[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-amsterdam-asylum-and-migration-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":98,"limit":99},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},56,"Amsterdam","nl","amsterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},89,"asylum-and-migration-nl","Asylum and Migration","NL","2026-07-08T16:55:59.400Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},10,{"min":18,"max":19},"2024-08-13T00:00:00.000Z","2026-07-06T00:00:00.000Z",[],[22,32,39,46,53,61,68,75,82,90],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":31},"914","ECLI:NL:RBDHA:2026:18536","ecli-nl-rbdha-2026-18536","","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\n Bestuursrecht\n\nZaaknummer: NL26.13716\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\nuitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen\n\n [verzoeker] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 2000, van Azerbeidzjaanse nationaliteit, verzoeker\n\n(gemachtigde: mr. Š. Petković)\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister\n\n(gemachtigde: mr. S.H.F. Pols)\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 20 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd van verzoeker met terugwerkende kracht ingetrokken vanaf 26 december 2016, tegen verzoeker een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van tien jaar uitgevaardigd en verzoeker voor de duur van tien jaar in het SISgesignaleerd.\n\nVerzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt de rechtsgevolgen van het bestreden besluit op te schorten en te bepalen dat verzoeker het bezwaar in Nederland mag afwachten.\n\nDe voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awbuitspraak zonder zitting.\n\nOverwegingen\n\n1. Verzoeker heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De voorzieningenrechter wijst dit verzoek toe.\n\n2. Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan hangende een bezwaarprocedure de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.\n\n3. De minister heeft bij brief van 29 juni 2026 aan de rechtbank meegedeeld dat hij zich niet verzet tegen hetgeen is verzocht, voor zover dit ziet op het niet uitzetten van verzoeker totdat op het bezwaar is beslist.\n\n4. Nu de minister zich niet verzet tegen het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening en de voorzieningenrechter geen beletselen ziet die zich tegen toewijzing van dit verzoek verzetten, zal de voorzieningenrechter dit verzoek toewijzen. Indien het bezwaar wordt ingetrokken of anderszins wordt beëindigd, zal deze voorlopige voorziening komen te vervallen.\n\n5. Omdat het verzoek wordt toegewezen, veroordeelt de voorzieningenrechter de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt € 934,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter,\n\n- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;\n\n- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit worden opgeschort en verzoeker niet mag worden uitgezet totdat op het bezwaar is beslist;\n\n- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Doets, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.G.T. de Hoop, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Schengen Informatiesysteem.\n\n Algemene wet bestuursrecht.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18536","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:54.307Z",{"id":33,"ecli":34,"slug":35,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":36,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":37,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":38},"916","ECLI:NL:RBDHA:2026:18533","ecli-nl-rbdha-2026-18533","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: NL26.4403\n\nV-nummer: [v-nummer]uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser],\n\ngeboren op [geboortedag] 1995, van Turkse nationaliteit, eiser\n\n(gemachtigde: mr. M.P.J.W.M. Govers),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de kennelijke ongegrondverklaring van zijn aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.\n\n1.1.. Eiser heeft op 26 oktober 2023 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 20 januari 2026 kennelijk ongegrond verklaard. Bij het bestreden besluit heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit met een termijn van vier weken uitgevaardigd.\n\n1.2.. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\n1.3.. De rechtbank heeft de minister via een bericht in het digitale dossier op 2 juni 2026 verzocht om uiterlijk 10 juni 2026 een verweerschrift in te dienen. De minister heeft aan dit verzoek geen gehoor gegeven.\n\n1.4.. Vervolgens heeft de minister op 17 juni 2026 aan de rechtbank medegedeeld dat zij niet op zitting zal verschijnen wegens capaciteitsgebrek. Via telefonisch contact heeft de rechtbank aan de minister gevraagd als gevolg daarvan alsnog een verweerschrift in te dienen. Dit heeft de minister nagelaten.\n\n1.5.. De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en R. Baysal als tolk in de Turkse taal deelgenomen. De minister is met bericht niet verschenen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\n3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nAsielrelaas\n\n4. Eiser heeft het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiser heeft verklaard dat hij tussen 2012 en 2016 banden heeft gehad met de Gülen-beweging. Eiser heeft op de militaire school gezeten. Na de couppoging is eiser uitgemaakt voor terrorist, is hij gearresteerd en heeft hij vastgezeten. Door zijn familie en de maatschappij is eiser uitgemaakt en bestempeld als terrorist. Bij terugkeer vreest eiser om opgepakt te worden.\n\nBestreden besluit\n\n5. Volgens de minister bevat het asielrelaas van eiser de volgende asielmotieven:\n\nidentiteit, nationaliteit en herkomst;\n\nde problemen door (toegedichte) betrokkenheid bij de Gülen-beweging.\n\n5.1.. De minister acht beide asielmotieven geloofwaardig, maar volgens de minister heeft eiser geen gegronde vrees voor vervolging. Volgens de minister heeft eiser zijn vrees dat hij bij terugkeer naar Turkije opgepakt zal worden niet aannemelijk gemaakt. De minister heeft de asielaanvraag van eiser daarom afgewezen.\n\nToetsingskader\n\n6. De rechtbank overweegt dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) volgt dat de rechter in eerste aanleg bij wie beroep is ingesteld tegen een besluit tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming de bevoegdheid toekomt om de feiten te beoordelen en een eigen, uitputtende en geactualiseerde beoordeling te verrichten van de bij hem aan de orde gestelde feiten.Dit houdt ook in dat de rechtbank ook rekening mag houden met elementen die in beroep naar voren zijn gebracht, maar die in de bestuurlijke fase nog niet beschikbaar waren. In dat geval moet de rechtbank de beslissingsautoriteit in de gelegenheid stellen om zich uit te laten over deze nieuwe elementen.Verder volgt uit de rechtspraak van het Hof dat indien de rechtbank van oordeel is dat zij beschikt over alle daartoe noodzakelijke feitelijke en juridische gegevens de rechtbank de bevoegdheid heeft om na afloop van een volledig en ex nunc onderzoek een bindende uitspraak te doen over de vraag of de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden voor internationale bescherming. Deze bevoegdheid kan niet worden beperkt.Dit betekent dat de rechtbank de bevoegdheid heeft om een bindende uitspraak te doen over de geloofwaardigheid van het ter staving van het verzoek om internationale bescherming overgelegde relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade bij terugkeer naar het land van herkomst alsmede over de gegrondheid van het verzoek, rekening houdend met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht.\n\n6.1.. Om voor vergunningverlening in aanmerking te komen moet sprake zijn van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. In het arrest Ebilumheeft het Hof uiteengezet hoe deze gegronde vrees getoetst moet worden. De beoordeling of de vrees voor vervolging van een verzoeker gegrond is moet op individuele basis worden verricht. In het kader van die beoordeling moet worden vastgesteld of de gebleken omstandigheden een dusdanige bedreiging vormen dat de betrokkene, gezien zijn individuele situatie, goede gronden heeft om te vrezen daadwerkelijk te zullen worden vervolgd. Deze vaststelling moet berusten op een concrete beoordeling van de feiten en omstandigheden overeenkomstig de regels van met name artikel 4, leden 3 tot en met 5 van de Kwalificatierichtlijn.Artikel 4, derde lid, somt alle elementen op waarmee rekening moet worden gehouden. Artikel 4, vierde lid van de Kwalificatierichtlijn preciseert dat de omstandigheid dat een vreemdeling in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging of dat hij rechtstreeks is bedreigd met zulke vervolging een duidelijke aanwijzing is dat de vrees van de vreemdeling voor vervolging gegrond is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging zich niet opnieuw zal voordoen.De beoordeling of sprake is van een gegronde vrees voor vervolging heeft een subjectieve en objectieve kant.Bij de beoordeling kan niet louter worden uitgegaan van het subjectieve standpunt van de persoon die om internationale bescherming verzoekt, maar moet een individuele, concrete en objectieve beoordeling worden verricht van de persoonlijke situatie van de verzoeker, de feiten en de omstandigheden betreffende het verzoek en de situatie in het land van herkomst. De vrees voor vervolging moet als bewezen worden beschouwd wanneer er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat het door verzoeker aangevoerde risico van vervolging zich zal voordoen bij terugkeer naar het land van herkomst.\n\n6.2.. De rechtbank neemt hierbij de verklaringen van eiser en hetgeen hij in beroep heeft gesteld als uitgangspunt. Nu de rechtbank een eigen beoordeling dient te maken en zelf vol mag toetsen (1) of eisers asielrelaas geloofwaardig is en (2) of hij een gegronde vrees voor vervolging heeft danwel een reëel risico op ernstige schade loopt, ziet de rechtbank het bestreden besluit als het standpunt van de minister, daarom zal de rechtbank niet langer eerst aangeven of en waarom er sprake is van een motiveringsgebrek. De rechtbank toetst immers niet zozeer het besluit maar dient zelf een volledig en ex nunc onderzoek te doen. Dit betekent dat in voorkomende gevallen de rechtbank niet in zal gaan op alle tegenwerpingen van de minister.\n\n6.3.. Op 12 juni 2026 is het Asiel- en Migratiepact ingegaan. Met dit pact zijn diverse richtlijnen omgezet naar verordeningen. Onder meer de Kwalificatierichtlijn is ingetrokken en vervangen door de Kwalificatieverordening.De Kwalificatieverordening kent geen overgangsrecht.Omdat de rechtbank een volledig en ex nunc onderzoek dient te verrichten, zal de rechtbank uitgaan van het recht zoals dat gold ten tijde van het sluiten van het onderzoek. Dit betekent dat de rechtbank zal toetsen aan de Kwalificatieverordening.\n\nBespreking van de beroepsgronden\n\n7. De rechtbank overweegt dat zij de minister bij bericht van 2 juni 2026 expliciet om een verweerschrift heeft gevraagd. De rechtbank heeft de minister in dit bericht een tweetal vragen gesteld en gevraagd of de minister, indien de minister het besluit niet wilde intrekken, hierop schriftelijk wilde reageren. De minister heeft dit nagelaten. Ook nadat de rechtbank de minister op 17 juni 2026 telefonisch nogmaals expliciet heeft gevraagd om een verweerschrift in te dienen, heeft de minister dit niet gedaan. In artikel 8:42 van de Awbis geregeld dat het indienen van een verweerschrift een bevoegdheid is van het bestuursorgaan. Het bestuursorgaan is hiertoe niet verplicht, tenzij de rechtbank expliciet om een verweerschrift vraagt. In dat geval is het bestuursorgaanwelverplicht om een verweerschrift in te dienen. Ondanks deze verplichting heeft de minister hier niet aan voldaan. Nu de minister geen verweerschrift heeft ingediend en ook niet ter zitting is verschenen, zal de rechtbank in voorkomende gevallen de stellingen van eiser als onweersproken beschouwen. De minister is immers in de gelegenheid geweest om op eventuele onwelvallige stellingen te reageren, maar heeft er zelf voor gekozen dit niet te doen. Dit neemt niet weg dat de rechtbank ook een eigen verantwoordelijkheid heeft en niet elke stelling van eiser zonder meer zal volgen. Echter, in die gevallen waarin het de rechtbank niet vreemd voorkomt, zal de rechtbank uitgaan van hetgeen eiser heeft gesteld.\n\nDe beleidswijziging en overschrijding van de beslistermijn\n\n8. Eiser heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat de beleidswijzigingen van de minister van 1 december 2023 en 1 juli 2024 ten aanzien van Gülen-aanhangers geen stand kan houden. Eiser verwijst hierbij naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplek van 1 juni 2026. Ook heeft eiser aangevoerd dat hij is benadeeld door het overschrijden van de beslistermijn. Als de minister wel binnen de beslistermijn had beslist op zijn aanvraag, was zijn aanvraag immers ingewilligd.\n\n9. Omdat de rechtbank hieronder tot het oordeel komt dat eiser aan het individualiseringsvereiste heeft voldaan en in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning, zal de rechtbank de beroepsgronden die zien op de beleidswijziging en de overschrijding van de beslistermijn niet bespreken. De vraag of de beleidswijzigingen stand kunnen houden, voegt hier immers niets toe.\n\nRisico op strafrechtelijke vervolging in Turkije\n\n10. Eiser voert aan dat uit de werkwijze van het Turkse Openbaar Ministerie (hierna: OM) volgt dat zij willen dat eiser wordt veroordeeld als terrorist. Eiser is nu vrijgesproken als gevolg van een gebrek aan bewijs, maar het OM zal volgens eiser niet rusten totdat hij is veroordeeld. De minister blijft ook ten onrechte de legale uitreis van eiser tegengeworpen en stelt zich ten onrechte op het standpunt dat de legale uitreis afbreuk doet aan de stelling dat eiser in de negatieve belangstelling staat van de Turkse autoriteiten. Tot slot heeft eiser op individueel niveau aannemelijk gemaakt dat hij in de negatieve belangstelling staat van de autoriteiten en heeft daarnaast gewezen op algemene informatie die zijn overwegingen verder onderbouwen.\n\n11. Niet in geschil is dat eiser in het verleden is vervolgd door de Turkse overheid. In geschil is de vraag of eiser bij terugkeer naar Turkije wederom te vrezen heeft voor vervolging vanwege zijn toegedichte betrokkenheid bij het Gülenisme.\n\n12. De rechtbank overweegt dat eisers eerdere vervolging vanwege zijn toegedichte politieke overtuiging een daad van vervolging is in de zin van artikel 3.36 van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (hierna: VV 2000). Uit artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatieverordening en artikel 31, vijfde lid, van de Vreemdelingenwet 20000 (hierna: Vw 2000) volgt dat blootstelling aan vervolging of ernstige schade in het verleden een duidelijke aanwijzing is dat de vrees voor vervolging gegrond is en het risico op ernstige schade reëel. Daar komt bij dat bij eerdere blootstelling aan vervolging of ernstige schade, de bewijslast naar de minister verschuift en hij moet motiveren waarom die zich niet opnieuw zal voordoen.\n\n13. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister een verkeerd toetsingskader toegepast. Uit het voornemen en het bestreden besluit blijkt dat de minister zich op het standpunt heeft gesteld dat het eiser is die niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij opnieuw voor vervolging te vrezen heeft. Dit terwijl het aan de minister is om aannemelijk te maken dat eiser nietopnieuw te vrezen heeft voor vervolging. Het beroep is dus gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. In het kader van de finale geschilbeslechting en in het licht van het arrest Quotal, zal de rechtbank zelf een beoordeling maken van de geloofwaardigheid van het ter staving van het verzoek om internationale bescherming overgelegde relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade bij terugkeer naar het land van herkomst alsmede over de gegrondheid van het verzoek, rekening houdend met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht.\n\n14. Naar het oordeel van de rechtbank is het relaas van eiser geloofwaardig. Dit is tussen partijen ook niet in geschil. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier anders over te oordelen. Dan rest de vraag of de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade aannemelijk is en of het verzoek om internationale bescherming gegrond is. De rechtbank beantwoordt die vragen bevestigend en zal hieronder uitleggen waarop zij dat oordeel baseert.\n\n15. De rechtbank betrekt hierbij allereerst dat eiser eerder is vervolgd in vluchtelingrechtelijke zin. Eiser is immers vanwege zijn politieke overtuiging strafrechtelijk vervolgd. Zoals hierboven ook al opgemerkt is blootstelling aan vervolging in het verleden een duidelijke aanwijzing dat de vrees voor vervolging gegrond is.De rechtbank weegt dit mee in haar beoordeling.\n\n16. Ter staving van zijn stelling dat hij bij terugkeer wel degelijk te vrezen heeft, heeft eiser een document van het Turkse Hof van Cassatie overgelegd. Hieruit blijkt dat de Advocaat-Generaal het Hof van Cassatie heeft verzocht om eisers dossier te onderzoeken. Eiser heeft dit document na zijn nader gehoor overgelegd. Ter zitting heeft eiser onweersproken verklaard dat hij na zijn nader gehoor, toen hem duidelijk was dat hij nog meer documenten diende te overleggen, contact heeft opgenomen met zijn Turkse strafadvocaat. Deze advocaat heeft uit eisers strafdossier dit document gehaald en aan eiser gezonden. Deze gang van zaken komt de rechtbank niet vreemd voort. Uit het algemeen ambtsbericht volgt immers dat:\n\n“Het hangt van de aard van de zaak af of tijdens een strafrechtelijk onderzoek de stukken wel of niet raadpleegbaar zijn in UYAP. Indien de Turkse autoriteiten de zaak als ‘gevoelig’ beschouwen, zullen de stukken niet zichtbaar zijn in UYAP. Indien de zaak niet als gevoelig wordt gezien, kunnen de stukken tijdens de onderzoeksfase wel raadpleegbaar zijn in UYAP. Een gevolmachtigde advocaat kan daartoe toegang krijgen. Deze mogelijkheid geldt niet voor het burgerportaal. Zodra de verdachte daadwerkelijk is aangeklaagd en er een strafzaak in gang is gezet, zijn de stukken in UYAP raadpleegbaar voor zowel de advocaat als de gedaagde.”\n\nNaar het oordeel van de rechtbank heeft eiser een voldoende bevredigende verklaring gegeven waarom hij dit document pas iets later in de procedure, namelijk na de correcties en aanvullingen, heeft ingebracht. Tijdens het nader gehoor heeft eiser aangegeven dat het document niet in zijn UYAP staat.In de brief van 15 januari 2026 geeft de gemachtigde van eiser ook aan dat eiser, na bespreking van het belang van documenten, nogmaals navraag heeft gedaan om te kijken welke aanvullende documenten hij kon krijgen. Dat eiser het document niet zelf kon inzien, maar zijn strafadvocaat wel, is in overeenstemming met de landeninformatie. De rechtbank betrekt dit document dan ook bij haar beoordeling.