[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-amsterdam-insolvency-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":32,"total":16,"page":25,"limit":59},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},56,"Amsterdam","nl","amsterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},32,"insolvency-law-nl","Insolvency Law","NL","2026-07-08T16:53:14.213Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},3,{"min":18,"max":19},"2026-05-12T00:00:00.000Z","2026-06-30T00:00:00.000Z",[21,26,29],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122680","Burgerlijk Wetboek","art. 3:310 lid 1",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"122681","art. 2:210 lid 3",{"provisionId":30,"code":23,"article":31,"count":25},"122682","art. 6:109 lid 1",[33,43,51],{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":37,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":38,"summary":37,"language":7,"source":39,"sourceUrl":40,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":41,"updatedAt":42},"678","ECLI:NL:RBAMS:2026:6600","ecli-nl-rbams-2026-6600","","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nAfdeling privaatrecht\n\nfaillissementsnummer: C\u002F13\u002F26\u002F195 F\n\nTer griffie van deze rechtbank is op 19 mei 2026 een verzoekschrift met rekestnummer C\u002F13\u002F788026 \u002F FT RK 26\u002F206 ingekomen van:\n\n [verzoeker] handelend onder de naam [handelsnaam verzoeker] ,\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nverzoeker, hierna te noemen: [verzoeker] ,\n\nadvocaat mr. I.M.C.A. Reinders Folmer.\n\nHet verzoek strekt tot faillietverklaring van:\n\nbesloten vennootschap\n\n [schuldenaar] B.V.,\n\ningeschreven bij de Kamer van Koophandel onder [nummer] ,\n\nstatutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,\n\nvestigingsadres: [postcode 1] [vestigingsplaats] , [adres] ,\n\nhierna te noemen: [schuldenaar] .\n\n1. De procedure1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken:\n\nhet verzoekschrift van [verzoeker] van 19 mei 2026, met bijlagen;\n\nde aanvullende brief met bijlagen van [verzoeker] van 19 juni 2026;\n\nhet verweerschrift van [schuldenaar] van 22 juni 2026, met bijlagen.\n\n1.2.. Het verzoekschrift is op 23 juni 2026 behandeld. Daarbij is [verzoeker] bijgestaan door mr. Van Dam verschenen. Namens [schuldenaar] zijn mrs. D. van Rein en R.H. Dask verschenen.\n\n1.3.. Na de behandeling ter terechtzitting zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de woonplaats van de bestuurder van [schuldenaar] en het centrum van de voornaamste belangen (verder: COMI) van [schuldenaar] . Op 23 juni en 26 juni 2026 heeft mr. Van Rein e-mails naar de rechtbank gestuurd. Op 26 juni 2026 heeft mr. Van Dam een schriftelijke reactie naar de rechtbank gestuurd.\n\n1.4.. De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.\n\n2. De beoordeling2.1.. Allereerst dient de rechtbank vast te stellen of zij bevoegd is kennis te nemen van dit verzoek. Ingevolge artikel 3 lid 1 van verordening (EU) 2015\u002F848 (IVO) is hiervoor bepalend waar het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar gelegen is. Bij vennootschappen wordt, zolang het tegendeel niet bewezen is, de plaats van de statutaire zetel vermoed de COMI te zijn.\n\n2.2.. Vast staat dat [schuldenaar] een in Nederland gevestigde vennootschap is met als statutaire zetel [plaats 2] . Daarmee is (in beginsel) het Nederlandse faillissementsrecht op haar van toepassing. Dit is een vermoeden dat weerlegd kan worden. Daarvoor is slechts plaats indien aan de hand van objectieve, voor derden verifieerbare factoren kan worden aangetoond dat de werkelijke situatie verschilt van die welke de aanknoping bij de statutaire zetel wordt geacht te weerspiegelen.\n\n2.3.. De rechtbank stelt vast dat in de [schuldenaar] Investment Memorandum van maart 2026 als adres: ‘ [adres] , [postcode 1] [vestigingsplaats] , The Netherlands’ staat genoemd, dat in artikel 12.1 van de tussen partijen gesloten managementovereenkomst Nederlands recht van toepassing is verklaard en dat deze overeenkomst ook vermeld dat [schuldenaar] het hoofdkantoor te [vestigingsplaats] heeft, dat de meeste activiteiten van [schuldenaar] online plaatsvinden, dat de COO van [schuldenaar] , de heer [naam 1] , in Nederland werkzaam is, dat de vergaderingen in Nederland of online plaatsvonden en dat de contracten met buitenlandse partijen voor [schuldenaar] een Nederlands vestigingsadres vermelden. De hiertegenover genoemde omstandigheden dat dat de bestuurder, de heer [naam 2] , sinds 2021 niet langer als ingezetene in Nederland staat ingeschreven en een woonadres in [plaats 1] Portugal heeft, dat de werkzaamheden voor [schuldenaar] door [naam 2] voornamelijk vanuit Portugal worden verrichten, dat [schuldenaar] internationale klanten heeft en dat [naam 2] in Nederland inkomstenbelasting voor buitenlandse belastingplichtigen betaalt, zijn onvoldoende om het rechtsvermoeden dat de COMI in Nederland was gelegen te ontkrachten. [schuldenaar] laat in al haar uitingen naar derden blijken dat zij gevestigd is te [plaats 2] \u002FNederland. De rechtbank is dan ook bevoegd tot het uitspreken van het faillissement.\n\n2.4.. Voor het uitspreken van een faillissement is onder meer vereist dat summierlijk blijkt van een vorderingsrecht van de aanvrager. Vast staat dat partijen op 31 juli 2025 een managementovereenkomst zijn overeengekomen. [schuldenaar] heeft geen van de overeengekomen maandelijkse termijnen van € 12.000,00 exclusief btw aan [verzoeker] voldaan. [schuldenaar] blijft in gebreke met de betaling, omdat zij van mening is dat [verzoeker] zijn werkzaamheden niet naar behoren heeft uitgevoerd. Uit de werkzaamheden van [verzoeker] zijn geen leads en contracten voortgekomen. Verder stelt [schuldenaar] dat [verzoeker] niet aan zijn contractuele rapportageplicht heeft voldaan. [schuldenaar] stelt dat zij een tegenvordering heeft op [verzoeker] . Deze wil zij in een civiele procedure aanhangig maken. Ter zitting heeft [verzoeker] de stellingen van [schuldenaar] gemotiveerd weersproken. Volgens [verzoeker] was sprake van een inspanningsverplichting. Daar heeft hij aan voldaan. Er is nooit door [schuldenaar] aangegeven dat hij zijn werkzaamheden niet naar behoren uitvoerde. Daarbij heeft hij doorlopend gerapporteerd aan [naam 2] via Whatsapp en Google Chat. Verder waren er wekelijks managementmeetings, waarvan notulen zijn opgesteld. [verzoeker] heeft deze notulen ter zitting getoond aan de advocaten van [schuldenaar] .\n\n2.5.. Niet is gebleken dat [schuldenaar] heeft geklaagd over de wijze waarop de werkzaamheden door [verzoeker] werden uitgevoerd, voordat de ontbinding van de overeenkomst op 23 april 2026 werd ingeroepen. Ook is gebleken dat [verzoeker] aan bestuurder heeft gerapporteerd. Gelet op het voorgaande is summierlijk gebleken van een vorderingsrecht van [verzoeker] .\n\n2.6.. Voorts verlangt artikel 6 lid 3 Fw dat summierlijk is gebleken van een steunvordering. [verzoeker] heeft tijdens de behandeling stukken overgelegd waaruit blijkt dat sprake is van schulden aan [bedrijf] en aan [naam 3] . [schuldenaar] heeft de vordering van [naam 3] van € 15.000,00 erkend. Er is volgens [schuldenaar] navraag gedaan over de rente component, waardoor dit bedrag nog niet is betaald.\n\n2.7.. Gebleken is van het bestaan van meer dan één schuldeiser, terwijl tenminste één vordering (die van [verzoeker] ) opeisbaar is. Hierdoor is voldoende aangetoond dat [schuldenaar] verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen.\n\n2.8.. De rechtbank heeft acht geslagen op de artikelen 1, 2, 4, 6 en 14 van de Faillissementswet en zal het faillissement van [schuldenaar] uitspreken.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart [schuldenaar] B.V.voornoemd in staat van faillissement;\n\n- benoemt tot rechter-commissaris mr. V.G.T. van Emstede, rechter in deze rechtbank, en tot curator mr. M.W.J. ridder Huyssen van Kattendijke , [postcode 2] [plaats 2] , [postbus] ;\n\n- geeft aan de curator last tot het openen van de aan gefailleerde gerichte brieven en telegrammen.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. A.E. de Vos en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026 te 12:00 uur.