als gevolg hiervan is zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer ontstaan. De rechtbank acht bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 6 WVW, in die zin dat sprake is van aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag. De verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van zes maanden met een proeftijd van twee jaren.1. Tenlastelegging\n\nDe volledige tenlastelegging houdt in dat\n\nprimair\n\nhij op of omstreeks 29 november 2024 te Rotterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtwagen met kenteken [kentekennummer] ), daarmede rijdende over de weg, (de kruising van) de Burgemeester F.H. van Kempensingel en\u002Fof de Molenlaan zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zich zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en\u002Fof onoplettend te gedragen, bestaande dat gedrag hieruit:\n\n- verdachte heeft een fietser (zijnde [slachtoffer] ) ingehaald en\u002Fof\n\n- verdachte heeft (vervolgens) zijn vrachtwagen op voornoemde weg tot stilstand gebracht en\u002Fof (langere tijd) tot stilstand gehouden en\u002Fof heeft zijn vrachtwagen (vervolgens) vooruit en\u002Fof rechtsaf gereden en\u002Fof\n\n- verdachte heeft zich voorafgaande aan het vooruit en\u002Fof rechtsaf rijden niet, althans niet tijdig en\u002Fof voldoende van vergewist en\u002Fof is zich er gedurende het vooruit en\u002Fof rechtsaf rijden niet, althans niet voldoende, van blijven vergewissen dat de weg voor en\u002Fof naast hem vrij was van enig (kruisend) verkeer en\u002Fof\n\n- verdachte heeft (daarbij) niet opgemerkt dat die fietser (zijnde [slachtoffer] ) doende was zijn, verdachtes, vrachtwagen rechts in te halen en\u002Fof is (vervolgens) tegen die fietser aangebotst en\u002Fof aangereden en\u002Fof\n\n- ( vervolgens) achteruit heeft gereden en (daarbij nogmaals) over de fiets(er) is heengereden en\u002Fof\n\n- terwijl een of meerdere spiegels van de vrachtwagen niet goed waren afgesteld en\u002Fof waarbij het zicht van die spiegels werd gehinderd door een of meer gordijnen en\u002Fof vervuiling,\n\nwaardoor een ander (zijnde die [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel en\u002Fof zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;\n\nsubsidiair\n\nhij op of omstreeks 29 november 2024 te Rotterdam als bestuurder van een voertuig (vrachtwagen met kenteken [kentekennummer] ), daarmee rijdende op de weg, (de kruising van) de Burgemeester F.H. van Kempensingel en\u002Fof de Molenlaan, zich zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en\u002Fof het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd, bestaande dat gedrag hieruit:\n\n- verdachte heeft een fietser (zijnde [slachtoffer] ) ingehaald en\u002Fof\n\n- verdachte heeft (vervolgens) zijn vrachtwagen op voornoemde weg tot stilstand gebracht en\u002Fof (langere tijd) tot stilstand gehouden en\u002Fof heeft zijn vrachtwagen (vervolgens) vooruit en\u002Fof rechtsaf gereden en\u002Fof\n\n- verdachte heeft zich voorafgaande aan het vooruit en\u002Fof rechtsaf rijden niet, althans niet tijdig en\u002Fof voldoende van vergewist en\u002Fof is zich er gedurende het vooruit en\u002Fof rechtsaf rijden niet, althans niet voldoende, van blijven vergewissen dat de weg voor en\u002Fof naast hem vrij was van enig (kruisend) verkeer en\u002Fof\n\n- verdachte heeft (daarbij) niet opgemerkt dat die fietser (zijnde [slachtoffer] ) doende was zijn, verdachtes, vrachtwagen rechts in te halen en\u002Fof is (vervolgens) tegen die fietser aangebotst en\u002Fof aangereden en\u002Fof\n\n- ( vervolgens) achteruit heeft gereden en (daarbij nogmaals) over de fiets(er) is heengereden en\u002Fof\n\n- terwijl een of meerdere spiegels van de vrachtwagen niet goed waren afgesteld en\u002Fof waarbij het zicht van die spiegels werd gehinderd door een of meer gordijnen en\u002Fof vervuiling.2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het primair tenlastegelegde feit, in die zin dat sprake is van aanmerkelijke onvoorzichtigheid.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het primair tenlastegelegde feit en heeft zich ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen\n\nBewezen is dat de verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.\n\nDe bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande bewijsmotivering.\n\n1. Verklaring van de verdachte\n\nOp 29 november 2024 reed ik over de Burgemeester F.H. van Kempensingel in Rotterdam in een vrachtwagencombinatie. Een stuk voor de kruising met de Molenlaan had ik [slachtoffer] zien fietsen vanuit een zijstraat. Ik stond bij de kruising links voorgesorteerd om rechtsaf te kunnen slaan. Ik was half ingedraaid en had al rechts ingestuurd. Ik zag een verbodsbord voor vrachtwagens en ben gestopt. Ik reed een klein stukje naar achteren en wilde linksaf slaan. Ik heb [slachtoffer] niet gezien.\n\n2. Proces-verbaal forensisch onderzoek verkeersongevalDit onderzoek vond plaats naar aanleiding van een verkeersongeval op 29 november 2024 omstreeks 08:03 uur. Het ongeval had plaatsgevonden op het kruispunt Burgemeester F.H. van Kempensingel\u002FMolenlaan, gelegen binnen de bebouwde kom van Rotterdam. De rijbaan in de richting van de Molenlaan bestond tot ongeveer 62 meter voor het kruispunt met de Molenlaan uit één rijstrook. Daarna was de rijbaan verdeeld in 2 voorsorteerstroken; één voor naar linksafslaand verkeerd en één voor rechtsafslaand verkeer. Op de Burgemeester F.H. van Kempensingel was geen fietsstrook of fietspad aanwezig.\n\nAangezien het ongeval omstreeks 08:03 uur had plaatsgevonden en de zonsopkomst die dag om 08:23 uur was, vond het ongeval plaats tijdens schemer.\n\nBij het ongeval waren de volgende voertuigen betrokken:\n\n- Een bedrijfsauto (trekker) en oplegger, fabrieksmerk Daf, met kenteken [kentekennummer] ;\n\n- Een fiets van het merk Batavus.\n\nInterpretatie van sporen op de weg en aan de voertuigen\n\nGelet op de plaats waar wij de eerste krassporen aantroffen, voorbij het kruisende fietspad van de Molenlaan, was het aannemelijk dat de bestuurder van de Batavus voornemens was rechtdoor de Molenlaan over te steken. Gelet op de sporen was de Daf met de rechterzijde tegen de Batavus aangebotst terwijl de Batavus zich rechts naast de Daf bevond. Gelet op de sporen was de Daf met het rechtervoorwiel over de Batavus gereden terwijl de Daf rechtsaf sloeg. Gelet op de Batavus die vóór de voorzijde van de Daf op de weg was gepositioneerd, was de Daf na de botsing met de Batavus, waarbij de Daf over de Batavus was gereden, achteruitgereden waarbij de Daf waarschijnlijk nogmaals over de Batavus heen reed.\n\nDeelonderzoek Tachograaf\n\nEr kon worden gesteld dat de Daf omstreeks 08:01:09 uur aankwam bij het kruispunt. De Daf stond gedurende 24 seconden stil en reed vervolgens vooruit over een afstand van ongeveer 8 meter. De Daf had vervolgens, na ongeveer 2 seconden te hebben stilgestaan, over een afstand van ongeveer 5 meter achteruit gereden. De Batavus passeerde de Daf over de gehele lengte terwijl de Daf reeds stilstond.\n\nConclusie gemeten gezichtsveldenonderzoek\n\nUit onderzoek blijkt dat de Batavus en zijn bestuurder op elk moment dat deze zich naast de Daf bevond, zichtbaar is geweest in één van de spiegels.\n\n3. FARR-verklaring [slachtoffer] van 17 april 2025Informatie ontvangen van deafdeling Traumachirurgie van het Erasmus MCbetreffende de opname van 29 november tot en met 12 december 2024.\n\nOp 29 november 2024 was sprake van:\n\na. Afstroping van de huid van het rechter bovenbeen, het been werd geopereerd;\n\nb. In de bekken bevonden zich drie breuken, links in het darmbeen en beiderzijds in het schaambeen;\n\nc. Er werd schade gezien aan een aftakking van de linker bekkenslagader waardoor actief bloedverlies in het kleine bekken;\n\nd. Er werd schade gezien aan de urine buis in de penis, er werd een urine katheter geplaatst;\n\ne. Er werd een afscheuringsbreuk gezien aan de rechter enkel, er werd onderbeengips aangelegd.\n\nOp basis van een ongecompliceerd beloop betreft de geschatte genezingsduur:\n\na. Afstropingsletsel: 2 à 3 weken. Bij ontslag naar het revalidatiecentrum was de verwonding aan het rechterbeen gesloten en was er sprake van een litteken, waarschijnlijk permanent zichtbaar;\n\nb. Diverse bekkenfracturen: 6 weken tot 3 maanden met noodzaak tot fysiotherapie;\n\nc. Letsel aan een aftakking van bekkenslagader: genezen ten tijde van ontslag;\n\nd. Verwonding urinebuis: minimaal 1,5 maand waarbij noodzaak tot plaatsen van katheter in de buikwand.\n\ne. Afscheuringsbreuk enkel: tot 4 weken.\n\nInformatie ontvangen van afdeling Urologie van het Wilhelmina kinderziekenhuisbetreffende een consult, telefonisch contact en een opname van 28 tot 29 maart 2025.\n\nRadiologisch onderzoek van de urinewegen toonde een niet doorgankelijke urinebuis van de blaas tot halverwege de penis. Het letsel is na vier maanden nog niet hersteld. Betrokkene kan niet normaal plassen, maar is afhankelijk van een katheter in zijn buikwand. Er bestaat kans op herstel van de normale plasfuncties, maar hier is nog geen zicht op en de eventuele operatie kan permanente gevolgen hebben.2.3.2.. \n\nBewijsmotivering\n\nZoals volgt uit de bewijsmiddelen, heeft in de ochtend van 29 november 2024 op een kruising in Rotterdam een verkeersongeval plaatsgevonden. De verdachte heeft met een door hem bestuurde vrachtauto met oplegger een fietser, [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer), aangereden. De verdachte heeft het slachtoffer, dat zich rechts naast de vrachtwagen bevond, niet gezien toen hij naar rechts instuurde. Het slachtoffer is ten val gekomen en met zijn fiets onder de vrachtwagen terechtgekomen en heeft hierdoor letsel opgelopen.\n\nSchuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna ook: WVW)?\n\nOm tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit te komen, moet de verdachte schuld hebben in de zin van artikel 6 WVW. Of dat het geval is, hangt af van het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de overige omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Van schuld in de zin van artikel 6 WVW is pas sprake in het geval van (tenminste) een aanmerkelijke mate van onvoorzichtigheid. Een tijdelijk moment van onoplettendheid of een enkele verkeersfout zonder bijkomende bijzondere omstandigheden zijn onvoldoende voor het aannemen voor schuld.\n\nOmstandigheden waaronder het ongeval plaatsvond\n\nHet verkeersongeval vond plaats omstreeks 08:03 uur op een vrijdag in november in een woonwijk binnen de bebouwde kom van Rotterdam. Dat betekent dat het op dat moment schemerde en dat sprake was van ochtenddrukte door woon-werkverkeer. De verdachte wilde met de door hem bestuurde vrachtwagen rechtsaf slaan op de kruising van de F.H. van Kempensingel met de Molenlaan. Hij stond echter voorgesorteerd op de rijstrook voor linksafslaand verkeer op de F.H. van Kempensingel, naar eigen zeggen omdat hij anders met de vrachtwagencombinatie de bocht naar rechts niet zou kunnen maken. Hierdoor kon bij andere weggebruikers de indruk ontstaan dat de vrachtwagen linksaf zou slaan en werd daarbij ook de mogelijkheid aan andere weggebruikers gegeven om zich in de vrije ruimte op de rechterrijstrook op te stellen om de Molenlaan op te rijden. Voordat de verdachte afsloeg, stond hij 24 seconden stil op de kruising en in die tijd is het fietsende slachtoffer de vrachtwagen aan de rechterzijde gepasseerd en stil gaan staan op de rechterrijstrook. De verdachte sloeg rechtsaf en is toen tegen het slachtoffer aangereden. Na een paar seconden te hebben stilgestaan, is hij achteruit gereden waarna hij het slachtoffer nogmaals heeft geraakt.