[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-amsterdam-consumer-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":49,"total":16,"page":25,"limit":162},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},56,"Amsterdam","nl","amsterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},29,"consumer-law-nl","Consumer Law","NL","2026-07-08T16:53:14.161Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},13,{"min":18,"max":19},"2025-04-08T00:00:00.000Z","2026-06-30T00:00:00.000Z",[21,26,29,32,36,39,42,45],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"121947","Burgerlijk Wetboek","art. 7:22",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"121948","art. 7:17",{"provisionId":30,"code":23,"article":31,"count":25},"121949","art. 7:22 lid 2",{"provisionId":33,"code":34,"article":35,"count":25},"122839","Richtlijn","art. 4 lid 2",{"provisionId":37,"code":23,"article":38,"count":25},"122840","art. 7:405 lid 2",{"provisionId":40,"code":23,"article":41,"count":25},"122906","art. 6:94 lid 1",{"provisionId":43,"code":23,"article":44,"count":25},"123103","art. 7:60",{"provisionId":46,"code":47,"article":48,"count":25},"124231","Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering","art. 556 lid 1",[50,61,70,78,87,95,103,110,119,128,137,146,155],{"id":51,"ecli":52,"slug":53,"caseNumber":54,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":55,"summary":54,"language":7,"source":56,"sourceUrl":57,"sourceTimestamp":58,"parsedAt":59,"updatedAt":60},"1734","ECLI:NL:RBAMS:2026:6642","ecli-nl-rbams-2026-6642","","vonnis\n\nRECHTBANK AMSTERDAM\n\nAfdeling privaatrecht\n\nzaaknummer: 12228264 CV EXPL 26-6910\n\nvonnis van: 30 juni 2026\n\nfno.: 506\n\nvonnis van de kantonrechter\n\nI n z a k e\n\nde besloten vennootschap H & J Schipper B.V.\n\ngevestigd te Amstelveen\n\neisende partij\n\ngemachtigde: mr. M. van der Heijde (TienG Gerechtsdeurwaarders)\n\nt e g e n\n\n [gedaagde]\n\nwonende te [woonplaats]\n\ngedaagde partij\n\nniet verschenen\n\nVerloop van de procedure\n\nEisende partij heeft gedaagde partij gedagvaard. Gedaagde partij is niet verschenen. Tegen gedaagde partij is verstek verleend. De datum voor vonnis is bepaald op vandaag.\n\nGronden van de beslissing\n\n1. Eisende partij vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde alsmede betaling van de huurachterstand vermeerderd met rente en kosten.\n\nBesluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening\n\n2. De kantonrechter heeft vastgesteld dat eisende partij heeft voldaan aan de informatieplicht en de meldplicht als bedoeld in artikel 2 van Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening.\n\nAmbtshalve toetsing oneerlijke bedingen\n\n3. In deze procedure gaat het om een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93\u002F13 EG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). Als er oneerlijke bepalingen in de huurovereenkomst of de algemene voorwaarden staan, moet de kantonrechter deze buiten toepassing laten. Eisende partij mag die bepalingen dan niet gebruiken en zij mag ook geen beroep meer doen op aanvullend recht (zie ECLI:EU:C:2021:68).\n\n4. Eisende partij heeft de tussen partijen gesloten huurovereenkomst met betrekking tot de zelfstandige woonruimte aan het adres [adres] en de daarop van toepassing zijnde Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Woonruimte (ROZ) 20 maart 2017 (verder: de algemene bepalingen) in het geding gebracht.\n\n5. Eisende partij stelt zich in de dagvaarding op het standpunt dat er geen sprake is van oneerlijke bedingen in de zin van Richtlijn 93\u002F13.\n\n6. Het huurprijsbeding (artikel 4.5) in de huurovereenkomst is een kernbeding. Dit beding is transparant en op grond van artikel 4 lid 2 van de Richtlijn uitgesloten van verdere toetsing op oneerlijkheid.\n\n7. Het betreft geliberaliseerde huur. Artikel 5.2 (Huurprijswijziging) van de huurovereenkomst en artikel 16 (Huurprijswijziging) van de algemene bepalingen, zijn door de kantonrechter getoetst en worden niet oneerlijk bevonden.\n\n8. In artikel 12.16 van de huurovereenkomst staat voor zover relevant het volgende:\n\n\"Artikel 25.2, 17.1 en 17.4 van de Algemene Bepalingen Woonruimte 2017 zijn oneerlijke bedingen. De artikelen kunnen als doorgehaald worden beschouwd en zijn niet van toepassing op deze huurovereenkomst.\"\n\n9. Met betrekking tot dit artikel wordt het volgende overwogen.\n\n10. ROZ-modellen zijn modelcontracten voor de huur en verhuur van vastgoed, opgesteld door de Raad voor Onroerende Zaken (ROZ). In de handleiding die door het ROZ is opgesteld en gepubliceerd op haar website staat dat de algemene bepalingen niet mogen worden gewijzigd. Wijzigingen of toevoegingen van de algemene bepalingen dienen te worden opgenomen in artikel 13 en volgende van de modelhuurovereenkomst. Verder staat in de handleiding dat aangeraden wordt gebruik te maken van de meest recente versie van de modellen van de ROZ.\n\n11. Gelet op hetgeen hiervoor overwogen is de wijze waarop eiseres de toepasselijkheid van (o.a.) artikel 25.2 van de algemene bepalingen heeft uitgesloten goed verdedigbaar, ware het niet dat ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst (november 2024) al een aantal maanden een nieuwe versie van het ROZ-model woonruimte beschikbaar was. In deze nieuwe versie van de algemene bepalingen, vastgesteld op 25 juli 2024 en op 6 augustus 2024 gedeponeerd bij de griffie van de rechtbank te Den Haag, is het oneerlijke artikel 25.2 volledig weggelaten. Eiseres heeft er om haar moverende redenen kennelijk voor gekozen niet deze nieuwe versie van de algemene bepalingen op de huurovereenkomst van toepassing te laten zijn, maar een oud model waar een oneerlijk beding in staat en de toepasselijkheid daarvan middels een kruisverwijzing uit te sluiten.\n\n12. Gelet op het doel van de Richtlijn, dat erop gericht is oneerlijke bedingen uit overeenkomsten te verwijderen ter bescherming van de consument, acht de kantonrechter deze manier van uitsluiten van een oneerlijk beding in dit geval – vooral omdat er ook gekozen had kunnen worden voor een versie van de algemene bepalingen waarin dit beding volledig is weggelaten – op zichzelf oneerlijk.\n\n13. Zowel artikel 12.16 van de huurovereenkomst, als artikel 25.2 van de algemene bepalingen worden daarom vernietigd. De gevorderde buitengerechtelijke kosten worden afgewezen.\n\nDe vordering\n\n14. De vordering komt voorts niet onrechtmatig of ongegrond voor, behoudens hieronder met betrekking tot de ontruimingstermijn en de gevorderde machtiging om de ontruiming zelf uit voeren nog is overwogen.\n\n15. De ontruimingstermijn wordt gesteld op twee weken.\n\n16. Eisende partij heeft een machtiging gevorderd om zelf de ontruiming te bewerkstelligen. Dit is onverenigbaar met artikel 556 lid 1 Rv, dat voorschrijft dat de gedwongen ontruiming geschiedt door de deurwaarder. De deurwaarder zelf behoeft geen rechterlijke machtiging voor het inroepen van de hulp van de sterke arm. Die bevoegdheid ontleent hij rechtstreeks aan artikel 557 Rv, waarin artikel 444 Rv van overeenkomstige toepassing wordt verklaard. De door eisende partij gevorderde machtiging om de ontruiming zelf uit te voeren, zal dan ook worden afgewezen.\n\n17. Gedaagde partij wordt veroordeeld in de proceskosten.\n\nBESLISSING\n\nDe kantonrechter:\n\nontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de onroerende zaak (de zelfstandige woonruimte) aan het adres [adres];\n\nveroordeelt gedaagde partij om deze onroerende zaak met al wie en al wat zich daarin vanwege gedaagde partij bevindt, binnen twee weken na betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten en met overgifte van de sleutels geheel ter vrije beschikking van eisende partij te stellen, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het in artikel 555 e.v. jo. 444 Rv bepaalde;\n\nveroordeelt gedaagde partij om te betalen aan eisende partij:\n\n€ 2.756,28 ter zake van achterstallige huur, berekend tot en met 31 mei 2026, vermeerderd met de wettelijke rente over het voorgenoemde bedrag vanaf de dag der dagvaarding (4 mei 2026) tot de voldoening;\n\n€ 22,65 ter zake van wettelijke rente, berekend tot en met 3 mei 2026;\n\n€ 918,76 per maand vanaf 1 juni 2026 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt;\n\nveroordeelt de gedaagde partij in de kosten van het geding, aan de zijde van eisende partij tot aan deze uitspraak begroot op: € 153,02 aan explootkosten, € 253,00 aan salaris gemachtigde, € 529,00 aan griffierecht en € 72,00 aan nakosten voor zover van toepassing, inclusief BTW, te vermeerderen met de kosten van betekening, te voldoen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis;\n\nverklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;\n\nwijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6642","2026-07-01T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:36.300Z",{"id":62,"ecli":63,"slug":64,"caseNumber":54,"courtId":5,"decisionDate":65,"fullText":66,"summary":54,"language":7,"source":56,"sourceUrl":67,"sourceTimestamp":68,"parsedAt":59,"updatedAt":69},"1085","ECLI:NL:RBAMS:2026:6721","ecli-nl-rbams-2026-6721","2026-06-23T00:00:00.000Z","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZaaknummer: 11368298 \\ CV EXPL 24-13541\n\nVonnis van 23 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nDCB ENERGY B.V.,\n\ngevestigd te Spijkenisse,\n\neisende partij,\n\ngemachtigde: [gemachtigde],\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nniet verschenen.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 15 oktober 2024, met producties,\n\n- het tegen gedaagde partij verleende verstek.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De beoordeling\n\n2.1.. Eisende partij stelt dat partijen op 21 maart 2024 een overeenkomst hebben gesloten op grond waarvan eisende partij aan gedaagde partij een tankpas ter beschikking heeft gesteld, waarmee gedaagde partij op krediet kon tanken. Voor de tankpas was gedaagde partij een kaartbijdrage van € 5,00 per maand verschuldigd. Verder was gedaagde partij slechts de kosten verschuldigd van de brandstof die hij aan de reguliere pomp bij derden had getankt, die eisende partij had voorschoten.\n\n2.2.. Gedaagde partij heeft € 977,79 onbetaald gelaten. Dat bedrag wordt aan hoofdsom gevorderd, vermeerderd met rente, incassokosten en proceskosten.\n\n2.3.. De overeenkomst die aan de vordering ten grondslag is gelegd is gesloten tussen een handelaar en een consument. De kantonrechter moet in dat geval ambtshalve toetsen aan het consumentenrecht. Onderzocht moet worden of de informatieplichten zijn nageleefd. Daarnaast moet de overeenkomst worden getoetst aan Richtlijn 93\u002F13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).\n\n2.4.. De onderhavige overeenkomst wordt gekwalificeerd als een consumentenkredietovereenkomst, waarop Afdeling 2A van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing is. Het betreft namelijk een vorm van krediet, te weten uitgestelde betaling, waarvoor een jaarlijkse bijdrage verschuldigd is.\n\n2.5.. Nu het om een krediet gaat, is Afdeling 2b van Titel 5 van Boek 6 BW over de informatieplichten niet van toepassing, gelet op artikel 6:230h lid 2 onder b BW.\n\n2.6.. Eisende partij heeft in de dagvaarding niet gesteld hoe zij heeft voldaan aan de verplichtingen in het kader van de kredietverstrekking, zoals de precontractuele informatieplichten van artikel 7:60 BW en de kredietwaardigheidstoets. Hierover dient eisende partij de kantonrechter te informeren. Indien blijkt dat eisende partij deze verplichtingen niet (volledig) heeft nageleefd, maakt zij zich schuldig aan een oneerlijke handelspraktijk en is de overeenkomst vernietigbaar (artikel 7:60 lid 3 jo. artikel 6:193j lid 3 BW).\n\n2.7.. Voor zover eisende partij zich op het standpunt stelt dat vorenbedoelde verplichtingen voor haar niet gelden vanwege de uitzondering als bedoeld in artikel 7:58 lid 2 onder e BW, dan dient zij, in navolging van het arrest van de Hoge Raad van 27 juni 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1008, rechtsoverweging 3.4.1. e.v.), in te gaan op de kosten van het krediet, nu ook vertragingsrente en incassokosten zijn bedongen. Of deze bedongen kosten in aanmerking moeten worden genomen, hangt af van de vraag of eisende partij, teneinde een economisch voordeel te verkrijgen, er vanaf de sluiting van de kredietovereenkomst al op anticipeert dat de consument zijn betalingsverplichting niet zal nakomen. Eisende partij zal zich daarom moeten uitlaten over haar verdienmodel en dat verdienmodel ook inzichtelijk dienen te maken met een onderbouwing. De kantonrechter wijst de eisende partij in dit kader, gelet op de aard van de gevraagde gegevens, op het bepaalde in artikel 22 lid 2 en 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en 22a lid 3 Rv. Mocht de eisende partij daarop een beroep willen doen, dan moet zij dit motiveren.\n\n2.8.. Verder moet van alle afzonderlijke onderdelen van de vordering worden getoetst of hierover iets is geregeld in de overeenkomst, ongeacht of daarop een beroep wordt gedaan. Als het beding in de overeenkomst dat aan de vordering ten grondslag is óf kan worden gelegd oneerlijk is in de zin van de richtlijn, dan moet dat gedeelte van de vordering worden afgewezen. Ook als uitsluitend een beroep op de wettelijke regeling is gedaan. Dat volgt uit de arresten van het Europese Hof van Justitie van 27 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia) en 8 december 2022, ECLI:EU:C:2022:971 (Gupfinger).\n\n2.9.. Bij de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding gaat het erom of dat beding, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort (artikel 3 lid 1 van de richtlijn). Hierbij moeten alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst worden meegewogen en alle andere bedingen van de overeenkomst, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft, in aanmerking worden genomen. Daarbij moet worden uitgegaan van de datum waarop de overeenkomst is gesloten.\n\n2.10.. Eisende partij heeft zich nog niet uitgelaten over de (on)eerlijkheid van de bedingen die ten grondslag liggen of kunnen liggen aan de afzonderlijke onderdelen van de vordering. De bedingen die in ieder geval van belang zijn staan in artikel 13.8 en 13.9 van de algemene voorwaarden. Eisende partij wordt in de gelegenheid gesteld een standpunt in te nemen over de (on)eerlijkheid van deze bedingen.\n\n2.11.. De zaak wordt voor akte uitlating door eisende partij verwezen naar de rol.\n\n2.12.. Eisende partij dient de akte tenminste twee weken voor de hierna te bepalen rolzitting ook aan gedaagde partij te sturen, met de mededeling dat gedaagde partij op die rolzitting daarop mag reageren dan wel uitstel kan vragen en hoe en wanneer gedaagde partij uiterlijk moet reageren. Eisende partij wordt in dat kader verzocht om naast de akte ook de mededeling\u002Fbrief aan gedaagde partij in het geding te brengen. Wanneer niet kan worden vastgesteld dat de akte tijdig en\u002Fof met de juiste mededeling aan gedaagde partij is toegestuurd, wordt deze in beginsel buiten beschouwing gelaten.\n\n2.13.. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n3.1.. verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 21 juli 2026 om 10.00 uurvoor akte uitlating door eisende partij,\n\n3.2.. bepaalt dat eisende partij de akte aan gedaagde partij moet toesturen, overeenkomstig het bepaalde in overweging 2.12,\n\n3.3.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.\n\n991","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6721","2026-07-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:03.254Z",{"id":71,"ecli":72,"slug":73,"caseNumber":54,"courtId":5,"decisionDate":74,"fullText":75,"summary":54,"language":7,"source":56,"sourceUrl":76,"sourceTimestamp":68,"parsedAt":59,"updatedAt":77},"1082","ECLI:NL:RBAMS:2026:6723","ecli-nl-rbams-2026-6723","2026-06-19T00:00:00.000Z","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZaaknummer: 11958450 \\ CV EXPL 25-15555\n\nVonnis van 19 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser], wonende te [woonplaats 1] , rechtsopvolger onder bijzondere titel van\n\n [bedrijf 1] B.V., voorheen genaamd[bedrijf 2] B.V., rechtsopvolger onder algemene titel van[bedrijf 3] B.V.,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\ngemachtigde: [gemachtigde],\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nwonende te [woonplaats 2] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nniet verschenen.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 28 oktober 2025, met producties,\n\n- het tegen [gedaagde] verleende verstek.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De beoordeling\n\n2.1.. \n [eiser] vordert, uit hoofde van een tussen [bedrijf 3] B.V. (hierna: verhuurder) en [gedaagde] gesloten huurovereenkomst met betrekking tot een auto, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 194,13 aan hoofdsom, vermeerderd met wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.\n\n2.2.. \n [eiser] stelt de huurovereenkomst is gesloten in de verkoopruimte van verhuurder en dat is voldaan aan de informatieplichten van artikel 6:230l van het Burgerlijk Wetboek (BW). Op de overeenkomst zijn de Algemene Voorwaarden BOVAG verhuur- en deelautobedrijven van toepassing (hierna: de algemene voorwaarden). De verzekeraar betaalt volgens [eiser] geheel of gedeeltelijk de huur voor de huurperiode.\n\n2.3.. \n [gedaagde] heeft volgens [eiser] een factuur van € 194,13 onbetaald gelaten. Deze factuur bestaat uit drie posten: ‘Inzet huurauto klasse B – ongeoorloofd langer gebruik, Administratiekosten Verhuur en Verlaging eigen risico per dag (NL)’.\n\n2.4.. De overeenkomst die aan de vordering ten grondslag is gelegd is gesloten tussen een handelaar en een consument. De kantonrechter moet in dat geval ambtshalve toetsen aan het consumentenrecht. Onderzocht moet worden of de informatieplichten zijn nageleefd. Daarnaast moet de overeenkomst worden getoetst aan Richtlijn 93\u002F13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).