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6600","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:42.807Z",{"id":44,"ecli":45,"slug":46,"caseNumber":37,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":47,"summary":37,"language":7,"source":39,"sourceUrl":48,"sourceTimestamp":49,"parsedAt":41,"updatedAt":50},"1865","ECLI:NL:GHAMS:2026:1799","ecli-nl-ghams-2026-1799","AMSTERDAM COURT OF APPEAL\n\nNetherlands Commercial Court of Appeal\n\nCase numbers Court of Appeal : 200.358.029\u002F01 and 200.358.754\u002F01\n\nCase number District Court : NCC C\u002F13\u002F768479\n\nJudgment given on 30 June 2026\n\nin the case with number 200.358.029\u002F01 of:\n\nDELTROIT DIRECTIONAL OPPORTUNITIES MASTER FUND LIMITED,\n\nGeorge Town, Cayman Islands,\n\nclaimant in appeal,\n\nclaimant in the incidental motion,\n\n(“Deltroit”),\n\nrepresented by S.C. Pepels, J.R. Berkenbosch and G. te Winkel, lawyers,\n\nagainst\n\nKROLL TRUSTEE SERVICES LIMITED,\n\nLondon, England,\n\ndefendant in appeal,\n\ndefendant in the incidental motion,\n\n(“Kroll”),\n\nrepresented by J.W. Volkers, W.N.M. Bouman and T.B. Klerks, lawyers,\n\n and\n\n1. SELECTA GROUP AG IN LIQUIDATION,\n\nCham, Switzerland,\n\n(the “Parent”),\n\n2. SELECTA GROUP B.V.,\n\nAmsterdam, the Netherlands,\n\n(the “Company”),\n\ninterested parties,\n\n(the Parent and the Company together: “Selecta”),\n\nrepresented by V.R. Vroom and B. Kemp, lawyers,\n\n3. SEAGULL BIDCO LIMITED,\n\nFolkstone, Kent, United Kingdom,\n\ninterested party,\n\n(“Seagull”),\n\nrepresented by E.R. Meerdink, F.J.L. Kaptein and R.G.A. Elkerbout-Kok, lawyers,\n\nand in the case with number 200.358.754\u002F01 of:\n\n1. CQS GLOBAL FUNDS (IRELAND) P.L.C.in respect of its sub-funds CQS Credit\n\nMulti Asset Fund, CQS Brunel Multi Asset Credit Fund and CQS Alternative Credit Fund,\n\nDublin, Ireland,\n\n2. CQS NEW CITY HIGH YIELD FUND LIMITED,\n\nSt. Helier, Jersey,\n\n3. MERCER QIF FUND P.L.C.in respect of its sub-fund Mercer Multi-Asset Credit Fund,\n\nDublin, Ireland,\n\n4. ALGEBRIS UCITS FUND P.L.C.,\n\nDublin, Ireland,\n\n5. FINECO ASSET MANAGEMENT DAC,\n\nDublin, Ireland,\n\nclaimants in appeal,\n\nclaimants in the incidental motion,\n\n(“CQS”),\n\nrepresented by C.B. Schutte, R. van den Berg and T.J.P.H. de Bekker, lawyers,\n\nagainst\n\nKROLL TRUSTEE SERVICES LIMITED,\n\nLondon, England,\n\ndefendant in appeal,\n\ndefendant in the incidental motion,\n\n(“Kroll”),\n\nrepresented by J.W. Volkers, W.N.M. Bouman and T.B. Klerks, lawyers,\n\nand\n\n1. SELECTA GROUP AG IN LIQUIDATION,\n\nCham, Switzerland,\n\n(the “Parent”),\n\n2. SELECTA GROUP B.V.,\n\nAmsterdam, the Netherlands,\n\n(the “Company”),\n\ninterested parties,\n\n(the Parent and the Company together: “Selecta”),\n\nrepresented by V.R. Vroom and B. Kemp, lawyers,\n\n3. SEAGULL BIDCO LIMITED,\n\nFolkstone, Kent, United Kingdom,\n\ninterested party,\n\n(“Seagull”),\n\nrepresented by E.R. Meerdink, F.J.L. Kaptein and R.G.A. Elkerbout-Kok, lawyers.\n\nDeltroit and CQS together: the “Appellants”.\n\nKroll, Selecta and Seagull together: the “Respondents”.\n\n1. Summary of the case\n\nBy judgment of 13 May 2025, the NCC District Court granted Kroll leave to transfer all the shares in the Company by way of a private enforcement sale pursuant to Article 3:251(1) Dutch Civil Code (DCC). The Appellants, who were not involved in the proceedings before the NCC District Court, filed an application for appeal with the NCC Court of Appeal requesting the Court to annul the judgment. Before their requests can be considered on the merits, the NCC Court of Appeal will in this interim judgment first decide (i) if Deltroit and CQS can be qualified as ‘interested parties’, and (ii) if there is ground to lift the applicable prohibition against appealing the judgment.\n\n2. The procedural history\n\n2.1.. The case file of the NCC Court of Appeal (“Court”) includes the following documents:\n\n­ the appeal against application ex Art. 3:251(1) DCC and the incidental motion to provide copies and access pursuant to Art. 195 and 195a Dutch Code of Civil Procedure (DCCP), including Exhibits nos. 1 to 40, of Deltroit, in the case with number 200.358.029\u002F01;\n\n­ the appeal against application ex Art. 3:251(1) DCC and the incidental motion to provide copies and access pursuant to Art. 195 and 195a DCCP, including Exhibits nos. 1 to 41, of CQS et al, in the case with number 200.358.754\u002F01;\n\n­ the statement of defence on admissibility of Kroll in both cases;\n\n­ the statement of defence on the admissibility of the appeals and the prohibition against appeal in pledge enforcement proceedings on the basis of Article 3:251(1) DCC, of Selecta, including Exhibits nos. 1 to 13, in both cases;\n\n­ the statement of defence on the admissibility of the appeals and the prohibition against appeal in Article 3:251(1) DCC proceedings, of Seagull, including Exhibits nos. 1 and 2, in both cases;\n\n­ the statement of submission of supplemental exhibits of Seagull, including Exhibits nos. 3 and 4, in both cases;\n\n­ the brief submitting additional exhibits of Selecta, including Exhibits nos. 14 to 19, in both cases;\n\n­ the brief submitting exhibits of Deltroit, including Exhibits nos. 41 to 53in the case with number 200.358.029\u002F01;\n\n­ the brief submitting exhibits of CQS, including Exhibits nos. 42 to 54, in the case with number 200.358.029\u002F01;\n\n­ the letters of Kroll, Selecta and Seagull dated 9 April 2026, in both cases, requesting the Court to refuse Exhibit 46 of Deltroit and Exhibit 47 of CQS, which request was denied during the hearing;\n\n­ the letter of Deltroit of 10 April 2026, in the case with number 200.358.029\u002F01.\n\n2.2.. The cases were heard together on 16 April 2026. Deltroit was represented by S.C. Pepels and G. te Winkel mentioned above, and by Q. Rook and E.L.R. Mendes Aguiar, lawyers. CQS was represented by C.B. Schutte and T.J.P.H. de Bekker mentioned above. Kroll was represented by its lawyers mentioned above. Selecta was represented by its lawyers mentioned above and by K. de Bruijn, lawyer. Seagull was represented by E.R. Meerdink and F.J.L. Kaptein mentioned above and by P. van der Veen, lawyer. The lawyers argued their case using pleading notes that are part of the case file.\n\n2.3.. Judgment regarding the admissibility of the appeals was subsequently set for today.\n\n3. The facts\n\nThe facts, in so far as relevant for this interim judgment, are as follows.\n\n3.1.. The Company heads the “Selecta Group”, a group of companies that operates a Europe-wide food technology business, amongst other things in the field of coffee roasting and coffee vending machines throughout Europe. The Company is a holding company for the operating companies of the Selecta Group. The shares in the Company were owned by the Parent until 11 June 2025, when the shares were sold to Seagull as part of a restructuring.\n\n3.2.. Prior to the aforementioned restructuring, the Selecta Group was financed by multiple layers of secured debt, with various levels of seniority, totalling approximately EUR 1,445.5 million including accrued but unpaid interest. Until 2025, the Selecta Group’s capital structure included:\n\na EUR 150 million super senior revolving credit facility dated 15 January 2018, maturing in January 2026 (the “RCF”);\n\nfirst-lien senior secured notes, publicly traded and held by individual noteholders through clearing agencies, representing an aggregate principal amount of EUR 810.3 million, governed by the 1L Indenture, maturing in April 2026 (the “1L Notes”);\n\nsecond-lien senior secured notes, publicly traded and held by individual noteholders through clearing agencies, representing an aggregate principal amount of EUR 370.1 million, governed by the 2L Indenture, maturing in July 2026 (the “2L Notes”).\n\n3.3.. An intercreditor agreement under English law dated 31 January 2018 (the “ICA”) governed, amongst other things, the rankings of the creditors under the financing arrangement and the enforcement of the transaction security.\n\n3.4.. Under the ICA, Kroll was appointed as agent and as security agent. Kroll held the notes and the security rights on behalf of certain of the Selecta Group’s creditors who were granted certain security instruments, including a first ranking share pledge over the entire issued share capital of the Company. Pursuant to the ICA and the deeds of pledge, Kroll had the authority to enforce the security, in accordance with their terms and upon instructions of the requisite majority of the applicable creditors, in case of an ‘enforcement event’, as defined in the ICA. Broadly stated, such event includes outstanding amounts under a financing instrument becoming immediately due and payable.