\n\nDe verdachte heeft verklaard dat hij de ochtend van het ongeval zijn spiegels had gecontroleerd, maar dat hij het slachtoffer desondanks niet heeft gezien. Volgens de verdachte heeft het slachtoffer in zijn dode hoek gezeten. Uit de verkeersongevallenanalyse volgt echter dat het slachtoffer in de spiegels van de vrachtwagen op elk moment zichtbaar moet zijn geweest voor de verdachte, waardoor de rechtbank die conclusie van de verdachte verwerpt. Ook het verweer van de verdediging dat de verkeersongevallenanalyse niet bruikbaar is omdat daarin een verkeerde positionering van de vrachtwagen als uitgangspunt zou zijn genomen, wordt verworpen. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het gezichtsveldenonderzoek in de verkeersongevallenanalyse dat de verdachte via zijn spiegels goed zicht had op de rijstrook naast de vrachtwagen en de stoep daarnaast. Ook als de positie van de vrachtwagen in werkelijkheid verder naar links zou zijn geweest dan in de analyse (wat de rechtbank niet kan vaststellen), moet het slachtoffer zichtbaar zijn geweest in de spiegels. De zichtbaarheid van het slachtoffer werd bovendien vergroot doordat hij een gele fietshelm droeg en een oranje vlaggetje aan zijn fiets had.\n\nVan een ervaren beroepschauffeur als verdachte mag verwacht worden dat hij extra voorzichtigheid betracht ten opzichte van ander verkeer, zeker op het moment dat hij in de ochtendspits met een vrachtwagen met oplegger binnen de bebouwde kom en op een onoverzichtelijke kruising rijdt terwijl het schemerig is. Dit is des te meer het geval op het moment dat er wordt voorgesorteerd op de rijbaan voor linksafslaand verkeer, terwijl hij voornemen is om rechtsaf te slaan. Op dat moment dient extra voorzichtigheid en oplettendheid te worden betracht omdat andere verkeersdeelnemers hier niet op voorbereid hoeven te zijn. Hoewel het slachtoffer zichtbaar moet zijn geweest voor de verdachte, heeft hij hem niet opgemerkt. Door de combinatie van al het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld en dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW.\n\nLetsel slachtoffer\n\nBij het slachtoffer is als gevolg van het handelen van de verdachte zwaar lichamelijk letsel ontstaan. Hij heeft onder meer breuken in de bekken en de enkel opgelopen, is meermaals geopereerd en heeft langdurig moeten revalideren. Ten tijde van de zitting, ruim anderhalf jaar na het ongeval, is het slachtoffer nog niet volledig hersteld.\n\nConclusie\n\nGelet op het voorgaande, acht de rechtbank het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen in die dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden waardoor zwaar lichamelijk letsel is ontstaan bij het slachtoffer.2.3.3.. Volledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nprimair\n\nhij op 29 november 2024 te Rotterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtwagen met kenteken [kentekennummer] ), daarmede rijdende over de weg, (de kruising van) de Burgemeester F.H. van Kempensingel en de Molenlaan zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend te gedragen, bestaande dat gedrag hieruit:\n\n- verdachte heeft een fietser (zijnde [slachtoffer] ) ingehaald en\n\n- verdachte heeft (vervolgens) zijn vrachtwagen op voornoemde weg tot stilstand gebracht en (langere tijd) tot stilstand gehouden en heeft zijn vrachtwagen (vervolgens) vooruit en rechtsaf gereden en\n\n- verdachte heeft zich voorafgaande aan het vooruit en rechtsaf rijden niet, althans niet tijdig en voldoende van vergewist en is zich er gedurende het vooruit en rechtsaf rijden niet, althans niet voldoende, van blijven vergewissen dat de weg voor en naast hem vrij was van enig (kruisend) verkeer en\n\n- verdachte heeft (daarbij) niet opgemerkt dat die fietser (zijnde [slachtoffer] ) doende was zijn, verdachtes, vrachtwagen rechts in te halen en is (vervolgens) tegen die fietser aangereden en\n\n- ( vervolgens) achteruit heeft gereden en (daarbij nogmaals) over de fiets(er) is heengereden\n\nwaardoor een ander (zijnde die [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nprimair\n\novertreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht3.2.. \n\nStrafbaarheid van het feit\n\nHet feit en de verdachte zijn strafbaar.4. Straffen4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet voor het primaire feit worden veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht toepassing te geven aan artikel 9a Sr, dan wel om een gehele of gedeeltelijke voorwaardelijke straf op te leggen. Een ontzegging van de rijbevoegdheid zou enorme gevolgen hebben voor de verdachte, mede gelet op zijn werk.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van het feit\n\nDe verdachte heeft zich als bestuurder van een vrachtauto schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een verkeersongeval. Hij heeft zich er bij het afslaan niet voldoende van vergewist dat de weg vrij was en heeft het slachtoffer niet opgemerkt, waardoor dat slachtoffer ten val is gekomen en met zijn fiets onder de vrachtauto is beland. Met zijn onvoorzichtige en onoplettende rijgedrag heeft de verdachte zijn verantwoordelijkheid als weggebruiker veronachtzaamd, met name nu hij een professioneel bestuurder is die al vele jaren als beroepschauffeur werkt. Het destijds negenjarige slachtoffer heeft als gevolg van het ongeval ernstig letsel opgelopen waarvan hij lange tijd heeft moeten herstellen en waarvan hij, blijkens de ter zitting afgelegde verklaringen, nog steeds niet volledig hersteld is. De rechtbank realiseert zich dat een op te leggen straf nooit recht zal doen aan het leed dat bij het slachtoffer is ontstaan als gevolg van het ongeval.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 13 mei 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.\n\nOverige persoonlijke omstandigheden\n\nDe verdachte is nog steeds werkzaam bij dezelfde werkgever, maar heeft om aangepaste diensten gevraagd als gevolg van het ongeval. De verdachte rijdt nu voornamelijk diensten buiten de spitsuren. De verdachte heeft op de terechtzitting spijt betuigd en zijn excuses aan het slachtoffer en zijn familie aangeboden. Het verkeersongeval heeft onmiskenbaar veel indruk op de verdachte gemaakt.4.3.3.. \n\nOplegging straffen\n\nBij de bepaling van de straffen heeft de rechtbank gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Op basis van die oriëntatiepunten wordt in de regel voor het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij sprake is van aanmerkelijke schuld en waarbij bij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel is ontstaan, een taakstraf voor de duur van 120 uren opgelegd en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden.\n\nHet handelen van de verdachte is weliswaar gekwalificeerd als schuld in de zin van artikel 6 WVW, maar de rechtbank merkt op dat er in dit geval sprake is van de ondergrens van de in dat artikel bedoelde schuld. De verdachte heeft zich ter zitting zeer schuldbewust opgesteld en ook is gebleken dat hij mentaal veel last heeft gehad van het ongeval. Ook de verdachte zal moeten leren leven met de gevolgen van zijn handelen. De verdachte is daarnaast nooit eerder met politie en justitie in aanraking gekomen. Gelet op die omstandigheden, ziet de rechtbank aanleiding om af te wijken van de oriëntatiepunten en de eis van de officier van justitie. Een taakstraf voor de duur van 40 uren wordt passend en geboden geacht. Daarnaast zal, gelet op het belang van de verdachte om over een rijbewijs te kunnen beschikken, de ontzegging van de rijbevoegdheid in voorwaardelijke vorm worden opgelegd.5. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straffen is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.6. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte het primaire feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraffen\n\nTaakstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 40 (veertig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;\n\nOntzegging van de rijbevoegdheid\n\nontzegtde verdachtede bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de tijd van6 (zes) maanden;\n\nbepaalt dat de duur van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, wordt verminderd met de duur van de invordering en inhouding van het rijbewijs;\n\nbepaalt dat de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzijde rechter later anders beslist;\n\nverbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op2 (twee) jaar;\n\ntenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde, dat hij zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig zal maken, niet naleeft.7. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. J. de Lange, voorzitter,\n\nen mrs. H.J. de Kraker en E.M. Moison, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. L. Hessing, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 25 juni 2026.\n\nDe exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het procesdossier met nummer [dossiernummer] .\n\n Verklaard tijdens de zitting van 27 mei 2026.\n\n Het proces-verbaal forensisch onderzoek verkeersongeval, Eenheid Rotterdam, nummer [proces-verbaalnummer] , pagina 82 tot en met 120 van het procesdossier, inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] .\n\n De FARR verklaring bevattende medische informatie over [slachtoffer] van 17 april 2025, pagina 40 tot en met 42 van het procesdossier, opgemaakt door forensisch arts [arts] .","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7857","2026-07-13T00:29:17.572Z",{"id":161,"ecli":162,"slug":163,"caseNumber":44,"courtId":58,"decisionDate":164,"fullText":165,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":166,"sourceTimestamp":51,"parsedAt":52,"updatedAt":167},"1250","ECLI:NL:GHAMS:2026:1852","ecli-nl-ghams-2026-1852","2026-06-24T00:00:00.000Z","afdeling strafrecht\n\nparketnummer: 23-001204-25\n\ndatum uitspraak: 24 juni 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nVerkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 12 mei 2025 in de strafzaak onder parketnummer 13-303768-24 tegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,\n\nadres: [adres] .Onderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van\n\n10 juni 2026.\n\nDe verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman en de gemachtigde van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\nhij op of omstreeks 05 juni 2024 te Amsterdam , in elk geval in Nederland, als bestuurder van een voertuig (een fiets), daarmee rijdende op de weg, de [plaats 1] en\u002Fof de [plaats 2] , zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en\u002Fof het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd, immers;\n\n- heeft hij, verdachte, gereden terwijl de beremming van het voertuig niet voldeed aan de wettelijk eisen (artikel 5.9.38 regeling voertuigen) en\u002Fof de beremming niet op de normale wijze mogelijk was, en\u002Fof\n\n- heeft hij, verdachte, onvoldoende aandacht gehouden voor de verkeerssituatie en\u002Fof de verkeersveiligheid ter plaatse, immers heeft hij een langzaam rijdende dan wel stilstaande fiets niet (tijdig) gezien en\u002Fof heeft hij, verdachte, zijn snelheid niet zodanig geregeld dat hij, verdachte, in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, en\u002Fof\n\n- heeft hij, verdachte, tegen een fietser aangereden en\u002Fof gebotst, waarbij letsel aan personen, te weten [slachtoffer] , is ontstaan en\u002Fof schade aan goederen is toegebracht.