\n\n2.5.. Bij de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding gaat het erom of dat beding, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort (artikel 3 lid 1 van de richtlijn). Hierbij moeten alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst worden meegewogen en alle andere bedingen van de overeenkomst, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft, in aanmerking worden genomen. Daarbij moet worden uitgegaan van de datum waarop de overeenkomst is gesloten. Irrelevant voor deze toets is de feitelijke toepassing en uitvoering van de bedingen, of een achteraf gegeven uitleg.\n\n2.6.. Op grond van de arresten van het Europese Hof van Justitie van 27 januari 2021, C-229\u002F19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia) en 8 december 2022, C-625\u002F21, ECLI:EU:C:2022:971 (Gupfinger) moet de kantonrechter, ook als [eiser] zich in de procedure niet beroept op een bepaald beding in de overeenkomst, maar op de wet, ambtshalve onderzoeken of het beding in de voorwaarden waarop zij zich had kunnen beroepen niet oneerlijk is in de zin van de richtlijn. Indien een beding als oneerlijk wordt aangemerkt, kan ingevolge deze arresten geen aanspraak meer worden gemaakt op de wettelijke regeling die zonder dat beding van toepassing zou zijn geweest en moet zijn vordering op dit punt worden afgewezen.\n\n2.7.. Over de specifieke contractuele grondslagen van de afzonderlijke onderdelen van de vordering heeft [eiser] zich in de dagvaarding niet uitgelaten. Daarmee wordt bedoeld de bedingen die ten grondslag (kunnen) liggen aan de afzonderlijke onderdelen van de facturen, waaronder de in rekening gebrachte kosten voor het ongeoorloofd langer gebruiken van de auto en de administratiekosten, maar ook de nevenvorderingen, zoals rente en incassokosten. [eiser] wordt opgedragen zich hierover bij akte uit te laten. Daarbij dient [eiser] een standpunt in te nemen over de (on)eerlijkheid van de bedingen die aan de afzonderlijke onderdelen van de vordering ten grondslag liggen of kunnen liggen.\n\n2.8.. \n [eiser] dient in de vorenbedoelde toelichting in het bijzonder in te gaan op artikel 6 lid 5 van de algemene voorwaarden, in combinatie met de omstandigheid dat de huurprijs niet in de huurovereenkomst staat.\n\n2.9.. De zaak wordt voor akte uitlating door [eiser] verwezen naar de rol.\n\n2.10.. \n [eiser] dient de akte tenminste twee weken voor de hierna te bepalen rolzitting ook aan [gedaagde] te sturen, met de mededeling dat [gedaagde] op die rolzitting daarop mag reageren dan wel uitstel kan vragen en hoe en wanneer [gedaagde] uiterlijk moet reageren. [eiser] wordt in dat kader verzocht om naast de akte ook de mededeling\u002Fbrief aan [gedaagde] in het geding te brengen. Wanneer niet kan worden vastgesteld dat de akte tijdig en\u002Fof met de juiste mededeling aan [gedaagde] is toegestuurd, wordt deze in beginsel buiten beschouwing gelaten.\n\n2.11.. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n3.1.. verwijst de zaak naar de rol van vrijdag 17 juli 2026 om 10.00 uurvoor akte uitlating door [eiser] ,\n\n3.2.. bepaalt dat [eiser] de akte aan [gedaagde] moet toesturen, overeenkomstig het bepaalde in overweging 2.10,\n\n3.3.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. C.W. Inden en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026.\n\n991","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6723","2026-07-13T00:29:03.121Z",{"id":79,"ecli":80,"slug":81,"caseNumber":54,"courtId":5,"decisionDate":82,"fullText":83,"summary":54,"language":7,"source":56,"sourceUrl":84,"sourceTimestamp":85,"parsedAt":59,"updatedAt":86},"1908","ECLI:NL:RBAMS:2026:6092","ecli-nl-rbams-2026-6092","2026-06-18T00:00:00.000Z","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F13\u002F783627 \u002F HA RK 26-55\n\nBeschikking van 18 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonende te [woonplaats],\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser],\n\nadvocaat: mr. M.A. Hupkes,\n\ntegen\n\n1. de vennootschap naar het recht van St. Vincent en de Grenadines KYRREX LTD,\n\ngevestigd te Kingstown, St. Vincent en de Grenadines, 2. de vennootschap naar Maltees recht REAL EXCHANGE (REX) LTD,\n\ngevestigd te Saint Julian, Malta,\n\nverwerende partijen,\n\nhierna te noemen Kyrrex Ltd en Rex Ltd,\n\nniet verschenen.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift, binnengekomen ter griffie op 19 februari 2026.\n\n1.2.. Er heeft geen mondelinge behandeling plaatsgevonden, omdat Kyrrex Ltd en Rex Ltd niet hebben gereageerd op het verzoek van de rechtbank te laten weten of zij gehoord wensen te worden op het verzoek van [eiser].\n\n1.3.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [eiser] is in de periode juni tot en met augustus 2025 slachtoffer geworden van online beleggingsfraude via het platform Horizons28. Nadat hij zich via de website van dat platform had aangemeld, is hij benaderd door personen die zich voordeden als medewerkers van Horizons28 en hem hebben bewogen aanzienlijke bedragen te investeren. Daarbij heeft [eiser] in totaal meer dan € 650.000,- overgemaakt ten behoeve van de aanschaf van cryptovaluta, die vervolgens naar door de fraudeurs aangewezen blockchainadressen zijn verzonden.\n\n2.2.. Toen [eiser] in augustus 2025 een deel van zijn vermeende belegging wilde opnemen, bleek dat niet mogelijk. Hij heeft daarop op 4 september 2025 aangifte gedaan van fraude.\n\n2.3.. \n [eiser] heeft vervolgens onderzoek laten verrichten naar de bestemming van de door hem verzonden cryptovaluta. Uit dat onderzoek blijkt volgens [eiser] dat een aanzienlijk deel van de cryptovaluta uiteindelijk terecht is gekomen op depositadressen die via een zogenoemde nested service-constructie zijn te herleiden tot het platform van Kyrrex, dat volgens [eiser] gezamenlijk door Kyrrex Ltd en Rex Ltd wordt geëxploiteerd.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. \n [eiser] verzoekt de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Kyrrex Ltd en Rex Ltd te bevelen binnen veertien dagen na de te geven beschikking in digitale vorm inzake het account dat is gekoppeld aan de volgende depositadressen:\n\n [depositiadres 1]\n\n [depositiadres 2]\n\n [depositiadres 3]\n\n [depositiadres 4]\n\n [depositiadres 5]\n\n [depositiadres 6]\n\n [depositiadres 7]\n\nalsmede de volgende transactiecodes:\n\n [transactiecode 1]\n\n [transactiecode 2]\n\n [transactiecode 3]\n\n [transactiecode 4]\n\n [transactiecode 5]\n\n [transactiecode 6]\n\n [transactiecode 7]\n\nde bij hen bekende identificerende gegevens te verstrekken, te weten:\n\n- de volledige voornamen en achternaam; - de geboortedatum; - het laatst bekende woonadres; - het bij de ‘onboarding’ gebruikte identiteitsbewijs;\n\n- de gezichtsscan en\u002Fof foto;\n\n- het IP-adres van het gebruikte apparaat;\n\n- telefoonnummer en emailadres;\n\nalsmede de mutatieoverzichten te verstrekken over de periode van 26 juni 2025 (de dag van de eerste overboeking naar de fraudeurs) tot en met de dag van de te geven beschikking.3.2.. Daarnaast verzoekt [eiser] de rechtbank te bepalen dat Kyrrex Ltd en Rex Ltd een dwangsom verschuldigd zijn van € 50.000,- indien niet binnen de termijn aan het bevel wordt voldaan, vermeerderd met € 50.000,- per dag zolang de overtreding voortduurt, met een maximum van € 500.000,-. Tot slot vraagt [eiser] de rechtbank om Kyrrex Ltd en Rex Ltd te veroordelen in de proceskosten.\n\n3.3.. Aan zijn verzoek legt [eiser] ten grondslag dat hij de gevraagde gegevens nodig heeft om zijn rechtspositie te kunnen bepalen en om te beoordelen of hij een civielrechtelijke procedure (op grond van onrechtmatige daad) kan instellen tegen de personen of entiteiten die de uit fraude afkomstige cryptovaluta hebben ontvangen, dan wel tegen Kyrrex Ltd en Rex Ltd zelf.\n\n4. De beoordeling\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\n4.1.. \n [eiser] woont in Nederland. Kyrrex Ltd is gevestigd in Saint Vincent en de Grenadines en Rex Ltd in Malta. De zaak heeft daarom een internationaal karakter. De rechtbank zal (ambtshalve) beoordelen of haar rechtsmacht toekomt en welk recht van toepassing is.4.2.. Op grond van artikel 3 sub a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de rechtbank rechtsmacht om kennis te nemen van het verzoek van [eiser] tegen Kyrrex Ltd.\n\n4.3.. De rechtsmacht ten aanzien van Rex Ltd moet worden beoordeeld aan de hand van Brussel I-bis, nu het geschil zowel formeel, materieel als temporeel onder het toepassingsgebied van die verordening valt. Rex Ltd is gevestigd in Malta. De aan het verzoek ten grondslag gelegde voorgenomen vordering betreft een vordering uit onrechtmatige daad. [eiser] stelt (onweersproken) dat de schade zich in Nederland heeft voorgedaan. Op grond van artikel 7 lid 2 Brussel I-bis is de Nederlandse rechter daarom bevoegd.\n\n4.4.. Het verzoek is gebaseerd op artikel 196 Rv. Dit betreft formeel procesrecht. Op grond van artikel 10:3 BW is Nederlands recht van toepassing.\n\nHet verzoek\n\n4.5.. Voordat een procedure aanhangig is, kan een belanghebbende de rechter verzoeken om inzage in, afschrift van of een uittreksel van gegevens (zie artikel 196 Rv). Het verzoekschrift voorlopige bewijsverrichtingen moet op grond van artikel 197 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) inhouden:\n\na. een kernachtige omschrijving van het geschil of de gebeurtenis waarop het verzoek betrekking heeft en de gronden van het verzoek,\n\nb. de aard en het beloop van de vordering,\n\nc. de naam en woonplaats van de wederpartij of de redenen waarom de wederpartij onbekend is.\n\n4.6.. \n [eiser] heeft aan de formele eisen van het verzoekschrift voldaan. Op grond van artikel 196 lid 2 Rv moet de rechtbank het verzoek toewijzen, tenzij zij van oordeel is dat:\n\n- de informatie die wordt verlangd, niet voldoende is bepaald\n\n- er onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat\n\n- het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde\n\n- er sprake is van misbruik van bevoegdheid of\n\n- als er andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting.\n\n4.7.. Omdat Kyrrex Ltd en Rex Ltd niet zijn verschenen, is geen beroep gedaan op één van voornoemde afwijzingsgronden. Dat betekent dat de rechtbank alleen kan toetsen of het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde (zie Parl. Gesch. Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht 2024\u002FII.33.5\u002FNota naar aanleiding van het Verslag, waarin wordt verwezen naar ECLI:NL:HR:2006:AX7774). Daarvan is geen sprake.\n\n4.8.. Op het verzoek om inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens zijn op grond van artikel 204 Rv, de artikelen 194 Rv, 195 en 195a Rv van overeenkomstige toepassing. In deze artikelen is geregeld dat een partij bij een rechtsbetrekking tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking recht op inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens heeft als zij daarbij voldoende belang heeft. Degene die over de gegevens beschikt, ook als dit een derde is die geen partij is bij de rechtsbetrekking waarop de gegevens betrekking hebben, is verplicht daarvan inzage, afschrift of uittreksel te verstrekken, tenzij hem een verschoningsrecht toekomt of gewichtige redenen zich daartegen verzetten.\n\n4.9.. \n [eiser] heeft onweersproken gesteld dat aan deze vereisten is voldaan. Gezien het voorgaande zal het verzoek om afgifte van de verzochte gegevens worden toegewezen voor zover dat betrekking heeft op informatie waarover Kyrrex Ltd en Rex Ltd zelf beschikken. Conform artikel 194 Rv moet [eiser] de kosten van Kyrrex Ltd en Rex Ltd dragen die voor de verstrekking moeten worden gemaakt.\n\nDwangsom\n\n4.10.. \n [eiser] heeft de rechtbank verzocht te bepalen dat Kyrrex Ltd en Rex Ltd bij gebrek aan tijdige of volledige nakoming van het bevel tot inzage\u002Fafschrift van de gevraagde gegevens een dwangsom verbeuren van € 50.000,- per dag zolang de overtreding voortduurt, met een maximum van € 500.000,-.\n\n4.11.. De rechtbank ziet gelet op de aard van de gevorderde inzage, het belang van [eiser] bij tijdige verkrijging van de gevraagde gegevens, het uitblijven van enig verweer van Kyrrex Ltd en Rex Ltd en de noodzaak de nakoming van het bevel voldoende te waarborgen, aanleiding de gevorderde dwangsom toe te wijzen. De rechtbank acht de hoogte van de gevorderde dwangsom, mede gelet op de ernst van de gestelde feiten en de hoogte van de vermeende schade, gerechtvaardigd.\n\nProceskosten\n\n4.12.. Nu het verzoek wordt toegewezen, zal de rechtbank Kyrrex Ltd en Rex Ltd, zoals verzocht, veroordelen in de proceskosten (inclusief nakosten). De proceskosten (inclusief nakosten) van [eiser] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n714,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n653,00\n\n(1 punt × € 653,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.556,00\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n5.1.. wijst het verzoek toe en beveelt Kyrrex Ltd en Rex Ltd inzake het account dat is gekoppeld aan de volgende depositadressen:\n\n [depositiadres 1]\n\n [depositiadres 2]\n\n [depositiadres 3]\n\n [depositiadres 4]\n\n [depositiadres 5]\n\n [depositiadres 6]\n\n [depositiadres 7]\n\nalsmede de volgende transactiecodes:\n\n [transactiecode 1]\n\n [transactiecode 2]\n\n [transactiecode 3]\n\n [transactiecode 4]\n\n [transactiecode 5]\n\n [transactiecode 6]\n\n [transactiecode 7]\n\nde bij haar bekende identificerende gegevens te verstrekken, te weten:\n\n- de volledige voornamen en achternaam; - de geboortedatum; - het laatst bekende woonadres; - het bij de ‘onboarding’ gebruikte identiteitsbewijs;\n\n- de gezichtsscan en\u002Fof foto;\n\n- het IP-adres van het gebruikte apparaat;\n\n- telefoonnummer en emailadres;\n\nalsmede de mutatieoverzichten te verstrekken over de periode van 26 juni 2025 (de dag van de eerste overboeking naar de fraudeurs) tot en met de dag van deze beschikking;\n\n5.2.. bepaalt dat het verstrekken van inzage in en afschrift van de gegevens moet plaatsvinden uiterlijk 15 dagen na betekening van deze beschikking in een digitaal en doorzoekbaar formaat;\n\n5.3.. veroordeelt Kyrrex Ltd en Rex Ltd tot betaling van een dwangsom van € 50.000,- voor iedere dag dat zij vanaf 15 dagen na betekening van deze beschikking niet aan het bevel in 5.1. voldoen, tot een maximum van € 500.000,- is bereikt;\n\n5.4.. bepaalt dat [eiser] aan Kyrrex Ltd en Rex Ltd de kosten zal vergoeden die zij eventueel moeten maken voor het verstrekken van de afschriften, binnen twee weken nadat Kyrrex Ltd en Rex Ltd, onderbouwd met stukken, aan [eiser] opgave van die kosten heeft gedaan;\n\n5.5.. veroordeelt Kyrrex Ltd en Rex Ltd hoofdelijk in de proceskosten van € 1.556,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Kyrrex Ltd en Rex Ltd niet tijdig aan deze proceskostenveroordeling voldoen en de beschikking daarna wordt betekend,\n\n5.6.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. M.E.M James-Pater, rechter, bijgestaan door mr. S.D. Gerick, griffier en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.\n\nde Verordening (EU) nr. 1215\u002F2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Brussel I-bis)","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6092","2026-06-15T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:44.919Z",{"id":88,"ecli":89,"slug":90,"caseNumber":54,"courtId":5,"decisionDate":91,"fullText":92,"summary":54,"language":7,"source":56,"sourceUrl":93,"sourceTimestamp":68,"parsedAt":59,"updatedAt":94},"1081","ECLI:NL:RBAMS:2026:6722","ecli-nl-rbams-2026-6722","2026-06-16T00:00:00.000Z","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZaaknummer: 11088217 \\ CV EXPL 24-4296\n\nVonnis van 16 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\n [eiser] B.V.,\n\nhandelend onder de naam [bedrijf],\n\ngevestigd te [vestigingsplaats],\n\neisende partij,\n\ngemachtigde: BvCM Collections B.V.,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nwonende te [woonplaats],\n\ngedaagde partij,\n\nniet verschenen.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 17 april 2024, met producties,\n\n- het tegen gedaagde partij verleende verstek.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De beoordeling\n\n2.1.. \n\nEisende partij stelt dat partijen op 5 november 2022 een overeenkomst hebben gesloten met betrekking tot het stallen van een boot, met een looptijd van 12 maanden.\n\nOp de overeenkomst zijn stallingsvoorwaarden van eisende partij van toepassing. De overeenkomst is gesloten in de verkoopruimte van eisende partij en eisende partij stelt te hebben voldaan aan de informatieplichten van artikel 6:230l van het Burgerlijk Wetboek (BW).\n\n2.2.. Eisende partij vordert veroordeling van gedaagde partij tot betaling van € 520,19 aan hoofdsom, vermeerderd met rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten.\n\n2.3.. De overeenkomst die aan de vordering ten grondslag is gelegd is gesloten tussen een handelaar en een consument. De kantonrechter moet in dat geval ambtshalve toetsen aan het consumentenrecht. Onderzocht moet worden of de informatieplichten zijn nageleefd. Daarnaast moet de overeenkomst worden getoetst aan Richtlijn 93\u002F13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).\n\n2.4.. Eisende partij baseert haar vordering op de met gedaagde partij overgelegde overeenkomst en daarop van toepassing verklaarde algemene voorwaarden. Hierin staat echter geen prijs vermeld. Weliswaar volgt uit artikel 14 van de algemene voorwaarden dat de prijs wordt berekend aan de hand van de grootte van de boot, maar welke prijs daaruit voortvloeit of wat de grootte van de boot doet met welke prijs, blijkt daar verder niet uit.\n\n2.5.. Eisende partij heeft zich op dit moment niet (voldoende) uitgelaten over de transparantie van het prijsbeding (artikel 4 lid 2 van de richtlijn). Voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst heeft gedaagde partij kennis moeten kunnen nemen van de kosten daarvan, in lijn van het arrest van het Europese Hof van 12 januari 2023 (ECLI:EU:C:2023:14). Uit voornoemd arrest volgt dat de handelaar de consument, vóórdat de overeenkomst wordt gesloten, informatie moet verstrekken die hem in staat stelt om bij benadering de totale kosten van de diensten te ramen. Anders gezegd, gedaagde partij moet voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst hebben kunnen voorzien dat de opdracht (ongeveer) zoveel zou gaan kosten als uit de factuur blijkt. Als voor het sluiten van de overeenkomst over de prijs geen of onvoldoende informatie is verstrekt, zal het prijsbeding op oneerlijkheid in de zin van de richtlijn moeten worden getoetst. Eisende partij krijgt de gelegenheid zich hierover bij akte (nader) uit te laten, waarbij zij ook zal moeten betrekken wat is overwogen in overweging 2.4.