[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-social-housing-nl-2026":3},{"detail":4,"years":71},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":19,"page":14,"limit":70},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},141,"social-housing-nl","Social Housing","NL","2026-07-08T16:58:35.899Z",2026,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":15},4,{"month":23,"count":15},5,{"month":25,"count":19},6,{"month":27,"count":15},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":15},12,[39,53,63],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"1078","ECLI:NL:RBOVE:2026:3796","ecli-nl-rbove-2026-3796","",57,"2026-06-23T00:00:00.000Z","RECHTBANKOVERIJSSEL\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nZaaknummer: 12124292 \\ CV EXPL 26-718\n\nVonnis van 23 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nWONINGSTICHTING SALLANDWONEN,\n\nte Raalte,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: SallandWonen,\n\ngemachtigde: BJK Gerechtsdeurwaarders Incassospecialisten,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nte [woonplaats 1] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\ngemachtigde: mr. S. de Vaal.\n\nDe zaak in het kort\n\nSallandWonen vordert ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming van de woning en betaling van een huurachterstand van € 4.525,96. De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] de huurachterstand erkent en dat deze ten tijde van de dagvaarding zes maanden bedroeg. Hoewel de achterstand is ontstaan door de intrekking van zijn bijstandsuitkering, is deze ernstig genoeg om ontbinding en ontruiming te rechtvaardigen. De vorderingen van SallandWonen worden daarom toegewezen.\n\n1. De procedure\n\n1.1. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding - de conclusie van antwoord.\n\n1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1. SallandWonen verhuurt met ingang van 23 oktober 2024 aan [gedaagde] de woning aan het adres [adres] in [woonplaats 1] (hierna: het gehuurde). De huur bedraagt € 753,65 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd. Op deze huurovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing.\n\n2.2. \n [gedaagde] heeft (een deel van) de huur niet betaald. SallandWonen heeft [gedaagde] aangemaand onder andere op 9 september 2025 om aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen.\n\n2.3. SallandWonen heeft [gedaagde] schriftelijk gewezen op de mogelijkheid van schuldhulpverlening bij betalingsachterstanden. [gedaagde] heeft daarop niet afwijzend gereageerd. SallandWonen heeft [gedaagde] daarna bij de gemeente aangemeld in het kader van vroegsignalering.\n\n3. Het geschil\n\n3.1. SallandWonen vordert – samengevat – ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde en betaling van € 4.525,96 aan huurachterstand met nevenvorderingen.\n\n3.2. SallandWonen legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde] is in zijn verplichtingen als huurder tekortgeschoten, door niet (volledig) aan zijn betalingsverplichting te voldoen. De hoogte van de huurachterstand rechtvaardigt volgens SallandWonen de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde.\n\n3.3. \n [gedaagde] heeft bij conclusie van antwoord aangegeven dat de problemen zijn ontstaan door de intrekking van zijn bijstandsuitkering. In dit kader lopen er nog diverse procedures. [gedaagde] refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.\n\n3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1. De kantonrechter heeft vastgesteld dat SallandWonen heeft voldaan aan de informatieplicht en de meldplicht als bedoeld in artikel 2 van Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening.\n\n4.2. \n [gedaagde] erkent de huurachterstand, maar geeft aan dat deze door omstandigheden is ontstaan. Door de intrekking van zijn bijstandsuitkering kon [gedaagde] niet aan zijn betalingsverplichting voldoen. De conclusie uit het voorgaande is dat er berekend tot en met februari 2026 sprake is van een huurachterstand van € 4.525,96. Dit gedeelte van de vordering zal worden toegewezen.\n\n4.3. Over de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde overweegt de kantonrechter als volgt. De huurder is verplicht om de huur op tijd en volledig te betalen. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.De kantonrechter wijst een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst alleen toe als de huurachterstand ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen. Vaak zal een achterstand van meer dan drie maanden genoeg zijn, maar de kantonrechter moet alle omstandigheden afwegen. Van belang is bijvoorbeeld ook of de huur weer wordt betaald en of de achterstand (deels) is ingelopen.