[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-alkmaar-contract-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":33,"total":16,"page":25,"limit":53},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},73,"Alkmaar","nl","alkmaar",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},50,"contract-law-nl","Contract Law","NL","2026-07-08T16:53:53.185Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2026-03-25T00:00:00.000Z","2026-05-13T00:00:00.000Z",[21,26,29],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"124013","Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering","art. 164 lid 2",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"124307","art. 236",{"provisionId":30,"code":31,"article":32,"count":25},"124308","Burgerlijk Wetboek","art. 3:29",[34,45],{"id":35,"ecli":36,"slug":37,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":39,"summary":38,"language":7,"source":40,"sourceUrl":41,"sourceTimestamp":42,"parsedAt":43,"updatedAt":44},"1791","ECLI:NL:RBNHO:2026:5735","ecli-nl-rbnho-2026-5735","","RECHTBANK Noord-Holland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Alkmaar\n\nZaaknummer: C\u002F15\u002F368453 \u002F HA ZA 25-463\n\nVonnis van 13 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nte [woonplaats] ,\n\neisende partij,\n\nadvocaat: mr. M.B. Bollen,\n\ntegen\n\n1. de ontbonden vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid\n\n [VvE Bungalowpark],\n\nte [woonplaats] ,\n\nadvocaat: mr. L.E. Huard, 2. de ontbonden besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nSCHATZENBURG B.V.,\n\nte Menaldum, gemeente Menaldumadeel,\n\nadvocaat: mr. K. Straathof,\n\ngedaagde partijen,\n\nen\n\n3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nLECC EXPLOITATIE DE HORN B.V.,\n\nte Tuitjenhorn, gemeente Schagen,\n\ngevoegde partij aan de zijde van de gedaagde partijen,\n\nadvocaat: mr. K. Straathof.\n\nPartijen zullen hierna [eiser] , de VvE, Schatzenburg en Lecc Exploitatie genoemd worden.\n\nDe zaak in het kort\n\nLecc Exploitatie exploiteert een bungalowpark. [eiser] is eigenaar van twee huisjes op het bungalowpark. [eiser] is van mening dat een aantal artikelen uit de leveringsakte van 2003 (waaronder een kettingbeding) ontbonden dan wel waardeloos verklaard moeten worden. De rechtbank wijst de vorderingen van [eiser] af. De leveringsakte kwalificeert niet als een overeenkomst tussen twee partijen, maar is een notarieel document en een uitvloeisel van de koopovereenkomst. Ontbinding van die leveringsakte is daarom niet mogelijk. Ten overvloede wijst de rechtbank er nog op dat in een groot aantal uitspraken van deze rechtbank en het gerechtshof Amsterdam al is geoordeeld over het kettingbeding en de rechtsgeldigheid van de cessie daarvan. Gelet daarop is er nog wel een schuldeiser die [eiser] kan aanspreken op grond van de leveringsakte. [eiser] wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten die hoger zijn dan het gebruikelijke liquidatietarief, omdat er sprake is van misbruik van recht.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 24 december 2025;\n\n- de mondelinge behandeling van 25 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Mr. Bollen heeft daarbij gebruik gemaakt van spreekaantekeningen;\n\n- het door mr. Bollen ter zitting overgelegde kadasterdocument.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Bungalowpark De Horn (hierna: het bungalowpark) is een in Dirkshorn gelegen bungalowpark met circa 250 houten en circa 90 stenen huisjes.\n\n2.2.. Op enig moment heeft De Horn B.V. het bungalowpark gekocht. De Horn B.V. heeft in 2003 de algemene delen van het bungalowpark verkocht en geleverd aan de VvE. De Horn B.V. verkocht daarnaast houten huisjes met ondergrond aan particulieren.\n\n2.3.. Op 27 januari 2012 heeft de VvE de algemene delen van het bungalowpark geleverd aan de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ). De in die algemene delen van het bungalowpark begrepen registergoederen heeft [naam 1] diezelfde dag geleverd aan Lecc Vastgoed B.V. De activa en passiva van het bungalowpark (behoudens registergoederen en daaraan verbonden leningen) zijn diezelfde dag door [naam 1] geleverd aan Lecc Exploitatie.\n\n2.4.. Op 1 februari 2012 is tussen Lecc Vastgoed B.V. en Lecc Exploitatie een overeenkomst gesloten waarbij aan Lecc Exploitatie het alleenrecht van exploitatie van het bungalowpark is gegeven.\n\n2.5.. \n [eiser] is sinds 2003 eigenaar van een kadastraal perceel met daarop een houten huisje. Sinds 2015 is hij ook eigenaar van een tweede huisje.\n\n2.6.. \n\nIn de akte van levering van 12 december 2003 bij de koop van het eerste huisje is op pagina 6 en volgende onder andere het volgende opgenomen met betrekking tot het gebruik van de gemeenschappelijke voorzieningen:\n\n“Gebruik gemeenschappelijke voorzieningen\n\nArtikel 1\n\na. De koper is bevoegd gebruik te maken van de voor gemeenschappelijk gebruik bestemde voorzieningen welke in het bungalowpark waarin het hierbij verkochte is gelegen, zijn aangebracht. De koper dient jaarlijks aan de beheerder een bedrag van vier honderd vijftig euro € 450,00) exclusief omzetbelasting te betalen als bijdrage in de kosten (…).\n\n(…)\n\nInstandhouding van kleuren\n\nArtikel 2\n\n(…)\n\nGebruik opstal\n\nArtikel 3\n\n(…)\n\nBestemmingsplan\n\nArtikel 4\n\n(…)\n\nKettingbeding\n\nArtikel 5\n\nDe in artikel 1, 2, 3 en 4 vermelde verplichtingen en verboden, alsmede de onderhavige verplichting (artikel 5) gelden niet slechts voor de koper in deze maar ook voor zijn opvolgers in de eigendom en dienen bij iedere eigendomsoverdracht bij wijze van kettingbeding ten behoeve van de verkopers aan de verkrijger te worden opgelegd, zodanig dat deze rechtstreeks nakoming van de nieuwe eigenaar kunnen vorderen op straffe van een direkt opeisbare boete van twee en twintig duizend zeven honderd euro (€ 22.700,00) aan en ten behoeve van de verkopers verschuldigd.”\n\n2.7.. Bij vonnis van deze rechtbank van 18 februari 2015is onder meer beslist dat [eiser] gebonden is aan de hiervoor in de akte van levering genoemde regelingen, waaronder het kettingbeding. Het vonnis is bekrachtigd bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 25 oktober 2016.Kort gezegd staat in het arrest dat het gerechtshof: “verklaart voor recht dat de eigenaren gehouden zijn tot betaling aan Lecc Exploitatie van een parkbijdrage per object of samenstel van objecten dat aan hen is geleverd bij een afzonderlijke leveringsakte waarin het kettingbeding is opgenomen.”