[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-tenancy-law-nl-2025":3},{"detail":4,"years":64},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":17,"page":14,"limit":63},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},30,"tenancy-law-nl","Tenancy Law","NL","2026-07-08T16:53:14.176Z",2025,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":14},4,{"month":23,"count":15},5,{"month":25,"count":15},6,{"month":27,"count":15},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":14},11,{"month":37,"count":15},12,[39,53],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"1031","ECLI:NL:RBROT:2025:15761","ecli-nl-rbrot-2025-15761","",61,"2025-11-26T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nlocatie Rotterdam\n\nzaaknummer: 11886007 VV EXPL 25-550\n\ndatum uitspraak: 26 november 2025\n\nVonnis in kort geding van de kantonrechter\n\nin de zaak van\n\n [eiseres],\n\nwoonplaats: [woonplaats] ,\n\neiseres,\n\ngemachtigde: mr. B. van Gestel,\n\ntegen\n\nStichting Hef Wonen,\n\nvestigingsplaats: Rotterdam ,\n\ngedaagde,\n\ngemachtigde: mr. Y. Rijswijk.\n\nDe partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘Hef Wonen’ genoemd.\n\n1. De procedure1.1.. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:\n\nde dagvaarding van 3 november 2025, met bijlagen;\n\nhet antwoord, met bijlagen;\n\nde spreekaantekeningen van de gemachtigde van [eiseres] .\n\n1.2.. Op 12 november 2025 is de zaak tijdens een zitting met partijen besproken.\n\n2. De beoordeling\n\nWaar gaat de zaak over?\n\n2.1.. \n [eiseres] huurt sinds 16 april 2014 een woning van Hef Wonen. Dit betreft een etagewoning op de begane grond. Sinds september 2023 heeft [eiseres] nieuwe bovenburen. Die bovenburen zijn een gezin, bestaande uit een man en vrouw met drie jonge kinderen, waarvan één kind autistisch is. Sindsdien ervaart [eiseres] geluidsoverlast afkomstig van die bovenburen. Sinds oktober 2023 heeft [eiseres] regelmatig meldingen gedaan bij Hef Wonen over de overlast. Volgens [eiseres] ervaart zij inmiddels al twee jaar dagelijks ernstige geluidsoverlast. Hef Wonen heeft naar aanleiding van de klachten van [eiseres] actie ondernomen om de ervaren overlast weg te nemen. Zo heeft zij de bovenburen steeds aangesproken op het veroorzaken van overlast, zowel mondeling in gesprekken als in brieven. Zij heeft ook de bovenburen gesommeerd om een ondervloer te leggen toen zij erachter kwam dat de bovenburen geen ondervloer hadden en het ontbreken daarvan als mogelijke veroorzaker van de ervaren overlast werd gezien. Verder heeft zij twee keer een geluidsmeting laten uitvoeren. Daarnaast heeft zij tevergeefs een poging tot het verzorgen van buurtbemiddeling gedaan. Inmiddels heeft Hef Wonen als oplossing met de bovenburen afgesproken dat zij de bovenburen zal verhuizen naar een andere woning.\n\n2.2.. \n [eiseres] eist nu in deze procedure om Hef Wonen te veroordelen om “het gebrek te herstellen” en om aan [eiseres] tijdelijk, zolang de bovenburen nog niet zijn verhuisd en het gebrek niet is verholpen, andere woonruimte aan haar aan te bieden “en de kosten voor alle maatregelen die daarvoor moeten worden genomen, te dragen (waaronder verhuiskosten)”, op straffe van een dwangsom.\n\n2.3.. \n [eiseres] stelt dat sprake is van een ernstig gebrek dat leidt tot een permanente inbreuk op haar huur- en woongenot, gezondheidsproblemen en tot verlies van inkomsten en vertraging van haar studie. Hef Wonen moet het gebrek op grond van de wet (artikel 7:206 lid 1 BW) verhelpen. Gezien de duur en ernst van de geluidsoverlast en het ontbreken van een concrete termijn en concrete maatregelen, kan van [eiseres] niet worden verlangd dat zij nog langer in deze situatie van ernstig verminderd huurgenot blijft.\n\n2.4.. Hef Wonen is het niet eens met de eis. Hef Wonen begrijpt niet wat [eiseres] bedoelt met haar eis om Hef Wonen te veroordelen om “het gebrek te herstellen”. Zij stelt zich op het standpunt dat zij zich voldoende heeft ingespannen om de situatie tussen [eiseres] en de bovenburen op te lossen zodat er geen sprake is van een gebrek. Hef Wonen vindt ook dat [eiseres] geen belang heeft bij haar eis, omdat Hef Wonen al bezig is met het zoeken naar een andere woning voor de bovenburen van [eiseres] . Hef Wonen ziet verder geen grondslag om aan [eiseres] tijdelijk alternatieve woonruimte aan te bieden. Zij vindt dat als zij [eiseres] wel andere woonruimte moet aanbieden, zij daar een ruime termijn voor moet krijgen en dat een eventueel toe te wijzen dwangsom moet worden beperkt gelet op de krapte op de woningmarkt. Het deel van de eis over een (verhuis)kostenvergoeding beschouwt Hef Wonen als te onbepaald. Voor toewijzing van dit deel van de vordering bestaat geen grondslag, aldus Hef Wonen.