\n\n4.4. Op het moment van dagvaarden bedroeg de huurachterstand zes maanden. De huurachterstand is daarom ernstig genoeg om de huurovereenkomst te ontbinden.\n\nMinderjarige kinderen\n\n4.5. In een procedure tot ontruiming van een woning behoort tot de relevante omstandigheden van het geval of er kinderen in de woning wonen. Als dat zo is, dan moeten de belangen van deze kinderen in kaart worden gebracht.Bij de beoordeling of de tekortkoming van de huurder ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt moeten deze belangen als ‘eerste overweging’ in aanmerking worden genomen.Dat betekent niet dat een ontruimingsvordering steeds moet worden afgewezen indien het in het belang van de betrokken kinderen is dat zij in het gehuurde kunnen blijven wonen, maar wel dat die belangen bijzonder gewicht in de schaal leggen.\n\n4.6. Volgens de gegevens uit de Basisregistratie Personen staan op het adres van het gehuurde twee minderjarige kinderen ingeschreven. Naar aanleiding hiervan heeft de verhuurder contact opgenomen met het Centrum voor Jeugd en Gezin [plaats 1]. Daaruit is gebleken dat de kinderen, hoewel zij op het adres van het gehuurde staan ingeschreven, feitelijk bij hun moeder in [plaats 2] wonen. Zij verblijven daar structureel en gaan daar ook naar school. [gedaagde] heeft deze feiten erkend.\n\n4.7. De gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst zal op grond van het voorgaande worden toegewezen. [gedaagde] zal worden veroordeeld het gehuurde te ontruimen op een termijn van veertien dagen na betekening van het vonnis. De kantonrechter is van oordeel dat dit een redelijke termijn is om aan de veroordeling te voldoen.\n\n4.8. SallandWonen wil ook dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot het betalen van een maandelijks bedrag van € 753,65, te rekenen vanaf de maand maart 2026 tot het moment dat [gedaagde] het gehuurde ontruimt. Dit is de huurprijs per maand en na het ontbinden van de huurovereenkomst is dit een gebruiksvergoeding voor de tijd dat [gedaagde] nog in het gehuurde verblijft. Deze vordering zal worden toegewezen.\n\nBuitengerechtelijke incassokosten en rente\n\n4.9. De huurovereenkomst is gesloten met een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93\u002F13\u002FEEG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). De voor de vordering relevante bedingen in artikel 13.1 tot en met 13.3 van de Algemene Huurvoorwaarden zijn getoetst en niet oneerlijk bevonden.\n\n4.10. SallandWonen vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is. Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. SallandWonen heeft aan [gedaagde] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Daarom zal een bedrag van € 522,94 worden toegewezen.\n\n4.11. \n [gedaagde] is te laat met het betalen van de verschillende huurtermijnen en dus zal de gevorderde wettelijke rente over de huurachterstand worden toegewezen.\n\nProceskosten\n\n4.12. \n [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van SallandWonen worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n153,96\n\n- griffierecht\n\n€\n\n559,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n360,00\n\n(1 punt × € 360,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\nTotaal\n\n€\n\n1.216,96\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1. ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan het adres [adres] in [woonplaats 1] ,\n\n5.2. veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van SallandWonen zijn, en de sleutels af te geven aan SallandWonen,\n\n5.3. veroordeelt [gedaagde] om te betalen aan SallandWonen:\n\n- € 4.525,96 aan achterstallige huur tot en met februari 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente over de verschuldigde huurtermijnen, telkens te rekenen vanaf de vervaldata van die huurtermijnen tot de dag van voldoening,\n\n- € 753,65 per maand vanaf 1 maart 2026 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden,\n\n5.4. veroordeelt [gedaagde] om aan SallandWonen te betalen een bedrag van € 522,94 aan buitengerechtelijke kosten,\n\n5.5. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.216,96, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.6. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026. (jb)\n\n Artikel 6:265 BW.\n\n HR 28 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1810)\n\n HR 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1799.