[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-amsterdam-planning-and-zoning-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":41,"limit":42},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},56,"Amsterdam","nl","amsterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},91,"planning-and-zoning-nl","Planning and Zoning","NL","2026-07-08T16:55:59.488Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2026-04-20T00:00:00.000Z","2026-05-29T00:00:00.000Z",[],[22,33],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"1563","ECLI:NL:RBAMS:2026:5582","ecli-nl-rbams-2026-5582","","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: AMS 25\u002F2250 en 25\u002F2549uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 mei 2026 in de zaken tussen\n\n1. [eiseres]uit [woonplaats], eiseres (AMS 25\u002F2250)\n\n2. [eiser]uit [woonplaats], eiser (AMS 25\u002F2549)\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amstelveen,verweerder, hierna: het college\n\n(gemachtigde: mr. J.P.H. de Bruijn).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaken deel: Eigen Haard uit Amsterdam, vergunninghouder\n\n(gemachtigde: [gemachtigde]).\n\nProcesverloop\n\n1.1.. Vergunninghouder heeft op 26 juli 2024 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van 42 nieuwbouwappartementen op de [adres].\n\n1.\n\n1.2.. Met een besluit van 21 oktober 2024 heeft het college aan vergunninghouder de gevraagde omgevingsvergunning verleend voor een zogenaamde ‘omgevingsplanactiviteit bouwwerken’ en ‘de technische bouwactiviteit’. Het college heeft de aanvraag – voor zover hier van belang – getoetst aan het omgevingsplan van de gemeente Amstelveen (het omgevingsplan), en het bestemmingsplan ‘Amstelveen Noord-Oost’ (het bestemmingsplan), het ‘Paraplubestemmingsplan wonen’ en het ‘Paraplubestemmingsplan Schipholparkeren en Parkeernormen’ als onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Het bouwplan is in strijd met artikel 34.2.1, aanhef en onder b, van het bestemmingsplan, omdat het de bouwhoogte van 12 meter met 0,46 meter overschrijdt. Volgens het college voldoet het bouwplan aan de voorwaarden voor het binnenplans kunnen afwijken als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onder a, van het bestemmingsplan. Eisers hebben afzonderlijk tegen dit besluit bezwaar gemaakt.\n\n1.3.. De bezwaarschriftencommissie heeft geadviseerd het bestreden besluit te herroepen, omdat de omgevingsvergunning gebreken bevat ten aanzien van de onderdelen bestaande parkeerplaatsen, parkeren op eigen terrein, verkeersveiligheid en strijdigheid met de bestemming ‘Groen’. Met twee afzonderlijke bestreden besluiten van 11 maart 2025 op de bezwaren van eisers heeft het college de bezwaren van eisers ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning – onder aanvulling van de motivering – in stand gelaten. Het college volgt het advies van de bezwaarschriftencommissie voor zover dit betrekking heeft op de onderdelen parkeren op eigen terrein, verkeersveiligheid en de strijdigheid met de bestemming ‘Groen’. Volgens het college kunnen deze gebreken in bezwaar worden hersteld. Zo is het project in strijd met het bestemmingsplan, omdat het gebruik als ‘parkeerterrein’ op grond van artikel 12.3.1, onder d, van het bestemmingsplan niet is toegestaan. Het college verleent daarom alsnog de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, omdat het gebruiken van de gronden als parkeervoorziening in overeenstemming is met het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het advies van de commissie ten aanzien van het onderdeel bestaande parkeerplaatsen, wordt niet overgenomen.\n\n1.4.. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de aan hen gerichte bestreden besluiten.\n\n1.5.. Eiseres heeft de voorzieningenrechter daarnaast verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 25 april 2025 afgewezen.\n\n1.6.. Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouder heeft ook schriftelijk gereageerd.