[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-traffic-fines-nl-2025":3},{"detail":4,"years":69},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":19,"page":14,"limit":68},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},100,"traffic-fines-nl","Traffic Fines","NL","2026-07-08T16:56:40.723Z",2025,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":15},4,{"month":23,"count":15},5,{"month":25,"count":15},6,{"month":27,"count":15},7,{"month":29,"count":14},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":17},11,{"month":37,"count":15},12,[39,53,60],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"1609","ECLI:NL:RBNNE:2025:5930","ecli-nl-rbnne-2025-5930","",70,"2025-11-26T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Leeuwarden\n\nBestuursrecht\n\nbeschikkingsnummer: 264635342\n\nzaaknummer: 11682592 BU VERZ 25-954\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van26 november 2025\n\nin de zaak van\n\n [betrokkene] (de betrokkene),\n\ndie woont in [woonplaats] ,\n\ngemachtigde: mr. N.G.A. Voorbach, Verkeersboete.nl.\n\nInleiding\n\n1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden’, verricht op 5 maart 2024, om 11:44 uur, op de Groningerstraat in Surhuisterveen, met een personenauto, met kenteken [kenteken] . De opgelegde boete bedraagt € 429,00 (inclusief administratiekosten).\n\n1.1.. Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.\n\n1.2.. \n\nDe kantonrechter heeft het beroep op 26 november 2025 op de zitting behandeld. Daarbij was aanwezig als vertegenwoordigster van de officier van justitie\n\nmr. P. Veenstra.\n\n1.3.. Na afloop van de behandeling op de zitting heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.\n\nBeoordeling door de kantonrechterBeslissing\n\n2. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep ongegrond is. De kantonrechter zal hierna uitleggen waarom hij dat doet.\n\nStandpunten\n\n3. Betrokkene voert aan dat hij geen mobiel elektronisch apparaat heeft vastgehouden, maar zijn Justitiebadge. Hij heeft geblindeerde ramen en hij was aan het rommelen in zijn zakken, op zoek naar zijn badge. Deze badge heeft wel de vorm van een mobiele telefoon. De verbalisant vroeg aan hem wat voor telefoon hij had. Hij heeft zijn telefoon toen uit het opbergvakje gehaald, waar die lag op te laden. Gemachtigde voert aan dat betrokkene de verkeersovertreding consistent heeft ontkend. Betrokkene heeft dat ook direct bij de staandehouding gedaan. De verklaring van de verbalisant is niet compleet, omdat hij niet heeft verklaard hoe hij de verkeersovertreding heeft waargenomen. Het aanvullend proces-verbaal voegt ook niets toe aan de verklaring in het zaakoverzicht.\n\n4. De vertegenwoordigster stelt zich op het standpunt dat het beroep ongegrond verklaard moet worden. De verbalisant heeft verklaard dat hij alleen een boete oplegt als hij zeker is dat hij een verkeersovertreding heeft gezien. Daarnaast heeft betrokkene tijdens de staandehouding niet verklaard dat hij een badge uit zijn zak aan het halen was.\n\nOverwegingen\n\n5. Betrokkene betwist de verkeersovertreding. In zaken op grond van de Wahv is de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht in beginsel voldoende voor het vaststellen van de verkeersovertreding, tenzij concrete omstandigheden worden aangevoerd die aanleiding geven tot twijfel.\n\n5.1.. De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan de verklaring van de verbalisant te twijfelen. Die verklaart dat hij zag dat betrokkene een mobiel elektronisch apparaat vasthad. Een badge is normaal niet zo groot dat die makkelijk verward kan worden met een mobiele telefoon. Daarnaast heeft betrokkene juist niet consistent aangevoerd dat hij een badge vasthad. Hij heeft dit namelijk in administratief beroep en bij de staandehouding niet aangevoerd, terwijl dat wel van hem verwacht mag worden als hij inderdaad een badge vasthad. De kantonrechter ziet geen aanleiding om de boete te matigen.\n\nConclusie\n\nDe kantonrechter verklaart het beroep ongegrond.