\n\n2.6.. Als niet kan worden vastgesteld dat de (bij benadering te verwachten) prijs voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst aan gedaagde partij kenbaar is gemaakt, dan is het prijsbeding niet transparant en hoogstwaarschijnlijk ook oneerlijk. Eisende partij zal dus voldoende gemotiveerd en onderbouwd moeten stellen dat gedaagde partij wist tegen welke prijs hij zijn boot zou stallen.\n\n2.7.. Verder moet beoordeeld worden welke bedingen aan de vordering ten grondslag zijn of kunnen worden gelegd. Deze bedingen moeten namelijk worden getoetst op oneerlijkheid. Op grond van de arresten van het Europese Hof van Justitie van 27 januari 2021, C-229\u002F19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia) en 8 december 2022, C-625\u002F21, ECLI:EU:C:2022:971 (Gupfinger) moet de kantonrechter immers, ook als eisende partij zich in de procedure niet beroept op een bepaald beding in de overeenkomst, maar op de wet, ambtshalve onderzoeken of het beding in de voorwaarden waarop zij zich had kunnen beroepen niet oneerlijk is in de zin van de richtlijn. Indien een beding als oneerlijk wordt aangemerkt, kan ingevolge deze arresten geen aanspraak meer worden gemaakt op de wettelijke regeling die zonder dat beding van toepassing zou zijn geweest en moet haar vordering op dit punt worden afgewezen.\n\n2.8.. Uit de facturen leidt de kantonrechter af dat eisende partij haar prijzen heeft verhoogd. In het jaar 2022 wordt immers voor een jaar stalling een bedrag van € 199,69 gefactureerd en in het jaar 2023 is dat een bedrag van € 213,00. De bevoegdheid om de prijzen te verhogen ontleent eisende partij aan het prijswijzigingsbeding in artikel 14.3 van de algemene voorwaarden. Dat artikel luidt:\n\n14.3.. Het is [bedrijf] toegestaan om de stallingsprijzen jaarlijks te wijzigen c.q. te verhogen volgens het Prijsindexcijfer van gezinsconsumptie van het Centraal Bureau voor de Statistiek van het voorafgaande jaar, dan wel volgens een naar eigen inzicht van [bedrijf] te bepalen berekening. Van een dergelijke wijziging zal [bedrijf] 2 weken voorafgaand aan een nieuw kalenderjaar via de website stallingnemers informeren. Indien de stallingnemer niet akkoord gaat met een prijsverhoging, dan kan de stallingnemer voor de inwerkingtreding van de nieuwe overeenkomst de overeenkomst schriftelijk opzeggen.\n\n2.9.. Het hiervoor geciteerde prijswijzigingsbeding wordt als oneerlijk aangemerkt, omdat het eisende partij de bevoegdheid geeft om de prijzen jaarlijks naar eigen inzichten te wijzigen, zonder dat hiervoor een geldige reden in het beding staat. Weliswaar wordt verwezen naar de CPI, maar nu eisende partij zichzelf de bevoegdheid heeft gegeven om in plaats daarvan zelf een berekening te bepalen voor het wijzigen van de prijs, zijn eventuele prijswijzigingen niet voorzienbaar of inzichtelijk voor de stallingnemers. Bovendien worden stallingnemers niet geïnformeerd over eventuele prijswijzigingen, nu het beding bepaalt dat die uitsluitend kenbaar worden gemaakt op de website.\n\n2.10.. Verder doet eisende partij een beroep, althans zou zij een beroep kunnen doen op een beding met betrekking tot rente (artikel 11.7 van de algemene voorwaarden) en bedingen met betrekking tot buitengerechtelijke en gerechtelijke kosten (artikel 11.8 van de algemene voorwaarden). Deze bedingen luiden als volgt.\n\n11.7.. Bij overschrijding van de betalingstermijn is de stallingnemer onmiddellijk en van rechtswege in verzuim. Alsdan is de stallingnemer aan [bedrijf] vanaf de vervaldag wettelijke rente, vermeerderd met 2% contractuele rente over de hoofdsom, verschuldigd.\n\n11.8.. Alle kosten van invordering zowel gerechtelijk als buitengerechtelijk, komen ten laste van de stallingnemer. De buitengerechtelijke incassokosten worden vastgesteld op 15% van de hoofdsom over de eerste € 2.500,-, op 10% van de hoofdsom over de volgende € 2.500,- en op 5% van de hoofdsom over de volgende € 5.000,- met een minimum van € 40,-.\n\n2.11.. Nu de bedingen in deze bepalingen geen zodanig verband met elkaar hebben dat zij niet van elkaar kunnen worden gescheiden zonder de inhoud van de bedingen te herzien, worden deze afzonderlijk getoetst. Alle hiervoor aangehaalde bedingen worden als oneerlijk aangemerkt.\n\n2.12.. Hoewel een bepaalde opslag op de wettelijke rente een rentebeding niet per definitie oneerlijk maakt, wordt het onderhavige rentebeding in artikel 11.7 wel als oneerlijk aangemerkt. Het rentebeding maakt namelijk niet duidelijk per welke periode de opslag van 2% bovenop de wettelijke rente geldt. Daar zijn verschillende lezingen over mogelijk. Als 2% per dag, per week of per maand in rekening wordt gebracht, is het een onevenredig hoge schadevergoeding. Nu het beding dat niet duidelijk maakt en daardoor voor meerdere uitleggen vatbaar is – ook een uitleg die een te groot nadeel voor de consument teweeg kan brengen – is het beding oneerlijk.\n\n2.13.. Het beding met betrekking tot buitengerechtelijke incassokosten wijkt ten nadele af van de wettelijke regeling, omdat geen vruchteloze aanmaning in de zin van artikel 6:96 lid 6 BW wordt vereist en deze kosten dus direct verschuldigd worden na het overtreden van een betalingstermijn. Daarmee wordt ten nadele van de consument afgeweken van de wettelijke regeling, die van dwingend recht is. Als wordt afgeweken van dwingend recht, levert dat oneerlijkheid op (zie ECLI:NL:HR:2023:198).\n\n2.14.. Het beding over gerechtelijke kosten geeft eisende partij de mogelijkheid om alle door haar gemaakte kosten in rechte bij de consument in rekening te brengen. Dus ook de volledige kosten van bijvoorbeeld een advocaat. Dat is normaal gesproken slechts het geval wanneer sprake is van misbruik van recht of onrechtmatig handelen. Het beding is daarom oneerlijk, zoals ook door de Hoge Raad is bevestigd (ECLI:NL:HR:2025:820). Ondanks dat de Hoge Raad in het aangehaalde arrest de vraag over de gevolgen daarvan op zijn beurt heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, is de kantonrechter voornemens de proceskosten af te wijzen, gelet op artikel 6 lid 1 van Richtlijn 93\u002F13\u002FEG en de vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie over de ‘terugvalleer’ (o.a. ECLI:EU:C:2021:68 en ECLI:EU:C:2022:971).\n\n2.15.. Voordat de kantonrechter de hiervoor besproken bedingen die als oneerlijk zijn aangemerkt buiten toepassing laat, mag eisende partij zich over de oneerlijkheid en de gevolgen daarvan uitlaten.\n\n2.16.. De zaak wordt voor akte uitlating eisende partij verwezen naar de rol. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n3.1.. verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 14 juli 2026 om 10.00 uurvoor akte uitlating eisende partij,\n\n3.2.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. C.W. Inden en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.\n\n991","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6722","2026-07-13T00:29:03.087Z",{"id":96,"ecli":97,"slug":98,"caseNumber":54,"courtId":5,"decisionDate":99,"fullText":100,"summary":54,"language":7,"source":56,"sourceUrl":101,"sourceTimestamp":68,"parsedAt":59,"updatedAt":102},"993","ECLI:NL:RBAMS:2026:6700","ecli-nl-rbams-2026-6700","2026-05-26T00:00:00.000Z","RECHTBANKAMSTERDAM\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZaaknummer: 11948366 \\ CV EXPL 25-15047\n\nVonnis van 26 mei 2026\n\nin de zaak van\n\nQ-PARK OPERATIONS NETHERLANDS B.V.,\n\nte Maastricht,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: Q-Park,\n\ngemachtigde: mr. C.F.P.M. Spreksel,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nte [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nprocederend in persoon.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 28 oktober 2025, met producties\n\n- het proces-verbaal van het mondelinge antwoord,\n\n- het tussenvonnis van 25 november 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald.\n\n1.2.. De mondelinge behandeling vond plaats op 13 april 2026. Namens de gemachtigde van Q-Park waren aanwezig [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]. [gedaagde] is ook verschenen. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [gedaagde] heeft op 9 augustus 2025 geparkeerd op parkeeraccommodatie Emmen- Wildlands. Zij is zonder te betalen direct achter een voorganger onder de slagboom doorgereden.\n\n2.2.. Q-Park heeft [gedaagde] op 21 augustus 2025 aangeschreven om aan Q-Park te betalen het verschuldigde parkeergeld van € 10,45 en een schadevergoeding van € 382,41. [gedaagde] heeft dit bedrag niet betaald.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. Q-Park vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 451,79, vermeerderd met rente en kosten.\n\n3.2.. Q-Park legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] op 9 augustus 2025 treintje heeft gereden en dat zij daarom op grond van de algemene voorwaarden het parkeergeld en een schadevergoeding verschuldigd. Omdat zij deze bedragen niet heeft betaald, moet [gedaagde] ook de wettelijke rente hierover en de gemaakte buitengerechtelijke kosten betalen.\n\n3.3.. Volgens Q-Park is het bedrag aan parkeergeld berekend aan de hand van het parkeertarief per uur in de betreffende parkeergarage, uitgaande van het tijdstip waarop het voertuig is binnen gereden en het tijdstip van de gedraging. De schadevergoeding is gebaseerd op de schade die Q-Park lijdt wanneer parkeerders treintje rijden, onder andere vanwege omzetderving, gemaakte kosten, uitgevoerde werkzaamheden, gedane en toekomstige investeringen en het inschakelen van derden. In veel gevallen is ook schade toegebracht aan de slagboom, aldus Q-Park.\n\n3.4.. \n [gedaagde] voert verweer. Zij voert aan dat zij contant wilde betalen bij de parkeerautomaat maar dat dit niet mogelijk was. Zij is vervolgens naar de slagboom gereden in de hoop daar een medewerker tegen te komen. Die was er niet, en bij de hulpknop kreeg zij een ingesprektoon. [gedaagde] had een zieke dochter op de achterbank en gefrustreerde automobilisten achter zich, zodat zij uiteindelijk in paniek besloot achter iemand anders aan het parkeerterrein af te rijden. Zij vindt het onterecht dat het bedrag verhoogd wordt, aangezien zij wel heeft geprobeerd te betalen. Bovendien vindt zij de schadevergoeding erg hoog en kan zij het gevorderde bedrag niet in een keer betalen.\n\n3.5.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nAmbtshalve toetsing\n\n4.1.. De overeenkomst waarop Q-Park zich beroept, is gesloten met een consument. In dat geval moet de kantonrechter ambtshalve onderzoeken of Q-Park de informatieplichten ten tijde van het sluiten van de overeenkomst heeft nageleefd.\n\n4.2.. De overeenkomst is tot stand is gekomen binnen de verkoopruimte. Q-Park heeft voldoende onderbouwd gesteld dat zij voldaan heeft aan de informatieplichten die zij heeft op grond van artikel 6:230l BW.4.3.. De kantonrechter moet ook uit eigen beweging beoordelen of de bedingen in de overeenkomst en de algemene voorwaarden oneerlijk zijn in de zin van Richtlijn 93\u002F13\u002FEEG (de richtlijn oneerlijke bedingen, hierna: de richtlijn). Zoals al eerder is geoordeeld, worden de voor de beoordeling van de vordering van belang zijnde bedingen in de algemene voorwaarden (versie 02.2025) niet oneerlijk bevonden (zie bijvoorbeeld het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 11 december 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:10294).\n\nBeoordeling van de vordering\n\n4.4.. \n [gedaagde] betwist niet dat zij treintje heeft gereden. Treintje rijden is volgens de algemene voorwaarden niet toegestaan en Q-Park kan dan op grond van de overeenkomst en de algemene voorwaarden het verschuldigd parkeergeld en een schadevergoeding vorderen.\n\n4.5.. Hoewel de kantonechter begrip kan opbrengen voor de omstandigheden waarin [gedaagde] zich volgens haar zeggen bevond, rechtvaardigt dit nog niet de keus van [gedaagde] om de parkeerplaats te verlaten door middel van treintje rijden. Q-Park heeft uitgelegd dat dit voor kosten, overlast en ongemak zorgt. Bovendien treft zij maatregelen om te voorkomen dat treintje rijden nodig is. Zo is er zowel bij de parkeerautomaat als bij de uitrijterminal de mogelijkheid om contact te zoeken met de klantenservice van Q-Park, die 24 uur per dag bereikbaar is. Als de hulpknop bezet is, staat op de informatieborden ook het telefoonnummer van Q-Park. Onbetwist is gebleven dat uit het logsysteem van Q-Park blijkt dat de klantenservice rondom het tijdstip van uitrijden door [gedaagde] bereikbaar was. Ook heeft Q-Park onweersproken gesteld dat uit deze loggegevens niet kan worden opgemaakt dat [gedaagde] contact heeft gezocht met de klantenservice. Daarnaast heeft Q-Park tijdens de zitting verklaard dat gebruikers ook nog binnen drie dagen na het treintje rijden contact kunnen opnemen met Q-Park om de gedraging te corrigeren. Ook dit heeft [gedaagde] niet gedaan.\n\n4.6.. \n [gedaagde] heeft nog de hoogte van de schadevergoeding betwist. Maar deze enkele betwisting is, zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, onvoldoende. Gelet op wat Q-Park heeft gesteld, is de kantonrechter van oordeel dat de hoogte van de schadevergoeding in redelijke verhouding staat tot de (te verwachten) schade door de gedraging waarop de vergoeding is gebaseerd.\n\n4.7.. Verder lijkt [gedaagde] de kantonrechter nog te verzoeken, gezien haar financiële situatie, de schadevergoeding te matigen. De in artikel 6:94 lid 1 BW opgenomen maatstaf dat voor matiging slechts reden kan zijn als de billijkheid dit klaarblijkelijk eist, brengt mee dat de rechter pas van zijn bevoegdheid tot matiging gebruik mag maken als de toepassing van een beding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt en noopt de rechter aldus tot terughoudendheid. Er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden die maken dat inroeping van het beding tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Met de enkele stelling dat [gedaagde] niet de financiële middelen heeft om de hele vordering te voldoen, heeft zij onvoldoende bijzondere omstandigheden aangevoerd om het beroep op matiging te honoreren.\n\n4.8.. De kantonrechter gaat dan ook voorbij aan het verweer van [gedaagde] . Dit betekent dat de vorderingen van Q-Park tot betaling van het verschuldigd parkeergeld van € 10,45 en de schadevergoeding van € 382,41 toewijsbaar zijn. Omdat [gedaagde] deze bedragen niet op tijd heeft betaald en zij de hoogte hiervan niet heeft betwist, is ook de gevorderde wettelijke rente over deze bedragen toewijsbaar vanaf de datum van de gedraging (9 augustus 2025).\n\n4.9.. Q-Park vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Q-Park heeft aan [gedaagde] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Daarom zal een bedrag van € 58,93 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen. Omdat Q-Park niet heeft gesteld dat de schade (de buitengerechtelijke incassokosten) al eerder dan op de datum van de dagvaarding is geleden, zal de gevorderde rente worden toegewezen vanaf de dag van dagvaarding.\n\n4.10.. \n [gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Q-Park worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n120,78\n\n- griffierecht\n\n€\n\n135,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n174,00\n\n(2 punten × € 87,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n43,50\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n473,28\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. veroordeelt [gedaagde] om aan Q-Park te betalen een bedrag van € 392,86, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 9 augustus 2025, tot de dag van volledige betaling,\n\n5.2.. veroordeelt [gedaagde] om aan Q-Park te betalen een bedrag van € 58,93 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,\n\n5.3.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 473,28, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.4.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.5.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. B.T. Beuving en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.\n\n57327","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6700","2026-07-13T00:28:57.967Z",{"id":104,"ecli":105,"slug":106,"caseNumber":54,"courtId":5,"decisionDate":99,"fullText":107,"summary":54,"language":7,"source":56,"sourceUrl":108,"sourceTimestamp":68,"parsedAt":59,"updatedAt":109},"996","ECLI:NL:RBAMS:2026:6702","ecli-nl-rbams-2026-6702","RECHTBANKAMSTERDAM\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZaaknummer: 11859401 \\ CV EXPL 25-11923\n\nVonnis van 26 mei 2026\n\nin de zaak van\n\nQ-PARK OPERATIONS NETHERLANDS B.V.,\n\nte Maastricht,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: Q-Park,\n\ngemachtigde: mr. C.F.P.M. Spreksel,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nte [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nprocederend in persoon.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 26 augustus 2025, met producties\n\n- de conclusie van antwoord, met producties\n\n- de e-mail van [gedaagde] van 2 september 2025\n\n- het tussenvonnis van 23 september 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald\n\n- de akte van Q-Park van 1 december 2025, met een productie\n\n- de akte van Q-Park van 28 januari 2026, met producties.\n\n1.2.. De mondelinge behandeling vond plaats op 13 april 2026. Namens de gemachtigde van Q-Park is verschenen [gemachtigde]. [gedaagde] is niet verschenen, hoewel zij wel voor de mondelinge behandeling was opgeroepen. Q-Park heeft haar standpunt nader toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.\n\n2. Het geschil\n\n2.1.. Q-Park vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 517,97, vermeerderd met rente en kosten. [gedaagde] heeft op 20 juni 2025 treintje gereden bij parkeeraccomodatie Amsterdam-Byzantium en is daarom op grond van de algemene voorwaarden het parkeergeld van € 68,00 en een schadevergoeding van € 382,41 verschuldigd.