\n\n1.7.. De rechtbank heeft de beroepen op 20 april 2026 gezamenlijk op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, mr. R.N. Ionescu namens het college, de gemachtigde van het college en de gemachtigde van vergunninghouder.\n\nJuridisch kader\n\n2. Het juridisch kader dat van belang is voor deze uitspraak is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De rechtbank oordeelt daarom niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.\n\nBestemming ‘Woon-Woonzorg’\n\n4.1.. Eiseres voert aan dat in het bestreden besluit niet wordt ingegaan op haar standpunt over de bestemming ‘Woon-woonzorg’. Sociale huurwoningen zonder zorgdoeleinde(n) vallen niet onder deze bestemming. Bij het plan is er geen onderdeel voor ‘medische en sociale zorg’. Er worden enkel sociale huurwoningen gerealiseerd voor senioren met een lichte zorgbehoefte (trede 1 tot en met 3). Deze zorgbehoeften kunnen vervuld worden met zorg uit de Wmo. De beoogde nieuwbouwwoningen zijn echter niet anders dan andere reguliere sociale huurwoningen. Er wordt dus geen zorg aangeboden in het complex, op welke wijze dan ook. Dit is in strijd met het bestemmingsplan, aldus eiseres.\n\n4.2.. De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 34.1, aanhef en onder a, van het bestemmingsplan staat dat gronden met deze bestemming onder meer zijn bestemd voor gebouwen ten behoeve van woondoeleinden en zorgdoeleinden (in de vorm van medische en sociale zorg). Wat er ook van het standpunt van eiseres zij, met het “Paraplubestemmingsplan wonen” is op grond van artikel 3.1 van de planregels aan de bestemmingsomschrijving van artikel 34.1 van het bestemmingsplan, voor zover nog niet aanwezig, toegevoegd woningen ten behoeve van het wonen. Anders dan eiseres stelt, is dus geen sprake van strijd met de bestemming ‘Woon-Woonzorg’. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nBouwhoogte\n\n5.1.. Eisers voeren aan dat het college ten onrechte heeft geconcludeerd dat de maximale bouwhoogte met 0,46 meter wordt overschreden. Volgens het bestemmingsplan mag het bouwvlak voor niet meer dan 90% bebouwd worden met een maximale bouwhoogte van 90%. Bij een maximale bouwhoogte van twaalf meter is dat 10,80 meter, aldus eisers. De beoogde bouwhoogte van de nieuwbouwwoningen is 12,46 meter. Dit betekent dat de bouwhoogte 1,66 meter hoger is dan het bestemmingsplan toestaat en niet voldaan wordt aan de voorwaarden voor binnenplans afwijken.\n\n5.\n\n5.2.. De rechtbank stelt vast dat het bestemmingsplan een maximale bouwhoogte van twaalf meter toestaat en de beoogde nieuwbouwwoningen 12,46 meter hoog zijn. De maximale bouwhoogte van 90% waar eisers op doelen, staat alleen – en volgens het college ten onrechte – in de toelichting van het bestemmingsplan. Het is vaste rechtspraak dat aan de toelichting behorende bij het bestemmingsplan geen juridisch bindende betekenis toekomt. De toelichting kan dan ook niet dienen als toetsingskader voor de beoordeling of een aanvraag om een omgevingsvergunning in strijd is met het bestemmingsplan.De bestemmingen en aanduidingen die op de verbeelding zijn aangegeven en de daarbij behorende regels zijn bepalend. Als een planregel op zichzelf niet duidelijk is, ook niet in samenhang met andere planregels, dan pas komt betekenis toe aan de toelichting bij het bestemmingsplan.De rechtbank is van oordeel dat de aanduiding op de verbeelding en de planregels in dit geval voldoende duidelijk zijn. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nBestemming ‘Groen’\n\n6.1.. Eisers voeren verder aan dat de parkeerplaatsen met nummers [nummers] grotendeels geprojecteerd zijn op de bestemming ‘Groen’ terwijl dat volgens het bestemmingsplan niet is toegestaan. Het college heeft de afwijking van het bestemmingsplan onvoldoende gemotiveerd. Een parkeerplek valt, anders dan het college stelt, niet onder dezelfde noemer als een ‘ondergeschikte verharding’. Verder heeft het college het belang van de bouw ten onrechte zwaarder laten wegen dan het behoud van de groenstrook. Omdat de groenvoorzieningen in de gemeente al sterk afnemen, kunnen er problemen ontstaan met afwatering. Verder kan ook het verkeersadvies met de gewijzigde situatie als vervat in bijlage 3 niet in ongewijzigde vorm aan het besluit ten grondslag worden gelegd. Deze conclusie noopt tot nadere onderzoeken, die voorafgaand aan het bestreden besluit hadden moeten worden onderzocht.