[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-tort-law-nl-2026":3},{"detail":4,"years":214},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":39,"total":212,"page":14,"limit":213},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},72,"tort-law-nl","Tort Law","NL","2026-07-08T16:54:31.314Z",2026,[13,16,17,20,22,24,26,28,31,33,35,37],{"month":14,"count":15},1,2,{"month":15,"count":14},{"month":18,"count":19},3,4,{"month":19,"count":21},6,{"month":23,"count":19},5,{"month":21,"count":25},27,{"month":27,"count":18},7,{"month":29,"count":30},8,0,{"month":32,"count":30},9,{"month":34,"count":30},10,{"month":36,"count":30},11,{"month":38,"count":30},12,[40,54,63,72,82,90,98,107,115,124,132,140,147,157,165,173,182,189,197,205],{"id":41,"ecli":42,"slug":43,"caseNumber":44,"courtId":45,"decisionDate":46,"fullText":47,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":50,"sourceTimestamp":51,"parsedAt":52,"updatedAt":53},"1226","ECLI:NL:GHAMS:2026:1827","ecli-nl-ghams-2026-1827","",56,"2026-07-07T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nafdeling civiel recht en belastingrecht\n\nteam I (handel)\n\nzaaknummer : 200.345.869\u002F01\n\nzaak-\u002Frolnummer rechtbank Amsterdam : C\u002F13\u002F722547 \u002F HA ZA 22-717\n\narrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 7 juli 2026\n\nin de zaak van\n\nde publieke rechtspersoon\n\nPARTICIPATIEBEDRIJF […] ,\n\nzetelend te [plaats ] ,\n\nappellante,\n\nincidenteel geïntimeerde,\n\nadvocaat: mr. R.A.W.J. van Eijck te Rotterdam,\n\ntegen\n\nABN AMRO BANK N.V.,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\ngeïntimeerde,\n\nincidenteel appellante,\n\nadvocaat: mr. F.A. van de Wakker te Amsterdam.\n\nPartijen worden hierna […] en de Bank genoemd.\n\n1. De zaak in het kort\n\nDe Bank wordt aangesproken door […] op grond van onrechtmatige daad. […] is de (voormalig) werkgever van een (voormalige) klant van de Bank, die op een rekening bij de Bank in totaal ruim € 4,5 miljoen heeft gestort die hij via fraude bij zijn werkgever […] gedurende 12 jaar heeft ontvreemd. De gestorte bedragen werden steeds korte tijd later via geldautomaten contant opgenomen. De Bank wordt verweten dat zij had moeten ontdekken dat er via haar bankrekening werd gefraudeerd en dat zij eerder had moeten ingrijpen.\n\n2. Het geding in hoger beroep\n\n2.1.. \n […] is bij dagvaarding van 30 juli 2024 in hoger beroep gekomen van vonnissen van 26 april 2023 en 8 mei 2024 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen […] als eiseres en de Bank als gedaagde.\n\n2.2.. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:\n\n- memorie van grieven van […] met negen producties;\n\n- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel van de Bank;\n\n- memorie van antwoord in incidenteel appel van […] .\n\n2.3.. \n\nOp 16 januari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd.\n\nVoorafgaand aan de zitting heeft […] een akte genomen waarbij zij haar eis heeft verminderd. De Bank heeft bij akte nog een productie in het geding gebracht. Beide aktes zijn toegevoegd aan het procesdossier.\n\n2.4.. Ten slotte is arrest gevraagd.\n\n3. Feiten\n\n3.1.. Het hof gaat uit van de volgende feiten.\n\n3.2.. \n […] is een publiekrechtelijke rechtspersoon die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de Participatiewet en de Wet sociale werkvoorziening in de [plaats 1] Kempen. Zij ontvangt publiekrechtelijke gelden om inwoners van de Kempengemeenten te ondersteunen terug aan het werk te gaan, onder meer door exploitatie van een sociale werkplaats. […] is één van de grootste werkgevers in de regio en ontvangt jaarlijks ongeveer € 16 miljoen aan gemeentelijke bijdragen.\n\n3.3.. \n […] heeft een bankrekening bij haar huisbank BNG (hierna: de BNG-rekening).\n\n3.4.. In 1998 is de heer [naam 1] in dienst getreden bij […] als medewerker bij de financiële administratie. Zijn salaris werd betaald op een bankrekening bij Rabobank. Daarnaast had [naam 1] sinds 1988 een bankrekening bij de Bank (hierna ook: de ABN-rekening).\n\n3.5.. In 2005 heeft [naam 1] op verzoek van de Bank een kopie van zijn paspoort verstrekt.\n\n3.6.. Vanaf 2007 heeft [naam 1] in totaal meer dan € 4,5 miljoen van […] frauduleus contant gestort en giraal overgeboekt naar zijn ABN-rekening.\n\n3.7.. De fraude van [naam 1] is te verdelen in twee periodes. Van 2007 tot en met 2014 heeft [naam 1] contant geld van […] op zijn ABN-rekening gestort. Dit geld was afkomstig uit de kantine en van contant betaalde facturen. Uit het transactieoverzicht van de ABN-rekening blijkt dat er in deze periode 332 keer contant geld is gestort op de ABN-rekening, waarvan elke 2 tot 3 weken circa € 1.000,00 in muntgeld.\n\n3.8.. In 2011 hebben de beveiligingssystemen van de Bank gemeld dat er op de bankrekening van [naam 1] veel contantgeldstortingen plaatsvonden. Daar is toen verder geen gevolg aan gegeven door de Bank.\n\n3.9.. In de periode van 2014 tot en met 2019 heeft [naam 1] giraal geld van […] verduisterd door facturen van crediteuren van […] niet alleen aan de daadwerkelijke crediteuren te betalen, maar ook handmatig over te maken naar zijn ABN-rekening. In deze periode zijn er 417 betalingen gedaan vanaf de BNG-rekening naar de ABN-bankrekening voor een totaalbedrag van € 4.534.778,78. Het meeste geld is verduisterd in de periode van mei 2017 tot en met augustus 2019: ongeveer € 4 miljoen. [naam 1] heeft de fraude verhuld door administratief te sjoemelen met balansposten en door te lage btw-aangiftes te doen.\n\n3.10.. \n [naam 1] behield het geld niet zelf; hij werd afgeperst door een bekende. Via contante opnames bij geldautomaten werd het geld door [naam 1] aan deze persoon afgegeven. De afperser, diens echtgenote en diens ex-echtgenote hebben het geld opgemaakt.\n\n3.11.. Op 29 januari 2016 heeft [naam 1] telefonisch zijn dagelijkse paslimiet bij de Bank eenmalig verhoogd naar € 10.000,00 en dat bedrag ook opgenomen. Op 28 maart 2018 heeft [naam 1] twee keer een telefoongesprek gehad met de klantenservice van de Bank over het verhogen van zijn paslimiet.\n\n3.12.. De jarenlange fraude is aan het licht gekomen nadat in juni 2019 een medewerker van de afdeling Fraude Monitoring van de Bank, die een onderzoek deed naar contante geldopnames via geldautomaten (ATM’s), stuitte op de veelvuldige geldopnames door [naam 1] .\n\n3.13.. \n\nOp 20 juni 2019 heeft deze medewerker intern de volgende e-mail gestuurd:\n\n“Ik ben bezig met een onderzoekje naar de mogelijkheden om opnames via ATM in een eerder stadium te laten stoppen om fraudeschade te voorkomen, en als het voor de klant een normaal patroon is, daar niet in te grijpen. Bij dat onderzoek ben ik nu bezig met de opnames van afgelopen zondag.\n\nDaarbij vind ik ook deze rekening (…)\n\nBetreft een privérekening van klant [naam 1] in [plaats ] , die al geruime tijd bezig is om contant geld op te nemen wat zonder uitzondering afkomstig is van [X] Groep met rekeningnummer (…).\n\n [X] is volgens google info een instantie die zich ten doel voor de aangesloten gemeenten, mensen met een arbeidshandicap oid, aan het werk te zetten.\n\n [naam 1] is stukadoor. In theorie kan het zo zijn dat er mensen aan het werk worden gezet, maar ik vertrouw het voor geen meter, waarom dan al die bedragen cash opnemen. Ik vermoed fraude met gemeenschapsgeld, fiscale fraude oid…\n\nWil jij je licht hier eens over laten schijnen? Dit gaat over tonnen, als het al geen miljoen is. Is ook al lang bezig. Zou in ieder geval een AML alert moeten zijn, transacties via privérekening terwijl het zakelijk zou moeten zijn..\n\nKijk maar in klantbeeld. Het is niet eens op te tellen wat de omvang is als je een jaar terug moet.. Heb je database bij nodig.”\n\n3.14.. \n\nDaarop heeft een medewerker van de afdeling Compliance, Security & Integrity Management en Intelligence van de Bank op 24 juni 2019 geantwoord:\n\n“Heb even gekeken voor je: in ons casemanagement systeem kwam ik zo 1,2,3 niks tegen, maar op de rekeningen zag ik inderdaad wel een heel opvallend patroon: de gelden worden direct en geheel contant opgenomen, en het lijkt er op dat de ontvangen gelden een uitkering zijn.\n\nDus dit lijkt me zeker een onderzoekswaardig signaal om verder uit te zetten bij Retail-EDR team, zodat zij navraag kunnen doen bij de klant naar de bestemming (en herkomst) van deze ontvangen gelden en de vele contante opnames. (…)”\n\n3.15.. \n\nDezelfde medewerker heeft op dezelfde dag aan de KYC-desk (KYC = Know Your Customer) van de Bank gemaild:\n\n“Ik heb een verzoek aangaande bc nr (…): dhr [naam 1] uit [plaats ] ontvangt gelden afkomstig van [X] Groep (…), een overheidsinstantie die zich ten doel stelt voor de aangesloten gemeenten, mensen met een arbeidshandicap aan het werk te zetten.\n\nWe zien op de rekening echter dat al geruime tijd sprake is van (vele) contante opnames van deze gelden en dat er ook behoorlijke bedragen worden ontvangen vanuit de [X] Groep. Ook vragen we ons af of de privé-rekening zakelijk wordt gebruikt.\n\nIs er bij jullie toevallig meer bekend over deze klant, over de herkomst van de subsidies en reden achter de vele contante opnames? Indien dit niet zo is: zou een EDR opgestart kunnen worden, waarbij navraag wordt gedaan aan de klant over de herkomst van de subsidies (waarom ontvangt hij deze, kan hij dit aantonen met de benodigde documentatie), en met name de reden achter de vele contante opnames? Ook zie ik voldoende signalen om na te gaan of sprake is van zakelijk gebruik van de rekening. (…)”\n\n3.16.. Op 1 juli 2019 heeft het KYC-team van de Bank intern gemaild dat zij geen Wwft-risico ziet, maar wel mogelijk zakelijk gebruik van een privérekening.\n\n3.17.. Op 13 augustus 2019 heeft de Bank een brief gestuurd aan [naam 1] met de aankondiging dat zij contact zal opnemen met [naam 1] over onder meer de activiteiten op zijn bankrekening.\n\n3.18.. Op 22 augustus 2019 heeft de Bank telefonisch contact gehad met [naam 1] over de activiteiten op zijn ABN-rekening. [naam 1] heeft gezegd dat hij licht administratief werk verricht voor […] , dat zijn salaris van […] wordt gestort op een bankrekening bij de Rabobank en dat de bedragen op de ABN-rekening worden gebruikt om leveranciers contant te betalen. Verder heeft hij aangegeven de rekening te zullen opheffen omdat hij begrijpt dat hij dit niet via zijn privérekening kan doen.\n\n3.19.. Op 23 augustus 2019 heeft [naam 1] de bankrekening bij de Bank opgeheven. Na beëindiging had [naam 1] alleen nog een beleggingspolis bij de Bank. De fraude heeft [naam 1] vervolgens voortgezet via zijn bankrekening bij Rabobank.\n\n3.20.. Op 19 september 2019 heeft BNG haar klant […] erop gewezen dat was waargenomen dat bedragen die vanaf de BNG-rekening waren betaald aan crediteuren ook nog een keer waren betaald aan [naam 1] . De volgende dag, op 20 september 2019, is de BNG-rekening bevroren.\n\n3.21.. Op 27 september 2019 heeft […] aangifte gedaan tegen [naam 1] . [naam 1] is strafrechtelijk vervolgd voor de fraude en daarvoor ook veroordeeld. Ook zijn afperser, diens echtgenote en ex-echtgenote zijn strafrechtelijk vervolgd en veroordeeld, onder meer voor witwassen en heling.\n\n3.22.. \n […] heeft haar eigen bestuurlijk handelen laten onderzoeken. In een rapport van [naam 2] van april 2021 is geconcludeerd dat het voor het bestuur niet mogelijk was de feitelijke fraude te signaleren; de accountant heeft het niet waargenomen en er waren ook geen andere indicaties van fraude. Verder is geconcludeerd dat het bestuur weinig aandacht heeft gehad voor de interne bedrijfsvoering en beheersing van risico’s, waardoor het bestuur signalen heeft gemist dat […] risico’s liep. Meer aandacht van het bestuur voor interne beheersing had volgens het rapport de risico’s op fraude verkleind.\n\n3.23.. In mei 2021 heeft […] met toestemming van [naam 1] aan de Bank verzocht om inzage in het interne klantdossier van [naam 1] bij de Bank. De Bank heeft geweigerd om het volledige interne klantdossier aan […] toe te sturen. De Bank heeft wel een aantal interne e-mails, de correspondentie met [naam 1] en een intern overzicht van de telefoongesprekken met [naam 1] aan […] gestuurd, waaronder de hiervoor geciteerde.\n\n4. Procedure bij de rechtbank\n\n4.1.. \n […] heeft bij de rechtbank, samengevat, gevorderd dat de Bank wordt veroordeeld tot:\n\n- betaling van haar schade, in hoofdsom begroot op € 4.534.778,78, vermeerderd met wettelijke rente en\n\n- € 553.434,00 als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid en\n\n- € 8.197,75 wegens buitengerechtelijke incassokosten en\n\n- de kosten van de procedure.\n\n4.2.. \n\nIn haar eindvonnis van 8 mei 2024 heeft de rechtbank de Bank veroordeeld tot betaling aan […] van € 54.093,38, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2020 en een bedrag van € 6.601,67 voor kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, met compensatie van de proceskosten.\n\nDaartoe heeft de rechtbank geoordeeld dat de Bank vanaf 20 juni 2019, toen zij zich bewust werd van het feit dat er sprake was van ongebruikelijk betalingsverkeer op de bankrekening van [naam 1] en het gevaar dat daarvan uitging voor […] , jegens haar aansprakelijk is wegens schending van de bancaire zorgplicht. Van de daardoor voor […] ontstane schade van in totaal € 270.466,91 blijft 80% voor rekening van […] wegens eigen schuld. De gevorderde kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid heeft de rechtbank met hetzelfde percentage verlaagd als de oorspronkelijke vordering van […] van ruim € 4,5 miljoen.\n\n5. De vorderingen in hoger beroep\n\n5.1.. \n\nIn principaal appelvordert […] onder aanvoering van vier grieven vernietiging van de bestreden vonnissen en alsnog volledige toewijzing van haar oorspronkelijke vordering, met veroordeling van de Bank in de kosten van beide instanties.\n\nOmdat […] inmiddels van [naam 1] en van de ex-vrouw van diens afperser op 17 december 2024 en 8 april 2025 bedragen van respectievelijk € 110.900,00 en € 14.950,00 heeft geïnd en […] met haar accountant vanwege diens tekortschietend toezicht op 3 april 2025 voor een bedrag van € 975.758,00 een regeling heeft getroffen, heeft […] bij akte voorafgaand aan de mondelinge behandeling haar eis dienovereenkomstig verminderd.\n\n5.2.. In incidenteel appelvordert de Bank onder aanvoering van drie grieven vernietiging van de bestreden vonnissen en afwijzing van de vorderingen van […] , met veroordeling van […] in de proceskosten van beide instanties.\n\n6. Beoordeling\n\n6.1.. De vorderingen in het principaal appel en het incidenteel appel hangen ten nauwste met elkaar samen, zodat deze gezamenlijk zullen worden beoordeeld.\n\nIs de Bank jegens […] aansprakelijk?\n\n6.2.. De grieven 1 en 2 in het principaal appel en de eerste grief in het incidenteel appel stellen aan de orde op welk moment er bij de Bank sprake was van subjectieve wetenschap dat via de bankrekening van [naam 1] kort gezegd werd gefraudeerd. […] stelt dat de Bank al veel eerder dan 20 juni 2019 subjectieve wetenschap had dat er mogelijk gefraudeerd werd (subjectief gevaarsbewustzijn). Daarbij wijst zij onder andere op het verzoek van [naam 1] in 2016 om de daglimiet op zijn pas te verhogen tot € 10.000,00 en het grote aantal contante opnames via geldautomaten. De Bank daarentegen stelt dat er bij haar op 20 juni 2019 pas een eerste aanwijzing was dat er mogelijk gefraudeerd werd via haar bankrekening en dat zij daarna nog intern onderzoek moest doen voordat er bij haar sprake kon zijn van subjectief gevaarsbewustzijn. Primair is zij echter van mening dat zij jegens […] in het geheel niet aansprakelijk is.\n\n6.3.. Op een bank rust, vanwege haar maatschappelijke functie, een zorgplicht ten opzichte van derden als […] met de belangen van wie zij rekening behoort te houden op grond van hetgeen volgens ongeschreven regels in het maatschappelijk verkeer betaamt. Van een bank mag blijkens de rechtspraak van de Hoge Raad worden verwacht dat zij, wanneer sprake is van ongebruikelijk betalingsverkeer op een bankrekening en de bank zich bewust is van het gevaar dat daaraan is verbonden, nader onderzoek doet. Daarbij kan gewicht toekomen aan het feit dat er – door de bank of door de klant – wettelijke regels zijn overtreden.6.4.. Vastgesteld kan worden dat vanaf 2007 gedurende meer dan tien jaar sprake was van ongebruikelijk betalingsverkeer op de ABN-rekening van [naam 1] . In de eerste periode was er de grote hoeveelheid contante stortingen, gevolgd door een grote hoeveelheid overmakingen vanaf de BNG-rekening van […] . Aldoor werd het geld korte tijd later via geldautomaten contant opgenomen\n\n6.5.. \n\nVooropgesteld zij dat het enkele feit dat op een bankrekening ongebruikelijk betalingsverkeer plaatsvindt, nog niet betekent dat een bank gehouden is onderzoek te doen en zo nodig in te grijpen. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt niet dat een bank zonder meer verplicht is het betalingsverkeer op al haar rekeningen voortdurend te controleren of te monitoren en een onderzoek te starten zodra het een ongebruikelijk patroon kent. Daarbij kan niet uit het oog worden verloren dat klanten van banken vrij zijn hun geld te besteden, zonder dat zij daarover verantwoording hoeven af te leggen aan hun bank.\n\nBepalend is of een bank zich ook bewust was van het gevaar dat was verbonden aan het ongebruikelijke betalingsverkeer. Pas als een bank zich bewust is van ongebruikelijk betalingsverkeer op een bankrekening én van het daaraan verbonden gevaar (in dit geval: fraude), is zij op grond van haar zorgplicht gehouden op te treden.\n\n6.6.. De Bank wordt tegengeworpen dat zij haar wettelijke KYC-verplichting heeft verzaakt omdat zij onvoldoende inzicht had in de persoonlijke situatie van [naam 1] , terwijl zij ook niet heeft onderkend dat de gelden afkomstig waren van een rekening bij BNG, waar in principe alleen publieke rechtspersonen bankieren. Verder zou zij signalen zoals een systeemmelding dat er sprake was van veel cashgeldstortingen (vgl. 3.8.) hebben genegeerd en verzoeken van [naam 1] om verhoging van paslimieten (vgl. 3.11.) klakkeloos hebben ingewilligd. De Bank had daarom, zo begrijpt het hof het betoog van […] , al eerder subjectief gevaarsbewustzijn.\n\n6.7.. Uit het arrest van de Hoge Raad van 27 november 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3399 (Van den Berg), rov. 4.6) volgt dat bepalend is van welke feiten en omstandigheden de Bank zich bewust was. Gelet op haar specifieke positie en deskundigheid, waarvan de rechter mag uitgaan, kan dit onder omstandigheden meebrengen dat bewustheid van het gevaar kan worden verondersteld. Daarbij gaat het er dus niet om wat de Bank had kunnen weten, maar wat zij daadwerkelijk wist en of zij - gelet op haar specifieke positie en deskundigheid - op basis van wat aan haar bekend was, zich bewust moest zijn van het daaraan verbonden gevaar voor derden.\n\n6.8.1. \n\n [naam 1] had sinds 1988 een rekening bij de Bank. Niet in geschil is dat de Bank weinig wist van zijn persoonlijke omstandigheden. Kennelijk beschikte de Bank alleen over een kopie van zijn paspoort. Uit niets blijkt dat de Bank wist dat hij in loondienst was bij […] , van wiens BNG-rekening [naam 1] vanaf 2014 geld overmaakte naar zijn ABN-rekening. De Bank kende dus niet [naam 1] ’ integrale betalingsverkeer; zij had geen inzage in [naam 1] ’ inkomenspositie en evenmin is gebleken dat zij inzage had in zijn vermogenspositie.\n\nVanaf 2007 was er kennelijk vooral sprake van contante stortingen door [naam 1] . Het grote aantal stortingen op deze particuliere rekening is in 2011 ook in de systemen van de Bank opgevallen (vgl. 3.8.), maar daaraan is geen gevolg gegeven. In 2014 stopten die stortingen en begonnen de overmakingen. Steeds werd het geld kort na de storting of overmaking via opnames bij geldautomaten contant opgenomen. Van de bedragen die vanaf de BNG-rekening werden overgemaakt is tussen 2014 tot begin 2018 in totaal circa € 1 miljoen contant opgenomen. Daarna namen de geldopnames in frequentie en hoogte in rap tempo toe.\n\n6.8.2. \n […] stelt in hoger beroep dat [naam 1] zijn paslimiet in 2016 eenmalig tot € 10.000,00 heeft verhoogd en in 2018, zo begrijpt het hof haar betoog, permanent naar € 10.000,00. Dit waren volgens […] signalen waar de Bank op had moeten aanslaan. Bovendien is het [naam 1] , nadat hij in 2016 eenmalig het bedrag van € 10.000,00 had opgenomen, in 2017 regelmatig gelukt om hogere bedragen dan zijn limiet toeliet via geldautomaten contant op te nemen. Dit laatste heeft de Bank niet gemotiveerd betwist. Haar verweer komt erop neer dat het niet ongebruikelijk is dat klanten bedragen van € 10.000,00 contant opnemen en dat bij een telefonisch verzoek om verhoging van de limiet de callcentermedewerker alleen kijkt of het saldo dit toelaat. De bankrekening wordt op zo’n moment wegens tijdgebrek niet volledig doorgelicht en geanalyseerd, zo heeft de Bank onbetwist aangevoerd. De Bank betoogt daarom terecht dat deze verzoeken geen indicaties opleverden dat zij op die momenten bekend was met het verloop op de rekening, laat staan van het concrete gevaar voor […] . Zelfs als het juist is dat het systeem van de Bank in 2017 heeft gefaald en heeft toegestaan dat [naam 1] meer kon opnemen dan de voor hem geldende limiet toeliet, volgt ook daaruit naar het oordeel van het hof nog niet dat de Bank zich ervan bewust was dat er sprake was van een dreigend gevaar. Het enkele gegeven dat het ging om zeer veel contante geldopnames van telkens grote bedragen, maakt dit niet anders. Het regelmatig opnemen van cash geld was op zichzelf in de jaren 2007-2019 immers niet ongebruikelijk\n\n6.8.3. In strafrechtelijke zin was hier weliswaar sprake van witwassen, maar onvoldoende is gebleken dat er voor de Bank tot 20 juni 2019 concrete aanwijzingen waren dat door [naam 1] werd witgewassen doordat hij bij zijn werkgever geld wegnam. Ook uit de melding in 2011 dat er opvallende cash opnames waren (3.8) blijkt dat niet. De Bank heeft toegelicht dat dit een automatisch gegenereerde melding is geweest die destijds door het systeem zelf snel weer automatisch is gesloten, waarschijnlijk omdat deze zag op een bedrag onder de € 10.000,00. Verder heeft de Bank desgevraagd op de mondelinge behandeling verklaard dat deze melding nooit door een medewerker is gezien en pas bij haar bekend is geworden nadat zij na het ontvangen van de dagvaarding in deze zaak onderzoek is gaan doen naar het betalingsverkeer op de rekening. […] heeft dat niet betwist. Zelfs als de Bank zich in 2011 wel bewust was geweest van deze melding volgt uit dat enkele feit nog niet dat de Bank wist dat ongebruikelijke activiteiten plaatsvonden die aanleiding hadden moeten zijn voor onderzoek. Er zijn evenmin aanwijzingen dat de Bank vanwege de herkomst van de gelden van een rekening bij BNG, zich eerder ervan bewust is geweest dat hier mogelijk sprake was van fraude.\n\n6.8.4. Bij het voorgaande kan niet uit het oog worden verloren dat [naam 1] al jarenlang klant was bij de Bank, dat de Bank geen inzicht had in zijn integrale betalingsverkeer en dat het (op zichzelf ongebruikelijke) betalingsverkeer op zijn ABN-rekening kennelijk nooit tot vragen of problemen had geleid. Er was ook geen sprake van verboden betalingsverkeer: indien een klant over voldoende middelen beschikt (hetgeen bij [naam 1] ogenschijnlijk het geval was), mag die klant zijn geld immers contant opnemen en uitgeven. De voor de Bank kenbare feiten, die jarenlang voortduurden, duidden er aldus onvoldoende op dat er via haar bankrekening mogelijk fraude plaatsvond. Tegen die achtergrond kan, anders dan […] stelt, ook niet worden geconcludeerd dat de Bank geen juiste risico-inschatting van haar klant [naam 1] heeft gemaakt en zodoende haar wettelijke KYC-verplichtingen heeft geschonden. Het moet ervoor worden gehouden dat die verplichtingen zijn nageleefd. Daarbij komt dat die verplichtingen in beginsel niet strekken tot bescherming van derden als […] tegen fraude. De gedingstukken bieden naar het oordeel van het hof dan ook onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen concluderen dat er bij de Bank vóór 20 juni 2019 sprake was van subjectief gevaarsbewustzijn.\n\n6.9.. Het hof is van oordeel dat er pas op 20 juni 2019 sprake was van subjectief gevaarsbewustzijn bij een medewerker van de Bank. Op die dag onderkende deze medewerker dat er mogelijk sprake was van een vorm van fraude (zie 3.13). De medewerker heeft vervolgens hierover aan de bel getrokken, waarna nader onderzoek is verricht (zie 3.14 e.v.). De Bank heeft terecht aangevoerd dat het gevaarsbewustzijn van de betreffende medewerker nog niet meebrengt dat dit ook onmiddellijk aan de rechtspersoon, de Bank, kan worden toegerekend. Daarvoor is ten minste nodig dat degene(n) die kunnen beslissen over het al dan niet nemen van maatregelen tegen de cliënt, op de hoogte raken van de mogelijke fraude. Dat kost enige tijd. Het subjectieve gevaarsbewustzijn bij de medewerker van de Bank kan daarom pas enige tijd na 20 juni 2019 worden toegerekend aan de Bank. Op het moment dat dit gevaarsbewustzijn bij de Bank ontstond, bracht de bancaire zorgplicht mee dat de Bank nader onderzoek zou doen, en vervolgens, als zou blijken dat sprake was van fraude, handelend zou optreden en het [naam 1] onmogelijk zou maken nog langer van de rekening gebruik te maken. In de gegeven omstandigheden kan er redelijkerwijs van worden uitgegaan dat binnen vier weken na 20 juni 2019, dus uiterlijk op 18 juli 2019, het nodige nadere onderzoek had kunnen zijn afgerond.\n\n6.10.. Uit de stukken blijkt dat de bevindingen die de medewerker op 20 juni 2019 deed, zijn doorgesluisd en nader zijn onderzocht door de Bank. Daaraan is uiteindelijk door de Bank de conclusie verbonden dat er kort gezegd geen Wwft-risico werd gezien, maar dat mogelijk een privérekening zakelijk werd gebruikt. Daarover is in augustus 2019 contact opgenomen met [naam 1] . Het daarop volgende gesprek heeft ertoe geleid dat [naam 1] de bankrekening op 23 augustus 2019 opzegde. Volgens de Bank heeft zij pas na maart 2020 vernomen dat [naam 1] werknemersfraude had gepleegd.\n\n6.11.. Indien in de periode na 20 juni 2019 correct onderzoek was gedaan door de Bank als bedoeld in rov. 6.9, zou aan het licht zijn gekomen dat er voor het betalingsverkeer op de rekening van [naam 1] - de stortingen en de overmakingen vanaf de BNG-rekening van […] naar hem privé, gevolgd door contante opnames korte tijd later gedurende een periode van twaalf jaar - geen goede verklaring was en dat alles erop wees dat er sprake was van fraude. Dan zou zijn ontdekt dat […] de werkgever van [naam 1] was (zoals [naam 1] op 22 augustus 2019 ook aan de Bank heeft verklaard, vgl. 3.18) en dat het patroon van overmakingen - zeker zoals zich dat na begin 2018 manifesteerde, toen in anderhalf jaar tijd circa € 3,5 miljoen via de ABN-rekening van [naam 1] verdween - niet duidde op salarisbetalingen aan [naam 1] , maar op illegale onttrekkingen van gelden van een overheidslichaam. Gevoeglijk kan daarom worden aangenomen dat onmiddellijk na afronding van een correct onderzoek als bedoeld in rov. 6.9 nog diezelfde dag [naam 1] in ieder geval zou zijn verhinderd nog langer van zijn bankrekening gebruik te maken en dat waarschijnlijk ook de relatie met [naam 1] zou zijn beëindigd. Dit had uiterlijk op 18 juli 2019 moeten gebeuren. De Bank is aldus te verwijten dat zij in de periode na 20 juni 2019 heeft nagelaten correct onderzoek te doen, waardoor zij [naam 1] niet voor 19 juli 2019 heeft verhinderd nog langer van de bankrekening gebruik te maken. Daarmee heeft zij onrechtmatig gehandeld jegens […] . Als het onderzoek correct zou zijn uitgevoerd, zou […] vanaf 19 juli 2019 geen schade meer hebben geleden. Zodoende is de Bank aansprakelijk voor de schade die […] heeft geleden tussen 19 juli 2019 en het beëindigen van de ABN-rekening op 23 augustus 2019.\n\n6.12.. De vordering van […] is in tijd begrensd tot de laatste frauduleuze overboeking van [naam 1] vanaf de ABN-rekening op 6 augustus 2019. De vraag of de Bank na 23 augustus 2019 BNG en\u002Fof […] van haar toen aan het licht gekomen bevindingen ten aanzien van [naam 1] op de hoogte had moeten stellen (en zo meer schade voorkomen had kunnen worden), hoeft daarom niet beantwoord te worden. Ook de betwisting van de Bank van de stelling van […] dat de Bank eind augustus 2019 haar huisbank BNG heeft geïnformeerd over [naam 1] , is voor de beoordeling daarom niet relevant.\n\n6.13.. Het voorgaande betekent dat de grieven 1 en 2 in het principale appel van […] falen en dat de eerste grief in het incidentele appel van de Bank slaagt.\n\nEigen schuld\n\n6.14.. De tweede grief in het principaal appel en de tweede grief in het incidenteel appel richten zich tegen het oordeel van de rechtbank dat […] 80% eigen schuld heeft. Volgens […] is dat percentage te hoog, terwijl de Bank betoogt dat […] 100% eigen schuld heeft. Beide grieven falen. De fraude door [naam 1] was weliswaar enigszins verhuld, maar dat is doorgaans het geval. Dat er sprake was van een ingenieuze fraude, zoals door […] onder verwijzing naar het rapport van [naam 2] is betoogd, kan het hof niet onderschrijven. Niet goed valt in te zien waarom bij […] twaalf jaar lang niet aan het licht is gekomen dat door [naam 1] contant geld van de kantine werd weggesluisd en daarna dat door hem facturen dubbel werden betaald. Een en ander duidt erop dat de voor een correcte bedrijfsvoering vereiste interne controlemechanismen ofwel er niet waren ofwel ernstig hebben gefaald. Ook de eigen accountant heeft dit kennelijk niet ontdekt. Het feit dat deze inmiddels voor een bedrag van bijna € 1 miljoen een schikking heeft getroffen met […] (zie 5.1), duidt erop dat ook het externe toezicht, waarvoor […] richting de Bank heeft in te staan, gebrekkig was. Het is […] dan ook aan te rekenen dat er in totaal meer dan € 4,5 miljoen (dit betreft alleen de girale overschrijvingen, dus zonder de contante geldstortingen) naar een privérekening van een eigen medewerker is gevloeid, zonder dat dit kennelijk ooit tot vragen heeft geleid. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat daarom 80% van de schade voor eigen rekening van […] dient te blijven. De billijkheidscorrectie vergt in dit geval geen andere verdeling.\n\n6.15.. Het voorgaande leidt tot het volgende. Tussen 18 juli 2019 en 6 augustus 2019 is vanaf de BNG rekening door [naam 1] in drie keer een bedrag van in totaal € 71.069,04 overgeboekt (€ 18.988,52 op 2 augustus 2019, € 24.974,40 op 5 augustus 2019 en € 27.106,12 op 6 augustus 2019; vgl. productie 10 bij inleidende dagvaarding). Daarvan blijft 80% voor eigen rekening van […] , zodat de Bank haar in hoofdsom € 14.213,81 moet vergoeden. De wettelijke rente over 20% van de genoemde deelbedragen is verschuldigd vanaf respectievelijk 2 augustus 2019, 5 augustus 2019 en 6 augustus 2019.\n\nKosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid\n\n6.16.. Tot slot is er nog discussie over de kosten voor vaststelling van schade en aansprakelijkheid. Volgens […] hebben die meer dan € 500.000,00 bedragen. In haar vierde grief in het principaal appel stelt zij dat de rechtbank daar ten onrechte een korting op heeft toegepast. De Bank betoogt in haar derde grief in het incidenteel appel dat zij niet aansprakelijk is voor deze kosten.\n\n6.17.. \n\nUit de stukken blijkt dat de gevorderde kosten zien op:\n\n(1) het onderzoek van BDO naar de werkwijze van [naam 1] en de omvang van de door hem gepleegde fraude (€ 291.569,25);\n\n(2) de aansturing, begeleiding, advisering en ondersteuning van BDO (€ 27.664,75 + (een deel van) € 8.250,00);\n\n(3) het herstellen van de eigen administratie (€ 81.450,00 en (een deel van) € 8.250,00) en\n\n(4) het (extra) werk van eigen werknemers (€ 144.500,00).\n\n6.18.. Voor zover de kosten zien op de omvang van de door [naam 1] gepleegde fraude, komen deze in beginsel voor vergoeding in aanmerking. Tegelijkertijd heeft wat betreft de Bank te gelden dat zij alleen aansprakelijk is voor de overmakingen vanaf de BNG-rekening naar de rekening van [naam 1] bij haar. Naar mag worden aangenomen is dit betrekkelijk eenvoudig en zonder veel kosten te achterhalen. Er hoeft immers alleen geïnventariseerd te worden hoeveel geld er naar de ABN-rekening van [naam 1] is overgemaakt. In het licht hiervan zijn de hoge kosten voor het onderzoek van BDO naar de omvang van de fraude en voor de aansturing, begeleiding, advisering en ondersteuning van BDO niet redelijkerwijs noodzakelijk en niet in die omvang aan de Bank toe te rekenen. In het licht van de betwisting door de Bank, is maar een beperkt bedrag toewijsbaar. Het hof zal dit schatten en en verdisconteren in een (totaal)bedrag als hierna onder 6.21 te melden.\n\n6.19.. Een aanzienlijk deel van de kosten van BDO ziet op het door […] geëntameerde onderzoek naar hoe de fraude (zo lang) heeft kunnen voortduren en naar waar haar interne processen hebben gefaald. Een en ander is weliswaar door de fraude aan het licht gekomen, maar is niet veroorzaakt door de fraude. Dit is dan ook geen schade die in causaal verband staat tot de fraude, zodat die reeds daarom niet voor vergoeding in aanmerking komt.\n\n6.20.. Wat betreft de schade die samenhangt met het herstel van de eigen administratie en met het daaruit voortvloeiende extra werk voor eigen werknemers heeft te gelden dat deze kosten strikt genomen niet zijn aan te merken als kosten in de zin van artikel 6:96 lid 2 BW. Dit laat echter onverlet dat zij als gevolgschade op de voet van artikel 6:95 lid 1 BW voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. Tegelijkertijd is van belang dat de Bank maar voor een fractie van de totale schade van meer dan € 4,5 miljoen (dus circa 0,33%) is aan te spreken. Weliswaar is aannemelijk dat door de lange duur en de omvang van de fraude, de reconstructie van de administratie kostbaar zal zijn geweest, maar ook hier geldt dat de Bank door […] slechts voor 20% is aan te spreken voor het verdwijnen van ruim € 70.000,00 en niet voor de reconstructie van de administratie in de periode tot 18 juli 2019. Daarbij gaat het bovendien om bedragen die zijn verdwenen net voordat in september 2019 bij […] de fraude aan het licht kwam. In een lopend boekjaar is zoiets in beginsel betrekkelijk eenvoudig administratief te herstellen. De door […] in dit kader gevorderde bedragen van € 81.450,00 voor de werkzaamheden van JPD Financiën & Advies voor het herstel van de administratie en in totaal € 144.500,00 voor extra werk van eigen werknemers, wat daar verder ook van zij, oordeelt het hof dan ook niet in verhouding staan tot het bedrag waarvoor de Bank door […] is aan te spreken. Er is geen sprake van in redelijkheid gemaakte kosten. Ook hier is maar een beperkt bedrag toewijsbaar.\n\n6.21.. Alles in ogenschouw nemend, oordeelt het hof voor het vaststellen van de omvang van de fraude en het herstel van de eigen administratie een bedrag van € 1.000,00 als schadevergoeding redelijk. Daarbij heeft het hof ermee rekening gehouden dat ook hier de Bank voor slechts 20% van de schade aansprakelijk is.\n\n6.22.. De derde grief van de Bank in het incidenteel appel slaagt aldus deels en de vierde grief van […] in het principaal appel faalt. Het hof merkt hierbij op dat tegen de afwijzing door de rechtbank van de door […] in eerste aanleg gevorderde buitengerechtelijke incassokosten van € 8.197,75 geen grief is gericht.\n\nSlotsom, kosten en bewijsaanbod\n\n6.23.. Het hoger beroep heeft succes. De eerste en de derde grief in het incidenteel appel van de Bank slagen. Het eindvonnis wordt (gedeeltelijk) vernietigd in die zin dat de Bank zal worden veroordeeld tot betaling aan […] van in hoofdsom € 14.213,81, te vermeerderen met wettelijke rente als na te bepalen en tot € 1.000,00 wegens kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. De toewijsbaarheid van deze bedragen wordt niet geraakt doordat […] in hoger beroep haar eis heeft verminderd met circa € 1,1 miljoen. Het tussenvonnis van 26 april 2023 zal worden bekrachtigd.\n\n6.24.. Het hof ziet geen aanleiding om partijen toe te laten tot bewijslevering, omdat geen bewijs is aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden.\n\n6.25.. De vordering van […] wordt grotendeels afgewezen. […] zal daarom als de voornamelijk in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van beide instanties. Het hof stelt de proceskosten als volgt vast:\n\nVoor de eerste aanleg:\n\n- griffierecht € 8.519,00\n\n- salaris advocaat € 15.249,50tarief VIII, 3,5 punten)\n\nTotaal € 23.768,50\n\nVoor het principaal hoger beroep:\n\n- griffierecht € 13.124,00\n\n- salaris advocaat € 13.218,00 (tarief VIII, 2 punten)\n\nTotaal € 26.342,00\n\nVoor het incidenteel hoger beroep:\n\n- salaris advocaat € 6.609,00 (tarief VIII, 0,5 x 2 punten)\n\n7. Beslissing\n\nHet hof:\n\n7.1.. vernietigt het eindvonnis van 8 mei 2024,\n\nen doet opnieuw recht:\n\n7.2.. veroordeelt de Bank om aan […] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen:\n\n- een bedrag van € 14.213,81, te vermeerderen met de wettelijke rente over 20% van € 18.988,52 vanaf 2 augustus 2019, van € 24.974,40 vanaf 5 augustus 2019 en van € 27.106,12 vanaf 6 augustus 2019,\n\n- alsmede een bedrag van € 1.000,00,\n\n7.3.. bekrachtigt het tussenvonnis van 26 april 2023,\n\n7.4.. veroordeelt […] in de proceskosten in beide instanties, tot nu aan de zijde van de Bank voor de eerste aanleg vastgesteld op € 23.768,50 en voor het principaal en het incidenteel hoger beroep op respectievelijk € 26.342,00 en € 6.609,00,\n\n7.5.. verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,\n\n7.6.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. M.M. Kruithof, M.A.M. Vaessen en D. Busch en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1827","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:11.014Z",{"id":55,"ecli":56,"slug":57,"caseNumber":44,"courtId":58,"decisionDate":46,"fullText":59,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":52,"updatedAt":62},"902","ECLI:NL:RBNNE:2026:2689","ecli-nl-rbnne-2026-2689",80,"RECHTBANK Noord-Nederland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Assen\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F19\u002F154149 \u002F HA RK 25-62\n\nBeschikking van 7 juli 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoekster],\n\nte [woonplaats] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoekster] ,\n\nadvocaat: mr. S.B.W. du Plessis,\n\ntegen\n\n1. STICHTING SANQUIN BLOEDVOORZIENING,\n\nte Amsterdam, 2.AXA XL,\n\nte Amsterdam,\n\nverwerende partijen,\n\nhierna samen te noemen: Sanquin c.s.,\n\nadvocaat: mr. J. Kruijswijk Jansen.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift van 13 november 2025 met producties 1 tot en met 13;\n\n- het verweerschrift van 10 februari 2026 met producties 1 tot en met 17;\n\n- de mondelinge behandeling van 9 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;\n\n- de spreekaantekeningen van mr. Du Plessis.\n\n1.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Op 14 december 2021 heeft [verzoekster] voor de eerste maal bloed gedoneerd en wel op de afnamelocatie van Sanquin in [plaats] . Na afloop van de donatie heeft [verzoekster] plaatsgenomen op een stoel in het donorcafé. Het donorcafé is de koffieruimte die in de hoek van de bloedafnameruimte is ingericht, op enkele meters afstand van de bloedafnamebedden. De rechtbank verwijst naar onderstaande overzichtsfoto waarop de bloedafnamebedden te zien zijn en achter een houten afscheidingswand het donorcafé.\n\n2.2.. \n\nIn het donorcafé was, naast [verzoekster] , een vrijwilligster van Sanquin aanwezig om\n\n- onder meer - eten en drinken voor de donoren te verzorgen.\n\n2.3.. \n [verzoekster] is flauwgevallen op enig moment nadat zij is gaan zitten in de donkere stoel aan de rechterkant (zie onderstaande afbeelding). Zij is vervolgens met stoel en al omgevallen. Hierbij heeft zij een incomplete dwarslaesie opgelopen.\n\n2.4.. \n [schaderegelingsbureau] heeft op verzoek van Sanquin een toedrachtsonderzoek uitgevoerd en de betrokken personen gehoord. Het rapport is verschenen op 13 juni 2022.\n\n2.5.. \n\nDe vrijwilligster heeft op 2 juni 2022 de volgende verklaring afgelegd bij [schaderegelingsbureau] :\n\n“ (…)\n\nAls vrijwilligster bied ik alle donoren actief wat te drinken aan en wijs ze ook op de snacks die liggen op de koffietafel. Ik ga ervan uit dat ik ook mevrouw [verzoekster] actief wat heb aangeboden om te eten en te drinken.\n\nZeker weten doe ik het niet, maar ik vermoed van wel. Immers, op het moment dat zij viel stond ik met mijn rug naar haar toe en was bezig met de koffieautomaat. Het kan bijna niet anders dat ik toen hetgeen zij wilde hebben, heb bereid met de koffieautomaat. Ik ga er derhalve vanuit dat ik haar actief wat heb aangeboden en zij ook wat gevraagd heeft om te drinken.\n\n(…)\n\nU vraagt wat ik mij nog kan herinneren van hetgeen er gebeurd is.\n\nZoals ik u net verteld heb was ik aanwezig in het donorcafé en had ik mevrouw [verzoekster] gevraagd of zij wat wilde drinken. Zij heeft toen waarschijnlijk \"ja\" gezegd want ik was bezig met de koffieautomaat. Op het moment dat ik bezig was met de koffieautomaat, en dus met mijn rug naar haar toestond, hoorde ik een hele diepe zucht. Ik draaide mij om en zag haar toen zitten in een vreemde houding. Die houding zie ik nog wel eens voor mij (in gedachten). Zij zat op de locatie waar nu de paarse stoel staat in het donorcafé, zat met haar rechterbeen over de rechter leuning en haar beide handen voor het gezicht. Exact dezelfde houding als mijn collega nu voordoet en waarvan u de foto maakt (zie afbeelding 3, aanvulling rechter). Op hetzelfde moment dat ik omkeek en haar zo zag zitten, zag ik haar naar rechts (de kant waar zij het been over de leuning had hangen) wegzakken, ik liep\u002Frende de drie tot vier meter vanaf mijn locatie naar haar toe. In die korte periode (enkele seconden) zakte mevrouw [verzoekster] echter verder wegover haar rechterzijkant en kantelde de stoel. Op het moment dat ik bij haar was heb ik nog getracht de stoel tegen te houden door de linker leuning te grijpen maar ik was net te laat. De stoel viel op de rechterzijkant en mevrouw [verzoekster] viel mee. Zij viel echter niet op haar rechterzijkant maar doordat zij gedraaid zat in de stoel (doordat haar been over de leuning lag) viel zij op haar linkerarm\u002Flinkerschouder in dezelfde positie als dat mijn collega nu gaat liggen (zie afbeelding 4, aanvulling rechter). Ik heb geen geluid gehoord dat een stoel werd verplaatst of voor- of achteruit werd geschoven. Toen ik naar de donor toe rende heb ik direct mijn collega's geroepen. Daarop kwamen [naam 1] en [naam 2] aan rennen. [naam 1] was iets eerder hier dan [naam 2] . Beiden waren namelijk nog werkzaam in de afnameruimte met opruimwerkzaamheden na de donaties.\n\n(…)\n\nZelf ben ik hier al vijf jaar werkzaam als vrijwilliger en ik denk dat ik het in die hele periode maximaal drie- tot viermaal heb meegemaakt. Meestal, indien ik zie dat het met donoren in het donorcafé niet goed gaat, roep ik een van de donorassistenten en wordt een donor retour gebracht naar een afnamebed.”\n\n(…)”\n\nAfbeelding 3\n\nAfbeelding 4\n\n2.6.. \n\n [donorassistente 1] heeft bloed afgenomen bij [verzoekster] . Zij heeft op 2 juni 2022 de volgende verklaring afgelegd.\n\n“(…)\n\nNa donatie\n\n(…)mevrouw [verzoekster] had nergens last van. Zij gaf aan dat het goed ging, had ook na de donatie “kleur”in haar gezicht en ik ben met haar naar de houten afscheidingswand gelopen. Vervolgens heeft zij het laatste deel naar de koffietafel (twee meter) zonder mij gelopen. Ik ben vervolgens verder gegaan met mijn werkzaamheden in de afnameruimte.\n\nIncident\n\nOp het moment dat ik bezig was met de opruimwerkzaamheden hoorde ik een harde “boem” en riep de vrijwilligster \u002F koffiedame om hulp.\n\n(…)”\n\n2.7.. \n\n [donorassistente 2] heeft op 2 juni 2022 het volgende verklaard:\n\n“(…)\n\nIncident\n\n(…)\n\nHet incident (de val) heb ik niet gezien. Ik was werkzaam op de afnameafdeling, hoorde een val en vrijwel direct hoorde ik dat de vrijwillgster om hulp riep. Ik ben toen snel naar de koffietafel gerend, samen met [naam 2] .\n\n(…)\n\nToedracht\n\n(…)\n\nDe donor vertelde (…) dat zij aan de koffietafel was gaan zitten, zich niet lekker voelde en met haar hoofd tussen de armen op tafel was gaan liggen. Hoe zij gevallen was, wist zij niet.\n\n(…)”\n\n2.8.. \n\n [verzoekster] heeft op 15 juni 2022 de volgende verklaring afgelegd bij [schaderegelingsbureau] :\n\n“(…)\n\nNadat de naald verwijderd was heb ik even schuin wat naar de tv gekeken die hing in de afnameruimte en na ongeveer een minuutje ben ik naar de koffietafel gelopen; alleen. Tijdens dat lopen van de grote stoel naar de koffietafel, voelde ik me raar: ik had een vaag gevoel in mijn lijf. Ik ben gaan zitten op een van de stoelen die aan de koffietafel stond en keek in de richting van de uitgang van de koffiekamer (…). Er was een dame aanwezig in de koffiekamer, die stond met haar rug naar mij toe bij de koffieautomaat.\n\nU vraagt of dat een medewerkster was van Sanwuin dan wel een donor.\n\nDat weet ik niet. Ik heb geen woord met haar gewisseld.\n\n(…)\n\nCafé\n\nIn de koffiekamer\u002Fdonorcafe liggen op de tafel veel koeken. (…)\n\nVan mijn werkgever (het Rode Kruis) hadden wij, ter voorbereiding op de kerst, een grote\n\nTony's Chocolonely chocoladereep meegekregen. Ik heb die uit mijn tas gepakt, brak een stukje af en at. Ik weet nog dat het de smaak 'puur' had terwijl ik liever melkchocolade had. Ik voelde mij niet happy en steeds leger worden. Bij het Rode Kruis heb ik geleerd dat ik mij in dergelijke situaties voorover op een tafel moet gaan leggen waarbij mijn handen gekruist onder mijn hoofd. In die houding ben ik ook op de tafel gaan liggen in het donorcafé. Toen ging 'het licht uit'.\n\n(…)”\n\n2.9.. Het door Sanquin opgestelde “profiel vrijwilliger op afnamelocatie” (hierna: het profiel) luidt als volgt:\n\n“Profiel vrijwilliger op afnamelocatie\n\nWERKZAAMHEDEN\n\nDe taken van de vrijwilliger op een afnamelocatie van Sanquin zijn divers en worden per keer dat de vrijwilliger aanwezig is afgestemd met de teamleider inzameling van Sanquin en\u002Fof de vrijwilligerscoördinator (zelf ook een vrijwilliger). Het vrijwilligerswerk op de afnamelocatie omvat onder andere de volgende activiteiten:\n\n het verwelkomen van donors op de afnamelocatie\n\n het verzorgen van koffie, thee en versnaperingen voor donors\n\n het op orde houden van het donorcafé\n\n het verstrekken van schriftelijk informatiemateriaal\n\n het doorverwijzen naar een medewerker van de bloedbank als een donor\n\ninhoudelijke vragen heeft\n\n het inschakelen van een medewerker van de bloedbank als een donor onwel wordt.\n\n(…)\n\nSanquin verwacht van de vrijwilliger dat zij\u002Fhij:\n\n enthousiast, betrokken en flexibel is\n\n goede sociale vaardigheden en een servicegerichte instelling heeft\n\n verantwoordelijkheidsgevoel heeft en zorgvuldig en oplettend handelt\n\n een 'vrijwillig maar niet vrijblijvend'-mentaliteit heeft”.”\n\n2.10.. Het Handboek Domaine is de weergave van het eindresultaat van een onderzoeksproject onder bloedbanken naar donormanagement (DonorManagement in Europe). In het handboek van 2010 staat onder meer het volgende vermeld:\n\n“(…)\n\nDe donor observeren tijdens en na de donatie, (…) ervoor zorgen dat de donor zich helemaal goed voelt als hij de locatie verlaat. Het is belangrijk dat verpleegkundigen, donorassistenten en vrijwilligers de donor na zijn donatie goed in de gaten houden.\n\n(…)\n\n2.11.. In de ten tijde van de bloeddonatie geldende 20e editie van de WDQM Blood Guide van de Raad van Europa (hierna Blood Guide) staan geen regels opgenomen over het aanbieden of drinken van water en\u002Fof (na)zorg voor donoren.\n\n2.12.. \n [verzoekster] heeft Sanquin aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade. Sanquin heeft de aansprakelijkheid afgewezen.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. \n [verzoekster] verzoekt de rechtbank bij wijze van deelgeschil in de zin van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv):\n\n1. voor recht te verklaren dat Sanquin tekort is geschoten in de nakoming van de (behandel)overeenkomst (artikel 7:446 BW en\u002Fof 6:74 BW) dan wel onrechtmatig jegens [verzoekster] heeft gehandeld (artikel 6:162 BW) en aansprakelijk is voor het [verzoekster] overkomen ongeval en Sanquin c.s. gehouden zijn de reeds geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade aan [verzoekster] te vergoeden;\n\n2. de kosten van [verzoekster] zoals bedoeld in artikel 1019 aa Rv te begroten op het onder V.2 (randnummer van het verzoekschrift, aanvulling rechter)begrote bedrag, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, en Sanquin c.s. te veroordelen – uitvoerbaar bij voorraad – dat de begrote kosten binnen 14 dagen na dagtekening van de beschikking moeten worden voldaan op rekening [rekeningnummer] ten name van Du Plessis Letselschade Advocatuur B.V. en te verklaren voor recht dat de wettelijke rente zonder aanzegging verschuldigd zal zijn als niet binnen deze termijn is voldaan.\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n [verzoekster] is flauwgevallen in het donorcafé waar zij plaats had genomen om aan te sterken na haar bloeddonatie. Zij is met stoel en al op de grond gevallen en heeft hierdoor een incomplete dwarslaesie opgelopen. De rechtbank is van oordeel dat Sanquin aansprakelijk is voor de schade die [verzoekster] heeft geleden, omdat Sanquin onvoldoende (na)zorg heeft geboden. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij tot dit oordeel is gekomen.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. \n [verzoekster] heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv. In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen.\n\n4.2.. De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van dood of letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de rechtbank eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv).\n\n4.3.. \n [verzoekster] wenst de aansprakelijkheidsvraag bij deelgeschil voor te leggen, omdat partijen buiten rechte in staat zullen zijn de zaak verder te behandelen en de schade te begroten.\n\n4.4.. In dit geval verschillen partijen – kort gezegd – van mening over of Sanquin aansprakelijk is of niet. Met een oordeel hierover kan de ontstane impasse tussen partijen worden doorbroken en kunnen de onderhandelingen in principe worden voortgezet. Dit betekent dat de rechtbank het verzoek inhoudelijk zal bespreken.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\n4.5.. Aan het verzoek heeft [verzoekster] - samengevat - ten grondslag gelegd dat Sanquin niet heeft voldaan aan haar zorgplicht, namelijk de plicht om het risico voor donoren zo klein mogelijk te maken. Op het moment dat het ongeluk gebeurde bevonden alleen [verzoekster] en een vrijwilligster van Sanquin zich in het donorcafé. De vrijwilligster fungeerde als koffiedame en had als taak om, naast het verzorgen van eten en drinken voor de donoren, de donoren goed in de gaten te houden. Dat heeft de vrijwilligster volgens [verzoekster] niet gedaan. De vrijwilligster stond met de rug naar haar toe en daardoor heeft zij niet op tijd gezien dat [verzoekster] niet lekker werd. Ook de donorassistentes hebben niets gezien; zij hadden geen zicht op [verzoekster] door de scheidingswand. Sanquin had extra alert moeten zijn vanwege het risico op flauwvallen en verscherpt toezicht moeten houden omdat [verzoekster] een vrouw is en voor het eerst doneerde. [verzoekster] valt in de risicocategorie met een verhoogde kans op flauwvallen na meer dan 15 minuten na de donatie. Volgens [verzoekster] is haar ook geen drinken aangeboden voorafgaand en na de donatie, terwijl Sanquin op haar website donoren adviseert om water te drinken om flauwvallen te voorkomen. Dat dit helpt, blijkt ook uit een studie van Sanquin die zij op haar website heeft gepubliceeerd. Tot slot stelt [verzoekster] dat volgens het Domaine Handboek de ruimte zo moet zijn ingericht dat de veiligheid van zowel donoren als personeel gewaarborgd is. Er zijn geen relaxfauteuils geplaatst door Sanquin, danwel fauteuils die een stuk zwaarder zijn dan de stoelen op 4 hoge poten die gemakkelijk kunnen omvallen.\n\n4.6.. \n\nSanquin c.s. verzetten zich tegen toewijzing van het verzoek en voeren daartoe\n\n- samengevat - het volgende aan. Volgens Sanquin c.s. is sprake geweest van een ongelukkige samenloop van omstandigheden. Sanquin heeft haar zorgplicht nageleefd en heeft alles gedaan zoals het hoort. Volgens Sanquin kon zij dit ongeval redelijkerwijs niet voorzien en ook niet voorkomen. Er is gehandeld als goed hulpverlener conform de wet- en regelgeving, de professionele standaard en de kwaliteitsstandaard. Ook alle Standard Operating Procedures (hierna: sop’s) zijn nageleefd. Volgens Sanquin c.s. heeft de vrijwilligster [verzoekster] in de gaten gehouden en direct geacteerd toen de vasovagale reactie (het flauwvallen) zich aandiende. Ze stond weliswaar met haar rug naar [verzoekster] toe omdat ze drinken voor [verzoekster] aan het bereiden was, maar voordat de koffie bereid was viel [verzoekster] al op de grond. Toen de vrijwilligster haar zucht hoorde die de val inluidde, is zij meteen naar [verzoekster] toegesneld. Volgens Sanquin valt niet in te zien wat de vrijwilligster redelijkerwijs anders had kunnen doen om de val te voorkomen. Uit het opgestelde profiel blijkt dat de taak van de vrijwilligers – onder andere – is om een medewerker in te schakelen als een donor onwel wordt en dat heeft de vrijwilligster ook gedaan. Zij heeft gelijk om hulp geroepen toen zij [verzoekster] zag wegzakken. Verder is er wel degelijk actief drinken aangeboden na de bloedafname op het bed en vervolgens in het donorcafé. [verzoekster] behoorde niet tot een risicogroep.\n\n4.7.. De rechtbank oordeelt als volgt. Het gaat in deze zaak in de kern om de vraag of Sanquin tekort is geschoten in de zorgplicht die zij jegens [verzoekster] in acht moest nemen. De rechtbank stelt bij de beantwoording van deze vraag voorop dat niet in geschil is dat de vrijwilligster in het donorcafé de taak heeft om de donoren iets te eten en te drinken aan te bieden zodat zij na de donatie kunnen aansterken. Evenmin is in geschil dat de kans bestaat dat een donor dan alsnog flauwvalt.\n\n4.8.. De rechtbank is van oordeel dat van Sanquin mag worden verwacht dat zij voldoende toezicht houdt op de donoren nadat de donatie heeft plaatsgevonden en dat zij voldoende maatregelen neemt om ongevallen te voorkomen, ondanks het feit dat het flauwvallen in de donorruimte minder vaak voor komt dan direct na de donatie en de gevolgen van het flauwvallen over het algemeen niet zo ernstig zijn als in deze zaak. Partijen zijn het erover eens dat de vrijwilligster de taak heeft om “op te letten”, maar het is de vraag of dat in voldoende mate is gedaan. Beoordeeld moet worden of Sanquin meer had kunnen en moeten doen dan ze nu gedaan heeft, zodat het ongeval dat heeft plaatsgevonden mogelijk voorkomen had kunnen worden.\n\n4.9.. Uit de diverse verklaringen die bij [schaderegelingsbureau] zijn afgelegd over de toedracht van het ongeval kan met voldoende mate van zekerheid het volgende worden afgeleid. [verzoekster] heeft de laatste meters vanaf de scheidingswand naar de stoel alleen afgelegd en is door de donorassistente niet bij de scheidingswand bij de vrijwilligster geïntroduceerd. [verzoekster] wist dan ook niet dat de enige andere aanwezige in de koffieruimte een vrijwilligster van Sanquin was en wat [verzoekster] van deze koffiedame kon en mocht verwachten. Volgens [verzoekster] stond de vrijwilligster met de rug naar haar toe toen zij in het donorcafé kwam en is er geen contact geweest met haar. De vrijwilligster heeft zelf ook verklaard dat ze met de rug naar [verzoekster] toe stond omdat zij met het koffiezetapparaat bezig was. De vrijwilligster ging er weliswaar vanuit gaat dat ze actief wat te drinken heeft aangeboden, maar zeker weten deed ze dat niet. Er zijn onvoldoende aanwijzingen dat ze dit daadwerkelijk heeft gedaan. Dat de vrijwilligster met het koffiezetapparaat “bezig was” hoeft immers nog niet te betekenen dat ze koffie aan het bereiden was voor [verzoekster] . Ze naderde het eind van haar dienst en was mogelijk bezig om alles netjes achter te laten. Uit de verklaring van [verzoekster] kan worden afgeleid dat zij nadat ze had plaatsgenomen nog een reep chocola uit haar tas heeft gepakt en dat ze één of meerder minuten later voorover is gaan zitten met haar hoofd op haar handen, omdat ze zich niet lekker voelde. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoekster] verklaard dat ze de koffiedame niet heeft benaderd toen ze zich niet lekker voelde, omdat ze niet wist wat ze van haar kon verwachten. Vaststaat dat de vrijwilligster niet heeft gezien dat [verzoekster] een reep chocolade pakte, zich vervolgens niet goed voelde, noch dat zij van houding veranderde in haar stoel. Zij heeft ook niet opgemerkt dat [verzoekster] mogelijk zou flauwvallen. De vrijwilligster heeft over de toedracht van het ongeval eerst verklaard dat zij met de rug naar het koffiezetapparaat stond op het moment dat [verzoekster] viel. Hierna heeft zij verklaard dat zij zich heeft omgedraaid op het moment dat zij een zucht hoorde en dat zij nog geprobeerd heeft om de stoel tegen te houden zodat hij niet om zou vallen. Vaststaat in ieder geval dat de vrijwilligster pas om hulp heeft geroepen nadat [verzoekster] al op de grond lag. De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat van actief opletten van de vrijwilligster geen sprake is geweest. Dat Sanquin dit wel van de vrijwilligster verwachtte en de instructie heeft gegeven dat zij actief moest opletten is de rechtbank niet gebleken. In het profiel van de vrijwilliger op locatie staat slechts beschreven dat een medewerker van de bloedbank moet worden ingeschakeld als een donor onwel wordt. Er staat niet in het profiel beschreven dat een vrijwilliger moet letten op tekenen die erop kunnen wijzen dat een donor onwel wordt. Het verweer van Sanquin dat de vrijwilligster niet anders kon dan met de rug naar [verzoekster] toe staan omdat zij bezig was met het koffiezetapparaat wordt gepasseerd. Sanquin had de beschikbare ruimte voor donoren anders kunnen inrichten of thermoskannen met koffie en thee op tafel kunnen plaatsen. Daarnaast had Sanquin de vrijwilligster duidelijker kunnen en moeten wijzen op haar taak dat zij actief moest letten op de donor. De vrijwilligster was door de geplaatste scheidingswand namelijk de enige die zicht kon hebben op [verzoekster] tijdens haar herstel in het donorcafé. Dit geldt temeer omdat [verzoekster] voor de eerste maal bloed doneerde, dus onbekend was met de situatie\u002Fpersonen ter plaatse en er stoelen in de ruimte waren geplaatst die kennelijk zo instabiel waren dat ze in het geval van flauwvallen konden omvallen.\n\n4.10.. De rechtbank passeert het verweer van Sanquin dat het Domaine handboek verouderd is en dat zij alles heeft gedaan wat zij moest doen omdat zij aan alle geldende wet- en regelgeving heeft voldaan, dat zij de professionele standaard en de kwaliteitsstandaard heeft nageleefd en ook alle sop’s. Dit ontneemt haar namelijk niet de plicht om voldoende (na)zorg te bieden aan donoren die bloed geven of hebben gegeven en kans hebben om flauw te vallen. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot het oordeel dat Sanquin tekort is geschoten in de nakoming van haar zorgplicht jegens [verzoekster] . Zij is aansprakelijk op grond van artikel 6:74 BW, omdat geen sprake is van een behandelrelatie.\n\n4.11.. De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten.\n\n4.12.. Bij de begroting van de kosten moet de rechtbank de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) in aanmerking nemen. Daarbij moet de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.\n\n4.13.. \n\n [verzoekster] maakt, na vermeerdering van haar vordering ter zitting, aanspraak op € 8.942,50 inclusief btw, te vermeerderen met het griffierecht van € 320,-.\n\nSanquin c.s. hebben geen (afzonderlijk) verweer gevoerd tegen het uurtarief. Met betrekking tot het aantal uren hebben Sanquin c.s. in het verweerschrift aangevoerd dat 14,5 uur voor andere werkzaamheden dan het opstellen van het verzoekschrift bovenmatig is en dat de kosten voor het opstellen van het verzoekschrift niet voor vergoeding in aanmerking komen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft mr. Du Plessis de tijd voor het bestuderen van het verweerschrift verhoogd van 4 naar 16 uren, zodat er in totaal betaling van 36,5 uren wordt gevorderd. De reden voor deze vermeerdering is dat er 669 pagina’s bestudeerd moesten worden, waarvan een groot deel in het technisch Engels was. Sanquin c.s. hebben ter zitting geen verweer gevoerd tegen de vermeerdering van de vordering met 12 uren. De kosten voor het opstellen van het verzoekschrift komen volgens Sanquin ook niet voor vergoeding in aanmerking omdat het precies hetzelfde verzoekschrift is als [verzoekster] eerder heeft ingediend, maar vervolgens heeft ingetrokken.\n\n4.14.. De rechtbank overweegt als volgt. Voor een zaak met deze omvang en complexiteit is een tijdsbesteding van 36,50 uren naar het oordeel van de rechtbank redelijk. Er zijn immers diverse verslagen, omvangrijke handboeken en Standard Operating Procedures die bestudeerd moesten worden, naast de zeer omvangrijke EDQM Blood Guide die ook nog enkel in de Engelse taal is overgelegd. Ten aanzien van de 10 gevorderde uren voor het opstellen van het verzoekschrift is niet gesteld of gebleken dat Sanquin c.s. deze uren in de ingetrokken procedure reeds vergoed heeft. De procedure is ingetrokken omdat [verzoekster] verrast werd door de omvangrijke productie die door Sanquin werd ingediend en niet meer bestudeerd kon worden. De redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de rechtbank dan ook worden begroot op 36,5 uren × € 245,00 inclusief btw, dus op € 8.942,50 inclusief btw te vermeerderen met het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 320,00.