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\nhij op 5 juni 2024 te Amsterdam , als bestuurder van een voertuig (een fiets), daarmee rijdende op de weg, de [plaats 1] en\u002Fof de [plaats 2] , zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, immers:\n\n- heeft de verdachte gereden terwijl de beremming van het voertuig niet voldeed aan de wettelijke eisen (artikel 5.9.38 regeling voertuigen) en de beremming niet op de normale wijze mogelijk was, en\n\n- heeft de verdachte onvoldoende aandacht gehouden voor de verkeerssituatie en de verkeersveiligheid ter plaatse, immers heeft hij een langzaam rijdende dan wel stilstaande fiets niet (tijdig) gezien en heeft de verdachte zijn snelheid niet zodanig geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, en\n\n- heeft de verdachte tegen een fietser aangereden en\u002Fof gebotst, waarbij letsel aan een persoon, te weten [slachtoffer] , is toegebracht.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.\n\nHet bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nGeen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\novertreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.\n\nOplegging van straf\n\nDe kantonrechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete van € 200,00 subsidiair vier dagen vervangende hechtenis.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de kantonrechter opgelegd.\n\nHet hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.\n\nDe verdachte heeft zich, als bestuurder van een fiets (fatbike), schuldig gemaakt aan gevaarlijk verkeersgedrag. Hij heeft – doordat de remmen van zijn fatbikeniet naar behoren werkten – niet op tijd kunnen stoppen voor een stilstaande fietsster en is tegen haar aangereden\u002Fgebotst waardoor zij is gevallen en letsel heeft opgelopen. Zodoende heeft hij de verkeersveiligheid in gevaar gebracht.\n\nGelet op de ernst van het feit en straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd zou in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke geldboete – zoals door de kantonrechter is opgelegd – gerechtvaardigd zijn.\n\nIn strafmatigende zin houdt het hof er echter rekening mee dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep spijt heeft betuigd en verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen. Daarbij is het hof ter terechtzitting in hoger beroep gebleken van de beperkte financiële mogelijkheden van de verdachte. Gelet op het voorgaande en met het oog op de hoogte van het toe te wijzen bedrag aan schadevergoeding aan de benadeelde partij, zal het hof ervoor kiezen om de geldboete in voorwaardelijke vorm aan de verdachte op te leggen.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer]\n\nDe benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 23.999,00, bestaande uit een bedrag van € 3.999,00 ter compensatie van materiële schade en een bedrag van € 20.000,00 als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van (in totaal) € 18.512,75.\n\nDe benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. Het bedrag van de vordering van (in totaal) € 23.999,00 is als volgt tot stand gekomen:\n\nMedische kosten: € 576,04\n\nToekomstige tandartskosten: € 788,27\n\nZiekenhuisdaggeldvergoeding: € 140,00\n\nReiskosten: € 348,27\n\nHuishoudelijke hulp: € 1.937,00\n\nVerlies van zelfwerkzaamheid: € 209,42\n\nImmateriële schade: € 20.000,00\n\nDe advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat de vordering geheel moet worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente, en dat ter zake daarvan een schadevergoedingsmaatregel dient te worden opgelegd.\n\nDe raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep voor wat betreft de immateriële schade op het standpunt gesteld dat het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 15.000,00 in de gegeven omstandigheden buitensporig en disproportioneel is en dat de hoogte van het bedrag niet in lijn is met wat Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Ten aanzien van de materiële schade heeft hij de toekomstige tandartskosten, reiskosten en kosten voor huishoudelijke hulp betwist.\n\nAd a. (medische kosten), ad c. (ziekenhuisdaggeldvergoeding) en ad f. verlies van zelfwerkzaamheid\n\nVast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte in dit verband tot een bedrag van € 925,46 (€ 576,04 + € 140,00 + € 209,42) rechtstreeks materiële schade heeft geleden, in aanmerking genomen dat de onderbouwde stellingen van de benadeelde partij dienaangaande van de zijde van de verdachte niet gemotiveerd zijn betwist. Dit deel van de vordering, dat het hof niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt, ligt dan ook voor toewijzing gereed.\n\nAd b. (toekomstige tandartskosten)\n\nUit het dossier blijkt dat bij de benadeelde partij – als gevolg van het ongeval – een kies is afgebroken. Het hof is daarom van oordeel dat deze schade rechtstreeks het gevolg is van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte. Uit de bijlage achter het schadeopgaveformulier blijkt dat de kosten voor een kroon € 788,27 zijn. Daarmee heeft de benadeelde partij voldoende aangetoond dat de kosten het gevolg zijn van het handelen van de verdachte. Het hof wijst het gevorderde bedrag daarom toe.\n\nAd d. (reiskosten)\n\nVast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte, voor zover het reiskosten betreffen voor bezoeken aan de tandarts en het ziekenhuis, materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 248,24. Voor de overige genoemde materiële schade is onduidelijk of er een causaal verband is tussen die schade en het bewezenverklaarde handelen van de verdachte. Nader onderzoek hiernaar zou een onevenredige belasting voor het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan daarom in zoverre niet in de vordering worden ontvangen en de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.\n\nAd e. (kosten huishoudelijke hulp)\n\nDe benadeelde partij heeft een bedrag van € 1.937,00 gevorderd ter zake van huishoudelijke hulp. Uit het dossier blijkt dat de benadeelde partij – die alleen woont – na het ongeval en de daaropvolgende heupoperatie niet in staat was om het huishouden te doen en dat moest uitbesteden, zodat voldoende is komen vast te staan dat de benadeelde partij op dat punt schade heeft geleden. Ter onderbouwing van deze schadepost is alleen de ‘Letselschade Richtlijn Huishoudelijke Hulp’ overgelegd. Met de raadsman is het hof van oordeel dat de kosten voor huishoudelijke hulp – mede gelet op de gegeven onderbouwing en de gemotiveerde betwisting – niet geheel toewijsbaar zijn. Het hof zal de kosten, conform het standpunt van de raadsman van de verdachte, begroten op € 1.066,00. Het overige deel wordt afgewezen.\n\nAd g. (immateriële schade)\n\nHet hof is van oordeel dat genoegzaam is onderbouwd dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde feit immateriële schade heeft geleden. Er is sprake van objectief vastgesteld lichamelijk letsel in de zin van art. 6:106 onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW). Bij het ongeval is de heup van de benadeelde partij gebroken. Zij is vier dagen in het ziekenhuis opgenomen geweest en is op 6 juni 2024 geopereerd om een totale heupprothese te kunnen plaatsen. De benadeelde partij heeft op dit moment nog dagelijks pijn aan haar heup en doordat een beenlengteverschil is ontstaan door plaatsing van de nieuwe heup zijn nieuwe klachten ontstaan aan de voet van de benadeelde partij, waardoor zij dagelijks pijn heeft met lopen. Daarnaast heeft zij bij het ongeval een gebroken kies opgelopen.\n\nDe begroting van immateriële schade geschiedt naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt, alsmede, in geval van letselschade, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van het slachtoffer. Verder dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Concreet heeft het hof acht geslagen op de Rotterdamse Schaal (RS) in samenhang met de ‘Aanbevelingen rechtspraak voor de begroting van smartengeld op basis van art. 6:106 BW’ (rechtspraak.nl).\n\nTen aanzien van het heupletsel neemt het hof als uitgangspunt RS paragraaf 5.5, sub a, categorie III met als uitgangspunt een immateriële schadevergoeding tussen € 27.000,00 en € 36.000,00. Gelet op het voorgaande zal het hof de vordering voor wat betreft de geleden immateriële schade geheel toewijzen (€ 20.000,00).\n\nHet hof gaat daarbij voorbij aan het standpunt van de raadsman die ter terechtzitting in hoger beroep heeft gesteld dat, door de betrekkelijke ernst van de overtreding, het bedrag aan immateriële schade in aanzienlijke mate naar beneden moet worden bijgesteld. Het hof overweegt in dat kader dat de vordering van de benadeelde partij een civielrechtelijke aangelegenheid binnen het strafproces betreft en dat de betrekkelijke ernst van het feit bij het vaststellen van de hoogte van het toegekende bedrag aan schadevergoeding van ondergeschikt belang is indien sprake is van lichamelijk letsel.\n\nTotaal toegewezen bedrag\n\nDe verdachte is tot vergoeding van de hierboven weergegeven schade ter hoogte van (in totaal)\n\n€ 23.027,97 gehouden. Echter is tijdens de inhoudelijke behandeling in hoger beroep gebleken dat de verdachte reeds € 700,00 aan de benadeelde partij heeft vergoed, zodat dit bedrag in mindering wordt gebracht op het hiervoor genoemde totaalbedrag, zodat uiteindelijk een totaalbedrag van € 22.327,97 overblijft. De verdachte is tot vergoeding van laatstgenoemd totaalbedrag gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente. Om te bevorderen dat die schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 36f van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een geldboetevan€ 200,00 (tweehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door2 (twee) dagen hechtenis.\n\nBepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 22.327,97 (tweeëntwintigduizend driehonderdzevenentwintig euro en zevenennegentig cent) bestaande uit € 2.327,97 (tweeduizend driehonderdzevenentwintig euro en zevenennegentig cent) materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 871,00 (achthonderdeenenzeventig euro) aan materiële schadeaf (kosten huishoudelijke hulp).\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 22.327,97 (tweeëntwintigduizend driehonderdzevenentwintig euro en zevenennegentig cent) bestaande uit\n\n€ 2.327,97 (tweeduizend driehonderdzevenentwintig euro en zevenennegentig cent) materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 132 (honderdtweeëndertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 5 juni 2024 en voor de materiële schade op 12 mei 2025.\n\nDit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. Stalenhoef, mr. M.J.A. Plaisier en mr. D. Greven, in tegenwoordigheid van\n\nmr. S. Bonset, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van\n\n24 juni 2026.