\n\n6.\n\n6.2.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college het belang van het appartementencomplex met voldoende parkeergelegenheid zwaarder mogen laten wegen dan het belang van behoud van de groenstrook. Het college heeft voldoende toegelicht dat van een waardevolle groenstrook geen sprake is. Het deel van het terrein is feitelijk ingericht als grasveld en is lange tijd gebruikt als tijdelijk en onverhard parkeerterrein. Ondergeschikte verhardingen, parkeervoorzieningen, paden en speelvoorzieningen zijn op grond van het bestemmingsplan al toegestaan. De groenstrook is dus niet per definitie uitgesloten van verhardingen. Bovendien zal door uitwisseling van verharding de oppervlakte aan groen nauwelijks afnemen. Verder heeft het college toegelicht dat er watercompensatie plaats zal vinden binnen het peilgebied van de waterbeheerder, waardoor het niet aannemelijk is dat er problemen zullen ontstaan met de afwatering. De rechtbank kan deze toelichting volgen. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nParkeren\n\nTijdelijk parkeerterrein\n\n7.1.. Eisers voeren verder aan dat niet wordt voldaan aan de ‘Nota parkeernormen Amstelveen 2021’ (hierna: Nota parkeernormen). In de Nota parkeernormen staat dat een nieuw bouwinitiatief geen parkeerproblemen mag veroorzaken of vergroten. Er wordt in het bouwplan geen rekening gehouden met het vervallen van parkeergelegenheid voor minstens 50 auto’s.\n\n7.\n\n7.2.. De rechtbank oordeelt dat het college geen rekening hoefde te houden met het vervallen van de door eisers bedoelde parkeerplaatsen. Zoals het college terecht heeft toegelicht, was parkeren op deze locatie niet toegestaan en heeft hij dit slechts tijdelijk gedoogd ten behoeve van de naastgelegen [club]. Het tijdelijke parkeerterrein voorzag niet in de normatieve parkeerbehoefte van de [club]. Het komen te vervallen van het tijdelijke parkeerterrein is primair het gevolg van de beëindiging van de gedoogsituatie en niet van het vergunde bouwplan. Het college was dan ook bevoegd om het parkeren op deze locatie, los van de bouwactiviteiten, niet langer te gedogen. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nParkeren op eigen terrein en verkeersveiligheid\n\n8.1.. Eisers voeren verder aan dat de 29 benodigde parkeerplekken volgens de Nota parkeernormen op eigen terrein moeten worden gerealiseerd. Op de nieuwe situatietekeningen zijn slechts 22 parkeerplekken voorzien op eigen terrein. De overige zeven parkeerplekken worden op gemeentegrond gerealiseerd. Er is door het college onvoldoende gemotiveerd dat van de vereisten uit de Nota parkeernormen kan worden afgeweken. Eisers voeren verder aan dat door de inrichting van de parkeerplaatsen met nummers 28 en 29 een verkeersonveilige situatie ontstaat. Door de inrichting van de twee parkeerplekken, wordt het zicht beperkt als je vanuit het parkeerterrein de straat in rijdt. Verder kunnen de bewoners van de nieuwbouw ook niet anders dan over het trottoir met de fiets bij het gebouw komen, wat eveneens voor onveilige situaties zorgt.\n\n8.\n\n8.2.. De rechtbank oordeelt dat uit de Nota parkeernormen niet volgt dat alle parkeerplekken op eigen terrein moeten worden gerealiseerd. Uit de Nota parkeernormen volgt dat elke initiatiefnemer van (bouw)plannen zorg moet dragen voor het realiseren van voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein. Als de realisatie van de benodigde parkeerplaatsen op eigen terrein niet mogelijk blijkt, moet de initiatiefnemer met een voorstel komen hoe de parkeerbehoefte opgelost kan worden in de openbare ruimte. Het voorstel mag niet op stedenbouwkundige of verkeerskundige bezwaren stuiten. In het bestreden besluit heeft het college toegelicht dat het realiseren van de parkeerplekken op openbaar terrein niet op stedenbouwkundige of verkeerskundige bezwaren stuit. Het college heeft de in