\n\n4.15.. Sanquin c.s. zullen hoofdelijk tot betaling daarvan aan [verzoekster] worden veroordeeld. Dit houdt in dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Ten aanzien van Axa heeft te gelden, in verband met het eigen risico van Sanquin van € 25.000,00, dat Axa alleen maar hoeft te betalen als de schade het bedrag van € 25.000,00 te boven gaat. Indien de één betaalt zal de ander zijn bevrijd.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n5.1.. verklaart voor recht dat Sanquin tekort is geschoten in de nakoming van haar zorgplicht en aansprakelijk is voor het [verzoekster] overkomen ongeval;\n\n5.2.. verklaart voor recht dat Sanquin c.s. gehouden is de reeds geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade aan [verzoekster] te vergoeden, met dien verstande dat Axa alleen maar gehouden is de reeds geleden en te lijden materiële en immateriële schade te vergoeden indien en voor zover de schade een bedrag van € 25.000,00 te boven gaat en indien de één betaalt de ander zal zijn bevrijd;\n\n5.3.. begroot de kosten van dit deelgeschil op € 8.942,50 inclusief btw te vermeerderen met het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 320,00 en veroordeelt Sanquin c.s. hoofdelijk tot betaling daarvan aan [verzoekster] ;\n\n5.4.. bepaalt dat de begrote kosten binnen 14 dagen na dagtekening van deze beschikking moeten worden voldaan op rekening [rekeningnummer] ten name van Du Plessis Letselschade Advocatuur B.V., te vermeerderen met de wettelijke rente tot de dag der voldoening indien de kosten niet binnen deze termijn zijn voldaan;\n\n5.5.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. J.A. Werkema en in het openbaar uitgesproken door mr. S.B. van Baalen op 7 juli 2026.\n\n 547\u002FTG","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2689","2026-07-08T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:53.788Z",{"id":64,"ecli":65,"slug":66,"caseNumber":44,"courtId":45,"decisionDate":67,"fullText":68,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":69,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":52,"updatedAt":71},"503","ECLI:NL:RBAMS:2026:6701","ecli-nl-rbams-2026-6701","2026-07-03T00:00:00.000Z","vonnis\n\nRECHTBANK AMSTERDAM\n\nAfdeling privaatrecht\n\nzaaknummer: 11957110 CV EXPL 25-15517\n\nvonnis van: 3 juli 2026\n\nfno.: 454\n\nvonnis van de kantonrechter\n\nI n z a k e\n\n [eiser] ,\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\neiser,\n\nnader te noemen: [eiser] ,\n\ngemachtigde: mr. A.E. Smink (DAS),\n\nt e g e n\n\n1. [gedaagde 1] ,\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\ngedaagde sub 1.,\n\nnader te noemen: [gedaagde 1] ,\n\n2. [gedaagde 2] ,\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\ngedaagde sub 2.,\n\nnader te noemen: [gedaagde 2] ,\n\ngedaagden gezamenlijk te noemen: [gedaagden] ,\n\ngemachtigde: mr. W.H.A.M. van den Muijsenbergh.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nde dagvaarding van 22 oktober 2025, met bijlagen;\n\nde conclusie van antwoord van [gedaagden] met bijlagen;\n\nhet instructievonnis van 19 februari 2026, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;\n\nde dagbepaling mondelinge behandeling.\n\n1.2.. \n\nDe mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 juni 2026. [eiser] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Voor [gedaagden] is dhr. [naam] (bestuurder van de Stichting MOY) verschenen met de gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, mr. Smink heeft een pleitnota voorgedragen en partijen hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. Ten slotte is vonnis gevraagd en is daarvoor een datum bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n\n [gedaagde 2] is eigenaar van het pand aan de [adres] .\n\nIn het pand worden twee onzelfstandige woonruimtes en vier zelfstandige\n\nWoonruimtes verhuurd.2.2.. De [bedrijf] was beheerder van het onroerend goed van [gedaagde 2] was (middellijk) bestuurder van de Stichting, totdat hij het bestuur van de Stichting heeft overgedragen aan zijn zoon, die zich op 16 september 2024 met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2024 bij de Kamer van Koophandel (hierna: KvK) heeft ingeschreven als bestuurder van de Stichting.2.3.. Tussen de Stichting als verhuurder en [eiser] als huurder is op 21 augustus 2023 een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot onzelfstandige woonruimte [adres] . De overeengekomen huurprijs is € 1.375,00 per maand, exclusief € 150,00 aan voorschot voor de door de Stichting te verzorgen levering voor gas, water en elektra en € 75,00 aan servicekosten. [eiser] heeft op 30 november 2023 de huurcommissie verzocht om uitspraak te doen over de redelijkheid van de overeengekomen huurprijs.\n\n2.4.. De huurcommissie heeft op 19 februari 2024 uitspraak gedaan en geoordeeld dat een huurprijs van € 448,52 per maand met ingang van 21 augustus 2023 redelijk is. Verder is de huurprijs tijdelijk verlaagd tot € 179,41 per maand wegens ernstige gebreken.2.5.. De Stichting is bij dagvaarding van 25 april 2024 een procedure (met kenmerk CV EXPL 24-5715) gestart tegen [eiser] en heeft daarin vernietiging van de uitspraak van de Huurcommissie gevorderd. In reconventie heeft [eiser] terugbetaling van de onverschuldigd betaalde huur over de periode 21 augustus 2023 tot en met juni 2024 ter hoogte van € 12.389,51 gevorderd, alsmede € 1.195,59 per maand vanaf juli 2024, vermeerderd met rente.2.6.. \n [eiser] heeft tot en met juli 2024 de overeengekomen huur van € 1.375,00 betaald Vanaf 1 augustus 2024 heeft hij maandelijks € 179,41 aan huur betaald aan de Stichting.2.7.. Op 1 oktober 2024 heeft [gedaagde 1] als bestuurder van de Stichting aan de KvK opgave gedaan van de ontbinding van de Stichting. De ontbinding is op 10 oktober 2024 geregistreerd in de KvK “omdat er geen bekende baten meer aanwezig zijn met ingang van 01-10-2024.”2.8.. Op 4 november 2024 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden in de door de Stichting gestarte procedure met kenmerk CV EXPL 24-5715. Op 3 december 2024 heeft de kantonrechter te Amsterdam vonnis gewezen en is de vordering van de Stichting in conventie afgewezen en de vordering van [eiser] in reconventie tot betaling van € 12.389,51 aan onverschuldigd betaalde huur over de periode 21 augustus 2023 tot en met juni 2024 toegewezen. Voorts is de Stichting veroordeeld tot betaling van de teveel betaalde huur van € 1.195,59 vanaf 1 juli 2024 en betaling van de proceskosten van in totaal € 879,50.2.9.. Bij e-mail van 27 maart 2025 heeft [gedaagde 1] als reactie op een verzonden sommatie van de gemachtigde van [eiser] bericht dat de Stichting is geliquideerd en dat de Stichting Refam Vastgoedbeheer & Huurgelden de nieuwe verhuurder van [eiser] is.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n [eiser] heeft in de dagvaarding veroordeling van [gedaagden] gevorderd tot betaling van € 13.310,03, vermeerderd met rente vanaf datum verzuim en betaling van de incassokosten van € 1.089,80. Voorts vordert [eiser] een verklaring voor recht dat [gedaagde 1] als formeel bestuurder en [gedaagde 2] als feitelijk, respectievelijk indirect formeel bestuurder persoonlijk aansprakelijk zijn voor de schade van [eiser] . Ter zitting heeft [eiser] de vordering verminderd tot het bedrag € 12.054,16 (€ 13.310,03 -\u002F- € 1.255,87, te weten 7 maanden huur ad € 179,41 over de periode november 2024 tot en met mei 2025).\n\n3.2.. \n [eiser] legt aan de vordering kort gezegd ten grondslag dat hij de vordering tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde huur, die door de kantonrechter bij vonnis van 3 december 2025 tegen de Stichting is toegewezen, kan verhalen op [gedaagden] omdat [gedaagde 1] als bestuurder en [gedaagde 2] als feitelijk\u002Findirect bestuurder van de Stichting zijn verhaalsmogelijkheden op onrechtmatige wijze hebben gefrustreerd. Volgens [eiser] bestaat de onrechtmatige daad uit het ten onrechte plegen van een turboliquidatie. De Stichting is geliquideerd terwijl er nog baten aanwezig waren. Het heeft er volgens [eiser] alle schijn van dat [gedaagde 2] door middel van ingewikkelde constructies met rechtspersonen een rookgordijn probeert op te werpen om zo zijn betalingsverplichtingen te ontlopen, aldus [eiser] .\n\n3.3.. \n [gedaagden] voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Tussen partijen is in geschil of – zoals [eiser] stelt, maar [gedaagden] hebben betwist – [gedaagden] misbruik maken van identiteitsverschil tussen hen in persoon en verschillende rechtspersonen. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van misbruik van identiteitsverschil is het door de Hoge Raad op 13 oktober 2000 gewezen Rainbow-arrest richtinggevend (ECLI:NL:HR:2000:AA7480). De in dit arrest verwoorde maatstaf is bevestigd in het arrest van de Hoge Raad van 7 oktober 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2285).\n\n4.2.. De Hoge Raad heeft in het Rainbow-arrest vooropgesteld dat door degene die (volledige of overheersende) zeggenschap heeft over twee rechtspersonen misbruik kan worden gemaakt van het identiteitsverschil tussen deze rechtspersonen en dat hetgeen met zodanig misbruik werd beoogd, in rechte niet hoeft te worden gehonoreerd. Het maken van zodanig misbruik zal volgens de Hoge Raad in de regel moeten worden aangemerkt als een onrechtmatige daad, die verplicht tot het vergoeden van de schade die door het misbruik aan derden wordt toegebracht. Deze verplichting tot schadevergoeding zal dan niet alleen rusten op de persoon die met gebruikmaking van zijn zeggenschap de betrokken rechtspersonen tot medewerking aan dat onrechtmatig handelen heeft gebracht, maar ook op deze rechtspersonen zelf, omdat het ongeoorloofde oogmerk van degene die hen beheerst, rechtens moet worden aangemerkt als een oogmerk ook van henzelf. Van een dergelijk misbruik van identiteitsverschil kan ook sprake zijn indien iemand een goed waarvan hij alle voordelen geniet met gebruikmaking van dat identiteitsverschil buiten zijn vermogen brengt of houdt zonder daarmee een zelfstandig belang van de betrokken rechtspersoon of -personen te dienen, maar uitsluitend met het oogmerk dat goed aan verhaal van zijn crediteuren te onttrekken (vgl. Hoge Raad 27 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG6445, Stichting Waaldijk\u002FAerts q.q.).\n\n4.3.. Vaststaat dat [gedaagde 2] , dan wel zijn persoonlijke holding, eigenaar is van het pand, dat [gedaagde 2] (middellijk) bestuurder was van de Stichting en dat de Stichting de woning aan [eiser] heeft verhuurd. [gedaagden] voert wel aan dat de Stichting het verhuurrecht heeft, maar dit strookt niet met zijn stelling dat de Stichting geen activa heeft en daarom is geliquideerd. [gedaagde 1] heeft daarbij verwezen naar de door hem overgelegde brief van 5 oktober 2023 van de Belastingdienst (productie 1 bij de conclusie van antwoord) waarin is vermeld: “Uit uw antwoorden blijkt dat de stichting of vereniging niet meer actief is. Er is dan ook geen sprake van belastingplicht”. In 2023 was [gedaagde 2] zelf bestuurder van de Stichting. Uit deze brief wordt dan ook afgeleid dat [gedaagde 2] in 2023 niet aan de belastingdienst heeft medegedeeld dat de Stichting verhuurder is van zijn pand. [gedaagden] voert nog aan dat [gedaagde 2] de Stichting in 2002 heeft opgericht om zijn zakelijke belangen op afstand te zetten, maar gesteld noch gebleken is dat hij het verhuurrecht van het pand ook daadwerkelijk aan de Stichting heeft overgedragen. Vanaf 1 maart 2013 was het doel van de Stichting volgens het register van de Kamer van Koophandel weliswaar het exploiteren van onroerend goed, maar ook daaruit blijkt niet dat de Stichting dit op eigen naam heeft gedaan. Nu de Stichting gedurende de huurovereenkomst met [eiser] (en ook overigens met de andere huurders van het pand) is geliquideerd bij gebrek aan baten, kan dan ook niet anders worden geconcludeerd dan dat de Stichting enkel op last van [gedaagde 2] als verhuurder is opgetreden.\n\n4.4.. Door hierover niet duidelijk te communiceren en sterker, door de Stichting zich te laten voordoen als verhuurder op eigen naam en titel, heeft [gedaagde 2] misbruik gemaakt van het entiteitsverschil. [gedaagde 2] had in ieder geval bij de procedure bij de Huurcommissie duidelijk moeten maken dat niet de Stichting, maar hij de daadwerkelijke verhuurder was. Nu hij dit niet heeft gedaan, zich met terugwerkende kracht heeft laten uitschrijven als bestuurder, zijn zoon heeft laten inschrijven en vervolgens de Stichting heeft (laten) ontbinden, terwijl hij zelf al die tijd het verhuurrecht heeft gehouden en vervolgens een andere stichting (Stichting REFAM Vastgoedbeheer & Huurgelden) naar voren heeft geschoven als verhuurder, heeft [gedaagde 2] onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld omdat zijn handelen kennelijk het doel had om verhaal van [eiser] op de Stichting onmogelijk te maken.\n\n4.5.. \n [gedaagde 1] was formeel bestuurder met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2024 en hij heeft de liquidatie daadwerkelijk uitgevoerd. Hoewel de liquidatie niet in strijd met de wet hoeft te zijn als de Stichting daadwerkelijk geen baten had (waar het op lijkt), maar dan had de Stichting zich niet ook jegens [eiser] moeten voordoen als daadwerkelijk verhuurder, wat zij wel tegelijkertijd deed in de procedure over de huurprijs. Het vonnis van 3 december 2024 is uitgesproken na de liquidatie zodat het doel van de turboliquidatie niet anders kan worden opgevat om er voor te zorgen dat [eiser] misleid werd en geen verhaal meer kon halen op de Stichting. De beslissing van de Huurcommissie was vanaf 19 februari 2024 bekend en vanaf dat moment wist [gedaagde 1] dan ook dat [eiser] een vordering tegen de Stichting had uit hoofde van onverschuldigde betaling. Het doen eindigen van de ondernemingsactiviteiten van de Stichting en het doen voortzetten van dezelfde activiteiten door Stichting Refam Vastgoedbeheer & Huurgelden, zonder daarbij de daadwerkelijke verhuurder, te weten [gedaagde 2] , kenbaar te maken, had ook geen ander oogmerk dan [eiser] te benadelen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat er van uit wordt gegaan dat [gedaagde 1] gelet op de familieband, op de hoogte was van de werkelijke constructie. Een dergelijke op benadeling van een schuldeiser gerichte handelwijze van [gedaagde 1] is, net als die van zijn vader, onrechtmatig.\n\n4.6.. De kantonrechter komt dan ook tot de conclusie dat gelet op de aard en ernst van de normschending en alle omstandigheden van het geval dat ter zake van de benadeling van [eiser] aan [gedaagde 2] en [gedaagde 1] een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Zij zijn dan ook beiden hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die [eiser] daardoor leidt. De gevorderde verklaringen voor recht worden daarom toegewezen. Voor wat betreft de servicekosten geldt dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] als feitelijk en formeel bestuurders ook voor terugbetaling van deze kosten aansprakelijk kunnen worden gehouden omdat hiervoor is geoordeeld dat sprake is van een ernstig persoonlijk verwijt omdat zij een rookgordijn hebben gecreëerd. De hoofdsom (inclusief servicekosten) is dan ook toewijsbaar. De gevorderde rente is gegrond op de wet en zal vanaf datum dagvaarding worden toegewezen.\n\n4.7.. \n [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom op grond van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden.\n\n4.8.. \n\n [gedaagden] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Deze kosten zijn als volgt opgebouwd:\n\ndagvaardingskosten € 147,47 griffierecht € 732,00\n\nsalaris gemachtigde € 864,00 (2 punten x € 432,00)\n\nnakosten € 144,00 te vermeerderen met de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing\n\n ------------------ +\n\n € 1.887,47 in totaal\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n5.1.. verklaart voor recht dat [gedaagden] persoonlijk aansprakelijk zijn voor de schade van [eiser] ;\n\n5.2.. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om te betalen aan [eiser] € 12.054,16 aan hoofdsom te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 oktober 2025 tot aan dag van voldoening alsmede € 1.098,80 aan buitengerechtelijke incassokosten;\n\n5.3.. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.887,47 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na datum van dit vonnis, te vermeerderen met de kosten van betekening als de gedaagden niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.4.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.5.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6701","2026-07-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:33.787Z",{"id":73,"ecli":74,"slug":75,"caseNumber":44,"courtId":76,"decisionDate":77,"fullText":78,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":79,"sourceTimestamp":80,"parsedAt":52,"updatedAt":81},"1002","ECLI:NL:GHDHA:2026:2023","ecli-nl-ghdha-2026-2023",58,"2026-06-30T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nCiviel recht\n\nTeam Handel\n\nZaaknummer hof : 200.351.028\u002F01\n\nZaak- en rolnummer rechtbank : C\u002F10\u002F667474 \u002F HA ZA 23-906\n\nArrest van 30 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nSelecta Infrastructuur B.V.,\n\ngevestigd in Rotterdam,\n\nappellante in principaal hoger beroep,\n\ngeïntimeerde in incidenteel hoger beroep,\n\nadvocaat: mr. M.C. Franken-Schoemaker, kantoorhoudend in Houten,\n\ntegen\n\nDelta Infratechniek B.V.,\n\ngevestigd in Rijssen,\n\ngeïntimeerde in principaal hoger beroep,\n\nappellante in incidenteel hoger beroep,\n\nadvocaat: mr. H.J. Ligtenbarg, kantoorhoudend in Velp.\n\nHet hof noemt partijen hierna Selecta en Delta.\n\n1. De zaak in het kort1.1. Selecta heeft van Delta opdracht gekregen een glasvezelnetwerk aan te leggen. In het kader daarvan heeft zij boorwerkzaamheden verricht in de omgeving van het Leppa Akwadukt in Friesland. Daarbij heeft zij een folielaag in de bodem, toebehorend aan Rijkswaterstaat, doorboord. Dit heeft de uitstroom van bodemwater en het wegspoelen van zand en grond tot gevolg gehad. Het gaat in deze zaak om de vraag of Selecta jegens Delta is tekortgeschoten en de door Delta als gevolg van dit voorval geleden en nog te lijden schade moet vergoeden.1.2. De rechtbank heeft de door Selecta gevorderde verklaringen voor recht en de verwijzing naar de schadestaatprocedure grotendeels toegewezen. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.2. Procesverloop in hoger beroep2.1. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:\n\nde dagvaarding van 19 december 2024, waarmee Selecta in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 2 oktober 2024 (niet gepubliceerd);\n\nde memorie van grieven van Selecta, met bijlagen;\n\nde memorie van antwoord in het principaal appel tevens houdende memorie van grieven in het incidenteel appel van Delta, met producties;\n\nde memorie van antwoord in het incidenteel appel van Selecta.3. Feitelijke achtergrond3.1. Nu daarover geen discussie bestaat, gaat het hof uit van de door de rechtbank in haar vonnis van 2 oktober 2024 vastgestelde feiten, met een gering aantal aanpassingen en toevoegingen. Het gaat in deze zaak om het volgende.3.2. Delta is een vennootschap binnen het concern van Delta Rijssen Holding B.V.. Binnen de groep geeft Delta opdracht tot de aanleg van glasvezelnetwerken. De eigendom van die glasvezelnetwerken berust na de aanleg bij Delta Rijssen Glasvezel Investeringen B.V., al dan niet indirect, via projectvennootschappen.3.3. Selecta is een aannemingsbedrijf. Delta en Selecta werken regelmatig samen sinds 2013.3.4. Op 14 mei 2020 hebben Delta (aangeduid als Opdrachtgever) en Selecta (aangeduid als Aannemer) een raamovereenkomst gesloten. In de raamovereenkomst staat, voor zover relevant:\n\n“5a. De Aannemer is gehouden de aanleg van de glasvezel netwerken goed en deugdelijk, naar de bepalingen van deze overeenkomst en met inachtneming van de voor de aan te leggen glasvezel netwerken van belang zijnde of toepasselijke wettelijke voorschriften en beschikkingen van overheidswege, uit te voeren.\n\n5b. Tot de verplichtingen van de Aannemer behoort het verkrijgen van de benodigde vergunningen, instemmingen, beschikkingen, meldingen, toestemmingen en ontheffingen voor het aan te leggen glasvezel netwerk. Opdrachtgever zal Aannemer (juridisch) ondersteunen bij het formaliseren en verkrijgen van de vereiste\u002Fbenodigde toestemmingen.\n\n5c. De Aannemer stelt zich voor de aanvang van de werkzaamheden op de hoogte van de ligging van bestaande kabels en leidingen.\n\n5d. De Aannemer is verplicht de Opdrachtgever bij het aangaan of het tijdens het uitvoeren van deze overeenkomst te waarschuwen voor fouten of gebreken in de door hem voorgeschreven plannen, tekeningen, berekeningen of uitvoeringsvoorschriften, voor tekortkomingen in de door hem gegeven orders of aanwijzingen, alsmede voor gebreken in door de Opdrachtgever ter beschikking gestelde zaken, voor zover de Aannemer deze onvolkomenheden kende of had behoren te kennen.\n\n5e. De Aannemer vrijwaart de Opdrachtgever voor aanspraken van derden tot vergoeding van schade indien deze schade door de uitvoering van de aanleg van de glasvezel netwerken is toegebracht en te wijten is aan nalatigheid, onvoorzichtigheid of verkeerde handelingen van de Aannemer, zijn personeel, zijn eventuele onderaannemers of zijn leveranciers.”3.5. Een van de projecten, waartoe Delta onder de raamovereenkomst opdracht heeft gegeven, is de aanleg van een glasvezelnetwerk ten noorden van Heerenveen in onder meer de dorpen Akkrum, Aldeboam, Haskerdijken, Luinjeberd, Nes en Tjalleberd alsmede het gebied tussen en rondom deze dorpen.3.6. In het uitvoeringsgebied van dit project bevindt zich het Leppa Akwadukt, dat nabij Akkrum de A32 overspant. Het Leppa Akwadukt en de omringende grond zijn eigendom van Rijkswaterstaat.3.7. Partijen hebben nadere afspraken over dit project vastgelegd in een projectovereenkomst van 9 februari 2021. In artikel 1 van deze projectovereenkomst is ‘het Werk’ omschreven. Artikel 2 gaat over de aanneemsom. In dit artikel staat voor zover van belang het volgende:\n\n“De overeengekomen aanneemsom is inclusief:\n\n- (…)\n\n- Verkrijgen vereiste vergunningen, ontheffingen, beschikkingen, meldingen en toestemmingen in het kader van het ontwerp en de aanleg van het glasvezel netwerk\n\n(…)\n\nDe overeengekomen aanneemsom is exclusief:\n\n- (…)\n\n- (…)\n\n- De kosten van de vergunning en uitvoering van vergunning plichtige boringen\n\n(…)\n\nMateriaal, POP stations, vergunning plichtige boringen en gemeentelijke leges worden verzorgd door de Opdrachtgever. (…)”\n\nIn artikel 4a van de projectovereenkomst staat dat de afspraken in de raamovereenkomst (voor het overige) volledig van toepassing zijn.3.8. Op 3 mei 2021 heeft Selecta bij de gemeente Heerenveen een vergunning aangevraagd voor het uitvoeren van graaf- en boorwerkzaamheden. Die vergunning is haar op 11 mei 2021 verleend.3.9. Delta heeft Selecta per e-mail van 13 juli 2021 als volgt bericht:\n\n“Wij hebben zoals te doen gebruikelijk bij de start van een project oriëntatieklics opgevraagd voor Heerenveen Noord. In de bijlage vinden jullie per klic de Eis-Voorzorgsmaatregelen. Gaan jullie pro-actief in gesprek met deze partijen? Daarnaast is een overzicht van partijen opgenomen die in de grond actief zijn. In de map ‘selecta en delta’ zijn de oriëntatieklics en onderliggende bestanden daarnaast te vinden. (…).”\n\nRijkswaterstaat was een van de partijen die stond vermeld op de lijst die als bijlage bij deze e-mail was gevoegd.3.10. Selecta heeft op 30 november 2021 een KLIC-melding (voluit: Kabels en Leidingen Informatie Centrum, dat is een graafmelding bij het kadaster) gedaan. Zij heeft in reactie op die graafmelding twee standaardbrieven van Rijkswaterstaat ontvangen, waarin onder meer staat:\n\n“In de situatie, waar het om werkzaamheden in een risicovol gebied gaat, ontvangt u geen tekening. Dit kan voorkomen bij werkzaamheden in de buurt van stormvloedkeringen, zeeweringen, dijken, rivieren of verkeerscentrales. Voor de exacte ligging van deze k&l binnen dit gebied (of aanvullende informatie) dient u contact op te nemen met de postbus (mailadres)AreaalgeqevensNN@rws.nl . Geeft u hierbij duidelijk aan om welke locatie dit gaat (b.v. situatieschets, straatnaam, Google maps plaatje en\u002Fof coördinaten).\n\nGraag willen wij u erop attenderen dat u over een vergunning\u002Fmelding op grond van de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken\u002FWaterwet moet beschikken om binnen het beheergebied van Rijkswaterstaat werkzaamheden uit te voeren. Meer informatie vindt u op de volgende links: (…).”3.11. En ook:\n\n“Kritisch Gebied\n\nOp basis van de door u verstrekte informatie bevindt uw melding zich in een kritisch gebied van Rijkswaterstaat. Gelieve contact op te nemen met de desbetreffende regio.”3.12. Op 21 december 2021 heeft Selecta in het kader van de opdracht van Delta boorwerkzaamheden uitgevoerd nabij het Leppa Akwadukt. Selecta beschikte op dat moment niet over een vergunning van Rijkswaterstaat als bedoeld in artikel 2 lid 1 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (Wbr).3.13. Bij die werkzaamheden heeft Selecta een folielaag in de bodem, die toebehoorde aan Rijkswaterstaat, op een of meerdere plaatsen doorboord. De folie dient ertoe de zandlaag waarop het Leppa Akwadukt is gebouwd te stabiliseren en te behoeden voor wegspoelen. Als gevolg van de doorboring is een mengsel van bodemwater, zand en grond door de folielaag gedrongen en naar de evenwijdig aan de A32 liggende secundaire weg gestroomd. Rijkswaterstaat heeft terstond noodmaatregelen getroffen, zoals bronbemaling, om de uitstroom van bodemwater en het wegspoelen van zand en grond te beperken. Het is niet duidelijk wanneer de definitieve herstelmaatregelen zullen zijn voltooid.4. Procedure bij de rechtbank4.1. Delta heeft gevorderd, verkort weergegeven en voor zover in hoger beroep nog van belang, (III) een verklaring voor recht dat Selecta toerekenbaar is tekortgeschoten onder de projectovereenkomst en de daarop van toepassing zijnde raamovereenkomst, (IV) een verklaring voor recht dat Selecta aansprakelijk is voor de schade die Delta heeft geleden en nog zal lijden en veroordeling van Selecta tot vergoeding van die schade, nader op te maken bij staat, (V) een verklaring voor recht dat Selecta op grond van de projectovereenkomst en de raamovereenkomst gehouden is om Delta te vrijwaren voor alle aanspraken van derden, waaronder doch niet uitsluitend van aanspraken van Rijkswaterstaat en (VI) een verklaring voor recht dat Selecta op grond van die vrijwaring gehouden is om alle bedragen die Delta betaalt en\u002Fof moet betalen ter zake de schade van Rijkswaterstaat binnen vijf dagen na een verzoek daartoe aan Delta te vergoeden.4.2. Aan deze vorderingen heeft Delta ten grondslag gelegd, samengevat, dat Selecta is tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen die volgen uit (onder meer) artikelen 5a, 5b, 5c en 5d van de raamovereenkomst en op grond van art. 6:74 BW aansprakelijk is voor de schade die Delta lijdt. Delta doet in dit verband een beroep op de verplichting tot vrijwaring die ingevolge artikel 5e van de raamovereenkomst op Selecta rust.4.3. Selecta betwist dat zij is tekortgeschoten. Selecta erkent dat voor de werkzaamheden die zij op 20 december 2021 op de schadelocatie heeft uitgevoerd een vergunning van Rijkswaterstaat nodig was. Zij meent echter dat het ontbreken van die vergunning niet aan haar kan worden toegerekend, omdat a) Delta steevast het initiatief nam en voorafgaand aan deze werkzaamheden niet aan haar heeft gevraagd om een vergunning aan te vragen bij Rijkswaterstaat, b) zij niet wist en niet hoefde te begrijpen dat zich daar een onderdeel van een waterstaatswerk bevond, c) zij niet uit ervaring wist dat in de omgeving van aquaducten folie in de ondergrond kan liggen, d) er ter plaatse geen waarschuwingsbordjes aanwezig waren die de aanwezigheid van folie in de ondergrond markeerden, terwijl dit bij andere aquaducten die bij Rijkswaterstaat in beheer zijn, wel het geval is en e) zij over een vergunning van de gemeente Heerenveen beschikte voor de werkzaamheden ter plaatse van de schadelocatie. Selecta doet evenals Delta een beroep op artikel 5e van de raamovereenkomst; volgens haar gaat het om een bepaling die haar aansprakelijkheid beperkt. Subsidiair heeft Selecta aangevoerd dat de schade deels voor rekening van Delta moet blijven, omdat de schade mede een gevolg is van omstandigheden die aan Delta zijn toe te rekenen. In dit verband heeft Selecta erop gewezen dat partijen zijn overeengekomen dat Selecta geen ‘vergunning plichtige boringen’ zou uitvoeren.4.4. De rechtbank heeft bij vonnis van 2 oktober 2024 de hiervoor onder 4.1 weergegeven vorderingen grotendeels toegewezen. Zij heeft overwogen dat Selecta in strijd heeft gehandeld met artikel 5a en artikel 5b van de raamovereenkomst en dat deze tekortkoming toerekenbaar is. Selecta heeft daadwerkelijk een graafmelding gedaan en dat wijst erop dat zij dit tot haar taak rekende. Zij heeft de twee brieven die zij van Rijkswaterstaat ontving, waarin duidelijk stond dat zij een vergunning nodig had, genegeerd. Selecta komt geen beroep toe op artikel 5e van de raamovereenkomst, omdat die bepaling niet kan worden aangemerkt als een ten behoeve van Selecta overeengekomen beperking van de aansprakelijkheid, maar als een bepaling die beoogt Delta in staat te stellen eventuele aanspraken van derden op Selecta af te wenden. Het beroep van Selecta op eigen schuld (artikel 6:101 en artikel 6:102 BW) gaat volgens de rechtbank niet op. Selecta heeft niet voldoende toegelicht dat de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan Delta kan worden toegerekend. Voor zover Delta al enige fout heeft gemaakt, is de ernst daarvan zo gering dat de billijkheid eist dat de vergoedingsplicht van Selecta geheel in stand blijft.4.5. Alleen de vordering van Delta tot een verklaring voor recht dat Selecta op grond van de verplichting tot vrijwaring die volgt uit artikel 5e van de raamovereenkomst gehouden is om binnen vijf dagen betalingsverzoeken van Delta te voldoen, is door de rechtbank afgewezen, omdat deze te ver strekt en onvoldoende steun vindt in de raamovereenkomst.4.6. Selecta is in de proceskosten veroordeeld.5. Beoordeling in hoger beroep5.1. Selecta heeft hoger beroep ingesteld. Zij vordert vernietiging van het vonnis van 2 oktober 2024 en veroordeling van Delta in de proceskosten.5.2. \n\nDelta heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar vordering onder VI (zie onder 4.5 hiervoor).\n\nPrincipaal hoger beroep5.3. Selecta heeft voorafgaand aan de genummerde grieven een overzicht van volgens haar relevante feiten en omstandigheden opgenomen. In dat overzicht zijn geen zelfstandige bezwaren opgenomen tegen het vonnis van de rechtbank. Het hof zal op deze feiten en omstandigheden, voor zover relevant, ingaan bij het bespreken van de grieven.5.4. Grief 1ziet op r.o. 4.9 van het vonnis. Selecta is van mening dat de rechtbank ten onrechte in het midden heeft gelaten of Delta grondroerder was. Volgens Selecta was Delta bij de uitvoering van de opdracht als hoofdaannemer aan te merken en dus tevens als grondroerder in de zin van artikel 1 van de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (WIBON). Daarom rustte op Delta een eigen verantwoordelijkheid voor wat betreftallegrondroerende werkzaamheden van het project. Selecta stelt in dit verband dat Delta op grond van artikel 2 WIBON verplicht was om voor aanvang van de grondroerende werkzaamheden een graafmelding te doen en onderzoek te verrichten naar de precieze ligging van de ondergrondse kabels.5.5. Het hof overweegt als volgt. Het doet er in de contractuele verhouding tussen Delta en Selecta niet toe of Delta wel of niet als grondroerder in de zin van de WIBON en\u002Fof als hoofdaannemer is aan te merken in het kader van de door Selecta verrichte werkzaamheden. Of Delta als zodanig is aan te merken kan wél van belang zijn in de verhouding tussen Delta en derden als Rijkswaterstaat die Delta tot schadevergoeding willen aanspraken en daarbij een beroep doen op verplichtingen die voor grondroerders uit de WIBON volgen. In de verhouding tussen Selecta en Delta echter gaat het erom of Selecta is tekortgeschoten in de nakoming van verplichtingen die volgen uit de tussen partijen gesloten projectovereenkomst en raamovereenkomst en uit dien hoofde aansprakelijk is voor de schade van Delta. Voor de beantwoording van die vraag is niet van belang of Delta grondroerder en\u002Fof hoofdaannemer is, nog daargelaten dat Delta in de verhouding Delta-Selecta evident opdrachtgever is en in die verhouding op Selecta de verantwoordelijkheid rustte om benodigde vergunningen aan te vragen. Grief 1 faalt derhalve.5.6. Grief 2is gericht tegen het oordeel van de rechtbank in r.o. 4.2 tot en met 4.5 van het vonnis dat Selecta toerekenbaar tekort is geschoten. Deze grief slaagt niet, om de hiernavolgende redenen.5.7. Selecta erkent dat zij een graafmelding heeft gedaan bij Rijkswaterstaat en dat zij naar aanleiding daarvan twee brieven heeft ontvangen van Rijkswaterstaat met de hiervoor onder 3.10 en 3.11 weergegeven tekst. Het hof is van oordeel dat de tekst van die brieven voor Selecta aanleiding gaf om op zijn minst voor mogelijk te houden dat een vergunning van Rijkswaterstaat nodig was voor het boren op de plek waar zij ook daadwerkelijk zou gaan boren, óók als de brieven niet specifiek betrekking hadden op de boring op de schadelocatie maar tevens op eventuele andere locaties in de zogeheten graafpolygoon. Selecta had navraag kunnen en moeten doen bij Rijkswaterstaat, waartoe de brief ‘Bijlage bij graafmelding’ ook uitnodigt. In weerwil van deze brieven heeft Selecta geen nader onderzoek verricht en geen vergunning bij Rijkswaterstaat aangevraagd. Door toch te boren en schade te veroorzaken, heeft Selecta in strijd gehandeld met artikel 5a, 5b en 5c van de raamovereenkomst.5.8. Het hof volgt dan ook niet het standpunt van Selecta dat zij niet toerekenbaar is tekortgeschoten omdat zij er niet op bedacht hoefde te zijn dat zij voor het boren op de schadelocatie een vergunning nodig had. De brieven van Rijkswaterstaat zijn duidelijk. In één van de brieven staat “Op basis van de door u verstrekte informatie bevindt uw melding zich in een kritisch gebied van Rijkswaterstaat.”Daarom kon Selecta niet zonder navraag te doen, ervan uitgaan dat de brieven van Rijkswaterstaat alleen gingen over de grond direct onder het Leppa Akwadukt. Zij kon niet aannemen dat de vergunning van de gemeente Heerenveen volstond en dat de afstand tussen de boorplek en het aquaduct zo groot was dat het boren niet in grond toebehorend aan Rijkswaterstaat zou plaatsvinden. Evenmin komt, gelet op de brieven van Rijkswaterstaat, betekenis toe aan het feit dat er ter plaatse van het folie geen waarschuwingsbordjes waren en dat Selecta geen ervaring had met het boren in de nabijheid van aquaducten.5.9. Dat Selecta op grond van artikel 2a van de projectovereenkomst geen verantwoordelijkheid droeg voor de uitvoering van ‘vergunning plichtige boringen’ (dat zijn zwaardere boringen met een grotere diameter en waarbij meer voorwerk nodig is), en dat Delta verantwoordelijk was voor dergelijke boringen, is niet van belang. Artikel 2a van de projectovereenkomst laat immers onverlet dat Selecta, bij boringen die zij wél uitvoert in het kader van de met Delta overeengekomen werkzaamheden, over de benodigde vergunning(en) moet beschikken. Dit volgt uit artikel 4a van de projectovereenkomst, op grond waarvan artikel 5a, 5b en 5c van de raamovereenkomst op de projectovereenkomst van toepassing zijn. Het hof volgt bovendien het standpunt van Delta dat de schadeveroorzakende boring niet een ‘vergunning plichtige boring’ in de zin van artikel 2a betrof. De ‘vergunning plichtige boring’ waarvoor Delta de verantwoordelijkheid droeg, betrof de boring exact onder het aquaduct (randnummer 29 memorie van antwoord, randnummer 2.19 memorie van grieven, alsmede productie 15 bij de memorie van grieven). De schadeveroorzakende boring van Selecta vond op enige afstand van het aquaduct plaats.5.10. Het hof behandelt hier ook de bij randnummer 2.33 van de memorie van grieven opgenomen stelling van Selecta dat de e-mail van Delta van 13 juli 2021 (zie 3.9 hiervoor) slechts het verzoek inhield om contact op te nemen met de partijen die een zogenoemde Eis-voorzorgsmaatregel hadden opgelegd. Deze stelling gaat niet op. In die e-mail staat de zin “Daarnaast is een overzicht van partijen opgenomen die in de grond actief zijn.”. Dat overzicht vermeldt onder andere Rijkswaterstaat Noord-Nederland. Naar het oordeel van het hof heeft Delta hiermee aan Selecta duidelijk gemaakt dat zij in het kader van haar werkzaamheden voor het project ten noorden van Heerenveen rekening moest houden met mogelijke belangen van Rijkswaterstaat.5.11. Het hof verwerpt in dit kader ten slotte het standpunt van Selecta dat er een waarschuwingsplicht op Delta rustte. Het hof kan dat – niet of onvoldoende toegelichte – standpunt niet rijmen met de verplichtingen die uit hoofde van de raamovereenkomst op Selecta rustten, met de inhoud van de e-mail van Delta van 13 juli 2021 aan Selecta, met het feit dat Selecta op 30 november 2021 zelf een KLIC-melding heeft gedaan en evenmin met het feit dat Selecta naar aanleiding van die graafmelding (waarschuwende) brieven van Rijkswaterstaat heeft ontvangen.5.12. Grief 3houdt in dat de rechtbank in r.o. 4.7 van het vonnis ten onrechte heeft geoordeeld dat artikel 5e van de raamovereenkomst geen beperking van aansprakelijkheid behelst.Grief 4klaagt over het oordeel van de rechtbank dat de schade is te wijten aan nalatigheid, onvoorzichtigheid of verkeerde handelingen van Selecta.5.13. Bij de uitleg van artikel 5e van de raamovereenkomst komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepaling mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Het gaat hier om een overeenkomst tussen commerciële partijen (die zich, kort gezegd, bezig houden met de aanleg van glasvezelnetwerken). Daarom komt groot gewicht toe aan de taalkundige betekenis van de woorden van artikel 5e.5.14. Voor het leesgemak geeft het hof de tekst van artikel 5e nog eens weer:\n\n“5e. De Aannemer vrijwaart de Opdrachtgever voor aanspraken van derden tot vergoeding van schade indien deze schade door de uitvoering van de aanleg van de glasvezel netwerken is toegebracht en te wijten is aan nalatigheid, onvoorzichtigheid of verkeerde handelingen van de Aannemer, zijn personeel, zijn eventuele onderaannemers of zijn leveranciers.”5.15. Grief 3 faalt omdat artikel 5e van de raamovereenkomst Selecta uitdrukkelijk een verplichting oplegt tot vrijwaring van Delta voor aanspraken tot schadevergoeding van derden (“De Aannemer vrijwaart de Opdrachtgever (…)”). De omschrijving “nalatigheid, onvoorzichtigheid of verkeerde handelingen van de Aannemer, zijn personeel, zijn eventuele onderaannemers of zijn leveranciers” duidt niet op een (impliciete) beperking van aansprakelijkheid, maar juist op een omvangrijke vrijwaringsverplichting ten gunste van Delta omdat reeds een verkeerde handeling (met schade als gevolg) een verplichting tot vrijwaring kan doen ontstaan.5.16. Grief 4 faalt eveneens. Uit artikel 5e volgt als gezegd een omvangrijke vrijwaringsverplichting voor aanspraken van derden (als Rijkswaterstaat). Het hof is van oordeel dat op zijn minst sprake is geweest van een verkeerde handeling. Zoals de rechtbank heeft overwogen, is Selecta in strijd met de raamovereenkomst gaan boren in kritisch gebied, nadat zij door Rijkswaterstaat was gewaarschuwd om daarover eerst met Rijkswaterstaat contact op te nemen..5.17. Grief 5voert aan dat de rechtbank ten onrechte het beroep van Selecta op artikel 6:101 en artikel 6:102 BW heeft verworpen. Delta heeft immers evenmin onderkend dat een vergunning van Rijkswaterstaat vereist was, of wist dat wel maar heeft verzuimd om Selecta hiervan op de hoogte te brengen. Volgens Selecta is sprake van eigen schuld en\u002Fof medeschuld en behoort de schade in de interne draagplicht tussen Delta en Selecta voor een deel voor rekening van Delta te blijven.5.18. Ook deze grief faalt. Het was niet de taak van Delta om ten behoeve van de boring op de schadelocatie een vergunning aan te vragen. Uit artikel 5b van de raamovereenkomst volgt dat het tot de verplichtingen van Selecta behoort om benodigde vergunningen te verkrijgen. In de praktijk deed Selecta dat ook; Delta heeft bij akte ten behoeve van de mondelinge behandeling van 11 september 2024 een viertal vergunningsaanvragen van Selecta in de procedure gebracht (producties 26 t\u002Fm 29). Selecta heeft op 3 mei 2021 zelf een vergunning bij de gemeente Heerenveen aangevraagd, die haar op 11 mei 2021 is verleend (r.o. 2.7 vonnis). Voor de boring op de schadelocatie was het ook Selecta zelf die een graafmelding bij Rijkswaterstaat heeft gedaan. Het lag dus op de weg van Selecta om een vergunning aan te vragen, temeer na de ontvangst van de brieven van Rijkswaterstaat.5.19. Dat, zoals Selecta verder aanvoert ter onderbouwing van grief 5, de schade niet zou zijn ontstaan als Delta tijdig een onderaannemer had ingeschakeld voor het uitvoeren van de ‘vergunning plichtige boring’ waarmee de Boarn zou worden gekruist, omdat Selecta dan op de hoogte zou zijn gebracht van de folielaag in de grond, doet niet ter zake. Dit was, zoals Delta terecht heeft aangevoerd, een andere boring, op een andere plek en met een andere boortechniek. Het hof ziet onvoldoende verband tussen het door Selecta veronderstelde verzuim van Delta om tijdig een vergunning aan te vragen voor het boren onder de Boarn en de beslissing van Selecta om op enige afstand daarvan zonder vergunning te boren in grond van Rijkswaterstaat.5.20. Voor zover Selecta bedoelt dat Delta wist dat Selecta zonder de vereiste vergunning van Rijkswaterstaat zou gaan boren op de schadelocatie, en haar dus had moeten waarschuwen, heeft Selecta die stelling onvoldoende toegelicht.5.21. Grief 6klaagt over het oordeel van de rechtbank in r.o. 4.11 dat Delta voldoende belang heeft bij haar vorderingen onder III, IV en V van het petitum. Selecta wijst erop dat voor een verwijzing naar de schadestaatprocedure vereist is dat aannemelijk is dat schade is geleden of zal worden geleden. Rijkswaterstaat heeft Delta nog niet tot schadevergoeding aangesproken, en een eigenaar van een zonnepark die volgens Delta schade zou hebben geleden evenmin. Als Selecta al een verplichting heeft om Delta te vrijwaren, zou deze beperkt moeten zijn tot hetgeen waartoe Delta wordt veroordeeld. Delta kan niet een verklaring voor recht vorderen tot vrijwaring voor aanspraken van een onbeperkt aantal en niet nader gespecificeerde derden.5.22. Grief 7voert in het verlengde van grief 6 aan dat de rechtbank ten onrechte Selecta heeft veroordeeld om Delta te vrijwaren vooralleaanspraken van derden, waaronderaansprakenvan Rijkswaterstaat. Het gaat er volgens Selecta om of Deltagehoudenis deze aanspraken te vergoeden. De verklaring voor recht tot vrijwaring had daarom moeten worden begrensd tot ten hoogste datgene waartoe Delta jegens Rijkswaterstaat wordt veroordeeld.5.23. Ook deze grieven falen. Duidelijk is dat er schade is ontstaan door het doorboren van de folielaag bij het Leppa Akwaduct (zie onder meer productie 13 bij de akte overlegging producties van Delta). Het is bepaald niet denkbeeldig dat Rijkswaterstaat en eventuele andere derden op enig moment de schade proberen te verhalen op Delta als opdrachtgever van Selecta. Het hof acht het dus aannemelijk dat Delta schade zal lijden. De door de rechtbank uitgesproken verklaringen voor recht gaan niet te ver. Deze zijn beperkt tot de schade die het gevolg is van het doorboren van de folie van Rijkswaterstaat nabij het Leppa Akwadukt. Daarmee is de eventuele schadevergoedingsplicht van Selecta voldoende ingekaderd.5.24. De slotsom luidt dat geen van de grieven in het principaal hoger beroep doel treft.5.25. \n\nSelecta heeft in hoger beroep een bewijsaanbod gedaan. Zij heeft de namen van een groot aantal personen genoemd en daarbij in zijn algemeenheid vermeld over welke aspecten van het in deze procedure aan de orde zijnde project deze personen iets zouden kunnen verklaren, bijvoorbeeld “de communicatie tijdens de bouwvergaderingen”. Selecta heeft echter geen specifieke feiten en omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot een ander dan het hierboven weergegeven oordeel kunnen leiden. Haar bewijsaanbod wordt daarom als niet ter zake dienend gepasseerd.\n\nIncidenteel hoger beroep5.26. Grief 1van Delta – haar enige grief – noemt het oordeel van de rechtbank in r.o. 4.11 van het vonnis dat de vordering onder punt VI van het petitum niet kan worden toegewezen onbegrijpelijk. Volgens Delta vloeit deze vordering simpelweg voort uit de verplichting tot vrijwaring die op Selecta rust. Delta acht de gevorderde termijn van vijf dagen alleszins redelijk, maar kan leven met een door het hof te bepalen langere termijn. In een reguliere vrijwaringsprocedure moet de partij die moet vrijwaren het verschuldigde bedrag binnen twee dagen na betekening van het vonnis voldoen aan de gevrijwaarde partij. Delta biedt aan om de directeur van Delta te laten verklaren over de bedoelingen van partijen met betrekking tot de contractueel overeengekomen verplichting tot vrijwaring.5.27. Deze grief faalt. De termijn van vijf dagen vindt geen grondslag in de tussen Delta en Selecta gesloten overeenkomst(en). De vergelijking met de vrijwaringsprocedure (art. 210-216 Rv) gaat niet op. Het gaat hier om een contractuele verplichting tot vrijwaring; Selecta is niet betrokken in een door Rijkswaterstaat tegen Delta gestarte gerechtelijke procedure waarin schadevergoeding wordt gevorderd. Ten slotte kan ervan uitgegaan worden dat Delta voldoende uit de voeten kan met de door de rechtbank toegewezen vorderingen. Daarmee kan zij haar schade op Selecta verhalen, zo nodig in een volgende gerechtelijke procedure. In zoverre mist Delta dus belang bij de gevorderde verklaring voor recht.5.28. \n\nHet hof passeert het bewijsaanbod van Delta als niet ter zake dienend. Beslissend is wat in artikel 5e van de raamovereenkomst staat en hoe Selecta deze bepaling heeft mogen begrijpen. Delta heeft niet duidelijk gemaakt dat haar directeur iets kan verklaren dat tot een andere uitleg van artikel 5e kan leiden.\n\nConclusie en proceskosten5.29. De conclusie is dat noch het hoger beroep van Selecta, noch het hoger beroep van Delta slaagt. Daarom zal het hof het vonnis bekrachtigen. Het hof zal Selecta als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het principaal hoger beroep. Delta zal worden veroordeeld in de proceskosten van het incidenteel hoger beroep.5.30. Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van Delta in het principaal hoger beroep op:\n\ngriffierecht € 827,-\n\nsalaris advocaat € 1.290,- (1 punt × tarief II)\n\nnakosten € 189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal € 2.306,-5.31. De proceskosten van Selecta in het incidenteel hoger beroep worden begroot op € 645,- aan salaris advocaat (1 punt × 0,5 × tarief II).5.32. Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing.6. Beslissing\n\nHet hof:\n\nbekrachtigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 2 oktober 2024;\n\nveroordeelt Selecta in de kosten van de procedure in het principaal hoger beroep, aan de zijde van Delta tot op heden begroot op € 2.306, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als Selecta deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;\n\nbepaalt dat als Selecta niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, Selecta de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als Selecta deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;\n\nveroordeelt Delta in de kosten van het incidenteel hoger beroep, aan de zijde van Selecta tot op heden begroot op € 645,-;\n\nverklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;\n\nwijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd;\n\nDit arrest is gewezen door mrs. K. Engel, D.A. Schreuder en F.J. Verbeek en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2023","2026-06-23T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:58.376Z",{"id":83,"ecli":84,"slug":85,"caseNumber":44,"courtId":86,"decisionDate":77,"fullText":87,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":88,"sourceTimestamp":77,"parsedAt":52,"updatedAt":89},"370","ECLI:NL:GHARL:2026:4273","ecli-nl-gharl-2026-4273",60,"GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.357.164\n\nzaaknummer rechtbank Midden-Nederland 11419496\n\narrest van 30 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [appellant]\n\ndie woont in [woonplaats]\n\nhierna: [appellant]\n\nadvocaat: mr. E.Tj. van Dalen\n\nen\n\nStichting Reclassering Nederland\n\ndie is gevestigd in Utrecht\n\nhierna: Reclassering Nederland\n\nadvocaat: mr. J. Stikkelbroeck\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\n [appellant] heeft bij dit hof hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat op 18 juni 2025 tussen partijen is uitgesproken door de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht.Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:\n\n• de dagvaarding in hoger beroep\n\n• de memorie van grieven\n\n• de memorie van antwoord\n\n• het proces-verbaal (verslag) van de mondelinge behandeling die op 2 juni 2026 is gehouden\n\nHierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.\n\n2. De kern van de zaak\n\n [appellant] woonde, in verband met de voorwaardelijke beëindiging van zijn TBS met dwangverpleging, op het terrein van [de instelling1] in [plaats1] (hierna: [de instelling1] ). Op 13 april 2016 heeft [de instelling1] de zorg per direct beëindigd, waarna [appellant] uiteindelijk op de longstay-afdeling in [de instelling2] in [plaats2] is geplaatst. [appellant] is van mening dat dit komt doordat Reclassering Nederland hem destijds – kort gezegd – onvoldoende hulp en steun heeft geboden en wil daarom dat Reclassering Nederland hem een schadevergoeding betaalt. De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen. Het hof komt tot dezelfde slotsom en bekrachtigt het vonnis. Hoe het hof tot deze beslissing is gekomen, zal hieronder worden toegelicht.\n\n3. De toelichting op de beslissing van het hof\n\nFeiten en achtergrond van de zaak\n\n3.1. Het hof gaat uit van dezelfde feiten als de kantonrechter heeft vastgesteld in r.o. 3.1 tot en met 3.6 van het vonnis, waar geen grieven tegen zijn gericht. Deze feiten komen op het volgende neer.\n\n3.2. In 2002 is [appellant] veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar en TBS met dwangverpleging vanwege het seksueel misbruiken van minderjarige jongens. In januari 2015 heeft de rechtbank de TBS met dwangverpleging voorwaardelijk beëindigd. De voorwaarden hielden onder andere in dat [appellant] zou worden opgenomen in een instelling voor begeleid wonen (en zich daar aan de huisregels zou houden) en dat [appellant] , mede voor zijn eigen veiligheid, niet zijn pedoseksuele voorkeur met andere derden dan zijn begeleiders zou bespreken. Reclassering Nederland werd belast met het toezicht op de naleving van de voorwaarden door [appellant] .\n\n3.3. \n [appellant] werd vervolgens opgenomen in [de instelling1] waar hij dagelijks werd begeleid. [appellant] woonde hier in een zelfstandige woning, werkte bij een agrariër in de buurt en bezocht de lokale kerk. [appellant] had begin 2016 de verwachting dat Reclassering Nederland de rechtbank op korte termijn zou adviseren tot zijn onvoorwaardelijk ontslag uit de TBS.\n\n3.4. In maart 2016 heeft een persoonlijk begeleider van [appellant] aan Reclassering Nederland laten weten dat hij op de computer van [appellant] heeft gezien dat bepaalde websites zijn bezocht, die erop duiden dat [appellant] heeft gezocht naar kinderporno. De politie heeft de computer meegenomen, heeft geconstateerd dat deze is ‘geschoond’ en heeft op basis van de gevonden zoektermen geconstateerd dat [appellant] inderdaad heeft gezocht naar kinderporno.\n\n3.5. Begin april 2016 vond een gesprek plaats tussen de afdeling Openbare Orde en Veiligheid van de gemeente [gemeentenaam] , de politie, [de instelling1] en de contactfunctionaris van Reclassering Nederland. Tijdens dit gesprek vertelde de wijkagent dat hem ter ore was gekomen dat [appellant] (destijds nog bekend onder een andere naam, een geruchtmakende zaak met veel media-aandacht indertijd) in [de instelling1] verbleef. Hij benoemde daarbij het risico dat bepaalde inwoners van [plaats3] in staat zouden zijn tot een afrekening als het verhaal van [appellant] bij hen bekend zou worden. Niet veel later zou een medewerker van [de instelling1] op een verjaardagsfeestje gevraagd zijn of [appellant] bij [de instelling1] woonde. Vanwege het door de wijkagent geschetste scenario en het daarbij behorende risico voor zowel [appellant] als de andere bewoners en de medewerkers van [de instelling1] , heeft [de instelling1] besloten de zorg aan [appellant] op 13 april 2016 te beëindigen.\n\n3.6. Reclassering Nederland heeft daarna onderzoek gedaan naar eventuele doorplaatsingsmogelijkheden, maar heeft geen vergelijkbare setting gevonden die de mate van controle en veiligheid biedt zoals [de instelling1] . Reclassering Nederland heeft daarom, in combinatie met het feit dat [appellant] heeft gezocht naar kinderporno, de rechtbank geadviseerd de TBS met dwangverpleging te hervatten. Op 15 juni 2016 heeft de rechtbank hervatting gelast van de TBS met dwangverpleging. Deze uitspraak is op 6 april 2017 door het hof vernietigd, omdat er nog een alternatief werd gezien en daarmee mogelijk een longstay-traject kon worden afgewend. [appellant] heeft daardoor nog een periode TBS met (gewijzigde) voorwaarden gehad.\n\n3.7. Op 6 februari 2019 heeft de rechtbank Midden-Nederland alsnog hervatting van de TBS met dwangverpleging gelast. Deze beslissing is in hoger beroep op 19 september 2019 bekrachtigd. [appellant] is vervolgens (uiteindelijk) op de longstay-afdeling in [de instelling2] in [plaats2] geplaatst.\n\n3.8. \n [appellant] heeft tussen 2021 en 2023 – tevergeefs – rechtszaken gevoerd tegen [de instelling1] en tegen de Staat over de door hem gestelde onrechtmatige gebeurtenissen in 2016.\n\nGeen onrechtmatige daad Reclassering Nederland\n\n3.9. Met zijn grieven (bezwaren) legt [appellant] het geschil opnieuw integraal voor in hoger beroep. [appellant] vordert om te beginnen een verklaring voor recht dat Reclassering Nederland onrechtmatig tegenover hem heeft gehandeld. Net als de kantonrechter wijst het hof deze vordering af. Dat legt het hof hierna uit.\n\n3.10. \n [appellant] stelt dat Reclassering Nederland in strijd heeft gehandeld met een wettelijke plicht, doordat zij [appellant] niet de hulp en steun heeft geboden die van haar mocht worden verwacht in het kader van de voorwaardelijk beëindigde dwangverpleging (art. 38 lid 2 en 38g Wetboek van Strafrecht (oud)). Reclassering Nederland heeft volgens [appellant] niets ondernomen tegen zijn onmiddellijke verwijdering op 13 april 2016 van het terrein van [de instelling1] en heeft zich daarna onvoldoende ingespannen om hem teruggeplaatst te krijgen bij [de instelling1] , althans hem ergens anders in Nederland bij een soortgelijke zorgverlener onder te brengen. De overplaatsing was volgens [appellant] bovendien onterecht omdat hij zich aan alle voorwaarden heeft gehouden, wat extra reden had moeten zijn voor Reclassering Nederland om hem (meer) hulp en steun te bieden. Ook heeft Reclassering Nederland de rechtbank onterecht geadviseerd de TBS met dwangverpleging te hervatten. De reden dat [de instelling1] heeft besloten tot het beëindigen van de zorg was volgens [appellant] namelijk niet het feit dat [appellant] verdacht werd van het zoeken naar kinderporno, maar dat [de instelling1] vreesde voor imagoschade als mensen wisten dat [appellant] bij haar verbleef. [appellant] verwijst hierbij naar een e-mail van Reclassering Nederland waarin staat dat zij de rechtbank mogelijk niet negatief geadviseerd zou hebben als het alleen zou gaan om de kinderporno. Het beëindigen van de zorg door [de instelling1] is dus beslissend geweest voor het advies, terwijl die beëindiging plaatsvond op grond van dreigende imagoschade van [de instelling1] , die niet aan [appellant] kan worden toegerekend, aldus [appellant] .\n\n3.11. Net als de kantonrechter volgt het hof [appellant] niet. Reclassering Nederland heeft de verwijten van [appellant] gemotiveerd betwist, met verwijzing naar haar verslagen van 9 mei 2016 (voortgangsverslag) en 4 november 2016 (adviesrapport), en heeft toegelicht wat zij heeft ondernomen en welke maatregelen binnen haar mogelijkheden liggen (en destijds lagen). Reclassering Nederland heeft terecht aangevoerd dat zij geen zeggenschap heeft over de beslissing van [de instelling1] om het verblijf van [appellant] te beëindigen. Daar kon zij binnen haar taak om hulp en steun aan [appellant] te bieden dus niets aan doen. Daar komt bij dat [appellant] indertijd met verschillende personen in de lokale gemeenschap openlijk sprak over zijn pedoseksuele voorkeur. Dat was buiten de kring van zijn begeleiders, en daarmee handelde [appellant] niet volgens de toen geldende voorwaarden. [appellant] is door [de instelling1] voor de risico’s van openheid aan derden gewaarschuwd, maar was daarin niet te corrigeren. Hij wist, of heeft althans kunnen begrijpen, dat hij daardoor zijn verblijf in gevaar bracht. Het ging [de instelling1] ook niet alleen om imagoschade; het bekend worden van het verblijf van [appellant] en de daarmee verbonden maatschappelijke onrust werd tevens als een veiligheidsrisico gezien voor de bewoners en medewerkers van [de instelling1] . Dit alles betekent dat als Reclassering Nederland al iets had kunnen ‘vinden’ van de beslissing van [de instelling1] om het verblijf van [appellant] te beëindigen, [appellant] het er zelf toe heeft geleid dat deze ruimte werd beperkt. Reclassering Nederland was in dat kader ook niet in een positie om bewijs te verlangen van [de instelling1] van een concrete dreiging van ‘pedojagers’ uit de buurt. Dat [appellant] zelf geen bewijs zegt te hebben gevonden voor zo’n dreiging, betekent niet dat die er niet was. Gezien de gebeurtenissen begin april 2016 (zie 3.5 hierboven) is hoe dan ook gebleken dat er ‘iets’ aan de hand was.\n\n3.12. Volgens [appellant] blijft staan dat Reclassering Nederland op 12 of 13 april 2016 een alternatief voor verwijdering had moeten voorstellen, zoals een time-out of tijdelijke opvang bij [naam1] (waar [appellant] destijds een dag per week werkte). Het hof gaat hier niet in mee. Uit het verslag van Reclassering Nederland van 9 mei 2016 blijkt dat de situatie van [appellant] vroeg om professionele begeleiding en opschaling in het niveau van toezicht en controle. [naam1] kon dat niet bieden. Daar komt bij dat [appellant] was betrapt op het zoeken naar kinderporno. [appellant] heeft ook erkend dat hij de op zijn computer gevonden zoektermen heeft ingevoerd. Die erkenning was ter gelegenheid van de zitting bij de rechtbank die op 15 juni 2016 de TBS met dwangverpleging heeft hervat. Het hof hecht daarom geen waarde aan de ontkenning van [appellant] in de huidige procedure dat hij naar kinderporno heeft gezocht. Het zoeken door [appellant] naar kinderporno beperkte de (verzorgings-)alternatieven voor [appellant] . Ondanks deze omstandigheid heeft Reclassering Nederland niet stilgezeten, maar heeft voor [appellant] een tijdelijke plek geregeld bij [de instelling3] in [plaats4] , geprobeerd om met [de instelling1] een tussenoplossing te vinden, en vervolgens breed onderzoek gedaan naar eventuele doorplaatsingsmogelijkheden; de vraag hiernaar is – zo vermeldt het verslag van 9 mei 2016 – “uitgezet bij leden van het TBS-casusoverleg, de contactfunctionarissen TBS in het land, [naam2] , plaatsingsloket van [naam3] (dat als geen ander op de hoogte is van zorginstellingen in het land), [naam4] . Het resultaat is dat er geen vergelijkbare setting is gevonden die de mate van controle en veiligheid biedt als [de instelling1] .” Reclassering Nederland heeft later nogmaals contact gehad met [de instelling1] , over de mogelijkheid tot een verzoeningsgesprek en eventuele terugkeer, maar [de instelling1] stond daar niet voor open. [appellant] trekt in twijfel dat Reclassering Nederland zich werkelijk voor hem heeft ingezet, maar het hof heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de verslagen. [de instelling3] is weliswaar een gesloten tbs-kliniek, maar er was blijkbaar geen instelling voor begeleid wonen te vinden die [appellant] wilde opnemen. Er is ook nog gesproken over mogelijke verscherpte voorwaarden (met medicatie), maar [appellant] heeft dat geweigerd. Reclassering Nederland heeft in het verslag van 9 mei 2016 geconcludeerd dat [appellant] niet kan terugkeren in [de instelling1] en dat er geen voorzieningen zijn die een vergelijkbare waarborg bieden ter voorkoming van recidive. In de e-mail waar [appellant] naar verwijst zegt Reclassering Nederland inderdaad dat zij de rechtbank mogelijk niet negatief geadviseerd zou hebben “als er alleen sprake was geweest van het zoeken naar kinderporno”. Maar het ging dus om méér dan dat; [appellant] kon ook niet voldoen aan de voorwaarde van het verblijven in een instelling voor begeleid wonen en wilde niet aan verscherpte (extra) voorwaarden meewerken, terwijl uit bedoelde e-mail blijkt dat Reclassering Nederland dat voor een eventuele doorstart wel noodzakelijk achtte. Het hof betrekt hier nog bij – zoals blijkt uit de beslissing van de rechtbank van 15 juni 2016 – dat voor het negatieve advies ook heeft meegewogen dat de psychiater die [appellant] heeft onderzocht heeft geconcludeerd dat hij “zonder het huidig kader en strikte controle en toezicht (...) het risico hoog [acht] dat [appellant] zijn pedoseksuele gevoelens omzet in handelingen”.\n\n3.13. Gelet op de gemotiveerde betwisting van Reclassering Nederland heeft [appellant] zijn stellingen – ook in hoger beroep – onvoldoende onderbouwd. Niet kan worden vastgesteld dat er sprake is van onrechtmatig handelen of nalaten van Reclassering Nederland. Het hof is dan ook van oordeel dat de gevorderde verklaring voor recht terecht is afgewezen door de kantonrechter.