\n\n17. Uit het document komt naar voren dat eisers strafzaak nog niet gesloten is. Gelet op de landeninformatie is dit ook niet onaannemelijk. De (negatieve) belangstelling van de Turkse overheid tegenover (vermeende) Gülenisten hoeft niet per se op te houden na een veroordeling of een beslissing tot niet vervolging. De Finse immigratiedienst schrijft dat meerdere bronnen aangeven dat de Turkse overheid opnieuw kan overgaan tot een strafrechtelijk onderzoek en vervolging van (vermeende) Gülenisten. Ook [de persoon] beschrijft dat personen die eerder werden verdacht van betrokkenheid bij de Gülenbeweging, opnieuw in de negatieve belangstelling van de overheid kunnen komen te staan.In het Algemeen Ambtsbericht is opgemerkt dat het onduidelijk is of vrijgelaten Gülenisten opnieuw vervolgd worden.\n\nDaar komt verder bij dat eiser behoort tot een specifieke groep (vermeende) Gülenisten die in de negatieve aandacht staan van de Turkse overheid. Volgens de Finse immigratiedienst staan individuen die eerder een sepot hebben gekregen dan wel zijn vrijgesproken of een deel van hun straf niet hebben uitgezeten terzake Gülenisme in de negatieve belangstelling van de Turkse overheid.Daarbij volgt voorts uit de landeninformatie dat de (negatieve) belangstelling van de Turkse overheid jegens (vermeende) Gülenisten niet per se hoeft op te houden na een veroordeling of beslissing tot niet vervolging. De Finse immigratiedienst schrijft dat meerdere bronnen aangeven dat de Turkse overheid opnieuw kan overgaan tot een strafrechtelijk onderzoek en vervolging van (vermeende) Gülenisten.Ook [de persoon] beschrijft dat personen die eerder werden verdacht van betrokkenheid bij de Gülenbeweging, opnieuw in de negatieve belangstelling van de overheid kunnen komen te staan.In het Algemeen Ambtsbericht is opgemerkt dat het onduidelijk is of vrijgelaten Gülenisten opnieuw vervolgd worden.Het Algemeen Amtsbericht spreekt verder over dat (vermeende) Gülenisten in het veiligheids- en justitiële apparaat, zoals cadetten, in de negatieve aandacht staan.Eiser heeft op een militaire school gezeten en kan dus als cadet worden aangemerkt. De minister heeft dit ook niet weersproken.\n\n18. Hoewel eiser zelf heeft gesteld dat hij alle banden met het Gülenisme heeft verbroken, maakt dat voor de toets niet uit. Immers, ook een toegedichte politieke overtuiging kan een grond voor vervolging opleveren. Uit het Algemeen Ambtsbericht volgt ook dat vermeende Gülenisten al in de negatieve belangstelling kunnen komen te staan.\n\n19. Dat eiser legaal heeft kunnen uitreizen, maakt niet dat geen sprake is van negatieve belangstelling. Uit het algemeen ambtsbericht volgt immers dat een strafrechtelijke procedure en de mogelijkheid om het land legaal uit te reizen twee verschillende aangelegenheden zijn.\n\n20. Dat eiser in 2019 zelf is teruggekeerd uit de Verenigde Staten naar Turkije, terwijl op dat moment de vervolgingen van Gülenisten al aan de gang waren, maakt ook niet dat de huidige vrees van eiser niet aannemelijk zou zijn. Eiser heeft immers verklaard dat hij verwachtte dat hij niet vervolgd zou worden en als hij wel vervolgd zou worden, dat hij rechtsbescherming zou krijgen. In het licht van de situatie in Turkije in 2019 kan dit wellicht als naïef worden gezien, maar dit maakt nog niet dat eisers huidige vrees onaannemelijk is. Eiser is na zijn terugkeer daadwerkelijk vervolgd. Dit is niet in geschil. De rechtbank dient te beoordelen of eisers huidige vrees aannemelijk is. Omstandigheden die hebben plaatsgevonden voor de eerdere vervolging, hoeven daar niet bij te worden betrokken. De rechtbank doet dat dan ook niet. Naar het oordeel van de rechtbank doet de terugkeer van eiser in 2019 niet af aan de aannemelijkheid van zijn gestelde vrees in 2026.\n\n21. Gelet op de landeninformatie en de persoonlijke omstandigheden van eiser, met name de omstandigheid dat hij eerder is vervolgd en zijn strafdossier nog niet gesloten is, heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Turkije gegronde vrees heeft voor vervolging.\n\nConclusie en gevolgen\n\n22. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikelen 18 van het Handvestals ook omdat aan de voorwaarden uit de Kwalificatieverordening voor het toekennen van vluchtelingrechtelijke bescherming is voldaan en dat uit die verordening dan ook volgt dat een status moet worden verleend. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Op basis van alle relevante feitelijke en juridische gegevens en na een uitputtend en geactualiseerd onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming van eiser stelt de rechtbank vast dat aan eiser internationale bescherming moet worden verleend als vluchteling. De rechtbank verwijst de zaak daarom terug naar de minister en draagt de minister op om de gevraagde internationale bescherming te verlenen, tenzij er zich feitelijke of juridische gegevens aandienen die objectief een nieuwe geactualiseerde beoordeling vereisen.\n\n23. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit;\n\nverwijst de zaak terug naar de minister en draagt de minister op aan eiser een verblijfsvergunning asiel te verlenen als vluchteling;\n\nveroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.C.E. Krikke, rechter, in aanwezigheid van mr.B. Kingma, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de\n\nAfdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze\n\npartij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend\n\nbinnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de\n\nbehandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de\n\nindiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van\n\nState vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zie onder andere het arrest van het Hof van 4 juni 2026, Quotal, C-198\u002F25, ECLI:EU:C:2026:447, rechtsoverwegingen 31 tot en met 35. Het Hof verwijst daarbij naar eerdere arresten van het Hof waar dit ook al uit volgt.\n\n Arrest Quotal, rechtsoverwegingen 38 en 42.\n\n Arrest Quotal, rechtsoverwegingen 45 en 46.\n\n Arrest Quotal, rechtsoverweging 58.\n\n Zie het Hof, 4 juni 2026, Ebilum, C-440\u002F25, ECLI:EU:C:2026:448, rechtsoverweging 73.\n\n Richtlijn 2011\u002F95\u002FEU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming en voor de inhoud van de verleende bescherming.\n\nArrest Ebilum, rechtsoverwegingen 73 en 74.\n\n Arrest Ebilum, rechtsoverweging 76.\n\n Arrest Ebilum, rechtsoverweging 87.\n\n Verordening (EU) 2024\u002F1347 van het Europese Parlement en de Raad van 14 mei 2024 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen, en voor de inhoud van de verleende bescherming, tot wijziging van Richtlijn 2003\u002F109\u002FEG van de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2011\u002F95 van het Europees Parlement en de Raad.\n\n Zie artikel 41.\n\n Algemene wet bestuursrecht.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2026:14790.\n\n Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 17 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6058, onder 10.2 en 10 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1971, onder 3.1.\n\n Artikel 4, vierde lid van de Kwalificatieverordening en artikel 31, vijfde lid van de Vw 2000.\n\n Ulusal Yargi Ağı Projesi (juridisch informatiesysteem van de Turkse overheid).\n\n Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina 20.\n\nNader gehoor pagina 20.\n\n Uit ECLI:NL:RVS:2026:1607, r.o. 6.12. De rechtbank heeft dit rapport niet online kunnen vinden.\n\n Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina 52.\n\n Finse immigratiedienst, ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, paragraaf 1.2.1-1.2.7.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, p. 11 en 12.\n\n Uit ECLI:NL:RVS:2026:1607, r.o. 6.12. De rechtbank heeft dit rapport niet online kunnen vinden.\n\n Zie het Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina 52.\n\n Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina 49.\n\n Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina 20. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1743, rechtsoverweging 6.1.\n\nHandvest van de grondrechten van de Europese Unie.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18533","2026-07-13T00:28:54.379Z",{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":43,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":44,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":45},"917","ECLI:NL:RBDHA:2026:18534","ecli-nl-rbdha-2026-18534","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: NL26.4401\n\nV-nummer: [V-nummer]uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 1971, van Turkse nationaliteit, eiser\n\n(gemachtigde: mr. M.P.J.W.M. Govers),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de ongegrondverklaring van zijn aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.\n\n1.1.. Eiser heeft op 27 oktober 2023 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 21 januari 2026 ongegrond verklaard. Bij het bestreden besluit heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit met een termijn van vier weken uitgevaardigd.\n\n1.2.. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\n1.3.. De rechtbank heeft de minister via een bericht in het digitale dossier op 2 juni 2026 verzocht om uiterlijk 10 juni 2026 een verweerschrift in te dienen. De minister heeft aan dit verzoek geen gehoor gegeven.\n\n1.4.. Vervolgens heeft de minister op 17 juni 2026 aan de rechtbank medegedeeld dat zij niet op zitting zal verschijnen wegens capaciteitsgebrek. Via telefonisch contact heeft de rechtbank aan de minister gevraagd als gevolg daarvan alsnog een verweerschrift in te dienen. Dit heeft de minister nagelaten.\n\n1.5.. De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en R. Baysal als tolk in de Turkse taal deelgenomen. De minister is met bericht niet verschenen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\n3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nAsielrelaas\n\n4. Eiser heeft het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiser was als [functie] werkzaam in Turkije. Eiser heeft verklaard dat hij veroordeeld is vanwege zijn (toegedichte) betrokkenheid bij de Gülen-beweging. Eiser is veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaar en zes maanden. Tijdens zijn detentie is hij gemarteld. Na het uitzitten van 4 jaar en acht maanden gevangenisstraf is eiser voorwaardelijk vrijgelaten. Eiser moest zich onder andere houden aan een wekelijkse meldplicht en een taakstraf uitvoeren. Eiser heeft verklaard dat hij zich vanwege zijn vertrek niet heeft gehouden aan de voorwaarden. Bij terugkeer vreest eiser dat hij opnieuw vervolgd zal worden onder andere omdat hij zich niet aan de opgelegde voorwaarden heeft gehouden.\n\nBestreden besluit\n\n5. Volgens de minister bevat het asielrelaas van eiser de volgende asielmotieven:\n\nidentiteit, nationaliteit en herkomst;\n\nde eerdere strafrechtelijke veroordeling van eiser.\n\n5.1.. De minister acht beide asielmotieven geloofwaardig, maar volgens de minister heeft eiser geen gegronde vrees voor vervolging. Volgens de minister heeft eiser zijn vrees voor strafrechtelijke vervolging bij terugkeer naar Turkije niet aannemelijk gemaakt. Eiser heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat hij opnieuw strafrechtelijk vervolgd zal worden of dat hij opnieuw in detentie zal worden geplaatst. Uit het door eiser overgelegde document van 18 december 2025 blijkt dat het dossier van de voorwaardelijke invrijheidsstelling vanwege het voltooien van de justitiële voorwaarden is afgesloten. Dat eiser opnieuw vervolgd zal worden, is gebaseerd op vermoedens. De minister betrekt daarbij ook dat eiser legaal het land heeft kunnen verlaten. Verder acht de minister het niet geloofwaardig dat de politie meerdere keren langs de familie van eiser is geweest om navraag te doen naar eiser vanwege de schending van de voorwaarden. De minister heeft de asielaanvraag van eiser daarom afgewezen.\n\nToetsingskader\n\n6. De rechtbank overweegt dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) volgt dat de rechter in eerste aanleg bij wie beroep is ingesteld tegen een besluit tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming de bevoegdheid toekomt om de feiten te beoordelen en een eigen, uitputtende en geactualiseerde beoordeling te verrichten van de bij hem aan de orde gestelde feiten.Dit houdt ook in dat de rechtbank ook rekening mag houden met elementen die in beroep naar voren zijn gebracht, maar die in de bestuurlijke fase nog niet beschikbaar waren. In dat geval moet de rechtbank de beslissingsautoriteit in de gelegenheid stellen om zich uit te laten over deze nieuwe elementen.Verder volgt uit de rechtspraak van het Hof dat indien de rechtbank van oordeel is dat zij beschikt over alle daartoe noodzakelijke feitelijke en juridische gegevens de rechtbank de bevoegdheid heeft om na afloop van een volledig en ex nunc onderzoek een bindende uitspraak doet over de vraag of de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden voor internationale bescherming. Deze bevoegdheid kan niet worden beperkt.Dit betekent dat de rechtbank de bevoegdheid heeft om een bindende uitspraak te doen over de geloofwaardigheid van het ter staving van het verzoek om internationale bescherming overgelegde relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade bij terugkeer naar het land van herkomst alsmede over de gegrondheid van het verzoek, rekening houdend met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht.\n\n6.1.. Om voor vergunningverlening in aanmerking te komen moet sprake zijn van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. In het arrest Ebilumheeft het Hof uiteengezet hoe deze gegronde vrees getoetst moet worden. De beoordeling of de vrees voor vervolging van een verzoeker gegrond is moet op individuele basis worden verricht. In het kader van die beoordeling moet worden vastgesteld of de gebleken omstandigheden een dusdanige bedreiging vormen dat de betrokkene, gezien zijn individuele situatie, goede gronden heeft om te vrezen daadwerkelijk te zullen worden vervolgd. Deze vaststelling moet berusten op een concrete beoordeling van de feiten en omstandigheden overeenkomstig de regels van met name artikel 4, leden 3 tot en met 5 van de Kwalificatierichtlijn.Artikel 4, derde lid, somt alle elementen op waarmee rekening moet worden gehouden. Artikel 4, vierde lid van de Kwalificatierichtlijn preciseert dat de omstandigheid dat een vreemdeling in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging of dat hij rechtstreeks is bedreigd met zulke vervolging een duidelijke aanwijzing is dat de vrees van de vreemdeling voor vervolging gegrond is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging zich niet opnieuw zal voordoen.De beoordeling of sprake is van een gegronde vrees voor vervolging heeft een subjectieve en objectieve kant.Bij de beoordeling kan niet louter worden uitgegaan van het subjectieve standpunt van de persoon die om internationale bescherming verzoekt, maar moet een individuele, concrete en objectieve beoordeling worden verricht van de persoonlijke situatie van de verzoeker, de feiten en de omstandigheden betreffende het verzoek en de situatie in het land van herkomst. De vrees voor vervolging moet als bewezen worden beschouwd wanneer er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat het door verzoeker aangevoerde risico van vervolging zich zal voordoen bij terugkeer naar het land van herkomst.\n\n6.2.. De rechtbank neemt hierbij de verklaringen van eiser en hetgeen hij in beroep heeft gesteld als uitgangspunt. Nu de rechtbank een eigen beoordeling dient te maken en zelf vol mag toetsen (1) of eisers asielrelaas geloofwaardig is en (2) of hij een gegronde vrees voor vervolging heeft danwel een reëel risico op ernstige schade loopt, ziet de rechtbank het bestreden besluit als het standpunt van de minister, daarom zal de rechtbank niet langer eerst aangeven of en waarom er sprake is van een motiveringsgebrek. De rechtbank toetst immers niet zozeer het besluit maar dient zelf een volledig en ex nunc onderzoek te doen. Dit betekent dat in voorkomende gevallen de rechtbank niet in zal gaan op alle tegenwerpingen van de minister.\n\n6.3.. Op 12 juni 2026 is het Asiel- en Migratiepact ingegaan. Met dit pact zijn diverse richtlijnen omgezet naar verordeningen. Onder meer de Kwalificatierichtlijn is ingetrokken en vervangen door de Kwalificatieverordening.De Kwalificatieverordening kent geen overgangsrecht.Omdat de rechtbank een volledig en ex nunc onderzoek dient te verrichten, zal de rechtbank uitgaan van het recht zoals dat gold ten tijde van het sluiten van het onderzoek. Dit betekent dat de rechtbank zal toetsen aan de Kwalificatieverordening.\n\nBespreking van de beroepsgronden\n\nDe beleidswijziging en overschrijding van de beslistermijn\n\n7. Eiser heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat de beleidswijzigingen van de minister van 1 december 2023 en 1 juli 2024 ten aanzien van Gülen-aanhangers geen stand kan houden. Eiser verwijst hierbij naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 1 juni 2026. Ook heeft eiser aangevoerd dat hij is benadeeld door het overschrijden van de beslistermijn. Als de minister wel binnen de beslistermijn had beslist op zijn aanvraag, was zijn aanvraag immers ingewilligd.\n\n8. Omdat de rechtbank hieronder tot het oordeel komt dat eiser aan het individualiseringsvereiste heeft voldaan en in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning, zal de rechtbank de beroepsgronden die zien op de beleidswijziging en de overschrijding van de beslistermijn niet bespreken. De vraag of de beleidswijzigingen stand kunnen houden, voegt hier immers niets toe.\n\nGegronde vrees voor vervolging\n\n9. Eiser heeft aangevoerd dat hij op individueel niveau aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de negatieve belangstelling staat van de autoriteiten. Hij heeft in dit kader gewezen op het feit dat hij eerder vervolgd is. Volgens eiser hanteert de minister een verkeerd toetsingskader, het is namelijk aan de minister om aannemelijk te maken dat eiser bij terugkeer niet meer te vrezen heeft. Daarbij stelt de minister ten onrechte dat uit het overgelegde document van 18 december 2025 blijkt dat de voorwaardelijke invrijheidsstelling vanwege het voltooien van de justitiële voorwaarden is afgesloten en eiser niet langer hoeft te vrezen. De minister heeft nagelaten om de vertaling van het document te overleggen en het is ook niet duidelijk welke tolk het document heeft vertaald. Niet is gebleken dat de minister gebruik heeft gemaakt van een beëdigde tolk. Verder volgt uit het document alleen dat de officier van justitie het dossier naar de rechtbank stuurt in verband met de voltooiing van de tenuitvoerlegging. Dit zegt volgens eiser niks over de overtreding van de voorwaarden die zien op de voorwaardelijke invrijheidsstelling na de procedure in eerste aanleg, hoger beroep en cassatie bij de Hoge Raad. Uit de beëdigde vertaling van eiser volgt dat de tenuitvoerlegging is voltooid. Vast staat dat eiser de voorwaarden heeft overtreden, wat blijkt uit de overgelegde beëdigde vertaling van de stukken van de reclassering. Verder was eiser in Turkije [functie] en heeft hij uitspraken gedaan in het nadeel van het regime. De minister blijft ook ten onrechte de legale uitreis van eiser tegenwerpen en stelt zich ten onrechte op het standpunt dat de legale uitreis afbreuk doet aan de stelling dat eiser in de negatieve belangstelling staat van de Turkse autoriteiten. Eiser heeft hierbij ook gewezen op algemene landeninformatie die zijn overwegingen verder onderbouwen.