\n\n2.8.. \n\nBij vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland van 5 januari 2022is - voor zover van belang - het volgende geoordeeld over het kettingbeding in de leveringsakte van 2003:\n\n“4.7. Vaststaat dat voornoemd arrest van het gerechtshof Amsterdam(toevoeging rechtbank: het hiervoor genoemde arrest van het gerechtshof Amsterdam van 25 oktober 2016)voor [eiser] in kracht van gewijsde is gegaan. Immers, [eiser] was partij bij dat arrest en is niet in cassatie gegaan. Het bepaalde in artikel 236 Rv brengt dan mee dat het gerechtshof Amsterdam ten aanzien van [eiser] op voornoemde geschilpunten onherroepelijk heeft beslist, en dat deze geschilpunten in deze procedure niet opnieuw aan de orde kunnen worden gesteld.\n\n4.8.. Dit geldt ook voor de rechtsoordelen die zijn vervat in het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 5 februari 2019, waarop Lecc zich ook beroept. In dat hoger beroep heeft [eiser] het in het arrest van 25 oktober 2016 als tardief gepasseerde verweer opnieuw gevoerd, te weten dat de rechten uit het kettingbeding niet rechtsgeldig door De Horn B.V. aan de VvE zijn gecedeerd omdat een mededeling daarvan zou ontbreken. Het gerechtshof heeft daarop op 5 februari 2019 geoordeeld dat het feit dat de VvE na de cessie gefactureerd heeft voor de parkbijdragen, te beschouwen is als toereikende mededeling van de overdracht van het recht op de parkbijdragen en dus van de rechten uit het kettingbeding. Vast staat dat [eiser] niet in cassatie is gegaan tegen dit arrest.\n\n4.9.. De kantonrechter neemt de onherroepelijke rechtsoordelen en beslissingen van het gerechtshof Amsterdam in de hierboven genoemde uitspraken dus als uitgangspunt, en gaat voorbij aan hetgeen [eiser] in deze procedure opnieuw aan de orde stelt over het doorbreken van het kettingbeding, zijn gebondenheid daaraan tegenover Lecc en zijn daaruit voortvloeiende verplichting om parkbijdragen te betalen, de rechtsgeldigheid van de cessie, de volmacht van [naam 2] en de afvalkosten. De daarover door [eiser] aangevoerde argumenten stuiten af op het gezag van gewijsde.”\n\n2.9.. Het gerechtshof Amsterdam heeft dit vonnis van de kantonrechter van 5 januari 2022 bekrachtigd bij arrest van 19 december 2023.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n\n [eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, na eisvermindering ter zitting, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nprimair\n\nI. de artikelen 1, 2, 3 en 5, zoals vermeld op pagina 6 tot en met 9 van de akte van levering d.d. 12 december 2003, zoals als productie 2 overgelegd, ontbindt;\n\nII. gedaagden hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente;\n\nsubsidiair\n\nIII. de inschrijving van de artikelen 1, 2, 3 en 5, zoals vermeld op pagina 6 tot en met 9 van de akte van levering d.d. 12 december 2003, zoals als productie 2 overgelegd, in de openbare registers waardeloos verklaart ex artikel 3:29 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW);\n\nIV. gedaagden hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n3.2.. \n [eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Bij de akte van levering van 29 december 2003 heeft Schatzenburg het resterende deel van haar eigendom verkocht aan de VvE. In deze akte van levering zijn alle rechten van Schatzenburg op [eiser] aan de VvE gecedeerd. Schatzenburg is per 8 februari 2016 ontbonden, terwijl de VvE is ontbonden per 27 december 2022. Er is derhalve thans niemand meer die [eiser] kan aanspreken op grond van de artikelen 1, 2, 3 en 5 van de akte van levering van 12 december 2003. Op grond van artikel 6:259 lid 1 sub a BW verzoekt [eiser] dan ook dat de overeenkomst tussen [eiser] en de VvE wordt ontbonden, in die zin dat de artikelen 1, 2, 3 en 5 geen toepassing meer kennen. Volgens [eiser] is het namelijk in strijd met het algemeen belang om een verplichting te laten voortduren waar niemand belang meer bij heeft. Daarnaast is er geen schuldeiser meer, Schatzenburg heeft immers haar rechten gecedeerd aan de VvE en die laatste is ontbonden. Subsidiair vordert [eiser] dat de rechtbank de inschrijving van de artikelen 1, 2, 3 en 5 van de leveringsakte van 12 december 2003 in de openbare registers waardeloos verklaart ex artikel 3:29 BW.\n\n3.3.. De VvE voert aan dat zij in 2012 haar registergoederen aan [naam 1] heeft geleverd en dat de VvE in 2016 is ontbonden. Voor het overige heeft de VvE zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\n3.4.. Lecc Exploitatie en Schatzenburg voeren verweer.\n\n3.4.1.. \n\nLecc Exploitatie heeft aangevoerd dat de toenmalige eigenaren het bungalowpark hebben verkocht aan De Horn B.V. In 2003 heeft De Horn B.V. vervolgens de algemene delen van het bungalowpark verkocht en geleverd aan de VvE. De Horn B.V. heeft daarnaast de houten huisjes met ondergrond en parkeerplaatsen aan particulieren verkocht. Op 27 januari 2012 heeft de VvE de algemene delen van het bungalowpark geleverd aan [naam 1] . De in de algemene delen van het bungalowpark begrepen registergoederen heeft [naam 1] diezelfde dag nog geleverd aan Lecc Vastgoed B.V. De activa en passiva (behoudens de registergoederen en daaraan verbonden leningen) van het bungalowpark zijn diezelfde dag door [naam 1] geleverd aan Lecc Exploitatie. Op 1 februari 2012 is tussen Lecc Vastgoed B.V. en Lecc Exploitatie een overeenkomst gesloten waarbij Lecc Exploitatie het alleenrecht van exploitatie van het bungalowpark is gegeven. Lecc Exploitatie voert aan dat de vorderingen voortvloeiende uit het kettingbeding steeds rechtsgeldig zijn gecedeerd aan de rechtsopvolgers en dat zij [eiser] kan aanspreken op basis van dat kettingbeding. [eiser] is dan ook gebonden aan het kettingbeding zoals in de akte van levering van 12 december 2003 opgenomen. Dit is al in meerdere uitspraken van de rechtbank Noord-Holland en het gerechtshof Amsterdam bepaald.\n\nBovendien weet [eiser] dat hij de rechtbank verkeerd voorlicht door te stellen dat er geen partij meer is die hem kan aanspreken op basis van het kettingbeding en gebruikt hij steeds al in eerder gevoerde procedures aangevoerde (en in die procedures beoordeelde) argumenten opnieuw.\n\n3.4.2.. Schatzenburg heeft samengevat aangevoerd dat [eiser] het tegen beter weten in doet voorkomen alsof er na het cederen van alle rechten door Schatzenburg aan de VvE geen nadere cessie heeft plaatsgevonden. Dit terwijl bij vonnis van deze rechtbank van 24 februari 2016is overwogen dat de rechten en verplichtingen van De Horn B.V. jegens [eiser] voortvloeiend uit het kettingbeding in de akte van levering van 12 december 2003 steeds rechtsgeldig van kracht zijn gebleven en op correcte wijze zijn overgedragen aan de opeenvolgende kopers. [eiser] is dan ook gehouden een parkbijdrage te betalen aan Lecc Exploitatie. [eiser] heeft de rechtbank gelet op het voorgaande bewust onjuist en onvolledig voorgelicht en daarmee bewust in strijd met 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) gehandeld.\n\n3.5.