[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-amsterdam-personal-injury-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":41,"limit":42},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},56,"Amsterdam","nl","amsterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},155,"personal-injury-nl","Personal Injury","NL","2026-07-08T17:00:27.741Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2026-03-26T00:00:00.000Z","2026-06-17T00:00:00.000Z",[],[22,33],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"1686","ECLI:NL:RBAMS:2026:6375","ecli-nl-rbams-2026-6375","","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F783609 \u002F HA ZA 26-151\n\nVonnis in incident van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\neisende partij in de hoofdzaak,\n\nverwerende partij in het incident,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\nadvocaat: mr. W.A. van Veen,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij in de hoofdzaak,\n\neisende partij in het incident,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nadvocaat: mr. J. Kruijswijk Jansen.\n\nen\n\nGEMEENTE AMSTELVEEN,\n\ngevestigd in Amstelveen,\n\ngedaagde partij in de hoofdzaak,\n\nverwerende partij in het incident,\n\nhierna te noemen: de gemeente,\n\nadvocaat: mr. T. Jaspers.\n\n1. De procedure1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding, met producties,\n\n- de conclusie van antwoord van de gemeente, met producties,\n\n- de incidentele conclusie voor alle weren ex artikel 194 en 195 Rv van [gedaagde] ,\n\n- de conclusie van antwoord in het incident van [eiser] , met producties,\n\n- de conclusie van antwoord in het incident van de gemeente.\n\n1.2.. Het vonnis in incident is bepaald op vandaag.2. De feiten, voor zover van belang in incident2.1.. \n [eiser] heeft bij de vuilnisophaaldienst van de gemeente gewerkt. Hij werd door de gemeente als uitzendkracht ingehuurd. Op 26 september 1997 is hij beklemd geraakt tussen de hydraulische armlift en het veiligheidshek van de vuilniswagen. Hij heeft daardoor ernstig letsel opgelopen en is volledig arbeidsongeschikt geworden.\n\n2.2.. Op 21 december 1998 heeft de gemeente aan de toenmalige advocaat van [eiser] laten weten dat het college van B&W van de gemeente op 6 januari 1998 de aansprakelijkheid voor de letselschade van [eiser] heeft erkend. De gemeente heeft een aantal materiële schadeposten vergoed en de WAO-uitkering van [eiser] aangevuld tot het niveau van zijn laatste salaris.\n\n2.3.. In april 2006 heeft advocaat [gedaagde] de zaak overgenomen van zijn voorganger. De toenmalige kantoorgenoot van [gedaagde] heeft tussen 18 augustus 2006 tot en met 11 november 2008 met de gemeente contact gehad over vergoeding van andere schadeposten als gevolg van het ongeval van [eiser] . [gedaagde] heeft [eiser] tot begin 2024 bijgestaan en toen zijn dossier overgedragen aan de accountant van [eiser] .\n\n2.4.. Op 13 maart 2024 hebben de nieuwe advocaten van [eiser] de gemeente laten weten dat de schade van [eiser] nog niet volledig is vergoed en dat [eiser] zijn vordering tot vergoeding daarvan handhaaft.\n\n2.5.. Op 7 april 2025 heeft de gemeente [eiser] laten weten dat zij nooit aansprakelijkheid heeft erkend voor de volledige schade van [eiser] , maar alleen voor de schadeposten die zijn en nog steeds worden vergoed. Volgens de gemeente zijn andere schadeposten verjaard en is de termijn daarvoor gaan lopen op 15 december 2003 of 9 december 2004.\n\n2.6.. In april en mei 2025 hebben de advocaten van [eiser] [gedaagde] laten weten dat hij aansprakelijk wordt gehouden voor de schade van [eiser] . Volgens [eiser] is [gedaagde] aansprakelijk omdat hij zijn vordering heeft laten verjaren en hij niet aan zijn inspanningsverplichting heeft voldaan. Daarna is gebleken dat een brief van [gedaagde] van 11 november 2008 als stuitingshandeling kan worden gezien. De gemeente heeft vervolgens een beroep gedaan op verjaring van de vordering van [eiser] per 11 november 2013.\n\n2.7.. Op 17 juli 2025 heeft de rechtbank in een door [eiser] gestarte kort gedingprocedure een ordemaatregel getroffen die inhoudt dat [gedaagde] € 55.500,00 aan [eiser] betaalt onder de voorwaarde dat [eiser] de vordering die hij op de gemeente heeft voor vergoeding van de andere schadeposten voor dat bedrag aan [gedaagde] cedeert. Aan de veroordelingen in de uitspraak in kort geding is voldaan. Daarna heeft [eiser] [gedaagde] in een bodemprocedure betrokken.3. De vordering in de hoofdzaak3.1.. \n\n [eiser] vordert dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad:\n\n1) bij tussenvonnis bepaalt dat de vordering van [eiser] op de gemeente vanwege het arbeidsongeval van 26 september 1997 is verjaard of niet is verjaard,\n\n2) voor recht verklaart dat:\n\n- als de vordering van [eiser] op de gemeente is verjaard, [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade van [eiser] als gevolg van het arbeidsongeval in 1997 en tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding van € 9.999,\n\n- als de vordering van [eiser] op de gemeente niet is verjaard, de gemeente, die de aansprakelijkheid voor de schade van [eiser] heeft erkend, gehouden is de schade van [eiser] te vergoeden en een voorschot op de schadevergoeding van € 9.999 te betalen,\n\n- in beide gevallen met verwijzing naar de schadestaatprocedure voor de overige schade,\n\n3) voor recht verklaart dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade als gevolg van zijn onvoldoende inspanning in de 17 jaar dat hij de zaak van [eiser] onder zich heeft gehad, met verwijzing voor de bepaling van de schade naar de schadestaatprocedure,\n\n4) [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten.4. Het geschil in incident4.1.. \n\n [gedaagde] vordert dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad:\n\n1) [eiser] primair veroordeelt tot afgifte van en subsidiair tot inzage in alle correspondentie tussen (de vertegenwoordiger van) [eiser] en (de vertegenwoordiger van) de gemeente van 21 oktober 1997 tot aan vandaag over de afwikkeling van de aanspraken tot schadevergoeding als gevolg van het ongeval van 26 september 1997, waaronder die over de fiscale benadering van de uit te keren schadevergoeding, dit binnen 7 dagen na het vonnis in incident, op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag dat [eiser] niet aan de veroordeling voldoet, met veroordeling van [eiser] in de kosten van het incident,\n\n2) de gemeente primair veroordeelt tot afgifte van en subsidiair tot inzage in alle correspondentie tussen (de vertegenwoordiger van) [eiser] en (de vertegenwoordiger van) de gemeente van 21 oktober 1997 tot aan vandaag over de afwikkeling van de aanspraken tot schadevergoeding als gevolg van het ongeval van 26 september 1997,\n\nwaaronder die over de fiscale benadering van de uit te keren schadevergoeding, dit binnen 7 dagen na het vonnis in incident, op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag dat de\n\ngemeente dit niet doet, met veroordeling van de gemeente in de kosten van het incident.