\n\n9.1.. In de aanvullende gronden van beroep heeft eiser gewezen op het feit dat de Turkse autoriteiten nieuwe stukken hebben toegevoegd aan het UYAPsysteem van eiser. Hieruit volgt dat de rechtbank in Ankara met spoed het strafdossier van onder andere eiser op heeft opgevraagd. Verder wijst eiser erop dat de persoon die twee plaatsen hoger staat dan eiser op de lijst als gevolg van de nieuwe onderzoeken is gearresteerd op 9 mei 2026. Eiser heeft ter onderbouwing hiervan een krantenbericht overgelegd waaruit dat blijkt. Verder heeft eiser nog gewezen op een ander krantenbericht waaruit blijkt dat vervolging tegen (oud)rechters nog steeds doorgaat.\n\n9.2.. Tot slot heeft eiser aangevoerd dat sprake is van refugie sur place. Eiser is betrokken bij [bedrijf] . Dit is een Gülen-gelieerde instelling met activiteiten in Nederland. Uit onder meer landeninformatie blijkt dat de Turkse autoriteiten dergelijke instellingen in het buitenland in de gaten houden.\n\n10. Niet in geschil is dat eiser in het verleden is vervolgd door de Turkse overheid en dat hij enkele jaren gedetineerd is geweest. Ook is niet in geschil dat eiser tijdens zijn detentie is gemarteld. In geschil is de vraag of eiser bij terugkeer naar Turkije wederom te vrezen heeft voor vervolging vanwege zijn betrokkenheid bij het Gülenisme.\n\n11. De rechtbank overweegt dat eisers eerdere detentie vanwege zijn politieke overtuiging en de martelingen die hij heeft ondergaan in detentie daden zijn van vervolging in de zin van artikel 3.36 van het VV 2000.Uit artikel 4, vierde lid van de Kwalificatieverordening en artikel 31, vijfde lid van de Vw 2000 volgt dat blootstelling aan vervolging of ernstige schade in het verleden een duidelijke aanwijzing is dat de vrees voor vervolging gegrond is en het risico op ernstige schade reëel. Daar komt bij dat bij eerdere blootstelling aan vervolging of ernstige schade, de bewijslast naar de minister verschuift en hij moet motiveren waarom die zich niet opnieuw zal voordoen.\n\n12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister een verkeerd toetsingskader toegepast. Uit het voornemen en het bestreden besluit blijkt dat de minister zich op het standpunt heeft gesteld dat het eiser is die niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij opnieuw voor vervolging te vrezen heeft. Dit terwijl het aan de minister is om aannemelijk te maken dat eiser nietopnieuw te vrezen heeft voor vervolging. Het beroep is dus gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. In het kader van de finale geschilbeslechting en in het licht van het arrest Quotal, zal de rechtbank zelf een beoordeling maken van de geloofwaardigheid van het ter staving van het verzoek om internationale bescherming overgelegde relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade bij terugkeer naar het land van herkomst alsmede over de gegrondheid van het verzoek, rekening houdend met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht.\n\n13. Naar het oordeel van de rechtbank is het relaas van eiser geloofwaardig. Dit is tussen partijen ook niet in geschil. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier anders over te oordelen. Dan rest de vraag of de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade aannemelijk is en of het verzoek om internationale bescherming gegrond is. De rechtbank beantwoordt die vragen ook bevestigend en zal hieronder uitleggen waarop zij dat oordeel baseert.\n\n14. De rechtbank betrekt hierbij allereerst dat eiser eerder is vervolgd in vluchtelingrechtelijke zin. Eiser is immers vanwege zijn politieke overtuiging strafrechtelijk vervolgd en heeft gedetineerd gezeten. Tijdens zijn detentie is eiser gemarteld. Dit levert daden van vervolging op zoals bedoeld in de Kwalificatieverordening.Zoals hierboven ook al opgemerkt is blootstelling aan vervolging in het verleden een duidelijke aanwijzing dat de vrees voor vervolging gegrond is.Dit wordt anders als er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging zich niet opnieuw zal voordoen. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan niet gebleken, in tegendeel zelfs. De rechtbank betrekt daarbij het volgende.\n\n15. Eiser heeft verklaard dat hij direct na de coup is opgepakt en uiteindelijk is veroordeeld tot zeven jaar en zes maanden gevangenisstraf. Eiser heeft hiervan een deel uitgezeten en is in november 2022 voorwaardelijk in vrijheid gesteld. Eiser diende zich te houden aan een meldplicht en moest een taakstraf uitvoeren. Dit is ook onderbouwd met documenten. Deze meldplicht liep tot 13 november 2023. Eiser is echter op 13 september 2023 uit Turkije vertrokken en in Nederland aangekomen. Uit deze gang van zaken kan worden afgeleid dat eiser inderdaad niet aan de opgelegde voorwaarden heeft voldaan en dat is een aanwijzing dat eiser bij terugkeer in de negatieve belangstelling kan komen te staan. Uit het door eiser overgelegde document van 18 december 2025 blijkt, anders dan de minister stelt, niet dat eiser zijn voorwaarden niet heeft overtreden. Uit de door eiser overgelegde, beëdigde, vertaling van het document van 18 december 2025 blijkt dat de Officier van Justitie het executiedossier van eiser heeft verstuurd naar de 30ste meervoudige kamer in zware strafzaken van Istanbul. Hierin staat vermeld:\n\n“Het executiedossier betreffende de veroordeelde [eiser] , van wie de identiteitsgegevens en straf hieronder staan vermeld, treft u bijgaand aan wegens Voltooiing van de Tenuitvoerlegging (Vonnis in eerste aanleg). Ik verzoek u om van een en ander kennis te nemen en het benodigde te verrichten.”\n\nHieruit volgt niet ondubbelzinnig dat eisers strafdossier gesloten is. De zinssnede ‘het benodigde te verrichten’ is immers voor velerlei uitleg vatbaar.\n\nDaar komt bij dat in het executiedossier het volgende staat opgenomen:\n\n“U bent verplicht bovenstaande regels na te leven. U wordt hierbij gewaarschuwd en ervan in kennis gesteld dat het niet naleven van deze regels zal worden aangemerkt als schending van uw verplichtingen en dat er maatregelen tegen u zullen worden genomen, en dat indien u volhardt in het overtreden van de regels en het niet nakomen van de\n\nvereisten van het met betrekking tot uw persoon op te stellen toezichtplan, door de rechter-commissaris kan worden beslist dat u uw straf tot aan de datum van voorwaardelijke invrijheidstelling in een open penitentiaire inrichting dient uit te zitten.”\n\nGelet op de eerdere martelingen die eiser in detentie heeft ondergaan, is het niet onaannemelijk dat indien eiser het resterende deel van zijn straf moet uitzitten, hij wederom te maken krijgt met detentieomstandigheden die in strijd zijn met artikel 3 van het EVRM.\n\nVerder blijkt uit landeninformatie dat individuen die eerder een sepot hebben gekregen danwel zijn vrijgesproken of een deel van hun straf niet hebben uitgezeten terzake Gülenisme in de negatieve belangstelling staan van de Turkse overheid.\n\n16. De rechtbank betrekt verder bij haar beoordeling dat eiser geloofwaardig heeft verklaard dat de politie meerdere keren bij zijn familie aan de deur is geweest om naar hem te vragen omdat hij zijn meldplicht heeft overtreden. Eiser heeft hier gedetailleerd en consistent over verklaard. Zo kan eiser desgevraagd meerdere data noemen waarop de politie langs is geweest en ook wat er is gevraagd.Ook hieruit blijkt dat eiser nog steeds in de negatieve belangstelling staat.\n\n17. Uit landeninformatie blijkt voorts dat Gülenisten nog steeds een risico lopen op vervolging in Turkije. Weliswaar niet meer met dezelfde intensiteit als net na de coup, maar het risico is nog steeds aanwezig.Vooral Gülenisten in het veiligheids- en justitiële apparaat staan in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten. Het gaat hier om cadetten, militairen, gendarmes, politieagenten, rechters en openbaar aanklagers.Daarbij volgt voorts uit de landeninformatie dat de (negatieve) belangstelling van de Turkse overheid tegenover (vermeende) Gülenisten niet per se hoeft op te houden na een veroordeling of beslissing tot niet vervolging. De Finse immigratiedienst schrijft dat meerdere bronnen aangeven dat de Turkse overheid opnieuw kan overgaan tot een strafrechtelijk onderzoek en vervolging van (vermeende) Gülenisten.Ook [persoon 1] beschrijft dat personen die eerder werden verdacht van betrokkenheid bij de Gülenbeweging, opnieuw in de negatieve belangstelling van de overheid kunnen komen te staan.In het Algemeen Ambtsbericht is opgemerkt dat het onduidelijk is of vrijgelaten Gülenisten opnieuw vervolgd worden.\n\n18. De legale uitreis van eiser, maakt niet dat geen sprake is van negatieve belangstelling. Uit het Algemeen Ambtsbericht volgt immers dat een strafrechtelijke procedure en de mogelijkheid om het land legaal uit te reizen twee verschillende aangelegenheden zijn.\n\n19. Dat eiser een risico loopt omdat hij in de negatieve belangstelling staat van de autoriteiten wordt daarnaast ook nog door het volgende ondersteund. In de aanvullende gronden van beroep heeft eiser ook nog gewezen op een document van 22 januari 2026 waaruit blijkt dat de 21e meervoudige strafkamer rechtbank Ankara het dossier van eiser heeft opgevraagd. Op dezelfde lijst staat de naam van [persoon 2] , ook diens dossier is opgevraagd. Eiser heeft ook een krantenbericht bijgevoegd waaruit blijkt dat [persoon 2] op 9 mei 2026 is gearresteerd. Ter zitting heeft eiser, op verzoek van de rechtbank, ingelogd in zijn UYAP en het document van 22 januari 2026 getoond. De rechtbank heeft vastgesteld dat dit document zich inderdaad in eisers UYAP bevindt en dat het hetzelfde document is als eiser heeft overgelegd bij de aanvullende gronden van beroep. Eiser heeft verder gewezen op zijn activiteiten in Nederland en op het feit dat de Turkse autoriteiten ook organisaties in Nederland in de gaten houden.\n\n19.1.. Uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat als de rechtbank eerst in beroep aangevoerde elementen bij de beoordeling wil betrekken, de minister in de gelegenheid moet worden gesteld om op deze elementen te reageren. De rechtbank stelt vast dat de minister bij brief van 23 februari 2026 is uitgenodigd om bij de zitting aanwezig te zijn. Verder heeft de rechtbank de minister bij bericht van 2 juni 2026 verzocht om uiterlijk 10 juni 2026 te reageren op de beroepsgronden van eiser. De minister heeft dit nagelaten. Op 16 juni 2026 heeft eiser nadere gronden ingediend. Bij deze nadere gronden heeft eiser gewezen op stukken waaruit blijkt dat zijn strafdossier weer is opgevraagd en dat een van de andere personen die op die lijst staan wederom is opgepakt. Bij bericht van 17 juni 2026 heeft de minister laten weten niet naar de zitting te komen. Hierop heeft de rechtbank telefonisch contact opgenomen met de minister en uitdrukkelijk verzocht om dan in ieder geval een schriftelijk standpunt in te nemen ten aanzien van de beroepsgronden. De minister heeft uitdrukkelijk aangegeven naar het beroep te hebben gekeken en dat het niet nodig is om een schriftelijk standpunt in te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister met bovenstaande gang van zaken voldoende gelegenheid gehad om te reageren op de in beroep ingebrachte elementen. De minister heeft er zelf voor gekozen om dat niet te doen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de behandeling te heropenen en de minister wederom in de gelegenheid te stellen om te reageren. Een heropening zorgt, bij deze gang van zaken, voor onnodige vertraging en komt niet tegemoet aan de doelstelling van de Procedurerichtlijnom zo spoedig mogelijk een beslissing te nemen op een verzoek om internationale bescherming. Door niet te reageren als de rechtbank daar uitdrukkelijk om verzoekt en door niet op zitting te verschijnen, zorgt de minister er zelf voor dat hij zich nu niet kan uitlaten over de in beroep ingebrachte elementen. Dit is een keus van de minister. Nu de rechtbank zelf een beoordeling mag maken van de gegrondheid van het beroep, zal de rechtbank dat dan ook doen.\n\n19.2.. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de door eiser overgelegde stukken dat er aanwijzingen zijn dat eisers strafdossier inderdaad niet gesloten is en dat hij risico loopt om opnieuw berecht te worden. Eisers dossier is immers opnieuw opgevraagd en andere mensen die op dezelfde lijst staan als eiser zijn inmiddels al opgepakt.\n\n19.3.. Daar komt bij dat eiser ook hier in Nederland activiteiten heeft ontplooid bij [bedrijf] , een Gülen-gelieerde instelling. Dit is onweersproken door de minister. Uit het Algemeen Ambtsbericht volgt dat de strijd van de Turkse autoriteiten tegen de Gülenbeweging zich niet beperkt tot het territorium van Turkije zelf.Het gaat hier niet alleen om hooggeplaatste Gülenisten. Eiser heeft zelf ook landeninformatie overgelegd waaruit blijkt dat Gülenisten in Nederland in de gaten worden gehouden.\n\n20. Gelet op de landeninformatie en de persoonlijke omstandigheden van eiser, met name de omstandigheid dat hij eerder is vervolgd, hij zijn voorwaarden heeft overtreden, de politie meerdere keren aan de deur is geweest én eisers naam op een lijst staat van strafdossiers die opnieuw worden bekeken, heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Turkije gegronde vrees heeft voor vervolging.\n\nConclusie en gevolgen\n\n21. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 18 van het Handvestals ook omdat aan de voorwaarden uit de Kwalificatieverordening voor het toekennen van vluchtelingrechtelijke bescherming is voldaan en dat uit die verordening dan ook volgt dat een status moet worden verleend. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Op basis van alle relevante feitelijke en juridische gegevens en na een uitputtend en geactualiseerd onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming van eiser stelt de rechtbank vast dat aan eiser internationale bescherming moet worden verleend als vluchteling. De rechtbank verwijst de zaak daarom terug naar de minister en draagt de minister op om de gevraagde internationale bescherming te verlenen, tenzij er zich feitelijke of juridische gegevens aandienen die objectief een nieuwe geactualiseerde beoordeling vereisen.\n\n22. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit;\n\nverwijst de zaak terug naar de minister en draagt de minister op aan eiser een verblijfsvergunning asiel te verlenen als vluchteling;\n\nveroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.C.E. Krikke, [functie] , in aanwezigheid van mr.B. Kingma, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de\n\nAfdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze\n\npartij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend\n\nbinnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de\n\nbehandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de\n\nindiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van\n\nState vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zie onder andere het arrest van het Hof van 4 juni 2026, Quotal, C-198\u002F25, ECLI:EU:C:2026:447, rechtsoverwegingen 31 tot en met 35. Het Hof verwijst daarbij naar eerdere arresten van het Hof waar dit ook al uit volgt.\n\n Arrest Quotal, rechtsoverwegingen 38 en 42.\n\n Arrest Quotal, rechtsoverwegingen 45 en 46.\n\n Arrest Quotal, rechtsoverweging 58.\n\n Zie het arrest van het Hof, 4 juni 2026, Ebilum, C-440\u002F25, ECLI:EU:C:2026:448, rechtsoverweging 73.\n\n Richtlijn 2011\u002F95\u002FEU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming en voor de inhoud van de verleende bescherming.\n\nArrest Ebilum, rechtsoverwegingen 73 en 74.\n\n Arrest Ebilum, rechtsoverweging 76.\n\n Arrest Ebilum, rechtsoverweging 87.\n\n Verordening (EU) 2024\u002F1347 van het Europese Parlement en de Raad van 14 mei 2024 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen, en voor de inhoud van de verleende bescherming, tot wijziging van Richtlijn 2003\u002F109\u002FEG van de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2011\u002F95 van het Europees Parlement en de Raad.\n\n Zie artikel 41.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2026:14790.\n\n Ulusal Yargi Ağı Projesi (juridisch informatiesysteem van de Turkse overheid).\n\n Voorschrift Vreemdelingen.\n\n Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 17 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6058, onder 10.2 en 10 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1971, onder 3.1.\n\nZie artikel 9, Kwalificatieverordening.\n\n Artikel 4, vierde lid, Kwalificatieverordening en artikel 31, vijfde lid, Vw 2000.\n\n Europees verdrag inzake de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.\n\nFinse immigratiedienst, ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, paragraaf 1.2.1-1.2.7.\n\nZie pagina 16 en 17 van het nader gehoor.\n\n Zie bijvoorbeeld het Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina’s 46-49.\n\n Zie het Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina 49.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, p. 11 en 12.\n\n Uit ECLI:NL:RVS:2026:1607, r.o. 6.12. De rechtbank heeft dit rapport niet online kunnen vinden.\n\n Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina 52.\n\n Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina 20. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1743, rechtsoverweging 6.1.\n\n Richtlijn 2013\u002F32\u002FEU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming. Per 12 juni 2026 is de Procedurerichtlijn vervangen door de Procedureverordening (Verordening (EU) 2024\u002F1348 tot het vaststellen van een gemeenschappelijke procedure voor internationale bescherming in de Europese Unie). Ook de Procedureverordening heeft de doelstelling om zo spoedig mogelijk te beslissen op een verzoek om internationale bescherming.\n\n Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina 53.\n\n Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18534","2026-07-13T00:28:54.419Z",{"id":47,"ecli":48,"slug":49,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":50,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":51,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":52},"919","ECLI:NL:RBDHA:2026:18531","ecli-nl-rbdha-2026-18531","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\n Bestuursrecht\n\nZaaknummers: NL26.8336, NL26.8330, NL26.8332 en NL26.8334 (beroepen)\n\nNL26.8337, NL26.8331, NL26.8333 en NL26.8335 (voorlopige voorzieningen)\n\nV-nummers: [v-nummer 1] , [v-nummer 2] , [v-nummer 3] en [v-nummer 4]\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen\n [eiser 1] , geboren op [geboortedag 1] 1982, eiser en verzoeker 1,\n\n [eiseres] , geboren op [geboortedag 2] 1988, eiseres en verzoekster,\n\n [eiser 2] , geboren op [geboortedag 3] 2005, eiser en verzoeker 2,\n\n [eiser 3] , geboren op [geboortedag 4] 2008, eiser en verzoeker 3,\n\nallen van Turkse nationaliteit, hierna tezamen: eisers\n\n(gemachtigde: mr. S. Thelosen),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister\n\n(gemachtigde: mr. J.D. Albarda).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen de afwijzing van hun asielaanvragen. Eisers hebben op 27 maart 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met de bestreden besluiten van 9 februari 2026 deze aanvragen afgewezen als kennelijk ongegrond.