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Deze zaak komt er in het kort op neer dat [eiser] van mening is dat er geen schuldeiser meer is die rechtsgeldig een beroep kan doen op het kettingbeding zoals opgenomen in de akte van levering van 12 december 2003 (zie hiervoor onder 2.6) en dat de bepalingen 1, 2, 3 en 5 van die leveringsakte daarom in strijd zijn met artikel 6:259 lid 1 sub a BW en\u002Fof artikel 3:29 BW. Lecc Exploitatie heeft betwist dat er geen schuldeiser meer is en heeft toegelicht hoe de rechten en verplichtingen van De Horn B.V. voortvloeiende uit de akte van levering van 12 december 2003 - na aan een aantal andere partijen te zijn overgedragen - gecedeerd zijn aan Lecc Exploitatie. Volgens Lecc Exploitatie heeft [eiser] dan ook geen grondslag om zich te beroepen op de hiervoor genoemde artikelen. Daarbij voert Lecc Exploitatie aan dat de rechtbank Noord-Holland en het gerechtshof Amsterdam al een aantal keer hebben bepaald dat de rechten en plichten ten opzichte van [eiser] uit de leveringsakte keer op keer correct zijn gecedeerd aan een opvolgende partij en zo uiteindelijk bij Lecc Exploitatie zijn komen te liggen.\n\nBeoordeling op grond van artikel 6:259 lid 1 sub a BW4.2.. \n [eiser] beroept zich primair op artikel 6:259 lid 1 sub a BW en subsidiair op artikel 3:29 BW. De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat de advocaat van [eiser] ter zitting desgevraagd heeft toegelicht dat het gevolg van de ontbinding van artikelen 1, 2, 3 en 5 van de leveringsakte van 12 december 2003 zou moeten zijn dat de inschrijving van die artikelen waardeloos verklaard moet worden (ex artikel 3:29 BW). De rechtbank leidt daaruit af dat [eiser] bedoelt dat artikel 3:29 BW een uitvloeisel is van artikel 6:259 lid 1 sub a BW en dat daaraan aldus geen zelfstandige betekenis toekomt. Hierna zal de rechtbank dan ook alleen het standpunt van [eiser] ten aanzien van artikel 6:259 lid 1 sub a BW beoordelen.\n\nAfwijzen vorderingen [eiser]4.3.. \n\nIn het petitum van de dagvaarding heeft [eiser] gevorderd dat de rechtbank de artikelen 1, 2, 3 en 5 van de akte van levering van 12 december 2003 zal ontbinden. Ter zitting heeft de advocaat van [eiser] dit bevestigd na vragen hierover van de rechtbank.\n\nGelet daarop oordeelt de rechtbank als volgt. De leveringsakte van 12 december 2003 kwalificeert niet als een overeenkomst tussen twee partijen, maar is een notarieel document en een uitvloeisel van een koopovereenkomst tussen twee partijen. Ontbinding van die leveringsakte is daarom niet mogelijk. De conclusie die daaruit volgt is dan ook dat de vorderingen van [eiser] afgewezen moeten worden.\n\nGezag van gewijsde4.4.. In het voorgaande heeft de rechtbank geconcludeerd dat de vorderingen van [eiser] afgewezen moeten worden. Maar zelfs al zou de rechtbank tot de conclusie zijn gekomen dat de leveringsakte wel (gedeeltelijk) ontbonden zou kunnen worden of gedeeltelijk waardeloos zou kunnen worden verklaard (hetgeen dus niet het geval is), dan zouden de argumenten van [eiser] niet tot een ander oordeel leiden. Anders dan [eiser] heeft gesteld, is er nog wel een schuldeiser die hem kan aanspreken op grond van de leveringsakte van 12 december 2003.\n\n4.5.. Het gerechtshof Amsterdam heeft (zie 2.7 en 2.8) immers in 2016 al geoordeeld over het kettingbeding en de rechtsgeldigheid van de cessie en heeft toen bepaald dat de eigenaren gehouden zijn tot betaling aan Lecc Exploitatie van een parkbijdrage per object of samenstel van objecten dat aan hen is geleverd bij een afzonderlijke leveringsakte waarin het kettingbeding is opgenomen. Vervolgens is in uitspraken van de rechtbank Noord-Holland en het gerechtshof Amsterdam in 2018,2019,2022en 2023herhaald dat het kettingbeding rechtsgeldig is gecedeerd aan Lecc Exploitatie dan wel dat sprake is van gezag van gewijsde inzake het kettingbeding, waardoor de rechtbank gebonden is aan de eerdere beslissingen over hetzelfde feitencomplex voor wat betreft de geldige cessie en het voortbestaan van het kettingbeding in de leveringsakte van 2003.\n\n4.6.. \n [eiser] heeft weliswaar op de zitting erkend dat in uitspraken van de rechtbank Noord-Holland en het gerechtshof Amsterdam (onder andere) is uitgemaakt dat het kettingbeding rechtsgeldig is gecedeerd aan Lecc Exploitatie, maar volgens hem heeft het gerechtshof Amsterdam in 2016 met haar uitspraak een juridische dwaling begaan en is er sprake van nieuwe feiten en omstandigheden, waardoor het gezag van gewijsde doorbroken zou moeten worden. [eiser] voert daar grofweg drie argumenten voor aan: (1) het door [eiser] ter zitting overgelegde kadaster-stuk van 12 juli 2011; (2) een verklaring van notaris Sterel uit 2012 naar aanleiding van een door [eiser] tegen Sterel ingediende klacht; en (3) het feit dat [eiser] geen cassatie tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 25 oktober 2016 heeft ingesteld omdat hij geen cassatieadvocaat kon vinden die heil zag in een cassatieberoep en hij daarvoor bovendien onvoldoende steun kreeg vanuit de VvE.\n\n4.7.. De rechtbank komt tot de conclusie dat het gezag van gewijsde niet doorbroken kan worden. [eiser] heeft ten eerste niet toegelicht wat hij met het door hem ter zitting ingebrachte kadaster-stuk van 12 juli 2011 wil aantonen, zodat dit geen onderbouwing van zijn standpunt vormt. Voor zover [eiser] zich verder beroept op een volgens hem nieuw aan het licht gekomen verklaring van notaris Sterel, komt de rechtbank tot de conclusie dat deze verklaring reeds uit 2012 stamt en, zoals aangevoerd door Lecc Exploitatie, die verklaring gaat over de vraag of [naam 1] en Lecc Exploitatie huisjeseigenaren kunnen houden aan verplichtingen die zij jegens de VvE op zich hebben genomen door ondertekening van een beheersovereenkomst. Dat onderwerp en deze verklaring zijn eerder al aan de orde is gekomen in het arrest van 5 februari 2019,zodat ook dit geen nieuw feit is of nieuwe omstandigheden zijn. Verder staat vast dat [eiser] geen cassatie heeft ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 25 oktober 2016. Dat heeft tot gevolg dat hij aan het oordeel van het gerechtshof Amsterdam van 25 oktober 2016 is gebonden. Waarom [eiser] geen cassatie heeft ingesteld, is niet relevant.\n\n4.8.. De conclusie is dan ook dat ook deze rechtbank is gebonden aan de eerder (onherroepelijk) gedane uitspraken, waaronder de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 25 oktober 2016, over het rechtsgeldig cederen van het kettingbeding aan Lecc Exploitatie. Deze uitspraak is immers in gezag van gewijsde gegaan en het gezag van gewijsde kan op grond van het voorgaande niet worden doorbroken.