\n\n Artikel 3 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3796","2026-07-04T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:02.979Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":51,"updatedAt":62},"1566","ECLI:NL:RBAMS:2026:5665","ecli-nl-rbams-2026-5665",56,"2026-06-10T00:00:00.000Z","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: AMS 25\u002F6463\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiseres], uit [woonplaats], eiseres\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. J.H.G. van den Boorn).\n\nSamenvatting\n\n1.1.. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een urgentieverklaring. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.\n\n1.2.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de aanvraag voor een urgentieverklaring mocht afwijzen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2.1.. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 30 mei 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 9 oktober 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.\n\n2.2.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.3.. De rechtbank heeft het beroep op 13 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van verweerder. Eiseres heeft zich afgemeld voor de zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3.1.. Eiseres heeft in deze procedure veel (aanvullende) gronden ingediend. De rechtbank stelt voorop dat uit vaste rechtspraak blijkt dat bestuursrechters niet op alle aangevoerde gronden en argumenten hoeven in te gaan, maar zich mogen beperken tot de kern daarvan.In lijn hiermee gaat de rechtbank niet op alles wat door eiseres is aangevoerd in, maar beperkt zich tot wat bepalend is voor het haar oordeel. De rechtbank beoordeelt of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet valt onder de medische urgentiecategorie en de sociale urgentiecategorie ‘geweld of ernstige bedreiging’. Ook beoordeelt de rechtbank of verweerder de hardheidsclausule terecht niet heeft toegepast.\n\n3.2.. Eiseres stelt dat aan haar een urgentieverklaring op medische gronden zou moeten worden verleend. Zij heeft psychische problemen door trauma’s en is hiervoor onder behandeling van een psycholoog. Verder stelt eiseres dat er aan haar een urgentieverklaring op sociale gronden kan worden verleend omdat zij te maken heeft met de dreiging van eer gerelateerd geweld door haar ex-partner. Tot slot doet eiseres een beroep op de hardheidsclausule en het evenredigheidsbeginsel.\n\nMedische urgentie\n\n4.1.. Voor alleenstaanden geldt dat een urgentieverklaring alleen kan worden verleend in geval van ernstige en chronische medische problematiek, gerelateerd aan de woonsituatie en die levensontwrichtend van aard is, waardoor hij\u002Fzij niet meer in staat is om zelfstandig te functioneren.Bij psychische problematiek geldt als extra voorwaarde dat de aanvrager op het moment van de aanvraag minimaal zes maanden onder behandeling moet zijn bij een specialistische tweedelijns GGZ instelling of psychiater.De achterliggende gedachte van die voorwaarde is dat deze periode minimaal nodig is om een goed beeld te vormen van de ernst van de psychische klachten en de benodigde behandeling daarvan.\n\n4.2.. \n\nDe rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiseres niet aan de voorwaarden voor een medische urgentieverklaring voldoet. Uit de stukken die eiseres in de gehele procedure heeft overgelegd blijkt niet dat eiseres minimaal zes maanden onder behandeling was (en is) voor haar psychische problemen. Ook blijkt niet dat bij deze psychische problemen sprake is van een ernstige en chronische medische problematiek die levensontwrichtend is en waarvoor met spoed een zelfstandige woning nodig is. Uit het dossier blijkt dat eiseres op 27 januari 2025 een intake had bij [bedrijf]. Vervolgens blijkt uit de brief van GZ-psycholoog [naam] van 6 februari 2025 dat eiseres op dat moment in behandeling is maar dat de behandeling niet kan worden voortgezet vanwege de instabiele situatie van eiseres. De behandeling zal pas worden hervat als er meer stabiliteit in het dagelijks leven van eiseres is gerealiseerd. Vervolgens blijkt uit de e-mail van 8 oktober 2025 dat het dossier van eiseres voorlopig wordt gesloten. Gelet op het voorgaande voldeed eiseres tijdens de aanvraag en tijdens de beslissing op bezwaar niet aan de voorwaarde dat de psychische problemen aantoonbaar chronisch zijn en eiseres minimaal zes maanden onder behandeling was van een tweedelijns GGZ instelling of psychiater. Voor wat betreft de lichamelijke aandoeningen, zoals de traag werkende schildklier, heeft eiseres onvoldoende stukken overgelegd waaruit blijkt dat deze aandoening levensontwrichtend is. De huisarts heeft in 2025 geadviseerd dit medicamenteus te behandelen en er zijn geen aanknopingspunten dat deze aandoening dermate ernstig is dat hiervoor een medische\n\nurgentieverklaring noodzakelijk is.