\n\nmr. D. Greven is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1852","2026-07-13T00:29:12.155Z",{"id":169,"ecli":170,"slug":171,"caseNumber":44,"courtId":76,"decisionDate":172,"fullText":173,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":174,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":52,"updatedAt":175},"1675","ECLI:NL:RBGEL:2026:5218","ecli-nl-rbgel-2026-5218","2026-06-23T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Zutphen\n\nParketnummers: 05.223831.25 en 05.114360.25 (tul)\n\nDatum uitspraak : 23 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nvonnis van de meervoudige kamer\n\nin de zaak van\n\nde officier van justitie\n\ntegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedag] 1981 in [geboorteplaats] ,\n\nwonende aan [adres] in [woonplaats] ,\n\nop dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfplaats] .\n\nraadsvrouw: mr. A. van der Poel, advocaat in Apeldoorn.\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.\n\n1. De inhoud van de tenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\n1\n\nhij op of omstreeks 12 augustus 2025 te [woonplaats] , gemeente Voorst ten overstaan\n\nvan [hulpverlener] (ambulant hulpverlener voor [instelling] ), [aangever 1] heeft bedreigd met enig\n\nmisdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling, immers heeft\n\nverdachte ten overstaan van die [hulpverlener] dreigend de woorden geuit: \"Als ik zaterdag\n\nmijn kinderen niet zie dan snijd ik de keel van [aangever 1] door en maak ik\n\nvarkensvoer van haar\", van welke bedreiging(en)\u002Fdreigende woorden voornoemde\n\n [aangever 1] kennis heeft genomen;\n\n2\n\nhij op of omstreeks 8 augustus 2025 te [woonplaats] , gemeente Voorst\n\n [aangever 2] en\u002Fof [aangever 3]\n\nheeft bedreigd\n\nmet enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling,\n\ndoor die [aangever 2] en\u002Fof [aangever 3] dreigend de woorden toe te voegen \"Ik maak\n\njullie dood, ik voer de paarden aan de leeuwen en jullie krijgen drie dagen de tijd\n\nom het huis te verlaten, dan zet ik een verkoopbord in de tuin\" en\u002Fof door het\n\nversturen van tekstberichten met de tekst \"Ik ruim jullie 2 op\" en\u002Fof \"Kop der af\",\n\nalthans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;\n\n3\n\nhij op of omstreeks 8 augustus 2025 te [woonplaats] , gemeente Apeldoorn, in elk geval\n\nin Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een\n\npersonenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet\n\n1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te\n\nverlenen aan een ademonderzoek, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht\n\nte blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en\u002Fof aan de verplichting\n\ngevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het\n\nonderzoek gegeven aanwijzingen;\n\n4\n\nhij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 juni 2025 tot en met\n\n18 augustus 2025 te Voorst, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig\n\nopzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten\n\ndie van [aangever 1] door:\n\n- die [aangever 1] via WhatsApp veelvuldig berichten en\u002Fof foto’s en\u002Fof youtubelinkjes te\n\nsturen (al dan niet met bedreigende en\u002Fof intimiderende inhoud) en\u002Fof\n\n- meermalen de voicemail van die [aangever 1] in te spreken,\n\nmet het oogmerk die [aangever 1] (telkens) te dwingen iets te doen, niet te doen, te\n\ndulden en\u002Fof vrees aan te jagen.\n\n2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 1 vrijspraak bepleit wegens onvoldoende bewijs. Zij heeft aangevoerd dat aangeefster de gestelde bedreiging via een derde, [hulpverlener] , heeft vernomen, die hiervan ook melding bij de politie heeft gedaan. De informatie is daarom afkomstig uit dezelfde bron. Daarnaast biedt de verklaring van de getuige [getuige] onvoldoende steun, nu deze ziet op een andere uitlating dan de ten laste gelegde bedreiging. Voorts heeft de buurman, op wie de verklaring van [getuige] is gebaseerd, zelf geen verklaring afgelegd.\n\nTen aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niemand getuige is geweest van het telefoongesprek. Nu onvoldoende bewijs voorhanden is, dient vrijspraak te volgen.\n\nDe raadsvrouw heeft zich ten aanzien van feit 3 en 4 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nFeit 1\n\nBewijsmiddelen\n\nAangeefster [aangever 1] heeft verklaard dat zij op 12 augustus 2025 van [hulpverlener] heeft gehoord dat verdachte heeft gezegd ‘als ik mijn kinderen zaterdag niet zie, dan snijd ik de keel van [aangever 1] door en maak ik varkensvoer van haar’.\n\n [hulpverlener] , ambulant hulpverlener vanuit [instelling] , heeft op 12 augustus 2025 gebeld naar de politie. Hij heeft verklaard dat hij net bij verdachte op het adres [adres] in [woonplaats] was geweest en dat hij had medegedeeld dat hij zijn kinderen aanstaande zaterdag niet te zien zou krijgen. Verdachte heeft toen tegen hem gezegd ‘als ik mijn kinderen zaterdag niet krijg, maak ik [aangever 1] van kant.’ Verdachte heeft hem opgedragen deze boodschap aan aangeefster over te brengen.\n\nGetuige [getuige] heeft verklaard dat zij op 12 augustus 2025 van de buurman van verdachte heeft gehoord dat verdachte tegen hem had gezegd dat hij [aangever 1] ‘van kant zou maken’ indien hij zaterdag de kinderen niet zou krijgen.\n\nBeoordeling\n\nDe rechtbank volgt het standpunt van de raadsvrouw dat de informatie uit dezelfde bron komt niet. De verklaring van aangeefster betreft weliswaar geen eigen waarneming, maar vindt op essentiële onderdelen steun in het proces-verbaal van bevindingen waarin is vastgelegd dat [hulpverlener] melding heeft gemaakt van een door verdachte geuite bedreiging jegens aangeefster. Daarnaast vindt deze verklaring steun in de verklaring van [getuige] . Hoewel aan laatstgenoemde verklaring, nu deze is gebaseerd op informatie van horen zeggen, in beginsel minder bewijskracht toekomt dan aan een verklaring uit eigen waarneming, kan zij wel dienen als ondersteuning van ander bewijsmateriaal. De rechtbank volgt de raadsvrouw ook niet in haar standpunt dat de verklaring van aangeefster ziet op een andere uitlating dan de ten laste gelegde bedreiging. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat zowel de verklaring van [hulpverlener] als die van [getuige] betrekking heeft op een op of omstreeks 12 augustus 2025 door verdachte geuite bedreiging jegens aangeefster. Dat de bedreiging op verschillende momenten op 12 augustus 2025 aan derden is medegedeeld, maakt niet dat sprake is van verschillende gebeurtenissen. De verklaringen zijn in essentie gelijkluidend en ondersteunen elkaar op wezenlijke onderdelen. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de verdediging.\n\nConclusie\n\nOp grond van de hiervoor besproken bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangeefster op 12 augustus 2025 met enig misdrijf tegen het leven heeft bedreigd.\n\nFeit 2\n\nBewijsmiddelen\n\nAangever [aangever 2] heeft verklaard dat verdachte op 8 augustus 2025 telefonisch tegen hem heeft gezegd ‘ik maak jullie dood, ik voer de paarden aan de leeuwen, en jullie krijgen drie dagen de tijd om het huis te verlaten dan zet ik een verkoopbord in de tuin’. Dit was gericht tegen mij en mijn vrouw [aangever 3] .\n\nHet dossier bevat afbeeldingen van een WhatsAppgesprek tussen aangever en verdachte. Daarin zegt verdachte onder meer: “Ben onderweg” met vier emoticons van vuisten, “Kop der af” en “Ik ruim jullie 2 op”. In het laatstgenoemde bericht zijn drie emoticons van een pistool te zien.\n\nUit het proces-verbaal van aanhouding volgt dat verdachte bij zijn aanhouding op 8 augustus 2025 heeft geroepen dat hij ‘ze allemaal ging vermoorden’ en dat hij aangever ‘ging afmaken’.\n\nDe verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij deze berichten heeft verzonden.\n\nBeoordeling\n\nDe rechtbank stelt vast dat verdachte aangever en [aangever 3] op 8 augustus 2025 telefonisch heeft bedreigd door onder meer te zeggen ‘ik maak jullie dood’. Die verklaring vindt ondersteuning in de WhatsApp-berichten die verdachte diezelfde dag aan aangever heeft verzonden, waarin verdachte onder meer heeft geschreven dat hij onderweg was en de tekst ‘kop der af’ en ‘ik ruim jullie twee op’ gevolgd door emoticons van pistolen en vuisten. Daarnaast volgt uit het proces-verbaal van aanhouding dat verdachte zich bij zijn aanhouding op 8 augustus 2025 agressief en dreigend heeft uitgelaten en heeft geroepen dat hij ‘ze allemaal ging vermoorden’ en dat hij aangever ‘ging afmaken’. Naar hun aard en inhoud waren de uitlatingen van dien aard dat bij aangever en diens echtgenote in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat verdachte zijn bedreigingen ten uitvoer zou leggen.\n\nConclusie\n\nGelet op de inhoud van de telefonische uitlatingen, de daaropvolgende WhatsApp-berichten en de overige door de verdachte geuite bedreigingen, bezien in onderlinge samenhang, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte aangever [aangever 2] en [aangever 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht.\n\nFeit 3\n\nEr is bij dit feit sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.\n\nBewijsmiddelen\n\n- het proces-verbaal rijden onder invloed, p. 42-43;\n\n- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 juni 2026.\n\nFeit 4\n\nEr is bij dit feit sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.\n\nBewijsmiddelen\n\nhet proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] , p. 7-9;\n\nhet proces-verbaal tijdlijn in stalkingszaken, p. 19-25;\n\nhet aanvullend proces-verbaal van bevindingen van 27 augustus 2025, nummer PL0600-2025360830-18;\n\nde verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 juni 2026.\n\nBeoordeling\n\nDe rechtbank stelt vast dat uit het dossier blijkt dat verdachte in de periode van 27 juni 2025 tot en met 15 augustus 2025 zeer vaak contact heeft gezocht met aangeefster, terwijl aangeefster had gezegd geen rechtstreeks contact meer te willen. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich aan de ten laste gelegde belaging heeft schuldig gemaakt in de periode van 27 juni 2025 tot en met 15 augustus 2025. Voor zover de tenlastelegging ziet op de periode na 15 augustus 2025 ontbreekt het bewijs, zodat verdachte daarvan partieel zal worden vrijgesproken.