bezwaar ingebrachte versie van de situatietekening ter beoordeling voorgelegd aan de afdeling Verkeer, die het plan positief heeft beoordeeld. Zo volgt uit het bestreden besluit dat voor het in- en uitrijden van het terrein aan de oostkant van het gebouw voldoende zicht aanwezig is om veilig te kunnen uitrijden. De aansluiting aan de oostkant heeft geen doorgaand karakter, maar geeft toegang tot een parkeerkoffer. Daardoor liggen de rijsnelheden laag en zijn de verkeersbewegingen vergelijkbaar met een regulier parkeerterrein. De fietsenstalling blijft voor fietsers bereikbaar. Eisers hebben de conclusies van de afdeling Verkeer niet gemotiveerd weersproken en geen tegenadvies van een deskundige overgelegd. De rechtbank ziet ook verder geen reden om aan de conclusies van de afdeling Verkeer te twijfelen. Verder omvat de omgevingsvergunning niet de toestemming om op het trottoir te fietsen of om voertuigen op het trottoir te parkeren. Het college hoefde met dergelijke overlast bij de vergunningverlening daarom geen rekening te houden.De beroepsgrond slaagt niet.\n\n8.3.. Om eventuele zorgen bij eisers weg te nemen, heeft het college op de zitting toegezegd nogmaals te kijken naar de situatie ter plaatse om te bezien of het nodig is iets aan de verkeerssituatie te veranderen.\n\nZonlicht\n\n9.1.. Eiser voert aan dat het bouwplan leidt tot verlies aan zonlicht in zijn appartement.\n\n9.\n\n9.2.. Zoals hiervoor overwogen volgt uit artikel 34.2.1 van het bestemmingsplan en de aanduiding op de verbeelding dat een gebouw van 12 meter op deze locatie al is toegestaan. Bij de beoordeling van eventuele schaduwhinder dient daarom op grond van vaste rechtspraak uit te gaan van een vergelijking van het bouwplan met de op grond van het bestemmingsplan toegestane bouwmogelijkheden.Uit het dossier blijkt dat op 27 juli 2024 en op 19 december 2024 een zonnestudie is uitgevoerd. In de zonnestudie van 19 december 2024 is een vergelijking gemaakt tussen de planologische maximale mogelijkheden, zijnde een gebouw van 12 meter, en de nieuwe situatie, zijnde een gebouw van 12,46 meter. Uit deze zonnestudie volgt dat er geen verschil is in bezonning ter plaatse van de woning van eiser. Dit betekent dat er geen sprake is van een toename van schaduwwerking als gevolg van het bouwplan ten opzichte van wat ter plaatse planologisch maximaal is toegestaan. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nMocht het college de omgevingsvergunning verlenen?\n\n10. Gelet op het voorgaande heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bouwplan voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het college heeft de belangen van vergunninghouder bij verlening van de vergunning zwaarder kunnen laten wegen dan de door eisers genoemde belangen. Dit betekent dat het college de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen.\n\nConclusie\n\n11. De beroepen zijn ongegrond. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, rechter, in aanwezigheid van mr.I.N. van Soest, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 29 mei 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening te treffen.\n\nBijlage: juridisch kader\n\nMet de inwerkingtreding van de Omgevingswet (Ow) op 1 januari 2024 heeft elke gemeente van rechtswege een omgevingsplan dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het hele grondgebied van de gemeente. Voor het perceel van vergunninghouder was vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan “Amstelveen Noord-Oost” van kracht. Dat bestemmingsplan maakt nu deel uit van het (tijdelijk deel van het) Omgevingsplan gemeente Amstelveen.\n\nArtikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow bepaalt dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. Een omgevingsplanactiviteit is – voor zover hier van belang – een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het verboden is deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die wel of niet in strijd is met het omgevingsplan. Op grond van artikel 22.26 van het omgevingsplan is het verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.