\n\n4.2.. \n [eiser] en de gemeente verweren zich tegen de incidentele vorderingen van [gedaagde] en willen dat die worden afgewezen, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het incident.\n\n4.3.. Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, verder ingegaan.5. De beoordeling in incidentDe vordering tot inzage op grond van artikel 194 en 195 Rv5.1.. Een partij heeft via artikel 194 in samenhang met artikel 195 Rv de mogelijkheid om via de rechter inzage van bepaalde gegevens te vorderen. Het recht op inzage daarvan komt toe aan a) een partij bij een rechtsbetrekking, als die partij b) daarbij voldoende belang heeft. De wederpartij is niet verplicht tot het geven van inzage als zij een beroep kan doen op een verschoningsrecht of als gewichtige redenen daaraan in de weg staan.\n\n5.2.. De rechtbank is van oordeel dat de vorderingen van [gedaagde] in beide gevallen beperkt kunnen worden toegewezen, omdat hij daarbij slechts gedeeltelijk belang heeft.\n\n [eiser] : inzage wordt toegestaan met betrekking tot correspondentie tussen de gemeente en [eiser] zelf5.3.. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] geen belang bij zijn vordering omdat [eiser] [gedaagde] op 19 juni 2025 een kopie van de relevante stukken uit het dossier heeft verstrekt. Daarmee heeft [eiser] aan de vordering tot inzage voldaan. Ook heeft [eiser] [gedaagde] de gelegenheid gegeven om het volledige dossier in te zien op het kantoor van zijn advocaat. [gedaagde] heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt en doet dat nog steeds niet. [eiser] is bereid [gedaagde] nog een keer een digitale kopie van het dossier te sturen, als [gedaagde] daarvan de kosten betaalt. Voor zover [gedaagde] wel belang zou hebben bij inzage geldt dit volgens [eiser] alleen voor de correspondentie tussen hem en de gemeente vanaf 15 december 2003. De gemeente stelt zich namelijk op het standpunt dat dat de datum is waarop de verjaringstermijn is gaan lopen.\n\n5.4.. \n\nDe rechtbank volgt [eiser] in zijn verweer dat [gedaagde] geen belang heeft bij zijn inzagevordering van het dossier als geheel. [eiser] heeft hem al een digitale kopie verstrekt van de relevante correspondentie en voor zover [gedaagde] meent dat dit niet compleet is, kan hij het dossier dat aanwezig is bij de advocaat van [eiser] inzien.\n\nDaarvoor heeft [gedaagde] dus geen gerechtelijk bevel nodig. [gedaagde] heeft wel voldoende belang bij de halfjaarlijkse correspondentie tussen [eiser] zelf en de gemeente over de vaststelling van het bedrag van de vergoeding van het verlies aan arbeidsvermogen die de gemeente hem periodiek uitkeerde. Hij heeft onderbouwd dat die relevant kan zijn voor de verjaringsvraag. [gedaagde] is weliswaar bekend met de inhoud van deze correspondentie, maar beschikt daar kennelijk niet over en deze bevindt zich kennelijk ook niet in de reeds verstrekte digitale kopie. Of deze brieven, die aan [eiser] zelf gestuurd zijn, zich in het dossier bevinden is onzeker. De rechtbank zal daarom bepalen dat [gedaagde] het dossier kan inzien om vast te stellen of deze brieven zich in het dossier bevinden en dat, als dat het geval is, hem daarvan afschrift moet worden verstrekt.\n\n5.5.. Voor zover de inzagevordering van [gedaagde] gaat om de correspondentie tussen de accountant en de gemeente geldt daarvoor dat het belang van [gedaagde] ontbreekt. De accountant heeft namelijk verklaard dat er eenmaal is gecorrespondeerd tussen hem en de gemeente en dat dit ging over de uitkomst van de procedure tussen [eiser] en de belastingdienst. In die procedure heeft de rechtbank geoordeeld dat over de door de gemeente uit te betalen schadeposten geen loonbelasting moet worden geheven. Voor de in dit geding te beantwoorden vraag of de vordering van [eiser] op de gemeente is verjaard is deze kwestie niet van belang.\n\n5.6.. De conclusie is dat de vordering van [gedaagde] tot inzage door [eiser] wordt toegewezen in die zin dat [gedaagde] inzage moet worden verschaft in het dossier en dat hem afschrift moet worden verstrekt van de onder 5.4 genoemde halfjaarlijkse brieven van de gemeente aan [eiser] zelf, als deze in het dossier worden aangetroffen en van eventuele andere stukken die [gedaagde] relevant acht en die niet reeds elektronisch zijn verstrekt. De rechtbank ziet gezien de bereidheid die [eiser] tot op heden heeft getoond om het dossier ter beschikking te stellen geen aanleiding voor een dwangsom. Wel geldt dat de rechter aan een eventueel gebrek aan medewerking gevolgen kan verbinden. De termijn om inzage en zo nodig afschrift te verstrekken zal worden bepaald op twee weken. Voor zover aan het verstrekken van afschriften kosten zijn verbonden, zal [gedaagde] deze op grond van artikel 194 lid 1 Rv moeten dragen.