\n\nJuridisch kader in dit kort geding\n\n2.5.. Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat de eisende partij heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor de wederpartij als deze uitspraak later wordt teruggedraaid. In kort geding kan (slechts) een voorlopige (orde)maatregel worden getroffen.\n\nDe geluidsmetingen\n\n2.6.. De eerste geluidsmeting in de woning van [eiseres] vond plaats in de periode vanaf 29 augustus t\u002Fm 12 september 2024. In het rapport van die geluidsmeting is als volgt geconcludeerd:\n\n“(…)\n\nDe hinderlijke geluiden bestaan uit zowel contact- als luchtgeluiden komende vanuit de bovenliggende woning op nr. [huisnummer] . Meestal veroorzaakt door 2 kinderen. Kind rent op blote voeten of sokken door de woning, gooit met een balletje of blokken en schreeuwt veelvuldig. Vaak huilt een kind ook. Ouders lijken hierin niet corrigerend op te treden. In totaal tellen wij 152 momenten waarbij de norm gedurende de dag-, avond- en nachturen wordt overschreden (Lden). Overlastgever is hiervoor gewaarschuwd, waardoor de gemeten geluidsvoorwaarden mogen worden beoordeeld incl. de “vermijdbaarheidsfactor” (…)\n\nDe woning wordt beoordeeld als klasse 4. De woning is gebouwd in 1982 en voorzien van subtype tussenvloeren. Deze vloer is laat het contactgeluid eenvoudiger door dan een betonnen vloer. Tussen de woning scheidende vloer en het plafond zit geen\u002F of onvoldoende isolatie.\n\nBurengedrag wordt, door overlastontvanger beoordeeld als “Z5, hinderlijk lawaaiig gedrag”.\n\nDit wordt door onderzoeker ook als zodanig ervaren bij het beluisteren van de geluidsbestanden.\n\nHet gedrag alsmede de gehorigheid van de woning zijn hier bepalend voor de mate van hinder. Overlastgever weet dit en zou hier zijn gedrag op aan kunnen passen, maar doet dit niet.\n\nVolgens onderzoeker is hier sprake van onrechtmatige hinder.\n\n(…)”\n\n2.7.. Op 10 februari 2025 heeft Hef Wonen aan [eiseres] laten weten dat zij heeft geconstateerd dat de vloer van de bovenburen inmiddels voldeed aan de eisen die Hef Wonen stelt aan de vloer en dat Hef Wonen er daarmee van uitging dat de overlastklachten gestopt zijn en vallen onder normale leefgeluiden.\n\n2.8.. \n\nOmdat Hef Wonen desondanks overlastklachten bleef ontvangen van [eiseres] , heeft zij een tweede geluidsmeting laten uitvoeren. Die tweede geluidsmeting vond plaats vanaf\n\n26 mei tot 10 juni 2025. In het rapport van die geluidsmeting staat de volgende conclusie:\n\n“(…)\n\nDe hinderlijke geluiden bestaan uit zowel contact- als luchtgeluiden komende vanuit de bovenliggende woning op nr. [huisnummer] . De meeste hinder wordt veroorzaakt door kinderen. Vooral het stampen en gillen\u002F krijsen van een kind zorgen voor de meeste hinder. Deze geluiden komen continue boven de gestelde norm. Kind stampt op blote voeten of sokken door de woning. Ouders lijken hierin niet corrigerend op te treden. In totaal tellen wij 243 momenten waarbij de norm gedurende de dag-, avond- en nachturen wordt overschreden (Lden). Overlastgever is hiervoor eerder gewaarschuwd, waardoor de gemeten geluidsvoorwaarden mogen worden beoordeeld incl. de “vermijdbaarheidsfactor” (…)\n\nDe woning wordt beoordeeld als klasse 4. De woning is gebouwd in 1982 en voorzien van subtype tussenvloeren. Deze vloer laat het contactgeluid eenvoudiger door dan een betonnen vloer.\n\nHierdoor zal er altijd meer geluiden hoorbaar zijn in de onderliggende woning.\n\nBurengedrag wordt, door overlastontvanger beoordeeld als “Z5, hinderlijk lawaaiig gedrag”.\n\nDit wordt door onderzoeker ook als zodanig ervaren bij het beluisteren van de geluidsbestanden.\n\nHet gedrag alsmede de gehorigheid van de woning zijn hier bepalend voor de mate van hinder. Overlastgever weet dit en zou hier zijn gedrag op aan kunnen passen, maar doet dit niet.\n\nVolgens onderzoeker is hier sprake van onrechtmatige hinder.