\n\nGeen grond voor schadevergoeding\n\n3.14. \n [appellant] vordert € 20.000,- aan schadevergoeding, met als grondslag onrechtmatig handelen van Reclassering Nederland. Nu Reclassering Nederland niet onrechtmatig heeft gehandeld, is de gevorderde schadevergoeding eveneens terecht afgewezen.\n\n3.15. Daar komt bij dat niet is gebleken dat [appellant] schade heeft geleden door enig handelen of nalaten van Reclassering Nederland. [appellant] stelt, onder verwijzing naar artikel 6:106 sub b BW, dat hij in zijn persoon is aangetast en vergelijkt hierbij de situatie in februari 2016 waarin hij (volgens hem) bijna onvoorwaardelijk uit de TBS zou komen met de uitzichtloze situatie waarin hij nu zit: TBS met dwangverpleging op een longstay-afdeling. Die vergelijking rust echter op een keten van aannames, in plaats van een voor de hand liggend hypothetisch scenario. Zelfs als Reclassering Nederland [de instelling1] in 2016 ertoe had kunnen bewegen om het verblijf als tussenoplossing voort te zetten, is immers niet gezegd dat [appellant] daar had kunnen blijven, gegeven de schending van de voorwaarden, laat staan dat de TBS dan definitief zou zijn beëindigd. Daar sluit op aan dat de beslissing om de TBS met dwangverpleging te hervatten, op 15 juni 2016 genomen door de rechtbank, is terug te voeren op de eigen gedragingen van [appellant] . De rechtbank overwoog immers: “wat er zij van de handelwijze van [de instelling1] , vast staat dat veroordeelde ondanks aanwijzing én waarschuwing van de reclassering op internet gezocht heeft naar kinderporno. Hiermee heeft hij zich niet gehouden aan de bijzondere voorwaarden én zich weer in het delict scenario begeven. Dit maakt het naar het oordeel van de rechtbank noodzakelijk dat de verpleging van overheidswege wordt hervat.” Weliswaar is dit vonnis vernietigd in hoger beroep, waarna nog even de TBS onder voorwaarden is voorgezet, maar uiteindelijk is op 6 februari 2019 de TBS met dwangverpleging hervat. Daarna is deze nog meermaals verlengd. Door [appellant] is onvoldoende onderbouwd dat deze herhaalde voortzetting van zijn TBS met dwangverpleging niet zou hebben plaatsgevonden als Reclassering Nederland in 2016 anders zou hebben gehandeld. Al met al ontbreekt dus een (voldoende direct) causaal verband tussen het gestelde handelen\u002Fnalaten van Reclassering Nederland en de situatie waarin [appellant] zich nu bevindt. Ook dat is een reden voor afwijzing van de gevorderde schadevergoeding.\n\nDe conclusie\n\n3.16. \n\nHet hoger beroep slaagt niet. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen omdat [appellant] zijn stellingen onvoldoende heeft onderbouwd. Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen. Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof hem tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.\n\n4. De beslissing\n\nHet hof:\n\n4.1. bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht van 18 juni 2025;\n\n4.2. \n\nveroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van Reclassering Nederland:\n\n€ 2.255,- aan griffierecht\n\n€ 2.580,- aan salaris van de advocaat van Reclassering Nederland (2 procespunten x tarief II)\n\n4.3. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. G.R. den Dekker, J.P.H. van Driel van Wageningen en L. Spronck, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.\n\n ECLI:NL:RBMNE:2025:4015.\n\n Hof Arnhem-Leeuwarden 4 april 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:2911; Hof Den Haag 20 juni 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1226.\n\n HR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4273","2026-07-13T00:28:26.452Z",{"id":91,"ecli":92,"slug":93,"caseNumber":44,"courtId":76,"decisionDate":77,"fullText":94,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":95,"sourceTimestamp":96,"parsedAt":52,"updatedAt":97},"998","ECLI:NL:GHDHA:2026:1983","ecli-nl-ghdha-2026-1983","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nCiviel recht\n\nTeam Handel\n\nZaaknummer hof : 200.341.944\u002F02\n\nZaak- en rolnummer rechtbank : 10425701 CV EXPL 23-9386\n\nArrest van 30 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nVereniging van Eigenaren Bergingen en Parkeerplaatsen aan [parkeerplaatsen] (ongenummerd) te [plaats],\n\ngevestigd in [plaats],\n\nappellante in het principaal hoger beroep,\n\ngeïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,\n\nadvocaat: mr. A.J.C. Goldhoorn, kantoorhoudend in Amsterdam,\n\ntegen\n\n1. [geïntimeerde 1] ,\n\nwonend in [plaats],\n\n2. [geïntimeerde 2],\n\nwonend in [plaats],\n\n3. [geïntimeerde 3] ,\n\nwonend in [plaats],\n\ngeïntimeerden in het principaal hoger beroep,\n\nappellanten in het incidenteel hoger beroep,\n\nadvocaat: mr. J. Postma, kantoorhoudend in Rijswijk (Zuid-Holland).\n\nHet hof noemt partijen hierna VVE Parkeerplaatsen, [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] . Geïntimeerden worden gezamenlijk [geïntimeerden] genoemd.1. De zaak in het kort1.1. Deze zaak gaat over geluidsoverlast in een appartementencomplex. Het appartement op de begane grond fungeert als doorgang naar een achterliggend gebouw met parkeerplaatsen en bergingen. Na het plaatsen van een mechanische roldeur ervaren de bewoners van de bovengelegen woningen ( [geïntimeerden] ) geluidshinder. De kantonrechter heeft geoordeeld dat sprake is van onrechtmatige hinder en heeft VVE Parkeerplaatsen veroordeeld om de aanbevelingen van een geluidsdeskundige op te volgen. VVE Parkeerplaatsen heeft daarop aanpassingen doorgevoerd aan de constructie van de roldeur.1.2. In hoger beroep wijst het hof het gewijzigde gevorderde bevel toe om de door de deskundige aanbevolen en aanvullende maatregelen door te voeren, maar uitsluitend ten aanzien van [geïntimeerde 1] , omdat zij (nog steeds) geluidsoverlast ervaart. [geïntimeerde 2] woont niet meer in het gebouw en ervaart daarom geen geluidsoverlast meer. Bij [geïntimeerde 3] worden geen overschrijdingen van geluidsnormen gemeten en zij heeft niet onderbouwd dat zij onrechtmatige geluidshinder ervaart.2. Procesverloop in hoger beroep2.1. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:\n\nde dagvaarding van 2 januari 2024, waarmee VVE Parkeerplaatsen in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 6 oktober 2023;\n\nde memorie van grieven van VVE Parkeerplaatsen;\n\nde memorie van antwoord van [geïntimeerden] , met bijlagen 0 tot en met 12;\n\nde bijlage 13 die [geïntimeerden] ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd.2.2. Op 9 april 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten van partijen hebben de zaak toegelicht, die van VVE Parkeerplaatsen aan de hand van pleitaantekeningen die zijn overgelegd.3. Feitelijke achtergrond3.1. Bij splitsingsakte van 15 november 2006 is het gebouw gelegen aan de [adres] in [plaats] gesplitst in vier appartementsrechten en is de Vereniging van eigenaars gebouw [adres] te [plaats] (hierna: VVE Gebouw) opgericht. Het appartementsrecht met index 1 bevindt zich op de begane grond en geeft volgens de splitsingsakte recht op het uitsluitend gebruik van de poort met achterliggende plaats en verder toebehoren (hierna: appartement 1). De overige drie appartementsrechten hebben betrekking op de appartementen gelegen boven appartement 1 op respectievelijk de eerste, tweede, en derde en vierde verdieping en hebben als bestemming woning.3.2. VVE Parkeerplaatsen is thans eigenaar van appartement 1. VVE Parkeerplaatsen is opgericht als vereniging van eigenaars ten behoeve van het beheer en onderhoud van het gebouw met parkeerplaatsen en bergingen gelegen op het kadastrale perceel [perceelnummer]. Laatstgenoemd perceel bevindt zich direct achter appartement 1. Appartement 1 fungeert thans als doorgang ten behoeve van het kadastrale perceel [perceelnummer]. In het appartementencomplex woonde direct boven appartement 1 [geïntimeerde 2] (A-2). Op de tweede verdieping woont [geïntimeerde 1] (A-3) en op de derde en vierde verdieping woont [geïntimeerde 3] (A-4).3.3. Artikel 2 van het splitsingsreglement van het gebouw luidt, voor zover relevant, als volgt:\n\n“3. De eigenaars zijn voor de in het eerste lid bedoelde breukdelen verplicht bij te dragen in de schulden en kosten, die voor rekening van de gezamenlijke eigenaars zijn.\n\n(…)\n\n5. In afwijking van het vorenstaande zullen de kosten verbonden aan onderhoud, reparatie en vernieuwing daaronder begrepen, van kozijnen, ramen, deuren, glas, balkons, alsmede het hang- en sluitwerk aan de kozijnen, ramen en deuren, welke aan de buitengevel van het gebouw zitten, uitsluitend komen ten laste van de eigenaar(s) die daarvan gebruik maakt(maken).\n\nHet onderhoud, casu quo de vernieuwing, dient te geschieden volgens de richtlijnen van de vergadering en na verkregen toestemming van de vergadering.”3.4. Tot 2016 werd de toegang tot appartement 1 gevormd door houten openslaande deuren. In 2016 heeft VvE Parkeerplaatsen deze houten deuren (laten) vervangen door een mechanische roldeur, met daarin een loopdeur voor personen en fietsen. Vanaf dat moment is het onderwerp geluidsoverlast door de deur jaarlijks besproken in de vergadering van eigenaars van VvE Gebouw. [geïntimeerde 2] heeft over de geluidsoverlast veelvuldig contact gezocht met VvE Parkeerplaatsen.3.5. Op 21 september 2021 heeft [naam] van Strooming op verzoek van VvE Gebouw een geluidonderzoek gedaan naar de mechanische roldeur. In haar rapport van 26 oktober 2021 concludeert Strooming dat het geluidsniveau in de woon- en slaapkamers van de woningen van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] bij gebruik van de roldeur de normwaardes uit het Bouwbesluit overschrijdt. Strooming deed in het rapport de volgende aanbevelingen om de roldeur in technische zin te laten voldoen aan de eisen van het Bouwbesluit:\n\n“- Verbeteren van de ophang- en montageconstructie van overheaddeur zodat vibraties en trillingen zo min mogelijk in de constructie terecht kunnen komen. Een overweging kan zijn om een zelfdragende stalen portaal te plaatsen die alleen met voetplaten op de vloer staat en geen contact maakt met de wanden of het plafond. De bestaande overheaddeur kan dan aan dit stalen portaal worden gehangen.- Aanbrengen van een geluiddempende omkasting rondom de aandrijfmotor. - Aanbrengen van een geluidwerende bekleding op het plafond. - Afstellen van de deurdranger en zo nodig aanslagrubber gebruiken bij de loopdeur.”3.6. In de definitieve versie van het rapport van 30 november 2021 heeft Strooming deze aanbevelingen herhaald en daarbij aan het eerste aandachtstreepje toegevoegd:\n\n“Het losmaken van de gehele deurconstructie van de bestaande betonnen draagconstructie is in feite de enige en beste manier om de overdracht van de trillingen richting de bovengelegen woningen te voorkomen.\n\n(…)\n\nBovenstaande maatregelen zijn complementeer aan elkaar en dienen allen in zijn geheel worden toegepast om het juiste effect te kunnen bereiken.”3.7. Op 24 februari 2022 heeft VVE Parkeerplaatsen aan [geïntimeerden] een voorstel gedaan om de geluidsoverlast te verminderen. Dit voorstel vermeldt onder meer het volgende:\n\n“Om toch tot een voor ieder goede oplossing te komen stel ik het volgende voor;• Wij vragen een offerte aan voor het losmaken van de rail van de overhead deur d.m.v. een portaal naar wand of vloer.• Wij bekijken of er een ander sluiting op de loopdeur kan worden aangebracht die minder geluidsoverlast zal veroorzaken.• Wij vragen een tweetal offertes aan voor het isoleren van de verdiepingsvloer; één voor het gedeelte bij de deur alleen en één voor de gehele verdiepingsvloer (…)Wanneer de gehele vloer zal worden geïsoleerd is dat uiteraard niet voor onze rekening (…) Wel wil ik aangegeven dat wij niet tot de uitvoering van bovengenoemde maatregelen zullen overgaan voordat er een meer jaren onderhoudsplan is gemaakt, zoals afgesproken in de laatste vergadering.”3.8. \n [geïntimeerden] heeft niet met dit voorstel ingestemd en uiteindelijk in maart 2023 een procedure aanhangig gemaakt.3.9. Naar aanleiding van het vonnis in eerste aanleg heeft VVE Parkeerplaatsen eind oktober of begin november 2023 werkzaamheden aan de mechanische roldeur laten uitvoeren. [geïntimeerden] heeft VVE Parkeerplaatsen daarna bericht dat de werkzaamheden niet zijn uitgevoerd conform de aanbevelingen van Strooming. Ook zouden de klachten over het geluids- en trillingsniveau in de woningen zijn verergerd.3.10. Op verzoek van [geïntimeerden] heeft [naam] (die nu werkzaam is bij Sonitus) onderzoek gedaan naar de door VVE Parkeerplaatsen uitgevoerde werkzaamheden. Sonitus heeft haar onderzoek uitgevoerd op basis van drie foto’s. In haar brief van 14 december 2023 concludeerde Sonitus (onder meer) dat “de huidige manier van monteren niet de optredende geluiden zal reduceren waardoor de afname van overlast zal uitblijven” en dat “de wijze van ophanging niet overeenkomt met de aanbevelingen zoals opgenomen in de rapportage van 26 oktober 2021 en 30 november 2021 omdat op de huidige wijze van monteren er nog steeds contact met de wanden wordt gemaakt”. Ook doet zij de volgende aanbevelingen om de geluidsoverlast (verder) te beperken:\n\n“2. Zelfdragende deurconstructie\n\nDe voorkeur zal zijn om de constructie van de overheaddeur zogenaamd vrijdragend te maken. Door deze geheel te ontkoppelen van de bestaande bouwkundige constructie zal de overdracht van het geluid, door middel van contact, aanzienlijk dalen.\n\nEen vrijdragende constructie zal gerealiseerd kunnen worden door langs de beide muren. De opbouw kan als volgt zijn;\n\n• Een horizontaal liggende betonnen balk waarop de stalen kolommen worden gemonteerd De betonnen balken niet tegen de wand aanleggen. Tussen de wand en de balk een dempende rubberstrook aanbrengen die geluidoverdracht zal voorkomen.• De geleiderails worden gemonteerd aan stalen kolommen die rusten op de liggende betonbalk• De constructie zal kunnen bestaan uit 2 stalen kolommen aan de linkerzijde en 2 stalen kolommen aan de rechterzijde. Deze kunnen boven de geleiderails met elkaar gekoppeld worden zodat een stijve onderlinge verbinding ontstaat die ongewenste bewegingen kan minimaliseren.• Bij de montage van de deurgeleiders in de voorgevel zullen Phonex ankers moeten worden toegepast.• De motor zal worden omkleed met een omkasting die aan de onderzijde open moet zijn. De nadruk zal gelegd moeten worden om een dempende laag tussen de motor en het plafond aan te brengen. Door de onderzijde open te houden kan het optredend geluid van de motor in de omliggende ruimte zich verstrooien en zal niet direct richting de bovenliggende woningen worden gestuurd.\n\nEen dergelijke constructie zal geheel vrijstaan van het gehele gebouw en zal de overdracht van geluid via contact minimaal zijn. De verwachting is dat ondergrond een dergelijke constructie zal kunnen dragen daar er ook voldoende autoverkeer is waardoor de ondergrond voldoende draagkracht zal hebben.”3.11. In februari 2024 heeft VVE Parkeerplaatsen opnieuw aanpassingen gedaan aan de roldeur. Op verzoek van [geïntimeerden] heeft Sonitus deze aanpassingen onderzocht, wederom op basis van foto’s. In een mailbericht van 19 april 2024 verwoordt Sonitus haar bevindingen (onder meer) als volgt:\n\n“Als ik zo de foto's bekijk dan vind ik de stalen gele constructie aan de lichte kant. Het idee was om een constructie aan te brengen die de belasting van de dynamische rolbeweging van de deur kan absorberen. Deze constructie lijkt mij te licht om dit effect te kunnen bereiken. Verder is niet te zien hoe de verticale geleider aan de voorgevel is gemonteerd. Als dit op de bestaande manier is dan is het geluid boven net zo hoorbaar als ervoor. Tevens is niet te zien hoe de gele horizontale ligger aan de voorgevel is gemonteerd. Ook hoe onderling stalen delen zijn gemonteerd is niet goed zichtbaar. Er zijn rubber volgringen ed zichtbaar.\n\nIk moet concluderen dat op basis van de foto's ik verwacht dat de overlast nog steeds voortduurt.\"3.12. In maart 2025 heeft Sonitus nieuwe geluidsmetingen verricht in de appartementen van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] . Sonitus heeft daarbij geconstateerd dat het geluidsvolume van de mechanische roldeur nog steeds de geluidsnormen in artikel 4.108 van het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (de vervanger van het Bouwbesluit 2012) overschrijdt. De maximale normwaarde is 30 dB(A), terwijl in het appartement op de eerste verdieping het geluidsvolume bij het openen en sluiten van de roldeur gemiddeld 36,6 dB(A) en maximaal 38,5 dB(A) bedraagt. In het appartement op de tweede verdieping bedraagt het geluidsvolume gemiddeld 30,4 dB(A), en maximaal 34,3 dB(A).3.13. In de zomer van 2025 heeft [geïntimeerde 2] het appartement op de eerste verdieping verkocht. Het appartementsrecht is in augustus 2025 overgedragen aan de nieuwe eigenaar.4. Procedure bij de kantonrechter4.1. \n [geïntimeerden] heeft, samen met VVE Gebouw, VVE Parkeerplaatsen gedagvaard en (na vermeerdering van eis en voor zover nog relevant in hoger beroep) gevorderd, voor zover mogelijk bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:\n\nVVE Parkeerplaatsen te gebieden om de aanbevelingen in het rapport van Strooming volledig op te volgen, en een gedeelte van de verdiepingsvloer te voorzien van akoestische en thermische isolatie, conform het voorstel van VVE parkeerplaatsen d.d. 24 februari 2022, op straffe van een dwangsom;\n\nVVE Parkeerplaatsen te gebieden na voltooiing van deze aanpassingen en geluidsmaatregelen een deskundige het geluidsniveau van de poortdeur met toebehoren te laten controleren en meten, binnen een termijn van 3 weken na voltooiing, en voorzover die geluidsniveaus en metingen het maximaal toegestane niveau (zoals opgenomen in het rapport Strooming) nog steeds overschrijden, de VVE Parkeerplaatsen te gebieden om aanvullende geluidsmaatregelen te laten treffen, op straffe van een dwangsom;\n\nmet veroordeling van VVE Parkeerplaatsen in de proceskosten.4.2. De kantonrechter heeft de vorderingen van [geïntimeerden] deels toegewezen en (voor zover in hoger beroep relevant) VVE Parkeerplaatsen veroordeeld om binnen vier weken na het vonnis de aanbevelingen in het rapport van Strooming volledig op te volgen en de geadviseerde werkzaamheden te laten uitvoeren, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag met een maximum van € 15.000,-. De kantonrechter heeft de andere vorderingen van [geïntimeerden] (voor zover in hoger beroep relevant) afgewezen en de proceskosten tussen partijen gecompenseerd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De kantonrechter heeft VVE Gebouw niet-ontvankelijk verklaard in de hiervoor weergegeven vorderingen.5. Vorderingen in hoger beroep5.1. VVE Parkeerplaatsen is in hoger beroep gekomen omdat zij het deels niet eens is met het vonnis. VVE Parkeerplaatsen vordert het vonnis te vernietigen voor zover zij daarin is veroordeeld om werkzaamheden uit te voeren. Daarnaast vordert VVE Parkeerplaatsen in hoger beroep [geïntimeerden] te veroordelen tot vergoeding van de kosten die VVE Parkeerplaatsen heeft gemaakt ter uitvoering van het vonnis en een verklaring voor recht dat [geïntimeerden] onbevoegd opdracht tot onderzoek heeft gegeven aan Strooming en onbevoegd een opdracht heeft verstrekt aan mr. Postma om namens VVE Gebouw VVE Parkeerplaatsen in rechte te betrekken. VVE Parkeerplaatsen vordert tot slot een proceskostenveroordeling in beide instanties, buitengerechtelijke kosten en rente.5.2. Kort gezegd zien de bezwaren van VVE Parkeerplaatsen op het volgende. Ten eerste is de roldeur onderdeel van de gemeenschappelijke delen van het appartementencomplex en een gemeenschappelijke zaak (grief 5). Het geschil gaat dus over geluidsoverdracht door een gemeenschappelijke zaak (de roldeur) naar de appartementen. [geïntimeerden] spreken daarom de verkeerde partij aan: niet VVE Parkeerplaatsen is verantwoordelijk voor het voorkomen van geluidsoverlast door de roldeur, maar de VVE Gebouw (grief 1 en grief 2). Om dezelfde reden is VVE Parkeerplaatsen niet bevoegd om zelfstandig werkzaamheden aan de roldeur uit te voeren (grief 1 en grief 5) en moeten de kosten voor aanpassingen aan de roldeur worden verdeeld over de leden van de VVE Gebouw. Het is in elk geval niet redelijk dat [geïntimeerden] eist dat de VVE Parkeerplaatsen alle kosten draagt (grief 6). Ten tweede bevinden de appartementen zich in een oud gebouw. Het gebouw was al gehorig voordat de roldeur werd geplaatst en de staat van het gebouw moet worden meegewogen bij de beoordeling of sprake is van onrechtmatige hinder (grief 3). Omdat het gebouw oud is, zijn de normen uit het Bouwbesluit niet van toepassing. Dat die normen worden overschreden rechtvaardigt niet de conclusie dat sprake is van onrechtmatige hinder (grief 4). Ten derde zijn de maatregelen die VVE Parkeerplaatsen heeft doorgevoerd kostbaar, en moet worden meegewogen dat de VVE Gebouw ook minder kostbare maatregelen had kunnen treffen (grief 8). Tot slot weegt bij beoordeling of VVE Parkeerplaatsen onrechtmatig heeft gehandeld, mee dat [geïntimeerden] via de vergadering van eigenaars van VVE Gebouw had kunnen besluiten om, voor gemeenschappelijke rekening, andere maatregelen te nemen. Door dat niet te doen, heeft de VVE Gebouw de onrechtmatige hinder in stand gelaten. [geïntimeerden] had dus de VVE Gebouw moeten aanspreken (grief 7).5.3. \n\n [geïntimeerden] wil dat het vonnis wordt bekrachtigd. In hoger beroep heeft zij haar vorderingen gewijzigd en vermeerderd. Na wijziging van eis heeft zij gevorderd:\n\nI. VVE Parkeerplaatsen te gebieden de aanbevelingen in het rapport van Strooming d.d. 30 november 2021 en de brief van Sonitus d.d. 14 december 2023, volledig op te volgen, in het bijzonder het realiseren van een zelfdragend stalen portaal die alleen met voetplaten op de vloer staat en geen contact maakt met de wanden of het plafond en het losmaken van de gehele deurconstructie van de bestaande betonnen draagconstructie van het gebouw, met inachtneming van de bevindingen van de geluidsdeskundige d.d. 19 april 2024, naar aanleiding van de namens VVE Parkeerplaatsen aan [geïntimeerden] toegezonden foto's van de doorgevoerde aanpassingen aan de roldeurconstructie, op straffe van een dwangsom;\n\nII. VVE Parkeerplaatsen te gebieden aanvullende geluidsmaatregelen te treffen, voorzover na realisering van de hiervoor onder I vermelde constructie het geluidsniveau van het gebruik van de roldeurinstallatie en constructie de maximaal toelaatbare niveaus in het Bouwbesluit, in het bijzonder artikel 3.8 als bedoeld in het rapport van Strooming van 30 november 2021, de maximale waardes en normen overschrijdt, binnen een termijn van 2 weken na datum arrest uit te laten voeren, op straffe van een dwangsom;\n\nIII. te bepalen dat, althans voor recht te verklaren, dat VVE Parkeerplaatsen niet, althans niet tijdig, voldaan heeft aan de veroordeling onder 3.3. in het vonnis van de kantonrechter van 6 oktober 2023, en dat het maximum van € 15.000,00 aan dwangsommen verbeurd is en de VVE Parkeerplaatsen te veroordelen om dit bedrag aan dwangsommen aan [geïntimeerden] te voldoen binnen twee weken na de datum van het arrest in deze procedure.5.4. \n [geïntimeerden] legt aan haar gewijzigde eis ten grondslag dat VVE Parkeerplaatsen de aanbevelingen van Strooming onjuist, althans onvolledig heeft opgevolgd, en dat de geluidsoverlast niet voldoende is verholpen. In het bijzonder heeft VVE Parkeerplaatsen nagelaten om een zelfdragend stalen portaal te plaatsen, waarmee de roldeurconstructie in het geheel wordt losgemaakt van de wanden en het plafond van het appartement 1. Omdat VVE Parkeerplaatsen de aanbevelingen onjuist of onvolledig is nagekomen, heeft zij niet voldaan aan het vonnis van de kantonrechter, en zijn dwangsommen verbeurd, aldus [geïntimeerden]5.5. VVE Parkeerplaatsen voert hiertegen verweer en voert aan dat zij de aanbevelingen van Strooming wel is nagekomen. Ook stelt zij dat [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] geen belang hebben bij hun vorderingen. [geïntimeerde 2] woont niet meer in het gebouw en zij ervaart daarom geen overlast van de roldeur. In de appartementen van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] worden geen geluidswaarden gemeten die de norm uit het Bouwbesluit overschrijden. Voor het overige begrijpt het hof de stellingen van VVE Parkeerplaatsen zo dat zij tegen de gewijzigde vordering sub I dezelfde bezwaren heeft als tegen het vonnis waarvan beroep (zie 5.1 hiervoor).6. Beoordeling in hoger beroep6.1. \n\nOmdat [geïntimeerden] in hoger beroep haar vorderingen heeft gewijzigd, zal het hof hierna eerst beoordelen of die eiswijzigingen toelaatbaar zijn. Daarna bespreekt het hof het meest verstrekkende verweer van VVE Parkeerplaatsen, namelijk dat [geïntimeerden] geen belang (meer) hebben bij hun vorderingen. Het hof beoordeelt daarna of de vorderingen van [geïntimeerden] en van VVE Parkeerplaatsen toewijsbaar zijn.\n\nWijziging van eis [geïntimeerden]6.2. heeft haar vorderingen gewijzigd bij memorie van antwoord. VVE Parkeerplaatsen heeft tegen deze eiswijzigingen geen bezwaar gemaakt en het hof ziet ook ambtshalve geen aanleiding om de gewijzigde vorderingen sub I en III buiten beschouwing te laten.6.3. Het hof vat de gewijzigde vordering sub I van [geïntimeerden] op als incidenteel hoger beroep. Met de gewijzigde vordering sub I beoogt [geïntimeerden] dat VVE Parkeerplaatsen wordt veroordeeld om de aanbevelingen in het definitieve rapport van Strooming op te volgen, met inachtneming van nadere aanbevelingen van Sonitus. Deze vordering vormt daarmee een nadere uitwerking en specificatie van de vordering die door de kantonrechter is toegewezen onder 3.3 van het dictum van het bestreden vonnis. Omdat [geïntimeerden] op dit punt een ander dictum nastreeft, moet de eiswijziging in zoverre worden opgevat als incidenteel hoger beroep. Gelet op de inhoud en het verloop van het debat tijdens de mondelinge behandeling ziet het hof geen aanleiding om de eiswijziging om deze reden wegens strijd met de eisen van een goede procesorde buiten beschouwing te laten. De opmerking van de advocaat van [geïntimeerden] dat [geïntimeerden] geen incidentele grieven tegen het vonnis heeft gericht, had uitdrukkelijk slechts betrekking op de vordering sub II (zie ook 6.4 hierna). Uit de spreekaantekeningen van de advocaat van VVE Parkeerplaatsen leidt het hof af dat ook VVE Parkeerplaatsen de wijziging van eis heeft opgevat als incidenteel hoger beroep. Zo is namens VVE Parkeerplaatsen opgemerkt: “ hebben hun eisen inmiddels gewijzigd en vorderen niet langer nakoming van de aanbevelingen van Strooming maar nieuwe maatregelen daarvoor in de plaats” en: “Bij een nieuwe uitspraak kunnen de oude maatregelen niet meer opgelegd worden, er is alleen ruimte voor het opleggen van nieuwe” (pleitnota mr. Goldhoorn, sub 18, eerste en laatste volzin). Gelet op deze uitlatingen van de advocaat van VVE Parkeerplaatsen en het feit dat VVE Parkeerplaatsen ook inhoudelijk op de gewijzigde vordering is ingegaan, is evenmin sprake van een verrassingsbeslissing als het hof rechtdoet op grond van de gewijzigde eis. Ook hierom staan de eisen van een goede procesorde niet in de weg aan deze eiswijziging van [geïntimeerden]6.4. \n\nHet hof laat de gewijzigde vordering sub II wel buiten beschouwing. Met deze vordering wil [geïntimeerden] dat VVE Parkeerplaatsen wordt bevolen om aanvullende geluidsmaatregelen te nemen als na uitvoering van de door de deskundigen aanbevolen maatregelen blijkt dat de geluidsvolumes in de appartementen de normen uit het Bouwbesluit nog steeds overschrijden. Deze vordering bouwt (kennelijk) voort op de in eerste aanleg als sub II ingestelde vordering, die er eveneens toe strekte dat VVE Parkeerplaatsen zou worden bevolen om aanvullende geluidsmaatregelen te nemen als uitvoering van de aanbevelingen van Strooming niet voldoende zou blijken (zie 4.1 onder b hiervoor). De kantonrechter heeft die vordering van [geïntimeerden] afgewezen (zie punt 3.6 van het vonnis). Deze vordering is geen onderdeel van het principaal hoger beroep en de advocaat van [geïntimeerden] heeft tijdens de mondelinge behandeling bevestigd dat [geïntimeerden] op dit punt geen incidentele grieven tegen het vonnis heeft gericht. Bij die stand van zaken maakt deze vordering geen deel uit van de rechtsstrijd in hoger beroep. Het hof laat dit onderdeel van de eiswijziging daarom buiten beschouwing. Het hof oordeelt in aanvulling hierop dat, ook als deze eiswijziging toelaatbaar zou zijn, het gevorderde bevel om “aanvullende geluidsmaatregelen” te nemen, te onbepaald is om voor toewijzing in aanmerking te kunnen komen.\n\nHebben [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] belang bij hun vorderingen?6.5. Uit artikel 3:303 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat een partij alleen een rechtsvordering kan instellen als zij daarbij voldoende belang heeft. Het hof beoordeelt hierna of elk van [geïntimeerden] belang heeft bij de gewijzigde vorderingen sub I en III.6.6. \n [geïntimeerde 2] is sinds augustus 2025 geen eigenaar meer van het appartementsrecht met betrekking tot het appartement op de eerste etage (A-2). Zij ervaart dus geen geluidsoverlast meer. Het hof is van oordeel dat zij daarom geen belang heeft bij de vordering sub I. Het enkele feit dat [geïntimeerde 2] de onderhavige procedure heeft “gemeld” aan de nieuwe eigenaar, zoals tijdens de mondelinge behandeling is toegelicht, maakt dat niet anders. Gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde 2] met de nieuwe eigenaar afspraken heeft gemaakt over (de voorzetting van) deze procedure. Het hof zal [geïntimeerde 2] daarom niet-ontvankelijk verklaren in de gewijzigde vordering sub I.6.7. \n [geïntimeerde 2] heeft wel belang bij de gewijzigde vordering sub III. Die vordering stelt de vraag aan de orde of de VVE Parkeerplaatsen op grond van het vonnis dwangsommen heeft verbeurd. Deze dwangsommen zijn verbeurd in de periode dat [geïntimeerde 2] eigenaar was van appartement 1 en daar woonde (aldus [geïntimeerden] ). In zoverre heeft [geïntimeerde 2] dus (financieel) belang bij de vordering sub III.6.8. \n\n [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] wonen in de appartementen A-3 en A-4 en stellen dat zij geluidshinder ervaren in hun woningen die VVE Parkeerplaatsen moet voorkomen. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] hebben daarom belang bij de vordering sub I. Het hof zal het verweer van VVE Parkeerplaatsen dat in de appartementen van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] geen geluidswaarden worden gemeten die de normen uit het Bouwbesluit\u002FBesluit bouwwerk Leefomgeving overschrijden, bespreken bij de inhoudelijke beoordeling van die vorderingen. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] hebben om dezelfde redenen als [geïntimeerde 2] belang bij de vordering sub III.\n\nInleiding vordering ter zake van geluidsoverlast (vordering sub I)6.9. Met hun eiswijziging hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] hun oorspronkelijke vordering in die zin gewijzigd dat het gevorderde bevel om aanpassingen aan de roldeur door te voeren, nader is uitgewerkt en gespecificeerd. Het hof zal bij beoordeling van die (gewijzigde) vordering uitgaan van de situatie zoals die op dit moment is. In deze situatie heeft VVE Parkeerplaatsen op basis van het vonnis van de kantonrechter aanpassingen aan de deur verricht. Dit leidt ertoe dat het hof in hoger beroep moet beoordelen of de roldeur, ook nadat VVE Parkeerplaatsen daaraan aanpassingen heeft verricht, onrechtmatige geluidshinder veroorzaakt en of VVE Parkeerplaatsen gehouden is om die geluidshinder (verder) te beperken.6.10. \n\nVoordat het hof toekomt aan de beoordeling of aan de roldeur verdere aanpassingen moeten worden doorgevoerd, zal het hof beoordelen of VVE Parkeerplaatsen voor de roldeur verantwoordelijk is en – in het verlengde daarvan – of zij de kosten voor die eventuele aanpassingen moet dragen.\n\nWie draagt de kosten voor maatregelen aan de roldeur?6.11. Het hof laat in het midden of de roldeur privé-eigendom is van VVE Parkeerplaatsen (zoals [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] stellen) of gemeenschappelijk eigendom is van de leden van VVE Gebouw (zoals VVE Parkeerplaatsen stelt). De reden daarvoor is dat de kosten voor verdere maatregelen, als die benodigd zijn, in beide gevallen voor rekening van VVE Parkeerplaatsen komen. Als de roldeur privé-eigendom is, dient VVE Parkeerplaatsen de kosten om die reden te dragen. Als de roldeur behoort tot de gemeenschappelijke delen van VVE Gebouw, volgt uit het splitsingsreglement dat de kosten voor rekening komen van VVE Parkeerplaatsen. Artikel 2 lid 5 van het splitsingsreglement bepaalt immers dat kosten verbonden aan onderhoud, reparatie en vernieuwing van deuren die aan de buitengevel van het gebouw zitten, uitsluitend ten laste komen van de eigenaar die daarvan gebruikt maakt (zie ook 3.3 hiervoor). Niet in geschil is dat de roldeur in de buitengevel van het gebouw zit en slechts wordt gebruikt om toegang te krijgen tot het achtergelegen perceel. De deur wordt feitelijk dus slechts gebruikt door personen die parkeren op het perceel van VVE Parkeerplaatsen of daar een berging hebben. Dat betekent dat VVE Parkeerplaatsen de exclusieve gebruiker is van de roldeur. Op grond van het splitsingsreglement moet zij daarom de kosten dragen voor aan de roldeur te verrichten aanpassingen. In dat verband overweegt het hof dat [geïntimeerden] niet kan worden verweten dat zij niet op een eerder moment een meerderheidsbesluit hebben genomen ter beperking van de hinder, aangezien dat zou hebben betekend dat [geïntimeerden] , als gedupeerden van de hinder, hiervoor de kosten mede zouden hebben moeten dragen.6.12. VVE Parkeerplaatsen heeft in dit verband nog aangevoerd dat de vergadering van eigenaars van VVE Gebouw op enig moment heeft besloten om de kosten voor de vervanging van deuren die toegang geven tot privégedeelten van eigenaars, te verdelen over de vier VVE-leden. Dat in dat geval van de vervanging van de deuren (kennelijk) eenmalig van artikel 2 lid 5 van het splitsingsreglement is afgeweken, doet aan het voorgaande niets af. De hoofdregel is immers dat kosten voor een deur in de buitengevel ten laste komen van die eigenaar(s) die ervan gebruik maken.6.13. VVE Parkeerplaatsen heeft verder aangevoerd dat zij niet bevoegd is aanpassingen te verrichten aan de roldeur, omdat zij daarvoor toestemming nodig heeft van (de vergadering van eigenaars van) VVE Gebouw. Ook als die toestemming benodigd is (het hof laat dat in het midden), vormt dat echter geen belemmering voor toewijzing van de vordering van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] . [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] hebben immers aangegeven in te stemmen met een voorstel van VVE Gebouw om noodzakelijke maatregelen uit te voeren. Daar is hun vordering ook op gericht. Met de aanvullende stem van VVE Parkeerplaatsen zelf is er daarmee hoe dan ook een meerderheid voor een besluit van die strekking.6.14. \n\nDe conclusie is dus dat VVE Parkeerplaatsen verantwoordelijk is voor het doorvoeren van aanpassingen aan de roldeur en daarvan de kosten moet dragen. De vervolgvraag is of VVE Parkeerplaatsen gehouden is om aanvullende werkzaamheden uit te voeren.\n\nVeroorzaakt de roldeur (nog steeds) onrechtmatige hinder?6.15. Tussen partijen is niet in geschil dat het openen en sluiten van de mechanische roldeur hoorbaar is in de bovengelegen appartementen en dat dit geluidshinder oplevert. Of het veroorzaken van hinder onrechtmatig is in de zin van artikel 6:162 BW, is volgens vaste rechtspraak afhankelijk van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor veroorzaakte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waaronder de plaatselijke omstandigheden.6.16. Uit de rapportage van Sonitus van 21 maart 2025 (zie ook 3.12 hiervoor) blijkt dat, ook nadat VVE Parkeerplaatsen geluidsbeperkende maatregelen heeft genomen, bij het openen en sluiten van de roldeur aanzienlijke geluidsvolumes worden gemeten in de appartementen op eerste en tweede verdieping. In het appartement op de tweede verdieping (waar [geïntimeerde 1] woont) is dit gemiddeld 30,4 dB(A) en maximaal 34,3 dB(A). VVE Parkeerplaatsen heeft de juistheid van deze metingen niet weergesproken en het hof gaat daar dus vanuit.6.17. Het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (voorheen Bouwbesluit) bevat normen voor de maximale geluidsoverdracht tussen aangrenzende percelen. Artikel 3.2 Bouwbesluit bepaalde dat installaties zoals een lift in een aangrenzend perceel een geluidsniveau van ten hoogste 30 dB mogen veroorzaken en deze normwaarde is thans opgenomen in artikel 4.108 Besluit Bouwwerken Leefomgeving. VVE Parkeerplaatsen heeft aangevoerd dat deze norm uit het Bouwbesluit niet van toepassing is op een oud gebouw. Net als in eerste aanleg, heeft zij echter niet toegelicht welke geluidsnorm wel van toepassing is, terwijl dit wel op haar weg had gelegen. Het hof zal daarom, in navolging van Strooming\u002FSonitus, de norm uit het Besluit Bouwwerken Leefomgeving als richtlijn hanteren.6.18. Het gemeten geluidsniveau ten gevolge van het gebruik van de roldeur in het appartement van [geïntimeerde 1] overschrijdt de norm uit het Besluit Bouwwerken Leefomgeving. Er is daarom sprake van aanzienlijke geluidshinder in de woning van [geïntimeerde 1] . De roldeur geeft bovendien toegang tot een perceel met vijftien parkeerplaatsen en tien bergingen. Dat betekent dat de roldeur regelmatig wordt gebruikt en dit potentieel gedurende de hele dag (en nacht), op tijdstippen die voor [geïntimeerde 1] niet te voorspellen zijn. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde 1] dergelijke frequente geluidshinder in haar woning niet hoeft te dulden. Dat betekent dat het veroorzaken van de geluidshinder onrechtmatig is en dat VVE Parkeerplaatsen is gehouden om redelijke maatregelen te nemen om die hinder te verminderen.6.19. Het hof volgt VVE Parkeerplaatsen niet in haar verweer dat de staat van het gebouw mede de oorzaak is van de geluidsoverlast. VVE Parkeerplaatsen heeft die stelling niet onderbouwd, bijvoorbeeld door te verwijzen naar een onderzoek waaruit de staat van het gebouw blijkt. De enkele stelling dat het gebouw al gehorig was voordat de roldeur is geplaatst, is hiertoe onvoldoende. Daar komt bij dat ook als vast zou komen te staan dat de staat van het gebouw bijdraagtaan de overdracht van het geluid van de roldeur naar de appartementen, dit VVE Parkeerplaatsen niet ontslaat van haar verplichting om maatregelen te nemen. De roldeur is immers de bron van de geluidsoverlast, en uit het onderzoek van Strooming\u002FSonitus volgt dat het mogelijk is om de constructie van de roldeur zodanig aan te passen dat de geluidsoverdracht naar bovengelegen appartementen wordt verminderd. Voor zover VVE Parkeerplaatsen meent dat ook andere (minder ingrijpende of minder kostbare) maatregelen genomen kunnen worden, had het op haar weg gelegen om dat te onderbouwen, wat zij niet heeft gedaan.6.20. \n\nHet voorgaande heeft betrekking op [geïntimeerde 1] . Ten aanzien van [geïntimeerde 3] heeft VVE Parkeerplaatsen terecht aangevoerd dat uit de rapportage van Sonitus niet blijkt dat in het appartement op de derde en vierde verdieping (waar [geïntimeerde 3] woont) geluidsniveaus worden gemeten die de normen uit het Besluit Bouwwerk Leefomgeving overschrijden. Omdat [geïntimeerde 3] verder niet heeft onderbouwd dat en op welke wijze zij geluidshinder ervaart, zal het hof de vordering sub I ten aanzien van [geïntimeerde 3] afwijzen.\n\nDe door VVE Parkeerplaatsen te nemen maatregelen6.21. Strooming heeft meerdere aanbevelingen gedaan om geluidsoverlast door de roldeur te verminderen. Strooming heeft er daarbij op gewezen dat de aanbevolen maatregelen complementair aan elkaar zijn en gezamenlijk moeten worden gerealiseerd om “het juiste effect” (het hof begrijpt: geluidsreductie) te bereiken (zie nader 3.5 en 3.6 hiervoor). Het is niet in geschil dat deze maatregelen geluidsbeperkend zijn en ook niet dat het haalbaar is om deze te realiseren. VVE Parkeerplaatsen is daarom gehouden om alle aanbevelingen van Strooming op te volgen.6.22. De vervolgvraag is of VVE Parkeerplaatsen de aanbevelingen van Strooming reeds juist en volledig heeft opgevolgd met de werkzaamheden die zij sinds het vonnis aan de roldeur heeft verricht. Volgens [geïntimeerde 1] is dit niet het geval en zij verwijst daarbij naar onderzoek van Sonitus. Sonitus heeft geconstateerd dat, anders dan Strooming heeft aanbevolen, de roldeur niet vrijdragend is gemaakt door deze geheel los te koppelen van de bestaande bouwkundige constructie (zie ook 3.11 en 3.12 hiervoor). Sonitus beveelt aan om dit alsnog te doen, en geeft daarvoor een concreet stappenplan. Sonitus beveelt tevens aan om bij het plaatsen van de deurgeleiders in de voorgevel zogeheten Phonex-ankers toe te passen. Ook beveelt zij aan om de motor van de roldeur te omkleden met een omkasting die aan de onderzijde open is, en om aan de bovenkant een dempende laag aan te brengen tussen de motor en het plafond. Ook op deze punten is VVE Parkeerplaatsen de aanbevelingen van Strooming onvoldoende nagekomen, aldus Sonitus.6.23. Tegenover deze gemotiveerde onderbouwing van [geïntimeerden] voert VVE Parkeerplaatsen slechts aan dat zij de aanbevelingen van Strooming wel heeft opgevolgd. Zij onderbouwt dat verder echter niet, terwijl dat wel op haar weg had gelegen. Bij die stand van zaken staat naar oordeel van het hof vast dat VVE Parkeerplaatsen de aanbevelingen uit het rapport van Strooming onvoldoende heeft opgevolgd. Zij is daarom gehouden om deze alsnog uit te voeren, met inachtneming van de aanvullende aanbevelingen van Sonitus van 14 december 2023. Zoals bij 6.22 is overwogen, geeft Sonitus een lijst met concrete punten om de geluidsoverlast te verminderen. Het gaat dus niet om “weinig concreet gemaakt[e]” aanbevelingen, zoals VVE Parkeerplaatsen de aanbevelingen van Strooming typeert.6.24. \n\nVVE Parkeerplaatsen heeft nog aangevoerd dat niet vaststaat dat het doorvoeren van de aanbevelingen van Strooming\u002FSonitus zal leiden tot het geheel oplossen van de geluidsoverlast, omdat het pand verouderd en gehorig is. VVE Parkeerplaatsen heeft deze stelling niet onderbouwd, en bovendien niet gemotiveerd weersproken dat het opvolgen van de aanbevelingen van Strooming\u002FSonitus zal leiden tot verminderingvan de geluidshinder. Daarmee staat naar oordeel van het hof voldoende vast dat het nut heeft om de aanbevolen maatregelen uit te voeren.\n\nTermijn en dwangsom6.25. \n\n [geïntimeerde 1] heeft gevorderd dat VVE Parkeerplaatsen wordt bevolen om de werkzaamheden uit te voeren binnen twee weken na de datum van het arrest. Het hof acht die termijn praktisch niet haalbaar en zal deze daarom vaststellen op drie maanden na betekening van dit arrest. Het hof zal de door [geïntimeerde 1] gevorderde dwangsom toewijzen, maar deze – in lijn met de kantonrechter – matigen op de wijze zoals weergegeven in het dictum.\n\nZijn dwangsommen verbeurd naar aanleiding van het vonnis (vordering sub III)?6.26. Met haar eiswijziging heeft [geïntimeerden] haar vordering dat VVE Parkeerplaatsen wordt bevolen om de aanbevelingen van Strooming op te volgen, in die zin gewijzigd dat het gevorderde bevel nader is uitgewerkt en gespecificeerd. Omdat de eiswijziging van [geïntimeerden] op dit punt moet worden opgevat als incidenteel hoger beroep (zie rechtsoverweging 6.3 hiervoor), zal het hof het vonnis op dit punt niet bekrachtigen, maar een nieuwe veroordeling uitspreken met inachtneming van de gewijzigde eis.6.27. \n\nNu het vonnis op dit punt niet wordt bekrachtigd, ontvalt met terugwerkende kracht de grondslag aan de dwangsom die de kantonrechter aan de veroordeling heeft verbonden. Dat betekent dat er geen grondslag is voor de door [geïntimeerden] gevorderde verklaring voor recht dat dwangsommen zijn verbeurd en de veroordeling van VVE Parkeerplaatsen om € 15.000,- aan verbeurde dwangsommen aan [geïntimeerden] te betalen. Het hof zal de gewijzigde vordering sub III van [geïntimeerden] daarom afwijzen.\n\nReconventie6.28. \n\nVVE Parkeerplaatsen heeft bij memorie van grieven twee vorderingen in reconventie ingesteld. VVE Parkeerplaatsen was immers bij de kantonrechter verweerder. Uit artikel 353 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) volgt dat het niet mogelijk is om voor het eerst in hoger beroep een vordering in reconventie in te stellen. Het hof zal VVE Parkeerplaatsen daarom niet-ontvankelijk verklaren in deze vorderingen.\n\nConclusie en proceskosten6.29. De conclusie is dat het principale hoger beroep van VVE Parkeerplaatsen niet slaagt, het incidentele hoger beroep van [geïntimeerde 1] wel slaagt en de gewijzigde vordering sub I van [geïntimeerde 1] voor toewijzing in aanmerking komt. Het hof zal het vonnis daarom deels vernietigen, maar slechts voor wat betreft het aan VVE Parkeerplaatsen opgelegde bevel.6.30. Omdat VVE Parkeerplaatsen ten aanzien van [geïntimeerde 1] in het ongelijk is gesteld, zal zij worden veroordeeld in de proceskosten van [geïntimeerde 1] .6.31. \n\nHet hof begroot de proceskosten in het principale hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde 1] op: griffierecht € 116,33 (1\u002F3 × € 349,-) salaris advocaat € 860,- (1\u002F3 × 2 punten × tarief II) nakosten € 189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.165,33\n\nOmdat in het incidentele hoger beroep geen afzonderlijke proceshandelingen zijn verricht, begroot het hof de proceskosten van [geïntimeerde 1] in het incidentele hoger beroep op nihil. Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing.6.32. Voor het overige zijn de partijen in het principale en incidentele hoger beroep over en weer in het ongelijk gesteld. Het hof zal daarom de proceskosten tussen hen compenseren in die zin dat zij ieder de eigen kosten dragen.7. Beslissing\n\nHet hof:\n\nin principaal en incidenteel hoger beroep\n\n- vernietigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 6 oktober 2023, doch uitsluitend voor wat betreft de veroordeling onder 3.3;\n\nen in zoverre opnieuw rechtdoende:\n\nten aanzien van [geïntimeerde 2] :\n\n- verklaart [geïntimeerde 2] niet-ontvankelijk in haar vordering sub I;\n\nten aanzien van [geïntimeerde 3] :\n\n- wijst de vordering sub I af;\n\nten aanzien van [geïntimeerde 1] :\n\nveroordeelt VVE Parkeerplaatsen om binnen drie maanden na betekening van dit arrest de aanbevelingen in het rapport van Strooming van 30 november 2021 en de brief van Sonitus van 14 december 2023 volledig op te volgen en de geadviseerde werkzaamheden te laten uitvoeren, in het bijzonder door het realiseren van een zelfdragend stalen portaal dat alleen met voetplaten op de vloer staat en geen contact maakt met de wanden of het plafond en het losmaken van de gehele deurconstructie van de bestaande betonnen draagconstructie van het gebouw, met inachtneming van de bevindingen van de geluidsdeskundige van 19 april 2024, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag dat VVE Parkeerplaatsen hiermee in gebreke blijft met een maximum van € 15.000,-;\n\nbekrachtigt het vonnis voor het overige;\n\nveroordeelt VVE Parkeerplaatsen ten aanzien van [geïntimeerde 1] in de kosten van de procedure in principaal hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde 1] tot op heden begroot op € 1.165,33, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als VVE Parkeerplaatsen deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;\n\nbepaalt dat als VVE Parkeerplaatsen niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, VVE Parkeerplaatsen de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-;\n\nveroordeelt VVE Parkeerplaatsen ten aanzien van [geïntimeerde 1] in de kosten van de procedure in incidenteel hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde 1] begroot op nihil;\n\ncompenseert voor het overige de proceskosten in hoger beroep in die zin dat partijen ieder de eigen kosten dragen;\n\nverklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;\n\nwijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. D. Stoutjesdijk, A.A. Muilwijk-Schaaij en T. Heikens en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier.\n\n HR 16 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1106, r.o. 3.2.2.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:1983","2026-06-18T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:58.192Z",{"id":99,"ecli":100,"slug":101,"caseNumber":44,"courtId":45,"decisionDate":102,"fullText":103,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":104,"sourceTimestamp":105,"parsedAt":52,"updatedAt":106},"629","ECLI:NL:RBAMS:2026:6444","ecli-nl-rbams-2026-6444","2026-06-24T00:00:00.000Z","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F772249 \u002F HA ZA 25-1270\n\nVonnis van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\neiser,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\nadvocaat: mr. M.W.J. Ariëns,\n\ntegen\n\n1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\n [gedaagde 1] B.V.,\n\ngevestigd te [vestigingsplaats 1] , 2. [gedaagde 2],\n\nwonende te [woonplaats 2] ,\n\ngedaagden,\n\nhierna te noemen: afzonderlijk [gedaagde 1] (1) en [gedaagde 2] (2) en samen [gedaagden 1 & 2] .,\n\nadvocaat: mr. H.C. Bijleveld,\n\n3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\n [gedaagde 3] B.V.,\n\ngevestigd te [vestigingsplaats 2] , 4. [gedaagde 4],\n\nwonende te [woonplaats 3] ,\n\ngedaagden,\n\nhierna te noemen: afzonderlijk [gedaagde 3] (3) en [gedaagde 4] (4) en samen [gedaagden 3 & 4]\n\nadvocaat: mr. G.C. Endedijk,\n\n1. De zaak en de beslissingen van de rechtbank in het kort\n\n1.1.. \n [eiser] werkte als directielid bij [bedrijf] . Hij is vanaf 2021 verdacht geweest van het mededelen van voorwetenschap. Het naar hem in dat verband verrichte strafrechtelijk onderzoek is geëindigd in een transactie met het Openbaar Ministerie, waarbij [eiser] een boete van € 20.000,00 heeft betaald. Op [datum 1] 2024 heeft het Openbaar Ministerie daarover een anoniem persbericht op haar website geplaatst.\n\n1.2.. Op [datum 2] 2024 heeft een journalist van het FD contact opgenomen met [eiser] en aan hem medegedeeld dat op maandag [datum 5] (op de website van het FD) en dinsdag [datum 6] 2024 (in de papieren krant van het FD) een artikel zou worden gepubliceerd over onder meer voornoemde gebeurtenissen. De journalist heeft [eiser] toen ook – in het kader van wederhoor – gevraagd of hij voorafgaand aan voornoemde publicatie commentaar wilde geven.\n\n1.3.. Daarop heeft [eiser] [gedaagde 1] en [gedaagde 3] ingeschakeld als respectievelijk communicatieadviseur en advocaat om hem te adviseren over de vraag of en zo ja welk commentaar hij zou moeten geven aan de journalist. Vervolgens hebben partijen verschillende conceptcommentaren uitgewisseld. In de middag van [datum 4] 2024 heeft [eiser] een commentaar aan de journalist gestuurd.\n\n1.4.. In de middag van [datum 5] 2024 is op de website van het FD een artikel over onder meer [eiser] verschenen. Op [datum 6] 2024 is datzelfde artikel in de papieren krant van het FD verschenen.\n\n1.5.. Intussen is [eiser] op [datum 5] 2024 door [bedrijf] op non-actief gesteld. Enige tijd later is hij op staande voet ontslagen. Na een daaropvolgend mediationtraject hebben [eiser] en [bedrijf] uiteindelijk een beëindigingsovereenkomst gesloten.\n\n1.6.. Volgens [eiser] hebben [gedaagden 1 & 2] en [gedaagden 3 & 4] hem ondeugdelijk geadviseerd over het door hem aan de journalist te geven commentaar en is hij als gevolg daarvan zijn baan bij [bedrijf] kwijtgeraakt. In deze procedure stelt [eiser] [gedaagden 1 & 2] en [gedaagden 3 & 4] daarvoor met verschillende vorderingen aansprakelijk.\n\n1.7.. De rechtbank wijst de vorderingen van [eiser] tegen [gedaagde 2] en [gedaagde 4] af. De redenen daarvoor zijn dat i) [eiser] geen overeenkomsten met hen persoonlijk heeft gesloten en ii) niet kan worden vastgesteld dat zij als bestuurders van hun vennootschappen onrechtmatig tegenover [eiser] hebben gehandeld.\n\n1.8.. De rechtbank wijst ook de vorderingen van [eiser] tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 3] af, omdat hij onvoldoende heeft onderbouwd dat zij – als respectievelijk communicatieadviseur en advocaat – zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen tegenover hem.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 26 juni 2025, met producties 1 – 33,\n\n- de incidentele conclusie houdende verzoek als bedoeld in artikel 195 Rv van [gedaagden 3 & 4] , met producties 1 – 2,\n\n- de conclusie van antwoord in incident, met producties 34 – 35,\n\n- de akte houdende vermindering van eis in het incident tot nihil van [gedaagden 3 & 4] ,\n\n- de conclusie van antwoord van [gedaagden 1 & 2] , met producties 1 – 5,\n\n- de conclusie van antwoord van [gedaagden 3 & 4] , met producties 3 – 4,\n\n- het tussenvonnis van 21 januari 2026 waarbij de mondelinge behandeling is bepaald,\n\n- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 13 mei 2026 en de daarin genoemde stukken,\n\n- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van 13 mei 2026 die zich in het dossier bevinden.\n\n2.2.. Daarna is bepaald dat vandaag een vonnis wordt uitgesproken.\n\n3. De feiten\n\nDe betrokken partijen\n\n3.1.. \n [eiser] is op 16 mei 2018 in dienst getreden bij [bedrijf] . [eiser] heeft bij [bedrijf] de functie van Algemeen Directeur [dochterbedrijf] bekleed.\n\n3.2.. \n ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] (hierna: ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] ) is getrouwd met de broer van de echtgenote van [eiser] en was werkzaam bij een bank.\n\n3.3.. \n [gedaagde 2] is een communicatieadviseur en reputatiestrateeg, gespecialiseerd op het gebied van crisismanagement. [gedaagde 2] is bestuurder van [gedaagde 1] .\n\n3.4.. \n [gedaagde 4] is bestuurder van [gedaagde 3] en werkt daar als advocaat.\n\nDe verdenking van [eiser]\n\n3.5.. De vader van ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] (hierna: [de vader van schoonzus] ) heeft op enig moment gebeld met een vermogensbeheerder van Van Lanschot Bankiers en gezegd dat hij aandelen in [bedrijf] wilde kopen, omdat hij van zijn dochter had begrepen dat er goede kwartaalcijfers en een deal met een Chinese entiteit aan zaten te komen. Voornoemde vermogensbeheerder heeft dit telefoongesprek vervolgens gemeld bij de Autoriteit Financiële Markten (hierna: de AFM).\n\n3.6.. In maart 2021 heeft de AFM aangifte gedaan bij het Functioneel Parket van het Openbaar Ministerie (hierna: het OM) van een vermoedelijke overtreding van het verbod op handel met voorwetenschap.\n\n3.7.. Naar aanleiding van die aangifte is het OM een strafrechtelijk onderzoek gestart naar onder meer [eiser] . Eind september 2021 heeft het OM aan [eiser] laten weten dat hij werd verdacht van het mededelen van en handelen met voorwetenschap. Het strafrechtelijk onderzoek naar [eiser] is uitgevoerd door de Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdienst (hierna: de FIOD).\n\n3.8.. In een brief van 15 november 2021 heeft [bedrijf] [eiser] onder meer gewaarschuwd voor het meermaals overtreden van het interne Reglement Voorwetenschap van [bedrijf] . In deze brief staat verder het volgende:\n\n“Daarnaast heeft u recent met [naam 1] [de chief executive officer (CEO) van [bedrijf] , toevoeging rechtbank] en met [naam 2] [ compliance officer van [bedrijf] , toevoeging rechtbank] besproken dat u door het Openbaar Ministerie verdacht wordt van het wederrechtelijk mededelen van voorwetenschap. U heeft in dat gesprek uitdrukkelijk aangegeven dat deze verdenking onterecht is, en dat u ter dezer zake geen enkel verwijt treft. Indien in de toekomst toch mocht blijken dat deze bevestiging van uw zijde onjuist was en\u002Fof dat u wel degelijk betrokken bent bij het wederrechtelijk mededelen van voorwetenschap die betrekking heeft op [bedrijf] NV, dan wel indien in het kader van het strafrechtelijke traject andere zaken naar voren komen die het in u gestelde vertrouwen nog verder beschadigen, zal zulks niet zonder gevolgen voor uw dienstverband kunnen blijven. Wij behouden ons voor die gevallen alle rechten voor, het recht tot onmiddellijke beëindiging van uw dienstverband daaronder uitdrukkelijk begrepen.”\n\n3.9.. Begin december 2023 is [eiser] met het OM een transactie aangegaan. Als onderdeel daarvan heeft hij een boete van € 20.000,00 betaald.\n\n3.10.. Op [datum 1] 2024 heeft het OM een persbericht op haar website gepubliceerd waarin onder meer het volgende staat:\n\n“Geldboetes voor handel met voorwetenschap\n\n(…)\n\nHet Openbaar Ministerie (OM) heeft voor het opzettelijk mededelen van voorwetenschap en het opzettelijk handelen met voorwetenschap twee zaken buitengerechtelijk afgedaan met geldboetes van 25.000 euro en 20.000 euro.\n\nAanleiding strafzaak\n\nDoor de Autoriteit Financiële Markten (AFM) is in maart 2021 bij het Functioneel Parket van het OM aangifte gedaan van een vermoedelijke overtreding van het verbod op handel met voorwetenschap. De AFM had van een oplettende vermogensbeheerder een melding (…) binnengekregen over een cliënt met opvallend beleggingsgedrag. Uit een opgenomen telefoongesprek bij de bank waar de vermogensbeheerder werkzaam was, bleek dat er mogelijk sprake was van het mededelen van voorwetenschap door een persoon binnen een Nederlands beursgenoteerd bedrijf.\n\nOnderzoek FIOD\n\nUit het strafrechtelijk onderzoek dat is uitgevoerd door de FIOD is gebleken dat er tussen de persoon bij het beursgenoteerde bedrijf, die daar een managementfunctie vervulde, en bij degene die handelde in de aandelen van dat bedrijf familiaire banden bestonden. Het door het OM verweten mededelen van voorwetenschap en daarop gevolgde handelen zag op kwartaalcijfers van het bedrijf en het bekendmaken van een deal met een buitenlandse partij.”\n\nHet eerste contact tussen [eiser] en een journalist van het FD\n\n3.11.. Op vrijdag [datum 2] 2024 heeft een journalist van het Financieele Dagblad (hierna: het FD) – de heer [naam 3] (hierna: [naam 3] ) – contact opgenomen met [eiser] . Hij heeft toen aan [eiser] medegedeeld dat op maandag [datum 5] 2024 op de website van het FD en op dinsdag [datum 6] 2024 in de papieren krant van het FD een artikel zou verschijnen over onder meer de verdenking van [eiser] en de door hem gesloten transactie met het OM. [naam 3] heeft [eiser] – in het kader van wederhoor – gevraagd of hij voorafgaand aan de publicatie van het artikel commentaar wilde geven.\n\nHet eerste contact tussen partijen\n\n3.12.. Op zaterdag [datum 3] 2024 heeft [eiser] gebeld met [gedaagde 2] en daarbij gevraagd te adviseren over de vraag of en zo ja, welk commentaar hij zou moeten geven met betrekking tot het door [naam 3] aangekondigde artikel. [gedaagde 2] heeft zich daartoe bereid verklaard.\n\n3.13.. Diezelfde dag heeft [gedaagde 2] – met instemming van [eiser] – [gedaagde 4] gebeld en hem gevraagd of hij bereid en beschikbaar was om zaterdag [datum 3] en zondag [datum 4] 2024 [eiser] mede te adviseren. [gedaagde 4] heeft zich daartoe bereid en beschikbaar verklaard. Daarna heeft [gedaagde 4] op [datum 5] 2024 een opdrachtbevestiging vanuit [gedaagde 3] aan [eiser] gemaild.\n\nDe correspondentie tussen partijen: [datum 3] 2024\n\n3.14.. In de middag van [datum 3] 2024 hebben partijen een telefonisch groepsgesprek gevoerd.\n\n3.15.. Daarna is een WhatsApp-groep tussen partijen aangemaakt. In een groepsgesprek hebben zij onder meer als volgt gecorrespondeerd:\n\n“[ [datum 3] -2024, 16:04:39] [gedaagde 4]: Concept\n\nGeachte heer [naam 3] ,\n\nNaar aanleiding van uw vragen bericht ik u als volgt. Ik heb mij niet zich schuldig gemaakt aan de genoemde strafbare feiten. Door een wat onhandige gang van zaken ben ik, samen met mijn schoonzus, enkele jaren geleden verdacht geraakt. Er was geen sprake van het bewust wisselen of gebruik maken van verboden informatie, maar een vermogend familielid heeft destijds toch gehandeld op basis van een onschuldig bedoeld gesprek. Omdat ik mijzelf, mijn naasten en mijn werkgever, een jarenlange procedure, die gepaard zou gaan met grote kosten, onzekerheid en reputatieschade, wilde besparen heb ik, hoewel ik absoluut van mening ben dat ik zou worden vrijgesproken, ingestemd met een schikking. Hiermee konden ik en de hiervoor bedoelde personen de zaak afuiten en door met ons leven. Ook mijn werkgever heeft aangedrongen op het aanvaarden van de schikking omdat zij publicataire schade vreesde. Alles is uitdrukkelijk geschied zonder schulderkenning en ook onder de voorwaarde dat daaraan geen ruchtbaarheid zou worden gegeven. Ik constateer nu dat deze vervelende zaak toch bij u terecht is gekomen en dat betreur ik. Ik hoop dat u zo prudent wilt zijn mijn naam niet of niet volledig te vermelden omdat ik anders online tot in de lengte der dagen vindbaar ben met iets dat ik niet heb gedaan. De officier van justitie is hiervoor ook gevoelig gebleken en heeft ingestemd met een anoniem persbericht. Ik hoop dat u dit wilt respecteren. Uiteraard ben ik graag tot een nadere (telefonische) toelichting bereid.”\n\n[ [datum 3] -2024, 16:05:23] [gedaagde 4]: Dit is maar een opzet uiteraard die ook moet worden afgestemd met jouw advocaat en mogelijk moet worden veranderd naar gelang de vragen van [naam 3] .\n\n[ [datum 3] -2024, 16:07:07] [gedaagde 4]: Maar dan hebben we vast een 'werktekst'”\n\nDe correspondentie tussen partijen: [datum 4] 2024\n\n3.16.. In de ochtend van zondag [datum 4] 2024 heeft [naam 3] [eiser] onder meer als volgt bericht:\n\n“Ha [eiser] , ik zou graag antwoord krijgen op de volgende vragen, vóór vandaag 17u.\n\n1. Je reactie op de betaling van €25.000 aan justitie vanwege delen van voorkennis?\n\n2. Wat is het gevolg geweest van de voorkennis-affaire voor jouw dienstverband met [bedrijf] ?\n\nEn\u002Fof werk je er nog?\n\n3. Wat was voor jou de reden om de koersgevoelige informatie over de deal met China en\n\nkwartaalcijfers te delen met ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] en\u002Fof haar vader?\n\n4. Bij welke gelegenheid en op welke datum heb je die informatie met hen gedeeld?