\n\n3. De bewezenverklaring\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, te weten dat:\n\n1\n\nhij op of omstreeks12 augustus 2025 te [woonplaats] , gemeente Voorst ten overstaan\n\nvan [hulpverlener] (ambulant hulpverlener voor [instelling] ), [aangever 1] heeft bedreigd met enig\n\nmisdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling, immers heeft\n\nverdachte ten overstaan van die [hulpverlener] dreigend de woorden geuit: \"Als ik zaterdag\n\nmijn kinderen niet zie dan snijd ik de keel van [aangever 1] door en maak ik\n\nvarkensvoer van haar\", van welke bedreiging(en)\u002Fdreigende woorden voornoemde\n\n [aangever 1] kennis heeft genomen;\n\n2\n\nhij op of omstreeks8 augustus 2025 te [woonplaats] , gemeente Voorst\n\n [aangever 2] en\u002Fof[aangever 3]\n\nheeft bedreigd\n\nmet enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling,\n\ndoor die [aangever 2] en\u002Fof[aangever 3] dreigend de woorden toe te voegen \"Ik maak\n\njullie dood, ik voer de paarden aan de leeuwen en jullie krijgen drie dagen de tijd\n\nom het huis te verlaten, dan zet ik een verkoopbord in de tuin\" en\u002Fofdoor het\n\nversturen van tekstberichten met de tekst \"Ik ruim jullie 2 op\" en\u002Fof\"Kop der af\",\n\nalthans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;\n\n3\n\nhij op of omstreeks8 augustus 2025 te [woonplaats] , gemeente Apeldoorn, in elk geval\n\nin Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een\n\npersonenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet\n\n1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te\n\nverlenen aan een ademonderzoek, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht\n\nte blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en\u002Fof aan de verplichting\n\ngevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het\n\nonderzoek gegeven aanwijzingen;\n\n4\n\nhij op één of meertijdstippen inof omstreeksde periode van 27 juni 2025 tot en met\n\n15 augustus 2025 te Voorst, althansin Nederland, wederrechtelijk stelselmatig\n\nopzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten\n\ndie van [aangever 1] door:\n\n- die [aangever 1] via WhatsApp veelvuldig berichten en\u002Foffoto’s en\u002Fofyoutubelinkjes te\n\nsturen (al dan niet met bedreigende en\u002Fof intimiderende inhoud) en\u002Fof\n\n- meermalen de voicemail van die [aangever 1] in te spreken,\n\nmet het oogmerk die [aangever 1] (telkens) te dwingen iets te doen, niet te doen, te\n\ndulden en\u002Fof vrees aan te jagen.\n\nVoor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nWat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.\n\nVerdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\nfeit 1:\n\nbedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;\n\nfeit 2:\n\nbedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;\n\nfeit 3:\n\novertreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994;\n\nfeit 4:\n\nbelaging.\n\n5. De strafbaarheid van de feiten\n\nDe feiten zijn strafbaar.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte\n\nVerdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte volledig uitsluit.\n\n7. De overwegingen ten aanzien van straf en\u002Fof maatregel\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf gelijk aan het reeds ondergane voorarrest, met oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling (tbs) waarbij de door de reclassering geadviseerde voorwaarden worden opgelegd. De officier van justitie heeft daarbij gevorderd om de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (Sr) op te leggen.\n\nVerder heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht de voorlopige hechtenis van verdachte te schorsen met ingang van 23 juni 2026 om 13.30 uur, onder de voorwaarden die aan de maatregel van terbeschikkingstelling worden verbonden, zodat verdachte vanaf die datum kan worden opgenomen in de Forensisch Psychiatrische Afdeling (FPA) [afdeling] .\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft, nu er concreet zicht is op een behandelplek voor verdachte, geen verweer gevoerd tegen de gevorderde tbs-maatregel als zodanig. Ten aanzien van de aan die maatregel te verbinden voorwaarden heeft zij primair verzocht geen locatieverbod op te leggen. Subsidiair heeft zij verzocht de omvang van het locatieverbod te beperken, omdat het vastgestelde gebied volgens de verdediging te omvangrijk is. Daarnaast heeft zij verzocht geen maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr op te leggen.\n\nDe beoordeling door de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.\n\nErnst van het feit\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de bedreiging met de dood van zijn ex-partner en zijn moeder en stiefvader. Daarnaast heeft hij zich schuldig gemaakt aan belaging van diezelfde ex-partner en heeft hij geweigerd mee te werken aan een ademonderzoek. Met de bedreigingen heeft verdachte gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt bij de slachtoffers. Bedreigingen met de dood zijn ernstige feiten die diep kunnen ingrijpen in het leven van degenen tegen wie zij zijn gericht. Dat geldt temeer wanneer deze plaatsvinden binnen de familiaire of relationele sfeer. Door zijn ex-partner gedurende langere tijd stelselmatig te benaderen en haar berichten te sturen, heeft verdachte bovendien een ernstige inbreuk gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer. Verdachte heeft zich kennelijk niet kunnen neerleggen bij het einde van de relatie en heeft met zijn handelen het gevoel van vrijheid en veiligheid van het slachtoffer aangetast. De rechtbank rekent verdachte de feiten zwaar aan. Verder heeft verdachte geweigerd mee te werken aan een ademonderzoek. Daarmee heeft hij de handhaving van de verkeersveiligheidswetgeving belemmerd. Het vaststellen of een bestuurder onder invloed van alcohol verkeert, is van groot belang voor de verkeersveiligheid.\n\nStrafblad\n\nUit de justitiële documentatie van 12 mei 2026 blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor huiselijk geweld tegen zijn (ex)partner, laatstelijk op 9 mei 2025. Dit weegt de rechtbank mee in strafverzwarende zin. Verdachte liep van de laatste veroordeling nog in een proeftijd. De veroordelingen hebben verdachte er kennelijk niet van kunnen weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.\n\nToerekenbaarheid\n\nTer beoordeling van de strafbaarheid van de verdachte heeft de rechtbank kennisgenomen van het rapport van de psycholoog van 13 maart 2026 en het rapport van de psychiater van 31 maart 2026.\n\nUit het rapport van de psycholoog blijkt dat verdachte lijdt aan een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis. Ten tijde van de tenlastelegging was bij verdachte sprake van een psychotisch toestandsbeeld en een stoornis in het gebruik van alcohol. Zijn denken, voelen en handelen werden hierdoor beïnvloed, mede door een verstoorde realiteitstoetsing, verhoogde prikkelbaarheid en verminderde impulsbeheersing. Als gevolg daarvan was verdachte verminderd in staat zijn gedrag te sturen en de gevolgen van zijn gedragingen te controleren en in redelijkheid af te wegen. Hierbij handelde verdachte vanuit onvoldoende adequate coping vaardigheden. De psycholoog adviseert om het tenlastegelegde in verminderde mate toe te rekenen.\n\nUit het rapport van de psychiater blijkt dat bij verdachte sprake is van een schizofrenieforme spectrum- of andere psychotische stoornis. Ten tijde van de tenlastelegging was bij verdachte sprake van een stoornis in het gebruik van alcohol en een stoornis in de realiteitstoetsing. Verdachte heeft weinig adequate copingmechanismen, waardoor hij bij oplopende spanningen de neiging heeft de problemen te vermijden\u002Fde stress te dempen door overmatig alcohol te gebruiken. Hierdoor bestaat het risico dat verdachte achterdochtig reageert, wat dusdanige vormen aan kan nemen dat de realiteitstoetsing verstoord raakt en hij, met andere woorden, psychotisch kan worden. De psychotische stoornis was ten tijde van de tenlastelegging niet zo ernstig dat deze zijn oordeelsvermogen en daaruit voortkomend gedrag in die mate beïnvloedde dat hij geen enkele vrijheid van denken of handelen meer had. Dit neemt niet weg dat de combinatie van deze stoornissen als psychische stoornis in de zin van de wet, het denken, voelen, oordelen en handelen wel beïnvloedde en daarmee doorwerkte in het tenlastegelegde. De psychiater adviseert om het tenlastegelegde in verminderde mate toe te rekenen.\n\nDe rechtbank is, gelet op het advies van de rapporterende deskundigen, van oordeel dat de feiten verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend.\n\nTbs maatregel met voorwaarden\n\nDe psycholoog schat het risico op recidive in als hoog. Daarbij wijst de psycholoog op de aanwezigheid van meerdere risicofactoren voor gewelddadig gedrag. Bij de combinatie van stoornissen zoals hiervoor genoemd, zijn beschermende factoren slechts beperkt aanwezig. Gelet hierop is een hoge mate van externe structurering noodzakelijk om verdachte gemotiveerd te houden voor behandeling en de kans van slagen van die behandeling te vergroten. Complicerend in het geval van verdachte is dat het hem ontbreekt aan ziektebesef en -inzicht en intrinsieke behandelmotivatie. Gezien de behandelings- en delicthistorie heeft verdachte tot op heden onvoldoende geprofiteerd van de geboden behandeling en begeleiding. Ondanks eerder ingezette ambulante hulpverlening en reclasseringstoezicht heeft verdachte opnieuw strafbare feiten gepleegd. De psycholoog adviseert daarom een klinische behandeling binnen een forensisch psychiatrische kliniek. De behandeling dient gericht te zijn op stabilisering van het psychotisch toestandsbeeld, gevolgd door intensieve outreachende ambulante behandeling door een forensisch FACT-team. De psycholoog acht een terbeschikkingstelling met voorwaarden het meest aangewezen kader. Daarbij kan, indien verdachte de gestelde voorwaarden niet naleeft, alsnog worden voorzien in een tbs met dwangverpleging. Volgens de psycholoog biedt deze maatregel voldoende waarborgen om verdachte gemotiveerd te houden voor behandeling en het behandeltraject duurzaam voort te zetten.\n\nUit het rapport van de psychiater blijkt eveneens dat het recidiverisico als hoog wordt ingeschat. Volgens de psychiater is voor de aanpak van de combinatie van een schizofreniespectrum\u002Fpsychotische stoornis en een stoornis in het gebruik van alcohol een klinisch forensische behandeling noodzakelijk. Daarbij dient niet alleen aandacht te worden besteed aan de verslavingsproblematiek, maar ook aan de psychotische kwetsbaarheid van verdachte en zijn beperkte copingvaardigheden. Van belang is dat verdachte een duurzame behandelrelatie opbouwt, waarin open kan worden gesproken over zijn aandeel in de ontstane problematiek. De psychiater acht een terbeschikkingstelling met voorwaarden het meest aangewezen kader. Binnen dat kader kan een klinische behandeling plaatsvinden, gevolgd door een ambulant behandeltraject. Indien verdachte zich niet aan de gestelde voorwaarden houdt, bestaat de mogelijkheid de maatregel om te zetten in een tbs-maatregel met dwangverpleging. Volgens de psychiater biedt dit voldoende waarborgen voor zowel de behandeling van verdachte als de bescherming van de veiligheid van anderen.\n\nUit het reclasseringsrapport van 8 mei 2026 blijkt dat het recidiverisico als hoog wordt ingeschat. De reclassering acht een klinische behandeling binnen het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden noodzakelijk. Een dergelijk kader biedt de mogelijkheid om de draagkracht van verdachte te vergroten, zijn inzicht in de problematiek te bevorderen en hem langdurig te ondersteunen bij het verminderen van het recidiverisico. De reclassering adviseert in het maatregelenrapport daarom tbs met de volgende voorwaarden: geen strafbaar feit plegen, meewerken aan reclasseringstoezicht, meewerken aan time-out, niet naar het buitenland, meldplicht bij de reclassering, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname, drugsverbod, alcoholverbod, contactverbod met de slachtoffers en een locatieverbod met elektronische monitoring. Verder adviseren zij de dadelijke uitvoerbaarheid van de tbs met voorwaarden en daarnaast om een GVM op te leggen.\n\nVerdachte heeft ter terechtzitting van 9 juni 2026 verklaard zich aan alle geadviseerde voorwaarden te zullen houden.\n\nGelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden passend en geboden. Daarnaast acht de rechtbank, gelet op de ernst van de bij verdachte aanwezige problematiek, het recidiverisico en de noodzaak van behandeling, de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden noodzakelijk.