\n\nIn het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de beoordelingsregels opgenomen voor een aanvraag om een omgevingsplanactiviteit. In artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl staat dat de omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit wordt verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning. Op grond van artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl, wordt, voor zover een aanvraag betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.\n\nUit artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, van het Omgevingsplan volgt – voor zover hier van belang – dat de omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk alleen wordt verleend als de activiteit niet in strijd is met de in het Omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken.\n\nIn artikel 22.280 van het Omgevingsplan is bepaald dat, voor zover voor een activiteit in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van daarbij aangegeven regels, deze bepaling geldt als verbod om de activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten.\n\nIn artikel 22.281 van het Omgevingsplan is bepaald dat, voor zover de in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet gestelde regels over het voor een activiteit als bedoeld in artikel 22.280 bij omgevingsvergunning afwijken van regels in dat tijdelijke deel de verplichting bevatten om als de activiteit niet in strijd is met die regels de omgevingsvergunning te verlenen, deze verplichting wordt gelezen als een bevoegdheid.\n\n ECLI:NL:RBAMS:2025:2704.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 22 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1736.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:360.\n\n Zie bijv. de uitspraak van de Afdeling van 23 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:235.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 17 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2579.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:5582","2026-06-04T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:27.291Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":39,"parsedAt":31,"updatedAt":40},"1009","ECLI:NL:RBAMS:2026:4662","ecli-nl-rbams-2026-4662","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AMS 25\u002F2084\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 20 april 2026 in de zaak tussen\n\nHuurdersvereniging [naam] , te [plaats] , eiseres\n\n(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. L.C. van Elewoud).\n\nAls derde-partij neemt aan het geding deel [bedrijf] te Amsterdam.\n\nPartijen zullen hierna respectievelijk de Huurdersvereniging, het college en [bedrijf] worden genoemd.\n\nSamenvatting\n\n1. In deze uitspraak komt de rechtbank tot de conclusie dat het gebrek dat is vastgesteld in de tussenuitspraak is hersteld. Het college heeft [bedrijf] de gelegenheid gegeven om alsnog de verplichte participatie uit te voeren. De aan [bedrijf] verleende omgevingsvergunning kan in stand blijven met de aanvullende motivering van het college.\n\n1.1. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot deze conclusie komt.\n\nProcesverloop\n\n2. [bedrijf] exploiteert een horecazaak met een terras op het adres [adres 1] . Op 13 maart 2024 heeft [bedrijf] een omgevingsvergunning aangevraagd voor het wijzigen van het gebruik voor een onbebouwd horecaterras op het perceel [adres 1] . Met de aanvraag wil [bedrijf] het bestaande horecaterras legaliseren en vergroten voor wat betreft het onbebouwde deel met een breedte van 6 meter en een diepte van 1,88 meter.\n\n2.1. Met het primaire besluit van 24 juli 2024 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend.\n\n2.2. In het bestreden besluit van 14 februari 2025 op het bezwaar van de Huurdersvereniging heeft het college de omgevingsvergunning gehandhaafd.\n\n2.3. Op 26 maart 2025 heeft het college de beslissing op bezwaar van 14 februari 2025 gewijzigd door de oorspronkelijke tekening die onderdeel is van de omgevingsvergunning te vervangen door een aangepaste tekening.