\n\nSociale urgentie\n\n5.1.. \n\nUit artikel 13 van de Nadere regels volgt dat een urgentieverklaring op sociale gronden wegens bedreiging of geweld alleen kan worden verkregen indien de aanvrager zijn of haar woning als gevolg van een levensbedreigende situatie door stelselmatig geweld of bedreiging acuut heeft moeten verlaten. Ook moet de levensbedreigende situatie blijken\n\nuit een proces-verbaal en een verklaring van de politie waaruit blijkt dat de aanvrager vanwege veiligheidsredenen niet langer in zijn of haar eigen woning kan verblijven, ook niet na een opgelegd straat- of contactverbod.\n\n5.2.. \n\nDe rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet valt onder de sociale urgentiecategorie ‘geweld of ernstige bedreiging’. Eiseres beschikt niet over een eigen zelfstandige woning. Ook heeft eiseres onvoldoende concreet duidelijk gemaakt dat er sprake was van ernstige bedreiging en geweld, dat dit stelselmatig was en dat zij ten gevolge hiervan de woning van haar moeder acuut heeft moeten verlaten. Dat er sprake is geweest van een levensbedreigende situatie blijkt niet uit een proces-verbaal van de politie. Ook heeft eiseres geen beroep gedaan op voorliggende voorzieningen en is er geen verklaring van de politie waaruit blijkt dat\n\neiseres uit veiligheidsoverwegingen niet langer in de woning van haar moeder kan verblijven overgelegd. De rechtbank begrijpt dat het voor eiseres moeilijk kan zijn om aangifte te doen en verdere stappen te ondernemen zoals vereist om op deze gronden in aanmerking te komen voor een urgentieverklaring maar daar tegenover staat dat verweerder niet slechts af hoeft te gaan op de verklaringen van eiseres, zonder objectieve onderbouwing daarvan met stukken van bijvoorbeeld de politie. Onbekend blijft wat de gestelde bedreigingen en het geweld concreet en feitelijk hebben behelsd en waar en wanneer dit precies heeft plaatsgevonden en of dit stelselmatig was.\n\nHardheidsclausule\n\n6.1.. Op grond van artikel 2.10.11 van de Hvv kan een woningzoekende, indien toepassing van deze verordening zou leiden tot weigering van een urgentieverklaring, alsnog in aanmerking komen voor een urgentieverklaring wanneer de weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie en er sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening onvoorziene, omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn. Uit artikel 25 van de Nadere regels volgt dat het bij medische problematiek moet gaan om een uitzonderlijke noodsituatie en dat sprake moet zijn van een acuut levensbedreigend probleem.\n\n6.2.. \n\nDe rechtbank begrijpt dat eiseres zich in een lastige (woon)situatie bevindt en dat deze situatie niet bevorderlijk is voor het herstel van haar psychische klachten. Hoewel dit door eiseres wellicht niet zo zal worden ervaren, is deze situatie helaas in Amsterdam niet dusdanig bijzonder. Het komt vaker voor dat woningzoekenden met psychische klachten, vaak ook met (vermoeden van) PTSS zoals ook het geval bij eiseres, te maken hebben met\n\nuitgestelde behandeling vanwege de woonsituatie. Dit is niet dermate uniek, bijzonder en\n\nschrijnend dat dit toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigt. Verweerder was daarom niet gehouden om alsnog een urgentieverklaring te verlenen op grond van bijzondere hardheid.6.3.. \n\nDaarnaast weegt de rechtbank bij het beroep op de hardheidsclausule mee dat eiseres op basis van haar opgebouwde woonpunten kansrijk is bij het vinden van een\n\nwoning. Eiseres heeft inmiddels 10 wachtpunten en 29 zoekpunten. Verweerder heeft in het verweerschrift toegelicht dat het met 39 woonpunten heel goed mogelijk moet zijn om op eigen kracht een woning te vinden, mits eiseres gericht zoekt naar geschikte woningen. Verweerder heeft hierbij aangegeven dat eiseres kort na het betreden besluit, in december 2025, gereageerd heeft op een eenkamerwoning van 23 m2 aan de [adres] en hierbij eerste kandidaat was. Eiseres had deze woning dus kunnen\n\ngaan huren maar heeft dit geweigerd. Wat de precieze reden van de woningweigering is geweest is niet duidelijk, maar eiseres had haar huisvestingsprobleem kunnen oplossen door deze woning te accepteren. Van strijd met het evenredigheidsbeginsel is derhalve ook geen sprake.