\n\n2. Eisers hebben ook allen individueel een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.\n\n2.1.. De rechtbank heeft de beroepen en de verzoeken van eisers op 27 mei 2026 op zitting gevoegd behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, M.A. Budak als tolk in de Turkse taal en de gemachtigde van de minister. De rechtbank\u002Fvoorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het onderzoek ter zitting gesloten.\n\n2.2.. Bij beslissing van 5 juni 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropendom partijen te laten reageren op de arresten van 4 juni 2026 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof).De rechtbank heeft hierbij partijen in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 19 juni 2026 te reageren op de vragen van de rechtbank.\n\n2.3.. Op 9 juni 2026 hebben eisers hun standpunt naar voren gebracht. Op 19 juni 2026 heeft de minister ook gereageerd. Partijen hebben de rechtbank toestemming gegeven om zonder nadere zitting uitspraak te doen.\n\n2.4.. De rechtbank heeft vervolgens op 23 juni 2026 het onderzoek wederom gesloten.\n\nOverwegingen\n\n3. De rechtbank beoordeelt of de minister op goede gronden de asielaanvragen van eisers heeft afgewezen als ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers. Ook beoordeelt de rechtbank de verzoeken van eisers om een voorlopige voorziening.\n\n4. De rechtbank verklaart de beroepen van eisers gegrond, en wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nDe asielrelazen\n\n5. Eisers vormen samen een gezin. Zij hebben allen de Turkse nationaliteit en behoren tot de Koerdische bevolkingsgroep. Eiser 1 en eiseres zijn getrouwd en eiser 2 en eiser 3 zijn hun kinderen.\n\n5.1.. Eiser 1 en eiseres hebben verklaard dat zij Gülen-aanhangers zijn en dat eiser 1 in 2016 is vervolgd vanwege betrokkenheid bij de Gülen-beweging. Zij hebben verder verklaard dat eiser 1 is vrijgesproken, maar dat de autoriteiten hen nog steeds als Gülenisten beschouwen. Ook hebben zij verklaard dat eiser 1 per decreet is ontslagen en dat dit door de bestuursrechter in stand is gelaten. Eiser 1 en eiseres stellen dat zij bij terugkeer vrezen om vervolgd te worden door de Turkse autoriteiten.\n\n5.2.. Eiser 2 en 3 hebben het bovenstaande ook ten grondslag gelegd aan hun asielrelaas en vrezen voor vervolging van hun ouders. Eiser 2 heeft verder verklaard dat hij twee jaar op een Gülen-school zat. In Nederland voert hij activiteiten uit voor de stichting Kennisplein. Eiser 2 vreest dat hij bij terugkeer zal worden ondervraagd en mishandeld om informatie te verkrijgen over andere Gülenisten in Nederland. Hij vreest ook dat hij geen baan kan vinden, omdat hij onderwijs heeft gevolgd op een Gülen-school. Eiser 3 heeft verder verklaard dat hij zelf problemen op school heeft ondervonden omdat hij buitengesloten werd van bepaalde activiteiten. Hij vreest dat hij bij terugkeer geen werk kan vinden omdat zijn vader als landverrader in het systeem staat.\n\nDe bestreden besluiten\n\n6. Het asielrelaas van eiser 1 en eiseres bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:\n\n1. identiteit, nationaliteit en herkomst;\n\n2. de politieke overtuiging en de problemen die daaruit voortvloeien.\n\n6.1.. Het asielrelaas van eiser 2 bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:\n\n1. identiteit, nationaliteit en herkomst;\n\n2. dat eiser 2 een aanhanger is van de Gülen-beweging;\n\n3. de problemen vanwege de vervolging van de vader.\n\n6.2.. Het asielrelaas van eiser 3 bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:\n\n1. identiteit, nationaliteit en herkomst;\n\n2. de problemen vanwege de vervolging van de vader.\n\n6.3.. De minister heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers geloofwaardig geacht. De minister heeft tevens geloofwaardig geacht dat eiser 1, eiseres en eiser 2 aanhangers zijn van de Gülen-beweging en een politieke overtuiging hebben. De minister heeft de hieruit voortvloeiende problemen voor eiser 1 en eiseres echter niet geloofwaardig geacht. De minister heeft zich in dit kader op het standpunt gesteld dat zij hun verklaringen niet met objectieve documenten hebben onderbouwd. De minister heeft daarom verder beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Volgens de minister is dit niet het geval omdat de verklaringen van eiser 1 en eiseres geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Wat betreft de geloofwaardige politieke overtuiging van eiser 1 en 2 en eiseres heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat zij geen gegronde vrees voor vervolging hebben of een reëel risico op ernstige schade lopen bij terugkeer naar Turkije. Daarbij heeft de minister betrokken dat eiser 1 en 2 en eiseres er niet in zijn geslaagd om aannemelijk te maken dat zij in de negatieve aandacht staan van de Turkse autoriteiten vanwege hun betrokkenheid bij de Gülen-beweging.\n\n7. De minister heeft de aanvragen van eisers kennelijk ongegrond verklaard op grond van artikel 30b, eerste lid, onder h, van de Vw 2000, omdat zij niet onmiddellijk asiel hebben aangevraagd in Nederland toen dat mogelijk was.\n\nToetsingskader\n\n8. De rechtbank overweegt dat uit de rechtspraak van het Hof volgt dat de rechter in eerste aanleg bij wie beroep is ingesteld tegen een besluit tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming de bevoegdheid toekomt om de feiten te beoordelen en een eigen, uitputtende en geactualiseerde beoordeling te verrichten van de bij hem aan de orde gestelde feiten.Dit houdt ook in dat de rechtbank ook rekening mag houden met elementen die in beroep naar voren zijn gebracht, maar die in de bestuurlijke fase nog niet beschikbaar waren. In dat geval moet de rechtbank de beslissingsautoriteit in de gelegenheid stellen om zich uit te laten over deze nieuwe elementen.Verder volgt uit de rechtspraak van het Hof dat indien de rechtbank van oordeel is dat zij beschikt over alle daartoe noodzakelijke feitelijke en juridische gegevens de rechtbank de bevoegdheid heeft om na afloop van een volledig en ex nunc-onderzoek een bindende uitspraak te doen over de vraag of de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden voor internationale bescherming. Deze bevoegdheid kan niet worden beperkt.Dit betekent dat de rechtbank de bevoegdheid heeft om een bindende uitspraak te doen over de geloofwaardigheid van het ter staving van het verzoek om internationale bescherming overgelegde relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade bij terugkeer naar het land van herkomst alsmede over de gegrondheid van het verzoek, rekening houdend met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht.\n\n8.1.. Om voor vergunningverlening in aanmerking te komen moet sprake zijn van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. In het arrest Ebilumheeft het Hof uiteengezet hoe deze gegronde vrees getoetst moet worden. De beoordeling of de vrees voor vervolging van een verzoeker gegrond is moet op individuele basis worden verricht. In het kader van die beoordeling moet worden vastgesteld of de gebleken omstandigheden een dusdanige bedreiging vormen dat de betrokkene, gezien zijn individuele situatie, goede gronden heeft om te vrezen daadwerkelijk te zullen worden vervolgd. Deze vaststelling moet berusten op een concrete beoordeling van de feiten en omstandigheden overeenkomstig de regels van met name artikel 4, leden 3 tot en met 5, van de Kwalificatierichtlijn.Artikel 4, derde lid, somt alle elementen op waarmee rekening moet worden gehouden. Artikel 4, vierde lid, Kwalificatierichtlijn preciseert dat de omstandigheid dat een vreemdeling in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging of dat hij rechtstreeks is bedreigd met zulke vervolging een duidelijke aanwijzing is dat de vrees van de vreemdeling voor vervolging gegrond is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging zich niet opnieuw zal voordoen.De beoordeling of sprake is van een gegronde vrees voor vervolging heeft een subjectieve en objectieve kant.Bij de beoordeling kan niet louter worden uitgegaan van het subjectieve standpunt van de persoon die om internationale bescherming verzoekt, maar moet een individuele, concrete en objectieve beoordeling worden verricht van de persoonlijke situatie van de verzoeker, de feiten en de omstandigheden betreffende het verzoek en de situatie in het land van herkomst. De vrees voor vervolging moet als bewezen worden beschouwd wanneer er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat het door verzoeker aangevoerde risico van vervolging zich zal voordoen bij terugkeer naar het land van herkomst.\n\n8.2.. De rechtbank neemt hierbij de verklaringen van eisers en hetgeen zij in beroep hebben gesteld als uitgangspunt. Nu de rechtbank een eigen beoordeling dient te maken en zelf vol mag toetsen of eisers (1) geloofwaardig zijn en (2) een gegronde vrees voor vervolging hebben danwel een reëel risico op ernstige schade lopen, ziet de rechtbank het bestreden besluit als het standpunt van de minister, maar de rechtbank zal niet langer eerst aangeven of en waarom er sprake is van een motiveringsgebrek. De rechtbank toetst immers niet zozeer het besluit maar dient zelf een volledig en ex nunc-onderzoek te doen. Dit betekent dat in voorkomende gevallen de rechtbank niet in zal gaan op alle tegenwerpingen van de minister.\n\n8.3.. Op 12 juni 2026 is het Asiel- en migratiepact ingegaan. Met dit pact zijn diverse richtlijnen omgezet naar verordeningen. Onder meer de Kwalificatierichtlijn is ingetrokken en vervangen door de Kwalificatieverordening.De Kwalificatieverordening kent geen overgangsrecht.Omdat de rechtbank een volledig en ex nunc-onderzoek dient te verrichten, zal de rechtbank uitgaan van het recht zoals dat gold ten tijde van het sluiten van het onderzoek. Dit betekent dat de rechtbank zal toetsen aan de Kwalificatieverordening.\n\nBespreking van de beroepsgronden\n\nDe beleidswijziging\n\n9. Eisers hebben zich allereerst op het standpunt gesteld dat de beleidswijzigingen van de minister van 1 december 2023 en 1 juli 2024 ten aanzien van Gülen-aanhangers geen stand kan houden. Eisers verwijzen hierbij naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 1 juni 2026.\n\n9.1.. Omdat de rechtbank hieronder tot het oordeel komt dat eisers aan het individualiseringsvereiste hebben voldaan en in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning, zal de rechtbank de beroepsgronden die zien op de beleidswijziging niet bespreken. De vraag of de beleidswijzigingen stand kunnen houden, voegt hier immers niets toe.\n\nDe geloofwaardigheid\n\n10. De rechtbank overweegt dat, zoals ook al onder het toetsingskader uiteengezet, uit de arresten Quotal en Ebilum volgt dat de rechtbank, anders dan de Afdelingtot nu toe aannam, de geloofwaardigheid vol mag toetsen. De rechtbank kan en mag dus een eigen afweging maken met betrekking tot de geloofwaardigheid van het asielrelaas.\n\n10.1.. De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat eisers Gülenisten zijn en dat zij activiteiten hebben verricht. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om hier niet van uit te gaan. In geschil is de vraag of een aantal van de door eisers verrichte activiteiten, namelijk het uitdelen van voedselpakketten en de door eisers ondervonden problemen geloofwaardig zijn. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en legt hieronder uit hoe zij tot dit oordeel komt.\n\n10.2.. \n\nIndien specifieke aspecten van het asielrelaas niet met documenten zijn gestaafd, dient het relaas te voldoen aan de voorwaarden van artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatieverordening. Deze voorwaarden zijn:\n\na. de verzoeker heeft een oprechte inspanning geleverd om zijn of haar verzoek om internationale bescherming te staven;\n\nb. alle relevante elementen waarover de verzoeker beschikt, zijn overgelegd, en er is een bevredigende verklaring gegeven omtrent het ontbreken van andere relevante elementen;\n\nc. de verklaringen van de verzoeker zijn samenhangend en aannemelijk bevonden en zijn niet in strijd met de beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn of haar verzoek;\n\nd. vast is komen te staan dat de verzoeker in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd, onder andere rekening houdend met het moment waarop de verzoeker om internationale bescherming heeft verzocht.\n\n- De voedselpakketten\n\n10.3.. De rechtbank komt tot het oordeel dat eisers wel geloofwaardig hebben verklaard over het uitdelen van de voedselpakketten. Zoals de minister ter zitting ook heeft toegegeven, zit er geen tegenstrijdigheid tussen de verklaringen van eiser 1 en eiseres. Uit de relazen van eisers blijkt immers dat eiseres heeft verklaard over de situatie van vóór de couppoging en eiser 1 vooral heeft verklaard over de situatie van daarna. Dat er verschillen zijn in deze situaties, is niet ondenkbaar. Immers, voor de couppoging vormde het uitdelen van voedselpakketten geen probleem. Zo heeft eiseres verklaard dat zijzelf voor de couppoging voor het laatst voedselpakketten heeft uitgedeeld.Eiser 1 blijkt echter duidelijk te verklaren over de situatie van na de couppoging. Hij heeft het immers over dat het uitdelen van de voedselpakketten risico’s met zich meebrengt. Ook verklaart hij dat hij dat ongeveer zeven jaar geleden voor het laatst gedaan heeft.\n\n10.4.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser 1 verder niet innerlijk tegenstrijdig verklaard over het uitdelen van de voedselpakketten na de couppoging. Eiser 1 heeft het weliswaar over ‘we’ maar nergens wordt duidelijk wie hij met ‘we’ bedoelt. Tijdens het nader gehoor is hier ook niet naar gevraagd, terwijl dit wel op de weg van de minister had gelegen. Immers, de vreemdeling dient in de gelegenheid te worden gesteld om uitleg te geven over eventuele inconsistenties en onduidelijkheden.Omdat de minister dit heeft nagelaten, zal de rechtbank uitgaan van de uitleg van eisers. In de zienswijze en de gronden van beroep hebben eisers aangegeven dat met ‘we’ de groep mensen is bedoeld die de pakketten samenstelden en uitdeelden. Deze uitleg komt de rechtbank, gelet op hetgeen in het nader gehoor is verklaard, ook niet bevreemdingwekkend voor. De rechtbank acht het dan ook geloofwaardig dat eiser 1 na de couppoging samen met andere mensen voedselpakketten heeft uitgedeeld.\n\n- Het arrestatiebevel\n\n10.5.. Ook ten aanzien van het arrestatiebevel hebben eisers geloofwaardig verklaard. Er is geen sprake van dat eisers tegenstrijdig aan elkaar hebben verklaard. Uit het nader gehoor van eiseres blijkt dat zij vooral naar haar man verwijst. Ze weet wel dat er een arrestatiebevel is, maar over de precieze details kan eiseres niet verklaren en zij verwijst telkens naar haar man.Zij geeft telkens aan dat hij precies weet hoe het zit. De rechtbank merkt op dat een zelfde beeld, namelijk dat eiseres verwijst naar haar man voor de precieze details, ook naar voren komt ten aanzien van andere onderwerpen die de minister wel geloofwaardig heeft geacht. Zo kan eiseres zich ook niet precies herinneren wanneer haar man vrij is gekomen en hoe het precies zit met de ondervraging van haar zwager. Dit komt de rechtbank niet heel vreemd voor nu het arrestatiebevel ziet op eiser 1 en niet op eiseres zelf. Eiseres kent de grote lijnen en die komen overeen met hetgeen eiser 1 heeft verklaard. Zo heeft eiseres verklaard dat zij via de collega van eiser 1 te weten zijn gekomen dat er een arrestatiebevel is en ook eiser 1 heeft verklaard dat het arrestatiebevel in het dossier van zijn collega zit. Ook heeft eiser 1 al tijdens het gehoor verklaard dat hij met het arrestatiebevel de oproeping om te getuigen heeft bedoeld. Eiseres heeft het in haar nader gehoor ook over de oproeping. Eiser 1 heeft ter zitting verduidelijkt dat indien je gedwongen wordt om te getuigen, de politie je kan arresteren en je op die manier gedwongen wordt om ter zitting te verschijnen.\n\n- De onderlinge bespreking van de problemen\n\n10.6.. De rechtbank is van oordeel dat eisers geloofwaardig hebben verklaard over het politiebezoek vlak voor hun vertrek. Eiser 1 heeft verklaard dat hij van zijn buurman had gehoord dat de politie bij de buren aan de deur was geweest en naar hem heeft gevraagd. De minister werpt dat ook niet tegen. De minister werpt wel tegen dat eisers niet geloofwaardig hebben verklaard over de bespreking van de problemen. Maar ook hierover hebben eisers, naar het oordeel van de rechtbank, geloofwaardig verklaard. De rechtbank merkt daarbij op dat het eventuele niet geloofwaardig verklaren over de besprekingniet maakt dat degebeurtenis zelfniet geloofwaardig is. Maar die situatie is hier niet aan de orde, nu de rechtbank van oordeel is dat zowel over de gebeurtenissen als over de bespreking geloofwaardig is verklaard. Eiser 1 geeft in het nader gehoor consistent aan dat hij niet direct na het bezoek van de politie aan zijn buren dit aan zijn gezin heeft verteld. Hij geeft aan dat hij dit pas later, na vertrek uit Turkije, heeft verteld. Zo heeft eiser 1 verklaard:\n\n“Heeft u uw vertrek toen besproken met uw vrouw en kinderen?\n\nNadat de politie is langs geweest heb ik het niet meteen gedeeld om geen paniek te zaaien. Ik heb eerst onze mogelijkheden onderzocht. Ik moest ook geld lenen vanuit onze omgeving. Pas toen ik dat rond had heb ik een dag vóór dat we gingen met ze gedeeld dat we konden vertrekken.\n\nHeeft u later ook verteld waarom, namelijk dat de politie aan huis was geweest, en dat ze vroegen naar uw betrekkingen met andere Gülenisten.\n\nIk denk dat ze het wel geraden hebben, ik heb het ze niet expliciet verteld. Omdat ze mentaal niet helemaal lekker waren. De hele situatie had ons al aardig vermoeid. Ik wilde ze niet meer belasten daarmee. Ook mijn vrouw heb ik niet alle details gegeven.\n\nMaar u bent nu al geruime tijd in Nederland, heeft u ze in de tussentijd niet verteld dat de politie aan huis is geweest? Het is de directe aanleiding van uw vertrek, het lijkt me dan ook gek dat u dat niet met ze bespreekt.\n\nLater hebben we het wel besproken, maar niet direct ná de gebeurtenis.\n\nDus u heeft het ze wel verteld?\n\nJa een tijdje later. Mijn vrouw kreeg steeds paniek aanvallen. Daar kreeg ze last van vanwege onze situatie. Mijn oudste zoon kreeg witte haren toen hij pas 12 was.\n\nZojuist zei u dat u ze het niet expliciet hebt verteld over het bezoek van de politie, maar nu van wel, kunt u dat voor mij verduidelijken\n\nToen we nog in Turkije waren heb ik ze het niet verteld. We hebben met vrees het land verlaten, tot we weg waren heb ik het niet verteld. Ik weet niet of het onderweg of bij aankomst was dat ik het vertelde. Het was geen makkelijke beslissing.”\n\nEiseres heeft in haar nader gehoor verklaard:\n\n“Heeft uw man met u besproken dat de politie aan de deur van de buren is gekomen en naar hem geïnformeerd is?\n\nJa.\n\nWat is er toen precies besproken?\n\nNadat we uit Turkije zijn vertrokken heeft mijn man verteld dat er bij de buren navraag naar hem is gedaan.\n\nWanneer hebben jullie dit besproken?\n\nWe kwamen bij de Servische grens aan. Rond die tijd heeft hij het besproken.\n\nKan u een datum noemen?\n\nrond 4 september.\n\nWat heeft uw man er toen over verteld?\n\nKijk, de avond dat we vertrokken toen vertrokken we op stel en sprong. Dus toen kon hij het niet vertellen. Maar hij heeft later rond Servië verteld dat dit de redenen zijn geweest dat we moesten vertrekken.”