\n\nProceskosten4.9.. \n\n [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Lecc Exploitatie heeft verzocht om af te wijken van het gebruikelijke liquidatietarief, omdat [eiser] volgens haar misbruik van procesrecht maakt. Er is onder andere sprake van misbruik van procesrecht als het innemen van stellingen - gelet op de evidente ongegrondheid daarvan - in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had moeten blijven. Dat is hier het geval. [eiser] had op voorhand moeten begrijpen dat zijn herhaalde stellingen over (kort gezegd) het kettingbeding en de rechtsgeldigheid van de cessie geen kans van slagen hadden, omdat daarop al onherroepelijk door deze rechtbank en het gerechtshof Amsterdam is beslist. Door die stellingen in de onderhavige procedure opnieuw in te nemen, heeft [eiser] onnodig en tegen beter weten in geprocedeerd. Daardoor heeft hij gedaagden nodeloos op (extra) kosten gejaagd. Bovendien heeft [eiser] de rechtbank bij dagvaarding onvolledig en onjuist voorgelicht door achterwege te laten dat er eerdere procedures tussen partijen zijn gevoerd waarin al is bepaald dat Lecc Exploitatie recht heeft op de parkbijdrage door geldige cessies van het kettingbeding. Daarmee heeft [eiser] gehandeld in strijd met artikel 21 Rv. Daarom is afwijking van het uitgangspunt dat het salaris advocaat volgens het toepasselijke liquidatietarief wordt berekend gerechtvaardigd. Het toepasselijke liquidatietarief van € 653,- zal worden vermenigvuldigd met twee, tot € 1.306,- per proceshandeling.\n\nTen aanzien van VvE zal de rechtbank het normale liquidatietarief in rekening brengen, omdat de VvE geen verweer heeft gevoerd tegen de vorderingen van [eiser] en zich heeft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\n4.10.. De proceskosten van Schatzenburg en Lecc Exploitatie worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n714,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n3.918,00\n\n(3 punten × € 1.306,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n4.821,00\n\n4.11.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten van Schatzenburg en Lecc Exploitatie wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n4.12.. De proceskosten van VvE worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n714,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.306,00\n\n(2 punten × € 653,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.209,00\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n5.1.. wijst de vorderingen van [eiser] af,\n\n5.2.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van Schatzenburg en Lecc Exploitatie van € 4.821,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,- plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten van Schatzenburg en Lecc Exploitatie als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n5.4.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van VvE van € 2.209,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,- plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,5.5.. verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2 tot en met 5.4 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. B. de Metz en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.\n\n AFS\u002FBdM\n\n Niet gepubliceerd.\n\n Gerechtshof Amsterdam 25 oktober 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:4267.\n\n Rechtbank Noord-Holland 5 januari 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:168.\n\nGerechtshof Amsterdam 5 februari 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:283.\n\n Gerechtshof Amsterdam 19 december 2023, ECLI:NL:GHAMS:3451.\n\n Niet gepubliceerd.\n\n Zie onder andere: Gerechtshof Amsterdam 25 oktober 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:4267. Gerechtshof Amsterdam 16 januari 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:110. Gerechtshof Amsterdam 5 februari 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:283. Rb. Noord-Holland 5 januari 2022, ECLI:NL:2022:168. Gerechtshof Amsterdam 19 december 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3451.\n\n Gerechtshof Amsterdam 16 januari 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:110.\n\n Gerechtshof Amsterdam 5 februari 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:283.\n\n Rb. Noord-Holland 5 januari 2022, ECLI:NL:2022:168.\n\n Gerechtshof Amsterdam 19 december 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3451.\n\n Gerechtshof Amsterdam 5 februari 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:283.\n\n Zie eerder al overwogen bij deze rechtbank in r.o. 4.5-4.7. van ECLI:NL:RBNHO:2022:168.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:5735","2026-05-21T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:39.100Z",{"id":46,"ecli":47,"slug":48,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":49,"summary":38,"language":7,"source":40,"sourceUrl":50,"sourceTimestamp":51,"parsedAt":43,"updatedAt":52},"1585","ECLI:NL:RBNHO:2026:6977","ecli-nl-rbnho-2026-6977","RECHTBANK Noord-Holland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Alkmaar\n\nZaaknummer: C\u002F15\u002F349529 \u002F HA ZA 24-109\n\nVonnis van 25 maart 2026\n\nin de zaak van\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nAVANTI SYSTEEMBOUW B.V.,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\neisende partij in conventie,\n\nverwerende partij in (voorwaardelijke) reconventie,\n\nhierna te noemen: Avanti,\n\nadvocaat: mr. R. van der Hooft,\n\ntegen\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nRINGERS BEHEERMAATSCHAPPIJ B.V.,\n\ngevestigd te Alkmaar,\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in (voorwaardelijke) reconventie,\n\nhierna te noemen: Ringers,\n\nadvocaat: mr. B.J.H. Kesnich.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 26 februari 2025 - het getuigenverhoor van 11 april 2025 - het getuigenverhoor van 27 juni 2025\n\n- de conclusie na getuigenverhoor van Avanti\n\n- de antwoordconclusie van Ringers.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De verdere beoordeling\n\nin conventie en in (voorwaardelijke) reconventie\n\nStand van zaken\n\n2.1.. In het tussenvonnis van 6 november 2024 heeft de rechtbank Avanti opgedragen te bewijzen:\n\ndat is overeengekomen de werkzaamheden die zien op het aanbrengen van wanden en plafonds in de panden van Ringers uit te voeren tegen de voorwaarden en prijzen die worden genoemd in de offerte van 29 juni 2022, en\n\ndat zij de werkzaamheden met betrekking tot het aanbrengen van de wanden en plafonds heeft uitgevoerd in de omvang zoals deze in de eindafrekening van 15 mei 2023 zijn vermeld en dat en hoeveel materialen zij voor die werkzaamheden heeft geleverd.\n\n2.2.. \n\nIn het kader van de bewijslevering heeft er op 11 april 2025 een getuigenverhoor plaatsgevonden en op 27 juni 2025 een tegenverhoor.