\n\n2.2.. \n [gedaagde] voert verweer. Zij heeft inmiddels de hoofdsom voldaan, maar wil niet de bijkomende kosten betalen. Deze zijn onterecht omdat de dagvaarding onjuist is betekend en omdat [gedaagde] voor de behandeling van de zaak de vordering volledig heeft voldaan.\n\n2.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n3. De beoordeling\n\nAmbtshalve toetsing\n\n3.1.. De overeenkomst waarop Q-Park zich beroept, is gesloten met een consument. In dat geval moet de kantonrechter ambtshalve onderzoeken of Q-Park heeft voldaan aan bepaalde consumentrechtelijke regels. Dit geldt ook als (een deel van) de hoofdsom al is betaald.\n\n3.2.. De overeenkomst is tot stand is gekomen binnen de verkoopruimte. Eisende partij heeft voldoende onderbouwd gesteld dat zij voldaan heeft aan de informatieplichten die zij heeft op grond van artikel 6:230l BW.3.3.. De kantonrechter moet ook uit eigen beweging beoordelen of de bedingen in de overeenkomst en de algemene voorwaarden, waarop Q-Park haar vorderingen baseert of kan baseren, oneerlijk zijn in de zin van Richtlijn 93\u002F13\u002FEEG (de richtlijn oneerlijke bedingen, hierna: de richtlijn). Zoals al eerder is geoordeeld, worden de voor de beoordeling van de vordering van belang zijnde bedingen in de algemene voorwaarden (versie 02.2025) niet oneerlijk bevonden (zie bijvoorbeeld het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 11 december 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:10294).\n\n3.4.. Q-Park heeft ook buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. Die vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Omdat [gedaagde] een consument is, moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Q-Park heeft aan [gedaagde] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Daarom heeft Q-Park terecht een bedrag van € 67,56 in rekening gebracht.\n\nDagvaarding\n\n3.5.. Q-Park heeft verklaard dat de deurwaarder de Basisregistratie Personen (BRP) op 21 augustus 2025 heeft geraadpleegd en dat daaruit bleek dat [gedaagde] op die datum ingeschreven stond op het adres waarop zij is gedagvaard. De deurwaarder heeft verklaard dat deze inzage zeven dagen geldig is. De deurwaarder heeft de dagvaarding binnen die zeven dagen betekend aan [gedaagde] . De kantonrechter oordeelt dan ook dat de dagvaarding van 26 augustus 2025 rechtsgeldig is betekend aan [gedaagde] .\n\nBeoordeling van de vordering\n\n3.6.. Tijdens de zitting heeft Q-Park aangegeven dat [gedaagde] op 30 augustus 2025 een bedrag van € 517,97 heeft betaald. Wat resteert, is de door Q-Park gevorderde wettelijke rente over dit bedrag. Onweersproken is gebleven dat Q-Park [gedaagde] op 24 juni 2025 kosteloos heeft aangemaand om de vordering te voldoen en vervolgens op 10 juli 2025 nogmaals heeft aangeschreven om de vordering, dit keer inclusief de incassokosten, te voldoen. Omdat [gedaagde] het bedrag pas heeft betaald na het verstrijken van de in die brieven genoemde termijnen, moet zij de wettelijke rente betalen over een bedrag van € 450,41 (het parkeergeld en de schadevergoeding) vanaf 20 juni 2025, de datum van de gedraging, tot 30 augustus 2025, de dag dat zij het bedrag volledig heeft voldaan. Q-Park vordert de wettelijke rente ook over de buitengerechtelijke incassokosten. Deze is alleen toewijsbaar vanaf de dag van dagvaarding, omdat Q-Park niet heeft gesteld dat de schade (de buitengerechtelijke incassokosten) al eerder dan op de datum van de dagvaarding is geleden.\n\n3.7.. Tot slot vordert Q-Park dat [gedaagde] wordt veroordeeld in de proceskosten. Onweersproken is gebleven dat Q-Park [gedaagde] verschillende keren heeft aangeschreven om de vordering te voldoen. Omdat [gedaagde] het bedrag na deze brieven niet heeft betaald, had Q-Park het recht om betaling in een gerechtelijke procedure te vorderen. Hiervoor heeft Q-Park kosten moeten maken. Omdat [gedaagde] pas na het uitbrengen van de dagvaarding heeft betaald, komen deze kosten voor haar rekening. Deze kosten worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n120,78\n\n- griffierecht\n\n€\n\n340,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n288,00\n\n(2 punten × € 144,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n72,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n820,78\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n4.1.. veroordeelt [gedaagde] om aan Q-Park te betalen de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 450,41, met ingang van 20 juni 2025 tot 30 augustus 2025, en de wettelijke rente over een bedrag van € 67,56 met ingang van 26 augustus 2025 tot 30 augustus 2025,\n\n4.2.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 820,78, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n4.3.. wijst het meer of anders gevorderde af,\n\n4.4.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. B.T. Beuving en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.\n\n57327","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6702","2026-07-13T00:28:58.084Z",{"id":111,"ecli":112,"slug":113,"caseNumber":54,"courtId":5,"decisionDate":114,"fullText":115,"summary":54,"language":7,"source":56,"sourceUrl":116,"sourceTimestamp":117,"parsedAt":59,"updatedAt":118},"1026","ECLI:NL:RBAMS:2026:4759","ecli-nl-rbams-2026-4759","2026-05-15T00:00:00.000Z","RECHTBANKAMSTERDAM\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZaaknummer: 11910381 \\ CV EXPL 25-13604\n\nVonnis van 15 mei 2026\n\nin de zaak van\n\nAMVEST RCF CUSTODIAN B.V.,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: Amvest,\n\ngemachtigde: Ultimoo Incasso B.V.,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\ngemachtigde: mr. D.N. Allick.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. De volgende processtukken bevinden zich in het dossier:\n\n- de dagvaarding van 24 september 2025, met producties;\n\n- de conclusie van antwoord;\n\n- het instructievonnis waarin een mondelinge behandeling is gelast;\n\n- de dagbepaling comparitie.\n\n1.2.. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 april 2026. Namens de gemachtigde van Amvest is verschenen de heer [naam] . Namens [gedaagde] is verschenen zijn gemachtigde. Amvest heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling een recente specificatie van de vordering overgelegd. Partijen zijn gehoord en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord.\n\n1.3.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\nAls gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast:\n\n2.1.. Met ingang van 3 maart 2023 verhuurt Amvest aan [gedaagde] de woning gelegen aan het adres [adres] (hierna: het gehuurde). In de tussen hen gesloten huurovereenkomst zijn partijen overeengekomen dat de totale huurprijs van € 1.700,00 bestaat uit de (kale) huurprijs van € 1.615,00 en een voorschot op de servicekosten van € 85,00. Het maandelijks te betalen bedrag is bij vooruitbetaling verschuldigd.\n\n2.2.. Op de huurovereenkomst zijn de Algemene bepalingen huurovereenkomst woonruimte volgens het ROZ-model van 20 maart 2017 van toepassing (hierna: de algemene bepalingen).\n\n2.3.. Van der Linden Vastgoedmanagement B.V. heeft bij brief van 19 februari 2025 namens Amvest aan [gedaagde] medegedeeld dat sprake is van een huurachterstand van € 3.826,64, dat dit bedrag binnen 14 dagen vanaf de dag nadat deze brief is bezorgd moet zijn betaald waarna, bij niet tijdige betaling, een bedrag van € 614,27 inclusief btw aan buitengerechtelijke incassokosten in rekening wordt gebracht.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. Amvest vordert na vermindering van eis – kort gezegd – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de huurachterstand, buitengerechtelijke kosten, wettelijke rente en proceskosten. Haar vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde heeft zij ter zitting ingetrokken.\n\n3.2.. Amvest stelt dat de maandelijks verschuldigde huur op dit moment € 1.859,86 per maand bedraagt. Op het moment van dagvaarden had [gedaagde] een huurachterstand van € 8.972,93. Na het uitbrengen van de dagvaarding heeft [gedaagde] een deel van de achterstand ingelopen, zodat de huurachterstand per april 2026 nog € 1.769,86 bedroeg.\n\n3.3.. \n [gedaagde] voert verweer. Hij betwist dat er sprake is van een huurachterstand, en stelt dat hij bovendien nooit een mededeling van de huurverhoging heeft ontvangen. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Amvest, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Amvest, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Amvest in de kosten van deze procedure.\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nAmbtshalve toetsing oneerlijke bedingen\n\n4.1.. De overeenkomst die in deze procedure centraal staat, is gesloten met een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93\u002F13 EG (de Richtlijn oneerlijke bedingen).\n\n4.2.. De kantonrechter moet in iedere procedure ten aanzien van ieder onderdeel van de vordering beoordelen of daarover in de overeenkomst en in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt en of die afspraken al dan niet eerlijk zijn ten opzichte van de consument. Bij die beoordeling is van belang of bedingen waaraan een consument gebonden is, zonder dat daarover afzonderlijk is onderhandeld, in strijd met de goede trouw het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoren. Of Amvest de consument ook daadwerkelijk aan die afspraken houdt, of in de praktijk alleen naleving van wettelijke bepalingen verlangt, is in dit verband niet relevant.\n\n4.3.. De artikelen 4.5 (huurprijs), 7 (servicekosten) en 12.1 (huurprijswijziging) van de huurovereenkomst en artikel 17.13 (wijziging voorschot servicekosten) 25.2 van de algemene bepalingen zijn relevant voor de vordering.\n\n4.4.. Het huurprijsbeding (artikel 4.5) en het servicekostenbeding (artikel 7) zijn transparant en op grond van artikel 4 lid 2 van de Richtlijn uitgesloten van verdere toetsing op oneerlijkheid.\n\n4.5.. Artikel 17.13 (wijziging voorschot servicekosten) in de algemene voorwaarden wordt niet oneerlijk bevonden.\n\n4.6.. Artikel 12.1 luidt, voor zover hier van belang:\n\n12.1. Indien het gehuurde zelfstandige woonruimte met een geliberaliseerde huurprijs voor woonruimte betreft (...) geldt (...) het volgende:\n\na. De jaarlijks op 30 juni geldende huurprijs wordt voor het eerst per 1 juli volgend op de huuringangsdatum en vervolgens jaarlijks per 1 juli gewijzigd overeenkomstig het in de volgende leden bepaalde.\n\na. De huurprijs wordt jaarlijks gewijzigd met een percentage dat gelijk is aan het op de ingangsdatum van die wijziging wettelijk toegestane percentage zoals dat jaarlijks zijdens de bevoegd minister wordt vastgesteld voor woonruimte met een niet-geliberaliseerde huurprijs.\n\nb. Verhuurder heeft, in plaats van een huurprijswijziging conform het bepaalde in onder sub b van dit artikellid, de mogelijkheid de huurprijs te wijzigen op basis van de wijziging van het jaarprijsindexcijfer volgens de consumentenprijsindex (CPI), reeks alle huishoudens (2015=100), gepubliceerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). In dit geval vindt de berekening plaats volgens de formule: de gewijzigde huurprijs is gelijk aan de geldende huurprijs op de wijzigingsdatum, vermenigvuldigd met het indexcijfer van het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de huurprijs wordt aangepast, gedeeld door het indexcijfer van zestiende kalendermaand die ligt voor de kalendermaand waarin de huurprijs wordt aangepast.\n\nc. Tevens heeft de verhuurder het recht om de te wijzigen huurprijs zoals omschreven op de wijzigingsdatum, naast de aanpassing overeenkomstig de in 12.1.b en 12.1.c vermelde indexering, daarboven te verhogen met maximaal 3%.\n\n(…)\n\nf. De gewijzigde huurprijs geldt ook indien van de wijziging aan de huurder geen of niet tijdig afzonderlijke mededeling wordt gedaan.\n\ng. Zowel de huurder als de verhuurder is bevoegd om telkens wanneer vijf jaren zijn\n\nverstreken sinds de dag waarop de laatste door partijen overeengekomen of de door\n\nde kantonrechter vastgestelde aanpassing van de huurprijs aan de markthuurprijs is\n\ningegaan, bij de eerstvolgende huurprijsaanpassingsdatum (1 juli) herziening van de\n\nhuurprijs voor te stellen door middel van aanpassing van de huurprijs aan de\n\nontwikkelingen van markthuurprijs, met inachtneming van sub i van dit artikellid. (...)\n\n4.7.. Artikel 25.2 van de algemene bepalingen luidt als volgt:\n\n25.2. In alle gevallen waarin (ver)huurder een sommatie, ingebrekestelling of een exploot aan (ver)huurder doet uitbrengen, of in geval van procedures tegen (ver)huurder om deze tot nakoming van de huurovereenkomst of huurder tot ontruiming te dwingen, is (ver)huurder verplicht alle daarvoor gemaakte kosten, zowel in als buiten rechte – met uitzondering van de ingevolge een definitieve rechterlijke beslissing door (ver)huurder te betalen proceskosten – aan (ver)huurder te voldoen, voor zover op de vergoeding van die kosten de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten en het Besluit incassokosten niet van toepassing is.”\n\n4.8.. De hiervoor geciteerde bedingen zijn te beschouwen als bedingen die zijn bedoeld om in meerdere overeenkomsten te worden gebruikt en zijn geen kernbedingen. Er is niet gesteld of gebleken dat over de bedingen is onderhandeld.\n\nHuurprijswijzigingsbeding\n\n4.9.. Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 29 november 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1780, rechtsoverwegingen 3.1.1 t\u002Fm 3.1.6) moeten een opslagbeding en een indexatiebeding met het oog op de beoordeling van de oneerlijkheid los van elkaar worden bezien. De kantonrechter is in dit geval van oordeel dat de huurprijswijzingsbedingen waar het hier om gaat niet kunnen worden gesplitst. De bedingen zijn zo opgesteld dat verhuurder vier keuzes heeft. De huur kan worden verhoogd met een percentage dat gelijk is aan het wettelijke toegestane percentage (1). De huur kan worden verhoogd overeenkomstig de consumentenprijsindex (CPI) (2). De huur kan worden verhoogd met een percentage dat gelijk is aan het wettelijke toegestane percentage, met daarnaast een opslag van maximaal 3% (3), en ten slotte kan de huur worden verhoogd overeenkomstig de consumentenprijsindex (CPI) met daarnaast een opslag van maximaal 3% (4). De bedingen zien alle drie op een verhoging van de huurprijs, die tegelijkertijd kunnen worden toegepast. Het hiervoor geciteerde opslagbeding uit artikel 12.1 lid c maakt het immers mogelijk om een opslag van maximaal 3% naast het beding gebaseerd op het wettelijke toegestane percentage (3) en de op de consumentenprijsindex gebaseerde indexatiebeding toe te passen (4). Door dat laatste kan de huurder geen inschatting maken van de te verwachten ontwikkeling van de huur, waardoor de economische gevolgen niet kunnen worden ingeschat. Bovendien klopt de nummering van artikel 12 niet, terwijl een prijswijzigingsbeding duidelijk en begrijpelijk moet zijn opgesteld.\n\n4.10.. Ten aanzien van het opslagbeding merkt de kantonrechter verder op dat het Gerechtshof Amsterdam op 10 maart 2026 (ECLI:NL:GHAMS:2026:619) heeft geoordeeld dat een opslagbeding van 3% oneerlijk kan zijn wanneer het beding niet de gronden bevat op basis waarvan de huurprijs kan worden aangepast. Deze gronden moeten een geldige reden vormen voor de wijziging van de huurprijs. In het huurprijswijzigingsbeding zoals hier aan de orde ontbreken de gronden op basis waarvan de huurprijs kan worden aangepast in het beding, alsmede een geldige reden voor de jaarlijkse wijziging van de huurprijs met een extra percentage boven de inflatiecorrectie. De huurder is derhalve volledig aan de willekeur van de verhuurder overgeleverd.\n\n4.11.. Tot slot hoeft de verhuurder de huurder over huurverhogingen niet voorafgaand aan de huurverhoging te informeren (artikel 12.1 onder f). De consument dient een reële mogelijkheid te hebben om de overeenkomst op te zeggen in het geval van een eenzijdige wijziging (RWE Vertrieb (ECLI:EU:C:2013:180) en Invitel (ECLI:EU:C:2012:242)). Zonder aankondiging heeft de consument echter geen mogelijkheid de huurovereenkomst te beëindigen alvorens de wijziging is doorgevoerd.\n\n4.12.. Eén en ander maakt dat het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen aanzienlijk wordt verstoord ten nadele van de huurder en het huurprijswijzigingsbeding daarom oneerlijk is. Omdat de huurovereenkomst zonder het beding kan voortbestaan, wordt het beding ambtshalve vernietigd. Verhuurder kan zich dus niet op het beding beroepen en evenmin aanspraak maken op aanvullend recht dat zonder het beding van toepassing zou zijn.\n\nHuurachterstand\n\n4.13.. Gelet op het voorgaande vernietigt de kantonrechter het huurprijswijzigingsbeding. Dat betekent dat de aanvangshuurprijs van € 1.700,00 inclusief servicekosten die in de huurovereenkomst staat altijd gelijk is gebleven. Uit de door Amvest overgelegde specificatie van de huurachterstand blijkt dat Amvest in ieder geval vanaf oktober 2024 maandelijks een bedrag van (minimaal) € 125,06 te veel in rekening heeft gebracht. Berekend tot en met april 2026 (19 maanden), is het te veel in rekening gebrachte bedrag hoger dan de huurachterstand van € 1.769,86. De vordering tot betaling van de huurachterstand wordt daarom afgewezen.\n\nArtikel 25.2 van de algemene bepalingen\n\n4.14.. Het beding over buitengerechtelijke incassokosten wijkt ten nadele van de consument af van de wettelijke regeling (artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten). Er wordt van uitgegaan dat de huurder (in beginsel) verplicht is om alle kosten te betalen die door Amvest zijn gemaakt door het niet nakomen van de huurovereenkomst. Dit kan ertoe leiden dat onbeperkte kosten voor rekening van de consument komen en dit kan meer zijn dan wettelijk is toegestaan. Het beding over de buitengerechtelijke incassokosten is daarom oneerlijk en wordt vernietigd.