\n\nEiser 2 heeft in het nader gehoor het volgende verklaard:\n\n“Op welke manier raakte u op de hoogte dat u Turkije moest verlaten?\n\nHet was op 30 augustus 2023 geloof ik. Op een avond kwam mijn vader met angst en bezorgdheid thuis. Hij zei: wij moeten zo snel voorbereiden en inpakken en we gaan morgen weg, want ik word gezocht. Hij heeft ons geen details gegeven. De volgende dag zijn we vertrokken. Op 30 augustus zijn we uit Turkije vertrokken.\n\nU gaf net aan dat uw vader u niet alle details gaf. Heeft hij deze details op een later moment wel aan u gegeven?\n\nWat wij wel weten is dat hij zei: we moeten snel weg, we zijn hier niet veilig. Het kan zijn dat ik opnieuw word opgepakt.\n\nHebt u ooit daarna gevraagd aan uw vader wat de reden was dat hij opeens zo snel wilde vertrekken?\n\nJa zeker. Na ons vertrek uit Turkije hebben we hier openlijk over gepraat. Hij zei: wij waren niet veilig in Turkije. Ik had opnieuw opgepakt kunnen worden vanwege de Hizmet-beweging. Mijn vrienden zijn allemaal langer opgepakt. Sommigen zitten vijf of zes jaar, dus vanwege de angst om opnieuw opgepakt te worden, zei hij.”\n\nTot slot heeft eiser 3 het volgende verklaard:\n\n“Op een avond kwam mijn vader thuis en zei: we moeten voorbereidingen treffen want we gaan vertrekken. Hij vertelde niet wat de reden was maar het was wel duidelijk dat er iets ergs aan de hand was.\n\nHeeft hij dat later nog verteld?\n\nNee.\n\nHeeft u daar wel naar gevraagd?\n\nJa, maar hij gaf niet echt antwoord ze wilden daar, over dat onderwerp, niet over praten.\n\n[…]\n\nIs er sinds dat uw vader is vrijgelaten nog iets gebeurd met de politie?\n\nDat weet ik niet, als dat is geweest dan vertelt hij (vader) dat niet aan ons zodat we niet bang worden.\n\nHeb ik goed begrepen dat u vader op een avond zei pak jullie spullen we gaan morgen vertrekken?\n\nDat klopt.”\n\n10.7.. \n\nUit al deze verklaringen volgt dat eiser 1 niet direct de aanleiding heeft verteld waarom het gezin moest vertrekken. Verder verklaren zowel eiser 1 en 2 als eiseres dat eiser 1 het op een later moment wel heeft verteld. Alleen eiser 3, de jongste zoon, heeft dit niet verklaard. In de correcties en aanvullingen geeft eiser 3 echter aan dat hij de vraag verkeerd had begrepen en dat hij dacht dat werd bedoeld of zijn vader het later in Turkije nog had verteld. Dat was niet het geval, maar wel toen ze Turkije uit waren. Eisers hebben dan ook in grote lijnen gelijkluidend aan elkaar verklaard.\n\nDe rechtbank volgt niet dat eiser 1 tegenstrijdig zou hebben verklaard over wanneer hij de reden voor vertrek heeft verteld aan zijn gezin. Eiser 1 zegt weliswaar eerst dat hij het niet expliciet heeft gezegd, maar bijna direct daarna, als de gehoorambtenaar zijn vraag net iets anders formuleert, legt hij uit dat hij het pas buiten Turkije expliciet heeft verteld. Dit komt de rechtbank niet tegenstrijdig voor.\n\n- De late indiening van de asielaanvraag\n\n10.8.. De minister heeft bij de beoordeling van de geloofwaardigheid ook betrokken dat eisers niet direct na aankomst in Nederland hun asielaanvraag hebben ingediend maar dat zij eerst zes maanden hebben gewacht om zo aan een Dublinclaim op Duitsland te ontkomen. De minister heeft hierbij verwezen naar artikel 31, zesde lid, onder d, van de Vw 2000 zoals die gold ten tijde van de bestreden besluiten.\n\n10.9.. Artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 is de implementatie van artikel 4, vijfde lid van de Kwalificatierichtlijn. Met het ingaan van het Asiel- en migratiepact op 12 juni 2026 is de Kwalificatierichtlijn ingetrokken en is de Kwalificatieverordening van kracht geworden. Er is geen overgangsrecht van toepassing. Met het ingaan van de Kwalificatieverordening is ook artikel 4, vijfde lid, aangepast. De d-grond is komen te vervallen. Daarbij komt dat het beleid van de minister is dat een asielverzoek niet enkel wordt afgewezen op grond van de omstandigheid dat een verzoek niet zo snel mogelijk is gedaan terwijl daar geen overtuigende verklaring voor is gegeven. Een asielmotief wordt niet enkel om die reden ongeloofwaardig geacht.De rechtbank zal eisers dit dan ook niet tegenwerpen.\n\nTussenconclusie\n\n11. De rechtbank is van oordeel dat eisers geloofwaardig hebben verklaard over hun politieke overtuiging en over de door hen ondervonden problemen. De rechtbank zal dan nu ook beoordelen of eisers met deze geloofwaardig bevonden elementen hun vrees voor vervolging aannemelijk hebben gemaakt.\n\nGegronde vrees voor vervolging\n\n12. Eisers hebben aangevoerd dat zij op individueel niveau aannemelijk hebben gemaakt dat zij in de negatieve belangstelling staan van de Turkse autoriteiten. In dit verband hebben zij erop gewezen dat eiser 1 eerder vervolgd is. Niet alleen is eiser 1 strafrechtelijk vervolgd, maar er zijn ook bestuursrechtelijke maatregelen tegen hem genomen. Zo is hij per decreet ontslagen bij de rechtbank. Dit ontslag is, ook na zijn vrijspraak, in stand gelaten omdat eiser 1 Gülenist is. De minister heeft dit ten onrechte niet betrokken bij zijn beoordeling. De minister blijft ook ten onrechte de legale uitreis van eisers tegenwerpen en stelt zich ten onrechte op het standpunt dat de legale uitreis afbreuk doet aan de stelling dat eiser 1 in de negatieve belangstelling staat van de Turkse autoriteiten. Eisers hebben hierbij ook gewezen op algemene landeninformatie die hun overwegingen verder onderbouwen.\n\n12.1.. \n\nDe rechtbank stelt voorop dat eiser 1 eerder is vervolgd in vluchtelingrechtelijke zin. Eiser 1 is weliswaar vrijgesproken in strafrechtelijke zin, maar er zijn ook administratieve maatregelen tegen hem genomen vanwege zijn politieke overtuiging. Zo is eiser 1 per decreet ontslagen. Eiser 1 heeft dit ontslag bestuursrechtelijk aangevochten maar dat heeft tot niets geleid. Uit het overgelegde vonnis van de bestuursrechtbank blijkt dat eiser 1 is aangemerkt als lid van de Gülen-beweging. Volgens de bestuursrechter is eiser 1 een niveau 5-lid, dat betekent dat hij vertrouwd en bekend was met de beweging. Verder blijkt uit de hoger beroepsuitspraak uit 2024 dat eiser1 zijn ontslag in stand is gebleven, ondanks de strafrechtelijke vrijspraak. De bestuursrechter heeft geoordeeld dat eiser 1 wel wordt gezien als een Gülen-aanhanger, ondanks de vrijspraak. De rechtbank merkt daarbij op dat in het bestuursrecht andere begrippenkaders en bewijsregels gelden dan in het strafrecht. Een strafrechtelijke vrijspraak van lidmaatschap van een verboden organisatie betekent enkel dat er strafrechtelijk te weinig bewijs was voor het tenlastegelegde lidmaatschap als bedoeld in het Turkse Wetboek van Strafrecht. Niets meer, maar ook niets minder. Het samenstel van strafrechtelijk en bestuursrechtelijke maatregelen vanwege een politieke overtuiging levert daden van vervolging op.\n\nDe eerdere vervolging van eiser is een duidelijke aanwijzing dat de vrees van eisers voor vervolging gegrond is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging zich niet opnieuw zal voordoen.Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van goede redenen om aan te nemen dat vervolging zich niet opnieuw zal voordoen. De rechtbank betrekt daarbij het volgende.\n\n12.2.. Eiser 1 is opgeroepen om te komen getuigen in de zaak van een collega. Dit is ook niet in geschil. Dat betekent dat eiser 1 in ieder geval in de belangstelling staat van de autoriteiten.\n\n12.3.. In de bestuursrechtelijke procedure is expliciet overwogen dat eiser 1 is gecategoriseerd als een ‘niveau 5-lid’. Uit landeninformatie blijkt dat er zeven niveaus van betrokkenheid bestaan. De vijfde laag bestaat uit functionarissen die verantwoordelijk zijn voor het maken en uitvoeren van het beleid van de Gülen-beweging.Eiser 1 wordt dus door de Turkse overheid gezien als een redelijk hooggeplaatste Gülenist.\n\n12.4.. Uit landeninformatie blijkt dat Gülenisten nog steeds een risico lopen op vervolging in Turkije.Weliswaar niet meer met dezelfde intensiteit als net na de coup, maar het risico is nog steeds aanwezig.Vooral Gülenisten in het veiligheids- en justitiële apparaat staan in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten. Het gaat hier om onder andere cadetten, militairen, gendarmes, politieagenten, rechters en openbaar aanklagers.Eiser 1 is ook werkzaam geweest bij de rechtbank en daarmee in het justitiële apparaat. Verder blijkt uit landeninformatie dat individuen die eerder een sepot hebben gekregen, dan wel zijn vrijgesproken, zoals eiser 1, of een deel van hun straf niet hebben uitgezeten wat betreft Gülenisme, in de negatieve belangstelling staan van de Turkse overheid.Daarbij volgt voorts uit de landeninformatie dat de (negatieve) belangstelling van de Turkse overheid jegens (vermeende) Gülenisten niet per se hoeft op te houden na een veroordeling of beslissing tot niet vervolging. De Finse immigratiedienst schrijft dat meerdere bronnen aangeven dat de Turkse overheid opnieuw kan overgaan tot een strafrechtelijk onderzoek en vervolging van (vermeende) Gülenisten.Ook hoogleraar Johan Vande Lanotte beschrijft dat personen die eerder werden verdacht van betrokkenheid bij de Gülen-beweging, opnieuw in de negatieve belangstelling van de overheid kunnen komen te staan.In het Algemeen Ambtsbericht is opgemerkt dat het onduidelijk is of vrijgelaten Gülenisten opnieuw vervolgd worden.\n\n12.5.. Verder volgt uit het Algemeen Ambtsbericht dat de Turkse overheid zich in de loop van de tijd ook is gaan richten op ‘burgers die (financiële) steun geven aan gevangengezette Gülenisten en\u002Fof hun familieleden”. Deze personen worden door de Turkse overheid verdachte van het ‘herstructureren’ van de Gülen-beweging.Ook Vande Lanotte maakt melding van de verdenking van ‘herstructurering’.Vande Lanotte beschrijft dat sinds enige tijd ook personen die hulp bieden aan gedetineerde Gülenisten in de negatieve aandacht staan van de autoriteiten en dat zij worden vervolgd op beschuldiging van het ‘herstructureren’ van de Gülen-beweging.\n\n12.6.. Ook de Finse Immigratiedienst maakt melding van ‘herstructuringsoperaties’, gericht tegen personen die bezig zouden zijn met het herstructureren of opnieuw opbouwen van de Gülen-beweging.Een door de Finse Immigratiedienst gesproken expert geeft aan dat het helpen van een Gülenist die in de gevangenis zit, waarschijnlijk het meest gehanteerde criterium is om een nieuw strafrechtelijk onderzoek te starten.Een andere expert geeft aan dat het merendeel van de personen die verdacht worden van herstructurering al eerder onderzocht waren vanwege banden met de Gülen-beweging. Onder deze personen zitten “family members of those still in prison as well as those individuals, either in Turkey or abroad, whose sentences have not yet been finalized, their family members and their ‘close circle’.”\n\n12.7.. Uit landeninformatie volgt verder dat ook familieleden van (vermeende) Gülenisten, zoals eiseres en eisers 2 en 3 een risico lopen. Volgens de Finse immigratiedienst lopen ook personen die na de coup van 2016 de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt een risico op vervolging. Het gaan dan bijvoorbeeld om jongeren die op een Gülen-school hebben gezeten en van wie hun ouders banden met de Gülen-beweging wordt verweten.Verder meldt de Finse immigratiedienst dat strafrechtelijke vervolging van familieleden van (vermeende) Gülenisten willekeurig is. Partners, kinderen, broers en zussen lopen daarbij het meeste risico.Ook de UK Home Office stelt dat het enkel zijn van een familielid van een Gülenist voldoende is als risicofactor voor vervolging.De Finse immigratiedienst schrijft voorts dat juist echtgenotes en kinderen doelwit zijn. Een door de Finse immigratiedienst gesproken bron geeft verder aan dat de autoriteiten een discretionaire bevoegdheid hebben om verschillende familieleden van een Gülenist op willekeurige wijze te vervolgen. Een uitspraak van het Turkse Hof van Cassatie over de erkenning van het concept “connection (iltisak) to a terrorist organisation” heeft deze willekeur volgens deze expert in de hand gewerkt nu het niet duidelijk is wat deze term inhoudt.\n\n12.8.. Dat eisers legaal hebben kunnen uitreizen, maakt, anders dan de minister heeft gesteld, niet dat geen sprake is van negatieve belangstelling vanuit de autoriteiten. Uit het Algemeen Ambtsbericht volgt immers dat een strafrechtelijke procedure en de mogelijkheid om het land legaal uit te reizen twee verschillende aangelegenheden zijn.\n\n12.9.. Verder hebben eisers in Nederland activiteiten ontplooit vanuit het Gülenisme. Ook dit is een factor die bijdraagt aan de gegronde vrees voor vervolging bij terugkeer. Uit het Algemeen Ambtsbericht volgt dat de strijd van de Turkse autoriteiten tegen de Gülen-beweging zich niet beperkt tot het territorium van Turkije zelf. Het gaat hier niet alleen om hooggeplaatste Gülenisten. Eisers hebben zelf ook landeninformatie overgelegd waaruit blijkt dat Gülenisten in Nederland in de gaten worden gehouden. Zo hebben eisers erop gewezen dat de organisaties waarvoor zij activiteiten verrichten, namelijk SECU en Time to Help, door de Turkse autoriteiten worden gezien als Gülen-instellingen en in die hoedanigheid in de gaten worden gehouden. Verder hebben zij erop gewezen dat de schoonzus van eiser 1 in het onderzoeksrapport van de Turkse inlichtingendienst wordt genoemd.\n\n12.10.. Gelet op de landeninformatie en de persoonlijke omstandigheden van eisers, met name de omstandigheid dat eiser 1 eerder is vervolgd, eiseres en eisers 2 en 3 als familieleden gevaar lopen en eisers in Nederland activiteiten hebben ontplooit, hebben eisers naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer naar Turkije gegronde vrees hebben voor vervolging.\n\n12.11.. Gelet op het bovenstaande, behoeven de overige gronden van eisers geen bespreking.\n\nConclusie en gevolgen\n\n13. De minister heeft de aanvragen ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. De beroepen zijn gegrond omdat de bestreden besluiten in strijd zijn met de artikelen 4, 18 en 19 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, als ook omdat aan de voorwaarden uit de Kwalificatieverordening voor het toekennen van vluchtelingrechtelijke bescherming is voldaan en dat uit die verordening dan ook volgt dat een status moet worden verleend. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten. Op basis van alle relevante feitelijke en juridische gegevens en na een uitputtend en geactualiseerd onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming van eisers stelt de rechtbank vast dat aan eisers internationale bescherming moet worden verleend. De rechtbank verwijst de zaak daarom terug naar de minister en draagt de minister op om de gevraagde internationale bescherming te verlenen, tenzij er zich feitelijke of juridische gegevens aandienen die objectief een nieuwe geactualiseerde beoordeling vereisen.\n\n14. Omdat de rechtbank nu beslist op de beroepen van eisers, is er voor het treffen van de voorlopige voorzieningen geen reden meer. De rechtbank wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening daarom af.\n\n15. Omdat de beroepen gegrond zijn krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 3.269,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift en een verzoekschrift heeft ingediend, aan de zitting heeft deelgenomen en na de heropening schriftelijk heeft gereageerd (1 punt per proceshandeling in samenhangende zaken, met een waarde van € 934,- per punt, met een wegingsfactor 1 voor het indienen van het beroepschrift, het verzoekschrift en het deelnemen aan de zitting en een wegingsfactor 0,5 voor de schriftelijke reactie na heropening).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank\n\nverklaart de beroepen gegrond;\n\nvernietigt de bestreden besluiten;\n\n- verwijst de zaken terug naar de minister en draagt de minister op aan eisers een verblijfsvergunning asiel te verlenen als vluchteling;\n\nwijst de gevraagde voorzieningen af;\n\nveroordeelt de minister tot betaling van € 3.269,- aan proceskosten aan eisers.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.C.E. Krikke, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hayas, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van\n\nState vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Op grond van de artikelen 8:68 en 8:84, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.\n\n Arrest Quotal, C-198\u002F25, ECLI:EU:C:2026:447 en arrest Ebilum, C-xxx\u002Fxx, ECLI:EU:C:2026:448\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n Zie onder andere het arrest van het Hof van 4 juni 2026, Quotal, C-198\u002F25, ECLI:EU:C:2026:447, rechtsoverwegingen 31-35. Het Hof verwijst daarbij naar eerdere arresten van het Hof waar dit ook al uit volgt.\n\n Arrest Quotal, rechtsoverwegingen 38 en 42.\n\n Arrest Quotal, rechtsoverwegingen 45 en 46.\n\n Arrest Quotal, rechtsoverweging 58.\n\n Zie het Hof, 4 juni 2026, Ebilum, C-440\u002F25, ECLI:EU:C:2026:448, rechtsoverweging 73.\n\n Richtlijn 2011\u002F95\u002FEU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming en voor de inhoud van de verleende bescherming.\n\n Arrest Ebilum, rechtsoverwegingen 73-74.\n\n Arrest Ebilum, rechtsoverweging 76.\n\n Arrest Ebilum, rechtsoverweging 87.\n\n Verordening (EU) 2024\u002F1347 van het Europese Parlement en de Raad van 14 mei 2024 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen, en voor de inhoud van de verleende bescherming, tot wijziging van Richtlijn 2003\u002F109\u002FEG van de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2011\u002F95 van het Europees Parlement en de Raad.\n\n Zie artikel 41.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2026:14790.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Zie pagina 19 van het verslag van het nader gehoor van eiseres.\n\n Zie pagina 10 van het verslag van het nader gehoor van eiser 1.\n\n Ten tijde van de besluitvorming was dit geregeld in artikel 4, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 16 van de Procedurerichtlijn. Met de inwerkingtreding van het Asiel- en migratiepact is artikel 4, eerste lid, aangepast in die zin dat in de Kwalificatieverordening niet langer wordt gesproken over de samenwerkingsplicht. Wel spreekt artikel 12, tweede lid, van de Procedureverordening (Verordening (EU) 2024\u002F1348) over dat de verzoeker in de gelegenheid moet worden gesteld om uitleg te geven over eventueel ontbrekende elementen of inconsistenties of tegenstrijdigheden in zijn of haar verklaringen.\n\n Zie pagina 10, 11 en 12 van het verslag van het nader gehoor van eiseres.\n\n Zie pagina 8 van het verslag van het nader gehoor eiser 1.\n\n Zie pagina 17 en 18 het verslag van het nader gehoor eiseres.\n\n Zie pagina 10 van het verslag van het nader gehoor eiser 2.\n\n Zie pagina 8 van het verslag van het nader gehoor van eiser 3.\n\n Zie de uitspraak van deze rechtbank van 6 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3440, rechtsoverweging 4.5.\n\n Zie artikel 9 van de Kwalificatieverordening.\n\n Artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatieverordening. Zie ook het arrest Ebilum, rechtsoverweging 74.\n\n Zie het Algemeen ambtsbericht Turkije van maart 2021, pagina 39.\n\n Zie in dit respect ook de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 1 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:14790.