\n\n3.5.. In January 2025, the Company failed to meet an interest payment obligation to the 1L Noteholders. However, the contractual grace period was extended by the requisite majority of holders under the 1L Notes. To address the Selecta Group’s liquidity shortfall, a EUR 50 million super senior short-term interim facility dated 10 January 2025 maturing on 22 May 2025 (the “IFA”) was put in place, provided by a group of the Selecta Group’s creditors (the “Majority Noteholders”). To address the Selecta Group’s financial issues, the Company, Kroll and the Majority Noteholders reached an agreement for the restructuring of Selecta Group’s debt.\n\n3.6.. On 30 April 2025, Kroll received notice of an event of default under the 1L Indenture from the Company. At the instruction of the Majority Noteholders, representing more than 50% of the aggregate principal amount of the 1L Notes, Kroll issued a notice to the Company resulting in the outstanding amounts in respect of the 1L Notes becoming immediately due and payable. On that same day, the Majority Noteholders instructed Kroll to enforce the pledge over the shares in the Company.\n\n3.7.. On 30 April 2025, Kroll filed an application with the NCC District Court in Summary Proceedings (“District Court”) requesting approval to enforce the pledge by means of sale of the shares in the Company to Seagull, as laid down in a share purchase agreement. This proposed private sale involved, in essence, Seagull paying a cash consideration of EUR 1 for all shares in the Company, and Seagull releasing the Selecta Group from a portion of its outstanding debt.\n\n3.8.. \n\nLater on 30 April 2025, Kroll issued a notification via the clearing agencies to the noteholders. This notice included, insofar as relevant, the following text:\n\n“NOTICE IS HEREBY GIVEN, in accordance with Section 7.05 (Notice of Defaults) of the Indenture, that the Trustee has received a notice from the Issuer dated 30 April 2025 (the “Issuer Notice”) in which the Issuer informed the Trustee that an Event of Default has occurred and is continuing under Section 6.01(a)(1) of the Indenture. The Security Agent has subsequently filed on 30 April 2025 a petition with the court in preliminary relief proceedings (voorzieningenrechter) of the Netherlands Commercial Court requesting its approval to enforce Transaction Security (as defined in the Intercreditor Agreement) over the shares of the Issuer without a hearing”.\n\n3.9.. Also on 30 April 2025, the Selecta Group announced in a press release that it had secured a “transformative recapitalisation agreement”, explaining that “ownership of Selecta Group will transfer to a Consortium of the Group’s existing long-term institutional investors” and that this transaction was to be “implemented using a controlled enforcement process”.\n\n3.10.. The proposed private sale was approved by the District Court in a judgment dated 13 May 2025 (the judgment challenged in appeal). The pledged shares in the Company were transferred to Seagull on 11 June 2025. Seagull was established by certain members of the Majority Noteholders for the purpose of this transfer. This transfer was part of a more comprehensive restructuring of the Company.\n\n4. The case in first instance\n\n4.1.. By application of 30 April 2025, Kroll, in its capacity as security agent and as pledgee, requested the District Court, by means of an immediately enforceable decision, to grant Kroll leave pursuant to Article 3:251(1) DCC to transfer the Shares (as defined in the application) to Seagull. In these proceedings, Selecta and Seagull were involved as interested parties.\n\n4.2.. The District Court granted the requested leave by judgment of 13 May 2025. The District Court considered that, under the circumstances, the proposed sale of the shares in the Company to Seagull is the best possible outcome and will deliver maximum value for the shares.\n\n5. The cases in appeal\n\n5.1.. The applications in appeal of Deltroit and CQS are virtually identical. Both parties request the Court to annul the judgment of the District Court and to re-adjudicate Kroll’s application, denying the request to enforce the share pledge over the shares in the Company, and to order that Kroll pay the costs of the proceedings in appeal.\n\n5.2.. Deltroit and CQS further request the Court, by incidental motion, to order the Respondents to provide them with a copy of the information listed in their application for appeal. As follows from the Court notice dated 17 September 2025, this incidental motion will not be decided on in this interim judgment.\n\n5.3.. The Respondents each request – in summary – that the Court declare Deltroit and CQS inadmissible or dismiss their appeals, and order Deltroit and CQS to pay the costs of the proceedings.\n\n6. The issues: “interested party” and prohibition against appeal\n\n6.1.. In this first phase of the proceedings, the Court will rule on the admissibility of the appeals, more specifically on the qualification of ‘interested party’ and the prohibition against appeal, based on statutory provisions of the DCC and related Supreme Court case law. These matters are governed by Dutch civil procedural law.\n\n6.2.. The Respondents each argue that the Appellants should be declared inadmissible or, alternatively, their appeal should be dismissed. They come to this conclusion because (i) the Appellants are not ‘interested parties’ and therefore not competent to lodge an appeal pursuant to Article 358(2) DCCP, and (ii) there are no grounds for lifting the prohibition against appeal judgments in proceedings based on Article 3:251 DCC.\n\nInterested party\n\n6.3.. Article 358(2) DCCP stipulates that an appeal against a judgment is open to the parties to the proceedings and to interested parties who appeared in the proceedings, as well as to other interested parties (belanghebbenden). As Deltroit and CQS were not parties to the proceedings before the District Court, it must be assessed whether they qualify as interested parties within the meaning of Article 282(1) DCCP.\n\n6.4.. It must first be noted that Article 282(1) DCCP does not specify who qualifies as an interested party in application proceedings. Whether or not the Appellants are interested parties must be derived from the nature of the proceedings and the related statutory provisions (Supreme Court 25 October 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0387). In determining whether a person is an interested party, the extent to which that party may be affected in its own interest by the outcome of the proceedings must be considered, or the extent to which they are otherwise so closely involved, or have been involved, with the subject matter being dealt with that there is an interest in appearing in the proceedings (Supreme Court 6 June 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9440).\n\n6.5.. The Court will therefore assess in light of the objective and the scope of the relevant proceedings, i.e. the proceedings pursuant to Article 3:251(1) DCC, whether the Appellants qualify as interested parties. These proceedings concern the execution of pledged assets by means other than a public auction, as regulated in Article 3:250 DCC. The objective of a public auction (Article 3:250 DCC) is to yield the highest possible proceeds and to minimise the risk that the enforcing pledgee might collude with the purchaser of the secured assets to the detriment of the pledgor and the other creditors. There may exist valid reasons, however, to sell the pledged shares by another procedure than a public auction, such as a private sale. Such other procedure is provided for in Article 3:251(1) DCC, for which leave from the court in summary proceedings is required. The underlying purpose of both Article 3:250 and 3:251(1) DCC is that the interests of the pledgor and the other creditors are safeguarded as much as possible. If leave for a private sale is requested pursuant to Article 3:251(1) DCC, it is for the court in summary proceedings to assess if their interests are sufficiently safeguarded in that private sale (Supreme Court 22 June 2018, ECLI:NL:HR:2018:972).