\n\nGemeente moet [gedaagde] beperkt inzage geven in correspondentie vanaf 15 december 20035.7.. De gemeente heeft aangevoerd dat het belang bij inzage voor [gedaagde] ontbreekt, dat de door [gedaagde] gevraagde informatie onvoldoende is bepaald en dat geen sprake is van een rechtsbetrekking. Het is [gedaagde] bekend dat de gemeente de andere schadeposten waarop [eiser] aanspraak maakt nooit heeft betaald en dat de gemeente ook geen verdere aansprakelijkheid heeft erkend. Correspondentie over de betalingen die wel zijn gedaan, zijn dan ook voor [gedaagde] niet relevant voor zijn verweer tegen de verjaring in de hoofdzaak. Ook kan de gemeente niet worden belast met het terugvinden van alle correspondentie die over een periode van bijna 30 jaar is gevoerd. [gedaagde] had de gevraagde correspondentie moeten concretiseren. Daarnaast kan [gedaagde] de gevraagde correspondentie ook opvragen bij [eiser] en is onduidelijk waarom [gedaagde] correspondentie wil hebben die hij zelf met de gemeente heeft gevoerd. Hij had de correspondentie zelf moeten bewaren en heeft dat niet gedaan. Daarbij komt dat [gedaagde] zijn vordering tot inzage niet tot de gemeente kan richten, omdat de gemeente in de hoofdzaak als derde is opgeroepen. Er is daarmee geen rechtsbetrekking. Voor zover de rechtbank de vordering alsnog toewijst, vraagt de gemeente de gevorderde dwangsom te matigen tot een bedrag van € 100 per dag met een maximum van € 1000.\n\n5.8.. De rechtbank volgt de gemeente niet in haar verweer dat [gedaagde] geen heeft belang bij inzage of dat hij met de gemeente geen rechtsbetrekking heeft. [gedaagde] heeft immers een vordering van [eiser] op de gemeente gecedeerd gekregen. Hij heeft daarom ook belang bij correspondentie voor zover deze relevant kan zijn voor de vraag of de (aan hem gecedeerde) vordering van [eiser] op de gemeente verjaard is. Of de door de gemeente wel vergoede schadeposten de verjaring wel of niet heeft gestuit zal in de hoofdzaak moeten worden bepaald. Dit staat daarmee inzage door [gedaagde] van de correspondentie daarover niet in de weg. [gedaagde] beschikt niet (meer) over de betreffende correspondentie. De gemeente stelt terecht dat [gedaagde] als advocaat in ieder geval de beschikking zou moeten hebben over de correspondentie die hij zelf namens [eiser] met de gemeente heeft gevoerd. Aannemelijk is dat [gedaagde] begin 2024 geen kopie heeft gemaakt van het dossier en dat toen in zijn geheel heeft overgedragen aan de accountant van [eiser] en dat dit dossier inmiddels wordt beheerd door de nieuwe advocaat van [eiser] . Omdat hij zich tot [eiser] kan richten om daar (via zijn advocaat) inzage in te krijgen ontbreekt in zoverre belang om diezelfde correspondentie van de gemeente ter inzage te krijgen. Dat is anders voor zover het gaat om correspondentie van de gemeente rechtstreeks aan [eiser] zelf. Die kan van belang kan zijn voor het verweer in de door [eiser] tegen hem gestarte hoofdzaak. Of die correspondentie zich in het dossier van [eiser] bevindt is onzeker, terwijl er wel een gerede kans is dat de gemeente daar nog over beschikt. Dit is grond om te bepalen dat [gedaagde] afschrift dient te worden verstrekt van alle correspondentie die door de gemeente rechtstreeks aan [eiser] zelf is verzonden, zonder afschrift aan zijn advocaat, vanaf 15 december 2003, omdat de gemeente zich op het standpunt stelt dat vanaf die datum de verjaring is gaan lopen. Voor de correspondentie van voor die datum geldt dat [gedaagde] daar geen belang bij heeft.\n\n5.9.. Het verweer van de gemeente dat er geen rechtsbetrekking is omdat zij als derde in de hoofdzaak is opgeroepen gaat niet op. De rechtsbetrekking met de gemeente volgt uit het gegeven dat het hier gaat om de aanspraak op aanvullende vergoeding van schadeposten door de gemeente aan [eiser] en dat [eiser] zijn vordering op de gemeente voor € 55.000 heeft gecedeerd aan [gedaagde] . Bovendien volgt uit artikel 118 Rv dat een partij, in dit geval de gemeente, die als derde is opgeroepen, partij is in het geding, zodat er een rechtsbetrekking is.\n\n5.10.. Dit betekent dat de vordering van [gedaagde] tot inzage door de gemeente wordt toegewezen zoals vermeld onder 5.8. De rechtbank stelt de termijn hiervoor vast op vier weken na de datum van dit vonnis, omdat het hier gaat om een lange periode en de gemeente tijd nodig zal hebben om de correspondentie te achterhalen. De rechtbank ziet geen aanleiding de gemeente een dwangsom op te leggen. Voor zover aan het verstrekken van afschriften kosten zijn verbonden, zal [gedaagde] deze op grond van artikel 194 lid 1 Rv moeten dragen.\n\nDe proceskosten worden gecompenseerd5.11.. Omdat de vorderingen van [gedaagde] jegens zowel [eiser] als de gemeente slechts voor een klein deel zijn toegewezen ziet de rechtbank aanleiding de kosten te compenseren; iedere partij draagt de eigen kosten in dit incident.6. De beslissing\n\nDe rechtbank,\n\nin het incident\n\n6.1.. beveelt [eiser] aan [gedaagde] binnen twee weken na de datum van dit vonnis inzage en afschrift te verschaffen op de wijze zoals vermeld onder 5.6,\n\n6.2.. beveelt de gemeente aan [gedaagde] binnen vier weken na de datum van dit vonnis inzage en afschrift te verschaffen op de wijze zoals vermeld zoals vermeld onder 5.8,6.3.. compenseert de proceskosten in dit incident; iedere partij draagt de eigen kosten,\n\n6.4.. wijst het meer of anders gevorderde af,\n\nin de hoofdzaak\n\n6.5.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, rechter, bijgestaan door mr. N. Noordmans, griffier en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6375","2026-06-23T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:33.558Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":39,"parsedAt":31,"updatedAt":40},"939","ECLI:NL:RBAMS:2026:3209","ecli-nl-rbams-2026-3209","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F13\u002F779334 \u002F HA RK 25-417\n\nBeschikking van 26 maart 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoekster],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoekster] ,\n\nadvocaat: mr. S. Boer,\n\ntegen\n\n1. HDI GLOBAL SE,\n\ngevestigd te Hannover (Duitsland), 2. DEKRA CLAIMS,\n\ngevestigd te Capelle aan den IJssel,\n\nverwerende partijen,\n\nhierna afzonderlijk te noemen: HDI en Dekra en gezamenlijk HDI c.s.\n\nadvocaat: mr. T. Havekes.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift deelgeschil, met bijlagen, binnengekomen ter griffie op 26 november 2025,\n\n- de tussenbeschikking van 23 januari 2026, waarin een mondelinge behandeling is bepaald,\n\n- het verweerschrift, met bijlagen, binnengekomen ter griffie op 6 februari 2026,\n\n- het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 10 februari 2023 en de daarin vermelde (proces)stukken.