\n\nTijdens het getuigenverhoor zijn de volgende getuigen gehoord:\n\nde heer [getuige 1] (hierna: [getuige 1] );\n\nde heer [getuige 2] (hierna: [getuige 2] );\n\nde heer [getuige 3] (hierna: [getuige 3] );\n\nde heer [getuige 4] (hierna: [getuige 4] ).\n\nTijdens het tegenverhoor zijn de volgende getuigen gehoord:\n\nde heer [getuige 5] (hierna: [getuige 5] );\n\nde heer [getuige 6] (hierna: [getuige 6] ).\n\n2.3.. Vervolgens hebben zowel Avanti als Ringers een conclusie overgelegd. Avanti concludeert daarin dat zij het opgedragen bewijs heeft geleverd en volgens Ringers is Avanti daarin niet geslaagd.\n\nPartijgetuigen en betrouwbaarheid verklaringen\n\n2.4.. Volgens artikel 164 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (oud) kan de getuigenverklaring van een partij geen bewijs in haar voordeel opleveren, tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. Deze bepaling is met de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht vervallen. Gelet op artikel XIIa van deze wet blijft de bepaling in deze zaak gelden, omdat de procedure al aanhangig was toen de wet op 1 januari 2025 in werking trad.\n\n2.5.. \n\nIn haar conclusie voert Ringers aan dat twee van de door Avanti gehoorde getuigen – [getuige 1] en [getuige 2] – partijgetuigen zijn met een dubbele belangenverstrengeling.\n\n [getuige 2] is directeur-grootaandeelhouder (DGA) van Avanti en heeft daarom ook een direct financieel belang bij de uitkomst van het onderhavige geschil. In zijn verklaring heeft [getuige 2] daarnaast toegegeven dat hij vooraf met [getuige 3] en [getuige 4] , die inkomensafhankelijk zijn van hun werkgever Avanti, heeft gesproken: “We hebben onderling besproken wat we hier gaan verklaren”.\n\nHoewel [getuige 1] destijds optrad als opdrachtnemer en vertegenwoordiger van Ringers, is de relatie tussen beide inmiddels sterk verslechterd. [getuige 1] heeft inmiddels een eigen omvangrijke vordering tegen Ringers ingesteld. Daarnaast heeft [getuige 1] een goede en zakelijke en vriendschappelijke relatie met [getuige 2] . Dit maakt [getuige 1] partijdig, aldus Ringers.\n\n2.6.. De rechtbank overweegt dat [getuige 2] als (indirect) bestuurder van Avanti een partijgetuige is in de zin van artikel 164 lid 2 Rv (oud). Dit betekent dat er nader bewijs nodig is om gewicht toe te kennen aan zijn verklaring. Het standpunt dat ook [getuige 1] een partijgetuige is, volgt de rechtbank niet. Hij is immers niet verbonden aan een van de partijen. De verklaring van [getuige 1] behoeft dus geen steunbewijs.\n\n2.7.. Dat er kennelijk een geschil bestaat tussen [getuige 1] en Ringers, maakt zijn verklaring op zich niet onbetrouwbaar. Dat [getuige 1] er financieel belang bij zou hebben dat de vordering van Avanti op Ringers wordt toegewezen, is in het geheel niet onderbouwd. De rechtbank is daarom van oordeel dat de verklaring van [getuige 1] bij de beoordeling kan worden betrokken en ziet geen reden deze als onbetrouwbaar terzijde te stellen.\n\n2.8.. Ook de verklaringen van [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] vindt de rechtbank niet onbetrouwbaar. Zij hebben weliswaar voorafgaand aan de getuigenverhoren met elkaar gesproken, maar uit de inhoud van de verklaringen blijkt niet dat deze op elkaar afgestemd zijn. Bovendien maakt het enkele feit dat deze getuigen allen werkzaam zijn voor Avanti, niet dat hun verklaring onbetrouwbaar is.\n\nDe offerte van 29 juni 2022\n\n2.9.. De rechtbank is van oordeel dat Avanti het bewijs heeft geleverd dat is overeengekomen de werkzaamheden die zien op het aanbrengen van wanden en plafonds in de panden van Ringers uit te voeren tegen de voorwaarden en prijzen die worden genoemd in de offerte van 29 juni 2022. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.\n\n2.10.. In het tussenvonnis van 6 november 2024 is al vastgesteld dat Avanti op 29 juni 2022 een offerte had uitgebracht voor het aanbrengen van wanden en plafonds in de panden van Ringers, en dat dit destijds niet tot een overeenkomst had geleid. Ringers had voor deze werkzaamheden een overeenkomst gesloten met [naam 1] . Op 10 maart 2023 heeft [de holding] - als vertegenwoordiger van Ringers - de samenwerking met [naam 1] beëindigd, waarna Avanti is benaderd om werkzaamheden in de panden uit te voeren.\n\n2.11.. \n [getuige 2] heeft als getuige verklaard dat hij vervolgens met [getuige 1] (van [de holding] ) ter plaatse heeft gekeken naar het werk en dat zij hebben besproken dat de werkzaamheden zouden worden uitgevoerd volgens de offerte die Avanti eerder had uitgebracht. [getuige 2] heeft gezegd dat hij de offerte van juni 2022 aanhield en [getuige 1] vond dat prima. Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaring van [getuige 1] . Hij heeft verklaard dat tijdens een schouw van het werk de laatste offerte van Avanti erbij is gepakt en dat de eenheidsprijzen uit de laatste offerte van Avanti zijn afgesproken. Getuige [getuige 3] , projectmanager bij Avanti, heeft verklaard dat hij erbij aanwezig was dat [getuige 2] en [getuige 1] afspraken de offerte die eerder was gemaakt te hanteren.\n\n2.12.. Ringers voert aan dat een schriftelijke bevestiging ontbreekt, wat haar ernstig doet twijfelen aan de gestelde prijsafspraak. Hierin volgt de rechtbank Ringers niet. Dat de daarover gemaakte afspraken niet schriftelijk zijn vastgelegd, wat overigens in de bouwwereld niet ongebruikelijk is, betekent niet dat de gestelde afspraak niet is gemaakt. Bovendien stond de offerte al op papier. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [getuige 2] daarover verklaard dat haast geboden was omdat [naam 1] al was vertrokken, wat de rechtbank niet onaannemelijk voorkomt.\n\n2.13.. Ook het verweer dat de offerte geen definitieve overeenkomst was, maar slechts een basis, kan Avanti niet baten. Uit de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 1] volgt dat de eenheidsprijzen zoals opgenomen in de offerte van 29 juni 2022 waren overeengekomen. Omdat [naam 1] al werkzaamheden had verricht, was verder afgesproken dat zou worden gekeken wat Avanti precies moest maken en wat in mindering moest worden gebracht op de eenheidsprijzen gelet op de materialen die er nog waren en die Avanti kon gebruiken. Die omstandigheden brengen niet mee dat geen definitieve afspraak tussen partijen was gemaakt. De afspraak houdt juist in dat de prijzen en voorwaarden uit de offerte van 29 juni 2022 gelden, met dien verstande dat alleen betaald moet worden voor het werk dat Avanti daadwerkelijk verricht, onder aftrek van kosten voor de nog aanwezige materialen die Avanti zou gebruiken (en die Avanti dus niet hoefde te leveren).