\n\n6.4.. Tot slot merkt de rechtbank op dat deze procedure alleen gaat over een urgentieverklaring en daarmee over het verkrijgen van een woning. De rechtbank ziet echter in het dossier dat eiseres op veel gebieden geen gemakkelijk leven heeft en graag hulp wil. Zij heeft ook bij diverse instanties aangeklopt voor hulp. Met name bij Veilig Thuis, de Blijfgroep en de maatschappelijke opvang. Eiseres heeft zich daar onvoldoende gehoord gevoeld en heeft niet de zorg en hulp gekregen die zij wenste. Dit valt te betreuren. Anderzijds constateert de rechtbank ook dat eiseres op een gegeven moment niet meer verder geholpen wilde worden door beide instanties, hoewel deze wel hulp bleven aanbieden. Eiseres heeft moeite met het vertrouwen van instanties en wil instanties niet mondeling te woord staan. Op de zitting heeft verweerder toegelicht dat eiseres zich nog steeds kan melden voor hulp, bijvoorbeeld in het kader van maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning. Het is hiervoor echter wel noodzakelijk dat eiseres een aanvraag doet en naar (mondelinge) afspraken komt. Om eiseres te kunnen helpen, is het namelijk belangrijk dat zij haar situatie in persoon komt toelichten. De rechtbank wil eiseres daarom meegeven dat het belangrijk is dat zij, eventueel met een begeleider, naar afspraken van instanties gaat, zodat zij de hulp kan krijgen die ze nodig heeft.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de aanvraag voor een urgentieverklaring heeft mogen weigeren. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. J.C.M. Schilder, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 10 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6005.\n\n Artikel 2.10.8, eerste lid, onder b, van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2024 (Hvv).\n\n Paragraaf 11 van de Nadere regels Huisvestingsverordening Amsterdam 2024 (de Nadere regels).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:5665","2026-06-05T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:27.435Z",{"id":64,"ecli":65,"slug":66,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":61,"fullText":67,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":68,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":51,"updatedAt":69},"1564","ECLI:NL:RBAMS:2026:5662","ecli-nl-rbams-2026-5662","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: AMS 26\u002F307\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. T. Mustafazade),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. U. Tasdelen).\n\nSamenvatting\n\n1.1.. Deze uitspraak gaat over de verlening van een urgentieverklaring aan eiseres. Eiseres is het op een aantal punten niet eens met de verleende urgentieverklaring. Zij voert daartoe beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verlening van de urgentieverklaring.\n\n1.2.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2.1.. Eiseres heeft op 26 mei 2025 een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 1 september 2025 toegewezen op grond van maatwerk. Met het bestreden besluit van 9 december 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.\n\n2.2.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.3.. \n\nDe rechtbank heeft het beroep op 29 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft alleen de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiseres en de gemachtigde van eiseres waren niet aanwezig. De rechtbank heeft de zaak behandeld en het onderzoek gesloten. Op 30 april 2026 heeft de gemachtigde van eiseres de rechtbank laten weten dat zij niet op de hoogte was van de zitting van 29 april 2026 omdat zij geen zittingsuitnodiging had ontvangen. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens heropend en het beroep op\n\n13 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nTotstandkoming van het bestreden besluit\n\n3.1.. Eiseres is een 43-jarige alleenstaande vrouw. Eiseres heeft één minderjarig kind, geboren op [geboortedag] 2014 (11 jaar) en twee meerderjarige kinderen. Eiseres staat sinds 23 oktober 2015 ingeschreven op het adres [adres] . Het betreft een vijfkamerwoning van 125 vierkante meter. De woning heeft twee woonlagen en is gelegen op de begane grond. Op 26 mei 2025 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor een veiligheidsurgentie. Bij de aanvraag heeft eiseres aangegeven dat er tussen 15 januari 2025 en 13 mei 2025 vijf explosies hebben plaatsgevonden bij haar woning en dat de burgemeester met het besluit van 16 mei 2025 de woning met onmiddellijke ingang heeft gesloten voor de duur van drie maanden.