\n\nWaarvan proces-verbaal,\n\nmr. M. Hidding, griffier mr. P.G. Wijtsma, kantonrechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nAls u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het\n\ngerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:\n\na. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of\n\nb. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.\n\nHet (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.\n\nDe wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2025:5930","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:29.474Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":57,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":58,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":59},"1612","ECLI:NL:RBNNE:2025:5931","ecli-nl-rbnne-2025-5931","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Leeuwarden\n\nBestuursrecht\n\nbeschikkingsnummer: 263456310\n\nzaaknummer: 11682532 BU VERZ 25-945\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van26 november 2025\n\nin de zaak van\n\n [betrokkene] (de betrokkene),\n\ndie woont in [woonplaats] ,\n\ngemachtigde: G. Debije, Meesterboete.nl.\n\nInleiding\n\n1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘11 km per uur harder rijden dan mag op een (auto)weg buiten de bebouwde kom (verkeersbord A1)’, verricht op 5 januari 2024, om 13:56 uur, op de N351 Bovenweg HMP 8.0 in Nijeberkoop, met een personenauto, met kenteken [kenteken] . De opgelegde boete bedraagt € 113,00 (inclusief administratiekosten).\n\n1.1.. Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.\n\n1.2.. \n\nDe kantonrechter heeft het beroep op 26 november 2025 op de zitting behandeld. Daarbij was aanwezig als vertegenwoordigster van de officier van justitie\n\nmr. P. Veenstra.\n\n1.3.. Na afloop van de behandeling op de zitting heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.\n\nBeoordeling door de kantonrechterBeslissing\n\n2. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep ongegrond is. De kantonrechter zal hierna uitleggen waarom hij dat doet.\n\nStandpunten\n\n3. Gemachtigde voert aan dat er ter plaatse geen bebording is waarop een afwijkende snelheid staat. De verbalisant heeft de bebording niet geschouwd, terwijl dat wel had gemoeten. Daarnaast is hij niet beëdigd, omdat het nummer van de akte van beëdiging niet is opgenomen in het zaakoverzicht. Verder moet het bewijs bij een bestuurlijke boete rond zijn, dit is in dit geval niet zo.De inleidende beschikking moet daarom vernietigd worden. Ten slotte verzoekt hij om proceskostenvergoeding. Daar voert hij bij aan dat de proceskostenvergoeding niet dubbel gematigd mag worden. Deze dermate lage vergoeding is ook in strijd met artikel 6 van het EVRM.\n\n4. De vertegenwoordigster stelt zich op het standpunt dat het beroep ongegrond verklaard moet worden. De bebording was aanwezig. De verbalisant was ook fysiek aanwezig. Daarnaast is de enkele stelling dat de verbalisant niet bevoegd is niet genoeg om te twijfelen aan de bevoegdheid. Verder moet het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen worden. Ten slotte is het in een Wahv-procedure toegestaan om aanvullende stukken over te leggen op de zitting.\n\nOverwegingen\n\nDe verkeersovertreding\n\n5. Betrokkene betwist de verkeersovertreding. In zaken op grond van de Wahv is de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht in beginsel voldoende voor het vaststellen van de verkeersovertreding, tenzij concrete omstandigheden worden aangevoerd die aanleiding geven tot twijfel.\n\n5.1.. De verkeersovertreding kan worden vastgesteld, omdat de bebording aanwezig was ten tijde van de verkeersovertreding. De verbalisant was fysiek aanwezig en uit eerdere rechtspraak blijkt dat betrokkene er dan vanuit mag gaan dat de verbalisant de bebording heeft gecontroleerd, tenzij uit het dossier blijkt dat de bebording niet is gecontroleerd.Op Google Maps is te zien dat bebording aan beide kanten van de pleeglocatie is geplaatst. Die staat zo dicht op de pleeglocatie dat de kantonrechter ervanuit mag gaan dat de verbalisant deze heeft gecontroleerd.