\n\n6.6.. Considering the aforementioned rationale of Article 3:251(1) DCC, the Court sees no ground for limiting the concept of ‘interested parties’ to the formal parties to the share pledge and formal holders of a security right, attachment or other limited right, as argued by the Respondents.\n\n6.7.. The Respondents point out that Deltroit and CQS as individual beneficial noteholders do not hold the notes themselves, as these are legally held by the registered holder. The Court finds that this does not necessarily entail that they are not to be considered interested parties. The Court considers that the position of Deltroit and CQS in relation to the enforcement sale proceedings, under the circumstances outlined by the Appellants, is comparable to the position of creditors whose interests have to be safeguarded (as mentioned in Supreme Court 22 June 2018, ECLI:NL:HR:2018:972) and that they have a right to be heard as interested parties. Moreover, the Appellants have extensively and rightly argued that their legal and economic interests are directly affected by the outcome of the proceedings before the District Court.\n\n6.8.. In short, the Appellants state the following. The Appellants were both 1L Noteholders, in an aggregate amount of approximately EUR 31 million. They argue that whilst prior to restructuring all holders of 1L Notes had the same rights and interests, the Majority Noteholders after the restructuring held the highest ranking, most secured and first repaid notes, while the Appellants only held 3O Notes. This was effectuated by first exchanging all 1L Notes for new lower value third priority notes (“3O Notes”) issued by Seagull. After this exchange, the Majority Noteholders were able to exchange their own 3O Notes for more valuable first priority notes (“1O Notes”). The other noteholders holding the minority of the shares, including Deltroit and CQS, were later also offered to exchange their 3O Notes for 1O Notes. This offer, however, included unacceptable non-market conditions that could only further benefit the Majority Noteholders. The result of this restructuring, that was engineered and effectuated behind the backs of the minority noteholders, is that the recovery position of the minority noteholders vis-à-vis the Company has decreased substantively. It was only in mid-June 2025 that the minority noteholders including the Appellants were confronted with a fait accompli. According to the Appellants, the Respondents did not properly inform the District Court of this unreasonable and discriminatory result of the proposed sale, as the District Court would not have allowed such result without hearing the prejudiced parties, i.e. the minority noteholders including Deltroit and CQS.\n\n6.9.. The Respondents contest the various allegations made by the Appellants. However, they do not dispute the outlined general restructuring method as such, pursuant to which the Appellants as holders of 1L Notes, amongst others, were to receive notes issued by a third party on substantially different terms and that hence the economic position of the Appellants was affected by the proposed restructuring in respect of which the District Court’s permission was sought. Nor do the Respondents dispute that the leave granted by the District Court played an indispensable role in the restructuring process. Given these circumstances, the Appellants clearly may be affected in their own interest by the outcome of the proceedings, even though: (i) they are individual beneficial noteholders and the notes are legally held by the registered holder, and (ii) the share pledges were granted in favour of Kroll as Security Agent under the ICA. Therefore, the Appellants are to be considered interested parties, who may express their view on the arguments of the Respondents in the request pursuant to Article 3:251(1) DCC. Their specific interests as beneficial noteholders are sufficient to warrant their participation in the proceedings to protect that interest, given the impact of the resulting judgment.\n\n6.10.. The Court acknowledges that Article 3:251(1) DCC aims to achieve definitive legal certainty about the sale of the pledged assets within a short term, as the Respondents argue. This – legitimate – objective however does not relieve the court in summary proceedings of its responsibility to identify who the interested parties are and to summon these parties to appear in the proceedings pursuant to Article 279(1) DCCP.\n\n6.11.. \n\nThe Respondents further argue that the terms of the relevant contractual documentation lead to the conclusion that the Appellants cannot be qualified as interested parties. They refer in this context to the ICA, which restricts individual creditors to pursue enforcement action, and the 1L Indenture, which contains a ‘no action’ clause.\n\nThis argument has no merit in this phase of the proceedings. Leaving aside that the Appellants dispute that these clauses prevent them from participating in the present proceedings as interested parties, the contractual restrictions in the ICA and the 1L Indenture cannot set aside the obligation of the court in summary proceedings to consider the interests of the Appellants (as interested parties) pursuant to Article 3:251 DCC. Consequently, the Court will uphold the protection of the interests of Appellants resulting from this statutory obligation.\n\nProhibition against appeal\n\n6.12.. In principle, a judgment granting leave pursuant to Article 3:251(1) DCC is not open to appeal (Supreme Court 17 June 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1401, Rabobank\u002FSporting Connection, par. 3.2). However, according to settled case law, the prohibition against appeal may be lifted under certain conditions (doorbrekingsgronden). The prohibition can be lifted if the relevant lower court: (i) acted beyond the scope of the relevant statutory provision, i.e. Article 3:251(1) DCC, (ii) wrongly failed to apply that provision, or (iii) disregarded such fundamental procedural forms that the proceedings cannot be considered fair and impartial (Supreme Court 29 March 1985, ECLI:NL:HR:1985:AG4989).\n\n6.13.. The Appellants argue that two of the grounds for lifting the prohibition against appeal are applicable in the present proceedings. Firstly, they argue that their fundamental right to be heard has been breached, and secondly, that the District Court acted outside the scope of Article 3:251(1) DCC. Given that the Appellants have invoked these grounds, they are admissible in their appeal (Supreme Court 17 June 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1401, Rabobank\u002FSporting Connection, par. 3.4).\n\n6.14.. The Court finds that the first ground brought forward by the Appellants is well-founded. It is undisputed that the Appellants were not summoned by the District Court as interested parties in accordance with the requirements of the DCCP. By not summoning the Appellants and ruling on Kroll’s application without giving them the opportunity to express their views, the District Court failed to observe the Appellants’ rights as interested parties.\n\n6.15.. Even if the Appellants had knowledge of the District Court’s share pledge proceedings through the notice by Kroll of 30 April 2025 sent via the clearing agencies, as the Respondents argue and as Deltroit disputes, this knowledge would not change the findings of the Court since this notice does not qualify as a notice to appear within the meaning of Article 272 DCCP. This equally applies to the press release of the same date, which does not mention the District Court, and to any correspondence between the Appellants and Selecta’s advisors regarding the Company’s financial situation. The Appellants were allowed to await formal notice from the District Court regarding the application and the course of the proceedings. Therefore, not taking immediate action in response to the notice of 30 April 2025 does not impair their entitlement to invoke this ground to lift the prohibition against appeal.\n\nConclusion and next steps\n\n6.16.. The considerations above lead to the conclusions that Deltroit and CQS are to be regarded as interested parties and that the prohibition against appeal is to be lifted.