\n\n(…)”\n\nDe vordering tot herstel van het gebrek is niet toewijsbaar\n\n2.9.. \n\nDe vordering tot herstel van het gebrek wordt afgewezen, omdat [eiseres] deze zeer algemeen geformuleerde vordering niet heeft geconcretiseerd. Feitelijk wil [eiseres] dat er een einde aan de overlast komt, maar onduidelijk is gebleven wat zij concreet van Hef Wonen in het kader van deze eis verwacht, nog daargelaten wat in deze zaak nu wel of niet als gebrek kan worden aangemerkt. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat [eiseres] uitdrukkelijk heeft gesteld dat zij niet de bedoeling heeft dat Hef Wonen een procedure start tegen de bovenburen met als doel de huurovereenkomst te ontbinden, omdat het niet haar bedoeling is dat Hef Wonen haar bovenburen, een gezin met jonge kinderen, op straat zet.\n\nHef Wonen moet aan [eiseres] tijdelijk andere woonruimte aanbieden\n\n2.10.. In deze procedure moet als uitgangspunt worden genomen dat de bovenburen van [eiseres] structureel ernstige (geluids)overlast veroorzaken, ondanks dat ze daar herhaaldelijk op zijn aangesproken. Dit is immers objectief vastgesteld door middel van de geluidsmetingen, waarvan de kantonrechter vooral de laatste geluidsmeting van belang acht, omdat in de periode van die geluidsmeting de bovenburen een vloer met ondervloer hadden, die aan de door Hef Wonen gestelde eisen voldeed. De onderzoeker concludeert in beide rapporten dat er sprake is van onrechtmatige hinder. Hoewel uit het rapport lijkt te volgen dat de overlast vooral door kinderen wordt veroorzaakt, heeft [eiseres] op de zitting uiteindelijk onweersproken gesteld dat zij ook overlast ervaart door de volwassenen in de bovenwoning, die schreeuwen, en dat de kinderen daarop reageren.\n\n2.11.. Van [eiseres] kan redelijkerwijs niet gevergd worden dat zij deze situatie van structureel ernstige overlast onbeperkt en eindeloos duldt. Hoewel Hef Wonen zich inspant om de ontstane situatie tussen [eiseres] en haar bovenburen op te lossen, wat er inmiddels in resulteert dat zij op zoek is naar een andere passende woning voor de bovenburen van [eiseres] , is er op dit moment geen sprake van een concreet vooruitzicht op een verhuizing van de bovenburen op korte termijn. Dit heeft er naast de schaarste aan huurwoningen mee te maken dat Hef Wonen tegemoet wil komen aan de wensen van die bovenburen voor een andere woning, bijvoorbeeld wat betreft type woning (het liefst een benedenwoning), grootte en locatie. In de tussentijd ervaart [eiseres] last van de overlast die haar bovenburen veroorzaken, en wordt tegen de overlast zelf niet met merkbaar effect opgetreden. [eiseres] heeft voldoende aannemelijk gemaakt, mede door overlegging van huisartsverklaringen, dat zij door de langdurige overlast gezondheidsklachten en problemen in het dagelijks functioneren ervaart. De kantonrechter is op grond van het voorgaande van oordeel dat aannemelijk is dat in een bodemprocedure wordt geoordeeld dat sprake is van een gebrek. Naar oordeel van de kantonrechter is inmiddels sprake van een voor [eiseres] onhoudbare situatie. Gelet op het voorgaande én omdat Hef Wonen in principe de verplichting heeft om aan haar huurders het rustig huurgenot te verschaffen, vindt de kantonrechter het in deze situatie gerechtvaardigd dat Hef Wonen wordt veroordeeld om aan [eiseres] tijdelijk, zolang haar bovenburen niet zijn verhuisd, andere passende woonruimte aan te bieden.\n\n2.12.. Hef Wonen heeft op de zitting gesteld dat zij geen beschikbare woningen heeft om [eiseres] tijdelijk in te huisvesten. Zij heeft daarbij gewezen op haar beleid om woningen vrij te houden voor huurders die in verband met een calamiteit niet in hun huurwoning kunnen verblijven en heeft gesteld dat al die woningen bezet zijn. De kantonrechter ziet daarin aanleiding om aan Hef Wonen een ruimere termijn te gunnen om tijdelijke passende woonruimte voor [eiseres] te vinden. De kantonrechter acht een termijn van drie maanden na de datum van dit vonnis redelijk, waarbij wordt opgemerkt dat ervan wordt uitgegaan dat [eiseres] eerder een andere passende woning krijgt aangeboden als die eerder beschikbaar is.\n\nDwangsom\n\n2.13.. De kantonrechter zal aan de veroordeling een dwangsom verbinden, met dien verstande dat de toe te wijzen dwangsom zal worden beperkt tot € 25,00 per dag met een maximum van € 2.000,00.