\n\n4.15.. Artikel 25.2 van de algemene voorwaarden is bovendien oneerlijk omdat het de mogelijkheid biedt om meer proceskosten in rekening te brengen dan bij wet voorzien. De kantonrechter is op grond van de wet gehouden om de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te veroordelen en deze proceskosten mogen niet lager worden vastgesteld dan het liquidatietarief. De Hoge Raad heeft op 4 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1081) een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) gesteld, kort gezegd, of een consument met toepassing van artikel 237 Rv kan worden veroordeeld in de proceskosten na vernietiging van het oneerlijke proceskostenbeding. Zolang hierover geen duidelijkheid bestaat, acht de kantonrechter het geheel achterwege laten van een proceskostenveroordeling in het geval van een huurovereenkomst niet passend. De proceskosten zullen dan ook volgens het gebruikelijke liquidatietarief worden toegewezen.\n\nProceskosten\n\n4.16.. Naar het oordeel van de kantonrechter is vast komen te staan dat op het moment van dagvaarden sprake was van een huurachterstand, ook indien slechts de aanvangshuurprijs in rekening zou zijn gebracht. [gedaagde] moet daarom de proceskosten van Amvest betalen. Aan de stelling van [gedaagde] dat betalingen voor de maanden juli 2025 en augustus 2025 niet in het betalingsoverzicht van Amvest zijn opgenomen wordt voorbijgegaan. Amvest betwist dat zij deze betalingen heeft ontvangen, en de door [gedaagde] overgelegde betalingsbewijzen bevatten geen rekeningnummer zodat niet kan worden vastgesteld dat deze betalingen naar het rekeningnummer van Amvest zijn overgemaakt.\n\nDe proceskosten van Amvest worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n145,45\n\n- griffierecht\n\n€\n\n543,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n86,00\n\n(2 punten × € 43,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n21,50\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n795,95\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. wijst de vorderingen van Amvest af,\n\n5.2.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 795,95, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.4.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2026.\n\n64443","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4759","2026-05-18T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:59.896Z",{"id":120,"ecli":121,"slug":122,"caseNumber":54,"courtId":5,"decisionDate":123,"fullText":124,"summary":54,"language":7,"source":56,"sourceUrl":125,"sourceTimestamp":126,"parsedAt":59,"updatedAt":127},"1025","ECLI:NL:RBAMS:2026:4326","ecli-nl-rbams-2026-4326","2026-04-02T00:00:00.000Z","vonnis\n\nRECHTBANK AMSTERDAM\n\nAfdeling privaatrecht\n\nzaaknummer: 12053161 CV EXPL 26-529\n\nvonnis van: 2 april 2026\n\nfno.: 506\n\nvonnis van de kantonrechter\n\nI n z a k e\n\nde besloten vennootschap [eiser] B.V.\n\ngevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats]\n\neisende partij\n\ngemachtigde: [gemachtigde]\n\nt e g e n\n\nde besloten vennootschap De Keijzer Bewindvoering B.V. in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [gedaagde] , nader ook te noemen: de bewindvoerder.\n\nkantoorhoudende in de gemeente Vijfheerenlanden\n\ngedaagde partij\n\nprocederend in persoon\n\nVerloop van de procedure\n\n- dagvaarding van 6 januari 2026.\n\nHoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft gedaagde partij geen conclusie van antwoord genomen. Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.\n\nGronden van de beslissingBesluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening\n\n1. De kantonrechter heeft vastgesteld dat eisende partij in de dagvaarding voldoende heeft gesteld en toegelicht dat zij heeft voldaan aan de informatieplicht en de meldplicht als bedoeld in artikel 2 van Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening.\n\nAmbtshalve toetsing oneerlijke bedingen\n\n2. In deze procedure gaat het om een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93\u002F13 EG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). Als er oneerlijke bepalingen in de huurovereenkomst of de algemene voorwaarden staan, moet de kantonrechter deze buiten toepassing laten. Eisende partij mag die bepalingen dan niet gebruiken en zij mag ook geen beroep meer doen op aanvullend recht (zie ECLI:EU:C:2021:68).\n\n3. Eisende partij heeft de tussen haar en [gedaagde] gesloten huurovereenkomst met betrekking tot de woning gelegen aan het adres [adres] en de daarop van toepassing zijnde algemene bepalingen huurovereenkomst woonruimte (ROZ) 20 maart 2017 (verder: de algemene voorwaarden) in het geding gebracht.\n\n4. Het huurprijsbeding en servicekostenbeding in de huurovereenkomst zijn kernbedingen. Deze bedingen zijn transparant en op grond van artikel 4 lid 2 van de Richtlijn uitgesloten van verdere toetsing op oneerlijkheid.\n\n5. Het betreft geliberaliseerde huur. De bedingen die voor de beoordeling van de vordering relevant zijn, te weten artikel 5.1 (Huurprijswijziging) van de huurovereenkomst en de artikelen 16 (Huurprijswijziging) en 17.13 (Wijziging voorschot servicekosten) van de algemene voorwaarden zijn door de kantonrechter getoetst en worden niet oneerlijke bevonden.\n\n6. Tot slot is artikel 25.2 van de algemene voorwaarden door de kantonrechter getoetst.\n\nDit artikel luidt als volgt:\n\n25.2. In alle gevallen waarin (ver)huurder een sommatie, een ingebrekestelling of een exploot aan (ver)huurder doet uitbrengen, of in geval van procedures tegen (ver)huurder om deze tot nakoming van de huurovereenkomst of huurder tot ontruiming te dwingen, is (ver)huurder verplicht alle daarvoor gemaakte kosten, zowel in als buiten rechte – met uitzondering van de ingevolge een definitieve rechtelijke beslissing door (ver)huurder te betalen proceskosten – aan (ver)huurder te voldoen, voor zover op de vergoeding van die kosten de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten en het Besluit incassokosten niet van toepassing is.\n\n7. Eisende partij heeft in de dagvaarding kort gezegd het standpunt ingenomen dat artikel 25.2 slechts van toepassing is ‘voor zover’ de WIK en het BIK niet van toepassing zijn. Artikel 25.2 beoogt, aldus eisende partij, geen afwijking op de wet te zijn, maar slechts een aanvulling.\n\n8. Daaromtrent overweegt de kantonrechter als volgt. Eisende partij stelt terecht dat in artikel 25.2 algemene bepalingen wordt verwezen naar wettelijke regels (het Besluit), maar dat neemt niet weg dat gedaagde als consument in beginsel verplicht is om bij niet nakoming van de huurovereenkomst allein dat verband door eisende partij gemaakte kosten te voldoen. De lezing van artikel 25.2 die eiseres voorstaat, die inhoudt dat artikel 25.2 alleen van toepassing is als de wet niet van toepassing is en zodoende alleen een aanvulling op de wet vormt, volgt onvoldoende duidelijk uit de tekst van artikel 25.2. Het beding over buitengerechtelijke incassokosten is daarom oneerlijk en zal buiten toepassing worden gelaten. De gevorderde buitengerechtelijke kosten worden afgewezen.\n\n9. Artikel 25.2 van de algemene voorwaarden is daarnaast ook oneerlijk omdat het de mogelijkheid biedt om meer proceskosten in rekening te brengen dan bij wet voorzien. De kantonrechter is op grond van de wet gehouden om de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te veroordelen en deze proceskosten worden vastgesteld conform het liquidatietarief. De Hoge Raad heeft op 4 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1081) de prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) gesteld, kort gezegd, of een consument met toepassing van artikel 237 Rv kan worden veroordeeld in de proceskosten na vernietiging van het oneerlijke proceskostenbeding. Zolang hierover geen duidelijkheid bestaat, acht de kantonrechter het geheel achterwege laten van een proceskostenveroordeling in het geval van een huurovereenkomst niet aangewezen. De proceskosten zullen dan ook volgens het gebruikelijke liquidatietarief worden toegewezen.\n\nDe vordering\n\n10. De vordering komt voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor, behoudens hieronder met betrekking tot de rente nog is overwogen.\n\n11. De gevorderde rente over rente (al dan niet opgenomen in de opgegeven hoofdsom) wordt afgewezen nu ter zake onvoldoende is gesteld.\n\nBESLISSING\n\nDe kantonrechter:\n\nontbindt de tussen [gedaagde] en eisende partij bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de onroerende zaak (de zelfstandige woonruimte) gelegen aan het adres [adres] ;\n\nveroordeelt de bewindvoerder om deze onroerende zaak met al wie en al wat zich daarin vanwege [gedaagde] bevindt, binnen twee weken na betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten en met overgifte van de sleutels geheel ter vrije beschikking van eisende partij te stellen, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het in artikel 555 e.v. jo. 444 Rv bepaalde;\n\nveroordeelt de bewindvoerder om tegen bewijs van kwijting aan eisende partij te betalen:\n\na) € 24.199,67 ter zake van achterstallige huur, berekend tot en met 31 december 2025, vermeerderd met de wettelijke rente over het voorgenoemde bedrag vanaf 31 december 2025 tot de voldoening;\n\nb) € 284,34 ter zake van wettelijke rente, berekend tot en met 30 december 2025;\n\nc) € 1.235,52 per maand vanaf 1 januari 2026 tot en met het eind van de maand\n\nwaarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden;\n\nveroordeelt de bewindvoerder in de kosten van het geding, aan de zijde van eisende partij tot aan deze uitspraak begroot op: € 127,08 aan explootkosten, € 543,00 aan salaris gemachtigde, € 1.504,00 aan griffierecht en € 72,00 aan nakosten voor zover van toepassing, inclusief BTW, te vermeerderen met de kosten van betekening, te voldoen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis;\n\nverklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;\n\nwijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J.H.J. Evers, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4326","2026-05-04T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:59.838Z",{"id":129,"ecli":130,"slug":131,"caseNumber":54,"courtId":5,"decisionDate":132,"fullText":133,"summary":54,"language":7,"source":56,"sourceUrl":134,"sourceTimestamp":135,"parsedAt":59,"updatedAt":136},"938","ECLI:NL:RBAMS:2026:2728","ecli-nl-rbams-2026-2728","2026-03-19T00:00:00.000Z","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZaaknummer: 11741262 \\ CV EXPL 25-8123\n\nVonnis van 19 maart 2026\n\nin de zaak van\n\nVAARDIGE ADVOCATEN B.V.,\n\ngevestigd te Haarlem,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: Vaardige Advocaten,\n\ngemachtigde: mr. K.G.O. Afriyieh,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\ngemachtigde [naam gemachtigde] .\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis in het vrijwaringsincident van 11 september 2025 waarin een mondelinge behandeling is bepaald, met de daarin vermelde stukken;\n\n- de brief van 9 oktober 2025 van de zijde van [gedaagde] waarin zij te kennen geeft dat de vrijwaringszaak is ingetrokken;\n\n- productie 6 van de zijde van Vaardige Advocaten;\n\n- producties 1 tot en met 3 van de zijde van [gedaagde] .\n\n1.2.. De mondelinge behandeling heeft op 9 februari 2026 plaatsgevonden. Namens Vaardige Advocaten is de gemachtigde verschenen. [gedaagde] is eveneens met haar gemachtigde verschenen. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. [naam gemachtigde] heeft spreekaantekeningen en stukken overgelegd die aan het dossier zijn toegevoegd. Van de mondelinge behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt die in het dossier zijn gevoegd.\n\n1.3.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [gedaagde] had in 2024 een huurgeschil waarvoor zij juridische bijstand zocht. Zij is voor rechtsbijstand verzekerd bij ARAG. ARAG heeft vervolgens op verzoek zich tot Vaardige Advocaten gewend.\n\n2.2.. Mr. K. Afriyieh (hierna: Afriyieh) van Vaardige Advocaten heeft op 25 oktober 2024 een e-mail gestuurd aan ARAG waarbij [gedaagde] in de CC is meegenomen. In deze e-mail staat, voor zover relevant, het volgende:\n\n“(…)\n\n Omwille van de tijd stel ik het volgende voor.\n\n het uurtarief i d€250 te vermeerderen met btw;\n\n € 5.000 te vermeerderen met btw als fixed price voor uw verzekerde;\n\n als er meer dan 35 uur nodig blijkt te zijn, dan ben ik genoodzaakt dat in rekening te brengen tegen een verlaagd uurtarief van € 198 te vermeerderen met btw;\n\n dit betekent dat uw verzekerde zelf dan de extra uren, meer dan 35, op basis van het verlaagde uurtarief moet voldoen, dit geldt onverkort voor mogelijke proceskostenveroordeling, mocht de vordering van de wederpartij wel worden toegewezen;\n\n(…)”\n\n2.3.. Bij e-mail van 29 oktober 2024 heeft ARAG aan mr. Afriyieh te kennen gegeven dat het uurtarief van € 302,50 inclusief btw akkoord is, maar dat zij niet akkoord gaat met de fixed fee van € 5.000,- omdat het limiet van verzekerde niet toereikend is. ARAG stelt voor de facturen van Vaardige Advocaten maandelijks achteraf te vergoeden op basis van de redelijke en gebruikelijke kosten van de facturen en urenspecificaties.\n\n2.4.. Op 30 oktober 2024 hebben partijen een overeenkomst van opdracht gesloten. Hierin staat, voor zover relevant, het volgende:\n\n“(…)\n\nMet ARAG heb ik afspraken gemaakt over mijn honorarium, zodat in deze zaak in principe niet aan u zal worden gefactureerd, zie de mails van 30 oktober 2024, waarbij u in de CC bent meegenomen, tenzij kosten niet verzekerd zijn of uw budget niet toereikend zijn.(…) Het is echter afhankelijk van de toepasselijke polisvoorwaarden van uw verzekering welke kosten ARAG Rechtsbijstand vergoedt en welke voor uw eigen rekening en risico komen. U bent derhalve zelf aansprakelijk voor kosten die niet onder de dekking vallen dan wel de kosten die het kostenlimiet van uw dekking overschrijden.(…)”\n\n2.5.. ARAG heeft op 11 december 2024 aan Vaardige Advocaten, met [gedaagde] in de CC, een e-mail gestuurd. In deze e-mail staat dat na betaling van de laatste factuur de resterende limiet € 1.523,- all-in is.\n\n2.6.. Bij brief van 17 maart 2025 heeft Vaardige Advocaten aan [gedaagde] een factuur gestuurd voor een bedrag van € 2.904,-. ARAG heeft een deel van deze factuur betaald. Het resterende bedrag van € 1.381,- heeft [gedaagde] niet betaald.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. Vaardige Advocaten vordert – samengevat – dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. voor recht verklaart dat [gedaagde] is tekortgekomen in het nakomen van de overeenkomst;\n\nII. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 1.381,-, te vermeerderen met de wettelijke rente;\n\nIII. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten.\n\n3.2.. Vaardige Advocaten stelt zich op het standpunt dat tussen partijen een overeenkomst van opdracht is gesloten en dat Vaardige Advocaten de werkzaamheden conform deze overeenkomst heeft verricht. Verder hebben partijen afgesproken dat mocht het budget van ARAG worden overschreden, het resterende bedrag voor rekening van [gedaagde] komt. Gelet hierop is [gedaagde] gehouden het openstaande (restant)bedrag te betalen, aldus steeds Vaardige Advocaten.\n\n3.3.. \n [gedaagde] voert verweer. Volgens haar is zij niet door Vaardige Advocaten geïnformeerd dat het budget van ARAG op enig moment ontoereikend was. Als gevolg hiervan heeft [gedaagde] niet de mogelijkheid gekregen Vaardige Advocaten te onttrekken op het moment dat kosten niet voor haar rekening zouden komen. Bovendien is haar toegezegd dat Vaardige Advocaten niet aan haar zou declareren. Tot slot heeft [gedaagde] vraagtekens gesteld bij het bedrag dat wordt gedeclareerd.\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nAmbtshalve toetsing\n\n4.1.. De overeenkomst die aan de vordering ten grondslag is gelegd is gesloten tussen een handelaar en een consument. De kantonrechter moet in dat geval ambtshalve toetsen aan het consumentenrecht. Onderzocht moet worden of de informatieplichten zijn nageleefd. Daarnaast moet de overeenkomst worden getoetst aan Richtlijn 93\u002F13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).\n\n4.2.. De gevorderde hoofdsom is gebaseerd op een beding dat ziet op het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst. Ambtshalve toetsing van die bedingen is ingevolge artikel 4 lid 2 van de richtlijn alleen aan de orde als deze niet duidelijk en begrijpelijk (transparant) zijn geformuleerd.\n\n4.3.. Vaardige Advocaten stelt zich op het standpunt dat in de e-mail van 25 oktober 2024 een duidelijke inschatting wordt gemaakt van de te verwachten kosten voor de juridische bijstand en dat [gedaagde] wist dat zij het bedrag dat niet door ARAG zou worden vergoed, zelf zou moeten betalen. De kantonrechter volgt Vaardige Advocaten echter niet in haar standpunt en overweegt daartoe het volgende.\n\n4.4.. Los van de omstandigheid dat er onduidelijkheid bestaat omdat in de overeenkomst wordt verwezen naar andere e-mails (namelijk e-mails van 30 oktober 2024) dan de e-mail van 25 oktober 2024 waarop Vaardige Advocaten zich baseert, is deze e-mail van 25 oktober 2024 op zichzelf niet duidelijk over wat [gedaagde] zelf voor de juridische bijstand door Vaardige Advocaten zou moeten betalen. Hoewel Vaardige Advocaten voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst geen exact totaalbedrag hoeft te geven, dient zij wel een inschatting te geven van het aantal uren of bedrag dat zij verwacht in rekening te brengen. Anders dan Vaardige Advocaten stelt, volgt uit deze e-mail niet ondubbelzinnig dat daarin een schatting wordt gemaakt dat het aantal uren 35 uur zal bedragen. Dit urenaantal wordt weliswaar in de e-mail genoemd, maar daaraan wordt toegevoegd dat als meer dan 35 uur nodig blijkt te zijn, [gedaagde] is gehouden deze extra uren te voldoen. Van deze extra uren heeft Vaardige Advocaten geen inschatting gegeven. Hierdoor bestaat de mogelijkheid dat bij [gedaagde] veel meer uren in rekening worden gebracht dan zij kon verwachten. Gelet hierop heeft [gedaagde] voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst er geen rekening mee kunnen houden dat zij het bedrag zoals gevorderd zelf zou moeten betalen. Dit betekent dat het prijsbeding onvoldoende transparant is en daarom op eerlijkheid moet worden getoetst.