\n\n6.17.. The Court notes that Article 290(1) DCCP stipulates that the Appellants, as interested parties, are entitled to inspect and receive copies of the documents in the case file. As this right follows from the law, a request to that end, or the grant of such request, appears to be unnecessary. The Court assumes that the Respondents will provide a copy of the case file to the Appellants.\n\n6.18.. Following this interim judgment, the cases may be dealt with on the merits in the next phase. The next step would be for the Respondents to submit a statement of defence on the merits. However, it may be useful to first hold a case management conference in order to discuss the further course of the proceedings. The Court suggests that the parties consult each other and – if possible – provide the Court with a joint proposal. Each party may inform the Court in this respect by submitting a brief, simultaneously, of no more than 5 pages.\n\n6.19.. At the hearing of 16 April 2026, the possible wish to lodge an interim Supreme Court appeal was discussed. Based on what the parties have brought forward, the Court will allow an interim Supreme Court appeal against this judgment.\n\n6.20.. All further decisions, including those regarding the cost orders, will be stayed.\n\n7. The decision\n\nThe NCC Court of Appeal:\n\n7.1.. declares Deltroit and CQS admissible in their appeals against the judgment of the District Court of 13 May 2025;\n\n7.2.. rules that an interim Supreme Court appeal may be lodged against this judgment;\n\n7.3.. directs the parties to submit the briefs as set out in paragraph 6.19, via eNCC, no later than 28 July 2026.\n\nDone by C.A. Joustra, P.M. Arnoldus-Smit and A.C. Metzelaar, appeal judges, assisted by the Clerk of the Court.\n\nIssued in public on 30 June 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1799","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:42.723Z",{"id":52,"ecli":53,"slug":54,"caseNumber":37,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":55,"summary":37,"language":7,"source":39,"sourceUrl":56,"sourceTimestamp":57,"parsedAt":41,"updatedAt":58},"863","ECLI:NL:GHAMS:2026:1520","ecli-nl-ghams-2026-1520","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nafdeling civiel recht en belastingrecht\n\nzaaknummer : 200.301.531\u002F01\n\nzaak-\u002Frolnummer rechtbank : C\u002F13\u002F676708\u002FHA ZA 19-1328\n\narrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 12 mei 2026\n\ninzake\n\n [appellant],\n\nIn zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [appellant],\n\ngevestigd te [plaats 1] ,\n\nappellant,\n\nadvocaat: mr. J.P.M.Borsboom te Rotterdam,\n\ntegen\n\n1. [geïntimeerde 1] ,\n\nwonende te [plaats 2] ,\n\nadvocaat: mr. M.S.J. Supičić te Amsterdam,\n\n2. [geïntimeerde 2].,\n\ngevestigd te [plaats 3] ,\n\nadvocaat: mr. P.H. Kramer te Amsterdam,\n\n3. [geïntimeerde 3],\n\nwonende te [plaats 3] ,\n\nadvocaat: mr. P.H. Kramer te Amsterdam,\n\ngeïntimeerden.\n\nPartijen worden hierna de curator respectievelijk [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] genoemd. De gefailleerde vennootschap wordt [naam] genoemd.\n\n1. De zaak in het kort\n\n [geïntimeerde 1] is in de periode 2006-2010 bestuurder geweest van [naam] , een vennootschap die is opgericht vanwege het gunstige Nederlandse fiscaal regime. [naam] ontplooide geen ondernemingsactiviteiten en genereerde geen eigen inkomsten. [naam] behoorde tot de Russische Areti-groep. Tijdens het bestuurderschap van [geïntimeerde 1] zijn, met gebruikmaking van door [geïntimeerde 1] verstrekte volmachten, leningen ten bedrage van USD 186 miljoen verstrekt aan drie vennootschappen in Belize en is een bedrag van USD 14 miljoen aan advieskosten betaald aan een vennootschap op Bermuda. Het totaalbedrag betrof (in ieder geval: vrijwel) het gehele vermogen van [naam] . [geïntimeerde 3] heeft in de desbetreffende periode als advocaat een aantal werkzaamheden verricht. De leningen zijn nooit terugbetaald en er is nooit rente betaald. De Belastingdienst heeft [naam] in verband met de leningen aanslagen Vpb opgelegd die onbetaald zijn gebleven. De curator acht [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] aansprakelijk voor het verdwijnen van het vermogen van [naam] en heeft op basis daarvan een aantal vorderingen tegen hen ingesteld. Aan [geïntimeerde 2] verwijt de curator het faciliteren van de onttrekking en [geïntimeerde 2] is in zijn visie bovendien aansprakelijk als werkgever van [geïntimeerde 3] . De rechtbank heeft de vorderingen van de curator afgewezen. Het hof heeft reeds eerder geoordeeld dat de vorderingen tegen [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 2] niet toewijsbaar zijn. Met betrekking tot de meer subsidiaire vordering tegen [geïntimeerde 1] (het bedrag van de vpb 2009) heeft het hof nadere memoriewisseling nodig geacht. Bij dit arrest worden de formele verweren tegen de vordering verworpen (verjaring, decharge) en wordt de vordering, na matiging, toegewezen tot een bedrag van € 100.000,-.\n\n2. Het geding in hoger beroep\n\nVoor het geding in hoger beroep tot 1 april 2025 verwijst het hof naar zijn op die datum uitgesproken tussenarrest en de daarin vermelde stukken.\n\nNa dat arrest hebben de curator en [geïntimeerde 1] gelijktijdig een nadere memorie genomen. De curator heeft daarbij producties overgelegd. Zij hebben vervolgens bij antwoordmemorie (die van de curator: met producties) op elkaars memories gereageerd.\n\nDaarna is weer arrest gevraagd.\n\n3. Verdere beoordeling\n\nInleiding\n\n3.1.. Bij het tussenarrest van 1 april 2025 heeft het hof reeds geoordeeld dat de op de vorderingen tegen [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 2] betrekking hebbende grieven geen doel treffen en deze vorderingen niet voor toewijzing vatbaar zijn maar dat de beslissing in een dictum zal volgen als ook op de vordering tegen [geïntimeerde 1] kan worden beslist. Dat is nu het geval zodat het vonnis van de rechtbank, waarbij de vorderingen tegen [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 2] zijn afgewezen, in zoverre zal worden bekrachtigd.\n\n3.2.. Met betrekking tot de vordering tegen [geïntimeerde 1] heeft het hof de vordering op de grondslag van artikel 6:162 BW niet toewijsbaar geacht en de grieven II tot en met IX van de curator gegrond geacht voor zover daarmee wordt geklaagd over de verwerping van de vordering op de grondslag van artikel 2:9 BW, maar overwogen dat over de door [geïntimeerde 1] aangevoerde formele verweren en over de schadeomvang nog nadere uitwisseling van standpunten nodig is. Deze uitwisseling van standpunten heeft plaatsgevonden in de nadere memories van de curator en [geïntimeerde 1] en de antwoordmemories in reactie daarop.\n\nDe vordering uit hoofde van artikel 2:9 BW tegen [geïntimeerde 1]\n\nDe formele verweren\n\nHet beroep op verjaring\n\n3.3.. Het hof heeft nader debat nodig geacht over de vraag of de schadevordering van de curator die ziet op specifiek het bedrag van de onverhaalbaar gebleven belastingschuld van [naam] die is komen te ontstaan in de periode dat [geïntimeerde 1] bestuurder van [naam] is geweest, is verjaard en over de betekenis van de aan [geïntimeerde 1] door de vergadering van aandeelhouders verleende decharge.\n\n3.4.. Artikel 3:310 lid 1 BW bepaalt dat een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Dit impliceert in de eerste plaats dat de schade moet zijn ontstaan. Naar vaste rechtspraak vangt de termijn voorts pas aan als de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van schade in te stellen.\n\n3.5.. In het onderhavige geval spitst de discussie over de schade zich thans toe op het bedrag van de belastingschuld die voor [naam] tijdens het bestuurderschap van [geïntimeerde 1] is ontstaan. Het hof merkt daarbij nog op dat het niet gaat om de belastingschuld zelf (daarvoor is [geïntimeerde 1] niet rechtstreeks jegens [naam] aansprakelijk). Het gaat erom dat de belastingvordering niet kon worden betaald en de vennootschap met een schuld is blijven zitten die zij niet had behoren te hebben. Immers het hele vermogen is uit de vennootschap verdwenen maar het bedrag van de voorzienbare fiscale schuld had daar moeten blijven of voldoening van de schuld had op een andere manier zeker gesteld moeten worden. In de verhouding tussen [naam] en [geïntimeerde 1] is het moment van het ontstaan van de schade te stellen op het moment waarop de belastingdienst daadwerkelijk aanspraak maakte op betaling van de Vpb 2009.