\n\nDe rechtbank stelt vast dat de onder 1, 2 en 4 bewezenverklaarde feiten misdrijven zijn als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, onder 2, Sr waarvoor terbeschikkingstelling mogelijk is. Verder is de rechtbank van oordeel dat bij verdachte tijdens het begaan van de feiten een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestesvermogens bestond. De rechtbank is ten slotte van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling eist.\n\nGelet op de inhoud van de rapporten van de psychiater, de psycholoog en de reclassering is de rechtbank van oordeel dat opname in een zorginstelling (klinische opname) noodzakelijk is om het risico op recidive te verlagen. Uit de voornoemde rapporten blijkt dat verdachte een beperkt ziekte-inzicht heeft en dat gelet op de combinatie van stoornissen een intensieve klinische behandeling noodzakelijk is.\n\nGelet op de beschikbare behandelplek, de bereidheid van verdachte om zich aan de voorwaarden te houden en mee te werken aan de behandeling, en het positieve advies van de reclassering, acht de rechtbank een terbeschikkingstelling met voorwaarden passend en geboden. De rechtbank wijst verdachte er wel op dat niet-naleving van de voorwaarden of als verdachte anderszins onvoldoende meewerkt aan de behandeling, omzetting van de maatregel in een terbeschikkingstelling met dwangverpleging tot de mogelijkheden behoort.\n\nDe bewezenverklaarde feiten zijn geen misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Op grond van artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht is de maatregel dan ook in duur gemaximeerd, indien verdachte zich niet aan de voorwaarden houdt en later alsnog dwangverpleging wordt bevolen.\n\nTer bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen stelt de rechtbank voorwaarden betreffende het gedrag. De rechtbank neemt de voorwaarden over die de reclassering heeft geadviseerd. De rechtbank ziet, gelet op het recidiverisico, geen aanleiding om af te zien van het locatieverbod, zoals door de raadsvrouw verzocht. De rechtbank overweegt dat de regio waarvoor het locatieverbod geldt door de reclassering kan worden aangepast als de reclassering dat nodig of wenselijk acht, waarbij de rechtbank ervan uitgaat dat de reclassering regelmatig zal evalueren of het (volledige) locatieverbod in stand moet blijven. De rechtbank zal om die reden geen wijziging aanbrengen in het locatieverbod.\n\nDe rechtbank zal de aan de terbeschikkingstelling met voorwaarden verbonden voorwaarden dadelijk uitvoerbaar verklaren. Daarbij weegt de rechtbank mee dat verdachte aansluitend onder schorsingsvoorwaarden kan worden opgenomen in de FPA, zodat onmiddellijke uitvoering van de voorwaarden noodzakelijk en passend is.\n\nDe voorlopige hechtenis\n\nZoals hiervoor overwogen, acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden passend en geboden. De rechtbank stelt vast dat de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf van 6 maanden, gelet op de tijd die hij reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, geheel is ondergaan. Nu aan verdachte tevens de maatregel van tbs met voorwaarden wordt opgelegd en een van die voorwaarden strekt tot verplichte klinische opname in een forensische zorginstelling, ziet de rechtbank aanleiding het bevel voorlopige hechtenis niet op te heffen. Deze opname brengt een vrijheidsbeneming mee. Gelet daarop staat artikel 67a, derde lid, van het wetboek van Strafvordering (Sv) niet aan voortduring van de voorlopige hechtenis in de weg totdat de klinische opname is aangevangen. De rechtbank zal daarom het bevel tot voorlopige hechtenis handhaven. De rechtbank heeft wel aanleiding gezien de voorlopige hechtenis te schorsen met ingang van heden. Daarvan is een afzonderlijke schorsingsbeslissing opgemaakt.\n\nGedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel\n\nDe rechtbank leidt uit de stukken af dat bij verdachte sprake is van meervoudige en complexe problematiek, gecombineerd met een beperkte ontvankelijkheid voor interventies die gericht zijn op gedragsverandering. De inschatting van de deskundigen is dat bij verdachte langdurig enige mate van controle en zicht noodzakelijk is. Door het opleggen van een GVM is het mogelijk om ook na afloop van de (gemaximeerde) terbeschikkingstelling toezicht uit te blijven oefenen op verdachte. De rechtbank is daarom van oordeel dat het opleggen van de GVM als bedoeld in artikel 38z Sr aangewezen is ter bescherming van de algemene veiligheid van personen. Aan de eisen voor het opleggen van deze maatregel is voldaan.\n\n8. De vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 05.114360.25)\n\nDe politierechter heeft verdachte op 9 mei 2025 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 weken met een proeftijd van 3 jaren.\n\nDe officier van justitie vordert de afwijzing van de tenuitvoerlegging van die straf.\n\nDe raadsvrouw heeft bepleit dat de vordering tenuitvoerlegging moet worden afgewezen omdat verdachte in de onderhavige zaak ook al een flink aantal voorwaarden opgelegd krijgt. Subsidiair heeft de raadsvrouw gevraagd om het voorwaardelijk strafdeel af te trekken van de straf in de hoofdzaak.\n\nDe rechtbank ziet aanleiding de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen nu tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf de voorwaarden verbonden aan de maatregel tbs doorkruist. De rechtbank ziet verder aanleiding de voorwaarden te wijzigen in die zin dat deze komen te vervallen. De rechtbank acht hierbij van belang dat verdachte zich in het kader van de maatregel tbs dient te houden aan diverse voorwaarden. De eerder opgelegde bijzondere voorwaarden hebben daarom geen meerwaarde.\n\n9. De toegepaste wettelijke bepalingen\n\nDe oplegging van de straf en\u002Fof maatregel is gegrond op de artikelen 37a, 38, 38a, 38z, 57, 285, 285b van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 163, 176 van de Wegenverkeerswet 1994.\n\n10. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;\n\n verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;\n\n verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;\n\n verklaart verdachte hiervoor strafbaar;\n\n veroordeelt verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van6 maandenen beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\n gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en stelt voor de duur van de terbeschikkingstellingde volgendevoorwaardenbetreffende het gedrag van verdachte:\n\nVerdachte zal zich niet schuldig maken aan een strafbaar feit.\n\nVerdachte werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:\n\n• Verdachte meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is.\n\n• Verdachte laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om zijn identiteit vast te stellen.\n\n• Verdachte houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om verdachte te helpen bij het naleven van de voorwaarden.\n\n• Verdachte helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid.\n\n• Verdachte werkt mee aan huisbezoeken.\n\n• Verdachte geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en\u002Fof behandeling door andere instellingen of hulpverleners.\n\n• Verdachte vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering.\n\n• Verdachte werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en\n\n instanties die contact met hem hebben, als dat van belang is voor het\n\n toezicht.\n\n3. Verdachte laat zich opnemen in FPA [afdeling] dan wel een soortgelijke forensische zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname start op 23 juni 2026 om 13.30 uur en duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing.\n\n4. Verdachte stelt zich na de klinische fase onder behandeling bij door de reclassering aan te wijzen instelling(en) voor forensische verslavingszorg en\u002Fof forensische psychiatrie en houdt zich aan de huisregels van die zorginstelling(en) en aan de aanwijzingen die hem in het kader van zijn behandeling door zijn behandelaren zullen worden gegeven zolang de reclassering dit nodig acht. Het innemen van medicijnen en het afnemen van urinecontroles kan onderdeel van de behandeling zijn.\n\n5. Als de reclassering dat nodig vindt en verdachte daarmee instemt, kan hij voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of verdachte deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar.\n\n6. Verdachte gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering.\n\n7. Verdachte gebruikt geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs) en lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Verdachte moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek\u002Fademonderzoek\u002Fspeekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.\n\n8. Verdachte gebruikt geen alcohol, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Verdachte moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek\u002Fademonderzoek\u002Fspeekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.\n\n9. Verdachte zal op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoeken of hebben met: - mevrouw [aangever 1] , geboren op [geboortedag] 1985; - mevrouw [aangever 3] , geboren op [geboortedag] 1950; - de heer [aangever 2] , geboren op [geboortedag] 1960.\n\n10. Verdachte zal zich niet bevinden in het verboden gebied; beschrijving van het verboden gebied is van Apeldoorn tot en met Delden en Haaksbergen en van Raalte tot en met Eerbeek en Groenlo, zoals omschreven is in de afbeelding in de bijlage, zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering kan het verboden gebied laten vervallen, het verboden gebied verkleinen en\u002Fof aan verdachte toestemming geven om zich voor een bepaalde periode in een bepaald deel van het verboden gebied te bevinden. Verdachte werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van het locatieverbod, voor de genoemde periode of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt.\n\n11. gedurende de duur van het elektronisch toezicht verlaat verdachte Nederland niet zonder toestemming van de reclassering;\n\n geeft de Reclassering opdracht verdachte bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen;\n\n beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaaris;Gedragsbeïnvloedende maatregel\n\n legt aan verdachte op de maatregel tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperkingals bedoeld in artikel 38z Sr;\n\nVordering tenuitvoerlegging\n\n wijstde vordering tot tenuitvoerlegging onder parketnummer 05-114360.25afen past de voorwaarden onder dat parketnummer aan, in die zin dat alle bijzondere voorwaarden komen te vervallen.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J.S.W. Lucassen, voorzitter, mr. W.H.S. Duinkerke en mr. O. El Kadi, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.C.M. Althoff, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 juni 2026.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025386900, gesloten op 16 augustus 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.\n\n Proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] , p. 8.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 14.\n\n Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 11.\n\n Proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] , p. 10.\n\n Afbeelding van een WhatsAppgesprek, p. 55.\n\n Proces-verbaal van aanhouding van 8 augustus 2025, p. 18.