\n\nHef Wonen hoeft geen verhuiskostenvergoeding of andere kosten aan [eiseres] te vergoeden\n\n2.14.. \n [eiseres] heeft in de dagvaarding gesteld dat Hef Wonen [eiseres] per direct tijdelijke andere woonruimte moet aanbieden “op kosten van Hef Wonen”. Zij heeft verder geen, althans onvoldoende, onderbouwing gegeven voor dit deel van de eis. Zo heeft zij geen enkele grondslag voor toekenning van een (verhuis)kostenvergoeding genoemd, terwijl in de wet niet is voorzien in het toekennen van een (verhuis)kostenvergoeding voor een situatie zoals in deze zaak. Het is op dit moment bovendien niet zeker of [eiseres] kosten zal moeten maken voor een eventuele verhuizing en zo ja, hoeveel. Dit deel van de eis wordt daarom afgewezen.\n\nHef Wonen moet de proceskosten betalen\n\n2.15.. De proceskosten komen voor rekening van Hef Wonen, omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die Hef Wonen aan [eiseres] moet betalen op € 90,00 aan griffierecht, € 814,00 aan salaris voor de gemachtigde en € 135,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.039,00. Er worden geen dagvaardingskosten toegewezen, omdat [eiseres] met een toevoeging procedeert.\n\nDit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad\n\n2.16.. Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist en Hef Wonen daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n3.1.. veroordeelt Hef Wonen om binnen drie maanden na de datum van dit vonnis aan [eiseres] tijdelijk, voor de duur dat de bovenburen van [eiseres] nog in hun huidige huurwoning verblijven, andere passende woonruimte aan te bieden, op straffe van een door Hef Wonen te verbeuren dwangsom van € 25,00 per dag voor iedere dag na de betekening van dit vonnis dat Hef Wonen in gebreke blijft om aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 2.000,00;\n\n3.2.. veroordeelt Hef Wonen in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 1.039,00;\n\n3.3.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;\n\n3.4.. wijst al het andere af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. I.W.M. Laurijssens en in het openbaar uitgesproken.\n\n757","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:15761","2026-04-14T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:00.202Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":51,"updatedAt":62},"463","ECLI:NL:RBAMS:2025:2527","ecli-nl-rbams-2025-2527",56,"2025-04-22T00:00:00.000Z","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AMS 24\u002F5008\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 april 2025 in de zaak tussen\n \n [eiser] , uit [woonplaats] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. R. Meinen),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,verweerder (het college)\n\n(gemachtigde: mr. F.M.E. Schuttenhelm).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een urgentieverklaring.\n\n1.1.. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 31 januari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 31 juli 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.\n\n1.2.. De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de urgentieaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\n3. Eiser woont met zijn gezin vanaf 6 juli 2011 op het adres [adres] te [woonplaats] in een tweekamerwoning van 44m2 . Eiser heeft sinds 2018\u002F2019 last van schimmelvorming in de woning. Een recente lekkage in een waterleiding in een aangrenzende ruimte heeft de schimmelvorming verergerd. De woningbouwcorporatie heeft de lekkage verholpen en eiser en de woningbouwcorporatie zijn in gesprek over het plaatsen van bouwdrogers om het overtollig vocht af te voeren. Uit de onderliggende stukken en hetgeen op de zitting is besproken blijkt er echter sprake te zijn van een structureel probleem. In de afgelopen jaren heeft de woningcorporatie verschillende pogingen gedaan om de problemen op te lossen maar zonder succes. Op de zitting is gesproken over een steeds uitgestelde grootschalige renovatie waardoor eiser op termijn mogelijk in aanmerking komt voor urgentie op basis van stadsvernieuwing. Wegens de gebrekkige staat van de woning heeft de eiser een korting van 60% op zijn huur gekregen.