\n\n5. waarom heeft [bedrijf] geen melding gemaakt van het justitiële onderzoek en de handel met voorkennis? Was [bedrijf] daartoe niet verplicht?”\n\n3.17.. \n [eiser] heeft voornoemd bericht van [naam 3] per WhatsApp aan [gedaagde 2] en [gedaagde 4] doorgestuurd. Daarna hebben partijen onder meer als volgt gecorrespondeerd:\n\n“[ [datum 4] -2024, 11:25:32] [eiser]: FYI mijn boet was 20k\n\n[ [datum 4] -2024, 11:26:00] [gedaagde 4]: Yes maar hij heeft veel kennis. Kennelijk heeft hij het\n\ndossier.\n\n[ [datum 4] -2024, 11:28:37] [eiser]: Ja ik denk een gedeelte blijkbaar. Want in het gehele\n\ndossier komt na getuigen verklaringen etc wel naar voren dat delen van cijfers zo goed als niet mogelijk was.\n\n[ [datum 4] -2024, 11:29:17] [eiser]: Maar goed, ik wacht even op jullie reactie.\n\n[ [datum 4] -2024, 11:30:19] [gedaagde 2]: We gaan het antwoord even ombouwen en\n\nverzakelijken. [naam 3] [ [naam 3] , toevoeging rechtbank] weet te veel dus kunnen het niet zomaar afdoen.\n\n[ [datum 4] -2024, 11:31:25] [eiser]: Begrijp ik. En fyi mbt de handel met China dat was al gepubliceerd in de half jaar verslagen van [bedrijf] paar maanden daar voor die publieke zijn.\n\n[ [datum 4] -2024, 11:57:54] [gedaagde 2]: Geachte heer [naam 3] , Naar aanleiding van uw vragen\n\nbericht ik u als volgt. Ik heb mij niet schuldig gemaakt aan hetgeen u beweert. Door een wat\n\nonhandige gang van zaken ben ik, samen met mijn schoonzus, enkele jaren geleden verdachte geworden en heeft een onderzoek plaatsgevonden. Er was geen sprake van het bewust delen of gebruik maken van verboden informatie. Maar een familielid heeft destijds zonder mijn medeweten helaas toch gehandeld op basis van een onschuldig bedoeld gesprek. Omdat ik mijzelf, mijn naasten en mijn werkgever, een jarenlange procedure wilde besparen, die gepaard zou gaan met grote kosten, onzekerheid en reputatieschade, heb ik ingestemd met een schikking. Ik wil wel benadrukken dat ik van mening ben dat ik in een procedure uiteindelijk zou worden vrijgesproken. Maar door te schikken konden ik en de hiervoor bedoelde personen de zaak snel afsluiten. Een en ander is afgestemd met mijn werkgever. Alles is uitdrukkelijk geschied zonder schulderkenning en ook onder de voorwaarde dat daaraan geen ruchtbaarheid zou worden gegeven. Ik constateer nu dat deze vervelende zaak toch bij u terecht is gekomen en dat betreur ik. Ook omdat de officier van justitie heeft ingestemd met een geanonimiseerd persbericht. Dat was voor mij een belangrijke voorwaarde om deze schikking aan te gaan. De boete was overigens 20.000 euro. Ik ga ervan uit dat u prudent met mijn personalia zult omgaan.”\n\n3.18.. Intussen heeft [eiser] het commentaar– zoals opgenomen in voornoemd bericht van [gedaagde 2] van 11:57:54 – per WhatsApp met zijn broer – [broer eiser] – gedeeld. In reactie daarop heeft [broer eiser] de passage “Maar een familielid heeft destijds zonder mijn medeweten helaas toch gehandeld op basis van een onschuldig bedoeld gesprek” rood omcirkeld en aan [eiser] gevraagd: “Ik ken het dossier onvoldoende maar is dit niet toch bekennen?” [eiser] heeft die vraag van [broer eiser] vervolgens doorgestuurd aan [gedaagde 2] en [gedaagde 4] .\n\n3.19.. Daarna hebben partijen onder meer als volgt gecorrespondeerd:\n\n“[ [datum 4] -2024, 12:30:23] [gedaagde 2]: dan zetten we er ‘kennelijk’ voor. Dan nemen we nog meer afstand. En dat je het weet moge wel duidelijk zijn na deze zaak: Naar aanleiding van uw vragen bericht ik u als volgt. Ik heb mij niet schuldig gemaakt aan hetgeen u beweert. Door een wat onhandige gang van zaken ben ik, samen met mijn schoonzus, enkele jaren geleden verdachte geworden en heeft een onderzoek plaatsgevonden. Er was geen sprake van het bewust delen of gebruik maken van verboden informatie. Maar een familielid heeft destijds kennelijk zonder mijn medeweten helaas toch gehandeld op basis van een onschuldig bedoeld gesprek. Omdat ik mijzelf, mijn naasten en mijn werkgever, een jarenlange procedure wilde besparen, die gepaard zou gaan met grote kosten, onzekerheid en reputatieschade, heb ik ingestemd met een schikking. Ik wil wel benadrukken dat ik van mening ben dat ik in een procedure uiteindelijk zou worden vrijgesproken. Maar door te schikken konden ik en de hiervoor bedoelde personen de zaak snel afsluiten. Een en ander is afgestemd met mijn werkgever. Alles is uitdrukkelijk geschied zonder schulderkenning en ook onder de voorwaarde dat daaraan geen ruchtbaarheid zou worden gegeven. Ik constateer nu dat deze vervelende zaak toch bij u terecht is gekomen en dat betreur ik. Ook omdat de officier van justitie heeft ingestemd met een geanonimiseerd persbericht. Dat was voor mij een belangrijke voorwaarde om deze schikking aan te gaan. De boete was overigens 20.000 euro. Ik ga ervan uit dat u prudent met mijn personalia zult omgaan.\n\n[ [datum 4] -2024, 12:45:43] [eiser]: Hi [gedaagde 2] [ [gedaagde 2] , toevoeging rechtbank],\n\n (…)\n\n1: kan je nog een keer het gehele final bericht in apart appje sturen zodat het een geheel is\n\n(…)\n\n[ [datum 4] -2024, 12:47:17] [eiser]: Laatste vraag: is schoonzus wel het juiste woord? Is dat ook schoonzus of iets meer in de richting van aangetrouwde familie om meer afstand te creëren?\n\n[ [datum 4] -2024, 12:49:19] [gedaagde 4]: Aangetrouwd familielid?\n\n[ [datum 4] -2024, 12:49:23] [gedaagde 4]: Ook prima.\n\n(…)\n\n[ [datum 4] -2024, 13:30:23] [gedaagde 2]: Aangepast statement: Beste [naam 3] ,\n\nNaar aanleiding van jouw vragen bericht ik je het volgende. Ik heb mij niet schuldig gemaakt aan hetgeen jij beweert. Door een wat onhandige gang van zaken ben ik, samen met een aangetrouwd familielid, enkele jaren geleden verdachte geworden en heeft een onderzoek plaatsgevonden. Er was geen sprake van het bewust delen of gebruik maken van verboden informatie. Maar dat familielid heeft destijds zonder mijn medeweten helaas toch gehandeld op basis van een onschuldig bedoeld gesprek. Omdat ik mijzelf, mijn naasten en mijn werkgever, een jarenlange procedure wilde besparen, die gepaard zou gaan met grote kosten, onzekerheid en reputatieschade, heb ik ingestemd met een schikking. Ik wil wel benadrukken dat ik van mening ben dat ik in een procedure uiteindelijk zou worden vrijgesproken. Maar door te schikken konden we de zaak snel afsluiten. Dit is afgestemd met mijn werkgever. Alles is uitdrukkelijk geschied zonder schulderkenning en ook onder de voorwaarde dat daaraan geen ruchtbaarheid zou worden gegeven. Ik constateer nu dat deze vervelende zaak toch bij jou terecht is gekomen en dat betreur ik. Ook omdat de officier van justitie heeft ingestemd met een geanonimiseerd persbericht. Dat was voor mij een belangrijke voorwaarde om deze schikking aan te gaan. De boete was overigens 20.000 euro. Ik ga ervan uit dat je met respect voor mijn privacy met mijn naamgegevens zult omgaan.\n\n (…)\n\n[ [datum 4] -2024, 13:33:14] [gedaagde 4]:\n\n[ [datum 4] -2024, 13:36:05] [eiser]: Thanks\n\n[ [datum 4] -2024, 13:40:05] [eiser]: Done.”\n\n3.20.. Intussen heeft [eiser] de tekst zoals opgenomen in het WhatsApp-bericht van [gedaagde 2] van 13:30:23 – met uitzondering van de woorden “Aangepast statement” – aan [naam 3] doorgestuurd.\n\nHet artikel in het FD\n\n3.21.. In de middag van [datum 5] 2024 is op de website van het FD een artikel verschenen dat onder meer als volgt luidt:\n\n“OM beboet [bedrijf] - directeur en ABN AMRO-bankier in voorkenniszaak\n\nEen directeur van de groothandelstak van [bedrijf] en een afdelingshoofd van ABN Amro zijn door het Openbaar Ministerie bestraft voor handel met voorkennis. Er werd koersgevoelige informatie gedeeld over kwartaalcijfers en een op handen zijnde distributiedeal van het beddenconcern in China in 2020.\n\nNa onderzoek heeft het OM de zaak buiten de rechtbank om afgedaan met geldboetes. De [bedrijf] - manager , die leiding geeft aan dochterbedrijf [dochterbedrijf] , betaalt €20.000 voor het opzettelijk delen van voorwetenschap. De ABN Amro-bankier, een familielid van de directeur , betaalt €25.000 vanwege handelen met voorkennis. De twee erkennen geen schuld. ABN Amro heeft de vrouwelijke bankier ontslagen, en een melding gedaan bij de tuchtcommissie voor banken.\n\nHet OM maakte de boetes afgelopen week bekend via een geanonimiseerd persbericht. Uit onderzoek van het FD blijkt dat de zaak draait om het onlangs van de beurs gehaalde [bedrijf] en [eiser] , die bij [dochterbedrijf] nog altijd verantwoordelijk is voor de internationale uitbreiding van het beddenconcern.\n\n [eiser] bevestigt na vragen van deze krant dat hij een schikking heeft getroffen met justitie. ‘Om zo mijzelf, mijn naasten en mijn werkgever een jarenlange procedure te besparen, die gepaard zou gaan met grote kosten, onzekerheid en reputatieschade’, legt hij uit.\n\nDe directeur schuift de schuld grotendeels op het bord van de bankier: ‘Door een wat onhandige gang van zaken, ben ik samen met een aangetrouwd familielid enkele jaren geleden verdachte geworden.’ Volgens hem ‘was geen sprake van het bewust delen of gebruik maken van verboden informatie. Maar dat familielid heeft destijds zonder mijn medeweten helaas toch gehandeld op basis van een onschuldig bedoeld gesprek.’\n\nMet de informatie heeft de bejaarde vader van de bankier gehandeld in aandelen van [bedrijf] . Het aandeel steeg 10% op een dag in oktober 2020 nadat het bedrijf een deal in China had bekendgemaakt. De zaak tegen de nu 77-jarige vader is geseponeerd vanwege ‘persoonlijke omstandigheden’, bevestigt het OM.\n\n [eiser] stelt zich op het standpunt dat hij in een rechtszaak zou worden vrijgesproken. ‘Maar door te schikken konden we de zaak snel afsluiten. Dit is afgestemd met mijn werkgever.’ Een woordvoerder van [bedrijf] stelt dat het concern geen reactie kan geven, omdat sprake is van een privékwestie.”\n\n3.22.. Op [datum 6] 2024 is voornoemd artikel ook in de papieren krant van het FD verschenen.\n\nHet einde van het dienstverband van [eiser] bij [bedrijf]\n\n3.23.. In de ochtend van [datum 5] 2025 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen [eiser] en [bedrijf] .\n\n3.24.. In een brief van diezelfde dag is [eiser] door [bedrijf] met onmiddellijke ingang op non-actief gesteld. In die brief staat onder meer het volgende:\n\n“Deze ordemaatregel treffen wij naar aanleiding van recente ontwikkelingen rond de tegen u bestaande verdenking van het wederrechtelijk delen van voorkennis. Zoals u weet, hebben wij eind 2021 met u gesproken over die verdenking. U heeft ons toen uitdrukkelijk aangegeven dat u op dat punt geen enkel verwijt zou treffen en dat de betreffende verdenking geheel onterecht zou zijn (zie de waarschuwingsbrief van 15 november 2021). Inmiddels is ons, eind vorige week, gebleken dat u ter zake van onder meer deze verdenking een transactie bent aangegaan met het OM. Daar komt bij, dat u mij gisteren heeft bevestigd dat u wel degelijk kennis die als voorwetenschap kan worden geduid heeft gedeeld, maar dat u daarvan geen verwijt zou treffen, omdat het — ik vat het samen in mijn eigen woorden — een ongelukkige samenloop van omstandigheden is geweest, waarbij u niet “bewust” informatie heeft gedeeld, maar anderen misbruik hebben gemaakt van informatie over [bedrijf] die u hen heeft gegeven. Dit valt voor ons niet te rijmen met uw eerdere bevestiging dat u geen enkel verwijt treft en er niets ontoelaatbaars is gebeurd. We willen u graag op zo kort mogelijke termijn horen over een en ander en nodigen u daarom uit voor een gesprek op woensdag 17 januari as, om 9.00 uur bij ons op kantoor. (….)”\n\n3.25.. In een brief van 29 januari 2024 heeft [bedrijf] [eiser] op staande voet ontslagen. In die brief staat – samengevat – dat [bedrijf] het ontslag van [eiser] grondt op de volgende vijf redenen:\n\n [eiser] heeft voorkennis over [bedrijf] gedeeld met een derde.\n\n [eiser] heeft niet de waarheid verteld, toen [bedrijf] eind 2021 met hem heeft gesproken over de verdenkingen van het OM en [eiser] heeft verklaard dat die verdenkingen onterecht waren en hem ter zake geen enkel verwijt trof.\n\nIn de reactie van [eiser] op het FD is ten onrechte gesteld dat hij de transactie met het OM na afstemming met [bedrijf] heeft gesloten.\n\nOp [datum 4] 2024 heeft [eiser] een aantal e-mails met bedrijfsvertrouwelijke informatie over [bedrijf] verstuurd van zijn zakelijke e-mailaccount naar een privé e-mailaccount, waaronder een groot contract met een toeleverancier en financiële cijfers (vanaf 2020) van [bedrijf] .\n\n [eiser] heeft – in het licht van het hiervoor in 1 tot en met 4 genoemde – geen open kaart gespeeld en heeft ongeloofwaardige verklaringen gegeven en mist in ernstige mate de betrouwbaarheid die als eigenschap vereist is om als leidinggevende functionaris binnen [bedrijf] werkzaam te kunnen zijn.\n\n3.26.. Daarna heeft een mediationtraject plaatsgevonden tussen [eiser] en [bedrijf] . Dit heeft ertoe geleid dat zij op 8 mei 2024 een overeenkomst hebben gesloten, waarbij de arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en [bedrijf] met wederzijds goedvinden per 1 augustus 2024 werd beëindigd.\n\nDe facturen van [gedaagde 1] en [gedaagde 3]\n\n3.27.. Op 18 januari 2024 heeft [gedaagde 1] € 3.025,00 aan [eiser] gefactureerd. [eiser] heeft die factuur betaald.\n\n3.28.. Op 2 februari 2024 heeft [gedaagde 3] € 1.500,64 aan [eiser] gefactureerd. [eiser] heeft die factuur betaald.\n\nDe aansprakelijkstelling van [gedaagden 1 & 2] en [gedaagden 3 & 4] door [eiser]\n\n3.29.. In brieven van 5 september 2024 en 15 november 2024 heeft [eiser] respectievelijk [gedaagden 3 & 4] en [gedaagden 1 & 2] aansprakelijk gesteld voor door hem geleden en nog te lijden schade.\n\n3.30.. \n [gedaagden 3 & 4] en [gedaagden 1 & 2] hebben in brieven van respectievelijk 22 oktober 2024 en 19 december 2024 aan [eiser] aansprakelijkheid van de hand gewezen.\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. \n [eiser] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:\n\nprimair:\n\nde door [eiser] met [gedaagde 3] gesloten overeenkomst ontbindt,\n\n [gedaagde 3] veroordeelt tot betaling van € 1.500,64, te vermeerderen met de wettelijke rente,\n\nde door [eiser] met [gedaagde 1] gesloten overeenkomst ontbindt,\n\n [gedaagde 1] veroordeelt tot betaling van € 3.025,00, te vermeerderen met de wettelijke rente,\n\nvoor recht verklaart dat [gedaagde 3] jegens [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen,\n\n [gedaagde 3] veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,\n\nvoor recht verklaart dat [gedaagde 4] jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld,\n\n [gedaagde 4] veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,\n\nvoor recht verklaart dat [gedaagde 1] jegens [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen,\n\n [gedaagde 1] veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,\n\nvoor recht verklaart dat [gedaagde 2] jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld,\n\n [gedaagde 2] veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,\n\nsubsidiair:\n\n13. de door [eiser] met [gedaagde 4] gesloten overeenkomst ontbindt,\n\n13. [gedaagde 4] veroordeelt tot betaling van € 1.500,64, te vermeerderen met de wettelijke rente,\n\n13. de door [eiser] met [gedaagde 2] gesloten overeenkomst ontbindt,\n\n13. [gedaagde 2] veroordeelt tot betaling van € 3.025,00, te vermeerderen met de wettelijke rente,\n\n13. voor recht verklaart dat [gedaagde 4] jegens [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen,\n\n13. [gedaagde 4] veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,\n\n13. voor recht verklaart dat [gedaagde 2] jegens [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen,\n\n13. [gedaagde 2] veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,\n\nzowel primair als subsidiair:\n\n21. gedaagden hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n4.2.. \n [gedaagden 1 & 2] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid dan wel afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n4.3.. \n [gedaagden 3 & 4] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid dan wel afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de proceskosten, waaronder de proceskosten in het incident, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n4.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, indien nodig, ingegaan.\n\n5. De beoordeling\n\nInleiding\n\n5.1.. Het kernverwijt dat [eiser] aan [gedaagden 1 & 2] en [gedaagden 3 & 4] maakt, is dat zij hem – als respectievelijk communicatieadviseur en advocaat – ondeugdelijk hebben geadviseerd over het door hem aan [naam 3] te geven commentaar. [eiser] heeft daartoe gewezen op de volgende passage (hierna: de passage) in dat commentaar:\n\n“Er was geen sprake van het bewust delen of gebruik maken van verboden informatie. Maar dat familielid heeft destijds zonder mijn medeweten helaas toch gehandeld op basis van een onschuldig bedoeld gesprek.”\n\n5.2.. \n [naam 3] heeft de passage verwerkt in zijn artikel dat in het FD is verschenen (zie 3.21, vijfde alinea). [eiser] heeft toegelicht dat de passage kon worden begrepen als een bekentenis dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het mededelen van voorwetenschap. Volgens [eiser] heeft [bedrijf] de passage ook zo heeft begrepen en is hij daardoor zijn baan bij [bedrijf] is kwijtgeraakt.\n\n5.3.. \n [eiser] stelt [gedaagden 1 & 2] en [gedaagden 3 & 4] daarvoor in deze procedure aansprakelijk en heeft daartoe verschillende vorderingen tegen hen ingesteld. Een aantal van deze vorderingen is gericht tegen [gedaagde 2] en [gedaagde 4] persoonlijk. De rechtbank bespreekt hierna eerst die vorderingen en vervolgens de vorderingen van [eiser] tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 3] .\n\nDe vorderingen tegen [gedaagde 2] en [gedaagde 4] worden afgewezen\n\nGeen onrechtmatig handelen door [gedaagde 2] en [gedaagde 4] tegenover [eiser]\n\n5.4.. \n [eiser] verwijt [gedaagde 2] en [gedaagde 4] onder meer dat zij onrechtmatig tegenover hem hebben gehandeld. In dit verband heeft [eiser] toegelicht dat hen – met name na de door hem doorgestuurde opmerking van zijn broer (zie 3.18) – ernstig te verwijten valt dat zij hebben nagelaten bij hem door te vragen althans de passage te schrappen dan wel aan te passen.\n\n5.5.. Voor zover [eiser] met die toelichting bedoelt dat [gedaagde 2] en [gedaagde 4] in hun hoedanigheid van bestuurders van respectievelijk [gedaagde 1] en [gedaagde 3] aansprakelijk zijn tegenover hem, gaat dat niet op. Uit vaste rechtspraak volgt dat indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, uitgangspunt is dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden kan – naast de vennootschap – ook de bestuurder worden aangesproken. Voor het aannemen van bestuurdersaansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. De lat voor het aannemen van bestuurdersaansprakelijkheid ligt dus hoog en die wordt hier niet gehaald. Het enkele feit dat [gedaagde 2] en [gedaagde 4] – na de door [eiser] doorgestuurde opmerking van zijn broer (zie 3.18) – de passage niet hebben geschrapt of aangepast, is daarvoor onvoldoende.\n\n5.6.. Andere omstandigheden die maken dat [gedaagde 2] en [gedaagde 4] onrechtmatig tegenover [eiser] hebben gehandeld, heeft [eiser] niet gesteld en zijn ook niet gebleken.\n\n5.7.. Al het voorgaande brengt mee dat de rechtbank niet kan vaststellen dat [gedaagde 2] en [gedaagde 4] onrechtmatig hebben gehandeld tegenover [eiser] . De primaire vorderingen van [eiser] die gegrond zijn op onrechtmatig handelen door [gedaagde 2] en [gedaagde 4] (zie 4.1 onder 7, 8, 11 en 12) worden daarom afgewezen.\n\nGeen overeenkomsten tussen [eiser] en [gedaagde 2] en [gedaagde 4] persoonlijk\n\n5.8.. \n [eiser] heeft verder subsidiaire vorderingen tegen [gedaagde 2] en [gedaagde 4] ingesteld die gegrond zijn op door hem gestelde overeenkomsten tussen hemzelf en [gedaagde 2] en [gedaagde 4] persoonlijk (zie 4.1 onder 13 tot en met 20). [gedaagde 2] en [gedaagde 4] betwisten dat [eiser] overeenkomsten met hen persoonlijk heeft gesloten.\n\n5.9.. Partijen zijn het erover eens dat [eiser] met [gedaagde 1] en [gedaagde 3] overeenkomsten heeft gesloten die strekten tot het geven van advies met betrekking tot het door hem te geven commentaar op het door [naam 3] aangekondigde artikel in het FD.\n\n5.10.. Partijen twisten evenwel over de vraag of [eiser] daartoe ook overeenkomsten met [gedaagde 2] en [gedaagde 4] persoonlijk heeft gesloten. De rechtbank oordeelt van niet. De facturen aan [eiser] – met betrekking tot de hiervoor bedoelde advisering – waren afkomstig van [gedaagde 1] en [gedaagde 3] en [eiser] heeft die ook heeft betaald (zie 3.27 en 3.28). Daarbij komt dat [gedaagde 4] op [datum 5] 2024 vanuit [gedaagde 3] een opdrachtbevestiging heeft gestuurd (zie 3.13). De rechtbank leidt uit deze gang van zaken af dat [eiser] alleen met [gedaagde 1] en [gedaagde 3] overeenkomsten heeft gesloten. Dit is ook volstrekt gebruikelijk bij dergelijke advisering. Omstandigheden die maken dat [eiser] erop mocht vertrouwen dat hij (ook) overeenkomsten met [gedaagde 2] en [gedaagde 4] persoonlijk had gesloten, heeft [eiser] niet gesteld en zijn ook niet gebleken.\n\n5.11.. Het oordeel dat [eiser] geen overeenkomsten heeft gesloten met [gedaagde 2] en [gedaagde 4] persoonlijk, brengt mee dat de subsidiaire vorderingen van [eiser] die gegrond zijn op die door hem gestelde overeenkomsten (zie 4.1 onder 13 tot en met 20), moeten worden afgewezen.\n\nOok de vorderingen tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 3] worden afgewezen\n\n5.12.. \n [eiser] vordert verder i) ontbinding van de overeenkomsten tussen hem en [gedaagde 1] en [gedaagde 3] , ii) terugbetaling van de reeds door hem aan [gedaagde 1] en [gedaagde 3] betaalde bedragen, iii) verklaringen voor recht dat [gedaagde 1] en [gedaagde 3] zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen tegenover hem en iv) veroordelingen van [gedaagde 1] en [gedaagde 3] tot betaling van schadevergoedingen, nader op te maken bij staat.\n\n5.13.. \n\nDe vraag die met betrekking tot al deze vorderingen moet worden beantwoord is of\n\n [gedaagde 1] en [gedaagde 3] – als respectievelijk communicatieadviseur en advocaat – zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen tegenover [eiser] . De rechtbank oordeelt van niet en legt hierna uit waarom.\n\n5.14.. De vraag of [gedaagde 1] – als communicatieadviseur – is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen tegenover [eiser] , moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 6:74 Burgerlijk Wetboek (BW). In dit wetsartikel staat onder meer dat iedere tekortkoming in de nakoming van een verbintenis de schuldenaar verplicht de schade die de schuldeiser daardoor lijdt te vergoeden, tenzij de tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend.\n\n5.15.. De vraag of [gedaagde 3] – in haar advocatenadvies – is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen tegenover [eiser] , moet worden beoordeeld aan de hand van vaste rechtspraak. Uit die rechtspraak volgt dat moet worden beoordeeld of de advocaat als beroepsbeoefenaar de zorgvuldigheid heeft betracht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. Suboptimaal handelen is daarbij onvoldoende om aansprakelijkheid aan te nemen. Vereist is een duidelijk ondermaats optreden. Anders gezegd, het moet gaan om een evidente omissie van de advocaat in de wijze waarop zij haar cliënt heeft bijgestaan.\n\n5.16.. Voorop staat dat partijen het erover eens zijn dat [gedaagde 2] op zaterdag [datum 3] 2024 aan [eiser] heeft medegedeeld dat hij volledige en juiste informatie moest verstrekken over de feitelijke gang van zaken waarop het door [naam 3] aangekondigde artikel betrekking had, zodat kon worden bepaald of en zo ja, welk commentaar [eiser] zou moeten geven aan [naam 3] .\n\n5.17.. \n [gedaagde 1] en [gedaagde 3] hebben verder toegelicht dat [eiser] – na de hiervoor geschetste mededeling van [gedaagde 2] – tijdens het telefonische groepsgesprek van zaterdag [datum 3] 2024 (zie 3.14) heeft gezegd dat hij op een familiefeestje had gesproken met ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] over de kwartaalcijfers van [bedrijf] en over een op handen zijnde deal van [bedrijf] met een Chinese entiteit, maar dat deze informatie niet kwalificeerde als voorwetenschap en dat hij ook nooit opzettelijk informatie heeft gedeeld die wel als voorwetenschap kwalificeert. [gedaagde 4] heeft ter zitting verklaard dat zij hebben doorgevraagd en “hem[ [eiser] , rechtbank]hebben gevraagd bij welke gelegenheid hij dat gesprek[met ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] , rechtbank]dan heeft gevoerd”, dat“Alle per WhatsApp gewisselde conceptreacties aan [naam 3] tot stand zijn gekomen op basis van de toelichtingen van [eiser] .”en“Ik ben er altijd vanuit gegaan dat het klopte wat ik had begrepen. Ik ben namelijk ook nooit gecorrigeerd.”.[gedaagde 1] heeft tijdens de zitting verklaard dat [eiser] toen ook heeft gezegd dat hij voornoemde mededelingen beter niet had kunnen doen. Kort na dat telefoongesprek heeft [gedaagde 4] een eerste conceptcommentaar opgesteld en dat in het WhatsApp-groepsgesprek tussen partijen gedeeld in zijn bericht van 16:04:39 (zie 3. 15 ). De inhoud van het eerste conceptcommentaar strookt ook met wat [eiser] – volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 3] – in het daaraan voorafgaande telefoongesprek tegen hen heeft gezegd. Daarin staat onder meer het volgende:\n\n“Door een onhandige gang van zaken ben ik, samen met mijn schoonzus, enkele jaren geleden verdacht geraakt. Er was geen sprake van het bewust wisselen of gebruik maken van verboden informatie, maar een vermogend familielid heeft destijds toch gehandeld op basis van een onschuldig bedoeld gesprek.”\n\n5.18.. Tegenover deze door [gedaagde 1] en [gedaagde 3] gestelde gang van zaken, is de kale stellingname van [eiser] dat hij tijdens voornoemd telefoongesprek heeft gezegd dat hij nooit de business van [bedrijf] met ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] heeft besproken van onvoldoende gewicht. Dat strookt namelijk niet met de inhoud van het eerste conceptcommentaar dat is opgesteld op basis van de door [eiser] zelf aan [gedaagde 1] en [gedaagde 3] verstrekte informatie. Als [eiser] meende dat hij expliciet tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 3] gezegd had dat hij nooit de business van [bedrijf] met ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] had besproken, had het voor de hand gelegen dat hij dit – meteen nadat het eerste conceptcommentaar werd gedeeld – bij hen had aangekaart, maar dat heeft hij niet gedaan.\n\n5.19.. Verder geldt dat na voornoemd eerste conceptcommentaar verschillende conceptcommentaren tussen partijen zijn uitgewisseld in hun WhatsApp-groepsgesprek en dat [eiser] daarop ook gedetailleerde input heeft gegeven.\n\n5.20.. Naar aanleiding van de door [eiser] doorgestuurde vragen van [naam 3] , heeft [gedaagde 2] op zondag [datum 4] 2024 een tweede conceptcommentaar in het WhatsApp-groepsgesprek gedeeld (zie 3.17). Dat tweede conceptcommentaar heeft [eiser] voorgelegd aan zijn broer, die daarop opmerkte dat de daarin opgenomen zin “Maar een familielid heeft destijds zonder mijn medeweten toch gehandeld op basis van een onschuldig bedoeld gesprek” kon worden begrepen als een bekentenis van schuld aan het mededelen van voorwetenschap (zie 3.18). [eiser] heeft die opmerking van zijn broer vervolgens in het WhatsApp-groepsgesprek gedeeld. Daarop heeft [gedaagde 2] gesuggereerd aan die zin het woord ‘kennelijk’toe te voegen, zodat die – in het derde conceptcommentaar van zijn hand – als volgt kwam te luiden: “Maar een familielid heeft destijds kennelijk zonder mijn medeweten helaas toch gehandeld op basis van een onschuldig bedoeld gesprek” (zie het bericht van [gedaagde 2] van [datum 4] 2024 van 12:30:23 in 3.19).\n\n5.21.. Naar aanleiding van dat derde conceptcommentaar is het steeds gebruikte woord ‘schoonzus’ op initiatief van [eiser] gewijzigd in ‘aangetrouwd familielid’ in het vierde conceptcommentaar zoals opgenomen in het bericht van [gedaagde 2] van [datum 4] 2024 van 13:30:23 (zie 3.19).\n\n5.22.. \n [eiser] heeft er in dit verband op gewezen dat het door [gedaagde 2] gesuggereerde woord ‘kennelijk’in het derde conceptcommentaar, niet is overgenomen in het vierde conceptcommentaar (vergelijk de berichten van [gedaagde 2] van [datum 4] 2024 van 12:30:23 en 13:30:23 in 3.19). Volgens [eiser] had het woord ‘kennelijk’niet mogen worden weggelaten, omdat zonder dat relativerende woord de passage nog stelliger als schuldbekentenis kon worden gelezen. Voor zover [eiser] bedoelt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 3] hierdoor zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen tegenover hem, wordt hij daarin niet gevolgd. Uit de brieven van [bedrijf] van 15 november 2021 en [datum 5] 2024 (zie 3.8 en 3.24) blijkt afdoende dat deze passage niet redengevend is geweest voor het ontslag.\n\n5.23.. Bovendien heeft [eiser] ook in de correspondentie over het tweede tot en met het vierde conceptcommentaar niet aan [gedaagde 1] en [gedaagde 3] duidelijk gemaakt dat de inhoud en strekking daarvan volgens hem niet klopte.\n\n5.24.. \n [eiser] heeft tijdens de zitting nog verklaard dat hij dacht dat het in de passage genoemde “onschuldig bedoelde gesprek” niet zag op een gesprek tussen hemzelf en ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] , maar op het gesprek tussen [de vader van schoonzus] en zijn vermogensbeheerder (zie 3.5), omdat hij gedurende het strafrechtelijk onderzoek meermaals geluidsopnamen heeft gehoord van dat gesprek.\n\n5.25.. Deze verklaring roept vragen op en is niet overtuigend. Uit de tussen partijen gewisselde conceptcommentaren en de daarover gevoerde correspondentie valt namelijk op geen enkele manier af te leiden dat het in de passage genoemde “onschuldig bedoelde gesprek” zag op het gesprek tussen [de vader van schoonzus] en zijn vermogensbeheerder. Uit die correspondentie blijkt wel dat partijen hebben gesproken over het gebruik van het woord ‘schoonzus’(zie 3.19). Verder heeft [gedaagde 1] onweersproken toegelicht dat [eiser] een telefoongesprek met [gedaagde 2] ook over het gebruik van het woord ‘schoonzus’heeft gesproken. Partijen zijn het erover eens dat het woord ‘schoonzus’in de eerste drie conceptcommentaren werd gebruikt om ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] aan te duiden en dat dit – op initiatief van [eiser] – is veranderd in ‘aangetrouwd familielid’. Dit alles wijst erop dat het in de passage genoemde “onschuldig bedoelde gesprek” zag op een gesprek tussen [eiser] zelf en ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] . Bij deze stand van zaken valt dan ook niet in te zien dat [eiser] heeft mogen begrijpen dat het in de passage genoemde “onschuldig bedoelde gesprek” zag op het gesprek tussen [de vader van schoonzus] en zijn vermogensbeheerder.\n\n5.26.. Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat [gedaagde 1] en [gedaagde 3] – als respectievelijk communicatieadviseur en advocaat – zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen tegenover hem. Dit brengt mee dat de vorderingen van [eiser] tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 3] (zie hiervoor 4.1 onder 1 tot en met 6, 9 en 10) moeten worden afgewezen.\n\n5.27.. Gezien het hiervoor gegeven oordeel komt de rechtbank niet meer toe een bespreking van wat partijen verder nog naar voren hebben gebracht.\n\nConclusie\n\n5.28.. De conclusie is dat alle vorderingen van [eiser] worden afgewezen.\n\nDe proceskosten en de daarover gevorderde wettelijke rente\n\n5.29.. \n [eiser] krijgt dus ongelijk en moet daarom de proceskosten van [gedaagden 1 & 2] en [gedaagden 3 & 4] betalen.\n\n5.30.. De proceskosten van [gedaagden 1 & 2] worden begroot op:\n\n- griffierecht: € 2.995,00\n\n- salaris advocaat: € 1.306,00 (2,0 punten x tarief II: € 653,00)\n\n- nakosten: € 189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\n- totaal: € 4.490,00\n\n5.31.. De proceskosten van [gedaagden 3 & 4] worden begroot op:\n\n- griffierecht: € 2.995,00\n\n- salaris advocaat: € 1.959,00 (3,0 punten x tarief II: € 653,00)\n\n- nakosten: € 189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\n- totaal: € 5.143,00\n\n5.32.. De reden dat [gedaagden 3 & 4] een hoger bedrag aan salaris advocaat toegewezen krijgt dan [gedaagden 1 & 2] , is dat [gedaagden 3 & 4] een incidentele vordering heeft moeten instellen om de beschikking te krijgen over stukken die [eiser] desgevraagd eerder niet vrijwillig aan haar wilde verstrekken. Voor de in dat verband door [gedaagden 3 & 4] gemaakte kosten, wordt daarom één (extra) punt aan salaris advocaat toegekend.\n\n5.33.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals hierna in de beslissing is vermeld.\n\nUitvoerbaarheid bij voorraad\n\n5.34.. De veroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit betekent dat de veroordelingen ook moeten worden uitgevoerd als tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld en zolang daarop niet anders is beslist.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n6.1.. wijst de vorderingen van [eiser] af,\n\n6.2.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [gedaagden 1 & 2] , begroot op € 4.490,00. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,\n\n6.3.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [gedaagden 3 & 4] , begroot op € 5.143,00. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,\n\n6.4.. veroordeelt [eiser] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten (zie 6.2 en 6.3) als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,\n\n6.5.. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. de Koning, rechter, bijgestaan door mr. L.J.P.C. Silven, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6444","2026-06-25T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:40.048Z",{"id":108,"ecli":109,"slug":110,"caseNumber":44,"courtId":111,"decisionDate":102,"fullText":112,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":113,"sourceTimestamp":105,"parsedAt":52,"updatedAt":114},"563","ECLI:NL:RBROT:2026:7412","ecli-nl-rbrot-2026-7412",61,"RECHTBANK Rotterdam\n\nTeam handel & haven\n\nZaaknummer: C\u002F10\u002F700708 \u002F HA ZA 25-455\n\nVonnis van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nte [plaats 1] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\nadvocaat: mr. P.E. Epping,\n\ntegen\n\n1.. [gedaagde 1] ,\n\nte [plaats 2] ,\n\nhierna te noemen: [gedaagde 1] ,\n\nadvocaat: mr. S. de Wit, 2.[gedaagde 2], handelend onder de naam[handelsnaam],\n\nte [plaats 2] ,\n\nadvocaat: mr. T. Abbo,\n\nhierna te noemen: [gedaagde 2] ,\n\ngedaagde partijen.\n\n1. De zaak in het kort\n\n [eiser] heeft vorderingen ingesteld tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . [eiser] stelt dat hij recht had op hulp van die partijen en dat hij onvoldoende hulp van hen heeft gekregen. Daardoor heeft hij zijns inziens schade geleden. Hij grondt zijn vorderingen op wanprestatie, onrechtmatige daad en ongerechtvaardigde verrijking. De rechtbank wijst de vorderingen af omdat [eiser] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. Zijn vorderingen zijn niet deugdelijk onderbouwd. Daarom is het voor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] vrijwel onmogelijk om de aan hen gemaakte verwijten te onderzoeken en om daarover in rechte een zinvol debat te voeren. [eiser] wordt in de proceskosten veroordeeld. Hierna worden de genomen beslissingen nader toegelicht.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaardingen van 27 mei 2025, met producties 1 t\u002Fm 8; - de conclusie van antwoord van [gedaagde 2] , met producties 1 t\u002Fm 8;\n\n- de conclusie van antwoord van [gedaagde 1] , met producties 1 en 2; - de brieven van de rechtbank waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;\n\n- het bericht van 23 oktober 2025 van de rechtbank, waarbij partijen nader zijn geïnformeerd over de mondelinge behandeling;\n\n- de aanvullende producties 9 t\u002Fm 21 van [eiser] ;\n\n- de mondelinge behandeling van 21 mei 2026 en de ter gelegenheid daarvan overgelegde spreekaantekeningen van [eiser] .\n\n2.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. \n [eiser] is afkomstig uit Liberia, vanwaar hij is gevlucht voor een oorlog. In 2003 heeft hij zich in Nederland gevestigd. Hij is analfabeet, spreekt geen Nederlands en lijdt aan dyspraxie waardoor spreken überhaupt moeilijk is. In 2021 is hij gediagnosticeerd als autistisch.\n\n3.2.. Via het COA kwam [eiser] in 2006 terecht bij [gedaagde 2] . [eiser] en [gedaagde 2] hebben afspraken gemaakt op basis waarvan [gedaagde 2] – kort gezegd – [eiser] zou helpen bij zijn integratie in de maatschappij, onder andere door begeleiding bij het regelen van huisvesting en financiën.\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. \n [eiser] vordert een verklaring voor recht waaruit blijkt dat gedaagden zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk aansprakelijk zijn voor de geleden schade met verwijzing van de zaak naar een schadestaatprocedure, met veroordeling van gedaagden in de proceskosten.\n\n4.2.. \n [eiser] stelt zich op het standpunt dat hij onvoldoende hulp heeft gekregen van gedaagden. Hij benoemt in dat kader vijf voorbeelden, hieronder geciteerd uit de spreekaantekeningen van [eiser] :\n\n [eiser] moest op het kantoor van Woonbron tekenen voor een woning, die woning had hij nooit gezien. Van hem werd verwacht dat hij direct de huur zou voldoen. [eiser] was echter met lege handen bij de COA weggegaan en had geen inkomen of uitkering. [gedaagde 2] noch [gedaagde 1] hebben hem hierin bijgestaan;\n\n [eiser] kwam terecht in een woning zonder gas, water en licht. Onbekend met het systeem van Nederland en de taal heeft hij maandenlang zonder deze voorzieningen geleefd;\n\n [eiser] heeft van meet af aan te kennen gegeven dat hij een zoon heeft die hij naar Nederland wilde halen, hierin werd hem geen ondersteuning geboden terwijl [eiser] met eigen ogen heeft waargenomen dat derden deze hulp wel geboden kregen. Deze derden spraken de taal beter dan [eiser] ;\n\nDrie jaar lang heeft [eiser] van 50 euro per maand moeten leven vanwege een aanmelding bij de Kredietbank voor vele schulden, maar na die drie jaar waren de schulden niet opgelost, sterker nog, die waren alleen maar opgelopen;\n\nEr werd met de identiteit van [eiser] gefraudeerd. [eiser] moest zijn papieren\u002Fdocumenten inleveren bij [gedaagde 2] . Later zou hij van [gedaagde 1] een brief krijgen dat hij in Apeldoorn zou werken (terwijl hij in Rotterdam en\u002Fof Eindhoven woonde) en daarom geen uitkering kreeg. Het bedrijf in Apeldoorn kende hem echter niet. Het simpele antwoord van [gedaagde 2] en [gedaagde 1] was: “je bent een fraudeur, we kunnen je niet helpen.”\n\n4.3.. Aan zijn vorderingen legt [eiser] primair ten grondslag dat gedaagden toerekenbaar zijn tekortgeschoten in de nakoming van overeengekomen plannen. [eiser] stelt daardoor (vooral emotionele) schade te hebben geleden. Subsidiair grondt [eiser] zijn vordering op onrechtmatige daad. Daartoe stelt hij dat gedaagden in strijd met “de overeenkomst” hebben gehandeld en in strijd met ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer. Meer subsidiair voert [eiser] aan dat gedaagden, in het bijzonder [gedaagde 2] , ongerechtvaardigd is\u002Fzijn verrijkt ten koste van hem omdat [gedaagde 2] voor de hulpverlening budget heeft gekregen maar aan [eiser] geen hulp is verleend.\n\n4.4.. Gedaagden voeren verweer. Zij betwisten de stellingen van [eiser] , voeren aan dat [eiser] onvoldoende heeft gesteld en beroepen zich op verjaring. Gedaagden concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] in zijn vorderingen, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de proceskosten. [gedaagde 1] verzoekt de proceskosten te vermeerderen met wettelijke rente als die kosten niet binnen 14 dagen na het vonnis zijn betaald.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. De rechtbank wijst de vorderingen van [eiser] af. Voor de primaire en subsidiaire grondslag geldt dat [eiser] zijn stellingen onvoldoende concreet heeft onderbouwd. Voor de meer subsidiaire grondslag geldt dat de juridische redenering ondeugdelijk is. Dat wordt hierna toegelicht.\n\nPrimaire en subsidiaire grondslag: [eiser] voldoet niet aan zijn stelplicht\n\n5.2.. \n [eiser] stelt dat gedaagden toerekenbaar zijn tekortgeschoten dan wel onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld. Op hem rust de stelplicht. Dat houdt in dat hij alle feitelijke elementen moet stellen die benodigd zijn voor het intreden van de door hem beoogde rechtsgevolgen. Die stellingen moet hij in voldoende mate concretiseren. Anders gezegd: het is aan [eiser] om concreet te onderbouwen wat gedaagden verkeerd zouden hebben gedaan. Dat geldt temeer nu het gaat om vermeende tekortkomingen dan wel onrechtmatige daden uit een inmiddels vrij ver verleden. Dat brengt immers mee dat het voor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] uitermate lastig is om de relevante feiten te achterhalen.\n\n5.3.. \n [eiser] heeft niet aan zijn stelplicht voldaan. De voorbeelden die hij heeft genoemd zijn niet concreet genoeg. Zo blijkt nergens uit op wie van gedaagden welke specifieke contractuele verplichting rustte en waarom die gedaagde ten aanzien van die verplichting is tekortgekomen. [eiser] lijkt ervan uit te gaan dat ieder probleem waarop hij bij zijn inburgering is gestuit opgelost had moeten worden door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en dat waar dergelijke problemen niet of niet snel genoeg zijn opgelost dat per definitie een toerekenbare tekortkoming van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] oplevert. Hij heeft echter niet inzichtelijk gemaakt welke concrete contractuele verplichtingen van welke van gedaagden een dergelijk vergaande verantwoordelijkheid meebrengen. Hij heeft ook anderszins niet aangetoond welke afspra(a)k(en) gedaagden toerekenbaar zouden hebben geschonden. Ook blijft onduidelijk waar de vermeende onrechtmatige da(a)d(en) uit zou(den) hebben bestaan. Het had op de weg van [eiser] gelegen om duidelijk te maken wat hij gedaagden precies verwijt. [eiser] stelt dat er naast de door hem genoemde (maar niet voldoende uitgewerkte) voorbeelden nog “talloze voorbeelden” te noemen zijn, maar hij benoemt die voorbeelden vervolgens niet. Door zijn stellingen onvoldoende te concretiseren maakt [eiser] het vrijwel onmogelijk voor gedaagden om zich adequaat te verdedigen. Gedaagden hebben dus terecht aangevoerd dat [eiser] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan.\n\nMeer subsidiaire grondslag: de juridische redenering is ondeugdelijk\n\n5.4.. De vordering kan ook niet worden gegrond op ongerechtvaardigde verrijking zoals beschreven in artikel 6:212 BW. Daarvoor is immers onder meer vereist dat sprake is van verarming van [eiser] . Als [gedaagde 2] ten onrechte budget van [gedaagde 1] niet zou hebben gebruikt voor hulpverlening aan [eiser] (zoals [eiser] stelt), dan is er geen sprake van verarming van [eiser] in juridisch relevante zin. [eiser] heeft immers niet betaald voor de hulpverlening. Voor de stelling dat [gedaagde 1] ongerechtvaardigd is verrijkt heeft [eiser] in het geheel niets aangevoerd.\n\nTen slotte\n\n5.5.. In aanvulling op het voorgaande overweegt de rechtbank nog als volgt. Het komt de rechtbank voor dat de verwachtingen van [eiser] over de mogelijkheden van gedaagden om zijn problemen voor hem op te lossen, te optimistisch zijn geweest. [eiser] kwam in aanmerking voor zorg. Die is in uren geïndiceerd in WMO-beschikkingen. In sommige perioden was dat 0,5 uur en in sommige perioden 2 uur per week, zo heeft [gedaagde 2] tijdens de mondelinge behandeling onweersproken aangevoerd. De zorg die kon worden geboden was niet van zodanige omvang dat van een hulpverlenende instantie als [gedaagde 2] kon worden verwacht dat zij onder meer alle mogelijke praktische problemen zou oplossen. Dat is ook niet de taak van die instantie, noch van [gedaagde 1] .\n\n5.6.. \n [eiser] heeft aangevoerd dat zijn problemen zijn opgelost sinds hij zijn vrouw heeft leren kennen. Zijn vrouw is in feite zijn mantelzorger en biedt hem een mate van zorg en begeleiding die [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet (hebben) kunnen bieden, in ieder geval niet op basis van de gestelde WMO-indicaties. [eiser] had kennelijk behoefte aan een mate van zorg die niet door [gedaagde 1] en\u002Fof [gedaagde 2] wordt verleend. Dat het leven van [eiser] na zijn vestiging in Nederland niet is gelopen zoals hij had gewild, betekent niet dat hij schade heeft geleden waarvoor gedaagden uit wanprestatie of onrechtmatige daad aansprakelijk zijn.\n\n5.7.. Opmerking verdient dat [gedaagde 2] gemotiveerd heeft gesteld dat zij in de loop der jaren wel degelijk hulp heeft verleend aan [eiser] en dat [eiser] daar ook baat bij heeft gehad. [gedaagde 2] heeft in dat kader concrete voorbeelden genoemd die door [eiser] niet zijn weersproken. Nu [eiser] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan, zal de rechtbank echter niet inhoudelijk ingaan op wat partijen verder over en weer hebben aangevoerd.\n\nProceskosten\n\n5.8.. \n [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , ieder afzonderlijk, worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n714,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.306,00\n\n(2 punten × € 653,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.209,00\n\n5.9.. De door [gedaagde 1] gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n6.1.. wijst de vorderingen van [eiser] af,\n\n6.2.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.209,00, te betalen aan zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] , binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n6.3.. veroordeelt [eiser] tot betaling aan [gedaagde 1] van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n6.4.. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026. 3533 \u002F 1729","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7412","2026-07-13T00:28:36.905Z",{"id":116,"ecli":117,"slug":118,"caseNumber":44,"courtId":119,"decisionDate":80,"fullText":120,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":121,"sourceTimestamp":122,"parsedAt":52,"updatedAt":123},"1139","ECLI:NL:RBOVE:2026:3802","ecli-nl-rbove-2026-3802",69,"RECHTBANKOVERIJSSEL\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Almelo\n\nZaaknummer: 11987371 \\ CV EXPL 25-2086\n\nVonnis van 23 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nte [woonplaats 1] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\ngemachtigde: mr. L.A. de Haan,\n\ntegen\n\n1. [gedaagde 1] ,\n\nte [woonplaats 2] ,\n\nhierna te noemen: [gedaagde 1] ., 2. [gedaagde 2],\n\nte [woonplaats 2] ,\n\nhierna te noemen: [gedaagde 2] .,\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna samen te noemen: [gedaagden] ,\n\ngemachtigde: mr. W.P. van Heerewaarden, Anker Rechtshulp B.V.\n\n1. De samenvatting\n\n1.1. \n [gedaagden] hebben een auto verkocht aan [eiser] . De kantonrechter oordeelt dat [gedaagden] bewust ervoor hebben gezorgd dat [eiser] een verkeerd beeld kreeg over de auto en over het onderhoud daaraan. Ook nadat [eiser] hen vragen stelde over de auto, hebben zij dat verkeerde beeld bewust in stand gehouden. Daarom is sprake van bedrog en dat is onrechtmatig. [gedaagden] zijn aansprakelijk voor de schade die [eiser] door hun bedrog heeft geleden. De schade is gelijk aan de aanschafprijs van de auto, en bestaat uit kosten die [eiser] al heeft gemaakt om de auto te repareren en uit kosten die hij nog moet maken.\n\n2. De procedure\n\n2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding - de conclusie van antwoord - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald\n\n- de mondelinge behandeling van 27 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.2.2. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n3. De feiten\n\n3.1. \n [gedaagde 2] . was tot 19 mei 2025 eigenaar van een Volkswagen Golf (hierna: de auto). Ook [gedaagde 1] . gebruikte de auto. [gedaagde 2] . heeft [gedaagde 1] . gevraagd de auto voor hem te verkopen, waarna [gedaagde 1] . de auto te koop heeft aangeboden. [gedaagde 1] . werkt als automonteur.\n\n3.2. Op 19 mei 2025 heeft [eiser] de auto van [gedaagde 2] . gekocht. Hij heeft er € 4.900,00 voor betaald. Tijdens het aankooptraject had [eiser] voornamelijk contact met [gedaagde 1] . [gedaagden] hebben [eiser] bij de auto een boekje gegeven (hierna: het onderhoudsboekje). In het onderhoudsboekje staat dat onderhoud heeft plaatsgevonden aan de auto en dat dit onderhoud is verricht door [garage 1] (hierna: [garage 1] ). Daarbij staan stempels van [garage 1] , met een dealercode van Volkswagen en de vermelding dat [garage 1] “Volkswagen Partner” is.\n\n3.3. Op 5 juni 2025 bracht [eiser] de auto naar [garage 2] B.V. (hierna: [garage 2] ), nadat hij problemen had met de auto. [garage 2] is een officiële partner van Volkswagen, net als [garage 1] . [garage 2] maakte een analyserapport op van de auto. In dit rapport constateert [garage 2] dat de pendelsteunbouten van de motor van de auto zijn losgekomen en dat daardoor verdere motorschade is veroorzaakt. Volgens [garage 2] moeten beide steunbouten worden vernieuwd en moeten er nieuwe onderdelen worden gemonteerd. Voor de analyse betaalde [eiser] € 2.294,20 aan [garage 2] . Op 24 juli 2025 heeft [garage 2] een bedrag van € 1.254,28 in rekening gebracht voor het monteren van een nieuwe koppeling in de auto. Op de factuur is door [garage 2] vermeld dat de verdere vervangwerkzaamheden zijn gestaakt, omdat na het loshalen van de oude delen bleek dat er meer inwendige schade aan de auto was dan vooraf zichtbaar was. Door [garage 3] B.V. (hierna: [garage 3] ) is een offerte opgemaakt voor het herstellen van de motor van de auto. [garage 3] verwacht dat dit tussen de € 4.000 en € 5.000 zal kosten.\n\n3.4. Na het bezoek aan [garage 2] probeerde [eiser] via WhatsApp contact op te nemen met [gedaagde 1] . Dat lukte niet, omdat [gedaagde 1] . ervoor had gezorgd dat [eiser] hem geen berichten meer kon sturen via WhatsApp. [eiser] stuurde daarom op 6 juni 2025 een email aan [gedaagde 2] .:\n\n“Ik stuur je deze mail omdat ik vragen had over de GTI die ik van uw zoon heb gekocht. Ik heb geprobeerd hem te bereiken alleen het lijkt alsof hij mij geblokkeerd heeft.\n\nDe auto moest namelijk langs de garage en het bleek dat de motor steunbout niet goed is aangelegd waardoor de motor is losgekomen. Mijn vraag was of uw zoon naar de garage is geweest in de tijd van bezit en dat ze daar met de motor bezig zijn geweest. Het is namelijk een menselijke fout geweest, de bout is namelijk onmogelijk om uit zichzelf los te komen.(…)\n\nIk neem het jullie zeker niet kwalijk maar graag heb ik de informatie van de garage zodat ik daar achter aan kan gaan.”\n\n3.5. Op 12 juni 2025 reageerde [gedaagde 1] . op de email. Volgens [gedaagde 1] . zijn de pendelsteunbouten niet los geweest in de periode dat hij de auto in zijn bezit had. Volgens hem was het ook niet aannemelijk dat de bouten al los zaten in de periode dat [gedaagde 2] . de auto in zijn bezit had. Volgens [gedaagde 1] . zouden de bouten kunnen zijn losgetrild in de periode na de verkoop aan [eiser] :\n\n“Wat betreft de bout van de motorsteun, er is nooit wat los geweest in verhouden met de motorsteunen sinds de auto in mijn bezit was, het zou kunnen dat het bedrijf waar ik hem van heb gekocht ooit iets los heeft gehad maar dit zou dan al 30.000km of meer geleden moeten zijn dus het lijkt mij niet dat het door hun komt. Het zou kunnen dat er een bout is losgetrild naarmate er meer met de auto werd gereden en dat jij het pech hebt gehad. Het is eenmaal een 20 jaar oude auto met veel vermogen dus er gaat wel is wat mis natuurlijk(…).”\n\n3.6. Op 13 juni 2025 reageerde [eiser] :\n\n“Nog een vraagje, was er iets met de koppeling? Had een sport koppel? Of hij was vervangen? Soms schakelt hij namelijk ff moeilijk, weet niet of jij daar ook soms last van had, laat het me maar weten!”\n\n3.7. \n [gedaagde 1] . reageerde op 13 juni 2025 als volgt:\n\n“Wat betreft de koppeling, de koppeling is rond de 135.000km vervangen toen ik hem net in een paar weken in mij bezit had. Maar ik denk dat dat ook niks te maken heeft met het lastig schakelen want dat is al een best aantal km geleden.”\n\n3.8. \n [eiser] ontdekte via [garage 2] dat in de systemen van Volkswagen geen onderhoud stond geregistreerd voor de auto. Dit betekent dat aan de auto geen onderhoud is uitgevoerd door een officiële partner van Volkswagen. Volgens [garage 2] was het door [gedaagde 1] . verstrekte onderhoudsboekje geen origineel onderhoudsboekje.\n\n3.9. De advocaat van [eiser] heeft [gedaagde 1] . met een brief van 19 augustus 2025 aansprakelijk gesteld voor een bedrag van € 4.900, vanwege de door de losse pendelsteunbouten veroorzaakte problemen. [gedaagde 1] . reageerde met een email van 26 augustus 2025 en stelde zich op het standpunt dat eventuele gebreken aan de auto hem niet konden worden toegerekend en dat hij de schade niet zou betalen.\n\n3.10. Namens [eiser] is vervolgens contact gezocht het [garage 1] , omdat de stempels van [garage 1] in het onderhoudsboekje staan, maar er geen onderhoudsbeurten staan geregistreerd in het systeem van Volkswagen. [garage 1] verklaarde dat van de auto niets te vinden is in de systemen van [garage 1] . Volgens [garage 1] werkte [gedaagde 1] . ten tijde van het zetten van de stempels bij haar. [garage 1] nam aan dat [gedaagde 1] . eigenhandig de boekjes heeft ingevuld en daarbij de stempels van [garage 1] heeft gebruikt. Volgens [garage 1] zou [gedaagde 1] . op staande voet zijn ontslagen als [garage 1] dit had ontdekt tijdens het dienstverband.\n\n3.11. De advocaat van [eiser] nam naar aanleiding van het bericht van [garage 1] opnieuw contact op met [gedaagde 1] . In zijn brief van 15 september 2025 staat onder meer het volgende:\n\n“Het bovenstaande betekent dat u de onderhoudsstempels plaatste, dan wel liet plaatsen, terwijl u wist dat de garage geen onderhoud uitvoerde aan de auto. U liet het voorkomen alsof een betrouwbare garage onderhoud uitvoerde aan de auto, terwijl u wist dat dit niet zo was. Hiermee handelde u onrechtmatig tegenover cliënt (artikel 6:162 BW). Cliënt ging uit van de juistheid van het onderhoudsboekje. Met opzet gebruikte u de stempels van [garage 1] , terwijl u daartoe niet bevoegd was. Hierdoor lijdt cliënt schade. Cliënt zou de auto niet hebben gekocht als u deze stempels niet ten onrechte gebruikte. Cliënt zou bovendien geen geld aan reparaties hebben uitgegeven, als hij wist dat u de stempels ten onrechte zette, terwijl u daartoe niet bevoegd was.\n\n3.12. Een inhoudelijke reactie bleef uit. Op 25 september 2025 stuurde de advocaat van [eiser] een brief aan [gedaagde 2] . Volgens [eiser] was ook hij aansprakelijk, omdat hij [gedaagde 1] . had ingeschakeld als hulppersoon. Op 27 oktober 2025 reageerde de gemachtigde van [gedaagde 2] . Hij concludeerde dat [gedaagde 2] . een goedwerkende auto heeft verkocht en dat [eiser] zou hebben verzuimd om de gestelde gebreken te bewijzen. [eiser] is vervolgens deze procedure gestart.\n\n4. Het geschil\n\n4.1. \n [eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagden] tot betaling van € 4.900,00, vermeerderd met rente en kosten. Volgens [eiser] zijn [gedaagden] hoofdelijk aansprakelijk, omdat [gedaagden] bedrog hebben gepleegd bij de verkoop van de auto. Het bedrog bestond volgens [eiser] uit het bewust geven van een onjuiste voorstelling van zaken over de onderhoudshistorie van de auto. Door dit onjuiste beeld heeft [eiser] niet alleen de auto gekocht, maar heeft hij ook zelf kosten gemaakt die hij niet gemaakt zou hebben als hij had geweten dat de auto niet door een officiële dealer zou zijn onderhouden. Zijn schade bestaat uit de gemaakte kosten en een deel van de nog te maken kosten om de auto te herstellen. Subsidiair baseert [eiser] zijn vordering op [gedaagde 2] . op ongerechtvaardigde verrijking. Volgens hem zou de door [gedaagde 2] . verkochte auto in werkelijkheid € 0,00 waard zijn en is [gedaagde 2] . daarom ten onrechte met € 4.900,00 verrijkt.\n\n4.2. \n [gedaagden] voeren verweer. [gedaagde 1] . concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , omdat hij niet de verkoper zou zijn en niet betrokken was bij de verkoop van de auto. [gedaagden] vinden daarnaast dat de vorderingen moeten worden afgewezen omdat geen sprake is van bedrog. Volgens [gedaagden] wisten zij niet van de gebreken. [gedaagden] betwisten dat bij de verkoop door hen is aangegeven dat de auto door een erkende dealer is onderhouden. Volgens [gedaagden] zijn alle stempels in het onderhoudsboekje rechtmatig gezet. Ook betwisten zij dat de schade is veroorzaakt door het gestelde bedrog. Zij wijzen er verder op dat zij niet in gebreke zijn gesteld. [gedaagde 2] . betwist ten aanzien van de ongerechtvaardigde verrijking dat de auto in werkelijkheid € 0,00 waard was.\n\n4.3. Voor zover nodig worden de stellingen van partijen hierna verder besproken.\n\n5. De beoordeling\n\nOpmerkingen vooraf\n\n5.1. Het komt vaker voor dat een koper van een auto meent dat de auto niet doet wat deze zou moeten doen. Meestal kiest de koper ervoor om de verkoper in gebreke te stellen en daarna de koopovereenkomst te ontbinden, of om vervangende schadevergoeding te vorderen. In die gevallen is vereist dat de koper aantoont dat de auto niet doet wat de koper daarvan mocht verwachten, en dat verkoper de kans heeft gekregen om de auto zelf te (laten) herstellen. Deze zaak is echter anders dan de meeste gevallen. [eiser] baseert zijn vordering op een door [gedaagden] gepleegde onrechtmatige daad. Voor deze vordering is niet vereist dat [gedaagden] de mogelijkheid hebben gekregen om de auto zelf te (laten) herstellen. Voldoende is dat komt vast te staan dat er sprake is van bedrog en dat [eiser] door dat bedrog schade heeft geleden. Het is aan [eiser] om dit te stellen en te onderbouwen. In het vonnis komen deze twee hoofdvragen aan de orde.\n\n5.2. Het voorgaande betekent dat de standpunten van [gedaagden] over de staat van de auto bij de levering en het verzuim niet relevant zijn voor deze procedure. Datzelfde geldt voor het beroep op niet-ontvankelijkheid. De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde 1] . bedoelt dat [eiser] geen vordering op hem kan hebben en dat de vordering dus moet worden afgewezen. In de conclusie van antwoord betoogt [gedaagde 1] . stellig dat hij in het geheel niet betrokken was bij de verkoop, ook niet als aanspreekpunt. Tijdens de mondelinge behandeling is echter gebleken dat dit niet waar is. [gedaagde 1] . heeft de advertentie geplaatst en met [eiser] gecommuniceerd over de verkoop. [gedaagde 1] . was dus weldegelijk betrokken bij de verkoop en het mogelijke bedrog. De kantonrechter zal daarom beoordelen of [gedaagde 1] ., samen met [gedaagde 2] ., aansprakelijk is.\n\nDe eerste hoofdvraag: is er sprake van bedrog door [gedaagden] ?\n\n5.3. Artikel 6:162 BW bepaalt dat iemand die een onrechtmatige daad pleegt, die hem kan worden toegerekend, de schade moet vergoeden die een ander daardoor lijdt. Het plegen van bedrog is onrechtmatig en kan worden toegerekend aan degene die dat bedrog pleegt, of aan degenen die dat samen doen (artikel 6:166 BW). Van bedrog is sprake als een verkoper een onjuist beeld van een auto schetst of laat bestaan, terwijl de verkoper weet dat dit beeld niet klopt, op een punt dat voor de koper van belang is.\n\nDe stempels in het onderhoudsboekje\n\n5.4. \n [gedaagden] hebben bij de verkoop van de auto het onderhoudsboekje meegegeven aan [eiser] . Zij hebben met [eiser] ook de onderhoudshistorie van de auto besproken. [gedaagden] hebben daarbij niet verteld dat [gedaagde 1] . het onderhoud zelf heeft uitgevoerd en de stempels zelf heeft gezet.\n\n5.5. Op 19 augustus 2025 confronteerde [eiser] hen met de constatering van [garage 2] dat de auto niet bij een officiële dealer was onderhouden. In zijn reactie van 27 oktober 2025 betwistte de advocaat van [gedaagden] dat de auto niet bij een officiële dealer was onderhouden. Volgens [gedaagden] was “de onderhoud in goede orde” uitgevoerd. Als reactie op de verklaring van [garage 1] over de ten onrechte gezette stempels, merkten [gedaagden] op dat uit de verklaring niet bleek dat het onderhoud niet zou zijn uitgevoerd. Ook zou er niet uit blijken dat de stempels ten onrechte waren gezet. In de correspondentie tussen partijen hebben [gedaagden] dus, ook na vragen van [eiser] , het beeld laten bestaan dat de auto door [garage 1] was onderhouden.\n\n5.6. In de conclusie van antwoord hebben [gedaagden] erkend dat [gedaagde 1] . de stempels zelf heeft gezet, toen hij in het kader van zijn BBL-opleiding bij [garage 1] werkte. Volgens [gedaagden] mocht [gedaagde 1] . tijdens zijn dienstverband “onder begeleiding” van [garage 1] werkzaamheden verrichten aan auto’s. Volgens hen heeft hij ook werkzaamheden verricht aan de auto en dit als zodanig aangegeven in het onderhoudsboekje. Volgens [gedaagden] is dus “op geen enkele wijze onrechtmatig omgegaan met enige stempels van [garage 1].” In de conclusie van antwoord hebben [gedaagden] weliswaar erkend dat de stempels niet door [garage 1] waren gezet, maar hebben zij het beeld laten bestaan dat de stempels met recht waren gezet omdat de werkzaamheden waren uitgevoerd onder begeleiding van [garage 1] .\n\n5.7. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde 1] . verklaard dat hij als leerling-monteur dergelijke stempels mocht zetten, maar alleen als de werkzaamheden werden gecontroleerd door [garage 1] en in het systeem werden ingevoerd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde 1] . erkend dat de werkzaamheden aan de auto niet waren besproken met een monteur van [garage 1] , niet waren ingevoerd in het systeem van [garage 1] en dat hij de stempels dus niet had mogen zetten. Toen [gedaagde 1] . daarnaar werd gevraagd, antwoordde hij dat hij de stempels in het onderhoudsboekje heeft gezet en het onderhoudsboekje heeft meegegeven om een koper van de auto te laten zien dat het onderhoud “op de juiste manier” was uitgevoerd.