\n\nVan hetgeen verder naar voren is gebracht zijn aantekeningen door de griffier gemaakt. Deze zittingsaantekeningen zijn in het procesdossier gevoegd.\n\n1.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Op 1 oktober 2010 is [verzoekster] (toentertijd acht jaar oud) een zeer ernstig verkeersongeval overkomen. De auto waarin [verzoekster] zich met nog drie kinderen en één volwassene bevond, is van achteren aangereden door een vrachtwagen. Hierdoor is de auto onder de oplegger van een vrachtwagen voor hen geduwd en tussen die twee vrachtauto’s volledig in elkaar gedrukt. Van de vijf inzittenden heeft [verzoekster] dit ongeval als enige overleefd. Zij heeft bij dit ongeval zeer ernstig letsel opgelopen. Zij is direct na het ongeval naar het Radboud UMC afgevoerd, waar onder meer schedel- en aangezichtsfracturen, een hersenkneuzing, een kneuzing aan de rechterlong en een sterk verminderd gezichtsvermogen van het rechteroog is vastgesteld. In de jaren na het ongeval is [verzoekster] intensief en langdurig behandeld voor het letsel.\n\n2.2.. De aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval is erkend door HDI in haar hoedanigheid van WAM-verzekeraar van het ongeval veroorzakende motorrijtuig. Dekra treedt in deze zaak op als Nederlandse vertegenwoordiger van HDI.\n\n2.3.. Inmiddels zijn er diverse medische expertises uitgevoerd waaruit blijkt dat [verzoekster] als gevolg van dit ongeluk blijvende gezondheidsklachten heeft overgehouden, waaronder traumatisch schedel\u002Fhersenletsel, cognitieve klachten en visusklachten. De definitieve omvang van de schade is tot op heden - ruim vijftien jaar na het ongeval - nog niet vastgesteld.\n\n2.4.. Ondanks haar gezondheidsklachten heeft [verzoekster] in 2022 een MBO-(dans)opleiding bij [dansacademie] weten af te ronden. Zij heeft daarna geen betalend werk kunnen verrichten. In 2026 heeft zij een re-integratieprogramma voor jongeren met niet-aangeboren hersenletsel van The Class afgerond.\n\n2.5.. HDI heeft tot op heden een bedrag van € 206.000 aan voorschotten onder algemene titel en € 50.000 als voorschot op het uit te keren smartengeld aan [verzoekster] voldaan.\n\n3. Het verzoek en het verweer\n\n3.1.. \n [verzoekster] verzoekt de rechtbank bij wijze van deelgeschil in de zin van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) HDI te veroordelen tot betaling van een aanvullend voorschot van € 83.295,73 en te veroordelen tot betaling van de kosten van het deelgeschil, te begroten op € 5.965,30, te vermeerderen met het griffierecht.\n\n3.2.. HDI concludeert tot afwijzing van de verzoeken.\n\n3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nBevoegdheid en toepasselijk recht\n\n4.1.. HDI is gevestigd in Hannover, Duitsland. De zaak heeft daarmee een internationaal aspect. Voordat de rechtbank inhoudelijk op het geschil zal ingaan, zal daarom allereerst ambtshalve worden ingegaan worden op de bevoegdheid en het toepasselijk recht.\n\n4.2.. Op grond van artikel 26 van de Brussel I-bis Verordening (EU) nr. 1215\u002F2012 komt bevoegdheid toe aan de rechter van een lidstaat wanneer de verweerder verschijnt zonder de bevoegdheid te betwisten. Nu HDI in deze deelgeschilprocedure is verschenen en de bevoegdheid van de rechtbank niet heeft betwist, is de rechtbank Amsterdam bevoegd om van het verzoek kennis te nemen.\n\n4.3.. Dit deelgeschil heeft daarnaast betrekking op een verkeersongeval, daardoor is het Haags Verkeersongevallenverdrag 1971 van toepassing. Op grond van artikel 3 van dit verdrag wordt het recht toegepast van het land waar het ongeval heeft plaatsgevonden. Nu het ongeval zich in Nederland heeft voorgedaan, is Nederlands recht van toepassing.\n\nInleiding\n\n4.4.. \n [verzoekster] heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv, dat het mogelijk maakt om een uitspraak te vragen over een onderdeel van wat partijen verdeeld houdt in een zaak waarin sprake is van schade door dood of letsel (een deelgeschil) en waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. De rechtbank moet daarom eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst.\n\n4.5.. In dit geval verschillen partijen – kort samengevat – van mening over de bevoorschottting van [verzoekster] ’s schade vanwege het ongeluk dat haar is overkomen. Met een oordeel hierover kan de ontstane impasse tussen partijen worden doorbroken en kunnen de onderhandelingen in principe worden voortgezet. Dit betekent dat de rechtbank het verzochte inhoudelijk zal beoordelen.\n\nVerzoek ten aanzien van Dekra niet-ontvankelijk\n\n4.6.. Voor zover het verzoek is gericht tegen Dekra, overweegt de rechtbank dat het verzoek strekt tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding jegens [verzoekster] . Een dergelijke verplichting kan rusten op de aansprakelijke partij en op grond van artikel 7:954 van het Burgerlijk Wetboek (BW) rechtstreeks op diens aansprakelijkheidsverzekeraar: in dit geval HDI. Dekra is geen van beide, maar treedt slechts op als vertegenwoordiger van de verzekeraar. Nu geen rechtsgrond bestaat voor een aanspraak jegens Dekra en een rechtens te respecteren belang ontbreekt, zal [verzoekster] niet-ontvankelijk worden verklaard in haar verzoek voor zover dit tegen Dekra is gericht.\n\nAanvullend voorschot in deelgeschil procedure\n\n4.7.. Bij de beoordeling van de vraag of HDI een nader voorschot op de schadevergoeding moet betalen, is van belang dat de aard van de deelgeschilprocedure maakt dat de deelgeschilrechter zoveel mogelijk uitdrukkelijk en zonder voorbehoud oordeelt. Dit betekent dat op basis van de stukken die nu in het dossier zitten, vastgesteld moet kunnen worden dat [verzoekster] een aanspraak heeft op schadevergoeding die de voorschotten die HDI heeft betaald (in aanzienlijke mate) overstijgt. In dit verband wordt het volgende overwogen.