\n\n4. Eiser heeft het college in de afgelopen jaren al meerdere malen benaderd\n\nvoor een urgentie vanwege de vocht- en schimmelproblematiek in zijn woning. Eiser heeft op 5 november 2023 een urgentieaanvraag gedaan op medische gronden omdat zijn echtgenote longklachten heeft. De zoon van eiser krijgt ook medicatie tegen longklachten. Eiser heeft de medische situatie van zijn vrouw en zoon onderbouwd met medische stukken. Tussen partijen is niet in geschil dat de echtgenote van eiser een longaandoening heeft en dat de luchtkwaliteit in de woning een negatief effect heeft op haar gezondheid. Eiser heeft ook uitdrukkelijk om hulp en steun van het college gevraagd om op minnelijke wijze uit de situatie te geraken. Zo heeft hij als voorbeeld genoemd dat het college een tijdelijke oplossing zou bieden door hem en zijn gezin tijdens de werkzaamheden op te vangen in een tijdelijke onderkomen.\n\n5. Het college heeft de urgentie afwezen omdat er sprake is van een aantal algemene weigeringsgronden. In dat geval wordt er geen medisch advies gevraagd van de GGD. Dat is alleen anders indien er sprake is van toepassing van de hardheidsclausule. De criteria voor het toepassen van de hardheidsclausule zijn erg streng, omdat in Amsterdam een groot tekort is aan woningen. Alleen als er sprake is van een acuut levensbedreigende situatie of iets vergelijkbaars is er aanleiding om de hardheidsclausule toe te passen.\n\n6. Eiser vindt dat zijn situatie aanleiding geeft om de hardheidsclausule toe te passen. Eiser heeft ter zitting onder meer verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 10 oktober 2023waarbij de besluitvorming in een soortgelijke situatie is vernietigd wegens een motiveringsgebrek. In die zaak was ook sprake van terugkerende schimmelvorming in de woning en luchtwegklachten van de bewoners. Die zaak lijkt op deze zaak omdat in beide zaken de problemen met de woning al lange tijd spelen en dat er ook sprake is van langdurige medische problematiek. Ook vergelijkbaar is de omstandigheid dat de bewoner op alle mogelijke manieren bezig is geweest om met de verhuurder tot een oplossing te komen. Eiser heeft in deze zaak bovendien afgedwongen dat de verhuurder hem een korting op zijn huur geeft en er wordt gesproken over een stadsvernieuwingstraject dat steeds vooruit wordt geschoven. Dit maakt echter volgens de rechtbank nog steeds niet dat voldaan is aan de vereisten voor het toepassen van de hardheidsclausule. Het college mag ervoor kiezen om alleen in het geval van acuut levensbedreigende problematiek een onderzoek te starten.\n\n7. Ook bij eisers gezin is niet gebleken van acute medische problematiek, maar het college heeft niet betwist dat sprake is van een groot en langdurig huisvestingsprobleem dat eiser op allerlei manieren maar zonder succes heeft geprobeerd om op te lossen. Onder die omstandigheden ontslaat een te verwachten weigering van een urgentieverklaring het college niet van zijn verplichting als gemeentelijke overheid om (bijvoorbeeld ook in samenspraak met de verhuurder) te trachten op afzienbare termijn te helpen komen tot een verbetering van de woonsituatie, zoals door eiser ook uitdrukkelijk is verzocht. Het college heeft daarvan tot dusver onvoldoende blijk gegeven. De rechtbank zal daarom het bestreden besluit vernietigen en het college opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Voor een inhoudelijk vervolgdictum bestaat op dit moment geen aanleiding.Conclusie en gevolgen\n\n8. Het beroep is gegrond en het college zal in overleg met eiser moeten treden om (mogelijk met behulp van een andere gemeentelijke dienst) te trachten binnen afzienbare termijn te komen tot een oplossing,\n\n9. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank;\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit;\n\nbepaalt dat het college met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar neemt binnen zes weken na verzending van deze uitspraak;\n\nbepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;\n\nveroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.750,-\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, rechter, in aanwezigheid van mr.N. van der Kroft, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 22 april 2025.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n ECLI:NL:RBMNE:2023:5581.\n\n Zie bijvoorbeeld een uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State van 3 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2713.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:2527","2025-04-17T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:31.662Z",20,[65,11,66],2026,2024]