\n\n2.14.. Tot slot betoogt Ringers dat het hanteren van een vaste vierkante meter prijs bedrijfseconomisch gezien zo onlogisch en irrationeel is in de onderhavige situatie, dat de gestelde prijsafspraak ongeloofwaardig is. Afrekenen op regiebasis is in een situatie waarin een deel van het werk al is verricht en aanwezige materialen kunnen worden gebruikt veel realistischer. Ook gelet op de hoge inflatie van destijds is het onrealistisch dat zou zijn afgesproken om te werken volgens een offerte die op dat moment al negen maanden oud was, aldus Ringers. De rechtbank verwerpt dit verweer, omdat uit de verklaringen van [getuige 2] , [getuige 1] en [getuige 3] volgt dat is afgesproken te werken volgens de offerte van 29 juni 2022. Dat dit bedrijfseconomisch voor Avanti wellicht niet de meest verstandige keuze is geweest en regiebasis in de ogen van Ringers meer voor de hand lag, maakt dit niet anders.\n\nDe omvang van de werkzaamheden van Avanti\n\n2.15.. De rechtbank heeft Avanti verder opgedragen te bewijzen dat zij de werkzaamheden met betrekking tot het aanbrengen van wanden en plafonds heeft uitgevoerd in de omvang zoals deze in de eindafrekening van 15 mei 2023 is vermeld en dat en hoeveel materialen zij voor die werkzaamheden heeft geleverd. Op deze eindafrekening wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende uitvoeringen. In dit vonnis gaat het nog om Uitvoering A, Uitvoering C, Uitvoering E en Uitvoering H, alsmede het leveren van een aantal materialen. De rechtbank zal deze posten hierna bespreken.\n\nUitvoering A: Gipsplafonds\n\n2.16.. Uitvoering A ziet op gipsplafonds. Uit de stellingen van partijen en de verklaringen van de getuigen begrijpt de rechtbank dat tussen partijen niet in geschil is dat Avanti werkzaamheden heeft verricht aan de plafonds van een aantal units. Over de omvang van de werkzaamheden door Avanti zijn partijen het niet eens.2.17.. \n\nOp de eindafrekening staat dat er door Avanti 625 m² aan gipsplafonds is geplaatst.\n\nAvanti heeft bij haar Akte uitlating bewijslevering bouwtekeningen overgelegd waarin staat aangegeven welke werkzaamheden er in een bepaalde ruimte zijn verricht. De rechtbank begrijpt uit de bouwtekeningen het volgende:\n\nIn gebouw B is er op de begane grond 91.00 m² + 365.39 m² aan gipsplafonds aangebracht;\n\nIn gebouw C is er op de begane grond 83.94 m² aan gipsplafonds aangebracht;\n\nIn gebouw D is er op de begane grond 84.54 m² aan gipsplafonds aangebracht.\n\nIn totaal is er volgens de tekeningen 624,87 m² - afgerond 625 m² - aan gipsplafonds aangebracht. Dit komt overeen met de oppervlakte die door Avanti is opgenomen in de eindafrekening.\n\n2.18.. Ringers voert aan dat de genoemde tekeningen achteraf voor deze procedure zijn opgesteld. Dat is ook erkend door de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] . Het is de rechtbank niet duidelijk geworden of de genoteerde oppervlaktes gebaseerd zijn op een inmeting die volgens Avanti op 8 mei 2023 heeft plaatsgevonden. Avanti heeft de resultaten van die inmeting (ten aanzien van het aanbrengen van plafonds) in ieder geval niet in het geding gebracht. De overgelegde bouwtekeningen zijn dus op zichzelf onvoldoende om het bewijs te leveren. Naar het oordeel van de rechtbank is er echter aanvullend bewijs dat Avanti 625 m² aan gipsplafonds heeft aangebracht in de panden van Ringers. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.\n\n2.19.. In de offerte van 29 juni 2022 staat dat het onder Uitvoering A voor het totale werk om 2.700 m² aan gipsplafond ging. Tussen partijen is niet in geschil dat [naam 1] een deel van dat werk al had gedaan toen Avanti de werkzaamheden overnam, en dat Avanti een deel van het werk van [naam 1] opnieuw moest doen. In rechtsoverweging 4.18 van het tussenvonnis van 6 november 2024 heeft de rechtbank overwogen dat Avanti onweersproken heeft aangevoerd dat zij alleen op de begane grond van de panden plafonds heeft aangebracht. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat Avanti de plafonds op de begane grond had gemaakt. Getuige [getuige 6] heeft verklaard dat hij bij de oplevering in september 2023 heeft gezien dat de plafonds erin zaten. De rechtbank gaat er daarom van uit dat Avanti de gipsplafonds op de begane grond van de panden van Ringers heeft gemaakt. Ringers betwist niet dat het totale oppervlak van de plafonds op de begane grond van de verschillende panden in totaal 625 m² is, zoals op de overgelegde bouwtekeningen is vermeld. Dat het inderdaad om 625 m² ging wordt overigens ook bevestigd door een bij dagvaarding overgelegde schriftelijke verklaring van de heer [naam 2] , die als zelfstandige in opdracht van Avanti aan de gipsplafonds heeft gewerkt.\n\n2.20.. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat Avanti heeft bewezen dat zij 625 m² aan gipsplafonds heeft geplaatst.\n\n2.21.. In de eindafrekening hanteert Avanti een tarief van € 46,50 per m², overeenkomstig de offerte van 29 juni 2022. De rechtbank begrijpt dat in dat tarief is verdisconteerd de kosten voor montage, de levering van platen en de levering van een 60\u002F27 systeem. Uit de door partijen gemaakte afspraken volgt dat van dit tarief moet worden afgetrokken de kosten voor de nog aanwezige materialen die Avanti heeft gebruikt (en die Avanti dus niet hoefde te leveren). Uit de eindafrekening blijkt dat door Avanti voor Uitvoering A geen platen zijn geleverd, zodat € 2,62 per m² in mindering moet worden gebracht op het afgesproken tarief. In de eindafrekening is ten aanzien van “geen montage platen” voor 365 m² € 8,00 per m² in mindering gebracht. Avanti is er echter niet in geslaagd te bewijzen dat voor de overige 260 m² wel sprake is geweest montage van platen. De getuigen hebben daarover niet (specifiek) verklaard en ook anderszins is daarvan geen bewijs geleverd. Dit betekent dat de rechtbank voor de volledige 650 m² € 8,00 per m² aan kosten zal aftrekken van het overeengekomen tarief. Het voorgaande betekent dat de rechtbank in totaal € 10,62 per m² in mindering brengt op het tarief uit de offerte, zodat Ringers een bedrag van € 35,88 per m² verschuldigd is. De rechtbank ziet geen reden voor een verdere aftrek van kosten. Uit de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] blijkt namelijk dat Avanti een 60\u002F27 systeem heeft geleverd, terwijl ook [getuige 5] als getuige heeft verklaard dat hij zich kan voorstellen dat er materiaal voor het plafond is geleverd door Avanti.\n\n2.22.. De rechtbank is van oordeel dat Ringers voor de werkzaamheden aan de plafonds een bedrag van (625 m² x € 35,88 =) € 22.425,- (exclusief btw) aan Avanti verschuldigd is.\n\nUitvoering C: Metalstud wanden\n\n2.23.. Uitvoering C ziet op werkzaamheden met betrekking tot het plaatsen van metalstud wanden. Op de eindafrekening staat dat Avanti 689 m² aan wanden heeft geplaatst.