\n\n3.2.. Op 25 augustus 2025, heeft eiseres een urgentieverklaring aangeboden gekregen voor een passende vierkamerwoning. Eiseres heeft deze geweigerd, omdat zij eerder per e-mail een toezegging had ontvangen voor een urgentieverklaring voor een vijfkamerwoning. Op basis van maatwerk heeft eiseres vervolgens op 1 september 2025 een nieuw besluit ontvangen met een urgentieverklaring voor een vijfkamerwoning. Op 3 september 2025 is eiseres teruggekeerd naar haar eigen woning. Het bezwaar van eiseres richt zich op het feit dat zij medische klachten heeft en geen trappen kan lopen met boodschappen. Eiseres wenst daarom etagebinding waarbij zij enkel in aanmerking komt voor een gelijkvloerse woning of een woning bereikbaar met lift. Daarnaast vindt eiseres de wachttijd voor een nieuwe woning te lang en wenst zij dat de nieuwe woning van een gelijkwaardig afwerkingsniveau is als haar huidige nieuwbouwwoning.\n\n3.3.. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat de medische situatie van eiseres niet eerder is meegenomen bij de verlening van de urgentieverklaring omdat dat tijdens de aanvraagprocedure niet is aangevoerd. Eiseres heeft de urgentieverklaring aangevraagd vanwege veiligheidsredenen. In het kader van het bezwaar heeft verweerder de medische situatie van eiseres alsnog meegewogen en beoordeeld. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiseres niet voldoet aan de aanvullende voorwaarden die zijn opgenomen in artikel 11 van de Nadere regels van de Huisvestingsverordening 2024 voor het verkrijgen van een eventuele etagebinding of een gelijkvloerse woning. De overgelegde medische informatie beschrijft weliswaar dat eiseres langdurig rugpijn ervaart, met uitstraling naar de benen en een beperkt uithoudingsvermogen, maar de arts kwalificeert deze klachten niet als ernstig of levensontwrichtend. Er ontbreekt een medische duiding van de gevolgen van deze klachten voor de dagelijkse levensvoering van eiseres. Daarnaast stelt verweerder dat een urgentie op basis van veiligheidsredenen eiseres geen snellere toewijzing van een woning oplevert. Na toekenning komt eiseres op dezelfde wachtlijst terecht als andere woningzoekenden met urgentie. Factoren zoals woninggrootte en uitgesloten wijken bepalen de wachttijd. Tot slot benadrukt verweerder in het bestreden besluit dat er op diverse vlakken coulance is getoond naar eiseres, zoals het meenemen van haar meerderjarige kinderen bij de urgentieverklaring en het toestaan van het uitsluiten van stadsdelen, maar dat verweerder niet kan tegemoetkomen aan alle wensen van eiseres. Zo kan er geen rekening worden gehouden met het afwerkingsniveau van de woning, zoals een nieuwbouwwoning.\n\nOverwegingen\n\n4. Eiseres voert in haar beroepschrift aan dat verweerder de inhoud en strekking van de overgelegde medische informatie miskent. Uit de specialistische bevindingen van de afdeling orthopedie van het OLVG volgt immers dat eiseres beperkt is in haar loopafstand, dat opwaartse belasting - waaronder traplopen - leidt tot directe toename van radiculaire pijn en dat sprake is van progressieve neurologische klachten. Traplopen vormt voor eiseres een medisch niet-uitvoerbare belasting van de lumbale wervelkolom en veroorzaakt verergering van zenuwpijn, verhoogd valgevaar en verdere beperking van haar mobiliteit. De functionele beperkingen zijn daarmee structureel en rechtstreeks van invloed op haar woonsituatie. Voor zover verweerder meent dat onvoldoende expliciet is benoemd dat sprake is van een medische noodzaak voor een gelijkvloerse woning of liftvoorziening, geldt dat behandelend specialisten hun diagnoses en bevindingen opstellen vanuit medisch inhoudelijk perspectief en niet vanuit het specifieke toetsingskader van de verordening. Het enkele feit dat een specialist niet letterlijk de terminologie van het toetsingskader hanteert, kan niet afdoen aan de objectieve medische bevindingen die de functionele beperkingen van eiseres aantonen. Indien verweerder van oordeel was dat nadere medische duiding noodzakelijk was, had het op zijn weg gelegen om eiseres op te roepen voor een onafhankelijk medisch onderzoek, bijvoorbeeld via de GGD of een andere deskundige instantie. Door dit na te laten en zonder nader onderzoek te concluderen dat geen sprake is van ernstige of structurele beperkingen, heeft verweerder gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.