\n\n5.8. De kantonrechter constateert dat de verklaringen van [gedaagden] over het onderhoudsboekje steeds zijn opgeschoven, naarmate [gedaagden] werden geconfronteerd met meer bewijsmiddelen of lastigere vragen. [gedaagden] hebben [eiser] – en in mindere mate ook de kantonrechter – dus op meerdere moment onjuist voorgelicht en een onjuist beeld laten bestaan. [gedaagden] wisten dat de onderhoudshistorie van belang was. Zij hebben deze immers met [eiser] besproken. Bovendien heeft [gedaagde 1] . de stempels gezet om over de historie een positief beeld te schetsen.\n\nDe gebreken aan de auto\n\n5.9. Bij de verkoop is de onderhoudshistorie van de auto besproken. [gedaagden] hebben daarbij geen melding gemaakt van een lastig schakelende auto en een vervangen koppeling. Dit staat ook niet in het onderhoudsboekje.\n\n5.10. Nadat was geconstateerd dat de steunbouten van de motor waren losgekomen, heeft [eiser] met een email van 6 juni 2025 expliciet aan [gedaagden] gevraagd of de steunbouten van de auto los zijn geweest in de periode dat [gedaagde 2] . de auto in zijn bezit had. Uit de email van [eiser] blijkt dat hij ervan uitging dat er een fout was gemaakt door de garage en niet door [gedaagden] zelf. Aanvankelijk heeft [gedaagde 1] . het contact met [eiser] ontweken. Uiteindelijk heeft [gedaagde 2] . de contactpoging van [eiser] doorgestuurd naar [gedaagde 1] . en hem de vragen laten beantwoorden. [gedaagde 1] . heeft op 12 juni 2025 eerst ontkend dat de steunbouten los zijn geweest in de periode voor de verkoop. Hij heeft daarnaast aangegeven dat het niet aannemelijk is dat de vorige eigenaar dit heeft gedaan. [gedaagde 1] . hield [eiser] daarom voor dat de steunbouten zijn losgeraakt na de verkoop aan [eiser] , door het trillen van de motor. Later, op 13 juni 2025, verklaarde [gedaagde 1] . echter dat hij zelf de koppeling van de auto heeft vervangen, omdat de auto zwaar schakelde. Het staat tussen partijen vast – [eiser] heeft het gesteld en [gedaagden] hebben het niet weersproken – dat de koppeling van de auto niet kan worden vervangen zonder de steunbouten los te maken. Dit betekent dat [gedaagde 1] . de steunbouten weldegelijk moet hebben losgedraaid in de periode dat zijn vader de auto in eigendom had.\n\n5.11. De kantonrechter constateert dat opnieuw sprake is van verschuivende verklaringen. [gedaagden] hebben bij de verkoop niet meegedeeld dat de koppeling is vervangen omdat de auto zwaar schakelde. Ook heeft [gedaagde 1] . aan [eiser] onjuiste informatie gegeven toen hij vroeg of de steunbouten van de auto los zijn geweest in de periode voor de verkoop. Uit de vragen van [eiser] hadden [gedaagden] moeten begrijpen dat het voor [eiser] belangrijk was om te weten of de steunbouten los zijn geweest en wie dat dan had gedaan. Desondanks hebben [gedaagden] het beeld laten bestaan dat de auto nooit zwaar heeft geschakeld toen zij hem in bezit hadden en dat de steunbouten nooit zijn losgedraaid en daarom alleen konden zijn losgetrild na de aankoop door [eiser] .\n\nTussenconclusie bedrog\n\n5.12. Hetgeen hiervoor besproken is over het onderhoudsboekje en de gebreken aan de auto leidt tot de volgende conclusie. Het onderhoud aan de auto en het onderhoudsboekje zijn voor een potentiële koper van een auto van belang. [gedaagden] wisten dat dit ook gold voor [eiser] . [gedaagden] hebben echter op meerdere momenten onjuiste mededelingen gedaan en bewust een onjuist beeld geschetst van de auto, het onderhoud en het onderhoudsboekje. Op meerdere momenten hebben [gedaagden] de mogelijkheid gekregen om het onjuiste beeld bij te stellen en open kaart te spelen: bijvoorbeeld nadat [eiser] hen confronteerde met de bevindingen van [garage 2] en [garage 1] over het onderhoudsboekje, maar ook bij het nemen van de conclusie van antwoord. Zij hebben er echter meermaals voor gekozen om standpunten in te nemen die in strijd waren met de waarheid, om het door hen gecreëerde onjuiste beeld in stand te houden. De kantonrechter oordeelt daarom dat sprake is van bedrog door [gedaagden]\n\nDe tweede hoofdvraag: voor welke schade zijn [gedaagden] aansprakelijk?\n\nHoofdelijke aansprakelijkheid\n\n5.13. \n [gedaagden] hebben gezamenlijk onrechtmatig gehandeld tegen [eiser] , door hem te bedriegen rond de aanschaf van de auto. Dit hebben zij samen gedaan, door het verkopen van een auto waarover een onjuist beeld was gecreëerd en door het in stand houden van dat beeld. Dit onrechtmatig handelen valt hen beiden toe te rekenen. Zij zijn daarom hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die [eiser] daardoor heeft geleden. Dit betekent dat [eiser] zowel [gedaagde 2] . als [gedaagde 1] . kan aanspreken voor het volledige schadebedrag, in totaal tot een maximum van de volledige schade. Het is dan aan [gedaagden] om onderling uit te maken wie welk deel van de schade draagt.\n\nStandpunten van partijen over de schade\n\n5.14. Volgens [eiser] heeft hij € 4.900,00 aan schade geleden. Volgens [eiser] heeft deze schade kunnen ontstaan doordat [gedaagden] hem onjuist hebben voorgelicht en dat onjuiste beeld vervolgens hebben laten bestaan toen hij hen aansprak over de problemen met de auto. Als zij wel eerlijk waren geweest, had [eiser] de auto niet gekocht, of zou hij niet zelf hebben geprobeerd de auto te laten repareren en zou hij hebben gekozen voor een ingebrekestelling en een ontbinding, zo begrijpt de kantonrechter uit de door [eiser] tijdens de mondelinge behandeling gegeven toelichting. [gedaagden] betwisten dat uit de door [eiser] overgelegde facturen en offertes voldoende duidelijk volgt dat [eiser] meer dan € 4.900,00 aan reparatiekosten moest en moet maken. Ook betogen zij dat er geen sprake is van relativiteit. Daarmee bedoelen zij dat de door [gedaagden] geschonden norm niet bedoeld is om de door [eiser] gestelde schade te voorkomen.\n\n5.15. De kantonrechter ziet dat anders. De maatschappelijke en juridische norm om de ander niet te bedriegen bij en na het aangaan van een koopovereenkomst is bij uitstek bedoeld om te voorkomen dat de ander wordt benadeeld. Nu vaststaat dat [eiser] door het bedrog van [gedaagden] schade heeft geleden, komt de kantonrechter toe aan het vaststellen van de hoogte van de schadevergoeding.\n\nDe toe te wijzen schadevergoeding\n\n5.16. Voor het vaststellen van de hoogte van de schadevergoeding moet een vergelijking worden gemaakt tussen de huidige situatie van [eiser] en de situatie zonder het onrechtmatig handelen. De vordering van [eiser] van in totaal € 4.900,00 bestaat in dat opzicht uit twee delen. Het eerste deel bestaat uit kosten die al daadwerkelijk zijn gemaakt. Dat zijn de door [eiser] betaalde facturen van [garage 2] van in totaal (€ 2.294,20 + € 1.254,28 =) € 3.548,48. Het tweede deel van de vordering bestaat uit kosten die nog niet zijn gemaakt. Dit gaat over het restantbedrag van (€ 4.900,00 – 3.548,48 =) € 1.351,52. [eiser] vordert dit bedrag omdat hij voor tenminste dit bedrag nog reparaties moet laten uitvoeren om de gevolgen van het onrechtmatig handelen te compenseren.\n\n5.17. Door [eiser] is voldoende gemotiveerd gesteld dat hij aan [garage 2] een bedrag van (€ 2.294,20 + € 1.254,28 =) € 3.548,48 heeft betaald voor de diagnose en de eerste reparatie aan de auto. [eiser] heeft dit bedrag onderbouwd met facturen, bonnetjes en een diagnoserapport. [gedaagden] hebben in het licht van deze onderbouwing onvoldoende gemotiveerd betwist dat [eiser] deze kosten heeft gemaakt. [eiser] heeft voldoende toegelicht dat hij deze kosten niet zou hebben gemaakt als hij juist was voorgelicht over de auto, het onderhoud en het onderhoudsboekje. Of hij de auto bij een juiste voorstelling van zaken helemaal niet gekocht had, of de auto wel had gekocht maar dit onderhoud niet zou hebben laten uitvoeren, of [gedaagden] meteen in gebreke had gesteld, kan in het midden blijven. In alle gevallen zou hij, zonder het onjuiste beeld over de auto, de nu gemaakte kosten immers niet hebben gemaakt. De kantonrechter zal dit bedrag dus toewijzen.\n\n5.18. Dan resteert de vraag of [eiser] ook voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat hij nog minimaal (€ 4.900,00 – 3.548,48 =) € 1.351,52 aan kosten moet maken om de auto te herstellen. Volgens [eiser] blijkt uit de door hem overgelegde bewijsmiddelen – de twee facturen van [garage 2] , het rapport van [garage 2] en de offerte van [garage 3] – voldoende dat hij in totaal meer dan € 4.900,00 aan reparatiekosten moet maken. Volgens [gedaagden] mag de kantonrechter geen waarde hechten aan de offerte en de facturen, omdat deze derde partijen geen onafhankelijke deskundige zijn en er zelf belang bij hebben om geld te verdienen. De kantonrechter overweegt dat hun winstoogmerk er niet aan afdoet dat deze partijen een objectieve inschatting kunnen maken van wat het hen zou kosten om de auto verder te repareren. Een commerciële partij, die opereert in een markt met voldoende concurrentie, heeft er ook geen belang bij om een veel te hoge inschatting te geven. Bovendien is ook de winstmarge die commerciële partijen rekenen onderdeel van de schade die voor vergoeding in aanmerking komt. De kantonrechter zal de schadeberekening dus baseren op deze bewijsmiddelen.\n\n5.19. \n [gedaagden] hebben verder aangevoerd dat bij de reparatie mogelijk nieuwe onderdelen worden “gebruikt waardoor er sprake is van een waardevermindering en gedaagde partij een beroep toekomt op een aftrek vanwege nieuw – oud vanwege de technische verbeteringen die deze facturen behelzen”. De kantonrechter begrijpt dat [gedaagden] bedoelen dat mogelijk sprake is van een waardeverméérdering door de reparaties. Voor zover [gedaagden] een beroep willen doen voordeelstoerekening (artikel 6:100 BW) is het aan hen om te onderbouwen hoe het door [eiser] genoten voordeel er dan uitziet. Dat hebben zij niet gedaan. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat de motor moet worden verwijderd en weer moet worden teruggeplaatst om de reparatie uit te voeren en dat dit om die reden de naam ‘motorrevisie’ heeft gekregen. In het licht van deze uitleg en betwisting door [eiser] van de waardevermeerdering hebben [gedaagden] onvoldoende gesteld voor hun beroep op voordeelstoerekening.\n\n5.20. \n [eiser] heeft onweersproken gesteld dat het een ingrijpende ingreep is om de pendelsteunbouten te vernieuwen en de schade te herstellen die is ontstaan doordat de pendelbouten loszaten. Dat blijkt ook uit de factuur van [garage 2] en de offerte van [garage 3] . Op de factuur van [garage 2] van € 1.254,28 staat immers dat [garage 2] de werkzaamheden heeft afgebroken omdat bleek dat er meer inwendige schade aan de auto was dan vooraf zichtbaar was. Daaruit leidt de kantonrechter af dat [garage 2] verwachtte dat er nog substantiële aanvullende kosten gemaakt moeten worden, méér dan de al in rekening gebrachte kosten van € 1.254,28. De offerte van [garage 3] van € 4.000,00 – € 5.000,00 laat weliswaar enige ruimte voor de hoogte van de kosten, maar de onderkant van de bandbreedte zit ruim boven de € 1.351,52. De kantonrechter oordeelt daarom dat [eiser] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij nog tenminste € 1.351,52 aan reparatiekosten moet maken, naast de al betaalde € 3.548,48. De kantonrechter zal dit bedrag van € 1.351,52 daarom toewijzen.\n\nTussenconclusie schadebedrag\n\n5.21. De kantonrechter zal [gedaagden] hoofdelijk veroordelen om aan [eiser] een schadevergoeding te betalen van in totaal € 4.900,00.\n\nWettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten, proceskosten\n\n5.22. \n [eiser] heeft gevorderd dat [gedaagden] worden veroordeeld hem de wettelijke rente te betalen over de schadevergoeding, te berekenen vanaf 19 mei 2025. [gedaagden] hebben geen onderbouwd verweer gevoerd tegen de toepasselijkheid van de wettelijke rente. De kantonrechter zal de wettelijke rente toewijzen, en wel als volgt. De rente op de schadevergoeding voor de betaalde facturen gaat lopen vanaf het moment dat [eiser] de bedragen heeft betaald aan [garage 2] : vanaf 6 juni 2025 voor het bedrag van € 2.294,20 en vanaf 24 juli 2025 voor het bedrag van € 1.254,28. Het schadebedrag van € 1.351,52 is weliswaar nog niet betaald, maar wel ontstaan vanaf het moment van de onrechtmatige daad. Dit betekent dat de wettelijke rente wordt berekend per het moment waarop de auto werd gekocht, op 19 mei 2025.5.23. \n [eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De advocaat van [eiser] heeft meerdere pogingen gedaan om [gedaagden] te bewegen tot betaling over te gaan. De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. De gevorderde vergoeding is in overeenstemming met het tarief in het Besluit en is daarom redelijk. Daarom zal een bedrag van € 615,00 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal eveneens worden toegewezen.\n\n5.24. \n [gedaagde 2] . en jr. zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zullen [gedaagden] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten.De proceskosten van [eiser] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n90,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n720,00\n\n(2 punten × € 360,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\nTotaal\n\n€\n\n954,00\n\n5.25. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n6. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n6.1. veroordeelt [gedaagde 2] . en jr. hoofdelijk om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 4.900,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, over\n\n€ 1.351,52 vanaf 19 mei 2025 tot aan de dag van volledige betaling\n\n€ 2.294,20 vanaf 6 juni 2025 tot aan de dag van volledige betaling\n\n€ 1.254,28 vanaf 24 juli 2025 tot aan de dag van volledige betaling\n\n6.2. veroordeelt [gedaagde 2] . en jr. hoofdelijk om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 615,00 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,\n\n6.3. veroordeelt [gedaagde 2] . en jr. hoofdelijk in de proceskosten van € 954,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,\n\n6.4. veroordeelt [gedaagde 2] . en jr. hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n6.5. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. H.B. de Hek en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3802","2026-07-04T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:06.187Z",{"id":125,"ecli":126,"slug":127,"caseNumber":44,"courtId":45,"decisionDate":128,"fullText":129,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":130,"sourceTimestamp":77,"parsedAt":52,"updatedAt":131},"1824","ECLI:NL:RBAMS:2026:6590","ecli-nl-rbams-2026-6590","2026-06-19T00:00:00.000Z","RECHTBANKAMSTERDAM\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZaaknummer: 12005894 \\ CV EXPL 25-17014\n\nVonnis van 19 juni 2026 (bij vervroeging)\n\nin de zaak van\n\n1. [eiser 1] , 2. [eiser 2] ,\n\nbeide wonende te [woonplaats 1] ,\n\neisende partijen,\n\ngemachtigde: mr. B.J. den Hartog,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\ngedaagde partij,\n\ngemachtigde: mr. H.W. Omvlee.\n\nPartijen worden hierna [eisers] , of afzonderlijk [eiser 1] en [eiser 2] , en [gedaagde] genoemd.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 10 april 2026 en de daarin vermelde stukken,\n\n- de akte van 29 april 2026 met aanvullende producties van [eisers] ,\n\n- de antwoordakte van 5 juni 2026 van [gedaagde] .\n\n1.2.. Ten slotte wordt vandaag vonnis gewezen.\n\n2. De verdere beoordeling\n\n2.1.. Het geschil tussen partijen gaat over de uitkering van € 5.189,66 die [gedaagde] heeft ontvangen als begunstigde van de uitvaartverzekering van wijlen de heer [erflater] , haar toenmalig partner. [eisers] zijn de dochters van [erflater] en vorderen dit verzekeringsgeld omdat zij stellen voor de uitvaart betaald te hebben. [eisers] vorderen betaling van € 5.189,66, vermeerderd met rente en kosten, op grond van ongerechtvaardigde verrijking.\n\n2.2.. In het tussenvonnis van 10 april 2026 heeft de kantonrechter geoordeeld dat [gedaagde] verrijkt is, omdat zij als begunstigde van de uitvaartverzekering een bedrag van € 5.189,66 heeft ontvangen, zonder te hebben betaald voor de uitvaart van [erflater] . Indien zou komen vast te staan dat [eisers] de uitvaart hebben betaald, zijn [eisers] verarmd. De kantonrechter heeft verder geoordeeld dat [gedaagde] verrijkt is ten koste van degene die de uitvaart betaald heeft, waarvoor geen redelijke grond bestaat. [gedaagde] heeft betwist dat [eisers] voor de uitvaart hebben betaald. De kantonrechter heeft [eisers] vervolgens in de gelegenheid gesteld om te onderbouwen dat en hoeveel zij voor de uitvaart hebben betaald.\n\n2.3.. In hun akte van 29 april 2026 hebben [eisers] enkele producties overgelegd ter onderbouwing van hun verarming. Ten eerste hebben ze de factuur van uitvaartverzorger Monuta overgelegd. Deze factuur van 1 juni 2023 bedraagt € 9.811,79 en staat op naam van [eiser 2] . Ten tweede hebben [eisers] bankafschriften overgelegd waaruit blijkt dat [eiser 2] in totaal € 4.500,- aan Monuta heeft overgemaakt ter betaling van de factuur. Ten derde blijkt uit bankafschriften dat [eiser 2] € 960,- heeft betaald aan gerechtsdeurwaarders. Van dit bedrag bestaat € 825,- uit 11 betalingen van € 75,- die vanaf 28 april 2025 maandelijks via iDeal aan [internetsite] worden betaald. Tot slot hebben [eisers] e-mailcorrespondentie met Monuta overgelegd waaruit blijkt dat [eiser 2] op 18 december 2023 een aanmaning heeft ontvangen. Daarin staat ook dat als [eiser 2] niet tijdig betaalt, de vordering uit handen zal worden gegeven aan een incassobureau. In januari 2024 is [eiser 2] met Monuta een betalingsregeling voor de duur van minstens een halfjaar overeengekomen. Op 16 september 2024 heeft Monuta aan [eiser 2] gemaild dat er nog een bedrag van € 5.351,79 openstaat en dat ze in principe alleen betalingsregelingen van zes maanden na de factuurdatum aangaan.\n\n2.4.. In haar antwoordakte heeft [gedaagde] betwist dat het bedrag dat [eiser 2] aan de deurwaarder heeft betaald dient ter voldoening van de vordering van Monuta.\n\n2.5.. De kantonrechter constateert om te beginnen dat alleen [eiser 2] een betalingsverplichting met Monuta is aangegaan, gelet op de factuur en bankafschriften. Haar zus [eiser 1] staat in deze documenten niet genoemd dus komt niet vast te staan dat zij aan de uitvaartkosten heeft bijgedragen. De vordering ten aanzien van haar zal daarom worden afgewezen.\n\n2.6.. De kantonrechter overweegt verder dat de omvang van schadevergoedingsverbintenis wordt gemaximeerd door de omvang van de verrijking. Dit betekent dat de schadevergoedingsverbintenis maximaal € 5.189,66 kan bedragen. De kantonrechter oordeelt dat de verarming van [eiser 2] van deze omvang is komen vast te staan. Op grond van de overgelegde factuur staat vast dat [eiser 2] een bedrag van € 9.811,79 aan Monuta verschuldigd is. Op de zitting heeft [eiser 2] verklaard dat zij dit bedrag in termijnen aan het afbetalen is en dit volgt ook uit de door haar overgelegde stukken. Uit de bankafschriften volgt dat zij € 4.500,- rechtstreeks aan Monuta heeft betaald. Zij stelt dat de resterende vordering van Monuta is overgedragen aan de deurwaarder waaraan zij € 75,- per maand betaalt. De kantonrechter ziet geen reden om te twijfelen aan het feit dat de bedragen van € 75,- ook op de voldoening van de factuur van Monuta zien, gelet op de overgelegde e-mailcorrespondentie tussen Monuta en [eisers] (r.o. 2.3) en de factuur waaruit volgt dat [eiser 2] een bedrag van € 9.811,70 aan Monuta verschuldigd is. Dit betekent dat [gedaagde] ten aanzien van de uitkering van € 5.189,66 ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van [eiser 2] . De vordering zal ten aanzien van [eiser 2] worden toegewezen.\n\n2.7.. \n [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [eiser 2] betalen. Het salaris gemachtigde wordt voor de akte niet met 0,5 punt verhoogd, omdat [eiser 2] de facturen en betalingen ook al bij dagvaarding of bij de mondelinge behandeling had kunnen overleggen. De proceskosten van [eiser 2] worden vastgesteld op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n146,14\n\n- griffierecht\n\n€\n\n257,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n720,00\n\n(2 punten × € 360,-)\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.267,14\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n3.1.. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser 2] te betalen een bedrag van € 5.189,66, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 3 mei 2023, tot de dag van volledige betaling,\n\n3.2.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van [eiser 2] van € 1.267,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n3.3.. verklaart dit vonnis in zoverre uitvoerbaar bij voorraad,\n\n3.4.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. A.C.J. Klaver, kantonrechter, bijgestaan door mr. Z.A. Mees, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6590","2026-07-13T00:29:40.584Z",{"id":133,"ecli":134,"slug":135,"caseNumber":44,"courtId":45,"decisionDate":96,"fullText":136,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":137,"sourceTimestamp":138,"parsedAt":52,"updatedAt":139},"1908","ECLI:NL:RBAMS:2026:6092","ecli-nl-rbams-2026-6092","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F13\u002F783627 \u002F HA RK 26-55\n\nBeschikking van 18 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonende te [woonplaats],\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser],\n\nadvocaat: mr. M.A. Hupkes,\n\ntegen\n\n1. de vennootschap naar het recht van St. Vincent en de Grenadines KYRREX LTD,\n\ngevestigd te Kingstown, St. Vincent en de Grenadines, 2. de vennootschap naar Maltees recht REAL EXCHANGE (REX) LTD,\n\ngevestigd te Saint Julian, Malta,\n\nverwerende partijen,\n\nhierna te noemen Kyrrex Ltd en Rex Ltd,\n\nniet verschenen.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift, binnengekomen ter griffie op 19 februari 2026.\n\n1.2.. Er heeft geen mondelinge behandeling plaatsgevonden, omdat Kyrrex Ltd en Rex Ltd niet hebben gereageerd op het verzoek van de rechtbank te laten weten of zij gehoord wensen te worden op het verzoek van [eiser].\n\n1.3.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [eiser] is in de periode juni tot en met augustus 2025 slachtoffer geworden van online beleggingsfraude via het platform Horizons28. Nadat hij zich via de website van dat platform had aangemeld, is hij benaderd door personen die zich voordeden als medewerkers van Horizons28 en hem hebben bewogen aanzienlijke bedragen te investeren. Daarbij heeft [eiser] in totaal meer dan € 650.000,- overgemaakt ten behoeve van de aanschaf van cryptovaluta, die vervolgens naar door de fraudeurs aangewezen blockchainadressen zijn verzonden.\n\n2.2.. Toen [eiser] in augustus 2025 een deel van zijn vermeende belegging wilde opnemen, bleek dat niet mogelijk. Hij heeft daarop op 4 september 2025 aangifte gedaan van fraude.\n\n2.3.. \n [eiser] heeft vervolgens onderzoek laten verrichten naar de bestemming van de door hem verzonden cryptovaluta. Uit dat onderzoek blijkt volgens [eiser] dat een aanzienlijk deel van de cryptovaluta uiteindelijk terecht is gekomen op depositadressen die via een zogenoemde nested service-constructie zijn te herleiden tot het platform van Kyrrex, dat volgens [eiser] gezamenlijk door Kyrrex Ltd en Rex Ltd wordt geëxploiteerd.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. \n [eiser] verzoekt de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Kyrrex Ltd en Rex Ltd te bevelen binnen veertien dagen na de te geven beschikking in digitale vorm inzake het account dat is gekoppeld aan de volgende depositadressen:\n\n [depositiadres 1]\n\n [depositiadres 2]\n\n [depositiadres 3]\n\n [depositiadres 4]\n\n [depositiadres 5]\n\n [depositiadres 6]\n\n [depositiadres 7]\n\nalsmede de volgende transactiecodes:\n\n [transactiecode 1]\n\n [transactiecode 2]\n\n [transactiecode 3]\n\n [transactiecode 4]\n\n [transactiecode 5]\n\n [transactiecode 6]\n\n [transactiecode 7]\n\nde bij hen bekende identificerende gegevens te verstrekken, te weten:\n\n- de volledige voornamen en achternaam; - de geboortedatum; - het laatst bekende woonadres; - het bij de ‘onboarding’ gebruikte identiteitsbewijs;\n\n- de gezichtsscan en\u002Fof foto;\n\n- het IP-adres van het gebruikte apparaat;\n\n- telefoonnummer en emailadres;\n\nalsmede de mutatieoverzichten te verstrekken over de periode van 26 juni 2025 (de dag van de eerste overboeking naar de fraudeurs) tot en met de dag van de te geven beschikking.3.2.. Daarnaast verzoekt [eiser] de rechtbank te bepalen dat Kyrrex Ltd en Rex Ltd een dwangsom verschuldigd zijn van € 50.000,- indien niet binnen de termijn aan het bevel wordt voldaan, vermeerderd met € 50.000,- per dag zolang de overtreding voortduurt, met een maximum van € 500.000,-. Tot slot vraagt [eiser] de rechtbank om Kyrrex Ltd en Rex Ltd te veroordelen in de proceskosten.\n\n3.3.. Aan zijn verzoek legt [eiser] ten grondslag dat hij de gevraagde gegevens nodig heeft om zijn rechtspositie te kunnen bepalen en om te beoordelen of hij een civielrechtelijke procedure (op grond van onrechtmatige daad) kan instellen tegen de personen of entiteiten die de uit fraude afkomstige cryptovaluta hebben ontvangen, dan wel tegen Kyrrex Ltd en Rex Ltd zelf.\n\n4. De beoordeling\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\n4.1.. \n [eiser] woont in Nederland. Kyrrex Ltd is gevestigd in Saint Vincent en de Grenadines en Rex Ltd in Malta. De zaak heeft daarom een internationaal karakter. De rechtbank zal (ambtshalve) beoordelen of haar rechtsmacht toekomt en welk recht van toepassing is.4.2.. Op grond van artikel 3 sub a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de rechtbank rechtsmacht om kennis te nemen van het verzoek van [eiser] tegen Kyrrex Ltd.\n\n4.3.. De rechtsmacht ten aanzien van Rex Ltd moet worden beoordeeld aan de hand van Brussel I-bis, nu het geschil zowel formeel, materieel als temporeel onder het toepassingsgebied van die verordening valt. Rex Ltd is gevestigd in Malta. De aan het verzoek ten grondslag gelegde voorgenomen vordering betreft een vordering uit onrechtmatige daad. [eiser] stelt (onweersproken) dat de schade zich in Nederland heeft voorgedaan. Op grond van artikel 7 lid 2 Brussel I-bis is de Nederlandse rechter daarom bevoegd.\n\n4.4.. Het verzoek is gebaseerd op artikel 196 Rv. Dit betreft formeel procesrecht. Op grond van artikel 10:3 BW is Nederlands recht van toepassing.\n\nHet verzoek\n\n4.5.. Voordat een procedure aanhangig is, kan een belanghebbende de rechter verzoeken om inzage in, afschrift van of een uittreksel van gegevens (zie artikel 196 Rv). Het verzoekschrift voorlopige bewijsverrichtingen moet op grond van artikel 197 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) inhouden:\n\na. een kernachtige omschrijving van het geschil of de gebeurtenis waarop het verzoek betrekking heeft en de gronden van het verzoek,\n\nb. de aard en het beloop van de vordering,\n\nc. de naam en woonplaats van de wederpartij of de redenen waarom de wederpartij onbekend is.\n\n4.6.. \n [eiser] heeft aan de formele eisen van het verzoekschrift voldaan. Op grond van artikel 196 lid 2 Rv moet de rechtbank het verzoek toewijzen, tenzij zij van oordeel is dat:\n\n- de informatie die wordt verlangd, niet voldoende is bepaald\n\n- er onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat\n\n- het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde\n\n- er sprake is van misbruik van bevoegdheid of\n\n- als er andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting.\n\n4.7.. Omdat Kyrrex Ltd en Rex Ltd niet zijn verschenen, is geen beroep gedaan op één van voornoemde afwijzingsgronden. Dat betekent dat de rechtbank alleen kan toetsen of het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde (zie Parl. Gesch. Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht 2024\u002FII.33.5\u002FNota naar aanleiding van het Verslag, waarin wordt verwezen naar ECLI:NL:HR:2006:AX7774). Daarvan is geen sprake.\n\n4.8.. Op het verzoek om inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens zijn op grond van artikel 204 Rv, de artikelen 194 Rv, 195 en 195a Rv van overeenkomstige toepassing. In deze artikelen is geregeld dat een partij bij een rechtsbetrekking tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking recht op inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens heeft als zij daarbij voldoende belang heeft. Degene die over de gegevens beschikt, ook als dit een derde is die geen partij is bij de rechtsbetrekking waarop de gegevens betrekking hebben, is verplicht daarvan inzage, afschrift of uittreksel te verstrekken, tenzij hem een verschoningsrecht toekomt of gewichtige redenen zich daartegen verzetten.\n\n4.9.. \n [eiser] heeft onweersproken gesteld dat aan deze vereisten is voldaan. Gezien het voorgaande zal het verzoek om afgifte van de verzochte gegevens worden toegewezen voor zover dat betrekking heeft op informatie waarover Kyrrex Ltd en Rex Ltd zelf beschikken. Conform artikel 194 Rv moet [eiser] de kosten van Kyrrex Ltd en Rex Ltd dragen die voor de verstrekking moeten worden gemaakt.\n\nDwangsom\n\n4.10.. \n [eiser] heeft de rechtbank verzocht te bepalen dat Kyrrex Ltd en Rex Ltd bij gebrek aan tijdige of volledige nakoming van het bevel tot inzage\u002Fafschrift van de gevraagde gegevens een dwangsom verbeuren van € 50.000,- per dag zolang de overtreding voortduurt, met een maximum van € 500.000,-.\n\n4.11.. De rechtbank ziet gelet op de aard van de gevorderde inzage, het belang van [eiser] bij tijdige verkrijging van de gevraagde gegevens, het uitblijven van enig verweer van Kyrrex Ltd en Rex Ltd en de noodzaak de nakoming van het bevel voldoende te waarborgen, aanleiding de gevorderde dwangsom toe te wijzen. De rechtbank acht de hoogte van de gevorderde dwangsom, mede gelet op de ernst van de gestelde feiten en de hoogte van de vermeende schade, gerechtvaardigd.\n\nProceskosten\n\n4.12.. Nu het verzoek wordt toegewezen, zal de rechtbank Kyrrex Ltd en Rex Ltd, zoals verzocht, veroordelen in de proceskosten (inclusief nakosten). De proceskosten (inclusief nakosten) van [eiser] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n714,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n653,00\n\n(1 punt × € 653,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.556,00\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n5.1.. wijst het verzoek toe en beveelt Kyrrex Ltd en Rex Ltd inzake het account dat is gekoppeld aan de volgende depositadressen:\n\n [depositiadres 1]\n\n [depositiadres 2]\n\n [depositiadres 3]\n\n [depositiadres 4]\n\n [depositiadres 5]\n\n [depositiadres 6]\n\n [depositiadres 7]\n\nalsmede de volgende transactiecodes:\n\n [transactiecode 1]\n\n [transactiecode 2]\n\n [transactiecode 3]\n\n [transactiecode 4]\n\n [transactiecode 5]\n\n [transactiecode 6]\n\n [transactiecode 7]\n\nde bij haar bekende identificerende gegevens te verstrekken, te weten:\n\n- de volledige voornamen en achternaam; - de geboortedatum; - het laatst bekende woonadres; - het bij de ‘onboarding’ gebruikte identiteitsbewijs;\n\n- de gezichtsscan en\u002Fof foto;\n\n- het IP-adres van het gebruikte apparaat;\n\n- telefoonnummer en emailadres;\n\nalsmede de mutatieoverzichten te verstrekken over de periode van 26 juni 2025 (de dag van de eerste overboeking naar de fraudeurs) tot en met de dag van deze beschikking;\n\n5.2.. bepaalt dat het verstrekken van inzage in en afschrift van de gegevens moet plaatsvinden uiterlijk 15 dagen na betekening van deze beschikking in een digitaal en doorzoekbaar formaat;\n\n5.3.. veroordeelt Kyrrex Ltd en Rex Ltd tot betaling van een dwangsom van € 50.000,- voor iedere dag dat zij vanaf 15 dagen na betekening van deze beschikking niet aan het bevel in 5.1. voldoen, tot een maximum van € 500.000,- is bereikt;\n\n5.4.. bepaalt dat [eiser] aan Kyrrex Ltd en Rex Ltd de kosten zal vergoeden die zij eventueel moeten maken voor het verstrekken van de afschriften, binnen twee weken nadat Kyrrex Ltd en Rex Ltd, onderbouwd met stukken, aan [eiser] opgave van die kosten heeft gedaan;\n\n5.5.. veroordeelt Kyrrex Ltd en Rex Ltd hoofdelijk in de proceskosten van € 1.556,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Kyrrex Ltd en Rex Ltd niet tijdig aan deze proceskostenveroordeling voldoen en de beschikking daarna wordt betekend,\n\n5.6.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. M.E.M James-Pater, rechter, bijgestaan door mr. S.D. Gerick, griffier en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.\n\nde Verordening (EU) nr. 1215\u002F2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Brussel I-bis)","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6092","2026-06-15T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:44.919Z",{"id":141,"ecli":142,"slug":143,"caseNumber":44,"courtId":45,"decisionDate":96,"fullText":144,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":145,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":52,"updatedAt":146},"1044","ECLI:NL:RBAMS:2026:6705","ecli-nl-rbams-2026-6705","RECHTBANKAMSTERDAM\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZaaknummer: 12061285 \\ CV EXPL 26-792\n\nVonnis van 18 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\ngemachtigde: [gemachtigde] (Objection Service),\n\ntegen\n\n1. [gedaagde] B.V.,\n\ngevestigd te [vestigingsplaats],\n\nhierna te noemen: [gedaagde], 2. EURO INSURANCES DAC,\n\ngevestigd te Hoofddorp,\n\nhierna te noemen: Euro Insurances,\n\ngedaagde partijen,\n\ngemachtigde: mr. H.A.C. Trimbach.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaardingen van 31 december 2025, met producties,\n\n- de conclusie van antwoord,\n\n- de aanvullende stukken van [eiser] van 16 januari 2026,\n\n- het tussenvonnis van 10 februari 2026, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald.\n\n1.2.. De mondelinge behandeling vond plaats op 12 mei 2026. [eiser] en haar gemachtigde waren hierbij niet aanwezig, hoewel zij daartoe wel waren opgeroepen. De gemachtigde van [gedaagde] en Euro Insurances was aanwezig. Hij heeft zijn standpunt nader toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [eiser] is de eigenaar van de personenauto met kenteken [kenteken] (hierna: de auto). Op 16 januari 2025 is deze auto bij het achteruitrijden aangereden door een voertuig waarvan het kenteken op naam van [gedaagde] staat en die verzekerd is bij Euro Insurances.2.2.. \n [eiser] heeft [gedaagde] schriftelijk aansprakelijk gesteld voor de schade aan haar auto.\n\n2.3.. Door een schade-expert is de schade aan de auto vastgesteld. In het rapport worden de herstelkosten begroot op € 3.025,00, de dagwaarde van de auto op € 2.500,00 en de restwaarde op € 500,00. De schade-uitkering is op basis daarvan vastgesteld op € 2.000,00. Euro Insurances heeft dit bedrag uitgekeerd aan [eiser] .\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n [eiser] vordert – samengevat – hoofdelijke veroordeling van [gedaagde] en Euro Insurances tot betaling van:\n\n€ 498,00 voor een DAB+-systeem en camera,\n\n€ 5,10 aan RDW-onderzoekskosten,\n\n€ 554,00 aan kosten voor rechtsbijstand,\n\n€ 306,50 aan deurwaarderskosten.\n\n3.2.. Verder vordert [eiser] de wettelijke rente over de hiervoor genoemde bedragen en veroordeling van gedaagde partijen in de kosten van deze procedure.\n\n3.3.. \n [eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Bij het bepalen van de dagwaarde van de auto is ten onrechte geen rekening gehouden met DAB+-apparatuur die kort voor het ongeval in de auto was geïnstalleerd. De apparatuur heeft geleid tot een waardevermeerdering van de auto. Het systeem was duurzaam met het voertuig verbonden en was uitsluitend geschikt voor dit specifieke model. [eiser] wil deze kosten dan ook vergoed zien, aangezien zij op grond van artikel 6:97 BW zoveel mogelijk in de toestand moet worden gebracht als waarin zij zich zou hebben bevonden als het ongeval niet had plaatsgevonden. De overige kosten heeft [eiser] noodzakelijkerwijs moeten maken omdat een inhoudelijke reactie van [gedaagde] en Euro Insurance uitbleef. Volgens [eiser] is [gedaagde] op grond van artikel 6:170 BW aansprakelijk voor de schade. Deze schade is namelijk veroorzaakt door een ondergeschikte van [gedaagde]. Daarnaast heeft [eiser] zich op grond van artikel 6 WAM rechtstreeks gewend tot Euro Insurances als verzekeraar van het voertuig van de wederpartij.\n\n3.4.. \n [gedaagde] en Euro Insurances voeren verweer. [gedaagde] betwist dat sprake is van werkgeversaansprakelijkheid. De auto is middels een leaseovereenkomst ter beschikking gesteld aan de afnemer. Verder betwist Euro Insurances primair dat de apparatuur in de auto aanwezig was. Subsidiair stelt zij zich dat als de apparatuur in de auto geïnstalleerd was, deze niet duurzaam met het voertuig was verbonden. Verder stelt Euro Insurances zich op het standpunt dat de schade-expert de accessoires, en dus daarmee ook de DAB+-apparatuur, heeft meegenomen in het schaderapport. Bovendien heeft Euro Insurance uitgelegd dat voor zover de apparatuur niet zou zijn meegenomen in het schaderapport, de dagwaarde van de auto met de waarde van de apparatuur zou worden verhoogd. Als gevolg hiervan zou de wrakwaarde met hetzelfde bedrag worden verhoogd. Dit zou betekenen dat het netto uit te keren schadebedrag in dat geval hetzelfde is. De auto de auto en de DAB+-apparatuur zijn bovendien nog steeds in gebruik bij [eiser] . [eiser] heeft dan ook geen schade geleden, aldus steeds Euro Insurances.\n\n3.5.. \n\nOp de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nVorderingen ten aanzien van [gedaagde]4.1.. heeft gemotiveerd betwist dat er een arbeidsrechtelijke relatie bestaat tussen haar en de bestuurder van de auto die [eiser] heeft aangereden. [eiser] heeft dit standpunt van [gedaagde] verder niet meer weersproken. Evenmin heeft zij (met stukken) onderbouwd dat de bestuurder van de auto werknemer van [gedaagde] is. Gelet hierop oordeelt de kantonrechter dat een grondslag voor de vorderingen ten aanzien van [gedaagde] ontbreekt. Deze worden dan ook ten aanzien van [gedaagde] afgewezen.\n\nVorderingen ten aanzien van Euro Insurance4.2.. Vervolgens is de vraag of Euro Insurances de kosten voor de DAB+-apparatuur, die volgens [eiser] kort voor het ongeval in de auto geïnstalleerd was, en de door [eiser] gevorderde bijkomende kosten moet vergoeden. Hierover oordeelt de kantonrechter als volgt.\n\n4.3.. Euro Insurances betwist dat de DAB+-apparatuur in de auto aanwezig was. De beoordeling van de vraag of dit het geval was, kan echter in het midden blijven. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Euro Insurances immers gemotiveerd aangevoerd dat de DAB+-apparatuur – anders dan [eiser] heeft gesteld – eenvoudig gedemonteerd kan worden en dus herbruikbaar is. Nu [eiser] niet ter zitting aanwezig was, heeft zij dit standpunt van Euro Insurance niet weersproken. Evenmin heeft zij (met stukken) onderbouwd dat deze apparatuur duurzaam met de auto was verbonden. Gelet hierop is de kantonrechter met Euro Insurances dan ook van oordeel dat [eiser] ten aanzien van de DAB+-apparatuur geen schade lijdt.\n\n4.4.. Daar komt bij dat Euro Insurances onweersproken heeft gesteld dat als de waarde van de DAB+-apparatuur door de schade-expert in zijn rapport was meegenomen, dit had geleid tot zowel een hogere dagwaarde als een hogere de restwaarde van de auto, waardoor de hoogte van de schade-uitkering op hetzelfde bedrag was berekend als nu is gebeurd.\n\n4.5.. Gelet op het voorgaande heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd dat zij met betrekking tot de DAB+-apparatuur schade heeft geleden of dat zij anderszins benadeeld is. Deze vordering ten aanzien van Euro Insurance wordt daarom afgewezen.\n\n4.6.. De door [eiser] gevorderde kosten voor RDW-kentekenonderzoek worden toegewezen. [eiser] heeft voldoende onderbouwd dat zij deze kosten heeft moeten maken om de gegevens van de verzekeraar te achterhalen en deze kosten komen de kantonrechter niet onredelijk voor. De gevorderde wettelijke rente hierover is toewijsbaar als hierna te melden, omdat Euro Insurances deze kosten niet op tijd heeft betaald.\n\n4.7.. De overige door [eiser] gevorderde kosten worden afgewezen. Nog daargelaten dat de gevorderde deurwaarderskosten niet overeenkomen met de factuur die zij ter onderbouwing heeft overgelegd, worden deze geacht onderdeel uit te maken van een proceskostenveroordeling. Voor zover [eiser] met het vorderen van de kosten voor rechtsbijstand een veroordeling in de werkelijke proceskosten heeft willen vorderen, wordt deze vordering eveneens afgewezen. Een dergelijke vordering is immers alleen toewijsbaar in buitengewone omstandigheden, bijvoorbeeld wanneer sprake is van misbruik van procesrecht. Van dergelijke omstandigheden is niet gesteld of gebleken. De enkele stelling dat [eiser] zich genoodzaakt zag gedaagde partijen te dagvaarden omdat een inhoudelijke afhandeling uitbleef, is hiervoor onvoldoende.\n\nProceskosten4.8.. \n [eiser] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] en Euro Insurances worden begroot op:\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n434,00\n\n(2 punten × € 217,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n108,50\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n542,50\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. wijst de vorderingen ten aanzien van [gedaagde] af,\n\n5.2.. veroordeelt Euro Insurances om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 5,10, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 31 december 2025, tot de dag van volledige betaling,\n\n5.3.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 542,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.4.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. H.D. Coumou en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier, mr. D.C. Vink.\n\n57327","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6705","2026-07-13T00:29:00.977Z",{"id":148,"ecli":149,"slug":150,"caseNumber":44,"courtId":151,"decisionDate":152,"fullText":153,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":154,"sourceTimestamp":155,"parsedAt":52,"updatedAt":156},"478","ECLI:NL:RBLIM:2026:5657","ecli-nl-rblim-2026-5657",74,"2026-06-17T00:00:00.000Z","RECHTBANK Limburg\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nZaaknummer: C\u002F03\u002F337611 \u002F HA ZA 25-6\n\nVonnis van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [eiser 1] ,\n\nte [plaats 1] , 2. [eiser 2],\n\nte [plaats 2] ,\n\neisers,\n\nadvocaat: mr. H.T.L. Janssen,\n\ntegen\n\n1. [gedaagde 1] ,\n\n2. [gedaagde 2],\n\nbeiden te [plaats 3] (Duitsland),\n\ngedaagden,\n\nadvocaat: mr. J.P. van Mulken.\n\nPartijen worden hierna [eisers] en [gedaagden] genoemd.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 3 december 2025 - de akte van [eisers] van 7 januari 2026 - de akte van [gedaagden] van 7 januari 2026\n\n- de e-mail van de rechtbank van 2 februari 2026 aan partijen waarin zij geïnformeerd zijn dat de rechter die de zaak behandeld heeft tijdens de mondelinge behandeling en die het tussenvonnis van 3 december 2025 heeft gewezen, niet langer werkzaam is bij het team burgerlijk recht vanwege een roulatie naar een ander rechtsgebied en dat de zaak om die reden verder behandeld zal worden door de rechter die tijdens de mondelinge behandeling aanwezig was in de zaal.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De verdere beoordeling\n\nHet tussenvonnis van 3 december 2025\n\n2.1.. De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 3 december 2025 (hierna: het tussenvonnis) in rov. 4.22. tot en met 4.28. een deskundigenonderzoek aangekondigd en partijen in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de wenselijkheid van een deskundigenbericht, het aantal en het specialisme van de te benoemen deskundige(n), de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen, en de maximaal acceptabele hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige(n). Partijen hebben zich hierover uitgelaten bij akte.\n\nDe wenselijkheid van een deskundigenbericht\n\n2.2.. Volgens [eisers] is een deskundigenonderzoek niet nodig om de herstelkosten te begroten. Hun [deskundige 1] heeft immers al een begroting gemaakt. Voor zover de rechtbank toch een deskundige wil inschakelen, zullen zij hun medewerking daaraan verlenen.\n\n2.3.. \n [gedaagden] betogen dat eerst een deskundige benoemd moet worden om te onderzoeken wat er moet gebeuren om de zolderverdieping geschikt te maken als leefruimte. Dat hoeft niet per definitie te bestaan uit de werkzaamheden die genoemd zijn in het rapport van [deskundige 1] , aldus [gedaagden] Hun eigen deskundige heeft namelijk laten weten dat een bedrag van € 12.179,00 toereikend is om de zolderverdieping geschikt te maken als leefruimte. Een deskundige benoemen om de omvang van de herstelkosten te laten vaststellen, is volgens hen niet nodig, omdat zij instemmen met een bedrag van € 12.179,00 als vergoeding voor herstelkosten. Als de rechtbank toch een deskundige benoemt om de kosten van herstel te berekenen, kan het rapport van [deskundige 1] niet als uitgangspunt dienen. Hij is niet onafhankelijk, zo menen zij. Ook gaat hij in zijn berekening uit van een volledig geïsoleerd dak, terwijl dat niet nodig is om de zolderverdieping geschikt te maken als leefruimte. [gedaagden] wijzen in dat kader op de rechtsoverwegingen 4.12. en 4.13. van het tussenvonnis.\n\n2.4.. De rechtbank stelt het volgende voorop. In het tussenvonnis heeft de rechtbank de door [eisers] aangevoerde rechtsgronden voor hun vorderingen beoordeeld. Drie rechtsgronden slaagden niet, te weten onrechtmatige daad, dwaling en tekortkoming wegens schending vertrouwen dat het schuine dak van de woning geheel was geïsoleerd. De rechtsgrond tekortkoming wegens de aanwezigheid van een latent probleem dat de zolderverdieping ongeschikt maakt als leefruimte slaagde wel. De rechtbank volhardt bij deze oordelen.Verder heeft de rechtbank geoordeeld in dat tussenvonnis dat [gedaagden] bij conclusie van antwoord en tijdens de mondelinge behandeling niet hebben betwist dat herstel van het zolderplafond dient te geschieden overeenkomstig hetgeen daarover is opgenomen in het rapport van [deskundige 1] . Omdat partijen wel twistten over de hoogte van de kosten van die wijze van herstel heeft de rechtbank in het tussenvonnis geoordeeld dat een onafhankelijk deskundige nodig is om de omvang van de herstelkosten te begroten. De rechtbank volhardt ook bij deze oordelen.2.5.. \n [gedaagden] betwisten in de akte na het tussenvonnis alsnog de wijze van herstel zoals beschreven is door [deskundige 1] in zijn rapport. Deze betwisting is te laat aangevoerd in de procedure en wordt daarom gepasseerd. De verwijzing van [gedaagden] naar rov. 4.12. en 4.13. van het tussenvonnis kan hen niet baten. Die rechtsoverwegingen zagen immers op een andere, niet gehonoreerde rechtsgrond van [eisers] De slotsom is dat de rechtbank niet terugkomt op het oordeel dat de wijze van herstel, die [deskundige 1] beschreven heeft in zijn rapport, geldt als uitgangspunt voor de berekening van de herstelkosten. Het voorstel van [gedaagden] om eerst een deskundige te benoemen die beoordeelt wat er moet gebeuren om de zolderverdieping geschikt te maken als leefruimte, volgt de rechtbank daarom niet.\n\n2.6.. Omdat [gedaagden] de omvang van de kosten die [deskundige 1] berekend heeft, voor het tussenvonnis met offertes betwist had, heeft de rechtbank een deskundigenonderzoek naar de omvang van de herstelkosten nodig geacht. Hetgeen [eisers] in hun akte na het tussenvonnis hebben aangevoerd, leidt niet ertoe dat de rechtbank aanleiding ziet om terug te komen op dat oordeel. Het deskundigenonderzoek zal in dit vonnis dan ook worden bevolen.\n\nHet aantal deskundigen\n\n2.7.. Beide partijen achten benoeming van één deskundige voldoende. De rechtbank zal daarom volstaan met het benoemen van één deskundige.\n\nDe persoon van de deskundige\n\n2.8.. Partijen hebben de rechtbank bij akten na het tussenvonnis laten weten dat zij geen overeenstemming hebben bereikt over de benoeming van een deskundige. De griffier van de rechtbank heeft vervolgens als deskundige benaderd de heer ing. [deskundige 2] , verbonden aan [bedrijf] , die als deskundige ingeschreven is bij het Landelijk Register van Gerechtelijk Deskundigen. De deskundige heeft de rechtbank laten weten dat het hem vrijstaat om als deskundige op te treden in deze zaak. Na hierover in kennis te zijn gesteld, hebben beide partijen de rechtbank per mail bericht in te kunnen stemmen met benoeming van de heer [deskundige 2] . De rechtbank zal hem in dit vonnis als deskundige benoemen.\n\nDe vragen aan de deskundige\n\n2.9.. \n [eisers] stemmen in met de vragen die de rechtbank heeft voorgesteld in het tussenvonnis.\n\n2.10.. \n [gedaagden] stellen voor om als vraag te stellen: welke werkzaamheden zijn nodig om de zolderverdieping leefbaar te maken en hoeveel bedragen de kosten van deze werkzaamheden?\n\n2.11.. Gelet op wat de rechtbank hiervoor in dit vonnis heeft overwogen bij rov. 2.5 volgt de rechtbank [gedaagden] niet in de door hen voorgestelde vragen. De rechtbank zal aan de deskundige de vragen stellen:\n\n1. Hoeveel kost een herstel dat wordt verricht overeenkomstig de herstelwerkzaamheden opgenomen in het onderzoeksrapport van [deskundige 1] (gedateerd 24 september 2024)?\n\n2. Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen, waarvan de rechter volgens u kennis moet nemen bij de verdere beoordeling?\n\n2.12.. \n [eisers] hebben laten weten dat zij niet bereid zijn om mee te werken aan destructief onderzoek door de deskundige, omdat zij de zolder inmiddels in gebruik hebben genomen. Nu de deskundige kan uitgaan van de wijze van herstel zoals beschreven door [deskundige 1] en hij alleen diens kostenbegroting hoeft te beoordelen, gaat de rechtbank er van uit dat de deskundige in het kader van zijn onderzoek geen destructief onderzoek hoeft te verrichten. Mocht de deskundige daardoor niet in staat zijn (op onderdelen) een goede begroting te maken van de kosten, dan zal dat blijken uit zijn rapport. In dat geval komt de onmogelijkheid van het niet (volledig) kunnen begroten van de kosten voor risico van [eisers] Mocht de deskundige ten behoeve van zijn onderzoek wel de woning willen bezoeken, ondanks dat destructief onderzoek niet nodig is, dan zal de deskundige partijen dat laten weten.\n\nDe kosten van de deskundige\n\n2.13.. De deskundige heeft het voorschot begroot op een bedrag van € 1.706,10 (inclusief btw). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren. Zij hebben geen bezwaar gemaakt tegen de begroting van het voorschot. De rechtbank zal het voorschot vaststellen op een bedrag van € 1.706,10 (inclusief btw).\n\n2.14.. De deskundige heeft de rechtbank meegedeeld dat er algemene voorwaarden van toepassing zijn. De rechtbank heeft partijen hiervan in kennis gesteld en hen de algemene voorwaarden ter kennisneming toegezonden. Partijen hebben daarna verklaard in te stemmen met benoeming van de deskundige. Over de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden hebben zij zich niet expliciet uitgelaten. De rechtbank begrijpt dat zij zich niet verzetten tegen de toepasselijkheid van deze voorwaarden. Gelet hierop aanvaardt de rechtbank dit voorbehoud van de deskundige voor zover deze algemene voorwaarden voorzien in een beperking van aansprakelijkheid. De publiekrechtelijke aard van de rechtsverhouding tussen de rechtbank en een deskundige, zoals geregeld in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), verzet zich tegen integrale toepassing van de algemene voorwaarden. Voor de volledigheid merkt de rechtbank op dat deze aansprakelijkheidsbeperking van toepassing is op de verhouding tussen de deskundige en partijen.\n\nHet voorschot\n\n2.15.. In de vorige beslissing is al aangekondigd en toegelicht door welke partij het voorschot op de kosten van de deskundige moet worden betaald, namelijk [eisers]\n\n2.16.. \n [eisers] hebben laten weten dat zij van mening zijn dat [gedaagden] de kosten zouden moeten voorschieten, omdat zij de omvang van de kosten toereikend hebben toegelicht met het rapport van [deskundige 1] . Tegelijkertijd conformeren zij zich aan het oordeel van de rechtbank.\n\n2.17.. De rechtbank ziet geen aanleiding in hetgeen [eisers] hebben aangevoerd om terug te komen op het oordeel dat [eisers] op grond van de hoofdregel van artikel 195 Rv belast worden met betaling van het voorschot van de kosten van de deskundige.\n\nOverig\n\n2.18.. De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals hierna onder de beslissing omschreven is. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaraan de gevolgen verbinden die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.\n\n2.19.. Als een partij op verzoek van de deskundige of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige toestuurt, moet zij daarvan direct een afschrift aan de wederpartij verstrekken.\n\n2.20.. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n3.1.. beveelt een onderzoek door een deskundige voor de beantwoording van de volgende vragen:\n\nHoeveel kost een herstel dat wordt verricht overeenkomstig de herstelwerkzaamheden opgenomen in het onderzoeksrapport van [deskundige 1] (gedateerd 24 september 2024)?\n\nZijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen, waarvan de rechter volgens u kennis moet nemen bij de verdere beoordeling?\n\n3.2.. benoemt tot deskundige:\n\nde heer ing. [deskundige 2] , verbonden aan [bedrijf] ,\n\n [adres] ,\n\n [telefoonnummer] ,\n\n [e-mailadres] ,\n\n3.3.. bepaalt dat de griffier een kopie van dit vonnis aan de deskundige zal toezenden,\n\nhet voorschot\n\n3.4.. stelt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige vast op € 1.706,10 (inclusief btw),\n\n3.5.. bepaalt dat [eisers] het voorschot moeten overmaken binnen twee wekenna de datum van de nog te ontvangen nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak,\n\n3.6.. draagt de griffier op om de deskundige onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot,\n\nhet onderzoek\n\n3.7.. bepaalt dat [eisers] het procesdossier in afschrift aan de deskundige moeten toesturen,\n\n3.8.. bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal instellen op de door de deskundige in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats,\n\n3.9.. wijst de deskundige erop dat:\n\n- de deskundige voor aanvang van het onderzoek kennis moet nemen van de Gedragscode voor gerechtelijk deskundigen in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken én van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (beide te raadplegen op www.rechtspraak.nl),\n\n- de deskundige het onderzoek pas begint na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot,\n\n- de deskundige het onderzoek onmiddellijk staakt en contact opneemt met de griffier, als tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn,\n\n- de deskundige bij het onderzoek de partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het schriftelijk bericht vermeldt of aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding van de eventueel gemaakte opmerkingen en\u002Fof gedane verzoeken,\n\n- de deskundige partijen bij een onderzoek van een object ter plaatse, gelegenheid moet bieden dit onderzoek bij te wonen; als slechts één partij (althans niet alle partijen) bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig is of zijn, de deskundige dit onderzoek niet mag uitvoeren, tenzij alle partijen zijn uitgenodigd om bij dat onderzoek aanwezig te zijn, en dat uit het rapport moet blijken dat hieraan is voldaan,\n\n- als partijen bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig zijn geweest, uit het rapport moet blijken welke opmerkingen zij hebben gemaakt en welke verzoeken zij hebben gedaan, en hoe de deskundige hierop heeft gereageerd,\n\n3.10.. bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige moeten verstrekken als de deskundige daarom vraagt, de deskundige toegang moeten verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundige ook voor het overige gelegenheid moeten geven om het onderzoek te verrichten,\n\nhet schriftelijk rapport\n\n3.11.. draagt de deskundige op om uiterlijk drie maandenna het schriftelijk bericht van de griffier over de betaling van het voorschot een schriftelijk en ondertekend rapport in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, met een gespecificeerde declaratie,\n\n3.12.. wijst de deskundige erop dat:\n\n- uit het schriftelijk rapport moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundige is gebaseerd,\n\n- de deskundige een concept van het rapport aan partijen moet toezenden, waarna partijen de gelegenheid krijgen om binnen vier weken daarover bij de deskundige opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en de reactie van de deskundige daarop moet vermelden,\n\n3.13.. bepaalt dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben om op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren,\n\noverige bepalingen\n\n3.14.. draagt de griffier op om de zaak op de rol te plaatsen:\n\n- als het voorschot niet binnen de daarvoor bepaalde (eventueel verlengde) termijn is ontvangen: voor akte uitlating voortprocederen van beide partijen op een termijn van twee weken of,\n\n- na ontvangst ter griffie van het rapport: voor conclusie na deskundigenbericht van beide partijen op een termijn van vier weken,\n\n3.15.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Etman en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.\n\n Zie rov. 4.3. tot en met 4.17. van het tussenvonnis.\n\n Zie rov. 4.21. van het tussenvonnis.\n\n Productie 7 bij dagvaarding.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5657","2026-06-12T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:32.440Z",{"id":158,"ecli":159,"slug":160,"caseNumber":44,"courtId":86,"decisionDate":152,"fullText":161,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":162,"sourceTimestamp":163,"parsedAt":52,"updatedAt":164},"1260","ECLI:NL:RBGEL:2026:5214","ecli-nl-rbgel-2026-5214","RECHTBANK Gelderland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nZaaknummer: C\u002F05\u002F453863 \u002F HA ZA 25-275\n\nVonnis van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [naam eiser 1] ,\n\n2. [naam eiser 2],\n\nbeiden wonende te [woonplaats] ,\n\neisende partijen,\n\nhierna te noemen: [de eisers] ,\n\nadvocaat: mr. Z.J. Rittersma, op de voet van art. 16e van de Advocatenwet in samenwerking met mr. S. Wijnkamp, Rechtsanwalt te Mils bei Imst, Oostenrijk,\n\ntegen\n\nde rechtspersoon naar buitenlands recht\n\nGENERALI DEUTSCHLAND AG,\n\ngevestigd te München, Duitsland,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: Generali,\n\nadvocaat: mr. A.A.M. Zeeman.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 13 november 2023, aangebracht tegen de rol van 13 december 2023 en geregistreerd onder zaaknummer C\u002F05\u002F429092 \u002F HA ZA 23-538\n\n- de herhaalde en ingewilligde eenstemmige verzoeken om uitstel voor het nemen van de conclusie van antwoord\n\n- de rolbeslissing van 16 april 2024, waarbij de zaak ambtshalve is doorgehaald op de rol\n\n- de rolbeslissingen van 16 en 18 april 2024, waarbij niet is teruggekomen van de beslissing tot doorhaling\n\n- het opbrengen van de zaak op de rol van 9 juli 2025, onder het huidige zaaknummer\n\n- de akte bij hervatting, tevens houdende eiswijziging\n\n- de conclusie van antwoord\n\n- het tussenvonnis van 22 oktober 2025\n\n- het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 25 februari 2026 en de daarin genoemde aanvullende producties\n\n- de rolberichten van partijen 24 maart 2026.\n\n1.2.. \n\nTen slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n\nOp 2 januari 2017 is [vader eisers] , bestuurder van Topparken Holding B.V en vader van [de eisers] , in Gerlos, Oostenrijk, op straat aangereden door een bij (een rechtsvoorgangster van) Generali verzekerde personenauto. [eiser 1] heeft het ongeval zien gebeuren, [eiser 2] niet. [vader eisers] is aan zijn verwondingen overleden.\n\n [de eisers] waren destijds respectievelijk 17 en 13 jaar oud. [vader eisers] was tot de echtscheiding in 2016 gehuwd met [naam 1] .\n\n2.2.. De begrafenis van [vader eisers] vond plaats op 19 januari 2017. De uitvaartondernemer heeft de erven daarvoor een rekening gestuurd van € 31.589,47. In verband met de uitvaart zijn aan Topparken Holding B.V. (verder: Topparken) bedragen van in totaal € 211.204,20 in rekening gebracht. Voor de kosten van het grafmonument is aan [naam 2] een factuur van € 5.993,00 gezonden.\n\n2.3.. Bij e-mail van 19 juli 2017 heeft het Ausländerschadensbüro van het Verband der Versicherungsunternehmen Österreichs te Wenen (verder: het Verband) aan [de eisers] laten weten dat de belangen bij auto-ongevallen in Oostenrijk van de rechtsvoorgangster van Generali worden behartigd door Generali Versicherung AG, gevestigd in Wenen, Oostenrijk (verder: Generali Oostenrijk).\n\n2.4.. Bij vonnis van 9 augustus 2017 heeft het Landesgericht Innsbruck de bestuurder van de personenauto veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, wegens dood door grove nalatigheid (grob fahrlässige Tötung). Vastgesteld werd dat de bestuurder in het donker en met door sneeuwval verminderd zicht, zonder licht te voeren en in beschonken toestand reed en [vader eisers] , die zich op de rijbaan bevond, over het hoofd heeft gezien en heeft aangereden, waardoor hij traumatisch hersenletsel heeft opgelopen, als gevolg waarvan hij is overleden. De bestuurder is daarbij tevens veroordeeld om aan de benadeelde partijen (Privatbeteiligten) [eiser 1] en [eiser 2] (lees: [de eisers] , rb) ieder € 500,00 te betalen. Dit Oostenrijkse strafvonnis is onherroepelijk.\n\n2.5.. Bij brief van 24 oktober 2017 heeft Generali Oostenrijk aan [de eisers] bericht “dass wir in den Schadenfall eintreten können”. Generali Oostenrijk heeft daarbij meegedeeld een becijfering van de vordering met bijbehorende bewijsstukken te verwachten en ook een toelichting op de gezinssituatie.\n\n2.6.. Bij e-mail van 18 oktober 2019 heeft de afdeling “Grüne Karte Kfz-Schaden Ausland” van Generali Oostenrijk namens het Verband aan [de eisers] laten weten tot 15 december 2020 af te zien van een beroep op verjaring van hun vorderingen.