\n\n Zie bijvoorbeeld het Algemeen Ambtsbericht Turkije van februari 2025, pagina’s 46-49.\n\n Zie het ambtsbericht, pagina 49.\n\n Finse immigratiedienst, ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, paragraaf 1.2.1-1.2.7.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, pagina 11 en 12.\n\n Uit ECLI:NL:RVS:2026:1607, rechtsoverweging 6.12. De rechtbank heeft dit rapport niet online kunnen vinden.\n\n Zie het Algemeen Ambtsbericht Turkije van februari 2025, pagina 52.\n\n Algemeen Ambtsbericht Turkije van februari 2025, pagina 49.\n\n Uit ECLI:NL:RVS:2026:1607, rechtsoverweging 6.12. De rechtbank heeft dit rapport niet online kunnen vinden.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, pagina 14.\n\n Idem.\n\n Idem, pagina 15.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, pagina 16–18.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, pagina 41 en 42.\n\n Rapport UK Home Office, oktober 2023, pagina 8.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, pagina 41.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18531","2026-07-13T00:28:54.508Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":57,"fullText":58,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":60},"1731","ECLI:NL:RBDHA:2026:18488","ecli-nl-rbdha-2026-18488","2026-07-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: NL25.22558\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. H. Palanciyan),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. I.A.G. Lodders).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het terugkeerbesluit.\n\n1.1.. Bij besluit van 14 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van 28 dagen opgelegd.\n\n1.2.. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\n1.3.. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.4.. De rechtbank heeft het beroep op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft een kantoorgenoot van de gemachtigde van verweerder, mr. C.W.M. van Breda deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn zonder bericht niet verschenen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt of verweerder op goede gronden een terugkeerbesluit aan eiser heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\n2.1.. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n3. Eiser is geboren op [geboortedag] 1978 en heeft de Algerijnse nationaliteit. Aan eiser is een terugkeerbesluit opgelegd met een vertrektermijn van 28 dagen. Vanwege het terugkeerbesluit heeft verweerder eiser gesignaleerd in het SIS.\n\nHeeft verweerder terecht een terugkeerbesluit opgelegd?\n\n4. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder aan hem ten onrechte een terugkeerbesluit heeft opgelegd. Eiser had namelijk op grond van zijn paspoort en toeristenvisum rechtmatig verblijf in Nederland. In het gehoor verklaart eiser dat hij een geldig paspoort met een visum heeft, maar dat deze documenten in het hotel zijn achtergebleven. Verweerder heeft de hotelgegevens weliswaar opgezocht, maar daar ten onrechte verder geen actie op ondernomen. Ook heeft verweerder ten onrechte nagelaten de inhoud van het gehoor te betrekken in de besluitvorming.\n\n5. De rechtbank volgt eiser niet in het standpunt dat verweerder geen onderzoek zou hebben gedaan naar eiser zijn paspoort en toeristenvisum. Uit het dossier blijkt dat politieagenten op 14 mei 2025 naar aanleiding van de verklaring van eiser zijn bagage hebben opgehaald bij zijn hotel en is er geconstateerd dat er geen paspoort met visum aanwezig was. Er werd enkel een Algerijns rijbewijs aangetroffen. Verder volgt de rechtbank eiser niet in het standpunt dat de inhoud van zijn gehoor niet is betrokken in het terugkeerbesluit. In het terugkeerbesluit is immers opgenomen dat eiser niet in het bezit is van een geldig reisdocument en visum en hij daardoor niet voldoet aan de voorwaarden waaronder hij vrij in de Europese Unie dan wel Schengengebied mag reizen. Nu is gebleken dat het paspoort en visum niet in het hotel zijn aangetroffen ziet de rechtbank niet welke informatie uit het gehoor ten onterechte niet in het terugkeerbesluit is betrokken. Eiser heeft ook geen gehoor gegeven aan het verzoek van de rechtbank om deze stukken te overleggen. Omdat eiser heeft niet aangetoond dat hij een geldig verblijfsrecht had in Nederland, is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht een terugkeerbesluit heeft opgelegd. De beroepsgrond slaagt niet.\n\n6. Ambtshalve stelt de rechtbank vast dat het opgelegde terugkeerbesluit niet in strijd is met artikel 3 van het EVRM.In het gehoor van 14 mei 2025 heeft verweerder eiser bevraagd over zijn familie, zijn medische omstandigheden en of hij in Algerije te vrezen heeft voor vervolging en\u002Fof onmenselijke dan wel vernederende behandeling. Hierop heeft eiser geantwoord dat zijn gezin in Algerije woont en dat hij geen familie in Nederland heeft, er geen medische problematiek speelt en hij niets te vrezen heeft bij terugkeer naar Algerije. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat de terugkeer van eiser in strijd zal zijn met artikel 3 van het EVRM.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Kooring, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.\n\n Schengen Informatiesysteem.\n\n Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18488","2026-07-13T00:29:36.201Z",{"id":62,"ecli":63,"slug":64,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":57,"fullText":65,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":66,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":67},"907","ECLI:NL:RBDHA:2026:18494","ecli-nl-rbdha-2026-18494","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummers: NL26.34569, NL26.33949 en NL26.34523\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen\n [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. J. van Bennekom),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister\n\n(gemachtigde: mr. F. Schoot).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over zowel het aan eiser opgelegde terugkeerbesluit en inreisverbod voor de duur van twee jaar, als de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met deze besluiten en heeft daarnaast ook beroep ingesteld tegen de aan de vreemdelingenbewaring voorafgaande ophouding op grond van artikel 50 van de Vw. Eiser voert tegen de bestreden besluiten een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit, het inreisverbod, de ophouding en de maatregel van vreemdelingenbewaring. Ook gaat de rechtbank in op de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod niet-ontvankelijk is en dat de beroepen tegen de ophouding en de maatregel van vreemdelingenbewaring ongegrond zijn. Er is ook geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 11 mei 2026 heeft de minister aan eiser, die stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 2001, een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Op 19 juni 2026 heeft de minister eiser gedurende ruim vier uur opgehouden op grond van artikel 50 van de Vw en hem aansluitend daarop de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. Vervolgens heeft de minister de rechtbank van de maatregel van vreemdelingenbewaring\n\nin kennis gesteld.\n\n2.1.. Eiser wordt geacht beroep te hebben ingesteld tegen de maatregel van vreemdelingenbewaringen heeft tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod beroep ingesteld. Ook heeft eiser beroep ingesteld tegen de ophouding. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft de beroepen op 26 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K. Lazar als tolk en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank van het terugkeerbesluit en inreisverbod\n\n3. De rechtbank constateert dat het terugkeerbesluit en inreisverbod deel uitmaken van het meeromvattende (asiel)besluit van 11 mei 2026. Omdat eiser de beslissing op zijn asielaanvraag niet heeft afgewacht en met onbekende bestemming is vertrokken is dat besluit gepubliceerd in de Staatscourant van 18 mei 2026, waarmee het besluit op rechtsgeldige wijze bekend is gemaakt. Eiser had een week de tijd om tegen dat besluit beroep in te stellen, maar hij heeft pas beroep ingesteld op 22 juni 2026. Eiser heeft dus niet tijdig beroep ingesteld.\n\n3.1.. Eiser stelt dat het niet aan hem te wijten is dat hij niet tijdig beroep heeft ingesteld, omdat het besluit niet aan hem in persoon is uitgereikt.\n\n3.2.. De rechtbank ziet daarin geen aanleiding om de overschrijding van de termijn verschoonbaar te achten. Dat het besluit van 11 mei 2026 niet aan eiser in persoon is uitgereikt, is een logisch gevolg van het feit dat eiser destijds al met onbekende bestemming was vertrokken. Door publicatie in de Staatscourant moet eiser worden geacht toch op de hoogte te zijn van dat besluit. Dat eiser in werkelijkheid geen kennis heeft genomen van het besluit komt voor zijn rekening en risico. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.\n\n3.3.. Ten overvloede overweegt de rechtbank het volgende. Ook als eiser wel tijdig beroep zou hebben ingesteld zou dat in deze procedure niet hebben kunnen leiden tot een inhoudelijke beoordeling, nu het beroep tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod moet worden gezien als een beroep tegen het meeromvattende besluit van 11 mei 2026. Het terugkeerbesluit en inreisverbod maken daar immers deel van uit. De in artikel 94 van de Vw gestelde korte termijnen staan aan een zorgvuldige toetsing door de rechtbank van een meeromvattende beschikking samen met een maatregel van bewaring in de weg.\n\nBeoordeling door de rechtbank van de ophouding\n\n4. Eiser heeft de rechtmatigheid van de ophouding op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw niet betwist. Het beroep daartegen is ongegrond.\n\nBeoordeling door de rechtbank van de maatregel van vreemdelingenbewaring\n\n3. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zal onderduiken en hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.\n\n3.1.. \n\nIn de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:\n\na. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt; b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat; h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer; o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf; p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.\n\n3.2.. Eiser betwist niet dat de minister bovengenoemde gronden heeft kunnen tegenwerpen, maar hij betoogt dat de minister in de maatregel van vreemdelingenbewaring ten onrechte geen opgave heeft gedaan van de juridische grondslag. Het enkel vermelden van artikel 59 van de Vw is volgens eiser onvoldoende, nu in het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) immers verder is uitgewerkt in welke gevallen de maatregel kan worden toegepast en in de maatregel niet expliciet is verwezen naar de van toepassing zijnde artikelen van het Vb. Ook worden in de maatregel de Vreemdelingenwet en het Voorschrift Vreemdelingen enkel aangeduid met afkortingen. Volgens eiser maakt dit gebrek de maatregel onrechtmatig en is er ook aanleiding om in dat verband prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.\n\n3.3.. De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgrond niet slaagt. Zoals de Afdeling al heeft overwogen in de uitspraak van 13 mei 2019dient onderscheid te worden gemaakt tussen de juridische (of: wettelijke) grondslag en de feitelijke gronden. De wettelijke grondslag is algemeen en dwingend van aard en er is in bepaald wie met toepassing van welk vereiste of welke vereisten kan worden gedetineerd. Een feitelijke grond is een feitelijke en op de persoon van de vreemdeling toegespitste toelichting, waaruit volgt dat en waarom aan de in de wettelijke grondslag gestelde vereisten is voldaan. De rechtbank leidt hieruit af dat de minister in de maatregel de wettelijke grondslag dient te vermelden en dat een feitelijke en op de persoon toegespitste toelichting dient te worden gegeven. Daaraan is in eisers geval voldaan. De minister heeft in de maatregel vermeld dat eiser op grond van artikel 59, van de Vw in bewaring wordt gesteld en heeft daaronder een feitelijke en op de persoon van eiser toegespitste toelichting gegeven. Bij elke afzonderlijke feitelijke grond is immers toegelicht waarom die grond in het geval van eiser kan worden tegengeworpen. De rechtbank acht die toelichting voldoende, wat eiser overigens ook niet heeft betwist, en is van oordeel dat de minister bovengenoemde gronden heeft kunnen tegenwerpen. Er bestaat geen verplichting om daarnaast nog melding te maken van de artikelen waarin de criteria voor de inbewaringstelling nader zijn uitgewerkt. Dat dit, zoals eiser onderbouwd heeft gesteld, bij de inbewaringstellingen van andere vreemdelingen soms wel gebeurt, maakt dit niet anders noch willekeurig.\n\n3.4.. Gelet op voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen.\n\nLeidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?\n\n4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod is niet-ontvankelijk en de beroepen tegen de ophouding en de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod (NL26.34523)\n\nniet-ontvankelijk;\n\n- verklaart de beroepen tegen de ophouding (NL26.34506) en de maatregel van vreemdelingenbewaring (NL26.34569) ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van\n\nD.P. van Middelkoop, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. In het geval van de maatregel van vreemdelingenbewaring moet het hogerberoepschrift worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. In het geval van het terugkeerbesluit en inreisverbod bedraagt die termijn vier weken.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw.\n\nStcrt.2026, 18598.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling)\n\nvan 27 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1190.\n\n ECLI:NL:RVS:2019:1528.\n\n Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18494","2026-07-13T00:28:54.047Z",{"id":69,"ecli":70,"slug":71,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":57,"fullText":72,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":73,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":74},"908","ECLI:NL:RBDHA:2026:18489","ecli-nl-rbdha-2026-18489","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummers: NL25.60316 (beroep) en NL25.60317 (voorlopige voorziening)\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen\n [eiseres] , geboren op [geboortedag] 1958, van Syrische nationaliteit,\n\neiseres en verzoekster, hierna: eiseres (gemachtigde: mr. C.M.G.M. Raafs)\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister\n\n(gemachtigde: mr. D.A.H. van den Tillaar).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag van eiseres. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag. Ook beoordeelt de voorzieningenrechter in deze uitspraak het verzoek van eiseres om een voorlopige voorziening.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen. Hieronder legt de rechtbank\u002Fvoorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft met het bestreden besluit van 2 december 2025 deze aanvraag in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.\n\n2.1.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft zij verzocht om een voorlopige voorziening, ertoe strekkende dat zij de behandeling van haar beroep in Nederland mag afwachten.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, J. Labban als tolk in de taal Syrisch-Arabisch en de gemachtigde van de minister.\n\n2.3.. Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen twee weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nAchtergrond en asielrelaas\n\n3. Eiseres heeft in juni 2023 voor het eerst asiel aangevraagd in Nederland. Zij heeft de uitkomst van die procedure niet afgewacht en is in november 2023 naar de Verenigde Staten gegaan, waar een zoon van haar woont. De zoon van eiseres had namelijk een Permanent Resident Card(ook wel ‘Green Card’) voor haar geregeld. In 2024 is eiseres teruggegaan naar Syrië omdat ze ruzie had met de echtgenote van haar zoon in de Verenigde Staten. In november 2025 heeft ze opnieuw asiel aangevraagd in Nederland. Eiseres legt aan haar huidige asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres is helemaal alleen in Syrië. Ook voelt zij zich daar niet veilig als christen. Er zijn twee incidenten geweest waarbij haar kruisketting van haar nek is getrokken.\n\nHet bestreden besluit\n\n4. De minister heeft de aanvraag van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. Eiseres kan namelijk op grond van haar Green Card terugkeren naar de Verenigde Staten, dat voor haar als veilig derde land geldt. De minister heeft zich gebaseerd op artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000). Dat eiseres haar Green Card niet langer in haar bezit heeft, maakt niet dat zij niet kan terugkeren naar de Verenigde Staten. Uit de website van de Amerikaanse overheid volgt namelijk dat het mogelijk is een tijdelijk reisdocument aan te vragen in geval van verlies of diefstal van de Green Card. Eiseres kan dit ook doen. Niet is gebleken waarom dit voor haar niet mogelijk zou zijn.\n\nGronden\n\n5. Eiseres voert aan dat de minister haar aanvraag ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Verweerder heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat eiseres in de Verenigde Staten als vluchteling is erkend of daar anderszins bescherming geniet.\n\nDaarnaast voert eiseres aan dat haar Green Card niet meer geldig is. Een Green Card kan ingetrokken worden als iemand lang buiten de Verenigde Staten verblijft of naar een ander land gaat met de bedoeling daar permanent te verblijven. Dat is hier duidelijk het geval, aangezien eiseres lang buiten de Verenigde Staten heeft verbleven en hier in Nederland een asielaanvraag heeft ingediend.\n\nJuridisch kader\n\n6. Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 kan een asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard worden als de vreemdeling die die aanvraag heeft ingediend erkend is als vluchteling in een derde land en hij die bescherming nog kan genieten of anderszins voldoende bescherming geniet in dat land, met inbegrip van het beginsel van non-refoulement, en opnieuw tot het grondgebied van dat land wordt toegelaten.\n\nIs voldaan aan de voorwaarden van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000?\n\n7. De rechtbank is van oordeel dat de minister zijn besluit, waarmee hij de asielaanvraag van eiseres niet-ontvankelijk heeft verklaard, onzorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende heeft gemotiveerd. De minister heeft zich gebaseerd op artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, maar heeft niet onderbouwd dat is voldaan aan de voorwaarden van dat artikel. De minister heeft namelijk niet onderbouwd dat eiseres in de Verenigde Staten de vluchtelingenstatus heeft of anderszins voldoende bescherming geniet daar.\n\n7.1.. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van de minister in dit kader toegelicht dat de minister ervan is uitgegaan dat eiseres de vluchtelingenstatus heeft in de Verenigde Staten omdat zij een Green Card heeft gekregen en dat het aan eiseres is om deze aanname te ontkrachten. De rechtbank gaat hier echter niet in mee. Het is aan de minister om door hem genomen besluiten te onderbouwen. De minister kan in dit geval niet volstaan met een aanname en de bewijslast voor de ontkrachting daarvan vervolgens bij eiseres leggen.