\n\nDe bevoegdheid van de verbalisant\n\n6. Het nummer van de akte van beëindiging staat niet in het zaakoverzicht. Dit betekent niet dat ervan uitgegaan moet worden dat de boete is opgelegd door een ambtenaar die daar niet toe bevoegd is.Het alleen betwisten van de bevoegdheid van de verbalisant geeft de kantonrechter geen aanleiding om daar onderzoek naar te doen.\n\nHet overleggen van aanvullende stukken\n\n7. Verder is de boete in deze zaak geen bestuurlijke boete, maar een boete op basis van de Wahv. De officier van justitie mag daarom wel aanvullende stukken overleggen in een later stadium. Er is geen rechtsregel in de Wahv die dat verbiedt.\n\nDe proceskostenvergoeding\n\n8. Ten slotte wijst de kantonrechter het verzoek om proceskostenvergoeding af, omdat het beroep ongegrond wordt verklaard. Hij komt daarom ook niet toe aan de verweren met betrekking tot de proceskostenvergoeding.Conclusie\n\nDe kantonrechter verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.\n\nWaarvan proces-verbaal,\n\nmr. M. Hidding, griffier mr. P.G. Wijtsma, kantonrechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nAls u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het\n\ngerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:\n\na. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of\n\nb. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.\n\nHet (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.\n\nDe wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.\n\n CBb 29 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:41.\n\n Hof Arnhem-Leeuwarden 5 juni 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:4796.\n\n Hof Arnhem-Leeuwarden 4 juli 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:6169.\n\n Hof Arnhem-Leeuwarden 19 juni 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:5319.\n\n Hof Arnhem-Leeuwarden 17 december 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7790.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2025:5931","2026-07-13T00:29:29.599Z",{"id":61,"ecli":62,"slug":63,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":64,"fullText":65,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":66,"sourceTimestamp":64,"parsedAt":51,"updatedAt":67},"1234","ECLI:NL:GHARL:2025:4980","ecli-nl-gharl-2025-4980","2025-08-12T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nLocatie Leeuwarden\n\nwrakingskamer\n\nzaaknummer gerechtshof 200.356.346\u002F01\n\nbeslissing van 12 augustus 2025\n\nop het verzoek van:\n\n [wraker] ,\n\nwonende te [woonplaats]\n\nverzoeker in het wrakingsincident\n\nhierna: de verzoeker,\n\ndat strekt tot wraking ingevolge artikel 17 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) juncto artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:\n\nmr. L. Willems-Keekstra,\n\nraadsheer in dit hof, locatie Leeuwarden.\n\n1. Het verloop van de procedure1.1. Bij de afdeling strafrecht (Mulderzaken) van het hof is onder zaaknummer Wahv 200.350.121\u002F01 een procedure aanhangig van de verzoeker, waarin hoger beroep is ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Gravenhage, van 2 december 2024.\n\n1.2. Op 20 juni 2025 heeft een mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden voor de enkelvoudige strafkamer (Mulderzaken) van dit hof. Op de strafzitting was de verzoeker aanwezig. Namens de advocaat-generaal was mr. P.A. Veenstra aanwezig. Nadat het onderzoek ter terechtzitting werd gesloten, heeft de verzoeker mr. Willems-Keekstra gewraakt. Het van deze mondelinge behandeling opgemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de stukken.1.3. Mr. Willems-Keekstra heeft niet in de wraking berust. Mr. Willems-Keekstra heeft bij verweerschrift van 17 juli 2025 op het wrakingsverzoek gereageerd.1.4. Het wrakingsverzoek is ter zitting van 1 augustus 2025 behandeld door de wrakingskamer. De verzoeker is bij deze behandeling verschenen en heeft zijn wrakingsverzoek mondeling toegelicht. Mr. Willems-Keekstra is niet verschenen.\n\n2. 