\n\n3.6.. De materiele belastingschuld is geformaliseerd in de aanslag Vpb 2009 van 13 oktober 2012. De belastingdienst werd daarmee inningsbevoegd. De belastingdienst is echter niet direct tot inning overgegaan en heeft naar aanleiding van het door [naam] ingediende bezwaar tegen de aanslag het verzoek van [naam] om uitstel van betaling gehonoreerd voor de duur van de bezwaarprocedure. Met de curator is het hof van oordeel dat de schade voor [naam] geacht moet worden te zijn ontstaan toen de belastingdienst na de verwerping van het bezwaar op 27 juli 2017 bij brief van 23 augustus 2017 aan [naam] heeft laten weten dat het verleende uitstel van betaling in verband met de beslissing op het bezwaarschrift was komen te vervallen. Op dat moment stond de aanslag wat de belastingdienst betrof vast en de brief bevat de aanzegging binnen tien dagen te betalen. De belastingdienst heeft bij brief van 23 oktober 2017 ook medegedeeld dat actief verder zal worden gegaan met invordering van de belastingschuld. Verdere verzoeken om uitstel van betaling en verzoeken om kwijtschelding van de aanslag zijn afgewezen.\n\n3.7.. Op 23 augustus 2017 was derhalve sprake van een belastingvordering waarvoor voor [naam] geen uitstel meer gold en die zij niet kon betalen. De curator heeft aangevoerd dat [naam] na het aftreden van [geïntimeerde 1] tot aan het faillissement steeds bestuurd is geweest door partijen die zijn aangesteld, gecontroleerd en geïnstrueerd door de aandeelhouder, de Areti-groep, die zelf betrokken was bij de constructie. Hij heeft betoogd dat hij de eerste objectieve betrokkene was die kennis kreeg van wat was gebeurd, de eerste die bekend werd met de schade en de aansprakelijke persoon en de eerste die namens [naam] in staat was tegen haar voormalig bestuurder [geïntimeerde 1] een rechtsvordering tot schadevergoeding in te stellen. In het midden kan blijven of dit betoog ertoe leidt dat moet worden uitgegaan van een latere aanvangsdatum voor de verjaring dan 23 augustus 2017 omdat ook wanneer van laatstgenoemde datum wordt uitgegaan, de vordering niet is verjaard. De curator heeft [geïntimeerde 1] immers op 20 november 2019 gedagvaard. Het beroep van [geïntimeerde 1] op verjaring wordt dus verworpen.\n\nHet beroep op decharge\n\n3.8.. \n [geïntimeerde 1] heeft zich tevens beroepen op de decharge die hem is verleend in een buitengewone aandeelhoudersvergadering. In eerste aanleg heeft hij de notulen van die die vergadering, van 22 februari 2010, overgelegd. De curator heeft aangevoerd dat de decharge niet voldoet aan de statutaire eisen en gewezen op artikel 17.3 van de statuten van [naam] waarin staat dat vaststelling van de jaarrekening door de algemene vergadering van aandeelhouders strekt tot decharge van haar bestuur (tenzij de algemene vergadering daarvoor een voorbehoud maakt). Hij wijst erop dat de jaarstukken 2008 en 2009 pas na de decharge zijn opgesteld, respectievelijk op 19 augustus 2011 en 21 november 2011.\n\n3.9.. Artikel 2:210 lid 3 BW bepaalt (en bepaalde ook al ten tijde van de vaststelling van de jaarrekeningen 2008 en 2009) dwingendrechtelijk dat vaststelling van de jaarrekening niet tot kwijting aan een bestuurder strekt. Decharge moet afzonderlijk worden geagendeerd. Anders dan de curator aanvoert hoeft een dechargebesluit dat bij het defungeren van een bestuurder voorziet in een finale decharge niet te wachten op de vaststelling van de eerstvolgende jaarrekening.\n\n3.10.. De volgende vraag is of [geïntimeerde 1] zich met succes kan beroepen op de hem verleende decharge. Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend. [geïntimeerde 1] wordt in het onderhavige geval aangesproken in verband met handelingen van de aandeelhouder waarmee deze op grond van door [geïntimeerde 1] verstrekte volmachten over het gehele vermogen van [naam] heeft beschikt en waarop [geïntimeerde 1] geen zicht heeft gehad maar wel had moeten houden. Dit heeft tot gevolg gehad dat een onverhaalbare fiscale schuld is ontstaan. De benadeling van de fiscus weegt te meer zwaar nu [naam] een fiscaal vehikel betreft en verder geen banden heeft met Nederland. Onder deze omstandigheden is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [geïntimeerde 1] zich beroept op een hem door diezelfde aandeelhouder verleende decharge. Dit beroep wordt dus verworpen.\n\nDe schade\n\n3.11.. Nu de formele verweren van [geïntimeerde 1] tegen de vordering op grond van artikel 2:9 BW worden verworpen, dient te worden bepaald welke schade kan worden toegerekend aan het handelen van [geïntimeerde 1] in strijd met genoemd artikel en of er gronden zijn voor matiging daarvan.\n\n3.12.. In het tussenarrest van 1 april 2025 heeft het hof met betrekking tot het ernstige verwijt dat [geïntimeerde 1] kan worden gemaakt overwogen dat dat is gelegen in het volledig loslaten van zijn bestuurlijke taken en verantwoordelijkheden. Meer in het bijzonder heeft hof geoordeeld dat [geïntimeerde 1] zich rekenschap had moeten geven van de fiscale verplichtingen die voor [naam] konden ontstaan op grond van feiten die zich tijdens zijn bestuurderschap voordeden. Meer concreet gaat het dan om de aanslag Vpb 2009 die verband houdt met de rente die moest worden betaald over de aan de vennootschappen te Belize verstrekte geldleningen.\n\n3.13.. \n [geïntimeerde 1] heeft in zijn memorie na tussenarrest betoogd dat hij niet aansprakelijk kan worden gehouden voor het bedrag van deze aanslag. Voor zover hij daarmee de grond voor aansprakelijkheid zelf betwist, is dit te laat omdat het hof hierover al bindend heeft beslist. Gebondenheid aan de beslissing zou uitzondering kunnen leiden als sprake is van een evidente feitelijke of juridische misslag, als de beslissing berust op een, niet aan [geïntimeerde 1] toe te rekenen, onjuiste feitelijke grondslag of als gebondenheid aan de beslissing anderszins onaanvaardbaar zou zijn.\n\n3.14.. \n [geïntimeerde 1] heeft, verspreid over de memorie, kort gezegd het volgende aangevoerd. Itera financierde de activiteiten van de Iteragroep met betrekking tot de Siberische olie- en gasbelangen in concernverband. Wat in de dagvaarding is gesteld is incompleet, misleidend en onvolledig. Uit niets is gebleken dat de verhanging na 28 maart 2008 gepaard is gegaan met feitelijke betaling, er was sprake van verhanging binnen de groep met schuldvernieuwing, Dit geldt ook voor de Belize-betalingen. Aannemelijk is dat de betaling van de leningen door de Itera-groep is gedaan. Na de eventuele betalingen aan Belize was er nog een aanzienlijk saldo op de rekening van [naam] , Niet uit te sluiten is dat er ook nog van andere vorderingen van [naam] op Itera sprake was. Ook de saldi op de Cypriotische [naam] rekeningen waren van Itera afkomstig. De curator heeft een en ander niet onderzocht en [geïntimeerde 1] beschikt niet over een dossier. Aannemelijk is dat de betalingen aan de Belize-vennootschappen niet alleen door de moeder zijn geïnstrueerd maar ook van haar afkomstig waren\u002Fdoor haar waren gefinancierd. Dat betekent dat het vermogen van [naam] niet verwijtbaar is aangetast of weggemaakt en niet was te verwachten dat niet aan de fiscale verplichtingen kon worden voldaan. [geïntimeerde 1] heeft telkens de aanwezigheid van investeringen respectievelijk gunstige\u002Fonbelaste constructies meegewogen. Er was destijds geen uitzicht op een harde fiscale vordering. [geïntimeerde 1] mocht op een correcte bedrijfsvoering door Itera in het belang van haar dochtervennootschappen afgaan. Hem ontbrak het totaaloverzicht zoals later zichtbaar is geworden. Als het verkapt dividend was moet het ervoor worden gehouden dat er dividendvrijstelling was, [geïntimeerde 1] gaf voor de leningen ook slechts een voorwaardelijke volmacht voor een jaar. Bovendien waren [naam] en de Iteragroep financieel en juridisch één. [geïntimeerde 1] had slechts beperkte taken\u002Fbevoegdheden. Alles past binnen de werkwijze van een trustverband en [geïntimeerde 1] ging uit van een grote en gegoede partij. De voordelige taxroute wordt vele duizenden keren per jaar toegepast en heeft