\n\n2.24.. Partijen zijn het erover eens dat de wanden nog niet af waren toen Avanti het werk van [naam 1] overnam en dat Avanti daaraan gewerkt heeft. Partijen zijn het echter niet eens over de omvang van de werkzaamheden die door Avanti zijn verricht.\n\n2.25.. Avanti verwijst wederom naar de later voor deze procedure ingetekende bouwtekeningen. De rechtbank begrijpt uit de bouwtekeningen het volgende:\n\nIn gebouw B is er op de begane grond 486,81 m² aan eenzijdige (wand)beplating aangebracht;\n\nIn gebouw C is er op de begane grond 105,45 m² aan eenzijdige beplating aangebracht;\n\nIn gebouw D is er op de begane grond 63,60 m² aan eenzijdige beplating geplaatst en is er 33.67 m² aan gehele wanden geplaatst.\n\nIn totaal is er volgens de tekeningen 689,53 m² – afgerond 689 m² - aan wanden geplaatst. Dit komt overeen met de oppervlakte die door Avanti is opgenomen in de eindafrekening.\n\n2.26.. Gelijk aan wat de rechtbank hierover in 2.18 heeft overwogen, is de bouwtekening onvoldoende om het bewijs te leveren. Daarvoor is aanvullend bewijs nodig en daarover overweegt de rechtbank het volgende.\n\n2.27.. Uit de getuigenverklaringen van [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] blijkt dat Avanti wanden in de panden van Ringers heeft geplaatst, maar niet hoeveel. Zij verklaren weliswaar over een inmeting op 8 mei 2023, maar bij gebrek aan overlegging van de meetresultaten kan niet worden vastgesteld tot welke uitkomst dit heeft geleid. Uit de getuigenverklaring van [getuige 1] volgt ook dat Avanti wanden in de panden van Ringers heeft geplaatst. Volgens een inschatting van [getuige 1] gaat het om 22 eenheden van ongeveer 30 à 35 m² per eenheid. Dit komt dan neer op 660 à 770 m², wat aansluit bij de 689 m² die Avanti stelt te hebben geplaatst. Dit komt overeen met hetgeen uit de door Avanti overgelegde bouwtekeningen blijkt. Dat er 689 m² aan wanden is geplaatst wordt verder nog bevestigd door de schriftelijke verklaring van de heer [naam 2] , die als zelfstandige in opdracht van Avanti aan de metalstud wanden heeft gewerkt. Uit de offerte van 29 juni 2022 volgt bovendien dat er in totaal 2.375 m² aan metalstud wanden geplaatst moest worden, zodat de rechtbank het ook aannemelijk vindt dat Avanti nog 689 m² aan metalstud wanden heeft geplaatst.\n\n2.28.. Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot de conclusie dat Avanti heeft bewezen dat zij 689 m² aan metalstud wanden heeft geplaatst.\n\n2.29.. In de eindafrekening hanteert Avanti voor deze werkzaamheden het tarief van € 66,00 per m², wat overeenkomt met het tarief dat wordt genoemd in de offerte van 29 juni 2022. Omdat in dit tarief kosten voor materiaal verdisconteerd zijn, heeft Avanti in de eindafrekening in mindering gebracht (voor het aantal uitgevoerde m²) een bedrag van € 11.754,34 voor niet geleverde platen, € 1.481,35 voor niet geleverde isolatie en € 702,78 voor niet geleverde metalstud. De rechtbank zal hier ook rekening mee houden. Daarnaast heeft Avanti bedragen afgetrokken voor 654 m² “geen platen montage” en 626 m² “geen isolatie montage. Avanti heeft niet toegelicht waarom voor deze onderdelen niet de volledige 689 m² in mindering is gebracht. Uit het bewijs blijkt ook niet dat voor de overige vierkante meters wel sprake is geweest van de montage van platen en\u002Fof isolatie. Dit betekent dat de rechtbank in aftrek zal brengen voor “geen platen montage” een bedrag van € 4.134,00 (689 m² x € 6,00 per m²) en voor “geen isolatie montage” € 689,00 (689 m² x € 1,00 per m²).\n\n2.30.. \n\nHet voorgaande leidt tot de volgende berekening:\n\nAanbrengen wanden: € 45.474,00 (689 m² x € 66,00 per m²)\n\nIn mindering: € 18.761,47\n\n__________\n\n € 26.712,53 (exclusief btw).\n\nDit bedrag is Ringers aan Avanti verschuldigd voor de werkzaamheden aan de metalstud wanden.\n\nUitvoering E en Uitvoering H\n\n2.31.. \n\nUitvoering E betreft het bekleden van de binnenzijde van de houten buitengevels\n\nen Uitvoering H het stellen van 67 deurkozijnen. Daarover hebben de getuigen niet (specifiek) verklaard. Ook anderszins heeft Avanti geen bewijs bijgebracht dat deze werkzaamheden zijn verricht. De enkele overlegging van de bouwtekening, waarop uitvoering E zou zijn vermeld, is daartoe onvoldoende. De op de eindafrekening vermelde bedragen van € 3.233,00 (exclusief btw) voor uitvoering E en € 3.517,50 (exclusief btw) voor uitvoering H zullen dan ook worden afgewezen.\n\nGeleverde materialen\n\n2.32.. Tot slot maakt Avanti aanspraak op verschillende materialen die zij stelt te hebben geleverd. Avanti heeft toegelicht dat deze materialen zijn gebruikt ten behoeve van de trappenhuizen. Op de eindafrekening staan genoteerd:\n\n2.33.. De getuigen [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] hebben verklaard dat Avanti dit soort materialen heeft geleverd. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat de plafonds in de trapopgangen ook waren opgebracht en hij denkt dat het gaat om vijf of zes trappenhuizen. Daarmee heeft Avanti voldoende bewijs geleverd om als vaststaand aan te nemen dat de plafonds in die trappenhuizen zijn aangebracht en dat daarvoor materiaal is geleverd. De hoeveelheid in rekening gebracht materiaal komt de rechtbank gelet op het aantal trappenhuizen waarin werkzaamheden zijn verricht ook aannemelijk voor. De rechtbank zal deze materiaalkosten genoemd op de eindafrekening dan ook toewijzen tot het totaal bedrag van € 4.791,68 (exclusief btw).\n\nConclusie ten aanzien van het door Ringers aan Avanti verschuldigde bedrag\n\n2.34.. In het vonnis van 6 november 2024 heeft de rechtbank beslist dat Ringers voor het afwerken van wanden en plafonds en het aanbrengen van flexcorners een bedrag van € 28.823,00 exclusief btw verschuldigd is aan Avanti. Inclusief btw gaat het om een bedrag van € 34.875,83.\n\n2.35.. In het vonnis van 6 november 2024 heeft de rechtbank ook beslist dat Ringers voor diverse werkzaamheden een bedrag van € 1.947,50 exclusief btw verschuldigd is. Inclusief btw gaat het om een bedrag van € 2.356,48. De rechtbank heeft in het vonnis ook beslist dat Ringers de twee meerwerkfacturen van € 3.678,40 en € 4.138,20 inclusief btw aan Avanti verschuldigd is.\n\n2.36.. In het voorgaande van dit vonnis heeft de rechtbank beslist dat Ringers voor de werkzaamheden aan de plafonds een bedrag van € 22.425,00 exclusief btw aan Avanti verschuldigd is. Inclusief btw gaat het om een bedrag van € 27.134,25.\n\n2.37.. In het voorgaande van dit vonnis heeft de rechtbank ook beslist dat Ringers voor de werkzaamheden aan de metalstud wanden een bedrag van € 26.712,53 exclusief btw verschuldigd is. Inclusief btw gaat het om een bedrag van € 32.322,16.\n\n2.38.. Tot slot heeft de rechtbank in dit vonnis geoordeeld dat Ringers voor enkele andere geleverde materialen een bedrag van € 4.791,68 exclusief btw moet betalen. Inclusief btw is dat € 5.797,93.