\n\n2.7.. Op 11 mei 2020 heeft Generali aan [de eisers] ieder een bedrag van € 15.000,00 betaald ter zake van smartengeld c.q. shockschade.\n\n2.8.. Bij e-mail van 27 november 2020 heeft de afdeling “Grüne Karte Kfz-Schaden Ausland” van Generali Oostenrijk namens het Verband aan [de eisers] laten weten tot 31 december 2021 af te zien van een beroep op verjaring van hun vorderingen.\n\n2.9.. Bij e-mail van 7 december 2021 heeft de afdeling “Grüne Karte Kfz-Schaden Ausland” van Generali Oostenrijk namens het Verband aan [de eisers] laten weten tot 30 juni 2022 af te zien van een beroep op verjaring van hun vorderingen.\n\n2.10.. Bij e-mail van 26 mei 2023 heeft de afdeling “SVL-KFZ Ost” van Generali Oostenrijk aan [de eisers] laten weten dat zij de verlangde bewijsstukken nog niet heeft ontvangen, dat de termijn van afzien van een beroep op verjaring al meerdere keren is verlengd, dat zij dit nu voor de laatste maal zal doen en tot 30 november 2023 geen verjaringsverweer zal tegenwerpen.\n\n2.11.. Op 23 augustus 2023 heeft Generali betreffende smartengeld c.q. shockschade een aanvullend bedrag van € 10.000,00 betaald aan [eiser 1] onder de vermelding “Betreffend Trauerschmerzengeld\u002FSchockschaden stellen wir lhrem Mandanten [eiser 1] , der diesen tragischen Unfall miterlebte, einen weiteren Betrag von 10.000,00 Euro zur Verfügung”. Ook heeft Generali toen de leges die [de eisers] als benadeelde partijen in de strafzaak hebben moeten betalen, in totaal een bedrag van € 1.761,42, aan hen betaald.\n\n2.12.. Bij e-mail van 16 november 2023 heeft de afdeling “SVL-KFZ Ost” van Generali Oostenrijk aan [de eisers] laten weten dat na ruggenspraak met haar contactpersoon tot 31 december 2023 wordt afgezien van een beroep op verjaring van hun vorderingen.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n\n [de eisers] vorderen, na wijziging van eis, dat de rechtbank, zo veel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,\n\n1) voor recht zal verklaren dat Generali aansprakelijk is voor alle door [de eisers] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van het ongeval van 2 januari 2017,\n\n2) Generali zal veroordelen om wegens geleden schade tot en met 2020 te betalen, aan [eiser 1] een bedrag van € 369.425,05 en aan [eiser 2] een bedrag van € 366.871,63, althans in goede justitie vast te stellen schadevergoedingen, te vermeerderen met rente,\n\n3) voor recht zal verklaren dat Generali aan [eiser 1] en [eiser 2] met ingang van 1 januari 2021, althans een in goede justitie vast te stellen begindatum, ieder een jaarlijkse vergoeding voor gemiste onderhoudsbijdrage, gemiste bijdragen aan huishoudelijke taken en gemiste zelfwerkzaamheid van de overledene verschuldigd is, op te maken bij staat,\n\n4) voor recht zal verklaren dat Generali aansprakelijk is voor de door [de eisers] te lijden belastingschade c.q. het belastingnadeel over de door hen te ontvangen schadevergoeding(en),\n\nmet veroordeling van Generali in de proceskosten, waaronder de nakosten, te vermeerderen met rente.\n\n3.2.. \n [de eisers] baseren hun vorderingen kort gezegd erop dat zij als nabestaanden naar Oostenrijks recht jegens de bestuurder aanspraak hebben op vergoeding van smartengeld c.q. shockschade, van de begrafeniskosten, van gemist levensonderhoud, van de gemiste bijdragen aan de gemeenschappelijke huishouding en aan het onderhoud van de gezinswoning en van de belasting die zij over de te ontvangen schadevergoeding zullen moeten afdragen. Zij kunnen deze aanspraken rechtstreeks te gelde maken tegen Generali, bij wie de door de bestuurder bestuurde auto ten tijde van het ongeval tegen aansprakelijkheid was verzekerd, aldus [de eisers] .\n\n3.3.. \n\nDe aanspraak op vergoeding van smartengeld c.q. shockschade hebben [de eisers] becijferd op respectievelijk € 30.000,00 en € 15.000,00, waarvan Generali reeds respectievelijk € 25.000,00 en € 15.000,00 heeft betaald, zodat in dit verband nog een aanspraak van [eiser 1] resteert van € 5.000,00.\n\nDe aanspraak op vergoeding van de kosten van de begrafenis hebben [de eisers] geraamd op € 248.786,67, het totaal van de in 2.2. genoemde bedragen. Voor zover deze kosten door Topparken Holding B.V,. zijn voldaan, heeft deze vennootschap haar vordering op de bestuurder c.q. Generali aan [de eisers] overgedragen. [de eisers] vorderen ieder de helft van de begrafeniskosten.\n\nDe aanspraak op gemiste onderhoudsbijdrage, waaronder opleidingskosten en ten behoeve van dit onderhoud door de overledene opgebouwd vermogen van € 100.000,00 per kind, en gemiste zelfwerkzaamheid hebben [de eisers] tot en met 2020 becijferd op respectievelijk € 240.531,71 en € 242.978,29. Hun aanspraken op wezenpensioen en uit een lijfrente hebben zij daarin verdisconteerd.\n\nOp hun aanspraak hebben [de eisers] ieder de € 500,00 in mindering gebracht die zij op basis van het Oostenrijkse strafvonnis van de bestuurder hebben ontvangen.\n\n3.4.. Generali voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de eisers] , dan wel tot afwijzing van hun vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren hoofdelijke veroordeling van [de eisers] in de (na)kosten van deze procedure, vermeerderd met rente.\n\n3.5.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nGeen nadere akte\n\n4.1.. De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding om [de eisers] nog bij akte op productie 8 van Generali te laten reageren. Zij hebben zich over dit juridisch advies van dr. [adviseur] genoegzaam kunnen uitlaten, in aanmerking genomen dat de strekking ervan al grotendeels in de conclusie van antwoord was vervat, zij mede worden bijgestaan door een Oostenrijkse advocaat en zij zich vervolgens ook daadwerkelijk ter zitting hebben uitgelaten. Een nadere akte is dan, met het oog op hoor en wederhoor of een goede instructie van de zaak, niet noodzakelijk.\n\nIPR\n\n4.2.. In deze zaak met internationale aspecten heeft deze rechtbank rechtsmacht op grond van art. 11 lid 1 sub b j° art. 13 lid 2 en art. 26 lid 1 van de Brussel I bis-Verordening (nr. 1215\u002F2012). Het betreft hier een vordering die door getroffenen rechtstreeks tegen de aansprakelijkheidsverzekeraar wordt en kan worden ingesteld, Generali heeft woonplaats op het grondgebied van een lidstaat van de EU en [de eisers] wonen in het rechtsgebied van deze rechtbank. Generali is bovendien verschenen zonder de bevoegdheid van de rechtbank te betwisten.\n\n4.3.. Het ongeval heeft plaatsgevonden op het grondgebied van Oostenrijk. Uit art. 3 van het Verdrag inzake de wet die van toepassing is op verkeersongevallen op de weg (Trb. 1971\u002F118), welk Verdrag gelet op art. 10:158 BW en art. 28 van de Rome II-Verordening (nr. 864\u002F2007) voor gaat op die Verordening en bij welk Verdrag Nederland en Oostenrijk partij zijn, volgt dan dat Oostenrijks recht van toepassing is. Ingevolge art. 8 van dit Verdrag bepaalt Oostenrijks recht onder meer welke personen recht hebben op vergoeding van persoonlijk door hen geleden schade, alsmede de termijn voor de verjaring of het verval van een aanspraak op schadevergoeding, alsmede het tijdstip van aanvang van die termijn en van zijn stuiting of schorsing. [de eisers] en ook Topparken, die haar vordering aan hen heeft overgedragen, hebben krachtens Oostenrijks recht een rechtstreekse vordering tot schadevergoeding op Generali, de verzekeraar van de aansprakelijke partij, in de zin van art. 9 lid 1 van het hiervoor bedoelde Verdrag.\n\nCessies\n\n4.4.. \n [de eisers] hebben bij akte van 1 juli 2025, vlak voordat de zaak opnieuw werd opgebracht, hun vorderingen op Generali overgedragen aan Topparken. Generali heeft bij antwoord opgeworpen dat [de eisers] daarom niets meer van haar te vorderen te hebben, zodat het gevorderde moet worden afgewezen. Bij akte van 10 februari 2026, vlak voor de mondelinge behandeling, heeft Topparken haar vorderingen op Generali overgedragen aan [de eisers] , zoals klaarblijkelijk van aanvang af de bedoeling was. Het verweer van Generali slaagt daarom niet.\n\nVerjaring\n\n4.5.. Generali beroept zich erop dat de vorderingen die [de eisers] hebben ingesteld zijn verjaard, in de eerste plaats omdat de verklaringen dat dit verweer niet zal worden gevoerd, niet namens Generali zijn gedaan en dus jegens haar geen werking hebben. De verjaringstermijn, naar Oostenrijks recht drie jaar nadat de benadeelde bekend is geworden met de schade en de aansprakelijke partij (§ 1489 Allgemeines bürgerliches Gesetzbuch, verder: ABGB), is daarom verstreken zodat de vorderingen zijn verjaard, aldus Generali.\n\n4.6.. Dit verweer slaagt niet. Generali leidt uit de verklaringen van Generali Oostenrijk af dat Generali Oostenrijk uitsluitend namens het Verband tijdelijk afstand heeft gedaan van een beroep op verjaring en niet namens Generali. De rechtbank verwerpt dat standpunt.\n\n4.7.. Zoals [de eisers] in de dagvaarding onbetwist hebben gesteld en ter zitting met een citaat uit de betreffende e-mail hebben onderbouwd, heeft het Verband op 19 juli 2017 aan [de eisers] laten weten dat de belangen van de rechtsvoorgangster van Generali bij ongevallen met motorrijtuigen in Oostenrijk worden behartigd door Generali Oostenrijk, als de bevoegde contactpersoon. Daarbij is hun gevraagd zich voor de verdere correspondentie over de schadeafwikkeling tot Generali Oostenrijk te wenden. Generali Oostenrijk heeft zich vervolgens ook als zodanig gemanifesteerd, bijvoorbeeld door [de eisers] op 24 oktober 2017 te berichten “dass wir in den Schadenfall eintreten können” met het verzoek om een becijfering van de vordering met bijbehorende bewijsstukken en een toelichting op de gezinssituatie. Op 26 mei 2023 heeft Generali Oostenrijk nog gerappelleerd over ontbrekende bewijsstukken. De contacten van [de eisers] met Generali Oostenrijk hebben bovendien geleid tot betalingen door Generali.\n\n4.8.. Generali Oostenrijk is aldus opgetreden als schaderegelaar (Schadenregulierungs-beauftragte) van Generali, in de zin van art. 21 van Richtlijn 2009\u002F103\u002FEG betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid (verder: Richtlijn 2009\u002F103\u002FEG). Zie voor de verplichting van Generali om in Oostenrijk een schaderegelaar aan te wijzen § 163 van het huidige Duitse Versicherungsaufsichtsgesetz. Een dergelijke schadebehandelaar moet, gelet op lid 1 van dit art. 21 en lid 1 van deze § 163, geacht worden de verzekeraar ter zake van de behandeling en afwikkeling van een vordering als de onderhavige bevoegd te vertegenwoordigen. De verklaringen van Generali Oostenrijk over het afzien van een beroep op verjaring binden Generali dus wel degelijk, nog daargelaten dat Generali Oostenrijk in de e-mailberichten van 26 mei 2023 en 16 november 2023 niet heeft verklaard dat zij namens het Verband afziet van een beroep op verjaring. Dit betekent dat de vorderingen van [de eisers] in ieder geval tot 31 december 2023 niet zijn verjaard.\n\n4.9.. Dit geldt niet voor de aan [de eisers] overgedragen vordering van Topparken ter zake van de aan haar in rekening gebrachte kosten van de uitvaart. Zoals [de eisers] aanvoeren en Generali onderschrijft, heeft Topparken naar Oostenrijks recht jegens de bestuurder en Generali een eigen recht op vergoeding van kosten die zij in verband met het ongeval heeft gemaakt, althans tot op zekere hoogte. Gesteld noch gebleken is echter dat Topparken tegenover de bestuurder, Generali, het Verband of Generali Oostenrijk op enigerlei wijze de verjaring heeft gestuit. Dat er door of namens Topparken enige communicatie is geweest in de richting van een van deze partijen totdat in 2025 mededeling werd gedaan van de eerste cessie, is niet gesteld en blijkt ook nergens uit. Haar aanspraak op vergoeding van deze kosten is dan verjaard. Dit betreft het totaal van de rekeningen die ter zake van het overlijden en de uitvaart aan Topparken zijn gezonden, ter hoogte van het in 2.2. bedoelde bedrag van € 211.204,20. Dat Topparken haar vordering aan [de eisers] heeft overgedragen maakt het voorgaande niet anders. Die vordering was toen al verjaard.\n\n4.10.. Generali beroept zich in de tweede plaats erop dat de vorderingen van [de eisers] zijn verjaard, omdat zij de onderhavige procedure, die voor 31 december 2023 werd ingeleid, onvoldoende voortvarend hebben voortgezet.\n\n4.11.. Volgens § 1497 ABGB wordt de verjaring gestuit door de schuldenaar in rechte aan te spreken en die procedure behoorlijk voort te zetten (Die Verjährung wird unterbrochen wenn er (degene die zich op verjaring wil beroepen, rb) von dem Berechtigten belangt, und die Klage gehörig fortgesetzt wird). Wordt een procedure gestart, maar niet behoorlijk vervolgd, dan verjaart dus alsnog de vordering. Volgens vaste Oostenrijkse rechtspraak is pas sprake van onbehoorlijke voortzetting als de eiser een ongebruikelijke inactiviteit aan de dag legt, waaruit kan worden afgeleid dat hij niet langer belang hecht aan het bereiken van het procesdoel. (… wenn der Kläger eine ungewöhnliche Untätigkeit an den Tag legt, die darauf schließen lässt, dass ihm an der Erreichung des Prozesszieles nicht mehr gelegen ist.)\n\n4.12.. Generali wijst in dit verband erop dat [de eisers] , na doorhaling van de zaak op de rol bij beslissing van 16 april 2024, totdat zij op 1 juli 2025 aankondigden dat de zaak opnieuw zou worden opgebracht, niet van zich hebben laten horen. Deze inactieve periode van 14½ maand betekent dat [de eisers] de procedure niet behoorlijk hebben vervolgd. Daarom is de vordering verjaard, aldus Generali.\n\n4.13.. Dit verweer slaagt niet. Naar Oostenrijks recht is inactiviteit slechts relevant voor zover deze inactiviteit valt in de periode na het vollopen van de (oorspronkelijke) verjaringstermijn. (Die Untätigkeit ist nur soweit relevant, als sie in die Zeit nach Ablauf der (ursprünglichen) Verjährungsfrist fällt.)\n\n4.14.. Uit § 1497 ABGB volgt dat de verjaring ook wordt gestuit als degene die zich op verjaring wil beroepen vóór het vollopen van de verjaringstermijn het recht van de ander uitdrukkelijk of stilzwijgend erkent. (Die Verjährung wird unterbrochen wenn derjenige, welcher sich auf dieselbe berufen will, vor dem Verlaufe der Verjährungszeit entweder ausdrücklich oder stillschweigend das Recht des Andern anerkannt hat.) De erkenning hoeft niet uitdrukkelijk te geschieden; gedrag waaruit kan worden afgeleid dat de schuldenaar zich ervan bewust is tot betaling verplicht te zijn, is voldoende. De verjaring wordt onderbroken door elke handeling van de schuldenaar die op enigerlei wijze uitdrukking geeft aan zijn besef dat hij uit hoofde van de betreffende schuldverhouding verplicht is jegens de schuldeiser, waarbij de objectieve verklarende waarde van de wilsuiting doorslaggevend is. Door deelbetalingen wordt de verjaring onderbroken wanneer er geen twijfel over bestaat dat de schuldenaar daarmee slechts een deel van zijn schuld wilde dekken. (Die Anerkennung muss nicht ausdrücklich erfolgen; ein Verhalten, aus dem sich entnehmen lässt, dass der Schuldner das Bewusstsein hat, zur Zahlung verpflichtet zu sein, ist ausreichend. Die Unterbrechung der Verjährung bewirkt jede Handlung des Schuldners, die in irgendeiner Weise sein Bewusstsein, aus dem betreffenden Schuldverhältnis dem Gläubiger verpflichtet zu sein, zum Ausdruck bringt, wobei es auf den objektiven Erklärungswert der Willensäußerung ankommt. Durch Teilzahlungen wird die Verjährung dann unterbrochen, wenn zweifelsfrei ist, dass der Schuldner mit ihnen nur einen Teil seiner Schuld abdecken wollte.)\n\n4.15.. Uit de door [de eisers] gestelde feiten volgt dat Generali laatstelijk op 23 augustus 2023 ter zake van smartengeld c.q. shockschade en ter vergoeding van leges, betalingen heeft gedaan aan [de eisers] , zonder twijfel ter delging van slechts een deel van haar schuld aan hen. Die schuld bestond immers uit meer dan smartengeld c.q. shockschade, zoals Generali, getuige de herhaalde verzoeken om bewijsstukken ten aanzien van gederfd levensonderhoud, ook wist. Uit voormelde deelbetalingen van Generali aan [de eisers] kan worden afgeleid dat Generali zich bewust was tot betaling verplicht te zijn. De betalingen geven immers objectief beschouwd blijk van haar besef van de aanspraken van [de eisers] jegens haar uit hoofde van het ongeval. De verjaring is dan ook wegens erkenning gestuit op 23 augustus 2023. Op dat moment is de verjaringstermijn van drie jaar uit § 1489 ABGB opnieuw aangevangen. Volgens Oostenrijks recht wordt door de erkenning de lopende verjaringstermijn gestuit; deze begint volledig opnieuw te lopen zodra de reden voor de stuiting is weggevallen. (Durch die Anerkennung wird die laufende Verjährung unterbrochen; sie beginnt nach Wegfall des Unterbrechungsgrundes völlig neu zu laufen.) Sinds 23 augustus 2023 zijn nog geen drie jaar verstreken. Talmen van [de eisers] tijdens de onderhavige procedure kan dan naar Oostenrijks recht hun vorderingen niet doen verjaren, wat daarvan verder zij.\n\nAansprakelijkheid\n\n4.16.. Niet in geschil is dat de bestuurder en houder van de bij Generali verzekerde personenauto jegens [de eisers] aansprakelijk is uit hoofde van § 1 en § 5 van het Eisenbahn- und Kraftfahrzeughaftpflichtgesetz (verder: EKHG). Onbetwist is ook dat [de eisers] op basis van § 26 van het Kraftfahrzeug-Haftpflichtversicherungsgesetz 1994 deze schadevergoedingsaanspraak rechtstreeks jegens Generali geldend kunnen maken. Over de schade waarvan [de eisers] vergoeding vorderen, wordt, uitgesplitst per schadepost, het volgende overwogen.\n\nBegrafeniskosten\n\n4.17.. In § 12 van het EKHG, dat de inhoud van de schadeloosstelling betreft, is in lid 1 aanhef en onder 5 bepaald dat, in geval van overlijden, degene die de kosten van de begrafenis moet dragen of deze kosten daadwerkelijk heeft gedragen, aanspraak heeft op vergoeding van de kosten van een passende begrafenis. Niet in geschil is dat [de eisers] jegens Generali recht hebben op vergoeding van de kosten van de begrafenis die zij hebben gemaakt, voor zover deze passend was.\n\n4.18.. Ter zake van de begrafenis is, zoals gezegd, aan de erven een bedrag van € 31.589,47 in rekening gebracht, van welk bedrag [de eisers] in deze procedure vergoeding vorderen. Generali betwist dat [de eisers] deze kosten hebben voldaan. Omdat (vrijwel) alle andere facturen ter zake van de begrafenis door Topparken zijn betaald acht Generali aannemelijk dat ook de factuur van de uitvaartondernemer door Topparken is voldaan en niet door [de eisers] . Daarbij heeft Generali gewezen op de eerste cessieakte, waarin staat dat Topparken een belangrijk deel van de kosten van de uitvaart heeft voldaan. De kosten van de uitvaart hebben volgens [de eisers] in totaal € 248.786,67 bedragen, waarvan een bedrag van € 211.204,20 door Topparken is voldaan, zoals hiervoor in 4.9. is aangenomen. Dit sluit aan bij de tekst van de cessieakte waarin staat dat de kosten slechts voor een belangrijk deel en dus niet (bijna) volledig door Topparken zijn voldaan. De cessieakte lijkt dan juist het standpunt van [de eisers] te ondersteunen dan zij het verhoudingsgewijs geringe bedrag van € 31.589,47 wel zelf hebben voldaan. In ieder geval heeft Generali dit aldus onvoldoende gemotiveerd weersproken, zodat zonder bewijslevering wordt vastgesteld dat [de eisers] zelf voor een bedrag van € 31.589,47 de kosten van de begrafenis hebben moeten dragen, zoals Generali uiteindelijk ook ‘hooguit’ wel wil aannemen. [eiser 1] heeft in de dagvaarding vergoeding van dit volledige bedrag gevorderd. Na wijziging van eis vorderen [de eisers] ieder de helft van deze kosten. In het juridisch advies van dr. [adviseur] dat Generali in het geding heeft gebracht worden aan deze eiswijziging verjaringsgevolgen verbonden, maar dat is niet concreet gebeurd in de processtukken of ter zitting, zodat de rechtbank hieraan voorbij gaat.\n\n4.19.. De kosten van het grafmonument ad € 5.993,00 zijn bij [naam 2] in rekening zijn gebracht. [de eisers] hebben niet toegelicht dat en hoe deze kosten toch voor hun rekening zijn gekomen. In zoverre is het gevorderde daarom niet toewijsbaar.\n\n4.20.. Ter zake van de hoogte van het gevorderde bedrag is het volgende van belang. Niet in geschil is dat de factuur van de begrafenisondernemer diensten en zaken betreft die naar Oostenrijks recht als kosten van de begrafenis hebben te gelden. De vraag is vervolgens wat de kosten van een passende begrafenis in dit geval zijn, omdat slechts in zoverre een vergoedingsplicht bestaat. Volgens Generali is het gevorderde bedrag onredelijk hoog. Volgens haar wordt in Oostenrijk doorgaans een bedrag van tussen € 10.000,00 en € 20.000,00 als redelijk beschouwd, waaraan in het advies van [adviseur] is toegevoegd dat zelfs als rekening wordt gehouden met de hoge beroepsstatus van [vader eisers] de gevorderde kosten ad € 248.000,00 onredelijk hoog zijn.\n\n4.21.. Zoals [de eisers] aanvoeren moet voor de uitleg van het begrip ‘passende begrafenis’ in § 12 lid 1 aanhef en onder 5 EKHG § 549 ABGB analoog worden toegepast, waarin is bepaald dat de gewoonten van de plaats, alsmede de stand en het vermogen van de overledene doorslaggevend zijn.Niet in geschil is dat de stand en het vermogen van [vader eisers] aanzienlijk bovengemiddeld waren. Dan kan een bedrag dat iets hoger ligt dan anderhalf keer een kennelijk doorgaans nog passend bedrag, niet bovenmatig worden beschouwd. Gelet hierop is aan [de eisers] ieder een bedrag van € 15.794,74 voor begrafeniskosten toewijsbaar. Zoals gevorderd zal dit bedrag worden vermeerderd met de wettelijke rente (in de zin van § 1000 lid 1 en § 1333 lid 1 ABGB) over dit bedrag en wel vanaf 28 juli 2023. Generali heeft onweersproken opgeworpen dat naar Oostenrijks recht de wettelijke rente pas gaat lopen vanaf het moment waarop een concreet bedrag aan schadevergoeding wordt gevorderd. Dit is volgens [de eisers] gebeurd door bij brief van 29 juni 2023 uiterlijk op 28 juli 2023 betaling te verlangen. [de eisers] hebben er dan geen belang meer bij dat voor recht wordt verklaard dat Generali aansprakelijk is voor deze schade. In zoverre zal het gevorderde worden afgewezen.\n\nSmartengeld [eiser 1]\n\n4.22.. Niet in geschil is dat [eiser 1] , nu de bestuurder grove schuld heeft aan het ongeval, aanspraak heeft op vergoeding van het verdriet om het verlies van zijn vader (zogenoemd Trauerschmerzengeld). Generali heeft hem in dit verband buiten rechte al een vergoeding betaald van in totaal € 25.000,00. [eiser 1] vordert nu € 5.000,00 meer. Daartoe wijst hij erop dat hij destijds als minderjarige in gezinsverband samenleefde met zijn vader met wie hij de gebruikelijke intensieve emotionele band had, dat hij persoonlijk getuige was van het ongeval en heeft moeten zien hoe zijn stervende vader met zware hoofdwonden op de grond was gevallen en dat hij nog steeds lijdt aan slaap- en concentratiestoornissen, onevenwichtigheid en depressie. Hij heeft daarbij verwezen naar § 273 Zivilprozessordnung (ZPO), waarin een algemene regeling voor bewijsnood in gevallen van schadevergoeding is gegeven. Omdat in deze zaak Nederlands procesrecht moet worden toegepastgaat de rechtbank hieraan voorbij, met dien verstande dat het in dit geval, gelet op het hierna volgende, niet op bewijslevering aankomt.\n\n4.23.. Generali heeft de door [eiser 1] aangevoerde omstandigheden niet betwist, maar meent dat de reeds uitgekeerde vergoeding meer dan redelijk is.\n\n4.24.. In de door [de eisers] aangehaalde uitspraak van het Oberste Gerichtshof werd de € 20.000,00 die in eerste aanleg werd toegewezen aan ieder van de ouders van een kind van zes jaar dat op 31 maart 2004 bij een verkeersongeval om het leven kwam, door het Oberste Gerichtshof in stand gelaten.Die € 20.000,00 bedroeg, rekening houdend met de geldontwaarding in Oostenrijk tussen 31 maart 2004 en 2 januari 2017, op laatstgenoemde datum ongeveer € 25.000,00. De benadeelden hadden in dat geval, anders dan [eiser 1] in de onderhavige zaak, het ongeval niet zien gebeuren. Zoals ook volgt uit de nabetaling door Generali op 23 augustus 2023 en de reden die zij daarvoor toen heeft opgegeven, is het feit dat de benadeelde getuige was van het verongelukken, een wezenlijk verhogende omstandigheid voor het verschuldigde Trauerschmerzengeld. Generali heeft niet concreet betwist dat de overige omstandigheden van de door het Oberste Gerichtshof berechte geval vergelijkbaar zijn met die van de onderhavige zaak. In het licht hiervan overvraagt [eiser 1] niet door in totaal € 30.000,00 aan smartengeld c.q. shockschade te verlangen. De nog niet vergoede € 5.000,00 zal dus aan hem worden toegewezen. Zoals onbetwist gevorderd zal dit bedrag worden vermeerderd met de wettelijke rente (in de zin van § 1000 lid 1 en § 1333 lid 1 ABGB) over dit bedrag vanaf 28 juli 2023, op de hiervoor genoemde gronden. Het belang van een verklaring voor recht dat wordt verklaard dat Generali aansprakelijk is voor deze schade komt daarmee te ontvallen. In zoverre zal het gevorderde worden afgewezen.\n\nGemist levensonderhoud en gemiste zelfwerkzaamheid\n\n4.25.. Ingevolge § 12 lid 2 j° § 19 EKHG en § 1327 ABGB moeten in een geval als dit, waarin lichamelijk letsel de dood tot gevolg heeft, de nabestaanden, voor wier onderhoud de overledene volgens de wet moest zorgen, schadeloos worden gesteld voor hetgeen hun daardoor ontgaat. Niet in geschil is dat tot dit gemiste onderhoud ook behoort de gemiste zelfwerkzaamheid van de overledene in het huishouden en aan de gezinswoning. De sub 1 en sub 3 gevorderde verklaringen voor recht zijn dan ook toewijsbaar in die zin dat voor recht verklaard zal worden dat Generali aansprakelijk is voor het levensonderhoud en de zelfwerkzaamheid in het huishouden en aan de gezinswoning die [de eisers] moeten missen als gevolg van het overlijden van [vader eisers] . Ter zitting hebben [de eisers] verklaard dat met de eiswijziging na hervatting van de procedure bedoeld is de term ‘levenslang’ in het petitum van de dagvaarding sub 3 te laten vervallen en dat de rechtbank het zo moet begrijpen dat het gaat om de periode totdat de kinderen in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien. Ook volgens Generali is dat zo. De toe te wijzen verklaring voor recht zal in deze zin worden aangevuld.\n\n4.26.. \n [de eisers] hebben sub 2 een veroordeling gevorderd tot betaling van de volgens hen tot en met 2020 in dit verband concreet verschenen schade. Voor nadien in dit verband verschenen en te verschijnen schade vorderen zij sub 3 klaarblijkelijk een veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat.\n\n4.27.. Ter zake van de tot en met 2020 verschenen schade geldt het volgende. Niet in geschil is dat [de eisers] aanspraak (kunnen) hebben op enig bedrag als compensatie voor het missen van onderhoud. Het is aan hen om in dit verband het nodige te stellen en te bewijzen. Om dit schadebedrag te kunnen becijferen is inzicht nodig in het gezinsinkomen, in het bijzonder het vrij besteedbare gezinsinkomen en het aandeel van de afzonderlijke gezinsleden daarin, de zogenoemde Konsumquote.Ook is hiervoor van belang of en zo ja in welke mate de moeder van [de eisers] in hun onderhoud voorzag of (volgens het echtscheidingsconvenant) moest voorzien. Verder moet daarvoor in kaart worden gebracht op welke bedragen [de eisers] vanwege het overlijden jegens derden aanspraak konden maken, zoals bijvoorbeeld uit wezenpensioen en lijfrente. Als [de eisers] zelf inkomsten genereerden is dat ook van belang.\n\n4.28.. \n [de eisers] hebben in dit verband stellingen betrokken en hebben op basis van deze stellingen de schade laten berekenen. Zij hebben echter nagelaten om hun stellingen behoorlijk met stukken concreet toe te lichten en te onderbouwen, hoewel van de zijde van Generali vanaf 24 oktober 2017 bij herhaling om dergelijke stukken is verzocht. Als bewijs voor studiekosten wordt bijvoorbeeld verwezen naar een simpel staatje, zonder onderliggende bewijsstukken te delen. De basis voor de Konsumquote, een bedrag van € 49.717,00 in 2016, hebben zij als feit gepresenteerd, zonder concrete onderbouwing. Over de inkomsten van de overledene en hun eigen inkomsten hebben [de eisers] geen concrete, met stukken onderbouwde informatie verschaft. Bovendien hebben [de eisers] , hoewel zij onderkennen dat hun aanspraken door het Oostenrijkse recht worden bepaald, hun berekening van de schade gebaseerd op Nederlands recht, omdat het rekenprogramma van hun actuaris daarop is ingericht.\n\n4.29.. Het rapport met deze berekening bevat, behalve jaaropgaven van een pensioenfonds en een offerte voor een lijfrente, geen bewijsstukken van de uitgangspunten die aan de berekening ten grondslag zijn gelegd. Deze uitgangspunten zijn volgens het rapport aangedragen door dr. Wijnkamp en een accountant, waarnaar [de eisers] vervolgens in hun dagvaarding weer verwijzen ten bewijze van hun stellingen. Dit is een cirkelredenering. Ter zake van bewijs voor gemiste zelfwerkzaamheid hebben [de eisers] in de dagvaarding nog verwezen naar een berekening met bijlagen van [expertisekantoor] B.V. van 6 november 2014, zonder deze stukken, die overigens gelet op het jaartal dateren van voor het ongeval, in het geding te brengen. Bij akte na hervatting hebben zij deze verwijzing weer teruggenomen.\n\n4.30.. Generali heeft in haar conclusie van antwoord aandacht gevraagd voor deze voortdurende gebrekkige onderbouwing van stellingen. In reactie daarop hebben [de eisers] 14 dagen voor de zitting een groot aantal bewijsstukken overgelegd. Zij hebben echter nagelaten de rechtbank en Generali wegwijs te maken in die stukken, in die zin dat niet duidelijk is gemaakt hoe deze stukken hun vorderingen concreet onderbouwen. Ter zitting hebben [de eisers] over deze stukken in de eerste plaats opgemerkt dat ze vooral van belang zijn voor zover concrete beslissingen nodig zijn over een andere berekeningsmethode dan hun actuaris heeft toegepast of als na bewijslevering over de omvang van de schade moet worden geconcludeerd. Onduidelijk is wat hiermee wordt bedoeld. Verder is ter zitting door [de eisers] over de stukken opgemerkt dat het te ver voert om die allemaal in detail te bespreken, maar dat daarmee de vordering ter zake van gemist onderhoud is onderbouwd. Aldus is de concrete relevantie van de stukken voor de vorderingen niet inzichtelijk gemaakt. [de eisers] refereren in dit verband nog aan de gang van zaken in een Oostenrijkse schadevergoedingsprocedure, waarin een deskundige het voortouw neemt. Reeds omdat deze zaak naar Nederlands procesrecht moet worden behandeld, gaat de rechtbank daaraan voorbij. Naar Nederlands procesrecht kan weliswaar een deskundige worden benoemd om de schade te berekenen, maar het begint ermee dat vorderingen deugdelijk worden toegelicht en onderbouwd, ook om verweer daartegen en bespreking ervan mogelijk te maken.\n\n4.31.. Het voorgaande leidt ertoe dat tot op heden geen inhoudelijk partijdebat over de omvang van deze schadepost heeft kunnen plaatsvinden. Dit brengt mee dat weliswaar vastgesteld kan worden dat Generali aansprakelijk is en dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is, maar dat de rechtbank niet in staat is het beloop van de schade in dit vonnis te bepalen. [de eisers] hebben daarover bovendien zoveel onduidelijk gelaten dat de rechtbank geen nader onderzoek in de hoofdzaak zal gelasten, maar een veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat zal uitspreken.\n\n4.32.. Van de na 2020 verschenen en nog te verschijnen schade vorderen [de eisers] , naast de in 4.25. bedoelde verklaring voor recht, klaarblijkelijk een veroordeling tot vergoeding op te maken bij staat. De mogelijkheid van deze schade is ook voldoende aannemelijk. De vordering zal worden toegewezen.\n\n4.33.. Het verweer van Generali dat de vordering tot vergoeding van schade die is verschenen vanaf 2021 tot de dag van dagvaarding niet toewijsbaar is, wordt verworpen. Generali heeft haar verweer erop gebaseerd dat het naar Oostenrijks recht niet mogelijk is om ter zake van deze verschenen schade alleen een verklaring voor recht te vorderen. [de eisers] hadden deze schade concreet moeten vorderen en dat hebben zij niet gedaan, aldus Generali. Dit betreft klaarblijkelijk een regel van Oostenrijks procesrecht. Het Nederlandse procesrecht, dat hier geldt, kent een dergelijke regel niet. Voor zover Generali zich in dit verband op verjaring beroept slaagt ook dat verweer niet, omdat, zoals gezegd, de verjaring reeds door erkenning is gestuit.\n\nFiscaliteit\n\n4.34.. Generali heeft niet betwist dat zij gehouden is op te komen voor door [de eisers] eventueel te lijden schade in de vorm van belasting die zij verschuldigd zijn over te ontvangen schadevergoedingen. De daartoe strekkende verklaring voor recht is toewijsbaar.\n\nProceskosten\n\n4.35.. Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n5.1.. veroordeelt Generali om aan [eiser 1] te betalen een bedrag van € 20.794,74, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in § 1000 lid 1 en § 1333 lid 1 ABGB over het toegewezen bedrag, met ingang van 28 juli 2023, tot de dag van volledige betaling,\n\n5.2.. veroordeelt Generali om aan [eiser 2] te betalen een bedrag van € 15.794,74, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in § 1000 lid 1 en § 1333 lid 1 ABGB over het toegewezen bedrag, met ingang van 28 juli 2023, tot de dag van volledige betaling,\n\n5.3.. verklaart voor recht dat Generali aansprakelijk is voor het levensonderhoud en de zelfwerkzaamheid in het huishouden en aan de gezinswoning die [de eisers] moeten missen als gevolg van het overlijden van [vader eisers] , tot het moment dat zij in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien,\n\n5.4.. veroordeelt Generali om de in 5.3. bedoelde schade te vergoeden, op te maken bij staat,\n\n5.5.. verklaart voor recht dat Generali aansprakelijk is voor de door [de eisers] te lijden belastingschade c.q. het belastingnadeel over de door hen te ontvangen schadevergoeding(en),\n\n5.6.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.7.. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,\n\n5.8.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mrs. K. van Vlimmeren-van Ommen, S.J. Peerdeman en A.J.J.M. Weijnen en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.\n\n167\u002F512\n\n Zie bijvoorbeeld OGH 21 februari 2023, 2Ob12\u002F23p, ECLI:AT:OGH0002:2023:0020OB00012.23P.0221.000 en Rechtssatznummer RS0034765.\n\n Zie OGH 23 maart 2011, 4Ob191\u002F10g, ECLI:AT:OGH0002:2011:0040OB00191.10G.0323.000, r.o. 2.2., onder verwijzing naar OGH 17 november 2009, 1Ob165\u002F09k, ECLI:AT:OGH0002:2009:0010OB00165.09K.1117.000.\n\n OGH 28 april 2015, 8Ob10\u002F15a, ECLI:AT:OGH0002:2015:0080OB00010.15A.0428.000.\n\n Zie OGH 21 april 1995, 2Ob26\u002F94, ECLI:AT:OGH0002:1995:0020OB00026.94.0421.000.\n\n Zie OGH 26 november 1998, 6Ob297\u002F98i, ECLI:AT:OGH0002:1998:0060OB00297.98I.1126.000.\n\n Zie OGH 6 mei 2001, 2Ob84\u002F01v, ECLI:AT:OGH0002:2001:0020OB00084.01V.0516.000.\n\n Zie art. 1 lid 3 Verordening (EG) nr. 864\u002F2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen en art. 10:3 BW.\n\n Zie OGH 12 juli 2007, 2Ob263\u002F06z, ECLI:AT:OGH0002:2007:0020OB00263.06Z.0712.000.\n\n Zie bijvoorbeeld OGH 28 januari 2021, 8Ob98\u002F20z, ECLI:AT:OGH0002:2022:E130646, r.o. 65 e.v.\n\n Vergelijk bijvoorbeeld HR 21 december 1984, NJ 1985\u002F904.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5214","2026-07-01T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:12.628Z",{"id":166,"ecli":167,"slug":168,"caseNumber":44,"courtId":169,"decisionDate":152,"fullText":170,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":171,"sourceTimestamp":152,"parsedAt":52,"updatedAt":172},"1214","ECLI:NL:RBZWB:2026:5316","ecli-nl-rbzwb-2026-5316",64,"RECHTBANK Zeeland-West-Brabant\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F443618 \u002F HA ZA 26-2\n\nVonnis van 17 juni 2026 (bij vervroeging)\n\nin de zaak van\n\n1. [eisende partij 1] ,\n\nvoorheen wonende te [plaats 1] , inmiddels verblijvende in Spanje,\n\nhierna te noemen: [eisende partij 1] ,\n\n2. [eisende partij 2] ,\n\nvoorheen wonende te [plaats 1] , inmiddels verblijvende in Spanje,\n\nhierna te noemen: [eisende partij 2] ,\n\neisende partijen,\n\nadvocaat: tot heden procederend in persoon,\n\ntegen\n\n1. [gedaagde partij 1] t.h.o.d.n. [huisartsenpraktijk] ,\n\nte [plaats 1] ,\n\nhierna te noemen: [gedaagde partij 1] , 2. [gedaagde partij 2] B.V.,\n\nte [plaats 1] ,\n\nhierna te noemen: [gedaagde partij 2] , 3. [gedaagde partij 3] B.V.,\n\nte [plaats 1] ,\n\nhierna te noemen: [gedaagde partij 3] , 4. [gedaagde partij 4] (voorheen [gedaagde partij 4] ),\n\nte [plaats 2] , België,\n\nhierna te noemen: [gedaagde partij 4] ,\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna samen te noemen: [gedaagde partijen] ,\n\nadvocaat voor gedaagden [gedaagde partij 2] en [gedaagde partij 4] : mr. P.J. klein Gunnewiek.\n\n1. De zaak in het kort\n\n1.1.. \n [eisende partij 1] is patiënte geweest bij (de praktijk van) huisarts [gedaagde partij 1] . [eisende partij 2] is de partner van [eisende partij 1] . [eisende partij 1] en [eisende partij 2] vinden dat [eisende partij 1] niet de zorg heeft gekregen die je van een redelijk handelende en bekwame huisarts mag verwachten. [eisende partij 1] en [eisende partij 2] vorderen een verklaring voor recht dat de huisarts aansprakelijk is voor de schade die daaruit voortvloeit. Zij willen ook vergoeding van hun schade. De huisarts voert verweer.1.2.. De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van aansprakelijkheid van de huisarts en daarom ook geen plicht om gestelde schade te vergoeden. De vorderingen van [eisende partij 1] en [eisende partij 2] worden afgewezen.\n\n1.3.. Dit oordeel wordt hierna onder het kopje ‘de beoordeling’ toegelicht. Eerst worden het verloop van de procedure, de relevante feiten en het geschil geschetst. Tot slot volgt de beslissing.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n het tussenvonnis van 11 februari 2026 en de daarin genoemde processtukken,\n\n de e-mail van de rechtbank van 26 februari 2026, waarin de datum voor de mondelinge behandeling is medegedeeld,\n\n het verzoek van [eisende partij 1] en [eisende partij 2] om digitaal deel kunnen te nemen aan de mondelinge behandeling, welk verzoek door de rechtbank is gehonoreerd,\n\n de e-mail van [eisende partij 1] en [eisende partij 2] van 14 april 2026 waarin zij de rechter verzoeken zich te verschonen, en de reactie daarop vanuit de rechtbank dat de rechter geen aanleiding tot verschoning ziet,\n\n het verzoek van [eisende partij 1] en [eisende partij 2] van 11 mei 2026 om de mondelinge behandeling achter gesloten deuren plaats te laten vinden, en de reactie daarop van de rechtbank dat de rechter dit verzoek aan het begin van de mondelinge behandeling zal behandelen en daarop vervolgens zal beslissen,\n\n de mondelinge behandeling van 13 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n2.2.. Het verzoek van [eisende partij 1] en [eisende partij 2] om de zaak achter gesloten deuren te behandelen is aan het begin van de mondelinge behandeling besproken. Na beide partijen over dit verzoek gehoord te hebben, heeft de rechtbank besloten om het verzoek af te wijzen en de zaak openbaar te behandelen. De motivering voor deze beslissing is tijdens de mondelinge behandeling aan partijen medegedeeld. De behandeling van de zaak heeft vervolgens in het openbaar plaatsgevonden.\n\n2.3.. Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de rechter bepaald dat er een vonnis zou komen.\n\n2.4.. De rechtbank heeft zowel voorafgaand als na de mondelinge behandeling vele e-mails van [eisende partij 1] en [eisende partij 2] ontvangen. Deze maken geen onderdeel uit van het procesdossier.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. \n [gedaagde partij 1] is huisarts in [plaats 1] . Zij voerde haar praktijk eerst vanuit een eenmanszaak. Eind 2024 heeft [gedaagde partij 1] de besloten vennootschap [gedaagde partij 2] opgericht en haar huisartsenpraktijk in deze vennootschap ingebracht. [gedaagde partij 2] is voor beroepsaansprakelijkheid verzekerd bij [gedaagde partij 4] . Binnen de praktijk van [gedaagde partij 1] is ook een waarnemend huisarts werkzaam geweest.\n\n3.2.. \n [eisende partij 1] is van februari 2014 tot ongeveer februari 2025 patiënt geweest van [gedaagde partij 1] . [eisende partij 2] is de partner van [eisende partij 1] .\n\n3.3.. \n [eisende partij 1] heeft sinds 2018 gezondheidsklachten. Zij heeft zich daarvoor regelmatig tot de huisarts gewend. De gezondheidsklachten bestonden onder andere uit vermoeidheid, angst- en paniekgevoelens en lichamelijke en psychische onrust.\n\n3.4.. \n [eisende partij 1] is op 28 september 2020 vanwege extreme haaruitval op het spreekuur van de huisarts geweest. Zij is gezien door [gedaagde partij 1] . De huisarts heeft aangegeven dat de klachten waarschijnlijk werden veroorzaakt door de aandoening alopecia. De huisarts heeft een algemeen bloedonderzoek laten uitvoeren. Dit onderzoek is op 29 september 2020 uitgevoerd. Ook heeft de huisarts [eisende partij 1] verwezen naar een dermatoloog.\n\n3.5.. \n [eisende partij 1] heeft op 30 september 2020 telefonisch contact gehad met de huisartspraktijk over de uitslag van het bloedonderzoek. Uit het onderzoek volgde dat de schildklierwaarde TSH licht verhoogd was. De schildklierwaarde FT4 was normaal. Er was sprake van zogenaamde subklinische hypothyreoïdie. Met [eisende partij 1] is telefonisch besproken dat er bij een minimale afwijking in de schildklierwaarden normaal gesproken alleen behandeld wordt met medicatie als er klachten zijn. In haar geval was dat onder andere vermoeidheid. Er is besproken dat voor een proefperiode gestart zou worden met het schildkliermedicijn Thyrax in een lage dosering van 0,025 mg, waarbij de schildklierwaarden middels bloedonderzoek gemonitord zouden worden. Thyrax bevat de werkzame stof levothyroxine.\n\n3.6.. Er heeft op 16 november 2020 opnieuw bloedonderzoek plaatsgevonden. De schildklierwaarden waren goed. De medicatie bleef ongewijzigd. Ook het bloedonderzoek van 1 maart 2021 liet goede waarden zien.\n\n3.7.. In april 2021 heeft de huisarts [eisende partij 1] verwezen naar psychotherapie in verband met angst- en paniekklachten. Ook werd zij toen ingesteld op antidepressiva.\n\n3.8.. In juli 2021 is er opnieuw uitgebreid bloedonderzoek verricht. De schildklierwaarden waren goed.\n\n3.9.. De huisarts heeft de Thyrax medicatie met ingang van januari 2022 verhoogd naar 0.050 mg vanwege aanhoudende klachten en vermoeidheid. Op 17 februari 2022 heeft er bloedonderzoek plaatsgevonden. De schildklierwaarden waren goed. Voor verdere verbetering van de vermoeidheidsklachten van [eisende partij 1] is gekozen voor een verdere ophoging naar 0.075 mg.\n\n3.10.. Bij de bloedcontrole van 4 april 2022 viel de TSH- waarde net iets buiten de normaalcurve. De FT4 waarde was wel goed. Het medicatiebeleid werd vervolgd.\n\n3.11.. Op 8 april 2022 is [eisende partij 1] verwezen naar [zorginstelling] omdat de klachten van [eisende partij 1] zodanig waren dat deze niet langer in de eerstelijns psychologie behandeld konden worden. [zorginstelling] kampte met een wachtlijst.\n\n3.12.. \n [eisende partij 1] heeft op 29 november 2022 een overdosis Thyrax ingenomen. Zij is met een ambulance naar de spoedeisende hulp gebracht. [eisende partij 1] is op 30 november 2022 op verzoek van de spoedeisende hulp beoordeeld door de crisisdienst. De psychiater van de crisisdienst heeft geconcludeerd dat nadere diagnostiek en behandeling in specialistische GGZ aangewezen is. De crisisdienst en huisarts zouden contact opnemen met [zorginstelling] .\n\n3.13.. \n [zorginstelling] heeft [eisende partij 1] aangemeld voor autismeonderzoek. Op basis van het verrichte onderzoek kon de classificatie autisme niet bevestigd worden. [zorginstelling] heeft het dossier op 18 oktober 2023 gesloten. [eisende partij 1] is aangemeld bij [zorgorganisatie] voor verdere begeleiding.\n\n3.14.. Het bloedonderzoek in februari 2024 liet normale schildklierwaarden zien.\n\n3.15.. \n [eisende partij 1] heeft op 22 januari 2025 telefonisch contact opgenomen met [gedaagde partij 2] met het verzoek om een wit tablet in plaats van een blauw tablet van het medicijn Thyrax voor te schrijven. De doktersassistente heeft dit gesprek met [eisende partij 1] gevoerd. [eisende partij 1] heeft haar zelfbeheersing tijdens het gesprek verloren. De doktersassistente heeft het gesprek beëindigd.\n\n3.16.. \n [eisende partij 1] heeft op 23 januari 2025 contact opgenomen met haar apotheker. De apotheker heeft [eisende partij 1] het medicijn Thyrax in de variant zonder de blauwe kleurstof verstrekt.\n\n3.17.. \n [eisende partij 1] heeft de huisarts bij brief van 3 februari 2025 aansprakelijk gesteld. (De verzekeraar van) de huisarts heeft geen aansprakelijkheid erkend.\n\n3.18.. De medisch adviseur van [gedaagde partijen] heeft op 14 april 2025 advies uitgebracht. In het advies staat de volgende conclusie te lezen:\n\n“Huisarts mevrouw [gedaagde partij 1] heeft mevr. [eisende partij 1] als patiënt in de periode 2018 tot en met september 2020 met voornamelijk psychische klachten gekend, waarbij energieverlies en depressiviteit steeds aanwezig waren. Als er in september 2020 ook extreem haarverlies bijkomt, wordt er een uitgebreide laboratorium screening gedaan. Daar komt een getalsmatige subklinische hypothyreoidie uit tevoorschijn waarbij de lijdensdruk van mevr. [eisende partij 1] evenals de vermeldde klachtsymptomen als depressiviteit, vermoeidheid, energieverlies en labiliteit, maar ook haar gewicht en het recente waarschijnlijk auto immuun gerelateerde haarverlies, voldoende consistent zijn met verschijnselen die vaak bij een hypothyreoidie die worden gezien. Dit is voor de huisarts aanleiding om een proefbehandeling met Thyrax 0,025 mg voor te stellen en na overleg hierover met patiënte ook mee te starten. Deze keuze mag als rationeel, inzichtelijk en verantwoord worden genoemd.\n\nEr wordt zoals gebruikelijk controle van de schildklierwaarden afgesproken. Deze controles laten steeds een klinisch goede instelling van de schildklier zien. Ook de terugkoppeling van patiënte zelf betreffende haar klachten laat zien dat ze “goed reageert” op de substitutie. (…)”\n\n3.19.. De medisch adviseur van [eisende partij 1] heeft op 5 juni 2025 advies uitgebracht. Daarin is onder meer overwogen:\n\n“(…) de huisarts is afgeweken van de NHG- richtlijn door medicamenteus te behandelen bij subklinische hypothyreoïdie, op basis van klachten en in overleg met de patiënt. Het is niet vastgelegd hoe uitgebreid informatievoorziening was bij de start van de behandeling. Vervolgens is de medicatie zorgvuldig gemonitord met regelmatige controles en doseringsaanpassingen. Hoewel patiënten en apart een verband leggen tussen de klachten en het gebruik van levothyroxine (of de kleurstof daarin), is dit op basis van de beschikbare gegevens moeilijk te onderbouwen. Aangezien de schildklierwaarden tijdens de behandeling binnen de referentiewaarden bleven en er geen aanwijzingen zijn voor hyperthyreoïdie, is een direct causaal verband met psychische klachten minder waarschijnlijk. Tegelijkertijd kan niet volledig worden uitgesloten dat het gebruik van dit middel, mede gezien de instabiele psychische toestand van patiënte, heeft bijgedragen aan toegenomen nervositeit of prikkelbaarheid.\n\n(…)\n\nEr was medisch gezien geen verplichting tot aanpassing van de medicatie vóór januari 2025, maar gezien het beloop had de huisarts – binnen zijn professionele ruimte – kunnen overwegen om frequenter schildklierfuncties te controleren. Daarmee had mogelijk eerder uitgesloten of vastgesteld kunnen worden of er sprake was van (subtiele) overdosering of overgevoeligheidsreacties, met name in relatie tot de psychische klachten.\n\n(…)\n\nAchteraf beschouwd had een verwijzing voor autismediagnostiek mogelijk iets eerder kunnen worden overwogen, met name op het moment dat patiënte en haar partner hier herhaaldelijk op terugkwamen en er sprake bleef van een moeilijk te duiden klachtenpatroon. Tegelijkertijd zijn er vanuit de huisarts herhaaldelijke verwijzingen geweest naar de GGZ, waar de diagnostiek is opgepakt. De uiteindelijke beoordeling en uitvoering van het ASS-onderzoek heeft plaatsgevonden binnen de juiste setting. (…)”.\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. \n [eisende partij 1] en [eisende partij 2] hebben [gedaagde partijen] gedagvaard voor de kantonrechter. [eisende partij 1] en [eisende partij 2] hebben hun vorderingen bij akte van 19 maart 2025 gewijzigd. Na deze eiswijziging luiden de vorderingen van [eisende partij 1] en [eisende partij 2] samengevat als volgt:\n\nvoor recht te verklaren dat [gedaagde partijen] aansprakelijk is voor alle directe en indirecte gevolgen van het handelen en nalaten van drs. [gedaagde partij 1] en [gedaagde partijen] te veroordelen alle geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat te vereffenen volgens de wet, te vergoeden,\n\nvoor recht te verklaren dat [gedaagde partijen] het voor [eisende partij 1] onmogelijk maakt om te (kunnen) voldoen aan de schadebeperkingsplicht en dat [gedaagde partijen] (financieel) aansprakelijk is voor alle directe en indirecte gevolgen daarvan,\n\nvoor recht te verklaren dat [gedaagde partijen] verplicht is om alle redelijke kosten te vergoeden,\n\n [gedaagde partijen] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 20.000,00 als eerste voorschot op de schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente,\n\nde kosten van deze procedure te bepalen en [gedaagde partijen] te veroordelen deze te voldoen,\n\n [gedaagde partijen] te verplichten om binnen een termijn van twee dagen na dagtekening van het vonnis te pogen tot overeenstemming te komen met [eisende partij 1] met betrekking tot het onderhavige geschil,\n\ndrs. [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] B.V. te verbieden om niet verleende zorg aan [eisende partij 1] te declareren en hen te veroordelen tot terugbetaling van de declaraties vanaf 3 februari 2025,\n\n [gedaagde partijen] te veroordelen tot nakoming van dit vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom,\n\n [gedaagde partijen] te veroordelen in de proceskosten, de nakosten en de wettelijke rente daarover.\n\n4.2.. Op de rolzitting van 3 december 2025 hebben [eisende partij 1] en [eisende partij 2] hun eis vermeerderd tot drie jaarsalarissen.\n\n4.3.. De zaak is bij tussenvonnis van 17 december 2025 verwezen naar het cluster voor handelszaken van deze rechtbank.\n\n4.4.. \n [eisende partij 1] en [eisende partij 2] hebben hun eis na deze verwijzing opnieuw willen wijzigen. De wijziging zag op het laten vervallen van alle vorderingen jegens gedaagde [gedaagde partij 3] en het laten vervallen van de vorderingen ten aanzien van de declaraties (vordering 7). Hoewel een eiswijziging gelet op het ontbreken van de verplichte procesvertegenwoordiging aan de kant van [eisende partij 1] en [eisende partij 2] in een handelszaak formeel niet mogelijk is, heeft de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling deze eiswijziging toegestaan. De reden hiervoor is dat het een eisvermindering betreft en [gedaagde partijen] daarmee heeft ingestemd.\n\n4.5.. Dit betekent dat de rechtbank vordering 7 niet zal beoordelen, en de overige vorderingen alleen ten aanzien van de gedaagden [gedaagde partij 1] , [gedaagde partij 2] en [gedaagde partij 4] . Waar hierna wordt gesproken over [gedaagde partijen] , wordt gedoeld op deze gedaagden samen. Aan [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] samen wordt ook gerefereerd als ‘de huisarts’.\n\n4.6.. \n [gedaagde partijen] voert verweer. [gedaagde partijen] concludeert tot niet-ontvankelijkheid of tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij 1] en [eisende partij 2] , met veroordeling van [eisende partij 1] en [eisende partij 2] in de kosten van deze procedure.\n\n4.7.. De rechtbank gaat hierna in op de relevante stellingen die partijen ter onderbouwing van hun vorderingen en het verweer daartegen hebben aangevoerd.\n\n5. De beoordeling\n\nOntvankelijkheid ten aanzien van [gedaagde partij 1]\n\n5.1.. \n [gedaagde partijen] vindt dat [eisende partij 1] en [eisende partij 2] niet ontvankelijk zijn in hun vorderingen jegens [gedaagde partij 1] . [eisende partij 1] is een geneeskundige behandelingsovereenkomst aangegaan met [gedaagde partij 2] . Door de bv-structuur van de huisartsenpraktijk kan [gedaagde partij 1] slechts in privé worden aangesproken als er sprake is van een onrechtmatige daad of bestuurdersaansprakelijkheid. [eisende partij 1] en [eisende partij 2] noemen artikel 6:162 BW, maar onderbouwen de onrechtmatige daad niet. De grondslag van bestuurdersaansprakelijkheid is niet aangevoerd. [eisende partij 1] en [eisende partij 2] hebben bovendien geen belang om [gedaagde partij 1] naast [gedaagde partij 2] te dagvaarden. [gedaagde partij 2] is verzekerd voor beroepsaansprakelijkheid bij [gedaagde partij 4] . Uit niets blijkt dat een eventuele schadevergoeding niet door [gedaagde partij 2] of [gedaagde partij 4] betaald zal worden. Het betrekken van [gedaagde partij 1] in de procedure zonder belang levert misbruik van procesbevoegdheid op, aldus [gedaagde partijen] [eisende partij 1] en [eisende partij 2] voeren verweer.\n\n5.2.. De rechtbank verwerpt het beroep op niet-ontvankelijkheid jegens [gedaagde partij 1] . De rechtbank licht dit toe.\n\n5.3.. De verweren die [gedaagde partijen] aanvoert kunnen niet leiden tot niet-ontvankelijkheid, ook niet als de verweren zouden slagen. Een zaak is niet-ontvankelijk (jegens een bepaalde gedaagde) indien niet voldaan wordt aan formele vereisten, waardoor de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak. Er kan bijvoorbeeld sprake zijn van niet-ontvankelijkheid als een wettelijke termijn niet gehaald is (denk aan het tijdig instellen van hoger beroep). De verweren van [gedaagde partijen] gaan over de inhoud, niet over formele vereisten. Het slagen van de verweren zou dan ook niet leiden tot het oordeel niet-ontvankelijkheid, maar tot afwijzing van de vorderingen.\n\n5.4.. De verweren die [gedaagde partijen] aanvoert zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om alleen daarom al tot afwijzing van de vorderingen jegens [gedaagde partij 1] te komen.\n\n5.5.. Op het moment dat [eisende partij 1] patiënte werd van [gedaagde partij 1] , dreef [gedaagde partij 1] haar praktijk nog vanuit een eenmanszaak. De geneeskundige behandelingsovereenkomst is dus aangegaan met de eenmanszaak. Op dat moment gold [gedaagde partij 1] in persoon als opdrachtnemer. Dat de eenmanszaak vervolgens eind 2024 is ingebracht in [gedaagde partij 2] , een besloten vennootschap, doet niet af aan persoonlijke aansprakelijkheid die op [gedaagde partij 1] als huisarts kan rusten. De verwijten die [eisende partij 1] en [eisende partij 2] [gedaagde partij 1] maken, zien op de periode vóór de inbreng van de eenmanszaak in [gedaagde partij 2] . Bovendien geldt ook voor een huisarts die de praktijk voert vanuit een besloten vennootschap dat persoonlijke aansprakelijkheid kan bestaan. [gedaagde partijen] noemt daarvoor zelf al de juridische grondslagen. [eisende partij 1] en [eisende partij 2] noemen de onrechtmatige daad en voeren feiten en stellingen in dat kader aan. Ook hebben [eisende partij 1] en [eisende partij 2] tijdens de mondelinge behandeling hun belang voldoende onderbouwd, door te verwijzen naar de extra mogelijkheid van verhaal die toewijzing van de vorderingen jegens [gedaagde partij 1] in privé zou opleveren. Nu [gedaagde partij 1] niet zonder elk rechtens te respecteren belang in de procedure is betrokken, is geen sprake van misbruik van procesbevoegdheid (waarvoor de lat sowieso hoog ligt).\n\n5.6.. Dit betekent dat de vorderingen van [eisende partij 1] en [eisende partij 2] ook jegens [gedaagde partij 1] beoordeeld zullen worden.\n\nDe vorderingen van [eisende partij 1] en [eisende partij 2]\n\nAansprakelijkheid van de huisarts\n\n5.7.. \n [eisende partij 1] en [eisende partij 2] vorderen een verklaring voor recht dat de huisarts aansprakelijk is voor alle directe en indirecte gevolgen van het handelen en nalaten van [gedaagde partij 1] . Samengevat vinden [eisende partij 1] en [eisende partij 2] dat [eisende partij 1] niet de zorg heeft gekregen die je van een redelijk handelend en bekwaam huisarts mocht verwachten. Zij voeren in dat kader een aantal verwijten aan die zij de huisarts maken. [gedaagde partijen] voert op alle punten verweer.\n\n5.8.. De rechtbank stelt bij de beoordeling van deze vordering voorop dat volgens de wet de hulpverlener bij haar werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht moet nemen (artikel 7:453 BW). Daarbij moet de hulpverlener handelen in overeenstemming met de op haar rustende verantwoordelijkheid. Die verantwoordelijkheid vloeit voort uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard, die mede wordt bepaald door onder meer de stand van inzichten in de medische wetenschap, richtlijnen en protocollen. Deze zorgplicht komt erop neer dat de hulpverlener die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot\u002Fhulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht. Het niet in acht nemen van deze zorgplicht levert een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de geneeskundige behandelingsovereenkomst op.\n\nDe verwijten\n\n5.9.. \n [eisende partij 1] en [eisende partij 2] maken [gedaagde partijen] meerdere verwijten. De rechtbank heeft de verwijten zoals zij die uit de dagvaarding heeft begrepen tijdens de mondelinge behandeling aan [eisende partij 1] en [eisende partij 2] voorgehouden om te toetsen of de rechtbank de verwijten juist en volledig voor ogen heeft. De rechtbank zal de aldus vastgestelde verwijten hierna beoordelen.\n\n1. Het voorschrijven van schildkliermedicatie was niet geïndiceerd en had niet gemoeten\n\n5.10.. Het eerste verwijt dat [eisende partij 1] en [eisende partij 2] de huisarts maken is dat zij ten onrechte het schildkliermedicijn Thyrax aan [eisende partij 1] heeft voorgeschreven.\n\n5.11.. Tussen partijen is niet in geschil dat uit het bloedonderzoek dat op 29 september 2020 is uitgevoerd volgde dat de schildklierwaarden van [eisende partij 1] enigszins afweken van de referentiewaarden. De TSH waarde was licht verhoogd, terwijl de FT4 waarde normaal was. Dit wordt aangeduid als subklinische hypothyreoïdie. Uit de NHG-Standaard Schildklieraandoeningen zoals die tot maart 2025 luidde volgt dat behandeling met levothyroxine bij subklinische hypothyreoïdie in het algemeen niet wordt aanbevolen. Ook dit is niet in geschil tussen partijen.\n\n5.12.. \n [eisende partij 1] en [eisende partij 2] stellen onder verwijzing naar de aangehaalde NHG- Standaard dat de schildklierwaarden van [eisende partij 1] voor de huisarts geen reden mocht zijn om Thyrax voor te schrijven.\n\n5.13.. De huisarts heeft toegelicht waarom het in dit geval volgens haar toch gerechtvaardigd was om te starten met het medicijn (waarbij [gedaagde partij 1] opmerkt dat niet zij, maar de waarnemend huisarts de medicatie in eerste instantie heeft voorgeschreven). Zij heeft aangegeven dat er bij [eisende partij 1] sprake was van een hoge lijdensdruk vanwege meerdere klachten waar zij al langer last van had. Daar kwam het acute haarverlies bij. De hoge lijdensdruk maakte dat de huisarts ondersteuning wilde bieden. De mogelijkheden om te zorgen voor (snelle) verlichting van de klachten waren op dat moment beperkt. Het starten met Thyrax zou volgens de huisarts meer energie en vitaliteit kunnen bieden en op die manier een steun kunnen zijn richting herstel. Daarbij heeft zij meegewogen dat het ging om een proefbehandeling met een lage dosering, dat het effect van de behandeling zou worden gemonitord middels bloedonderzoek en door navraag bij [eisende partij 1] over haar ervaringen met het medicijn. Als [eisende partij 1] geen positieve effecten zou ondervinden kon de behandeling gestopt worden. De lage dosering maakte dat er tijd zou zijn om bij te sturen indien nodig; dergelijke hoeveelheden schildklierhormoon hebben niet direct groot effect op de schildklierwaarden, het lichaam heeft tijd nodig om aan te passen. Volgens de huisarts gaf [eisende partij 1] bij de tussentijdse controles aan dat zij zich minder vermoeid voelde, dat het medicijn dus positief effect had. Dat, samen met de bloeduitslagen was reden om door te gaan met het medicijn, aldus de huisarts.\n\n5.14.. De rechtbank oordeelt als volgt. De huisarts heeft het medicijn Thyrax aan [eisende partij 1] voorgeschreven. Of dit [gedaagde partij 1] is geweest, zoals [eisende partij 1] stelt, of de waarnemend huisarts is voor de rechtbank voor de beoordeling van ondergeschikt belang. Het verwijt van [eisende partij 1] en [eisende partij 2] ziet namelijk niet alleen op het moment van voorschrijven, maar ook op het blijven voorschrijven. Niet in geschil is dat [gedaagde partij 1] in ieder geval na het telefonisch consult van 30 september 2020 de behandelend huisarts is geweest die de medicatie is blijven voorschrijven.\n\n5.15.. Het voorschrijven van Thyrax was volgens de geldende NHG-Standaard Schildklieraandoeningen niet geïndiceerd, gelet op de schildklierwaarden van [eisende partij 1] . Dit enkele feit – het afwijken van de NHG-Standaard – maakt niet al dat er sprake is van het schenden van de zorgplicht door de huisarts. De NHG-Standaard geeft de huisarts een richtlijn, maar heeft niet de status van een dwingend voorschrift. De huisarts kan goede redenen hebben om anders te handelen dan de NHG-Standaard tot uitgangspunt neemt.\n\n5.16.. \n\nDaar is in deze situatie naar het oordeel van de rechtbank sprake van. De huisarts heeft redenen aangevoerd die valide zijn. [eisende partij 1] en [eisende partij 2] hebben de redenen die de huisarts heeft aangevoerd voor haar besluit om Thyrax voor te (blijven) schrijven niet voldoende specifiek en gemotiveerd weersproken. Hun standpunt dat de huisarts het medicijn niet had mogen voorschrijven vindt ook geen steun in de medische adviezen die in het geding zijn gebracht.