\n\n4.8.. \n [verzoekster] heeft aan haar verzoek om HDI te veroordelen tot betaling van een voorschot van € 83.295,73, verschillende schadeposten ten grondslag gelegd, namelijk:\n\nI. schade wegens studievertraging en verlies van verdienvermogen over de periode van 1 september 2022 tot 1 januari 2026;\n\nII. zorgschade tot 13 december 2025;\n\nIII. immateriële schade (smartengeld);\n\nIV. overige schade (vervoerskosten en opname vakantiedagen ouders).\n\n4.9.. Daarbij heeft zij de volgende schadestaat gevoegd:4.10.. De rechtbank stelt voorop dat het causale verband tussen het ongeval en de gezondheidsklachten en beperkingen van [verzoekster] tussen partijen niet ter discussie staat. Ook het door haar opgelopen letsel als zodanig is niet in geschil. De rechtbank kan daarom overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van de schade.\n\n4.11.. De rechtbank zal de door [verzoekster] genoemde schadeposten achtereenvolgens beoordelen en vervolgens bezien of en in hoeverre de optelsom van die schadeposten de door HDI reeds betaalde voorschotten in aanzienlijke mate overstijgt. Daarbij zal de rechtbank, in het licht van de aard van de deelgeschilprocedure, zoveel mogelijk uitdrukkelijk en zonder voorbehoud vaststellen wat de (minimale, zie hieronder) schade van [verzoekster] tot op heden is, onder aftrek van het reeds door HDI betaalde voorschot van € 256.000.4.12.. Schadeposten die zijn aangeduid met “conform schadestaat d.d. 13 september 2022” op de schadestaat weergegeven onder 4.7 blijven buiten beschouwing van die beoordeling, nu deze al eerder tussen partijen zijn vastgesteld. De rechtbank zal bij de begroting per specifieke post uitgaan van het bedrag dat op dit moment minimaalals schadevergoeding kan worden toegewezen. Eventuele toekomstige nadere onderzoeken (bijvoorbeeld door de arbeidsdeskundige) kunnen aanleiding geven tot een hogere schadevergoeding.\n\nSchade als gevolg van verlies van verdienvermogen\n\nPeriode 1 september 2022 tot 14 december 2023:\n\n4.13.. \n [verzoekster] gaat, blijkens haar schadestaat, voor de periode 1 september 2022 tot 14 december 2023, uit van een verlies van verdienvermogen van € 37.978,32. HDI heeft zich over deze specifieke periode niet inhoudelijk uitgelaten. Zij stelt zich met betrekking tot deze schadepost hoofdzakelijk op het standpunt dat het onderzoek van de arbeidskundige dient te worden afgewacht.\n\n4.14.. In de hypothetische situatie zonder het ongeval stelt [verzoekster] dat zij als danser of choreograaf aan de slag zou zijn gegaan en daarmee € 2.776 bruto of € 2.461,33 netto per maand zou hebben verdiend. Over de periode van 1 september 2022 tot 14 december 2023 (15,5 maanden) zou zij daarmee een bedrag van € 37.978,32 netto hebben verdiend.\n\n4.15.. In het kader van de bevoorschotting heeft HDI het startsalaris van een MBO-afgestudeerde volgens de Rekenmatrix opleiding & inkomen, als opgenomen in De Rekenhulp, als uitgangspunt voorgedragen. Zo stelt HDI dat een MBO bruto startsalaris op jaarbasis in 2024 € 35.398 bedraagt. HDI heeft echter nagelaten toe te lichten van van welke bedragen zij op basis van genoemd uitgangspunt voor de jaren 2022 en 2023 uitgaat.\n\n4.16.. Vast staat dat [verzoekster] in de periode van 1 september 2022 tot 14 december 2023 geen enkel inkomen of voorschot heeft ontvangen, terwijl zij op 1 september 2022 was afgestudeerd en beschikte over een MBO-diploma. In die zin verschilt de situatie van 2024 dus niet met die van (het laatste kwartaal van) 2022 en 2023.\n\n4.17.. De rechtbank ziet daarom voldoende aanleiding om vast te stellen dat [verzoekster] ook in de periode van 1 september 2022 tot 14 december 2023 in elk geval een MBO startsalaris zou hebben verdiend. Gelet op hetgeen partijen daarover over en weer hebben gesteld en het door HDI opgeven bruto startsalaris over 2024 gecorrigeerd met inflatie, neemt de rechtbank als uitgangspunt dat [verzoekster] in 2022 een salaris van circa € 31.000 bruto zou hebben verdiend en in 2023 een salaris circa € 33.000 bruto.\n\n4.18.. De (minimale) schadeberekening voor de desbetreffende periode is dan volgt:\n\n2022:\n\nHet bruto jaarsalaris is € 31.000, wat netto (volgens de door [verzoekster] in haar berekeningen gebruikte rekenmodule berekenhet.nl) € 25.930 is. Aangezien [verzoekster] slechts vier maanden gewerkt zou hebben, wordt dit bedrag naar maanden omgerekend en zou zij netto in die vier maanden € 8.643,33 hebben ontvangen.\n\n2023:\n\nHet bruto jaarsalaris is € 33.000, wat netto (ongeveer) € 28.164 is. Aangezien het gaat om de periode tot 14 december 2023, wordt ook dit bedrag omgezet naar het salaris voor de duur van de betreffende periode, te weten 11,5 maanden. In 11,5 maanden zou zij € 26.990,50 hebben verdiend.\n\n4.19.. Het voorgaande brengt met zich dat, afgaand op de stellingen van partijen, ervan uit moet worden gegaan dat [verzoekster] in de periode van 1 september 2022 tot 14 december 2023 in elk geval een bedrag van € 8.646,67 + € 26.954 = € 35.633,83 zou hebben verdiend.\n\n4.20.. De minimale inkomensschade die op basis van het voorgaande kan worden vastgesteld, betreft het verschil tussen het feitelijke inkomen en het hypothetische inkomen dat [verzoekster] zonder ongeval zou hebben verkregen. Netto schade (verlies van verdienvermogen): € 35.633,83 (hypothetisch) - € 0 (feitelijk) = € 35.633,83. Dit bedrag zal dan ook worden betrokken in de uiteindelijke optelsom.\n\n4.21.. Gezien het feit dat het the Class pas in 2026 is afgerond, wordt dit traject buiten beschouwing gelaten in deze schadeberekening die ziet op verlies van verdienvermogen in de periode 2022 – 2026.\n\n4.22.. De rechtbank merkt tenslotte nogmaals op dat het hier gaat om een minimale, terughoudende benadering die zoveel mogelijk zonder voorbehoud is vastgesteld. Niet is uitgesloten dat [verzoekster] , gelet op haar opleiding en persoonlijke omstandigheden, in de hypothetische situatie een hoger inkomen had kunnen verwerven. Met gebruikelijke loonontwikkeling, carrière-groei of andere inkomensverhogende factoren is in deze berekening geen rekening gehouden. Een arbeidsdeskundige zou tot een hogere hypothetische verdiencapaciteit kunnen komen en daarmee vaststellen dat de schade wegens verlies van verdienvermogen over deze periode hoger is dan in deze beschikking wordt aangenomen.