\n\n4.5.. De omstandigheid dat een prijsbeding niet transparant is, betekent niet direct dat het beding ook oneerlijk is. Het is echter wel een (belangrijk) element binnen die toets. Het gaat om de vraag of het beding, in strijd met de goede trouwe, het evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort of kan verstoren.\n\n4.6.. Door geen inschatting te maken van het aantal uur dat bij [gedaagde] in rekening zou (kunnen) worden gebracht, heeft Vaardige Advocaten geen inzicht gegeven in de financiële verplichting die [gedaagde] aanging. Bovendien is [gedaagde] hierdoor de mogelijkheid onthouden hierop enige controle uit te voeren. [gedaagde] zal als gemiddelde consument zelf weinig idee hebben van de werkzaamheden die moeten worden verricht ter uitvoering van de opdracht en hoeveel tijd daarmee normaliter gemoeid zou zijn. Vaardige Advocaten heeft daar als handelaar en professional juist wel zicht op en had die uitleg en het aantal uren dat zij waarschijnlijk bezig was aan [gedaagde] moeten verstrekken. Verder verplicht Vaardige Advocaten zich door vooraf een inschatting te geven rekening en verantwoording aan [gedaagde] af te leggen. Zonder deze inschatting creëert Vaardige Advocaten in wezen de mogelijkheid onbeperkt uren te declareren en kosten in rekening te brengen. De hoogte van het gehanteerde uurtarief en het aantal uren dat uiteindelijk is gedeclareerd, speelt bij de beoordeling of het beding eerlijk is, geen rol. Evenmin is voor de beoordeling relevant dat – zoals Vaardige Advocaten heeft gesteld – ARAG op een gegeven moment aan [gedaagde] een e-mail heeft gestuurd (zie hiervoor onder 2.5.) hoeveel haar budget nog was. Het gaat immers om wat partijen hebben afgesproken bij het aangaan van de overeenkomst. Het voorgaande leidt ertoe dat het beding oneerlijk wordt bevonden.\n\n4.7.. Gelet op artikel 6 lid 1 van de richtlijn betekent het voorgaande dat [gedaagde] niet aan het kostenbeding is gebonden en dat als gevolg daarvan de overeenkomst niet kan blijven voortbestaan. De vraag die vervolgens moet worden beantwoord is of [gedaagde] hiervan uiterst nadelige gevolgen ondervindt en in haar belangen wordt geschaad. In dat geval zou de kantonrechter de overeenkomst moeten aanvullen (zie onder andere ECLI:EU:C:2020:954).\n\n4.8.. De kantonrechter is van oordeel dat hiervan geen sprake is. Een eventuele vordering van Vaardige Advocaten die is gebaseerd op een andere grond dan de overeenkomst, zoals bijvoorbeeld ongerechtvaardigde verrijking, is immers niet redelijk omdat Vaardige Advocaten gebruik maakt van een oneerlijk prijsbeding. Als gevolg daarvan heeft [gedaagde] die waarde voordat zij de overeenkomst aanging, niet juist kunnen inschatten. Bovendien kan niet worden aanvaard dat een partij economisch voordeelt haalt uit haar onrechtmatige gedrag – waaronder het hanteren van oneerlijke bedingingen – noch dat zij wordt gecompenseerd voor nadelen die door dergelijk gedrag wordt veroorzaakt ECLI:EU:C:2023:478, punt 81). Tot slot zou de lange termijn doelstelling van artikel 7 lid 2 van de richtlijn oneerlijke bedingen – een eind maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen – in het gedrang komen wanneer Vaardige Advocaten alsnog een vergoeding voor haar diensten zou kunnen krijgen, terwijl zij in haar overeenkomst een oneerlijk prijsbeding hanteert.\n\n4.9.. Dit betekent dat een eventueel in de toekomst te stellen vordering door Vaardige Advocaten op een andere grond dan de overeenkomst niet zal slagen. Het niet voortbestaan van de overeenkomst brengt [gedaagde] dan ook niet in een zodanige onzekere situatie dat dit uiterst nadelig voor haar is. Aanvulling van de overeenkomst is dan ook niet nodig.\n\n4.10.. Nu de overeenkomst komt te vervallen, is er voor [gedaagde] geen betalingsverplichting (ECLI:EU:C:2023:14, punt 58). Gelet hierop zal de vordering worden afgewezen.\n\nProceskosten\n\n4.11.. Vaardige Advocaten is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Nu de gemachtigde van [gedaagde] geen professioneel gemachtigde is, worden alleen verletkosten toegewezen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:\n\n- verletkosten\n\n€\n\n50,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n21,50\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n71,50\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. wijst de vorderingen van Vaardige Advocaten af,\n\n5.2.. veroordeelt Vaardige Advocaten in de proceskosten van € 71,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Vaardige Advocaten niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. H.D. Coumou en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2026.\n\n598","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:2728","2026-03-17T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:55.770Z",{"id":138,"ecli":139,"slug":140,"caseNumber":54,"courtId":5,"decisionDate":141,"fullText":142,"summary":54,"language":7,"source":56,"sourceUrl":143,"sourceTimestamp":144,"parsedAt":59,"updatedAt":145},"937","ECLI:NL:RBAMS:2026:2670","ecli-nl-rbams-2026-2670","2026-03-18T00:00:00.000Z","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F771220 \u002F HA ZA 25-1199\n\nVonnis van 18 maart 2026\n\nin de zaak van\n\nde maatschap\n\n [eiser],\n\ngevestigd te [vestigingsplaats] ,\n\neisende partij in conventie,\n\nverwerende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\nadvocaat: mr. C.L. Kock,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nadvocaat: mr. G.A. Tsiris.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nde dagvaarding van 4 juni 2025, met producties 1 tot en met 12,\n\nde conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie, met producties 1 tot en met 42,\n\nde conclusie van antwoord in reconventie, met producties 13 tot en met 28,\n\nhet tussenvonnis van 15 oktober 2025 waarin een mondelinge behandeling is gelast,\n\nhet proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 15 januari 2026 en de daarin opgenomen processtukken en proceshandelingen, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten in conventie en in reconventie\n\n2.1.. \n [gedaagde] is in 2023 in een arbeidsrechtelijk geschil geraakt met haar werkgeefster ITA (Internationaal Theater Amsterdam). [gedaagde] heeft juridische bijstand gezocht. Haar eerste advocaat heeft een bedrag van € 1.250 (exclusief btw) in rekening gebracht voor initieel overleg met ITA.\n\n2.2.. Op 29 januari 2024 is [gedaagde] een online inzamelingsactie (crowdfunding) begonnen om de juridische kosten te betalen.\n\n2.3.. Op 1 februari 2024 heeft [gedaagde] een uitvoerige e-mail aan advocatenkantoor [eiser] gestuurd over haar situatie met ITA en dat zij voor juridische bijstand een crowdfunding is begonnen. Vervolgens is [gedaagde] op het kantoor van [eiser] geweest voor een persoonlijk gesprek.\n\n2.4.. Bij brief van 14 februari 2024 heeft [eiser] de opdracht van [gedaagde] tot advisering en bijstand aanvaard. In die brief is opgenomen dat [eiser] de werkzaamheden zal uitvoeren op basis van een uurtarief van € 200 (exclusief btw of € 242 inclusief btw) en 4% kantoorkosten en eventuele aanvullende kosten.\n\n2.5.. \n [eiser] en [gedaagde] hebben in het najaar van 2024 gesproken over een kortgedingprocedure tegen ITA. Bij e-mail van 18 september 2024 heeft [eiser] aan [gedaagde] bericht:\n\n“(…)\n\nZoals besproken zal ik morgen beginnen aan de dagvaarding. (…) De kosten van het kort geding zullen naar schatting € 10.000,-- exclusief BTW bedragen (maken dagvaarding, uitzoeken alle bijlagen, bestuderen stukken die de wederpartij zal inbrengen, voorbereiden zitting en mondelinge behandeling). (…).\n\n(…)”\n\n2.6.. De kortgedingdagvaarding is uitgebracht en vervolgens heeft ITA – na uitvoerig overleg met [eiser] – toegezegd vrijwillig te voldoen aan de belangrijkste vorderingen. Vervolgens is het kort geding ingetrokken zoals blijkt uit een e-mail van 10 februari 2025 van [eiser] aan [gedaagde] . Daarna is de onderhandeling met ITA voortgezet.\n\n2.7.. \n [gedaagde] heeft op 15 april 2025 de opdrachtovereenkomst met [eiser] geëindigd. [gedaagde] was het niet eens met een onderdeel van de voorgestelde regeling met ITA voor beëindiging (en financiële afwikkeling) van het geschil.\n\n2.8.. \n [eiser] heeft daarop een eindfactuur aan [gedaagde] gestuurd. [gedaagde] heeft niet betaald.\n\n2.9.. \n [eiser] heeft tot zekerheid voor haar vordering op [gedaagde] op 23 mei 2025 conservatoir beslag laten leggen op de woning van [gedaagde] .\n\n3. Het geschil\n\nin conventie3.1.. \n [eiser] vordert veroordeling van [gedaagde] , bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van (A) € 64.579,66 (inclusief btw), te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag, en (B) de kosten van deze procedure, waaronder beslagkosten, te voldoen binnen 14 dagen na heden, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na heden.\n\n3.2.. \n [eiser] stelt daartoe – samengevat – dat de kosten van de opgedragen werkzaamheden optellen tot het gevorderde bedrag. Tijdens het persoonlijke gesprek op het kantoor van [eiser] is [gedaagde] medegedeeld dat de kosten voor de uit te voeren werkzaamheden per uur € 200 exclusief btw, te vermeerderen met 4% kantoorkosten zullen bedragen. Dit heeft [gedaagde] aanvaard. In de eindfactuur zijn de 4% kantoorkosten niet in rekening gebracht aan [gedaagde] . Omdat [gedaagde] weigert te betalen, ondanks toezeggingen tot betaling over te gaan, is [eiser] genoodzaakt geweest conservatoir beslag te leggen op de woning van [gedaagde] , aldus steeds [eiser] .\n\n3.3.. \n [gedaagde] voert – kort gezegd – aan dat [eiser] haar zorgplicht jegens [gedaagde] als consument heeft geschonden omdat voorafgaand aan de uitvoering van de opdracht geen kostenberaming is opgesteld en medegedeeld aan [gedaagde] . Verder is het kostenbeding onredelijk bezwarend in het licht van het niet verstrekken van een kostenberaming voorafgaand of gedurende de uitvoering van de opdracht, aldus steeds [gedaagde] . [gedaagde] is niet gewaarschuwd voor zulke hoge kosten, de werkzaamheden werden niet duidelijk afgebakend en er werd geen duidelijke strategie met [gedaagde] besproken. Daarom vindt [gedaagde] dat zij niet of veel minder hoeft te betalen.\n\nin reconventie3.4.. \n [gedaagde] vordert de overeenkomst tussen partijen te ontbinden, geheel of gedeeltelijk voor zover het ziet op het kostenbeding en een in goede justitie te bepalen bedrag vast te stellen voor de verrichte werkzaamheden, met veroordeling van [eiser] in de kosten van dit geding, vermeerderd met wettelijke rente.\n\n3.5.. \n [gedaagde] stelt daartoe overeenkomstig hetgeen zij heeft aangevoerd in conventie.\n\n3.6.. \n [eiser] voert – kort gezegd – aan dat zij bij het gesprek op haar kantoor [gedaagde] heeft gewezen op haar uurtarief en aanvullende kosten. [eiser] is daarin volledig transparant geweest. Gedurende de uitvoering van de opdracht is [eiser] transparant geweest over de gewerkte uren en de kosten daarvan. Periodiek – bijna maandelijks – is een overzicht van de totale kosten tot dan aan [gedaagde] gestuurd. Die heeft daarover nimmer geklaagd. Er is ook besproken dat de bedoeling was dat de kosten voor juridische bijstand uiteindelijk zouden worden verhaald op ITA, zoals gebruikelijk in arbeidsrechtelijke geschillen in Nederland, aldus steeds [eiser] .\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. \n [eiser] heeft als advocaat (professioneel handelaar) een opdrachtovereenkomst gesloten met consument [gedaagde] voor het verlenen van juridische bijstand. Gelet daarop speelt de ambtshalve toetsing van consumentenbeschermende bepalingen een rol. De eis in reconventie van [gedaagde] (die hierop ook betrekking heeft) vloeit voort uit haar verweer in conventie. [eiser] heeft, hoewel zij dit in feite al bij dagvaarding had behoren te doen, in haar antwoord in reconventie standpunten ingenomen over haar informatieplicht.\n\n4.2.. Onder deze omstandigheden en gelet op de samenhang worden de vorderingen van partijen in conventie en in reconventie gelijktijdig behandeld.\n\nin conventie en in reconventie\n\nNormen waaraan wordt getoetst4.3.. Het kostenbeding uit de opdrachtovereenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] is een kernbeding. Dan is bij een consumentenovereenkomst de toets of het kostenbeding transparant is in de zin dat het beding duidelijk en begrijpelijk is geformuleerd. Als het kernbeding niet transparant blijkt te zijn, komt aan de orde de vraag of het beding oneerlijk is (zie ook artikel 6:231 onder a BW).\n\n4.4.. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (verder: HvJ EU) heeft zich in zijn uitspraak van 12 januari 2023uitgelaten over de vraag of een kostenbeding tussen een advocaat en een consument, waarbij de kosten voor de juridische dienstverlening uitsluitend zijn vastgelegd op basis van het uurtarief, zonder verdere precisering, transparant is in de zin van artikel 4 lid 2 van Richtlijn 93\u002F13. Het HvJEU heeft geoordeeld dat alleen het noemen van een uurtarief de gemiddelde, normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument niet in staat stelt om alle financiële consequenties in te schatten die voor hem uit het beding voortvloeien, namelijk het totale bedrag dat hij voor de diensten zal moeten betalen. Een advocaat dient de consument, vóórdat de overeenkomst wordt gesloten en ongeacht de aard van de te verlenen dienst, informatie te verstrekken die de consument in staat stelt om met de nodige voorzichtigheid zijn beslissing te nemen. Die informatie moet aanwijzingen bevatten die de consument in staat stellen bij benadering de totale kosten van die diensten te ramen, zoals een raming van het voorzienbare of minimale aantal uren dat nodig is om een bepaalde dienst te verlenen of een verbintenis om met redelijke tussenpozen tussentijdse facturen of verslagen te bezorgen waarin het aantal al gepresteerde werkuren wordt vermeld.\n\n4.5.. Artikel 4 lid 2 Richtlijn 93\u002F13 is niet gewijzigd in de Richtlijn 2011\u002F83\u002FEU en Richtlijn (EU) 2019\u002F2161. Artikel 4 lid 2 van die richtlijnen is in Nederland omgezet in verschillende bepalingen in Afdeling 6.5.2b (afdeling 2b van Titel 5 van Boek 6) Burgerlijk Wetboek.\n\n4.6.. De opdrachtovereenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] is tot stand gekomen na een fysiek gesprek op het kantoor van [eiser] . Dit houdt in dat op die overeenkomst de wettelijke regeling van artikel 6:230l Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing is.\n\n4.7.. In artikel 6:230l aanhef en onder c BW is bepaald dat de handelaar (in dit geval: [eiser] ) de consument (in dit geval: [gedaagde] ) op duidelijk en begrijpelijke wijze informatie verstrekt waaruit blijkt de totale prijs van de diensten, of als door de aard van de dienst de prijs redelijkerwijs niet vooraf kan worden berekend, de manier waarop de prijs moet worden berekend.\n\n4.8.. De strekking van artikel 6:230l aanhef en onder c BW is dezelfde als die in andere bepalingen van Afdeling 6.5.2b BW betreffende de informatieverplichting van de handelaar over de prijs van het afgenomen product of dienst. De jurisprudentie over bijvoorbeeld artikel 6:230m aanhef en onder e BW is daarom ook van toepassing op artikel 6:230l aanhef en onder c BW. In de kern is telkens van belang dat de consument een inschatting moet kunnen maken van waar hij zich (in dit geval financieel gezien) toe verbindt.\n\n4.9.. \n\nDaarnaast zijn op [eiser] van toepassing de gedragsregels advocatuur. Over de kosten die aan de cliënt in rekening worden gebracht is in Regel 17 punt 3 opgenomen:“Zodra de advocaat voorziet dat de declaratie aanmerkelijk hoger zal worden dan de aanvankelijk aan de cliënt opgegeven schatting stelt hij zijn cliënt daarvan op de hoogte.”\n\nDaaruit volgt dat de gedragsregels advocatuur uitgaat van een voorafgaande inschatting van de kosten voor de juridische bijstand. In de toelichting hierop is opgenomen:\n\n“(…)\n\nUiteraard zijn er gevallen denkbaar dat een dergelijke inschatting niet mogelijk is, maar een advocaat kan niet een in redelijkheid wel te geven inschatting achterwege laten met het doel om de informatieverplichting te ontwijken. (…)”\n\nIs het kostenbeding transparant?4.10.. \n [eiser] stelt dat een kostenraming bij het aangaan van de overeenkomst niet goed te geven was. [eiser] heeft daartoe betoogd dat de aard van het arbeidsrechtelijk geschil tussen [gedaagde] en ITA complex is en dat niet was te voorzien wat er in de zaak [gedaagde] -ITA zou gaan gebeuren omdat een feitenonderzoek door een onafhankelijk bureau werd uitgevoerd (in opdracht van ITA) en [gedaagde] en ITA al in een mediationtraject zaten op voorstel van de bedrijfsarts van ITA. Het HvJ EU in zijn arrest Uurtarief advocaatheeft over de mogelijke complexiteit van de te verlenen juridische bijstand overwogen dat ook indien het moeilijk of zelfs onmogelijk is het aantal uren te voorspellen, de informatie van de handelaar aanwijzingen moet bevatten die de consument in staat stelt bij benadering de totale kosten van de aangeboden diensten te ramen. Daarbij kan gedacht worden aan informatie over het voorzienbare of minimaal aantal uren dat nodig is om een bepaalde dienst te verlenen, of een afspraak tussen partijen om periodiek tussentijdse facturen of overzichten op te maken waarin het totaal van de gewerkte uren wordt vermeld, aldus het HvJ EU in het arrestUurtarief advocaat. De complexiteit van het geschil waarvoor juridische bijstand is ingeroepen is op zich dus onvoldoende om [eiser] te ontslaan van haar informatieverplichting jegens [gedaagde] bij de totstandkoming van hun overeenkomst.\n\n4.11.. \n [eiser] heeft betoogd dat zij periodiek urenoverzichten heeft verstrekt, zoals tussen partijen is afgesproken bij de totstandkoming van de opdracht, waardoor [gedaagde] exact op de hoogte was van de gewerkte uren en de kosten. [gedaagde] heeft bij ieder nieuw overzicht kunnen beoordelen of zij de overeenkomst wilde voortzetten, aldus steeds [eiser] .\n\n4.12.. Dit betoog van [eiser] mist doel. De informatieverplichting van de advocaat kon in dit geval niet worden vervuld op de wijze als [eiser] heeft voorgesteld.