\n\nVervolgens kan vastgesteld worden dat de huisarts met regelmaat bloedonderzoek heeft laten uitvoeren om de schildklierwaarden te monitoren, en dat de waarden verbeterden met het gebruik van het medicijn. [eisende partij 1] en [eisende partij 2] hebben dit niet weersproken. Ook de stelling van de huisarts dat [eisende partij 1] na de start van de medicatie heeft aangegeven dat haar vermoeidheidsklachten verminderden, is niet weersproken. [eisende partij 1] en [eisende partij 2] stellen in deze procedure dat de klachten van [eisende partij 1] terug te voeren zijn op het gebruik van het medicijn, en dat zij zich nadat zij op eigen initiatief gestopt was het gebruik ervan veel beter voelde, maar zij betwisten niet dat [eisende partij 1] destijds bij de huisarts heeft aangegeven dat het medicijn positief effect had. De stelling van de huisarts vindt steun in het huisartsenjournaal.\n\n [eisende partij 2] heeft tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat de schildklier de motor van het lichaam is, dat het heel nauw luistert met levothyroxine en dat ook een minimale voorschrijving flink effect kan hebben op het gehele gestel. Bij de dagvaarding hebben zij een artikel gevoegd uit ‘De Jonge Apotheker’waarin twee medewerkers van bijwerkingencentrum Lareb schrijven: “een juiste instelling op schildkliermedicatie luistert nauw en is daarom maatwerk. (…) Het kan zijn dat de bloedwaarden wel tussen de normaalwaarden liggen maar dat de patiënt toch klachten ervaart. Iedereen heeft zijn eigen optimale bloedwaarde.” De huisarts is echter niet alleen uitgegaan van de bloedwaarden, zij heeft de ervaringen van [eisende partij 1] betrokken bij het bepalen van het beleid.\n\n5.17.. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat de huisarts geen zorgplicht heeft geschonden door in de gegeven omstandigheden het medicijn Thyrax aan [eisende partij 1] voor te schrijven.\n\n2. Er is geen sprake van informed consent\n\n5.18.. Het tweede verwijt dat [eisende partij 1] en [eisende partij 2] de huisarts maken is dat zij [eisende partij 1] onvoldoende heeft gewaarschuwd voor mogelijke bijwerkingen van het gebruik van het schildkliermedicijn. [eisende partij 1] en [eisende partij 2] verwijzen opnieuw naar het hiervoor genoemde artikel uit De Jonge Apotheker, waarin staat “Minder bekend zijn angst- en paniekaanvallen bij levothyroxine. (…) Angst- en paniekaanvallen staan niet in de bijsluiter beschreven als bijwerking van levothyroxine. (…)” [eisende partij 1] en [eisende partij 2] stellen dat de huisarts hen niet heeft voorgelicht over deze en andere mogelijke bijwerkingen van het medicijn. De huisarts had dat wel moeten doen, zeker gezien de bestaande klachten van [eisende partij 1] . De huisarts voert verweer.\n\n5.19.. Het eerste verweer dat de huisarts (aanvankelijk) heeft aangevoerd, houdt in dat niet de huisarts maar de apotheker verantwoordelijk is voor het informeren van de patiënt over mogelijke bijwerkingen van medicatie. Dit in de conclusie van antwoord opgenomen verweer is tijdens de mondelinge behandeling niet gehandhaafd. [gedaagde partij 1] heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat het ook de taak van de huisarts is om een patiënt voor te lichten over mogelijke bijwerkingen van medicatie die wordt voorgeschreven.\n\n5.20.. Dit verweer is naar het oordeel van de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling terecht prijsgegeven, gelet op de inhoud van artikel 7:448 lid 2 sub b BW. Dit artikel bepaalt kort gezegd dat de hulpverlener de patiënt op duidelijke wijze inlicht over de voorgestelde behandeling, waaronder de daarbij te verwachten gevolgen en risico’s voor de gezondheid. Hieronder vallen ook bijwerkingen van medicatie.\n\n5.21.. De huisarts heeft verder als verweer aangevoerd dat de dosering die was voorgeschreven zo laag was, dat er geen bijwerkingen te verwachten waren. Bijwerkingen doen zich pas voor als de FT4 waarde te hoog wordt. Een te hoge FT4 waarde is met de voorgeschreven dosering niet te verwachten. De FT4 waarde is bovendien goed te monitoren, wat ook is gedaan, aldus de huisarts.\n\n5.22.. Dit verweer slaagt naar het oordeel van de rechtbank wel. De informatieplicht van artikel 7:488 lid 2 sub b BW gaat niet zo ver dat de huisarts over elke mogelijke bijwerking moet informeren om van goede zorgverlening te kunnen spreken. De huisarts moet de patiënt informeren over de normale, voorzienbare risico’s van de behandeling. Welke risico’s moeten worden genoemd, hangt af van de omstandigheden van het geval. De aard van het risico en de kans dat het risico zich verwezenlijkt zijn daarbij belangrijke factoren.\n\n5.23.. De huisarts heeft met haar verweer voldoende gemotiveerd weersproken dat zij moest waarschuwen voor mogelijke bijwerkingen van het medicijn Thyrax. [eisende partij 1] en [eisende partij 2] hebben de specifieke stellingen van de huisarts op dit punt niet meer weersproken, anders dan met een herhaling van het oorspronkelijke standpunt dat wel gewaarschuwd moest worden voor bijwerkingen.\n\n5.24.. Hieruit volgt dat ook dit verwijt niet leidt tot schending van de zorgplicht door de huisarts.\n\n3. Er is onvoldoende onderzoek gedaan naar de oorzaak van de klachten en de invloed van (de kleurstof van) medicijnen\n\n5.25.. \n [eisende partij 1] en [eisende partij 2] verwijten de huisarts dat zij medicatie heeft voorgeschreven om symptomen te bestrijden, maar geen goed onderzoek heeft gedaan naar de oorzaak van de klachten. [eisende partij 1] kwam al jaren bij de huisarts met angst- en paniekklachten. De huisarts had ruimer onderzoek moeten doen naar de oorzaak van deze klachten van [eisende partij 1] en in dat onderzoek (de invloed van) het medicijngebruik moeten betrekken. Tijdens de mondelinge behandeling hebben [eisende partij 1] en [eisende partij 2] dit verwijt geconcretiseerd door te stellen dat de huisarts [eisende partij 1] had moeten doorverwijzen voor onderzoek naar autisme. Ook hebben zij specifiek benoemd dat de huisarts niet heeft meegewerkt aan aanpassing van het medicijn Thyrax in die zin dat niet langer blauwe tabletten maar witte tabletten werden voorgeschreven. De blauwe kleurstof in de tabletten (E132 indigotine) veroorzaakt bijwerkingen. Het effect ervan op de klachten van [eisende partij 1] is door de huisarts ten onrechte niet onderzocht, aldus [eisende partij 1] en [eisende partij 2] . De huisarts voert verweer.\n\n5.26.. De rechtbank oordeelt als volgt. Uit het dossier blijkt dat de huisarts [eisende partij 1] meerdere keren heeft verwezen naar een eerstelijns psycholoog voor behandeling van haar psychische klachten. Nadat de psycholoog had aangegeven dat de klachten van [eisende partij 1] zodanig waren dat deze niet langer in de eerste lijn behandeld konden worden, heeft de huisarts een verwijzing uitgeschreven voor behandeling in de specialistische geestelijke gezondheidszorg. De huisarts heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat de diagnostiek en behandeling van een psychiatrische aandoening behoort tot het domein van de specialistische geestelijke gezondheidszorg. Een autismespectrumstoornis is een voorbeeld van een dergelijke psychiatrische aandoening die wordt beoordeeld en behandeld in de specialistische geestelijke gezondheidszorg. De huisarts heeft ook toegelicht dat zij de specialist waarnaar zij verwijst niet kan verplichten om bepaalde onderzoeken te doen. De specialist is degene die vanuit zijn of haar expertise bepaalt welke onderzoeken nodig zijn. De huisarts kon [eisende partij 1] dus niet doorverwijzen voor onderzoek naar autisme, zij kon enkel doorverwijzen naar de specialistische geestelijke gezondheidszorg. [eisende partij 1] en [eisende partij 2] hebben deze toelichting van de huisarts niet weersproken. Daaruit volgt dat het verwijt van [eisende partij 1] en [eisende partij 2] ten aanzien van het niet doorverwijzen voor autismeonderzoek onterecht is.\n\n5.27.. Ook volgt hieruit dat het meer algemene verwijt dat [eisende partij 1] en [eisende partij 2] de huisarts maken, namelijk dat zij zich heeft beperkt tot het voorschrijven van medicijnen en onvoldoende heeft gedaan om de klachten bij de bron aan te pakken, onterecht is. De huisarts heeft naast het voorschrijven van medicijnen wel degelijk stappen ondernomen om te komen tot behandeling van de oorzaak van de psychische klachten van [eisende partij 1] . Voor wat betreft de acute haaruitval waar [eisende partij 1] zich op het spreekuur van 28 september 2020 mee meldde, kan nog worden gewezen op de verwijzing naar de dermatoloog die de huisarts heeft gedaan.\n\n5.28.. Ook het verwijt met betrekking tot de kleurstof in de tabletten Thyrax wordt naar het oordeel van de rechtbank onterecht gemaakt. De huisarts heeft tijdens de mondelinge behandeling onweersproken toegelicht dat zij een medicijn met een bepaalde werkzame stof voorschrijft (levothyroxine), en niet de vorm van het medicijn. Dat is aan de apotheker. Voor zover de kleurstof in de tabletten Thyrax al van invloed is geweest op de klachten van [eisende partij 1] , is dat niet een verwijt dat aan het adres van de huisarts kan worden gemaakt. Voor zover [eisende partij 1] en [eisende partij 2] de huisarts ook verwijten dat zij [eisende partij 1] tijdens het telefoongesprek van 22 januari 2025 (zie 3.15) niet langer te woord heeft gestaan, geldt dat beide partijen hebben aangegeven dat dit gesprek erg vervelend is verlopen. Dat ‘de situatie dusdanig ontspoorde dat eiser haar zelfbeheersing richtingen de doktersassistente verloor’ als uiting van de psychische klachten van [eisende partij 1] , zoals [eisende partij 1] en [eisende partij 2] in de dagvaarding stellen, kan voor het verloop van het gesprek een verklaring zijn maar leidt niet tot een tekortkoming van de huisarts.\n\n4. De huisarts heeft ten onrechte geen contact opgenomen met [eisende partij 1] na haar suïcidepoging\n\n5.29.. De rechtbank heeft partijen tijdens de mondelinge behandeling in de gelegenheid gesteld om slotopmerkingen te maken. In dat kader hebben [eisende partij 1] en [eisende partij 2] aangevoerd dat de huisarts op geen enkele wijze contact heeft opgenomen met [eisende partij 1] na haar suïcidepoging. Dit is volgens [eisende partij 1] en [eisende partij 2] wel voorgeschreven. De huisarts heeft in haar reactie toegelicht dat de relatie met [eisende partij 1] en [eisende partij 2] op dat moment al ernstig was verstoord. De huisarts heeft er daarom voor gekozen om geen persoonlijk contact op te nemen, maar zich door contact met de crisisdienst en [zorginstelling] ervan te vergewissen dat [eisende partij 1] de juiste zorg zou krijgen.\n\n5.30.. Ook dit verwijt leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot een schending van de zorgplicht die de huisarts in acht moest nemen. [eisende partij 1] en [eisende partij 2] hebben niet weersproken dat de huisarts inderdaad contact heeft opgenomen met de crisisdienst en [zorginstelling] . Gelet op de verstoorde verhouding met [eisende partij 1] en [eisende partij 2] , die duidelijk uit het dossier blijkt, mocht de huisarts de afweging maken om niet ook persoonlijk contact te zoeken met [eisende partij 1] .\n\nConclusie\n\n5.31.. De conclusie luidt dat geen van de verwijten die [eisende partij 1] en [eisende partij 2] de huisarts maken leidt tot het oordeel dat de huisarts haar zorgplicht heeft geschonden. Dat betekent dat de gevorderde verklaring voor recht dat de huisarts aansprakelijk is wordt afgewezen.\n\n5.32.. De andere vorderingen die [eisende partij 1] en [eisende partij 2] hebben ingesteld borduren allemaal voort op aansprakelijkheid van de huisarts. Nu daar geen sprake van is, betekent dat dat deze overige vorderingen ook moeten worden afgewezen. Voor wat betreft de onder 6 gevorderde verplichting voor [gedaagde partijen] om binnen een termijn van twee dagen na datum van dit vonnis te proberen om tot overeenstemming te komen met [eisende partij 1] met betrekking tot het geschil, geldt bovendien dat daarvoor geen juridische grondslag bestaat.\n\nProceskosten\n\n5.33.. \n [eisende partij 1] en [eisende partij 2] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde partijen] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n735,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.306,00\n\n(2 punten × € 653,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.230,00\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n6.1.. wijst de vorderingen van [eisende partij 1] en [eisende partij 2] af,\n\n6.2.. veroordeelt [eisende partij 1] en [eisende partij 2] in de proceskosten van € 2.230,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisende partij 1] en [eisende partij 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n6.3.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Van 't Nedereind en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.\n\n De Jonge Apotheker 2022, nummer 2, ‘Gevolgen schildkliermedicijn niet altijd herkend’, [persoon 1] en [persoon 2]","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5316","2026-07-13T00:29:10.361Z",{"id":174,"ecli":175,"slug":176,"caseNumber":44,"courtId":177,"decisionDate":152,"fullText":178,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":179,"sourceTimestamp":180,"parsedAt":52,"updatedAt":181},"476","ECLI:NL:RBLIM:2026:5577","ecli-nl-rblim-2026-5577",66,"RECHTBANK Limburg\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Roermond\n\nZaaknummer: C\u002F03\u002F345605 \u002F HA ZA 25-414\n\nVonnis van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [verkoper 1] ,\n\nte [plaats] , 2. [verkoper 2],\n\nte [plaats] ,\n\neisende partijen,\n\nhierna samen te noemen: [verkopers] ,\n\nadvocaat: mr. S.C.W. van Wijk,\n\ntegen\n\n [koper],\n\nte [plaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [koper] ,\n\nadvocaat: mr. Th.J.H.M. Linssen en mr. F. Alberts.\n\n1. Inleiding1.1.. \n [verkopers] heeft een woning met grond gekocht van [koper] . Daarna bleek de grond vervuild met glas en asbest en bleek dat het dak vernieuwd moest worden. [verkopers] wil dat de koopovereenkomst alsnog wordt nagekomen doordat er wordt gesaneerd, dan wel dat de schade die zij hierdoor lijdt wordt vergoed.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties 1 tot en met 34,\n\n- de akte overlegging producties 35 tot en met 38 alsmede vermeerdering eis, - de conclusie van antwoord met productie 1,\n\n- akte in het geding brengen producties 39 tot en met 41 van [verkopers] ,\n\n- akte indienen aanvullende producties 2 en 3 van [koper]\n\n- de mondelinge behandeling van 9 april 2026, waarbij door beide partijen spreekaantekeningen zijn overlegd.\n\n2.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. Bij koopovereenkomst van 12 september 2022 heeft [verkopers] van [koper] een woning met grond aan [adres] gekocht. Op het perceel vond in het verleden glastuinbouw plaats door de inmiddels overleden echtgenoot van [koper] . Na staking van de tuinderij zijn de kassen gesloopt. Later is de woning met grond aan [verkopers] verkocht.\n\n3.2.. Op 24 april 2023 is de woning met grond aan [verkopers] geleverd. Bij mail van 12 juni 2023 heeft [verkopers] zich tot de verkoopmakelaar van [koper] gewend en gemeld dat op en in de grond van het perceel glas is aangetroffen. Bij brief van 4 juli 2024 heeft [verkopers] [koper] aansprakelijk gesteld voor alle geleden en nog te lijden schade, omdat de grond door het glas niet veilig als agrarische grond kan worden gebruikt. Op 31 juli 2024 heeft [koper] aan [verkopers] verzocht om haar stelling te onderbouwen met bewijsmiddelen.\n\n3.3.. \n [verkopers] heeft daarop een deskundige ingeschakeld, Arnicon B.V. (verder te noemen: Arnicon). Deze deskundige heeft een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd en daarover een rapport opgesteld van 10 oktober 2024 (verder te noemen: het eerste deskundigenrapport). Vervolgens heeft deze deskundige een aanvullend onderzoek verricht en daarover een rapport uitgebracht van 17 januari 2025 (verder te noemen: het tweede deskundigenrapport). Uit de rapportages blijkt dat het perceel is vervuild met glas, schadelijke stoffen, zware metalen en asbest.\n\n3.4.. \n [verkopers] heeft de rapportages gedeeld met [koper] en haar bij mails van 21 februari 2025 en 14 mei 2025 gesommeerd een aanvang te maken met het (laten) saneren van de bodemverontreiniging ten aanzien van het glas en het asbest. [koper] heeft aangegeven geen gehoor te geven aan deze sommaties en aansprakelijkheid afgewezen bij brief van 21 mei 2025.\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. \n\n [verkopers] vordert na vermeerdering van eis – kort samengevat- dat de rechtbank:\n\nI. ten aanzien van de bodemverontreiniging met glas:\n\n- primair [koper] veroordeelt om de koopovereenkomst na te komen, hetgeen inhoudt dat [koper] de saneringswerkzaamheden voor het glas binnen een bepaalde termijn aanvangt en uitvoert en er vervolgens een verklaring van het bevoegd gezag komt dat de sanering correct is uitgevoerd,\n\n- subsidiair [koper] veroordeelt tot het betalen van een voorschot van\n\n€ 205.102,50 op de schade en haar veroordeelt tot vergoeding van de verdere schade, nader op te maken bij staat,\n\n- meer subsidiair verklaart voor recht dat de tussen partijen gesloten overeenkomst onder invloed van dwaling tot stand is gekomen en de gevolgen van de koopovereenkomst wijzigt door de koopprijs te verlagen met een bedrag gelijk aan sanering van het glas.\n\nII. ten aanzien van de bodemverontreiniging met asbest:\n\n- primair [koper] veroordeelt om de koopovereenkomst na te komen, hetgeen inhoudt dat [koper] de saneringswerkzaamheden voor het asbest binnen een bepaalde termijn aanvangt en uitvoert en er vervolgens een verklaring van het bevoegd gezag komt dat de sanering correct is uitgevoerd,\n\n- subsidiair [koper] veroordeelt tot het betalen van een voorschot van\n\n€ 190.160,52 op de schade en haar veroordeelt tot vergoeding van de verdere schade, nader op te maken bij staat,\n\n- meer subsidiair verklaart voor recht dat de tussen partijen gesloten overeenkomst onder invloed van dwaling tot stand is gekomen en de gevolgen van de koopovereenkomst wijzigt door de koopprijs te verlagen met een bedrag gelijk aan sanering van het asbest.\n\nIII. ten aanzien van het dak:\n\n- primair [koper] veroordeelt om een schadevergoeding van € 99.671,05 te betalen aan [verkopers] ,\n\n- subsidiair de gevolgen van koopovereenkomst wijzigt door de koopprijs te verlagen met het bedrag van € 99.671,05,\n\nIV. [koper] veroordeelt om een voorschot van € 135.000 op de gevolgschade te betalen en haar veroordeelt tot vergoeding van de verdere gevolgschade, nader op te maken bij staat,\n\nV. [koper] veroordeelt om € 33.154,00 aan deskundigenkosten te betalen aan [verkopers] ,\n\nVI. [koper] veroordeelt om € 5.944,54 aan buitengerechtelijke kosten aan [verkopers] te betalen,\n\nVII. [koper] veroordeelt om € 4.603,81 aan beslagkosten te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente,\n\nVIII. [koper] veroordeelt in de proceskosten, de nakosten daarbij inbegrepen.\n\n4.2.. \n [verkopers] legt aan haar vorderingen, kort samengevat, het volgende ten grondslag. [verkopers] heeft de woning met grond gekocht in de veronderstelling dat zij een woning met grond kocht geschikt voor normaal gebruik als woonruimte met agrarische bestemming. [verkopers] wil in de woning wonen, mini-zeboes houden en fokken, andere dieren houden en wil chalets plaatsen om een B&B te beginnen. Volgens [verkopers] houdt een woonruimte met agrarische bestemming in dat het perceel naar gangbaar spraakgebruik gebruikt moet kunnen worden voor akkerbouw of het houden van dieren. [verkopers] werd na de levering van de woning met grond echter geconfronteerd met de volgende verborgen gebreken:\n\nverontreiniging van de grond met glas;\n\nverontreiniging van de grond met asbest; en\n\nslechte staat van het dak.\n\nNu het perceel vervuild blijkt te zijn met glas en asbest, is het niet mogelijk om het perceel te gebruiken voor akkerbouw of het houden van dieren. Voorts stelt [verkopers] dat de woning niet geschikt is (geweest) voor normaal gebruik als gevolg van de omvangrijke gebreken aan het dak. Door de diverse gebreken is [koper] tekortgeschoten in de nakoming van de koopovereenkomst. De uiteindelijke saneringskosten van glas en asbest, en de schade voor het mislopen inkomsten B&B zijn mogelijk hoger dan de al gevorderde bedragen, vandaar dat [verkopers] een voorschot op de schade vraagt met verwijzing naar de schadestaatprocedure voor het geval blijkt dat de schade en kosten hoger uitvallen dan het reeds gevorderde bedrag.\n\n4.3.. \n [koper] betwist het bestaan van de gebreken niet, maar voert verschillende verweren die - heel kort samengevat- op het volgende neer komen:\n\ner is geen sprake van wanprestatie ten aanzien van het glas en asbest omdat dit het normale gebruik van de woning en de grond niet in de wegstaat;\n\n [koper] heeft geen mededelingsplicht geschonden, wat [koper] wist heeft [koper] ook medegedeeld;\n\n [verkopers] heeft niet voldaan aan haar onderzoeksplicht;\n\nIn de koopovereenkomst staat een exoneratieclausule waardoor de aanwezigheid van asbest voor rekening en risico van [verkopers] komt;\n\n [verkopers] heeft te laat geklaagd ten aanzien van het dak door pas in de dagvaarding van september 2025 melding te maken van de gebreken hieraan, terwijl het dak twee jaar eerder al is hersteld;\n\nIn de koopovereenkomst staat een ouderdomsclausule waardoor de gebreken in het dak voor rekening en risico van [verkopers] komen;\n\n [verkopers] heeft niet onderzocht of met minder ingrijpende saneringsmaatregelen kan worden volstaan.\n\n4.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n5. De beoordeling\n\nWat zegt de koopovereenkomst?\n\n5.1.. In artikel 6.1 van de koopovereenkomst zijn partijen overeengekomen dat [verkopers] alle gebreken, zowel de zichtbare als niet zichtbare aanvaardt. Dit artikel luidt:6.1.. \n\n De onroerende zaak zal aan koper in eigendom worden overgedragen in de staat waarin deze zich bij het tot stand komen van deze koopovereenkomst bevindt, derhalve met alle daarbij behorende rechten en aanspraken, heersende erfdienstbaarheden en kwalitatieve rechten, zichtbare en onzichtbare gebreken en vrij van hypotheken, beslagen en inschrijvingen daarvan. Koper aanvaardt deze staat en daarmee ook de op de onroerende zaak rustende publiekrechtelijke beperkingen voor zover dat geen 'bijzondere lasten' zijn.\n\nDit betekent dat de zichtbare en onzichtbare gebreken die er al waren ten tijde van de koopovereenkomst voor rekening en risico van [verkopers] zijn.\n\n5.2.. \n\nIn artikel 6.3 van de koopovereenkomst heeft [koper] gegarandeerd dat de woning en de grond geen gebreken hebben die aan normaal gebruik als woonruimte met agrarische bestemming in de weg staan.\n\nIn het artikel staat namelijk het volgende:6.3.. \n\n De onroerende zaak zal bij de eigendomsoverdracht de feitelijke eigenschappen bezitten die nodig zijn voor een normaal gebruik als:woonruimte met agrarische bestemming. (zie bijlage ruimtelijke plannen\u002F bestemmingsplan.)\n\nIndien de feitelijke levering eerder plaatsvindt, zal de onroerende zaak op dat moment de eigenschappen bezitten die voor een normaal gebruik nodig zijn.\n\nVerkoper staat niet in voor andere eigenschappen dan die voor een normaal gebruik nodig zijn. Gebreken die het normale gebruik belemmeren en die aan koper bekend of kenbaar zijn op het moment van het tot stand komen van deze koopovereenkomst komen voor rekening en risico van koper.\n\n5.3.. In artikel 6.4.3 van de koopovereenkomst is een zogenaamde exoneratieclausule ten aanzien van asbest opgenomen. In dit artikel staat:6.4.3.. \n\nAan verkoper is niet bekend of\u002FAan koper is bekend dat in de onroerende zaak asbest is verwerkt.\n\nIn de onroerende zaak kunnen asbesthoudende stoffen\u002Fmaterialen aanwezig zijn. Indien deze worden verwijderd dienen door koper maatregelen en voorzieningen te worden getroffen die de wetgeving voorschrijft. Koper verklaart met deze wetgeving bekend te zijn en aanvaardt alle aansprakelijkheid en gevolgen die uit de aanwezigheid van asbest en\u002Fof de verwijdering van asbest uit de onroerende zaak kan voortvloeien.\n\nIn afwijking van artikel 6.3. van deze koopakte en artikel 7:17 lid 1 en 2 BW komt het geheel of ten dele ontbreken van één of meer eigenschappen van de onroerende zaak voor normaal en bijzonder gebruik en het eventueel anderszins niet-beantwoorden van de zaak aan de overeenkomst als gevolg van de aanwezigheid van enig asbest in welke samenstelling en\u002Fof op welke plaats dan ook voor rekening en risico van koper.\n\nDit houdt in dat in de woning en de grond asbesthoudende stoffen\u002Fmaterialen aanwezig kunnen zijn en dat dit voor rekening en risico van [verkopers] komt. Bij aanwezigheid van asbest kan zij er geen beroep op doen dat de woning en de grond niet beantwoordt aan de overeenkomst en kan zij ook geen beroep doen op de garantiebepaling van artikel 6.3. waarin is opgenomen dat de onroerende zaak geschikt is voor normaal gebruik als woning met een agrarische bestemming.\n\nDe aanwezigheid van glas en asbest\n\n5.4.. \n [koper] heeft de aanwezigheid van glas en asbest zoals die omschreven is in de deskundigenrapporten niet betwist, waarmee die aanwezigheid is komen vast te staan.\n\nNormaal gebruik als woonruimte met agrarische bestemming\n\n5.5.. In artikel 6.3 van koopovereenkomst staat dat de woning met de grond bij levering de eigenschappen zal bezitten die nodig zijn voor het normale gebruik als woonruimte met agrarische bestemming. Voor de interpretatie van ‘normaal gebruik’ moet volgens de Hoge Raad worden gekeken naar wat hieronder naar gangbaar spraakgebruik wordt verstaan ten aanzien van de grond en de zich daarop bevindende bebouwing.Volgens [verkopers] houdt een woonruimte met agrarische bestemming naar gangbaar spraakgebruik in dat de woning met de grond geschikt is voor akkerbouw of het houden van dieren. De rechtbank is het hiermee eens en gaat er daarom vanuit dat de garantie ziet op de geschiktheid van de grond voor akkerbouw of het houden van dieren.\n\nTussenconclusie\n\n5.6.. De artikelen 6.1 en 6.3 in de koopovereenkomst samen maken dat gebreken die nietin de weg staan aan het normale gebruik als woonruimte met agrarische bestemming voor rekening en risico van [verkopers] komen en gebreken dieweldaaraan in de weg staan voor rekening en risico van [koper] komen. Het normale gebruik als woonruimte met agrarische bestemming houdt in dat de grond gebruikt moet kunnen worden voor akkerbouw en veehouderij. Uitzondering daarop vormt de eventuele aanwezigheid van asbesthoudende stoffen\u002Fmaterialen: de gevolgen van de aanwezigheid van asbesthoudende stoffen\u002Fmaterialen zijn voor [verkopers] . Als de woning niet kan worden gebruikt als woning en\u002Fof de grond niet kan worden gebruikt voor akkerbouw of veehouderij door de aanwezigheid van asbest, kan [verkopers] [koper] dus niet hierop aanspreken en moet zij de gevolgen daarvan zelf dragen. In het recht geldt het algemene rechtsbeginsel afspraak is afspraak (pacta sunt servanda) zodat zowel [verkopers] als [koper] aan deze afspraken vast zitten. De afspraken zijn gemaakt met het oog op de juridische vraag of er sprake is van wanprestatie als er na levering van de woning gebreken blijken te zijn.\n\n5.7.. De rechtbank bespreekt de verschillende gestelde gebreken (glas, asbest en dak) afzonderlijk.\n\nTen aanzien van het glas pleegt [koper] wanprestatie\n\nHet perceel is niet geschikt voor normaal gebruik\n\n5.8.. \n [verkopers] stelt dat het perceel, gelet op de aanwezigheid van glas zoals omschreven in de deskundigenrapportages, niet gebruikt kan worden voor het houden van dieren of akkerbouw. [verkopers] onderbouwt dit door de beide deskundigenrapporten.\n\n5.9.. \n\nIn het eerste deskundigenrapport is in de conclusie (paragraaf 4.2) opgenomen:\n\nTijdens de uitvoering van de onderzoeken is zowel op het maaiveld als in de grond glas aangetroffen. De oppervlakte waarover glas op het maaiveld is aangetroffen wordt ingeschat op ca. 3.850 m2. In het gebied ten zuiden van de woonboerderij langs de weg, opp. ca. 1.350 m2, is daarbij sprake van ‘veel glas’. De oppervlakte waarover glas tot 50 cm in de grond is aangetroffen betreft tenminste 12.380 m2, te weten het gebied waar de kassen hebben gestaan.\n\nEr is dus zowel glas in het maaiveld als in de grond aangetroffen.\n\n5.10.. \n\nIn het eerste deskundigenrapport is in de conclusie (paragraaf 4.3) opgenomen:\n\nZolang op het maaiveld glas aanwezig is, zouden grazende dieren zich daaraan kunnen verwonden.\n\nDe grazende dieren kunnen zich dus aan het glas in het maaiveld verwonden.\n\n5.11.. \n\nIn het tweede deskundigenrapport is in de conclusie (paragraaf 5.2) opgenomen:\n\nOp basis van de uitgezeefde hoeveelheden glas wordt geschat dat er in totaal zo’n 84 ton glas in de bodem aanwezig is. Het in de bodem aangetoonde glas betreft een aantasting van de kwaliteit van de bodem, welke zeer waarschijnlijk door de sloophandelingen in 2018-2019 is ontstaan. Op basis van de zorgplicht in de voormalige Wet bodembescherming en de algemene zorgplicht in de huidige Omgevingswet dient de aantasting zoveel als mogelijk ongedaan te worden gemaakt.\n\nHet gaat dus om zo’n 84 ton glas wat een aantasting van de bodem is. Volgens het rapport dient, op basis van de Wet bodembescherming en de Omgevingswet, de aantasting ongedaan te worden gemaakt.\n\nVerweer [koper] t.a.v. normaal gebruik slaagt niet\n\n5.12.. \n [koper] voert verweer en stelt dat de geconstateerde aanwezigheid van glas op 50 centimeter onder het maaiveld het beoogde gebruik voor het houden van mini-zeboes niet in de weg staat. Mini-zeboes zijn grazers en geen gravers, aldus [koper] .\n\n5.13.. Dit verweer slaagt niet. De rechtbank oordeelt dat de woning met grond niet de feitelijke eigenschappen bezit die voor het normale gebruik als woonruimte met agrarische bestemming vereist zijn. Door het aangetroffen glas is de grond niet voor dit normale gebruik geschikt. Uit het eerste deskundigenrapport blijkt dat dieren zich kunnen verwonden aan het glas in het maaiveld en dat de kwaliteit van de bodem is aangetast door het glas in de bodem. Het gaat om een enorme hoeveelheid glas, maar liefst 84 ton, die volgens het tweede deskundigenrapport over een groot oppervlakte verspreid ligt. Dit maakt dat de grond ongeschikt is voor het houden van dieren en voor akkerbouw. In haar verweer gaat [koper] voorbij aan het deskundigenrapport waaruit blijkt dat grazende dieren zich aan het glas kunnen verwonden. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat het beoogde gebruikvan [verkopers] (het houden van mini-zeboes) irrelevant is. Relevant is hetgegarandeerde normale gebruikin de koopovereenkomst, namelijk: het gebruik als woonruimte met agrarische bestemming (veehouderij en akkerbouw). Beide zijn niet mogelijk door de verontreiniging met glas.\n\nVerweer [koper] t.a.v. onderzoeksplicht [verkopers] slaagt niet\n\n5.14.. Volgens [koper] had [verkopers] zelf onderzoek moeten doen naar de bodemverontreiniging met glas en door dit niet te doen heeft [verkopers] haar onderzoeksplicht geschonden. Dit verweer faalt. Omdat het normale gebruik als woning met een agrarische bestemming is gegarandeerd, hoefde [verkopers] niet zelf te onderzoeken of de grond wel geschikt was voor agrarische doeleinden.\n\nTussenconclusie\n\n5.15.. \n [koper] heeft niet geleverd wat zij heeft gegarandeerd, namelijk een onroerende zaak met de feitelijke eigenschappen die geschikt zijn voor normaal gebruik als woonruimte met agrarische bestemming. De woning met grond is dus non-conform en [koper] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. [verkopers] is op grond van deze tekortkoming gerechtigd nakoming of schadevergoeding te vorderen.\n\nToewijzing schadevergoeding in plaats van nakoming\n\n5.16.. De primaire vordering van [verkopers] houdt in dat zij nakoming vordert in de vorm van sanering. Tijdens de mondeling behandeling is aan [koper] voorgehouden dat haar primaire vordering vanwege de wijze van formulering bij toewijzing op praktische problemen stuit. Voor sanering is [koper] afhankelijk van een derde partij en het bevoegd gezag dat een sanering moet goedkeuren. Daarbij heeft [verkopers] aan deze nakoming termijnen verbonden te weten het binnen één maand na betekening van het vonnis starten met de sanering en het binnen twee maanden na de start voltooien van de sanering danwel andere door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijnen. De rechtbank heeft echter geen handvaten gekregen om in alle redelijkheid realistische termijnen vast te stellen. Dit klemt omdat onduidelijk is op welke termijn een saneerder aan de slag zou kunnen gaan en hoeveel tijd een sanering in beslag zou nemen. De praktisch moeilijke uitvoerbaarheid van het primair gevorderde, leidt ertoe dat de rechtbank het primair gevorderde afwijst.\n\n5.17.. \n [verkopers] vordert subsidiair een voorschot van € 205.102,50 op de schade die zij lijdt door de verontreiniging met glas, met verwijzing naar de schadestaatprocedure voor het geval dat blijkt dat de schade hoger uitvalt dan het voorschot. [verkopers] stelt ter onderbouwing dat de schade die zij lijdt, bestaat uit de saneringskosten die zij voor het glas moet maken. Zij heeft de noodzaak van de sanering en de hoogte van het voorschot voldoende onderbouwd met de kostenraming daarvan door de deskundige.\n\n5.18.. \n [koper] heeft de hoogte van de saneringskosten betwist. [koper] voert aan dat niet onderzocht is of met minder ingrijpende saneringsmaatregelen kan worden volstaan. Ter zitting heeft [koper] toegelicht dat zij hiermee bedoelt dat een minder vergaande sanering wellicht ook voldoende zou kunnen zijn. [koper] kon hier echter geen concrete uitwerking van geven ter zitting en heeft dit op geen enkele wijze nader onderbouwd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat dit verweer van [koper] onvoldoende is onderbouwd.\n\n5.19.. De rechtbank wijst het voorschot op de saneringskosten toe voor het bedrag zoals door [verkopers] gevorderd, te weten € 205.102,50. De rechtbank wijst ook de wettelijke rente hierover toe vanaf 8 maart 2025. Op 21 februari 2025 heeft [verkopers] namelijk per brief [koper] op de hoogte gesteld van het deskundigenrapport en gevorderd dat [verkopers] binnen 14 dagen een aanvang maakt met het saneren van de bodemverontreiniging. Dat is niet gebeurd. Het verzuim is daarom per 8 maart 2025 ingetreden.\n\n5.20.. \n\nDe rechtbank wijst ook de vordering toe tot verwijzing naar de schadestaatprocedure voor het geval blijkt dat de saneringskosten hoger uitvallen dan het voorschot. Er zijn namelijk aanwijzingen dat de kosten hoger zullen uitvallen om de volgende reden.\n\nIn het deskundigenrapport zijn de saneringskosten voor het glas begroot op € 205.102,50. Hierbij is opgenomen dat deze raming enkel een inschatting betreft van de te verwachten kosten en is uitgegaan van een ‘best-case scenario’ waarin een aantal omstandigheden gunstig uitvallen. Naast deze begroting van de schade in het deskundigenrapport heeft [verkopers] tevens een offerte van GMI Bodemmanagement in het geding gebracht waarin de kosten van de sanering van glas en asbest tezamen op € 721.000 worden begroot. De offerte maakt het niet mogelijk om de kosten van de glassanering separaat te berekenen. Wel is duidelijk dat dit een fors hoger bedrag is dan het bedrag waarop de sanering voor glas en asbest bij elkaar in het deskundigenrapport van Arnicon worden geraamd. Daarin worden de kosten van de asbestsanering namelijk geschat op € 190.160,52. Omdat de kostenraming van GMI Bodemmanagement ruim 3 ton hoger uitvalt dan de kostenraming van Arnicon, is het dus zeer wel mogelijk dat in werkelijkheid de kosten hoger gaan uitvallen dan het voorschot. Tegelijkertijd is het voor de rechtbank niet mogelijk om de saneringskosten te begroten op basis van de offerte van GMI Bodemmanagement omdat daarin de kosten van de glassanering niet van de kosten van de asbestsanering kunnen worden gescheiden. Dit maakt verwijzing naar de schadestaatprocedure noodzakelijk.\n\nTen aanzien van het asbest pleegt [koper] geen wanprestatie\n\n5.21.. \n\n [verkopers] stelt dat de asbestverontreiniging, zoals omschreven in het tweede deskundigenrapport, een normaal gebruik als woonruimte met agrarische bestemming in de weg staat. Zij onderbouwt dit met het tweede deskundigenrapport waarin in de conclusie (paragraaf 5.2) is opgenomen:\n\nUit de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd, dat er sprake is van bodemverontreiniging met asbest bij de stallen en langs het erf. De hoeveelheid tot boven de interventiewaarde met asbest verontreinigde grond wordt op basis van de beschikbare gegevens geschat op 375 m3 of 650 ton.\n\nNaar schatting zit er dus 650 ton asbest in de grond. Zolang de grond met asbest besmet is, kan de grond niet worden gebruikt voor akkerbouw, terwijl [koper] dit gebruik wel heeft gegarandeerd, aldus [verkopers] . Volgens [verkopers] kan [koper] geen beroep doen op de exoneratieclausule omdat deze niet zover strekt dat de aansprakelijkheid voor asbest op het hele perceel is uitgesloten. Partijen hebben met deze exoneratieclausule alleen bedoeld de aansprakelijkheid vanwege aanwezigheid van asbest in of om woning en onder de bestrating uit te sluiten, aldus [verkopers] . [verkopers] stelt tevens dat [koper] geen beroep op de exoneratieclausule toekomt nu zij haar mededelingsplicht ten aanzien van asbest heeft geschonden.\n\n5.22.. \n [koper] voert hiertegen verweer. [koper] stelt dat het door de exoneratieclausule niet mogelijk is om de schade ten aanzien van het asbest op [koper] te verhalen. Daarbij stelt zij dat de aanwezigheid van het ondergrondse asbest het beoogde gebruik van het perceel niet in de weg staat. De mini-zeboes kunnen hier gewoon grazen. [koper] betwist daarnaast dat zij haar mededelingsplicht heeft geschonden. [koper] was niet op de hoogte van de oorzaak en\u002Fof omvang van de gebreken, waaronder het asbest.\n\nExoneratiebeding asbest is van toepassing op de gehele onroerende zaak5.23.. De rechtbank oordeelt dat [koper] ten aanzien van het asbest rechtsgeldig een beroep kan doen op de exoneratieclausule, waardoor zij niet is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. Het ligt op de weg van [verkopers] om haar stelling nader te onderbouwen dat partijen de bedoeling hadden dat de exoneratieclausule alleen van toepassing was op het asbest in en om de woning en onder de bestrating, in tegenstelling tot de woordelijke tekst uit de overeenkomst die zich niet hiertoe beperkt. [verkopers] heeft echter geen dan wel onvoldoende feiten of omstandigheden gesteld, waaruit blijkt dat zij ervan uit mocht gaan dat het exoneratiebeding alleen van toepassing was op het asbest in de grond en de bestrating. Daarmee slaagt het verweer van [koper] dat het asbest in de grond onder de exoneratieclausule valt.\n\nMededelingsplicht grijpt niet in op een mogelijk beroep op exonoratie5.24.. De stelling van [verkopers] dat [koper] geen beroep op de exoneratieclausule toekomt omdat zij haar mededelingsplicht ten aanzien van het asbest heeft geschonden, gaat niet op. [koper] heeft ten aanzien van het asbest haar mededelingsplicht niet geschonden; wat zij wist, heeft zij gemeld. [koper] stelt namelijk dat zij gemeld heeft dat er op het perceel glastuinbouw heeft plaatsgevonden en dat deze glastuinderij gesloopt is. [verkopers] betwist niet dat [koper] dit gemeld heeft. Beide partijen waren dus op de hoogte van de voormalige glastuinderij en de sloop daarvan. Beide partijen stellen daarnaast dat het algemeen bekend is dat er een groot risico bestaat op het gebruik van asbest in kassen die stammen uit de jaren ‘70 van de vorige eeuw. De mededelingsplicht heeft alleen betrekking op gebreken waarvan de verkoper weet of vermoedt dat de koper ze niet kent. Omdat beide partijen stellen dat het algemeen bekend is dat er een groot risico bestaat op het gebruik van asbest in de gesloopte kassen, valt dit niet onder de mededelingsplicht van [koper] .\n\nTussenconclusie\n\n5.25.. Uit bovenstaande volgt dat de aanwezigheid van het asbest de woning en de grond niet non-conform maakt vanwege de exoneratieclausule en dat [verkopers] ten aanzien van de aanwezigheid van het asbest geen rechtsgeldig beroep kan doen op de garantiebepaling dat de woning en de grond geschikt is voor normaal gebruik als woning met een agrarische bestemming. Vordering II van [verkopers] die gebaseerd is op de aanwezigheid van asbest in de grond wordt dan ook afgewezen in alle varianten (primair, subsidiair en meer subsidiair).\n\nTen aanzien van het dak: [verkopers] heeft te laat geklaagd\n\n5.26.. \n [verkopers] stelt dat het dak in erbarmelijke staat was waardoor zij onverwijld de opdracht heeft moeten geven het dak te vervangen, zonder [koper] eerst in gebreke te stellen. Als gevolg van de omvangrijke gebreken aan het dak, is de woning niet geschikt (geweest) voor normaal gebruik. [koper] wijst op de klachtplicht: [verkopers] heeft de woning in 2023 geleverd gekregen en in het najaar van 2023 was het dak reeds gerepareerd. Pas bij de dagvaarding, in september 2025, heeft [verkopers] melding gemaakt van dit gebrek. Hierdoor heeft [verkopers] volgens [koper] te laat geklaagd, waardoor zij zich niet meer op non-conformiteit van het dak kan beroepen.\n\nWat is de klachtplicht?\n\n5.27.. De wet stelt dat een koper binnen korte tijd na het ontdekken van een gebrek de verkoper moet informeren. Doet de koper dit niet, kan hij zich niet meer op non-conformiteit beroepen, wat leidt tot verval van zijn rechten. Dit wordt de klachtplicht genoemd en is vastgelegd in artikel 7:23 Burgerlijk Wetboek (verder te noemen: BW). De vraag of op tijd is geklaagd moet worden beantwoord aan de hand van alle relevante omstandigheden, er geldt dus geen vaste termijn.\n\n5.28.. De rechtbank oordeelt dat [verkopers] te laat geklaagd heeft. [verkopers] heeft het gebrek in 2023 ontdekt en hersteld. Pas ruim 2 jaar nadat het gebrek is ontdekt, heeft [verkopers] het gebrek aan [koper] medegedeeld. Naar het oordeel van de rechtbank is dit te laat. Als gevolg daarvan kan [verkopers] er geen beroep meer doen dat het dak van de woning niet aan de overeenkomst beantwoordt. Vordering III van [verkopers] ten aanzien van het dak wordt daarom afgewezen (zowel primair als subsidiair).\n\nTussenconclusie\n\n5.29.. Uit bovenstaande volgt dat het beroep op wanprestatie ten aanzien van het dak niet slaagt omdat [verkopers] te laat heeft geklaagd.\n\nGevolgschade – Immateriële schade\n\n5.30.. \n [verkopers] vordert vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 sub b BW. Volgens dit artikel heeft de benadeelde recht op immateriële schadevergoeding als de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. [verkopers] beroept zich op deze laatste categorie, aantasting van haar persoon op andere wijze.\n\n5.31.. De rechtbank stelt voorop dat de wetgever de lat voor toekenning van immateriële schade hoog heeft willen leggen. De rechter dient terughoudend te zijn en degene die zich beroept op ‘aantasting van zijn persoon op andere wijze’ dient dit met concrete gegevens te onderbouwen.Uitgangspunt bij ‘aantasting van de persoon op andere wijze’ is dat sprake moet zijn van geestelijk letsel wat naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld, zoals een psychiatrische ziekte.Daarvan is in deze zaak geen sprake.\n\n5.32.. \n [verkopers] stelt dagelijks het weiland te moeten inspecteren om te zorgen dat haar dieren en kinderen zich niet verwonden aan het glas. Deze situatie duurt al twee jaar en het einde is nog niet in zicht, aldus [verkopers] . Hoewel de rechtbank begrijpt dat sprake is van een situatie die voor [verkopers] veel zorgen met zich meebrengt, is dit niet voldoende voor het toekennen van een immateriële schadevergoeding.\n\n5.33.. Het vorenstaande leidt tot het oordeel van de rechtbank dat de gevorderde immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.\n\nGevolgschade – Misgelopen inkomsten\n\n5.34.. \n [verkopers] stelt dat zij inkomsten misloopt als gevolg van het niet kunnen realiseren van (vakantie)huisjes op haar perceel door de verontreiniging van de grond met glas en asbest. Omdat [koper] alleen kan worden aangesproken op de aanwezigheid van het glas, zoals hiervoor overwogen, zal het asbest hier verder buiten beschouwing worden gelaten.\n\n5.35.. Alleen schade die in verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, komt voor vergoeding in aanmerking. Deze schade moet, als gevolg van de gebeurtenis, aan de schuldenaar worden toegerekend. Dit is vastgelegd in artikel 6:98 BW.\n\n5.36.. \n [verkopers] heeft voldoende onderbouwd dat zij voornemens was om op het perceel een B&B te starten. Zo heeft [verkopers] dit voornemen reeds kenbaar gemaakt bij het uitbrengen van het bod op de woning op 16 augustus 2022. Alvorens gestart kan worden met het realiseren van de (vakantie)huisjes op het perceel, dient de grond niet verontreinigd te zijn. De rechtbank acht het dan ook aannemelijk dat het niet mogelijk is om te starten met een B&B wanneer de grond 84 ton glas bevat. Hierdoor is sprake van schade, namelijk het mislopen van inkomsten, die in verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, namelijk de aanwezigheid van het glas.\n\n5.37.. De rechtbank oordeelt dan ook dat het causale verband tussen de schade (de gederfde inkomsten) en de verontreinigde grond met glas voldoende bewezen is. [verkopers] heeft de hoogte van de schade, naar oordeel van de rechtbank, niet voldoende onderbouwd. De onderbouwing van de schade betreft een globale berekening waarbij sprake zou zijn van 4 huisjes met een gemiddelde bezetting van 50% en een tarief van € 100,00 per nacht. Een nadere onderbouwing ontbreekt, bijvoorbeeld van het gegeven dat [verkopers] voornemens zou zijn om vier huisjes te bouwen, het soort B&B dat gebouwd zou worden, een onderbouwing van de aanname van een bezetting van 50% of een onderbouwing van het tarief in vergelijking met soortgelijke B&B’s in de omgeving. Het is voor de rechtbank niet mogelijk om een begroting van de schadevergoeding te maken. De rechtbank verwijst [verkopers] voor de omvang van deze schade dan ook naar de schadestaatprocedure.\n\nNevenvorderingen\n\nDeskundigenkosten\n\n5.38.. \n [verkopers] vordert als vergoeding van de buitengerechtelijke kosten in de zin van artikel 6:96 lid 2 sub b BW de kosten van de door haar ingeschakelde deskundige Arnicon, vermeerderd met de wettelijke rente. Op basis van artikel 6:96 lid 2 sub b BW komen redelijke kosten die zijn gemaakt om schade en aansprakelijkheid vast te stellen, voor vergoeding in aanmerking. Hieronder vallen deskundigenkosten.\n\n5.39.. Arnicon heeft twee deskundigenrapporten opgesteld. Het eerste deskundigenrapport betreft een verkennend bodemonderzoek. Doel van dit onderzoek was met relatief geringe onderzoeksinspanning de algemene bodemkwaliteit vaststellen. [verkopers] heeft de kosten van het eerste deskundigenrapport voldaan op basis van twee facturen die door [verkopers] zijn overlegd. Uit deze facturen volgt dat de totale kosten voor het eerste deskundigenrapport € 9.559,00 inclusief btw zijn. Het tweede deskundigenrapport betreft een aanvullend onderzoek naar de bodemverontreiniging om de omvang van de verontreiniging verder vast te stellen. De kosten voor het tweede deskundigenrapport zijn voldaan op basis van twee facturen die [verkopers] heeft overlegd, hieruit volgt dat de kosten voor het tweede deskundigenonderzoek € 23.595,00 inclusief btw zijn. De totale deskundigenkosten voor het eerste en het tweede deskundigenrapport bedragen totaal € 33.154,00.\n\n5.40.. De rechtbank oordeelt dat beide deskundigenrapporten nodig zijn geweest om de schade en aansprakelijkheid van [koper] ten aanzien van het glas vast te stellen. Dit leidt ertoe dat de deskundigenkosten toewijsbaar zijn. De rechtbank wijst ook de wettelijke rente hierover toe vanaf 8 maart 2025. Op 21 februari 2025 heeft [verkopers] namelijk per brief [koper] op de hoogte gesteld van het deskundigenrapport en gevorderd dat [verkopers] binnen 14 dagen een aanvang maakt met het saneren van de bodemverontreiniging. Dat is niet gebeurd. Het verzuim is daarom per 8 maart 2025 ingetreden.\n\nBuitengerechtelijke incassokosten5.41.. \n [verkopers] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Aangezien een deel van de gevorderde hoofdsom wordt afgewezen, worden de gevorderde buitengerechtelijke kosten toegewezen tot het wettelijk tarief dat hoort bij het aan hoofdsom toegewezen bedrag. Er wordt daarom een bedrag van € 2.966,28 toegewezen.\n\nBeslagkosten5.42.. Met betrekking tot de gevorderde vergoeding van de beslagkosten overweegt de rechtbank als volgt. Als uitgangspunt geldt dat de kosten van het beslag van de beslagene kunnen worden teruggevorderd, tenzij het beslag nietig, onnodig of onrechtmatig was (art. 706 Rv). Het is aan de beslagene om de nietigheid, het onnodige of de onrechtmatigheid van het beslag aan te tonen. Ten aanzien van het beslag heeft [koper] geen verweer gevoerd. Dit betekent dat ook de vordering tot vergoeding van de beslagkosten zal worden toegewezen.\n\n5.43.. De beslagkosten worden als volgt begroot:\n\n- griffierecht conservatoir beslag\n\n€\n\n0,00\n\n- beslag tot levering onroerende zaak\n\n€\n\n260,36\n\n- derdenbeslag\n\n€\n\n299,93\n\n- leges kadaster inschrijving\n\n€\n\n79,00\n\n- overbetekening beslagene\n\n103,67\n\n- informatiekosten\n\n13,05\n\n- overheidsheffing\n\n14,80\n\n- geliquideerd salaris (1 punt, tarief VII)\n\n2.885,00\n\nTotaal\n\n€\n\n3.655,81\n\nHet griffierecht is op nihil gesteld omdat dit al volledig is geheven in de bodemprocedure. Het geliquideerd salaris is gebaseerd op het toegewezen bedrag.\n\nProceskosten5.44.. Hoewel een deel van haar vorderingen is afgewezen, heeft [verkopers] deze procedure moeten starten om schadevergoeding te verkrijgen. [koper] moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verkopers] worden op basis van het toegewezen bedrag begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n144,47\n\n- griffierecht\n\n€\n\n2.723,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n5.770,00\n\n(2 punten × € 2.885,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n8.826,47\n\n5.45.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n6.1.. veroordeelt [koper] om € 205.102,50 aan [verkopers] te betalen als voorschot op de schade ten aanzien van het glas in de grond, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 8 maart 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening,\n\n6.2.. veroordeelt [koper] tot vergoeding aan [verkopers] van de nog door [verkopers] geleden en te lijden schade ten aanzien van het glas in de grond, deze schade nader op te maken bij staat,\n\n6.3.. \n\nveroordeelt [koper] om aan [verkopers] te betalen een bedrag van\n\n€ 33.154,00 aan deskundigenkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 8 maart 2025 tot aan de dag van algehele voldoening,\n\n6.4.. \n\nveroordeelt [koper] om aan [verkopers] te betalen een bedrag van\n\n€ 2.966,28 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,\n\n6.5.. \n\nveroordeelt [koper] in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op\n\n€ 3.655,81, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na deze uitspraak tot de dag van volledige betaling,\n\n6.6.. veroordeelt [koper] in de proceskosten van € 8.826,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [koper] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n6.7.. veroordeelt [koper] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n6.8.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n6.9.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr.drs. Van Duin en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.\n\n HR 23 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2414\n\n HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fid4a0e135bfeb14c8787c596c0742af279),NJ 2019\u002F162 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fidfeab1399df654be6b14ebba91fa4725b)(EBI)\n\n HR 9 mei 2003, NJ 2005\u002F168 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fid157620030509c01246hrnj2005168dosred)(B\u002FNoord Brabant); HR 19 december 2003,NJ 2004\u002F348 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fid157620031219c02165hrnj2004348dosred)(J\u002FStaat) en HR 15 maart 2019,ECLI:NL:HR:2019:376 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fid4a0e135bfeb14c8787c596c0742af279),NJ 2019\u002F162 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fidfeab1399df654be6b14ebba91fa4725b)(EBI)","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5577","2026-06-10T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:32.342Z",{"id":183,"ecli":184,"slug":185,"caseNumber":44,"courtId":151,"decisionDate":152,"fullText":186,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":187,"sourceTimestamp":155,"parsedAt":52,"updatedAt":188},"786","ECLI:NL:RBLIM:2026:5664","ecli-nl-rblim-2026-5664","RECHTBANK Limburg\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nZaaknummer: C\u002F03\u002F340610 \u002F HA ZA 25-145\n\nVonnis van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [eiser 1] ,\n\nte [plaats 1] , 2. [eiser 2],\n\nte [plaats 1] ,\n\neisende partijen,\n\nhierna samen te noemen: [eisers] ,\n\nadvocaat: mr. W.J.F. Geertsen,\n\ntegen\n\n [gedaagde] B.V.,\n\nte [plaats 2] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nadvocaat: mr. G.J.M. Philipsen.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 28 januari 2026 - de akte van [eisers] van 11 maart 2026 - de akte van [gedaagde] van 11 maart 2026 met de daarbij bijgevoegde producties 4 en 5.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De verdere beoordeling\n\n2.1.. Bij tussenvonnis van 28 januari 2026 (hierna: het tussenvonnis) is door de rechtbank bepaald dat een onderzoek door (een) deskundige(n) zal worden bevolen. Daarbij is vermeld dat naar het oordeel van de rechtbank kan worden volstaan met de benoeming van één deskundige op het gebied van bouwkunde. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de wenselijkheid van een deskundigenbericht, het aantal, het specialisme en de persoon van de te benoemen deskundige(n) en de door de rechtbank opgestelde vragen. Dit deskundigenonderzoek zal in dit vonnis worden bevolen.\n\nDe wenselijkheid van een deskundigenbericht2.2.. \n [eisers] stemt in met benoeming van een deskundige. [gedaagde] heeft bij akte verzocht het voornemen om een deskundige te benoemen te herzien. Daartoe voert zij aan dat het bewijs ontbreekt dát er stankoverlast zou zijn.\n\n2.3.. De rechtbank verwijst naar hetgeen zij heeft overwogen in het tussenvonnis van 28 januari 2026 in rechtsoverweging 4.5. in het kader van de stelplicht. De daar genoemde omstandigheden vormen voor de rechtbank voldoende aanleiding om tot het deskundigenonderzoek over te gaan.\n\nHet aantal deskundigen en de persoon van de deskundige2.4.. Partijen hebben bij akte te kennen gegeven dat zij de voorkeur geven aan benoeming van één deskundige. Zij zijn er niet in geslaagd om in onderling overleg overeenstemming te bereiken over de persoon van de te benoemen deskundige. [eisers] . hebben de heer [naam 1] van [bedrijf 1] voorgesteld en [gedaagde] heeft een medewerker van [bedrijf 2] of een medewerker van [bedrijf 3] voorgesteld.\n\n2.5.. Partijen hebben over en weer bezwaar gemaakt tegen de door de andere partij genoemde deskundige(n). In rechtsoverweging 4.29. van het tussenvonnis is door de rechtbank uitdrukkelijk overwogen dat een partij gemotiveerd dient aan te geven waarom de door de wederpartij voorgestelde deskundige niet voor benoeming in aanmerking mag komen. Beide partijen baseren hun bezwaar op de vrees dat er een professionele relatie bestaat tussen de voorgedragen deskundige en de tegenpartij. De rechtbank overweegt dat het enkele feit dat een advocaat in het verleden in andere procedures dezelfde deskundige heeft aangedragen als nu in deze zaak, onvoldoende is als onderbouwing van deze vrees. Het aantal deskundigen met ervaring in gerechtelijke procedures is beperkt, zodat het niet vreemd is dat advocaten vaker een bepaalde deskundige voorstellen. Verder geldt dat vóór benoeming aan de deskundigen standaard de vraag wordt voorgelegd of het hen vrij staat de zaak in behandeling te nemen. De rechtbank komt gelet op deze omstandigheden tot het oordeel dat benoeming van één van de aangedragen deskundigen geen bezwaar oplevert. Op basis van openbare informatie, die te vinden is op internet, over de drie voorgestelde deskundigen, bestaat bij de rechtbank het vertrouwen dat zij allen geschikt zijn als deskundige.\n\n2.6.. \n\nDe rechtbank zal de heer [naam 2] , werkzaam voor [bedrijf 1] , als deskundige benoemen. De rechtbank kiest voor deze deskundige, omdat [bedrijf 1] als enige van de drie voorgestelde bedrijven vermeld is in het landelijk register van deskundigen dat door gerechten geraadpleegd wordt als benoeming van een deskundige nodig is. De deskundige heeft te kennen gegeven bereid te zijn de zaak te aanvaarden en vrij te staan ten opzichte van partijen en hun advocaten. [gedaagde] heeft, nadat de rechtbank partijen in kennis heeft gesteld van het voornemen om de heer [naam 2] te benoemen, per e-mail van 8 juni 2026 de vraag opgeworpen of zijn expertise aansluit bij de vragen die door de rechtbank beantwoord moeten worden. De deskundige heeft dezelfde dag per e-mail aan de rechtbank laten weten 37 jaar werkervaring te hebben, dat zijn expertise van bouwkundige\u002Ftechnische aard is en dat hij meerdere deskundigenonderzoeken verricht heeft waarbij deze expertise nodig is. De rechtbank heeft [gedaagde] op 9 juni 2026 hiervan in kennis gesteld. [gedaagde] heeft vervolgens die dag per e-mail laten weten geen vragen of opmerkingen meer te hebben. De rechtbank leidt daaruit af dat [gedaagde] geen bezwaar heeft tegen de persoon van de heer [naam 2] .\n\nDe vraagstelling2.7.. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de in het tussenvonnis door de rechtbank voorgestelde vraagstelling die ter beoordeling aan de deskundige moet worden voorgelegd. Partijen hebben hiermee ingestemd. Aan de deskundige zullen daarom de volgende vragen worden voorgelegd:\n\n1e gebrek:ontbreken dakontluchting\n\n- Kan de wijze waarop de doorvoer van de ontspanningsleiding is gerealiseerd leiden tot stankoverlast in de technische ruimte en de zolder? Kunt u daarbij ingaan op de discussie tussen partijen of er wel\u002Fgeen dakontluchting aanwezig is?\n\n- Als de wijze waarop de doorvoer van de ontspanningsleiding gerealiseerd is nietkan leiden tot stankoverlast in de technische ruimte en op zolder, wat is dan de oorzaak van het door [eisers] . gestelde stankprobleem? Kunt u daarbij ingaan op de suggestie van [gedaagde] dat het gestelde stankprobleem vermoedelijk komt door het openbaar riool?\n\n2e gebrek: geborrel in de wc\n\n- Wat is de oorzaak van het geborrel op de toiletten: geen overdruk regulering door het ontbreken van dakontluchting (zoals [eisers] . stellen) of het openbaar riool (zoals [gedaagde] stelt), of andere oorzaken?\n\n3e gebrek: stankoverlast bij de H.W.A.’s\n\n- Wat is naar uw oordeel de oorzaak van de stank die van buiten komt en die [eisers] . stellen binnen te ruiken? Kunt u reageren op de mogelijke oorzaak die genoemd is door [eisers] . op basis van het rapport van RRS (zie rov. 4.13. van het tussenvonnis van 28 januari 2026).\n\n- Als er een oorzaak te duiden is: houdt die verband met het werk van [gedaagde] of ligt de oorzaak uitsluitend in het openbaar gebied waar [gedaagde] geen bemoeienis mee heeft?\n\n4e gebrek: verzakkingen in de terreinleiding\n\n- Neemt u verzakkingen waar, zo ja waar, en wat is de oorzaak van de verzakkingen die na de oplevering zijn ontstaan?\n\n5e gebrek: fout ontwerp binnenriolering\n\n- Is er een foutief ontwerp van de binnenriolering?\n\n- Zo ja, is er een causaal verband met de gestelde stankoverlast? Als er geen causaal verband is met de stankoverlast, tot welk probleem kan het foutieve ontwerp van de binnenriolering leiden?\n\n- Is aanpassing van de binnenriolering noodzakelijk (zo ja, hoe?), of zijn er andere oplossingen om problemen in de toekomst te voorkomen?\n\n6e gebrek: brandveiligheidsrisico\n\n- Bestaat er een toekomstig risico ten aanzien van brandveiligheid en op schimmelvorming door de wijze waarop de ontspanningsleiding uitkomt onder de zonnepanelen?\n\nOverig\n\n- Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis moet nemen bij de verdere beoordeling?\n\nKosten deskundige2.8.. De deskundige heeft het voorschot begroot op € 7.260,00 (inclusief btw). [eisers] . hebben per e-mail op 1 juni 2026 laten weten in te stemmen met de hoogte van het voorschot. [gedaagde] heeft per e-mail van 8 juni 2026 de rechtbank verzocht bij de deskundige een specificatie op te vragen van dit voorschot. De rechtbank heeft dit verzoek vervolgens voorgelegd aan de deskundige, die op 8 juni 2026 een specificatie van de kosten heeft toegestuurd. Op 9 juni 2026 is deze informatie toegezonden aan [gedaagde] , die dezelfde dag heeft laten weten geen vragen of opmerkingen meer te hebben. De rechtbank leidt daaruit af dat ook [gedaagde] akkoord gaat de hoogte van het voorschot van de deskundige.\n\n2.9.. De rechtbank zal het voorschot vaststellen op een bedrag van € 7.260,00 (inclusief btw). In rechtsoverweging 4.27. van het tussenvonnis is al aangekondigd en toegelicht door welke partij ( [eisers] .) het voorschot op de kosten van de deskundige moet worden betaald.\n\nVerplichtingen partijen in het kader van het deskundigenonderzoek2.10.. De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals nader onder de beslissing is omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.\n\n2.11.. Indien een partij desgevraagd of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige doet toekomen, dient zij daarvan terstond afschrift aan de wederpartij te verstrekken.\n\nVervolg procedure2.12.. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n3.1.. beveelt een onderzoek door één deskundige voor de beantwoording van de volgende vragen:\n\n1e gebrek:ontbreken dakontluchting\n\n- Kan de wijze waarop de doorvoer van de ontspanningsleiding is gerealiseerd leiden tot stankoverlast in de technische ruimte en de zolder? Kunt u daarbij ingaan op de discussie tussen partijen of er wel\u002Fgeen dakontluchting aanwezig is?