\n\n5. Eiseres heeft ter zitting verduidelijkt dat zij, gelet op haar problemen met traplopen, graag een woning op de begane grond of bereikbaar met lift wenst. Een woning met meerdere woonlagen, zoals bij een woning met een benedenverdieping en een bovenverdieping, is geen probleem. Eiseres kan, net als in haar huidige woning, ongeveer 15 traptreden lopen.\n\n6. De rechtbank overweegt als volgt. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State(de Afdeling) volgt dat verweerder niet de eis kan stellen dat uit de verklaring van een medische behandelaar de medische noodzaak blijkt voor een urgentieverklaring. Een verklaring waarin de arts een oordeel geeft over de patiënt en of die patiënt bijvoorbeeld in aanmerking moet komen voor een (andere) woonruimte, is een geneeskundige verklaring. Op grond van de richtlijnen van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG) mogen behandelend artsen geen geneeskundige verklaring afgeven over hun eigen patiënten. Een dergelijke verklaring kan alleen door een onafhankelijke arts worden afgegeven. Voorgaande neemt niet weg dat verweerder wel de eis kan stellen dat de aanvrager stukken, zoals bijvoorbeeld een diagnose van de behandelend arts of een afschrift van het medisch dossier, moet overleggen waaruit de ernstige en levensontwrichtende aard van het medische probleem volgt. Als een dergelijke verklaring voldoende aanknopingspunten bevat dat de medische problematiek samenhangt met het huisvestingsprobleem, ligt het in de rede dat verweerder de GGD om advies vraagt voor een onafhankelijk advies.\n\n7. In bezwaar heeft eiseres medische informatie van de afdeling orthopedie van het OLVG West van 10 september 2025 overgelegd. Hieruit blijkt dat eiseres bekend is met chronische rugklachten en een lichte scoliose. Eiseres heeft last van uitstralende pijn maar in het onderzoek zijn geen duidelijke afwijkingen geconstateerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in deze medische informatie geen aanleiding hoeven zien om de GGD om advies te vragen. Deze medische informatie bevat onvoldoende aanknopingspunten voor het vermoeden dat de medische problemen van eiseres van zodanige ernstige en levensontwrichtende aard zijn en bovendien samenhangen met haar huisvestingsprobleem, dat verweerder aan haar een indicatie voor een woning op de begane grond of een woning met lift had moeten toekennen. De stelling van eiseres dat uit de medische informatie zou volgen dat traplopen voor haar een medisch niet-uitvoerbare belasting van de lumbale wervelkolom veroorzaakt en dat traplopen een verergering van zenuwpijn, verhoogd valgevaar en verdere beperking van haar mobiliteit veroorzaakt, volgt de rechtbank niet. In de medische informatie die eiseres heeft overgelegd wordt dit namelijk niet vermeld. Er blijkt ook niet uit dat eiseres niet meer in staat is om trap te lopen of andere aanknopingspunten dat een woning op de begane grond of bereikbaar met een lift noodzakelijk is. Kortom, de medische informatie toont aan dat eiseres rugklachten heeft, maar onderbouwt onvoldoende dat een woning op de begane grond of bereikbaar met een lift noodzakelijk is.\n\n8. Daar komt bij dat verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht heeft opgemerkt dat sprake is van contra indicaties voor de stelling van eiseres dat zij niet kan traplopen. De huidige woning van eiseres heeft namelijk een trap van de benedenverdieping naar de bovenverdieping die eiseres gebruikt en waar zij geen problemen mee heeft. Daarnaast heeft eiseres in het voortraject voorafgaand aan het toekennen van de urgentieverklaring nooit aangegeven dat sprake was van medische problematiek. Eiseres heeft in een adviesgesprek bij verweerder juist aangegeven geen woning op de begane grond te wensen en dat er desgevraagd geen problemen waren met traplopen.\n\n9. Op basis van bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier onvoldoende blijkt dat eiseres (dusdanige) medische problemen heeft met traplopen dat verweerder de GGD daarover om advies had moeten vragen. Verweerder heeft dan ook terecht besloten om aan de urgentieverklaring van eiseres niet de voorwaarde voor een woning op de begane grond of bereikbaar met een lift toe te voegen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n10. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. J.C.M. Schilder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zie de uitspraken van de Afdeling van 16 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4157 en 5 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:420.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:5662","2026-07-13T00:29:27.348Z",20,[11,72,73],2025,2024]