\n\n2.39.. In totaal gaat het dus om een verschuldigd bedrag van € 110.303,25 (inclusief btw). Ringers heeft echter al een bedrag van in totaal € 68.625,00 aan Avanti betaald. Dit betekent dat Ringers nog een bedrag van € 41.978,25 (inclusief btw) aan Avanti verschuldigd is. Dit bedrag zal als hoofdsom worden toegewezen.\n\nWettelijke handelsrente\n\n2.40.. De wettelijke handelsrente zal door de rechtbank worden toegewezen, nu – anders dan Ringers heeft aangevoerd – tussen partijen sprake is van een handelsovereenkomst. Op grond van artikel 6:119a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek is Ringers de wettelijke handelsrente verschuldigd vanaf de dag volgend op de overeengekomen datum van uiterste betaling. Eerder in dit vonnis is geoordeeld dat partijen zijn overeengekomen te werken volgens de voorwaarden uit de offerte van 29 juni 2022. Daarin staat dat facturen binnen veertien dagen betaald moeten worden. Ringers voert in de conclusie van antwoord aan dat Avanti de eindafrekening van 15 mei 2023 pas op 12 juni 2023 aan haar heeft toegezonden. Avanti heeft in reactie daarop een e-mail van 16 mei 2023 overgelegd waarin de eindfactuur is gestuurd aan [getuige 5] , die in deze kwestie handelt namens Ringers. Ringers had de hoofdsom daarom uiterlijk binnen 14 dagen na de factuurdatum van 15 mei 2023 moeten betalen, oftewel uiterlijk 29 mei 2023. De wettelijke handelsrente zal dus worden toegewezen vanaf 30 mei 2023.\n\n2.41.. Op 30 mei 2023 was Ringers - die toen al € 36.300,00 had betaald - een bedrag van € 74.303,25 aan Avanti verschuldigd. Op 15 september 2023 heeft Ringers een bedrag van € 32.325,00 betaald. Dit betekent dat Ringers de wettelijke handelsrente moet voldoen over het bedrag van € 74.303,25 vanaf 30 mei 2023 tot 15 september 2023 en over een bedrag van € 41,978,25 vanaf 15 september 2023 tot de dag van volledige betaling.\n\nBuitengerechtelijke incassokosten\n\n2.42.. Avanti vordert verder vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten tot een bedrag van € 1.625,19. Ringers voert daartegen aan dat niet blijkt dat Avanti buitengerechtelijke incassowerkzaamheden heeft verricht. In de dagvaarding stelt Avanti dat zij een ingebrekestelling heeft verstuurd. Dit zijn echter werkzaamheden die zien op de voorbereiding van gedingstukken en de instructie van de zaak, waarvoor de vergoeding wordt geacht te zijn begrepen in de proceskosten. Avanti stelt niet dat en zo ja welke andere buitengerechtelijke incassowerkzaamheden er zijn verricht. Ringers is daarom in beginsel geen vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd. In dit geval is echter sprake van een handelsovereenkomst die na 16 maart 2013 is gesloten, waarbij de contractuele betalingstermijn is verstreken, zodat een bedrag van € 40,00 ingevolge het bepaalde in artikel 6:96 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) toewijsbaar is. De wettelijke rente daarover zal zoals gevorderd worden toegewezen vanaf de dag van de dagvaarding, zijnde 19 februari 2024, tot de dag van betaling.\n\nGevolgen voor de vorderingen in conventie en reconventie\n\n2.43.. De rechtbank zal de vorderingen van Avanti in conventie toewijzen, zoals omschreven onder randnummers 2.39, 2.41 en 2.42.\n\n2.44.. De rechtbank zal de vorderingen van Ringers in (voorwaardelijke) reconventie afwijzen. In het vonnis van 6 november 2024 heeft de rechtbank reeds overwogen dat de eerste reconventionele vordering - die ziet op door Avanti verschuldigd zijn van een schadevergoeding in verband met gestelde gebreken - wordt afgewezen.\n\n2.45.. Ook de tweede reconventionele vordering wordt afgewezen. Deze vordering ziet op een bedrag dat Ringers onverschuldigd aan Avanti zou hebben betaald, zodat Avanti een bedrag van € 40.037,15 aan Ringers zou moeten terugbetalen. De rechtbank heeft in het voorgaande van dit vonnis overwogen dat Ringers in totaal een bedrag van € 110.303,25 aan Avanti verschuldigd is voor de verrichte werkzaamheden, waarvan op dit moment nog een bedrag van € 41.978,25 resteert. Van een onverschuldigde betaling door Ringers aan Avanti is dus geen sprake.\n\nProceskosten in conventie\n\n2.46.. Ringers is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) in conventie betalen. De proceskosten van Avanti worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n115,22\n\n- griffierecht\n\n€\n\n2.889,00\n\n- kosten getuigen\n\n€\n\n157,50\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n4.856,00\n\n(4 punten × € 1.214,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n139,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n8.156,72\n\n2.47.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\nProceskosten in reconventie\n\n2.48.. Ringers is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) in reconventie betalen. De proceskosten van Avanti worden begroot op:\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.821,00\n\n(1,5 punten × € 1.214,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n139,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.960,00\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin conventie\n\n3.1.. veroordeelt Ringers tot betaling aan Avanti van een bedrag van € 41.978,25 (inclusief btw), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente uit artikel 6:119a BW over het bedrag van € 74.303,25 vanaf 30 mei 2023 tot 15 september 2023 en over een bedrag van € 41.978,25 vanaf 15 september 2023 tot de dag van volledige betaling,\n\n3.2.. veroordeelt Ringers tot betaling aan Avanti van een bedrag van € 40,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, ter vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 19 februari 2024 tot aan de dag van volledige betaling,\n\n3.3.. veroordeelt Ringers in de proceskosten van € 8.156,72, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Ringers niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n3.4.. veroordeelt Ringers tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\nin (voorwaardelijke) reconventie\n\n3.5.. wijst de vorderingen van Ringers af,\n\n3.6.. veroordeelt Ringers in de proceskosten van € 1.960,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Ringers niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\nin conventie en reconventie\n\n3.7.. verklaart dit vonnis, wat betreft 3.1, 3.2, 3.3, 3.4 en 3.6, uitvoerbaar bij voorraad,\n\n3.8.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. N. Boots, rechter, bijgestaan door de griffier mr. M. Bouwen en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.\n\nMB\u002FNB","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:6977","2026-06-12T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:28.469Z",20]