\n\n7.2.. De rechtbank ziet ook onvoldoende onderbouwing voor de aanname van de minister. Dat eiseres een Green Card heeft, wil nog niet zeggen dat zij ook een vluchtelingenstatus heeft in de Verenigde Staten. Eiseres heeft tijdens de zitting verklaard dat zij niet weet op welke grond de Green Card aan haar is toegekend. Haar zoon had de Green Card namelijk voor haar geregeld en eiseres zelf spreekt geen Engels, waardoor zij hierover ook geen informatie tot zich heeft kunnen nemen. De rechtbank ziet in het dossier verder ook geen andere aanwijzingen die de aanname van de minister, dat eiseres een asielstatus heeft in de Verenigde Staten, kunnen staven. Het bestreden besluit is daarom onzorgvuldig voorbereid en gebrekkig gemotiveerd.\n\n7.3.. De beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de asielaanvraag van eiseres te nemen. Dit omdat de bevoegdheid hiertoe in de eerste plaats bij de minister ligt. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat de minister opnieuw onderzoek moet doen naar de asielaanvraag van eiseres en de bestuurlijke lus zich niet leent voor een dergelijke situatie waarin nog onderzoek gedaan moet worden.\n\n9. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.\n\n10. Nu met deze uitspraak op het beroep is beslist bestaat geen aanleiding meer voor de door eiseres gevraagde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek hiertoe daarom af.\n\n11. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten.\n\n De minister moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt deze vergoeding aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank, in de zaak NL25.60316:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit van 2 december 2025;\n\ndraagt de minister op binnen na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak.\n\nDe voorzieningenrechter, in de zaak NL25.60317:\n\n- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.\n\nDe rechtbank, in beide zaken:\n\n- bepaalt dat de minister de proceskosten van eiseres moet vergoeden tot een bedrag van € 2.802,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Vegter, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Hollander, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18489","2026-07-13T00:28:54.083Z",{"id":76,"ecli":77,"slug":78,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":57,"fullText":79,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":80,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":81},"1728","ECLI:NL:RBDHA:2026:18483","ecli-nl-rbdha-2026-18483","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\n Bestuursrecht\n\nZaaknummer: NL25.19222\n\nV-nummer: [V-nummer]uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 1999, van Colombiaanse nationaliteit, eiser\n\n(gemachtigde: mr. F.J.E. Hogewind),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister\n\n(gemachtigde: mr. M. Berkelmans).\n\n Inleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.\n\n1.1.. De minister heeft met het bestreden besluit van 3 april 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond. Daarbij heeft de minister een terugkeerbesluit uitgevaardigd met een vertrektermijn van vier weken.\n\n1.2.. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep op 2 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde, [persoon] , de zus van eiser, R.A. Caicedo Larrea als tolk in de taal Spaans en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt of de minister de asielaanvraag van eiser terecht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\n3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nAsielrelaas\n\n4. Eiser heeft het volgende relaas aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiser heeft verklaard dat zijn moeder in 1978 ontheemd is geraakt door de gewapende groepering ELN. Dit wilde ze op een legale manier kenbaar maken door aanmoediging van haar eerste echtgenoot. Deze echtgenoot is in 1993 vermoord. Eiser heeft verklaard dat hij in 2009 is verkracht door iemand die het huis van zijn moeder binnenviel. Dit was volgens eiser een waarschuwingsboodschap voor zijn moeder. In 2009 is eiser door een onbekend persoon aangevallen met een mes. In 2014 is een klasgenoot in eisers zicht aangevallen met een mes toen eiser de school uitliep. De klasgenoot zei dat de dader eiser zocht. Ook is eisers broer in 2017 aangevallen door de ex-echtgenoot van zijn nicht, die volgens eiser banden heeft met de groepen ELN en\u002Fof FARC. Eisers broer gaf aan dat de dader op zoek was naar eiser. Ergens tussen 2018 en 2020 nam eiser deel aan een nationale staking. Hierbij heeft iemand zich voorgesteld als lid van ELN en heeft eiser bedreigd. Eiser is hierop bij zijn tante gaan wonen. Eiser is vervolgens in 2022 vertrokken uit Colombia met het idee om te gaan studeren in Spanje. Eisers moeder heeft zich intussen geregistreerd bij de Unidad para las Victimás om erkend te worden als ontheemde en als Afro-Colombiaanse. Volgens eiser verergerden de problemen hierdoor. Het huis van de moeder van eiser is aangevallen in 2023 door een crimineel, omdat het zicht van het huis hem niet aanstond. Eisers moeder zegt dat deze aanval ook verband houdt met haar eerdere problemen. Eiser is via zijn moeder bedreigd met mogelijke rekrutering door ELN. Eiser is zelf nooit benaderd, maar vreest dat dit bij terugkeer kan gebeuren. Verder heeft eiser discriminatie ondervonden in Colombia vanwege zijn Afro-Colombiaanse etniciteit en omdat mensen denken dat eiser homoseksueel is.\n\nBesluitvorming\n\n5. Volgens de minister bestaat het asielrelaas uit de volgende asielmotieven:\n\n 1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;\n\n2. Problemen met ELN vanwege de ontheemding van eisers moeder in 1978;\n\n3. Discriminatie wegens Afro-Colombiaanse afkomst;\n\n4. Discriminatie wegens toegedichte seksuele gerichtheid.\n\n5.1.. De minister heeft alle asielmotieven geloofwaardig geacht. Volgens de minister leidt dit echter niet tot een gegronde vrees voor vervolging. De discriminatie die eiser vanwege zijn Afro-Colombiaanse afkomst en toegedichte seksuele gerichtheid heeft ervaren is niet zo ernstig dat dit wordt gezien als vervolging zoals bedoeld in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Niet is gebleken dat eiser bij terugkeer onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied in Colombia kan functioneren.\n\n5.2.. Volgens de minister loopt eiser bij terugkeer ook geen reëel risico op ernstige schade. De minister neemt voor Colombia een relatief lagere mate van willekeurig geweld aan. Eiser heeft echter geen individuele omstandigheden aangedragen waaruit blijkt dat in zijn geval sprake is van een dergelijk risico. Verder mag van eiser worden verwacht dat hij voor zijn problemen met ELN de bescherming inroept van de autoriteiten. De minister neemt aan dat het voor een Colombiaanse vreemdeling in het algemeen mogelijk is de bescherming van de autoriteiten en\u002Fof internationale organisaties te verkrijgen.Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit in zijn geval niet mogelijk is, nu hij zelf geen aangifte heeft gedaan van de incidenten die hem persoonlijk zijn overkomen.\n\nIs bescherming door de Colombiaanse autoriteiten mogelijk?\n\n6. De rechtbank merkt vooraf op dat tussen partijen onduidelijkheid leek te bestaan over de vraag of de minister de problemen van eiser zwaarwegend genoeg acht. Eiser is hier in zijn beroepsgronden mede op ingegaan. De rechtbank stelt echter vast dat de minister in het voornemen heeft geconcludeerd dat eiser zijn vrees aannemelijk heeft gemaakt. De minister heeft ter zitting bevestigd dat de zwaarwegendheid van de door eiser gestelde problemen wordt aangenomen. Het geschil spitst zich daarom toe op de vraag of de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser voor bescherming tegen deze problemen een beroep kan doen op de Colombiaanse autoriteiten.\n\nStandpunt eiser\n\n7. Eiser stelt zich op het standpunt dat bescherming niet mogelijk is door de Colombiaanse autoriteiten. Eiser wijst op het Algemeen Ambtsbericht Colombia van juni 2024 waaruit volgt dat aangiftes niet worden opgevolgd door onderbezetting bij de Fiscalia en de politie en dat de mate van straffeloosheid hoog blijft door een ineffectief strafrechtsysteem en corruptie.Ook benoemt het ambtsbericht dat de Nationale Beschermingseenheid (UNP) kampt met een structureel tekort aan middelen en hoofdzakelijk hooggeplaatste politici beschermt. Voor gewone burgers duren de procedures maanden of jaren en beperkt de bescherming zich tot een ineffectief kogelvrij vest of een paniekknop.Daarbij stelt eiser dat de mogelijkheden tot bescherming bezien moeten worden in het licht van zijn geloofwaardig geachte problemen en wijst hij op het feit dat ELN tot de vijf machtigste illegale gewapende organisaties in Colombia behoort.\n\nStandpunt minister\n\n8. De minister stelt dat de Colombiaanse overheid in het algemeen bescherming kan bieden tegen vervolging of ernstige schade. Uit het meest recente ambtsbericht blijkt immers dat men zich bij bedreigingen kan wenden tot de Colombiaanse autoriteiten voor aangifte en bescherming.Dit wordt volgens de minister ondersteund door overgelegde aangiften van de familieleden van eiser en het oppakken van een verdachte na de inbraak bij de moeder van eiser in 2023. Bovendien blijkt uit recente landeninformatie van het EUAAdat met name de eenheid GAULAoptreedt in afpersingszaken. GAULA is te bereiken via een gratis telefoonlijn en wordt algemeen erkend vanwege zijn effectiviteit. Daarmee staat de weg om aangifte te doen volgens de minister open voor eiser, en kan dit volgens landeninformatie daadwerkelijk tot resultaat leiden.\n\nJuridisch kader\n\n9. Op grond van artikel 7 van de Kwalicatierichtlijndient bescherming tegen vervolging of ernstige schade doeltreffend en van niet-tijdelijke aard te zijn. In het algemeen wordt dergelijke bescherming geboden wanneer de actoren van bescherming redelijke maatregelen tot voorkoming van vervolging of het lijden van ernstige schade treffen, onder andere door de instelling van een doeltreffend juridisch systeem voor de opsporing, gerechtelijke vervolging en bestraffing van handelingen die vervolging of ernstige schade vormen, en wanneer de verzoeker toegang tot een dergelijke bescherming heeft.\n\n9.1.. Uit jurisprudentievan de Afdelingvolgt dat bij de vraag of iemand de bescherming van de autoriteiten kan inroepen, eerst wordt onderzocht of in het desbetreffende land in het algemeen bescherming wordt geboden. Daarbij wordt informatie over de algemene situatie in een land van herkomst, in het bijzonder uit ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken en rapporten van internationale organisaties, betrokken. Eerst nadat die vraag bevestigend is beantwoord kan de vraag aan de orde komen of de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat het vragen van bescherming voor hem gevaarlijk dan wel bij voorbaat zinloos moet worden geacht. Indien dat laatste niet aannemelijk is gemaakt, kan slechts het tevergeefs inroepen van de bescherming van de autoriteiten leiden tot de conclusie dat aannemelijk is gemaakt dat die autoriteiten niet bereid of in staat zijn bescherming te bieden.\n\nOordeel van de rechtbank\n\n10. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat de Colombiaanse autoriteiten in het algemeen doeltreffende bescherming bieden tegen vervolging of ernstige schade. De minister heeft er op gewezen dat uit het ambtsbericht blijkt dat het doen van aangifte mogelijk is in Colombia, maar heeft onvoldoende gemotiveerd dat aangiften in zijn algemeen ook worden opgevolgd door de autoriteiten. De rechtbank volgt de minister niet in zijn verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 13 februari 2026. In die zaak was sprake van een vrees voor afpersing en overwoog de rechtbank dat de vreemdeling zich voor bescherming tot GAULA kon wenden. Nu eiser in onderhavige zaak niet vreest voor afpersing, valt zonder nadere motivering niet in te zien waarom ook hij een beroep zou kunnen doen op de bescherming van GAULA. Ter zitting heeft de minister zich voorts op het standpunt gesteld dat in het ambtsbericht is vermeld dat geen exacte cijfers beschikbaar zijn over het aantal aangiften dat door de autoriteiten wordt opgevolgd, omdat de politie deze gegevens niet openbaar maakt. De rechtbank wijst er in dit verband op dat de bewijslast op de minister rust om aannemelijk te maken dat in het algemeen doeltreffende bescherming beschikbaar is. Met de enkele verwijzing naar GAULA, dat is gericht op afpersingszaken, en naar het ontbreken van openbare gegevens over de opvolging van aangiften, heeft de minister niet aan zijn bewijslast voldaan.\n\n10.1.. De rechtbank overweegt dat de informatie uit het ambtsbericht juist erop wijst dat opvolging van aangiften in Colombia minimaal is. De rechtbank leest net als eiser in het ambtsbericht, dat zowel openbare als vertrouwelijke bronnen spreken over de hoge mate van straffeloosheid voor wat betreft de opvolging van aangiftes.Veel aangiftes leiden volgens het ambtsbericht niet tot een zaak.Ook benoemt het ambtsbericht dat qua wetgeving, mechanismen en intenties van de overheid Colombia over een functionerend wettelijk kader lijkt te beschikken, maar dat het systeem in de praktijk nog veel te wensen over laat.Het ambtsbericht vermeldt dat de klachten en zorgen van personen die een hoog risico liepen op geweld ook in stedelijk gebied niet altijd tijdig behandeld werden om hen effectief te beschermen.Eén van de voornaamste redenen voor het feit dat aangiftes niet opgevolgd worden, is de onderbezetting van de Fiscalía en de Nationale Politie, een tekort aan gekwalificeerd personeel en het feit dat toegang tot het juridisch systeem in afgelegen gebieden beperkt is.De vraag om bescherming, onder andere vanwege het grote aantal aanvragen en het beperkte budget, is volgens het ambtsbericht groter dan wat de Colombiaanse overheid kan bieden aan bescherming.\n\n10.2.. Het voorgaande betekent dat de minister nader dient te onderzoeken en te motiveren aan de hand van recente beschikbare landeninformatie of in Colombia in het algemeen bescherming wordt geboden, inhoudende dat de Colombiaanse autoriteiten redelijke maatregelen treffen tot voorkoming van vervolging of het lijden van ernstige schade.\n\n11. Indien de minister in het nieuw te nemen besluit opnieuw het standpunt inneemt dat de Colombiaanse autoriteiten in het algemeen doeltreffende bescherming bieden, dient hij deugdelijk te motiveren waarom eiser in zijn specifieke situatie bescherming kan verkrijgen tegen de problemen met ELN. De rechtbank acht het aannemelijk dat dit voor eiser gevaarlijk dan wel bij voorbaat zinloos zal zijn. Daartoe overweegt de rechtbank dat de minister geloofwaardig heeft geacht dat eiser sinds 2009 problemen ondervindt met ELN. Eiser heeft erop gewezen dat ELN volgens een inlichtingenrapport van het Colombiaanse veiligheidsapparaat van april 2023 de grootste en machtigste illegale gewapende organisatie was met ongeveer 6.000 personen in de gelederen.De rechtbank is ambtshalve bekend met de 'Country policy and Information Note: Armed Groups and Criminal Gangs’ update 19 maart 2026, van de UK Home Office, waarin staat opgenomen:“The state is willing but not able to provide protection against the most powerful of the armed groups, such as the AGC and the ELN. This is because of poor implementation of security policies, low presence of security forces in rural areas where most armed group\u002Fgang abuses occur, and corruption.”Het standpunt van de minister dat uit de aangiften van de familieleden en het oppakken van een verdachte na de inbreuk bij de moeder van eiser in 2023 zou blijken dat bescherming wel mogelijk is, houdt gelet op de landeninformatie geen stand. Uit het nader gehoor blijkt bovendien niet eenduidig dat eiser en zijn familie doeltreffende bescherming zijn geboden. Eiser verklaart in het nader gehoor over de inbraak bij zijn moeder:“Uiteindelijk zijn ze naar de rechtbank gegaan en daar moeten de dader en het slachtoffer voorkomen. Normaal gesproken moet er een soort overeenkomst gesloten worden, maar het loopt nooit zo goed af. Uiteindelijk heeft mijn moeder als gevolg hiervan moeten verhuizen.”Eiser heeft ter zitting verklaard dat zijn moeder nog altijd ondergedoken leeft. Daarbij verklaart eiser in het nader gehoor op de vraag of de daders van de aanval of zijn broer in 2017 waarvan ook aangifte is gedaan, ook zijn vervolgd of bevestigd, dat dit niet het geval is.\n\n11.1.. De mogelijkheden tot bescherming vanwege eisers problemen met ELN dienen daarbij in samenhang te worden bezien met het profiel van eiser. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de minister geloofwaardig heeft geacht dat eiser Afro-Colombiaans is en als homoseksueel wordt gezien. Eiser heeft in de aanvullende gronden op gewezen dat deze factoren hem extra kwetsbaar maken en in samenhang bezien moeten worden. De rechtbank verwijst in dit verband naar de volgende (ambtshalve bekende) relevante landeninformatie:\n\nAlgemeen Ambtsbericht Colombia, juni 2024:\n\n“De Colombiaanse politie was in de verslagperiode betrokken bij discriminatie en geweld tegen LHBTIQ+-personen. Een vertrouwelijke bron zei dat de politie de transgemeenschap structureel discrimineerde; met name transvrouwen die in de seksindustrie werkten.”\n\n“Het dient vermeld te worden dat er een grote mate van straffeloosheid bestaat als het om strafbare feiten gaat tegen de LHBTIQ+-gemeenschap – met name tegen transpersonen.”\n\nImmigration and Refugee Board of Canada (Author): Colombia: Situation of Afro-Colombians, 10 augustus 2023:\n\n“5. State Protection\n\nAccording to a crime index report by the Global Initiative Against Transnational Organized Crime (GI-TOC), an \"independent civil-society organization\" based in Geneva that provides strategies to address organized crime (GI-TOC n.d.), and published with funding from the US government, corruption is \"endemic in all state branches and levels of government,\" with political figures \"often\" making \"alliances with criminal actors\" to \"win elections, later returning favours by embezzling state funds to such actors\" (GI-TOC [2021], 4). The Consultant stated that there is a \"lack of political will\" to implement measures to protect Afro-Colombians (2020-04-13). The Assistant Professor of Black studies indicated that government efforts to protect Afro-Colombians are \"disorganized\" (Assistant Professor 2020-04-10).”\n\nFreedom House, Freedom in the World 2025: Colombia, 10 april 2025:\n\n“Areas with concentrated Afro-Colombian populations continue to suffer vastly disproportionate levels of abuse by guerrillas, security forces, and criminal groups, as well as higher poverty and lack of public services. UN officials have reported that impunity is nearly absolute for killers of Afro-Colombian and Indigenous ex-combatants and social leaders.”