\n\nPeriode 14 december 2023 tot 1 januari 2026:\n\n4.23.. \n [verzoekster] begroot haar schade wegens verlies van verdienvermogen in de periode van 14 december 2023 tot 1 januari 2026 op € 25.765,00.\n\n4.24.. Vast staat dat [verzoekster] in de periode van 14 december 2023 tot 1 januari 2026 geen inkomen uit arbeid heeft ontvangen. In deze periode ontving zij een Wajong-uitkering. Zij ontving in die periode (24,58 maanden) ongeveer € 34.734,49 (netto) aan uitkering.\n\n4.25.. In de hypothetische situatie zonder het ongeval zou [verzoekster] , aansluitend op hetgeen eerder is overwogen, ten minste een MBO-startsalaris hebben verdiend. De rechtbank neemt daarbij als ondergrens de bedragen uit de rekenmatrix van De Rekenhulp voor de jaren 2024 en 2025, zoals voorgesteld door HDI. Dit betreft een bruto jaarinkomen van € 35.398 (netto circa € 30.404) voor 2024 en € 37.734 (netto circa € 32.191) voor 2025.\n\n4.26.. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, komt de rechtbank het door [verzoekster] begrote bedrag van € 25.765,00 niet onredelijk of te hoog voor, nu dit bedrag lager is dan haar volgens de voorgaande berekening zou toekomen. De rechtbank acht dit bedrag daarom voldoende aannemelijk en zal deze schadepost betrekken in de optelsom.\n\n4.27.. Ook voor deze periode geldt dat is uitgegaan van een minimale en terughoudende benadering. Gebruikelijke loonontwikkeling of een hogere verdiencapaciteit is hierbij niet meegenomen en kan in een later stadium door een deskundige alsnog worden vastgesteld.\n\nZorgschade\n\n4.28.. \n [verzoekster] stelt dat zij als gevolg van het ongeval afhankelijk is geweest van mantelzorg en begeleiding door haar ouders. Zij begroot de schade wegens verleende mantelzorg over de periode van 13 september 2022 tot 13 december 2025 op € 30.420,00. Ter onderbouwing van deze begroting verwijst zij naar een advies van arbeidsdeskundige Van den Hoek van 29 maart 2023, waarin de extra inzet van haar ouders wordt gekwantificeerd op gemiddeld 12 uur per week:\n\n4.29.. \n [verzoekster] berekent deze schade door uit te gaan van 12 uur mantelzorg per week tegen een uurtarief van € 15. Dit leidt volgens haar tot een jaarlijkse schade van € 9.360 (12 uur × € 15 × 52 weken). Over de genoemde periode van circa 3,25 jaar resulteert dit in een totaalbedrag van € 30.420,00.4.30.. HDI heeft aangevoerd dat toekenning van een voorschot op deze schadepost prematuur is en dat het definitieve onderzoek door een arbeidsdeskundige en\u002Fof zorgschadedeskundige dient te worden afgewacht, om op die manier [verzoekster] ’s zorgbehoefte goed in kaart te brengen.4.31.. De rechtbank volgt HDI hierin niet. Voor vergoeding komen in aanmerking de redelijke kosten van verzorging die anders door professionele hulpverleners zou zijn verricht. [verzoekster] heeft in de aanloop naar de zitting een e-mail van 6 februari 2026 van de arbeidsdeskundige Van den Hoek aan de belangenbehartiger van [verzoekster] overgelegd, waarin wordt bevestigd dat de omvang van de onder 4.25 onderbouwde en benodigde mantelzorg in de betreffende periode in ieder geval niet is afgenomen. Daarmee heeft [verzoekster] voldoende aannemelijk gemaakt dat gedurende de periode van 13 september 2022 tot 13 december 2025 structureel mantelzorg door haar ouders is verleend en benodigd was.4.32.. Wel heeft [verzoekster] onvoldoende onderbouwd waarom voor de berekening een uurtarief van € 15 moet worden gehanteerd. In de eerdere schadestaat werd uitgegaan van een uurtarief van € 10 voor de mantelzorguren. Bij gebreke van een nadere onderbouwing op dit moment zal de rechtbank daarom bij de begroting van deze schadepsot in het kader van de bevoorschotting uitgaan van dit lagere tarief. Dit bedrag kan worden beschouwd als een ondergrens; na nader onderzoek kan een hoger tarief gerechtvaardigd blijken.4.33.. Uitgaande van 12 uur mantelzorg per week tegen een uurtarief van € 10 bedraagt de jaarlijkse schade € 6.240 (12 uur × € 10 × 52 weken). Over de periode van 3,25 jaar komt de schade wegens mantelzorg en begeleiding daarmee uit op € 20.280,00.\n\n4.34.. HDI heeft nog aangevoerd dat [verzoekster] in het verleden geen persoonsgebonden budget (PGB) heeft aangevraagd en dat zij dit in het kader van haar schadebeperkingsplicht wel had moeten doen. De rechtbank is van oordeel dat dit [verzoekster] niet kan worden tegengeworpen. HDI heeft niet onderbouwd dat zij destijds zonder meer in aanmerking zou zijn gekomen voor een PGB of dat een dergelijke voorziening de behoefte aan mantelzorg volledig zou hebben weggenomen. Bovendien heeft de verzochte schadevergoeding betrekking op daadwerkelijk verleende zorg, waarvan voldoende aannemelijk is dat deze noodzakelijk was. Ter zitting is besproken dat partijen voor de toekomst zullen onderzoeken in hoeverre sociale voorzieningen (waaronder een PGB en passende huisvesting) beschikbaar zijn en in hoeverre deze van invloed kunnen zijn op de zorgbehoefte en de omvang van de schade. Dat onderzoek is nog gaande. Dit laat onverlet dat voor de hier beoordeelde periode voldoende aannemelijk is dat [verzoekster] afhankelijk was van de aan haar verleende mantelzorg. De toekomstige zorgbehoefte en de eventuele rol van voorzieningen kunnen in een later stadium nader worden vastgesteld.\n\nSmartengeld\n\n4.35.. Ten aanzien van het verzochte voorschot op de immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. Smartengeld vormt een naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor het niet in vermogensschade bestaande nadeel dat een benadeelde heeft geleden als gevolg van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is (artikel 6:106 BW). Bij de begroting daarvan dient rekening te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, waaronder in het bijzonder de aard en ernst van het letsel en de gevolgen daarvan voor de benadeelde. Ter bepaling van de omvang van het smartengeld bij hersenletsel wordt aansluiting gezocht bij de Rotterdamse Schaal.\n\n4.36.. \n [verzoekster] verzoekt een aanvullend voorschot van € 50.000 aan smartengeld, naast het reeds door HDI betaalde bedrag van € 50.000. HDI stelt dat dit reeds uitgekeerde bedrag voor nu toereikend is.