2 De beoordeling van het verzoek De ontvankelijkheid van het verzoek\n\n2.1. De wrakingskamer acht het verzoek tijdig ingediend en acht de verzoeker ook overigens ontvankelijk. De gronden van het wrakingsverzoek2.2. \n\nDe verzoeker heeft aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat mr. Willems-Keekstra voorafgaand aan de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting ten onrechte niet heeft beslist op het verzoek om de hoofdofficier van justitie van het parket CVOM op te roepen om ter zitting als getuige te worden gehoord. Volgens de verzoeker had de hoofdofficier van justitie van het parket CVOM gehoord moeten worden over de vraag of sprake is van gebrek aan juridische kennis bij de medewerkers van het parket CVOM over de Algemene termijnenwet dan wel of de Algemene termijnenwet opzettelijk onjuist wordt toegepast.\n\nDe inhoudelijke beoordeling van het verzoek2.3. Op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten heeft een ieder - voor zover hier van belang - recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. Als een partij op basis van feiten of omstandigheden van mening is dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, geeft artikel 17 Wahv in samenhang met artikel 512 Sv de mogelijkheid een verzoek tot wraking te doen van elk van de rechters die de zaak behandelen.2.4. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter of bij vrees voor het bevooroordeeld zijn van de rechter, is het uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een van de procesdeelnemers een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procesdeelnemer dienaangaande bestaande vrees gerechtvaardigd is. Het subjectieve standpunt van de betrokken procesdeelnemer dat zulks het geval is, is daarbij niet beslissend; de vrees voor partijdigheid van de rechter moet tevens objectief gerechtvaardigd zijn.\n\n2.5. Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 20 juni 2025 blijkt dat de verzoeker ter zitting heeft verklaard van mening te zijn dat de officier van justitie zijn beroep tegen de inleidende beschikking ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Volgens de verzoeker is namelijk geen rekening gehouden met de Algemene termijnenwet. De verzoeker heeft daarom tijdens de mondelinge behandeling van de zaak bij het hof dit punt aan de orde willen stellen en verzocht om de hoofdofficier van justitie van het parket CVOM te horen over de juridische kennis van de medewerkers van het parket CVOM over de Algemene termijnenwet. Na schorsing van de mondelinge behandeling voor beraad heeft mr. Willems-Keekstra meegedeeld dat op het verzoek om de hoofdofficier van justitie van het parket CVOM te horen zal worden beslist in de uitspraak en dat het verzoek zal worden ‘meegenomen in raadkamer’. Indien het verzoek wordt toegewezen, zal het onderzoek worden heropend voor het oproepen van de getuige en volgt eerst nog geen uitspraak. Daarop heeft de verzoeker mr. Willems-Keekstra gewraakt.\n\n2.6. De wrakingskamer overweegt ten aanzien van het voorgaande als volgt. Het is voor de wrakingskamer duidelijk dat de verzoeker veel zorgen heeft over de werkwijze bij het CVOM en dat hij van mening is dat hij deze zorgen bij de mondelinge behandeling ten overstaan van mr. Willems-Keekstra onvoldoende heeft kunnen uiten. De enkele omstandigheid dat, anders dan verzoeker wenste, toen niet direct door laatstgenoemde is beslist op het hiervoor in rov. 2.5 genoemde verzoek, maakt naar het oordeel van de wrakingskamer echter niet dat sprake is van (een objectief gerechtvaardigde vrees voor) vooringenomenheid van mr. Willems-Keekstra. Ook de overige gang van zaken tijdens de mondelinge behandeling geeft daar geen blijk van. Het wrakingsverzoek zal daarom worden afgewezen.\n\nDe beslissing\n\nHet gerechtshof (wrakingskamer):\n\nwijst het verzoek tot wraking van mr. Willems-Keekstra af.\n\nDeze beslissing is gegeven door mrs. P.S. Bakker, R.F.C. Spek en L. Pieters, leden van de wrakingskamer, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2025.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:4980","2026-07-13T00:29:11.388Z",20,[70,11,71],2026,2024]