\n\nUK Home Office, Country Policy and Information Note Colombia: Actors of Protection, update 19 maart 2026:\n\n“2.1.1 In general, the state is willing and able to provide protection. However, the effectiveness of this protection will be dependent on the profile of the person, the area in which a person is located, and if they have a well-founded fear of a dominant armed group or criminal gang\n\n2.1.2. Members of the Afro-Colombian and LGBTI community may face discrimination by state security forces. However, recent available information does not support a conclusion that, in general, these groups face a real risk of treatment that amounts to persecution within the meaning of the Refugee Convention, and\u002For that they are unable to obtain effective protection.\n\n2.1.9. Afro-Colombian persons have historically faced obstacles accessing justice, often due to racial discrimination. A number of sources highlight that this group often face police harassment, disproportionate levels of abuse by security forces and that impunity is ‘near absolute’ for actors responsible for killing Afro-Colombians. However, sources are not explicit about the scale and extent of issues faced by Afro-Colombian\n\nLGBTI persons can face obstacles in gaining access to justice and can face issues with the police due to their sexual orientation and gender identity. In 2022, Colombia Diversa’s recorded 107 victims of ‘police violence’ motivated by prejudice against the victim’s sexual orientation and gender identity. The most common issues reported were threats, verbal abuse and ‘irregular police procedures’.”\n\n11.2.. Uit de door de rechtbank aangehaalde landeninformatie blijkt dat Afro-Colombianen en leden van de LHBTI-gemeenschap te maken hebben met discriminatie door de overheid en obstakels ondervinden bij de toegang tot het rechtssysteem. De rechtbank ziet niet in waarom dit anders zou zijn voor personen aan wie LHBTI-schap wordt toegedicht. Op grond van deze omstandigheden in samenhang bezien met eerdergenoemde informatie dat de Colombiaanse autoriteiten in de praktijk onvoldoende bescherming kunnen bieden tegen de ELN, acht de rechtbank het aannemelijk dat het voor eiser gevaarlijk, dan wel bij voorbaat zinloos, is om de bescherming van de autoriteiten in te roepen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n12. De minister heeft de aanvraag van eiser ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Dit betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij in acht neemt met wat in deze uitspraak is bepaald. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.\n\n13. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt deze kosten vast op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht oor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op €1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).Beslissing\n\nDe rechtbank,\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit;\n\n- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;\n\n-veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868 ,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. L. Dolfing, rechter, in aanwezigheid van mr. I.I. Mooij, griffier.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Ejercito de Liberacion Nacional.\n\n Fuerzas Armadas Revolucionarias de Colombia.\n\n Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.\n\n Paragraaf C7\u002F10.5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000.\n\n Pagina 53-55 van het ambtsbericht.\n\n Pagina 59-60 van het ambtsbericht.\n\n De minister wijst in dit verband op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 19 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:26833, r.o. 5.2.\n\n European Union Agency for Asylum, Country of origin information report Colombia, 16 december 2025.\n\nGrupos de Acción Unificada por la Libertad Personal.\n\n De minister verwijst hiervoor naar een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 13 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:7259, r.o. 5.6.\n\n Richtlijn 2011\u002F95\u002FEU.\n\n Zie de uitspraak van 5 augustus 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD9606.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Pagina 53.\n\n Pagina 55.\n\n Pagina 53.\n\n Pagina 55.\n\n Pagina 57.\n\n Pagina 54.\n\n Pagina 56.\n\n Pagina 20 van het Algemeen Ambtsbericht Colombia, juni 2024.\n\n Verslag nader gehoor, pagina 18.\n\n Verslag nader gehoor, pagina 17.\n\n Pagina 73.\n\n Pagina 74.\n\n Algemene wet bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18483","2026-07-13T00:29:36.080Z",{"id":83,"ecli":84,"slug":85,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":86,"fullText":87,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":88,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":89},"834","ECLI:NL:RBDHA:2026:18577","ecli-nl-rbdha-2026-18577","2026-05-06T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\n Bestuursrecht\n\nZaaknummer: AWB 24\u002F19717\n\nV-nummer: [v-nummer]\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 mei 2026 in de zaak tussen\n\n [eiser],\n\ngeboren op [geboortedag] 1999, van Surinaamse nationaliteit, eiser\n\n(gemachtigde: [gemachtigde]),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. S. van der Steen).\n\nProcesverloop\n\nMet het besluit van 17 mei 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een mvvvoor het doel 'Verblijf als familie- of gezinslid bij [de persoon]' afgewezen en een terugkeerbesluit uitgevaardigd.\n\nMet het besluit van 27 september 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2026. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn moeder, mr. D.S. Kumankumah als waarnemer van de gemachtigde van eiser, en de gemachtigde van verweerder.\n\nOverwegingen\n\nAchtergrond\n\n1. Eiser is 26 jaar oud en afkomstig uit Suriname. Op 5 december 2022 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een mvv voor verblijf bij zijn vader, de heer [de persoon]. Eiser woont op dit moment bij zijn vader in Almere.\n\n1.1.. Verweerder heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 17 mei 2023 afgewezen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.\n\nHet bestreden besluit\n\n2. Met het bestreden besluit heeft verweerder het door eiser ingediende bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser het bezwaarschrift buiten de termijn van vier weken heeft ingediend.Het primaire besluit is op 19 mei 2023 aan eiser verzonden, wat betekent dat eiser uiterlijk op 16 juni 2023 in bezwaar kon gaan. Het bezwaarschrift is echter pas op 3 januari 2024 door verweerder ontvangen.\n\n2.1.. \n\nSubsidiair overweegt verweerder dat zelfs als zou worden uitgegaan van dat eiser\n\nhet besluit van 17 mei 2023 niet heeft ontvangen, het bezwaarschrift alsnog niet binnen de termijn van vier weken is ingediend. Eiser heeft op 26 juni 2023 contact gehad met verweerder dat hij het besluit niet heeft ontvangen, waarop het besluit op 28 juni 2023 door verweerder opnieuw werd verzonden. Dit betekent dat eiser uiterlijk tot 26 juli 2023 een bezwaarschrift kon indienen. Nu het bezwaarschrift pas op 3 januari 2024 is ontvangen, valt dit wederom buiten de termijn.\n\n2.2.. Dat eiser in bezwaar een verzendbewijs heeft overgelegd dat op 27 juli 2023 een pakket is verstuurd naar het postadres van de IND, leidt volgens verweerder niet tot een andere uitkomst, nu dit eveneens niet binnen de wettelijke termijn valt.\n\nStandpunt eiser\n\n3. Eiser is van mening dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Volgens eiser is het bezwaar tijdig ingediend. Het besluit van 17 mei 2023 heeft eiser nooit bereikt, waarna hij op 26 juni 2023 contact heeft opgenomen met verweerder over de stand van zaken. Verweerder heeft het besluit vervolgens op 28 juni 2023 opnieuw verstuurd en eiser heeft het op 3 juli 2023 ontvangen. Eiser heeft vervolgens op 27 juli 2023 een bezwaarschrift ingediend en hiervan een verzendbewijs overgelegd. Verweerder meent ten onrechte dat de termijn op 26 juli 2023 afliep. Volgens artikel 6:8 van de Awb liep de termijn volgens eiser af op 27 juli 2023. Verder stelt eiser dat de verzending van het bezwaar in juli 2023 aannemelijk is, aangezien eiser op 29 november 2023 een ingebrekestelling naar verweerder heeft verzonden wegens het uitblijven van een beslissing op het bezwaar. Nadat verweerder daarop aangaf het bezwaar nooit te hebben ontvangen, heeft eiser het bezwaar op 27 december 2023 opnieuw verstuurd.\n\nOordeel van de rechtbank\n\n4. Tussen partijen is in geschil of eiser binnen de wettelijke termijn van vier weken bezwaar heeft ingediend. Op de zitting heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat het primaire besluit op onjuiste wijze is bekendgemaakt, omdat het besluit naar het adres van eiser in Almere is verstuurd, in plaats van naar het kantoor (Dependable) van gemachtigde. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting op dat standpunt gereageerd waardoor de rechtbank zich allereerst zal buigen over de vraag of het primaire besluit op de juiste wijze is bekendgemaakt.\n\n4.1.. Verweerder heeft zich in het verweerschrift en ter zitting op het standpunt gesteld dat het primaire besluit op de juiste wijze is bekendgemaakt en naar het juiste adres is verzonden. Uit een screenshot van het verzendsysteem Indigo van verweerder blijkt dat de brief daadwerkelijk is verzonden op 19 mei 2023, nu het poststuk die dag de status ‘bericht verwerkt’ heeft gekregen. Verweerder wijst erop dat het vaste jurisprudentie is dat verweerders postregistratiesysteem betrouwbaar is. Daarnaast klopt het adres ([adres]) op de brief en komt dit overeen met het laatste bekende adres van eiser in de BRP. De aanvraag is door eiser zelf ingediend en ondertekend waardoor het besluit naar zijn adres is gestuurd. Bovendien had eiser zijn gemachtigde van het besluit op de hoogte kunnen stellen.\n\n4.2.. De rechtbank overweegt dat uit artikel 2:1 in samenhang met artikel 6:17 van de Awb volgt dat het optreden van een gemachtigde tot gevolg heeft dat het contact met een belanghebbende in beginsel via de gemachtigde loopt en dat, indien een besluit aan de bij het bestuursorgaan bekende gemachtigde wordt toegezonden, sprake is van een bekendmaking op de voorgeschreven wijze. Dit geldt ook als het gaat om de fase van het beslissen op een aanvraag indien de gemachtigde voor het bestuursorgaan kenbaar was dan wel kenbaar kon zijn. Het niet (op de juiste wijze) bekendmaken van een besluit heeft tot gevolg dat het besluit niet in werking treedt. Ook gaat de bezwaar- of beroepstermijn niet lopen. Indien het langs een omweg alsnog in handen komt van degene tot wie het is gericht, geldt het als op dat moment verzonden. Het besluit wordt in dat geval geacht te zijn bekendgemaakt op de dag voor die waarop van het besluit kennis wordt gekregen.\n\n4.3.. De rechtbank constateert dat in het dossier verschillende volmachten zitten waarin eiser mr. Kumankumah of mr. Belfor machtigt om namens hem zijn juridische belangen te behartigen. Zo zit er in het dossier een volmacht, gedateerd 26 oktober 2022, waarin eiser mr. Kumankumah machtigt. De aanvraag is vervolgens door eiser ingediend op 5 december 2022. Op 4 januari 2023 heeft mr. Kumankumah een brief verstuurd naar verweerder met het verzoek om het dossier van eiser te ontvangen, en heeft daarbij een volmacht overgelegd, gedateerd 13 december 2022. Op 21 maart 2023 is door eiser een ingebrekestelling ingediend waarbij het machtigingsformulier is ondertekend door hem en mr. Kumankumah. Verweerder heeft op 27 maart 2023 de ontvangst van de ingebrekestelling bevestigd en deze verstuurd naar mr. Kumankumah. Vervolgens zit er in het dossier een volmacht ondertekend door mr. Kumankumah, gedateerd 17 april 2023. Verweerder heeft hierna op 20 april 2023 een herstelverzuimbrief verstuurd naar het huisadres van eiser. Op 1 mei 2023 is door een collega van mr. Kumankumah een brief verstuurd, waarin staat aangegeven dat op 17 april 2023 reeds een volmacht per post is toegezonden. Op 17 mei 2023 is het primaire besluit verstuurd naar het adres van eiser.\n\n4.4.. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het primaire besluit van 17 mei 2023 op onjuiste wijze is bekendgemaakt en daarmee niet in werking is getreden. Het primaire besluit is namelijk naar het adres van eiser gestuurd, terwijl het besluit overeenkomstig artikel 6:17 van de Awb naar de gemachtigde van eiser verzonden had moeten worden. Uit het dossier blijkt dat de correspondentie tussen partijen rommelig is verlopen. Er zijn meerdere volmachten aanwezig in het dossier en correspondentie van verschillende gemachtigden van hetzelfde kantoor. De rechtbank kan zich voorstellen dat dit voor verweerder tot verwarring heeft geleid. Desondanks is de rechtbank van oordeel dat verweerder op verschillende momenten op de hoogte was of had moeten zijn van de vertegenwoordiging van eiser door een gemachtigde. In het dossier bevinden zich meerdere volmachten en brieven van het kantoor van de gemachtigde waardoor dit voor verweerder duidelijk had moeten zijn. Bovendien werd verweerder kort voor het primaire besluit, op 1 mei 2023, nog gewezen op de volmacht van 17 april 2023.\n\n4.5.. De rechtbank is voorts van oordeel dat het besluit dat op 28 juni 2023 opnieuw is verzonden eveneens op onjuiste wijze is bekendgemaakt, nu ook dit besluit naar het adres van eiser is verzonden. Dit terwijl verweerder uit het telefonisch contact met gemachtigde van eiser op 26 juni 2023 had kunnen begrijpen dat de tweede verzending aan de gemachtigde van eiser gericht had moeten worden.\n\n4.6.. De rechtbank overweegt dat door eiser naar voren is gebracht dat hij dit tweede besluit uiteindelijk op 3 juli 2023 heeft ontvangen. Eiser heeft op de zitting terecht gewezen op de uitspraak van het CBbvan 30 januari 2024, waaruit volgt dat vanaf kennisname van het besluit de wettelijke termijn voor het indienen van bezwaar gaat lopen. In dit geval bedraagt die termijn vier weken, waardoor de uiterlijke datum om bezwaar te maken was op 31 juli 2023. Eiser stelt dat hij op 27 juli 2023 een bezwaarschrift per post naar het adres van de IND heeft verstuurd en heeft hiervan een track&trace bewijs van PostNL overgelegd. Hoewel niet duidelijk is welk poststuk op dat moment precies verstuurd is, is de rechtbank van oordeel dat eiser met het overgelegde track&trace bewijs voldoende heeft aangetoond dat hij op 27 juli 2023 een bezwaarschrift aan verweerder heeft verzonden. Het adres op de track&trace is het correcte adres van de IND, en ook komt de datum overeen met de datum op het bezwaarschrift. De rechtbank acht hierbij ook relevant dat de ingebrekestelling die eiser op 29 november 2023 heeft verzonden erop wijst dat eerder dan die datum een bezwaarschrift is ingediend.\n\n4.7.. Concluderend is de rechtbank van oordeel dat eiser binnen de wettelijke termijn van vier weken bezwaar heeft gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar dan ook ten onrechte kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt met toepassing van 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor acht weken.\n\n6. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit;\n\n- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;\n\n- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;\n\n- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. I.I. Mooij, griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.\n\nDe griffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.\n\n Machtiging tot voorlopig verblijf.\n\n Op grond van artikel 6:9 in samenhang bezien met artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Immigratie- en Naturalisatiedienst.\n\n Basisregistratie Personen.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 3 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:209, r.o. 2.1\n\n College van Beroep voor het bedrijfsleven.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18577","2026-07-13T00:28:50.268Z",{"id":91,"ecli":92,"slug":93,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":94,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":95,"sourceTimestamp":96,"parsedAt":30,"updatedAt":97},"636","ECLI:NL:RBDHA:2024:23152","ecli-nl-rbdha-2024-23152","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL24.31027\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. C.E. Stassen-Buijs),\n\nen\n\nde minister van Justitie en Veiligheid,\n\n(gemachtigde: [gemachtigde van verweerder] ).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 5 augustus 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 13 augustus 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen E. Fernandez y Fernandez. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- beveelt de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van\n\n13 augustus 2024;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 900,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.750,00.\n\nOverwegingen\n\n1. Eiser heeft de Ecuadoraanse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] 1974.\n\n2.1. De rechtbank is van oordeel dat de vrijheidsontnemende maatregel onevenredig bezwarend moet worden geacht en ook dat verweerder niet te goeder trouw heeft gehandeld door eiser de vrijheid te ontnemen op grond van het grensbewakingsbelang. Ter zitting heeft verweerder immers erkend dat overdracht aan Italië vanuit grensdetentie momenteel niet mogelijk is en dat eiser in vrijheid zal worden gesteld als Italië de Dublinclaim accepteert. Verweerder heeft voorts ook niet betwist dat er niet voldoende tijd zal zijn om eisers asielaanvraag alsnog inhoudelijk te behandelen in de grensprocedure indien Italië de Dublinclaim niet accepteert. Ook in dat geval zal eiser in vrijheid moeten worden gesteld, gelet op artikel 3, zesde lid, van de Vw.\n\n2.2. \n\nIn beide scenario’s zal eiser dus feitelijk sowieso toegang verkrijgen tot het Schengengebied. Dit was bij het opleggen van de grensdetentie al bekend, gelet op het\n\nM19-A formulier alwaar is geschreven dat er aanknopingspunten zijn voor een Dublin-claim op Italië, en verweerder vervolgens zijn kaarten heeft gezet op een Dublinclaim richting Italië. Als bij het opleggen van de grensdetentie al duidelijk is dat eiser door de door verweerder gemaakte keuze hoe dan ook toegang zal verkrijgen tot het Schengengrensgebied, kan verweerder naar het oordeel van de rechtbank datzelfde grensbewakingsbelang niet laten prevaleren. De grensdetentie is dan voorts ook niet te goeder trouw opgelegd, nu deze niet voldoet aan het doel van artikel 5, eerste lid, aanhef en onder f van het EVRM.\n\n2.3. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn betoog dat eiser mogelijk toch kan worden overgedragen aan Italië vanuit detentie als de opvangvoorzieningen daar weer op peil zouden komen, en aldus mogelijk weer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verweerder heeft desgevraagd immers niet kunnen onderbouwen op grond waarvan deze verwachting gerechtvaardigd is.\n\n3. Het beroep is daarom gegrond en de vrijheidsontnemende maatregel is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 13 augustus 2024.\n\n4. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 9 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 9 x € 100,- (verblijf detentiecentrum) = € 900,-.\n\n5. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.\n\nDeze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2024 door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van D.P. van Middelkoop, griffier.\n\nDit proces-verbaal is bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:23152","2025-02-18T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:40.409Z",1,20]