\n\n4.12.1.. Van belang daarbij is dat, ook als vooraf geen ‘totale’ inschatting te maken was, [eiser] (bij aanvang van de overeenkomst en tussentijds) in staat moet zijn geweest om in te schatten wat er op dat moment stond te gebeuren en wat zij aan werkzaamheden zouden gaan verrichten. Dan had [gedaagde] een beter beeld gehad van te verrichten werkzaamheden en de (minimaal) daaraan te besteden uren. [gedaagde] heeft dus geen informatie gekregen van [eiser] om de periodieke overzichten (van werk dat al verricht was) in redelijkheid te verbinden aan een vooraf gegeven inschatting van benodigde werkzaamheden. Uit niets blijkt dat zij desalniettemin in staat was om bij benadering de totale kosten van de aangeboden diensten in te kunnen schatten.\n\n4.12.2.. In verschillende uitspraken van gerechtshovenis beslist dat het enkel noemen van een uurtarief en het maandelijks opsturen van een overzicht met verrichte werkzaamheden (en het totaalbedrag dat tot dan is verschuldigd aan hoofdsom) onvoldoende is voor voldoening van die informatieplicht. Het gerechtshof Amsterdam heeft verder overwogen dat ook in een complex geval een ruwe kostenberaming mogelijk is en moet worden gegeven.\n\n4.12.3.. Onder alle omstandigheden van dit geval mocht meer worden verwacht van de advocaat dan het periodiek sturen van overzichten met te declareren uren. Het had op de weg van [eiser] gelegen om gedurende de uitvoering van de opdracht – naast het sturen van periodieke overzichten – ook in overleg te treden met [gedaagde] over de opgelopen kosten, na te vragen of dit nog voldoet aan de redelijke verwachtingen van [gedaagde] over de mogelijke kosten voor juridische bijstand en op dat moment [gedaagde] laten weten welke overige werkzaamheden nog zullen moeten worden uitgevoerd.\n\n4.12.4.. Dit alles over te laten aan [gedaagde] – volgens [eiser] had [gedaagde] op basis van de periodieke declaratieoverzichten zelf kunnen inschatten of de kosten voor juridische bijstand te hoog werden – was niet terecht. Daarbij is van zwaarwegend belang het gebrek aan kennis van de gemiddelde consument over de benodigde werkzaamheden voor de gevraagde juridische bijstand, terwijl [eiser] wel over die kennis beschikte.\n\n4.13.. De slotsom is dat [eiser] bij de totstandkoming van de opdracht in februari 2024 niet heeft voldaan aan haar informatieplicht als bepaald in artikel 6:230l BW. Het gegeven dat in veel gevallen in Nederland de werkgever bij een arbeidsrechtelijk geschil de juridische kosten van de werknemer op zich neemt, ontslaat [eiser] niet van deze informatieverplichting jegens [gedaagde] .\n\nIs kostenbeding oneerlijk?4.14.. Het kostenbeding voldoet dus niet aan het transparantievereiste. De vraag is of het kostenbeding dan in het geheel moeten worden vernietigd als sprake is een oneerlijk beding (in de zin van artikel 6:233 onder a BW en artikel 3 de Richtlijn 93\u002F13). Een beding wordt als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.\n\n4.15.. In dit specifieke geval is sprake van een oneerlijk beding. [eiser] heeft in februari 2024 immers nagelaten enige informatie aan [gedaagde] te geven over de minimaal te verwachten werkzaamheden van juridische bijstand. Het is daarom voor [gedaagde] onmogelijk geweest in te schatten welke kosten de opdracht aan [eiser] met zich zou brengen. Hierbij spelen ook de in 4.9 genoemde gedragsregels in de advocatuur een rol. Dit alles verstoort het evenwicht tussen partijen ten nadele van [gedaagde] .\n\n4.16.. Dit wringt te meer omdat [eiser] in februari 2024 kennis had van de geldinzamelingsactie die [gedaagde] heeft opgezet op sociale media voor de kosten van juridische bijstand en dat [gedaagde] haar eerste advocaat te duur vond voor de werkzaamheden die hij had uitgevoerd. [eiser] had daarom moeten – en kunnen – begrijpen dat het financiële aspect voor de juridische bijstand van belang was voor [gedaagde] . Daarnaast wist [eiser] dat [gedaagde] de kosten voor juridische bijstand volledig zelf moet dragen omdat zij niet in aanmerking komt voor gefinancierde rechtshulp. Onder deze omstandigheden heeft [eiser] niet te goeder trouw gehandeld door [gedaagde] in het geheel geen andere informatie over de mogelijke kosten van juridische bijstand te verstrekken dan het uurtarief. Dat impliceert dat aan [eiser] een soort blanco cheque werd verstrekt en dat was niet wat [eiser] mocht verwachten. De stelling dat “ [gedaagde] heel goed wist waar zij aan begon en dat dat geld zou kosten”treft hier geen doel.\n\n4.17.. Onder bovenstaande omstandigheden wordt vastgesteld dat het kostenbeding uit de overeenkomst van februari 2024 onredelijk bezwarend is voor [gedaagde] . Dit maakt het kostenbeding tevens oneerlijk in de zin van Richtlijn 93\u002F13. Het kostenbeding wordt op grond van artikel 6:233 onder a BW vernietigd. Het kostenbeding is de enige verplichting van [gedaagde] uit die opdrachtovereenkomst en verder heeft een opdrachtovereenkomst geen werking zonder kostenbeding (met name door het bepaalde in artikel 7:405 lid 2 BW). Met de vernietiging van het kostenbeding kan de overeenkomst daarom niet in stand blijven.\n\nGevolgen oneerlijk kostenbeding en vernietiging (basis)overeenkomst4.18.. De tussenconclusie is dus dat de in februari 2024 gesloten overeenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] wordt vernietigd. Indien die vernietiging van de gehele overeenkomst uiterst nadelige gevolgen voor de consument zal hebben, kan aanvullend nationaal recht de mogelijkheid bieden een redelijke kostenvergoeding vast te stellen voor de wel uitgevoerde werkzaamheden door [eiser]. Uit niets is gebleken dat [gedaagde] nadelige gevolgen heeft van de vernietiging van de overeenkomst met [eiser] uit februari 2024. Er is dus geen directe aanleiding voor toepassing van aanvullend nationaal recht.\n\n4.19.. Niet uitgesloten is echter dat [eiser] na deze vernietiging van de overeenkomst met [gedaagde] op grond van een buitencontractuele grondslag een vordering kan instellen om alsnog vergoeding te krijgen voor de door haar verrichtte diensten, hetgeen zou kunnen leiden tot (rechts)onzekerheid bij [gedaagde] over de vraag of en zo ja welk bedrag zij uiteindelijk zal moeten betalen.\n\n4.20.. \n [eiser] heeft betoogd dat zij recht heeft op redelijk loon (artikel 7:405 lid 2 BW). Deze wettelijke bepaling uit het Nederlands recht kan echter niet worden toegepast in dit geval. Een redelijk loon dient te worden geraamd door de rechter. Dat is niet toegestaan volgens vaste jurisprudentie van het HvJ EU.\n\n4.21.. Ter zitting is [eiser] gevraagd of zij een andere mogelijkheid ziet om betaling van [gedaagde] te verkrijgen voor de door haar gewerkte uren. Daarop heeft [eiser] geantwoord in hoger beroep te gaan van een afwijzend vonnis.\n\n4.22.. In dit geval kan daarom in dit vonnis geen nationale bepaling van aanvullend recht worden aangewezen om een vergoeding voor [eiser] vast te stellen.\n\nAanvullende opdracht: kort geding4.23.. In september 2024 is gebleken dat ITA het in haar opdracht opgestelde onderzoeksrapport niet wilde delen met [gedaagde] . Daarop hebben [eiser] en [gedaagde] gesproken over het toen ontstane geschil tussen [gedaagde] en ITA over toegang tot dat onderzoeksrapport. [eiser] en [gedaagde] hebben gesproken over het instellen van een kort geding tegen ITA voor het verkrijgen van het onderzoeksrapport van het onafhankelijk bureau dat ITA heeft ingeschakeld. Voor deze aanvullende opdracht heeft [eiser] wel een inschatting gemaakt van de eventuele kosten die zij bij e-mail van 18 september 2024 aan [gedaagde] heeft medegedeeld (de kosten van de werkzaamheden voor het kort geding zijn geschat op € 10.000 exclusief btw). Voor deze opdracht heeft [eiser] dus wel voldaan aan haar informatieverplichting jegens [gedaagde] . Het kostenbeding voor deze aanvullende opdracht is daarom een transparant kernbeding. In dat geval behoeft niet nader te worden beoordeeld of het kostenbeding oneerlijk of onredelijk bezwarend is. [gedaagde] heeft de hoogte van het uurtarief en de door [eiser] uitgevoerde werkzaamheden voor dit kort geding ook niet ter discussie gesteld. Daarom dient [gedaagde] de redelijke kosten voor deze specifieke opdracht wel te betalen aan [eiser] .\n\n4.24.. Voor het vaststellen van de redelijke kosten (of het redelijk loon van artikel 7:405 lid 2 BW) sluit de rechtbank aan bij de periodieke overzichten van 3 oktober 2024 en 20 februari 2025 omdat die zicht geven op de werkzaamheden die in die periode voor het kort geding – en de nasleep daarvan – zijn uitgevoerd door [eiser] .\n\n4.25.. \n [gedaagde] heeft over de periodieke overzichten betoogd dat er heel veel tijd is geschreven voor telefoongesprekken met haar. Dat maakt de hoogte van de kosten in dit geval niet onredelijk. [eiser] heeft namelijk onweersproken betoogd dat [gedaagde] zich intensief inhoudelijk met de werkzaamheden voor de kortgedingprocedure heeft bezig gehouden. Dan is er ook aanleiding voor veelvuldig contact tussen [eiser] en [gedaagde] . Die contactmomenten – ongeacht in welke vorm – mag [eiser] in redelijkheid in rekening brengen bij [gedaagde] .\n\n4.25.1.. Uit het overzicht van 3 oktober 2024 blijkt dat [eiser] tussen 19 september 2024 en 3 oktober 2024 ongeveer 17 uren heeft gewerkt voor de opdracht voor het kort geding. Dit is dus € 3.400 exclusief btw.\n\n4.25.2.. \n\nVerder is het totaal van alle werkzaamheden tot dan op dat overzicht een bedrag van € 33.565,88 (exclusief btw) voor uren die [eiser] heeft gewerkt voor [gedaagde] .\n\nUit het overzicht van 20 februari 2025 blijkt dat [eiser] tot en met 10 februari 2025 (de datum waarop het kort geding is ingetrokken) voor in totaal € 48.011,16. (exclusief btw) voor [gedaagde] heeft gewerkt. Het verschil is € 14.445,28 (exclusief btw). De rechtbank gaat ervan uit dat al deze kosten (die dus zien op de periode van 3 oktober 2024 tot en met 10 februari 2025) zijn gemaakt in het kader van werkzaamheden die betrekking hadden op het kort geding en het voeren van onderhandeling over de ingestelde vordering. Dit sluit ook aan bij de beschrijvingen in de specificatie met de termen zoals ‘dagvaarding’ en ‘producties’ en ‘pleitnota’. De overige uren en kosten op het laatste overzicht zien op werk dat is verricht in het kader van de eerdere basisovereenkomst waar (zoals hiervoor overwegen, vanwege een oneerlijk kostenbeding) geen werking aan toekomt.\n\n4.25.3.. Het redelijk loon van [eiser] voor de opdracht tot het instellen van een kort geding wordt geraamd op € 3.400 + € 14.445,28 = € 17.845,28. Dit bedrag is aanzienlijk hoger dan de geschatte € 10.000 (exclusief btw). [eiser] heeft echter onweersproken gesteld dat de werkzaamheden voor dat kort geding zijn bemoeilijkt door het gedrag van [gedaagde] (zowel richting [eiser] als richting medewerkers van ITA), dat meer werkzaamheden nodig bleken te zijn voor het opstellen van processuele stukken (door de intensieve bemoeienis daarmee van [gedaagde] ) en door de onderhandelingen met ITA ter voorkoming van een mondelinge behandeling van het kort geding. Daarom worden de redelijke kosten voor de kortgedingprocedure vastgesteld op een bedrag van € 17.845,28 (exclusief btw). Daarbij komt een bedrag van € 116,72 (exclusief btw) aan deurwaarderskosten gemaakt op 6 november 2024.\n\nTussenconclusie over de vorderingen van [eiser] : gedeeltelijk toegewezen4.26.. Dit alles maakt dat [gedaagde] niet gehouden is alle gedeclareerde kosten voor de werkzaamheden van [eiser] te voldoen, maar wel de redelijke kosten die zijn gemaakt voor de juridische bijstand bij de kortgedingprocedure. De vordering tot betaling van de gedeclareerde kosten wordt toegewezen voor een bedrag van € 17.962 exclusief btw aan gewerkte uren en deurwaarderskosten voor de kortgedingdagvaarding. De gevorderde vermeerdering met wettelijke rente over dat bedrag wordt toegewezen (vanaf de dag van dagvaarding), met toepassing van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW.\n\n4.27.. Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten in conventie tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Dit geldt ook voor de door [eiser] gemaakte beslagkosten.\n\nTussenconclusie over de vorderingen van [gedaagde] : afgewezen4.28.. Uit de conventie volgt dat de algemene overeenkomst tussen partijen van 14 februari 2024 niet in stand kan blijven. Dit is echter anders voor de aanvullende opdracht uit september 2024 voor het instellen van een kort geding. Het kostenbeding van die overeenkomst is transparant. [eiser] is dus niet tekort gekomen in de nakoming van haar plichten uit de opdrachtovereenkomst met [gedaagde] voor zover het betreft door [gedaagde] gewenste kortgedingprocedure (de opdracht van september 2024). In conventie is beslist over het bedrag dat [gedaagde] aan [eiser] dient te voldoen voor die werkzaamheden.\n\n4.29.. Er is gelet op de beoordeling in conventie geen aanleiding om in dit vonnis de opdrachtovereenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] te ontbinden of het door [gedaagde] aan [eiser] te betalen bedrag anders te begroten.\n\n4.30.. \n [gedaagde] zal in reconventie als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden veroordeeld. Gelet op de samenhang van deze procedure met die in conventie worden de kosten aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op nihil.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin conventie5.1.. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 17.962 exclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag van dagvaarding (4 juni 2025) tot de dag van voldoening,\n\n5.2.. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,\n\n5.3.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.4.. wijst het meer of anders gevorderde af,\n\nin reconventie5.5.. wijst het gevorderde af,\n\n5.6.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] begroot op nihil.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. R.C.J. Hamming, rechter, bijgestaan door mr. R.E.R. Verloo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.\n\n HvJ EU 12 januari 2023, zaak C-395\u002F21, ECLI:EU:C:2023:14 (Uurtarief advocaat).\n\n Richtlijn 93\u002F13 EEG van de Raad, daarna aangepast in Richtlijn 2011\u002F83\u002FEU van het Europees Parlement en de Raad en vervolgens nader aangepast in Richtlijn (EU) 2019\u002F2161 van het Europees Parlement en de Raad, gerectificeerd PB L 017, 19 januari 2023 blz. 100.\n\n https:\u002F\u002Fregelgeving.advocatenorde.nl\u002Fcontent\u002Fde-advocaat-de-verhouding-tot-de-client\n\n HvJ EU 23 januari 2023, zaak C-395\u002F21, ECLI:EU:C:2023:14, punt 41.\n\n HvJ EU 23 januari 2023, zaak C-395\u002F21, ECLI:EU:C:2023:14, punt 44.\n\n Gerechtshof Amsterdam 26 november 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:3269, r.o. 2.6, en Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 25 maart 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:822, r.o. 6.11.\n\n Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 25 maart 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:822, r.o. 6.16.\n\n Hoge Raad 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:97, r.o. 3.2.1.\n\n HvJ EU 23 januari 2023, zaak C-395\u002F21, ECLI:EU:C:2023:14, punt 56.\n\n Bijvoorbeeld de route van ongerechtvaardigde verrijking, zoals ook is overwogen door de Hoge Raad 4 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1366 en ECLI:NL:HR:2024:1355.\n\n HvJ EU 12 januari 2021, zaak C-395\u002F21, ECLI:EU:C:2023:14, slotzin punt 68.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:2670","2026-03-16T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:55.708Z",{"id":147,"ecli":148,"slug":149,"caseNumber":54,"courtId":5,"decisionDate":150,"fullText":151,"summary":54,"language":7,"source":56,"sourceUrl":152,"sourceTimestamp":153,"parsedAt":59,"updatedAt":154},"1328","ECLI:NL:RBAMS:2026:6783","ecli-nl-rbams-2026-6783","2026-01-28T00:00:00.000Z","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht\n\nZaaknummer \u002F rolnummer: C\u002F13\u002F705132 \u002F HA ZA 21-687, C\u002F13\u002F712754 \u002F HA ZA 22-71 en C\u002F13\u002F712812 \u002F HA ZA 22-72\n\nHerstelvonnis van 28 januari 2026\n\nin de zaak C\u002F13\u002F705132 \u002F HA ZA 21-687 van\n\nde stichting\n\nSTICHTING EMISSION CLAIM,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\neiseres,\n\nadvocaat: mr. C. Jeloschek te Amsterdam,\n\ntegen\n\n1. de naamloze vennootschap\n\nSTELLANTIS N.V.,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\n2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nSTELLANTIS NEDERLAND B.V.,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\ngedaagden 1 en 2,\n\nadvocaat mr. A. Knigge te Amsterdam,\n\nen\n\nin de zaak C\u002F13\u002F712754 \u002F HA ZA 22-71 van\n\nde stichting\n\nSTICHTING CAR CLAIM,\n\ngevestigd te Rotterdam,\n\neiseres,\n\nadvocaat mr. P. Haas te Rotterdam,\n\ntegen de hiervoor onder 1 en 2 genoemde gedaagden en tegen\n\n4. de rechtspersoon naar buitenlands recht\n\nSTELLANTIS AUTO S.A.S.,voorheen PSA AUTOMOBILES S.A.,\n\ngevestigd te Poissy, Frankrijk,\n\n5. de rechtspersoon naar buitenlands recht\n\nAUTOMOBILES PEUGEOT S.A.,\n\ngevestigd te Poissy, Frankrijk,\n\n6. de rechtspersoon naar buitenlands recht\n\nAUTOMOBILES CITROËN S.A.S.,\n\ngevestigd te Poissy, Frankrijk,\n\n7. de rechtspersoon naar buitenlands recht\n\nGM DEUTSCHLAND HOLDINGS GMBH,voorheen ADAM OPEL GMBH,\n\ngevestigd te Frankfurt am Main, Duitsland,\n\n8. de rechtspersoon naar buitenlands recht\n\nOPEL AUTOMOBILE GMBH,\n\ngevestigd te Rüsselsheim am Main, Duitsland,\n\n9. de rechtspersoon naar buitenlands recht\n\nGENERAL MOTORS HOLDINGS LLC,\n\ngevestigd te Detroit (Michigan), Verenigde Staten van Amerika,\n\n10. de rechtspersoon naar buitenlands recht\n\nGENERAL MOTORS COMPANY,\n\ngevestigd te Detroit (Michigan), Verenigde Staten van Amerika,\n\ngedaagden 4 tot en met 10,\n\nadvocaat mr. A. Knigge te Amsterdam,\n\nen tegen\n\ngedaagden 11 tot en met 137,\n\nadvocaat mr. M.J. van Joolingen te ’s-Hertogenbosch,\n\nen\n\nin de zaak C\u002F13\u002F712812 \u002F HA ZA 22-72 van\n\nde stichting\n\nSTICHTING DIESEL EMISSIONS JUSTICE,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\neiseres,\n\nadvocaat mr. J.D. Edixhoven te Amsterdam,\n\ntegen de hiervoor onder 1, 2 en 4 tot en met 137 genoemde gedaagden.