\n\n Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5218","2026-07-13T00:29:32.939Z",{"id":177,"ecli":178,"slug":179,"caseNumber":44,"courtId":58,"decisionDate":180,"fullText":181,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":182,"sourceTimestamp":79,"parsedAt":52,"updatedAt":183},"1603","ECLI:NL:GHAMS:2026:1802","ecli-nl-ghams-2026-1802","2026-06-19T00:00:00.000Z","afdeling strafrecht\n\nparketnummer: 23-001704-25\n\ndatum uitspraak: 5 juni 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nVerkort arrest van het gerechtshof Amsterdam, gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 25 juni 2025 in de strafzaak onder parketnummer 13-351353-24 tegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981,\n\nadres: [adres 1].Onderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van\n\n22 mei 2026.\n\nDe verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\nprimairhij op of omstreeks 07 juni 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, [adres 2], zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en\u002Fof het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd, immers:\n\n heeft hij, verdachte, op voornoemde weg, bij het afslaan naar links, zich niet, in elk geval niet voldoende, vergewist dat de weg voor tegemoetkomend verkeer vrij was van verkeer en\u002Fof\n\n heeft hij, verdachte, een op dezelfde weg tegemoetkomende bestuurder van een motorfiets, niet voor laten gaan, waardoor hij, verdachte, met voornoemde bestuurder van een motorfiets in aanrijding en\u002Fof botsing is gekomen, waardoor voornoemde bestuurder van een motorfiets ten val is gekomen,\n\nwaarbij letsel aan personen, te weten [slachtoffer], is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht;\n\nsubsidiairhij op of omstreeks 7 juni 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een personenauto op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, [adres 2], bij het afslaan naar links, teneinde teneinde een parkeergelegenheid, gelegen aan de [adres 2] in\u002Fop te rijden, een hem op dezelfde weg tegemoetkomende bestuurder van een motorfiets niet heeft laten voorgaan, waarbij letsel aan personen, te weten [slachtoffer], is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de kantonrechter.\n\nVrijspraak van het primair ten laste gelegde\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.\n\nDe raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat niet iedere overtreding van een verkeersregel het veroorzaken van hinder of gevaar op de weg als bedoeld in artikel 5 Wegenverkeerswet 1994 (WVW) oplevert. De wetgever heeft beoogd slechts evidente vormen van hinder of gevaar aan te pakken (Kamerstukken II1990\u002F91, 22030 en ECLI:NL:PHR:2015:2447, r.o. 4.6). De opvatting dat de bestuurder van een motorrijtuig die daarmee rijdt over een voorrangsweg, er – behoudens bijzondere gevallen – op mag vertrouwen dat het verkeer dat deze voorrangsweg kruist, voor hem of haar de doorgang vrij laat of (tijdig) vrij maakt, ook indien hij of zij met een veel hogere dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid de betreffende kruising is genaderd dan wel is opgereden, is bovendien in haar algemeenheid onjuist (ECLI:NL:HR:2004:AO6452, r.o. 3.4).\n\nHet hof stelt vast dat op 7 juni 2024 op [adres 2] in Amsterdam een verkeersongeval heeft plaatsgevonden. De verdachte was de bestuurder van een personenauto. Hij sloeg linksaf om een parkeergarage in te rijden, waarbij een hem tegemoetkomende motorrijder tegen zijn auto is gebotst. De motorrijder heeft als gevolg daarvan diverse botbreuken opgelopen. De verdachte heeft verklaard dat hij zich bewust was van de onoverzichtelijke verkeerssituatie, onder meer door de tussengelegen trambaan, en dat hij om die reden goed om zich heen heeft gekeken en zijn snelheid heeft aangepast. De verdachte heeft verder verklaard dat hij de motorrijder niet heeft zien aan komen rijden.\n\nDe vraag die het hof moet beantwoorden is of de verdachte zich hiermee schuldig heeft gemaakt aan het veroorzaken van gevaar of hinder op de weg als bedoeld in artikel 5 WVW. In dat verband overweegt het hof dat uit door de verdediging ingebrachte rapportages blijkt dat de motorrijder kort voor de botsing zijn snelheid heeft verhoogd van 50 km\u002Fu naar 73 km\u002Fu. Een van de getuigen heeft verklaard dat hij het geluid van een accelererende motor hoorde en zag dat de motorfiets harder ging rijden. Op de camerabeelden is (aan de hand van de koplamp) te zien dat de motorfiets enkele seconden vóór de botsing omhoogkomt. Het hof stelt dan ook vast dat de motorrijder kort voor de botsing aanzienlijk harder reed dan ter plaatse toegestaan. De verdachte heeft als verkeersdeelnemer weliswaar de verantwoordelijkheid om rekening te houden met het verkeersgedrag van anderen, ook als dat gedrag een overtreding van de verkeersregels inhoudt, maar met een dermate grote overschrijding van de maximumsnelheid door de motorrijder had de verdachte naar het oordeel van het hof geen rekening kunnen en hoeven houden. Daar komt bij dat diezelfde verantwoordelijkheid ook voor de motorrijder heeft te gelden en dat hij, in tegenstelling tot de verdachte, zijn rijgedrag niet had aangepast op de voor hen beiden onoverzichtelijke verkeerssituatie met veel in- en uitrijdend en overstekend verkeer.\n\nHet hof is, alles afwegende en mede gelet op de hiervoor vooropgestelde uitgangspunten, van oordeel dat onder deze omstandigheden niet kan worden gesproken van evident gevaarlijk rijgedrag van de zijde van de verdachte, zodat de verdachte zich niet schuldig heeft gemaakt aan het veroorzaken van gevaar of hinder op de weg als bedoeld in artikel 5 WVW. De verdachte moet daarom van het primair tenlastegelegde worden vrijgesproken.\n\nBewijsoverweging ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde\n\nDe raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte primair moet vrijgesproken van het subsidiair tenlastegelegde en subsidiair moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege afwezigheid van alle schuld, omdat van het niet verlenen van voorrang als bedoeld artikel 18 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV) geen sprake is als de motorrijder zich aan de maximumsnelheid had gehouden.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof heeft hiervoor vastgesteld dat de verdachte geen voorrang heeft verleend aan de motorrijder, terwijl hij dat wel had moeten doen. De omstandigheid dat de motorrijder te hard heeft gereden maakt dat niet anders. Voor een beroep op afwezigheid van alle schuld is geen ruimte. Het subsidiair tenlastegelegde betreft een overtreding, waarbij schuld in de zin van verwijtbaarheid geen rol speelt. Alleen in het geval de verdachte in het geheel geen verwijt te maken zou zijn, zou sprake kunnen zijn van afwezigheid van alle schuld, maar dat is in deze zaak niet aan de orde.\n\nHet hof acht aldus wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte artikel 18 RVV heeft overtreden.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\nsubsidiairhij op 7 juni 2024 te Amsterdam, als bestuurder van een personenauto op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, [adres 2], bij het afslaan naar links teneinde een parkeergelegenheid, gelegen aan [adres 2], in te rijden, een hem op dezelfde weg tegemoetkomende bestuurder van een motorfiets niet heeft laten voorgaan, waarbij letsel aan personen, te weten [slachtoffer], is ontstaan en schade aan goederen is toegebracht.\n\nHetgeen subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.\n\nHet bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nGeen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.\n\nHet subsidiair bewezenverklaarde levert op:\n\novertreding van het bepaalde bij artikel 18, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het subsidiair bewezenverklaarde uitsluit.\n\nOplegging van straf\n\nDe kantonrechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg primair bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 250,00, subsidiair 5 dagen hechtenis.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.\n\nDe raadsman heeft bij een bewezenverklaring verzocht de verdachte een geldboete op te leggen die hoger is dan € 250,00, zodat de verdachte eventueel cassatie kan instellen.\n\nHet hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.\n\nDe verdachte heeft als bestuurder van een personenauto een verkeersovertreding begaan door linksaf te slaan en daarbij een tegemoetkomende motorrijder geen voorrang te verlenen. De motorrijder is op de auto van de verdachte gebotst en heeft als gevolg daarvan diverse botbreuken opgelopen en langere tijd moeten revalideren. Het ongeval heeft voor hem zowel fysiek als mentaal veel impact gehad, zoals ook blijkt uit zijn schriftelijke slachtofferverklaring.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van hetgeen de verdachte met betrekking tot zijn persoonlijke omstandigheden ter terechtzitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht. De verdachte heeft zijn leven goed op de rit en van bijzonderheden is niet gebleken, anders dan dat hij sinds het ongeval extra oplettend is in het verkeer.\n\nHet hof heeft bij het bepalen van de straf rekening gehouden met de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd en acht, alles afwegende, een geldboete van na te melden hoogte passend en geboden.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe op te leggen straf is gegrond op artikelen 18 en 92 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en de artikelen 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nTen aanzien van het onder subsidiair bewezenverklaarde\n\nVeroordeelt de verdachte tot een geldboetevan€ 350,00 (driehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door3 (drie) dagen hechtenis.\n\nDit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D.A.C. Koster, mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg en mr. P.H.M. Kuster, in tegenwoordigheid van mr. L. van Dijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van\n\n5 juni 2026.\n\nMr. P.H.M. Kuster is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.\n\n=========================================================================\n\nproces-verbaal uitspraak\n\n_______________________________________________________________ _ _\n\nGERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nafdeling strafrecht\n\nparketnummer: 23-001704-25\n\nProces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, op 5 juni 2026.\n\nTegenwoordig zijn:\n\nmr. H.A. van Eijk, raadsheer,\n\nC. Tomopawiro, griffier.\n\nHet openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. D. Kruimel, advocaat-generaal.\n\nDe raadsheer doet de zaak tegen de verdachte [verdachte] uitroepen.\n\nDe verdachte is wel \u002F nietin de zaal van de terechtzitting aanwezig.\n\nRaadsman is wel \u002F nietaanwezig.\n\n(zo ja:) naam raadsman\u002Fraadsvrouw en plaats:\n\nDe raadsheer spreekt het arrest uit.\n\nDe raadsheer geeft de verdachte kennis, dat daartegen binnen 14 dagen na heden beroep in cassatie kan worden ingesteld. (indien de VTE is verschenen)\n\nWaarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer en de griffier is vastgesteld en ondertekend.