\n\n4.37.. Tussen partijen is niet in geschil dat het smartengeld op basis van artikel 6:106 BW moet worden begroot aan de hand van de Rotterdamse Schaal. Wel bestaat verschil van inzicht over de ernst van het hersenletsel van [verzoekster] en de daarbij passende categorie van de Rotterdamse Schaal.\n\n4.38.. \n\nVolgens [verzoekster] valt haar letsel mogelijk onder de categorie ernstig hersenletsel(bandbreedte € 150.000 - € 195.000), maar in ieder geval onder de hoogste categorie vanmiddelzwaar hersenletsel subcategorie I(bandbreedte € 105.000 - € 150.000), waarbij sprake is van “Middelzware tot ernstige cognitieve beperkingen. De benadeelde is niet volledig afhankelijk van anderen, maar heeft wel continue zorg nodig. Beperkingen kunnen een persoonlijkheidsverandering, aantasting van zicht, spraak en zintuigen omvatten. Daarnaast kan sprake zijn van (een aanzienlijk risico op) epilepsie”. HDI gaat echter uit van hoogstensmiddelzwaar hersenletsel subcategorie II(bandbreedte € 62.000 - € 105.000), waarbij sprake is van “Matige tot lichte cognitieve beperkingen. De benadeelde heeft geen continue zorg nodig. Er is enige zelfstandigheid, maar het vermogen om arbeid te verrichten is sterk afgenomen of weggevallen, en er is enig risico op epilepsie”.\n\nDe rechtbank stelt vast dat definitieve rapportages over de zorgbehoefte en het verlies van verdienvermogen nog worden opgesteld en dat deze naar verwachting op korte termijn beschikbaar zullen zijn. Tot een definitieve indeling in een categorie kan daarom op dit moment nog niet worden overgegaan. Naast hersenletsel heeft [verzoekster] door het ongeval echter ook nog als letsel dat zij het zicht aan één oog heeft verloren.\n\n4.39.. Voor de vraag in hoeverre er ruimte is voor nadere bevoorschotting zal de rechtbank aan de hand van de Rotterdamse Schaal beoordelen voor hoeveel smartengeld [verzoekster] op dit moment minimaalin aanmerking zal komen. Naar het oordeel van de rechtbank kan worden aangenomen dat [verzoekster] , zelfs indien wordt uitgegaan van een indeling in de categoriemiddelzwaar hersenletsel subcategorie II, dus de lagere categorie waarvan HDI uitgaat, ook dan in aanmerking zal komen voor een bedrag dat de € 50.000 (het thans uitgekeerde voorschot op deze schade) ruimschoots zal overstijgen. Hiertoe is het volgende redengevend.\n\n4.40.. Als wordt uitgegaan van deze laagste (sub)categorie dienen volgens de Rotterdamse Schaal diverse concreet benoemde factoren in aanmerking te worden genomen bij het bepalen van de omvang van het smartengeld. Vele van de genoemde factoren spelen in [verzoekster] ’s geval een rol. Voor [verzoekster] is (in schade verhogende zin) in elk geval relevant de jonge leeftijd waarop het ongeval plaatsvond ( [verzoekster] was pas acht jaar), de ernst van het initiële letsel (waaronder een coma, een hersenoperatie, langdurige ziekenhuisopname en revalidatie) en het feit dat [verzoekster] meerdere vervolgoperaties heeft moeten ondergaan en hierdoor ook een schooljaar heeft gemist. Daarnaast is bij [verzoekster] evident sprake van blijvende klachten, waaronder hoofdpijn, concentratie- en vermoeidheidsproblemen, gevoelsstoornissen aan het hoofd, littekens en beperkingen in energieverwerking. Ook zijn er aanwijzingen voor psychische gevolgen en dat eén en ander een ingrijpende weerslag op het sociaal functioneren van [verzoekster] heeft gehad aslook op haar tijdsbesteding en de mogelijkheden tot het verrichten van arbeid of het volgen van een opleiding. Zo staat vast dat [verzoekster] de door haar beoogde loopbaan als danseres niet zal kunnen uitoefenen. Gelet op al deze factoren en omstandigheden acht de rechtbank aannemelijk dat het uiteindelijke bedrag aan smartengeld – als al zou blijken dat het hersenletsel van [verzoekster] zich daadwerkelijk in deze lagere subcategorie laat indelen (wat nog uit de te verwachten rapportages moet blijken) – in ieder geval aan de bovenkant van de bandbreedte voor deze subcategorie II moet aansluiten.\n\n4.41.. Daar komt bij dat vast staat dat [verzoekster] als gevolg van het ongeval het zicht aan één oog heeft verloren, hetgeen conform de Rotterdamse Schaal valt in categorie 3.1 Aantasting gezichtsvermogen, sub e ‘volledig verlies van het zicht in één oog’, met een bandbreedte van € 34.000 tot € 37.000 voor het smartengeld. Dit letsel vormt een zelfstandig relevante factor bij de begroting van immateriële schade, die op dit moment nog niet is meegenomen in de schadebegroting. Inmiddels hebben het Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel en Kanton (LOVCK), het Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel Hoven (LOVCH) en het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) aanbevelingen vastgesteld die een aanvulling vormen op de Rotterdamse schaal. De aanbevelingen worden per 1 januari 2026 gehanteerd door de Rechtspraak. Aanbeveling 5 is voor deze zaak relevant, nu daarin is opgenomen dat bij letsels die onafhankelijk van elkaar voorkomen (meervoudig letsel) wordt aanbevolen uit te gaan van het zwaarste letsel: dat weegt volledig mee; het in ernst tweede letsel weegt voor 50% mee. De aldus gevonden bedragen dienen te worden opgeteld. Het “derde” of volgende letsel weegt niet op dezelfde manier mee, maar kan als factor worden betrokken bij het vaststellen van de hoogte van het smartengeld. Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat, als partijen bij hun schadebegrotingen ook uitgaan van deze aanbevelingen, waar de rechtbank voor nu vanuit gaat, het oogletsel bij de begroting van het smartengeld voor 50% zal moeten worden betrokken en moet worden opgeteld bij het voor het hersenletsel te begroten bedrag.\n\n4.42.. Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank het door [verzoekster] gestelde totaalbedrag van € 100.000 (bepaald) niet onredelijk. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het gaat om een voorschot in het kader van een deelgeschil en dat de definitieve omvang van het smartengeld in een bodemprocedure kan worden vastgesteld. De rechtbank acht zoals hiervoor overwogen voldoende aannemelijk dat het uiteindelijke smartengeld ruimschoots hoger zal zijn dan het reeds betaalde bedrag, zodat het verzochte aanvullende voorschot van € 50.000 niet bovenmatig voorkomt en kan worden betrokken in de uiteindelijke optelsom van de schadeposten ter bepaling van het voorschot.