\n\n2.4. De Huurdersvereniging heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.5. De rechtbank heeft het beroep op 9 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van de Huurdersvereniging, de gemachtigde van het college en tot slot [persoon 1] en [persoon 2] , aandeelhouders van [bedrijf].\n\n2.6. In de tussenuitspraak van 20 november 2025 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek - het ontbreken van verplichte participatie - in het bestreden besluit te herstellen.\n\n2.7. Het college heeft in reactie op de tussenuitspraak [bedrijf] in de gelegenheid gesteld om alsnog de verplichte participatie uit te voeren. [bedrijf] heeft daarvan gebruik gemaakt, waarna het college in de brief van 30 januari 2026 heeft geconcludeerd dat op voldoende wijze is geparticipeerd door [bedrijf] en dat de belangenafweging die ten grondslag ligt aan het bestreden besluit ongewijzigd blijft.\n\n2.8. De Huurdersvereniging heeft hier op 20 februari 2026 schriftelijk op gereageerd.\n\n2.9. De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.\n\nOverwegingen\n\n3. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.\n\n3.1. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geconcludeerd dat er geen participatie heeft plaatsgevonden bij de voorbereiding van de aanvraag. Omdat de uitkomst van participatie mee kan wegen in de belangenafweging die verricht moet worden bij de buitenplanse omgevingsvergunning, had het college [bedrijf] alsnog in de gelegenheid moeten stellen de verplichte participatie uit te voeren. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld dit gebrek te herstellen.\n\n3.2. Het college heeft ter uitvoering van de tussenuitspraak laten weten dat [bedrijf] op 15 december 2025 een bewonersbrief heeft verspreid op meerdere adressen in de [adres 2] en de [adres 3] . Daarnaast is in het restaurant van [bedrijf] duidelijk zichtbaar een bewonersbrief aangeplakt. Na afloop van de reactietermijn zoals opgenomen in de bewonersbrief, heeft [bedrijf] een participatieplan geschreven, waaruit volgt dat er geen reactie is ontvangen op de verspreide en aangeplakte bewonersbrieven. Het college heeft de bewonersbrief en het participatieplan overgelegd.\n\n3.3. De Huurdersvereniging voert in de zienswijze kort gezegd aan dat er te laat, te weinig en onvoldoende is geparticipeerd. Volgens haar is de herstelpoging van het college niet geslaagd. Daarnaast wijst de Huurdersvereniging erop dat, ondanks de discussie op zitting en de tussenuitspraak, er toch een bebouwd terras is gerealiseerd.\n\nWel of geen bebouwd terras?\n\n3.4. Volgens de Huurdervereniging heeft [bedrijf] een terras gebouwd, ook al staat in de aanvraag om een omgevingsvergunning dat het gaat om een onbebouwd terras. Dit is in strijd met het geldende bestemmingsplan en hiervoor is geen omgevingsvergunning verleend. Ter illustratie heeft de Huurdersvereniging een foto van het terras ingebracht. De Huurdersvereniging verzoekt de rechtbank de omgevingsvergunning op deze grond te vernietigen.\n\n3.5. De rechtbank stelt vast dat de Huurdersvereniging hiermee, deels in andere bewoordingen, heeft herhaald wat zij al eerder in deze procedure naar voren heeft gebracht. Hierover heeft de rechtbank zich al uitgelaten in de tussenuitspraak. De rechtbank kan behalve in zeer uitzonderlijke gevallen niet terugkomen van zo'n in de tussenuitspraak gegeven oordeel. De rechtbank is van oordeel dat zich hier niet zo'n zeer uitzonderlijk geval voordoet. Dat betekent dat de rechtbank niet terugkomt van haar oordeel in de tussenuitspraak. Indien de realisatie van het terras volgens de Huurdersvereniging afwijkt van wat door het college is vergund, kan de Huurdersvereniging een verzoek om handhaving indienen. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nIs de hersteltermijn overschreden?\n\n3.6. Volgens de Huurdersvereniging heeft het college het gebrek te laat hersteld, namelijk niet binnen de termijn van acht weken na verzending van de tussenuitspraak.