zijn eigen bestuurlijke verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid. De gekozen constructie was onmogelijk voorzienbaar voor [geïntimeerde 1] . Na de verhanging eiste [geïntimeerde 1] meer betrokkenheid en inzicht. Dat de aandeelhouders daar niet op in wensten te gaan is niet aan hem verwijtbaar, Itera stond [geïntimeerde 1] geen zeggenschap toe. Zijn enige dwangmiddel was opschorting van zijn werkzaamheden en aankondiging van zijn ontslag. Dit ontslag is pas veel later geeffectueerd, maar per eind mei 2008 verrichtte hij geen bestuursdaden meer. Het is in ieder geval niet redelijk hem aansprakelijk te houden voor de interregnum periode. Het ging bij Itera om een serieuze, internationaal opererende onderneming met een eigen juridische afdeling en een grote groep deskundige adviseurs. Er was dus sprake van serieuze bedrijfsvoering en [naam] had bovendien een vordering op Itera die in ieder geval voor een deel uit de doorlening ontstond. De instemmingen en volmachten zijn niet als onrechtmatig of onzorgvuldig te beschouwen en ook de voorwaardelijke toestemming om geldleningen tot USD 200 miljoen binnen de groep van aandeelhouders te verstrekken was niet ongebruikelijk of onrechtmatig gezien het concernverband en het feit dat alle geldmiddelen door Itera waren gefourneerd en alles in rekening-courant werd geregistreerd. [geïntimeerde 1] had geen vrijheid van handelen.\n\n3.15.. Dit betoog, dat deels eerder is gevoerd en deels eerder had kunnen worden gevoerd, geeft het hof geen aanleiding terug te komen van zijn beslissing over de aansprakelijkheid. Het hof merkt hierover nog het volgende op. Het verwijt aan [geïntimeerde 1] is niet dat hij zich inhoudelijk had moeten bemoeien met de bedrijfsvoering of zelfstandig maatregelen had moeten treffen. Naar zijn stelling fungeerde [geïntimeerde 1] als een trustbestuurder en werden alle belangrijke beslissingen aangaande [naam] door de aandeelhouder genomen. Dit ontslaat hem echter niet van zijn verantwoordelijkheden en verplichtingen als bestuurder van [naam] . [geïntimeerde 1] wordt in deze zaak met name verweten dat hij alle controle over en elk zicht op (het vermogen van) [naam] heeft losgelaten. Daarbij heeft hij zich bij de stukken die hij als bestuurder tekende geen rekenschap gegeven van de belangen van de vennootschap, en in dit geval van de verplichtingen die voor de vennootschap jegens de fiscus konden ontstaan. Bij het tekenen van de volmacht waarmee het hele vermogen van [naam] zou kunnen worden uitgeleend, had hij bij de aandeelhouder daarvoor aandacht moeten vragen en als dat niet tot resultaat leidde daaraan consequenties moeten verbinden. Als, zoals hij stelt, deze aandeelhouder hem nooit in staat zou hebben gesteld die verantwoordelijkheid als bestuurder te dragen (waarbij overigens niet blijkt dat hij daarom heeft gevraagd), had hem dat eens te meer te denken moeten geven. [geïntimeerde 1] heeft aangevoerd dat hij uitging van intercompany leningen, maar, wat hier verder van zij, onduidelijk is waar hij dit op baseert. De volmacht is daartoe niet beperkt (deze ziet op leningen `to any legal entity`) en de stukken die zich in het dossier bevinden (de leningovereenkomsten en het debiteurenonderzoek, producties 9 tot en met 11 respectievelijk 34b bij de inleidende dagvaarding) ondersteunen dat niet. De leningen zijn verstrekt aan vennootschappen in Belize. In de fiscale procedure heeft [naam] betoogd dat het niet om intercompany leningen ging. [geïntimeerde 1] heeft ook geen zicht gehouden op wat er met de door hem verstrekte volmachten gebeurde, noch voor wat betreft de leningen noch voor wat betreft het bedrag van € 14 miljoen advisory fee.\n\n3.16.. Een deel van het betoog van [geïntimeerde 1] is echter ook van belang voor de vraag naar de omvang van de aan zijn handelen toe te rekenen schade.\n\n3.17.. De argumenten die [geïntimeerde 1] aanvoert laten zich als volgt samenvatten:\n\n [geïntimeerde 1] is niet betrokken geweest bij de fiscale procedure en hoeft de uitspraak met betrekking tot de Vpb 2009 niet tegen zich te laten gelden. De handhaving van de aanslag is alleen het gevolg van het feit dat [naam] destijds niet aan haar bewijslast kon voldoen, De vpb is materieel niet verschuldigd. Vast staat immers dat de leningen nooit zijn terugbetaald en dat nooit rente is betaald. Er was dus geen te belasten winst. Er is geen sprake van benadeling van de Nederlandse fiscus bij niet betaling van de aanslag, maar een onterecht voordeel bij wel betaling. Er is een bate belast die niet bestaat. Art. 32 Invorderingswet 1990 bepaalt voorts dat de belastingrente vervalt als de aanslag niet verschuldigd is. Voor die rente is [geïntimeerde 1] sowieso niet aansprakelijk.\n\nDe beslissing in de fiscale procedure was uitsluitend gebaseerd op het niet kunnen leveren van bewijs van de waardevermindering. Andere relevante aspecten, zoals op welke wijze de inbreng van de Siberische deelnames bij de [bank] hadden plaatsgevonden of waren gewaardeerd, zijn ten onrechte niet in de fiscale procedures niet aan de orde geweest. De uitkomst is van grote invloed op de werkelijke omvang van de schuldverhoudingen. Een lagere schuldverhouding dient te leiden tot lagere fictieve rente-inkomsten. De jaarcijfers 2009 zijn opgesteld door de opvolgende bestuurder en geven geen getrouw beeld.\n\nTen tijde van de opschorting door [geïntimeerde 1] van zijn functioneren eind mei 2008 evenals ten tijde van zijn uitschrijving uit de Kamer van Koophandel in februari 2010 beschikte [naam] over voldoende middelen om een aanslag over 2009 te voldoen, waarbij geldt dat [naam] een aanzienlijke vordering op haar aandeelhouders had op grond van de onder haar verantwoordelijkheid genomen beslissingen over de doorlening aan de Belize-vennootschappen.\n\nDe leningen mochten op grond van de door [geïntimeerde 1] verstrekte voorwaardelijke volmacht slechts voor maximaal een jaar worden verstrekt. Deze door [geïntimeerde 1] opgelegde beperking was destijds de enige mogelijkheid – naast het opschorten van zijn werkzaamheden in de zomer van 2008 – om enige invloed uit te oefenen, gegeven het geldende strakke concernregime en zijn beperkte bestuursmogelijkheden.\n\n3.18.. Ad a. Niet ter discussie staat dat [geïntimeerde 1] niet betrokken is geweest bij de fiscale procedure. Dit brengt mee dat de hoogte van de schade niet zonder meer kan worden bepaald door de aanslag en dat het hof de juistheid van deze aanslag zelfstandig moet toetsen (vgl. HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8686 en HR 9 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1188). Het gaat daarbij niet om een marginale toetsing – wat de curator betoogt – maar om een volledige toets.\n\n3.19.. Anders dan [geïntimeerde 1] aanvoert kan de constatering dat inmiddelsis gebleken dat de leningen nooit zijn terugbetaald en dat nooit rente is betaald, er niet toe leiden dat de belastingschuld over 2009 wordt verlaagd. Voor het vaststellen van de winst van 2009 gaat het om de werkelijke waarde van de hoofdsom en rentevorderingenop de balansdatum 2009. Gelet op zijn stelling is het aan [geïntimeerde 1] om aannemelijk te maken dat die toen minder bedroegen dan nominaal.\n\n3.20.. In de fiscale procedure heeft [naam] zich op het standpunt gesteld dat dat het geval was. Deze stelling is in die procedure onderzocht en de slotsom was dat er toen nog geen grond was voor afwaardering. [geïntimeerde 1] heeft geen aanwijzingen vertrekt dat dit onjuist was. Integendeel, [geïntimeerde 1] heeft in het kader van deze procedure aangevoerd dat het ging om intercompany leningen (zie hiervoor onder 3.15) en juist opgeworpen dat hij er om die reden destijds vanuit mocht gaan dat aan de verplichtingen zou worden voldaan. Nu ervan moet worden uitgegaan dat er op de balansdatum 2009 nog onvoldoende grond was voor afwaardering van de leningen, valt niet in te zien dat de overeengekomen rente niet als belastbare bate kon worden aangemerkt.