\n\n- Als de wijze waarop de doorvoer van de ontspanningsleiding gerealiseerd is nietkan leiden tot stankoverlast in de technische ruimte en op zolder, wat is dan de oorzaak van het door [eisers] . gestelde stankprobleem? Kunt u daarbij ingaan op de suggestie van [gedaagde] dat het gestelde stankprobleem vermoedelijk komt door het openbaar riool?\n\n2e gebrek: geborrel in de wc\n\n- Wat is de oorzaak van het geborrel op de toiletten: geen overdruk regulering door het ontbreken van dakontluchting (zoals [eisers] . stellen) of het openbaar riool (zoals [gedaagde] stelt), of andere oorzaken?\n\n3e gebrek: stankoverlast bij de H.W.A.’s\n\n- Wat is naar uw oordeel de oorzaak van de stank die van buiten komt en die [eisers] . stellen binnen te ruiken? Kunt u reageren op de mogelijke oorzaak die genoemd is door [eisers] . op basis van het rapport van RRS (zie rov. 4.13. van het tussenvonnis van 28 januari 2026).\n\n- Als er een oorzaak te duiden is: houdt die verband met het werk van [gedaagde] of ligt de oorzaak uitsluitend in het openbaar gebied waar [gedaagde] geen bemoeienis mee heeft?\n\n4e gebrek: verzakkingen in de terreinleiding\n\n- Neemt u verzakkingen waar, zo ja waar, en wat is de oorzaak van de verzakkingen die na de oplevering zijn ontstaan?\n\n5e gebrek: fout ontwerp binnenriolering\n\n- Is er een foutief ontwerp van de binnenriolering?\n\n- Zo ja, is er een causaal verband met de gestelde stankoverlast? Als er geen causaal verband is met de stankoverlast, tot welk probleem kan het foutieve ontwerp van de binnenriolering leiden?\n\n- Is aanpassing van de binnenriolering noodzakelijk (zo ja, hoe?), of zijn er andere oplossingen om problemen in de toekomst te voorkomen?\n\n6e gebrek: brandveiligheidsrisico\n\n- Bestaat er een toekomstig risico ten aanzien van brandveiligheid en op schimmelvorming door de wijze waarop de ontspanningsleiding uitkomt onder de zonnepanelen?\n\nOverig\n\n- Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis moet nemen bij de verdere beoordeling?\n\n3.2.. benoemt tot deskundige:\n\nDe heer [naam 2] , werkzaam bij [bedrijf 1] B.V.,\n\n [adres] ,\n\n [telefoonnummer] ,\n\n [e-mailadres] ,\n\nhet voorschot\n\n3.3.. stelt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige vast op € 7.260,00 (inclusief btw),3.4.. bepaalt dat [eisers] het voorschot moeten overmaken binnen twee wekenna de datum van de nog te ontvangen nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak,\n\n3.5.. draagt de griffier op om de deskundige onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot,\n\nhet onderzoek3.6.. bepaalt dat [eisers] . hun procesdossier in afschrift aan de deskundige dienen te doen toekomen,\n\n3.7.. bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal instellen op de door de deskundige in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats,\n\n3.8.. wijst de deskundige er op dat:\n\n- de deskundige voor aanvang van het onderzoek dient kennis te nemen van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (te raadplegen op www.rechtspraak.nl of desgevraagd te verkrijgen bij de griffie),\n\n- de deskundige het onderzoek pas na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot dient aan te vangen,\n\n- de deskundige het onderzoek onmiddellijk dient te staken en contact dient op te nemen met de griffier, indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn,\n\n- de deskundige partijen bij een onderzoek van een object ter plaatse gelegenheid dient te bieden dit onderzoek bij te wonen; indien slechts één partij, althans niet alle partijen, bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig is of zijn, de deskundige dit onderzoek niet mag uitvoeren, tenzij alle partijen zijn uitgenodigd om bij dat onderzoek aanwezig te zijn, en dat uit het rapport moet blijken dat hieraan is voldaan,\n\n- indien partijen bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig zijn geweest, uit het rapport moet blijken welke opmerkingen zij hebben gemaakt en welke verzoeken zij hebben gedaan, en hoe de deskundige hierop heeft gereageerd,\n\n3.9.. bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige dienen te verstrekken indien deze daarom verzoekt, de deskundige toegang dienen te verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundige ook voor het overige gelegenheid dienen te geven tot het verrichten van het onderzoek,\n\nhet schriftelijk rapport\n\n3.10.. draagt de deskundige op om uiterlijk drie maandenna het schriftelijk bericht van de griffier over de betaling van het voorschot een schriftelijk en ondertekend rapport in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, met een gespecificeerde declaratie,\n\n3.11.. wijst de deskundige er op dat:\n\n- uit het schriftelijk bericht moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundige is gebaseerd,\n\n- de deskundige een concept van het rapport aan partijen moet toezenden, opdat partijen de gelegenheid krijgen binnen vier weken daarover bij de deskundige opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en de reactie van de deskundige daarop moet vermelden,\n\n3.12.. bepaalt dat partijen binnen vier weken dienen te reageren op het concept-rapport van de deskundige nadat dit aan partijen is toegezonden en dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren,\n\noverige bepalingen\n\n3.13.. draagt de griffier op om de zaak op de rol te plaatsen:\n\n- als het voorschot niet binnen de daarvoor bepaalde (eventueel verlengde) termijn is ontvangen: voor akte uitlating voortprocederen van beide partijen op een termijn van twee weken of\n\n- na ontvangst ter griffie van het rapport: voor conclusie na deskundigenbericht van beide partijen op een termijn van vier weken,\n\n3.14.. verwijst voor het overige naar de beslissingen in het tussenvonnis van 28 januari 2026,\n\n3.15.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Etman en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5664","2026-07-13T00:28:47.989Z",{"id":190,"ecli":191,"slug":192,"caseNumber":44,"courtId":193,"decisionDate":152,"fullText":194,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":195,"sourceTimestamp":102,"parsedAt":52,"updatedAt":196},"1638","ECLI:NL:RBNHO:2026:7578","ecli-nl-rbnho-2026-7578",67,"RECHTBANKNOORD-HOLLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nZaaknummer: 11961316 \\ CV EXPL 25-7568\n\nVonnis van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [eiser 1], 2. [eiser 2],\n\nbeiden wonende te [plaats 1],\n\neisende partijen,\n\nhierna samen te noemen: [eisers],\n\ngemachtigde: mr. L.C. Pitters,\n\ntegen\n\n1. [gedaagde 1] H.O.D.N. [bedrijf 1],\n\nwonende en zaakdoende te [plaats 2],\n\nprocederend in persoon,\n\n2. [gedaagde 2], 3. [gedaagde 3],\n\nbeiden wonende te [plaats 1],\n\ngemachtigde: mr. E. Aslan,\n\n gedaagde partijen,\n\nhierna te noemen: [gedaagde 1] respectievelijk [gedaagde 2].\n\nDe zaak in het kort\n\n [eisers] en [gedaagde 2] zijn buren. In 2019 is bij verbouwingswerkzaamheden aan de woning van [gedaagde 2] een schoorsteen verwijderd. Dit is gedaan door [gedaagde 1], die door [gedaagde 2] was ingeschakeld als aannemer. Volgens [eisers] is door het verwijderen van de schoorsteen een ventilatiekanaal van zijn woning afgesloten, waardoor hij ventilatieproblemen ervaart en schade lijdt. [gedaagde 1] en\u002Fof [gedaagde 2] zijn volgens [eisers] aansprakelijk voor deze schade. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer. Zij betogen allebei dat er door het verwijderen van de schoorsteen geen schade kan zijn toegebracht aan een ventilatiekanaal van de woning van [eisers].\n\nDe kantonrechter concludeert dat het oorzakelijk verband tussen de gestelde schade en het gestelde schadeveroorzakende feit niet is komen vast te staan en wijst de vordering daarom af.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 4 november 2025 met producties 1-34 - het mondeling antwoord van [gedaagde 1] van 12 november 2025 - de conclusie van antwoord van [gedaagde 2] van 7 januari 2026 met producties 1-8 - de akte houdende eisvermeerdering tevens akte houdende overleggen aanvullende productie met productie 35, door de griffie ontvangen op 11 mei 2026\n\n- het tussenvonnis van 11 februari 2026\n\n- de mondelinge behandeling van 26 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt - de pleitaantekeningen die namens [eisers] en [gedaagde 2] zijn voorgedragen.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [eisers] is sinds 2014 eigenaar van de woning aan de [adres 1] in [plaats 1]. [gedaagde 2] is sinds 2019 eigenaar van de woning aan de [adres 2] in [plaats 1]. Deze partijen zijn buren van elkaar.\n\n2.2.. \n [gedaagde 1] heeft in 2019 in opdracht van [gedaagde 2] de schoorsteen van de woning van [gedaagde 2] verwijderd.\n\n2.3.. \n\nIn opdracht van [eisers] heeft [bedrijf 2] op 27 november 2023 onderzoek uitgevoerd in zijn woning. [betrokkene 1] van [bedrijf 2] heeft in zijn rapport van 30 november 2023 dat aan de hand van dat onderzoek is opgesteld, geconcludeerd dat nader onderzoek geboden was. Verder staat in het rapport van [bedrijf 2] (p. 8-9):\n\n“(…) het is mogelijk (ook nog niet uit te sluiten) dat de verminderde werking van de ventilatie opening in de kelder het gevolg is van de werkzaamheden aan de schoorsteen van de buren.\n\nOndergetekende heeft het mogelijk verband hiertussen nog niet kunnen vaststellen. Hiervoor dient het dak van de woning veilig te worden betreden.\n\nOp basis van de bouwkundige tekeningen is het sterke vermoeden dat de ventilatiekanalen niet in de schoorsteen van de buren zijn uitgekomen maar dat deze afzonderlijk uitmonden onder de dakpannen ter hoogte van de woningscheidende wand. Ondergetekende houdt het nog voor mogelijk dat bij het verwijderen van de schoorsteen op nummer [adres 2] vuil in het kanaal terecht is gekomen. Dit is echter niet vastgesteld door ondergetekende. Uiteraard is ook op andere wijze verstopping of gedeeltelijke afdichting van het kanaal mogelijk, bijvoorbeeld gedierte(…)”.2.4.. Op 19 maart 2024 is een vervolgonderzoek gepland. In het e-mailbericht van [betrokkene 2] van [bedrijf 2] van 15 april 2024 staat: “(…) Op dinsdag 19 maart 2024 heeft er een aanvullend onderzoek plaatsgevonden naar de vochtproblematiek in de woning van familie [eisers] te [plaats 1]. Hierbij het dak aan de achterzijde, voor zover dat mogelijk was, geïnspecteerd met een lange ladder. Daarbij is de woning binnen geïnspecteerd. Ter plaatse van de badkamer op de 2e verdieping, de overloop op de 1e verdieping en de trapkast, allen ter plaatse van de woningscheidende muur, zijn geen vocht gerelateerde problemen waargenomen.Op basis van de gedane waarnemingen kan er worden geconcludeerd dat er geen vocht gerelateerde problemen aanwezig zijn in de woning. Ik zie derhalve niet de noodzaak om een aanvullend onderzoek uit te voeren, waarbij een maatregel, zoals het plaatsen van een steiger, dient te worden getroffen om het dak nader te inspecteren.(…)”.\n\n2.5.. In opdracht van [eisers] heeft [bedrijf 4] (hierna: [bedrijf 4]) op 29 augustus 2024 onderzoek uitgevoerd in zijn woning. In het rapport van [bedrijf 4] van 16 oktober 2024, pagina 3, staat: “(…)Vraag 1. Werkt de onluchting\u002Fventilatie in de eensteensmuur in de kelder naar behoren?Antwoord:(…) Uit ons onderzoek naar het bouwdossier van de woning hebben wij vastgesteld dat de gesloopte schoorsteen diende als ventilatiekanaal voor de keuken, w.c., douche en kelderkast van partij 1[[eisers], kantonrechter].(…)Als bewijs dienen de volgende bouwtekeningen, zie ook debijlagen 1 tot en met 3:(…)”.\n\n{afbeelding 1}\n\nTer onderbouwing van het antwoord op vraag 1 zijn in het rapport van [bedrijf 4] de volgende afbeeldingen opgenomen:\n\nVerder staat in het rapport van [bedrijf 4], meer specifiek op pagina 5 in antwoord op vraag 3: “Op basis van de door ons gewonnen informatie uit het bouwdossier en de in de woning van partij 1 geconstateerde routes van de ventilatiekanalen, achten wij een causaal verband aangetoond tussen de ontstane gebrekkige ventilatie en het handelen van partij 2 en\u002Fof haar aannemer.”\n\n2.6.. \n [eisers] heeft [gedaagde 2] (onder meer) op 1 april 2025 per brief aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden schade, waarbij [gedaagde 2] is gesommeerd deze schade aan [eisers] te vergoeden. Hiertoe is [gedaagde 2] niet overgegaan.\n\n2.7.. \n [eisers] heeft [gedaagde 1] op 21 juli 2025 aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden schade, waarbij [gedaagde 1] is gesommeerd om deze schade aan [eisers] te vergoeden. Hiertoe is [gedaagde 1] niet overgegaan.\n\n Tekst3. Het geschil\n\n3.1.. \n [eisers] vordert – na vermeerdering van eis - veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot betaling van € 8.083,99, alsook veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot betaling van € 100,00 per maand vanaf oktober 2025, vermeerderd met rente en kosten.\n\n3.2.. \n [eisers] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [eisers] vordert schadevergoeding uit onrechtmatige daad. Hij stelt daartoe dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] schade hebben (laten) veroorzaken aan de woning van [eisers]. Door het op onrechtmatige wijze (laten) verwijderen van de schoorsteen van de woning van [gedaagde 2] is het ventilatiekanaal in de woning van [eisers] gedicht en lijdt hij schade. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] danwel [gedaagde 1] moet(en) deze schade aan [eisers] vergoeden. De schade bestaat uit de herstelkosten en immateriële schade bestaande uit gederfd woongenot.\n\n3.3.. \n [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer. Op hun verweren gaat de kantonrechter – voor zover van belang – bij de beoordeling van het geschil in.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Voor toewijzing van de vordering is vereist dat de gedragingen en\u002Fof het nalaten van [gedaagde 1] en\u002Fof [gedaagde 2] als onrechtmatige daad kunnen worden aangemerkt, waarna zij (dan wel een van hen) de schade die [eisers] door die gedraging lijdt en heeft geleden moet(en) vergoeden. Daarbij moet een oorzakelijk verband bestaan tussen de onrechtmatige gedragingen van [gedaagde 1] en\u002Fof [gedaagde 2] en de schade die [eisers] lijdt. Omdat [eisers] zich op de stelling beroept dat sprake is van een onrechtmatige daad waardoor hij schade lijdt en heeft geleden, draagt hij daarvan de stelplicht en bewijslast.\n\nHet oorzakelijk verband ontbreekt4.2.. \n [eisers] stelt dat [gedaagde 1] en\u002Fof [gedaagde 2] onrechtmatig hebben gehandeld door de schoorsteen die (grotendeels) op de woning van [gedaagde 2] stond, te (laten) verwijderen. In de schoorsteen mondden volgens [eisers] twee gescheiden kanalen uit; het rookkanaal van de woning van [gedaagde 2] en het ventilatiekanaal van de woning van [eisers]. Door het verwijderen van de schoorsteen is een ventilatiekanaal van de woning van [eisers] afgedicht. Het ventilatiekanaal diende ter ventilering van de keuken, de w.c., de douche en de kelderkast van de woning van [eisers]. Door het verwijderen van de schoorsteen en het in verband daarmee afdichten van het ventilatiekanaal lijdt [eisers] schade in de vorm van onder meer schimmelvorming in zijn woning. Ter onderbouwing heeft [eisers] onder meer de rapporten van [bedrijf 2] en [bedrijf 4] overgelegd. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben het voorgaande gemotiveerd betwist. Volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] had de schoorsteen geen functie voor enig ventilatiekanaal van de woning van [eisers] en kwam er geen ventilatiekanaal van de woning van [eisers] uit in de schoorsteen.\n\n4.3.. De kantonrechter is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat door het verwijderen van de schoorsteen enig ventilatiekanaal van de woning van [eisers] is afgedicht. Niet is namelijk komen vast te staan dat enig ventilatiekanaal van de woning van [eisers] uitkwam in de schoorsteen. Er kan daarom ook geen oorzakelijk verband bestaan tussen verwijdering van de schoorsteen en de (gestelde) problemen met de ventilatie in de woning van [eisers]. De vragen of sprake is van een onrechtmatige gedraging of nalaten, schade en, zo ja, in hoeverre schade aan [gedaagde 1] en\u002Fof [gedaagde 2] kan worden toegerekend, behoeven daarom geen beantwoording. De vordering is niet toewijsbaar. De kantonrechter overweegt hiertoe als volgt.\n\n4.4.. Ter onderbouwing van zijn stellingen heeft [eisers] gewezen op het rapport van [bedrijf 4]. Hierin is geconcludeerd dat “de gesloopte schoorsteen diende als ventilatiekanaal voor de keuken, w.c., douche en kelderkast” van de woning van [eisers]. Ter onderbouwing daarvan zijn een aantal afbeeldingen onder die conclusie in het rapport opgenomen, waaruit volgens de deskundige zou blijken dat het ventilatiekanaal voor de woning van [eisers] uitkomt in de schoorsteen. De kantonrechter heeft [eisers] tijdens de mondelinge behandeling voorgehouden dat de afbeeldingen zoals opgenomen in het rapport van [bedrijf 4] een dergelijke verbinding tussen het ventilatiekanaal en de schoorsteen niet laten zien. [eisers] heeft in reactie daarop toegelicht dat de afbeeldingen in samenhang moeten worden gezien.4.5.. \n\nHoewel afbeelding 1 een ingezoomde afbeelding afkomstig uit afbeelding 2 lijkt, is deze door [eisers] gestelde samenhang zonder nadere toelichting en onderbouwing niet begrijpelijk. Weliswaar zijn op afbeelding 1 mogelijk twee kanalen te zien, maar hiermee staat niet vast dat een van deze twee kanalen een ventilatiekanaal is. In dit verband is van belang dat [gedaagde 2] gemotiveerd en met stukken onderbouwd heeft toegelicht dat op de schoorsteen alleen de rookkanalen voor de haard op de begane grond en de kachel op de eerste verdieping van de woning van [gedaagde 2] waren aangesloten en dat dit een gesloten systeem was. De twee kokers die te zien zijn op afbeelding 1 zijn volgens [gedaagde 2] waarschijnlijk de rookkanalen voor de haard en de kachel van de woning van [gedaagde 2]. Technisch is het volgens [gedaagde 2] bovendien niet mogelijk het ventilatiekanaal van de woning van [eisers] langs het rookkanaal dat was aangesloten op de schoorsteen te laten lopen. Volgens de destijds en nu geldende normen moet er namelijk een veilige afstand (van anderhalve meter) zitten tussen een ventilatiekanaal en een rookkanaal. Het ventilatiekanaal voor de woning van [eisers] komt volgens [gedaagde 2] uit in het dak van de woning van [eisers].\n\nOok volgens [gedaagde 1] is het technisch niet mogelijk de ventilatie voor de woning van [eisers] via het rookkanaal en de schoorsteen te laten lopen. Dit zou gevaar voor koolomonoxidevergiftiging opleveren.\n\n4.6.. Een en ander strookt met hetgeen het [bedrijf 2] heeft gerapporteerd over de opening in de kelder\u002Ftrapkast: “De oorspronkelijke functie van de opening is een natuurlijke ventilatie van de kelderruimte. De opening komt uit in een in de woning scheidende wand gemetseld ventilatiekanaal (met ruwe wanden) dat zeer waarschijnlijk uitmond onder de dakpannen van de woning (…)”.\n\n4.7.. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde 2] aan de hand van een afbeelding waarop beide woningen te zien zijn bovendien nog toegelicht dat boven de badkamer van de woning van [eisers] een ontluchting is geplaatst. [gedaagde 2] concludeert dat die uitgang boven de badkamer dient ter ventilatie. [eisers] heeft tijdens de mondelinge behandeling bevestigd dat dakdekker [bedrijf 3] in 2023 de badkamerventilatie boven op het dak heeft vervangen. Dit was echter geen ventilatie, volgens [eisers] zagen de werkzaamheden op de vervanging van een ontluchtingspijp. Hoewel [eisers] een andere benaming aanhoudt, acht de kantonrechter aannemelijk dat die pijp dient als ventilatie voor de badkamer. De redenering van [eisers] dat de “ontluchtingspijp” niet dient ter ventilatie van de badkamer wordt bij deze stand van zaken daarom verworpen. Dit betekent dat de kantonrechter aanneemt dat het ventilatiekanaal van de badkamer niet uitkwam in de schoorsteen.\n\n4.8.. In het licht van de gemotiveerde betwistingen en het rapport van [bedrijf 2] had het op de weg van [eisers] gelegen nader te onderbouwen dat in de schoorsteen wel een ventilatiekanaal voor zijn woning uitkam, en dat heeft hij niet gedaan. De kantonrechter gaat daarom voorbij aan dit betoog van [eisers].\n\n4.9.. Ook afbeelding 3 van het rapport van [bedrijf 4] ondersteunt de stellingen van [eisers] niet. In die afbeelding staat “ventilatiekanalen voor keuken, w.c., douche en kelderkast opnemen in speciale B2 blokken”. Daaruit kan evenwel niet worden geconcludeerd dat enig ventilatiekanaal van de woning van [eisers] samenkwam met de rookkanalen in de schoorsteen. Op de vraag van de kantonrechter tijdens de mondelinge behandeling of deze passage mogelijk kan zien op de functie van een apart ventilatiekanaal heeft [eisers] geantwoord dat dit deel van de tekst behoort bij de bouw van de schoorsteen. Dit betoog is door [eisers] echter niet toegelicht of onderbouwd en blijkt ook niet uit de bijlagen bij het rapport van [bedrijf 4], zodat de kantonrechter aan dit betoog voorbij gaat.\n\n4.10.. De kantonrechter heeft [eisers] tijdens de mondelinge behandeling voorgehouden dat zij een deskundigenrapport en de onderbouwing daarvan moet kunnen begrijpen alvorens zij deze kan overnemen. Daarvan is in dit geval geen sprake, zodat de kantonrechter voorbij gaat aan de conclusies in het rapport van [bedrijf 4], zoals opgenomen in antwoord op vraag 1 en vraag 3 van het rapport. [eisers] heeft in dit verband nog gesteld dat het rapport voor de deskundige logisch is opgesteld, omdat hij dit soort werkzaamheden dagelijks uitvoert. Dit standpunt kan hem, gelet op het voorgaande, niet baten. De kantonrechter concludeert dat uit het rapport van [bedrijf 4] niet de conclusie kan worden getrokken dat enig ventilatiekanaal van de woning van [eisers] uitkwam in de schoorsteen. Door het verwijderen van de schoorsteen kan dus ook geen ventilatiekanaal zijn afgedicht, zodat geen oorzakelijk verband bestaat tussen het verwijderen van de schoorsteen en de (gestelde) gebrekkige ventilatie in de woning van [eisers].\n\n4.11.. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter [eisers] voorgehouden dat in het rapport van [bedrijf 2] staat: “(…) Op basis van de bouwtekeningen is het sterke vermoeden dat de ventilatiekanalen niet in de schoorsteen van de buren zijn uitgekomen maar dat deze afzonderlijk uitmonden onder de dakpannen ter hoogte van de woningscheidende wand.(…)”. Ook heeft de kantonrechter de inhoud van het e-mailbericht van de inspecteur van [bedrijf 2] van 15 april 2024 aan [eisers] voorgehouden. [eisers] heeft toegelicht dat het rapport van Bureau van Bouwpathologie niet zo uitvoerig is uitgevoerd als [bedrijf 4], zodat de inhoud van het rapport van [bedrijf 4] bij de beoordeling van dit geschil als uitgangspunt moet worden genomen. Aan dit betoog gaat de kantonrechter voorbij gelet op hetgeen zij in rechtsoverwegingen 4.4. tot en met 4.10. over het rapport van [bedrijf 4] heeft overwogen.\n\n [eisers] wordt veroordeeld in de kosten4.12.. \n [eisers] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.\n\nDe proceskosten van [gedaagde 1] worden begroot op:\n\n- verletkosten\n\n€\n\n100,00\n\nTotaal\n\n€\n\n100,00\n\n De proceskosten van [gedaagde 2] worden begroot op:\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n720,00\n\n(2 punten × € 360,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n864,00\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. wijst de vorderingen van [eisers] af,\n\n5.2.. veroordeelt [eisers] in de proceskosten van [gedaagde 1] van € 100,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend\n\n5.3.. veroordeelt [eisers] in de proceskosten van [gedaagde 2] c.s. € 864,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.4.. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.\n\n Dit vonnis is gewezen door mr. P.M. Wamsteker en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.\n\n Pagina 3 van het rapport van [bedrijf 4] van 16 oktober 2024.\n\n Op grond artikel 6:162 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek.\n\n Artikel 150 van het Wetboek voor Burgerlijke Rechtsvordering.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7578","2026-07-13T00:29:30.977Z",{"id":198,"ecli":199,"slug":200,"caseNumber":44,"courtId":201,"decisionDate":152,"fullText":202,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":203,"sourceTimestamp":152,"parsedAt":52,"updatedAt":204},"1683","ECLI:NL:RBOVE:2026:3383","ecli-nl-rbove-2026-3383",57,"RECHTBANK Overijssel\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nZaaknummer: C\u002F08\u002F333755 \u002F HA ZA 25-174\n\nVonnis van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonende te [woonplaats],\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser],\n\nadvocaat: mr. M. Bennami,\n\ntoevoegingsnummer: [nummer],\n\ntegen\n\n1. FIT FOR FREE 47 B.V.tevens h.o.d.n. SportCity Deventer,\n\ngevestigd te Deventer, 2. LIBERTY MUTUAL INSURANCE EUROPE SE,\n\nstatutair gevestigd te Luxemburg, kantoorhoudende te Den Haag,\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna samen te noemen: Sportcity c.s. (in vrouwelijk enkelvoud)\n\nen afzonderlijk: Sportcity en Liberty,\n\nadvocaat: mr. J.A. Kopp.\n\n1. De zaak in het kort\n\n [eiser] verzoekt de rechtbank terug te komen op de beslissing van de deelgeschilrechter. Ook verzoekt [eiser] de rechtbank om verlof te verlenen om tussentijds hoger beroep in te stellen. De rechtbank wijst de vorderingen van [eiser] af. [eiser] heeft onvoldoende aangevoerd om tot de conclusie te komen dat de beslissing van de deelgeschilrechter berust op een onjuiste feitelijke of juridische grondslag. Daarom is de rechtbank gebonden aan de beslissing van de deelgeschilrechter. Omdat de rechtbank gelijk een eindvonnis zal wijzen, kan [eiser] daarnaast zonder verlof in hoger beroep. Dit oordeel wordt hierna toegelicht.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 17 september 2025,\n\n- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 3,\n\n- de mondelinge behandeling van 7 april 2026,\n\n- de spreekaantekeningen van [eiser] en Sportcity c.s.2.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. Op 24 januari 2023 is [eiser] geblesseerd geraakt aan zijn hamstrings tijdens het gebruik van een fitnesstoestel, de ‘seated leg curl’, bij Sportcity te Deventer. De ‘seated leg curl’ is een fitnesstoestel waarop de hamstrings kunnen worden getraind.\n\n3.2.. Bij het gebruik van het fitnesstoetstel door [eiser] is op enig moment de weerstand van de gewichten weggevallen. [eiser] heeft zich daarna bij de balie gemeld en meegedeeld dat hij daardoor pijn aan zijn hamstrings heeft ondervonden. Vervolgens is hij naar huis gegaan. Op 26 januari 2023 heeft [eiser] in verband met zijn klachten de huisarts bezocht en enige weken later zijn fysiotherapeut.\n\n3.3.. \n [eiser] heeft een deelgeschilprocedure bij deze rechtbank aanhangig gemaakt om de aansprakelijkheid van Sportcity c.s. voor het ongeval met de ‘seated leg curl’ vast te laten stellen op grond van artikel 6:173 BW jo. artikel 6:181 lid 1 BW, dan wel artikel 6:162 BW.\n\n3.4.. Bij beschikking van 9 juli 2024 heeft de rechtbank (hierna: de deelgeschilrechter) het verzoek van [eiser] afgewezen. De deelgeschilrechter heeft overwogen dat niet is gebleken dat de ‘seated leg curl’ gebrekkig was in de zin van artikel 6:173 BW jo artikel 6:181 BW. Ook is niet gebleken dat Sportcity c.s. onzorgvuldig heeft gehandeld jegens [eiser] in de zin van artikel 6:162 BW. In deze beschikking is onder andere overwogen:\n\n‘‘5.4. Gelet op deze verklaringen en het gebrek aan onderbouwing van de gestelde\n\ntoedracht in het dossier kan de rechtbank niet met zekerheid vaststellen wat de oorzaak van\n\nhet wegvallen van de weerstand is geweest. Het meest aannemelijke scenario lijkt te zijn dat de pin tussen twee gaten is blijven hangen en op enig moment is losgeschoten. Als dat tot uitgangspunt wordt genomen rijst de vraag of Sportcity aansprakelijk kan worden gehouden voor het wegvallen van de weerstand en de gevolgen die dit volgens [eiser] heeft gehad.\n\nBeoordeeld moet worden of er voldoende juridische grondslag bestaat om af te wijken van het uitgangspunt dat ieder zijn eigen schade draagt.\n\n(…)5.7.. De rechtbank is van oordeel dat van een gebrek aan het toestel onvoldoende is gebleken. Bij een normaal gebruik valt de pin in een gat op de verstelschijf en dan is van belang dat de pin niet uit het gat schiet. Dat daarvan sprake is geweest is echter niet aannemelijk en wordt ook niet (meer) gesteld. Aangezien in deze procedure tot uitgangspunt wordt genomen dat de pin is blijven hangen tussen twee gaten moet ten eerste worden beoordeeld of dit is veroorzaakt door een gebrek aan het toestel. In dat kader stelt de rechtbank vast dat [eiser] zelf de pin tussen de gaten heeft geplaatst. Dat de slijtage op de verstelschrijf ertoe heeft geleid dat de pin is blijven hangen wordt niet gevolgd. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, valt niet in te zien dat bij uitgesleten gaten een verdikking ontstaat (in plaats van een glad oppervlak), waardoor de pin meer grip had op de verstelschijf en daardoor is blijven hangen. Daar komt bij dat niet is gebleken dat een pin niet kan blijven hangen op een nieuwe schijf. Dat betekent dat geen verband kan worden gelegd tussen het blijven hangen van de pin en de slijtage.’’\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. \n [eiser] vordert dat de rechtbank, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nPrimair: terug zal komen op de beslissing van de deelgeschilrechter van 9 juli 2024 en bijgevolg voor recht zal verklaren dat Sportcity c.s. volledig aansprakelijk is jegens [eiser] en daarom gehouden is zijn schade als gevolg van het incident met de seated leg curlte vergoeden waaronder een veroordeling in de betaling van de kosten van het deelgeschil welke zijn begroot op € 7.933,00;\n\nSubsidiair: verlof zal verlenen voor het tussentijds hoger beroep;\n\nSportcity c.s. zal veroordelen in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten.\n\n4.2.. Sportcity c.s. voert verweer en concludeert dat de rechtbank zich onbevoegd zal verklaren om alsnog van de vorderingen van [eiser] kennis te nemen, het verlofverzoek van [eiser] zal afwijzen respectievelijk de vorderingen van [eiser] niet-ontvankelijk zal verklaren althans deze af te wijzen, en met veroordeling van [eiser] in de proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na het te wijzen vonnis tot de dag van algehele voldoening, uitvoerbaar bij voorraad.\n\n4.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n5. De beoordeling\n\nDe rechtbank komt niet terug op de beslissing van de deelgeschilrechter\n\n5.1.. Primair vordert [eiser] om terug te komen op de beslissing van de deelgeschilrechter van 9 juli 2024 en bijgevolg voor recht te verklaren dat Sportcity c.s. volledig aansprakelijk is jegens [eiser] om zijn schade te vergoeden, waaronder de kosten van het deelgeschil. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling uitgelegd dat volgens hem de slijtage van het fitnessapparaat de oorzaak moet zijn geweest voor het ongeval en dat Sportcity c.s. daarvoor aansprakelijk is. De deelgeschilrechter heeft hierover al een beslissing genomen en deze redenering van [eiser] afgewezen. Voordat kan worden toegekomen aan de vraag of Sportcity c.s. aansprakelijk is voor de schade en de kosten van het deelgeschil, moet eerst de vraag worden beantwoord in hoeverre de rechtbank gebonden is aan die beslissing van de deelgeschilrechter.\n\nHet toetsingskader\n\n5.2.. Als in een deelgeschil uitdrukkelijk en zonder voorbehoud is beslist op een of meer feitelijke of juridische geschilpunten tussen partijen over hun materiële rechtsverhouding, is de rechter in de daaropvolgende bodemprocedure op dezelfde wijze aan die beslissingen gebonden als wanneer deze beslissingen waren gegeven in een tussenvonnis in die bodemprocedure (artikel 1019cc lid 1 Rv). In beginsel is de rechter aan bindende eindbeslissingen gebonden voor het verdere verloop van de procedure bij de rechtbank. Dit heeft te maken met de eisen van de goede procesorde en een vlot procesverloop. Als partijen het niet eens zijn met een beslissing is het in beginsel de bedoeling dat een rechtsmiddel wordt ingesteld. Dit uitgangspunt geldt echter niet onverkort. De eisen van de goede procesorde kunnen ook meebrengen dat de rechtbank van zo’n eindbeslissing terugkomt. Een van deze redenen is dat de rechtbank bevoegd is een eindbeslissing te heroverwegen als is gebleken dat die eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag en handhaving van deze onjuiste lezing zou leiden tot een einduitspraak waarvan zij overtuigd is dat deze ondeugdelijk is (Zie conclusie A-G bij HR 17 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1591, ECLI:NL:PHR:2023:850 r.o. 3.2 en verder).\n\n5.3.. Dit betekent dat de rechtbank moet beoordelen of sprake is van een onjuiste feitelijke of juridische grondslag. De rechtbank stelt vast dat de deelgeschilrechter in de beschikking van 9 juli 2024, uitdrukkelijk en zonder voorbehoud het volgende heeft beslist. Het meest aannemelijke scenario voor de oorzaak van het wegvallen van de weerstand lijkt naar het oordeel van de deelgeschilrechter te zijn geweest dat de pin tussen twee gaten is blijven hangen en op enig moment is losgeschoten. Dit volgt uit de geciteerde passages onder r.o. 3.4. Daarnaast heeft de deelgeschilrechter beslist dat de stelling van [eiser] niet wordt gevolgd dat de slijtage op de verstelschijf ertoe heeft geleid dat de pin is blijven hangen. Daarbij was (onder meer) niet gebleken dat een pin niet kan blijven hangen op een nieuwe schijf, waardoor er geen verband kon worden gelegd tussen het blijven hangen van de pin en de slijtage. De deelgeschilrechter heeft op grond van deze feiten de aansprakelijkheid ex artikel 6:173 BW jo 6:181 lid BW afgewezen. De rechtbank is aan deze beslissingen van de deelgeschilrechter dus gebonden, tenzij blijkt dat de beslissing berust op een onjuiste feitelijke of juridische grondslag.\n\nEr is niet gebleken van een onjuiste feitelijke grondslag\n\n5.4.. \n [eiser] heeft zich er ten eerste op beroepen dat het oordeel van de deelgeschilrechter berust op een onjuiste feitelijke grondslag. [eiser] stelt zich op het standpunt dat na de beschikking van de deelgeschilrechter nieuwe feiten bekend zijn geworden met betrekking tot zijn beroep op de artikelen 6:173 BW jo 6:181 lid 1 BW. Volgens [eiser] is na de deelgeschilprocedure feitelijk gebleken dat de selectiepin niet kan blijven hangen op een onversleten schijf. De deelgeschilrechter ging, vanwege het ontbreken van deze (nieuwe) informatie, ervan uit dat er geen verband bestond tussen het blijven hangen van de selectiepin en de slijtage op de verstelschijf. Dit is feitelijk onjuist gebleken, aldus [eiser].\n\n5.5.. Sportcity c.s. betwist dat sprake is van nieuwe feiten. Volgens Sportcity c.s. gaat het om eerder ingenomen en door de deelgeschilrechter beoordeelde stellingen van [eiser]. Onder verwijzing naar hetgeen zij reeds heeft aangevoerd in de deelgeschilprocedure betwist Sportcity c.s. het door [eiser] gestelde vermeende gebrek aan het fitnesstoetstel bestaande uit de slijtage aan de verstelschijf. Volgens Sportcity c.s. is de door [eiser] gestelde schade niet veroorzaakt door een versleten schijf maar door onjuist gebruik van het fitnesstoestel door [eiser] zelf. Verder voert Sportcity c.s. aan dat het door [eiser] gestelde ongeval ook had kunnen plaatsvinden bij een (nagenoeg) nieuwe schrijf.\n\n5.6.. \n [eiser] onderschrijft het oordeel van de deelgeschilrechter dat de pin is losgeschoten, maar volgens [eiser] is dat het gevolg van slijtage aan het apparaat en is Sportcity c.s. daarvoor aansprakelijk. [eiser] voert in dit kader aan dat de selectiepin niet kan blijven hangen op een onversleten schijf. Dit is volgens [eiser] een nieuw feit. De rechtbank is van oordeel dat hetgeen door [eiser] is aangevoerd onvoldoende concreet is om terug te komen op de bindende eindbeslissing van de deelgeschilrechter dat niet kan worden vastgesteld dat het losschieten van de pin het gevolg is van slijtage aan het apparaat. Ter onderbouwing van zijn stelling dat de pin niet kan blijven hangen op een onversleten schijf, heeft [eiser] met name een beroep gedaan op een e-mail van 20 december 2024 van [naam], marktverantwoordelijke voor de verkoop van Precor toestellen (het fitnesstoestel waarmee het door [eiser] gestelde ongeval heeft plaatsgevonden). Hierin schrijft [naam]: ‘‘Wat verstellen van rugleuning of kussens betreft dat gaat via een draai & pull beweging en als de pin na de juiste instelling weer wordt losgelaten dan komt ze in het daarvoor voorziene gat. Indien het gat niet juist voor de pin zit zal deze verschuiven tot de pin er in zit.’’ De e-mail bevat een algemene beschrijving van de werkwijze van het fitnesstoestel. Hieruit blijkt niet voldoende concreet dat het niet mogelijk is dat de pin uit het gat kan schieten bij een onversleten schijf. Deze enkele e-mail is dan ook mede in het licht van de beoordeling in de deelgeschilbeschikking onvoldoende om feitelijk vast te stellen dat het blijven hangen van de pin het gevolg is van slijtage. Ook de andere door [eiser] overgelegde producties bieden geen steun voor het door [eiser] ingenomen standpunt dat sprake is van een onjuiste feitelijke grondslag. Die producties bevatten verklaringen ter onderbouwing van de in de deelgeschilprocedure al ingenomen standpunten van [eiser]. Deze argumenten zijn inhoudelijk al in de deelgeschilprocedure beoordeeld. Dat betekent dat niet kan worden aangenomen dat de deelgeschilrechter uitgegaan is van onjuiste feiten of dat anderszins sprake is van een onjuiste feitelijke grondslag ten aanzien van de beoordeling van artikel 6:173 BW jo 6:181 lid 1 BW. De rechtbank zal niet terugkomen op de bindende eindbeslissing van de deelgeschilrechter.\n\n5.7.. Ten aanzien van de beoordeling van de zorgplichtschending ex artikel 6:162 BW heeft [eiser] niet expliciet toegelicht op grond waarvan volgens hem bij die beoordeling sprake is geweest van een onjuiste feitelijke grondslag. [eiser] heeft de eerder in de deelgeschilprocedure ingenomen stellingen aangevoerd. Dat is niet genoeg om terug te komen op de bindende eindbeslissing van de deelgeschilrechter dat Sportcity c.s. niet aansprakelijk is op grond van artikel 6:162 BW.\n\nEr is ook niet gebleken van een onjuiste juridische grondslag\n\n5.8.. Ter zitting is door [eiser] aanvullend aangevoerd dat ook sprake is van een onjuiste juridische grondslag die aanleiding geeft om terug te komen op een bindende eindbeslissing. Volgens [eiser] had de deelgeschilrechter als zij geen gebrek aan het fitnestoestel kon aannemen de bewijslast moeten omkeren omdat Sportcity c.s. bewijs heeft vernietigd door de verstelschijf weg te gooien.\n\n5.9.. Ook hierin volgt de rechtbank [eiser] niet. De deelgeschilrechter is niet aan bewijslevering toegekomen en heeft geen expliciet oordeel gegeven over de bewijslastverdeling. Ten aanzien van de bewijslastverdeling is geen sprake van een bindende eindbeslissing. Dit wil echter niet zeggen dat de deelgeschilrechter dit standpunt van [eiser] niet in de beoordeling heeft betrokken. In het verzoekschrift waarmee [eiser] de deelgeschilprocedure is gestart, wordt namelijk ook al feitelijk gesteld dat de oude schijf inmiddels was weggegooid en heeft [eiser] al een beroep gedaan op omkering van de bewijslast. Dit was ook in de deelgeschilprocedure dus al een bekende stelling. De deelgeschilrechter heeft vervolgens op feitelijke gronden geoordeeld dat de oorzaak van het wegvallen van de pin niet kan worden vastgesteld en dat in het verlengde daarvan aansprakelijkheid niet kan worden aangenomen. De rechtbank kan in beginsel niet treden in deze inhoudelijke beoordeling van de deelgeschilrechter nu niet is gebleken van een onjuiste feitelijke grondslag. Overigens volgt uit de stellingen van [eiser] ook niet dat de toepassing van de stelplicht en bewijslast in de deelgeschilprocedure berusten op een onjuiste juridische grondslag. Uit de beschikking leidt de rechtbank af dat ten aanzien van de stelplicht de hoofdregel uit artikel 150 Rv. is toegepast. Afwijking daarvan door omkering van de bewijslast is een uitzondering die terughoudend en slechts onder bijzondere omstandigheden moet worden toegepast. Tegen deze achtergrond kan niet worden aangenomen dat het inhoudelijke oordeel van de deelgeschilrechter berust op een onjuiste juridische grondslag. De rechtbank ziet in deze fase van de procedure ook geen grond voor een andere toepassing van de verdeling van de stelplicht en bewijslast. Voor zover [eiser] meent dat de deelgeschilrechter op dit punt een onjuist oordeel heeft gegeven, ligt het op zijn weg om daartegen op te komen door het instellen van een rechtsmiddel. Dit levert ook geen grond op om in deze procedure terug te komen op de bindende eindbeslissing van de deelgeschilrechter.\n\nConclusie\n\n5.10.. De conclusie is dat de rechtbank niet terugkomt op de beslissing van de deelgeschilrechter en bijgevolg dus ook niet toekomt aan een nieuwe beoordeling van de vraag of Sportcity c.s. aansprakelijk is om de schade van [eiser] te vergoeden en de kosten van het deelgeschil. De primaire vordering van [eiser] zal dan ook worden afgewezen.\n\nDe rechtbank hoeft geen verlof voor tussentijds hoger beroep meer te verlenen\n\n5.11.. Voor het geval de rechtbank gebonden is aan de beslissing van de deelgeschilrechter, dan verzoekt [eiser] subsidiair om verlof te verlenen om tussentijds hoger beroep in te stellen tegen de beschikking van de deelgeschilrechter.\n\nHet toetsingskader\n\n5.12.. Bij de beoordeling van het verzoek tussentijds hoger beroep toe te staan stelt de rechtbank het volgende voorop. Ingevolge artikel 1019bb Rv staat tegen de beschikking van de deelgeschilrechter geen voorziening open, onverminderd het bepaalde in artikel 1019cc lid 3 Rv. In artikel 1019cc lid 3 Rv is bepaald dat in de procedure ten principale van de beschikking van de deelgeschilrechter, voor zover zij beslissingen als bedoeld in het eerste lid bevat, bij het gerechtshof hoger beroep kan worden ingesteld als van een tussenvonnis. Dat beroep moet op grond van dat artikel binnen drie maanden worden ingesteld, te rekenen vanaf de eerste roldatum, zijnde 11 juni 2025. Ook moet binnen dezelfde termijn aan de (bodem)rechter een verzoek worden gedaan tot het verlenen van verlof. In het arrest van de Hoge Raad van 17 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1924 is bepaald dat de appeltermijn van drie maanden gaat lopen vanaf de datum van het vonnis waarbij het verlof voor tussentijds hoger beroep is verleend. Daarnaast kan hoger beroep worden ingesteld tegen de deelgeschilbeschikking tegelijk met het hoger beroep tegen het eindvonnis (sub b van artikel 1019cc lid 3 Rv)\n\nDe rechtbank wijst eindvonnis\n\n5.13.. \n [eiser] heeft primair een oordeel gevraagd over de bindende eindbeslissing in de deelgeschiluitspraak. De rechtbank begrijpt de vordering en de toelichting zo dat [eiser] heeft beoogd dat eerst in de bodemprocedure bij de rechtbank zou worden beoordeeld of aanleiding bestond om terug te komen op een bindende eindbeslissing. [eiser] heeft eerst subsidiair gevraagd verlof te verlenen voor tussentijds hoger beroep. De rechtbank zal het verlofverzoek van [eiser] om tussentijds hoger beroep in te stellen afwijzen nu met dit vonnis al een eindvonnis zal worden gewezen en [eiser] in zoverre geen belang meer heeft bij tussentijds beroep. Daarvoor is van belang dat [eiser] primair uitsluitend vordert dat de rechtbank terugkomt op de bindende eindbeslissing en een verklaring voor recht geeft dat Sportcity c.s. aansprakelijk is. Die vordering zal gelet op het voorgaande worden afgewezen. Er zijn verder door [eiser] geen vorderingen ingesteld waarop de rechtbank in deze instantie nog een beslissing moet nemen. De in de deelgeschilbeschikking vervatte beslissingen zijn dan ook niet langer cruciaal en bepalend voor de afloop van deze bodemzaak. Gelet op deze omstandigheden zal de rechtbank eindvonnis wijzen. Op grond van artikel 1019cc lid 3 onder b Rv kan [eiser] tegen dit eindvonnis, alsmede tegen de beschikking van de deelgeschilrechter, in hoger beroep om welke reden de rechtbank geen verlof meer hoeft te verlenen.\n\n [eiser] moet de proceskosten betalen\n\n5.14.. \n [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Sportcity c.s. worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n714,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.306,00\n\n(2 punten × € 653,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.209,00\n\n5.15.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n6.1.. wijst de vorderingen van [eiser] af,\n\n6.2.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.209,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n6.3.. veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n6.4.. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. D.N.R. Wegerif en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3383","2026-07-13T00:29:33.367Z",{"id":206,"ecli":207,"slug":208,"caseNumber":44,"courtId":45,"decisionDate":152,"fullText":209,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":210,"sourceTimestamp":80,"parsedAt":52,"updatedAt":211},"1686","ECLI:NL:RBAMS:2026:6375","ecli-nl-rbams-2026-6375","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F783609 \u002F HA ZA 26-151\n\nVonnis in incident van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\neisende partij in de hoofdzaak,\n\nverwerende partij in het incident,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\nadvocaat: mr. W.A. van Veen,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij in de hoofdzaak,\n\neisende partij in het incident,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nadvocaat: mr. J. Kruijswijk Jansen.\n\nen\n\nGEMEENTE AMSTELVEEN,\n\ngevestigd in Amstelveen,\n\ngedaagde partij in de hoofdzaak,\n\nverwerende partij in het incident,\n\nhierna te noemen: de gemeente,\n\nadvocaat: mr. T. Jaspers.\n\n1. De procedure1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding, met producties,\n\n- de conclusie van antwoord van de gemeente, met producties,\n\n- de incidentele conclusie voor alle weren ex artikel 194 en 195 Rv van [gedaagde] ,\n\n- de conclusie van antwoord in het incident van [eiser] , met producties,\n\n- de conclusie van antwoord in het incident van de gemeente.\n\n1.2.. Het vonnis in incident is bepaald op vandaag.2. De feiten, voor zover van belang in incident2.1.. \n [eiser] heeft bij de vuilnisophaaldienst van de gemeente gewerkt. Hij werd door de gemeente als uitzendkracht ingehuurd. Op 26 september 1997 is hij beklemd geraakt tussen de hydraulische armlift en het veiligheidshek van de vuilniswagen. Hij heeft daardoor ernstig letsel opgelopen en is volledig arbeidsongeschikt geworden.\n\n2.2.. Op 21 december 1998 heeft de gemeente aan de toenmalige advocaat van [eiser] laten weten dat het college van B&W van de gemeente op 6 januari 1998 de aansprakelijkheid voor de letselschade van [eiser] heeft erkend. De gemeente heeft een aantal materiële schadeposten vergoed en de WAO-uitkering van [eiser] aangevuld tot het niveau van zijn laatste salaris.\n\n2.3.. In april 2006 heeft advocaat [gedaagde] de zaak overgenomen van zijn voorganger. De toenmalige kantoorgenoot van [gedaagde] heeft tussen 18 augustus 2006 tot en met 11 november 2008 met de gemeente contact gehad over vergoeding van andere schadeposten als gevolg van het ongeval van [eiser] . [gedaagde] heeft [eiser] tot begin 2024 bijgestaan en toen zijn dossier overgedragen aan de accountant van [eiser] .\n\n2.4.. Op 13 maart 2024 hebben de nieuwe advocaten van [eiser] de gemeente laten weten dat de schade van [eiser] nog niet volledig is vergoed en dat [eiser] zijn vordering tot vergoeding daarvan handhaaft.\n\n2.5.. Op 7 april 2025 heeft de gemeente [eiser] laten weten dat zij nooit aansprakelijkheid heeft erkend voor de volledige schade van [eiser] , maar alleen voor de schadeposten die zijn en nog steeds worden vergoed. Volgens de gemeente zijn andere schadeposten verjaard en is de termijn daarvoor gaan lopen op 15 december 2003 of 9 december 2004.\n\n2.6.. In april en mei 2025 hebben de advocaten van [eiser] [gedaagde] laten weten dat hij aansprakelijk wordt gehouden voor de schade van [eiser] . Volgens [eiser] is [gedaagde] aansprakelijk omdat hij zijn vordering heeft laten verjaren en hij niet aan zijn inspanningsverplichting heeft voldaan. Daarna is gebleken dat een brief van [gedaagde] van 11 november 2008 als stuitingshandeling kan worden gezien. De gemeente heeft vervolgens een beroep gedaan op verjaring van de vordering van [eiser] per 11 november 2013.\n\n2.7.. Op 17 juli 2025 heeft de rechtbank in een door [eiser] gestarte kort gedingprocedure een ordemaatregel getroffen die inhoudt dat [gedaagde] € 55.500,00 aan [eiser] betaalt onder de voorwaarde dat [eiser] de vordering die hij op de gemeente heeft voor vergoeding van de andere schadeposten voor dat bedrag aan [gedaagde] cedeert. Aan de veroordelingen in de uitspraak in kort geding is voldaan. Daarna heeft [eiser] [gedaagde] in een bodemprocedure betrokken.3. De vordering in de hoofdzaak3.1.. \n\n [eiser] vordert dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad:\n\n1) bij tussenvonnis bepaalt dat de vordering van [eiser] op de gemeente vanwege het arbeidsongeval van 26 september 1997 is verjaard of niet is verjaard,\n\n2) voor recht verklaart dat:\n\n- als de vordering van [eiser] op de gemeente is verjaard, [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade van [eiser] als gevolg van het arbeidsongeval in 1997 en tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding van € 9.999,\n\n- als de vordering van [eiser] op de gemeente niet is verjaard, de gemeente, die de aansprakelijkheid voor de schade van [eiser] heeft erkend, gehouden is de schade van [eiser] te vergoeden en een voorschot op de schadevergoeding van € 9.999 te betalen,\n\n- in beide gevallen met verwijzing naar de schadestaatprocedure voor de overige schade,\n\n3) voor recht verklaart dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade als gevolg van zijn onvoldoende inspanning in de 17 jaar dat hij de zaak van [eiser] onder zich heeft gehad, met verwijzing voor de bepaling van de schade naar de schadestaatprocedure,\n\n4) [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten.4. Het geschil in incident4.1.. \n\n [gedaagde] vordert dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad:\n\n1) [eiser] primair veroordeelt tot afgifte van en subsidiair tot inzage in alle correspondentie tussen (de vertegenwoordiger van) [eiser] en (de vertegenwoordiger van) de gemeente van 21 oktober 1997 tot aan vandaag over de afwikkeling van de aanspraken tot schadevergoeding als gevolg van het ongeval van 26 september 1997, waaronder die over de fiscale benadering van de uit te keren schadevergoeding, dit binnen 7 dagen na het vonnis in incident, op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag dat [eiser] niet aan de veroordeling voldoet, met veroordeling van [eiser] in de kosten van het incident,\n\n2) de gemeente primair veroordeelt tot afgifte van en subsidiair tot inzage in alle correspondentie tussen (de vertegenwoordiger van) [eiser] en (de vertegenwoordiger van) de gemeente van 21 oktober 1997 tot aan vandaag over de afwikkeling van de aanspraken tot schadevergoeding als gevolg van het ongeval van 26 september 1997,\n\nwaaronder die over de fiscale benadering van de uit te keren schadevergoeding, dit binnen 7 dagen na het vonnis in incident, op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag dat de\n\ngemeente dit niet doet, met veroordeling van de gemeente in de kosten van het incident.\n\n4.2.. \n [eiser] en de gemeente verweren zich tegen de incidentele vorderingen van [gedaagde] en willen dat die worden afgewezen, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het incident.\n\n4.3.. Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, verder ingegaan.5. De beoordeling in incidentDe vordering tot inzage op grond van artikel 194 en 195 Rv5.1.. Een partij heeft via artikel 194 in samenhang met artikel 195 Rv de mogelijkheid om via de rechter inzage van bepaalde gegevens te vorderen. Het recht op inzage daarvan komt toe aan a) een partij bij een rechtsbetrekking, als die partij b) daarbij voldoende belang heeft. De wederpartij is niet verplicht tot het geven van inzage als zij een beroep kan doen op een verschoningsrecht of als gewichtige redenen daaraan in de weg staan.\n\n5.2.. De rechtbank is van oordeel dat de vorderingen van [gedaagde] in beide gevallen beperkt kunnen worden toegewezen, omdat hij daarbij slechts gedeeltelijk belang heeft.\n\n [eiser] : inzage wordt toegestaan met betrekking tot correspondentie tussen de gemeente en [eiser] zelf5.3.. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] geen belang bij zijn vordering omdat [eiser] [gedaagde] op 19 juni 2025 een kopie van de relevante stukken uit het dossier heeft verstrekt. Daarmee heeft [eiser] aan de vordering tot inzage voldaan. Ook heeft [eiser] [gedaagde] de gelegenheid gegeven om het volledige dossier in te zien op het kantoor van zijn advocaat. [gedaagde] heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt en doet dat nog steeds niet. [eiser] is bereid [gedaagde] nog een keer een digitale kopie van het dossier te sturen, als [gedaagde] daarvan de kosten betaalt. Voor zover [gedaagde] wel belang zou hebben bij inzage geldt dit volgens [eiser] alleen voor de correspondentie tussen hem en de gemeente vanaf 15 december 2003. De gemeente stelt zich namelijk op het standpunt dat dat de datum is waarop de verjaringstermijn is gaan lopen.\n\n5.4.. \n\nDe rechtbank volgt [eiser] in zijn verweer dat [gedaagde] geen belang heeft bij zijn inzagevordering van het dossier als geheel. [eiser] heeft hem al een digitale kopie verstrekt van de relevante correspondentie en voor zover [gedaagde] meent dat dit niet compleet is, kan hij het dossier dat aanwezig is bij de advocaat van [eiser] inzien.\n\nDaarvoor heeft [gedaagde] dus geen gerechtelijk bevel nodig. [gedaagde] heeft wel voldoende belang bij de halfjaarlijkse correspondentie tussen [eiser] zelf en de gemeente over de vaststelling van het bedrag van de vergoeding van het verlies aan arbeidsvermogen die de gemeente hem periodiek uitkeerde. Hij heeft onderbouwd dat die relevant kan zijn voor de verjaringsvraag. [gedaagde] is weliswaar bekend met de inhoud van deze correspondentie, maar beschikt daar kennelijk niet over en deze bevindt zich kennelijk ook niet in de reeds verstrekte digitale kopie. Of deze brieven, die aan [eiser] zelf gestuurd zijn, zich in het dossier bevinden is onzeker. De rechtbank zal daarom bepalen dat [gedaagde] het dossier kan inzien om vast te stellen of deze brieven zich in het dossier bevinden en dat, als dat het geval is, hem daarvan afschrift moet worden verstrekt.\n\n5.5.. Voor zover de inzagevordering van [gedaagde] gaat om de correspondentie tussen de accountant en de gemeente geldt daarvoor dat het belang van [gedaagde] ontbreekt. De accountant heeft namelijk verklaard dat er eenmaal is gecorrespondeerd tussen hem en de gemeente en dat dit ging over de uitkomst van de procedure tussen [eiser] en de belastingdienst. In die procedure heeft de rechtbank geoordeeld dat over de door de gemeente uit te betalen schadeposten geen loonbelasting moet worden geheven. Voor de in dit geding te beantwoorden vraag of de vordering van [eiser] op de gemeente is verjaard is deze kwestie niet van belang.\n\n5.6.. De conclusie is dat de vordering van [gedaagde] tot inzage door [eiser] wordt toegewezen in die zin dat [gedaagde] inzage moet worden verschaft in het dossier en dat hem afschrift moet worden verstrekt van de onder 5.4 genoemde halfjaarlijkse brieven van de gemeente aan [eiser] zelf, als deze in het dossier worden aangetroffen en van eventuele andere stukken die [gedaagde] relevant acht en die niet reeds elektronisch zijn verstrekt. De rechtbank ziet gezien de bereidheid die [eiser] tot op heden heeft getoond om het dossier ter beschikking te stellen geen aanleiding voor een dwangsom. Wel geldt dat de rechter aan een eventueel gebrek aan medewerking gevolgen kan verbinden. De termijn om inzage en zo nodig afschrift te verstrekken zal worden bepaald op twee weken. Voor zover aan het verstrekken van afschriften kosten zijn verbonden, zal [gedaagde] deze op grond van artikel 194 lid 1 Rv moeten dragen.\n\nGemeente moet [gedaagde] beperkt inzage geven in correspondentie vanaf 15 december 20035.7.. De gemeente heeft aangevoerd dat het belang bij inzage voor [gedaagde] ontbreekt, dat de door [gedaagde] gevraagde informatie onvoldoende is bepaald en dat geen sprake is van een rechtsbetrekking. Het is [gedaagde] bekend dat de gemeente de andere schadeposten waarop [eiser] aanspraak maakt nooit heeft betaald en dat de gemeente ook geen verdere aansprakelijkheid heeft erkend. Correspondentie over de betalingen die wel zijn gedaan, zijn dan ook voor [gedaagde] niet relevant voor zijn verweer tegen de verjaring in de hoofdzaak. Ook kan de gemeente niet worden belast met het terugvinden van alle correspondentie die over een periode van bijna 30 jaar is gevoerd. [gedaagde] had de gevraagde correspondentie moeten concretiseren. Daarnaast kan [gedaagde] de gevraagde correspondentie ook opvragen bij [eiser] en is onduidelijk waarom [gedaagde] correspondentie wil hebben die hij zelf met de gemeente heeft gevoerd. Hij had de correspondentie zelf moeten bewaren en heeft dat niet gedaan. Daarbij komt dat [gedaagde] zijn vordering tot inzage niet tot de gemeente kan richten, omdat de gemeente in de hoofdzaak als derde is opgeroepen. Er is daarmee geen rechtsbetrekking. Voor zover de rechtbank de vordering alsnog toewijst, vraagt de gemeente de gevorderde dwangsom te matigen tot een bedrag van € 100 per dag met een maximum van € 1000.\n\n5.8.. De rechtbank volgt de gemeente niet in haar verweer dat [gedaagde] geen heeft belang bij inzage of dat hij met de gemeente geen rechtsbetrekking heeft. [gedaagde] heeft immers een vordering van [eiser] op de gemeente gecedeerd gekregen. Hij heeft daarom ook belang bij correspondentie voor zover deze relevant kan zijn voor de vraag of de (aan hem gecedeerde) vordering van [eiser] op de gemeente verjaard is. Of de door de gemeente wel vergoede schadeposten de verjaring wel of niet heeft gestuit zal in de hoofdzaak moeten worden bepaald. Dit staat daarmee inzage door [gedaagde] van de correspondentie daarover niet in de weg. [gedaagde] beschikt niet (meer) over de betreffende correspondentie. De gemeente stelt terecht dat [gedaagde] als advocaat in ieder geval de beschikking zou moeten hebben over de correspondentie die hij zelf namens [eiser] met de gemeente heeft gevoerd. Aannemelijk is dat [gedaagde] begin 2024 geen kopie heeft gemaakt van het dossier en dat toen in zijn geheel heeft overgedragen aan de accountant van [eiser] en dat dit dossier inmiddels wordt beheerd door de nieuwe advocaat van [eiser] . Omdat hij zich tot [eiser] kan richten om daar (via zijn advocaat) inzage in te krijgen ontbreekt in zoverre belang om diezelfde correspondentie van de gemeente ter inzage te krijgen. Dat is anders voor zover het gaat om correspondentie van de gemeente rechtstreeks aan [eiser] zelf. Die kan van belang kan zijn voor het verweer in de door [eiser] tegen hem gestarte hoofdzaak. Of die correspondentie zich in het dossier van [eiser] bevindt is onzeker, terwijl er wel een gerede kans is dat de gemeente daar nog over beschikt. Dit is grond om te bepalen dat [gedaagde] afschrift dient te worden verstrekt van alle correspondentie die door de gemeente rechtstreeks aan [eiser] zelf is verzonden, zonder afschrift aan zijn advocaat, vanaf 15 december 2003, omdat de gemeente zich op het standpunt stelt dat vanaf die datum de verjaring is gaan lopen. Voor de correspondentie van voor die datum geldt dat [gedaagde] daar geen belang bij heeft.\n\n5.9.. Het verweer van de gemeente dat er geen rechtsbetrekking is omdat zij als derde in de hoofdzaak is opgeroepen gaat niet op. De rechtsbetrekking met de gemeente volgt uit het gegeven dat het hier gaat om de aanspraak op aanvullende vergoeding van schadeposten door de gemeente aan [eiser] en dat [eiser] zijn vordering op de gemeente voor € 55.000 heeft gecedeerd aan [gedaagde] . Bovendien volgt uit artikel 118 Rv dat een partij, in dit geval de gemeente, die als derde is opgeroepen, partij is in het geding, zodat er een rechtsbetrekking is.\n\n5.10.. Dit betekent dat de vordering van [gedaagde] tot inzage door de gemeente wordt toegewezen zoals vermeld onder 5.8. De rechtbank stelt de termijn hiervoor vast op vier weken na de datum van dit vonnis, omdat het hier gaat om een lange periode en de gemeente tijd nodig zal hebben om de correspondentie te achterhalen. De rechtbank ziet geen aanleiding de gemeente een dwangsom op te leggen. Voor zover aan het verstrekken van afschriften kosten zijn verbonden, zal [gedaagde] deze op grond van artikel 194 lid 1 Rv moeten dragen.\n\nDe proceskosten worden gecompenseerd5.11.. Omdat de vorderingen van [gedaagde] jegens zowel [eiser] als de gemeente slechts voor een klein deel zijn toegewezen ziet de rechtbank aanleiding de kosten te compenseren; iedere partij draagt de eigen kosten in dit incident.6. De beslissing\n\nDe rechtbank,\n\nin het incident\n\n6.1.. beveelt [eiser] aan [gedaagde] binnen twee weken na de datum van dit vonnis inzage en afschrift te verschaffen op de wijze zoals vermeld onder 5.6,\n\n6.2.. beveelt de gemeente aan [gedaagde] binnen vier weken na de datum van dit vonnis inzage en afschrift te verschaffen op de wijze zoals vermeld zoals vermeld onder 5.8,6.3.. compenseert de proceskosten in dit incident; iedere partij draagt de eigen kosten,\n\n6.4.. wijst het meer of anders gevorderde af,\n\nin de hoofdzaak\n\n6.5.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, rechter, bijgestaan door mr. N. Noordmans, griffier en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6375","2026-07-13T00:29:33.558Z",47,20,[11,215,216],2025,2023]