\n\nEiseressen zullen hierna afzonderlijk SEC, SCC en SDEJ worden genoemd. Gezamenlijk zullen zij de Stichtingen worden genoemd. Gedaagden 1, 2 en 4 tot en met 10 zullen hierna gezamenlijk Stellantis c.s. worden genoemd. Gedaagden 11 t\u002Fm 137 zullen hierna gezamenlijk de Autodealers worden genoemd.\n\n1. Het verzoek tot verbetering\n\n1.1.. Mr. J.D. Edixhoven heeft op 22 januari 2026 namens de Stichtingen erop gewezen dat in het vonnis van 21 januari 2026 in rechtsoverweging 3.26 en in het dictum onder 4.6 een verkeerd jaartal - 2025 in plaats van 2026 - is genoemd. Mr. Edixhoven heeft om herstel van deze kennelijke verschrijvingen verzocht.\n\n1.2.. De rechtbank heeft de andere partijen in de gelegenheid gesteld zich over dit verzoek uit te laten. Op 23 januari 2026 hebben mr. A. Knigge namens Stellantis c.s. en mr. M.J. van Joolingen namens de Autodealers aan de rechtbank laten weten in te stemmen met correctie van de kennelijke verschrijvingen.\n\n2. De beoordeling\n\n2.1.. Op grond van artikel 31 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering verbetert de rechter te allen tijde, op verzoek van een partij of ambtshalve, in zijn vonnis een kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent. Dit is het geval als het gaat om duidelijke verschrijvingen of fouten waarvan direct duidelijk is dat sprake is van een vergissing.\n\n2.2.. In het vonnis van 21 januari 2026 is sprake van een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent. De rechtbank zal het verzoek tot verbetering van het vonnis dan ook toewijzen als volgt.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n3.1.. bepaalt dat de laatste zin van rechtsoverweging 3.26 van het op 21 januari 2026 tussen partijen gewezen vonnis, waar staat\n\n“Dit betekent dat de zaak zal worden verwezen naar de rol van 25 maart 2025 voor het openstellen van de databank met software en het indienen van schriftelijke stukken.”\n\nwordt gewijzigd in\n\n“Dit betekent dat de zaak zal worden verwezen naar de rol van 25 maart 2026 voor het openstellen van de databank met software en het indienen van schriftelijke stukken.”\n\n3.2.. bepaalt dat in het dictum onder 4.6 van het op 21 januari 2026 tussen partijen gewezen vonnis, waar staat\n\n“bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 25 maart 2025voor het openstellen van de databank met software en het indienen van schriftelijke bewijsstukken door Stellantis c.s.,”\n\nwordt gewijzigd in\n\n“bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 25 maart 2026voor het openstellen van de databank met software en het indienen van schriftelijke bewijsstukken door Stellantis c.s.,”\n\n3.3.. bepaalt dat deze verbetering onder de vermelding van de datum 28 januari 2026 wordt vermeld op de minuut van het vonnis van 21 januari 2026,\n\n3.4.. verzoekt elk van partijen, voor zover zij dit niet al hebben gedaan, de ontvangen grosse dan wel het ontvangen afschrift van het vonnis van 21 januari 2026 na ontvangst van dit verbetervonnis aan de griffie van de rechtbank terug te sturen.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J.T. Kruis, mr. N.C.H. Blankevoort en mr. M. Wouters, bijgestaan door mr. S.C. Zum Vörde Sive Vörding, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026.\n\n Voor de gegevens van gedaagden 11 t\u002Fm 137 wordt verwezen naar het vonnis van 30 juli 2025.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6783","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:16.195Z",{"id":156,"ecli":157,"slug":158,"caseNumber":54,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":159,"summary":54,"language":7,"source":56,"sourceUrl":160,"sourceTimestamp":68,"parsedAt":59,"updatedAt":161},"376","ECLI:NL:RBAMS:2025:11498","ecli-nl-rbams-2025-11498","RECHTBANKAMSTERDAM\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZaaknummer: 11303388 \\ CV EXPL 24-11719\n\nVonnis van 8 april 2025\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nte [woonplaats] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\ngemachtigde: mr. J.G. Brands,\n\ntegen\n\n [gedaagde] (H.O.D.N. [bedrijf] ),\n\nte De Kwakel,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\ngemachtigde: mr. O. Saaliti.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 19 augustus 2024 met producties 1 tot en met 5, - de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 5.\n\n1.2.. Op 12 maart 2025 vond de mondelinge behandeling plaats. [eiser] was aanwezig met haar gemachtigde mr. Brands. Namens [gedaagde] is mr. Saaliti verschenen. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en door de griffier zijn aantekeningen gemaakt.\n\n1.3.. Ten slotte is bepaald dat een vonnis zal worden gewezen.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1.. \n [eiser] heeft een tweedehands auto gekocht van [gedaagde] . [eiser] stelt (samengevat) dat de auto een schadeverleden heeft en dat zij de auto nooit zou hebben gekocht als zij van het schadeverleden op de hoogte was geweest. [eiser] vordert in deze procedure terugbetaling van de volledige koopsom van € 11.000,00. Ook vordert zij betaling van herstelkosten van € 137,34 en onderzoekskosten van € 695,75, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. Tot slot vordert zij de wettelijke rente over voornoemde vorderingen. [gedaagde] voert aan dat hij niet wist dat de auto een schadeverleden had en betwist de ernst van de schade. De vorderingen van [eiser] zullen grotendeels worden toegewezen. Hierna wordt toegelicht waarom.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. \n [eiser] sloot op 24 maart 2024 een koopovereenkomst met [gedaagde] voor de koop van een tweedehands Citroën C3 uit 2021 (hierna: de auto) tegen betaling van € 11.000,00. De kilometerstand bedroeg op dat moment 48.590.\n\n3.2.. \n\nIn artikel IV, tweede gedachtestreepje van de koopovereenkomst tussen partijen is het volgende bepaald:\n\n“De verkoper [...] verleent op verzoek van de koper medewerking aan de inzage in de onderhoudshistorie van de auto.”\n\n3.3.. \n\nIn artikel IV, vijfde gedachtestreepje van de koopovereenkomst tussen partijen, is het volgende bepaald:\n\n“De auto heeft wel\u002Fgeen schade gehad (doorhalen wat niet van toepassing is).”\n\nBij deze bepaling is geen tekst doorgehaald.\n\n3.4.. \n\nAan het slot van artikel IV van de koopovereenkomst staat het volgende:\n\n“Als de auto wel schade heeft gehad, dan wordt hieronder de aard van de schade beschreven en de schaderapport(en) overhandigd.”\n\n [gedaagde] heeft daar het volgende geschreven:\n\n“Auto heeft geen mankementen of storing. Klant heeft auto gezien en gereden.”\n\n3.5.. Op 2 april 2024 liet [eiser] via WhatsApp aan [gedaagde] weten dat zij de onderhoudshistorie van haar auto niet online kon raadplegen en dat zij niet wist dat de auto is geïmporteerd uit het buitenland. Ook vroeg zij om bewijs van de juistheid van de kilometerstand en om het onderhoudsboekje.\n\n3.6.. Eveneens op 2 april 2024 gaf [gedaagde] een reactie op het bericht van [eiser] . Hij schreef – samengevat – dat [eiser] aan het kenteken had kunnen zien dat de auto is geïmporteerd, dat hij nadere informatie over de auto zou opvragen en de informatie zal toesturen. Op 5 april 2024 stuurde [gedaagde] een registratiebewijs van de kilometerstand.\n\n3.7.. Op 23 april 2024 liet [eiser] via WhatsApp aan [gedaagde] weten dat de auto motorproblemen had. Op 24 april 2024 reageerde [gedaagde] dat [eiser] de auto naar ‘Bosch Service’ kon brengen en dat zij de kosten van herstel naar [gedaagde] mocht opsturen.\n\n3.8.. \n [eiser] heeft [gedaagde] bij aangetekende brief van 13 mei 2024 in gebreke gesteld. [eiser] verzocht [gedaagde] om binnen twee weken informatie over de kilometerstand en onderhoudshistorie te verstrekken, alsmede de auto te repareren.\n\n3.9.. \n [gedaagde] heeft per brief van 31 mei 2024 gereageerd op de ingebrekestelling. [gedaagde] verwijst wat betreft de kilometerstand en onderhoudshistorie naar de onderhoudssticker en Citroën-dealer die op de sticker is vermeld. Ten aanzien van de gebreken voerde [gedaagde] aan dat deze reeds verholpen waren.\n\n3.10.. \n\n [eiser] heeft op 17 mei 2024 opdracht gegeven aan DEKRA om de auto te laten onderzoeken naar schades uit het verleden. De conclusie van het rapport luidt – voor zover relevant – als volgt:\n\n“Bij het onderzoek hebben wij vastgesteld dat het voertuig schade heeft opgelopen in het verleden, de schade is matig hersteld zoals hierboven in het rapport is beschreven.\n\nEr zijn diverse onderdelen nog beschadigd en diverse delen zijn met lijm vastgezet, tevens is de katalysator ernstig beschadigd en de passagiersairbag aansluitstekker is verlijmd aan de airbagunit.\n\nDe geconstateerde foutcodes dienen nader onderzocht te worden om de exacte oorzaak hiervan te kunnen vaststellen, hierna dienen de defecten deugdelijk hersteld te worden.”\n\nVerder staat in het rapport: “Bij het onderzoek constateerden wij een afwijkende pasvorm van de volgende voertuigdelen:\n\nDe voorbumper ten opzichte van de linker en rechter koplampunits;\n\nDe sierlijsten op de bumper;\n\nDe dagrijverlichting units;\n\nDe grille is beschadigd;\n\nDe sierlijsten van de linker- en rechter voorscherm zijn beschadigd;\n\nDe mistlampunit en de mistlamp sierlijst aan de rechter voorzijde zijn beschadigd en gelijmd;\n\nDe voorruit is vernieuwd door een niet origineel exemplaar vanaf fabriek;\n\nDe PVC onderplaat ter hoogte van de motor ontbreekt;\n\nDe PVC onderplaat ter hoogte van de radiateur ontbreekt;\n\nDe PVC wielkuip aan de rechter voorzijde is beschadigd.”\n\n3.11.. Bij brief van 27 juni 2024 heeft [eiser] een ontbindingsverklaring gestuurd aan [gedaagde] en aanspraak gemaakt op terugbetaling van de koopsom binnen twee weken na dagtekening van de brief. Aan de ontbindingsverklaring legde [eiser] het ernstige schadeverleden van de auto ten grondslag.\n\n4. De beoordeling\n\nConsumentenkoop\n\n4.1.. Vast staat dat [eiser] de auto als consument heeft aangeschaft en dat sprake is van een consumentenkoop in de zin van artikel 7:5 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).\n\nNon-conformiteit en ontbinding van de koopovereenkomst\n\n4.2.. De kern van het geschil tussen partijen is de vraag of het schadeverleden van de door [eiser] aangeschafte auto recht geeft op terugbetaling van de koopprijs. In dat verband moet worden bezien of [eiser] de koopovereenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden op 27 juni 2024. Op grond van artikel 7:22 BW kan de koper de koop ontbinden indien de auto niet aan de overeenkomst beantwoordt. Een auto beantwoordt volgens artikel 7:17 BW niet aan de koopovereenkomst als deze niet de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan de koper de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen. Een auto die niet aan de overeenkomst beantwoordt, is non-conform.\n\n4.3.. \n [eiser] stelt dat [gedaagde] haar ten onrechte niet heeft ingelicht over het schadeverleden van de auto en het feit dat het een importauto betreft. Ook verwijt zij [gedaagde] dat hij de onderhoudshistorie niet aan haar heeft verschaft. [eiser] stelt dat zij geen auto behoefde te verwachten met een schadeverleden zoals door DEKRA is vastgesteld. Zo blijkt uit het rapport dat diverse delen met lijm zijn vastgezet, dat de katalysator ernstig beschadigd is en dat de passagiersairbag aansluitstekker is verlijmd aan de airbagunit. [eiser] heeft de auto voor een marktconforme prijs van € 11.000,- gekocht. Als zij had geweten dat de auto een dergelijk schadeverleden kende, dan had zij de auto, mede gelet op de waardedaling, niet gekocht, zo stelt [eiser] .\n\n4.4.. Die laatste stelling wordt door [gedaagde] niet betwist. Ook betoogt [gedaagde] dat indien hij van het schadeverleden had geweten, hij dit had medegedeeld aan [eiser] . Vastgesteld wordt door de kantonrechter dat het schadeverleden van de auto een negatieve invloed heeft op de waarde en verhandelbaarheid van de door [eiser] aangeschafte auto.\n\n4.5.. \n [gedaagde] voert verder aan dat hij niet wist dat de auto een schadeverleden had. [gedaagde] verkocht de auto in opdracht van een derde (een zogenaamde consignatieverkoop) en daarvan was [eiser] volgens [gedaagde] op de hoogte. Verder voert [gedaagde] aan dat de auto weliswaar in het verleden schade heeft opgelopen, maar tijdens de koop volledig functioneerde en dat [eiser] veilig kon deelnemen aan het verkeer. Daarnaast heeft [eiser] vanaf het moment van aankoop tot het moment dat zij de auto liet onderzoeken door DEKRA ongeveer 3.000 kilometer gereden en heeft DEKRA tijdens haar proefrit in het kader van het onderzoek geen afwijkingen geconstateerd.\n\n4.6.. De kantonrechter overweegt dat [gedaagde] op zichzelf terecht aanvoert dat bij de vraag of een tweedehands auto aan de overeenkomst beantwoordt, moet worden betrokken of het gebruik van de auto een gevaar voor de verkeersveiligheid oplevert. Dit betekent echter niet dat een verkeersveilige auto per definitie conform is. Hetgeen [eiser] mocht verwachten op grond van de koopovereenkomst wordt ingekleurd aan de hand van de aard van de zaak en de mededelingen die [gedaagde] in dat verband heeft gedaan. Verder gaat het hier om een consumentenkoop waarbij de consument van een professionele verkoper een dure en technisch complexe zaak koopt. Deze verhouding is onevenwichtig. In het geval een marktconforme prijs wordt betaald mag een consument er op vertrouwen dat de auto voldoet aan de verwachtingen. Dit kan verder gaan dan de vraag of de auto rijdt en geen gevaar voor de verkeersveiligheid oplevert.\n\n4.7.. Het gaat hier om de aanschaf van een auto met een markconforme prijs. De consument is niet geïnformeerd over het feit dat het hier gaat om een schadeauto waarvan vast staat dat dit de waarde negatief beïnvloedt. Uit de koopovereenkomst volgt dat in het geval van schade hierover gerapporteerd zou worden (zie onder 3.4). Van een dergelijke rapportage is echter niet gebleken, terwijl wel degelijk sprake is van significante schade. Nu vast staat dat het schadeverleden belangrijke informatie betreft en door [gedaagde] op zijn minst is gesuggereerd dat van dergelijke schade geen sprake is, voldoet de auto niet aan hetgeen [eiser] mocht verwachten. Dat [gedaagde] de auto zou hebben verkocht in opdracht van een derde doet aan het voorgaande niets af. Daarbij blijkt uit niets dat [gedaagde] [eiser] voorafgaand aan de koop er van op de hoogte heeft gesteld dat het gaat om een consignatieverkoop.\n\n4.8.. Kortom, gelet op de aard van de zaak en de mededelingen van [gedaagde] ten tijde van de koop, behoefde [eiser] het ernstige schadeverleden niet te verwachten. Daarom wordt vastgesteld dat de auto non-conform is in de zin van artikel 7:17 BW. Overwogen is dat het schadeverleden invloed heeft op de waarde en verhandelbaarheid van de auto. Dit betekent dat herstel of vervanging in de zin van artikel 7:22 lid 2 BW onmogelijk was en [eiser] de koopovereenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden op 27 juni 2024.\n\nTerugbetaling koopsom met rente\n\n4.9.. \n [eiser] mocht de overeenkomst buitengerechtelijk ontbinden. Het gevolg hiervan is dat [gedaagde] de betaalde koopsom moet terugbetalen en de auto terug moet naar [gedaagde] . [gedaagde] zal daarom worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 11.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover te rekenen vanaf datum dagvaarding, (19 augustus 2024) tot de dag van volledige betaling. Het is aan [gedaagde] om de auto te komen ophalen, dan wel ervoor te kiezen dat [eiser] de auto op kosten van [gedaagde] bezorgt of laat bezorgen.\n\nHerstel- en onderzoekskosten met rente\n\n4.10.. \n\n [eiser] vordert ook vergoeding van schade bestaande uit herstelkosten van\n\n€ 137,34 en onderzoekskosten van € 695,75. De herstelkosten zien niet op het schadeverleden an sich, maar op de motorproblemen waar [eiser] op 23 april 2024 mee kampte (zie punt 3.7.). [gedaagde] heeft aangeboden dit gebrek te (laten) herstellen, zodat [eiser] niet gerechtigd is om het herstel door een derde laten plaatsvinden op kosten van [gedaagde] . Deze vordering zal daarom worden afgewezen.\n\n4.11.. De onderzoekskosten worden aangemerkt als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid in de zin van artikel 6:96 lid 2 sub b BW. Daarom zal de vordering tot vergoeding van de onderzoekskosten van € 695,75 worden toegewezen. De wettelijke rente hierover zal worden toegewezen, te rekenen vanaf datum dagvaarding (zijnde 19 augustus 2024) tot de dag van volledige betaling.\n\nProceskosten\n\n4.12.. \n [gedaagde] wordt (grotendeels) in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten.Deze kosten komen ten laste van het Rijk. De proceskosten van [eiser] worden zodoende begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n87,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n812,00\n\n(2 punten × € 406,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n135,00\n\nTotaal\n\n€\n\n1.034,00.\n\n4.13.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\nUitvoerbaarheid bij voorraad\n\n4.14.. De veroordeling in dit vonnis wordt, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit betekent dat de verplichting om aan dit vonnis te voldoen ingaat op het moment dat het is uitgesproken, totdat in een eventueel hoger beroep anders is beslist.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n5.1.. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 11.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover als bedoeld in artikel 6:119 BW, te rekenen vanaf 19 augustus 2024, tot de dag van volledige betaling,\n\n5.2.. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 695,75 aan onderzoekskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover als bedoeld in artikel 6:119 BW, te rekenen vanaf 19 augustus 2024, tot de dag van volledige betaling,\n\n5.3.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.034,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,\n\n5.4.. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n5.5.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.6.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. B.T. Beuving, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2025.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:11498","2026-07-13T00:28:26.728Z",20]