\n\nVervoerskosten\n\n4.43.. \n [verzoekster] verzoekt daarnaast een voorschot voor gemaakte reiskosten. Zij begroot deze op € 197,34 over de periode van 13 september 2022 tot 17 oktober 2023 en op € 5.000,00 voor de periode van 17 oktober 2023 tot 1 november 2025. Volgens [verzoekster] zien deze kosten op de gereden kilometers in verband met bezoeken aan haar belangenbehartiger, medische behandelaars, expertises en The Class.4.44.. \n [verzoekster] heeft deze kosten echter onvoldoende gespecificeerd en onderbouwd. Zo ontbreekt inzicht in het totaal aantal gereden kilometers, de frequentie van de betreffende bezoeken en de wijze waarop de verzochte bedragen zijn berekend. Zonder nadere toelichting of onderliggende stukken kan de rechtbank niet beoordelen of en in hoeverre deze kosten redelijk en daadwerkelijk zijn gemaakt. Het verzochte voorschot voor vervoerskosten zal dus niet worden betrokken bij de optelsom van schadeposten ter bepaling van het voorschot.\n\nOpgenomen kosten vakantiedagen en overige kosten\n\n4.45.. Daarnaast verzoekt [verzoekster] een bedrag van € 1.350 ter zake van de opname van vakantiedagen door haar ouders over de periode van 14 september 2022 tot 17 oktober 2023. Deze post is echter onvoldoende gespecificeerd en onderbouwd. Zo ontbreekt inzicht in het aantal opgenomen dagen, de noodzaak daarvan en de wijze waarop het verzochte bedrag is berekend. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat sprake is van vergoedbare schade. Ook dit bedrag zal dus niet worden betrokken bij de optelsom.\n\nMedische kosten\n\n4.46.. De kosten van het eigen risico over de jaren 2022 en 2023 komen voor vergoeding in aanmerking. Het gaat hier om bedragen van € 338,02 respectievelijk € 385. Deze kosten zijn voldoende onderbouwd met overgelegde zorgnota’s en staan in causaal verband met het ongeval. Bovendien heeft HDI deze kosten niet betwist. De rechtbank zal deze posten daarom betrekken in de optelsom van schadeposten ter bepaling van het voorschot.\n\nTotaal toe te wijzen voorschot\n\n4.47.. Volgens de schadestaat van 13 september 2022 bedraagt de schade tot die datum € 186.862,05. Deze schade is tussen partijen niet in geschil en bestaat uit de volgende posten:\n\nSchadepost\n\nBedrag\n\nZaakschade\n\n€ 2.582,84\n\nDagvergoeding ziekenhuis e.d.\n\n€ 2.171,00\n\nMedische kosten\n\n€ 360,38\n\nTelefoonkosten\n\n€ 325,07\n\nVerblijfskosten ouders\n\n€ 500,00\n\nVervoerskosten\n\n€ 8.107,41\n\nMantelzorg en begeleiding\n\n€ 91.251,63\n\nOpname vakantiedagen ouders\n\n€ 2.900,00\n\nVerlies van arbeidsvermogen\n\n€ 18.923,72\n\nStudievertraging\n\n€ 5.490,00\n\nOverige schade\n\n€ 4.250,00\n\nImmateriële schade (voorschot)\n\n€ 50.000,00\n\nTotaal\n\n€ 186.862,05\n\n4.48.. Daarnaast heeft de rechtbank vastgesteld dat [verzoekster] na 13 september 2022 nog minstensde volgende schade heeft geleden:\n\nSchadepost\n\nBedrag\n\nVerlies van verdienvermogen (1 sept. 2022 – 14 dec. 2023)\n\n€ 35.633,83\n\nVerlies van verdienvermogen (14 dec. 2023 – 1 jan. 2026)\n\n€ 25.765,00\n\nZorgschade\n\n€ 20.280,00\n\nAanvullend smartengeld\n\n€ 50.000,00\n\nMedische kosten (ER 2022 en ER 2023)\n\n€ 723,02\n\nTotaal\n\n€ 132.401,85\n\n4.49.. De totale schade van [verzoekster] tot en met 2025 bedraagt daarmee minimaal € 319.263,90.4.50.. Op dit bedrag strekt in mindering het reeds door HDI betaalde voorschot van € 256.000,00. Het nog openstaande bedrag aan schade komt daarmee uit op € 63.263,90. Hiermee is voldoende aannemelijk dat de schade van [verzoekster] de door HDI betaalde voorschotten in aanzienlijke mate overstijgt, zoals vereist voor toewijzing van een aanvullend voorschot in deze deelgeschilprocedure. De rechtbank zal daarom een aanvullend voorschot van € 63.263,90 toewijzen.\n\nKosten deelgeschil\n\n4.51.. De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Bij de begroting van de kosten moet de rechtbank de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) in aanmerking nemen. Daarbij moet de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.\n\n4.52.. \n [verzoekster] heeft verzocht HDI te veroordelen in de kosten van het deelgeschil. [verzoekster] heeft deze kosten begroot op een bedrag van € 5.965,30 inclusief btw te vermeerderen met griffierecht. Dit bedrag bestaat uit 17 uur tegen een tarief van € 290 (exclusief btw).\n\n4.53.. HDI heeft geen (afzonderlijk) verweer gevoerd tegen het aantal uren. Met betrekking tot het uurtarief heeft HDI aangevoerd dat het uurtarief van € 290,00 te hoog is en dat een bedrag van € 245,00 per uur volstaat voor een kwestie als deze.\n\n4.54.. De rechtbank acht het aantal uren gelet op de gemiddelde complexiteit en de omvang van het dossier redelijk. Dat geldt evenzeer voor de hoogte van het uurtarief, gelet op de ervaring en specialisatie van mr. Boer. De redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de rechtbank dan ook worden begroot op 17 uren × € 290,00 exclusief btw, dus op € 5.965,30 inclusief btw te vermeerderen met het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 90,00. HDI. zal tot betaling daarvan aan [verzoekster] worden veroordeeld.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n5.1.. verklaart [verzoekster] niet ontvankelijk in haar verzoek tot betaling van een voorschot jegens Dekra,\n\n5.2.. bepaalt dat HDI aan [verzoekster] bij voorschot voor haar schade binnen twee weken na heden een bedrag van € 63.263,90 uitkeert;\n\n5.3.. begroot de kosten van dit deelgeschil op € 5.965,30 inclusief btw te vermeerderen met het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 90,00 en veroordeelt HDI tot betaling daarvan aan [verzoekster] ,\n\n5.4.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. S.A.M. Groot, rechter, bijgestaan door mr. S.D. Gerick, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3209","2026-03-31T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:55.835Z",1,20]