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1802","2026-07-13T00:29:29.167Z",{"id":185,"ecli":186,"slug":187,"caseNumber":44,"courtId":188,"decisionDate":189,"fullText":190,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":191,"sourceTimestamp":67,"parsedAt":52,"updatedAt":192},"1560","ECLI:NL:RBNNE:2026:2605","ecli-nl-rbnne-2026-2605",80,"2026-06-15T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Assen\n\nBestuursrecht\n\nbeschikkingsnummer: 273563499\n\nzaaknummer: 12012878 BU VERZ 25-2551\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van15 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [betrokkene] (de betrokkene),\n\ndie woont in [woonplaats] .\n\nInleiding\n\n1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘een voertuig parkeren waar dat niet mag (bord E1, parkeerverbod(szone))’, verricht op 19 april 2025, om 14:24 uur, op de Noordersingel in Assen, met een personenauto, met kenteken [kenteken] . De opgelegde boete bedraagt € 129,00 (inclusief administratiekosten).\n\n1.1.. Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.\n\n1.2.. \n\nDe kantonrechter heeft het beroep op 15 juni 2026 op de zitting behandeld. Daarbij waren aanwezig: betrokkene en als vertegenwoordiger van de officier van justitie\n\nmr. K. Kattick.\n\n1.3.. Na afloop van de zitting heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.Beoordeling door de kantonrechter\n\nStandpunten\n\n2. Betrokkene stelt zich op het standpunt dat de boete vernietigd moet worden. Hij heeft geparkeerd op het terrein van de rechtbank en daar mogen geen boetes uitgedeeld worden, omdat het privéterrein is. Hij was zich van geen kwaad bewust dat hij daar niet mocht parkeren als het gebouw gesloten is.\n\n3. De vertegenwoordiger stelt zich op het standpunt dat het beroep ongegrond verklaard moet worden. Het terrein van de rechtbank is voor het verkeer openbaar toegankelijk. Dit terrein valt daarom onder de reikwijdte van de parkeerverbodszone.\n\nBeslissing\n\n4. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep ongegrond is. Hij zal hierna uitleggen waarom hij dat doet.\n\nOverwegingen\n\n5. Betrokkene betwist de verkeersovertreding. In zaken op grond van de Wahv is de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht in beginsel voldoende voor het vaststellen van de verkeersovertreding, tenzij concrete omstandigheden worden aangevoerd die aanleiding geven tot twijfel.\n\n5.1.. Op een privéterrein mag wel een boete opgelegd worden als dit terrein een voor het openbaar verkeer openstaande weg is.Hierbij is van belang of het terrein feitelijk voor het openbaar verkeer openstaat.Het terrein naast de rechtbank is een openbaar terrein waartoe de toegang niet wordt ontzegd door bijvoorbeeld een hek.Hierdoor valt dit terrein onder de parkeerverbodszone en mag er wel een boete worden opgelegd voor het parkeren op dit terrein. Het maakt verder ook niet uit dat de rechtbank op dat moment gesloten was.\n\nConclusie\n\nDe kantonrechter verklaart het beroep ongegrond.\n\nWaarvan proces-verbaal,\n\nmr. M. Hidding, griffier mr. C.H. de Groot, kantonrechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nAls u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het\n\ngerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:\n\na. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of\n\nb. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.\n\nHet (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.\n\nDe wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.\n\n Hof Arnhem-Leeuwarden 14 december 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:10767.\n\n Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.\n\n Hof Arnhem-Leeuwarden 14 december 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:10767.\n\n Hof Arnhem-Leeuwarden 22 augustus 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:7240.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2605","2026-07-13T00:29:27.164Z",{"id":194,"ecli":195,"slug":196,"caseNumber":44,"courtId":188,"decisionDate":189,"fullText":197,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":198,"sourceTimestamp":67,"parsedAt":52,"updatedAt":199},"1558","ECLI:NL:RBNNE:2026:2604","ecli-nl-rbnne-2026-2604","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Assen\n\nBestuursrecht\n\nbeschikkingsnummer: 274337795\n\nzaaknummer: 12012851 BU VERZ 25-2548\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van15 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [betrokkene] (de betrokkene),\n\ndie woont in [woonplaats] .\n\nInleiding\n\n1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘als bestuurder van een voertuig rijden terwijl hij wordt gehinderd door passagiers, lading of op andere wijze’, verricht op 31 mei 2025, om 12:03 uur, op de Rijksweg (A28) in Ubbena, met een personenauto, met kenteken [kenteken] . De opgelegde boete bedraagt € 319,00 (inclusief administratiekosten).\n\n1.1.. Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.\n\n1.2.. \n\nDe kantonrechter heeft het beroep op 15 juni 2026 op de zitting behandeld. Daarbij waren aanwezig: betrokkene en als vertegenwoordiger van de officier van justitie\n\nmr. K. Kattick.\n\n1.3.. Na afloop van de zitting heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.\n\nBeoordeling door de kantonrechter\n\nStandpunten\n\n2. Betrokkene stelt zich op het standpunt dat de boete vernietigd moet worden. Er is geen wettelijke verplichting om de hond uitsluitend in een bench te vervoeren. De hond zat op de bijrijdersstoel in een hondengordel en hij gedroeg zich rustig.\n\n3. De vertegenwoordiger stelt zich op het standpunt dat de boete vernietigd moet worden. Uit het dossier volgt niet dat de verkeersovertreding heeft plaatsgevonden. Het is niet wettelijk expliciet verboden om een hond op de bijrijdersstoel met een riem te vervoeren.\n\nBeslissing\n\n4. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep gegrond is en hij zal de boete vernietigen. De kantonrechter zal hierna uitleggen waarom hij dat doet.\n\nOverwegingen\n\n5. Betrokkene betwist de verkeersovertreding. In zaken op grond van de Wahv is de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht in beginsel voldoende voor het vaststellen van de verkeersovertreding, tenzij concrete omstandigheden worden aangevoerd die aanleiding geven tot twijfel.\n\n5.1.. De verkeersovertreding kan niet vastgesteld worden. Uit de verklaring van de verbalisant blijkt niet dat betrokkene gehinderd werd door passagiers, lading of op een andere wijze. Daar komt bij dat er geen wettelijke regel is die expliciet verbiedt om een hond op de bijrijdersstoel met een riem te vervoeren. De kantonrechter ziet daarom aanleiding om de boete te vernietigen.\n\nConclusie\n\nDe kantonrechter:\n\nverklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond;\n\nvernietigt die beslissing;\n\nverklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond;\n\nvernietigt die inleidende beschikking;\n\nbepaalt dat betrokkene het bedrag van de zekerheidstelling terugkrijgt.\n\nWaarvan proces-verbaal,\n\nmr. M. Hidding, griffier mr. C.H. de Groot, kantonrechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nAls u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het\n\ngerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:\n\na. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of\n\nb. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.\n\nHet (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.\n\nDe wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2604","2026-07-13T00:29:27.088Z",{"id":201,"ecli":202,"slug":203,"caseNumber":44,"courtId":188,"decisionDate":189,"fullText":204,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":205,"sourceTimestamp":67,"parsedAt":52,"updatedAt":206},"1561","ECLI:NL:RBNNE:2026:2606","ecli-nl-rbnne-2026-2606","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Assen\n\nBestuursrecht\n\nbeschikkingsnummer: 271623182\n\nzaaknummer: 12012881 BU VERZ 25-2552\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van15 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [betrokkene] (de betrokkene),\n\ndie woont in [woonplaats] .\n\nInleiding\n\n1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘voertuig voorzien van voorziening die bij botsing kans op lichamelijk letsel aan anderen aanzienlijk vergroten’, verricht op 23 januari 2025, om 14:58 uur, op de Rondweg in Emmen, met een personenauto, met kenteken [kenteken] . De opgelegde boete bedraagt € 309,00 (inclusief administratiekosten).\n\n1.1.. Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.\n\n1.2.. De kantonrechter heeft het beroep op 15 juni 2026 op de zitting behandeld. Daarbij was aanwezig als vertegenwoordiger van de officier van justitie mr. K. Kattick.\n\n1.3.. Na afloop van de zitting heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.\n\nBeoordeling door de kantonrechter\n\nStandpunten\n\n2. Betrokkene stelt zich op het standpunt dat de boete vernietigd moet worden. De spoiler op betrokkenes auto heeft geen scherpe delen en het steekt ook niet uit. De spoiler is namelijk afgewerkt en gemaakt van rubber. Daar komt bij dat de spoiler niet breder is dan zijn spiegels en niet verder uitsteekt dan zijn trekhaak. Daarnaast is de feitcode veranderd naar het hebben van voorzieningen die de kans op letsel vergroten. Het is raar dat een boete ineens kan veranderen van het hebben van scherpe delen naar het hebben van voorzieningen aan de voorkant van zijn auto.\n\n3. De vertegenwoordiger stelt zich op het standpunt dat de boete vernietigd moet worden. De verkeersovertreding kan niet vast worden gesteld, omdat uit het dossier niet blijkt dat betrokkenes auto een voorziening op de voorkant had die de kans op letsel bij een botsing kan vergroten.\n\nBeslissing\n\n4. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep gegrond is en hij zal de boete vernietigen. Hij zal hierna uitleggen waarom hij dat doet.\n\nOverwegingen\n\n5. De officier van justitie heeft de feitcode gewijzigd naar het hebben van voorziening aan de voorzijde van de auto die de kans op letsel bij een botsing kan vergroten. De verbalisant heeft in het zaakoverzicht verklaard dat de spoiler breder was dan het voertuig. De verklaring van de verbalisant gaat niet over de voorkant van het voertuig maar over de achterkant. Daar komt bij dat ook uit de foto niet blijkt dat er sprake was van een voorziening aan de voorkant van de auto. De verkeersovertreding kan daarom niet vastgesteld worden op basis van de gegevens in het zaakoverzicht. De kantonrechter ziet aanleiding om de boete te vernietigen.\n\nConclusie\n\nDe kantonrechter:\n\nverklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond;\n\nvernietigt die beslissing;\n\nverklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond;\n\nvernietigt die inleidende beschikking;\n\nbepaalt dat betrokkene het bedrag van de zekerheidstelling terugkrijgt.\n\nWaarvan proces-verbaal,\n\nmr. M. Hidding, griffier mr. C.H. de Groot, kantonrechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nAls u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het\n\ngerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:\n\na. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of\n\nb. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.\n\nHet (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.\n\nDe wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2606","2026-07-13T00:29:27.205Z",32,20,[11,210,211,212],2025,2024,2023]