\n\n3.21.. Ad b. Dit betoog van [geïntimeerde 1] is te weinig nader uitgewerkt om verder onderzoek te rechtvaardigen. De curator heeft in eerste aanleg een groot aantal stukken overgelegd, waaronder stukken met betrekking tot de gang van zaken bij [naam] vlak voor en tijdens de periode van het bestuurderschap van [geïntimeerde 1] . Daarbij bevinden zich ook stukken met betrekking tot de verpanding van de aandelen INGA en Trans-Oil aan [bank] en de beëindiging daarvan op 2 januari 2007. [geïntimeerde 1] heeft bij conclusie van antwoord deze stukken ook genoemd en heeft ook de in het kader daarvan begrote waarde van de aandelen vermeld. [geïntimeerde 1] heeft niet uitgelegd op welke wijze dit invloed zou hebben op de hoogte van de aanslag vpb 2009. Vastgesteld is (door zowel rechtbank als hof en onderschreven door [geïntimeerde 1] , memorie van antwoord 2.8, 2.9, 2.11 en 2.12) dat [naam] op 28 maart 2008 de aandelen Inga en Trans-Oil voor USD 200.407.033,- heeft verkocht en geleverd en dat met de door [geïntimeerde 1] op 14 mei 2008 verstrekte volmacht kort daarna door [naam] tot een bedrag van USD 186 miljoen rentedragende leningen zijn verstrekt (en de daarmee gemoeide bedragen zijn overgemaakt) aan drie vennootschappen in Belize. Dit laatste ligt aan de basis van de aanslag vpb 2009. [geïntimeerde 1] heeft aangevoerd dat hij niet over alle stukken beschikt en dat de curator ‘alle relevante stukken’ moet overleggen. Van [geïntimeerde 1] had in dit stadium van de procedure minstgenomen kunnen worden verwacht dat hij had gespecificeerd om welke stukken het in dit verband gaat en wat concreet de relevantie is voor de beoordeling van de aanslag vpb 2009. [geïntimeerde 1] heeft tal van feiten en omstandigheden genoemd waarvan in zijn visie mogelijk sprake zou kunnen zijn geweest, maar dat is te vaag om thans een verplichting tot overlegging van meer stukken op te baseren dan al in de procedure zijn overgelegd.\n\n3.22.. Ad c. De curator heeft stukken overgelegd (producties I en II bij zijn memorie na tussenarrest, waaruit volgt dat het saldo van de bankrekeningen van [naam] ten tijde van het aftreden van [geïntimeerde 1] (omgerekend) € 41.945,- bedroeg. Als al juist is dat [geïntimeerde 1] al voor de datum van zijn formele defungeren zijn werkzaamheden had opgeschort, betekent dat niet dat dan van de datum van die opschorting in plaats van de datum van aftreden in februari 2010 moet worden uitgegaan. Immers, daarmee is hij niet van zijn bestuurdersverantwoordelijkheden ontslagen. Dat de door de curator met betrekking tot februari 2010 verstrekte gegevens niet kloppen, is niet nader geconcretiseerd. Van voldoende saldo voor het voldoen van de fiscale schuld was dus geen sprake. Waarom [naam] in februari 2010 een vordering zou hebben op haar aandeelhouders die zou kunnen dienen als voldoende zekerheid voor die schuld, valt zonder nadere toelichting niet in te zien.\n\n3.23.. Ad d. Dit betoog gaat niet op, reeds vanwege het feit dat [geïntimeerde 1] de mogelijkheid had de volmacht, waarmee over het hele vermogen kon worden beschikt, pas te verstrekken wanneer voldoende zeker zou zijn gesteld dat te vennootschap aan de op grond daarvan te verwachten fiscale verplichtingen zou kunnen voldoen.\n\n3.24.. Slotsom van het vorenstaande is dat [geïntimeerde 1] naar het oordeel van het hof in beginsel aansprakelijk kan worden gehouden voor het bedrag van de aanslag vpb 2009. De heffingsrente is het gevolg van het niet kunnen voldoen van de aanslag en daarmee ook in beginsel als schade toerekenbaar. Het gaat dus om het totaalbedrag van € 621.495,- zoals de curator meer subsidiair vordert. De curator heeft in het petitum van zijn memorie van grieven tevens houdende wijziging van eis geen rente over dit bedrag gevorderd. Dat hij dit in zijn laatste memorie alsnog heeft gedaan, is te laat.\n\n3.25.. Hoewel het hof van oordeel is dat [geïntimeerde 1] een ernstig verwijt kan worden gemaakt bij zijn bestuurlijk handelen en hij op de voet van artikel 2:9 BW aansprakelijk is jegens [naam] , neemt dit niet weg dat er gronden kunnen zijn de schade op de voet van artikel 6:109 lid 1 BW te matigen (vgl. recent HR 5 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1384).\n\n3.26.. In het onderhavige geval zijn er gronden voor matiging. Daarbij staat als belangrijk uitgangspunt voorop dat er geen enkele aanwijzing is van opzettelijk handelen van [geïntimeerde 1] of van handelen waarbij hij zelf gebaat is geweest. Verder spelen de volgende factoren een rol.\n\n3.27.. \n [geïntimeerde 1] ontving voor zijn werkzaamheden slechts een beperkte beloning van € 4.000,- per jaar. In de managementovereenkomst is een bepaling opgenomen met betrekking tot een vergoeding voor extra werkzaamheden van € 250,- per uur exclusief btw en 7,5% kantoorkosten, maar nergens blijkt uit dat hiervan (meer dan mogelijk incidenteel) sprake is geweest. Deze bedragen staan in schril contrast met de enorme bedragen waarmee [geïntimeerde 1] in het kader van zijn overeenkomst te maken heeft gehad en die nu aan de basis staan van het schadebedrag. Naar valt aan te nemen moet de schade uit het privé-vermogen van [geïntimeerde 1] worden voldaan. [geïntimeerde 1] heeft gemotiveerd aangevoerd dat er geen verzekeringsdekking is en hiervoor bestaat ook geen aanwijzing.\n\n3.28.. \n [geïntimeerde 1] is inmiddels 75 jaar. De relevante gebeurtenissen hebben plaatsgevonden in 2008 en [geïntimeerde 1] is al sinds 2010 geen bestuurder meer van [naam] , De procedure is pas in november 2019 aangevangen en heeft ongetwijfeld een grote belasting gevormd voor [geïntimeerde 1] . In het voorgaande is geoordeeld dat het beroep van [geïntimeerde 1] op verjaring en decharge geen doel treft, maar dit neemt niet weg dat [geïntimeerde 1] voor zijn gevoel onverhoeds zal zijn geconfronteerd met een vordering uit het verleden en dat hij daarover, tot ver na de pensioengerechtigde leeftijd, in onzekerheid heeft moeten verkeren.\n\n3.29.. In het licht van het vorenstaande acht het hof toewijzing van het volledige schadebedrag tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen leiden, ook wanneer daarbij de – op zichzelf zwaarwegende – belangen van de boedel en mogelijk nog van de fiscus als enige crediteur van [naam] in aanmerking worden genomen. Het hof acht in het onderhavige geval een aanzienlijke matiging op zijn plaats, te weten tot een bedrag van € 100.000,- met wettelijke rente vanaf heden. Het hof ziet voorts aanleiding de veroordeling niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\nSlotsom\n\n3.30.. \n\nZoals hiervoor al is overwogen zal het vonnis waarvan beroep in de zaak tegen [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 2] worden bekrachtigd. De curator zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.\n\nDeze kosten worden als volgt vastgesteld:\n\n- griffierecht € 5.610,-\n\n- salaris advocaat € 9.262,- (tarief VIII, 2 punten)\n\ntotaal € 14.872,-\n\nOok de gevorderde nakosten en wettelijke rente zullen worden toegewezen.\n\n3.31.. In de zaak tegen [geïntimeerde 1] heeft het slagen van de grieven II tot en met IX voor zover betrekking hebbend op de vordering ex artikel 2:9 BW tot gevolg dat het bestreden zal vonnis worden vernietigd en de vordering van de curator zal worden toegewezen tot een bedrag van € 100.000,-, met wettelijke rente vanaf heden. Nu partijen in deze zaak over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld, zal het hof de proceskosten in beide instanties compenseren.\n\n4. Beslissing\n\nHet hof:\n\nIn de zaak tegen [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 2]\n\nbekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor zover gewezen tussen de curator enerzijds en [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 2] anderzijds;\n\nveroordeelt de curator in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 2] vastgesteld op € 14.872,- en op € 189,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;\n\nIn de zaak tegen [geïntimeerde 1]\n\nvernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover gewezen tussen de curator enerzijds en [geïntimeerde 1] anderzijds en, opnieuw rechtdoende,\n\nveroordeelt [geïntimeerde 1] om aan de curator te betalen het bedrag van € 100.000,-, te vermeerderen met wettelijke rente over dit bedrag vanaf heden tot de dag van betaling;\n\ncompenseert de proceskosten in beide instanties aldus dat beide partijen de eigen kosten dragen;\n\nwijst af het meer of anders gevorderde.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. M.M.M. Tillema, J.M. van den Berg en J.G. Sijmons, en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1520","2026-06-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:51.870Z",20]