\n\n3.7. De rechtbank stelt vast dat het college het gebrek inderdaad niet binnen de geboden termijn heeft hersteld. De tussenuitspraak is verzonden op 21 november 2025, zodat de hersteltermijn van acht weken eindigde op 16 januari 2026. Op 30 januari 2026 heeft de rechtbank de aanvullende motivering van het college ontvangen. Het college heeft niet om verlenging van de hersteltermijn verzocht.\n\n3.8. De rechtbank overweegt dat de gegeven termijn in de tussenuitspraak een bindende termijn is. De Algemene wet bestuursrecht verbindt daar echter niet de conclusie aan dat de rechtbank gehouden is de nadere motivering steeds buiten beschouwing te laten als deze na die termijn wordt ingediend. Het is aan de rechtbank om te bepalen, mede gelet op de voortgang van het beroep, of de nadere motivering in de beoordeling van het beroep wordt betrokken. In dit geval heeft de rechtbank het onderzoek niet direct na het verstrijken van de geboden hersteltermijn gesloten en is de aanvullende motivering vóór sluiting van het onderzoek ontvangen. Verder heeft de Huurdersvereniging de mogelijkheid gekregen om inhoudelijk op de aanvullende motivering van het college te reageren. De Huurdersvereniging is door de termijnoverschrijding dan ook niet in haar belangen geschaad. Gelet op het voorgaande en met het oog op een efficiënte beslechting van het voorliggende geschil, ziet de rechtbank geen aanleiding om de aanvullende motivering buiten beschouwing te laten.\n\n3.9. Volgens de Huurdersvereniging is het college ook om andere redenen te laat met het herstelbesluit. Zowel na het indienen van de aanvraag als in de bezwaarfase had het college [bedrijf] erop kunnen wijzen dat de verplichte participatie ontbrak en dat deze alsnog uitgevoerd moest worden.\n\n3.10. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Het is juist dat het college [bedrijf] er eerder op had kunnen wijzen dat de verplichte participatie ontbrak. Dat is op dit moment echter een gepasseerd station. Aangezien de rechtbank in de tussenuitspraak het college in de gelegenheid heeft gesteld dit gebrek te herstellen, is nu niet aan de orde dat het college [bedrijf] eerder in de gelegenheid had moeten stellen om de verplichte participatie uit te voeren. De rechtbank gaat daarom aan deze beroepsgrond voorbij.\n\nIs het gebrek hersteld?\n\n3.11. Volgens de Huurdersvereniging is het gebrek niet hersteld. [bedrijf] heeft de kring van participanten te klein gehouden door zich te beperken tot de directe buren en de klanten die de horecazaak bezoeken. Verder is onvoldoende gevolg gegeven aan de Participatiehandreiking, omdat er geen online enquête is gehouden, omwonenden en bedrijven niet zijn aangeschreven en er geen informatieavond is georganiseerd. Tot slot wijst de Huurdersvereniging erop dat in het participatieverslag niets terug te vinden is van de bezwaren die bij de Huurdersvereniging leven. [bedrijf] heeft de Huurdersvereniging ten onrechte niet betrokken in het participatieproces.\n\n3.12. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak vastgesteld dat op grond van het Aanwijzingsbesluit elke vorm van participatie voldoende is, waarbij de Participatiehandreiking als hulpmiddel kan worden gebruikt. Verder heeft de rechtbank in de tussenuitspraak overwogen dat [bedrijf] de omgeving had moeten raadplegen, waarbij het volgens de Participatiehandreiking gaat om het verzamelen van reacties, ideeën en meningen van directe buren, omwonenden en ondernemers in de buurt. De rechtbank is van oordeel dat [bedrijf] met het verspreiden van een brief onder de directe buren en omwonenden alsmede met het aanplakken van diezelfde brief in het restaurant, op juiste wijze gevolg heeft gegeven aan de Participatiehandreiking. Er bestond geen verplichting om de Huurdersvereniging actief in het participatieproces te betrekken. De bezwaren van de Huurdersvereniging waren bovendien al bij [bedrijf] bekend. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\n3.13. De Huurdersvereniging heeft verder aangevoerd dat de bewonersbrief misleidend is, omdat er niet in wordt genoemd dat het gaat om een horecaterras in strijd met het bestemmingsplan en er niet in staat dat de participatie onderdeel is van een legalisatietraject. Ook heeft [bedrijf] zich volgens de Huurdersvereniging niet gehouden aan de opdracht door in de bewonersbrief een tweede participatie te starten voor een ander terras. De bewonersbrief had daardoor geen eenduidig doel.\n\n3.14. De rechtbank is van oordeel dat van misleiding geen sprake is. Participatie is erop gericht om bewoners en ondernemers te informeren en te betrekken bij projecten die impact hebben op hun directe leefomgeving en vindt normaal gesproken plaats voordat een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt ingediend. Het is vervolgens aan het college om de aanvraag juridisch te duiden en te beoordelen. Dat het horecaterras in strijd is met het bestemmingsplan hoefde in de bewonersbrief dan ook niet te worden vermeld. Dat de verplichte participatie in het kader van deze procedure plaatsvindt na indiening van de aanvraag betekent niet dat [bedrijf] deze informatie wel moest delen. Verder stond het [bedrijf] vrij om in de bewonersbrief ook te vragen wat de directe omgeving vindt van een mogelijke toekomstige uitbreiding van het terras. Daarover heeft [bedrijf] in de brief helder gecommuniceerd dat deze uitbreiding nog niet is aangevraagd en dat zij eerst wil kijken hoe de directe omgeving hierover denkt. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\n3.15. Tot slot wijst de Huurdersvereniging erop dat uit de aanvullende motivering van het college niet blijkt wie de participatie heeft beoordeeld en of deze persoon deskundig en bevoegd is te besluiten of de participatie voldoende en overeenkomstig de Participatiehandreiking is uitgevoerd.\n\n3.16. De rechtbank stelt vast dat de aanvullende motivering is ondertekend namens het college, dat bevoegd is om het bestreden besluit te nemen, te wijzigen en aan te vullen. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank aan de formele vereisten voldaan en is geen sprake van een bevoegdheidsgebrek.\n\n3.17. De rechtbank concludeert dat het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek is hersteld doordat [bedrijf] alsnog de verplichte participatie heeft uitgevoerd en het college dit alsnog bij het bestreden besluit heeft betrokken. Er zijn tijdens de participatieperiode geen reacties ontvangen, waarna het college heeft geconcludeerd dat de belangenafweging in het bestreden besluit niet anders zou zijn geweest als het participatieplan van [bedrijf] direct bij het indienen van de aanvraag om een omgevingsvergunning zou zijn overgelegd. Deze conclusie kan de rechtbank volgen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n4. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit vanwege het ontbreken van verplichte participatie. Omdat het college in zijn reactie op de tussenuitspraak en de aanvullende motivering van 30 januari 2026 het gebrek heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.\n\n4.1. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan de Huurdersvereniging het door haar betaalde griffierecht vergoeden.\n\n4.2. De Huurdersvereniging krijgt ook een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Het college moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2,5 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus) met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 2.335,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit;\n\n- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;\n\n- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 385,- aan de Huurdersvereniging te vergoeden;\n\n- veroordeelt het college in de proceskosten van de Huurdersvereniging tot een bedrag van € 2.335,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.W. Speksnijder, voorzitter, en mr. A.M. van der Linden-Kaajan en mr. J.W. Vriethoff, leden, in aanwezigheid van mr. M.M. Mazurel, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2026.\n\nDe griffier is verhinderd\n\nde uitspraak te ondertekenen.\n\n voorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4662","2026-05-13T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:58.790Z",1,20]